5
WE GAAN OP VAKANTIE, ALSOF WE EEN HEEL GEWOON GEZIN zijn. Op een dag zegt mijn vader met een glimlach: ‘We gaan naar Zakopane. Dat is een dorpje in de bergen, in de buurt van Krakau. We gaan daar een paar dagen lekker ontspannen. Stel je eens voor, we gaan een echte reis maken, en Roman mag ook mee!’
Enthousiast val ik hem om de hals. Ik ren meteen weg om het aan Roman te vertellen.
Het is lente. Zakopane is het mooiste plekje ter wereld. Op de weiden bloeien bloemen, er zijn een zilveren, klaterende bergbeek, schaduwrijke bossen, kwinkelerende vogels, en ik heb er zelfs een echt wild konijntje met lange oren gezien. Tot die tijd wist ik helemaal niet dat er zoveel moois in de natuur te zien is! Nu voel ik voor het eerst de vochtige warmte van de aarde, ik snuif de geur op van kleine blauwe viooltjes, luister naar het geruis van de wind door de bladeren en voel de warmte van de zon mijn lichaam instromen. De natuur schenkt me een grenzeloos gevoel van geborgenheid én van vrijheid.
We logeren in een klein pension, waar we elke ochtend als ontbijt verse broodjes met zelfgemaakte aardbeienjam krijgen.
’s Nachts slapen we onder dikke, zachte, schone dekbedden.
Ik heb honger en eet mijn buik kogelrond. Ik slaap diep en lang zonder dat ik last heb van nachtmerries. Ik voel me vrij en onbezorgd - ik ben gelukkig.
Ook mijn ouders en Roman zijn gelukkig. Mijn vader en moeder doen me denken aan de mensen op de beelden die ik in de bioscoop heb gezien. Ze giechelen, houden elkaars handen vast en kussen elkaar, alsof ze net verliefd zijn geworden op elkaar. Telkens weer zegt mijn vader met zachte stem: ‘Kijk toch eens hoe mooi ze is, met haar frambozenmond!’ en wijst op mijn moeder, die lachend in het gras zit en haar gezicht koestert in de zon. Ik knik.
Wat moet ik ook zeggen? Het is fijn om mijn ouders zo gelukkig te zien, maar ze doen me denken aan onnozele kinderen.
Roman is het met me eens. Samen bouwen we dammen in het kleine beekje en laten er van schors gemaakte scheepjes in varen. Mijn vader helpt ons er soms bij. Vaak tilt hij me op en draagt me op zijn schouders door het landschap. Daarbij zingen we liedjes, vrolijke kinderliedjes, niet van die liederen die we op school zongen. Roman fluit erbij, en hij probeert mij ook fluiten te leren. Een poosje loop ik met een getuit mondje rond en oefen ononderbroken. Maar dan lukt het me eindelijk een hoog fluittoontje voort te brengen. Ze klappen voor me, en ik ben apetrots.
Tijdens deze dagen heb ik de indruk dat de wereld uit louter zonneschijn bestaat en dat alle donkere schaduwen zijn opgelost.
Maar dan gebeurt er iets verschrikkelijks.
We hebben een verrukkelijke wandeling gemaakt en zijn, bezweet en hongerig, op weg naar het pension.
Al van verre zie ik hen staan: twee mannen met aktetassen en met regenjassen aan. Ze dragen hoeden, hoewel de zon volop schijnt, en hun gezichten tonen geen gevoel, net als gezichten van soldaten. Ik weet meteen dat het politieagenten zijn en dat er gevaar dreigt.
‘Ik hoop niet dat je een zonnesteek hebt,’ zegt mijn moeder bezorgd. ‘Je ziet plotseling zo bleek, mijn kindje!’
Een van de mannen komt onze richting uit gelopen.
‘David Liebling?’ vraagt hij met barse stem.
Mijn vader knikt. Ik voel opnieuw de ijzige kou, de angst die uit de trillende hand van mijn moeder mijn lichaam instroomt. IJzig als nooit tevoren. De hitte, en dan haar koude hand. De emotieloze gezichten van de politieagenten. Naast me loopt Roman te hijgen. Ook hij is bang.
‘U staat onder arrest,’ zegt de man in de regenjas. ‘U gaat met ons mee.’
Mijn vader zwijgt, laat zijn hoofd hangen, en denkt na. Moet hij doen wat ze van hem willen? Moet hij zich zonder verzet te plegen laten afvoeren? Moet hij zich verweren? Bange seconden glijden voorbij. Dat kijkt hij naar mij, en glimlacht.
‘Wees niet bang, dochtertje,’ zegt hij. ‘Ik ben snel weer terug. Hier is sprake van een vergissing. En jij, Tosia...’ Hij kijkt mijn moeder strak aan. ‘Maak je geen zorgen om mij.’
Ze stappen meteen de zwarte auto in die voor het pension geparkeerd staat, en rijden weg. Zwijgend kijken we hen na. De stofwolk die de auto bij het wegrijden achterlaat, hangt nog even in de lucht. Dan lost hij op.
Het huis is ineens zo leeg.
Wanneer ik thuiskom uit school, heeft mijn moeder vaak haar hoed nog op en haar jas nog aan en is ze juist thuisgekomen om mij op te vangen. Ik kan namelijk niet alleen zijn, en Roman zwerft rond, zoals gebruikelijk. Mijn moeder is dag en nacht op zoek naar de verblijfplaats van mijn vader. We hebben tot nu toe nog niet gehoord waar hij is, hoewel we alweer een paar weken in Krakau zijn. Zakopane hebben we na die vreselijke dag meteen verlaten. Mijn moeder heeft hemel en aarde bewogen om mijn vader te vinden, maar hij lijkt als van de aardbodem verdwenen.
