6De beide mannen waren op het trottoir, op enkele passen afstand
van het huis, blijven staan, alsof ze aarzelden uiteen te gaan. Er
was een heel fijn, nauwelijks zichtbaar motregentje begonnen te
vallen, en aan het eind van de straat begonnen klokken te luiden,
met hoog en dun geluid, en in een andere richting antwoordden
andere klokken, en elders weer andere.
Het was daar, vlak bij de Boulevard du Montparnasse met zijn cafés
en restaurants, tegen de tuin van het Luxembourg aan, niet alleen
een eilandje van rust en kalme deftigheid, maar het leek ook wel
een verzamelplaats van kloosters. Behalve de Kleine Zusters der
Armen zaten er, achter de Kleine Zusters, de Zusters van O.L.
Vrouw; daar vlakbij, in de Rue Vavin, de Zusters van Sion, en
verder nog in de Rue Notre-Dame-des-Champs, in het andere gedeelte,
de Augustines-sen.
Maigret scheen naar het klokgelui te luisteren, snoof de lucht
waarin onzichtbare druppeltjes zweefden op en zei toen, na een
zucht, tegen Lapointe:
-Jij moet eens even naar de Rue du Saint-Gothard gaan. Met een taxi
ben je er in een paar minuten. Het is zaterdag, dus de fabriek en
het kantoor zullen wel gesloten zijn. Maar als Jouane op zijn
vroegere patroon lijkt, is er kans dat hij op zijn eentje in zijn
kamer zit om een of ander dringend werk af te maken. En anders vind
je wel een conciërge of een bewaker. Desnoods vraag je het
huisnummer van Jouane en bel je hem op.
Ik wil namelijk dat je een ingelijste foto meebrengt die ik in zijn
kamer gezien heb. Gisteren, toen hij tegen me zat te praten heb ik
daar gedachteloos naar zitten kijken zonder te vermoeden dat ik die
nodig zou kunnen hebben. Het is een groepsfoto met René Josselin in
het midden, links van hem Jouane en rechts Goulet waarschijnlijk,
en andere leden van het personeel, mannen en vrouwen, in rijen
achter hen, een dertig mensen ongeveer.
De meisjes en vrouwen staan er niet allemaal op, alleen de oudste
of de belangrijkste. Ik denk dat die foto gemaakt is bij een
jubileum, of bij het afscheid van Josselin.
- Vind ik u op uw kamer?
-Nee. Kom naar me toe in dat café op de Boulevard du Montparnasse
waar ik voor ons bezoek bij mevrouw Josselin geweest ben.
- Welk is dat?
- Ik geloof dat het Brasserie Franco-Italienne heet. Het is
naast een winkel van schildersbenodigdheden.
Zelf ging hij zijn eigen kant uit, met gebogen rug en aan zijn
pijp trekkend, die hij weer aangestoken had en die voor het eerst
van het jaar de smaak van de herfst had. Hij had een gevoel van
schaamte overgehouden van zijn hardheid tegen mevrouw Josselin en
hij besefte dat het niet afgelopen was, maar dat het pas begon. Zij
was waarschijnlijk niet de enige die dingen voor hem verborg of hem
voorloog. En het was zijn beroep de waarheid te vinden. Het was
altijd iets bijzonder pijnlijks voor Maigret om iemand in het nauw
te drijven, en dat hing samen met iets wat in zijn prille jeugd
gebeurd was, in het eerste jaar dat hij naar school ging, in zijn
dorp in het departement van de Al-lier.
Toen had hij zich schuldig gemaakt aan de eerste grote leugen in
zijn leven. Ze kregen op school boeken die al eerder gebruikt waren
en die min of meer versleten waren, maar sommige leerlingen hadden
mooie, splinternieuwe boeken die hun ouders voor hen gekocht hadden
en waar hij jaloers op was.
Hij had onder andere een catechismus gekregen met een groenachtig
omslag waarvan de bladen al vergeeld waren, terwijl enkele
gelukkiger kameraden nieuwe exemplaren gekocht hadden, een nieuwe
editie met een mooie band van een verleidelijke roze kleur.
- Ik héb mijn catechismus verloren ... had hij op een avond aan
zijn vader verteld. Ik heb het tegen de meester gezegd en hij heeft
me een nieuwe gegeven...
Maar hij had hem niet verloren. Hij had hem verstopt op zolder,
want hij had hem niet durven vernietigen. Hij had moeilijk in slaap
kunnen komen die avond. Hij voelde zich schuldig en was ervan
overtuigd dat zijn bedrog vroeg of laat aan het licht zou komen. De
volgende dag toen hij zijn nieuwe boek gebruikte, had hij er geen
enkel plezier aan beleefd.
