HOOFDSTUK VII
De geheimzinnige verdwijning van Patty Winslow - Bob Merril ziet
er geen brood in, maar Piet speelt voor detective - Een
geheimzinnig telefoontje van een geheimzinnig individu en dan: "
Volg die wagen! "
Piet sliep die nacht helemaal niet rustig. Als je bij dat
heethoofdige jongmens over avonturen ging babbelen, dan ging zijn
fantasie al meteen zo ver, dat hij maar 't liefst meteen in het
rosse leven van de onderwereld van New-York zou zijn gedoken. De
volgende morgen belde Piet het redactiebureau van ,The Times' al
bijtijds op en vroeg naar Bob Merrill.
"Hallo Bob? "
"Ja, hallo, wacht even, als ik me niet vergis, mijn vriend Pietje
Bell. Wat voer je uit vandaag? "
"Och, ik boemel maar zo'n beetje rond, denk ik, en ik vrees dat ik
me zal vervelen als een aap op kwartjesdag in de diergaarde
Blijdorp. is er wat bijzonders aan de hand bij jullie op de krant?
"
"Niet dat ik weet. Ik heb een paar bezoeken af te leggen en dan is
er ergens een kind vermist. Dat is ook al niets bijzonders, want
dat gebeurt hier elke dag. Wel moet ik even op informatie uit in
verband met dat geval. Wil je soms met me meegaan? "
"Oké, graag zeg! Waar zie ik je? "
"Waar zit je nu? "
"In een sigarettenwinkel, Broadway, 42ste Straat."
"Best, dat is vlak in de buurt. Kom maar hierheen, dan gaan we er
samen op uit."
Tien minuten later trof hij Bob in de vestibule van het
Timesgebouw.
"Waar moeten we heen? " informeerde Piet. "Naar het eindpunt van de
subway, de 242ste Straat."
"Oké then, dat is zowat een half uur rijden, denk ik. Dan kunnen we
alvast wat praten. Wat is er met dat vermiste kind aan de hand? "
"Ik weet er zelf ook niet al te veel van. Daarom moet ik helemaal
naar de 242ste Straat. Daar woont dat kind. 't Schijnt een
dochtertje te zijn van een bekende autofabrikant. Tegen de tijd dat
we daar aankomen hebben ze dat kind natuurlijk allang gevonden,"
zei Bob. Ze daalden samen de stenen trappen af die naar de subway
leidden en namen de eerste de beste sneltrein die hen naar de
plaats van bestemming reed. Maar van het voorgenomen gesprek in de
trein kwam niet al te veel, want de trein maakte zulk een
oorverdovend geraas, dat ze zich niet verstaanbaar konden maken. In
een half uur waren ze aan het eindpunt gekomen en stapten uit. Voor
hen strekte zich het Van Cortlandt Park uit. Een bos vol heuvels en
rotsen. Veel minder gekunsteld aangelegd dan het Central Park, dat
zich midden in de stad New-York bevindt. Hier en daar waren brede
avenues aangelegd met heel mooie landhuizen. Met enkele woorden
legde Bob uit waar hij op uit was!
"Dat vermiste kind," vertelde hij, "is het dochtertje van Winslow,
de automobielfabrikant. Hij woont hier ergens in de buurt. Om de
hoek kun je het huis zien."
"Is de politie op de hoogte gesteld? " wilde Piet weten.
"Dat weet ik niet, maar ik denk van wel. Dat zullen we straks wel
horen."
In enkele minuten hadden ze nu het grote landhuis van de familie
Winslow bereikt. Het was een prachtige witte villa, omringd door
een grote tuin, grotendeels bestaande uit grasperken en hoge bomen,
die nu met een laag sneeuw waren bedekt. Bob drukte op de bel,
waarop een bediende verscheen die zijn kaartje in ontvangst nam en
al spoedig terugkwam met de mededeling dat mevrouw Winslow hem
verwachtte. Ze volgden de bediende en werden in een keurig
gemeubileerd vertrek toegelaten, waar zij plaats namen. Het duurde
niet lang of mevrouw Winslow verscheen.
De beide jongelui stonden op en begroetten Mrs. Winslow. "Mevrouw
Winslow," zei Bob meteen op forse toon, "onze krant ,The Times'
stelt haar organisatie geheel te uwer beschikking om te trachten uw
dochtertje terug te vinden."
Mevrouw Winslow zuchtte diep en ging in een fauteuil zitten. Haar
ogen waren rood van het huilen en haar stem beefde een beetje.
