12

TWEE VOLWASSENEN EN EEN KIND IN EEN TUINHUISJE, DAT gaat niet, het is veel te klein.

‘Is er al sprake van dat u een huis kunt betrekken?’ vraagt onze gastvrouw nu elke dag.

En dus gaan we, met het kind in de wieg, als Jozef en Maria op zoek naar een huis. Al bij de eerste gelegenheid verklaart Jan: ‘Dat nemen we!’

Maar het huis is klein en donker als een kelder. Ik zou nu juist zo graag iets lichts en moois hebben, voor het kind! We lopen door een zonovergoten straat die naar het meer leidt. Daar blijf ik staan.

‘Hier zou ik wel willen wonen!’ zeg ik vastbesloten.

‘Je raaskalt,’ werpt Jan me tegen. ‘Hier staan alleen maar luxueuze villa’s!’ Maar aan het eind van de straat ontdek ik een huis waarvan de tuin bijna aan het water grenst. Het staat nog in de steigers en het ziet ernaar uit dat het nog lang niet klaar is.

‘Alsjeblieft Jan, laten we gewoon even vragen...’

Jan geeft toe, hoewel hij het een volkomen onzinnig initiatief vindt. In het huis woont een familie Jakob.

Een goed teken! De familie is juist bezig de zolderverdieping uitte breiden voor hun zoon, die er over een jaar of twee wil gaan wonen. Tot die tijd staat het huis leeg.

We krijgen het huis, drie kamers met keuken, bad en uitzicht op het meer, maar zonder kalk of verf aan de muren. Dus stroop ik de mouwen maar weer eens op en hang draperieën op, plaats hier en daar kleurige houten vogels, droogbloemen, speelgoed en teddyberen, - ik maak er een geweldige woning van. We wonen er een half jaar, en ik doe alsof ik de eigenares ben - een sprookje: man, kind en een mooi huis.

De herfst is in aantocht en we moeten verder, naar Oostenrijk, naar Graz, naar Wenen, naar Keulen, naar Frankfort. In de winter wonen we in een vakantiehuis in Spanje. Daar leert Jakob lopen en zegt hij zijn eerste woord: adios. Daarna gaan we naar Sicilië, waar de mensen Jakob Angelo noemen, omdat hij van die mooie blonde krullen heeft. In Wenen vieren we met mijn moeder zijn eerste verjaardag.

Jakob is niet gedoopt. Jan heeft er nooit op aangedrongen. Als geen andere mens die ik ken is het hem gelukt het joodse en christelijke met elkaar te combineren. Soms beweert hij zelfs joodser te zijn dan ik! Met mijn moeder hebben we het nooit over godsdienst. Ik heb de indruk dat ze sinds de oorlog het gevoel heeft van God verlaten te zijn.

We hebben gewoon alle feesten gevierd met Jakob: de joodse en de christelijke.

Vier jaar lang trekken we nu al met Jakob rond, we wonen in hotels. We zijn voortdurend op doorreis en zijn overal te gast. Ik ben weer aan het werk gegaan en neem het kind altijd met me mee.

In Kopenhagen hebben we een fantastisch aanbod aangenomen. Jan moet daar een opera van Sjostakovitsj ensceneren, Katharina Ismailova. Ook ik ben dolgelukkig: het vervaardigen van de kostuums voor het stuk is een echte artistieke uitdaging. Maar vaak is het me te veel tegelijkertijd te werken en voor Jakob te zorgen. Jan zit ergens koffie te drinken met de acteurs, terwijl ik tussen twee repetities in het kind te eten moet geven. Vaak val ik aan twijfel ten prooi en wilde ik wel dat er twee Roma’s waren.

