5. Voetbaldenken
Kijkend naar een voetbalwedstrijd in een stadion of op televisie zie je tweeëntwintig spelers voortdurend handelingen verrichten. In dit geval voetbalhandelingen. Wat niet zichtbaar is, zijn de denkprocessen die aan de basis liggen van deze voetbalhandelingen. Aan een ogenschijnlijk simpele pass is altijd hersenarbeid voorafgegaan. Om te weten wat een topspeler onderscheidt van een subtopper moet dit denkproces in kaart gebracht worden. Op dezelfde manier kun je de individuele ontwikkeling van een speler vaststellen. Het verschil tussen de Wesley Sneijder in zijn tweede jaar bij Real Madrid en zijn eerste jaar bij Internazionale was primair een verschil in denkprocessen.
Uit de reguliere sportpsychologie klinken verklaringen als ‘Sneijder was in Milaan meer gefocust’ of ‘Sneijder heeft in Italië stappen gemaakt wat emotiecontrole betreft’. Ook de kenners buiten het stadion weten prima hoe het zit: ‘Sneijder vocht voor eerherstel’, klinkt het dan. Achteraf is het voor Wesley Sneijder niet interessant om te weten wat er met hem is gebeurd, tenzij hij wil begrijpen hoe hij nog een stap in zijn totale ontwikkeling als voetballer kan maken. Daarnaast is het voor andere profvoetballers of voetballers die het profniveau willen bereiken interessant om duidelijk te krijgen wat er in Sneijder veranderd is. Met inzichten kun je gericht aan de slag om een betere voetbalprestatie neer te zetten.
==
Jaap Stam: ‘Ik gebruik negatieve ervaringen om mezelf te motiveren: het kan altijd beter.’
==
De twee hierboven aangehaalde termen uit de sportpsychologie, ‘focus’ en ‘emotiecontrole’, roepen veel vragen op. Wat is focus? Van Dale geeft de betekenis ‘brandpunt’. Het bijpassende werkwoord ‘focussen’ komt uit de fotografie en betekent binnen die context het ‘scherp stellen of nauwkeurig instellen op een bepaald brandpunt’. Deze concentratietechniek is tot op zekere hoogte bruikbaar in de voetbalsport, maar vormt slechts een onderdeel van het totale proces dat zich tijdens een wedstrijd of training in het lichaam van een voetballer afspeelt. Waarop moet een speler zich focussen? Hoe weet hij dat hij zich op het juiste ‘brandpunt’ richt? Hoe focus je in een stadion met vijftigduizend supporters, die er alles aan doen om jou als voetballer het focussen onmogelijk te maken? Is de beste voetballer de voetballer met de meest optimale focus? Al zou het antwoord bevestigend zijn, waarop exact focust die topper zich dan? Dergelijke termen vragen om een concrete vertaling naar het voetbal.
Ook een techniek als ‘emotiecontrole’ biedt onvoldoende houvast om het verschil tussen toppers en subtoppers te verklaren. Waarneming van gebeurtenissen leidt tot gedachten. Deze gedachten roepen gevoelens of emoties op. Controleren van een emotie betekent te laat ingrijpen in het denkproces: de gedachten dienen te worden beïnvloed. Gedachten blokkeren of gedachten op een positieve wijze ‘vertalen’ beïnvloedt de daarop volgende emotie. Slaagt een topspeler erin zijn gedachten om te zetten in motiverende emoties en kan hij demotiverende gedachten blokkeren, dan is de kans op het maken van de juiste keuze en het verrichten van een goede voetbalhandeling groter. Gedachtencontrole lijkt in dezen dus een relevantere techniek dan emotiecontrole.
