DE ZAAK VAN DE ZILVEREN KNAAK

1

Een van de belangrijkste redenen waarom ik zo gek ben op 't Schaep met de 5 Pooten, is, dat er altijd van alles gebeurt, zonder dat er ooit iets verandert. Tante Door blijft maar om Kootje de Beer heendraaien, en Kootje de Beer ligt voortdurend overhoop met zijn twee moeilijke dochters, en leeft zijn gramschap dan maar weer uit op de arme Lukas Blijschap, die al duizend keer heeft geroepen, dat hij het niet langer pikt, maar ten slotte alles neemt, behalve zijn ontslag - kortom een verrukkelijk stramien: iedereen is voortdurend in beweging, en niemand komt ooit een stap van z'n plaats.

Toch heb je van die situaties - en dat is juist het leuke d'r van! - waarin je denkt: nu gaat het wérkelijk mis, en een van die situaties doet zich voor in de tweede helft van maart, als Kootje geveld is door een heftige aanval van spit, en geen vin kan verroeren en op bed moet worden bediend met gloeiende kruiken en hete grokken, en wat hij maar verder kan bedenken om Lu-kas Blijschap de achtentwintig steile treden naar zijn slaapkamer op en af te laten sjouwen. Een speciale babyfooninstallatie is daartoe aangelegd vanaf het nachtkastje rechtstreeks naar de tapkast, en om de zoveel minuten klinkt de klaaglijke stem van Kootje de Beer door het café: 'Lukas ... ik lig met een ijskoue kruik...' of 'wanneer krijg ik nou nog eens de krant!' en dat soort treiterige orders van een lastige patiënt.

Ondertussen gaat het leven natuurlijk gewoon door, en in het café is alles dus bij het oude, met dit verschil dat Tante Door nu als tijdelijke hulp achter de tapkast is ingesprongen, en enorm op de vingers wordt gekeken door de kenners, bij ieder glas bier dat ze tapt.

'Het is en het blijft een gave,' zegt Arie Balk, met een misprijzende blik op de pils die Tante Door zojuist voor hem heeft ingeschonken. Tante Door is beledigd.

'Wat nou!' Ze toont het glas aan de rest van het gezelschap. 'Als iemand mij kan vertellen wat hieraan mankeert, hou ik me aanbevolen! Lukas ... jij als vakman . ..' 'Mag ik het even vasthouden, Tante Door?' Lukas Blijschap neemt het glas van haar over, en houdt het tegen het licht. 'Het spijt me heel erg, Tante Door,' zegt hij dan, 'maar ik moet inderdaad constateren dat er een zeer belangrijk bestanddeel van datgene wat Arie besteld heeft, in te geringe mate aanwezig is. Arie, wat had jij besteld?' 'Een glas bier,' zegt Arie. 'Juist. Dus wat verwacht je dat je krijgt?' 'Een glas bier!' 'En wat krijg je?'

'Een glas schuim,' zegt Arie Balk.

'Zeg, maak het nou!' roept Tante Door. 'Wou je bier hebben zonder manchet!'

'Nee,' zegt Arie. 'Maar dit is een manchet zonder bier?' Affijn - iedereen moet daar erg om lachen natuurlijk, maar Tante Door laat zich niet zo gauw in een hoek drijven. 'Huipie! Als ouwe bierdrinker . . . wat is de officiële dikte van de manchet?'

'Dat wisselt per volk,' zegt Huipie van Duivenbode. 'De doorsnee Duitser is een liefhebber van overvloedig schuim, maar de doorsnee Engelsman daarentegen ...' 'We hebben het nou over de doorsnee Nederlander,' zegt Tante Door ongeduldig. 'Hoe dik mag ie wezen? Vijf centimeter? Tien?'

'In centimeters zou ik het niet weten,' antwoordt Huipie van Duivenbode, 'maar bij de nationale biertapwedstrijden wordt hier in Nederland een officiële maat aangehouden van twee vingers dik.'

'Aha!' roept Arie Balk. 'Wilt u even controleren, mevrouw de biertapster? Hoeveel zijn dit er?' Hij legt zijn brede kraandrijvershand tegen het schuimende glas. 'Drieëneenhalf! Maar goed,' hij houdt het glas omhoog en knikt Tante Door gemoedelijk toe, met dichtgeknepen ogen, 'we zitten hier niet om mekaar het leven te verzuren. Op je gezondheid, Door!'

Affijn - ik bedoel maar: dit is weer eens een van die bekende gezellige borreluurtjes in 't Schaep, waarin niets de rust lijkt te kunnen verstoren. Maar dan opeens .. .

'Hallo!' klinkt krakend de stem van Kootje de Beer uit de babyfoon, 'hallo! is de weledelgeboren heer Blijschap aanwezig? Hallóóó!'

'O god!' Lukas maakt een wurgend gebaar met beide handen. 'Ik krijg d'r wat van!'

'Hou je in, Lukas,' zegt Tante Door, en drukt op het knopje van de babyfoon. 'Ja, Ko?'

'De heer Blijschap ... kan ik die even persóónlijk te spreken krijgen?'

'Ogenblikje. Lukas ...'

Ze gebaart heftig in de richting van Lukas om niet toe te geven aan zijn drift, en Lukas doet inderdaad z'n uiterste best, buigt zich over de babyfoon, en zegt, nadat hij eerst even krachtig heeft geslikt: 'Ja, Ko? Wat kan ik voor je doen?'

'Mag ik je even iets voorlezen, Blijschap?' De stem van Kootje de Beer heeft de kille klank van een computer. 'Ik heb hier voor mij de gebruiksaanwijzing van de medicamenten, die ik drie keer per dag moet innemen. Daarop staat het volgende geschreven: bij de eerste symptomen van spit, ischias of aanverwante spieraandoeningen neme men twee tabletten, bij voorkeur met een alcoholische drank ... Is dat goed ontvangen, Lukas Blijschap?'

'Jawel, Ko,' zegt Lukas, bewonderenswaardig kalm. 'Dat is uitstekend ontvangen. Maar wat wil je daarmee zeggen?'

'Daar wil ik mee zeggen,' komt de stem uit het heelal, 'dat ik alweer twintig minuten achter lig op het schema, omdat mijn geachte verpleger het iedere keer weer verdómt om op tijd mijn cognac naar boven te brengen! Tien voor half zeven! En zes uur was de tijd voor de tabletten! Hallo! Ben je daar nog, Blijschap?'

'Jazeker. Ik ben d'r nog.'

'Zou je dan niet een keertje opschieten! Ik dacht, dat je al onderweg was! Over en sluiten!'

We horen de bekende klik, en het gesprek is ten einde. Lukas staat wit en trillend bij het apparaat, en naar zijn houding te oordelen volledig bereid om het onmiddellijk in mekaar te stampen bij het eerste het beste geluid, dat er nog uitkomt. Maar gelukkig. Het blijft stil.

Na enkele seconden ontspannen zich Lukas' verkrampte vingers, en het gevaar is geweken. Hij richt zich op, merkt dat we hem allemaal nieuwsgierig zitten aan te kijken, en wendt dan haastig de blik af naar Tante Door.

'Ik zal je wat vertellen,' zegt hij tegen haar. 'Ik zal hem bedienen. Hij krijgt z'n cognac. Maar nog één keer deze toon, nog één keer, en ik pak m'n jas, ik pak m'n muts, en ik ben vertrokken. Dan mag meneer aan den lijve ondervinden wat het betekent vandaag aan de dag een nieuwe kelner te zoeken!' Hij rukt een fles Hollandse cognac uit het buffet, zet met een klap een glaasje op zijn ronde bruine dienblad, en schenkt driftig in, zodat het kostelijke koetsiervocht alle kanten uitspat, Is dat zo?' vraagt Tinus de Toeper, om Lukas te stangen. 'Is het werkelijk zo moeilijk om een kelner te vinden tegenwoordig?'

'Een goeie kelner wel.' Huipie van Duivenbode doet dapper mee. 'Ja, hoor! Een goeie kelner is net zo zeldzaam als zoet zeewater. Hè, Luuk?'

Lukas reageert niet op het gevoer van de gasten. Hij ramt de kurk op de fles en zegt tegen Door: 'Mij zo te behandelen heeft niemand het recht toe! Ik heb niet gestolen, ik heb de boel niet in brand gestoken, ik heb z'n dochters niet aangerand .. ., het enige wat ie mij kan verwijten - en dat doet ie dan ook duizend keer op een dag - is, dat ik hem beleefd gevraagd heb om even die juke-box op te tillen om te kijken of d'r misschien een zilveren knaak onder lag. Kan ik het helpen dat er dan opeens de spit in z'n rug schiet!'

'Toe nou maar,' zegt Tante Door, die het verhaal nu ook wel vaak genoeg gehoord heeft, 'breng 'm nou maar z'n glaasje. Voordat ie wéér begint te brullen ...' Ze hoort Lukas iets onverstaanbaars mompelen. 'Wat mopper je nou?' 'Ik zeg: de wereld is groter dan 't Schaep met de 5 Pooten! 'O ja,' zegt Tante Door. 'Dat valt inderdaad niet tegen te spreken.'

'De enige die dat nog niet schijnt te hebben begrepen,' zegt Lukas, 'is de meneer die daarboven ligt te commanderen!'

Hij zet het dienblad op de vlakke hand, en loopt ermee naar de deur, die toegang geeft tot de bovenetage en zolang als ik in deze zaak kom, klemt.

'Lukas!' roept Tinus hem na. 'Denk erom: een goeie kelner hoeft zich niets te laten welgevallen!'

'Even op je vingers fluiten,' valt Arie Balk hem bij, 'en de bazen komen van alle kanten aangerend!'

'Meneer Hilton staat al met open armen op je te wachten,' voegt Huipie van Duivenbode er aan toe.

Ondertussen heeft Lukas de klemmende deur geopend door met zijn volle gewicht op de kruk te leunen en tegelijkertijd een stap achteruit te doen - dit alles uiteraard met in de andere hand het dienblad, en zonder een druppel te morsen, wat ik in de gegeven omstandigheden maar een formidabele prestatie vind van Lukas - en nu staat hij voor de steile trap, kijkt omhoog en zegt tegen de leegte daarboven: 'De middeleeuwen ... daar had meneer zich waarschijnlijk lekker in thuis gevoeld. Maar jammer! Wij leven toevallig niet in de middeleeuwen!' Hij haakt zijn voet om de deur, en onttrekt zichzelf aan het gezicht door hem met zijn been naar zich toe te halen, en vervolgens met de hand te sluiten.

'Zo,' zegt Tinus de Toeper, 'dat hebben we ook weer gehad.' En we moeten allemaal nog een beetje nagniffelen om Lukas, en Huipie zegt: 'De eerste de beste dag dat Lukas hier in dienst kwam, was het al mis tussen die twee,' en Arie voegt daar lachend aan toe: 'en over vijfentwintig jaar is het nog precies hetzelfde!' maar Tante Door is de enige die daar niet zo zeker van is.

'Nee,' zegt ze. 'Ik kan niet precies uitduiden waarom, maar het zit me niet lekker. Op de een of andere manier is deze heibel anders dan anders. Minder goedaardig, weet je wel.' 'Ach kom,' zegt Tinus de Toeper. 'Jij ziet spoken. Voor mij is er niks bijzonders aan de hand. 't Is gewoon de bekende bonje!'

'Nee, nee,' zegt Tante Door zeer beslist, 'het is niet de bekende bonje. Deze gaat dieper.' 'O ja? Waar gaat het dan om?'

'Het gaat,' zegt Tante Door met een ernst, waar zelfs Tinus een beetje van schrikt, 'het gaat om een principiële zaak. Je weet dat Lukas gedwongen is op korte termijn een nieuwe woning te vinden, vanwege het tegen de vlakte gaan van het huis waarin hij zit. Wel,' zegt Tante Door, 'nu heeft Kootje hem indertijd aangeboden de bovenetage te betrekken, waar vroeger z'n dochters hebben gewoond, en die nu leeg staat sinds de dames de deur uit zijn. Daar is toen die kwestie met Rosita tussen gekomen, kan je je nog herinneren, dat nichtje van me, dat hier toen die boetiek is begonnen?'

'Ja,' zegt Tinus, 'ik ben wel kort van memorie, maar bepaalde dingen vergeet ik van m'n leven niet meer.' 'Goed,' zegt Tante Door. 'Toen is Rosita weer vertrokken met de Kerstdagen, weet je nog wel, en vanaf dat moment is er eigenlijk alsmaar onenigheid geweest tussen Kootje en Lukas over de vraag of Lukas nou wél of niet boven de zaak zou komen wonen. In stilte natuurlijk, niemand heeft het gemerkt, maar ik wel,' zegt Tante Door, 'want ik zit er dagelijks met m'n neus bovenop.'

'En,' zegt Tinus, 'zij kijkt goed uit haar doppen!' 'Had je daar bezwaar tegen?'

'Nee, nee,' zegt Tinus. 'Ik wil alleen maar zeggen: Tante Door is van alles zeer goed op de hoogte!'

