HOOFDSTUK XI
Piet in zijn knollentuin - Werk, werk, werk te over, maar
Dorothy meent dat ze lelijk te kort komt - Een jolige feestdag op
Coney Island - Ernstig gesprek aan 't strand bij de ruisende
Atlantische Oceaan - Eind goed, al goéd. Piet gaat huistoe - Bey,
bey, Piet, zegt Uncle Sam, en Dorothy heeft haar zakdoek
nodig...
Harry van der Poel had het ziekenhuis verlaten. Nog wel een beetje
zwak op de benen, maar het ging toch alweer vrij goed. De enige,
blijvende herinnering aan het avontuur, zou een gaatje in zijn
schedel zijn, maar daar zou hij later zijn scheiding wel langs
trekken! De familie Winslow had ervoor gezorgd dat Harry van der
Poel de allerbeste verzorging kreeg in het ziekenhuis en een
beroemd chirurg had de operatie tenslotte verricht. Zo in- en
ingelukkig was die automobielkoning over de afloop van het
angstwekkende avontuur met zijn dochtertje Patty, dat geen kosten
en cadeaus hem te veel waren geweest. Toen hij hoorde dat Piet van
plan was de helft van de beloning aan zijn vriend Harry te geven,
besloot hij Pietje Bell net een slag voor te zijn. Mr. Winslow zond
Harry een brief, waarin hij hem meedeelde dat er na zijn ontslag
uit het ziekenhuis een gloednieuwe Super Piper Cub sportvliegtuig
voor hem gereed zou staan. Harry weigerde subiet iets van Piet aan
te nemen, maar was natuurlijk enorm in zijn knollentuin met de
nieuwe kist. Ook Bob werd niet door Mr. Winslow vergeten en,
ofschoon Bob feitelijk alleen maar zo'n beetje toeschouwer was
geweest bij het hele geval, had hij toch evengoed in het gevaar
gedeeld. Daarom overhandigde Mr. Winslow hem een gesloten envelop,
die, toen Bob hem later in alle stilte in zijn kamer openmaakte,
zo'n daverend groot bedrag bleek te bevatten, dat Bob Merrill zo'n
kolossale luchtsprong maakte, dat hij tegen de lamp vloog, zijn kop
lelijk stootte, en aan zijn hospita drie nieuwe elektrische
peertjes moest vergoeden! Dat zat dus wel snor met die envelop, zou
ik zo denken... Piet had de uitnodiging van ,The Sun' gekregen om
korte verhalen over Nederland te schrijven. Piet deed dat met
bijzonder veel genoegen. Die artikelen vielen zelfs zo op, dat de
hoofdredacteur hem op een gegeven dag liet ontbieden en Piet het
voorstel deed om zich maar voorgoed aan het bekende dagblad ,The
Sun' te verbinden. Maar daar bedankte onze Piet toch heel beleefd,
maar ook zeer beslist voor. Daar had Piet een zeer speciale reden
voor ook! Hij had de laatste weken hard gewerkt. Steeds meer
artikelen gingen met de luchtpost mee naar Nederland, waar de
bladen ze dolgraag opnamen, omdat ze steeds interessanter werden.
Piet verdiepte zich meer en meer in de Amerikaanse economie en de
politiek. Op zijn oordeel werd in Nederlandse vakkringen behoorlijk
prijs gesteld. Dat bleek wel uit zijn steeds groter wordende post
van Nederlandse lezers. Maar met dat al hield Piet heel weinig tijd
voor zichzelf over. Hij begon zijn vrienden een beetje te
verwaarlozen. Soms betrapte hij zich erop dat hij behoorlijk
heimwee kreeg naar de Rotterdamse Hoogstraat! Toen op zekere morgen
met de luchtpost een persoonlijke brief kwam van meneer Peters, de
directeur van ,De Morgen-post' in Rotterdam, waar Piet als
allerjongste verslaggever zijn zeer wankele schreden op het uiterst
glibberige pad der journalistiek had gezet, toen was de boot
helemaal aan! Het was die morgen prachtig weer en Piet was, na het
lezen van die brief, zo ontzettend in de bonen, dat hij er behoefte
aan had er eens uit te vliegen. Hij reed naar de buitenkant van de
stad, reed langzaam over de Palissades, waar hij voor het eerst op
die zondagmiddag met Dorothy had gewandeld... Dorothy...! Verdraaid
nog aan toe. Ook die had hij helemaal uit het oog verloren met dat
gebuffel van de laatste weken! Automatisch sloeg hij de weg naar
Brooklyn in, waar Dorothy woonde. Het verkeer in de benedenstad was
weer verschrikkelijk druk. Piet had de grootste moeite door het
gedrang heen te wurmen.
