DE GROETEN VAN CHRIS BANEKE!
1
Lukas Blijschap is verhuisd. Alle rompslomp en inpakkerij waar hij maandenlang tegenaan heeft zitten hijgen, blijkt ten slotte neer te komen op hooguit drie middagen werk. Even de tanden op mekaar, tegen jezelf zeggen: 'Dit kan wel weg, dat hoeft niet mee, en daar kan ik ook wel zonder,' en uiteindelijk staan daar dan een stuk of zes kisten, een tafel, een bed, een paar stoelen ... en van wat er in die kisten zit had je ook nog rustig een kwart kunnen achterlaten, omdat je dat strakjes toch maar weer in een kast kwakt, waar het onaangeroerd blijft liggen tot de volgende verhuizing.
Maar goed! Lukas heeft dus z'n intrek genomen in 't Schaep met de 5 Pooten, en de verhuizing zelf heb ik niet meegemaakt, want ik zat die dag op een congres van reclamedeskundigen uit alle delen van de wereld, dus dat was ook behoorlijk hijsen geblazen, maar de volgende middag ben ik present in 't Schaep, en tref daar Lukas Blijschap aan, helemaal in z'n dooie eentje achter de tapkast. 'Zo?' zeg ik. 'Is d'r niemand?' 'Nee,' zegt Lukas. 'Ze zijn aan het vergaderen.' 'Aan het vergaderen?' 'Ja. Hiernaast, in de feestzaal.' 'Waarover?'
'O,' zegt Lukas, een beetje afwerend. 'Over die saneringsaffaire. Nogal vervelend. Ik wou dat ze d'r niet zo'n drukte over maakten. Punt één, het helpt toch niet, en punt twee, ik zou ook wel eens een weekje rustig m'n spulletjes op orde willen brengen.' 'Ja, ja, ho ho, wacht nou eens even,' zeg ik. 'Niet zo haastig gebakerd! Waar heb je 't nou over! Wat voor saneringsaffaire?' 'Heb je 't nog niet gehoord dan?'
'Nee,' zeg ik. 'Ik weet nergens van. Wat is er aan de hand?' Hier merk ik dat Lukas een beetje schichtig reageert. Hij mompelt iets van: 'laat dan maar, je komt er wel achter', en begint weer met het bekende gewrijf van de theedoek over de tapkast, maar juist dat achterbakse koppie van 'm wekt mijn nieuwsgierigheid op.
'Nee, nee,' zeg ik, 'vertel op. Wat is er? Heb jij d'r iets mee te maken?'
'In zekere zin wel,' zegt Lukas, en doet verschrikkelijk z'n best om opeens alle vlekjes en kringen uit het doorleefde mahonie te verwijderen, en al poetsend mijn blik te ontwijken. 'Lukas!' zeg ik streng, en nu kijkt hij mij eindelijk aan. De uitdrukking van zijn ogen komt me nogal opgewonden voor - iets van een stout jongetje, dat een bal door de ruiten heeft geschopt, en niet weet hoe hij dat thuis moet verantwoorden - dus ik ga door op diezelfde strenge toon: 'Lukas! Kom jij eens even bij pappie ... en stort je hartje maar uit. .. Vertel eens, knaapje, wat is er gebeurd?'
Hij kijkt even achterom of hij door niemand wordt afgeluisterd. 'Als je 't dan met alle geweld wilt weten ...' Hij wrijft nerveus over zijn gezicht. 'Ik zit weer eens in de rottigheid.' En met een diepe zucht: ik schijn daar een abonnement op te hebben.'
Affijn - ik zeg natuurlijk geen stom woord, en laat hem even rustig in z'n sop gaar koken, en als hij merkt dat er van deze kant geen commentaar komt, leunt hij plotseling over de tapkast, en pakt mij bij de pols. 'Je houdt je kop?' 'Ja, wat dacht je nou? Waar zie je me voor aan?' 'Goed,' zegt Lukas. "t Zit me erg hoog dat hele geval, en ik moet iemand hebben aan wie ik het kwijt kan. Maar 't blijft onder ons!' 'Lukas..
'Oké, daar hou ik je aan. Moet je
luisteren . . .' En wat ik te horen krijg, is het volgende.
2
Het verhaal begint gistermiddag, even voor enen. Er schijnt een heerlijk lentezonnetje, en Lukas zit op de stoep voor 't Schaep in een van de laatste drie rotan fauteuils, die nog niet door de verhuizer naar binnen zijn gesleept. Achter hem, tegen de pui, staat nog een linnenkast, een bijzettafeltje, en een beddespiraal, zodat Femma Nagel, die net langs komt, de grootste moeite heeft haar tweelingkinderwagen tussen Lukas en zijn huisraad door te manoeuvreren. 'Kan je 't zo wel uithouden, meneer de baron!' 'Laat me asjeblieft gaan,' gromt Lukas. 'Ik kan geen pap meer zeggen.'
'Ja ...' grinnikt Femma. 'Valt niet mee, hè? Verhuizen. Voor zo'n klein kereltje als jij.. Normaal heeft Lukas ernstige bezwaren tegen dit soort toespelingen op zijn fysieke verschijning, maar vandaag is hij te moe om erop te reageren.
'Femma,' zegt hij amechtig, 'ik heb me één ding voorgenomen. De eerste twintig jaar krijgen ze mij niet meer op een andere woning. Ik heb geen voeten meer over en oo! m'n rug!'
Femma lacht hem bemoedigend toe. 'Kom, kom, Lukeman! Eén nachtje slapen en je bent weer fit!'
'Nee, nee. .Lukas schudt het hoofd, dat zijn wangen ervan trillen. 'Het gaat niet alleen om het werk, het is het idee dat je iets achterlaat wat je nooit meer terugkrijgt. Daar ben ik zo moe van!'
'Een lege ruimte!' *
'Nee, Femma. Meer dan een lege ruimte. Een stuk van jezelf!' 'O gut!' zegt Femma. 'Nou krijgen we dat! Sentimenteel!' 'Mag ik misschien? Als je ik weet niet hoe lang gewoond hebt in een omgeving waar ieder gaatje in het zeil, elk spatje op het behang een bepaalde betekenis voor je had! Alles had z'n vaste plek. Elke handeling was automatisch. Ik hoefde niet eens meer het licht aan te steken, als ik .. .'
'Sorry, Luuk,' valt Femma hem in de rede, 'ik moet opschieten. Om één uur gaat de groenteman dicht. Ik kom gauw een keer kijken, als je een beetje op orde bent.' ik hoop het te beleven!'
'Dat zal wel meevallen, denk ik. Dag, Luuk. En sterkte, hè!' 'Ja, ja,' zegt Lukas. 'Dank je wel.'
Hij sluit de ogen en richt zijn gezicht naar de zon, en zit net een beetje weg te mijmeren, als de verhuizer naar buiten komt en met een paar krachtige klappen de portieren van zijn lege bestelauto dichtknalt. Het is een potige kerel, in een grijze stofjas, met een droefgeestig Deense-doggengezicht, en de grafstem van een nieuwslezer die op een te laag toerental wordt afgedraaid.
'Zo, meneer Blijschap! U zit zeker krachten op te doen voor de volgende verhuizing!' Met moeite weet Lukas een flauwe glimlach op te brengen, ik zeg net tegen de buurvrouw: wat er ook gebeurt, in geen duizend jaar krijgen ze mij meer op een andere woning . ..' 'O!' De verhuizer krabt zich eens op zijn hoofd. 'Dan moet u vooral in deze buurt gaan zitten. Zit je lekker!' 'Hoe bedoelt u?'
In plaats van antwoord te geven haalt de verhuizer een boekje met nota's uit zijn zak, en vraagt hoe Lukas de rekening wil voldoen, contant of over de giro. 'Hoeveel is het?' 'Zevenendertig vijftig.' 'Zo, zo!'
'Ja, wat nou, zo, zo!'
'Nee, nee, ik bedoel eh ... voor even heen en weer ...' 'Meneer,' wijst de verhuizer Lukas terecht, 'u mag helemaal niet mopperen. Ik bereken u het studententarief, dus eh ...' 'Ja, ja,' zegt Lukas haastig, "t is wel goed. Ik betaal wel contant.'
Dus de verhuizer schrijft een kwitantie uit op de naam Blijschap zonder d, en ondertussen krijgt Lukas een beetje de kriebel vanwege die opmerking van daarnet, en hij komt overend in zijn stoel, en zegt tegen de verhuizer: 'Wat zei u daarnet eigenlijk over deze buurt? Wat is er tegen om hier te gaan wonen?' 'Wat er tegen is?' zegt de verhuizer onder het schrijven, 'wat er tegen is om hier te gaan wonen? Nou, meneer, dat lijkt me nogal duidelijk! Ik tenminste,' zegt de verhuizer, 'zou d'r nooit aan beginnen. Met de wetenschap dat ik over een halfjaar toch weer het veld zal moeten ruimen . .. Maar ja,' geeft hij toe, 'd'r zijn natuurlijk maar weinig mensen, die het weten.'
Hij scheurt de kwitantie uit het boekje en geeft hem aan Lukas. 'Stublieft.'
'Die wat weten?' vraagt Lukas, nu zeer verontrust. 'Mag ik eerst even met u afrekenen,' zegt de verhuizer op een schertsende toon, 'vóór dat meneer zich bedenkt...'
Affijn - Lukas betaalt hem vier tientjes, en zegt laat maar zitten, en de verhuizer bedankt hem beleefd voor de fooi, en steekt het geld in een beurs met een knip, en komt dan eindelijk met het volgende antwoord: 'Ja,' zegt de verhuizer, met de handen in zijn zakken, 'ze hebben het erg goed geheim weten te houden, daar zijn ze goed in bij de gemeente! Maar ja, 't kan mij niet schelen hoor, ik wil het u graag vertellen .. . hoe meer het weten, hoe liever het me is!' Hij pakt nu beide leuningen van Lukas z'n stoel beet, en buigt zich dicht over hem heen, zodat Lukas geen kant meer uit kan.
'Meneer Blijschap,' zegt hij, met een nog diepere bas dan daarnet, 'dit hele blok, waar ik nou tegenaan kijk ..., al deze prachtige panden . .. die de eeuwen hebben getrotseerd ... staan op de nominatie om binnen enkele maanden te worden onteigend op last van de saneringscommissie. D'r komt hier een groot, modern kantoorgebouw van, schrikt u niet, veertien etages. Dit gaat allemaal tegen de vlakte.'
Hij wacht even om de gruwelijke betekenis van deze mededeling goed tot Lukas te laten doordringen, en gooit er dan nog een schepje bovenop: 'Valt niks meer aan te doen. De blauwdrukken liggen al klaar op het stadhuis. En ze hebben het opzettelijk buiten de openbaarheid gehouden, uit angst dat anders de grondprijzen kunstmatig worden opgedreven, hé, voelt u wat ik bedoel?'