Het is weliswaar een gigantische klus, maar het wordt ook een gigantisch succes. Ik denk dat ik destijds in Kopenhagen de mooiste kostuums van mijn leven op het toneel heb gekregen. Ze zijn zo mooi geworden dat ik er zelf stil van ben. Elke jurk is handgeborduurd; de hele Russische schilderkunst heb ik op het podium vertegenwoordigd. Een complete bruiloftspartij, 60 mensen in totaal, komt in het rood gekleed het toneel op. De moorddadige bruid draagt een rode sluier, die haar omgeeft als een bloedige wolk. Na de première maken alle uitvoerenden een buiging voor de loge van de koningin. Ik ben op dat moment zo ijverig dat ik helemaal niet in de gaten heb dat de anderen allang weg zijn en dat ik in mijn eentje op het toneel sta!

De oude Russische componist leren we ook kennen. We raken enigszins bevriend met hem. Zijn leven lang is hij in Rusland getreiterd omdat hij het regime niet welgezind was. Hij werd doodgezwegen totdat hij ten slotte wereldberoemd werd. Hij vertelt ons urenlang over zijn jeugd tijdens de Russische Revolutie.

In het Tivolipark in Kopenhagen treedt Marlene Dietrich op. Sinds we met haar hebben kennisgemaakt in Warschau zijn we grote bewonderaars van haar. Het optreden is beklemmend: Marlene is weliswaar mooi als altijd, maar ze maakt een doffe indruk en ziet er broos uit.

Na de voorstelling gaan Jan en ik naar haar kleedkamer om haar te begroeten. We verwonderen ons erover dat niemand ons tegenhoudt - er schijnt niemand te zijn. We kloppen aan de deur.

‘Binnen,’ mompelt ze met slepende stem.

Jan opent voorzichtig de deur. Ze lijkt ons niet te zien. Ze zit aan haar toilettafel, met haar rug naar ons toe. In de spiegel zien we haar pruik die verschoven is en de doorgelopen make-up. Ze draait zich niet om.

‘Ik ben zo moe...,’ fluistert ze.

We trekken voortdurend van stad naar stad. Telkens weer probeer ik me op de nieuwe plek te installeren alsof het voor altijd was. Ook als het ergens is waar we maar drie maanden wonen. Het voortdurende reizen kost natuurlijk ook veel geld. We nemen alles met ons mee, als een circus.

Jakob is een lieve, vrolijke jongen.

Mijn geluk bestaat tegenwoordig hoofdzakelijk uit de liefde voor mijn kind.

Ik wens vurig dat mijn zoon een heerlijke jeugd zal hebben. De beste die mogelijk is. Ik wil niet meer aan mijn eigen jeugd denken, nee, ik wil alles anders en beter doen.

Bij zijn eerste kerstfeest zit Jakob meteen al te midden van een berg speelgoed. Er is voor mij niets leukers dan speelgoed kopen -ik heb het zelf immers nooit gehad. En we hebben immers toch niet genoeg geld, dus geef ik het net zo lief aan iets onzinnigs uit, aan iets moois! Jan en ik denken er eenvoudigweg niet aan te sparen voor een huis. Waar zou dat huis moeten staan? In Polen of in Duitsland? We weten het niet en maken ons geen zorgen over de toekomst. Wij zijn gewoon drie mensen op doorreis.

Vaak kijk ik Jakob aan en denk: maar goed dat hij niet weet dat hij joods is. Hij is blond en we wonen in het moderne Duitsland. Hij is veilig - of niet soms?

Jan is een liefdevolle, vrolijke vader. Hij speelt graag met zijn zoon en verwisselt ook wel eens de luiers, als hij er tijd voor heeft. Maar dat heeft hij meestal niet. Hij heeft een foto van Jakob in zijn portefeuille en laat die trots aan de mensen zien. Maar als het echt moeilijk wordt, geeft Jan niet thuis. De opvoeding laat hij aan mij over.

Ik begrijp dat wel. Hij kan immers niet anders. Hij heeft het razend druk. We leveren in het theater een overlevingsstrijd en moeten ons hoofd boven water zien te houden in het onbekende Wilde Westen. We zijn buitenstaanders, alletwee.

Het leven van een arme Poolse emigrant in het rijke Duitsland van de jaren zestig is niet eenvoudig. De mensen behandelen ons vaak alsof we marsmannetjes zijn.