‘Waarom hebben ze hem nu gearresteerd?’ snikt ze aldoor weer. Sinds mijn vader weg is, lijkt ze volkomen in elkaar gestort. Ik begrijp dat niet. Ze zou toch moeten weten dat je ieder moment gearresteerd kunt worden!
Vaak gaat ze naar het postkantoor om te telefoneren. Uiteindelijk komt ze erachter waar hij zit.
In Montelupich.
Wanneer ik dat woord hoor, krimp ik van schrik ineen. Montelupich, daarover heeft de politieagent het destijds gehad. Montelupich is voor mij het vreselijkste oord op aarde. Montelupich betekent een zekere dood...
Mijn moeder zucht en veegt vastberaden de tranen uit haar ogen.
‘Ik weet niet precies wat er aan de hand is,’ verklaart ze. ‘Het schijnt dat ze beweren dat hij een verrader is. Maar dat is iedereen vandaag de dag. Juist de mensen die in het verzet zaten en hun leven op het spel hebben gezet, worden nu vervolgd! Waarschijnlijk zit die arme Dudek ook in Montelupich... Ik moet nu snel iemand vinden die omkoopbaar is!’
‘Iemand die omkoopbaar is.’ Ik weet al wat dat is: dat is iemand die je met sieraden of geld ertoe brengt om je te helpen. Nu loopt mijn moeder van de ene autoriteit naar de andere om erachter te komen wie verantwoordelijk is voor mijn vader. Ik weet niet of ze succes heeft. Mijn vader is in ieder geval nog niet terug. Vaak neemt ze me mee naar een oude man, die advocaat is. Dan hebben ze het urenlang over de vraag hoe ze mijn vader uit de gevangenis kunnen krijgen, en nemen ten slotte radeloos afscheid.
In september, tijdens het joodse nieuwjaar, lukt het mijn vader eindelijk een boodschap aan ons over te brengen. Het is een klein stukje karton, waarop staat:
Mijn lieve vrouw en Rominka een gelukkig nieuwjaar.
Ik heb het stukje karton nog steeds.
Mijn moeder moet nu in haar eentje voor ons zorgen, want het kleine beetje geld dat we hebben, is bij lange na niet genoeg. ‘Als David niet snel terugkomt, moet ik op zoek naar werk!’ zegt ze bezorgd. Ze heeft de laatste tijd steeds meer rimpels op haar voorhoofd gekregen.
Maar dan gebeurt er iets waar we eigenlijk niet meer in geloofden. Mijn vader komt naar huis! Ze hebben hem vrijgelaten omdat hij in Montelupich doodziek is geworden. Zijn haren zijn nog grijzer geworden, hij heeft een beroerte gehad. Hij heeft nog een poosje in het ziekenhuis van de gevangenis gelegen, maar ten slotte hebben ze hem naar huis gestuurd. Misschien heeft mijn moeder eindelijk iemand gevonden die ‘omkoopbaar’ is?
Mijn moeder, die aardig thuis is in medische kwesties, is helemaal ondersteboven van de beroerte. ‘Zoiets komt toch alleen bij oude mensen voor, niet bij een man van 39!’ roept ze ontsteld.
Ik verbaas me er niet over dat hij een beroerte heeft gehad. Ongetwijfeld hebben ze hem geslagen, daar in Montelupich.
Nu ligt hij in bed, hij is verlamd en kan zich niet bewegen. Ook kan hij nauwelijks nog praten. Alleen zijn zwarte ogen zijn even levendig als anders. Hij volgt alles wat er om hem heen gebeurt.
In deze tijd sta ik dichter bij mijn vader dan ooit tevoren. Ja, eerlijk gezegd leer ik hem nu pas echt kennen. Wanneer ik thuiskom uit school, loop ik snel naar de slaapkamer en ga bij hem op de rand van het bed zitten. Ik fluit iets voor hem, of ik vertel hem over de idiote dingen die ik op de joodse school meemaak. Ik zeg gedichten voor hem op en speel toneel voor hem. Hij luistert naar me zoals Babcia dat ook heeft gedaan; die lag immers ook altijd in bed. Mensen die in bed liggen, hebben veel tijd.
Ook ik heb de tijd, en ik heb veel geduld. Mijn moeder krijgt altijd rode ogen wanneer ze hem daar zo ziet liggen. Ze is aan het eind van haar Latijn. Maar mij maakt het niet uit dat ik zie hoe zwak hij is. Integendeel.
Ineens ben ik de volwassene en hij het kind. Dat is merkwaardig, maar ook wel leuk. Ik probeer hem weer te leren te praten. Hij wijst op een voorwerp en dan zeg ik langzaam en duidelijk wat het is. Dan zegt hij het woord moeizaam na. Hij moet zich alles opnieuw proberen te herinneren: zijn eigen naam, ons. Alles is nieuw voor hem.
‘Jij bent David Liebling,’ zeg ik hardop en pak zijn hand vast. ‘En ik’ - ik wijs op mijn borst - ‘ik ben je dochter Roma... En dat is je vrouw, mijn mama, ze heet Tosia...’
‘Tosia!’ fluistert hij onduidelijk, en er flitst plotseling een licht in zijn ogen, alsof hij zich ineens alles weer herinnert.
Ik zie hoe moeilijk het leren voor hem is en ik weet dat hij begrijpt wat er met zijn hersenen gebeurd is. Mijn moeder heeft het me uitgelegd, maar ik heb het niet helemaal begrepen. Wel weet ik dat er iets in zijn hoofd is geknapt en dat hij daarom niet meer goed kan denken, ik zie hoe hij vecht om weer normaal te kunnen denken. We stralen alletwee van trots wanneer het weer eens is gelukt om een nieuw woord te leren. Hij begint ook al weer te schrijven. Ik laat het hem zien: MAMA schrijft hij, PAPA, ROMA...
Nu mijn vader zwak is en mij nodig heeft, nu hij niet meer de sterke held is die me op zijn schouders draagt, nu houd ik het allermeeste van hem.