"Dank u wel," zei ze zachtjes. "U hebt zeker al het een en ander
gehoord over het gebeurde? "
"Om u de waarheid te zeggen, mevrouw," antwoordde Bob, "weet ik
niets meer dan dat uw dochtertje vermist wordt. Mijn redacteur
heeft mij naar u toegezonden om alle verdere gegevens te verzamelen
en dan kunt u ervan op aan dat wij alles in het werk zullen stellen
om u te helpen! "
"Dat is buitengewoon vriendelijk van u." Zichzelf vermannend
vertelde mevrouw Winslow: "We hadden ongeveer twee weken geleden
een kindermeisje voor onze Patricia in dienst genomen. Zij scheen
een keurig meisje te zijn, afkomstig uit Frankrijk. Alles ging
uitstekend en Patricia was bijzonder aan het nieuwe kindermeisje
gehecht. Gistermiddag na de lunch ging ze met Patricia nog een kort
autoritje maken door het park. Jenkins, onze chauffeur, reed hen
zowat een kwartiertje rond. Toen wilde ze plotseling uitstappen.
Patty wilde nog een beetje in de sneeuw spelen. De chauffeur
wachtte en zag dat Patty en het kindermeisje verder en verder
afdwaalden, spelend en stoeiend in de sneeuw. Hij dacht dat het nog
wel een tijdje zou kunnen duren, haalde een krant uit zijn zak en
begon te lezen. Kort daarop werd het echter donker en Jenkins
bemerkte tot zijn schrik dat ze allebei verdwenen waren. Direct
begon hij het park in alle mogelijke richtingen te doorkruisen,
maar ze waren nergens meer te vinden." Mevrouw Winslow wachtte
even.
"Raadselachtig," meende Bob die intussen ijverig notities had
gemaakt.
"Wat hebt u toen gedaan, mevrouw? "
"Wat kon ik doen? Mijn man kwam pas veel later thuis. Ik dus maar
al onze vrienden en kennissen in de omgeving opgebeld, maar niemand
kon mij ook maar enige inlichtingen geven. Die arme Patty...! "
Mevrouw Winslow kreeg een huilbui. Piet had zich in zijn hele leven
nog nooit zo ellendig en hulpeloos gevoeld. Op dat ogenblik kwam er
een oudere dame de kamer binnen die haar arm om Mrs. Winslow legde,
en zachtjes tegen Bob en Piet zei: "Gaat u nu maar. Mijn dochter
windt zich veel te veel op."
Bob en Piet verlieten het huis.
"Zeg," zei Piet, tot zijn metgezel, toen ze eenmaal weer buiten
stonden, "ik weet niet waarom, maar ik heb grote zin om dat zaakje
eens verder te gaan uitpluizen."
"Ik ook," zei Bob, "alleen ben ik bang dat we van die Mrs. Winslow
niet veel wijzer worden. Aan dat gejank hebben we totaal niets, en
ze weet bovendien ook niets meer. Als we wat van die zaak te weten
willen komen, moeten we een paar andere lui vragen. Die Jenkins,
die chauffeur bijvoorbeeld. Misschien zwerft die ergens hier in de
buurt! "
De chauffeurswoning bleek boven de garage te zijn, aan het einde
van de grote tuin. Ze liepen erheen en vonden chauffeur Jenkins
druk bezig met het oppoetsen van een der wagens.
Hij keek verbaasd op toen hij Bob en Piet zag naderen.
"Goeiemorgen," begon Bob op vriendelijke toon, "bent u de chauffeur
van de familie Winslow? "
"Ja, dat ben ik! "
"Wij komen van het dagblad ,The Times', kunt u ons misschien enige
inlichtingen verstrekken over het verdwijnen van die kleine Patty?
" Jenkins schudde het hoofd en keek strak voor zich uit.
"Ik ben bang van niet," zei hij dan. "Ik reed ze een eindje door
het park en toen wilde Patty uitstappen om in een grote sneeuwhoop
te spelen. Dat is natuurlijk heel gewoon als een kind zoiets
vraagt. Het kindermeisje vond dat ook, en dus liet ik ze
uitstappen. Ik heb mijn krantje zitten lezen, en toen ik opkeek
waren ze allebei verdwenen. Direct ben ik toen aan het zoeken
gegaan. Ik heb het park in alle mogelijke richtingen doorkruist,
zonder resultaat helaas! "
"Is de politie al ingelicht? " informeerde Piet.