‘Schrijven ze eigenlijk in het Cyrillische schrift in Polen?’ vragen ze. ‘Zijn er daar ook ijsberen?’ Of: ‘U spreekt goed Duits voor een vreemdeling!’

Wij Polen zijn in hun ogen de armen, de barbaren. Geen mens schijnt te beseffen dat onze armoede het gevolg is van een dictatuur, terwijl zich in Duitsland een economisch wonder voltrekt.

Vaak voel ik me een buitenstaander, eenzaam en vreemd, als een ongenode gast. Dat gevoel ken ik natuurlijk als geen ander, maar desondanks doet het altijd weer pijn.

Jan trekt zich weinig aan van dat soort gevoelens. Hij ontkent ze. Mijn pijn is voor hem alleen maar een extra belasting. Het is hem vaak te veel. Ik ben veel te vaak ziek, kan niet slapen, heb last van depressies en angstaanvallen.

Het liefst zou ik Jakob altijd bij me in bed hebben. Ik ben voortdurend bang dat iemand hem van me weg wil nemen, ’s Nachts sta ik enige malen op om te controleren of hij nog wel in zijn bedje ligt. Wanneer hij een stukje kauwgom heeft doorgeslikt, bel ik in paniek meteen de gifcentrale op.

‘Maak je nou niet altijd overal zorgen om!’ zegt Jan vertwijfeld.

Op een of andere manier komen we opnieuw in Kiel terecht, en ook ditmaal wonen we aan zee. Het is een mistige, koude herfst. Als ik niet naar het theater hoef, ben ik vaak alleen met het kind. Ik hoor het holle getoeter van de misthoorn en wandel urenlang met Jakob langs het strand. Op zulke momenten heb ik het merkwaardige gevoel geheel ontworteld te zijn, in het niets te zweven. Dit is een het-leven-is-een-film-gevoel: ik ben een vrouw die met haar kind in het niets rondzwerft. Wie ben je, waar hoor je thuis, waar is je vaderland, je familie, waar is jouw wereld - nergens. Die is er niet.

Ik kan hoogstens weglopen van dit lege gevoel door flesjes te maken, met het kind te spelen of iets lekkers te koken. In deze tijd heb ik geleerd lekker te koken. Wanneer je een kind hebt, leer je met je hart te koken. Jakob eet gelukkig goed. Hij vindt bijna alles lekker. Wat moet het een kwelling voor mijn moeder geweest zijn dat ik niet at! En dat ze zich voortdurend zorgen heeft moeten maken om mijn gezondheid.

Maar ook dat heb ik haar nooit gezegd. Altijd heb ik gedacht dat we op een dag over al dat soort zaken zouden spreken. Ik heb geloofd dat ik daar eeuwig de tijd voor had.

Voor Jakob probeer ik vrolijk te zijn en mijn angsten en zorgen opzij te zetten.

Zolang mijn moeder er is, lukt dat ook wel enigszins. Ik kan alle moeilijkheden in mijn leven op een of andere manier aan haar overlaten. Bij haar ben ik gewoon een klein meisje dat een land heeft. Vanbinnen voelt het vaak alsof ik zere voeten heb en ondanks de pijn moet doorzetten. Bij mijn moeder kan ik op de bank neerploffen terwijl zij een taart voor me bakt. Ik kan mijn problemen bij haar neerleggen, zelfs als ik er met geen woord over praat - zoals de moeilijkheden die ik met Jan ondervind. Ze zegt niets. We wisselen liever kookrecepten uit dan over gevoelens te praten.

Slechts eenmaal weten we de muur van zwijgen even te doorbreken. Haar vriend is dood. Ze komt bij me en lijkt jaren ouder geworden. Ze vertelt hoe verdrietig ze was toen ze hoorde dat ze niet bij de begrafenis kon zijn omdat zijn echtgenote en kinderen er waren. Na al die jaren is dit de eerste keer dat we zo intiem met elkaar praten. Daarna verstomt het gesprek weer.

Er is nooit een taal geweest tussen ons. Alleen maar het liefdevolle, pijnlijke, teleurstellende zwijgen.

