DE DONKERE DAGEN VOOR KERST

1

De decembermaand is begonnen, en iedereen klaagt zich te pletter over de waanzin van het feit dat je straks weer maanden zal moeten krom liggen om de kosten van die paar weken gezelligheid weer te boven te komen, en de eerste zondag na sinterklaas loop ik een beetje uit te blazen van de eerste ronde in het hartje van de binnenstad, de omgeving van het Haarlemmerplein, langs de eeuwenoude pakhuizen van de Westelijke Eilanden, via de Grote Bickerstraat naar de Haarlemmer Houttuinen, die al voor een groot gedeelte met planken zijn dichtgetimmerd, en met een droefgeestige berusting staan te oefenen voor puinhoop.

Het is tamelijk koud en dus erg rustig op straat, wat mij de gelegenheid geeft een beetje wazig voor me uit te dromen, en dat doe ik dan ook, wandelend langs kraakheldere schippershotelletjes, en een blik werpend in de donkere sleuven langs de spoordijk, waar ik altijd nog eens een film van wil maken. Avond. Verlichte trein, die denderend voortstormt over het viaduct. En daaronder, in die lange zwarte gang tussen rails en stad, een achtervolging van een wanhopige dope-smokkelaar, voort-zigzaggend tot het bittere einde.

Al slenterend ben ik afgezwenkt naar de Haarlemmerdijk, de Prinsengracht opgelopen en de brug overgestoken naar de Noordermarkt, en net op het moment dat ik daar de hoek om wil slaan in de richting van een mij bekend cafeetje, word ik bijna omvergestoten door een tweetal dames die zich met kordate stap voortspoeden naar de kant van de Brouwersgracht.

'Neemt u mij niet kwalijk!' zeg ik beleefd, en zie op hetzelfde ogenblik dat de oudste van die twee niemand anders is dan Tante Door uit de wassalon De Witte Fontein. 'Kijk er eens aan!' zeg ik. 'Tante Door! Ook al aan de wandel?' 'Aan de wandel is niet bepaald het juiste woord,' zegt Tante Door, en ik merk aan haar gezicht dat er iets is wat haar dwars zit. 'Ik ben op weg met mijn nicht naar de Brouwersgracht,' zegt Tante Door, 'en de reden dat ik dat doe, is dat ik zojuist de vreselijkste dingen heb gehoord over de wijze waarop dit kind is gehuisvest!'

'U moet het niet overdrijven, Tante Door,' zegt het kind. 'Het valt best mee.'

'Dat zullen we dan maar hopen!' zegt Tante Door, en tegen mij: 'Mag ik je even voorstellen? Dit is mijn nichtje Rosita. Het kind van mijn broer.'

Wel - ik geef Rosita een hand, en ik moet tegelijkertijd vaststellen dat dit kind duidelijk behoort tot de naoorlogse geboortengolf, die zo allerliefst begon maar op zekere leeftijd het nodig vond aan alles maling te hebben en liever dan zich te hullen in de conventionele kledij van onze generatie, moeders tafelkleden verknipte. Over dit tafelkleed heen draagt Rosita een wollen deken van een onbestemde kleur, in het midden waarvan zij een gat heeft geknipt om haar hoofd doorheen te steken, welk lichaamsdeel op zijn beurt weer is weggemoffeld onder een grote lap vilt die het volslagen onmogelijk maakt haar recht in de ogen te kijken. Alles wat ik van haar gezicht kan waarnemen is het puntje van haar neus, haar bleke lippen, en een stevige, niet onsympathieke kin.

'Ik wist niet dat onze Doortje al tante was van zo'n grote nicht!' zeg ik schertsend, en ik nodig ze uit om met mij een glaasje te drinken, maar nee, zegt Tante Door, wij zijn op weg naar de schuit van Rosita, en ik heb geen rust voordat ik met eigen ogen gezien heb onder wat voor schandelijke omstandigheden dit kind gedwongen is te leven.

Rosita begint weer te protesteren, maar Tante Door zegt: 'niks mee te maken, je bent zelf bij me komen aankloppen met de mededeling: als ik zo nog vier weken moet zitten, dan kan je me wel weggooien, is dat waar of niet?'

'Ja,' zegt Rosita, 'daar zit inderdaad een kern van waarheid in,' en Tante Door roept triomfantelijk: 'Nou dan!' en slaat een arm om de wollen deken heen, en het volgende ogenblik zie ik ze samen om de hoek verdwijnen in de richting van de Brouwersgracht.

Affijn - ik heb het een beetje koud gekregen van het staan in de wind, dus ik haast me naar het mij bekende bruine cafeetje, en staande bij de kist, het kelkje in de hand, breng ik het volgende halfuurtje door, al mijmerend over de Haarlemmer Houttuinen en hoe die er over tien jaar zullen uitzien, en over Rosita, het nichtje van Tante Door, van wie ik me ook al sta af te vragen hoe dat er zal bijlopen, tien jaar verder dan vandaag ...

2

Een dag of wat later kom ik in 't Schaep en tref daar Lukas in gesprek met Arie Balk en Femma Nagel, de vrouw van de elektricien, en het eerste wat me opvalt zijn twee kleurige ansichtkaarten, opzichtig opgeplakt tegen de spiegel achter de bar. De ene geeft een overzicht van de baai van Buenos Aires en is afkomstig van Lena van de warme bakker, die op de achterkant heeft geschreven: 'De medische wetenschap staat voor niks!' en de andere toont een krijgshaftige politieman te paard, gekleed in rode jas en blauwe broek, en behorende tot het corps van de Canadian Mounted Police, en op deze kaart staat aan de achterzijde geschreven, in keurige, ouderwetse letters: 'Namens alle kinderen en kleinkinderen duizendmaal dank! Opoe Withof.'

Dus het gaat goed met Lena van de warme bakker, en met Opoe Withof, en ik drink een glaasje op de blijvende gezondheid van die twee, en luister ondertussen naar de conversatie aan de bar, die zich voor de zoveelste maal weer eens bezighoudt met het probleem van de sanering in het algemeen, en met dat van Lukas in het bijzonder, want Lukas woont, zoals iedereen weet, in de Haarlemmer Houttuinen en heeft juist gisteren van de gemeente aanzegging gekregen om langzamerhand maar eens ernst te maken met de ontruiming, en zich van nu af aan grondig te verdiepen in de mogelijkheden die er zijn op het gebied van verkassen.

'Moet je kijken,' zegt Lukas, en haalt een gedrukte plattegrond uit een gele dienstenvelop. 'Ik woon hier. Blok H 31. Nummero zevenentachtig c, tweede etage.' 'M'n moeder is geboren op 85,' zegt Femma Nagel. 'Wie is d'r niet geboren!' zegt Lukas. 'Ken je dokter Planjé?' 'Wie is dokter Planjé?' 'Dokter Planjé! De neus-, keel- en oorarts!' 'Nooit van gehoord,' zegt Femma Nagel. 'Dat is dan een gebrek in je opvoeding,' zegt Lukas. 'Maar in ieder geval, dokter Planjé is d'r ook geboren, en ik zou je nog vele beroemde namen kunnen opnoemen, maar we hebben het nou over de laatste stuiptrekkingen van deze wijk, waarvan het de bedoeling is,' zegt Lukas, 'dat al deze bloken - H 29, H 30, H31 en H 32 - nog vóór de zomer door de bewoners worden verlaten.'

'En daar hoor jij ook bij,' zegt Arie Balk. 'Dat niet alleen,' zegt Lukas. 'Ik ben een van de eersten.' Affijn - het gesprek neemt een beetje weemoedige wending, en Lukas begint herinneringen op te halen aan de tijd dat alles nog vrolijk op en onder mekaar leefde, soms wel met twaalf gezinnen op één trap, en dat was natuurlijk ook geen ideale toestand, maar je had wel houvast aan mekaar en als er wat was kon je altijd op je buurman terugvallen, hoewel aan de andere kant, zegt Femma Nagel, zo rouwig hoef je nou ook weer niet te wezen dat die boel tegen de vlakte gaat, want gezegend ben je met een gezin van vijf kinderen in een krot waar je 't water met bakken van de muren kan afscheppen! M'n zuster heeft er acht jaar gewoond, zegt Femma, en die betaalde zich ieder jaar blauw, alleen al aan tochtstrip.

'Wat allemaal niet wegneemt', zegt Lukas Blijschap, 'dat er met deze buurt iets verloren gaat wat ze met al hun moderne tuinsteden en met al hun vakmanschap op het gebied van huishoudelijk gerief nooit van z'n leven meer kunnen nabootsen. Zo'n sfeertje als dit vind je nooit meer terug, nergens op de hele wereld niet!'

Affijn - we houden even een minuut stilte om de Haarlemmer Houttuinen te herdenken, en meteen daarna zegt Arie Balk: 'Zeg Lukas. Misschien een domme vraag, maar heb je al enig idee waar je naar toe wil?' Ik zie dat Lukas even aarzelt met z'n antwoord, en blijkbaar is dit dus een onderwerp waar hij liever niet over spreekt, maar dan moet je net iemand tegenover je hebben als Femma Nagel, die alles weet wat er in de buurt gebeurt, en soms zelfs nog voordat het gebeurd is!

'Hij heeft een aanbieding van Kootje,' zegt Femma. 'Om hier de bovenetage te betrekken. Maar hij wil niet,' voegt ze er onmiddellijk aan toe, en Lukas is razend vanwege het feit dat zijn geheim weer een keertje vroegtijdig is uitgelekt, en hij staat erop dat Femma de naam noemt van haar zegsman, en Femma weigert dit, maar Arie Balk maakt een einde aan de discussie door te wijzen naar de waszak die Femma bij de kapstok heeft neergezet, en daarbij op een rustige toon te zeggen: 'Lukas, laat je niet op de kast jagen. Wat denk je? Waar zij het vandaan heeft?' 'O,' zegt Lukas, en trekt zijn conclusie. 'Had ik 't niet gedacht! De wassalon!' Hij gooit grimmig zijn theedoek op de tapkast. 'Tante Door is weer eens bezig geweest!' En zich wendend tot mij: 'Alles wat ik gedaan heb is haar gevraagd om advies. Ik zeg: Tante Door, zeg ik, wat raad je me aan? Ik zit met een moeilijkheid. Kootje heeft mij aangeboden om te komen wonen op die etage boven de zaak, die leeg staat sinds zijn dochters de deur uit zijn. Maar, zeg ik tegen Tante Door, ik vraag me af, zeg ik, of het nou wel verstandig is om een woning te nemen boven de zaak waar je werkt, met het risico dat je dag en nacht de slaaf wordt van je baas. Dat is alles wat ik 'r gevraagd heb,' zegt Lukas bitter, 'in het volste vertrouwen dat het niet buiten de vier muren zou komen van de wassalon De Witte Fontein!'