Jaap Stam won als voetballer veel prijzen, met als kroon op zijn werk de Champions League in 1999 in dienst van Manchester United. Gevraagd naar de mooiste momenten uit zijn voetbalcarrière, staart Stam bedenkelijk over zijn landgoed in het Overijsselse Dalfsen. ‘Ik heb genoten van alle overwinningen, maar ik denk vaker aan de verloren wedstrijden. Dat had ik ook toen ik nog speelde. Als ik terugdenk aan de Champions League, denk ik aan de verloren finale in 2005 van AC Milan tegen Liverpool. Terwijl ik in 1999 “de trofee met de grote oren” won met ManU. Ik gebruik negatieve ervaringen om mezelf te motiveren: het kan altijd beter. Deze manier van denken brengt het beste in mij boven. Ik wil alles winnen. Als ik verlies, prikkelt dat mij om ervoor te zorgen dat ik de volgende keer wel win.’ Stam had als voetballer een zogenaamde ‘winnaarsmentaliteit’. De verdediger slaagde erin om continu te denken aan zijn doel: ieder duel winnen. Negatieve gedachten uit het verleden wist hij om te zetten in prestatiebevorderende emoties. Dit zorgde voor extra energie die hij vervolgens stak in het voetbaldenkproces.
Het geïsoleerd trainen van het vermogen om te focussen of van emotiecontrole leidt niet automatisch tot een betere voetballer of tot een topspeler. Overigens staat buiten kijf dat concentratietechniek als onderdeel van een totale trainingsmethode waardevol kan zijn. Voor ik een topprestatie moest gaan leveren, gingen mijn gedachten vaak naar het boekje Onder de lat van Eddy Pieters Graafland. De doelman van Feyenoord en Oranje beschreef hierin het moment dat hij voor de eerste keer een bomvolle Kuip binnen liep. ‘Hier heb ik het allemaal voor gedaan. Nu kan ik aan al die mensen laten zien waar ik jarenlang op geoefend heb,’ schreef hij. Dit zinnetje stond op mijn harde schijf en kwam naar boven zodra ik de catacomben uit kwam en een vol stadion voor me zag. Vooral tijdens belangrijke wedstrijden hielpen deze gedachten mij om mijzelf te concentreren en honderd procent scherp te zijn. Ik maakte volgens een heleboel mensen een gestreste indruk. Mijn kaken stonden strak naar voren en ik had een woeste blik in mijn ogen. Ik voelde me zo scherp als een mes. Mijn vrouw Karen wist dat. Als zij mij met zo’n kop de warming-up zag doen, wist ze dat het goed zat. Deze manier van denken ontstond automatisch tijdens topwedstrijden. Op de momenten dat het moest gebeuren, creëerde ik voor mezelf een ‘dood-of-de-gladiolensituatie’. Ik zette de gladiolenbril op omdat ik wist dat ik in die situatie het best kon presteren. In minder beladen wedstrijden lukte dit beïnvloeden van mijn gedachten en emoties niet altijd. Daar baal ik nu nog van.
Er is echter meer nodig dan de constatering dat een voetballer goed moet kunnen focussen. Volgens wetenschappers zijn er talloze theorieën in de psychologie van grote waarde voor het verbeteren van de prestatie van een individuele voetballer, maar die kennis lijkt geen toegang te krijgen tot de sport. De wetenschap en het topvoetbal zijn in veel opzichten twee totaal gescheiden werelden: de vaak introverte, intelligente academicus versus de straatslimme, praktisch ingestelde (voormalige) topvoetballer. De aan de Vrije Universiteit in Amsterdam verbonden wetenschapper Jacques van Rossum, het inhoudelijke geweten achter de AEGON Masterclass bij Ajax, herkent de kloof tussen theorie en praktijk. ‘Tijdens mijn werk in de voetbalsport merk ik hoe lastig het is om theorie naar de praktijk te brengen. Voetballers denken over het algemeen niet in theorieën, maar in handelingen. Zelf ben ik meer met basisprincipes bezig. Ik ervaar regelmatig moeilijkheden als ik abstracte informatie op sporters over wil brengen.’