Op een grijze novemberochtend sterft mijn vader, zes dagen voor mijn verjaardag.
Ik herinner het me als de dag van gisteren.
Buiten regent het pijpenstelen, en ik ben doorweekt wanneer ik thuiskom van school. Al op het moment dat ik aanbel, heb ik een raar gevoel in mijn buik. Ik ren snel de trappen op en storm druipnat het huis binnen. Mijn moeder, die anders altijd begint te schelden wanneer ik mijn natte schoenen niet meteen uitdoe, zit in de keuken op een krukje. Voor haar ligt een doosje. Ze kijkt me op een vreemde manier aan.
‘We hebben geen vader meer,’ fluistert ze schor.
Ik kijk haar onthutst aan en loop naar de slaapkamer. Het bed is leeg, hij is weg.
‘Waar is papa? Wat is er gebeurd?!’
‘Je weet toch dat hij de laatste dagen hoge koorts had,’ zegt ze langzaam. Haar stem klinkt hol en breekbaar. ‘Vanochtend moest hij ineens snel naar het ziekenhuis. Maar het was al te laat. De doktoren konden hem niet meer redden. Zijn hart was zo zwak, want hij is vaak ziek geweest in het kamp... En er was geen medicijn dat hem kon genezen...’
Voorzichtig doe ik het doosje open. Er zitten een scheerkwast, een scheermes, een horloge met een versleten bandje en een mooie, blauwe vulpen in, waarmee hij onlangs nog het woord ROMA heeft: geschreven...
Dat is alles wat er van mijn vader is overgebleven. Later zei mijn moeder dat je een paar weken later penicilline op de zwarte markt kon kopen. Dat zou zijn redding zijn geweest.
Zeven dagen lang zit mijn moeder op het krukje in de keuken te treuren om mijn vader. Voor de spiegels in huis worden doeken gehangen. Het is alsof het leven ineens tot stilstand is gekomen.
Ik sluip op mijn tenen door het huis, breng haar iets te eten, zet thee, en ga in de hoek zitten - ik probeer mezelf onzichtbaar te maken.
Dan doet mijn moeder de zwarte sluier om die ze vanaf nu een jaar lang zal dragen, en we leven verder.
Er zijn veel dingen die ik pas achteraf over mijn vader heb gehoord - sommige dingen zelfs pas onlangs. Intussen weet ik dat hij tijdens de oorlog in het geheim heeft gewerkt voor de joodse verzetsbeweging in Krakau. Hij behoorde tot een klein groepje jonge idealisten. Destijds verspreidden ze vlugschriften, maakten spoorrails onklaar, lieten kazernes en vrachtwagens in de lucht vliegen en plaatsten een bom in café Cyganeria op het marktplein.
Toen hij in Plaszów verbleef, meldde hij zich vrijwillig voor een bouwploeg zodat hij overdag het kamp kon verlaten. Toen had hij eindelijk profijt van de ‘betrekkingen’ uit zijn onstuimige jeugd; via zijn contacten in de onderwereld die hij als jongen in de straten van de stad had opgedaan, kon hij de verzetsgroep buskruit en munitie leveren.
Eén- of tweemaal meende mijn moeder, toen we bij de Kierniks zaten, dat ze hem, terwijl ze uit het raam keek, herkende terwijl hij met de bouwlieden bezig was met werkzaamheden aan de weg. Maar misschien had ze zich dat maar verbeeld.
Ik had zo graag iets meer tijd met mijn vader doorgebracht.
Sinds mijn vader dood is, zijn mijn moeder en ik op elkaar aangewezen. ik troost haar wanneer ze ’s nachts huilt. Ze neemt mij in haar armen wanneer ik terneergeslagen thuiskom uit de joodse school. Ik kan alleen inslapen als ze mijn hand vasthoudt. Ik zorg voor haar, en zij zorgt voor mij. Ik voel wat zij voelt. We zijn bijna één wezen met twee hoofden, een groot en een klein.
Maar de verantwoording die ik voor haar heb, maakt me vaak neerslachtig. Dan wilde ik wel dat mijn vader er was en die last van me af zou nemen. Ik mis hem vaak, maar niet zo sterk als mijn moeder. Ze eet niet, ze slaapt niet, ze huilt niet eens, ze ligt daar maar, zwijgend en zonder uitdrukking. Ik maak me zorgen om haar. De rollen zijn nu bijna omgekeerd.
‘Je moet iets eten!’ zeg ik streng en breng haar thee met beschuit op bed.
‘Ga nu slapen!’ fluister ik en dek haar toe.
Ze heeft mijn hulp nodig, alsof ze een klein kind is.
We zijn op elkaar aangewezen sinds mijn vader dood is. Zonder elkaar kunnen we niet leven.
Steeds weer probeert mijn moeder het leven van alledag zonder mijn vader te organiseren. Als eerste besluit ze bij de gemeente een verzoek in te dienen waardoor ze de naam Ligocka kan behouden. De naam Liebling wil ze voor altijd vergeten. Misschien denkt ze wel dat zoiets ook beter is voor mij...
Maar ik wil mijn oude naam helemaal niet meer horen. Die naam is destijds in het getto weggezonken in mijn herinnering. Ik heb de zin met de nieuwe naam zo vaak moeten opzeggen dat ik het uiteindelijk zelf ben gaan geloven. Ik kan de naam Liebling niet meer over mijn lippen krijgen, zelfs al zou ik het willen.
Ook probeert mijn moeder onze geldzaken te regelen. Ze krijgt werk op een kantoor, bij het voormalige bedrijf van mijn vader, dat nu door een vriend wordt voortgezet. En ze gaat op zoek naar een kleiner huis, want wij mogen het grote waarin we nu wonen, niet houden - een uitzichtloze onderneming.
