Viooltjes

 

 

 

 

 

 

Het is moeilijk met krokussen. Ze hebben iets onbeschaamds. Dat steekt de kop maar uit het kale gras en roept hysterisch dat het voorjaar is. Oké, een voorteken zijn krokussen wel, maar ze juichen altijd te vroeg. Als de krokussen bloeien, wachten nog weken van guur en koud weer. Het is net alsof die krokussen dat eigenlijk prima vinden.

Narcissen – daarvan moet je houden.

Dan tulpen; die andere bloem die zo nadrukkelijk bij het voorjaar hoort. Is eigenlijk een wat ordinaire bloem, geknipt om in bossen bij benzinestations te staan. Bloemen die je op de valreep koopt als je naar je oude moeder gaat, naar iemand in het ziekenhuis onderweg bent of een stille tocht wilt volgen. Hup, je ratst een bosje tulpen mee. Kleur doet er niet toe. Als er maar een cellofaantje omheen zit.

Dan viooltjes.

Die hebben wel iets, vind ik, maar ze bieden een slordige aanblik, vooral als er meerdere kleuren door elkaar heen staan, nogal ordinair eigenlijk. Maar blauwe viooltjes solo zijn pico bello – ze zijn dapper; fragiel aan alle kanten, maar toch staan ze op wacht. Ze bewaken als het ware het voorjaarsgevoel. Ze symboliseren nederigheid en trouw.

De viool is een bloem met geschiedenis. Zo was Zeus ooit verliefd op Lo, maar bevreesd voor de toorn van zijn vrouw Hera. Hij veranderde toen Lo in een witte koe, en voerde haar vervolgens liefdevol violen. Ook gaat het verhaal dat het de lievelingsbloem van koningin Hortense was, de viola odorota in dit geval, het maartse viooltje, een wilde variant, en dat haar moeder, Joséphine, als bruidsboeket een tuil van die viooltjes droeg toen ze met Napoleon trouwde. Bij haar dood, veel later, bevond de kleine keizer zich in ballingschap op Elba, maar het eerste wat hij deed toen hij terugkeerde in Frankrijk was het graf van Josephine bezoeken om er een krans van maartse viooltjes neer te leggen.

Apocriefe verhalen allemaal.

Niet apocrief is het volgende: toen Napoleon in 1814 naar Elba werd verbannen, ging onder zijn volgelingen op het Franse platteland al snel de mare dat hij terug zou keren, en wel ‘als de violen bloeien’, in maart dus. Liefkozend noemden de achterblijvers hem ‘Caporal Violette’. En inderdaad, op 21 maart 1815 landde Napoleon met een handvol soldaten op de kust bij Cannes om vandaar, via Grasse, Grenoble en Lyon, naar Parijs te marcheren.

Onderweg sloten zich steeds meer soldaten bij hem aan, hoewel ze op pad gestuurd waren om hem tegen te houden, en nog voor hij de Franse hoofdstad bereikte, was de in 1814 teruggekeerde koning al op de vlucht geslagen naar Gent. Overal onderweg kwam Napoleon maartse viooltjes tegen – boeren en boerinnen boden hem manden vol aan, de trappen van het stadhuis van Lyon lagen ermee bezaaid, enthousiaste burgers droegen de bloemetjes in hun knoopsgat, op hun hoed of als ketting om de hals.

Goed.

We weten hoe het afliep met Napoleon. Amper honderd dagen na zijn wonderbaarlijke terugkeer werd hij bij Waterloo definitief verslagen en verbannen naar Sint-Helena, waar hij zou sterven. Het maartse viooltje bleef; nog decennia lang was het in Frankrijk onrustig als het fragiele bloemetje in maart en april weer bloeide. Zelfs na zijn dood waren er nog mensen die erop rekenden dat hij terugkwam zodra de violen bloeiden. Ja, nog altijd zijn ze in Frankrijk in het voorjaar bevreesd voor wat de toekomst zal brengen.