6. Van talent naar topspeler

Professionele voetbalclubs hebben allemaal hetzelfde doel. Ze willen dat het eerste elftal over de beste voetballers beschikt. Daarvoor scouten zij spelers op jonge leeftijd of juist pas als ze op de toppen van hun kunnen spelen. Investeren in een jonge speler betekent een groot risico. Je weet nooit of ze ook op latere leeftijd tot de beste jongens van de klas behoren. Kiezen voor een topspeler, met meer zekerheid over rendement, gaat vaak gepaard met hoge transferbedragen.

In de zomer van 2011 bracht PSV’s technisch directeur Marcel Brands naar buiten dat PSV geen kopende club meer kan en wil zijn. De Eindhovense topclub ziet zich door allerlei ontwikkelingen binnen en buiten de voetbalwereld gedwongen om het beleid aan te passen. Het aantrekken, opleiden en laten doorbreken van jeugdspelers staat in deze nieuwe plannen centraal.

Ajax staat in het mondiale voetbal al decennialang bekend als talentenfabriek. Vanuit de hele wereld komen trainers en coaches naar Amsterdam om de aanpak van de club die tientallen internationale topspelers voortbracht te observeren. In het Nederlands elftal dat in 2010 op het WK in Zuid-Afrika speelde, zaten zes internationals die in meer of mindere mate bij Ajax zijn opgeleid.

==

19.jpg

Patrick Kluivert: ‘Louis van Gaal haalde mij uit de A1 naar het eerste elftal en sprak veel vertrouwen in me uit.’

==

Ook bij Feyenoord is men zich bewust van de waarde van een goede jeugdopleiding. De Rotterdammers timmeren de laatste jaren flink aan de weg als talentenkweekvijver. Robin van Persie is de bekendste exponent, maar ook groeibriljanten als Luc Castaignos, Georginio Wijnaldum en Stefan de Vrij legden hun basis in de Feyenoord-school. In de Onder-17-selectie van Oranje, die in 2011 in Servië Europees Kampioen werd, speelden maar liefst zeven Feyenoorders mee. Hoofd jeugdopleiding Stanley Brard is trots op de opmars van de academie. ‘We hebben de laatste jaren flinke stappen gezet in het begeleiden en scouten van jeugdspelers. Het is mooi om te zien dat dit zijn vruchten afwerpt.’ De toekomst voor de Rotterdammers lijkt in dat opzicht hoopgevend.

Zoals eerder gesteld kent Nederland een rijke opleidingstraditie. Zaak is om niet alleen het nationale team, maar ook de Nederlandse clubs hiervan meer te laten profiteren.

Aan het uiteindelijke succes van kopen of opleiden liggen juiste scoutings-, trainings- en coachingsmethoden ten grondslag. Gesteld dat uitblinken in het opleiden van voetbaltalent het fundament moet gaan vormen in de voetbaltoekomst van Nederland, zoomen we voornamelijk in op de ontwikkeling van talent naar topspeler. Het ontwikkelingstraject van topvoetballers vertoont overeenkomsten, maar minstens evenveel verschillen.

Neem Ruud van Nistelrooy en Patrick Kluivert. Beiden zijn geboren op 1 juli 1976, beiden zijn spits van beroep en beiden hebben een internationale staat van dienst. Van Nistelrooy verwierf wereldfaam bij PSV, Manchester United en Real Madrid, terwijl Kluivert zijn stempel drukte op het spel van Ajax, AC Milan en FC Barcelona. Ze wonnen landstitels, waren topscorer in de belangrijkste voetbalcompetities en blonken uit in het Nederlands elftal. Zo vormde het duo in enkele interlands samen de voorhoede op het EK van 2004 in Portugal. De nummers 1 en 4 op de eeuwige topscorerslijst van Oranje lijken op het eerste oog veel gemeen te hebben. Een blik op hun ontwikkeling van talent naar topspeler levert echter een heel ander beeld op.

Patrick Kluivert maakte op achtjarige leeftijd zijn dribbels in Ajax E1, terwijl Ruud van Nistelrooy toen zijn goaltjes meepikte bij de bescheiden Brabantse amateurvereniging Nooit Gedacht. Het verschil kan niet groter zijn. De één traint vier keer in de week onder begeleiding van ervaren coaches en speelt mee in de hoogste jeugdcompetitie, waar de ander wekelijks twee keer bij de club oefent onder toezicht van een enthousiaste voetbalvader en op zaterdag een wedstrijd speelt tegen de jongetjes uit het dorp verderop. Kluivert was jarenlang het goudhaantje van de wereldberoemde Amsterdamse jeugdopleiding. Hij speelde regelmatig mee met hogere jeugdelftallen. Zijn ontwikkeling verliep in een dusdanig tempo, dat toenmalig hoofdtrainer Louis van Gaal hem direct van de A1 naar het eerste elftal overhevelde. Van Gaal was overtuigd van de klasse van zijn pupil. Toen PSV in 1994 Ronaldo voor de neus van Ajax wegkaapte, riep Van Gaal: ‘In Eindhoven hebben ze Ronaldo, maar wij hebben Kluivert.’

In de jaren dat Kluivert de nationale top bestormde, wachtte Van Nistelrooy nog reikhalzend op zijn ontdekker. Om zijn scoutingskans te vergoten, besloot hij als tiener zelf de overstap te maken naar de betere amateurvereniging RKSV Margriet. Een juiste keuze zo bleek, want hier speelde hij zich uiteindelijk in de kijker van profclub FC Den Bosch. In dezelfde periode waarin Louis van Gaal een vergelijking tussen Kluivert en Ronaldo aandurfde, debuteerde Van Nistelrooy bij het eerste van FC Den Bosch. De spits had in die beginfase veel moeite om een basisplaats te veroveren.

Kluivert overtrof alle verwachtingen in de hoofdmacht van Ajax. Hij was achttien jaar toen hij zijn debuut maakte in de strijd om de Supercup tegen Feyenoord. Direct trof hij doel. Zijn entree in het betaald voetbal was overweldigend. Hij werd met Ajax ongeslagen landskampioen, bezorgde zijn club met het bekende puntertje de Champions League-overwinning en werd uitgeroepen tot beste Europese voetballer onder de 21 jaar. Ondertussen twijfelde men bij FC Den Bosch aan de kwaliteiten van Ruud van Nistelrooy. Hij speelde zijn wedstrijdjes in het eerste elftal, maar een opvallende speler was hij niet. Pas toen Kees Zwamborn trainer werd, veranderde dit. Hij hield zijn aanvaller voor dat hij er toch echt een paar schepjes bovenop moest gooien om de door hem zo vurig gewenste top te halen. Van Nistelrooy toonde aan over een hogere versnelling te beschikken en verdiende een transfer naar SC Heerenveen.

Na het geweldige debuutjaar werd Kluivert gelanceerd als wereldster. Begeerd door Europese topclubs groeide hij uit tot eerste spits van Oranje. Op 21-jarige leeftijd verkaste hij naar AC Milan, waar hij zijn status niet waarmaakte, maar hij herpakte zich een seizoen later goed bij FC Barcelona. In Catalonië werd hij herenigd met Louis van Gaal en ging verder waar hij in Amsterdam gebleven was: scoren. Vaak en mooi. Met het Nederlands elftal stond Kluivert in 1998 in de halve finale van het WK in Frankrijk, waarin hij scoorde tegen Brazilië. Jarenlang verbleef hij aan de absolute top.

De ‘Van Nistelrooy-trein’ raakte in die fase eindelijk op stoom. Onder het bewind van coach Foppe de Haan, die Van Nistelrooy van het middenveld naar de aanvalslinie schoof, ontpopte hij zich tot de sensatie van de Eredivisie. Via SC Heerenveen kwam de ambitieuze Brabander bij PSV terecht. De Eindhovenaren betaalden een bedrag van 12 miljoen gulden voor de toen 22-jarige spits, destijds een nieuw nationaal transferrecord. Van Nistelrooy bleek het geld meer dan waard. Tussen 1998 en 2001 maakt hij in 67 wedstrijden 62 doelpunten voor PSV en ook hij werd international. De wereldtop lonkte naar de Brabander. Manchester United werd de topclub die Van Nistelrooy het toneel bood om zijn kunsten wekelijks tegen de allerbeste tegenstanders te vertonen. ‘Van the Man’ groeide onder Sir Alex Ferguson uit tot een legende. Scoren deed hij in de competities waaraan ManU meedeed aan de lopende band, terwijl hij ook in Oranje zijn spitspositie langzaam maar zeker veiligstelde. Na vijf jaar Engeland verkaste Van Nistelrooy in 2006 naar Real Madrid. In het maagdelijk witte shirt ontwikkelde hij zich verder en was hij naar eigen zeggen beter dan ooit.