Dit ‘Mars-versus-Venusprobleem’ is mede de oorzaak dat de snelheid waarmee innovaties plaatsvinden aanzienlijk wordt vertraagd. Henk van de Wetering stond binnen de KNVB jarenlang aan de basis van de ontwikkeling van trainingsmethoden en trainersopleidingen. Van de Wetering erkent de grote verschillen tussen de voetbalwereld en de wetenschap. Volgens hem verdienen twee aspecten de aandacht. ‘Binnen de voetbalwereld zijn we er niet voldoende in geslaagd om wat zich in de koppen van spelers afspeelt, specifiek te vertalen naar voetbalsituaties. Enerzijds heeft dat te maken met het feit dat de sportpsychologie zich nog te weinig heeft ontwikkeld. Het is een relatief jonge wetenschap en er is nog maar weinig sportpsychologisch onderzoek uitgevoerd. Het ontbreekt aan kennis en data om analyses te kunnen maken. Anderzijds heeft de sportpsychologie binnen het voetbal een negatieve lading gekregen doordat de plank nogal eens is misgeslagen. Er is een grote behoefte aan een specifiek, begrijpelijk model voor presteren binnen het voetbal.’
==
Hans van Breukelen: ‘Op de momenten dat het moest gebeuren, creëerde ik voor mezelf een “dood-of-de-gladiolensituatie”.’
Elk lid van het Team Van Breukelen leverde vanuit zijn of haar expertise, ervaring, kennis en achtergrond een inhoudelijke bijdrage aan dit boek. Aangevuld met de uitkomsten van gedegen literatuuronderzoek ontstond zo een schat aan informatie: verhalen, anekdotes, cijfers, theorieën, stellingen en feiten. Uit deze bron is een model ontstaan dat kan helpen om een brug te slaan tussen het voetbal en wetenschappen als psychologie, neurologie en biologie. Het is een nieuw referentiekader dat wij ‘voetbaldenken’ noemen. Dit voetbaldenkmodel bestaat uit vier grondbeginselen:
1. Ons lichaam is een eenheid; hersenen vormen net als spieren en botten onderdelen van het geheel (holistisch)
2. Spieren zijn de slaven van de hersenen; de hersenen vormen het besturingssysteem en daardoor leidend in handelingen
3. Voetbal is een denksport
4. Het beter, sneller en vaker maken, uitvoeren en volhouden van keuzes bepaalt het voetbalniveau
Voetbal bestaat continu uit het maken van keuzes en het uitvoeren van daaraan gekoppelde handelingen. Om te weten welke keuze je moet maken in een bepaalde voetbalsituatie, moeten het teamdoel en de individuele taak duidelijk zijn; die geven richting aan de keuzes en de handelingen. Het doel van een speler of team binnen de professionele voetbalsport is winnen. Dat leidt tot twee subdoelen: zelf – of als team – een doelpunt maken en het voorkomen van een doelpunt van de tegenstander; dat zijn de uitgangspunten van het voetbal. Binnen een team heeft elke speler een rol met daaraan gekoppeld verschillende taken om het hoofddoel – winnen – te realiseren.
Op elk moment van de wedstrijd biedt de spelsituatie van dat moment alle spelers op het veld verschillende keuzes. Elke speler moet de op dat moment beste vervolgstap kiezen om het teamdoel te realiseren. Het vergroten van je eigen mogelijkheden of die van je medespelers, verhoogt de kans op het behalen van het teamdoel, zoals het beperken van de keuzemogelijkheden van je tegenstander een even effectief middel is om je doel te bereiken. Balbezit speelt een bepalende rol. Keuzes moeten gemaakt worden voor wat betreft looprichting, balrichting en snelheid.
Uiteindelijk gaat het erom dat je de gemaakte keuze uitvoert. Deze voetbalhandeling kan bijvoorbeeld een pass, een kopbal, een loopactie, een sliding, een balletje breed, een schouderduw of een schot zijn. Op het moment van handelen gaat het erom dat alle gedachten uitsluitend op die handeling gericht zijn.
Alle denkprocessen vinden in de hersenen plaats. Elke keuze en voetbalhandeling vinden dus hun oorsprong in het brein. Om in een bepaalde spelsituatie de juiste actie te verrichten, doorlopen de hersenen de volgende drie stappen: 1. denken aan taken, 2. denken in mogelijkheden en 3. denken aan voetbalhandelingen. Een topspeler doorloopt deze stappen razendsnel.