Drie dagen lang, vier misschien, had hij vol wroeging rondgelopen,
tot hij met het boek naar de onderwijzer was gegaan.
- Ik heb mijn oude boek weer teruggevonden, had hij gestameld,
met een hoogrode kleur en een droge keel. Mijn vader zei dat ik u
dit terug moest geven ...
Hij herinnerde zich nog de blik van de meester, een doordringende
en tegelijk welwillende blik. Hij was er zeker van dat de
onderwijzer alles geraden, alles begrepen had.
- Ben je blij dat je het teruggevonden hebt?
- O, ja, meneer ...
Zijn hele leven was hij hem dankbaar gebleven, dat hij hem niet
gedwongen had zijn leugen te bekennen en hem een vernedering
bespaard had.
Mevrouw Josselin loog ook, maar zij was geen kind meer, zij was een
vrouw, een moeder, een weduwe. Hij had haar om zo te zeggen
gedwongen te liegen. En anderen van de familie logen waarschijnlijk
ook, om de een of andere reden. Hij had hun wel een reddingsplank
willen toesteken, hun die verschrikkelijke beproeving van tegen de
waarheid te vechten, willen besparen. Het waren keurige mensen,
daar was hij zelfs van overtuigd. Noch mevrouw Josselin, noch
Véronique, noch Fabre hadden een moord gepleegd. Niettemin hielden
zij allen iets voor hem verborgen, wat hem ongetwijfeld in staat
gesteld zou hebben de hand op de moordenaar te leggen. .
Hij wierp een blik op de huizen aan de overkant bij de gedachte dat
het misschien noodzakelijk zou zijn alle bewoners van de straat een
voor een te ondervragen, allen die uit hun raam toevallig een
kleinigheid hadden kunnen zien die mogelijk van belang was.
Josselin had een man ontmoet op de dag van zijn dood, of de dag
ervoor, dat kon de kelner zich niet meer precies herinneren. Over
enkele ogenblikken zou Maigret weten of het inderdaad mevrouw
Josselin geweest was die naar diezelfde man toe gekomen was, die
middag in het stille café. Even later trad hij daar binnen en de
sfeer was nu iets ver-
anderd. Er zaten mensen een aperitief te drinken en een rij tafels
was al voorzien van tafellakens en vorken en messen voor de gasten
die kwamen eten.
Maigret ging op dezelfde plaats als 's morgens zitten. De kelner
die hem toen bediend had, kwam naar hem toe of hij al een oude
klant was en de commissaris haalde de pasfoto uit zijn portefeuille
te voorschijn.
- Was zij het, dacht u?
De kelner zette zijn bril op, bekeek aandachtig het kleine stukje
karton.
-Hier heeft ze geen hoed op, maar ik weet wel bijna zeker dat het
die vrouw was ...
- Bijna zeker ?
- Nee, ik weet het zeker. Alleen, als ik soms moet getuigen
voor een rechtbank, met rechters en advocaten die me een heleboel
dingen zullen vragen ...
- Ik denk niet dat u zult behoeven te getuigen.
- Ze is het zeker, of anders iemand die heel veel op haar
lijkt... Ze droeg een donkere wollen japon, niet helemaal zwart,
met zoiets van kleine grijze haartjes in de wol, en een hoed met
een witte garnering ...
De beschrijving van de japon beantwoordde aan de japon die mevrouw
Josselin 's morgens, toen Maigret bij haar geweest was, droeg.
- Wat mag het zijn?
- Een cognac ... Waar is de telefoon?
- Achteraan, links, tegenover de toiletten... Aan de kassa
kunt u een munt krijgen ...
Maigret sloot zich op in de cel, zocht het nummer van dokter Larue
op. Hij rekende er niet al te vast op hem thuis te treffen. Hij had
geen bepaalde reden om de dokter op te bellen.
Hij effende het terrein, zoals met die foto uit de Rue du
Saint-Gothard. Hij trachtte de onhoudbaarheid van alle hypotheses,
zelfs van de wildste, te bewijzen.
Hij hoorde een mannenstem.
- Bent u het dokter? Met Maigret.
- Ik kom net thuis en ik dacht juist aan u.
- Waarom?
-Dat weet ik niet. Ik dacht aan uw onderzoek, aan uw beroep ... Het
is een toeval dat u mij thuis treft op deze tijd ... Zaterdags ben
ik altijd wat eerder klaar met mijn visites dan de andere dagen,
omdat een deel van mijn patiënten dan de stad uit is ...