Ook hoopt ze, net als veel anderen, nog iets terug te krijgen van de erfenis. Haar ouderlijk huis is door de Duitsers onteigend en is daarna door de communisten in beslag genomen. Opnieuw loopt ze van de ene autoriteit naar de andere.
‘Het zal ons wel lukken!’ zegt ze dapper tegen me, en ik ben blij dat ze in ieder geval niet meer zo vaak huilt.
Het is weer lente geworden. We rijden met een rijtuig in de Warszawska, de straat waar het huis ligt. Ik ben opgewonden en blij. Elk woord dat mijn moeder mij over het leven in het huis van mijn grootouders heeft verteld, herinner ik me. Ik ga de verrukkelijke tuin met de fruitbomen en struiken verkennen, ik ga in het paviljoen in de zon zitten, net als Tosia dat vroeger deed toen ze mijn vader leerde kennen. Ik zal op mijn tenen door het huis lopen: door de salon met het dikke tapijt en door de blauwbetegelde keuken, waar het naar krentenbollen en gebraden kalkoen ruikt. In de slaapkamer val ik op het witte bed met de houtgesneden lelies, en ik zal er de met kant versierde lakens met de opgestikte monogrammen bewonderen. En als hij er nog is, zal ik de speeldoos met de porseleinen dansers uit de kamer van mijn moeder meenemen.
Maar de speeldoos is er niet meer. Ook geen fruitbomen, geen paviljoen, geen tuin. In plaats daarvan ligt er nu een onverzorgd kerkhof met grafstenen. Midden in de tuin staat een verwaarloosd, oud houten huis. De houtgesneden balustrades zijn verrot, in de open ramen hangt was te drogen.
Dit moet een vergissing zijn! Ik kijk omhoog naar mijn moeder. Haar gezicht ziet asgrauw. Langzaam maar zeker begrijp ik dat het geen vergissing is. Sinds het begin van de oorlog is mijn moeder hier niet meer geweest en heeft ze haar ouderlijk huis niet meer gezien. Dit huis hier is wel degelijk haar ouderlijk huis! Een ruïne op een kerkhof. De hele omgeving is veranderd in een kerkhof. Het kleine kerkhof in de buurt werd steeds verder uitgebreid tot het ook de tuin van mijn grootvader had bereikt. Zoveel graven heeft men dus nodig voor al die doden.
We proberen niet eens het huis binnen te komen. Het zit vol vreemde mensen. Mijn moeder neemt me bij de hand en we gaan naar huis. Nooit zijn we er nog eens naartoe gegaan.
‘Ik kan toch niet op een kerkhof gaan wonen!’ zegt ze vermoeid.
Overigens heeft ze nooit een zloty schadevergoeding voor haar ouderlijk huis gekregen.
De wandelingen met mijn moeder doen denken aan een geestesbezwering. ‘Kijk eens,’ pleegt ze te zeggen wanneer we in de stad onderweg zijn, ‘kijk, hier stond die en daar stond die winkel, hier kon je fijne stoffen krijgen, daar verkocht men elegante hoeden, in dit pand was een juwelier gevestigd, hier kocht “men” sieraden, daar kocht “men” lingerie...’
Ik wijs op een lege etalage, waarop nog een oud, afgebladerd bord te herkennen is. ‘En daar?’ vraag ik. ‘Was daar niet een juwelier?’
‘Ja,’ antwoordt ze. ‘Maar daar kocht “men” niet.’
Nu is er bijna niets meer over. Geen stoffen, geen juwelier, geen hoeden. Op een dag lopen we langs een etalage en kijken naar binnen. De winkel is met allemaal prachtige blauwwitte tegels versierd. Hij is leeg.
‘Kijk eens wat een mooie tegels!’ zeg ik. Ze zucht verlangend. ‘Vroeger verkochten ze daar vlees,’ mompelt ze. ‘Dit was de beste slager van de stad! Je had die leverpastei moeten zien: alleen al wanneer ik eraan denk loopt het water me in de mond!’
Ik kom steeds meer te weten over het leven van vroeger. Het moet destijds zo gemakkelijk en mooi zijn geweest, en zo kleurrijk, en elegant! Ik verlang naar een dergelijk leven, en mijn moeder verlangt er ook naar, maar die spreekt niet over haar gevoelens. Die tijd is voor altijd voorbij. Nu is alles grijs geworden. De mensen doen veel moeite om weer een normaal leven te leiden, ook wij. Maar iedereen is arm. Er is bijna niets te koop, alleen de zwarte markt bloeit. En net als vroeger is het razend druk in de stad: het wemelt van de intellectuelen, kunstenaars, journalisten, professoren en schrijvers die uit Krakau komen of zich hier willen vestigen.
In ieder geval zijn de koffiehuizen weer open, de tram rijdt weer net als vroeger rond het marktplein, er verschijnen tijdschriften en in het theater wordt weer gespeeld. Manuela en haar vrienden staan nu vaak op de planken. Mijn moeder en ik gaan dan natuurlijk naar de première om haar te bewonderen. Dat is voor mij het mooiste wat er is. Ik klap tot mijn handen er pijn van doen en mag Manuela daarna zelfs in haar kleedkamer bezoeken.
Wie het zich kan permitteren, gaat zondags na de kerkdienst en het wandelingetje weer naar de tearoom. Dat is in Krakau namelijk traditie. Je hebt daar Napoleonki, een soort slagroomtaart met frambozensap, en ook de beroemde tompoezen.
Ook wij gaan op zondag altijd uit wandelen, over de boulevard die naar de oude stad leidt. Dat is zo’n beetje de salon van de stad. Daar flaneren de mensen en groeten elkaar hoffelijk, net als vroeger. Aan de knopen van de jassen van de mannen bungelen pakjes met gebak: na het wandelen drinkt men thee en eet men gebak. Dat is gebruikelijk en mijn moeder wil het ook.