Affijn - het blijkt dus alweer dat Lukas Blijschap te goed van vertrouwen is geweest en dat niets ter wereld zo weinig safe is als de vier muren van de wassalon De Witte Fontein, en Femma maakt het nog bonter door te vertellen dat Lukas Tante Door op een heel aardig ideetje heeft gebracht met datzelfde verhaal over die lege bovenetage van Kootje de Beer. 'Het fijne weet ik er ook niet van,' zegt Femma, 'maar het schijnt dat Tante Door een paar dagen geleden bezoek heeft gehad van een nichtje van 'r, het kind van haar broer, waar ze al jaren niet mee spreekt, en die van de zomer z'n gezin in de steek heeft gelaten en nu ergens in de Goudsbloemstraat samenleeft met een of andere juffrouw, een fotomodel of zoiets, in ieder geval niet veel goeds. Nou,' zegt Femma Nagel, 'dat kind van 'm, een zekere Rosita, dat blijkt totaal in de vernieling te zitten. Dat loopt erbij als een hippie, weet je wel, met alles d'r op en d'r an, en dat schijnt nu te wonen met een stelletje jongelui van die leeftijd op een soort zolderschuit die ligt aan de Brouwersgracht, en daar blijken toestanden te heersen, Lukas, zoals je die in de ergste periode van de Haarlemmer Houttuinen nog niet hebt meegemaakt! Tante Door was d'r helemaal kapot van. Die is d'r op geweest, op die schuit, en toen ze zag wat zich daar afspeelde, toen moet ze bij d'r eigen gedacht hebben: hoe ik het doe, doe ik het, maar ik haal die meid van die schuit af!' 'En nou loert ze op die bovenetage,' zegt Lukas Blijschap. 'Ik acht dat niet helemaal uitgesloten,' zegt Femma Nagel. 'En daarom heeft ze mij afgeraden om boven de zaak te gaan wonen!'

'Je weet hoe Tante Doortje is,' besluit Femma Nagel. Wel - heel eerlijk gezegd kan ik me, na wat ik zelf zondagmiddag op de Noordermarkt heb gezien, wel enigszins indenken dat een overgevoelig type als Tante Door geen enkel middel zal schuwen om haar bloedeigen nicht, hoe dan ook, van die schuit af te halen, en aan de andere kant moet ik Lukas weer gelijk geven als ie beweert dat Tante Door onder géén omstandigheden het recht heeft misbruik te maken van het door hem, Lukas Blijschap, in haar gestelde vertrouwen, maar goed ..., ik ben maar een eenvoudige buitenstaander, dus ik houd in principe mijn mond, en luister naar wat er gezegd wordt. 'Hoe oud is dat kind?' vraagt Lukas Blijschap. 'Twintig,' zegt Femma. 'Of eenentwintig, daar wil ik af wezen.' 'En leeft Doortje werkelijk in de veronderstelling dat Kootje bereid is de bovenetage te verhuren aan een meid van die leeftijd?'

'Is dat zoiets onmogelijks dan?'

'Ja,' zegt Lukas met een heilige overtuiging. 'Dat is een volslagen onmogelijkheid! Arie, jij weet hoe Kootje geleden heeft in de tijd dat alle twee z'n dochters nog in huis waren!' 'Dat is inderdaad een feit,' zegt Arie Balk. 'De man kon zich niet concentreren op z'n werk. Die meiden vraten hem helemaal op. Echt waar, Femma. Hij ziet er nou weer een beetje toonbaar uit, maar in die tijd ... 't was net een mannetje uit de Roeters-straat!'

'Toen z'n jongste dochter de deur uitging ...', zegt Lukas, 'Femma, ik bezweer je dat ik de waarheid spreek ... toen z'n jongste dochter de deur uitging, toen was die man zó blij... zó dankbaar dat ie eindelijk weer eens vrij adem kon halen, dat ie tegen mij gezegd heeft: Lukas Blijschap. Als ik ooit nog eens van plan mocht wezen om die bovenetage te verhuren aan het kind van een ander ... hou me tegen! Nee,' zegt Lukas, 'ik vrees, dat Tante Door van een koude kermis zal thuiskomen bij de eerste de beste poging om Kootje die meid in z'n schoenen te schuiven!'

Hij kijkt naar de deur en ziet Kootje binnenkomen. 'Hier,' zegt Lukas. 'Daar komt ie net an. Vraag het 'm zelf maar.'

Affijn - Kootje komt dus binnen, zegt goedemiddag, zet een grote doos op de tapkast en gaat naar de kapstok om z'n jas weg te hangen.

'Nou?' zegt Lukas tegen Femma. 'Vraag het hem dan! Of zie je d'r tegenop om een geheim te verklappen? Dat zou dan voor de eerste keer van je leven wezen!'

'Hè nee,' zegt Femma. 'Maar Iaat die man nou toch even tot rust komen! Is het zo koud buiten, Kootje?' 'Acht graden,' zegt Kootje, en warmt z'n handen bij de kachel. 'Nog iets geweest?'

'Nee,' zegt Lukas. 'Niks bijzonders.' En meteen daarop: 'Hoe is het afgelopen met je dochter?'

'Je zal het niet geloven,' grijnst Kootje de Beer, 'maar de gerechtigheid heeft het onderspit gedolven!' 'Nee!'

'Jazeker! De jongedame is vrijgesproken!' 'Gefeliciteerd!' roept Femma Nagel.

'Laat maar,' zegt Kootje de Beer. 'Feliciteren mag je me pas als ze getrouwd is!'

Hij komt achter de tapkast en begint de doos uit te pakken die hij daar net heeft neergezet. Kerstversiering. En een partijtje witte gipsen engelen, waarvan hij er een omhooghoudt met de woorden: 'Zo onschuldig zou je dochter moeten wezen!'

Inmiddels weet ik nog steeds niet waarvan dat kind is vrijgesproken, dus ik informeer daarnaar op mijn eigen bescheiden manier, en Kootje zegt: 'Mijn jongste dochter, Elly, moest vanmiddag voorkomen wegens belediging van een ambtenaar in functie. Een brigadier uitgescholden, voor "boef, boef!" toen hij haar tijdens een straatdemonstratie maande om door te lopen. Toch geen kleinigheid, hè?' zegt Kootje de Beer. 'Boef! Boef! Ik denk, nóu zal ze toch wel een keer voor de bijl gaan! Maar wat denk je? Welnee! Ze had niet geroepen "boef! boef!" maar "woef! woef!" tegen de hónd van die brigadier! Grote onschuldige kinderogen, een zacht timide stemmetje: vrijspraak!'

'Die kleine!' lacht Arie Balk.

'Die kleine? Ze is inmiddels een kop groter dan Femma!' En zich richtend tot Femma: 'Alles kits, Fem?'

'Ja, hoor!' zegt Femma Nagel, met iets teders in haar ogen.

'Hoe lang nog?' vraagt Kootje de Beer.

'Nog vier maanden.'

'Nou,' zegt Kootje de Beer. 'Bid God dan dat het een jongen mag wezen. Dan zal je een hoop ellende bespaard blijven!'

'Dat meen je toch niet, Ko?' zegt Arie Balk. 'Jij houdt toch nog wel van je dochters?'

'Ja zeker,' zegt Kootje de Beer. 'Natuurlijk ben ik gek op m'n dochters. Maar ze doen wél alles om het je tegen te maken!'

Ondertussen kijk ik naar Lukas, en ik zie dat hij een beetje vals staat te grijnzen in de richting van Femma, en Femma zal nu toch eindelijk op de proppen moeten komen met die boven-etage, maar net op het moment dat ze haar mond wil opendoen, gaat de telefoon, en als Lukas hem aanneemt en hoort met wie hij spreekt, zie ik een vreemde uitdrukking verschijnen op zijn gezicht, en ik krijg meteen het vermoeden dat ik weet wie er aan de andere kant van de lijn zit. En inderdaad. Lukas laat de hoorn zakken, werpt een veelzeggende blik in de richting van Femma Nagel, en zegt op een angstige koele toon tegen Kootje de Beer: 'Voor jou, Ko. Tante Door.'

Wel - het volgende ogenblik staat Kootje de Beer in gesprek met Tante Door en we luisteren allemaal gespannen mee, en ofschoon we natuurlijk niet kunnen horen wat Tante Door te vertellen heeft, lukt het toch aardig het een bij het andere te passen, want Kootje de Beer geeft duidelijke antwoorden, die geen twijfel overlaten aan het feit dat de bom op het punt staat tc barsten.

'Een familieaangelegenheid?' zegt Kootje de Beer, en na een ogenblik stilte: 'Nu meteen?' Hij luistert aandachtig. 'En kan dat niet wachten tot morgenochtend, dan heb ik alle tijd van de wereld!' Diepe, nadrukkelijke stilte. 'O,' zegt Kootje de Beer, 'nou ja, kind, je weet het: voor dringende zaken sta ik op elk uur van de dag en de nacht tot je beschikking! Maak de landingsbaan maar vrij,' zegt Kootje, 'ik vlieg naar je toe!' Hij legt de hoorn op de haak.

'Problemen,' zegt Kootje de Beer, met een peinzende blik in z'n ogen. 'Ik moet even naar Tante Door.'

Vlak voordat hij de uitgang heeft bereikt roept Lukas, bijna in paniek: 'Kootje!' 'Ja?' vraagt Kootje verbaasd?

Een diepe zucht van Lukas Blijschap. 'Nee, niks. Pas op, dat je geen kou vat.'

'Ben zo terug,' zegt Kootje de Beer, en verlaat het café, op weg naar de tante van Rosita.

3

Dus blijven wij in een martelende onzekerheid achter in 't Schaep, en ik heb moeite mijn lachen in te houden als ik kijk naar het beteuterde gezicht van Lukas Blijschap, die zegt: 'Tien tegen een dat ie de woning al verhuurd heeft voordat ie de kans heeft gekregen om z'n voeten te vegen, en ondertussen beginnen in de wassalon de inleidende schermutselingen voor de grote strijd, die mij later door Kootje de Beer persoonlijk zeer letterlijk en met een groot gevoel voor detail als volgt is beschreven:

Het eerste wat Tante Door doet als Kootje de wassalon heeft betreden is hem meenemen naar de toonbank en triomfantelijk gebaren naar een antracietgrijs en perfect geperst colbert, dat

Kootje onmiddellijk herkent als het jasje van het pak waarin hij zich de laatste keer vertoond had bij de geldschieter Woutje Wijnalda, en dat, toen hij het een paar dagen daarna had weggebracht bij Doortje om te laten stomen, op onverklaarbare wijze zoek was geraakt tussen de niet afgehaalde kledingstukken.

'Kijk er eens aan!' zegt Kootje verheugd. 'M'n pak is terecht!' 'Nee,' zegt Tante Door. 'Nog niet het hele pak. De broek moet nog komen.'

'Maar je hébt 'm gevonden?'

'Kijk nou eerst even naar je colbert,' zegt Tante Door. 'Netjes of niet?'

'Dus je hebt de broek nog niet gevonden,' concludeert Kootje de Beer.

Tante Door schudt verwijtend het hoofd. 'Kootje de Beer! Wat heb ik tegen jou gezegd? Er gaat bij mij nooit wat verloren!' 'Dat kan wel wezen,' zegt Kootje de Beer, 'maar ik kan toch moeilijk zonder broek de kerstdagen door!' 'Zelfs dat ben ik niet helemaal met je eens,' schertst Tante Door, 'want zolang je achter de tapkast blijft, kan geen hond je wat maken! Maar nee,' zegt Tante Door, haar ondeugende lach bedwingend, 'zonder gekheid, Ko. Hij kan niet weg zijn. Zolang ik deze zaak beheer is er nog nooit een van mijn klanten iets aan mij tekort gekomen. Hè, Tante Greet?'

Tante Greet is een van de vier cliënten die voor de wasmachines zitten te breien, en, zoals ik u geloof ik al verteld heb, bijzonder hardhorig.

'Tante Greet!' herhaalt Doortje, luider, 'weet u nog het rokje van uw dochter?' Tante Greet breit onverstoorbaar verder. 'Tante Gréét!!'