==
Figuur 1: De drie denkstappen van het Voetbaldenkmodel
==
Een van de beroemdste doelpunten ooit op een WK Voetbal gescoord, is Diego Maradona’s meesterwerk tegen Engeland. In de kwartfinale ontvangt Maradona de bal, passeert zijn directe tegenstander, kapt op volle snelheid dribbelend twee Engelse verdedigers uit en omzeilt keeper Peter Shilton om de bal half uit balans in het doel te schieten. Miljoenen voetbalfans hebben zich verbaasd, elkaar aangestoten en geschreeuwd van geluk bij het zien van dit doelpunt. Maradona kreeg predicaten als ‘balkunstenaar’ en ‘genie’. Veel kenners houden het er tot op de dag van vandaag op dat hij als speler technisch hoogbegaafd was, maar daarmee doe je Diego Maradona tekort. Hij scoorde namelijk ook uitzonderlijk hoog op de hersenfuncties ruimtelijk inzicht, verwerkingssnelheid van informatie en lerend vermogen. Denksnelheid zorgde primair voor het doelpunt dat door velen wordt gezien als de mooiste treffer ooit.
Jorge Valdano, zijn teamgenoot die vanaf de middenlijn met Maradona meeliep richting het Engelse strafschopgebied, vertelde in een interview dat hij voetballers van het niveau van Maradona hoger had zitten dan de gemiddelde afgestudeerde Harvard-student. ‘Na afloop van die wedstrijd vroeg ik Diego waarom hij het zichzelf niet simpeler had gemaakt door de bal aan mij af te geven. Had hij mij soms niet gezien? Diego antwoordde: “Ik zag je vanaf de middenlijn meelopen en wilde verschillende keren passen, maar er stond steeds een Engelse tegenstander in de weg. Op het laatst had ik hen allemaal verslagen, dus tikte ik de bal maar over de lijn.”’ Valdano gaf toe dat hij in eerste instantie niet geloofde dat Maradona hem had gezien. ‘Onder extreem hoge druk en met die snelheid alle voorhanden zijnde opties analyseren en telkens de juiste keuzes maken terwijl je lichaam simultaan acrobatische prestaties levert, is weinigen op deze aardbol gegeven. Jaren later heb ik van neurowetenschappers de verklaring gekregen dat bovenmatig intelligente mensen – onder wie sporters, muzikanten en schilders – in hun vakgebied tot dergelijke prestaties in staat zijn.’
Terugkijkend was de dribbelende Maradona in die wedstrijd tegen Engeland een voetballer met een heldere missie, die in tientallen seconden honderden berekeningen uitvoerde, mogelijkheden zocht, keuzes maakte, zijn lichaam beheerste en de juiste voetbalhandelingen verrichtte. En die stappen in een duizelingwekkend tempo herhaalde. Zijn doelpunt tegen Engeland was een voetbaldenkprestatie van het allerhoogste niveau.
Tijdens de wedstrijd Nederland – Engeland op het WK 1990 had ik zelf ook zo’n geniaal moment. De Engelsen kregen een indirecte vrije trap rond ons zestienmetergebied, die door verdediger Stuart Pearce rechtstreeks op het doel werd afgevuurd. Ik ging al richting de bal om zijn inzet te pareren, maar vlak voordat ik de bal kon raken trok ik mijn hand terug en liet de bal het doel in stuiteren. Het was een onnatuurlijke keuze, maar op dat moment wel de beste. Het doelpunt werd afgekeurd en via een vrije trap konden we het spel rustig voortzetten.
In het voetbaldenkmodel gaan we ervan uit dat de hersenen de motor zijn achter de drie benodigde denkstappen. De hersenen functioneren optimaal indien het energieniveau optimaal is. Het is dus van groot belang dat een speler bijvoorbeeld is uitgerust en goed heeft gegeten en gedronken. Een minder grijpbare, maar niet minder essentiële energieleverancier, is motivatie. Bepaalde gedachten kunnen een motiverende of demotiverende werking hebben. Zij geven of kosten energie. Algemeen gesteld is energie de brandstof, een randvoorwaarde voor voetbaldenken. Een gezonde levensstijl, plezier in wat je doet en een sterke motivatie zijn voorwaarden om te winnen.