Ze heeft zich voorgenomen mij manieren bij te brengen. ‘We hebben ook al geen geld, dus moet je in ieder geval manieren hebben!’ verklaart ze. Ze laat me zien hoe je je aan tafel moet gedragen, hoe je een kniebuiging moet maken en nog meer van die dingen die ik nogal overbodig vind. Wanneer ik vraag waarom ik dat allemaal moet leren, zegt ze zonder tegenspraak te dulden: ‘Zo ging dat vroeger bij ons thuis.’
Daarom draag ik nu op zondag altijd witte kousen, hoge schoenen, strikken in mijn haar en handschoenen. Ik vind dat ik er nog al stijfjes en onnozel uitzie, maar mijn moeder kent geen pardon. Roman lacht me telkens uit. ‘Tante Tosia, waarom kleedt u Roma nu weer zo idioot aan?’ vraagt hij en ik zak bijna door de grond van schaamte. ‘Zo hoor je eruit te zien wanneer je de stad ingaat,’ zegt ze kortaf en perst haar lippen op elkaar.
Ook Roman ontkomt niet aan de gedragsregels van mijn moeder, maar bij hem gaan ze het ene oor in en het andere oor weer uit. Hij leidt nu eenmaal zijn eigen leven en woont nu eens bij ons, en dan weer bij zijn vader, die hem slaat. Die heeft ons juist meegedeeld dat hij opnieuw wil trouwen. In een danstent op het platte land, gelegen in een dorpje met de naam Polanica, heeft hij een blondine leren kennen.
Op een dag neemt hij de vrouw mee naar ons huis. Ik zie meteen dat ze haar haren blond heeft geverfd. Ze heeft een schelle lach en wil absoluut dat hij zich laat dopen.
‘Ik trouw niet met een jood!’ verkondigt ze giechelend en kijkt uitdagend in het rond.
‘Moshe heeft voor mij zijn naam veranderd. Hij heet nu Ryszard, Ryszard Polanski, naar het plaatsje waar we elkaar hebben leren kennen...’
Iedereen zwijgt. Het zweet staat oom Moshe-Ryszard op het gezicht. Met een zakdoek wist hij zijn rode voorhoofd.
Dan legt hij omstandig uit wat precies zijn plannen zijn en wanneer het huwelijk plaatsvindt. ‘De jongen trekt na de bruiloft bij ons in,’ zegt hij. Roman bijt op zijn lippen. De blondine zit voortdurend te grijnzen terwijl hij het ons vertelt.
Die arme Roman!
Als oom Ryszard eens wist hoe slecht hij op school is, zou hij daar waarschijnlijk niet zo rustig zitten. Maar Roman heeft beweerd dat hij zijn rapport kwijt is. Ik heb mijn oom dus maar mijn rapport laten zien, om hem een beetje af te leiden.
‘Een 8 voor gedrag?’ vraagt oom Ryszard en fronst van bewondering zijn wenkbrauwen. ‘Daar kun je een voorbeeld aan nemen, jongen!’
Roman laat zijn hoofd hangen, alsof hij zich schaamt. Hij is echt een goede toneelspeler.
‘Maar ze heeft ook een 4 voor joodse taal,’ zucht mijn moeder. ‘Zo voorbeeldig vind ik dat niet!’
‘Maar wie heeft er vandaag de dag nu zoiets nodig?’ giechelt de blondine, en oom Ryszard moet zich het zweet weer van zijn voorhoofd wissen.
Ik vind dat ze daar bij wijze van uitzondering gelijk in heeft. ‘Op deze joodse school is het echt vreselijk,’ zeg ik zachtjes.
Nadat oom Ryszard en zijn giechelende blondine eindelijk zijn vertrokken, neemt mijn moeder me op schoot.
‘Ik heb een verrassing voor je, Roma!’ zegt ze. ‘Wanneer we terug zijn, gaan we naar een ander huis, en dan mag je naar een andere school!’
Ik ben waanzinnig blij en vuur de ene vraag na de andere op haar af.
Waar staat het nieuwe huis? Hoe ziet het eruit? Is er zoveel ruimte dat ik eindelijk een eigen hond krijg? En wat gebeurt er met Roman? Hoe is mijn nieuwe school? Is het een joodse school? En trouwens - wat bedoel je met ‘terug zijn?’ Gaan we dan weg? Gaan we misschien weer naar Zakopane?
‘Nee,’ zegt mijn moeder. ‘We gaan niet naar Zakopane, maar veel verder. We gaan met de trein tot aan de Tsjechische grens. En dan naar Opper-Silezië, naar het Reuzengebergte. Daar houden we een week vakantie, in een echt hotel!’
Ik spring van haar schoot en begin meteen mijn koffer te pakken.
Een paar weken later zitten we in de trein. We zijn op vakantie. Ik ben heel opgewonden. Dit is immers de eerste keer dat ik in een trein zit. Ik zit trouwens niet, maar loop voortdurend heen en weer. Ik wandel door de gangen en kijk wat voor soort mensen er in de coupés zitten. Ik rek mijn hals uit om uit het raam te kunnen kijken. De trein ratelt, steunt en fluit en maakt een hels kabaal. Buiten vliegt het landschap voorbij. Nu eens zie ik heuvels, dan weer is het vlak, de bomen en weiden zijn sappig groen, er drijft geen wolkje aan de hemel, het is zomer.
‘Mama! Kijk eens!’ Ik trek haar aan haar mouw. Ik wil haar alles laten zien wat ik zie: de rode auto op de weg, de paarden, het oude, vervallen slot...
Ze heeft haar ogen dicht en kreunt. Ze wendt zich af. Ik merk dat ze ineens natte handen heeft en dat haar gezicht is bedekt met koud zweet. Is ze bang? Is ze ziek?
Ineens herinner ik me dat ze destijds op het station ook ziek is geworden. Toen we naar Warschau wilden gaan. Misschien kan ze niet tegen reizen per trein?