'Roept iemand mij?' vraagt Tante Greet. 'Ja, ik,' zegt Tante Door. 'Ik wou u wat vragen. Kan u zich nog herinneren dat rokje van uw dochter, van dat wollen mantelpakje? Weet u nog hoe lang het geduurd heeft voordat het weer boven water kwam?' 'Vier jaar,' zegt Tante Greet. 'Maar het kwam boven water, hè, Tante Greet?'

'Ja, hoor,' zegt Tante Greet. "t Heeft even geduurd, maar het kwam boven water.'

'Gehoord?' zegt Tante Door tegen Kootje de Beer. 'Na vier jaar toch te voorschijn gekomen! En ze draagt het nog altijd, hè, Tante Greet?'

'Wat zeg je, Tante Door?'

'Ze draagt het nog altijd! Uw dochter!'

'O. Ja,' zegt Tante Greet. 'Ja, hoor! Ze draagt het nog altijd, En dat kan ook makkelijk,' voegt ze er plagend aan toe, 'want toen het terugkwam van de stomerij was dat ding zo gekrompen dat het weer helemaal mee kon met de laatste mode!'

Tante Greet knipoogt hevig naar de aanwezige dames, en er heerst even dolle pret over deze rake opmerking van Tante Greet, en Doortje lacht hartelijk mee, en zegt ten slotte tegen Kootje de Beer: 'Nou ja, in ieder geval, buurman, gekrompen of niet gekrompen, jij loopt met de kerst weer keurig in je nette kloffie!'

Ze hangt het colbert weer netjes in het rek bij de andere pakken en jurken, en Kootje informeert of dit het was waarvoor ie midden in z'n werk uit z'n zaak moest weglopen, maar 'nee,' zegt Tante Door, 'nee, nee, loop nog niet weg! Ik had nog iets,' zegt Tante Door, 'wat ik graag met je had willen bespreken, maar ...', ze kijkt naar haar vrouwelijke clientèle, die maar al te graag bereid is het breiwerk te laten rusten zodra er iets te beluisteren valt, 'maar,' zegt Tante Door zachtjes tegen Kootje de Beer, 'misschien is het beter als we die zaak nog maar eventjes buiten de openbaarheid houden. Loop je even mee? In 't kantoortje brandt de kachel.'

Wel, dit is natuurlijk pas goed de methode om de nieuwsgierigheid van je medebuurtbewoonsters op te wekken, en misschien is dat ook wel de bedoeling van Tante Door, want hoe meer mensen het weten, hoe moeilijker Kootje het krijgt als ie nee zegt, maar goed, laat ik niet op de zaken vooruitlopen, en eerst eens horen hoe Tante Door het, in het behaaglijk verwarmde hokje achter de wassalon, aanlegt bij Kootje de Beer.

Het hele kantoortje is niet groter dan een meter of vier in het vierkant, en al wat er staat, behalve de oliekachel en een groot aantal wasmanden, is een oude bruine secretaire, met alle soorten paperassen en frutseltjes in kleine vierkante vakjes, en een pianokruk, waarop Kootje de Beer op verzoek van zijn gastvrouw heeft plaatsgenomen. Tante Door zelf zit op een van de wasmanden, en wel zo dichtbij dat haar knieën die van Kootje voortdurend beroeren, en Kootje vertelde mij later dat hij zelden in zijn leven zulke benauwde ogenblikken heeft doorgemaakt als tijdens dat gesprek in het kantoortje van Tante Door.

Het eerste waar Tante Door natuurlijk weer over begint is die heibel tussen haar en haar broer, en het verdriet dat die jongen haar bezorgt door hardnekkig te blijven doen alsof de enige zuster die hij op de wereld bezit, überhaupt niet bestaat. 'Hoe vaak ik niet op het punt heb gestaan', zegt Tante Door, 'om een voetval voor 'm te doen! Om domweg naar z'n woning toe te gaan, aan z'n bel te trekken en 'm dan als ie opendoet de hand toe te steken met de woorden: Nico, jongen, hier ben ik! Laten we d'r toch in godsnaam een streep onder zetten. We zijn toch broer en zuster, en d'r is toch al strijd genoeg op de wereld?'

Ze zwijgt even ontroerd, en stoot haar knie tegen die van Kootje. 'Maar ik kan het niet!' zegt ze dan, met een brok in haar keel. 'Je zal me misschien in m'n gezicht uitlachen, Kootje, maar ik zweer het je! In de afgelopen vier maanden heb ik zeker al tien keer met m'n jas aangestaan, en iedere keer heb ik 'm weer uitgetrokken! Denk niet, dat ik het zelf niet iets verschrikkelijks vind,' zegt Tante Door, 'maar ik kan er niks an doen! 't Zit in de familie. Lefèvre. Wij zijn allebei echte Lefèvres. Dat wil dus zeggen geen van ons tweeën kan het lef opbrengen om de minste te wezen!'

'Wat doet die jongen van z'n vak?' informeert Kootje zakelijk. 'Fotograaf. Spijzenfotograaf.' En als Kootje dat zo gauw niet kan volgen: 'Ach, je weet wel wat ik bedoel! Spijzenfotograaf! Hij maakt van die mooie kleurenfoto's voor kookboeken, weet je wel, en advertenties voor diepvriesgroenten en conserven, ach, je moet het weten! Je hebt 'm zelf nog eens geholpen aan een jachtschotel!'

'O ja!' zegt Kootje, 'ik ben weer thuis!' En hij herinnert zich iets van een korte gedrongen figuur met een grote rossige snor en een kale kop, ondanks zijn jeugdige leeftijd. 'Ja, ja, hij had ook een dochtertje ...'

'Juist!' zegt Tante Door. 'En over dat dochtertje wou ik het met je hebben!'

'O,' zegt Kootje de Beer, en meteen krijgt ie een onaangename steek in z'n borstkas. 'Wat is er dan met dat kind?' 'Nou,' zegt Tante Door. 'Moet je luisteren Ko. Ik zit zondagmiddag in m'n huiskamer een dutje te doen bij de radio, word ik opeens wakker geschrikt door de bel, ik ga naar beneden en wie denk je, Kootje, wie denk je dat daar staat?' 'Het kind van je broer,' zegt Kootje de Beer. 'Inderdaad! Het kind van m'n broer. Rosita. Ik had 'r in geen vier jaar gezien.' 'Ga door,' zegt Kootje de Beer.

'Kootje! Het was net of ik een klap in m'n gezicht kreeg! Vóór mij staat het levende bewijs dat het kind altijd de dupe is van de rottigheid tussen de vader en de moeder!' 'Zijn die uit mekaar?' vraagt Kootje de Beer. 'Sinds vijf maanden,' zegt Tante Door. 'Tweeëntwintig jaar lang nooit wat gehad. Een ideaal huwelijk, altijd geweest. Maar ja, toen kwamen die kookboeken los en diverse andere opdrachten, waardoor het 'm financieel naar z'n kop steeg, plus nog het feit dat ie in maart van dit jaar de veertig gepasseerd is - de bekende gevaarlijke leeftijd voor een man - luister je, Ko?' 'Jawel, jawel,' zegt Kootje de Beer, en kijkt tersluiks op z'n horloge.

'Dus meneer woont nu apart, op z'n nieuwe atelier, met de een of andere dame, waar ik verder maar geen woorden aan vuil zal maken. Z'n vrouw zit in West, op het oude adres. En z'n dochter is aan de heidenen overgeleverd. Een kind van twintig jaar. Ook een heel gevaarlijke leeftijd, dat hoef ik jou niet te vertellen! Zeg, Ko!'

'Hè?' zegt Kootje de Beer, die er even met z'n gedachten niet bij was. 'O. Nee, dat hoef je mij zeker niet te vertellen!' 'Kootje! Dat kind zag d'r uit... een soort nomade uit de binnenlanden van Afrika! Ze was gekleed - als je in dit verband dat woord nog mag gebruiken - in een soortement paardedeken, weet je wel, zoals ze die gebruiken bij verhuizingen, om de meubels te beschermen. Daar had zij een gat in geknipt, in het midden, voor d'r hoofd. Verder had zij haar voeten gewikkeld in een paar oude stoflappen van haar moeder, die ze met een paar gordijnkoorden om d'r enkels had vastgesjord, en wat ze op d'r hoofd had, Ko, wil je even opletten? Wat ze op d'r hoofd had, dat was zoiets wat die oude landlopers altijd droegen voordat ze naar Veenhuizen werden verwezen. Kan je 't je enigszins voorstellen, Kootje de Beer?'

Hij geeft geen antwoord.

'Ko!'

'Ik zit me net af te vragen, Door,' zegt Kootje de Beer. 'Wat doen we eigenlijk als die broek niet terug is voor de Kerst?'

'Ik heb het over het kind van m'n broer!'

'O,' zegt Kootje. 'Neem me niet kwalijk. Ja. 't Is hartverscheurend hoe die meiden d'r bij lopen.'

'Wil je wel geloven dat ik eerst helemaal niet wist wie ik voor me had! Daar staat een schepsel zoals je vroeger op het toneel zag in de Twee Wezen, weet je wel, dus ik denk die komt bedelen om een stuk brood of weet ik veel wat ik dacht, en ineens hoor ik onder die grote flap een stem uitkomen: dag Tante Door, ik had het zo koud en ik wou vragen of ik even bij de kachel mocht bijkomen! Nou, man! Ik dacht dat ik ter plaatse een beroerte kreeg! M'n bloedeigen nicht, in een verhuizersdeken!'

Ze staat op, begint over Kootje heen driftig te scharrelen in een van de laatjes van de secretaire, en even later legt ze een foto voor hem neer van een lachend meisje met blonde krulletjes, rijdend op een pony langs het een of andere strand, en zeker niet ouder dan een jaar of vijf, zes. 'Kijk eens wat een schat!' zegt Tante Door. 'Dit is Rosita. In gelukkiger tijden.'

Kootje neemt de foto in z'n hand en bestudeert die met het vertederde gezicht dat een mens bij het bekijken van dergelijke aandoenlijke jeugdkiekjes behoort te trekken. 'Ach ja,' zegt Kootje, en laat zijn hoofd zachtjes schommelen op zijn romp, 'op die leeftijd zijn het allemaal schatjes.'

'Het is nog altijd een schatje!' roept Tante Door. Ze pakt de foto terug en ziet Rosita zoals ze vanaf haar allerprilste begin altijd geweest is. Lief, altijd vrolijk, altijd zingen in haar bedje, nooit zeuren, zoals je dat zo vaak meemaakt bij andere kinderen, waarvan je van tevoren ziet aankomen: dit wordt later een onmogelijk wezen, dat zit er al helemaal in.

'Nee,' zegt Tante Door. 'D'r moeder zei altijd: Rosita is het heerlijkste kind van de wereld, en daar was iedereen het volledig mee eens, maar dan ook iedereen! En ga mij nou niet vertellen, Kootje, dat zoiets van de ene dag op de andere kan omslaan, want iemand z'n karakter kan je niet veranderen, wat je ook voor streken met 'm uithaalt. Karakter is karakter. Dat is bepaald op de dag dat een mens wordt geboren!' 'Doortje,' zegt Kootje de Beer. 'Ik wil niet onbeleefd zijn, maar eh ... het klokje van gehoorzaamheid ..Hij tikt vermanend op zijn polshorloge.