-Zou u het erg vervelend vinden om iets bij mij te komen drinken in
de Brasserie Franco-Italienne?
- Die ken ik wel, ja... Ik ben direct bij u... Heeft u
nieuws?...
- Ik weet het nog niet...
Larue, die klein en gezet was, met een kaal hoofd, beantwoordde
niet aan de beschrijving die de kelner van de man met wie Josselin
had gesproken, gegeven had. Jouane evenmin, die was aan de rossige
kant en zag er niet uit als een whisky-drinker.
Maigret was niettemin besloten geen enkele kans te verwaarlozen.
Enkele minuten later stapte de dokter uit zijn auto, kwam bij hem
zitten en vroeg aan de kelner, alsof hij daar thuis was:
- Hoe gaat het, Emile?... En hoe is het met de littekens?
...
- O, daar zie je al bijna niets meer van... Een port, dokter?
...
Ze kenden elkaar. Larue vertelde dat hij Emile kort geleden
behandeld had toen deze zich ernstig gebrand had aan het kokende
water van de perculator.
-Een andere keer, wel een jaar of tien geleden, heeft hij zich
gesneden met een hakmes... En hoe staat het met uw onderzoek,
commissaris?
- Ik krijg niet veel medewerking, zei Maigret enigszins
bitter.
- Bedoelt u van de familie?
-Van mevrouw Josselin in het bijzonder. Ik zou u graag twee of drie
dingen vragen over haar. Ik heb u toen die nacht al een paar dingen
gevraagd. Er zijn een paar punten die mij voortdurend bezighouden.
Als ik het goed begrijp, waren u en uw vrouw nagenoeg de enige
intieme kennissen van de Josselins ...
- Zo is het niet helemaal... Ik ben al heel lang de huisarts
van de Josselins, zoals ik u verteld heb en heb Véronique leren
kennen toen ze nog heel klein was ... Maar in die tijd werd ik daar
maar een enkele keer geroepen___
- Wanneer bent u dan een huisvriend van hen geworden?
- Veel later. Een paar jaar geleden werden wij eens door hen
uitgenodigd bij hen te komen eten, samen met andere mensen, de
Anselmes, herinner ik me nog, van de chocoladefabrieken ... U kent
de naam natuurlijk... Ze maken ook doopsuikers...
- Schenen ze nogal intiem met de Josselins?
- Ja, het waren goede vrienden... Het is een iets ouder
echtpaar... Josselin leverde Anselme de dozen voor de chocolaatjes
en de doopsuikers . ..
- Zijn ze in Parijs op het ogenblik?
-Dat zou me verwonderen. Anselme heeft zich vier of vijf jaar
geleden uit het bedrijf teruggetrokken en heeft een villa in Monaco
gekocht... Daar wonen ze het hele jaar door...
- Kunt u zich nog herinneren, wie u in de loop van de laatste
jaren nog meer bij de Josselins ontmoet hebt?
- De laatste tijd gebeurde het wel dat, als wij er een avond
doorbrachten, de Mornets er ook waren. Hij heeft een groothandel in
papier; ze hebben twee dochters, en ze maken op het ogenblik een
boottocht naar de Bermuda-eilanden... De Josselins gingen eigenlijk
alleen maar om met een paar grote afnemers en enkele leveranciers
...
- Herinnert u zich niet een man van een jaar of veertig?
- Nee, niet dat ik weet...
- U kent mevrouw Josselin goed... Wat weet u van haar?...
-Het is een zeer nerveuze vrouw, die ik, dat kan ik u gerust
vertellen, geregeld zenuwstillende middelen voorschrijf, hoewel ze
een buitengewone zelfbeheersing bezit...
- Hield ze van haar man?
-Daar ben ik van overtuigd, ja... Ze heeft geen erg gelukkige jeugd
gehad, voorzover ik heb kunnen begrijpen ... Haar vader, die al
vroeg weduwnaar geworden is, was een verbitterd en verzuurd man, en
overdreven streng voor haar...
-Woonden ze in de buurt van de Rue du Saint-Got-hard?
- Daar vlakbij, ja, in de Rue Dareau... Ze heeft Josselin
leren kennen en een jaar daarna zijn ze getrouwd ...
- En wat is er van die vader geworden?
-Hij heeft kanker gekregen, een paar jaar daarna. Hij leed
vreselijke pijnen en heeft zelfmoord gepleegd ... -Wat zou u zeggen
als iemand u vertelde dat mevrouw Josselin een minnaar had?