Hij hangt zwaar over Lukas heen, die nu opeens nog wel tien keer zo moe is als een paar minuten geleden, en alleen maar iets kan stamelen van: 'Binnen enkele maanden, zegt u?' 'Jawel, meneer! Binnen enkele maanden! In oktober gaan ze beginnen met slopen. U kijkt een beetje ongelovig? Meneer Blijschap, moet u goed luisteren! De jongste zuster van mijn vrouw...' hij praat nu super-vertrouwelijk, 'is werkzaam als schoonmaakster op het gemeentehuis, bij de afdeling stadsontwikkeling. Nou. Deze vrouw komt van de week op de kamer van de hoofdinspecteur, dat is dus de baas van die afdeling. Het is 's morgens zeven uur, en behalve mijn schoonzuster is er dus verder niemand in het gebouw, dus die heeft het rijk alleen, en begint oudergewoonte het bureau op te ruimen van de hoofdinspecteur. Meneer Blijschap! Wat denkt u wat ze daar tegenkomt tussen een hele hoop andere paperassen - de man is een slordig persoon - maar wat denkt u wat mijn schoonzuster daar vindt op het bureau van de hoofdinspecteur van de afdeling stadsontwikkeling? U houdt het niet voor mogelijk, meneer Blijschap! Daar ligt, open en bloot, met alle gegevens, alle data en alle tekeningen, het complete uitgewerkte plan voor de sanering van de wijk, waarin ik op het ogenblik tegen u sta te praten! Dat ligt daar zo maar op tafel. Als mijn schoonzuster toevallig een toestel bij zich had gehad, had ze het bij wijze van spreken allemaal op haar dooie gemak kunnen fotograferen. Had ze een mooie klap kunnen maken bij de krant. De geheime documenten van de gemeente Amsterdam .. . wat een onthulling zou dat geweest zijn!'
Lukas kan nauwelijks zijn hoofd meer bewegen, zo ingeklemd zit hij tussen de stoel en de verhuizer.
'Maar... maar. ..' probeert hij toch nog, 'weet u wel zeker of het eh . ..' 'Of het wat?' 'Het ging om deze wijk?'
'Om deze wijk! En ik zal het u nog sterker zeggen: om dit blok! Nou u weer!'
'En eh . ..' Het koude zweet breekt Lukas uit. 'U acht het niet mogelijk, dat eh . ..' 'Gaat u door!'
'.. . dat uw schoonzuster zich vergist heeft in de straat... ik bedoel eh ... zou dat eh ...'
'Meneer Blijschap! U denkt toch niet dat de zuster van mijn vrouw achterlijk is?!'
'Nee, nee, uiteraard niet, nee, nee,' zegt Lukas gejaagd, ofschoon dat natuurlijk toch nog ergens zijn enige hoop is.
Affijn, hoe dan ook - hier komt het gesprek abrupt tot een eind. De verhuizer bedenkt zich opeens dat hij om twee uur z'n volgende klus heeft, en dus nauwelijks meer tijd heeft om een hapje te eten, en hij verlaat Lukas in een vliegende haast, en met de bemoedigende woorden: 'Meneer Blijschap ... als het weer zover is .. . u geeft maar een seintje, wij staan tot uw dienst!'
De bestelwagen knettert de straat uit, en twee minuten gaan voorbij. Twee troosteloze minuten, waarin Lukas verlamd voor zich uit zit te staren, en hardop zit te schelden in termen van gajes, smerige stinkers, schorem, en dat soort voor de hand liggende uitdrukkingen, en middenin hoort hij plotseling achter zich de stem van Tante Door, die vriendelijk vraagt: 'Had je iets tegen iemand, Luuk?'
'Hè?' Verschrikt draait hij zich om. 'Nee, hoezo?' 'Ik dacht dat ik je iets hoorde mompelen van schorem of zo . ..' 'O,' zegt Lukas blozend. 'Nee, nee. Ik eh... Nee, ik zat in mezelf te praten. Dag Door. Goeiemorgen.' 'Zeg maar goeiemiddag.'
Ze heeft de katoenen gordijnen over haar arm, die hij een paar dagen geleden bij haar te stomen heeft gebracht. 'Kijk eens, jongen ... je gordijnen! Gewassen, gestreken, gesteven ... de haakjes zitten d'r an ... je kan ze zo ophangen ... nou? Wat zeg je nou?' 'Dank je wel, Tante Door.' 'Zit je lekker, in het zonnetje?' 'Heerlijk.'
Wat de toon betreft had hij net zo goed kunnen zeggen: 'Walgelijk,' en tante Door merkt dat onmiddellijk, en vraagt meteen wat er is, en Lukas zegt somber: 'Hè? Nee, d'r is niks .. 'Ben je niet blij met je gordijnen?' 'Jawel, jawel...'
'Maar?' vult Tante Door in. En als hij blijft zwijgen: 'Nou? Wat wou je zeggen? Maar?'
'Ik vraag me af,' zegt Lukas, 'of
het nog wel zin heeft om ze op te hangen, voor die paar onnozele
maanden, dat ik hier zit.'
Op dat moment, vertelt Lukas mij de
volgende middag aan de tapkast,
op dat moment had ik m'n tong wel kunnen afbijten. Maar ik kon het
niet helpen, 't Was er uit voordat ik het wist.
'Voor die paar onnozele maanden dat je hier zit?' zegt Tante Door. 'Hoe bedoel je? Wou je alweer weg? Je bent nog niet eens binnen! Hier! Je linnenkast staat nog tegen de pui!' 'Ik denk,' zegt Lukas, 'dat ik 'm daar maar laat staan. Hoef ik 'm straks niet weer naar beneden te slepen.'
Als Lukas op die toon begint, weet Tante Door al hoe laat of het is. 'O,' zegt ze. 'Is 't weer zover? Zijn de heren weer bezig?' 'Welke heren?'
'Welke heren! Jij en je baas natuurlijk! Ik dacht al, wat gaat dat goed de laatste tijd. Maar nou weet ik wat het was. Voorjaarsmoeheid!'
'Doortje ...' Ondanks alles moet Lukas toch even glimlachen. 'Er zijn geen moeilijkheden tussen Kootje en mij. Integendeel, mag ik wel zeggen. Kootje is erg blij met me, heeft ie me gisteravond bekend. Ik krijg zelfs vijf gulden opslag van 'm. Uit zichzelf. Nee. 't Heeft niks te maken met Kootje . ..' 'Waar heeft 't dan mee te maken? Nou? Komt er nog wat? Blijschap! Laat me niet zo staan soebatten!'
Lukas aarzelt even, en staat dan plotseling op. 'Ach nee, Door ... Vergeet het nou maar . .. Laat me nou maar niet je dag bederven . ..' 'Mijn dag bederven? Waarmee?'
'Bedankt voor de gordijnen,' zegt Lukas, en neemt ze van haar over. 'Ik ga ze meteen ophangen.'
'Jij gaat niks!' zegt Tante Door, en duwt hem, met twee handen op zijn schouders, terug in de rotan fauteuil. Meteen trekt ze er nog een stoel bij en gaat recht tegenover hem zitten. 'Zo,' zegt ze. 'En nou wordt er niet langer kiekeboe gespeeld. Wat betekent: die paar onnozele maanden dat ik hier nog zit? Waarom zei je dat?'
'Hè, toe nou, Door!' zegt Lukas ontwijkend. 'Nergens om. Ik zei het zo maar.'
'Kletsika! Zoiets zeg je niet zo maar. Nogmaals, Blijschap -en kijk me aan als ik tegen je spreek - waarom zei je dat?' 'Ik zeg je: ik wil je dag niet bederven ...'
'Dat kan je niet,' zegt Tante Door,
'want ik heb net een navordering gehad over 1968, dus die is al
bedorven. Nou? Beleef ik het nog.'
Misschien had ik toen de zaak nog
kunnen redden - zegt Lukas tegen mij aan de tapkast - door me d'r
met een of ander smoesje af te maken, maar nee! Ik krijg opeens
iets over me van: de buurt! De buurt is in gevaar! En ik flap het
er achter mekaar uit.
'Ach! Waarom zou ik het ook eigenlijk voor me houden! Hoe eerder je het weet, hoe beter het is!' Hij gaat even verzitten, en kijkt haar dan diep in de ogen. 'Door,' zegt hij, 'schrik niet... wij moeten hier allemaal weg! Ja! Binnen een half jaar gaat hier de hele mikmak tegen de vlakte! D'r komt een groot kantoorgebouw van twintig etages hoog, de huizen worden onteigend en de hele buurt wordt met de grond gelijkgemaakt. Voor het end van het jaar moet het gebeurd zijn. Nou. Ben je nou blij, dat je het weet?'
'Dat hoor ik al zolang als ik hier woon,' zegt Tante Door lachend, maar toch niet helemaal gerust. 'Inderdaad, dat is zo,' zegt Lukas. 'Maar 't is er nou eindelijk doorheen.'
'Heeft het in de krant gestaan?'
'Nee,' zegt Lukas, met een gewichtig gezicht. 'En 't kómt ook niet in de krant voorlopig, want het is een geheime beslissing van het gemeentebestuur. Niemand mag het weten! Dat doen ze om de grondprijzen te drukken, begrijp je wel.. 'Wat een stelletje geteisem!' roept Tante Door verontwaardigd uit.
'Zeg dat wel! Ik heb net vier tientjes betaald voor m'n verhuizing!'
'Hoeveel verdiepingen zei je?' «Wat?'
'Dat kantoorgebouw.' 'O, twintig.'
'Twintig! Neem me niet kwalijk!' Haar blik glijdt naar de nok van 't Schaep, en daarna nog vele malen hoger. 'Of misschien maar achttien,' corrigeert Lukas zichzelf. 'Daar wil ik af wezen ... da's nog niet helemaal zeker . ..' 'Maar 't is wel zeker, dat eh ..
'Hoef je niet aan te twijfelen,'
zegt Lukas, nu zeer pertinent. 'De afbraak gaat door! Ik weet het
van eh. . .'
En hier komt mijn grootste
stommiteit, zegt Lukas tegen mij aan de tapkast. Als ik toen gewoon
had gezegd 'van de verhuizer', dan was er nóg geen vuiltje aan de
lucht geweest, maar alweer nee! Idioot, die ik ben ... ik moest zo
nodig iets interessanters bedenken.
. . nou ja,' zegt Lukas, 'ik heb het uit zeer betrouwbare bron.' 'Wie?'
'Wie? Eh ... Nou, nee,' zegt Lukas, 'laat ik dat nou maar liever verzwijgen, 't Zou die man z'n positie kunnen kosten, en dat wil ik voor geen goud van de wereld op m'n geweten hebben ..
'Maar wel een hooggeplaatst iemand?'
'Laat ik het zo stellen, Door. D'r is geen één geheim stuk van de gemeente op het gebied van de sanering of 't moet eerst zijn bureau zijn gepasseerd. Meer kan ik er niet over zeggen.' 'Nou,' zegt Tante Door, eindelijk overtuigd. 'Dan wordt de gemeente bedankt!'