Ze is een geweldige grootmoeder voor Jakob. Ze spelen samen de wildste spelletjes - kruipen samen onder de tafels door. Zonder aarzeling schudt ze een paar pakken suiker leeg op het balkon zodat Jakob ‘in het zand kan spelen’. Ze brengt zijn favoriete dekentje, dat we bij haar zijn vergeten, gehuld in nachtjapon en regenjas per taxi naar de trein waarin wij zitten om naar huis te gaan. Ze houdt meer van Jakob dan van wie of wat ook. Ze kan met hem onbedaarlijk lachen, zoals ze dat met mij nooit heeft gekund.

Vaak laat ik hem bij haar wanneer ik moet werken.

Ik voel me heen en weer geslingerd tussen mijn beroep en de noodzaak geld te verdienen, en de verleiding simpelweg urenlang naar mijn kind te kijken. Iedere keer wanneer ik Jakob moet achterlaten, doet het me pijn dat ik van hem weg moet. Vervolgens loop ik voortdurend naar de telefooncel om te vragen hoe het met hem gaat - en altijd gaat het goed met Jakob. Godzijdank!

Onze zwerfjaren zijn ondanks alles in zakelijk opzicht van groot belang. We zijn bevriend met talloze mensen die vandaag de dag beroemd zijn en bewijzen ons in de wereld van het theater. Maar het lukt me niet mijn persoonlijke succes, ook dat in Kopenhagen, verder uit te bouwen. Zoals destijds met het schrijven in Polen. Steeds weer ben ik na een inspannende opdracht zo moe en uitgeput dat ik me moet terugtrekken. Ik heb het idee dat ik alleen moet zijn en dat ik het gekwetste deel van mijn ziel moet helen. De krachten die ik heb verbruikt bij mijn pogingen niets te laten merken van mijn angsten en depressies, moet ik terug zien te krijgen. En dat lukt me uitsluitend wanneer ik alleen ben. Wanneer ik dan weer tot mezelf kom, is het al te laat om het succes in mijn werk verder uit te bouwen. Ik behoor, zo zegt men, misschien wel tot de meest talentvolle kostuumontwerpers die er op dat moment in het Duitse theater rondlopen - ik heb een bijzondere, Oost-Europese fantasie en werk op een uiterst intense manier. Maar een glanzende carrière zit er voor mij niet in, want daarvoor heb ik te veel last van mijn wonden. Ik beschik niet over de benodigde agressie, zoals Roman die bijvoorbeeld wel heeft. Hij verdedigde zich, hij ging ertegenin, hij schreeuwde het eruit, maar ik was naar binnen gekeerd - ik moest me altijd klein maken, stil en onzichtbaar zijn. Hoe leert zo iemand als ik om het later uit te schreeuwen en wel zichtbaar te zijn? Indruk te maken?

Ik heb het nooit geleerd.

Jan en ik hebben in deze periode een prachtige opdracht aan het Instituut voor Theaterwetenschappen in München. Jan leidt seminars voor de verwezenlijking van projecten. Hij leert de studenten hoe ze een stuk tot op het moment van de opvoering moeten ontwikkelen en vormgeven, en ik maak decors en kostuums met hen. Het werk is prettig, het bevalt ons hier wel. München is niet zo koud als Kiel, ligt niet al te ver van Wenen en bovendien wonen er een hoop interessante mensen...

Jakob is nu vijf jaar. Ik maak me ernstige zorgen over de vraag hoe ons leven verder moet. Hij moet immers binnenkort naar school, vrienden maken, een thuis hebben, kortom: een normaal kind worden. Tot nu toe heeft hij alleen maar met acteurs gespeeld en is hij achter het toneel met van alles bezig. Hij woont in steeds andere huizen en steden, zit in de trein en heeft een zigeunerleven geleid. Zo gaat het niet langer.