'Gelukkig wel,' zegt Tante Door, en gaat verder: 'Nu is het langzamerhand zo dat Lukas wel begrepen heeft hoe moeilijk het is om iets te vinden naar je zin. Tot aan IJmuiden toe is ie geweest, en overal diezelfde flatjes, weet je wel, waar iedereen voor iedereen kan doodvallen, dus niks voor Lukas, na wat ie gewend is geweest in de Haarlemmer Houttuinen. Dus uiteindelijk . . . wat wou je zeggen, Arie?'

'Nee, niks,' antwoordt Arie, ofschoon hij wel een zeer bedenkelijk gezicht had getrokken bij de opmerking van Tante Door over de Haarlemmer Houttuinen.

'Dus uiteindelijk,' hervat Tante Door, 'heeft Lukas er toch wel oren naar om hierboven te komen intrekken, maar... en nu doet zich een tweede probleem voor. .. Hij heeft van Kootje geëist dat Kootje verhuist naar de eerste etage, en dat hij, Lukas, de tweede etage krijgt, met het platje.' 'Heeft de eerste etage geen platje?' vraagt Tinus de Toeper. 'Nee. De eerste etage heeft een uitbouw, boven de keuken, weet je wel, en boven die uitbouw zit dat platje. Met de hele dag zon. En geen inkijk. Dus daar heeft Lukas wel trek in.' 'Maar Kootje wil niet verhuizen,' zegt Tinus de Toeper. 'Nee Kootje zegt: als jij hier boven komt wonen, op de eerste etage, vlak boven de zaak, dan heb je méér dan je ooit waar dan ook, in de stad of buiten de stad, voor die prijs zal kunnen bemachtigen, en ik zie dus, zegt Kootje, geen enkele reden om dan ook nog mijn boeltje in te pakken, en het enige plekje dat ik heb in de zon, onder m'n achterste te laten wegpikken. Nou,' zegt Tante Door, 'en daar zijn ze nou al dagen over aan het kiften, net twee wijven om een kerel.'

'Je noemde het een principiële zaak,' zegt Huipie van Duivenbode.

'Ja! Dat is het toch ook? Of vind je van niet?' 'Nee, nee,' zegt Huipie. 'Je hebt wel gelijk. Het gaat om het principe.'

Affijn - ook de anderen zijn het er allemaal over eens dat een bonje om een principe inderdaad veel dieper gaat dan een bonje om een materiële kwestie, zoals bijvoorbeeld indertijd dat gat in de biljartvloer, en iedereen vindt ook dat die kwestie van het platje gerekend moet worden tot de zaken van principiële aard, en Huipie doet zelfs de suggestie dat het best mogelijk is dat Kootje de Beer daar ziek van is geworden, maar Tinus wuift de opmerking weg met de woorden: 'Nou moet je wel even oppassen dat je het niet te bont maakt. D'r zijn natuurlijk een hoop oorzaken voor allerlei rottige ziektes, maar dat iemand spit in zijn rug krijgt ten gevolge van een principieel meningsverschil, nee, dat wil er bij mij niet in.'

'Is de dokter eigenlijk al geweest?' informeert Huipie bij Tante Door.

Het antwoord van Tante Door is nee, dus Huipie wil weten

waarom niet, en Tante Door zegt dat huisartsen tegenwoordig alleen nog maar komen als de patiënt halfdood in z'n bed ligt, en dan zorgt de huisarts, zegt Tante Door, voor de andere helft. 'Nee, maar zonder gekheid,' zegt ze daarna, 'Kootje heeft nog maar geen dokter geraadpleegd, want dat vindt ie overdreven, zegt ie, voor een eenvoudig spitgeval.'

'Hoe weet Kootje dat eigenlijk,' zegt Huipie, 'dat het een spitgeval is?'

'Natuurlijk is het een spitgeval! 't Schoot er toch opeens in!' 'Nou en? Daarom kon het nog wel een beschadiging zijn van een rugwervel of wat daar verder nog zit! Denk maar aan Gijsie de Goede. Arie hoe lang ligt die man al plat op een plank?' 'Een maand of acht.'

'Zo iets, ja. En 't is de vraag of de man ooit weer normaal zal kunnen lopen. En weet je wat ie heeft? Een verwaarloosde spit!' 'Ja, dat is zo,' zegt Arie. 'Als ze bijtijds hadden ingegrepen was het waarschijnlijk nog te verhelpen geweest, maar doordat ie weigerde een dokter d'r bij te halen, is die ziektekiem gaan doorvreten, heeft zich genesteld in de wervelkolom, daaruit is toen een verzwering ontstaan, met het gevolg ...' 'Hè gètverdèrrie!' roept Tante Door, 'weten jullie niks gezelligers te bedenken!'

'Nee, Door ...' Tinus doet er nog een schepje bovenop. 'Wat Huipie zegt, is waar. Dat een ziekte zich opeens openbaart, wil niet zeggen dat er niet al heel lang de een of andere bacil heeft zitten knagen aan het gezonde weefsel. Hoe vaak gebeurt het niet dat iemand rustig plaatsneemt aan tafel, een flink bord boerenkool-met worst verorbert, en een kwartier later met spoed moet worden opgenomen voor een galblaasoperatie! Dat is dan niet,' zegt Tinus, 'omdat die ziekte d'r plotseling inschiet, maar een oude verborgen kwaal, die daar allang zat te broeien, is in één keer actief geworden!' 'Je bedoelt,' zegt Arie, 'dat het geen spit is, maar iets wat daar al heel lang heeft zitten donderjagen.'

'Mag ik de heren even interrumperen,' zegt Tante Door, en geeft een harde klap op de tapkast, zodat de glazen ervan rinkelen en Ome Nelis, die aan de andere kant van de balie was ingedut, wakker schrikt. 'Degene,' zegt Tante Door op een dreigende toon, 'die nog één keer begint over galblazen, nierstenen, maagkolieken of welk soort enge ziekte dan ook, zal door mij persoonlijk dusdanig onder handen worden genomen, dat hij inderdaad binnen de kortst mogelijke tijd kennis zal maken met de zegeningen van het moderne ziekenhuiswezen! Er wordt hier, in mijn aanwezigheid, niet meer over ziektes geleuterd - we zijn hier in een café en niet in de wachtkamer van de polikliniek!'

'Ja, zeg!' roept Tinus mokkend, 'als we nou ook al niet meer over ziektes mogen praten, waar moeten we 't dan over hebben!'

Wel - waar we 't over moeten hebben lijkt mij op dit moment geen probleem, want iemand begint van de binnenkant uit hard tegen de deur van de bovenetage te duwen, en die iemand is natuurlijk niemand anders als Lukas Blijschap, die met elleboog, schouder en knie probeert de klemmende deur te openen, zich vervolgens er met zijn volle gewicht tegenaan werpt, en - omdat de deur daardoor openschiet - op een nogal potsierlijke manier de gelagkamer komt binnenvallen. Een dienblad met enkele borden, glazen en bestek weet hij nog net boven zijn hoofd in evenwicht te houden, maar niet zodra heeft hij zijn eigen balans hervonden of hij smijt de hele troep op de tapkast, loopt naar de kapstok, rukt zijn jas en bontmuts er af, en begeeft zich resoluut naar de uitgang.

'Ik heb het van tevoren aangekondigd,' zegt hij, zich omdraaiend voor het groene pluche gordijn in de deuropening, 'nog één keer, heb ik gezegd, en de maat is vol!' Hij drukt krachtig de muts op zijn hoofd. 'Mijn werkgever,' gaat hij verder, 'heeft het zo juist nodig geoordeeld het woord profiteur van toepassing te brengen op iemand, die elf jaar lang niet anders gedaan heeft dan zich helemaal gegeven voor deze zaak! Profiteur heeft hij mij genoemd!'

Hij blijft even zwijgend staan, om goed te laten zien hoe iemand, die door Kootje de Beer een profiteur wordt genoemd, er uitziet. Dan werpt hij de jas met een zwierig gebaar als een cape om de schouders, zegt: 'Mevrouw, mijne heren ... ik heb de eer u te groeten,' draait op zijn tenen een halve slag rond, en verdwijnt door het gordijn als een acteur achter het doek, na het laatste applaus.

Wel - het doek blijft dicht, en we zitten allemaal toch wel een beetje verbouwereerd te kijken, en Tante Door is de eerste die haar hersens weer bij mekaar weet te rapen. 'Tinus,' roept Tante Door, 'd'r achteraan! Gauw! Haal hem terug!'

'Haal hem terug?' zegt Tinus. 'Jij hebt makkelijk praten! De man is tot in het diepst van zijn ziel gegriefd! Heb je niet gehoord wat z'n baas .. .'

'Zeur niet,' zegt Tante Door. 'Zet je pet op, en ga 'm achterna. En Arie, ga met 'm mee.'

ik?' zegt Arie.

'Ja, schiet nou maar op!'

'Wat moet ik dan doen?' vraagt Arie.

'Kom nou maar, Arie,' zegt Tinus, met z'n pet al op, bij de uitgang. 'Kom nou maar mee. We zien wel wat we doen.'

Dus Tinus en Arie vertrekken, en wij blijven achter in het café met een man of veertien, vijftien (de klaverjassers, biljarters en schakers inbegrepen) en degeen, die uiteraard het meeste belang heeft bij een snelle terugkeer van Lukas is Tante Door, want, zegt Tante Door, 'het zal je maar gebeuren om als leek helemaal in je eentje een stelletje gewoontedrinkers te moeten bedienen!'

Dit laatste trekt Huipie van Duivenbode zich persoonlijk aan, want hij is niet wat je noemt een gewoontedrinker, zegt ie, maar veeleer een gezelligheidsdrinker, en Tante Door antwoordt weer, dat dit in feite op hetzelfde neerkomt, want zowel Huipie van Duivenbode als alle andere makkers uit 't Schaep plegen van de gezelligheid een gewoonte te maken, en midden in deze interessante discussie komt er opeens weer een signaal uit de babyfooninstallatie, en de stem van Kootje de Beer schalt door het café, en vraagt, met een vermoeide klank: 'Hallo, hallo ... de heer Lukas Blijschap .. . kan die even aan het toestel komen?'

Of dit nu komedie is van Kootje de Beer, of een ongelooflijk staaltje van naïviteit, zou ik echt niet kunnen zeggen, maar in ieder geval, Tante Door springt bijna uit haar vel van kwaadheid en begint hem uit te veteren door de babyfoon, en te vragen wat zich in godsnaam daarboven heeft afgespeeld tussen die twee, en Kootje antwoordt, dat hij Lukas de waarheid heeft gezegd, en Tante Door wil weer weten waaruit die waarheid dan wel bestond, en Kootje vraagt of ze dat werkelijk exact wil weten, en ja, zegt Tante Door, 'dat wil ik nou wel eens exact van je weten, Kootje de Beer!'

'Goed,' zegt de stem aan de andere kant van de lijn. 'Dan zal ik het je vertellen. Ik heb tegen de heer Blijschap gezegd, dat hij mij met moedwil die spit heeft bezorgd. Met de vóóropgezette bedoeling om mij weerloos te maken. Zodat ik,' zegt de stem van Kootje de Beer, 'op een gegeven ogenblik wel zal móéten verhuizen naar de eerste etage. Dat heb ik tegen de heer Blijschap gezegd.'

Sommige mensen halen zich, tijdens een ziekte, de vreemdste dingen in hun hoofd, en Tante Door antwoordt dan ook door de babyfoon, dat ze al deze koortsfantasieën maar op rekening zal schrijven van Kootje z'n spit, maar het antwoord van Kootje de Beer luidt kort en krachtig: 'Juffrouw Lefèvre, mijn rug is gebroken, maar mijn hersens werken nog prima! En zou u mij nu,' gaat de stem verder, 'niet langer willen lastig vallen, zodat ik mij eindelijk in alle rust kan wijden aan mijn genezing! Over en sluiten!'

'Goed, hoor,' zegt Tante Door, 'blijf jij maar liggen waar je ligt, en verroer je niet!' En tegen ons, nadat ze de verbinding heeft verbroken: 'Maar ik kan jullie wel vertellen ... als Lukas niet binnen het kwartier terug is op z'n basis, dan kan de baas daarboven zich rustig wijden aan z'n genezing, maar dan sluit ik de tent!'

'Méént Kootje dat nou,' vraagt Huipie van Duivenbode, 'wat ie daar allemaal beweert?'

'Ach,' zegt Tante Door. 'We zullen het hem maar niet euvel duiden. Dat hoort waarschijnlijk bij het ziektebeeld.'

'Maar hoe kan iemand nou zeggen, dat een ander hem met moedwil een aanval van spit heeft bezorgd?'

'Weet je dan niet wat er gebeurd is?'

'Nee,' zegt Huipie. 'Ik weet nergens van.'