'Nee, oké,' zegt Tante Door, 'je hebt gelijk, je mag direct terug naar je zaak, maar moet je luisteren. Ik haal dat kind dus onmiddellijk binnen, ik geef haar een kop koffie, en na een kwartiertje begint ze eindelijk een beetje te ontdooien bij de gashaard, die ik helemaal tot z'n maximum heb moeten opendraaien, en toen begint ze te vertellen. Haar vader is weggelopen van huis, en zij was al eerder de deur uit, maar ze studeert nog wel, kunstnijverheid, waar ze altijd al aanleg voor had getoond, en haar leraren zijn vol lof over haar prestaties, ze maakt prachtige dingen, oorbellen en armbanden, nou ja, alle soorten sieraden, weet je wel, en ze heeft zelfs plannen om een eigen boetiek te beginnen, samen met een vriendinnetje, die op de mode-afdeling zit van diezelfde school, maar ja, dat is natuurlijk allemaal niet zo makkelijk als het wel lijkt, in ieder geval, op een gegeven moment raakt ze een beetje uitgepraat, toen kijk ik haar aan, en ik zeg: waar woon jij eigenlijk, Rosita? Toen zegt ze: op een zolderschuit, Tante Door. Ik zeg: woon jij op een zolderschuit? Ja, Tante Door, zegt dat kind, ik woon op een zolderschuit in de Brouwersgracht met nog een stuk of veertien jongelui, en we hebben samen een enorme hoop plezier, een soort commune, weet je wel, we maken muziek en we dansen, en we delen alles samen, het enige bezwaar is, zegt Rosita, we sterven het af van de kou. Luister je nog, buurman?' 'Jazeker! Ik volg woord voor woord wat je zegt!' 'Nou goed, moet je horen. Ik laat dat hele verhaal over me heengaan, van die schuit, en ik denk ik zeg niks, dat komt straks wel in orde, en na een halfuurtje of zo wordt het ook voor Rosita te heet in die kamer, dus ik loop naar de haard, ik zet het gas op ecu laag pitje, en ik zeg: Rosita, weet jij wat wij gaan doen? Wij gaan eens een kijkje nemen op die schuit van jou! Waarop dat kind een beetje zenuwachtig wordt, van zou je dat nou wel doen, tante, ik weet niet of dat wel de juiste omgeving is voor jou, waarop ik zeg kind, dat weet ik net zo min als jij, maar dat zullen we dan ter plaatse bekijken! Affijn, ik doe m'n winterjas aan, en zij d'r deken weer over d'r oren, en wij naar die schuit. Nou! Kootje!' Ze geeft zichzelf een tamelijk harde klap op haar wang. 'Daar kom ik me toch in een troep! Een troep! Jij hebt toch weleens een troep in je leven gezien, hè?' 'Meer dan me lief was,' bekent Kootje de Beer. 'Kootje! Zo'n troep heb jij nog nooit van je leven gezien!' Ze staat geëmotioneerd op van haar wasmand, breed gebarend als een actrice van de oude stempel.

'Het kind had gelijk! Ik kom inderdaad op een zolderschuit! Maar dan wel een die elk moment naar de kelder kan gaan!'

Natuurlijk is dit niet komisch bedoeld, maar Kootje kan er echt niets aan doen. Hij schiet in de lach. 'Zou jij ook lachen, Kootje de Beer, als jij je nachten moest doorbrengen in een vertrek waar het water tot hier staat, tot hier!' Ze tikt met de zijkant van haar hand tegen haar knieschijf. 'Tot hier stond ik in de prut! En als dat nou nog het enige was,' zegt Tante Door, 'maar nee! De kolenschuiten aan de overkant kon je zo zien liggen, door de spleten in de wand! Met het gevolg dat de wind als een gek door de leefruimte giert en dat je je eigen woorden niet kan verstaan door het gehoest van de commune! Ik heb al soppend door de modder,' zegt Tante Door, 'nog kans gezien de keuken te bereiken, of wat daarvoor moest doorgaan, en wat ik daar aantrof, Kootje de Beer, wat ik daar aantrof! De pannen, de ketels, de lepels, de vorken - moest je met een bijl loshakken, want alles zat door en door vastgeroest in de gootsteen! En de levensmiddelen voorraad! Vier aardappels en een half bruin, aangevreten door de schimmel, of misschien wel door de ratten, dat kon ik zo gauw niet bekijken. En in die mensonterende gribus,' zegt Tante Door, en duwt Kootje de foto van het lachende kleutertje onder z'n neus, 'is dit kind gedoemd de mooiste jaren van haar leven te verknoeien! Vind je 't nou nog steeds een reden om te lachen, Kootje de Beer?'

'Nee,' zegt Kootje de Beer. 'Da's wel een verschrikkelijke toestand die je me daar beschrijft.'

'En nu heb ik me nóg heel voorzichtig uitgedrukt, dus kan je nagaan! Waar dit ongelukkig schepseltje aan is overgeleverd!'

Er valt even een stilte, en Kootje de Beer zit zich af te vragen of dit nu twintigjarige schepseltje inderdaad wel zo ongelukkig is als Tante Door veronderstelt, en Tante Door staat hem aan te kijken in een uitdagende houding, dus Kootje de Beer zegt: 'Ga even zitten, Door. Ik zal je precies vertellen hoe ik over dit soort zaken denk. Kijk,' zegt Kootje de Beer, en Tante Door zit nu op het schrijfblad van de secretaire en kijkt strijdlustig op hem neer, 'die kinderen, hè, die zijn niet verplicht om zo te leven, nee beste Door! Die doen dat uit eigen vrije keuze. Met moedwil! Om ons uit onze tent te lokken!' 'Wie is ons?' vraagt Tante Door. 'Wij! De oudere generatie!' 'Zo!' zegt Tante Door. 'Weet je dat zeker!' 'Ja,' zegt Kootje de Beer met nadruk. 'Dat weet ik heel zeker. Dat is de algemene houding van de hedendaagse jeugd.' 'Ah! Is dat de algemene houding van de hedendaagse jeugd!' 'Ja! Dat is hun vorm van protest!'

'Maar van dit kind in ieder geval niet!' Tante Door springt overeind en staat nu met gebalde vuist recht tegenover haar buurman.

'Gesmeekt heeft ze me! Of ik een woonruimte voor d'r wist. Kon 'r niet schelen wat! Als ze maar uit die troep was! Stad en land heeft ze afgegraasd voor een kamer, maar overal slaan ze de deur voor d'r neus dicht, of honderdvijftig in de maand, de parasieten! En dan durf jij met een stalen gezicht te beweren ze doen het met moedwil! Hun vorm van protest, ha! Als je ooit ruzie met me wil krijgen, Kootje de Beer,' roept Tante Door, 'dan moet je vooral doorgaan met dit soort stomme opmerkingen!'

Wel - het laatste wat Kootje de Beer ooit van z'n leven wil krijgen is ruzie met Tante Door, dus hij krabbelt onmiddellijk terug en verklaart met de hand op z'n hart dat zijn uitlating over de hedendaagse jeugd nadrukkelijk in het algemeen is bedoeld, maar uitzonderingen bevestigen natuurlijk de regel, 'en ik kan me heel goed begrijpen', zegt Kootje de Beer, 'dat jij je als tante persoonlijk verantwoordelijk voelt voor een kind waar geen vader of moeder zich over bekommert.' 'Ofschoon ik', zegt Kootje de Beer, 'mij gewoon niet kan voorstellen dat er ouders bestaan met een dergelijke mentaliteit, want', zegt Kootje, 'ik kan je op een briefje geven dat ik wel een beetje anders zou piepen als meneer de spijzenfotograaf!' 'Hoe dan, Ko?' zegt Tante Door, onmiddellijk daarop inhakend. 'Wat zou jij dan doen, Ko? Als het jouw kind was?' 'Als het mijn kind was?'

De val staat wijd geopend, en de Beer zit er praktisch al in. 'Dan zou ik', zegt Kootje, 'in recordtempo op die schuit zitten, die meid bij d'r lurven pakken, en haar gelasten: vooruit! d'r af! inpakken en wegwezen!'

'En waar zou je d'r dan naar toe brengen, Ko?' vraagt Doortje met een hoogst onschuldig gezicht.

'Wel,' zegt Kootje de Beer. 'Uiteindelijk heb ik altijd nog een etage leeg staan, die ik vanaf dat ze de deur uit zijn speciaal heb vrijgehouden voor je kan niet weten!'

Hij kijkt naar Tante Door, recht in haar ogen. En begrijpt opeens alles. De bovenetage. Zijn lege bovenetage! O nee, Tante Door, o mijn god, nee! Dat kan je me niet aandoen! Dat kan je me niet aandoen!

'Wat kijk je vreemd, Ko?' zegt Tante Door, quasi verwonderd. Kootje de Beer klemt zijn kiezen stijf op mekaar en grijpt zich met beide handen vast aan de pianokruk. 'Mijn beste Dora Lefèvre!' Hij houdt zijn hoofd een beetje gebogen, knijpt de wenkbrauwen zo dicht mogelijk tegen elkaar aan en ziet bijna scheel van vastberadenheid.

'Luister goed naar wat ik je te zeggen heb! Indien het vermoeden dat ik op dit ogenblik heb, juist mocht wezen - en ik hoop van harte dat ik mij vergis, Tante Door! - maar zo niet. .. dan moet ik jou tot mijn leedwezen een zeer ernstige teleurstelling bezorgen! De ongelukkige situatie', zegt Kootje de Beer, 'waarin dat nichtje van jou buiten haar toedoen verzeild is geraakt, gaat ook mij persoonlijk zeer ter harte, maar, beste Dora, laten wij mekaar goed begrijpen! Je kan alles van me gedaan krijgen, geld, goederen, wat je maar wil... maar mijn bovenetage, beste Door, mijn bovenetage blijft taboe voor personen beneden de dertig!'

Is dat je laatste woord?' vraagt Tante Door, na een vreselijke stilte.

'Ja, Tante Door! Daar valt niet verder over te delibereren!'

'Maar toen al,' vertelt Kootje mij later, 'toen al had ik bij mezelf het gevoel: hier kom ik niet onderuit! Die zal net zolang drammen tot ze die griet in m'n woning heeft binnengeloodst!'

4

Die nacht heeft Kootje het behoorlijk te kwaad. Hij droomt dat ze 'm hebben opgesloten in het ruim van een oude zolderschuit, en dat ie aan de wand zit vastgeklonken met een roestige fiets-ketting, en in het water, dat tot aan z'n knieën is gestegen, wemelt het van ratten, zo groot als Duitse herders, en plotseling gaat er een deur open en daar is Tante Door, in een kikvorsmannenpak, en schaterend van het lachen. 'Help mij, Tante Door! De ratten vreten mij op!' 'Eerst de bovenetage!'

Een van de ratten verandert in Lukas Blijschap, die rustig rondzwemt, met lange, parmantige slagen. 'Lukas! Doe wat! Ze willen je bovenetage hebben!' 'Net goed!' grijnst Lukas, en plons! weg is ie weer onder water, samen met Tante Door, en Kootje is weer alleen met de ratten, en dwars door de spleten in de wand ziet hij een sleepbootje naderen met allemaal hippies aan boord, gehuld in paardede-kens en gewapend met pijlen en bogen, en op de voorplecht staat Tante Door, en roept, midden op het IJ: 'Vuur!' en tegelijk vliegen er vijfentwintig pijlen op de boot af en doorboren de wand, zodat de zolderschuit opeens verandert in een vergiet en alle ratten haastig het zinkende schip verlaten. 'Help!' roept Kootje. 'Help! Ik verzuip!' En badend in z'n zweet wordt hij wakker en merkt dat z'n overhemd drijfnat is geworden, omdat het over de stoel voor het open raam hangt, terwijl het met stralen naar binnen regent.