Hij reed over de Brooklyn Bridge, die de Eastriver overspant, en
bereikte spoedig Dorothy's woning. Als ze nu maar thuis was! Piet
gaf een paar krachtige stoten op de hoorn. En jawel hoor. Pietje
Bell had weer eens zijn spreekwoordelijk geluk.
Dorothy verscheen vrijwel direct aan het raam. gaf een gilletje van
blijdschap en stormde naar buiten.
"Pietje Bell! Hoe kom jij zo ineens uit de lucht vallen, ontrouwe
tomaat! "
"Och, ik brandde opeens van verlangen om je wonderschoon snoetwerk
weer eens te bewonderen," zei Piet lachend. "Ga je mee een eindje
rijden? Ik moet je namelijk iets zeer geheims vertellen."
"Ik kom zo! "
"Luister, hooggeachte wipneus," zei Piet, toen ze even later langs
de boulevard snorden, "ik denk er hard over naar Holland terug te
gaan."
"Naar Holland? Nu al? " zei ze een beetje verwijtend. "Ja kind, ik
ben nu bij elkaar zo'n jaartje van huis geweest, nu vind ik het
welletjes zo. Ik kan hier niet blijven, weet je! "
"Tja... als je denkt dat je gaan moet! Maar 't is heel, heel
jammer, Piet. Als je hier had kunnen blijven, had je hier een
geweldige carrière kunnen maken. Daar ben ik wel heel zeker
van."
"Och ja, dat is misschien wel zo, Dorothy, maar ik heb mijn ouders
nog in Nederland en ik heb ook sinds vanmorgen een uitstekende
positie bij 'De Morgenpost' in Rotterdam."
"Wat? " riep Dorothy verrast. "Jazeker,".zei Piet met voldoening,
"vanmorgen heb ik een luchtpostbrief van mijn oude directeur,
meneer Peters, uit Rotterdam ontvangen. Hij bood mij een
redacteurspost Buitenland aan."
"Jammer Piet," zei Dorothy echt spijtig, "ik had je nog zo erg
graag een beetje bij ons gehouden."
"Dat is heel erg aardig van je om dat te zeggen, Dorothy," zei
Piet, werkelijk een beetje geroerd, "maar kind, het kan nu echt
niet. Nou, enne... waar gaan we nu heen? "
"Kom Piet, laten we dan voor het laatst vandaag eens echte pret
gaan maken. Laten we naar Coney Island gaan! "
Coney Island is een badplaats, vol met vermakelijkheden, shows, en
wat je maar wilt. Een enorme, eeuwigdurende kermis zou je kunnen
zeggen.
"Oké," zei Piet, "dat doen we! Ik heb al zoveel over dat Coney
Island horen vertellen, dat ik het nu toch op de valreep wel eens
graag van dichtbij zou willen zien. Weet je de weg? "
"Simpel genoeg. Je volgt hier de Ocean Boulevard maar en je komt er
vanzelf. Je kunt eenvoudig niet missen."