‘Mama! Wat is er met je?’
‘Het is al goed, Roma... Laat me maar...’
Ze trilt. Ik hoor dat haar tanden klapperen. Ze heeft het ijskoud. Ik spreid haar jas over haar heen en ga naast haar zitten om haar te bewaken. Eindelijk valt ze in slaap. De oude vrouw die naast ons zit, bekijkt ons wantrouwend.
‘Die vrouw is ziek! Misschien is het wel besmettelijk!’ zegt ze plotseling verontwaardigd. Ze pakt haar koffer en loopt weg. Daar ben ik blij om, want zo hebben we meer plaats. De coupé is overvol.
Ze is dus echt ziek, denk ik. Ik maak me zorgen, maar wat moet ik doen? Ik ken niemand die me zou kunnen helpen. Ik wacht. Urenlang zit ik daar te wachten terwijl mijn moeder slaapt en het landschap voorbijsuist. Langzaam maar zeker wordt het heuvelachtiger, en ten slotte rijden we door de bergen. De locomotief fluit en puft.
De trein blijft stilstaan voor een klein wit stationsgebouw met kleurige bloembakken.
Ik schud mijn moeder wakker. ‘Mama, word wakker... Ik geloof dat we er zijn!’ Ze kijkt even uit het raam, wankelt even en volgt me dan. Ze lijkt verdoofd. De conducteur reikt ons onze koffers aan.
Ik weet niet meer hoe we bij het hotel zijn gekomen. Het is een donker, oud, bedreigend gebouw. Ze hebben ons door lange, muffe gangen naar onze kamer gebracht. De kamer heeft een groot raam met zware groene gordijnen. Vanuit het raam is het donkere dennenbos te zien. Onder het raam staat een tafel met een groen pluchen kleed met franjes. Ik houd niet van deze donkere kamer. Ik houd niet van dit hotel. De mensen hier zijn niet vriendelijk. Ze hebben het niet op joden, geloof ik. Ze spreken Duits met elkaar.
Nu ligt mijn moeder in het reusachtige, donkere houten bed, dat eruitziet als een doodskist. Ze heeft pijn, ze heeft koorts. Ze mompelt onverstaanbare zinnen. Ik geef haar kleine slokjes water en probeer haar warme voorhoofd af te koelen met een vochtige handdoek, zoals ze bij mij altijd doet wanneer ik koorts heb. Gelukkig is er een wastafel in de kamer. Dan wil ik haar iets van onze proviand geven, maar ze keurt het eten zelfs geen blik waardig. Ineens heb ik het gevoel dat we helemaal alleen op de wereld zijn. Ik ben zo hulpeloos...
Ten slotte kleed ik me uit, ga naast haar liggen en val in slaap.
Iemand schudt me wakker, rukt me weg uit mijn droom.
De Duitsers?!
Het licht wordt aangestoken, ik wrijf in mijn ogen. Mijn moeder buigt zich over me heen, zij is het die me heeft gewekt. Haar gezicht is rood en opgezwollen. Ze snuift op een merkwaardige manier. Ik kijk haar aan. Ik ben bang voor haar!
‘Haal een dokter,’ kreunt ze. ‘Ik ga dood...’
Ik ren zo snel als mijn benen me kunnen dragen.
‘Ze gaat dood!’ galmt het in mijn hoofd, ‘ze gaat dood!’
Ik heb mijn nachtjapon aan en mijn pantoffels, en ren het donkere bos in.
Waar moet ik naartoe rennen? Waar vind ik hulp?
Mijn moeder gaf me geen antwoord meer toen ik haar vroeg hoe ik dat voor elkaar moest krijgen: een arts roepen. Ze hief haar handen ten hemel en liet ze weer vallen. In het hotel heb ik niemand gevonden. Er brandde wel licht, maar er was niemand. Toen ben ik naar buiten gerend, het bos in. Ik weet dat ik me moet haasten, dat ik niet kan zitten wachten tot er iemand komt, ik moet, ik moet...
‘Ze gaat dood!’
Ik hijg nu zo hard dat ik het wilde kloppen van mijn hart niet eens meer kan horen. Ik ren zo snel mogelijk, zodat ik de zwarte schaduwen achter de donkere bomen niet kan bekijken. Ze volgen me, de stem in mijn hoofd schreeuwt steeds luider, ik ben bang, bang, bang...
Ik kom bij een kruising. Het ene bospad voert naar rechts. De weg waar ik vandaan kom, loopt rechtdoor. Of was het andersom? Op welk pad heb ik nu gelopen? En hoe moet ik verder lopen? Ik ben verdwaald.
Ik sta helemaal alleen, midden in het donkere bos. Ik heb alleen mijn dunne nachtjapon aan en even denk ik dat ik zal sterven van angst en kou.
Maar ik sterf niet. De stem houdt me in leven. ‘Ze gaat dood!’ schreeuwt de stem. Ik ren verder en merk nauwelijks dat ik mijn pantoffels verlies en dat mijn nachtjapon blijft haken achter de takken. Ik ren gewoon verder.
In de verte zie ik plotseling een lichtje in het donker. In ren eropaf, het wordt lichter, steeds lichter. Dan herken ik een straatlantaarn, de omtrekken van huizen - het is een dorp.
Een dokter! In het dorp woont misschien een dokter!
De ramen van de huizen zijn donker, maar dat kan me niet schelen. Ik begin op de eerste de beste deur te hameren en hoor daarop een boos gemompel. Een vrouw opent de deur en houdt hem op een kier.
‘Ze gaat dood!’ hijg ik, ‘en ik heb een arts nodig, een dokter... mama...!’
De vrouw knikt. Ze begrijpt het. Ze wijst op een ander huis en zegt iets in een vreemde taal, in het Duits.
Ik loop naar het andere huis en trommel met mijn vuisten op de deur.