-Dan zou ik dat niet geloven. Ziet u, uit hoofde van mijn beroep
ken ik de geheimen van veel families. Het aantal vrouwen, vooral in
een bepaald milieu, het milieu waartoe de Josselins behoren, het
aantal vrouwen zeg ik, die hun mannen bedriegen is veel kleiner dan
de literatuur en het toneel ons proberen wijs te maken.
Ik wil niet beweren dat dat altijd uit deugdzaamheid is. Misschien
spelen het ontbreken van de gelegenheid, de vrees voor wat de
mensen ervan zouden zeggen, daar ook een rol bij ...
- Ze ging vaak alleen uit 's middags...
-Evenals mijn vrouw, en als de meeste huisvrouwen... Dat betekent
niet dat ze met een man naar een hotelkamer gaan, of naar een
vrijgezellenkamer... Nee, commissaris,
als u mij dat serieus vraagt, zeg ik heel positief: nee!... U zoekt
in een verkeerde richting ...
- En Véronique?
- Ik ben geneigd om hetzelfde te zeggen, maar voor haar geval
zou ik toch nog liever een slinger om de arm willen houden ... Het
is niet waarschijnlijk ... Helemaal onmogelijk is het niet... Het
zou kunnen zijn dat ze avonturen heeft gehad vóór haar huwelijk...
Ze studeerde aan de Sorbonne... Ze heeft haar man leren kennen in
het Quartier Latin en ze zal wel andere mannen gekend hebben voor
ze hem leerde kennen... Ik weet het niet, maar misschien is het
leven dat hij haar laat leiden een beetje een teleurstelling voor
haar... Ze heeft gedacht dat ze met een man trouwde, maar ze is met
een dokter getrouwd... Begrijpt u wat ik bedoel?
- Jawel...
Dat bracht hem niet verder, dat was een dood spoor. Hij had het
gevoel dat hij als een blinde rondtastte en hij dronk met een
somber gezicht zijn glas leeg.
- En toch heeft iemand René Josselin vermoord ... zuchtte
hij.
Dat was tot nu toe de enige zekerheid. En ook dat een man, van wie
men niets wist, Josselin in het geheim, scheen het, hier in
ditzelfde café ontmoet had, en daarna een onderhoud met mevrouw
Josselin gehad had.
Anders gezegd, man en vrouw verborgen iets voor elkaar. Iets dat
verband hield met éen en dezelfde persoon.
- Ik heb geen idee wie dat zijn kan... Het spijt me dat ik u
niet beter kan helpen... Maar nu is het tijd dat ik weer naar mijn
vrouw en mijn kinderen ga ...
Lapointe was trouwens binnengekomen met een plat pakje onder zijn
arm en keek rond of hij de commissaris zag.
- Was Jouane op kantoor?
-Nee. En thuis was hij ook niet. Ze zijn het weekend bij een
schoonzuster, buiten... Ik heb de bewaker beloofd om de foto
vandaag nog terug te brengen en hij stribbelde niet al te erg tegen
...
Maigret riep de kelner, pakte de foto uit.
- Herkent u iemand hierop?
De kelner zette zijn bril weer op en zijn blik gleed langs de rijen
gezichten.
- Meneer Josselin natuurlijk, in het midden... Hij is hier op
de foto wat dikker dan toen hij hier kwam, maar hij is het
wel...
- En de anderen? ... Die twee mensen links en rechts van
hem?
Emile schudde het hoofd.
- Nee. Die heb ik nooit gezien... Ik herken alleen hem
maar...
- Wat wil jij drinken? vroeg Maigret aan Lapointe.
- Het kan me niet schelen.
Hij keek naar het glas van de dokter, waarin op de bodem nog iets
van een donkerrode vloeistof te zien was.
- Is dat port? ... Geef maar port, ober ...
- En u, commissaris?
- Niets meer, merci... We moesten maar een hapje eten hier
...
Hij had geen zin om naar huis te gaan. Even later gingen ze naar de
afdeling waar de gedekte tafels stonden.
- Ze zal niets zeggen, bromde Maigret, die zuurkool besteld
had. Zelfs als ik haar op de Quai des Orfèvres laat komen en haar
urenlang ga zitten ondervragen, dan zal ze nog zwijgen ...
Hij nam dat mevrouw Josselin kwalijk, maar hij had tegelijkertijd
medelijden met haar. Ze had zojuist onder tragische omstandigheden
haar man verloren, waardoor haar hele leven ontwricht was, ze was
opeens alleen, in een appartement dat te groot was, en desondanks
liet de politie haar niet met rust.
Wat voor geheim was dat, dat ze tot iedere prijs besloten had te
verdedigen? Ieder heeft per slot recht op een privé-leven, op zijn
geheimen. Tot de dag waarop een drama plaats grijpt en de
maatschappij rekening en verantwoording gaat eisen.