5

Affijn. - Dus het eerste wat Lukas opvalt als hij de volgende morgen fluitend aan z'n werk wil beginnen is dat Kootje d'r allerbelabberdst uitziet, en Kootje vertelt van z'n nachtmerrie en van de slapeloze nacht die daar achter aankwam, en hij smeekt Lukas of ie toch asjeblieft die bovenetage wil nemen, want dan is ie tenminste gedekt tegenover de streken van Doortje.

'Ik heb namelijk tegen Doortje gezegd,' verklaart Kootje zich nader, terwijl Lukas hem een kop zeer zwarte koffie serveert, 'Doortje heb ik gezegd, ik weet niet wat je verder nog voor plannen in je hoofd hebt, maar je zal met grof geschut moeten komen, wil ik daar ooit nog eens aan beginnen!' 'Kootje,' zegt Lukas. 'Je bent nog altijd de baas over je eigen woning. Als jij je heilig voorneemt: ik wens geen hippie boven m'n hoofd, dan kan Tante Door de hele buurt bij mekaar schreeuwen, maar dat hippie komt er bij jou niet in!' 'Nee,' zegt Kootje de Beer. 'Alleen één ding zit me niet lekker. Ze kómt met grof geschut, dat kan je op je vingers natellen! Dus, Lukas,' hij pakt zijn bediende vast bij de pols, 'kom nou eens even hier. Ga nou eens even zitten. En vertel me. Wat heb jij tegen die bovenetage?'

'Nou,' zegt Lukas, en neemt met een zucht plaats tegenover zijn baas. 'Het voornaamste bezwaar ken je. Dat heb ik je al honderd keer verteld.'

'Begin me niet weer over je persoonlijke vrijheid!' roept Kootje de Beer. 'Ik heb je bezworen, Lukas, dat jij op je eigen woning, ook al is die dan boven de zaak, volledig het recht hebt om te doen en te laten wat je wil, en te ontvangen wie je wenst, en dat noch ik, noch wie dan ook zich ooit zal proberen te mengen in jouw privéleven! Nou! Wat wil je nou nog meer, dat ik zeg?' 'Luister nou, Kootje ..

'Je krijgt een eigen opgang, twee kamers, aparte keuken, je kan gebruik maken van je eigen toilet, en ik heb je zelfs nog aangeboden om een extra douche voor je te laten aanleggen, waarvan ik alle kosten voor m'n rekening neem! Nou! Als dat nou nog niet voldoende is dan weet ik het niet meer!'

'Wil je nou even naar me luisteren, Kootje?' 'Ik geef toe! het is géén Paleis Soestdijk!' "Wees nou toch even rustig, Ko!' 'Ik bén heel rustig!'

'Goed dan,' zegt Lukas Blijschap. 'Je weet, Ko, dat ik van de gemeente een geldelijke vergoeding krijg als ik ga verhuizen.' 'Ja, dat is mij bekend,' zegt Kootje. 'Heeft in de kranten gestaan.'

'Weet je nog hoeveel?'

'Een jaar gratis huur voor het nieuwe pand,' antwoordt Kootje de Beer.

'Juist! Een jaar gratis huur voor het nieuwe pand. Met een minimum van duizend gulden. Ja? Nou,' zegt Lukas Blijschap, 'stel nou eens, ik neem die etage hierboven. Hoeveel doet die in de maand? Tachtig gulden.' 'Ik ben bereid om terug te gaan tot vijfenzeventig!' 'Nog erger!' zegt Lukas. 'Hoeveel is twaalf maal vijfenzeventig?'

Kootje rekent het snel uit. 'Negenhonderd gulden.' 'Mooi,' zegt Lukas. 'Negenhonderd ballen. Met andere woorden: als ik dus die etage hierboven betrek, dan krijg ik van de gemeente het minimumbedrag van duizend gulden. Is je dat duidelijk?'

Jawel. Tot nog toe is het Kootje zeer duidelijk. 'Maar nou,' zegt Lukas opeens op een veel hogere toon, 'nou neem ik een keurige moderne tweekamerflat in een van de betere wijken. Die kost laten we zeggen tweehonderd in de maand. Ja? Oké! Wat krijg ik dan van de gemeente?' Kootje de Beer is min of meer overdonderd door het gegoochel met al die cijfers. Het zelfverzekerde optreden van Lukas begint hem knap de keel uit te hangen. Hij geeft geen antwoord. 'Ik zal het even gauw voor je uitrekenen,' zegt Lukas Blijschap. 'Twee meier in de maand, en dat dus vermenigvuldigd met twaalf, is vierentwintighonderd. Onthou je even? Vierentwintighonderd. En hoeveel kreeg ik ook weer als ik bij jou kwam inwonen?'

'Duizend,' zegt Kootje, met een droge keel van het zich kwaad maken.

'Wat is dus het verschil?' 'Veertienhonderd.'

'Juist!' roept Lukas Blijschap. 'Veertienhonderd! Veertienhonderd gulden krijg ik minder als ik dus niet op een dure flat ga wonen! En kijk, Kootje,' zegt Lukas, met een brede grijns, die Kootje mateloos irriteert, 'het gaat echt niet tegen jou, dat zweer ik je bij het licht van allebei m'n ogen, maar ik zal toch wel helemaal van Lotje getikt wezen om zo maar eventjes een bedrag van veertienhonderd gulden cadeau te doen aan de Gemeente Amsterdam!' Hij straalt van voldoening. 'Begrijp je?'

Wel - dit is natuurlijk een redenering waar geen speld tussen te krijgen valt. Elke rechtgeaarde Amsterdammer - en als er één rechtgeaarde Amsterdammer is, dan is dat wel Kootje de Beer - zal onmiddellijk toegeven dat je lid bent van de burgerij om te geven wat je kan missen, maar zeker ook om zoveel te nemen als je maar krijgen kan, en dus staat Kootje met z'n mond vol tanden. Het liefst zou hij Lukas iets naar z'n hoofd gooien, de asbak bijvoorbeeld of desnoods een zwaarder voorwerp, dat nog harder aankomt, maar Kootje houdt niet van geweld, ook al is in dit geval het risico gering, omdat Lukas zeker een kop kleiner is dan hij.

'Ik denk dat ik maar even een beetje frisse lucht ga happen,' zegt Kootje de Beer ten slotte en loopt met driftige stappen naar de kapstok. 'Argumenten als dit ga ik niet tegenin. We spreken elkaar nog weleens als jij van ellende geen raad meer weet op je mooie tweekamerflat in een van de betere wijken! Gegroet! Ik ben met een kwartiertje terug en ik verwacht van je dat je in die tussentijd niet op je nagels gaat zitten bijten!'

Hij loopt nijdig de straat op, waar de scherpe kou van de decemberochtend hem tegemoet slaat. Het verkeer zit weer eens vast door een Coca-Colawagen, die aan het lossen is bij de zelfbediening. Tante Henny komt langs met een grote boodschappentas, en Kootje zegt goedemorgen, maar Tante Henny doet net of ze hem niet ziet. Hetzelfde herhaalt zich met Tante Greet. En even later, als hij, om ergens een aanloopje te hebben, een pakje scheermesjes gaat halen in de kapperszaak van Bloempotten Leo, merkt hij dat Leo z'n vrouw hem ook al een vernietigende blik toewerpt als zij de winkel verlaat.

Kootje kijkt haar verwonderd na. 'Het kan wezen dat ik het me verbeeld,' zegt hij tegen Bloempotten Leo, die hem in de gauwigheid ook nog even een nieuwe lotion heeft aangesmeerd tegen vervetting van het haar, 'maar het lijkt wel', zegt Kootje de Beer, 'of alle vrouwen vanmorgen iets tegen me hebben. Daarnet ook al. Tante Greet en Tante Henny. Liepen me straal voorbij!'

Hij ziet Bloempotten Leo nadrukkelijk zwijgen en opeens bekruipt hem een angstig vermoeden. 'Zeg Leo! Heeft Doortje misschien .. .'

De onheilspellende manier waarop Bloempotten Leo met zijn door drank geteisterde hoofd knikt zegt Kootje voldoende. 'Aha!' roept Kootje de Beer. 'De moeders van de buurt komen in opstand!'

Bloempotten Leo rolt zorgvuldig de scheermesjes en het flesje lotion in één fleurige kerstverpakking.

'In opstand wil ik niet direct beweren,' verklaart hij somber. 'Maar ik zou me maar wel als ik jou was voorbereiden op een paar moeilijke dagen. En voor de rest,' zegt Bloempotten Leo, 'wat kan het je eigenlijk schelen? Geef dat kind die etage! Je bent toch zelf ook vader? Niewaar? Het zal je kind maar wezen, daar op die schuit!'

Hij ziet Kootjes gezicht onmiddellijk verstrakken. 'Zes vijfentwintig krijg ik van je,' zegt Bloempotten Leo.

6

Goed. Drie dagen lang is er niets aan de hand. Doortje vertoont zich niet in 't Schaep, en verder gebeurt er eigenlijk weinig, behalve dan dat iedereen druk in de weer is voor de feestdagen, en steeds erger begint te mopperen over de schandelijke prijzen, die je moet betalen voor een waardeloos stuk speelgoed, of voor welk cadeau-artikel dan ook, en op vrijdagmiddag - ik vergeet het nooit van mijn leven - zit ik aan de tap met Tinus de Toeper, Bloempotten Leo, Huipie van Duivenbode, Leippie Zonnebril, kortom, een heel gezelschap, uitsluitend bestaande uit kerels.

Dit wil overigens niet zeggen dat de dames verstek laten gaan, integendeel! Het valt mij op dat er zelfs meer vrouwelijke cliënten aanwezig zijn dan anders op dit uur van de dag, dat voor velen de tijd is om het eten te bereiden. Tante Henny is er, Tante Greet, Femma Nagel en nog verscheidene anderen, maar al deze vaste gasten, die normaal een plekje aan de bar plegen te betrekken, zitten nu verspreid door de zaak aan de oude bruine tafeltjes, en uit de blikken die zij elke keer als er iemand binnenkomt naar de deur werpen, waarna zij onmiddellijk weer nors voor zich uitkijken, maak ik op dat zij een bepaald iemand verwachten, die kennelijk ieder ogenblik kan verschijnen.

Opmerkelijk is ook dat al deze hartelijke buurtbewoonsters angstvallig vermijden het woord te richten tot Kootje de Beer en voor alle bestellingen zich luidkeels wenden tot Lukas Blijschap, met kreten als: 'Lukas! Geef mij nog een citroentje met suiker!' of 'Lukas! Een portie leverworst!' of 'Lukas! Vraag even aan Ali wat ze van me wil drinken!'

Wel - het gesprek aan de bar verloopt een beetje stroef, met al die vrouwenogen achter ons, maar gelukkig komt Arie Balk binnen met z'n arm in een slinger, en z'n duim in zo'n groot verband dat het lijkt of ie een voetbal in z'n hand heeft, dus eindelijk hebben we een interessant onderwerp om over te praten, en Tinus de Toeper roept gekscherend: 'Verrek Arie! Wat heb jij aan je duim? Heeft Riek je gebeten?'

'Nee,' zegt Arie Balk, op een blijmoedige toon. 'Een bierglas. Is d'r dwars doorheen gegaan. Tot op het bot. Drie weken ziekteverlof!'

'Dan mag je van geluk spreken,' vindt Huipie van Duivenbode, 'dat het niet van de zomer gebeurd is!'

'Hoe is dat gebeurd?' vraagt Bloempotten Leo. 'Gevochten?' Iedereen moet hartelijk lachen bij het idee dat Arie Balk zou hebben gevochten, want Arie is in hart en nieren pacifist en zal zich liever door een mug tot bloedens toe laten steken dan het beest op welke manier dan ook kwaad te berokkenen. 'Nee,' zegt Arie, 'dat weet je best. Ik haat principieel iedere vorm van geweld.' 'Arbeidsongeval?' vraagt Kootje.