Ze hebben die middag een ontzettende lol gehad. In de ,Reis door de
Onderwereld', een tochtje door stikdonkere, griezelige grotten in
een roeibootje. Afgrijselijke monsters belaagden hen. Een van die
kwaadaardige knapen kwam hen recht tegemoet en ze verwachtten juist
met roeibootje en al door de enorme muil te worden verslonden, toen
het bootje een meter naar beneden zakte en het vreselijke monster
over hun hoofden weggleed. Dorothy gilde en kneep Piets arm zowat
blauw van de sensatie! In de diepte aangekomen, stond er een
stelletje vuurrode duivels voor ze klaar met scherpe drietanden. De
duivels kwamen plotseling naderbij en Dorothy gilde half van pret,
half van angst. Natuurlijk werden ze door die drietanden helemaal
niet geprikt, maar het bootje gleed in snelle vaart naar beneden,
waar een heel stel dansende geraamten stonden. De ene
.verschrikking' volgde na de andere. Dorothy was dolblij dat ze
eruit was, maar Piet lachte er natuurlijk hartelijk om. Daarna
gingen ze het ,elektrische' huis binnen, waarin alles draaide en
schommelde. Ze moesten door een geweldig groot vat kruipen. Dat
zou, op zichzelf genomen, helemaal niet zo erg zijn geweest, als
dat verdraaide vat maar niet ging draaien als je er eenmaal
doorheen kroop. Nu was 't bijna onmogelijk. Maar ze zijn er
tenslotte doorheen geworsteld, maar nauwelijks waren ze eruit, of
ze kwamen weer op een grote draaiende schijf terecht. Die slingerde
hen heerlijk enkele malen in de rondte, totdat ze de uiterste rand
ervan bereikten en in een soort bobsleetje terechtkwamen, dat hen
met een knoertvaart naar beneden deed vliegen. Boem, op een dikke
matras. En daar was dan meteen de uitgang! En zo ging het de hele
middag van de ene verrassing naar de andere.
"Zeg, Dorothy, meid, ik begin een honger als een welopgevoed paard
te krijgen."
"Vooruit dan, voordat je belieft flauw te vallen, hier is een
stalletje waar je ,hot dogs' kunt krijgen." ,Hot dogs' zijn in
Amerika langwerpige broodjes, opengesneden, met een warm
Frankfurter worstje erin. Dan een kwak mosterd erop en... smakelijk
eten! Een kop koffie erbij, en zo genoten ze van een typische
maaltijd op Coney Island! Ze gingen daarna weer verderop, want ze
wilden gewoonweg geen vermakelijkheidstent overslaan. Piet wilde nu
eens echt pret hebben met Dorothy, en daar liet hij geen enkele
twijfel over bestaan ook. De hele middag bezochten ze de ene
voorstelling na de andere. Toen tegen de avond de miljoenen
lichtjes opgingen, die tot hoog in de lucht van de torens en
spitsbogen van de vele theaters glinsterden, en de grote
mensenmenigte per trein of per auto en bus uit New-York aankwamen,
toen pas zagen ze Coney Island in zijn ware gedaante! Overal klonk
muziek, overal schreeuwden de aankondigers hun leuzen uit om de
mensen maar naar hun tenten te lokken. Jong en oud vermaakten zich.
Geweldig in één woord! Piet en Dorothy hadden nu genoeg gezien en
wandelden langzaam naar de zeekant waar de Atlantische Oceaan zijn
brekers liet rollen en ver het strand opstuwde. Daar gingen zij in
het zand zitten en tuurden zwijgend over de wijde oceaan, waarop
hier en daar een enkel lichtje pinkte. Zo zaten ze wel tien minuten
zwijgend naast elkaar. Dan wees Piet plotseling naar de in duister
gehulde horizon.