Na vier seizoenen in Barcelona raakte bij Kluivert de schwung ervan af. Coach Frank Rijkaard besloot hem in de zomer van 2003 te verkopen. De met relatieproblemen en blessures kampende Amsterdammer was over zijn hoogtepunt heen en op zijn 28e was zijn leven als topsporter op zijn retour. Voormalig wereldvedette Kluivert kon niet meer overtuigen bij achtereenvolgens Newcastle United, Valencia, PSV en Lille.

Patrick Kluivert kwam als speler in 2008 voor het laatst in actie. Hij wilde graag door, maar geen enkele club durfde het 32-jarige ‘risico-Kluivert’ aan. In het shirt van het Nederlands elftal speelde hij alleen nog op Nieuwjaarsdag, als spits van de oud-internationals die in Haarlem de champagne uit hun lijven zweetten. In het jaar dat Kluivert vroegtijdig afscheid neemt, wint Van Nistelrooy met Real Madrid de landstitel, kroont zich tot topscorer van Spanje en speelt een uitstekend EK met Oranje in Zwitserland. Vervolgens overwint hij een zware blessure, toont in 2010 bij HSV aan nog altijd de absolute top aan te kunnen en tekent in de zomer van 2011 een contract bij het Spaanse Malaga. Patrick Kluivert legt zich dan al enkele jaren toe op het verwezenlijken van zijn nieuwe ambitie: een toptrainer worden.

Kluivert en Van Nistelrooy hebben dezelfde geboortedatum en bereikten allebei als spits bij hun clubs en met Oranje de wereldtop. Daarmee houden de overeenkomsten nagenoeg op. Hun genetische bagage, thuissituatie, gezinssamenstelling, achtergrond, schoolprestaties, clubkeuze, trainers, medespelers, persoonlijke ontwikkeling, talentontwikkeling, individuele kwaliteiten, prioriteiten en carrièreverloop vertonen net zoveel overeenkomsten en verschillen als die van twee willekeurige andere profvoetballers. De vergelijking roept veel vragen op. Waarom kwam Ruud van Nistelrooy relatief laat op gang? Had Patrick Kluivert meer mazzel? Heeft Van Nistelrooy in een latere fase geprofiteerd van de in zijn jongere jaren al vaak op de proef gestelde en daardoor sterker ontwikkelde persoonlijkheid? Kun je dan stellen dat een gebrek aan persoonlijkheid Kluivert heeft opgebroken? Mag je spreken over meer of minder talent of slechtere dan wel betere talentontwikkeling en begeleiding? Wat waren de onderlinge verschillen in intrinsieke motivatie en was dat doorslaggevend op langere termijn? En wie van de twee is de beste voetbaldenker?

Genenonderzoekers over de hele wereld zijn er nog niet over uit in hoeverre genen allesbepalend zijn bij het leveren van sportprestaties. Wat in hoge mate genetisch bepaald is, zijn de antropometrische kenmerken – skelet en constitutie – en de inspanningsfysiologische kenmerken zoals vezeltype en herstelvermogen. Die hebben automatisch invloed op prestaties. Zo is het niet toevallig dat de snelste tijden op de 100 meter sprint zijn gelopen door atleten met een donkere huidskleur. Dergelijke genetische bagage is van invloed op het wel of niet goed reageren op bepaalde trainingsarbeid. Voetballers doen veel aan intervaltraining, het continu afwisselen van explosieve loopacties. Of iemand daar een bepaalde aanleg voor heeft, is in de genopbouw waarneembaar.

==

20.jpg

Jan Olde Riekerink: ‘Talent is het aangeboren geluk.’

==

Ook over de definitie van het begrip ‘talent’ is nog geen overeenstemming bereikt. De Van Dale houdt het op ‘natuurlijke begaafdheid of aanleg’. Te algemeen om daarop beleid te maken. Bewegingswetenschapper Chris Visscher legt uit wat hij en zijn collega’s op de Rijksuniversiteit Groningen als uitgangspunt hanteren voor het begrip ‘talent’: ‘Een talent is iemand die beter is dan het overgrote deel van zijn leeftijdsgenoten en de potentie heeft om de top te halen.’ De discussie die nu in de wetenschap wordt gevoerd is: horen zaken als doorzettingsvermogen bij talent of niet? Er wordt nu onderscheid gemaakt tussen wat iemand heeft meegekregen – giftedness – en het deel dat iemand ontwikkelt gedurende het leven. De vraag is of dit twee verschillende dingen zijn. Psycholoog en wetenschapper Jacques van Rossum bekijkt het vanuit een ander perspectief. ‘Een talent is voor mij een uitblinker. Niet stráks iets worden, maar nú uitblinken. Dit wijkt af van de opvatting van een gemiddelde leek. Die zal zeggen dat een talent iemand is die nog wat moet gáán bereiken. De wetenschap gaat ervan uit, dat de talenten degenen zijn die op dit moment het beste presteren. Dit betekent dat het kan voorkomen dat je een dertienjarige uitblinker hebt die op vijftienjarige leeftijd van het toneel is verdwenen. En omgekeerd.’

Jan Olde Riekerink werkte tussen 2007 en 2011 als eindverantwoordelijke voor de voetbalopleiding bij Ajax. Zittend aan zijn bureau in Sportpark De Toekomst in Amsterdam-Zuidoost stelde hij vast dat een bepaald talent vertrekpunt is voor het ontwikkelingswerk dat Ajax in jonge voetballers investeert. ‘Mijn definitie van talent is aangeboren geluk. Daarbij is het een talent om je talent te gebruiken. Wij ontwikkelen bij Ajax talent, wij máken geen talent.’ Volgens Olde Riekerink is het in topsport belangrijk dat er verschil gemaakt wordt tussen talent en toptalent. ‘In een team, ook bij Ajax, zijn er altijd vier beste spelers, vier slechtste en een middengroep. Hoe geweldig je selectie ook is, dit principe geldt altijd. Het type speler kun je altijd aanwijzen. Er is dus een verschil tussen talent en toptalent. Ik ben ervan overtuigd dat de vier besten uiteindelijk naar de top doorstomen en dat zie je op twaalfjarige leeftijd al. Ik heb zelden meegemaakt dat een speler die op z’n twaalfde bij de talentengroep zat, ineens een toptalent werd. Het komt wel geregeld voor dat een toptalent terugvalt naar talent.’

Uit eigen ervaring weet ik dat talent een ongrijpbaar fenomeen is. Mijn ontwikkeling lijkt meer op die van Van Nistelrooy dan die van Kluivert. Er moet een verklaring zijn voor het feit dat ik van mijn generatie het verst ben gekomen. De vaak gevoerde discussie of topvoetballers geboren of gemaakt worden, eindigt tot nog toe onbeslist. Voetbalkenners gaan er in het algemeen van uit dat je topvoetballers niets hoeft bij te brengen, omdat ze van zichzelf al uitzonderlijk goed zijn. Dat zou betekenen dat topvoetballers geboren worden. Aanhangers van deze gedachte bagatelliseren de rol van coaches bij winnende topteams. ‘Met zo’n selectie wordt mijn oma ook kampioen,’ klinkt het dan. Coaches worden weggezet als nog net niet hinderlijke figuranten. Met dat uitgangspunt zouden de genen van een topvoetballer dus allesbepalend zijn.

Maar de ‘maakbaren’ winnen steeds meer terrein. Tot deze groep behoren trainers die prestaties neerzetten met een groep spelers die zonder hem niet tot hetzelfde in staat bleken. Zuid-Korea was tot de komst van Guus Hiddink een voetbaldwerg. De resultaten onder leiding van de Nederlander op het WK in 2002 spreken voor zich. Recent voorbeeld is de Portugese coach André Villas-Boas. Hij won met FC Porto in het seizoen 2010-2011, in zijn tweede jaar als hoofdcoach, de landstitel, de beker én de Europa League. Een knappe prestatie voor de op dat moment pas 33-jarige ex-assistent van José Mourinho. Kijkend naar deze scenario’s is de rol van coaches, of beter gezegd van goede coaches, wel degelijk belangrijk bij het leveren van voetbalprestaties op topniveau.