Ze heeft die woorden nog niet uit haar mond of Kootje de Beer komt naar buiten om eens te kijken waar Lukas blijft, en staat onmiddellijk op z'n achterste benen als hij hem lekker in het zonnetje ziet zitten, in een luie stoel, midden op het trottoir, en ogenschijnlijk in een oergezellig buurpraatje gewikkeld met Tante Door.
'Zo meneer Blijschap!' begint hij meteen met een stortvloed van sarcasme, 'dat is een buitengewoon menslievende gedachte van u! Om voor de deur te gaan zitten, op de stoep, in uw privé clubfauteuil, lekker profiteren van het stralende voorjaarsweer ... terwijl uw vrienden Arie Balk en Huipie van Duivenbode zich een breuk slepen om Uwedeler inboedel naar boven te expediëren? Wacht even, ik zal d'r nog een tafeltje bijschuiven, dan maken we d'r een gezellig tuinfeest van! Zegt u het maar: wat kan ik u serveren, of wil meneer misschien eerst even inzage nemen van onze wijnkaart. .
'Ko,' onderbreekt Tante Door zijn woordenstroom. 'Wil je even rustig gaan zitten?'
'Och ja, waarom niet!' smaalt Kootje de Beer. 'Het zonnetje schijnt, de vogeltjes zingen hun hoogste lied, en het enige wat er nog aan ontbreekt is de kabbelende zee! Niewaar?' 'Pak een stoel en ga zitten, Ko,' houdt Doortje aan. 'Lukas heeft een zeer treurige mededeling voor ons allemaal.' 'En wat voor een mededeling?' 'Een treurige. Ga zitten.'
Wel - Kootje de Beer bindt onmiddellijk in. Hij pakt gehoorzaam een krukje, gaat zitten naast Tante Door, en kijkt bezorgd naar Lukas Blijschap. 'Een treurige mededeling? Zo! Wat is er dan, Luuk?'
'Ach mensen,' zegt Lukas, met een gezicht of z'n zitkussen in brand staat, 'laten we liever een beetje vrolijk wezen! D'r zijn nog zóveel erger dingen op de wereld ...' 'Erger dan wat?' komt Kootje meteen, en Tante Door prikkelt z'n nieuwsgierigheid nog een beetje extra met: "t Heeft geen zin om de waarheid te verbloemen, Luuk. Vroeg of laat krijgt ie toch die brief van de gemeente in z'n bus ...' waarop Kootje natuurlijk onmiddellijk inhaakt met: 'Wat, wat, wat? Wat voor een brief?' en Tante Door ten slotte een eind maakt aan alle onzekerheid door te zeggen: 'Ko, hou je vast. De kogel is door de kerk. We zijn ten dode opgeschreven.'
Affijn - het hoge woord is er uit, maar Kootje kan het zo gauw nog niet bijbenen. 'Ten dode opgeschreven? Wie?'
'Wij,' zegt Tante Door. 'Wij
allemaal. Al onze woningen en bedrijfspanden worden overgeleverd
aan de bulldozer!' 'Wie zegt dat?' 'Lukas.'
Het liefst, zucht Lukas tegen mij
aan de tapkast, was ik toen meteen opgesprongen, en naar boven
gerend, en in m'n nest gekropen. Maar punt één stond m'n
beddespiraal nog tegen de pui. . . en punt twee moet jij eens
proberen de benen te nemen als Tante Door dat niet wenst.
'Ja,' zegt Tante Door. 'Lukas heeft het uit zeer betrouwbare bron. Voor het eind van het jaar gaat alles plat. D'r komt een groot kantoorgebouw van misschien wel vijfentwintig etages, op de plaats van mijn wassalon en jouw café, en dat zal dan betekenen, Ko,' zegt Tante Door, 'dat de overkant ook voor de bijl gaat, want daar moet natuurlijk parkeerruimte worden vrijgemaakt, dus met andere woorden: Lukas had net zo goed niet kunnen verhuizen, want over een paar maanden staan we met z'n allen op de keien.'
Wel - Kootje de Beer is er even stil van, en hij kijkt vragend naar Lukas, en zegt dan op een angstige toon: 'Is dat werkelijk waar, Lukas?'
En het enige wat Lukas kan doen is diep ademhalen, en een keertje flink slikken, en bidden dat er ondertussen een wolkbreuk zal losbarsten, of een bloempot van drie hoog op zijn heftig kloppende hersenpan zal neerdalen, en als geen van tweeën gebeurt, antwoorden: 'Ja, Ko. Het is waar.' 'Nog dit jaar?' 'Ja. Nog dit jaar.' 'Heb ik niks van gelezen!'
"t Is nog een geheim, Ko,' verklaart Tante Door. 'Maar Lukas weet het van iemand die inzage heeft in de ambtelijke stukken van B. en W.'
'Ik eh . ..' hakkelt Lukas, 'ik heb beloofd de naam niet te noemen.'
'Ja, luister nou eens even!' roept Kootje de Beer. 'Dat zou ik dan toch wel graag eerst even willen weten! Neem me niet kwalijk! 't Is me maar geen kleinigheid wat je me daar vertelt! Voor het end van het jaar de hele zaak hier tegen de vlakte! Toe maar! Ga je gang maar! De heren hakken d'r maar op los - alsof wij überhaupt niet bestaan!'
'Zo gaat het toch altijd, Ko,' zegt Tante Door bitter. 'Ze spreken van een rechtsstaat. Maar wat heb je uiteindelijk in te brengen? Niks.'
'O nee? Dat wil ik nog wel eens een keertje zien! Als dit geen loos alarm blijkt te zijn,' roept Kootje de Beer, nu al blakend van strijdlust, 'dan zullen wij dat de heren wel eens even inpeperen, haha! Vooruit, Lukas, de naam van je zegsman!'
Mijn god, denkt Lukas, wat ben ik begonnen! Hij schuifelt nerveus op zijn stoel heen en weer. 'Als ik je nou zeg, Ko, dat ik m'n woord heb moeten geven ..
'Kan je niet een aanwijzing geven,' komt Tante Door hem tegemoet, 'wat die man voor een functie bekleedt? Wat is het? Een ambtenaar? Een opzichter? Een lid van de gemeenteraad?' 'Ik wil jullie een klein endje op weg helpen,' zegt Lukas, schor van de zenuwen. 'Hij werkt op het stadhuis.' 'Daar schieten we geen donder mee op,' roept Kootje grof. 'D'r werken duizenden mensen op het stadhuis!'
Maar Tante Door blijft nog steeds op de vriendelijke toer. 'Welke afdeling, Luuk?'
'Ik bén al te ver gegaan, Door!' Hij klemt de lippen demonstratief op elkaar, en kijkt langs Kootje heen een beetje scheef de straat in, die het gebruikelijke beeld vertoont van haastig gebakerde fietsers, boodschappende vrouwen, en auto's die elkaar nauwelijks kunnen passeren.
Meteen komt de stem van Kootje de Beer: 'Zal ik jou eens wat vertellen, Door? Waarom onze vriend Blijschap de naam van z'n zegsman niet wenst of niet durft te noemen? Weet je waarom niet, Door? D'r is helemaal geen zegsman!' 'O nee?' reageert Lukas heftig, en tegelijk krijgt hij een soort kippevel over z'n hele gezicht, en een wee gevoel in z'n maagstreek, en hij weet nu heel zeker dat hij niet meer terug kan, en zich groot zal moeten houden, en dóórgaan, desnoods tot de dood er op volgt.
'Als ik géén naam noem,' hoort hij zichzelf ergens in de verte mompelen, 'maar wél z'n positie ... ben je dan tevreden?' 'Dat lijkt me in ieder geval meer dan niets,' antwoordt Kootje de Beer.
'Goed dan. Dan zal ik het je zeggen. Het is .. .' - en nu wordt er alleen nog maar zéér, zéér vertrouwelijk gefluisterd - 'de hoofdinspecteur bij de afdeling stadsontwikkeling van de gemeente Amsterdam. Top-ambtenaar ten stadhuize!' 'Zo?' zegt Kootje, toch wel geïmponeerd. 'Waar ken jij die van?' En nu heeft Lukas zichzelf weer geheel in de hand. 'Ik kom ook nog wel eens in andere gelegenheden als 't Schaep met de 5 Pooten, Ko!'
Wel - een stief kwartiertje later staat Lukas weer achter de tapkast, en kijkt toe hoe Huipie en Arie zijn linnenkast door de deur naar de bovenetage proberen te wringen, en Tinus de Toeper geeft aanwijzingen hoe ze die draai moeten maken, dit alles met een glas tomatensap in de hand, en Tante Door en Kootje de Beer zijn in geen velden of wegen te bekennen, omdat die zich, na het gesprek met Lukas, ogenblikkelijk hebben teruggetrokken in de wassalon, teneinde aldaar in alle rust te beraadslagen over wat hun te doen staat met het oog op de dreigende sanering.
Uiteraard heeft Lukas hierover angstvallig zijn mond gehouden tegenover Huipie, Arie en Tinus, en als eerstgenoemde twee met de linnenkast naar boven zijn gestommeld doet Tinus de deur achter zich dicht, en hij zegt tegen Lukas: 'Jij mag van geluk spreken, Lukie, dat je in dit buurtje terecht bent gekomen. Je ziet wel: ze hebben alles voor je over. Uniek, op de hele wereld!' Hij heft zijn glas. 'Waarde makker,' zegt hij, "t is wel tomatensap, maar niettemin ... op een langdurig en gezegend verblijf in je nieuwe woning!' 'Dank je wel, Tinus,' zegt Lukas mat. 'Ben je moe?' 'Kan je 't aan me zien?'
'Nou, nee,' zegt Tinus. 'Een ander zou 't waarschijnlijk ontgaan, maar ik herken de verschijnselen .. . omdat ik zelf in het vak heb gezeten, weet je wel...' 'Welk vak?'
'Verhuizingen. Heb ik je dat nooit verteld? Ja, hoor! Ik heb zes jaar lang in het expeditiebedrijf gezeten. Verhuizingen door het gehele land. En ook internationaal. Ik heb eens een verhuizing gedaan voor een katholieke journalist, die kreeg als standplaats Rome. Ben ik vier weken onder water gebleven. Man, man, wat wij daar hebben afgelachen met die Italiaanse meiden! Ik zat op een terras,' zegt Tinus, 'te eten, in de open lucht. Zie ik allemaal jonge knapen naar binnen gaan, in het huis d'r naast, de een na de ander. En tien minuten later komen ze weer naar buiten, en springen ze weer op de scooter, helemaal monter en opgelucht. Ik denk: da's zeker een sportschool, 'k zal toch es even gaan kijken. Maar 't was geen sportschool, welnee! Wat denk je dat het was? Precies! Dat was het!' 'Ja, ja,' zegt Lukas, met een bleke glimlach. 'Zo, zo . . . ben jij verhuizer geweest..