Jenkins haalde de schouders op. "Mr. Winslow stelt niet zo heel
veel vertrouwen in de politie, en wilde nog even afwachten. U bent
van ,The Times', is 't niet? Ik begrijp niet hoe de krant zoiets zo
gauw te weten komt. Mr. Winslow wilde de zaak voorlopig nog even
stilhouden, want hij houdt er niet van dat zijn naam in de kranten
komt in verband met zo'n onverkwikkelijke geschiedenis. Dat is geen
reclame voor zijn automobielfabriek, zegt hij, och, misschien komt
dat kind vandaag wel weer terecht! "
"Ik weet niet hoe mijn redacteur aan dit nieuwtje is gekomen, maar
hij heeft mij op informatie uitgestuurd. Zijn er al andere
verslaggevers hier geweest? "
"Neen, voor zover ik weet nog niemand. U bent de eerste."
Bob Merrill keek eens in de rondte en haalde de schouders op. Hij
zag niet veel bijzonders in dit nieuwtje. Als het verdwijnen van
Patty Winslow een belangrijk en sensatieverwekkend geval zou zijn
geweest, dan waren er natuurlijk al minstens een dozijn detectives
en een kleine vijftig krantenkerels op af gestoven. Maar nu scheen
niemand er enige notitie van te nemen, Wel ja, dat was weer echt
een gevalletje om hem. Bob Merrill, mee af te schepen! Bob zuchtte
diep, draaide zich om en verzocht Pietje Bell hem maar te volgen.
"Niks bijzonders," zei hij, toen ze enige stappen van de chauffeur
verwijderd waren. "Wij kunnen er verder ook niets aan doen. Mevrouw
Winslow kan ons niet te woord staan, die oude dame werkte ons met
een zoet lijntje de deur uit en die chauffeur weet ook van toeten
noch blazen.
"Nou, ik ga maar terug naar mijn bureau! "
"Nou al? " vroeg Piet verbaasd.
"Wel ja, jò! Ik kan hier toch niet de hele dag aan besteden? Ik zal
in de loop van de dag nog wel eens opbellen en vragen of er al iets
bekend is." Piet scheen diep in gedachten te zijn, terwijl hij
naast Bob Merrill voortstapte.
Dan opeens scheen hij tot een besluit te zijn gekomen, want hij
hield zijn tred in en zei: "Stop eens eventjes, Bob. Zou jij er
bezwaar tegen hebben wanneer ik nog even terugga naar dat huis en
een beetje in de buurt blijf rondspeuren, terwijl jij naar New-York
teruggaat? "
"Wat wil je daarmee bereiken? "
"Dat kun je nooit vooruit weten. Ik heb zo'n idee, dat hier iets
achter zit. Ga jij maar terug naar New-York. Zodra ik wat
bijzonders vind, bel ik je direct op."
"Oké," zei Bob weinig geïnteresseerd, "je doet maar hoor. Ik zie er
geen brood in! "
Teruglopend naar de subway moest Bob Merrill inwendig een beetje
grinniken om die rare Pietje Bell. Je kon wel zien dat het nog een
jong knulletje was, een beginneling op het glibberige pad der
journalistiek. Echt zo'n jochie dat nou echt dacht, dat-ie een der
grootste misdaden ter wereld op het spoor was. Misschien zocht-ie
nu wel naar verloren boordeknoopjes of peukjes sigaret in de tuin.
Dat deden ze op de detectivefilms ook altijd. Dan zag je ze met een
eigenwijs gezicht zo'n vies, uitgekauwd peukje uiterst zorgvuldig
in een papiertje pakken en in een doosje stoppen. Dan hoorde en zag
je de hele film lang niets meer over dat vieze sigarettenpeukje.
Als de verdachten dan met huichelachtige tronies voor de
rechter-commissaris triomfantelijk betoogden met de hele zaak
niets, maar dan ook helemaal niets, te maken te hebben, dan kwam
die detective plotseling weer met dat peukje voor den dag, en dan
riepen ze allemaal hard om ,genade', want in die peuk school dan de
hele oplossing van het raadsel. En de misdaad was meteen zo klaar
als een klontje! Arme Pietje Bell, dacht Bob, die zat zijn tijd
daar maar te verdoen met dat geval, waarin nu letterlijk helemaal
geen sikkepit nieuws school... Dat kind zou vanmiddag wel weer op
de een of andere manier terechtkomen! Piet was intussen
teruggelopen naar de villa. Het was een ruim gebouw met een grote,
ingesloten veranda eromheen. Het huis stond er wat koud en eenzaam,
omringd door de met sneeuw bedekte tuinen, waarin knoestige, naakte
bomen hun takken als reumatische handen naar boven hieven. Piet
besloot nog eens een babbeltje te gaan maken met chauffeur Jenkins.