De interviewsessies met de (oud-)internationals leverden een vergelijkbaar beeld op: ‘aangeboren’ en ‘gemaakt’ kregen nagenoeg evenveel stemmen. Van de generatie Oranje-spelers die eind jaren negentig en afgelopen decennium het nationale team kleur gaven, trainde een groot deel onder Louis van Gaal. De meerderheid van deze voetballers erkent de belangrijke rol die Van Gaal in hun ontwikkeling heeft gespeeld. Onder hen bevinden zich door velen als ‘natuurtalenten’ bestempelde topspelers als Patrick Kluivert, Frank de Boer en Dennis Bergkamp. Stuk voor stuk spelers met bovengemiddelde kwaliteiten, bij wie het spelen in het betaalde voetbal vanzelf leek te gaan. Deze ‘geboren talenten’ groeiden mede dankzij de juiste begeleiding van trainers als Van Gaal daadwerkelijk uit tot topvoetballers.

Clubarts Edwin Goedhart beschouwt talent als hoofdzakelijk aangeboren en uiteindelijk succes als deels gemaakt. ‘Je wordt als goede voetballer geboren. Je moet de juiste ouders kiezen. Veel fysieke en mentale vaardigheden zijn aanleg. Je kunt je helemaal kapot trainen maar als het niet in je zit, wordt het nooit wat. Lichaamslengte, spierstructuur, longinhoud: dat zijn zaken die vastliggen in de genen. Een schatting? Dan zeg ik gevoelsmatig: 80 procent is aanleg, 20 procent is trainbaar. Dit geldt voor fysieke, mentale én sociale vaardigheden.’

De voorspellende waarde, of het gebrek daaraan, van talent is waar BVO’s koortsachtig naar op zoek zijn. Hoe groot is de kans dat een jongen van zes jaar die op het eerste oog veel beter is dan zijn leeftijdsgenoten, uiteindelijk goed genoeg zal zijn voor het niveau van de Eredivisie? In het scoutings- en opleidingsproces staat deze vraag centraal. Fingerspitzengefühl en praktijkervaring liggen in de voetbalsport ten grondslag aan voetbalkeuzes en voetbaltechnisch beleid. Ook bij het herkennen van voetbaltalent gaat dit op. Het merendeel van de scouts in het Nederlandse profvoetbal teert op een rijk voetbalverleden. AZ stuurt ervaren profs als Hugo Hovenkamp en Barry van Galen op pad om jong talent op te sporen. Feyenoord huurde voor deze taak onder meer voormalige vedettes als Johan Boskamp en Rinus Israël in. PSV vertrouwt het ontdekken van talent toe aan onder anderen John de Jong en Willy van der Kuylen. Allemaal mannen met een flinke dosis voetbalverstand, maar zonder gedegen opleiding of studie.

In gesprekken met scouts, jeugdtrainers en opleidingscoördinatoren komt naar voren dat talentscouting per leeftijd, positie en club verschillende eisen stelt. Ajax zoekt andere typen spelers dan FC Utrecht vanwege de kenmerkende, herkenbare manier van spelen. Bij geen enkele club is de vraag ‘Past deze speler in ons spelsysteem’ zo belangrijk als bij de Amsterdammers. Andere BVO’s zijn juist op zoek naar spelers die flexibel zijn en geschikt voor meerdere spelsystemen. Daarnaast wordt bij achtjarigen op andere lichaamskenmerken of vaardigheden gelet dan bij een jongen van veertien en vragen de verdedigende posities in het team om andere kwaliteiten dan de aanvallende rollen.

Jos van Dijk maakte deel uit van de technische staf van Louis van Gaal bij Bayern München. De van oorsprong inspanningsfysioloog onderschrijft de ideeën van Goedhart. ‘Hét talent bestaat niet, zoals dé voetballer ook niet bestaat. Spelers met aanleg voor een bepaalde positie en een bepaalde speelwijze bestaan wel. In alle facetten is een aanvaller anders dan een verdediger. Zowel in karakter en persoonlijkheid als op fysiek en tactisch terrein. Je ziet per positie compleet andere profielen. Lionel Messi zou geen topverdediger zijn, Jaap Stam geen wereldspits.’ Van Dijk vertelde het verhaal dat Bayern München-middenvelder Bastian Schweinsteiger onder Louis van Gaal van een aanvallende positie op de flanken naar een meer controlerende, centrale positie verhuisde. ‘Zijn talenten, waaronder zijn persoonlijkheid, komen daar beter tot hun recht. Dat bleek ook. Hij speelde een geweldig seizoen waarin Bayern bijna alles won en had er gelijk heel veel plezier in.’

Van Louis van Gaal is bekend dat hij actief zoekt naar onderbouwing van zijn methoden. Hij baseerde de verhuizing van Schweinsteiger onder meer op theorieën uit de persoonlijkheidsleer. Van de eigenzinnige coach die op verschillende niveaus grote successen behaalde, kennen velen het beeld dat hij bij het aantrekken van een speler zijn thuissituatie meenam in zijn overwegingen. Dit ging volgens de overlevering zo ver dat Van Gaal ook de interieurkeuze mee liet spelen. Hij stelt zichzelf niet enkel de vraag of hij de voetballer, maar of hij de totale mens wil contracteren.

Scouting wordt hoe dan ook meer en meer een professie. Gezien de investeringen in de nieuwe (jeugd)speler een logische ontwikkeling. Alle profclubs hanteren vragenlijsten die worden ingevuld na het bekijken van trainingen en wedstrijden en het voeren van gesprekken. Sommige scouts baseren hun oordeel ook op videoanalyses. Maar boven alles geldt het oog van de meester, de scout, vaak als doorslaggevend. Dat is even begrijpelijk – voetballers onder elkaar vertrouwen vooral hun soortgenoten – als bedenkelijk. Ook al gebruikt een scout checklists, de kwaliteit van de scores wordt bepaald door de invuller. Fingerspitzengefühl en praktijkervaring zijn voor een voetbalscout onmisbaar, maar onvolledig. Steeds vaker ontstaan scoutingsteams waarin de voormalige profvoetballer wordt aangevuld met een specialist uit bijvoorbeeld de psychologie of pedagogiek. Daardoor wordt de kans op een juiste inschatting vergroot, hoewel het gevaarlijk is om bijvoorbeeld een psycholoog in te schakelen die algemene principes uit zijn vakgebied loslaat op voetballers. Het eerder genoemde voorbeeld van de Braziliaanse bondscoach die op het WK van 1958 aanvaller Garrincha passeerde op basis van de uitkomsten van een psychologische test, toont aan dat er een vertaalslag noodzakelijk is van de wetenschap naar de voetbalwereld. Om een voetballer te beoordelen, moet de voetballer in hem centraal gesteld worden. Raymond Verheijen deed verschillende malen wetenschappelijk onderzoek waarbij hij voetbal als uitgangspunt nam. Een van deze onderzoeken leverde voor scoutingsdoeleinden interessante conclusies op. Verheijen bracht eind negentiger jaren het geboortemaandeffect in kaart; hij heeft niet veel meer nodig dan een geboortedatum om in te kunnen schatten of een bepaalde talentvolle jeugdspeler een serieuze kans van slagen heeft. Hij bracht bijna tienduizend jeugdspelers van professionele jeugdopleidingen in kaart en volgde hun prestaties gedurende zes jaar. Daaruit bleek onder andere dat jeugdspelers die in januari zijn geboren circa vier keer meer kans hebben om door te breken dan jongens die in december jarig zijn. Maar liefst 43 procent van het Nederlandse voetbaltalent is in het eerste kwartaal van het jaar geboren. De verklaring is simpel: de peildatum bij de KNVB is 1 januari. De oudere spelers hebben vergeleken met hun jongere leeftijdsgenoten uit dezelfde categorie minder moeite de gevraagde trainingsarbeid te leveren. De jongsten lopen vaak op hun tenen om aan te kunnen haken. Verheijen stelt dat dit gelijk een verklaring is voor het vaker voorkomen van groeistoornissen bij die laatste-kwartaalgroep. De groeiachterstand kan zelfs zes centimeter bedragen.