'De hele zaak,' zegt Tante Door, 'is begonnen om een zilveren knaak. Zie je die juke-box? Nou. Van de week 's avonds, na het sluiten, laat Lukas met afrekenen een knaak vallen, en die rolt dwars door de hele zaak, over de vloer, ónder de juke-box. Althans,' Tante Door komt onder het praten achter de tapkast vandaan, en loopt naar de juke-box om beter te kunnen demonstreren hoe het gegaan is, 'althans,' zegt ze, 'Lukas bewéért dat die knaak d'r onder is gerold, en of Kootje nou zegt laat nou maar, bij de schoonmaak gaat dat zware ding opzij, en dan komt die knaak vanzelf weer boven water, nee! Lukas zal en moet dat geldstuk - waarom mag de goeie god weten - nóu hebben! Dus, Huipie,' zegt Tante Door, 'je voelt zeker al wat er komt. Op een gegeven ogenblik krijgt Kootje genoeg van dat gezeur aan z'n kop, en hij zegt tegen Lukas oké, jij je zin! Hij gaat naar de juke-box, hij bukt zich, hij slaat zijn armen d'r omheen, en je ziet wel, Huip,' zegt Tante Door, die elke door haar beschreven handeling ook precies zó voordoet, 'je ziet wel: dat ding heb je nergens houvast aan, dus Kootje staat helemaal buiten z'n macht... hij weet 'm toch nog een end van de vloer te krijgen, maar inene geeft ie een kreet, hij laat 'm vallen, Lukas kan nog net z'n kop terugtrekken, en Kootje blijft zó staan!' Ze laat zien hoe Kootje bleef staan, en strompelt vervolgens tussen de tafeltjes door. 'En zó heeft Lukas hem de trap op moeten krijgen,' besluit ze giechelend, en botst tegelijkertijd bijna tegen een geheel in het wit en uiterst elegant geklede bezoekster op, die zojuist is binnengekomen, en nu stralend om zich heen kijkt met een gezicht van kennen-jullie-me-niet-meer, en ons vervolgens allerhartelijkst toeroept: 'Goedenavond, samen. Hier was ik weer!'

Zonder die stem zou ik het waarachtig niet geweten hebben, maar nu zie ik het opeens: de elegante dame in-het-wit, met de geweldige bontkraag en een pruik van gitzwart haar tot over de schouders, is niemand anders dan Lena Braams, de dochter van de warme bakker!

Ik wist niet beter of Lena zat ergens in Zuid-Amerika - volgens de laatste ansichtkaart in Venezuela - en reisde daar van stad tot stad met haar laatste verloofde, de bokser Louwietje Schavelkamp, maar nee! Lena is terug, uitdagender dan ooit, en -voor zover ik in de gauwigheid zien kan - zonder Louwietje.

'God!' zegt Tante Door, haastig overeind gekomen, 'ben jij weer in het land! Dat wist ik niet!'

'Ja,' zegt Lena. 'Ik ben gisteravond teruggekomen met de plane.'

'Alleen?'

'Ja. Wel een zeer vermoeiende reis achter de rug. Ik was zo moe, ik heb tot nou aan toe liggen pitten.' 'En je bokser,' vraagt Tante Door, 'hoe heet ie ook weer ... eh...'

'Louwietje? Die heb ik achtergelaten in Bogota. Onze karakters pasten niet bij mekaar.'

Ze loopt pralend langs de mannen aan de tapkast, en begint ondertussen een van haar witte handschoenen uit te trekken op een manier alsof niemand van ons ooit in z'n leven een blote hand heeft gezien. 'Nee,' zegt ze, 'ik kan er niet meer tegen. Alles voor de sport. Niet roken, niet drinken, niet eens een avondje uit, kom nou! Daar hoef ik echt niet voor naar Zuid-Amerika, hè Huipie, wat jij?'

'Groot gelijk,' zegt Huipie. 'Ik ben blij dat je d'r weer bent. Je ziet er patent uit, meid!'

'Och . .. waarom zou ik niet, hè?' zegt Lena, en begint aan de volgende handschoen. 'Ik ben zelf ook dolgelukkig,' zegt ze, 'dat ik weer terug ben in dit kikkerland, 't Was een heel interessante ervaring, hoor, daar gaat het niet om. Een totaal andere wereld, en de prachtigste hotels, pal aan zee, met als je wakker werd allemaal grote exotische vogels om je heen, maar d'r komt een moment, dat je denkt: geef mij maar een broodje met lever! Niet, dat ik nou direct stierf van de heimwee,' zegt Lena, 'maar 't is toch wel een lekker gevoel om al die bekende gezichten weer te zien, en te merken, dat alles bij het oude is gebleven, ofschoon ...,' ze werpt een bezorgde blik naar de tapkast, 'ik mis iemand! Is Kootje d'r niet?'

'Nee,' zegt Huipie van Duivenbode, en wijst met zijn duim naar boven. 'Kootje ligt ziek op bed.' 'Ach gut! De arme ziel! Wat heeft ie?'

'Spit,' zegt Tante Door. 'Spit in z'n rug. Ik was net aan het voordoen hoe het gebeurd is.'

'Ligt ie boven?' vraagt Lena, en de manier waarop ze kijkt naar de deur met PRIVÉ is voor Tante Door een reden om zich haastig op te stellen tussen haar en de bovenetage. 'Ja,' zegt Tante Door. 'Hij ligt boven.' 'O,' zegt Lena. 'Dan ga ik 'm even beterschap wensen!'

Ze is al op weg naar de deur, maar Tante Door staat ervoor, en is er, zo te zien, helemaal niet zo zeker van of het wensen van beterschap door iemand als Lena van de warme bakker nu wel de juiste remedie is tegen spit, of tegen welke nerveuze kwaal dan ook, en ze zegt dus tegen Lena: "t Spijt me geweldig, maar hij mag geen bezoek ontvangen.'

'Hoezo?' zegt Lena, "t is toch geen besmettelijke ziekte?'

'Nee, dat niet,' zegt Tante Door. 'Maar hij is een beetje overspannen, begrijp je. En het enige wat hem kan genezen is rust, rust, en nog eens rust.'

Lena kijkt haar een beetje spottend aan. 'Fungeer jij hier als nachtzuster of zoiets?'

'Nee, Lena,' zegt Tante Door. 'Ik doe gewoon mijn menselijke plicht. Ik help aan de bar, gedurende de ziekte van Kootje.'

'En waar is Lukas?'

'Die is even boodschappen doen in de stad.' Ze heft de versperring op en begeeft zich achter de tapkast. 'Had je iets willen gebruiken?'

'Heb je rum?' vraagt Lena. Ze spreekt het uit met weglating van de klinker, zodat er alleen maar rm overblijft.

'Hoe zeg je?'

'Rm. Dat drinken wij altijd in Zuid-Amerika.'

'Huipie,' vraagt Tante Door. 'Hebben wij rm in huis?'

'Ik zou 't echt niet weten, Door,' antwoordt Huipie van Duivenbode.

'Nou ja,' zegt Lena. 'Geef dan maar gewoon. Citroentje met suiker.' En terwijl ze, met de behaaglijke routine van de oude stamgast, tussen Huipie en mij plaatsneemt aan de bar: 'Zeg Huip! Je had het gezicht van m'n vader moeten zien, toen ik gisteravond ineens voor z'n neus stond!'

'Had je niet geschreven dan, dat je kwam?'

'Jawel. Maar dat zijn van die rare landen, weet je wel. Brieven bestellen doen ze niet aan. Hè!' zegt Lena, en laat met welgevallen de blik glijden over de flessen, de glazen, en niet te vergeten de aanwezige heren, 'ik heb het gevoel, dat ik nooit ben weggeweest!'

Affijn - dus Lena is weer terug, en de lonkjes en pronkjes zijn ook weer terug, en de enige, die nog steeds niet terug is, en op wie we allemaal met smart zitten te wachten, is Lukas Blijschap. Zijn afwezigheid duurt nu al meer dan een kwartier, en Tante Door wordt daar zeer onrustig van en drentelt maar heen en weer achter de tapkast, en kijkt voortdurend naar de deur, en blijkbaar is zij niet de enige die in de zenuwen zit, want opeens gaat weer de babyfoon, en de stem van Kootje begint vermoeid: 'Hallo ... hallo, Door ... Doortje ..

Tante Door vraagt kribbig wat er is, en Kootje wil weten, of er inmiddels verandering is gekomen in de toestand beneden. Waarop Tante Door zegt 'nee, als het zover is, zal ik het je wel laten weten.'

'Ben je nog van plan,' vraagt Kootje de Beer, 'om de zaak te sluiten?'

'Ik heb je gezegd,' antwoordt Tante Door, 'binnen het kwartier. Maar vooruit... ik geef hem nog tien minuten extra.'

'Goed,' zegt Kootje de Beer. 'Dan weet ik nu wat me te doen staat.'

We horen een hevig gekreun, gevolgd door enkele hartverscheurende kreten, en we begrijpen daaruit dat Kootje de Beer bezig is zich op te richten.

'Wat ben je aan het doen?' vraagt Tante Door, vrij onbewogen.

'Ik ben aan het opstaan,' zegt Kootje de Beer. Hij onderbreekt even voor een ijselijk gekerm. 'Ik kom naar beneden,' zegt hij dan, blijkbaar de tanden op elkaar zettend.

'Je doet maar,' zegt Tante Door op een hardvochtige toon, en de volgende ogenblikken zijn we via de geluidsinstallatie getuige van het overeind komen van Kootje de Beer, dat gepaard gaat met een serie jammerklachten, zoals je die wel eens hoort op de televisie, als een stelletje gangsters bezig is een al te nieuwsgierige detective in mekaar te stampen. Praktisch alle klinkers uit het alfabet komen er aan te pas: ah! eh! ih! oeh! in een willekeurige volgorde - en ik weet niet of Kootje het overleefd had, als niet plotseling Lena van de warme bakker zich met de zaak had bemoeid door luid te roepen in de babyfoon: 'Ko! Kootje! Wat doe je nou toch allemaal, jongen! Blijf toch rustig liggen!'

Een paar seconden horen we opeens niets meer, en ik vrees al dat de EHBO in actie zal moeten komen, maar dan klinkt eindelijk weer de stem van Kootje de Beer, een stuk helderder dan daarnet: 'Hallo, hallo ... wie was dat? Dat leek wel de stem van Lena!'

Meteen roept Lena: 'Dat is ook zo, Ko! Het is Lena! Ik ben weer terug!'

Ik zie dat Tante Door sterk de neiging heeft om Lena het een of andere voorwerp naar het hoofd te slingeren, maar ze doet dit natuurlijk niet, en ondertussen is de klank van Kootje z'n stem totaal veranderd, als hij bijna jubelend uitroept: 'Lena! Meid!

Hoe is 't met je?'

'Met mij gaat 't prima,' zegt Lena liefderijk in het toestel. 'Maar,' gaat ze verder, 'ik hoor nogal verontrustende berichten over jou. Je bent er niet zo best aan toe, hè?' 'Och,' luidt het antwoord van boven, 'dat valt best mee, hoor! Een beetje spit in m'n rug. Een kwestie van een paar dagen. Vertel eens, meid. Heb je leuke dingen beleefd in Zuid-Amerika?'

'Als ik daarover begin . . .' zegt Lena, en werpt zijdelings een triomfantelijke blik op Tante Door, die er bijstaat of ze ieder ogenblik uit elkaar kan knallen. 'Ik was net van plan,' zegt Lena, 'om even bij je binnen te wippen, maar ik hoor, dat je geen bezoek mag ontvangen.'

'Wie zegt dat!' komt bulderend de stem van de tweede etage. 'Ik ben niet op stervens na dood, hoor, al weet ik wel iemand die daar hard op zit te spinzen! Nee, meid! Als jij zin hebt om even naar boven te komen, dan ben jij van harte welkom, hoor! Je weet de weg? Links de trap op...' 'Ja,' zegt Lena, 'ik vind het wel. Ik kom d'r an.' 'Over en sluiten!' klinkt uitbundig de stem van Kootje de Beer, en met de trotse blik van een zwemster die net het wereldrecord heeft verbeterd, loopt Lena naar de deur met PRIVÉ. 'Je citroentje met suiker,' roept Tante Door haar na. 'Laat maar staan,' zegt Lena. 'Ik ben met vijf minuten terug.' 'Dat is je geraden!' zegt Tante Door, maar ik geloof niet, dat Lena dit nog hoort, want ze is al halverwege de trap, en loopt daarbij iets te zingen dat klinkt als een Braziliaanse bossa nova, of hoe die muziek ook mag heten. Wel - dit alles was natuurlijk een beetje pijnlijk voor Tante

Door, en we weten dan ook geen van allen wat we moeten zeggen en zitten maar een beetje te draaien met onze lege bierglazen, en Huipie van Duivenbode doorbreekt ten slotte de stilte door mij te vragen of ik wel eens in Zuid-Amerika ben geweest. Ik antwoord ontkennend, en Huipie vertelt dat ie daar een neef heeft zitten, die bij de Shell werkt en een leventje heeft als een luis op een zeer hoofd, hetgeen ons brengt op de schandelijke tegenstellingen die daar nog bestaan tussen arm en rijk, en net als we aan het begin staan van een interessante politieke discussie, vliegt de buitendeur open en daar zijn Arie Balk en Tinus de Toeper, met tussen hen in een bleke, maar vastberaden Lukas Blijschap, tegen wie Tinus de Toeper op dit moment zegt: 'Daar gaat het toch niet om, Lukas ..