‘Dokter! Ik heb een dokter nodig!!!’
Boven mij opent iemand een raam, het licht gaat aan, een man steekt zijn hoofd naar buiten.
‘Ze gaat dood!’ fluister ik schor, dodelijk vermoeid. Ik huil en zeg in verwarring maar wat. Hij lijkt het te begrijpen, want hij sluit zijn raam en ik hoor dat hij de trap af komt.
Hij opent de huisdeur en meteen val ik tegen hem aan. Ik omklem zijn benen. ‘Ze gaat dood!!!’
‘Mag ik me in ieder geval even aankleden?’ bromt hij in gebroken Pools. Hij heeft een gestreepte pyjama aan. Ik wacht op hem. Elke seconde lijkt een eeuwigheid te duren. Maar dan komt hij; hij heeft zijn koffertje in de hand. We gaan te voet terug naar het hotel, over de weg, niet door het bos. Het gaat veel sneller dan op de heenweg. We zijn er al. De dokter staat aan het bed van mijn moeder en voelt haar hartslag. Ze leeft nog. Ze leeft nog!
Maar ze is werkelijk doodziek, zegt de dokter, ze moet meteen naar het ziekenhuis. Binnen de kortste keren is er een ziekenwagen, en ineens zijn er ook twee mensen van het hotel. Niemand zegt iets tegen me, niemand maakt me iets duidelijk, niemand let op me. Ze brengen mijn moeder met een brancard naar buiten. Haar ogen zijn dicht, ze ziet me niet. Niemand ziet me. Ik zit in de hoek, met dichtgeknepen keel.
In de vroege ochtend val ik eindelijk in slaap.
Ik word wakker van de hitte, een broeierige hitte.
Het duurt even voordat ik heb begrepen waar ik ben. Daar staat de tafel met het groene pluchen kleed, op de tafel staat een presenteerblaadje. Het bed naast me is leeg.
Langzaam maar zeker herinner ik me alles weer.
Ik kruip het bed uit en trek de zware gordijnen open. Dan open ik het raam. De middaghitte glijdt naar binnen, de zon staat hoog aan de hemel. Misschien is het wel al middag! Ik weet het niet, ik heb geen gevoel meer voor de tijd, en ik heb geen horloge.
Het eten op het presenteerblaadje ziet er smerig uit. Ik raak het niet aan. In neem een slok thee en vlecht mijn haar. Dan kleed ik me aan en loop de gang op, de trap af, de tuin in. Ik ga op een bank zitten.
Het lijkt wel alsof niets echt is. Net als in een toneelstuk. Ik schommel radeloos met mijn benen. De zon brandt en ik hoor de stem van mijn moeder: ‘Pas op dat je geen zonnesteek krijgt, Roma!’
Een jong meisje komt naar mijn bank gelopen. Ze gaat naast me zitten en kijkt me nieuwsgierig aan.
‘Ben je hier helemaal alleen?!’ vraagt ze. Ik knik.
‘Waar is je moeder?’
Om een of andere reden moet ik wel liegen. ‘Ze slaapt,’ antwoord ik.
‘Heb je zin om mee te gaan? We gaan wandelen!’ Het meisje is aardig en wil me opvrolijken. Misschien heeft ze in de gaten dat ik zo alleen ben. Ik knik opnieuw.
Het meisje, haar moeder en ik lopen door het bos.
Bij daglicht ziet het bos er heel anders uit. Het is er licht en koel, het is er mooi. De grond is lekker zacht en het ruikt er heerlijk naar hars en dennennaalden. Ik huppel een beetje rond en loop naar een struik, want ik heb dikke, zwarte bramen ontdekt en die wil ik plukken.
Maar ineens is de lucht vervuld van gebrom en gezoem, en ik zie allemaal wilde bijen om me heen. Wat heb ik hun aangedaan? Ze vallen me aan, ze volgen me! Ik sla ze van me af, maar het zijn er veel te veel, en ze zijn overal: in mijn haren, in mijn oren, in mijn mond, in mijn nek, en ze steken me. Ik schreeuw en huil en ren weg, het bos uit.
Achter me hoor ik als in de mist het geroep en de voetstappen van het meisje en haar moeder. Ze lopen achter me aan, ze willen me helpen, maar ik kan niet blijven staan, ik ben bijna uitzinnig van angst en pijn. Eindelijk laten de bijen me met rust, het zoemen en brommen verwijderen zich. Ik blijf trillend staan. Mijn armen en benen zijn rood en opgezwollen, ik verga van de pijn. Voorzichtig betast ik mijn gezicht. Het voelt dik en opgezwollen aan. Met mijn vingers haal ik de laatste bij uit mijn haar, die daar nog gevangenzat.
Het meisje en de moeder komen aangelopen. Ze jammeren en slaan hun handen voor hun gezicht. ‘Dat arme kind!’ roept de moeder. ‘Snel, ga naar je kamer, je moeder moet koude lappen leggen op de plekken waar je bent gestoken!’
Ik knik als in trance. Ik strompel terug naar het hotel, loop door de gangen en ga de grote, donkere kamer binnen. Ik kleed me uit en wikkel me in natte handdoeken, zoals de vrouw heeft gezegd. De pijn wordt er iets minder door, maar dat duurt maar even. Ik voel hoe het gif door mijn lichaam woedt. Zo voelt het dus als je gif inneemt.
Met mijn laatste krachten kruip ik in bed, trek het laken over me heen en zink weg in de wereld die tussen waken en slapen ligt. Hier heeft de werkelijkheid geen betekenis meer.
Mijn grootmoeder gaat bij mijn bed staan en legt haar droge hand op mijn voorhoofd.
‘Het lukt je wel,’ fluistert ze. ‘Ik ben bij je.’
Ik ben blij dat ze er is. Ik ben zo alleen.
‘Je moet drinken... Het moet je lukken...’