Sinds de KNVB besloot dat jeugdteams moesten willen winnen, werkt het fenomeen prestatiedruk zichtbaar door op de ontwikkeling van jeugdspelers. ‘Twintig jaar geleden zag je het geboortemaandeffect niet terug,’ licht de bewegingswetenschapper, die zich de laatste jaren nadrukkelijk manifesteert als assistent-trainer bij verschillende clubs en bonden, toe. ‘Nu er door het belang van winnen in de opleiding druk op die jongens ligt dus wel. Vooral in de puberteit maken enkele maanden leeftijdsverschil veel uit. Groeiachterstand en blessures zorgen ervoor dat zo’n jongen in zijn ontwikkeling geremd wordt. De kans dat hij ondanks geweldige voetbalcapaciteiten moet afhaken, is groot.’ Nederlandse clubs hebben onbewust jarenlang geselecteerd op de grootste en sterkste spelers. Zij waren het verst in fysieke ontwikkeling, gingen het minst gebukt onder de zware inspanningen en leken op het eerste oog de beste spelers van hun lichting. Hoe logisch deze keuze voor de scouts op dat moment ook was, vaststaat dat fysieke capaciteiten in het voetbal uiteindelijk niet bepalend zijn. Maar als je door fysieke ongemakken of zelfs gebreken bij spelers in de puberteit heen moet kijken, waar let je als scout dan wel op? Clubs hebben behoefte aan andere, relevantere voetbalindicatoren om een juiste selectie te kunnen maken.

De eerder beschreven constatering dat voetbal primair een denksport is, heeft invloed op het scouten en opleiden van voetballers. Tot op heden wordt de traditionele vierdeling van vaardigheden ook in scoutingsrapporten en opleidingsprogramma’s als inhoudelijk vertrekpunt gebruikt. Al dan niet aangevuld met aspecten als levensstijl, communicatie of motivatie draait het ook hier hoofdzakelijk om technische, tactische, fysieke en mentale vaardigheden. Zoals geschetst, verdient het de aandacht om deze vier elementen in relatie tot elkaar te bekijken. De balaanname van een speler valt in de traditionele kijk op voetbal onder de categorie techniek. Toch is het bij het beoordelen hiervan belangrijk dat meegewogen wordt wat zijn volgende handeling is, hoe snel hij de balaanname-handeling verricht, of de speler in kwestie de balaanname even goed beheerst op volle snelheid als vanuit stilstand, of de precisie en snelheid van deze handeling op peil blijven met een tegenstander in de buurt, of zijn balaanname in een belangrijke wedstrijd van hetzelfde niveau is als op de training en hoe snel hij zijn vervolghandeling inzet en afrondt. Techniek kan niet los gezien worden van achtereenvolgens tactiek, fysiek en mentaliteit. Los van het feit dat deze termen ruimte voor verschillende interpretaties bieden.

Gesteld dat voetbaldenken primair de basis van voetballen vormt, dan moet hiervoor in de scouting en in de opleiding of training van jeugdspelers een substantiële plek worden ingeruimd. In het voetbaldenkmodel gaat het erom dat spelers in staat zijn om te denken aan taken, te denken in mogelijkheden en te denken aan voetbalhandelingen. Vrij vertaald gaat het om vaardigheden als doelen stellen, doelcommitment tonen, teamrollen begrijpen, taken uitvoeren, de juiste voeding kiezen, de arbeid-rustverhouding in de gaten houden, gedachten filteren, mogelijkheden zien, keuzes maken, improviseren, leren van fouten en voetbalhandelingen verrichten. Al deze voetbalvaardigheden moeten effectief, kwalitatief goed en in een hoog tempo herhaald worden, en in totaliteit in de ideale situatie een hele wedstrijd lang volgehouden.

Om het voetbaldenktalent van voetballers te kunnen inschalen, lijkt het testen van voetbalintelligentie een logische stap. De in de wetenschappelijke wereld beschikbare kennis kan, mits op de juiste wijze vertaald, veel bijdragen aan het minimaliseren van het risico dat het contracteren van een speler inhoudt. Neuropsycholoog Erik Matser is goed thuis in het vaststellen van de voor voetbal benodigde vormen van intelligentie. De 48-jarige academicus verdiende onder meer in New York zijn sporen in de wetenschap. Aan Cornell University deed hij onderzoek naar preventie en diagnostiek van hersenletsel bij profboksers. Matser was nieuwsgierig naar de werking en de ontwikkeling van de hersenen van professionele boksers. Aanleiding voor het onderzoek vormde de constatering dat een onevenredig groot deel van de boksers op relatief jonge leeftijd verschijnselen van hersenbeschadiging vertoonde. ‘Omdat niet alle beschadigingen op MRI-scans aangetroffen werden, paste ik neuropsychologisch onderzoek toe. Uit die hersenfunctietesten bleek dat er bij een bepaalde groep boksers wel degelijk sprake was van hersenaandoeningen.’

Het vanuit medisch oogpunt opgezette onderzoek verschafte Matser min of meer bij toeval waardevolle inzichten in het verschil in hersenfuncties tussen de beste profboksers en hun minder succesvolle collega’s. De Brabantse wetenschapper ontdekte dat de best of class bijzonder hoog scoorden op ruimtelijk inzicht en snelheid van informatieverwerking. ‘Ik kon op basis van scores op deze twee aspecten zonder hun namen en prestaties te weten, de boksers rangschikken van meest tot minst succesvol. Dat was een openbaring. De beste boksers waren de snelste denkers.’ Matser legde zich na zijn onderzoek in de Verenigde Staten toe op onder meer klassieke muziek en ontdekte dat dezelfde constatering opging voor meesterpianisten. De beste pianisten kon hij er op basis van resultaten uit neuropsychologisch onderzoek zo uitpikken.

Toen hij in Zwitserland op een congres een lezing hield waarin hij zijn onderzoeksresultaten doornam, werd hij opgemerkt door een medewerker van Chelsea-eigenaar Roman Abramovitsj. ‘Hij vroeg na ons gesprek of ik een keer in Londen wilde komen praten om te kijken of we de verworven inzichten ook bij topvoetballers konden terugvinden.’ Abramovitsj werd na Matsers verhaal direct enthousiast. Hij zag veel in het idee om jeugdspelers met excellent ontwikkelde hersenfuncties te scouten en gearriveerde vedettes pas aan te trekken nadat hersenonderzoek had uitgewezen, dat zij in staat zouden zijn om het razendsnelle, complexe voetbal van tegenwoordig hun wil op te leggen. Deze aanpak kon hem wellicht tientallen tot honderden miljoenen euro’s besparen. ‘Voetbaltalent zit niet in spieren, voetbaltalent zit in het brein,’ zegt Matser in zijn kantoor in Helmond. ‘Ook bij topvoetballers gaat op dat degenen die uitmuntend scoren op ruimtelijk inzicht, snelheid van informatieverwerking en lerend vermogen het verst komen.’

Matser neemt een actie van Frank de Boer tijdens de halve finale van het WK in 1998 tegen Brazilië als voorbeeld van voetbalintelligentie. De Braziliaanse topspits Ronaldo krijgt met Frank de Boer in zijn rug op eigen helft de bal aangespeeld en met een simpele voetbeweging verlengt hij de bal, draait snel weg van De Boer en sprint vanaf de middenlijn op volle snelheid in een rechte lijn richting het Nederlandse strafschopgebied. De Boer lijkt in een verslagen positie. Heel Nederland houdt de adem in: een tweede doelpunt van Ronaldo is immers fataal. De Oranje-aanvoerder rent voor wat hij waard is en ziet dat zijn meesprintende collega Cocu Ronaldo dwingt enkele meters naar rechts uit te wijken. De Boer schat in dat het naar links uitkappen van Cocu de enige optie is voor Ronaldo en blijft daarom rechtdoor rennen in de veronderstelling dat hij dan gelijk uitkomt met de Braziliaanse sterspeler. Vlak voor het zestienmetergebied kapt Ronaldo op volle snelheid Cocu inderdaad naar links uit en moet daarvoor een fractie van een seconde snelheid inleveren. Op het moment dat hij het strafschopgebied binnen dringt en de hoek uitkiest om Edwin van der Sar te verschalken, zet Frank de Boer een sliding in en weet met het puntje van zijn linkerschoen de bal tussen de benen van de nog altijd sprintende Ronaldo door weg te tikken. Ronaldo valt en is te beduusd om theater te maken en daarmee een penalty af te dwingen. Matser: ‘Zittend op de grond hijgt Ronaldo na en je ziet hem denken: Waar kwam die Frank de Boer nu toch ineens vandaan? Hem had ik rond de middenlijn toch al van me afgeschud?! De Boer was de mindere sprinter van de twee, maar troefde Ronaldo af met verbluffend snel denkwerk. Dat heet met recht wereldklasse. Of hij zich daar op dat moment van bewust was? Dat hoeft niet per se.’