'Jawel,' zegt Lukas. 'Daar gaat het wél om!'

'Als jij ziek bent,' zegt Tinus, 'beweer je ook wel eens dingen die je eigenlijk niet kan verantwoorden.'

'Maar hij geeft mij de schuld van die ziekte,' roept Lukas, 'alsof ik het erom gedaan heb! Hoe zou jij daarop reageren, Arie?'

'Och,' zegt Arie, 'ik zou bij m'n eigen denken: laat maar waaien.'

'Dat kan jij makkelijk zeggen. Jij bent hier niet in dienst!'

'Je vraagt het me toch?'

'Ik geloof niet,' zegt Lukas, 'dat er veel mensen zijn die dit zouden slikken. Maar goed ... daar gaan we weer!'

Erg geruststellend klinkt het allemaal nog niet, maar in ieder geval: Lukas is terug, dus de tent hoeft voorlopig nog niet gesloten te worden. Hij loopt nu naar de kapstok, hangt zwijgend zijn jas en muts weer op, gaat dan achter de tapkast, en neemt zijn oude plaats weer in met het air van: een knappe jongen, die me hier wegkrijgt!

'Ik blijf!' zegt hij op een krijgshaftige toon tegen Tante Door.

'O, nou,' zegt deze. 'Welkom thuis dan!'

'Weet je waarom?' Hij trekt een brede grijns. 'Ik gun het hem niet.'

'Hè, hè,' zegt Tante Door met een goedkeurende blik in de richting van Tinus en Arie, die het 'm toch maar weer even gelapt hebben, 'eindelijk breekt het gezonde verstand door!'

'Dan zou ie mooi goedkoop van me af zijn!'

'Heb je 't ook in de gaten!'

'Ik met een kwaaie kop de deur uitlopen ... alle schepen achter me verbranden ... en meneer z'n zin: kelner ontslagen, zonder een cent en zonder toestemming van het arbeidsbureau. Ja, ja!' Hij richt de blik naar boven. 'Meneer de werkgever, ik heb je door! Met of zonder platje ... ik blijf! Ik laat me niet wegpesten!'

'Nou ken ik m'n oue Lukas weer terug!' lacht Tante Door, en geeft hem liefkozend een paar flinke tikken op zijn wang. 'Ik ga géén oue schoenen weggooien,' roept Lukas, 'voordat ik nieuwe heb!'

Wel - dit is inderdaad weer de oude Lukas, en ik moet zeggen, dat Arie Balk en Tinus de Toeper een knap stuk werk hebben geleverd, en Tante Door biedt ze dan ook allebei een groot glas pils aan, dat door Lukas wordt getapt, en Huipie van Dui-venbode roept met een verdrietig gezicht: 'Hé! Hoe zit dat? Zijn wij stiefkinderen?' dus Tante Door kan niet minder doen en geeft de hele zaak een rondje, wat haar alles bij mekaar komt te staan op een gulden of twaalf. Affijn - de spanning is god zij dank geweken, en het wordt toch weer een vrolijke boel, wat voor een deel ook weer het gevolg is van de drie borrels, die Lukas achter mekaar naar binnen slaat, en als er iets is waar Lukas niet tegen kan, dan is het tegen een borrel, laat staan tegen drie achter mekaar. Op een gegeven moment springt hij zelfs op een kruk en begint de Internationale te zingen, en terwijl hij dat doet gaat de deur van het privégedeelte open, en daar is Lena, in haar dure witte pak en de zwarte Braziliaanse pruik golvend over haar schouders en ze roept: 'Dames en heren. Kan het iets rustiger hier beneden? De patiënt klaagt over pijn in zijn hoofd.'

Dus Tinus en Arie en Lukas zijn heel verbaasd dat ze opeens oog in oog staan met Lena van de warme baker, en er volgt een hartelijke begroeting, waarbij Tinus zelfs een kus op de mond krijgt van Lena, en Tante Door staat het allemaal heel bezorgd aan te kijken, en ze zegt tegen mij: "t Is misschien niet aardig opgemerkt van me, maar wat mij betreft had ze rustig nog twintig jaar mogen wegblijven!'

2

Die avond gebeurt er niets meer dat de moeite van het vermelden waard is, maar de volgende morgen - en wat ik nu ga vertellen weet ik voor een deel van Tante Door en voor de rest van Lukas Blijschap - de volgende morgen komt Femma Nagel de was doen bij Tante Door, en ze zitten met z'n tweeën babykleertjes te breien, en voeren ondertussen ongeveer dit gesprek: 'Eergisteravond,' zegt Tante Door, 'is ze teruggekomen uit Bogota. Ze was nog geen dag geacclimatiseerd of ze zat alweer op de rand van Kootje z'n bed.'

'Laten we hopen,' zegt Femma, 'dat het bij de rand is gebleven.' 'In ieder geval, Femma, een gewaarschuwd mens telt voor twee. Ik zou m'n man maar binnen houden als ik jou was. Zeker in jouw omstandigheden!'

"t Is eigenlijk niet netjes om het te zeggen,' antwoordt Femma. 'Maar wat zullen er een hoop vrouwen de dag prijzen als die griet er eindelijk net zo bijloopt als ik!' Doortje kijkt vertederd op. 'Hoe lang nog, Fem?'

'We hebben het uitgerekend op gisteren over twee maanden.' 'Daar zeg je zoiets,' komt Tante Door. 'Heb je eigenlijk al een bed besproken in de kraamkliniek?'

'Allang!' Femma begint te giechelen. 'Meteen de dag d'r na!' 'O,' grinnikt Tante Door. 'Want ik wou net zeggen: moet je wel doen, hoor. Anders loop je de kans dat je genoegen moet nemen met een staanplaats. En dat is voor jou nog wel te doen, maar die kleine!'

Affijn - ze zitten met z'n tweetjes een beetje te gniffelen, en de wasmachine snort vrolijk verder, en middenin het gesprek komt er een besnord manspersoon binnen met een zak wasgoed, en Doortje veert meteen overeind als ze ziet dat de man in kwestie niemand anders is dan haar eigen broer Nico, de spijzenfotograaf.

'Zo, lekkere rijke tak!' roept ze, Nico tegemoetlopend, 'kwam jij je arme zuster weer eens een keertje opzoeken?' En meteen slaat ze haar armen om hem heen, geeft hem een pakkerd op beide wangen, en roept, omdat ze merkt dat hij prikt: 'Nou, nou! Vind je een snor nog niet genoeg, Nico?' 'Nee,' zegt Nico, die er, nu ze hem nog eens goed bekijkt, bepaald niet florissant uitziet, 'nee, Door,' zegt Nico, 'maar dat komt: ik ben van vanmorgen zeven uur af al bezig. Ontbijt klaargemaakt, stofzuigen, bedden opmaken, enzovoort, enzovoort, dus ik hoop dat je 't me niet kwalijk neemt, maar ik heb vandaag nog geen tijd gevonden om me te scheren. Ali ligt ziek.'

Tante Door is meteen een en al bezorgdheid. 'Ach, gottegot! Nou dat weer! Wat heeft Ali?'

'De Hongkonggriep,' zegt Nico. 'Op zichzelf een onschuldige aandoening, maar 't komt wel op een zeer ongelegen moment, mag ik wel zeggen. Midden in de verbouwing!' 'Verbouwing?'

'Ja,' zegt Nico. 'Ik open een nieuwe zaak. Vandaag over drie weken. Ik hou op met die fotografie.'

Wel - Tante Door kent haar broer als een zeer ondernemend persoon, die vrijwel alles al achter de rug had, voordat hij zijn bestemming vond in de spijzenfotografie. Nico was classificeerder, stukadoor, banketbakkersleerling, fietsenmaker, pompbediende, brugwachter, reiziger in feestartikelen, kortom, te veel om op te noemen, dus Tante Door is wel wat gewend van Nico, en ze vraagt dan ook alleen maar: 'Weet je al wat voor zaak het gaat worden?'

'Jawel,' zegt Nico, 'maar als je 't goedvindt, zou ik graag even een gesprek met je hebben onder vier ogen. Kan dat? Of haal ik je uit je werk?'

'Nee, nee, nee,' zegt Tante Door, 'geeft helemaal niet, hoor. We gaan even naar boven. Kan je meteen m'n nieuwe elektrische koffiezetapparaat bewonderen.' Ze wijst naar de zak met wasgoed. 'Moet dit in de machine?'

'Ja,' zegt Nico. 'Ik heb 't maar meegebracht, want ik weet me d'r geen raad mee.'

'Nou, ik wel, hoor!' zegt Tante Door. 'Geef maar op. Daar is de wassalon voor uitgevonden! Ga jij maar vast naar boven,' zegt ze tegen Nico. 'Ik ben met twee minuten bij je.'

Dus Nico gaat naar boven, en Tante Door krijgt nog even een kleine onenigheid met Femma Nagel, want Femma zegt: 'Geef mij dat wasgoed maar hier, dan zal ik het wel even in de machine stoppen,' en Tante Door wil Femma onder geen voorwaarde werkzaamheden laten verrichten in haar toestand, maar Femma roept: 'Ach mens, sta nou niet zo te bazelen! Ik hoef toch geen juke-box op te tillen!'

Affijn - uiteindelijk geeft Tante Door de zak met wasgoed aan Femma, en inmiddels zijn Tante Henny en Tante Riek binnengekomen, ook met de was, en dus, zegt Tante Door, kan ik nu met een gerust hart naar boven vertrekken, want in ieder geval is er hulp aanwezig, voor het geval er iets onverwachts mocht gebeuren met Femma.

'Wat gaat ze doen?' vraagt Tante Henny even later aan Femma, als Doortje naar boven is vertrokken.

'Ik weet niet,' zegt Femma onder het uitpakken van de zak met wasgoed. 'Ze heeft hoog bezoek.'

'Wie?' (want zo zijn de dames in de buurt: als ze niet alles precies weten, zijn ze niet gelukkig). 'Nico.'

'Wie is Nico?'

'Die broer van haar, weet je wel. De fotograaf.' 'Wat komt ie doen?'

'Ja, hoor eens even! Ga naar boven, en vraag of je mee mag luisteren!'

'Doe niet zo geheimzinnig, Femma!' zegt Tante Henny. 'Je hebt 'm toch zien binnenkomen? Of niet?' 'Jazeker!'

'Nou. Wat kwam ie dan doen?' 'De was brengen. Z'n vrouw is ziek.' 'En was dat alles?'

'Nee. Hij wou een gesprek hebben onder vier ogen met Tante Door.' 'Waarover?'

'Hij ging een nieuwe zaak beginnen, zei ie.' 'Ooooh!' Tante Henny en Tante Riek kijken elkander veelbetekenend aan. 'Dan weet ik het al,' zegt Tante Henny. 'Dat gaat haar geld kosten!'

3

Dit alles speelt zich af om een uur of halfelf in de ochtend, en in 't Schaep is alles dus nog in diepe rust verzonken. Lukas Blij-schap zit achter de bar met de krant van vanmorgen, en leest de advertenties onder het hoofd: Woonruimte Aangeboden. Zijn enige klant is Tinus de Toeper, die apart zit aan een tafeltje, met een kop koffie en twee broodjes ham. Tussen het eerste en het tweede broodje in veegt Tinus met het papieren servetje zijn mond af, en zegt tegen Lukas: 'Leg die krant nou maar weg, en kom d'r even gezellig bij zitten.'

'Nee,' zegt Lukas, 'laat me even rustig kijken of er iets bij is.' 'Jij wordt ook nooit wijzer, hè?' zegt Tinus de Toeper. 'Hoezo?'

'Al die advertenties,' zegt Tinus, 'allemaal geld-uit-de-zak-klopperij. Dat had je nou toch langzamerhand wel kunnen weten. Wat dacht je? Dat ze een advertentie plaatsen uit filantropische overwegingen?'

'Ik zie hier toch een aantal interessante aanbiedingen,' zegt Lukas Blijschap.

Tinus begint schamper te lachen. 'Een kamerverhuurder,' zegt hij, 'is iemand die profiteert van de nood van zijn medemensen. Bloedzuigers! Allemaal!' 'Mag ik je even iets voorlezen?' vraagt Lukas. 'Ga je gang. Ik luister.'

'Aangeboden,' leest Lukas, en doet een vergeefse poging om deftig te praten, 'vrije etage in binnenstad, met eigen opgang. Grote woonkamer, slaapkamer, keuken, badcel, ruim zonneplat op het zuiden ...' - hij herhaalt dit laatste met grote nadruk -'huurprijs: vijfennegentig gulden per maand. M.o.v.b.' 'Wat is m.o.v.b.?' vraagt Tinus.

'Dat weet ik niet,' zegt Lukas. 'Maar waar blijf je nou met je grote waffel?' 'Wat dan?'

'Vijfennegentig piek in de maand! Voor een vrije etage, met eigen opgang, en een ruim zonneplat op het zuiden! Noem jij dat geld-uit-de-zak-klopperij?' Tinus neemt een hap van zijn tweede broodje, en eet rustig zijn mond leeg. 'En waar ligt deze riante aanbieding, als ik vragen mag?'

Lukas raadpleegt opnieuw de advertentie. 'Het adres staat er niet bij.'