'Ja, jongen!' grinnikt Tinus. 'Dat was de geweldigste tijd van m'n leven! Lachen, gieren, brullen, haha! 't Is een raar volkje, hoor, die verhuizers, daar kan ik je staaltjes van vertellen!' 'Op welk gebied?'
'Op het gebied van de practical jokes!' zegt Tinus, en als hij merkt dat Lukas dat woord niet begrijpt, legt hij het uit: 'Practical jokes! Dat is als je iemand in de maling neemt waar ie bij staat. Dat deden wij altijd, bij de klanten! Dan kwamen die mensen op een nieuwe woning, en dan zeiden wij: nou, meneer, 't zou mijn portie niet wezen, want de vorige bewoners zijn gevlucht voor de vlooien! En dat soort grappenmakerij, begrijp je wel? Ja, ja, een stelletje mooie heren waren wij! Wie heeft jou verhuisd?'
Wel - na alles wat er vanmorgen is voorgevallen, is dit nu niet bepaald een reden voor Lukas om in juichen uit te barsten, integendeel! Hij begint zich hoogst onbehaaglijk te voelen, en vraagt op een wat zorglijke toon: 'Is dat een vaste gewoonte in het verhuizersvak?'
'Ja, jongen!' roept Tinus glunderend. 'Wist je dat niet? Da's bekend! Ook onder mekaar! Als jongmaatje, dan werd je naar een ijzerhandel gestuurd, en dan kreeg je als opdracht: haal effe een roestvrije knijptakel met een zwakstroomhakie... En ze lieten je zo gaan, hoor, met een stalen gezicht! O, als ik daarover begin, dan kan ik je nog uren bezighouden!'
Affijn - Lukas krijgt het knap benauwd bij dit alles, en hij staat wat onrustig te wiebelen achter de tapkast en hij zegt tegen Tinus: 'Wie mij verhuisd heeft, wou je weten? Dat was eh ... Baneke.' 'Chris Baneke?' 'Ik geloof 't wel, ja.'
'Chris Baneke!' roept Tinus, en glimt helemaal van plezier. 'Chris Baneke! Een van de grootmeesters! Geef me nog een sap.'
En terwijl Lukas nog een glas tomatensap inschenkt, en bijna door de grond gaat van ellende, vertelt Tinus het volgende komische verhaal: 'Weet je,' zegt Tinus, 'wat Chris Baneke een keertje heeft uitgehaald? Die komt in de Kinkerbuurt, en die zegt tegen de man die hij net heeft verhuisd: meneer, zegt Chris, als ik u was zou ik geen sigaret opsteken in de achterkamer, want er ligt hier een gasleiding, die lekt. Nou, Lukas, wat daar allemaal uit voort is gekomen! Die nieuwe bewoner gaat zich inderdaad verbeelden dat ie gas ruikt! Politie gebeld, brandweer uitgerukt met groot materieel, de hele omgeving in paniek, en Chris Baneke gillend van de lach hel hele verhaal vertellen in het café van Tante Marie! Hahaha!'
Hij schatert het uit van de pret, maar hoe harder hij lacht, hoe beroerder Lukas zich voelt, en dus houdt Tinus middenin op, en hij kijkt eens naar Lukas z'n gezicht, en hij zegt op een tamelijk ernstige toon: 'Ja,' zegt Tinus, 'nou begint het zich toch duidelijk af te tekenen.' 'Wat?'
'De vermoeidheid, 't Is je nou toch wel aan te zien,' zegt Tinus, 'ook voor een buitenstaander.'
En inderdaad. Lukas heeft nu werkelijk het gevoel dat hij nog jaren zal nodig hebben om deze vermoeidheid te boven te komen, vooral wanneer hij er aan denkt wat Kootje de Beer en Tante Door op ditzelfde ogenblik aan het bekokstoven zijn in de wassalon, maar goed ... hij zegt daar natuurlijk niets van tegen Tinus de Toeper, en hij krijgt ook niet de kans om dat te doen, want Huipie en Arie komen alweer binnen, en stappen meteen naar de tapkast.
'Nou,' zegt Arie Balk. "t Heeft er even om gespannen of we 'm in tweeën moesten zagen, maar . .. millimeterwerk . . . hij staat op z'n plaats! Huipie . . . heb je alweer asem?' 'Een pilsje,' hijgt Huipie, 'zou d'r wel ingaan.' 'Een zeer verstandige opmerking van Huipie!' vindt Arie Balk. 'Zou je 't wel doen?' vermaant Tinus, en wijst naar de rest van de meubels. 'D'r staat nog het een en ander . . .' 'We moesten 't er maar op wagen,' meent Arie Balk. 'Vind je niet, Huip?'
'Ja,' zegt Huipie. 'Even een tussendoortje.' De bewegingen waarmee Lukas hun bestellingen uitvoert, hebben iets weg van een vertraagde film. Het kost waanzinnig veel
tijd voordat hij eindelijk zijn arm heeft gestrekt, een glas heeft gepakt, en het vervolgens in hetzelfde tempo onder de kraan van de bierpomp heeft weten te brengen. Het opendraaien van de hendel vergt een inspanning alsof hij een roeispaan bedient in een overbemande sloep, en dan nog tegen de stroom in, en zelfs het afstrijken van het schuim lijkt op het helse karwei van de dwangarbeider die een rotsblok tegen een helling moet oprollen. Bij dit alles staat hij bovendien nog zo wezenloos voor zich uit te staren dat Huipie en Arie hem verbaasd gadeslaan, en Tinus de Toeper ten slotte vol medeleven aanbiedt: 'Gaat het, Lukie ... of moet ik je helpen?' en tegen de anderen: 'Lukas is moe.'
'O ja?' zegt Arie. 'Waarvan?'
'Van óns gesjouw waarschijnlijk,' komt Huipie ironisch, maar Tinus haast zich om uit te leggen dat niet het gesleep met meubels, maar het losscheuren van het verleden de grote ramp is van het verhuizen. De glazige oogopslag, de slome bewegingen, de moedeloze klank van de stem, zoals Lukas die op het ogenblik heeft - het zijn allemaal, zegt Tinus, typisch de symptomen van mensen zoals ik er honderden van heb verhuisd, en in sommige gevallen gaan er maanden overheen, voordat ze eindelijk weer een beetje ... maar hier wordt hij god zij gedankt onderbroken door de luidruchtige entree van Tante Door en Kootje de Beer.
'Zo, heren,' zegt Kootje, dwars door Tinus heen, 'daar zijn we dan, klaar voor de strijd! Wij hebben een zeer vruchtbaar half uurtje achter de rug, mag ik wel zeggen!'
Hij loopt handenwrijvend om de tapkast heen, en vraagt Tante Door eerst wat ze wil drinken, en Tante Door zegt, als gewoonlijk, citroentje met suiker, en onder het inschenken daarvan schijnt Kootje de Beer iets te merken aan Lukas Blijschap, want hij fronst de wenkbrauwen en vraagt op een bezorgde toon: 'In mineur, kereltje?'
'Ik in mineur?' antwoordt Lukas mistroostig, en duwt met zijn laatste krachten de twee glazen pils in de richting van Huipie en Arie: 'Nee, hoor! Ik zou niet weten waarom.'
Affijn - Tante Door is het toch wel een beetje eens met Kootje de Beer, en vindt dat Lukas er uitziet als een uitgeknepen dweil, en eerlijk gezegd is dat ook precies zoals Lukas zich voelt, maar hij houdt zich dapper, en wrijft zich een paar keer krachtig over z'n gezicht, en zegt dan, bij wijze van grapje: 'Zo. Nou heb ik weer een beetje kleur op m'n wangen!' 'Wel,' zegt Kootje, met een bemoedigend knikje, 'ik heb zo het gevoel dat de heer Blijschap nóg meer zal opkikkeren als ie hoort wat wij zojuist, in overleg met enkele buurtgenoten, hebben besloten te gaan doen. Ik neem aan, mijn heren,' zegt hij tot de anderen, 'dat Lukas u reeds op de hoogte gebracht heeft van de schandelijke plannen die de gemeente Amsterdam d'r op nahoudt ten aanzien van deze buurt?'
'Schandelijke plannen?' zegt Tinus verwonderd. 'Nee! Wat dan?'
Het beetje bloed dat Lukas zich net naar z'n hoofd had gewreven, trekt in één keer weer weg uit z'n wangen: In overleg met enkele buurtgenoten! Als je nóg es wat weet, Chris Baneke! 'Zeg Lukie!' komt Kootje de Beer. 'Wat hoor ik nu? Heb je 't nog niet verteld?' 'Nee. Nog niet.' 'Waarom niet?'
'Ach ..zegt Lukas. 'Ik wou geen paniek zaaien ...' 'Daar is anders reden genoeg voor!' roept Kootje de Beer, en iedereen zit meteen overeind en luistert naar Kootje de Beer, die het volgende meedeelt: 'Mijne heren,' zegt hij, om de zoveel woorden een indrukwekkende pauze leggend, 'mijne heren . .. de gemeente Amsterdam heeft... in het diepste geheim, besloten om .. . nog voor het eind van dit jaar te beginnen met. . . de totale onteigening en afbraak van ... de wijk, waarin wij wonen!'
Affijn - dit geeft natuurlijk wel even een storm van emoties, vooral bij Arie en Huipie, maar Tinus wil het in tweede instantie niet geloven, dus Kootje zegt tegen Lukas: 'Lukas,' zegt Kootje, 'je staat er bij. Zou je dit bericht even willen bevestigen?'
En Lukas heeft het gevoel dat al het bloed nu ook nog is weggetrokken uit zijn voeten, en hij weet nauwelijks meer waar hij moet kijken, en richt ten slotte de blik op Tante Door d'r citroentje met suiker, en zegt zo, dat het bijna niet te verstaan is: 'Ja, 't is inderdaad een feit... we moeten hier weg... maar eh .. en hier komt hij weer een klein beetje bij, 'ik had het misschien beter voor me kunnen houden ...' 'Beter voor me kunnen houden?' roept Kootje de Beer verontwaardigd, 'maar Lukas, hoe kan je dat nou zeggen! Als jij ons niet bijtijds had gewaarschuwd, dan had de boel al tegen de vlakte gelegen voordat wij iets hadden kunnen organiseren! En,' roept Kootje bewogen, 'wij gaan iets organiseren, mijne heren! Wij hebben onverwijld een actiecomité opgericht, waarin wij gebruik zullen maken van alle middelen die ons ten dienste staan in een moderne, actieve, democratische samenleving! Degenen, die menen dat deze buurtbewoners zich willoos, als makke schapen laten afslachten, zal eventjes duidelijk worden gemaakt wie ze eigenlijk voorhebben! Ons programma,' zegt Kootje, nu op een iets zakelijker toon, 'bestaat, althans voorlopig, uit de volgende punten. Ten eerste zullen we natuurlijk een lijst moeten aanleggen met handtekeningen van alle -ik zeg met nadruk alle - buurtgenoten en sympathisanten. Ten tweede stellen wij ons voor een adres te doen uitgaan naar alle politieke partijen in de gemeenteraad, naar het departement van Volkshuisvesting, en, in het uiterste geval, naar Hare Majesteit de Koningin persoonlijk. Ten derde . . .' hier valt hij plotseling stil, en enkele seconden lang komt er niets meer. Van deze korte onderbreking maakt Lukas gebruik om zijn plaats achter de tapkast te verlaten, en zich onopvallend te begeven in de richting van de uitgang.