Voor velen is het wellicht even wennen om Frank de Boer te zien als een groot denker. Matser schudt het hoofd. Zuchtend: ‘Dat De Boer waarschijnlijk als speler van Oranje en Ajax hoog scoorde op ruimtelijk inzicht en snelheid van informatieverwerking, betekent nog niet automatisch dat hij op hersenfuncties als taal ook uitblinkt. Zijn interviews na een wedstrijd waren wellicht niet altijd even diepzinnig, maar dan vergeet je gemakshalve ook dat hij gesloopt is na een wedstrijd, wellicht emotioneel is vanwege de resultaten tijdens het duel en op zijn woorden moet passen in het belang van zijn club. Bovendien zie je heel vaak dat mensen die als een genie worden beschouwd, eenzijdig intelligent zijn. Van Mozart via Michael Jackson tot Einstein. Topvoetballers van wereldniveau zijn even zeldzaam. Daarom zijn ze ook zo duur.’

Matser trad na gesprekken met Abramovitsj in 2005 parttime in dienst bij Chelsea. Zijn opdracht was om ook bij voetballers een blauwdruk te ontwikkelen van toppers-in-wording. Hij kreeg direct te maken met José Mourinho. De Portugees en de Nederlander hadden een klik en kregen van technisch manager Frank Arnesen veel ruimte om te experimenteren. ‘We hebben daar geweldig samengewerkt. Mourinho wilde heel ver gaan om Chelsea van binnenuit te veranderen. De Engelse bond legde de profclubs op dat zij een bepaald aantal spelers uit de jeugd moesten opstellen. Met mijn uitgangspunten als handleiding wilde hij het beste van het beste naar Londen halen. Omdat de hersenfuncties pas op vijftien- of zestienjarige leeftijd goed ontwikkeld zijn, is het scouten van talent op voetbalintelligentie dan pas zinvol. Helaas is het project om de beste jeugdspelers bij Chelsea te krijgen doodgebloed. Toen Mourinho naar Inter vertrok, was de magic gone. Met de komst van Scolari en later Ancelotti was het gelijk gedaan met de plannen. Zij namen hun eigen vertrouwelingen mee en volgden hun eigen aanpak.’

Eén van de in 2007 door Chelsea gescoute talenten was de toen vijftienjarige Jeffrey Bruma. Hij verruilde Feyenoord voor de Londense club, speelde enkele wedstrijden in het eerste elftal en speelde in augustus 2010 mee in de oefeninterland Oekraïne-Nederland. Een ander talent was de bij PSV weggekochte Patrick Van Aanholt. Deze in 1990 geboren verdediger speelde enkele malen in het eerste van Chelsea en werd voor een paar korte periodes verhuurd aan onder meer Newcastle United. ‘Een van de belangrijke voorwaarden voor de verdere ontwikkeling van de allerbesten is dat zij trainen en spelen met de allerbesten. Die jongens hebben er meer aan om vanaf hun achttiende al regelmatig met het eerste elftal in de Premier League te spelen dan met de A1 in de landelijke jeugdcompetitie.’ Het scoutingsproject binnen Chelsea heeft te kort geduurd voor Matser om met voldoende testresultaten zijn theorie in de praktijk te bewijzen. De aanname dat voetbaldenken doorslaggevend is voor het niveau dat een speler haalt, sluit aan bij het willen meten en volgen van de voetbaldenk-kwaliteiten van een jeugdspeler.

In Nederland starten veel jeugdopleidingen van BVO’s op achtjarige leeftijd. Junioren hebben dan twee jaar bij een amateurclub achter de rug. Ajax begint al bij de F’jes. Jan Olde Riekerink motiveert die leeftijdkeuze met de wil om de beste talenten in die leeftijdscategorie al met alles wat Ajax is in aanraking te laten komen. ‘Het verleden heeft aangetoond dat jongens vanaf de jongste jeugd kunnen doorgroeien naar het eerste elftal. Ajax-spelers als Kluivert, Seedorf, Sneijder, Van der Vaart, Heitinga en Maduro hebben hun hele opleiding bij Ajax genoten. Ik krijg de feedback van ouders dat kinderen niet alleen een voetbalopleiding bij Ajax krijgen, maar een opleiding voor de rest van hun leven. Je groeit op in een uitdagend klimaat. Dat helpt ook op andere terreinen. Voor de club heeft het als voordeel dat je kinderen iedere week bezig ziet en je hen kunt beïnvloeden. Het fundament waar je het huis op bouwt, moet je niet gaan neerleggen als het huis bijna klaar is.’

Neuropsycholoog Matser pleit gevraagd naar scouting en talentontwikkeling voor een radicaal andere aanpak. De gedreven wetenschapper is voorstander van strengere selectie aan de poort. ‘Hersenfuncties als ruimtelijk inzicht, lerend vermogen en snelheid van informatieverwerking kun je pas goed testen vanaf de puberteit. Dat hangt ook een beetje van de individuele ontwikkeling af. Het risico dat je loopt door als club een jeugdopleiding al tien jaar eerder te starten, is dat je investeert in honderden jongetjes die óf rond hun zestiende al zijn afgevallen óf op intelligentievlak tekortschieten.’ Eenmaal op dreef houdt hij ineens even in. ‘Ik heb het nu overigens over world class players. De échte top. De zeldzame talenten, van wie er op de wereld per leeftijdscategorie maar enkele tientallen zijn. Zij gedijen niet per definitie goed in zeer gestructureerde jeugdopleidingen. Voor de veel grotere groep talenten die daarna komt, ligt dat anders. Clubs als Ajax, PSV en Feyenoord gaan uit van het piramidemodel. Je begint met een heel grote, steeds kleiner wordende groep. Van de honderden jeugdspelers die je per lichting in de opleiding hebt zien komen en gaan, halen per seizoen slechts een of twee het eerste elftal.’ Matser rekent globaal voor dat het bereiken van het uiteindelijke doel, jeugdspelers tot volwaardig eerste-elftalspelers opleiden, om die reden nu enorm kostbaar is. ‘Die ene speler die per jaar doorbreekt heeft bij elkaar een kapitaal gekost. Dat geld kun je beter steken in innovatieve methodes en technieken om beter te kunnen inschatten of een jongen van vijftien het écht in zich heeft om het eerste elftal binnen vijf jaar te versterken. Neuropsychologisch onderzoek is een van die technieken, inderdaad.’

==

21.jpg

Neuropsycholoog Erik Matser: ‘De Boer was de mindere sprinter van de twee, maar troefde Ronaldo af met verbluffend snel denkwerk.’

==

Om in de toekomst meer grip te krijgen op het beoordelen en ontwikkelen van talent, is inzicht in de invloed van genen en de processen die zich in het lichaam afspelen bij het aanleren van vaardigheden noodzakelijk. Na veel wetenschappelijke discussie over de samenhang tussen genen en prestaties, is de meerderheid van de experts tot de conclusie gekomen dat het ontwikkelen van vaardigheden niet louter afhankelijk is van geërfde genen. Er bestaat simpelweg geen voetbal-gen. Omgevingsfactoren spelen een heel belangrijke rol bij het benutten van de mogelijkheden die genen in aanleg bieden. Toch kan niet iedere jeugdspeler zo goed worden als Rafael van der Vaart. De complexe interactie tussen wat wetenschappers nature en nurture noemen, bepaalt de mate waarin vaardigheden kunnen worden aangeleerd. Deze vaststelling is voor velen een antwoord waarbij zij zich neerleggen. Het mysterie hieromheen blijft daardoor intact. Na gesprekken met deskundigen bleven echter enkele fundamentele vragen hangen. Welke van de twee, nature of nurture, is doorslaggevend? Hoe beïnvloeden de twee elkaar precies? En vooral: wat is de meest effectieve manier om de interactie tussen beide dusdanig te beïnvloeden dat het beste uit een voetballer gehaald wordt?

Tijdens de research voor dit boek kregen we het onvolprezen werk van de Amerikaanse auteur Daniël Coyle onder ogen. Deze journalist verdiepte zich enkele jaren geleden tijdens het schrijven van een artikel in talent hotbeds, ofwel ‘broedplaatsen voor talent’. Vanuit zijn nieuwsgierigheid naar eventuele overeenkomsten tussen kweekvijvers op het gebied van sport, muziek, dans en kunst, stuitte hij op baanbrekende gelijkenissen tussen dansacademies, muziekconservatoria en sportinstellingen die elk op hun specialisme onevenredig veel toptalenten afleverden. Coyle raakte gegrepen door dit fenomeen en reisde de hele wereld over om te achterhalen of deze talentfabrikanten zonder het van elkaar te weten op dezelfde manier de talentcode wisten te kraken. Dat bleek zo te zijn.