'Jammer,' zegt Tinus, en neemt opnieuw een hap. 'Maar wel het telefoonnummer,' zegt Lukas. 'Dus als het je interesseert ...'

'Och, waarom niet?' zegt Tinus de Toeper, ditmaal met een volle mond. 'Ik zal het alleen maar toejuichen als mijn sombere kijk op de mensheid door de feiten wordt gelogenstraft. Dus, Lukas!' - hij gebaart naar de telefooncel - 'ik zou zegen: wat kan je gebeuren! Ja heb je, nee kan je krijgen!'

Goed. Lukas gaat naar de telefooncel, doet de deur achter zich dicht, en blijft een hele tijd weg. Lang genoeg voor Tinus om de rest van zijn broodje te verorberen, zijn koffie leeg te drinken, een sjekkie te rollen, en ook nog een kwartje te verspelen in de fruitautomaat. Dan eindelijk gaat de deur van de cel -of eigenlijk is het geen cel, maar een celletje, je kent dat wel, zo'n uitgespaarde kast onder de trap, met een schuin oplopende wand, waar je helemaal krom in staat te telefoneren, maar goed, laten we niet afdwalen - eindelijk gaat het celletje weer open, en Lukas komt terug met een gezicht waar je de weerzin met een soeplepel van kan afscheppen.

'En?' vraagt Tinus de Toeper, en gaat met gekruiste armen zitten op de rand van zijn tafeltje.

'Je had gelijk,' zegt Lukas. Hij gooit de krant met een nijdig gebaar op de tapkast. 'Bloedzuigers.'

'Hoe kan dat nou,' zegt Tinus, 'voor vijfennegentig in de maand? Da's toch geen geld, voor wat was het ook weer allemaal? Een grote woonkamer, slaapkamer, badcel, en niet te vergeten een platje op het zuiden, m'n liefje, wat wil je nog meer?'

'Ja, ja,' zegt Lukas.

'Wat nou ja, ja? 't Is toch waar wat ik zeg? Vijfennegentig gulden is voor niks! Daar krijg je tegenwoordig nog niet eens een fietsenbox voor!'

'Nee,' zegt Lukas, 'de prijs op zichzelf is inderdaad zeer redelijk.'

'Maar?'

'Ik weet nou,' zegt Lukas, 'wat m.o.v.b. betekent.' 'Wat dan?'

Lukas haalt even diep adem. 'M.o.v.b.,' zegt hij dan, 'betekent: met overname van badcel. En voor die badcel,' zegt Lukas, 'vragen ze met een stalen gezicht een extra aanbetaling van zesduizend gulden, handje contantje. De parasietentroep!'

Wel - het blijkt dus alweer, stelt Tinus nu vast, dat je kijk op de mensheid niet somber genoeg kan wezen, en Lukas moet het wel met hem eens zijn, en zegt dat ie zich langzamerhand heel goed kan indenken hoe mensen er toe komen om zich met een raket naar de maan te laten schieten, en dat ie steeds minder begint te begrijpen waarom ze zo nodig weer terug moeten - en midden in dit pessimistische gesprek gaat de babyfoon en begint Kootje weer te brullen om de krant.

'Ja!' roept Lukas terug. 'Rustig nou maar. Ik kan niet heksen!' 'Nee, nee,' gromt de stem van Kootje de Beer, 'dat wisten we al!'

'Ach, man!' zegt Lukas, en wil net beledigend worden, als een knappe jonge meid in een groen mantelpak en met een vuurrode krullekop het café betreedt met de woorden: 'Hallo jongelui! Ik kwam even een rooie lamp brengen voor Kootje. Had ie me gevraagd gisteravond.'

Wel - de jongedame in kwestie is natuurlijk niemand anders dan Lena van de warme bakker, met een verse pruik, en Tinus begroet haar allerhartelijkst, en zegt dat als Lena binnenkomt zijn hele kijk op de mensheid verandert. 'Wat had je dan voor kijk op de mensheid?' vraagt Lena. 'Dezelfde als Lukas,' zegt Tinus, en Lena hoeft maar een blik te werpen op het gezicht van Lukas om te weten dat rooskleurig bepaald niet het woord is voor Lukas z'n kijk op de mensheid, en Lena begint te lachen, en ze zegt: 'Kom, kom, Lukas. Een beetje vrolijker gezicht mag ook, hoor, op de vroege morgen!' En meteen d'r achteraan: 'Is Kootje nog steeds zo sikkeneurig?' 'Och,' zegt Lukas. 'Ik ben hier van negen uur af, en het is nou tien over halfelf, en in die tijd ben ik pas acht keer twee trappen op geweest, heen en terug, dus nou laat ik het graag aan jou over om uit te maken of Kootje sikkeneurig is of niet.' 'En hij heeft net weer geroepen om de krant,' preciseert Tinus. 'Dus dat wordt de negende keer.'

'Weet je wat?' zegt Lena van de warme bakker. 'Geef mij maar de krant. Dan neem ik 'm wel mee naar boven.'

Ze zegt dit op de gedecideerde toon van een wijkverpleegster, dus Lukas heeft maar te gehoorzamen, en ziet haar met lede ogen naar boven vertrekken, met in de ene hand de verkreukelde krant, en in de andere de rooie lamp, en als ze de deur achter zich heeft dichtgetrokken zegt hij tegen Tinus: 'Je zal het niet geloven, maar ik heb vannacht van haar gedroomd.' 'Ik neem aan,' grinnikt Tinus, 'dat je je behoorlijk hebt gedragen?'

'Nee, nee,' zegt Lukas. 'Niet wat jij denkt.' 'Ik weet maar één ding,' zegt Tinus, 'wat ik van Lena kan dromen. Anders kan ik het net zo goed laten. Maar goed, vertel op. Wat heb je van Lena gedroomd?' 'Iets heel onaangenaams,' zegt Lukas. 'Je meent het niet!'

'Stel je voor, Tinus. Dit café. Stampvol. Met allemaal hitsige kerels. Wat,' zegt Lukas, 'wie staat er achter de tapkast?' 'Lena.' 'Juist!'

'Nou!' zegt Tinus. 'Dat klinkt nog niet zo onaangenaam!' 'Nee,' zegt Lukas. 'Maar ik was nog niet uitgesproken. Op een gegeven moment komt er een mannetje binnen, een bedelaar, helemaal in lompen gehuld, een baard van drie dagen, en een pakje ansichtkaarten in z'n hand. Waarop Lena uitroept: ach god, jongens! geef dat arme mannetje een dubbeltje of wat je kan missen! Dus iedereen tast in z'n portemonnee en dat mannetje gaat weer de kou in, met drie gulden vijftig.' 'Ga door,' zegt Tinus, als Lukas plotseling ophoudt. 'Nee,' zegt Lukas. "t Is uit. Eind van de droom.' 'Is dat alles?' 'Ja. Dat is alles.'

'Je zei het was iets onaangenaams!'

'Dat was het ook,' zegt Lukas, en hij kijkt Tinus aan met een paar heel droevige ogen. 'Want dat mannetje,' zegt hij, 'die bedelaar, met die ouwe versleten jas, en die baard van drie dagen, en dat bundeltje ansichtkaarten, weet je wie dat was?' Tinus denkt even na. 'Jij?' 'Ja,' zucht Lukas. 'Ik.'

4

Ondertussen heeft het elektrische koffiezetapparaat van Tante Door al het een en ander afgeprutteld. Het is er zo eentje waar je aan de ene kant het water indoet en aan de andere kant loopt, via een verchroomd tuitje, het kannetje druppeltje voor druppeltje vol met geurige koffie. 'En wat voor koffie!' zegt Tante Door tegen Nico, die tegenover haar zit op de tweepersoons bank, en net bezig is een dikke sigaar op te steken. 'De lekkerste koffie die je ooit hebt geproefd! 't Zal je goed doen, jongen, je ziet er een beetje betrokken uit, vind ik.' 'Verbaast je dat?' zegt Nico, 'met wat ik allemaal achter de rug heb?'

'Nee,' zegt Tante Door. 'Ik kan 't me wel voorstellen. Na wat je me verteld hebt... En dan nog een zieke vrouw d'r bij. Dat zal je altijd zien. Ellende komt nooit alleen. Wat zoek je?' 'Een asbak,' zegt Nico, met de afgebrande lucifer in z'n hand. Tante Door geeft hem een asbak, en terwijl de eerste blauwe rookslierten door de kamer beginnen te zweven gaat Nico verder met z'n verhaal.

'Een mens,' zegt Nico, 'kan een hoop hebben, en wat dat betreft ben ik echt niet kinderachtig, Door, dat zal je toch moeten toegeven..

'Inderdaad,' zegt Tante Door, 'ze mogen alles van je zeggen, maar kinderachtig ben je niet, Nico!'

'.. . maar ...' gaat Nico verder, 'op een gegeven moment in januari dacht ik: nou kan ik er niet meer tegenop! Eerst die klap van die Europese kookboeken die niet doorgingen - en dat was me even een klap! Driehonderdduizend exemplaren, die je daar eventjes door je neus worden geboord ... ik had de contracten al binnen! Half Europa had ik al afgereisd voor die knapen, opnamen gemaakt in Oostenrijk, Italië, Turkije - de mooiste kleurenfoto's van allerlei nationale gerechten, weet je wel - krijg ik op drie januari een telegram uit Brussel: Kookboeken-project afgelast door cliënt! Verder geen commentaar. Punt. Uit. Affijn,' zegt Nico, 'dat was dus een leuk begin van het nieuwe jaar, en de week is nog niet om of boem! dreun nummero twee. De heer Appie Vorstenhuis, mijn assistent van tweeëntwintig jaar oud, komt mij bedanken voor het feit dat hij bij mij het vak heeft geleerd, deelt mij gelijk mee dat hij een zaak voor z'n eigen gaat beginnen, en is nóu, god beter het, bezig die kookboeken te maken voor de helft van de prijs!'

'En neem je dat?' zegt Tante Door verontwaardigd.

'Da's een andere zaak,' zegt Nico, 'maar goed ... daarna ben ik nog een keer van een ladder afgedonderd tijdens een opname, een enorm gat in m'n kop, maar ik had net zo goed m'n nek kunnen breken, en toen, Door,' zegt Nico, 'toen heb ik op 1 februari van dit jaar tegen Ali gezegd: luister eens, Ali, zeg ik, ik heb zolang ik leef nooit bezwaar gehad tegen werken, dat weet je, maar onder één voorwaarde, en dat is deze: ik werk niet voor m'n verdriet!'

'Da's een heel gezond standpunt,' vindt Tante Door.

'Niewaar? Zo is het toch? Zodra ik dat gevoel krijg, hou ik er mee op, daar ben ik een rare in! Dus, Door,' zegt Nico, terwijl hij aandachtig zijn sigaar bekijkt, 'toen heb ik tegen Ali gezegd: Ali, zeg ik, ik hoop, dat je het me niet kwalijk zal nemen, maar ik zie geen heil meer in de fotografie. Een waardeloze troep! Wat ik ga doen, zeg ik, weet ik nog niet, maar we zijn nog niet rijp voor het bejaardentehuis, dus we komen d'r wel uit.'

'En wat zei Ali?'

'Ali was geweldig. Ze zegt, lieve Nico, als jij geen plezier meer hebt in je werk, dan heb ik geen lol meer in m'n leven. Dus je doet maar.'

'Je moet je nog altijd je ogen uit je kop schamen,' zegt Tante Door, 'dat je zo'n vrouw bijna had laten vallen.'

'Ik weet het,' zegt Nico. 'Maar dat is gelukkig verleden tijd.'

Affijn - ondertussen is de koffiemachine klaar met z'n werk, en Tante Door begint bedrijvig in te schenken, en ze vraagt langs de neus weg of Nico inmiddels al weet wat ie gaat doen.

'Ja,' zegt Nico, en blaast weer een rookwolk tegen de lamp, 'ik ken een kolenhandelaar, Door, die indertijd bij de komst van de oliestook, en mede ten gevolge van de moordende concurrentie van het aardgas, op de rand heeft gestaan van de financiële afgrond. En wat denk je? De man rijdt momenteel in een Mercedes diesel, heeft een eigen bungalow aan de Costa Brava, en leeft de helft van het jaar gratis in de duurste badhotels van de wereld. Rara, hoe kan dat?'

Hij moet even onderbreken om te zeggen hoeveel suiker hij wil in zijn koffie, en hoe weinig room, wacht vervolgens tot Tante Door het kopje voor hem heeft neergezet, en zegt dan: 'Heb je gehoord, Door, wat ik zei over die kolenhandelaar?' 'Jawel.'

'Wat denk je wat die man voor een zaak heeft?' 'Nou,' zegt Tante Door. 'Zeg het maar.' 'Een reisbureau!' En nogmaals, een beetje teleurgesteld vanwege het feit, dat Tante Door niet meteen van haar stoel valt: 'Een reisbureau!'

'Ja, ja,' zegt Tante Door. 'Ik hoor je wel. Laat je koffie niet koud worden.'

Nico neemt een slokje van zijn koffie, en brandt bijna zijn lippen.