'Zo zou je 't kunnen noemen,' antwoordt Arie met een zonnige 108 glimlach, "t Is gisteravond gebeurd. Thuis, in de keuken. Met afwassen.'

Tinus schiet in de lach. 'Ja, jongen, eigen schuld! Wie gaat er dan ook naar huis om te eten!'

'Dat zei ik ook tegen Riek,' zegt Arie. ik zeg: als je me in de kroeg had laten zitten was 't niet gebeurd! Waarop Riek', zegt Arie, 'meteen haar antwoord klaar heeft. Als jij niet altijd je centen in de kroeg d'r doorheen joeg, zegt Riek, dan had je nou niet in de keuken hoeven staan, want dan had ik allang genoeg bij mekaar gespaard om twee afwasmachines d'r op na te kunnen houden!'

Affijn - dit brengt ons op het thema van de automatisering van het huishouden, en we zijn het er allemaal over eens dat nog meer van die apparaten weleens funest zou kunnen wezen voor de huwelijksband, want te veel vrije tijd voor de huisvrouw, meent Huipie van Duivenbode, werkt de ontucht in de hand, dat zie je wel aan het onrustbarende toenemen van de pornografie, en midden in deze discussie hoor ik plotseling alle dames achter me stilvallen, en ik zie Kootje de Beer opeens naar de deur staren met een uitdrukking van grote verwondering op z'n gezicht.

Dus ik draai me nieuwsgierig om en constateer dat de lang verwachte persoon ten langen leste dus toch is verschenen, want alle aanwezige tantes zitten met stralende ogen te kijken naar Tante Door, die halverwege de ingang en de tapkast staat opgesteld in de houding van een fanatieke suffragette, die zich bij wijze van protest in de weg plaatst voor een op haar afstormende paardetram.

'Kootje de Beer!' roept Tante Door, en haar stem davert als een kanonsalvo door de kleine ruimte van 't Schaep. 'Zou jij even enkele ogenblikken van je kostbare tijd willen besteden aan wat ik je te vertellen heb!'

Het hele café kijkt afwisselend naar Tante Door en Kootje de Beer, op de manier zoals het publiek doet bij een partijtje tafeltennis.

'Wil je niet even rustig gaan zitten, Tante Door!' vraagt Kootje de Beer.

'Kootje de Beer! Luister goed! Jij wou mij van de week niet geloven, hè, toen ik zei dat die zolderschuit elk moment naar de kelder kon gaan! Nee, hè?'

Tante Door,' zegt Kootje de Beer, 'ik ben gaarne bereid om je te woord te staan, maar dan wel graag in een rustige atmosfeer.' Tante Door stoot een honend gelach uit. 'Een rustige atmosfeer, ja, ja! Die is misschien weggelegd voor jou en je drank-lustige clientèle aan de tapkast, maar jammer genoeg niet voor het kind, waarvan het een wonder is dat het hier nog voor de deur staat, want het had maar een haartje gescheeld of ze was er niet meer geweest!'

Ik zie Kootje volledig in paniek raken en ik hoor hem vanuit zijn mondhoek mompelen tegen Lukas: 'Asjeblieft, meneer Blijschap. Daar heb je je grof geschut!' en op hetzelfde moment rukt Tante Door het groene gordijn bij de ingang opzij met het theatrale gebaar van een illusionist, die de zojuist door hem doorgezaagde blondine uit een geheel andere hermetisch afgesloten ruimte te voorschijn laat komen, en roept met een van emotie bevende stem: 'Rosita! Kom binnen, kind! Laat de verzamelde buurtgenoten zien wat de gevolgen zijn als men zijn deur gesloten houdt voor de hedendaagse jeugd!'

Overrompelen is altijd de beste tactiek gebleken in elke strijd door de eeuwen heen, en ik moet zeggen dat Tante Door wat dat betreft een uitstekende beurt maakt, want zelden werd een groep brave, in alle rust voortlevende burgers zo onverwachts met de neus op de harde feiten gedrukt als die vrijdagmiddag in 't Schaep, bij de entree van Rosita Lefèvre.

Het kind draagt nog altijd de kleren waarin ik haar op de Noordermarkt heb zien lopen, maar alles wat ze aanheeft plakt aan haar lichaam en is besmeurd met een vettig soort modder, zoals je die weleens naar boven ziet borrelen in de gracht wanneer een schipper zijn vaarboom stevig in de bodem heeft geplant. Dikke druppels druipen als droeve tranen uit de land-lopershoed, en ofschoon iedereen in één oogopslag kan constateren dat dit bibberende hippie geen droge draad meer aan haar lijf heeft, pakt Tante Door ten overvloede ook nog een punt van de paardedeken, en wringt deze uit als een dweil. Een stevige plens grachtwater golft over de vloer van 't Schaep en vormt een onweerlegbaar getuigenis van het feit dat de zolderschuit inderdaad naar de kelder is vertrokken en dat de arme Rosita niets anders heeft kunnen redden dan het vege, kleddernatte lijf.

Wel - een klein gedeelte der aanwezigen reageert op dit hartverscheurende schouwspel met een spontaan en langgerekt: 'Ach gooo!', maar de meesten zijn werkelijk met stomheid geslagen, en dit geldt wel in het bijzonder voor Kootje de Beer, die volgens mij nog maar één ding hartgrondig hoopt, en dat is dat er op dit ogenblik een ambtenaar van de sanering zal komen binnenstappen om namens de gemeente mee te delen, dat 't Schaep nog hedenavond met de grond zal worden gelijkgemaakt.

Maar goed, dit blijft natuurlijk een vrome wens en ondertussen heeft Tante Door in de gauwigheid nog kans gezien een grauwe plunjezak naar binnen te slepen, waar het water aan alle kanten uitsiepelt, en die ze met een grimmig gebaar neerkwakt naast Rosita.

'Kootje de Beer!' zegt ze nu, en het hele café houdt z'n adem in, en richt de blik naar de tapkast. 'Het is niet mijn gewoonte', zegt Tante Door, 'om wie dan ook van mijn goede vrienden of kennissen iets af te dwingen wat tegen z'n principes indruist, maar in dit bijzondere geval - en je hoeft maar één blik op dit kind te werpen om te zien hoe hoog de nood is gestegen! - in dit bijzondere geval', zegt Tante Door, 'heb ik mij heilig voorgenomen dat ik deze ruimte niet zal verlaten alvorens antwoord te hebben gekregen op de vraag die ik jou nu, in het bijzijn van al deze vaders en moeders, recht op de man af ga stellen, en dat is deze: Kootje de Beer! Acht jij het juist, uit menselijk oogpunt, om een kind van twintig jaar willens en wetens de vernieling in te jagen, en haar - gedurende de Kerstdagen nog wel! te laten bivakkeren onder de blote hemel, óf...' Ze maakt de zin niet af, maar kijkt alleen maar omhoog, naar de bovenetage.

Ik zie dat Kootje de Beer even wankelt, en z'n ogen sluit, maar het volgende moment doet hij ze weer open, trotseert gedurende enkele seconden de vlammende, smekende of alleen maar beduusde blikken van al zijn vaste cliënten, en komt dan, met een diepe zucht, in beweging. Hij loopt om de tapkast heen, blijft even staan voor Rosita, en bekijkt haar met een uitdrukking op z'n gezicht of hij ieder ogenblik in tranen kan uitbarsten. Dan, opnieuw diep zuchtend, tilt hij de nog steeds naar alle kanten sproeiende plunjezak met één hand van de vloer en gaat ermee naar de deur achter in het café, waarop staat geschilderd, op de matglazen ruit: PRIVÉ.

'Mag ik je verzoeken mij te volgen?' zegt Kootje de Beer, en loopt zonder om te kijken naar boven.

7

De woensdag daarop kom ik toevallig Lukas tegen op de meubelafdeling van De Bijenkorf, waar ik een paar laatjes wil kopen voor de keuken, en uiteraard komt meteen het gesprek op de toestand in 't Schaep, en Lukas zit met een probleem, en of ik niet even een kopje koffie wil drinken in de lunchroom.

Je bent een paar dagen niet geweest, zegt Lukas even later, maar je weet niet wat je ziet. De hele zaak is in beslag genomen door de hippies, Rosita is een boetiek begonnen onder de naam ussr, wat overigens niets met de sovjets te maken heeft, en alleen maar betekent Uni-Sex Shop Rosita, en verder, zegt Lukas, zit er daarboven de godganse dag een beatgroep te repeteren, die zich noemt de usa, ofte wel Uni Sex Ambassadors. Het bedrijf beneden, vertelt Lukas, ligt volkomen op z'n achterste. Je kan geen fatsoenlijk gesprek met elkaar voeren door het gedreun boven je kop, dus de vaste jongens weten niet hoe gauw ze moeten afrekenen om het lawaai te ontvluchten, en voor de rest, zegt Lukas, wemelt het van de hippies, die geen stuiver verteren en alleen maar gebruik maken van het toilet, dus hoe dat moet aflopen, besluit Lukas, ik weet het niet, maar voor mij is de aardigheid d'r af en Kootje is op weg om langzaam krankzinnig te worden. Wat kunnen we daaraan doen?

Affijn, ik beloof dat ik m'n gedachten d'r over zal laten gaan, en diezelfde middag ga ik naar 't Schaep om eens te kijken hoe de zaken er bij staan.

Ik moet zeggen, Lukas heeft niet overdreven, want al vóór de wassalon van Tante Door hoor ik de machtige dreun van elektrische gitaren of wat het dan ook mogen wezen, en als ik 't Schaep binnenga, zie ik dat de hele bezetting bestaat uit niet meer dan drie personen, namelijk Huipie van Duivenbode, die net staat af te rekenen, Arie Balk, die nog steeds met z'n duim in de ziektewet loopt, en Tante Greet, die uiteraard immuun is voor elke vorm van lawaai, omdat ze - ik heb het al eerder verteld - zo doof is als een kwartel.

Dus Huipie maakt een verontschuldigend gebaar tegen mij, en hij zegt: 'Ja, 't spijt me geweldig, maar ik kom hier voor m'n rust,' en hij maakt, dat hij wegkomt, waarop Kootje zijn hand naar zijn gezicht brengt en vermoeid met duim en wijsvinger vanuit de buitenste ooghoeken naar het bovenste deel van zijn neusbeentje wrijft, en somber mompelt: 'Nog één week, en ze kunnen me wegbrengen.'

Affijn - ik bestel een jonge, en Lukas is blij dat hij even kan stoppen met het beschilderen van de witte gipsen kerstengelen, waarvan Kootje mij met stemverheffing bezweert dat hij er ieder jaar een stuk of twintig van inslaat, en dat hij ze telkens weer in spierwitte staat heeft moeten ophangen, omdat hij, zolang de zaak bestaat, nooit tijd heeft gehad om ze een kleurtje te geven.

Er komt een groepje van vier jongelui binnen, met ferme haardossen en bonte pakken en amuletten om hun hals, en Kootje wijst meteen over zijn schouder heen naar de deur achter in het café, waarop nu een groot karton is bevestigd, met in vier verschillende kleuren, in koeieletters: ussr.

Dus het groepje gaat af naar boven, en Arie Balk probeert het lawaai te overschreeuwen door luidkeels te roepen: 'Zeg Ko! Hoe lang gaat dit nou nog door daarboven?'

'Dat zal waarschijnlijk niet eerder ophouden,' zegt Kootje, 'voordat ze zelf kinderen hebben gebaard.'