"Kijk, Dorothy," zei Piet ongewoon ernstig, "zie je daar, heel ver
weg, achter de horizon, daar ligt ergens mijn huis, daar wonen mijn
ouders, daar ligt Rotterdam... Kun je begrijpen, Dorothy, dat ik
daar weer heen wil? "
"Ja Piet, ik begrijp 't wel," zei Dorothy zacht. En dan voegde ze
er een beetje treurig aan toe: "Och, het is misschien alleen maar
egoïstisch van me, om je hier bij me te willen houden. Piet. Maar
zeg eens eerlijk, 't is hier toch ook niet slecht? "
"Absoluut niet, Dorothy, helemaal niet slecht zelfs, en ik hoop
beslist hier later weer terug te komen. Wanneer mijn ouders hier in
Amerika waren, dan zou dat nog een heel andere zaak zijn. Maar ik
kan ze nog niet voorgoed verlaten. Daarvoor houd ik te veel van ze.
Ik heb hier een prima jaar doorgebracht, en daar moet ik dan ook
voorlopig tevreden mee zijn. Als ik weer in Nederland ben, dan kan
ik de jongelui vertellen dat Amerika een land is vol goede kansen
om vooruit te komen... als je tenminste een vak verstaat en bereid
bent de strijd tegen het leven zelf op te nemen en vol te houden.
Ik heb al lang gezien dat niet iedereen hier slaagt. Iemand, die in
Nederland te lui is om te werken, hoeft zeker niet te denken dat in
Amerika de gebraden eendjes hem zo maar in de mond vliegen. O nee,
dit land is veel en veel harder dan Nederland. Als je meekunt, is
't goed. Kun je dat niet, dan staat er niemand voor je klaar die je
opvangt... Misschien heeft dat Amerika wel zo'n enorme kans gegeven
om snel vooruit te komen. Daar waren kerels voor nodig. Ik zelf heb
hier geen werkelijke strijd gestreden. Voor mij was het eigenlijk
maar een plezierreisje! "
"Jawel, een mooi plezierreisje," lachte Dorothy. "Maar dan vergeet
je wat je allemaal uitgestaan hebt in een brandende vliegmachine en
dergelijke kleinigheden..."
"Och, dat was maar een nummertje op mijn programma," antwoordde
Piet, "die Oxford en zijn smerige bende zitten veilig achter de
tralies, en zullen tijdens het opwekkend ,zakjes plakken' misschien
nog wel eens aan mij denken."
"Mr. Winslow heeft jullie in ieder geval prachtig beloond," zei
Dorothy. "Laat je die auto met de boot overkomen? Jij gaat
natuurlijk vliegen, want jij bent veel te kwikzilverachtig
aangelegd om zes dagen rustig op een schip te zitten, hè? "
"Daar heb ik ook al over gedacht, maar bij nader inzien heb ik toch
maar besloten dat ding hier te laten. Als ik in Holland een villa
bezat en de rijke meneer kon uithangen, dan zou ik die prachtwagen
zeker meenemen. Ik denk er echter niet aan mijn geld te gaan
uitgeven aan allerlei overbodige luxe. Neen, Dorothy dear, ik heb,
zoals je weet, de helft van de twintigduizend dollar naar mijn
ouders gestuurd. Mijn vader kan daarvoor een nieuwe zaak kopen of
de oude winkel uitbreiden. Precies zoals hij maar wil. De rest gaat
veilig op de bank. Een appeltje voor de dorst. Misschien heb ik dat
geld later nog eens heel hard nodig, als ik 't in mijn bol zou
krijgen zelf een krant te beginnen. Ik kan die auto niet eens in de
Herenstraat in Rotterdam parkeren. Waarom zou ik die slee dan
meesjouwen en nog een vracht invoerrechten betalen ook, zodra dat
ding op de kade in Rotterdam gehesen is? Mij niet gezien..."
Ze babbelden nog gezellig door over alles en nog wat. Toen reden ze
in de mooie avond terug in de richting New-York.
Bij Dorothy's huis aangekomen, bracht Piet haar keurig tot aan de
deur en sprak toen: "Ik hoop je ouders, en jou natuurlijk, van de
week nog een afscheidsbezoek te brengen. Breng je mij naar
Idlewild, als ik wegvlieg? "
"Natuurlijk, malle jongen, wat had je dan gedacht? " Meneer Peters
had er geen gras over laten groeien. Zodra Piet had teruggeseind
dat hij de redactiepost aannam in Rotterdam, had de heer Peters een
contract voor hem opgesteld, en dat vond Piet toen hij 's avonds op
zijn kamer kwam.