'Een reisbureau! Vind je dat geen geweldig idee?' 'Ja, hoor,' zegt Tante Door. En zit ondertussen snel uit te rekenen hoeveel haar dit grapje gaat kosten. 'Je moet voor de aardigheid,' vervolgt Nico, 'eens in een verloren uurtje door de Leidsestraat lopen. En turven. Het aantal reisbureaus. Hé!' Hij drukt met zijn wijsvinger op zijn linker jukbeen, en trekt het ooglid naar beneden. 'Wat dacht je? Die jongens, die daar hun poen in steken .. . dat die op hun achterhoofd zijn gevallen?'

'Hoe smaakt de koffie?' vraagt Tante Door. 'Heerlijk!'

'De goedkoopste koffie, die er is!' zegt Tante Door, met een verliefde blik op het elektrische apparaat. Ze neemt nu zelf ook een slokje, geniet ervan met gesloten ogen, en laat zich vervolgens behaaglijk onderuit zakken in haar gebloemde fauteuil. 'Zo,' zegt ze dan. 'Dus jij gaat een reisbureau beginnen.' En zonder op zijn antwoord te wachten: 'Vertel het eens, Nico. Hoeveel had je nodig?'

Wel - zaken zijn zaken natuurlijk, dat hoef je Nico niet te vertellen, maar aan de andere kant, je mag toch wel even een kleine inleiding houden, niewaar, alvorens met een keihard bedrag op de proppen te komen, want laten we wel wezen: anders was er geen bal aan, aan het hele zakenleven niet! Goed. Dus Nico zegt tegen zijn zuster: 'Wacht nou even. Door, moet je luisteren. Ik was natuurlijk niet van plan om me te gaan vestigen in de Leid-sestraat, of op welke dure stand dan ook, want daar heb ik uiteraard de middelen niet voor. Maar ja,' zegt Nico, 'als 't puntje bij 't paaltje komt, en je gaat de cijfertjes onder mekaar zetten, dan sta je toch voor het feit, dat zelfs in de meest eenvoudige volksbuurt...'

'Je was al aan het verbouwen, zei je,' valt Tante Door hem in de rede.

'Inderdaad. Ik zit er middenin.' 'En waar vindt dat plaats?' 'Hazenstraat. Nummer 108c.' 'Hazenstraat? Dat kan je de kop niet kosten!' 'Nee,' zegt Nico, 'dat doet 't ook niet, maar je moet 't toch maar op tafel kunnen leggen. En Door, je weet zelf hoe dat gaat: muurtje tegen de vlakte, nog een muurtje, dan komen d'r opeens verrassingen voor de dag, en voor je het weet, zit je tot je nek in de schulden, begrijp je wat ik bedoel?' 'Hoeveel kom je tekort?' Vrouwen zijn onmogelijk wat zaken betreft. Geef ze de macht in handen, en het hele economische leven speelt zich af in de helft van de tijd. 'Overigens,' houdt Nico dapper vol, 'je hoeft niet bang te wezen, dat je je centen niet terugkrijgt. Ik zit nu een beetje krap, in verband met de hoge onkosten die ik gemaakt heb voor die kookboekenjongens, maar meester Rietberg, heb je daar wel eens van gehoord? Meester Rietberg, die indertijd een proces heeft gewonnen van de Unilever - een wereldconcern! - diezelfde meester Rietberg, da's mijn advocaat! 't Kost een paar centen, dat is nou eenmaal onvermijdelijk, maar ze komen er dik uit, dat durf ik je rustig zwart op wit te garanderen!' 'Had je nog meer?' vraagt Tante Door. 'Alleen nog dit,' zegt Nico. 'Zelfs als ik - wat een volstrekte onmogelijkheid is - dit proces zou verliezen, dan nóg is er voor jou geen vuiltje aan de lucht, want je ziet het wel aan die kolenhandelaar: een reisbureau is een goudmijn in deze tijd! Betere belegging kan je je niet dromen voor je centjes!' 'Uitgepraat?'

Jawel. Nico is uitgepraat, maar dan ook helemaal. 'Nou,' zegt Tante Door. 'Vertel het dan maar. Hoeveel?' 'Drieduizend.'

Hij zegt het op een toon, dat ik niet weet of ik er een punt of een vraagteken achter moet zetten, dus dat Iaat ik nu maar in het midden. In ieder geval reageert Tante Door alleen maar met een kort en krachtig 'o' en haast Nico zich haar uit te leggen dat het de inrichting is, die hem de das om doet. 'De balie alleen al,' zegt hij, 'kost me negenhonderdvierenzestig gulden.' 'Is d'r haast bij?' wil Doortje nog weten. 'Om je de waarheid te zeggen ja. Ik zit behoorlijk klem.' Tante Door schiet in de lach. 'Dat zei je ook toen je als klein jongetje met je kop tussen de brugleuning zat, weet je nog wel?' 'Asjeblieft, Door, nou even serieus! Kan je mij drieduizend gulden lenen?'

Hij is altijd datzelfde kleine jongetje gebleven, denkt Tante Door, met een zekere vertedering. Ze neemt nog een slokje van de goedkoopste koffie die er is, en blijft vervolgens enkele seconden zitten staren naar het duurste apparaat dat ze hebben uitgevonden om hem te zetten.

'Tja, Nico ...' ze wacht even tot hij met een nerveuze beweging zijn as heeft afgetikt in de asbak, 'tja, Nico ... drieduizend gulden ... ik bedoel eh ... daar zal ik toch echt even een nachtje over moeten slapen, want eh ... per slot van rekening ...'

De rest moet Nico zelf maar invullen, want op ditzelfde moment klinkt er een luid gestommel op de trap, de deur vliegt open en Tante Henny komt in paniek de huiskamer binnenvallen.

'Door!' roept Tante Henny. 'In godsnaam! Kom gauw naar beneden! 't Is begonnen!'

'Wat, wat, wat?' Tante Door komt verschrikt overeind. 'Wat is begonnen?'

'Met Femma!' jammert Tante Henny. En rent weer naar beneden.

5

In 't Schaep inmiddels is Lukas maar weer eens op zijn buik op de vloer gaan liggen, en voor de zoveelste maal aan het proberen om - met behulp van een lange ijzeren saté-pen - de zilveren knaak te voorschijn te brengen vanonder de juke-box vandaan. Tinus de Toeper zit er belangstellend naar te kijken met z'n armen over elkaar en vindt het maar grote flauwe kul, al die moeite voor twee gulden vijftig, maar nee, zegt Lukas, het gaat niet om het bedrag, het gaat erom, zegt Lukas, om Kootje te bewijzen dat die knaak er inderdaad onder is gerold, en dat Lukas hem dus niet heeft belazerd toen ie zei: 'Til dat ding even op.'

Affijn - er komen wat knopen te voorschijn, en een paar lepeltjes, en een speldje van de t.b.c.-bestrijding, maar geen knaak, dus Lukas gaat even op handen en voeten om een ogenblikje uit te blazen, van welke gelegenheid Tinus gebruik maakt om op te merken dat Lena het maar behoorlijk lang uithoudt bij Kootje daarboven.

'Dat brengt me op een idee,' zegt Tinus de Toeper. 'Als ik nou eens ook een poging waag om die juke-box op te tillen, en ook 't spit in m'n rug krijg, of doe alsof - dan heb ik meteen een mooi excuus om m'n nest in te kruipen, en me door Lena te laten behandelen met de rooie lamp! Zeg, Luuk. Wat vind je? Zal ik het eens proberen?'

Maar het antwoord van Lukas gaat verloren in het opgewonden geroep van Tante Door, die in alle staten komt binnenstormen en meteen begint van :'Tinus! Ik zoek Tinus! Is Tinus hier?' en als ze Tinus ziet: 'O, Tinus! Is dat jouw wagen, die hier voor de deur staat?'

'Ja,' zegt de taxichauffeur. 'Hoezo?'

'Femma moet onmiddellijk naar de kraamkliniek! 't Is zover!' 'Femma? Nou al. Hoe kan dat nou?'

'Hoe dat kan,' roept Tante Door, 'moet je aan Onze Lieve Heer vragen! Schiet nou toch op, man, pak je pet en ga mee!' 'Waar is ze?'

'Bij mij in de zaak. Ik had 'r nog zo gewaarschuwd dat ze zich niet teveel moest inspannen! Nou, ga je nou nog mee of niet?'

'Ja, ja, ja,' zegt Tinus. 'Ik kom al.' En holt met haar mee naar buiten.

Het is allemaal zo snel gegaan dat Lukas nog steeds op de vloer ligt, op handen en voeten. Hij kijkt naar de deur en merkt dat hij van daar af vriendelijk wordt gadegeslagen door een man die achter Doortje is aangekomen, en wiens opmerkelijke snor onmiddellijk door Lukas herkend wordt als die van Nico Lefèvre, de broer van Tante Door.

'Nou, nou, nou . ..' zegt de spijzenfotograaf, de handen in de zakken van zijn sportcolbertje. 'Wat een opwinding, hè, ineens?' 'Ja,' zegt Lukas, overeindkrabbelend. 'En zo gaat dat hier de hele dag door.' Hij doet zo onverschillig mogelijk, loopt om de tapkast heen naar zijn vaste plaats, en zet zijn beroepsglimlach op. 'Zo, meneer Lefèvre. Ook weer eens in de buurt?' 'Ja,' zegt Nico, en slentert naar de bar toe. 'Ik was net even op bezoek bij m'n zuster. En midden in het gesprek: "Tante Door, kom naar beneden"!'

"t Zal wel een toestand geweest zijn in de wassalon!' 'Ach ja,' zegt Nico. 'Een mens kan ook nooit eens rustig zitten praten. Geef me maar een pils, voor de zenuwen.'

Affijn - Lukas tapt een glas bier, en doet dat met zulke kalme, geroutineerde bewegingen, dat het lijkt of iedere vorm van zenuwen hem vreemd is, en Nico is dan ook vol bewondering, zegt hij, voor het feit dat Lukas zo volstrekt onbewogen blijft onder al deze heftige emoties.

'Meneer Lefèvre,' antwoordt Lukas daarop, 'in dit bedrijf maken wij dagelijks zoveel gekke dingen mee dat wij ons nergens meer over verbazen.'

'Nou,' zegt Nico, 'dan bent u, wat je noemt, een gelukkig mens.' 'Een gelukkig mens? Ik?'

'Niet dan?' Nico kijkt hem onderzoekend aan. "t Lijkt me, dat er heel wat mensen graag zouden tekenen voor zo'n interessante baan als u hebt.. .'

'O ja, jazeker,' zegt Lukas, en geeft Nico z'n pils. 'Inderdaad, 't Is een zéér interessante baan, daar gaat het niet om.' 'Waar gaat het dan wel om?'

Lukas kijkt even om zich heen om te zien of iemand meeluistert, werpt daarbij zelfs een wantrouwige blik op de babyfoon, en zegt dan zachtjes tegen Nico: 'Er zijn krachten aan het werk, meneer Lefèvre, om mij te wippen. Maar dat vliegertje gaat niet op. Want toevallig,' zegt Lukas, 'toevallig zijn ze bij deze knaap aan het verkeerde adres!' 'Jij bent niet het type . . . sorry, mag ik jij zeggen?' 'Natuurlijk. Ik ben hier gewoon Lukas, voor iedereen.' 'Jij bent niet het type, Lukas, om je te laten wippen.' 'Nee, precies. Ze zouden me graag zien gaan, meneer Lefèvre, en liever vandaag dan morgen. Maar Lukas Blijschap is niet gek!'

'Je gaat niet weg.'

'Nee, wacht even ... ik wil best weggaan, graag zelfs, maar ik ga pas weg op het moment dat het mij gelegen komt, begrijpt u?'

Jazeker. Nico Lefèvre kan dit standpunt volledig begrijpen, en hij begrijpt ook dat je het ijzer moet smeden als het heet is, en dus neemt hij een ferme slok van zijn bier, zet het glas voor zich neer, bekijkt het langdurig, en zegt dan quasi-nonchalant: 'Zeg Lukas. Een malle vraag. Hoe zit je met je talen?' 'Hoe bedoelt u?' vraagt Lukas verwonderd. 'Je talen. Engels, Frans, Duits . . .' 'Mijn Engels is vrij goed,' zegt Lukas. 'Ik heb gevaren.' 'Veel van de wereld gezien.'

'Behoorlijk.' Lukas voelt plotseling een vreemde kramp in zijn maag. 'Waarom wil u dat weten?'

Er volgt een lange pauze in het gesprek. Nico leegt zijn bierglas tot op de helft, zet het op het viltje, leunt met gekruiste armen op de bar, en zegt dan, snel en zakelijk: 'Luister, Lukas. Ik zoek een balie-employé. Voor een reisbureau. Hier in de buurt. Leuk werk. Goed betaald. Af en toe d'r eens uit, op kosten van de zaak. Ik moet een jongen hebben,' zegt Nico, 'die een beetje goed kan omgaan met gewone volksmensen. Geïnteresseerd?'