- Wat bent u nu van plan, chef?
- Ik weet het niet... Die man vinden, natuurlijk... Het is
geen inbreker... Als die het is, die Josselin 's avonds is gaan
vermoorden, dan moet hij daarvoor een dwingende reden gehad hebben,
of gemeend hebben dat hij die had ...
De conciërge weet niets ... In de zes jaar dat ze daar is, heeft ze
nooit een min of meer verdachte bezoeker gezien ... Misschien
dateert het van langer terug...
Ik weet niet meer waar de vroegere conciërge, haar tante, naar toe
gegaan is om haar laatste jaren door te brengen. Ze heeft het me
wel verteld, maar ik ben het vergeten... Ik wou dat jij haar dat
ging vragen en dan naar die oude vrouw toe ging en daar eens ging
praten ...
- En als ze nu eens in de provincie, heel ver weg woont?
- Misschien zou het dan toch de moeite zijn om erheen te gaan
of aan de politie daar te vragen, of ze willen proberen iets te
weten te komen bij haar... Tenzij vóór die tijd hier iemand besluit
om open kaart te spelen.
Lapointe verdween in de regen met de ingelijste foto onder zijn
arm, terwijl Maigret zich in een taxi naar de Boulevard Brune liet
brengen. Het flatgebouw waar de Fabres woonden, was precies zoals
hij het zich had voorgesteld, een groot, kaal, en eentonig gebouw
dat, hoewel het pas een paar jaar oud was, al een ietwat vervallen
indruk maakte.
- Dokter Fabre? Vierde etage, rechts. U ziet wel een koperen
plaat op de deur... Als het u soms om mevrouw Fabre te doen is, die
is net de deur uit...
Naar haar moeder zeker; om haar te helpen bij het versturen van de
rouwkaarten.
Hij moest onbeweeglijk blijven staan in de lift die te klein was,
drukte op een knop en het meisje dat hem opendeed keek automatisch
naar zijn zijde, van boven naar beneden, alsof ze verwachtte dat
hij een kind bij zich had.
- Wie wilde u hebben?
- Dokter Fabre.
- Hij heeft spreekuur nu.
-Wilt u zo vriendelijk zijn om hem mijn kaartje te geven? En zegt u
maar dat ik hem niet lang zal ophouden.
- Hierheen, alstublieft...
Ze deed de deur van de wachtkamer voor hem open, waar een half
dozijn moeders zaten met kinderen van verschillende leeftijden en
alle blikken richtten zich op hem. Hij ging, bijna verlegen,
zitten. Er lagen blokken op de grond, prentenboeken op een tafel.
Een vrouw wiegde op haar arm een baby die bijna paars zag van het
krijsen dat hij deed en ze keek onafgebroken naar de deur van de
spreekkamer. Maigret wist dat ze zich allemaal zaten af te
vragen:
- Zou hij vóór ons mogen binnenkomen?Maar omdat hij erbij zat,
zwegen ze. Het wachten duurde ongeveer tien minuten en toen de
dokter eindelijk de deur van de spreekkamer opendeed, wendde hij
zich inderdaad tot de commissaris.
Hij droeg een bril met dikke glazen, waardoor zijn blik nog
vermoeider leek.
- Komt u binnen... Het spijt me dat ik niet veel tijd voor u
heb ... U wilde mijn vrouw toch niet spreken? ... Die is bij haar
moeder ...
- Ik weet het...
- Gaat u zitten .. i
Er stond een babyweegschaal, een glazen kast vol met nikkelen
instrumenten, een tafel met zeildoek dat opgevuld was en daarover
een laken. Op het bureau lagen allerlei papieren verspreid en op de
schoorsteen lagen boeken opgestapeld en zelfs in een hoek op de
grond.
- Zegt u het eens ...
- Het spijt me dat ik u midden in uw spreekuur stoor, maar ik
wist niet waar ik u anders alleen zou kunnen treffen ... Fabre
fronste de wenkbrauwen.
- Waarom alleen? vroeg hij.
- Om u de waarheid te zeggen, dat weet ik niet. Ik bevind me
in een heel vervelende situatie en ik dacht dat u mij misschien
zoudt kunnen helpen... U kwam geregeld bij uw schoonouders thuis
... U kent dus hun vrienden ...
- Die hadden ze maar heel weinig ...
-Heeft u er wel eens een man van een jaar of veertig ontmoet,
donker, en nogal knap?
- Over wie gaat het?
Hij bleef ook al in het defensief, leek het.