‘Heb je geen zin om te solliciteren bij de Falckenberg-school?’ vraag ik Jan. Op deze toneelschool in München komt namelijk binnenkort een leraarsfunctie vrij en ik zie hoeveel plezier Jan beleeft aan het werken met jonge mensen. We zouden een regelmatig inkomen hebben, misschien een mooi huis kunnen kopen, en een normaal leven kunnen leiden!

Na meer dan twintig verhuizingen ben ik moe geworden. Ik wil me eindelijk wel eens vestigen.

Het duurt ruim een half jaar tot ik Jan er eindelijk van heb weten te overtuigen dat hij moet solliciteren bij de Falckenberg-school. Hij wil het zo graag dat hij niet eens een poging wil wagen. Als kind kreeg hij ook nooit wat hij het liefste wilde - dus geeft hij maar meteen op. Bovendien twijfelt hij of hij zich wel wil vestigen.

‘Ik heb mijn vrijheid nodig,’ zegt hij gekweld. ‘Ik wil ensceneren...’

‘En Jakob?’ geef ik hem ter overweging. ‘Je ziet toch dat die jongen een zekere regelmaat nodig heeft? En we hebben nooit een cent over...’

Jan knikt. Het klopt. Onze financiële situatie is altijd catastrofaal. Nooit weten we hoe lang we nog over geld kunnen beschikken.

‘Goed dan,’ zucht hij. ‘Ik zal het proberen. Maar koester vooral geen valse hoop...’

Ik ben juist met Jakob bij mijn moeder in Wenen, als hij me opbelt.

‘Ze hebben me direct aangenomen!’ zegt Jan opgewonden. Hij is zielsgelukkig. ‘Nu kun je eindelijk gerustgesteld zijn... En ik heb zelfs een prachtig huisje met een tuin voor ons gevonden, precies goed... Je zult het heerlijk vinden..

‘Weet je het zeker?’ vraag ik wantrouwend.

‘Natuurlijk! Er is een tuin bij, een mooi terras en ruimte te over... Ook het dorpje is leuk. Een klein, vriendelijk plaatsje met een school en voldoende winkels, en niet ver van München... En duur is het ook niet...’

Dat geeft de doorslag. Ik moet niet altijd zo sceptisch zijn, denk ik. Ik moet vertrouwen hebben, in Jan, in het leven.

Het huisje met tuin blijkt de helft van een twee-onder-één-kapwoning te zijn met vierkante, donkergebeitste kozijnen, plastic jaloezieën, een kaarsrecht geknipte heg en een klein gazonnetje. Het huis ligt aan een betonnen weg, te midden van acht andere huizen. Mijn maag krimpt ineen.

‘Is het niet ideaal?’ vraagt Jan enthousiast. Hij opent de huisdeur, die er net zo uitziet als de andere huisdeuren. Jan heeft al een bordje onder de deurbel bevestigd - hij woont er al.

‘Kijk nou toch eens... boven hebben we drie slaapkamers, en dus hebben we alledrie een kamer voor onszelf, en jij hebt eindelijk een plek om te schilderen. En hier, kijk eens in de woonkamer. Er ligt al een tapijt. En in de kelder hebben we nog een hobbyruimte.’

Ik staar uit het raam. Elk raam in het huis biedt uitzicht op de buren.

‘Kom, ik laat je het dorpje zien...’

In het dorp is geen marktplein, het kent geen centrum, er is feitelijk niets. Alleen een supermarkt, een kleuterschool, een basisschool, en een bushalte. Alles is hier vierkant.

‘Is het echt niet ver naar München?’

‘Ben je gek! Dertig, veertig minuten, meer niet! Er rijdt een bus.’

‘Vind je niet, Jan, dat we misschien beter een wat ouder huis in Schwabing kunnen kopen? Ik bedoel, dan hoef je niet elke dag zo ver te reizen...’

‘Ach, dat maakt mij niet uit! Ik kan toch lezen in de bus. Nee, nee, je zult wel zien dat we hier heel gelukkig gaan worden.’

Maar ik voel nu al dat we hier nooit gelukkig zullen worden, in dit dorp dat me voorkomt als het einde van de wereld.

Het dorp heet Ottobrunn.