De volgende morgen ging hij naar een reisbureau om zijn
vliegpassage te bespreken. Daar kreeg hij de boodschap dat zijn
vliegtuig vrijdagavond zou vertrekken. Toen brak er nog een drukke
tijd voor Piet aan. Hij moest naar de Nederlandse ambassade voor
zijn uitreisvisum, hij moest de stad in om allerlei cadeautjes te
kopen voor zijn ouders en vrienden in Rotterdam, want hij kon toch
moeilijk met lege handen aankomen, nietwaar? " En dan had Piet nog
een bijzonder belangrijke boodschap te verrichten. Hij reed naar
Brooklyn en stopte de wagen voor Dorothy's huis. Daar werd hij
allerhartelijkst ontvangen door Dorothy's ouders, die altijd zeer
met Piet ingenomen waren geweest. Toen Piet afscheid nam en Dorothy
nog even voor een klein tochtje uitnodigde, het laatste toertje in
zijn mooie auto, let wel... was Piet niet erg spraakzaam. Ook
Dorothy zat maar stil naast hem. Er was blijkbaar iets dat Piet
wilde zeggen, maar hij wist niet hòe!
Tenslotte, toen ze weer voor de deur van Dorothy's woning stopten,
zei Piet een beetje hees: "Wel, Dorothy van der Poel, ik stap hier
ook maar uit, want ik ben namelijk niet van plan om met de wagen
naar huis te rijden. Dit is mijn laatste ritje met deze auto
geweest. Ik zal naar huis gaan met de trein."
"Maar Piet... je auto dan? " "Hierzo, Dorothy, pik maar in... die
auto is voor jou. Als een herinnering aan de vele prettige uren,
die we samen hebben doorgebracht, en voor de enorme hulp die je
gegeven hebt toen ik ziek was. En vooral ook... omdat jij 't bent
geweest die mijn ogen hier geopend en mij de weg heeft gewezen hoe
ik Amerika van binnen en van buiten moest leren kennen! "
Dorothy keek Piet aan met een paar ogen, waaruit tegelijkertijd
vreugde en twijfel straalden. "Piet... je meent 't... is 't heus...
dat kun je niet menen, Piet. Die prachtslee... voor mij? "
Piet knikte zwijgend.
"O, Pietje Bell! "
Met wijd uitgestrekte armen vloog Dorothy op de verbouwereerde Piet
af en gaf hem een pakkerd op beide wangen, waarvan een
voorbijkomende kater, die op avontuur uit was, blijkbaar zo
geweldig schrok, dat-ie mompelde: "Nou nou, een beetje minder kan
ook wel! " 't Kan natuurlijk ook zijn dat die kater zich dood
ergerde, of misschien wel jaloers was...
Maar Piet en Dorothy trokken zich van de hevige gemoedsaandoeningen
van die eenzame Brooklynse kater al bijzonder weinig aan. Die
hadden heel wat anders om aan te denken, zie je..Idlewild, 's
avonds half negen.
"Willen de passagiers voor het KLM-toestel, dienst KL 235 naar
Amsterdam, zich naar uitgang zevenendertig begeven? De instapkaart
gereedhouden. Dank u! "
Piet herinnerde zich maar al te goed dat hij zo'n zakelijke
juffrouw een dergelijk bericht had horen doorgeven door de
luidsprekers van Schiphol. Maar toen ging het in de omgekeerde
richting. Toen had hij er nog geen flauw vermoeden van wat hij hier
allemaal in Amerika zou beleven. Het afscheid maakte hem toch een
beetje bedrukt. Hij liet hier zoveel nieuwe en goede vrienden
achter. Ze waren allemaal trouw gekomen: de heer en mevrouw
Wortelman, Jacob Mantel, Harry van der Poel, en natuurlijk
Dorothy... Foei, foei, wat een gedrang was dat in die grote
ontvangsthal van Idlewild. Onwillekeurig keek Piet nog even naar
die grote zijdeur, waar een jaar geleden die geheimzinnige auto had
gestaan van de bende van Mr. Oxford. Piet schoot in de lach. Wat
een flop had die Oxford eigenlijk gehaald met die aktetas! Enfin,
maar braaf zakjes plakken in de nor. Piet moest steeds maar handjes
drukken en Dorothy stond erop een speciale afscheidszoen van hem te
ontvangen.