Denken vergt energie. Anders dan de benzine voor een auto wordt de energie van een mens op complexe manieren aangevuld en verbruikt. Naast voeding en vocht hebben ook gedachten en emoties invloed op het energiepeil. Gedachten die volgen op een waarneming kunnen worden vertaald in prestatiebevorderende en prestatiebelemmerende gedachten. Ze geven of kosten energie. Anders gezegd, ze werken motiverend of demotiverend. Zo werkt een in de ogen van een speler onterechte keuze van de scheidsrechter tijdelijk belemmerend op het energieniveau. De beslissing van de arbiter werkt in dit voorbeeld demotiverend. De aandacht – of energie – vloeit weg van de drie basisdenkstappen naar die betreffende scheidsrechterlijke beslissing. In het hoofd van een voetballer vinden tijdens een wedstrijd talrijke denkprocessen tegelijkertijd plaats. Denk hierbij aan respectievelijk gedachten aan het publiek, aan problemen thuis, pijn in de knie en de mogelijkheid om een fraaie transfer af te dwingen. Al deze kwesties kunnen motiverend of demotiverend werken. De kunst voor elke voetballer is om daarop invloed uit te oefenen.
Emoties worden veroorzaakt door gedachten. Het op de juiste wijze filteren van gedachten, waarbij motiverende worden toegelaten en demotiverende worden geblokkeerd, werkt isolerend en daardoor stimulerend op het denkproces. Prestatiebevorderende emoties, of motivatoren, vullen de hoeveelheid energie aan. En omgekeerd. Hoe beter de gedachten worden gefilterd, des te ‘rendabeler’ zijn de emoties en dus de energie. Hoe ‘energieker’ het denkproces is, hoe beter, sneller en vaker de voetbaldenkstappen kunnen worden doorlopen. Het prestatiebevorderend beïnvloeden van gedachten verhoogt de motivatie en daarmee de voetbalprestatie.
Voetballen is voetbaldenken. Om een voetbalwedstrijd te winnen moet dit denkproces zo ongestoord mogelijk verlopen. Een speler moet daarom uitgerust zijn, zijn aandacht volledig op het voetbaldenken kunnen richten, zijn eigen doelen en die van het team helder hebben, basisinformatie in de vorm van teamtactiek aangereikt krijgen zodat hij weet wat zijn taken zijn en hiervoor de verantwoordelijkheid kan nemen. Dit zijn belangrijke randvoorwaarden om een voetbalwedstrijd te kunnen winnen.
==
Figuur 2: De voorwaarden van Winnen beïnvloeden het voetbaldenkniveau
==
De beste voetballer is de beste voetbaldenker. Hij bezit de meeste voetbalintelligentie. Dit heeft niets te maken met het oplossen van een scheikundesom, het spreken van vloeiend Italiaans of het filosoferen over de problemen in het Midden-Oosten. De beste voetballer doorloopt de drie voetbaldenkstappen het snelst, het vaakst en met het beste resultaat. En hij kan dit hoge denktempo het langst volhouden. Hiervoor heeft hij voldoende energie nodig en hij moet in staat zijn om zijn gedachten op de juiste te wijze filteren.
Winnen is binnen het profvoetbal het na te streven resultaat van het voetbaldenkmodel. Als de absolute wil om te winnen, jezelf te verbeteren, je taak uit te voeren en jezelf wegcijferen voor het teamdoel ontbreekt of zwak ontwikkeld is, dan leidt dit automatisch tot een verzwakking in het voetbaldenkproces. Als een speler net zo lief op het veld staat om lol te hebben met zijn medespelers of het niet eens is met zijn toebedeelde rol, taak of positie binnen het team, dan is de kans groot dat deze voetballer in een bepaalde wedstrijdsituatie niet de beste keus maakt. Dit vermindert zijn voetbalprestatie. Indien hij door het niet zien van mogelijkheden of het kiezen van de verkeerde vervolgstap op weg naar het teamdoel zijn aandacht verlegt naar bijvoorbeeld prestatiebelemmerende gedachten aan privéproblemen, dan zal zijn uit te voeren voetbalhandeling ook niet optimaal zijn. Hetzelfde geldt voor een situatie waarin een speler niet in staat is om gedachten op een motiverende wijze te vertalen of zich af te sluiten van demotiverende gedachten. Trek je deze verre van ideale lijn door, dan heb je een model waarbij je óf aan voetballen denkt óf niet aan voetballen denkt, waardoor het voetbaldenkproces wordt verstoord.