- Dat weet ik niet. Ik heb redenen om aan te nemen dat uw
schoonvader en uw schoonmoeder allebei een man kenden die
beantwoordt aan deze summiere beschrijving ...
De dokter staarde door zijn brilleglazen naar een punt in de
ruimte. Maigret liet hem de tijd om na te denken, maar werd
tenslotte ongeduldig.
- Welnu?
Fabre vroeg, alsof hij uit een droom ontwaakte:
- Wat zegt u? Wat wilt u weten?
- Kent u hem?
- Ik begrijp niet over wie u het heeft. Als ik naar mijn
schoonouders ging was dat meestal 's avonds, en dan hield ik mijn
schoonvader gezelschap terwijl de vrouwen naar de schouwburg
waren.
- Maar u kent hun vrienden toch wel?
- Een paar... Maar er kunnen er nog zijn, die ik niet
ken...
- Ik dacht dat ze maar weinig bezoek kregen?
- Heel weinig, inderdaad ...
Het was hoogst irriterend. Hij keek overal heen, behalve in de
richting van de commissaris en het onderhoud scheen
een ware beproeving voor hem te zijn.
- Mijn vrouw zag haar ouders veel vaker dan ik... Mijn
schoonmoeder kwam hier bijna dagelijks... Dan was ik in mijn
spreekkamer of naar het ziekenhuis ...
- Wist u dat meneer Josselin gokte bij de paardenrennen?
- Nee. Ik dacht dat hij 's middags haast nooit uitging ...
- Hij schreef in bij de p.m.u. ..
- O, juist...
-Zijn vrouw wist daar niets van, schijnt het. Hij vertelde haar dus
niet alles ...
-Waarom zou hij daar tegen mij over gesproken hebben? Ik was zijn
schoonzoon maar___
-En mevrouw Josselin verborg ook bepaalde dingen voor haar
man___
Hij protesteerde niet. Hij scheen te denken, zoals bij de tandarts:
Nog een paar minuten en dan is het afgelopen ... -Op een van de
dagen van deze week, dinsdag of woensdag, had ze 's middags een
afspraak met een man in een café op de Boulevard du Montparnasse
...
- Dat is mijn zaak niet, is het wel?
- Verbaast dat u niet?
- Ik denk dat ze wel redenen gehad zal hebben voor die
afspraak ...
-Meneer Josselin had 's morgens, in datzelfde café, die man ook
ontmoet, en hij scheen hem goed te kennen... Zegt dat u niets?
De dokter wachtte even, schudde toen met een verveeld gezicht het
hoofd.
- Luistert u eens, dokter. Ik begrijp dat uw positie moeilijk
is. Zoals iedere man die trouwt, bent u in een familie gekomen die
u tevoren niet kende en waarvan u voortaan min of meer deel
uitmaakt.
Die familie heeft bepaalde geheimen, dat kan niet anders. Het is
ondenkbaar dat u daar niets van ontdekt zou hebben. Dat was
helemaal niet belangrijk zolang er geen misdrijf ge-
pleegd was. Maar uw schoonvader is vermoord en het heeft maar heel
weinig gescheeld of u was de verdachte geweest. Hij protesteerde
niet, reageerde op geen enkele wijze. Het leek alsof ze door een
glazen wand gescheiden waren, waar de woorden niet doorheen
drongen.
- We hebben hier niet te maken met een gewone roofmoord. Het
is geen inbreker geweest die betrapt werd en meneer Josselin toen
neergeschoten heeft. Hij kende het huis evengoed als u, de
gewoonten daar, de plaats van de dingen. Hij wist dat uw vrouw met
haar moeder naar de schouwburg was die avond en dat u ongetwijfeld
de avond bij uw schoonvader zou doorbrengen.
Hij wist waar u woont en hij heeft waarschijnlijk uw huis opgebeld
en u door het meisje naar de Rue Julie laten sturen ... Bent u het
daarmee eens?
- Het lijkt allemaal heel aannemelijk ...
-U heeft zelf gezegd dat de Josselins weinig bezoek ontvingen en
nagenoeg geen intieme kennissen hadden ...
- Ik begrijp het.
- Durft u er een eed op te doen, dat u niet het minste idee
heeft wie dat zou kunnen wezen?
De oren van 'de dokter waren vuurrood geworden en zijn gezicht leek
vermoeider dan ooit. , - Neemt u mij niet kwalijk, commissaris,
maar er zitten mensen op mij te wachten ...
- U weigert dus mij iets te zeggen?
- Als ik u iets positiefs kon vertellen ...
- U bedoelt dat u bepaalde vermoedens hebt, maar dat die te
vaag zijn?