‘Ik was tijdens mijn eerste research voor dat artikel diep onder de indruk geraakt van de tennisopleiding van Spartak Moskou. Deze Russische club leverde meer top 20-speelsters in het professionele vrouwentennis af dan de hele Verenigde Staten bij elkaar. Dat moest een goed gefaciliteerde tennisschool zijn, die zich baseerde op uitstekend geheim gebleven trainingsprincipes,’ vertelde Coyle. De in Alaska wonende schrijver ging in Moskou op bezoek en trof een onopvallende, kleine accommodatie aan met slechts één armoedige indoorbaan. ‘Ik noteerde alles. De faciliteiten, het aantal kinderen per klas, de manier van toelaten en afwijzen, de trainingsduur en -intensiteit en de gebruikte technieken. Ik sprak met de talenten, hun ouders, de coaches en docenten, en bracht de resultaten in kaart.’

Na het bezoek aan Spartak Moskou vatte de The New York Times-journalist het plan op om over het kraken van de talentencode een boek te schrijven en meer bezoeken aan broedplaatsen volgden. ‘In Brazilië dook ik in de subcultuur van het futsal. Deze zaalvoetbalsport ligt aan de basis van de technische superioriteit van Braziliaanse voetballers. Van Romario, Ronaldo en Ronaldinho tot Robinho: allemaal hebben zij tienduizenden uren futsal gespeeld. De kleine ruimtes en de verzwaarde bal dagen de futsalspelers uit om sneller te denken en te handelen. Het voetballeerproces wordt daardoor aanzienlijk versneld. Bij die jeugdacademie in Sao Paolo ontdekte ik gaandeweg dezelfde principes als in Moskou en ook op de legendarische klassieke muziekopleiding Meadowmount in New York zag ik vergelijkbare patronen: veel en grensverleggend trainen, sterke motivatie en een bevlogen, doordachte coaching vormden de basis van deze talent hotbeds. Hetgeen overigens niet hetzelfde is als gewoon veel en hard trainen met een trainer langs de lijn.’ Coyle las tijdens het vele reizen in The Cambridge Handbook of Expertise and Expert Performance over een onderzoek waarin de hoeveelheid en de wijze van trainingsarbeid direct werden gekoppeld aan de aanwezigheid van de hersensubstantie myeline. Na gesprekken met neurologen en breinonderzoekers vielen alle puzzelstukjes op de juiste plaats. ‘Ik heb vervolgens een poging gedaan om de op het oog toevallige wetten van de talent hotbeds te linken aan resultaten uit wetenschappelijk hersenonderzoek. Volledig toegewijde, grensverleggende en gerichte training en dus effectieve coaching, is noodzakelijk om het beste in een sporter naar boven te halen. Het volhouden van de vereiste hoeveelheid intensieve training is enkel mogelijk met een ijzeren wil om te slagen. Wat zich afspeelt in de hersenen tijdens dit ontwikkelingsproces van talent tot topper, bleek meetbaar. Sindsdien weet ik het zeker: greatness isn’t born, it’s grown.’

Onderzoekers aan onder meer de University of Californa, Los Angeles (UCLA) ontdekten min of meer bij toeval wat er daadwerkelijk plaatsvindt in het menselijk brein op het moment dat iemand een taal leert, akkoorden op een accordeon of gitaar probeert te spelen of jongleert met een voetbal. Aanvankelijk waren de Amerikaanse wetenschappers vooral benieuwd naar wat er misgaat bij mensen die lijden aan bijvoorbeeld dyslexie en multiple sclerose. Wetenschappers slaagden erin om het verzwakken van hersensignalen of het onderbreken ervan zichtbaar te maken. Met de vanuit medisch oogpunt waardevolle kennis die werd opgedaan, deden anderen hun voordeel. In Daniël Coyles boek The Talent Code legt George Bartzokis, professor in de neurologie aan de UCLA, uit dat een bepaalde hersensubstantie de sleutel vormt tot het leren lezen, praten en voetballen. Het gaat hierbij om myeline: de witte, vettige substantie in de hersenen die zorgt voor goede geleiding van signalen vanuit de hersenen. Vergelijk het met elektriciteit in huis. Hoe dikker de blauwe, zwarte en bruine plastic draadomhulsels, hoe betrouwbaarder het elektriciteitscircuit is. Druk je op een lichtschakelaar en is deze met de lamp verbonden door louter koperdraad, dan is de kans op kortsluiting groot. In het brein vindt een vergelijkbaar proces plaats. Een ontstekingsmechanisme in de hersenen leidt tot het versturen van een signaal dat via de zenuwen bijvoorbeeld een spiergroep triggert. ‘De myelinelaag zorgt voor snelheid, sterkte en precisie van het signaal,’ stelt Bartzokis. ‘Hoe vaker we vanuit de hersenen een signaal versturen, hoe dikker de isolatielaag wordt en hoe beter, vloeiender of effectiever de specifieke handeling, gedachte of gevoel wordt. Deze wittige hersensubstantie is op hersenscans zichtbaar en dus meetbaar.’

Vaardigheden kunnen dus worden getraind door deze isolatielaag van myeline te verdikken, in begrijpelijke termen: door veel en vaak specifieke signalen te herhalen. Volledig toegewijde, grensverleggende en gerichte training versnelt dit ontwikkelingsproces aanzienlijk en zorgt ervoor dat een voetballer sneller vooruit zal gaan bij het zoeken van zijn plafond. Myeline-onderzoekers hebben pas de laatste jaren ontdekt dat het proces in de hersenen bij het leren van vaardigheden als piano spelen of een bal wegschieten, bij ieder mens gelijk is. Of het nu gaat om een wereldtopper als Arjen Robben of om een willekeurige amateur: het uitkappen van een tegenstander verloopt volgens identieke breinprocessen. De myelinelaag van Robben is alleen significant dikker door de hoeveelheid effectieve trainingsarbeid die hij heeft geleverd. Tegelijkertijd is het zeer aannemelijk dat de myelinelaag van de amateur nooit even dik als die van Robben had kunnen worden, ook al had hij dezelfde grensverleggende trainingsarbeid verricht. Zijn plafond zal hem in dat geval beperken in zijn verdere ontwikkeling.

Uit onderzoek blijkt dat het motto ‘Oefening baart kunst’ maar gedeeltelijk opgaat. Het gaat niet om alleen oefening, maar om gerichte, volledig toegewijde oefening. Coyle verwachtte dat de toptalenten tijdens het leveren van hun bijzondere prestatie een euforisch gevoel zouden ervaren. Navraag leerde dat ze vooral in gevecht zijn met zichzelf en de omstandigheden, dus daadwerkelijk grensverleggend bezig zijn. Daar hoort het begaan van fouten bij. Fouten maken en herstellen leidt tot het finetunen van de vaardigheden. Hierbij is belangrijk dat niet het resultaat maar het proces centraal staat. In de jeugdopleiding mag bij jonge spelers het resultaat daarom nooit leidend zijn, de individuele ontwikkeling hoort voorop te staan. Leren met vallen en opstaan is noodzakelijk voor het goed en snel uitvoeren van een vaardigheid. Hoe gerichter en toegewijder de voetbaltraining, des te meer myeline er wordt aangemaakt en des te vaardiger de voetballer wordt. Kortom: hij moet zichzelf dwingen zijn grenzen continu te verleggen. In het voetbaldenkmodel komt het er dus op neer dat een voetballer moet leren denken aan taken, denken in mogelijkheden en denken aan voetbalhandelingen door dit vaak, gericht en met volledige toewijding te trainen en te herhalen. De voetballer die hierin slaagt, haalt het beste uit zichzelf. Op deze wijze ontstaan de voor topvoetbal noodzakelijke automatismen die ervoor zorgen dat deze voetbaldenkprocessen onbewust verlopen en niet afleiden van het goed en met volledige aandacht uitvoeren van een voetbalhandeling.

Illustratief voor de rol van kwalitatief hoogwaardige training is de intensiteit en de aandacht waarmee Dennis Bergkamp als voetballer dag in, dag uit aan zijn vaardigheden bleef sleutelen. Arsenal-vedette Robin van Persie vertelde in het tv-programma Heilig Gras over de grenzeloze bewondering die hij koesterde voor de professionaliteit van zijn mentor bij de Londense club. Van Persie lag eens na een hersteltraining bij te komen in de jacuzzi op het Arsenal-trainingscomplex. Door het raam zag hij op het trainingsveld Bergkamp aan het werk met enkele jeugdspelers. ‘In drie kwartier training maakte hij geen enkele fout,’ vertelde Van Persie in de televisie-uitzending. ‘Geen enkele! Terwijl er niemand op hem lette of hij het wel goed deed. Mijn mond viel open van verbazing en vanbinnen werd ik dolenthousiast. Zó goed wilde ik ook worden. Vanaf dat moment streef ik altijd naar perfectie.’ Vanzelfsprekend beschikte Bergkamp over een kansrijk genenpakket, maar zonder zijn professionele vakbeleving was hij nooit zo goed geworden. Bergkamp bezat buitengewoon traintalent.