Ik drink. Ik heb het warm, zo vreselijk warm.
Eindelijk val ik weer in slaap.
Ik kan mijn ogen niet meer openen, want mijn oogleden zijn opgezwollen. Ook mijn mond voelt dik aan...
Er is geen tijd meer, alleen nog het gevoel dat mijn lichaam wordt opgevreten en dat het niet meer van mij is. Maar mijn gedachten zijn nog wel van mij. Ik weet dat ik beter zal worden, ik moet nu doorzetten, zoals grootmoeder gezegd heeft.
De dagen en nachten dat ik doodziek in de donkere hotelkamer lig, lijken een eeuwigheid te duren.
Af en toe gaat de deur open en hoor ik voetstappen of een zacht gerammel. Iemand komt bijna zonder geluid te maken binnen, neemt het presenteerblaadje weg, dat ik niet heb aangeraakt, en zet er een nieuw voor in de plaats. Nooit hoor ik iemand iets zeggen. Ik lig daar maar en mijn lichaam klopt, hamert, pulseert, strijdt tegen het gif. Daar heb ik al mijn kracht voor nodig.
Maar het lukt me.
Ineens staat er een vreemde man in mijn kamer. Het is een taxichauffeur met een snor.
‘Heet jij Roma Ligocka?’ vraagt hij.
Ik knik zwakjes.
‘Kleed je aan, ik breng je naar je oom.’
Hij draagt mijn koffer naar de auto, ik volg hem met knikkende knieën.
Ik kijk niet één keer om.
Oom Mittelmann vind ik vanaf het eerste moment al aardig. Hij is dokter, klein en vriendelijk en hij maakt leuke grapjes. Maar hij neemt me ook serieus, en dat is zeldzaam bij volwassenen. ‘Je bent zeker heel ongerust geweest, Roma,’ zegt hij. ‘Zo’n klein meisje helemaal alleen in dat grote hotel, dat was zeker niet leuk voor je. Maar je moeder is drie dagen lang niet bij kennis geweest. Ze heeft een zware angina. Zodra ze bij kennis kwam, heeft ze naar je gevraagd en me om hulp verzocht. Je blijft bij ons tot ze weer gezond is. Vind je dat goed?’
Ik vind het goed. Oom Mittelmann woont in een mooi huis met een kleine tuin. Hij is met een oudtante van mijn vader getrouwd. Tante Berta is groot en dik en heeft een spitse neus. Ze is druk en spraakzaam, en mijn oom is juist rustig en zwijgzaam, vooral wanneer hij met haar samen is. Ik geloof dat hij bang voor haar is, maar voor mij is ze lief. Ik ben blij dat ik zulke lieve familieleden heb, van wie ik daarvoor nog nooit had gehoord.
Oom en tante waren tijdens de oorlog ook in het kamp. Ik herken de blauwe cijfers op hun armen. Maar ze hebben het er niet over. Ze hebben een volwassen dochter. Hun zoon Janek hebben ze verloren. In de woonkamer staat een foto van hem; hij heeft een studentenpet op zijn hoofd. Wanneer ze het over hem hebben, praten ze heel zachtjes.
Tante geeft de bloemen in de tuin water, en ik mag haar daarbij helpen. De tuin is zo mooi! Er staan kruisbessen, net als vroeger bij mijn grootvader. Ook staan er bloemen en er is een kleine groentetuin met radijzen en wortelen. Tante Berta koopt een eendje voor me. Ik noem het Kasia en houd enorm veel van het dier. Het eendje volgt me overal waar ik heen ga en kwaakt daarbij ononderbroken. Ik mag de eend zelfs meenemen naar mijn kamer. Ik ben dolgelukkig.
Zodra hij maar even tijd heeft, houdt oom Mittelmann zich met mij bezig. Hij speelt piano voor me, alleen maar oude liedjes. Ze klinken een beetje vals, want de piano is vals en zijn stem ook.
Hij is zeer geliefd bij de mensen. De patiënten bezoeken hem dag en nacht. Tante Berta loopt daar altijd over te mopperen. Op de trap liggen koekjes, eieren en honing, op een keer zit er zelfs een levende kip. Maar in de la in zijn praktijk, waar hij het geld bewaart dat hij verdient, liggen altijd maar een paar bankbiljetten, ’s Avonds telt hij ze en geeft ze aan tante Berta. Dan moppert ze weer dat hij geen geld aanneemt van zijn patiënten.
‘Ze hebben toch ook geen geld,’ verdedigt hij zich dan en knipoogt naar me.
‘Als dat zo doorgaat, hebben wij binnenkort ook geen geld meer!’ roept tante Berta nijdig.
Wanneer we alleen zijn, voert mijn oom lange gesprekken met mij. Hij legt me alles uit en ik leer een hoop over ziekten en over het leven. Hij kent veel spreuken en gedichten vanbuiten, die altijd toepasselijk lijken. We lachen veel samen. Alleen op mijn vraag waar de kleine kindertjes vandaan komen wil hij me geen antwoord geven, hoezeer ik ook aandring.
Voor het eerst in mijn leven ervaar ik de geborgenheid van een gezin. En juist hier krijg ik voor het eerst die merkwaardige verschijnselen. Ik zit op bed, denk aan mijn moeder in het ziekenhuis, luister naar het tikken van de klok en kan me niet meer bewegen. Alsof ik ben vastgeklonken aan onzichtbare boeien. Tiktak, tiktak... Wanneer ik me in die toestand bevind, word ik niet eens meer vrolijk van het gekwaak van Kasia. En ik hoor niet dat tante Berta me roept voor het eten. Ik ben als versteend.
Ik heb het er met niemand over, zelfs niet met oom Mittelmann. Misschien had ik dat wel moeten doen. Misschien had hij me kunnen helpen. Nu weet ik dat er een naam is voor dit soort verschijnselen. Men noemt ze depressies.