Wel - hetzelfde gevoel dat iemand bevangt, die dagenlang heeft opgeschept dat ie van een twintig meter hoge brug durft te duiken, en eindelijk de brug heeft beklommen en omlaag kijkt in de gapende diepte, datzelfde gevoel krijgt Lukas Blijschap nu, bij het machtige perspectief dat de broer van Tante Door voor hem opent. Om het nu maar ronduit te zeggen, Lukas staat te trillen op z'n benen, maar hij houdt zich groot en zet z'n tanden op elkaar en hij vraagt wat dat dan wel voor een reisbureau mag wezen, en Nico ontvouwt hem zijn grootse toekomstplannen, en biedt Lukas een sigaar aan van zeker 35 cent, maar Lukas zegt nee, dank u, ik rook nooit sigaren. Waarop Nico er zelf eentje opsteekt, en zegt: 'Kijk eens, beste Lukas. Het gaat om het volgende. Ik zal natuurlijk de zaak behoorlijk op poten moeten zetten, en dat betekent dus vooral om te beginnen een hoop gereis en gedoe, want je moet natuurlijk overal je contacten leggen in Europa, en later zelfs daarbuiten, dat voel je ook wel. Nou,' zegt Nico, 'in die tijd, dat ik er niet ben -en dat zal waarschijnlijk het grootste deel van het jaar zijn - in die periode moet ik; iemand hebben waar ik volledig op kan vertrouwen, en die uiteraard ook nog in staat is om de zaken tijdens mijn afwezigheid behoorlijk voor mij waar te nemen. Klanten opvangen, boekingen maken, en - wat in dit vak ook nogal eens voorkomt - snelle beslissingen durven nemen in moeilijke gevallen. Ik had hierover,' zegt Nico, 'oorspronkelijk met mijn zuster willen praten, omdat die nog wel eens wat weet en ook iedereen kent in de buurt, maar toen kwamen die weeën van Femma ertussen en dat was dus even een streep door mijn rekening. Maar gelukkig,' zegt Nico, 'kom ik jou tegen, en als ik je zo eens bekijk, Lukas, en hoor dat je goed je talen spreekt, en bovendien langzamerhand wel bent uitgekeken op altijd diezelfde bruine gordijnen, dan geloof ik,' zegt Nico, 'dat jij precies het mannetje bent, dat ik zoek om de boel met een gerust hart aan over te laten. Verder,' zegt Nico, 'is er aan dit geval ook nog een extra attractie verbonden, want ik weet niet, Lukas, of jij in het bezit bent van een behoorlijke woning,' - hij pauzeert even, en constateert dat dit kennelijk niet zo is - 'maar in ieder geval, het pand waarin ik mijn zaak heb gevestigd, bestaat uit twee etages. Beneden komt het bureau met ontvangstruimte, en boven bevindt zich nog een complete bedrijfswoning, bestaande uit twee mooie royale kamers, een keuken, een douchecel met koud en warm stromend water, en als je van zon houdt, kan je de hele zomer je hart ophalen, want er is ook nog een schitterend platje op het zuiden, waar je de godganselijke dag in je blote bast op kan liggen bakken, zonder dat iemand je ziet. Dus ik zou zeggen, Lukas,' - hij merkt met voldoening dat het woord platje een magische uitwerking schijnt te hebben op de overdonderde kelner - 'mocht je belangstelling hebben, loop dan even zover met me mee, dan kunnen we de zaak even ter plaatse bekijken.'

Om te laten zien dat het hem ernst is, leegt hij zijn glas tot op de bodem en stapt van zijn kruk.

'Nou, Lukas? Wat doe je? Ga je mee?'

De biljartruimte verandert plotseling in een beeldschoon hagelwit platje, met een omheining van rode rozen en een poortje van paarse clematis, en een dak van donkergroene wijnranken. In het midden ziet Lukas zichzelf, in een minuscuul zwembroekje, lui uitgestrekt op een enorme roze matras, en waanzinnig bruingebakken onder een zinderende zon . ..

'Je kan toch altijd even gaan kijken, beste jongen? Als 't je niet bevalt, even goeie vrienden, hoor!'

Iemand begint te rukken aan de klemmende deur van de bovenetage, en als die ten slotte opengaat wordt het hele platje in één keer weggevaagd door de hoogst reële en overigens ook bijzonder aantrekkelijke verschijning van Lena van de warme bakker.

'Zo,' zegt deze Lena, en beweegt zich meteen heupwiegend voort in de richting van de tapkast. 'Als ik d'r maar even bijkom! Hij kan alweer bijna rechtop zitten.'

Ze wipt elegant op een barkruk, en babbelt nog wat door over de wonderen die je kan verrichten met een rooie lamp, en over haar bokser Louwietje, die er op iedere tournee altijd twee bij zich had voor het geval er onderweg eentje kapot ging, maar wat Lukas betreft had ze net zo goed kunnen praten tegen de bierpomp, want Lukas staat op het punt een beslissing te nemen voor het leven. En doet dit ook, nu, door haar abrupt in de rede te vallen met deze woorden: 'Lena,' zegt Lukas, 'doe mij een plezier, en pas even op de zaak in de tijd dat ik weg ben.'

Hij is al bij de kapstok en begint met hoekige bewegingen zijn jas aan te trekken.

'Ik moet plotseling met deze meneer mee,' zegt hij ondertussen, 'en ik maak er helemaal geen geheim van, Lena, dat deze meneer mij daarnet een pracht van een betrekking heeft aangeboden, plus een vrije etage, met daarbij ook nog een platje op het zuiden, en je mag best weten, Lena,' zegt Lukas, op weg naar de uitgang, 'dat ik, als ik ook maar enigszins het gevoel heb dat ik er beter op kan worden, diezelfde dag nog ben vertrokken. Zeg dat maar tegen Kootje de Beer als je 'm voor die tijd nog mocht spreken. Tot straks. Ik ben zo terug.'

Affijn - dus de heren verlaten het pand, en Lena blijft alleen achter, en voelt zich daar wonderwel bij. Ze loopt door het café alsof het al van haar is, gaat achter de tapkast op Lukas z'n oude plekje, liefkoost de fles met zoute pinda's, en wil het knopje van de babyfoon indrukken, om Kootje het grote nieuws te melden, als Tante Door het café binnenkomt om te vragen of Lukas ook weet waar haar broer is gebleven.

'Verrek!' zegt Tante Door tegen Lena. 'Wat doe jij hier? Waar is Lukas?'

'Die is net de deur uit,' zegt Lena, 'met een meneer met een grote snor.' 'Met Nico?!'

'Die meneer,' zegt Lena fijntjes, 'heeft niet de beleefdheid gehad om zich aan mij voor te stellen.'

De situatie bevalt Tante Door allerminst. 'Wat moet ie van Lukas?'

'Och,' zegt Lena. 'Ik zal 't je maar vertellen op Lukas z'n eigen verzoek. Hij had een betrekking voor 'm.' 'Een betrekking?!'

'En een woning met een platje,' voegt Lena eraan toe, met een stralend gezicht.

Wel - Tante Door is begrijpelijkerwijs een paar seconden totaal van de kaart, en razend op haar broer Nico, en even later nog veel razender op Lena van de warme bakker, die haar aanspreekt op een toon of ze al definitief de functie van Lukas heeft overgenomen: 'Wat kan ik voor je doen, Tante Door? Alcoholvrij! Of heb je behoefte aan iets sterkers?' En om zogenaamd ook iets verstandigs te zeggen: 'Nou ja, Tante Door ... je moet maar denken: 't is voor beide partijen het beste. Ja, toch? 't Kon toch zo niet langer?' 'Wat weet jij daarvan!'

De woede van Tante Door heeft plotseling plaats gemaakt voor een grote vastberadenheid. Ze schiet opeens naar voren, grijpt Lena krachtig bij de pols en schuift haar in de richting van de kapstok, met de tapkast tussen hen in. 'Weet je wat wij doen, Lena! Wij gaan eens even rustig met elkaar aan tafel zitten! In mijn huis! 't Wordt hoog tijd,' roept Tante Door, 'dat er een einde komt aan dat eeuwige gehannes!' 'Ik heb Lukas beloofd dat ik op de zaak zou passen!' sputtert Lena nog tegen, maar Tante Door roept iets van: 'Niks mee te maken! We doen gewoon de deur op het nachtslot!' en ze sleurt Lena mee naar buiten en er is dus niemand meer in het café om antwoord te geven, als opeens de babyfoon weer begint te kraken, en luid en gebiedend de stem van Kootje de Beer doorkomt: 'Hallo! Blijschap! Waar blijft mijn sinaasappelsap! Hallo! Lukas! Hoor je mij? Blijschap . . . hallo, HALLO!'

6

Het reisbureau De Globetrotter, zoals Nico zijn zaak heeft gedoopt (de letterschilder is op de etalageruit nog niet verder dan De Globetro) is natuurlijk op het moment dat Lukas er binnenkomt, nog niet veel meer dan een geweldige puinhoop, maar, zegt Nico Lefèvre, 'toevallig is Richard Smuk een van mijn beste vrienden, en ik weet niet of de naam Richard Smuk jou wat zegt, maar Richard Smuk is een van de bekwaamste binnenhuisarchitecten die we in Holland hebben. Hij heeft zich speciaal toegelegd op het inrichten van te kleine ruimten, ofschoon hij er juist in zijn werk van uitgaat dat er voor hem geen te kleine ruimten bestaan. Hoe dan ook,' zegt Nico Lefèvre tegen Lukas, die inmiddels met een wat ongelukkig gezicht heeft plaats genomen achter de kale balie van 964 gulden, 'deze zelfde Richard Smuk heeft voor mij, bij wijze van vriendendienst, een ontwerp gemaakt dat klinkt als een klok, en je kan je dus wel voorstellen, Lukas, wat hier gaat gebeuren als al deze wanden straks bekleed zijn met schrootjes van bazzeralogus - of hoe die houtsoort ook mag heten - en als daar straks zes kunstlederen banken staan, in rood en hardblauw, beschenen door niet minder dan eenentwintig hoogwaardige TL-buizen.'

'O juist, ja,' zegt Lukas, en kijkt enigszins bekommerd naar de balken boven zijn hoofd. 'TL-verlichting.' 'Ja, wat dacht je!' zegt Nico Lefèvre. 'Die balken gaan weg natuurlijk, en in plaats daarvan krijgen we een verlaagd plafond, en een zee van helderwit licht, want,' zegt Nico, 'we kunnen d'r toch moeilijk net zo'n donker hol van maken als 't Schaep met de 5 Pooten, dat zou me wat moois worden, voor een modern reisbureau!'

'Nee, nee,' zegt Lukas, 'dat begrijp ik.' En hij begint zich hoe langer hoe onbehaaglijker te voelen, en zich af te vragen hoe hem dat zal bevallen, de hele dag van negen tot zes, tussen de schrootjes van bazzeralogus, omringd door zes kunstlederen banken in rood en hardblauw, en helderwit beschenen door niet minder dan eenentwintig hoogwaardige TL-buizen. 'Weet je wat,' zegt Nico Lefevre. 'We gaan even naar boven. Kan je meteen zien dat ik niet overdreven heb met die mooie royale kamers en dat platje van twee bij drie.'

Hij opent de zijdeur en zegt mag ik even voorgaan, en Lukas gaat achter hem aan, en ondertussen heeft het nieuwe elektrische koffiezetapparaat voor de tweede maal die ochtend zijn gepruttel verricht in de knusse huiskamer van Tante Door. De kopjes zijn alweer leeg, en Tante Door kijkt glimlachend naar Lena, die - inmiddels weer vrij ontspannen - tegenover haar zit op dezelfde plaats als Nico nog geen drie kwartier geleden. 'Geloof me nou, Lena ...' - ze knikt haar moederlijk toe -'ik zeg het echt niet uit eigenbelang, dat zweer ik je, maar een meid van ... hoe oud ben je helemaal?' 'Vierentwintig,' zegt Lena.

'Nou, kijk eens aan! Een meid van 24 ... met zo'n voorkomen als jij hebt... moet die nou d'r kostelijke avonduren gaan staan verbeuzelen in een kroeg van dertien op een dozijn? Gaat heen! Je ziet er toch heus niet naar uit, Lena, dat je 't daglicht niet zou kunnen verdragen!'

'Nee, dat weet ik wel,' zegt Lena, 'maar dat was ook niet mijn beweegreden, Tante Door.'

'Mijn god! Wat zoek je in een kroeg? Je bent toch geen wanhoopsgeval! Of wel?'

'Welnee, natuurlijk niet! Ik zeg alleen .. .' 'Oké,' valt Tante Door haar in de rede. 'Laten we niet weer van voren af aan beginnen. Ik waardeer het buitengewoon in je,' zegt Tante Door, 'dat je te doen hebt met Kootje, en dat je die heibel tussen die twee kerels niet langer kan aanzien, maar laat ik je één ding vertellen, Lena. Zolang als ik ze ken heb ik ze nog nooit anders meegemaakt! Geloof me,' zegt Tante Door, 'ze kunnen geen vijf minuten buiten mekaar, die twee. 't Is allemaal puur komedie. Neem dat nou maar rustig aan van iemand die er vijftien jaar langer heeft opzitten dan jij.' 'Nou goed,' zegt Lena. 'Je zal wel gelijk hebben. Maar dat voorstel van jou . ..'