Eén van de kenmerken van het goed leren van vaardigheden, is dat dit breinproces traag verloopt. Het kost, afhankelijk van de aard van de vaardigheid, tientallen tot tienduizenden uren om een vaardigheid aan te leren. Daarom is het logisch dat je het beste op jonge leeftijd kunt beginnen met leren. Bovendien werken de hersenen van een kind veel flexibeler, waardoor het leren van vaardigheden sneller verloopt. Het is niet verwonderlijk dat nagenoeg alle internationals tijdens de research voor dit boek aangaven, dat hun ouders hen vertelden dat zij vlak nadat ze konden lopen al aan het voetballen waren.

==

22.jpg

Robin van Persie in Heilig Gras: ‘Ik zag Bergkamp trainen en mijn mond viel open van verbazing. Zo goed wilde ik ook worden.’

Om voortdurend grensverleggend te kunnen trainen, is veel energie, spelplezier en een sterke motivatie noodzakelijk. Het voetbaldenkmodel wijst erop dat motivatie voortkomt uit gedachten, beelden, ervaringen en toekomstperspectieven en uiteindelijk tot toevoer of blokkade van de benodigde energie leidt. Uit psychologisch onderzoek naar menselijk presteren komt naar voren dat toppers in elk vak hoog scoren op motivatiegerelateerde kenmerken als passie en doorzettingsvermogen. Van louter passie word je echter nog geen topspeler. Passie moet een invulling krijgen. Een jonge voetballer bij wie een grote mate van passie voor het voetbalspel wordt geconstateerd, kan dit bijvoorbeeld uiten door veel wedstrijden te volgen op televisie. Maar daarvan alleen wordt hij geen topspeler. Als de passie ook daadwerkelijk wordt omgezet in het onophoudelijk blijven voetballen op straat, op een club of in de achtertuin, ontwikkelt hij zijn voetbalvaardigheden. Niet passie maar de bereidheid om duizenden uren te steken in het verfijnen van bijvoorbeeld zijn traptechniek, maken van hem wellicht een topspeler. Psychologen noemen dit deliberate practice: intensieve, doelgerichte training onder deskundige begeleiding.

Dit sluit aan bij de stelling van hoogleraar Nico van Yperen, die ‘doelcommitment’ als onderscheidende factor aanmerkt in het eerder beschreven onderzoek naar de psychologische factoren die het verschil maken tussen succesvolle en minder succesvolle voetballers. Van Yperen stelde zich de vraag in hoeverre een jeugdspeler daadwerkelijk bereid is om alles in zijn leven zo in te richten dat het heilige doel, bijvoorbeeld voetbalprof worden, gerealiseerd kan worden. ‘Degene met de grootste bereidheid haalt het maximale uit zichzelf. Genetische aanleg, of talent, bepaalt het plafond.’ En dat laatste verschilt nogal. Indien Messi nog niet de helft van zijn trainingsarbeid had verricht, al was het door op straat partijtjes te spelen, was hij nooit bij FC Barcelona toegelaten.

Fysiotherapeut Leo Echteld werkte op verschillende eindtoernooien in dienst van de KNVB om de spelers van Oranje sportmedisch te begeleiden. Echteld leerde tijdens die periodes teammanager Hans Jorritsma pas echt goed kennen. Jorritsma kent als hockeycoach binnen de topsportwereld het klappen van de zweep. Hij won onder meer met Pakistan het WK in 1994. Vanaf 1996 werkt hij bij het Nederlands elftal met de allerbeste voetballers van Nederland. ‘Toen ik als twintigjarige jonge stagiar bij hockeytrainer Hans Jorritsma meeliep, vroeg ik Hans wat hij als gemene deler kon noemen van profvoetballers en professionele hockeyers,’ vertelt Echteld in zijn multidisciplinair sportmedisch centrum Fysiomed in Amsterdam. ‘En wat onderscheidt de beste voetballer en hockeyers van mindere teamgenoten? Hans antwoordde: “Vuur. De echte toppers in de sport bezitten het meeste vuur.” Later herkende ik dat in de maximale gedrevenheid van absolute toppers. Toen ik als fysiotherapeut startte bij AC Milan, kreeg ik te maken met Edgar Davids en Michael Reiziger. Het jaar daarop kwamen Winston Bogarde en Patrick Kluivert. Ik weet nog goed dat Davids helemaal op tilt ging tegen trainer Fabio Capello toen hij werd gepasseerd. “Verdomme trainer, laat mij gewoon spelen!” In een latere fase reageerde Bogarde hetzelfde. Capello klaagde bij psycholoog Bruno De Michelis over het in zijn ogen maniakale gedrag van de Nederlandse aankopen. De Michelis antwoordde: “Luister, je mocht willen dat je vijfentwintig van deze gasten had die elke week zó graag willen spelen dat ze het gras erbij opvreten.” Zij bezaten ontegenzeggelijk vuur.’

Hele studies zijn gewijd aan motivatiefactoren binnen de topsport. Daarin komt onder meer naar voren dat motivatie de vereiste energie levert voor het blijven volhouden van gerichte, volledige toegewijde trainingsarbeid. Zonder motivatie haakt een voetballer vroeg of laat af. Hij zal dan niet in staat zijn om de vereiste hoge intensiteit tijdens of de frequentie van de trainingen vol te kunnen houden. En daarmee zijn aanmaakproces van myeline vertragen.

De prikkel om dit heilige vuur daar waar nodig op te stoken, kan echter wel degelijk van buiten komen. Leo Echteld: ‘Je kunt spelers als Clarence Seedorf en André Ooijer nooit op een slechte instelling betrappen, maar in de fase dat ze bij de Ajax-jeugd speelden, moest het vuur wel af en toe aangewakkerd worden. Iedere jonge speler heeft wel eens iemand nodig die wat kolen op het vuur gooit.’ Louis van Gaal is een meester in het opstoken van dat vuurtje. ‘Van Gaal sprak zijn spelers aan op hun passie. Altijd. Als het niet liep, was dat het eerste waar hij op hamerde. Liep het wel, dan gaf hij hen op dat vlak een compliment,’ verhaalt Echteld. De man die sterke persoonlijkheden als Clarence Seedorf, André Ooijer, Khalid Boulahrouz en Edwin van der Sar vanuit zijn beroep als fysiotherapeut begeleidt, is van mening dat het hebben van vuur aangeboren is. ‘Die passie is niet te trainen. De absolute wil om te slagen ook niet. Die heb je, of die heb je niet.’

Motivatiefactoren laten zich niet eenvoudig vangen. Laat staan definiëren. Veel onderzoekers gaan uit van een bundeling van gedachten, ervaringen, ideeën, interesses, overtuigingen en beelden. Motivatie kan volgen op een inspirerende uitspraak – I have a dream! , een gebeurtenis – Barack Obama als eerste Afro-Amerikaanse president van Amerika – of een droom: later als ik groot ben word ik beroemd en rijk; allemaal signalen van buitenaf die in meer of mindere mate appelleren aan toekomstperspectieven. Het komt altijd neer op ergens bij willen horen. Bij een groep die idealen deelt, bij een welvarende klasse of een selecte, gewaardeerde groep topsporters. Mensen zijn sociale wezens die zich aansluiten bij of juist distantiëren van anderen om te overleven. Lukt dat, dan voelen zij zich veilig. Om deze reden geldt in de topsport het principe dat indien je het gevoel hebt je doelen te hebben bereikt, je prestaties hier uiteindelijk onder zullen lijden: het heilige vuur dooft.

Hoe sterker de behoefte, hoe sterker het motivatiesignaal. Een overtuigende leider, een aangrijpende gebeurtenis of een inspirerend voorbeeld kan zorgen voor het overhalen van de motivatietrekker. Amerikaanse wetenschappers omschreven het onbewuste ooit als een gierige bankier van energiereserves. De miljoenen zenuwcellen die in dat deel van het brein betrokken zijn bij ontelbare processen, worden voortdurend getriggerd door signalen van buitenaf. Motiverende signalen zorgen ervoor dat de energie vrijkomt. Soms in ongekende hoeveelheden. In dat geval komen personen, groepen en zelfs een heel continent in beweging.