"Ik heb mijn wagen extra gewassen," zei ze dapper glimlachend. Maar
Piet voelde maar al te goed hoe ze beefde.
"Laatste oproep voor de passagiers van het KLM-toestel, dienst KL
235 naar Amsterdam en verdere bestemmingen," drong de zakelijke
juffrouw via de luidsprekers aan.
"Nu moet ik heus gaan, lui, anders gaat die kist nog zonder me
weg," zei Piet een beetje gemaakt vrolijk.
"Ik zou 't niet eens jammer vinden, Piet," zei Dorothy toen zacht
tegen hem.
Piet liep door de afsluiting naar de uitgang. Steeds
achteruitkijkend en zwaaiend. Totdat hij op de eksteroog trapte van
een nors uitziende meneer.
"Kun je niet uitkijken? " zei die knaap spinnijdig. Die meneer
heeft de hele lange weg tot Amsterdam toe aan zijn gevoelige
eksteroog zitten wrijven. Een afscheidspresentje van Pietje Bell,
die altijd iedereen zo graag wilde helpen, weet je wel? Het laatste
wat Piet die avond zag, was Dorothy, die dapper stond te wuiven met
haar zakdoek, maar toen Piet nog even snel omkeek, zag hij dat ze
haar zakdoek gebruikte om haar ogen af te drogen. Tien minuten
later was de KL 235 ,airborne', dat wil zeggen, de machine was los
van de grond, en had het landingsgestel ingetrokken. "We komen
eraan, jongens," meldde de gezagvoerder via de kortegolfradio al
naar het verre Schiphol. "Goeie reis and good luck, captain," zei
Schiphol beleefd, over de Noordzee en de Atlantische Oceaan
heen.
Piet keek uit het cabineraampje. Onder hem trok het weelderig
verlichte New-York langzaam onder hem door. Hij herkende
verscheidene punten. De Broadway, Times Square, East River. Daar
moesten ergens de Palissades liggen, waar hij voor 't eerst, op die
zondagmiddag, met Dorothy had gewandeld. Good, old Dorothy... dacht
Piet. Ze vlogen dwars over de haveningang van New-York, de wijde,
donkere Atlantische Oceaan tegemoet, die daar als een gapend gat
voor hen lag. Piet keek nog even achteruit, naar de indrukwekkende
wouden van wolkenkrabbers, die hun licht deden opkaatsen tegen de
laaghangende wolken. En kijk nu eens aan, die ene, dikke vette
torenwolk! Het leek wel alsof die wolk een gezicht had... Pure
verbeelding natuurlijk, maar 't leek toch sprekend, alsof die wolk
Uncle Sam in hoogsteigen persoon was, die beleefd zijn hoge hoed
naar hem zwaaide, en hem toeriep: "Well done, Pietje Bell, well
done, my boy! Je bent een prettige gast hier geweest, en je mag
altijd weer terugkomen als je zin hebt! Good bey, and good luck! "
"Wilt u een kopje koffie, meneer? " vroeg de stewardess van de DC
Superjet vriendelijk. Ook dat had Pietje ai eens meer gehoord in
zijn korte, doch veelbewogen leventje! Leuk om weer eens in een
Nederlands vliegtuig te zitten... Een stukje Nederlands vaderland
op vleugels, hoog boven de donkere Atlantische Oceaan, op weg naar
huis...