- Vat u het op zoals u wilt... Ik herinner u eraan, dat mijn
schoonmoeder zojuist een zware schok gehad heeft, dat ze zeer
emotioneel is, ook al laat ze haar emoties nooit blijken ... Hij
stond al, liep in de richting van de deur naar de gang.
- Het spijt me ...
Hij strekte zijn hand niet uit, groette alleen met een knikje en
het kleine dienstmeisje dat uit de grond opgedoken scheen, bracht
hem naar de voordeur.
Hij was woedend, niet alleen op de jonge kinderarts maar ook op
zichzelf, want hij had het gevoel dat hij het verkeerd aangepakt
had. De dokter was ongetwijfeld het enige lid van de familie dat
had kunnen spreken en Maigret had niets uit hem weten te
krijgen.
Toch wel! Eén ding: Fabre had niet de minste verrassing getoond
toen Maigret over het onderhoud van zijn schoonmoeder met de
onbekende in het café gesproken had. Dat had hem niet verwonderd.
Hij was evenmin verbaasd geweest toen hij gehoord had dat Josselin
diezelfde man in het geheim, in het halfdonker van datzelfde café
ontmoet had. Hij benijdde Lucas, die al klaar was met zijn Poolse
moordenaar en die nu hoogstwaarschijnlijk rustig zijn rapport zat
op te stellen.
Maigret liep langs het trottoir, speurend naar een taxi, maar die
voorbijreden hadden allemaal hun vlaggetje omlaag. Het motregentje
was een echte regen geworden en men zag in de straten weer de
glimmende vlekken van de paraplu's.
- Als die man eerst René Josselin ontmoet heeft en daarna zijn
vrouw ...
Hij trachtte te redeneren, maar hij beschikte niet over voldoende
gegevens. Had de onbekende ook niet contact met de dochter gehad,
met mevrouw Fabre? En waarom niet met Fabre zelf?
En waarom nam de hele familie hem in bescherming? -Hé!...
Taxi!...
Eindelijk een die leeg voorbijkwam. Hij stapte haastig in.
- Rijd maar door ...
Hij wist nog niet waar hij heen ging. Zijn eerste opwelling was
zich naar de Quai des Orfèvres te laten brengen, naar zijn kamer
terug te gaan, zich daar op te sluiten om op zijn gemak te kunnen
mopperen. Had Lapointe ook niets nieuws ontdekt? Hij had het idee,
maar hij was er niet zeker van,
dat de oude conciërge niet meer in Parijs woonde, maar ergens in
Midden-Frankrijk.
De chauffeur reed langzaam verder, draaide zich af en toe met een
vragend gezicht naar zijn passagier om.
- Wat doe ik bij dat rode stoplicht?
- Linksaf...
- Goed ...
Maar opeens boog Maigret zich voorover.
- Brengt u mij maar naar de Rue Dareau.
-Welke kant van de Rue Dareau, want die is heel lang?
- Op de hoek van de Rue du Saint-Gothard ...
- Komt in orde ...
Maigret werkte alle mogelijkheden achter elkaar af. Hij moest zijn
opschrijfboekje uit zijn zak halen om de meisjesnaam van mevrouw
Josselin terug te vinden: de Lancieux ... En hij herinnerde zich
dat haar vader een oud-kolonel was geweest.
- Pardon, mevrouw ... Hoe lang bent u hier al conciërge?
-Achttien jaar, meneer. Ja, daar merk je aan dat je ouder
wordt...
- Heeft u hier in de buurt nog een oud-kolonel en zijn dochter
gekend die de Lancieux heetten?
- Nooit van gehoord ...
Twee huizen, drie huizen. De eerste conciërge, hoewel niet jong
meer, was toch nog niet oud genoeg, de tweede herinnerde het zich
niet en de derde was hoogstens dertig jaar.
- Weet u geen nummer?
- Nee. Ik weet alleen dat het dicht bij de Rue de
Saint-Gothard was.
- U zou het hier tegenover eens kunnen vragen ... Die
conciërge is minstens zeventig ... Maar praat u hard tegen haar
want ze is een beetje doof ...
Hij schreeuwde bijna. Ze schudde het hoofd.
- Ik herinner me geen kolonel, nee, maar mijn geheugen is niet
best meer ... Sedert mijn man door een vrachtauto overreden is, ben
ik dezelfde niet meer ...
Hij wilde juist weggaan, elders zoeken, toen ze hem terugriep.
- U zou het eens aan juffrouw Jeanne moeten vragen.
- Wie is dat?