Hij liep in de richting van de garage toen hij plotseling het
geronk van een automotor achter zich hoorde. Piet stelde zich
meteen verdekt op achter een boom en zag hoe een taxi kwam
aanrijden, die voor de deur van de villa stilhield. Piet ,zag, hoe
een - kennelijk zeer zenuwachtige - dame uitstapte en de chauffeur
haastig betaalde. Dan ging ze de stoep van de villa op en belde
aan. De deur werd bijna onmiddellijk opengedaan. Hé, dacht Piet,
wat gaat dat verdacht vlot! Piet zóu er aardig wat voor over hebben
gehad als hij te weten had kunnen komen wat er zich achter die
gesloten deur afspeelde... De taxichauffeur had het geld in zijn
zak gestoken, nadat hij het nauwkeurig had nageteld, en stak nu een
sigaretje op. Het leek erop alsof de man zou wachten op de
terugkomst van zijn passagier, maar toen bedacht Pietje zich dat
die dame al betaald had... Met een paar stappen was hij bij de
taxi, stopte de chauffeur twee dollar in de hand, opende het
portier en stapte in.
"Rij eventjes hier in de buurt rond," zei Piet geheimzinnig, en hij
voegde er ter aanmoediging aan toe: "Ik zal je goed betalen! "
Dat hielp. De chauffeur zette de motor aan en reed weg. Direct
knoopte Piet een gesprek met de taxichauffeur aan.
"Haast je maar niet," zei Piet gemoedelijk, "ik heb de tijd, en ik
wil alleen zo maar een beetje rondrijden. Zeg, wat deed die
juffrouw zenuwachtig, die je zojuist in je wagen had. Was die ziek
of zoiets? "
De chauffeur scheen gemoedelijk genoeg om een babbeltje te
maken.
"Nou, ziek was ze niet, zou ik zo zeggen, alleen erg opgewonden
leek ze me toe," antwoordde de taxichauffeur. "Dat is dan te
zeggen, ze scheen zich tijdens de rit hoe langer hoe meer op te
winden. Ze zat maar van: schiet toch op, en rijd nou maar door...
enfin, u kent dat wel als dames haast hebben."
"O eh," zei Piet snel, "bedoel je dat ze wel kalm was toen ze
instapte? "
"O ja, hoor. Toen was ze bedaard genoeg, want ze stond eerst nog
wat te kletsen met een man voor ze instapte. Kent u die juffrouw
misschien? "
Piet dacht bliksemsnel na en zei toen kordaat: "Natuurlijk ken ik
haar. Dat is een min of meer mislukt lid van de familie Winslow.
Een beetje zielig geval. Ze is niet helemaal lekker in haar
bovenkamertje. De familie heeft soms veel met haar te stellen. Kon
je horen wat die man tegen haar zei? "
"Jawel," zei de chauffeur... "o, beleefd, meneer, net 't merk dat
ik rook... maar ik begreep er geen sikkepitje van! "
"Hoezo? " vroeg Piet, hevig geïnteresseerd.
"Nou ja, hij zei onder andere: rapporteer vanavond acht uur
standbeeld een dollar een quarter en zeven cent per telefoon." Toen
knikte die dame en stapte in mijn wagen. Hebt u ooit zo zout
gegeten? Ik snap er geen bliksem van! "
Piet had snel zijn notitieboekje uit zijn zak gehaald en noteerde
die vreemde boodschap meteen. Dan glimlachte hij vergenoegd en stak
het boekje weer in de zak.
"Zo," zei hij, "en rijd me nu maar weer terug naar het huis van de
Winslows... maar eh, rijd niet het pad op dat naar de deur leidt."