'Is een uitstekend voorstel,' komt Tante Door prompt. 'Ook dat is een kwestie van levenservaring.' 'Maar als je broer het nou niet goedvindt?' Hier moet Tante Door even schamper om lachen. 'Luister, Lena,' zegt ze. 'Iemand, die op korte termijn drie rooie ruggen op tafel moet leggen ... en die daarvoor nergens anders terecht kan als bij de enige zuster die hij op de wereld bezit... zo iemand, Lena,' zegt Tante Door, 'hééft niks goed te vinden. Dus. Wat doen we? Zullen we gaan?'

7

Wel - de etage boven het reisbureau blijkt een nog grotere troep dan beneden, met dit verschil dat de sloop hier verricht is door de vorige bewoners.

'Er heeft hier,' zegt Nico tegen Lukas in de voorkamer, die er uitziet alsof er kortgeleden een bom is ontploft, 'er heeft hier,' zegt Nico, 'een gezin gewoond met negen kinderen, dus als je het van die kant bekijkt, is het nog een wonder dat de boel nog zo intact is gebleven. Er moet natuurlijk nog wel het een en ander aan gedaan worden,' zegt Nico, achter Lukas aanlopend door de glas-in-lood schuifdeuren, waar geen glas meer in het lood is gebleven, 'maar mijn vriend Richard Smuk is gaarne bereid om je daarbij een handje te helpen. Dit hier was de douche,' hij opent ergens een kast, 'en je ziet het, d'r zitten een paar tegels los, en de stang is uit de muur gerukt, maar voor de rest: de aanleg is aanwezig, en het is dus een kwestie van een paar tientjes om de zaak weer normaal te laten functioneren.' 'Ja, ja . ..' zegt Lukas, en loopt door een gat in de muur naar buiten. 'En dit is het platje?'

'Jawel. Maar doe dat niet!' roept Nico haastig, als Lukas over de balustrade wil leunen om op z'n gemak een beetje frisse lucht op te snuiven. 'D'r moet even een nieuw hek omheen,' zegt Nico, 'maar verder zit je hier heerlijk. Geen buren, geen inkijk, niks. Nee,' zegt Nico, "t is werkelijk een ideale plek om te wonen. Midden in de stad, en heerlijk rustig. Je hoort de vogeltjes fluiten!'

Inderdaad hoort Lukas een horde spreeuwen op een waanzinnige manier tekeergaan in de klimop tegenover het platje, en hij komt maar weer naar binnen, omdat hij anders geen woord kan verstaan van wat Nico tegen hem zegt.

Affijn - ze bekijken nog even de keuken, en ook daar ziet Lukas, moet minstens voor een vijftienhonderd gulden tegenaan, en onder het naar beneden lopen komt hij eindelijk, zij het aarzelend, met de vraag wie er dan wel ten slotte zal moeten opdraaien voor de kosten van de verbouwing. 'Wel,' zegt Nico Lefèvre. 'Om te beginnen is het zo, dat de kosten van de verbouwing - of een verbouwing is het eigenlijk niet, 't is meer een kwestie van opknappen - zonder enige twijfel zullen meevallen. Het lijkt allemaal,' zegt Nico, 'veel erger dan het is. Een fleurig behangetje, hier en daar een kwastje, een paar kleine reparaties, en je zit er bij als een oosterse vorst. Maar ja,' zegt Nico,'iets kost het natuurlijk altijd, en gezien de hoge bedragen waar ik-zelf tegen aankijk, lijkt het mij niet meer dan billijk,' hij opent de deur naar de zaak en laat Lukas voorgaan, 'lijkt het mij niet meer dan billijk, dat degeen die hier boven komt wonen ...'

Maar de woorden stokken hem in de keel. Pal tegenover hem, naast de kostbare balie, staat Tante Door, in een provocerende houding, en met een hoogst verontrustende glimlach op de lippen.

'Nou?' roept Tante Door. 'Wat lijkt jou niet meer dan billijk?' En meteen wendt ze zich tot Lukas, en ze zegt op een soort van overdreven society-toon: 'O, dag meneer Blijschap! Ik kwam even informeren . . . Hebt u nog een leuk reisje voor mij naar de wintersport? Een beetje prettig hotelletje, in een gezellige omgeving, maar asjeblieft geen bergen, want ik stérf van de hoogtevrees ...'

En terwijl Lukas een beetje onnozel staat te grinniken, richt ze zich weer tot haar broer met de woorden: 'Zo, meneer Lefèvre. Jij was aan het ronselen geslagen, hè?'

Er komt een langgerekt eeeh . .. van de zijde van Nico, maar nee, zegt Tante Door, ik heb het woord! 'Drieduizend gulden moest je van me hebben, hè? Drieduizend gulden, om van deze troep iets fatsoenlijks te maken. Nou, goed,' zegt Tante Door. 'Je kan ze van me krijgen. Op één voorwaarde. Dat jij deze jongen met rust laat!' 'Wie zegt,' protesteert Nico, 'dat ik deze jongen . . 'Heb je mij goed verstaan, broer? Jij koopt in deze buurt geen kelners weg van mijn zuurverdiende centen! Begrepen?'

Wel - Nico heeft het zeer goed begrepen, maar Lukas voelt zich verplicht een korte verklaring af te leggen. 'Mag ik even wat zeggen, Tante Door?' 'Ja. Je mag.'

'Ik wou alleen maar even opmerken, Tante Door,' zegt Lukas, 'dat je je ongerust maakt voor niks, want de ware kelner,' - zijn stem krijgt iets bewogens - 'de ware kelner laat zich niet wegkopen! En zeker niet,' zegt Lukas, 'met een platje waar je ieder ogenblik van kan afdonderen, omdat de eigenaar heeft nagelaten er een deugdelijk hek omheen te zetten, 't Spijt me dat ik het zeggen moet,' gaat hij verder tegen Nico, 'maar hoe mooi het ook allemaal mag klinken, meneer Lefèvre, met dat verlaagde plafond, en die eenentwintig TL-buizen, enzovoorts, enzovoorts, ik dacht toch,' zegt Lukas, 'dat ik er wijzer aan doe om te blijven zitten waar ik zit. Ik hou niet zo van dat felle licht. Ik ben meer het type voor het halfdonker.' 'Nou,' zegt Nico. 'Dat was dan dat.'

'Nee, wacht even!' Tante Door loopt naar de balie, met een ondeugende twinkeling in haar ogen.

'Nico,' zegt ze. 'Ik heb nog een kleine verrassing voor je. Ik weet hoe moeilijk het is om goed personeel te krijgen, vandaag aan de dag, maar ik gelóóf. . .' Maar wat ze gelooft krijgen we net niet meer te horen want de winkeldeur vliegt open, en degene die binnenkomt is niemand anders dan Kootje de Beer, zó uit z'n bed, in een dikke winterjas en met een wollen sjaal - en nog lichtelijk krom van de spit.

'Zo, meneer Blijschap!' Hij komt dreigend op Lukas af. 'Dus het is waar wat ze in de wassalon vertellen!' 'O, Ko,' zegt Tante Door. 'Hoe kan je dat nou doen ... zo je bed uit komen ...'

'Terwijl ik net had besloten,' buldert Kootje de Beer, 'om meneer in alle opzichten tegemoet te treden, en in godsnaam dan tóch maar naar beneden te verhuizen, en voor de rest van m'n leven afstand te doen van dat zenuwenplatje, waar meneer blijkbaar niet zonder kan bestaan, op dat moment,' roept Kootje de Beer, 'loopt de heer Blijschap de broer van mijn buurvrouw achterna, en laat mij barsten! Meneer Lefèvre, van harte gefeliciteerd, met zo'n bediende!' 'Ko...'

Tante Door legt zachtjes een hand op zijn gebogen rug. 'Meen je dat nou? Dacht jij nou werkelijk, dat Lukas jou laat barsten?' Ze schudt, vriendelijk glimlachend, het hoofd. 'Kootje, Kootje, wat ben je toch een slechte mensenkenner!' 'O ja?'

'Ja, Ko. Lukas laat jou niet barsten. Hij blijft.' 'Hij blijft?!' Van pure verbazing staat Kootje in één keer rechtop.

'Ja, Ko,' zegt Lukas. 'Ik blijf.' Hij kijkt hem verwijtend aan. 'Zal ik jou eens wat zeggen, Kootje? Jij moet niet altijd zo voorbarig wezen met je oordeel'

'Nou krijgen we het helemaal!' barst Kootje opnieuw los. 'Ik lig in m'n nest te verrekken van de pijn ... ik roep meneer Blijschap ... ik krijg geen antwoord ... ik strompel met m'n zieke lichaam naar beneden, en al wie d'r is, géén meneer Blijschap ... ik trek zo goed en zo kwaad als het gaat m'n kleren aan, en begeef mij naar de wassalon, waar god en de hele wereld me weet te vertellen, dat mijn kelner een nieuwe betrekking heeft aangenomen in het reisbureau van de heer Lefèvre ... ik kom hier in deze troep, en daar staat meneer Blijschap! Nou! Moet jij mij dan gaan vertellen dat ik te voorbarig ben met mijn oordeel?!' Hij stopt buiten adem en kijkt opeens vertederd naar Lukas, die de woordenstroom gelaten over zich heen heeft laten gaan. 'Dus,' zegt Kootje, 'je blijft?'

Lukas fronst ernstig de wenkbrauwen. 'Je komt niet terug op wat je net zei?' 'Wat bedoel je?' 'Over dat platje ...'

'Ben ik zo ...' - Kootje begint zich weer op te blazen - 'dat ik óóit terugkom op iets wat ik eenmaal beloofd heb?!' 'Dat zal je zelf het beste weten,' zegt Lukas. 'Ik vraag het aan jou, Lukas Blijschap!' Affijn - ze staan weer als twee kemphanen tegenover elkaar, en Tante Door komt haastig tussenbeide, en zegt: 'Als ik de heren even mag onderbreken. Ik stond net op het punt om een kleine pleister op de wonde te leggen voor Nico.' Ze loopt weer naar de balie. 'Nico. Wat voor soort functie had jij in je hoofd voor Lukas?'

'Balie-employé,' antwoordt Nico.

'Nou,' zegt Tante Door. 'Wil je dan even naar het vogeltje kijken ..

Maar weer wordt ze onderbroken, dit keer door Tinus de Toeper die met een opgetogen gezicht komt binnenstappen en uitroept: 'Mevrouw, mijne heren! Mag ik even uw aandacht voor het volgende: Femma heeft een tweeling!'

Wel - vanaf dit moment is alles vergeven en vergeten. Tante Door, Lukas, en Kootje vallen Tinus om de hals, en Tinus roept lachend: 'Ja, luister eens even ... ik ben de vader niet!' en Kootje de Beer vraagt om stilte, en zegt: 'Vrienden! Een gedenkwaardig feit doet zich voor! Mijn spit is over!' En met dat hij dat zegt klinkt vanachter uit de zaak een stem die roept: 'Tante Door, 't spijt me wel, maar ik hou 't niet langer vol daar beneden!'

Dus iedereen kijkt om, en daar staat, in al haar schoonheid, niemand anders dan Lena van de warme bakker, die al die tijd op haar hurken achter de balie heeft gezeten. 'O god, kind!' roept Tante Door. 'Ik was je helemaal vergeten!' Ze kijkt stralend naar haar broer, en maakt vervolgens een breed voila-gebaar in de richting van Lena.

'Nico,' zegt Tante Door. 'Mag ik je even voorstellen? Je nieuwe balie-employée!'

8

'Dus uiteindelijk,' zegt Lukas tegen mij, als ik een paar dagen later het hele verhaal te horen krijg aan de tapkast van 't Schaep, 'uiteindelijk,' zegt hij, 'heeft niemand meer reden tot klagen. Kootje is weer zo gezond als een vis, ik krijg de tweede etage met zonneplat voor vijfenzeventig in de maand, Femma heeft een jongen en een meid, en Nico Lefèvre mag ook niet mopperen met z'n drie rooie ruggen van Tante Door, en Lena van de warme bakker. En o ja,' zegt Lukas, en haalt iets uit zijn portemonnee, en legt vervolgens zijn gesloten vuist voor me op de tapkast. 'Gistermorgen breng ik mijn pantalon weg om te laten stomen bij Tante Door, en een uur later komt Tante Door binnen met een glunderend gezicht, en ze zegt als jullie nog eens wat weten om heibel over te maken. Dit vond ik in de omslag van Lukas z'n broek. Wel,' zegt Lukas. 'Kootje en ik hebben mekaar toen maar eens diep in de ogen gekeken, en gauw een biertje gepakt om het af te drinken, want,' zegt Lukas, 'wat Tante Door had gevonden in de omslag van de broek, die ik de afgelopen maanden dag in, dag uit in m'n werk heb gedragen, was dit.'

Hij opent zijn vuist, en op de palm van zijn hand ligt een muntstuk ter waarde van twee gulden vijftig, met de beeldenaar van Juliana, Koningin der Nederlanden, enfin, kort en goed, niet anders dan een mooie, glimmende, zilveren knaak.