'Dat is een diepe wijsheid,' zegt Lucas, terwijl hij het glas voor mij neerzet, 'die moet je opschrijven en boven je bed hangen.'

'Die hangt al boven m'n bed,' zegt Kootje de Beer, 'want die wijsheid heb ik niet van mezelf, maar van ene dokter Langewaal, psychiater te Utrecht.'

Hij draait zich om en pakt een pocketboek dat naast het kasregister ligt, en waarvan de titel luidt: 'Het zal je kind maar wezen!'

'Kijk,' zegt Kootje de Beer. 'Deze man heeft een diepgaande wetenschappelijke studie gemaakt van wat er omgaat in de jonge mensen van deze tijd, en aan de hand van tweehonderd gevallen is hij als vakman tot de volgende conclusie gekomen: de hele kloof tussen de nieuwe en de oude generatie is een verschijnsel van voorbijgaande aard. De puberteit, zegt dokter Langewaal, is een kinderziekte, die des te eerder overgaat naarmate men minder zijn best doet om haar met alle mogelijke lapmiddelen te genezen.' 'Da's een hele mond vol,' vindt Arie Balk. 'Desalniettemin,' zegt Kootje de Beer, 'ben ik een hoop wijzer geworden van wat deze arts ons te vertellen heeft. Wacht even. Ik zal je eens een interessante passage voorlezen, als mijn stem het tenminste niet onderweg begeeft.' Hij zoekt een bepaalde bladzijde op en leest voor, terwijl het gedreun boven ons hoofd ononderbroken doorgaat: 'De voornaamste oorzaak - zegt dokter Langewaal - van het zogenaamde generatieconflict is mijns inziens niet gelegen in de provocatieve agressiviteit van onze hedendaagse jeugd - immers, deze openbaart zich in dezélfde vorm in alle ontwikkelingsfasen van onze geschiedenis - doch veeleer in de collectieve labiliteit, waaraan de generatie uit het vooroorlogse tijdperk laboreert.' Kootje kijkt even op uit het boek. 'Kan je 't volgen, Arie?' 'Nee,' zegt Arie. 'Jij?'

Kootje trekt het barmhartige gezicht van iemand die blij is te merken dat een ander minder intelligent is dan hij zelf, en hij begint Arie uit te leggen in voor hem begrijpelijke termen, dat dokter Langewaal ons, dat wil zeggen de oudere generatie, ziet als een stelletje volstrekt onzekere figuren, die door hun aarzelende houding hun eigen kinderen voortdurend het gevoel geven, dat ze met zichzelf geen raad weten, laat staan met de jongelui die ze in hun onnozelheid op de wereld hebben geschopt. 'Dat is de grote fout, die wij maken,' zegt Kootje de Beer. 'Laat nooit de kinderen blijken, dat je twijfelt aan wat dan ook! Integendeel! Ze moeten van jou continu de indruk hebben alsof je zo uit een betonmolen de wereld bent ingeslingerd! Hoe oud is jouw oudste zoon?' 'Twaalf,' zegt Arie Balk.

'Dan ben je d'r minder ver vanaf dan je denkt!' 'Van wat?' 'De puberteit!'

'Maak je geen zorgen,' zegt Arie. 'Bij de mijne is het al begonnen.'

Enfin - Lukas mengt zich in het gesprek, en zegt dat hij inderdaad van vele zijden hoort dat de puberteit steeds vroeger begint, en Arie roept lachend, dat het niet lang meer zal duren of de leerlingen van de fröbelschool eisen inspraak in het leerplan, en we zitten mekaar zo het een en ander toe te schreeuwen, en Lukas maakt net de wijze opmerking: 'Ze zeggen wel eens kinderen houden je jong, maar als ik dit allemaal hoor, dan heb ik liever geen kinderen, en geniet wat langer van m'n ouwe dag,' en op dat moment komt er een heel stuk van het plafond naar beneden, een grote klodder kalk, die uiteenspat midden op Kootje z'n kop.

Ik zie Kootje witgloeiend worden, hij slaat de brokstukken uit zijn haar, kijkt omhoog met zijn onderlip een heel end over zijn bovenlip heengetrokken, en zegt tegen mij: 'Als je nou een mooie uitbarsting wil meemaken, loop dan even mee naar boven.'

Dus ik mee naar boven, twee steile trappen op, in een tempo van drie treden tegelijk, en ik ben toch al niet zo'n beste trap-penloper, vanwege het vele roken dat ik doe, plus nog het feit dat ze me een jaar of wat geleden hebben geopereerd aan een gescheurde achillespees, dus hijgend en blazend kom ik in het trappenportaal voor de boetiek van Rosita. Ik zie Kootje de koperen deurkruk vastpakken, en op hetzelfde ogenblik bewegingloos blijven staan en zeer diep ademhalen, als een zwemmer op de veerplank, vlak voor het duiken.

Als hij merkt dat ik naar hem sta te kijken, zegt hij ter verklaring: 'Dokter Langewaal, pagina 68 bovenaan. Verlies nooit uw zelfcontrole. Neem liever een diepe teug adem, en roep een beeld op uit uw eigen kinderjaren, voordat u uzelf laat gaan.'

Ik vraag me af welk beeld Kootje uit zijn kinderjaren heeft opgeroepen, maar ik zal het wel nimmer te weten komen want op dit moment wordt de deur van binnenuit geopend, en daar is Tante Door, in een voor haar leeftijd veel te hippe jurk, en met rode koontjes van de opwinding.

'Hé, hallo Kootje,' zegt ze verrast. 'Kwam je even een kijkje nemen bij de jeugd?'

'Ja,' zegt Kootje, met een inderdaad verbazingwekkende zelfcontrole. 'Ik kwam even een kijkje nemen bij de jeugd, en dat niet alleen, maar ik voel bovendien de behoefte om een kort vermanend woordje te spreken tot de jongelui, als dat tenminste mogelijk is.'

'Maar natuurlijk, jongen!' zegt Tante Door allerhartelijkst, boven het oorverdovend geraas van de muziek uit, 'ik stond net op het punt om weg te gaan, maar kom binnen, jongen, kom binnen, en doe maar net of je thuis bent!'

Dus wij met z'n drieën naar binnen in de boetiek, en ik zie daar een stuk of twintig hippe vogels van allerlei kunne een soort Indianendans uitvoeren bij het opzwepende gedreun van de beatgroep, die gezeten is op een klein podiumpje, omringd door exotisch uitgedoste etalagepoppen. Blijkbaar staat iemand aan het stopcontact te morrelen, want het licht gaat voortdurend aan en uit, en in de korte flitsen dat het brandt, zie ik dat de wanden beschilderd zijn met groene, gele en rode ballen en cirkels, en ik zie ook Rosita, die tussen twee gitaarspelers in staat te zingen bij de microfoon, althans ik neem aan dat ze zingt, want ze doet voortdurend haar mond wijd open en weer dicht, en maakt op mij een beetje de indruk van een zeekapitein die aan boord van zijn schip de bemanning iets probeert toe te roepen in een vliegende storm.

Wel — Kootje dringt door de menigte heen en maakt bezwerende gebaren met zijn armen, en ik zie ook Kootje z'n lippen bewegen zonder ook maar iets van z'n stemgeluid te horen, en Tante Door staat naast mij en krijgt blijkbaar medelijden met Kootje de Beer, want opeens plaatst ze haar handen als een toeter om haar mond, en roept vlak naast mijn oor, en met een stemvolume, dat zelfs de meest doorgewinterde Britse sergeant-majoor maar zelden weet te bereiken: 'Stilte!!' Onmiddellijk hierop valt het geluid van het orkest weg, en het enige wat ik nog hoor is de stem van Kootje de Beer, die nu opeens duidelijk doorkomt en alleen nog roept:'.. . tot u willen spreken,' op de manier van een kerkganger, die wat langzamer zingt dan de rest van de gemeente, en nog nakomt met de laatste woorden van de psalm, terwijl de samenzang al is afgelopen. 'Vrienden,' zegt Tante Door, en loopt rustig naar het podium, terwijl de menigte opzijwijkt, 'ik hoor zojuist van de heer Kootje de Beer, dat hij de behoefte heeft om een enkel woordje tot u te spreken. Ik verzoek u dus om een ogenblikje stilte, en vraag thans uw aandacht voor onze gastheer Kootje de Beer!'

Er volgt een warm applaus, en Kootje zegt: 'Dank u, dank u!' en beklimt het podium, waar Rosita voor hem plaats maakt bij de microfoon.

'Rosita Lefèvre,' begint Kootje, op een kalme, waardige toon, die bewijst dat de raadgeving van dokter Langewaal zijn uitwerking niet heeft gemist. 'Een kleine week geleden,' zegt Kootje, 'verdween de wrakke zolderschuit waarop jij leefde, onverhoeds naar de bodem van de Brouwersgracht. Ik heb toen, zoals je weet, slechts heel even geaarzeld, alvorens ik tot de conclusie kwam, dat ik jou onder deze omstandigheden onmogelijk in de kou kon laten staan. Ik was van mening, en dat ben ik nog steeds, dat het niet meer dan mijn plicht was om jou onmiddellijk onder dak te brengen in de twee kamers die ik sedert het vertrek van mijn eigen dochters had leeg staan.' 'Daar ben ik u nog altijd zeer dankbaar voor, Ome Ko!' zegt Rosita oprecht, en ik stel met voldoening vast dat ze er zonder paardedeken heel wat appetijtelijker uitziet dan de laatste keer, dat ik haar zag.

'Jij bent hier toen deze boetiek begonnen,' gaat Kootje verder, 'na enkele nogal ingrijpende verbouwingen, waar ik overigens m'n petje voor afneem. Ik vind dat je de boel zeer smaakvol hebt opgeknapt, en ik wil ook nog wel even zeggen dat het slopen van die twee wandjes, waar ik eerst nogal tegenop zag, de zaak veel ruimer heeft gemaakt dan hij ooit is geweest. Ik ben ervan overtuigd,' zegt Kootje, 'dat je veel succes zult kunnen hebben met dit geheel in de sfeer van de tijd ingerichte trefpunt voor de moderne jeugd, maar,' zegt Kootje de Beer, en hij richt zich nu ook tot de rest van het auditorium, 'leven en laten leven!'

Het is nu werkelijk zeer stil geworden, en ik begin diep respect te krijgen voor de manier waarop Kootje de Beer de theorieën van dokter Langewaal in praktijk weet te brengen.

'Hier pal onder,' vervolgt de spreker, 'is een cafébedrijf gevestigd, sedert anno 1896. De grondlegger van het bedrijf was een zekere Willem Bastiaanse, die het weer overgedaan heeft aan zijn zoon, die het op zijn beurt weer overgedaan heeft aan zijn zoon, die het uiteindelijk veertien jaar geleden, verpacht heeft aan mij. Wel,' zegt Kootje de Beer. 'Dit bedrijf is bedoeld als een oord van rust en ontspanning voor de werkende stand van deze buurt. Het zijn hier allemaal mensen met een zware dagtaak, en het is dus begrijpelijk, dat deze mensen na gedane arbeid behoefte hebben aan een half uurtje napraten in een omgeving die ze beschermt tegen het lawaai van de wereld, waarin wij helaas verplicht zijn te leven. Daar kan uiteraard,' zegt Kootje de Beer, 'een goed stuk muziek het zijne toe bijdragen, om maar iets te noemen: een aria uit de Parelvissers, of een klassiek werk a la de Kleine Nachtmuziek van Mozart, en zélfs, indien het vakkundig en met liefde gemaakt is, een ultra-modern beat-nummer, zoals Yesterday van de Beatles, dat kan allemaal, zolang het bescheiden op de achtergrond blijft, en niet ontaardt in een onbeheerst en volslagen zinloos gestamp en gedreun, waardoor mijn klanten beneden de stukken kalk om de oren vliegen! Zelfcontrole!' roept Kootje hartstochtelijk uit. 'Dat geldt niet alleen voor de ouderen onder ons, maar ook voor de jeugd!' 'Daar ben ik het helemaal mee eens!' zegt Tante Door, die al die tijd gedwee naar Kootje de Beer heeft staan luisteren. 'Het enige wat ik je zou willen vragen, Ko,' gaat ze verder, 'is of je de jongelui niet nog een paar dagen hun gang wil laten gaan, om zich voor te bereiden op de kerstshow. Die ze geheel belangeloos bij jou in de zaak willen brengen,' voegt ze er snel ter verduidelijking aan toe, 'ten bate van de Kerstpakketten Actie voor Bejaarden.'