'Affijn, kort en goed,' zegt Kootje ten slotte. 'Wij zullen niets nalaten om dit onzalige plan van B. en W. in het openbaar aan de kaak te stellen, het aan te vallen waar we maar kunnen en het uiteindelijk roemloos in de prullenmand te laten verdwijnen. Waar ga je naar toe, Luuk?'
'M'n stoel staat nog buiten,' zegt Lukas bedremmeld. 'En 't kan ieder ogenblik gaan regenen.'
Hij wil net de benen nemen, als Tinus de Toeper hem naroept: 'Zeg Luuk. Mag ik iets vragen? Hoe kóm jij aan dat bericht?'
Wel - op zichzelf lijkt dit natuurlijk een voor de hand liggende vraag, en Tinus de Toeper trekt daarbij bovendien nog een hoogst onschuldig gezicht, en leunt ontspannen tegen de tapkast, ellebogen achter zich, benen over elkaar, sigaretje in de hand - maar wat Lukas betreft mag op ditzelfde moment de hele wereld ter plekke vergaan, en zo niet de hele wereld, dan toch in ieder geval deze quasi-onnozele, maar ondertussen hem helemaal door hebbende Tinus de Toeper! Het is Tante Door die de klamme stilte verbreekt. 'Lukas heeft een relatie op het stadhuis,' zegt ze op een mysterieuze toon tegen Tinus. 'Een hooggeplaatst ambtenaar,' voegt ze er nog gewichtiger aan toe. 'Die bekend is met alle geheime stukken van B. en W.'
En Tinus, de ellendeling - in plaats van Lukas uit z'n lijden te verlossen en recht voor z'n raap d'r uit te flappen: 'Ach kom, Door, laat je toch niet in de maling nemen, hij is er gewoon ingestonken bij Chris Baneke!' - wat doet deze Tinus? Hij loert eens naar Lukas met een vreemde twinkeling in zijn ogen en wacht even met zijn antwoord om de spanning lekker op te voeren, en zegt dan tegen Tante Door: 'O ja! Dat is ook zo! Dat heeft ie me wel eens verteld. Wat was het ook weer voor iemand, Luuk? Een eh ...' Maar al wat Lukas hierop ook wil antwoorden, het hoeft al niet meer, want Femma Nagel komt binnen, met een hoogrooie kop, en een propvolle boodschappentas op twee wieltjes achter zich aan, en ze begint al meteen bij de deur: 'Zeg, wat heb ik gehoord? Is dat waar? Gaan ze hier een kantoorpand neerzetten van achtentwintig etages?'
'Ja, Fem, inderdaad,' zegt Tante Door. 'Dat zijn ze van plan. Maar of het doorgaat is een tweede.'
'Nou,' roept Femma opgewonden, 'ik help het je hopen! Want wat die lui eenmaal in hun kop hebben bij de gemeente . . .' 'Maak je geen zorgen, Fem,' stelt Kootje haar gerust. 'Wij zijn er ook nog! En er is nog altijd zoiets als inspraak van de burgerij! Wat kan ik voor je inschenken, tegen de schrik?' 'Citroentje met suiker,' zegt Femma, en terwijl ze gaat zitten naast Tante Door: 'Met recht tegen de schrik! Ik ben me te pletter geschrokken! Ik hoor het net bij de zelfbediening van Tante Henny. Alles gaat weg, zegt ze. D'r komt een kantoorgebouw, d'r komt een plasticfabriek, de speeltuin wordt parkeerterrein, en de overkant wordt een metrostation. De heren zijn wel wat van plan!'
'Kalmte kan je redden, Fem!' zegt Kootje de Beer, en zet het' citroentje voor haar neer. 'Het zal waarachtig niet de eerste keer wezen, dat de gemeente Amsterdam de natie verrast met een plan, waar nooit een fluit van terechtkomt!' 'Laten we 't daar maar op houden!' zegt Arie Balk, en leegt zijn pils, en glijdt van zijn kruk. 'Nou, Huip. Zullen we dan maar weer?'
'Ja!' Huipie wordt onmiddellijk actief. 'De canapé!' In het voorbijlopen richt hij zich nog even tot Femma. 'Komt best in orde, meid, maak je niet ongerust. We hebben het hier vijfhonderd jaar uitgehouden, dus d'r kan nog wel honderd jaar bij. Kom op, Arie! Daar gaat ie!'
Affijn - het drukke gedoe van die twee knapen brengt meteen een zekere ontspanning teweeg. Tinus houdt behulpzaam de deur voor ze open, en Tante Door komt eindelijk weer tot een beetje normale toon als ze Femma vraagt waarom ze in godsnaam zoveel boodschappen heeft ingeslagen. Krijgt ze een weeshuis op bezoek, verwacht ze een oorlog of wat is er aan de hand? Waarop Femma meedeelt dat zij en haar man ergens in Friesland een huisje hebben gehuurd aan het water, voor de maanden buiten het hoogseizoen. Vrijdagavond gaan ze d'r met de kinderen naar toe, en zondagavond weer terug, direct na het eten. 'Ik word al moe als ik er aan denk,' zegt Femma somber. 'Vanaf gistermorgen ben ik al bezig inkopen te doen. En nóg zit ik me suf te prakkizeren: wat heb ik nou gehaald, wat moet ik nog hebben, wat heb ik vergeten . .. God, god! Wat een mens zich daar even moet afbeulen voor een beetje gezondheid!' 'Maar waar is dat dan voor nodig,' vraagt Tante Door, 'om zoveel mee te nemen?'
'Waar dat voor nodig is? Mens! De dichtstbijzijnde slagerij is anderhalf uur roeien!'
Tante Door ziet het helemaal voor zich, en schiet in de lach. 'Iets voor jou, Ko! Buiten wonen?'
'Ja, lach jij maar,' zegt Kootje bitter. 'Over een half jaar spreek ik je weer. Kunnen we met z'n allen asiel gaan vragen op Schiermonnikoog!'
En bij deze laatste woorden ziet Lukas eindelijk kans om er ongemerkt tussen uit te knijpen, en even frisse lucht te gaan happen voor de deur, en zichzelf te bekijken in de etalageruit van de drogist aan de overkant. De deerniswekkende gestalte die hij daarin te zien krijgt maakt hem eerst verschrikkelijk melancholiek, vervolgens razend, en ten slotte ineens zo ontzaglijk bang, dat hij maar gauw zijn hoofd in zijn handen verbergt, en een hele tijd zo blijft staan, en zich wild schrikt als hij plotseling een stem hoort brommen in zijn oor: 'Hé, Lukas ... Je moet de groeten hebben. Van Chris Baneke!'
Met een ruk draait Lukas zich om, en kijkt recht in het lachende gezicht van Tinus de Toeper. 'Daar ben je mooi ingeluisd, jongen!' Z'n schouders gaan met kleine schokjes op en neer. 'Ja, jochie ... Ik heb je toch gezegd? Verhuizers!' 'Tinus!' roept Lukas wanhopig. 'Wat moet ik beginnen? Ik weet me geen raad! De hele buurt komt in opstand! En ik sta machteloos! Ik kan niks doen om ze tegen te houden!' 'Die hoge ambtenaar van B. en W.,' vraagt Tinus, 'waar haal je die zo gauw vandaan?'
'Een brief gaan ze schrijven, naar de koningin! O, Tinus, wat is dat toch voor een afwijking?! Dat mij dat altijd overkomt!' 'Ik vroeg waar je die ambtenaar vandaan hebt.' 'Ja, van wie nou?!' 'Chris Baneke?'
'Ja, natuurlijk! Hij zei dat z'n schoonzuster daar werkte.' 'Waar?'
'Op het stadhuis. Bij de hoofdinspecteur van de afdeling Stadsontwikkeling.'
'Oooo! Da's inderdaad een hele hoge Piet, weet je dat?' 'Ja, begin jij nou ook nog es een keer! Achterlijke Jenny, die ik ben! In plaats dat ik gewoon voor de waarheid uitkom: ik weet het van Chris Baneke ... ga ik als een waanzinnige zitten opscheppen: ik heb een zegsman op het stadhuis! Daar moet je toch ook zaagsel voor in je kop hebben! O, Tinus,' Lukas stompt zich tegen zijn voorhoofd, 'help! help! Ik word krankzinnig!' 'En als je nou eens,' zegt Tinus, na even ernstig te hebben nagedacht, 'helemaal niks deed? Als je de zaak nou eens gewoon op z'n beloop liet..
'Ja, ja,' roept Lukas schamper. 'Da's een goed idee, zeg! Daar was ik nog niet opgekomen!'
'Wat nou, wat nou?' verdedigt Tinus zijn theorie. 'Luister nou even, Lukie! Da's helemaal niet zo gek wat ik daar zeg! Wat kan je nou gebeuren? D'r komt een lijst met handtekeningen . .. nou en? Dan kómt er een lijst met handtekeningen! D'r gaat een petitie naar de koningin . .. nou! dan zal d'r een petitie naar de koningin gaan ... so what, zegt de Engelsman! Brengt een beetje leven in de brouwerij! Ik meen het echt, Lukas,' zegt Tinus, 'geloof me nou ... jij ziet die dingen veel te zwaar.' 'Zou 't?' zegt Lukas, en werpt een argwanende blik op z'n spiegelbeeld bij de drogist.
'Toe nou maar, jongen,' zegt Tinus.
'Breng je stoel nou maar naar binnen. En wees voortaan een beetje
op je qui-vive als je ooit nog eens een keer mocht verhuizen.'
'Dus,' zegt Lukas tegen mij aan de tapkast, 'zo zie je maar eens op wat voor een vulkaan wij leven. Het begint met een kletspraatje van een verhuizer, en het eindigt in een complete burgeroorlog. Ik heb er vannacht geen oog van kunnen dichtdoen,' zegt Lukas, 'en diezelfde Tinus de Toeper kan me nog meer vertellen, maar ergens klopt er geen barst van z'n hele theorie. Moet je eens nagaan! Wat een figuur je slaat bij de koningin, als die een schrijven ontvangt van het actiecomité, en de zaak laat uitzoeken en uiteindelijk te horen krijgt dat het een geintje was van een verhuizer! Ik bedoel maar,' zegt Lukas, 'ik zit nou eenmaal in het schuitje en ik weet dat ik niet meer terug kan, maar gerust op de goeie afloop kan je bepaald niet zeggen dat ik ben!'