Tot 1987 werd de Europees Voetballer van het Jaarverkiezing altijd gewonnen door Europese, blanke spelers. Ruud Gullit was eind jaren tachtig na 31 seizoenen de eerste donkere voetballer die tot beste van Europa en uiteindelijk tweemaal tot ’s werelds beste werd gekroond. Dit inspireerde Afrikaanse tieners tot grootse daden: succes in het tot dan toe overwegend blanke voetbal was voor hen ineens zichtbaar bereikbaar geworden. Toen de Liberiaan George Weah in 1995 de FIFA World Player Award won, bracht dat het Afrikaanse continent massaal in beweging. Voetballen deden zij al en nu kon dat hen, als zij erin slaagden om uit te blinken, een fortuin opleveren. De prestaties van rolmodellen als Gullit en Weah hebben het vuur in honderdduizenden Afrikaanse jongens opgestookt. Zij wisten tot welke groep zij wilden behoren. Tegenwoordig voetballen honderden spelers met een Afrikaanse nationaliteit bij een vooraanstaande Europese profclub.

In dit verband is de volgens Sports Illustrated meest aansprekende atletische prestatie van de twintigste eeuw het vermelden waard. Geneeskundestudent Roger Bannister weigerde te geloven in de bewering van medici en sportkenners, dat het menselijk lichaam niet in staat was om de Engelse mijl onder de vier minuten te lopen. Kenners waren er ruim vijftig jaar geleden van overtuigd dat het lichaam zou exploderen bij een dergelijke sportieve aanslag. Bannister tartte het lot en met succes. Hij slechtte als eerste atleet de vier-minutenbarrière en legde daarmee de basis voor de theorie dat de fysieke mogelijkheden van de mens schier oneindig zijn. Hoelang het duurde voordat anderen zijn lange tijd voor onmogelijk gehouden prestatie verbeterden? Ruim een maand. Bannister had voornamelijk een blokkade in het denken opgeheven en daarmee zijn collega-hardlopers geïnspireerd hem te volgen.

Motivatie kent veel bronnen. Wanneer je naar de gezinssamenstelling kijkt, valt op dat mensen die topprestaties leveren vaak de jongste in het gezin blijken te zijn. Een studie onder sprinters van wereldklasse wees uit dat vijf van de tien allersnelste mannen op aarde de benjamin zijn. Het gaat om Tyson Gay, Asafa Powell, Justin Gatlin, Maurice Greene en Donovan Bailey. Vier anderen – Usain Bolt, Leroy Burrell en Carl Lewis – bleken de op een na jongste in hun familie. De verklaring laat zich eenvoudig raden: de jongsten willen graag aanhaken bij hun oudere broers en zussen en moeten hiervoor op hun tenen lopen. Ze worden aangespoord om hun uiterste best te doen om serieus genomen te worden. Dit herken ik in mijn eigen leven. Ik heb een elf jaar oudere zus en een vijf jaar oudere broer. In het Biltse Heemstrakwartier voetbalden mijn broer Ben en zijn vrienden elke dag op straat. Ik wilde dolgraag meedoen, maar werd door die groep jongens niet voor vol aangezien. ‘Zet Hans maar op doel, dan hebben we het minst last van hem,’ kreeg ik dan te horen. De keren dat ik mee mocht doen, ging ik er vol voor. Tot kapotte knieën aan toe. Mijn ijzeren wil om te slagen, noem het mijn vechtersmentaliteit, is wellicht destijds al aangewakkerd.

Terug naar de op 1 juli 1976 geboren Patrick Kluivert en Ruud van Nistelrooy. Wat waren nu de belangrijkste verschillen tussen hen? Alles is terug te voeren op de continue bereidheid om grensverleggend te trainen, waarbij het dus van belang is dat je de juiste training op de juiste wijze uitvoert. Trainde Kluivert minder hard? Op het laatst zeker, in het begin hoogstwaarschijnlijk niet. Was de bereidheid van Kluivert om elke dag weer tot het gaatje te gaan minder dan die van Van Nistelrooy? Na zijn 25e absoluut. Voetbal leek relatief vroeg in de carrière van Kluivert aan prioriteit in te boeten. Door zijn winnende doelpunt in de Champions League-finale van 1995, werd hij op zijn achttiende al tot de groep topvoetballers gerekend. Miljoenencontracten, aandacht, waardering en erkenning verwierf Kluivert voor hij goed en wel gestart was met het vak dat hij als tiener graag wilde beoefenen. Waar vocht hij nog voor? Wellicht heeft dit vroege succes Kluiverts uiteindelijke ontwikkeling flink afgeremd. Het zorgde er in elk geval voor dat menig voetbalfan te vroeg afscheid heeft moeten nemen van de atletische, technisch uitblinkende spits. Van Nistelrooy was op zijn 35e nog altijd actief op het hoogste professionele niveau, terwijl Kluivert zeven jaar eerder al de aansluiting miste.

Ontegenzeggelijk maakte Patrick Kluivert in zijn jaren bij FC Barcelona keuzes die niet passen bij topsport. De populaire spits genoot met volle teugen van het leven buiten de voetbalstadions. Waar Leontien van Nistelrooy zichzelf wegcijferde om haar man Ruud te steunen in zijn carrière, zette Kluivert met zijn eerste vrouw Angela een nachtclub aan het strand van Barcelona op. Je hoeft geen glazen bol te bezitten om te snappen dat voetbal niet vierentwintig uur per dag bezit nam van de Amsterdamse topvoetballer in Spaanse dienst. Vroeg of laat breekt dat een topsporter op.

Was Kluivert een groter talent? Zijn atletische lijf en motorische hoogbegaafdheid hebben hem geholpen om al op jonge leeftijd met de beste trainers en spelers te voetballen. Zijn myelinelaag werd dikker en dikker, waar Van Nistelrooy de versnelling van het aanmaakproces veel later zou ervaren. Als je de vaardigheid om gedachten om te blijven zetten in doelcommitment als een talent beschouwt, was Van Nistelrooy op dat vlak getalenteerder. Alleen maakte dat pas op latere leeftijd het verschil.

Had Kluivert betere coaches? Dat is de vraag. Feit is dat Kluivert veel eerder in zijn leertraject in een stimulerende omgeving – de Ajax-opleiding – terechtkwam en dat Louis van Gaal een bepalende rol in zijn profcarrière heeft gespeeld. Van Nistelrooy heeft op eigen kracht en al vroeg geleerd, om te brengen wat aan de top nodig is.

En tot slot, wie van de twee is de beste voetbaldenker? Vaststaat dat beiden op hun eigen manier de absolute top en dus een uitzonderlijk hoog niveau van voetbaldenken hebben bereikt. Uitgaande van het principe dat voetbaldenken draait om het beter, sneller en vaker uitvoeren van denkprocessen en daaraan gekoppelde voetbalhandelingen, is Van Nistelrooy in staat gebleken om dit mechanisme het langst vol te houden.

Prestaties zijn in zeer grote mate het gevolg van gedreven, grensverleggende en uitgekiende trainingsarbeid. Is met de vaststelling dat training met volle overgave en aandacht vereiste nummer één is en motivatie om deze buitenproportionele trainingsarbeid te willen blijven verrichten een keiharde voorwaarde, de talentcode van succes gekraakt? Nee. Om het maximale uit de geleverde trainingsarbeid te halen, is het noodzakelijk om de juiste vaardigheden op de juiste manier te trainen. Het voetbaldenkmodel schreeuwt om een goede trainer én coach. Om spelers te leren voetbaldenken, om hun energiehuishouding te reguleren, gedachten om te zetten in motivatie en automatismen te ontwikkelen waardoor de volledige aandacht gestoken kan worden in het voortdurend maken van keuzes en het uitvoeren van voetbalhandelingen, is professionele begeleiding noodzakelijk.

Alleen spelers uit de buitencategorie zullen zichzelf opleggen om continu doelen te stellen, doen en laten wat nodig is om deze doelen te realiseren, zichzelf opnieuw verbeteren, blijven variëren in trainingsvormen en dit proces eindeloos blijven herhalen. De grootste voetballers zijn zelf in staat om in te schatten wat ze moeten bijschaven of bijleren om de door henzelf opgelegde eisen in te willigen. Het leeuwendeel heeft een coach, trainer, klankbord, voorbeeld, collega, zaakwaarnemer, familielid of vriend nodig om te kunnen én om te blijven excelleren.