==
Figuur 3: Voetbaldenken wordt verstoord door ‘niet-voetbalgedachten’
==
Clarence Seedorf is, uitgedrukt in gewonnen internationale prijzen, de meest succesvolle clubspeler van Nederland. Als profvoetballer in dienst van Ajax, Sampdoria, Real Madrid, Internazionale en AC Milan kwam Seedorf tot onder meer twee Wereldbekers en won hij viermaal de Champions League. Seedorf wordt door zijn ex-trainer Carlo Ancelotti beschouwd als het fundament en het geweten van het huidige AC Milan. In het shirt van Oranje leek Seedorf een totaal andere voetballer. Het feit dat de in Milaan op handen gedragen middenvelder als international zijn successen als clubvoetballer niet heeft kunnen evenaren, lag mede aan de moeizame relatie die Seedorf onderhield met bondscoaches als Advocaat, Van Basten en Van Marwijk. Seedorf wist tijdens interlands zelden te overtuigen. Hebben gedachten aan het hem niet altijd gunstig gezinde publiek of aan eerdere negatieve ervaringen in het Nederlands elftal de energie opgeëist die hij in de drie primaire voetbaldenkstappen had moeten steken? Weken zijn eigen doelstellingen af van de gestelde teamdoelen en kon hij zich niet vinden in de hem toebedeelde taken? Hoe dan ook, Seedorf slaagde er onvoldoende in om zijn vaak in overvloed aanwezige energie primair te steken in denken aan taken, denken in mogelijkheden en denken aan voetbalhandelingen.
In de gesprekken met oud-collega’s Jan Wouters, Joop Hiele, Frank Rijkaard, Adri van Tiggelen en Erwin en Ronald Koeman kwam naar voren dat zij mij herinnerden als extreem gedreven en uiterst serieus. Noem het bezeten. Ik kan niet ontkennen dat dit zo was, maar ook ik stak mijn energie niet altijd primair in het voetbaldenken. In 1981 was een faillissement voor FC Utrecht nabij. De FIOD had blootgelegd dat transfergeld en salarissen van sommige spelers zwart waren gefinancierd, er geen premies volksverzekeringen en loonbelasting over hand- en tekengeld was betaald en ook met de recettes bleek te zijn gesjoemeld. FC Utrecht werd onder curatele gesteld en het einde leek nabij. Met spelers, medewerkers en supporters van de club hebben we toen het initiatief genomen om onze club voor de ondergang te behoeden. Veel mensen namen direct contact met mij op. Het leek bij ons thuis soms wel een crisiscentrum. Niets was te gek. Inzamelingsacties, kwartetspellen verkopen aan de deur; we namen zelfs een single op met de titel ‘We geven het niet op’. De reddingsactie kostte mij veel energie en mijn gedachten waren niet volledig bij het voetbalspel. Het gaf me een goed gevoel om dit voor de club te kunnen doen, maar mijn prestaties op het veld leden hier wel onder.
Het geschetste voetbaldenkmodel geeft inzicht in de gehele soep én in de afzonderlijke hoofdingrediënten. Het is essentieel om deze integrale basis als uitgangspunt te nemen voor trainings-, coachings- en scoutingsmethoden. Train je alleen techniek, dan beïnvloed je hoofdzakelijk de derde – of meest rechts geplaatste – denkstap. Zonder het moeten maken van vaak lastige keuzes in een hoog tempo en het ontbreken van een in de nek hijgende tegenstander of schreeuwende vijandige supporter, is het trainen van een specifieke schijnbeweging nauwelijks waardevol. De nadruk op bijvoorbeeld techniek leggen doet het complexe voetbalspel tekort. Het complete voetbaldenken moet getraind worden, waarbij het eigen maken van automatismen een belangrijke rol inneemt.