'Maar waarom,' zeg ik, 'ga je dan niet alsnog naar Kootje toe en vertelt hem precies hoe de vork in de steel zit? Dan is de zaak toch uit de wereld?'
'O ja?' zegt Lukas. 'Dan ken jij deze buurt niet! Alles staat klaar voor de actie. De handtekeningen stromen binnen. Ze verheugen zich nou al op de barricades die ze gaan opwerpen. Ik geloof dat ze me zouden verscheuren,' zegt Lukas, 'als ze horen, dat het niet doorgaat. Maar als je werkelijk vindt dat je te dik wordt,' schakelt hij plotseling over, omdat hij Femma Nagel ziet aankomen, 'dan moet je gaan fietsen, 't Beste wat er is. Voor iemand met een zittend leven, zoals jij. Hè, Fem?' 'Wat?'
'Ik zeg net tegen 'm dat ie moet gaan fietsen, als ie vindt, dat ie te dik wordt.'
'O. Ja,' zegt Femma, en zeult haar hele hebben en houden weer naar de tapkast. 'Nog nieuws?' wil ze weten. 'Het Actiecomité is nog steeds in vergadering bijeen,' antwoordt Lukas, en meteen daarop, om alle verdere vragen te voorkomen: 'Nog steeds niet uitgewinkeld, Femmie?' 'Nee,' zucht Femma, 'ik wou maar dat het alweer maandagmorgen was.'
Affijn - van nu af aan gaat het gesprek uitsluitend over de koetjes en de kalfjes van het Friese landschap. Het schijnt, dat je daar nog ergens midden op een weiland kan gaan staan, en aan alle kanten om je heen kijken, tot aan de horizon, zonder een levend wezen te ontdekken, behalve die koetjes en kalfjes, en je schijnt er ook nog zoiets te hebben als een absolute stilte en een volmaakt zuivere lucht, en vooral die geweldige stilte, zegt Femma, is iets waar je wel even aan moet wennen, want, zegt ze, 'de eerste keer dat we d'r waren, stond ik alsmaar te rammelen met de potten en pannen, om me d'r van te overtuigen dat ik niet doof was.'
Het prettige van Femma is, dat je in haar aanwezigheid rustig een halfuur net kan doen of je luistert, en je ondertussen bezighouden met je eigen zaken, zonder dat het gesprek een ogenblik stokt - en Lukas maakt daar in dit geval een dankbaar gebruik van, en laat haar maar doorkwebbelen, net zolang tot de deur van de feestzaal eindelijk openzwaait, en het complete actiecomité komt binnenmarcheren, met Kootje de Beer aan het hoofd. Ik ontdek onder andere Tante Door, Bloempotten Leo, Huipie van Duivenbode, Arie Balk en Leippie Zonnebril, die allen hun vaste plaatsje aan de tapkast innemen, en zo nadrukkelijk zwijgen, dat Femma lacherig uitroept: 'Kijk hun! Het lijkt het Kremlin wel!' en zich richtend tot Kootje de Beer: 'Mogen wij ook weten wat de dames en heren hebben besloten, of blijft dat geheim tot na de afbraak?' 'Nee,' zegt Kootje Beer, 'dat mogen wij rustig weten.' En meteen begint hij een gloedvolle toespraak, waarin hij ons meedeelt, dat het actiecomité heeft besloten zich met man en macht te verzetten tegen iedere ongewenste inmenging van buitenaf, en wel onder de zeer toepasselijke leuze BLIJF UIT ONZE BUURT!
'Deze prachtige slagzin,' zegt Kootje de Beer, 'is afkomstig uit het geniale brein van onze eigen Tante Door, en ik geloof niet dat ik overdrijf als ik zeg dat hij precies datgene weergeeft wat er hier onder de mensen leeft. Heb ik gelijk of niet, Femma?' 'Zeg 'm nog eens,' verzoekt Femma.
'Blijf uit onze buurt!' herhaalt Kootje de Beer, en Femma vindt hem niet gek, en Kootje zegt: 'Dat dacht ik ook. Blijf uit onze buurt - dat gaat tegen alles! Geen kantoorgebouwen, geen industriecomplexen, wij willen in onze huizen blijven leven, en wij roepen tegen een ieder die het waagt ook maar één vinger naar onze deurknop uit te steken: BLIJF UIT ONZE BUURT!' 'Zeer sterk, Ko,' prijst Femma Nagel. 'Buitengewoon knap bedacht!'
'Alle eer voor Tante Door!' zegt Kootje, met een hoofs gebaar in de richting van de geestelijke moeder. 'Nee, nee, Ko,' weert Doortje af. 'Nee, nee. De eer komt toe aan degeen die de zaak aan het rollen heeft gebracht.' Ze kijkt zoekend om zich heen. 'Waar is ie nou? Lukas!' 'Ik ben hier,' komt een benepen stemmetje bij de deur naar de bovenetage, en iedereen kijkt verbaasd naar Lukas Blijschap, die net weer op het punt stond om er stiekem tussenuit te knijpen.
'Wat doe je toch zenuwachtig, moppie!' roept Tante Door. 'Ben je niet blij, dat er iets gaat gebeuren?'
'Jawel, jawel. ..' Lukas is er erg blij mee. Ofschoon je dat aan z'n gezicht niet zou zeggen.
'Nou dan!' roept Tante Door. 'Kom nou even hier, jongen! Je hebt iets te goed van mij!'
Maar Lukas verdwijnt liever naar boven. 'Nee, dank je wel, Door,' zegt hij schichtig. 'Ik eh ... ik ga m'n gordijnen ophangen ...' En met een verlegen kuchje: 'anders heb ik vannacht weer zo'n inkijk ...' 'Ik geloof wel dat Lukas erg in z'n maag zit met die hele affaire,' zegt Tante Door even later, als Lukas naar boven is vertrokken.
'Ja,' knikt Kootje de Beer. 'Hij gedraagt zich wel erg vreemd, ja, zelfs voor zijn doen.'
Terwijl hij dit zegt kijkt hij naar mij, met iets wantrouwigs in zijn blik, en ik zit er hard over te denken om meteen maar af te rekenen en weg te wezen, maar gelukkig komt Fcmma net op tijd terug op het oude chapiter. 'En wat gaan jullie doen met die leuze?' vraagt ze. 'In een lijstje zetten en aan de muur hangen?'
'Neem me niet kwalijk,' zegt Kootje de Beer. 'ik was even afwezig. Wat wou je weten, Femma?' 'De verdere plannen van het actiecomité.' 'De verdere . .. o, ja! Dat zal ik je zeggen, Femma. De verdere plannen van het actiecomité bestaan uit: a. het maken van een zo groot mogelijke tamtam via pers, radio en televisie; b. het inzamelen van adhesiebetuigingen en het verzenden daarvan naar de daarvoor in aanmerking komende overheidsinstanties; c. het verfraaien van onze buurt door onze eigen mensen, zodat degenen die de zaak willen afbreken, een des te groter schuld zal treffen. En ten slotte d. - en daar willen wij onze actie mee openen - het houden van een openbare bijeenkomst, aanstaande zaterdagavond, in alle zalen van 't Schaep! 'Een protestvergadering.'
'Nee, nee. Geen protestvergadering. Tante Door zegt terecht: wij worden in deze wereld doodgegooid met protestvergaderingen. Met het gevolg,' zegt Kootje, 'dat zowel de overheid als de openbare mening daar praktisch immuun voor is geworden. Nee, met een protestvergadering hoeven we niet meer aan te komen. En daarom,' zegt Kootje, 'hadden wij gedacht: als wij naar buiten willen treden, dan doen wij dat op onze eigen manier. Geen venijnige toespraken, geen demonstraties met bloedige afloop, niks van dat alles, nee! een avond met zang en dans, volgens de aloude traditie van deze vreedzame buurt!' 'Een feestavond,' vat Femma het in één woord samen. 'Juist!'
'En wanneer was dat, zei je?'
'Aanstaande zaterdagavond, halfnegen, hier in 't Schaep.'
'Hoor je dat, Fem?' gniffelt Tante Door. 'Daar gaat je weekendje Friesland!'
'De hemel zij geloofd en geprezen,'
antwoordt Femma met een stralend gezicht.
De komende dagen staan, zoals dat heet, in het teken van een koortsachtige activiteit. In de wassalon - het hoofdkwartier van de dames - worden spandoeken vervaardigd, die dan prompt door de heren worden weggegrist en opgehangen aan de gevels of dwars over de straat. De kunstschilder Benno Couperus heeft in één nacht een vlammend affiche ontworpen, dat de dag daarop in duizendvoud wordt vermenigvuldigd door drukkerij Broertjes. Diezelfde avond trekt een plakploeg erop uit met de nog natte exemplaren, en de volgende ochtend wordt de verbaasde Amsterdammers op weg naar kantoor en fabriek vanaf schuttingen, winkelruiten, blinde muren en zelfs spoorwegviaducten toegeroepen: Blijft uit onze buurt! Een strijdlied op deze woorden is geschreven door Bloempotten Leo, en wordt nu in allerijl ingestudeerd in de biljartruimte van 't Schaep, te zamen met andere reeds bestaande liederen en sketches. Sommige buurtbewoners geven hun gevels een kwastje en hangen aan de buitenkant bloembakken op met fleurige geraniums, teneinde de levensvatbaarheid van hun wijk nog eens extra te benadrukken. Een gestencilde actiebrief gaat met pakken tegelijk 't Schaep uit om huis aan huis te worden bezorgd door mannen, vrouwen en kinderen, en de vrijdagmorgen, om halfacht al, zit iedereen gespannen bij de radio om te luisteren naar Kootje de Beer en Tante Door, die namens het actiecomité hun wensen komen spuien in het een of ander actualiteitenprogramma, 's Avonds rijdt er een luidsprekerwagen stapvoets door de straten met de schetterende muziek van We zijn op de wereld om mekaar te helpen, en om de honderd meter wordt er gestopt voor deze dringende oproep, die via de megafoon tot de bevolking wordt gericht door Huipie van Duivenbode: 'Buurtgenoten! Aanstaande zaterdagavond, negen mei, wordt in 't Schaep met de 5 Pooten een speciale feestvoorstelling gegeven in het kader van de actie Blijf uit onze buurt! Komt allen! Het gaat om het behoud van ons eigen leefklimaat! De avond zal worden opgeluisterd,' neemt Arie Balk het dan over van Huipie, 'met de bekende buurtgezangen, welke ten gehore zullen worden gebracht door Tante Door, Ome Kootje, Lukas Blijschap en een keur van artiesten uit deze omgeving. Op naar 't Schaep, vrienden! Toont door uw aanwezigheid uw afkeuring van het gemeentelijk saneringsbeleid! De toegangsprijs,' besluit Huipie dan op zijn beurt, 'bedraagt slechts tweeguldenvijftig, en komt in zijn geheel ten goede aan de actie Blijf uit onze buurt! Vrienden, wij rekenen op u!' Einde bericht, aanzwellende muziek, en de tocht gaat weer verder.