Wel - ik zie dat Kootje even verbluft is door deze verrassende mededeling, en niet goed weet wat hij daarop moet antwoorden, en op hetzelfde moment word ik aangesproken door een mij onbekend manspersoon met een grote rossige snor en een kaal hoofd, die achter mij is binnengekomen en mij vraagt of ik hem kan zeggen waar hij de heer Kootje de Beer kan vinden. Dus ik wijs naar het podium, en de man ziet Kootje daar staan, met Rosita en Tante Door, en hij zegt tegen mij: 'Och, zou u misschien zo vriendelijk willen wezen om hem te vragen of hij even bij me wil komen?' Dus ik loop naar het podium en zeg tegen Kootje d'r is iemand om je te spreken, en met dat ik dat zeg zie ik Doortje naar de deur kijken, en zichtbaar verbleken, en meteen daarop angstvallig wegkruipen tussen de menigte, en tegelijk hoor ik de stem van Rosita, die roept: 'Vader! Dat is aardig, dat je even komt kijken!'

Dus de man met het kale hoofd en de rossige snor blijkt niemand anders te zijn dan de vader van Rosita, en de broer van Tante Door, en een van de redenen dat hij hier naar toe is gekomen is om Kootje de Beer te bedanken voor het gastvrije onthaal van zijn dochter, want, zegt Nico Lefèvre, 'ik weet hoe moeilijk het is om in deze stad een kamer te vinden, en zeker een ruimte waar een meisje van twintig zich zo in kan uitleven als Rosita hier heeft gedaan!'

'Och,' zegt Kootje de Beer bescheiden, 'toen ik hoorde dat die schuit was gezonken kon ik toch moeilijk zeggen nee, je komt er niet in!'

Ondertussen probeer ik uit te vissen waar Tante Door is gebleven, en ten slotte vind ik haar terug ergens achter het podium, bijna geheel verscholen achter het drumstel. 'Ik heb u, geloof ik, niet goed verstaan,' zegt Nico Lefèvre tegen Kootje de Beer. 'Zei u gezonken?' 'Jazeker!' zegt Kootje. 'Dat zei ik!'

'Maar,' vraagt Nico Lefèvre verbaasd, 'hoe bedoelt u dat? Welke schuit is gezonken?' 'De schuit waar uw dochter op leefde!' 'De schuit waar mijn dochter op leefde?' 'Ja!'

'Maar mijn beste meneer de Beer!' De fotograaf doet nu hoogst verwonderd. 'De schuit waar mijn dochter op leefde ... daar kom ik net vandaan! Ja! Hij lag eerst in de Brouwersgracht, daar moest ie vandaan van de politie, toen is ie op eigen kracht weggevaren naar de Vlothaven, en daar ligt ie nu, keurig aan de wal, sinds vrijdagmiddag! Ik wil niet zeggen,' voegt de spijzenfotograaf er aan toe, 'dat je 't kan vergelijken met een luxe jacht, maar we moeten het nu ook weer niet overdrijven!' Inmiddels zijn zowel Tante Door als Rosita geheel uit het gezichtsveld verdwenen, en ik zie Kootje met woest rollende ogen de boetiek afzoeken, terwijl Nico Lefèvre voortgaat met het zich uitputten in vriendelijke woorden en dankbetuigingen aan het adres van de gastheer van zijn dochter.

'En dan is er nog iets,' zegt hij ten slotte. 'Ik heb begrepen dat er nog een persoon een belangrijke rol heeft gespeeld in het opvangen van Rosita, en dat is de vrouw waar ik al jaren niet meer mee spreek om de een of andere kinderachtige reden, maar die ik uiteindelijk toch een zeer warm hart toedraag, al was het alleen al vanwege het feit dat zij vanaf mijn prilste kinderjaren, die ik als wees heb moeten doorbrengen, altijd als een moeder voor mij heeft gezorgd. Ik spreek nu over mijn zuster,' zegt Nico Lefèvre, en ik weet het niet zeker, maar ik heb het gevoel, dat hij doelbewust zijn stem wat luider laat klinken, 'mijn eigen zuster Doortje, die zoals u weet de eigenares is van de wassalon hiernaast. Het liefste was ik persoonlijk naar haar toegegaan om haar te bedanken voor wat zij voor mijn kind heeft gedaan, maar helaas is onze verstandhouding niet van dien aard, dat ik gewoon in haar winkel kan binnenlopen, en daarom, meneer de Beer, zou ik u willen vragen of u mij het genoegen zou willen doen ...'

Op dit ogenblik zie ik iets bewegen achter de manshoge kerstboom, die links van het podium staat opgesteld, en blijkbaar ben ik niet de enige die dit heeft waargenomen, want midden in de woorden van Nico Lefèvre klinkt plotseling de stem van Kootje de Beer, die buldert: 'Tante Door! Zou je zo vriendelijk willen wezen achter die boom vandaan te komen!'

Er gebeurt aanvankelijk niets, behalve dan dat alle aanwezige hippies verschrikt naar Kootje de Beer kijken, die zo hevig staat te snuiven dat ik het ergste begin te vrezen voor zijn zelfcontrole. Ik wil hem net toefluisteren dat het hoog tijd wordt om weer eens een beeld uit zijn kinderjaren op te roepen volgens de methode van dokter Langewaal, als ik plotseling het gezicht van Nico Lefèvre een ingrijpende verandering zie ondergaan. Zijn ogen, die mij tot nog toe vrij dof en onpersoonlijk toeschenen, beginnen te gloeien als smeulende stukjes houtskool, wanneer je er zachtjes tegen blaast. De mondhoeken trekken recht, met het gevolg dat de punten van zijn snor omhoog beginnen te krullen en het hele uiterlijk van Nico Lefèvre iets hemels over zich krijgt, zoals je wel eens ziet bij ouders van muzikale kinderen, tijdens het luisteren naar hun eerste optreden in het openbaar. Ik geef Kootje een por in z'n zij, en wenk naar Nico Lefèvre, en Kootje ziet nu ook dat de broer van Tante Door in een soort van verheven gemoedstoestand is geraakt, en alles om zich heen vergetend langzaam een paar stappen voorwaarts doet in de richting van de met glimmende ballen en klokjes volgehangen spar. De hippies wijken eerbiedig opzij, en terwijl ik met voldoening constateer dat het gesnuif van Kootje de Beer weer teruggekeerd is tot een tempo van één per seconde, hoor ik de stem van Nico Lefèvre, die nu met z'n rug naar ons toestaat.

'Doortje,' zegt de spijzenfotograaf op een toon waar ik zeer slecht tegen kan, 'Doortje ..., ik geef toe dat er bepaalde dingen in het leven zijn waar een mens niet zo makkelijk overheen kan stappen, maar Doortje...,' hij hapert even, schraapt zijn keel, en gaat verder:'.. . het moet toch mogelijk zijn om op een gegeven moment een streep onder het verleden te zetten en tegen mekaar te zeggen: laten we het vergeten! Laten we weer als goede vrienden door het leven gaan, jij en ik, zoals we altijd geweest zijn. Door ..., Doortje . .., hoor je me? Ik ben het. Je broertje. Nico.'

Wel - ik wil eerlijk bekennen dat ik echt wel eventjes moeite heb om me goed te houden, en Kootje de Beer heeft het ook al te kwaad en worstelt opeens met iets dat lijkt op een neusver-koudheid, ofschoon hij volgens mij zo gezond is als een vis, en het volgende ogenblik zien we Tante Door achter de kerstboom vandaan komen, met een behuild gezicht, de armen voor zich uitgestrekt, en op de voet gevolgd door Rosita.

Ik voel dat mijn ogen nu werkelijk knap vochtig beginnen te worden, en misschien komt het daardoor dat ik twee Tante Doortjes zie en twee Nico Lefèvres, die elkaar om de hals vallen, terwijl ik heel duidelijk de stem hoor van één Tante Door, die roept: 'Eén ding vergeef ik je nooit, en dat is dat je me vier jaar lang hebt laten darren, voordat je het eindelijk nodig vond om het weer goed te maken, stuk ellende, dat je d'r bent!'

8

Dus die zaterdagavond is er groot feest in 't Schaep, met levende muziek van de Uni Sex Ambassadors, en ik ben er bij als Tante Door binnenkomt met een kerstpakketje voor Kootje de Beer, dat de broek blijkt te bevatten van z'n nette pak, die indertijd was zoekgeraakt maar uiteindelijk dus toch nog boven water is gekomen, hetgeen, zegt Tante Door, een bewijs is van het feit dat er bij mij nooit wat verloren gaat! En verder heb ik nog een interessante mededeling: Nico is terug bij zijn vrouw! 'Zo?' zegt Kootje de Beer. 'Dat is inderdaad prachtig nieuws!' 'Het wordt nog veel prachtiger,' zegt Tante Door, 'als je hoort wat daarvan de gevolgen zijn voor jouw bovenetage!' Dus Ko is meteen een en al aandacht en Tante Door vertelt dat alles weer pais en vree is tussen Nico en Ali, en dat Nico z'n vroegere atelier weer heeft betrokken op het oude adres in West, zodat de studio in de Goudsbloemstraat nu leegstaat en door Nico in zijn geheel ter beschikking is gesteld van Rosita! 'Je moet morgen maar even gaan kijken,' zegt Tante Door. 'Het is een ideale ruimte voor een boetiek, en daarboven is nog een etage, waar het kind net zo vrij is om te gaan en te staan waar ze maar wil. Woensdag gaat ze verhuizen, en ik ben daar,' zegt Tante Door, 'als je 't me nou heel eerlijk vraagt eigenlijk wel een beetje blij mee, want vanaf de dag dat ze hier introk, heb ik altijd gevonden dat een kroeg niet bepaald de aangewezen omgeving is voor een kind als Rosita. Maar achteraf,' zegt Tante Door, 'heb ik er toch ook weer geen spijt van dat ik dat kind die vrijdagmiddag met haar kop onder de kraan heb gehouden, en met modder ingesmeerd, want als ik dat niet had gedaan, had ik misschien nóg tien jaar op m'n broer kunnen wachten!' En meteen daarop loopt Tante Door naar de biljartruimte om het lied te gaan zingen dat door Kootje speciaal voor de gelegenheid gemaakt is, en later een enorme topper is geworden in de grammofoonplatenbusiness, ondanks, of misschien wel dank zij het feit dat het door de hele progressieve pers voor reactionair is uitgekreten, al was het alleen al vanwege de titel, die rechtstreeks gericht is op alle aardige hippies van deze tijd, en luidt: 'Het zal je kind maar wezen!'