Hersenonderzoekers achterhaalden dat een gemiddeld mens slechts 10 procent van zijn handelingen bewust verricht en de overige 90 procent onbewust. Sigmund Freud ontwikkelde hiervoor de theorie van psychoanalyse, die later de ‘ijsbergtheorie’ is genoemd. Freud stelde dat slechts de eerste 10 procent van de breinprocessen, namelijk waarneming en gedachten, bewust plaatsvindt. Herinneringen en opgeslagen kennis bevinden zich in een grijs gebied en ‘onder water’ vindt het leeuwendeel van de hersenactiviteiten plaats; denk aan angsten, irrationele verlangens en gewelddadige motieven.
Psychologen en neurologen gaan ervan uit dat voetballers ook het overgrote deel op de automatische piloot doen. Hoogleraar Psychologie van het onderbewuste aan de Nijmeegse Radboud Universiteit Ap Dijksterhuis legt uit, dat iedereen bij het voor de eerste keer uitvoeren van een complexe taak de volle aandacht nodig heeft om tot een goed resultaat te komen. ‘Is de vaardigheid of handeling goed ontwikkeld, dan is dit zogenaamde neurale circuit aangelegd in de hersenen. Vanaf dat moment verschuift het proces naar het onderbewuste. Topvoetballers hoeven niet meer na te denken over het verrichten van een simpele trapbeweging omdat zij die al duizenden keren hebben uitgevoerd. Ze kunnen het om die reden op eenzelfde moment combineren met het maken van keuzes of het waarnemen van een vrijlopende medespeler.’
Dit geeft aan dat een voetballer in de juiste situatie alleen zijn aandacht richt op wat een bepaalde wedstrijdsituatie concreet van hem vraagt. Het voetbaldenken zal grotendeels onbewust plaatsvinden en zonder verstoring van het denkproces zal het passen van een bal ook automatisch goed gaan. Het is de kunst om denkprocessen bewust de juiste hoeveelheid aandacht te geven op het juiste moment. Te weinig aandacht leidt tot het in de hersenen afvuren van onjuiste of zwakke signalen en dus tot een niet-optimale handeling. Te lang stilstaan bij een bepaald denkproces kan tot lachwekkende situaties leiden waarbij een speler opvalt door traagheid in handelen, terwijl het probleem juist is dat hij te traag denkt. Of te veel energie steekt in binnenkomende, afleidende gedachten. Het trainen van automatismen is daarom ontzettend waardevol.
Dijksterhuis geeft een eenvoudig praktijkvoorbeeld. ‘Neem autorijden. Hoe vaak gebeurt het niet dat je ’s ochtends instapt, aan de standaardroute naar je werk begint, rotondes passeert, invoegt, voorrang verleent, in de file aansluit en pas een halfuur later bij het inparkeren je aandacht op het autorijden richt? Onderweg heb je een gesprek met een collega voorbereid, de schoolkeuze van je kind geëvalueerd en bedacht wat je die avond op televisie wilt kijken. Zo werkt ons brein dus. Ook voor een groot deel tijdens een voetbalwedstrijd.’
Hiermee is gelijk de link gelegd naar de term ‘intuïtie’. Hoe vaak wordt het type-Romario of een voetballer als Patrick Kluivert niet aangeduid met de term ‘intuïtieve speler’? Intuïtie wordt vaak gebruikt als synoniem voor genialiteit. Dit laatste verwijst naar een optimaal gebruik van de aanwezige ‘surplusgenen’: aangeboren mogelijkheden die door de juiste wijze van training en herhaling al dan niet worden benut. ‘Puur op intuïtie’, jubelde een radioverslaggever bij het hakje van Rafael van der Vaart namens Ajax tegen Feyenoord of de veelbesproken treffer van Marco van Basten in de EK-finale van 1988 tegen Rusland. De waarheid is dat de denkprocessen die voorafgingen aan de hakbal en de volley zich grotendeels afspeelden in het onderbewustzijn. De hersenen van Van der Vaart en Van Basten draaiden op die memorabele momenten overuren. Zij herkenden patronen in de specifieke spelsituatie, maakten berekeningen, kozen een oplossing en voerden op overtuigende wijze de bijbehorende voetbalhandeling uit. Hiertoe waren zij in staat omdat ze in hun jeugd en tijdens eerdere jaren als profvoetballer vergelijkbare processen al talloze malen hadden doorlopen. Of dit valt te trainen? Jazeker. Tot het genetische plafond van een individuele voetballer wordt aangetikt.