'Ik herinner mij het beeld van die luidsprekerswagen, die stopt voor de deur van 't Schaep. Een groep meelopers komt er achter aan, en vormt een zwijgende kring om Huipie en Arie, die te voet gaan, en zowel voor hun buik als op hun rug borden dragen met Blijf uit onze buurt! Links en rechts gaan deuren open en komen er mensen uit hun huizen, zodat de menigte al gauw tot verscheidene tientallen aangroeit. Ramen worden omhoog-geschoven, en hele gezinnen hangen over de vensterbank, tot de honden en katten aan toe.
Ik zelf kom net van de andere kant, en blijf op enige afstand staan om het geheel beter te kunnen overzien. Kootje de Beer is er bij, en natuurlijk ook Tante Door en de hele klaverjasclub, en niet te vergeten Tinus de Toeper, maar de man, die ik zoek, kan ik nergens ontdekken.
'Het gaat om het behoud van ons
eigen leefklimaat!' galmt de stem van Huipie van Duivenbode, en bij
deze opzwepende tekst, glijdt mijn blik onwillekeurig omhoog langs
de gevel van 't Schaep,
tot aan de tweede etage. En plotseling
zie ik, achter het raam, en weggedrukt tegen de zijkant, het witte,
bezorgde gelaat van Lukas Blijschap. Die verbijsterd omlaag staat
te staren naar wat hij daar allemaal heeft ontketend. En zich
ijlings in de kamer terugtrekt als onze blikken elkaar kruisen
5
Zaterdagavond, halfnegen. De laatste bezoekers voor het feest komen binnen, tonen hun toegangsbewijzen aan Tante Henny, kopen voor drie kwartjes een programma bij Ome Nelis, en worden door Femma Nagel verder geëxpedieerd naar de feestzaal. Tante Door zit zich al ergens te verkleden voor het nummer 'De moeder van Dracula', en Kootje de Beer loopt in alle staten achter de coulissen, zodat Lukas Blijschap een beetje verlaten achter de tapkast is achtergebleven, met als enige gezelschap Tinus de Toeper en mij.
'Hoe voel je je nou, Luuk?' vraagt Tinus, op een gedempte toon.
'Belazerd.'
'Sigaretje?'
'Nee, dank je,' zegt Lukas. 'Ik heb vandaag al twee pakjes op.' Een paar gasten in hun zondagse pak lopen langs naar de feestzaal en Tinus steekt in die tijd even een sigaret op, en kijkt eens naar Lukas z'n mistroostig gezicht, en begint hem dan een beetje goedaardig te stangen in de trant van: 'Wat maak je je nou toch druk, man! Hier, moet je kijken,' wijst Tinus. 'Iedereen is happy dat ie een avondje uit kan, en jij staat erbij met zó'n lange smoel! Wat moeten de mensen wel van je denken?! Lukas Blijschap, de held van de buurt!' 'Je kan me wat,' zegt Lukas nijdig.
'Hoor je dat nou?' richt Tinus zich verdrietig tot mij, 'tegen z'n beste vriend: je kan me wat! Terwijl ik alles doe om de jongen een beetje op te vrolijken! Nee, Lukie, da's niet aardig van je ... dat heb ik echt niet aan je verdiend! Kom nou, kerel. Trek nou niet zo'n sacherijnig gezicht. Lach eens tegen duimpje!' 'Laat me met rust!'
'Ik weet wat,' zegt Tinus. 'Zal ik je een raadseltje opgeven?' 'Nee, dank je. Ik heb al raadseltjes genoeg aan m'n kop.' Affijn - zo gaat dat nog een tijdje door, en Lukas komt steeds dichter bij de rand van een zenuwinstorting, en middenin horen we een bulderend gelach uit de feestzaal, hetgeen er op wijst, dat de moeder van Dracula haar zegetocht is begonnen. 'Zie je nou wel,' zegt Tinus, 'wat een geweldig plezier je de mensen hebt gedaan? Hoor eens even! Ze schateren van het lachen!
En dank zij wie? Ga je gang, je mag het zelf invullen!'
Weer breekt er een lachsalvo los, en nu nog wel twee keer zo luid, want de deur van de feestzaal is open, en Kootje de Beer komt binnen, handenwrijvend, en met de mededeling: 'Mannen, het gaat fantastisch! Een overweldigend succes! Weet je,' zegt Kootje de Beer, 'dat we maar liefst driehonderd personen hebben moeten teleurstellen?'
"t Is niet te geloven,' zegt Tinus de Toeper met een schijnheilig gezicht.
'Nee! 't Is inderdaad onvoorstelbaar! De voltallige Nederlandse pers zit in de zaal. Plus nog een heel leger fotografen!' 'Hoor je dat, Luuk?' zegt Tinus de Toeper. 'Publiciteit!' Inmiddels is Kootje om de tapkast heen gelopen, en heeft zich een biertje ingeschonken, en na de eerste slok stoot hij Lukas even vriendschappelijk aan en zegt met een uitermate valse knipoog: 'Zeg Luuk ... HIJ is er ook, hè?' 'Wie?'
'Je weet toch wel wie ik bedoel?' 'Nee . .. Wie bedoel je?' 'Kom nou, Lukas!'
'Nee, Kootje, echt niet! Ik weet echt niet wie je bedoelt!'
'Je weet het echt niet?'
'Nee!'
'Je hebt 'm niet zien binnenkomen?'
'Hoe weet ik dat nou? Ik weet niet eens over wie je 't hebt!'
'Het begint met een G ...'
'Oooo!' kreunt Lukas, de ogen ten hemel slaand, 'nog een die me lastig valt met z'n raadseltjes! Zeg 't nou maar!'
Toch aarzelt Kootje nog even. Zijn ogen gaan snel heen en weer, van Lukas naar Tinus, van Tinus naar mij, en van mij weer naar Lukas terug. Dan eindelijk zet hij zorgvuldig zijn glas weg, brengt zijn hoofd midden tussen ons in, en zegt, zeer zacht, en hoogst vertrouwelijk: 'Ik werp net een blik,' zegt Kootje, 'op de lijst met namen en handtekeningen van alle aanwezigen, en wat denk je wat daar staat, pal onder Hendrik Nagel? Daar staat,' zegt Kootje, 'een volslagen onleesbare handtekening ... maar daarnaast. .. Lukas, luister je mee? ... daarnaast heeft de man in keurige letters zijn beroep opgegeven, en dat is ...
nou, Lukas? Heb je al een idee?' 'Nee. Toe nou maar, toe nou maar!'
'Dat is..zegt Kootje '.. . niemand meer of minder dan de hoofdinspecteur van de afdeling Stadsontwikkeling bij de gemeente Amsterdam!'
"t Is niet waar!' roept Tinus, ditmaal met een oprechte verbazing.
'Ik heb nog niet kunnen bekijken waar ie zit,' fluistert Kootje, 'maar de papieren liegen niet: hij is aanwezig! Meneer zelf! De hoofdinspecteur. Lukas z'n hoge Piet!' Hij kijkt triomfantelijk naar de radeloze kelner, en slaat verschrikt de hand voor de mond bij het zien van diens uitpuilende ogen. 'O god, Lukas! Dat is waar ook! Dat had ik niet mogen zeggen!' Wel - net zoals een zieke iep, die bij de voet wordt omgehakt en alleen nog maar met z'n laatste vezels aan de stronk is verbonden, zo wankelt Lukas Blijschap achter de tapkast. Hij probeert nog flauwtjes te glimlachen. 'Geeft niet, Ko, geeft niet...' 'Verrek!' roept Kootje opeens. 'Komt dat door het licht, of zie je zo bleek?'
'Ko,' zegt Lukas, wiens gezicht nu langzamerhand de kleur heeft aangenomen van een vers-gepleisterde buitenmuur, 'Ko,' zegt Lukas, 'ik eh ... ik voel me helemaal niet lekker ... al een paar dagen niet. .. Last van m'n maag .. . rillerig ... ik weet het niet... ik denk dat ik een griepje onder m'n leden heb ... vind je 't heel erg als ik naar bed ga?'
'Wat krijgen we nou?' Kootje doet hoogst verontwaardigd. 'Naar bed? Het feest moet nog beginnen! Wacht even. Jij voelt je grieperig, hè? Dan heb ik wat voor jou. Moment.'
Na enig zoeken tussen de flessen in het buffet pakt hij er een uit en schenkt een appelsapkleurig vocht in een cognacglas. 'Hier, jongen,' hij schuift zijn vingers om het voetje heen, duwt het glas onder Lukas z'n neus, en laat de inhoud zachtjes schommelen in de palm van zijn hand, 'hét wondermiddel van de Franse natie ... Calvados!'
Uit de feestzaal klinkt een bulderend gelach, dat onmiddellijk overgaat in een daverend applaus.
'O, verdomme!' roept Kootje
verschrikt. 'Ik moet op!' En hij rent naar hiernaast om het
volgende nummer aan te kondigen.
6
Een paar minuten nadat Kootje is vertrokken doet Lukas ons het dringende verzoek hem alleen te laten met zijn grote verdriet, dus Tinus en ik af naar de feestzaal en om kwart over negen zitten we op het hoekje van de achterste rij te kijken naar de scène 'De schilder en zijn model', ten tonele gebracht door Arie Balk, Judith Kloosterhof en Lena van de warme bakker. Lena speelt hierin het beeldschone model dat door de kunstenaar op het doek wordt gekwakt als een weerzinwekkend surrealistisch gedrocht, en bij het zien van dit artistieke resultaat woedend uitroept: 'Dan kan je net zo goed m'n zuster nemen!' 'Goed!' is het antwoord van Arie Balk, 'haal dan maar je zuster!' Waarop Lena naar achter de coulissen schreeuwt 'Sophie, kom maar binnen!' en prompt wordt de deur van het atelier wijd opengeworpen, en daar verschijnt Judith Kloosterhof, in de gedaante van precies zo'n gedrocht als Arie zojuist op het linnen heeft geklodderd. 'Hier dan!' luidt Lena's laatste zin, 'hier héb je m'n zuster!'
Affijn - ik heb die scène al verscheidene keren gezien bij vorige gelegenheden, en ik maak me eigenlijk wel een beetje bezorgd over de gemoedstoestand van Lukas Blijschap, dus als halverwege Kootje de Beer langs komt, en mij zenuwachtig toefluistert: 'Iedereen zit te wachten op Lukas! Waar blijft ie nou toch?' sta ik haastig op van mijn plaats en loop achter hem aan naar de kroeg.
Het eerste wat ik daar zie is, dat Lukas achter de tapkast is verdwenen, en nu aan het tafeltje zit naast de juke-box, en hem kennelijk flink heeft geraakt. Hij hangt tevreden neuriënd achterover in zijn stoel, met zijn boord los, en de knoop van zijn das ergens in de buurt van zijn schouder, en Kootje de Beer is in één stap bij hem, rukt de fles Calvados van tafel, houdt die tegen het licht, en buldert: 'Eén glas was de bedoeling, niet de hele fles! Hé, dronken lor,' roept Kootje, Lukas ruw bij z'n revers vattend, 'word es wakker! 't Is nou geen tijd om te slapen!'