- Ze woont al minstens veertig jaar hier in huis... Ze komt
niet meer naar beneden, vanwege haar benen ... Ze woont op de zesde
etage, helemaal aan het eind van de gang... De deur is nooit op
slot... U klopt en u gaat maar naar binnen, dan ziet u haar wel in
haar stoel voor het raam zitten ... Daar zat ze inderdaad, een
klein, ineengeschrompeld vrouwtje maar met nog roze koontjes en met
een beetje kindse glimlach.
- Lancieux? ... Een kolonel? ... Ja, zeker herinner ik me
die... Ze woonden op de tweede etage, links... Ze hadden een oude
dienstbode die niet gemakkelijk was en die met alle winkeliers
ruzie maakte, zodat ze tenslotte al haar boodschappen in een andere
buurt moest gaan doen ...
- De kolonel had een dochter, is het niet?
-Een donker meisje, dat niet zo erg gezond was. Haar broer ook
niet, de stumper, want die hebben ze naar de bergen moeten sturen
omdat hij t.b.c. had.
- Weet u zeker dat ze een broer had?
- Zo zeker als ik u hier voor mij zie. En ik zie u heel goed,
ondanks mijn leeftijd. Maar gaat u zitten!
- Weet u ook wat er van hem geworden is?
-Van wie? Van de kolonel? Die heeft zich voor het hoofd geschoten.
Dat was me een opschudding in het huis... Het was de eerste keer
dat er zoiets gebeurde hier in de wijk... Hij was ook ziek, kanker,
schijnt het... Maar toch kan ik het niet goedkeuren dat hij zich
van kant maakte...
- En zijn zoon? -Wat?
- Wat is er van die zoon geworden?
- Dat weet ik niet... De laatste keer dat ik hem gezien heb,
was bij de begrafenis ...
- Was hij jonger dan zijn zuster?
- Een jaar of tien .. .
- Heeft u nooit meer iets over hem gehoord?
-Ach, weet u, de mensen komen, in zo'n groot huis, en ze gaan
weer... Als ik de gezinnen die na hen in dat appartement gewoond
hebben, eens moest tellen... Is het u om die jongeman begonnen?
- Het is geen jongeman meer ...
- Als hij beter geworden is niet, nee ... Hij zal wel getrouwd
zijn en zelf kinderen hebben ...
Ze voegde eraan toe, met een ondeugende schittering in haar
ogen:
- Ik ben nooit getrouwd geweest en dat is de reden dat ik
zeker wel honderd word... Gelooft u me niet? ... Komt u me dan maar
eens opzoeken over vijftien jaar... Ik beloof u dat ik dan nog
steeds in deze stoel zit... Wat doet u voor de kost? ...
Maigret was bang dat hij haar misschien aan het schrikken zou
maken, wanneer hij vertelde dat hij van de politie was. Daarom
antwoordde hij alleen maar, terwijl hij zijn hoed zocht:
- Speurwerk ...
- Nu, ze kunnen in ieder geval niet zeggen dat u niet ver
terug zoekt... Ik wed dat er niemand meer in de straat woont die
zich de Lancieux nog kan herinneren... Het is zeker voor een
erfenis... Degene die erft, boft dat u tegen mij aangelopen bent...
Vertelt u hem dat maar ... Misschien komt hij dan op het idee om
mij wat lekkers te sturen ...
Een half uur later zat Maigret tegenover rechter-commissaris
Gossard in diens kamer. Hij scheen ontspannen, en een beetje
somber. Hij deed zijn verhaal met een rustige, effen stem.
De magistraat hoorde hem met een ernstig gezicht aan en toen het
verhaal geëindigd was, viel er een vrij lange stilte waarin ze het
water door een van de goten van het Paleis van Justitie hoorden
lopen.
- En wat bent u nu van plan?
- Ik wilde ze vanavond alle drie op de Quai des Orfèvres laten
komen. Dat is gemakkelijker en vooral minder pijnlijk dan in de Rue
Notre-Dame-des-Champs.
- Denkt u dat ze wat zullen zeggen?
- Er zal er wel een van de drie zijn die tenslotte gaat praten
...
- Doet u maar zoals u het zich gedacht had ...
- Ik dank u wel.
- Ik ben blij dat ik niet in uw plaats ben... Maar pakt u haar
niet te hard aan... Vergeet u niet dat haar man...
- Dat vergeet ik heus niet. Daarom wil ik ook liever in mijn
kamer met ze praten ...
Een vierde deel van de Parijzenaars was nog met vakantie buiten en
aan zee. Anderen waren begonnen met de jacht en weer anderen reden
langs de wegen op zoek naar een plekje voor het weekend.
En Maigret liep langzaam door de verlaten gangen en ging naar zijn
kamer.