'Doe ik ook niet,' antwoordt Lukas met een dubbele d, en een wezenloze glimlach. 'Maar, Ko ...', zijn hoofd rolt losjes over zijn romp, 'een dronken lor . .. inderdaad . .. absoluut... god, god, wat een lekker drankje was dat!'
Hij lalt nog even zo door, en Kootje de Beer wendt zich bitter tot mij met de woorden: 'De grootste fout van m'n leven. Om een kelner in dienst te nemen die niet tegen sterkedrank kan!' en plotseling klinkt toch nog vrij helder de stem van Lukas Blij-schap, die zegt: 'Ko, neem eens even een stoel. Ik moet jou een bekentenis doen.'
Ik begrijp opeens wat er dreigt te gebeuren, dus ik zeg Lukas, zou je niet verstandig doen en lekker in je nest kruipen, maar nee, houdt Lukas koppig vol, in m'n nest liggen kan ik m'n hele leven nog doen, maar éérst wil ik een volledige bekentenis afleggen, nu, hier, op dit moment, daar sta ik op! 'Je bent onbekwaam, Blijschap,' zegt Kootje, met een mengeling van walging en medeleven. En wanhopig tegen mij: 'Wat doen we daar nou mee? Over tien minuten moet ie op voor het Mannenkwartet!'
'Lieve Jacobus de Beer!' Lukas heeft nu ook erg veel moeite met de 1, en met de rest van de medeklinkers. 'Zzzou je nu even naar me willen luisteren alstublieft? Ik wil een schuldbekentenis afleggen . ..' 'Ja, ja. Je bekent maar!'
'Luister!' En nu komt Lukas ineens overeind. 'Luister!' Hij houdt zich in evenwicht tegen de rand van de tafel. 'Kootje de Beer,' zegt hij, met een plechtige klemtoon op iedere lettergreep, 'kan jij je nog herinneren die ochtend van mijn verhuizing? Dat wij hier met z'n drieën voor de deur zaten, Doortje, jij en ik . .. en dat ik toen zei: die hele troep hier gaat binnen een half jaar tegen de vlakte... d'r komt een kantoorgebouw van achtentwintig etages, of ik weet niet meer precies hoeveel het er waren, maar in ieder geval.. . kan je 't je herinneren, Ko?' 'Jawel,' zegt Kootje korzelig. 'Wat is daarmee?' 'Weet je ook nog, dat ik toen tegen je zei: ik heb een zegsman op het stadhuis, ik mag de naam niet noemen, maar 't is de hoofdinspecteur van de afdeling Stadsontwikkeling bij de gemeente Amsterdam. Weet je nog, Ko?' 'Jazeker!'
Tot nog toe heeft Lukas min of meer recht voor zich uit staan te praten, ongeveer in de richting van de juke-box, maar nu draait hij zijn hoofd naar Kootje de Beer, en staart hem aan met grote, glazige, doch goud-eerlijke ogen.
'Dat was een leugen, Ko,' zegt hij dan met een zeer plechtstatige dronkemansstem. 'Een vuile, smerige, gemene, rottige stink-leugen.'
Een daverend gelach klinkt weer op uit de feestzaal, wat natuurlijk wel een beetje jammer is voor Lukas, en hem ongeveer in een zelfde soort situatie plaatst als die van de acteur, die midden in een dramatische sterfscène opeens zijn snor verliest, en niettemin dapper moet doorgaan met het uitblazen van zijn laatste adem.
'D'r kómt helemaal geen kantoorgebouw, Ko!' Hij laat het tafeltje los, en staat nu vrij in de ruimte te waggelen. 'En dat hele verhaal... van dat ze hier de boel tegen de grond willen gooien ... was fantasie! Hoor je wat ik zeg, Ko? Fantasie!'
Het woord fantasie komt er zeer moeizaam uit en klinkt ongeveer als fonnezie, maar ik geloof toch wel dat Kootje het goed heeft begrepen. Ofschoon ik er meteen bij moet zeggen, dat zijn reactie me duizendmaal meevalt.
'Iets heel anders,' zegt hij namelijk, op een bijna vriendelijke toon. 'Acht jij je in staat, Lukas, om over tien minuten op de Bühne mee te zingen met het mannenkwartet?'
'Ik heb jullie belazerd, Ko! Het hele geval was een voertje! Waar ik zelf ben ingestonken met m'n stomme kop!'
Maar Kootje gaat er überhaupt niet op in. 'Als we 'm tussen Huipie en Arie inzetten,' zegt hij tegen mij, 'dan houden de jongens hem wel op de been.'
'En die man van het stadhuis,' roept Lukas wanhopig, 'bestaat helemaal niet! Kootje! Die man kan helemaal niet in de zaal zitten! Die is verzonnen! Door Chris Bancke!'
'Weet ik toch jongen!'
'Alle verhuizers zijn rotzakken!'
'Volkomen met je eens, Lukas!'
'Die moesten ze allemaal hun hersens inslaan!'
'Doen we een keertje. Maar niet vanavond.'
'En mij d'r bij! Ik ben de grootste rotzak van de hele wereld!'
Kootje kijkt op zijn horloge. 'Het beste is,' zegt hij tegen mij, 'dat je 'm even met z'n kop onder de kraan houdt. Ik moet weer weg. Over tien minuten kom ik 'm halen.' Hij is al op weg naar de feestzaal.
'En Iaat 'm maar een paar grote flessen tonicwater achter mekaar leegdrinken. Dat helpt.'
'Ko!' roept Lukas nog, maar Kootje is al weg, en Lukas kijkt verwilderd tegen een dichte deur aan. Opeens begint hij zachtjes te huilen.
'Een keer spreek ik de waarheid! Ja, toch? Of niet! Ik weet het niet meer!'
En zo zie je maar weer. Kinderen en
dronken lieden spreken de waarheid, zeggen ze, maar wat schiet je
d'r mee op, als niemand ze gelooft?
Toch helpt zoiets wel een beetje. Het feit, dat je de zaak van je af hebt gepraat, plus een koude plens water over je kop, plus vier glazen tonic achter mekaar, geeft een mens toch weer iets van z'n zelfvertrouwen terug, ofschoon je natuurlijk met geen honderd flessen tonic de Calvados kan wegspoelen, die door je bloed is geslagen, maar goed ... we zijn vijf minuten verder, en Lukas is weer een klein beetje toonbaar, en net zijn haar aan het kammen, als plotseling de deur van de feestzaal wordt opengestoten, en Kootje de Beer komt binnenstormen, met een verhit gezicht, en Tante Door achter zich aan - geheel gekleed en geschminkt voor haar nummer: 'De lekkerste sheriff van Texas'.
Ik krijg even de schrik te pakken als ik Kootje met uitgestrekte armen recht zie afstevenen op Lukas, en ik denk werkelijk een ogenblik dat hij inderdaad van plan is aan Lukas z'n verzoek van daarnet te voldoen, en hem ter plaatse de hersens in te timmeren, maar net op het moment, dat ik wil roepen: 'Kootje, niet doen!' hoor ik de stem van Tante Door, die klinkt als een juichkreet: 'Lukas! We hebben gewonnen!' Affijn - ik weet zo gauw niet wat ze bedoelt, en Lukas nog minder, maar Kootje de Beer legt liefderijk zijn zware handen op zijn smalle schouders, en is dus blijkbaar allerminst van plan hem ook maar enigszins te kwetsen, laat staan hem de hersens in te timmeren, en hij zegt op een verrukte toon: 'Lukas! Ik weet niet of wat ik zeg volledig tot je doordringt, maar in ieder geval.. . zojuist, Lukas, meldt zich bij mij in de kleedkamer een zekere J. B. van Grevelingen, hoofdinspecteur van de afdeling Stadsontwikkeling bij de gemeente Amsterdam. En deze man, Lukas, komt mij meedelen -in het diepste vertrouwen, niemand mag weten dat hij de zegsman is van deze heuglijke tijding! - deze man, Lukas, komt mij persoonlijk vertellen dat de plannen van de gemeente Amsterdam om van deze buurt een industriecentrum te maken definitief zijn getorpedeerd door het departement in Den Haag! Dóórdat,' zegt Kootje, 'de zaak voortijdig is uitgelekt - en aan wie we dat te danken hebben weten we allemaal! - maar daardoor, Lukie, luister je goed, kereltje? daardoor schijnt er een enorme trammelant te zijn ontstaan tussen de gemeente en het rijk! Woedende telegrammen van rijksmonumentenzorg. "Wat gebeurt daar bij jullie? Wij wisten van niks!", de wethouder moest onmiddellijk op het matje komen bij de staatssecretaris, vreselijke verwijten over en weer, affijn, kort en goed, Lukie, de zaak is gesust, en de sanering .. . gaat niet door!'
Later hoor ik van Lukas, dat dit het moment was dat hij geruime tijd het bewustzijn verloor en alleen daarom niet tegen de grond sloeg, omdat Kootje hem krachtig tegen zijn borst drukte en een rondedans met hem maakte door het café heen, waarop Tante Door hem van Kootje overnam en hem als een baby de lucht in tilde, en voor zover ik Lukas mag geloven kwam hij pas weer bij op de Bühne, zittend op de schouders van Huipie en Arie, omringd door het hele ensemble, en minzaam buigend voor het publiek, dat als één man van zijn stoel was verrezen, onder een gescandeerd handgeklap minutenlang zijn naam bleef herhalen: 'Lu-kas! Lu-kas! Blij-schap! Blij-schap! Lu-kas! Lukas!'
Dit laatste althans heb ik zelf vanuit de coulissen kunnen waarnemen. Luisterend naar het bewogen dankwoord van Kootje de Beer - 'dank aan allen die aan dit prachtige resultaat hebben meegewerkt, maar in de eerste plaats aan de man die door zijn persoonlijke relaties in de ambtelijke sector de waarheid bijtijds aan het licht heeft gebracht. .. mijn eigen rechterhand: Lukas
Blijschap!' - luisterend, zeg ik, naar deze ontroerende toespraak zie ik de stralende gezichten van Tante Door en Femma Nagel, van Arie Balk en Huipie van Duivenbode, van Tante Henny en Bloempotten Leo, en boven de ovaties uit hoor ik de stem van Lukas Blijschap, die vanuit zijn verheven positie grijnzend neerkijkt op Tinus de Toeper, en hem luidkeels toeroept: 'De groeten terug ... aan Chris Baneke!'
Affijn. De wijk staat nog steeds overeind. En het enige wat ze er diezelfde avond nog hebben afgebroken, is de feestzaal van 't Schaep. Maar dat zullen ze wel blijven doen, denk ik, met alle plezier, en tot in lengte van dagen.