Binnen enkele minuten had de taxi het huis weer bereikt en Piet
stapte uit. Hij gaf de chauffeur nog een dollar, die daarmee nogal
in zijn sas bleek te zijn. Terwijl Piet op enige afstand van het
huis heen en weer drentelde en een oogje in 't zeil hield voor
eventuele verdere gebeurtenissen, grinnikte hij inwendig. Hier werd
een achtjarig meisje vermist, het dochtertje van een bekend
automobielfabrikant, en zijn vriend, de verslaggever Bob Merrill
vond het blijkbaar niet eens de moeite waard er wat tijd en
aandacht aan te besteden! En hier was hij. Pietje Bell, uit
Rotterdam, de eerste om het spoor te gaan volgen! Van het
allereerste ogenblik af had Piet de gedachte niet van zich af
kunnen zetten dat die kinderjuffrouw de hand in het spel had, en
dat de kleine Patty eenvoudig ontvoerd was! Wat echter die
zenuwachtige juffrouw in de taxi en de zonderlinge woorden, die zij
met de een of andere man had gewisseld, met de zaak te maken
hadden, kon Piet op dit ogenblik nog niet goed begrijpen. Hij
drentelde maar weer eens op het huis af en ging naar de garage,
waar de chauffeur Jenkins nog bezig was met wagens te poetsen. De
man keek op toen Piet naderde, gooide zijn poetslappen neer en liep
op Piet toe.
Toen zei hij kortaf: "Zeg ereis, meneer, als je soms met vragen
komt, dan moet je maar ergens anders heen gaan, want ik houd er
geen informatiebureau op na! "
Piet liet zich door die onvriendelijkheid echter geenszins van de
wijs brengen en zei poesvriendelijk: "Neen, beste vriend, wees maar
niet benauwd! Ik zal je zeker niets meer vragen. Ik wilde je alleen
maar zeggen dat die kinderjuffrouw zoëven teruggekomen is met het
kind, anders niet...! "
Piet zei dat maar op groot lef! Hij wilde alleen maar vaststellen
of die chauffeur Jenkins misschien ook iets te maken had met de
verdwijning van Patty. Nauwlettend bestudeerde Piet het gezicht van
de chauffeur. Jenkins keek Piet met halfgesloten ogen aan en begon
toen smalend te lachen.
"Tja," beaamde de chauffeur. "Ze is teruggekomen met het kind. Wat
verwacht u nu eigenlijk van me dat ik zal zeggen, hè? "
"Je schijnt er ook niet erg blij om te zijn dat 't kind eindelijk
terug is," zei Piet zo langs zijn neus weg.
"Blij? Om wat blij? Je weet net zo goed als ik dat je staat te
liegen door je hele duvel heen! Dat kind is helemaal niet terug.
Alleen de kinderjuffrouw is teruggekomen! " Tjonge, dacht Piet
verheugd, precies in de roos! Dat is alles wat ik weten wilde! Hij
mompelde maar gauw iets over een vergissing en zo, presenteerde de
chauffeur dan een sigaretje. Toen maakte Piet dat hij wegkwam...
Toen hij de hoofdweg weer had bereikt, versnelde Piet zijn pas. Zo
zo, die zenuwachtige juffrouw was dus de kinderjuffrouw. Kijk,
kijk, wat toevallig. Die zenuwachtige juffrouw had een gesprek
gehad met de een of andere mysterieuze knul, toen was ze heel kalm
in een taxi gestapt om er als een bundeltje zenuwen weer uit te
rennen, zodra ze bij het huis van de Winslows was gearriveerd.
Typisch, heel merkwaardig, dacht Piet. En nog altijd is twee maal
twee vier, mompelde Piet bij zichzelf. Hé, ik begin een lichtpitje
in de duisternis te zien! Die kinderjuffrouw staat met de een of
andere bende in contact en zij heeft het kind aan die kerels
uitgeleverd. Mijn kop eraf als 't niet zo is. Die chauffeur Jenkins
barst van de leugens. Het tweetal is helemaal niet in het park uit
de auto gestapt om in de sneeuw te gaan spelen. Hij heeft ook
helemaal niet gezocht in het park, maar is juist regelrecht met hen
naar de plaats gereden waar die smerige bende zich verbergt. Zo is
't geweest en niet anders! Piet was overigens wel bijzonder
benieuwd wat voor een sprookje die kinderjuffrouw de familie
Winslow op de mouw had gespeld. Natuurlijk zal de zaak nu wel
direct bij de politie aanhangig worden gemaakt, en zullen de
kranten een woordje gaan meespreken. Maar ik ben hun een paar
kilometertjes voor. Dat is een heel veilig gevoel, als ik 't zo
eens mag uitdrukken. Nou, vriend Bob Merrill, je hebt een dot van
een story aan je neus voorbij laten glippen, old boy! Piet kuierde
terug naar het station van de subway in de 22ste Straat. Het was nu
volop middag geworden. Hij had honger als een paard gekregen. Hij
reed door naar de benedenstad en kocht een krant aan het
subwaystation. Snel keek hij de krant door. Geen enkel bericht over
het vermiste kind... Mr. Winslow scheen dus nog geen ruchtbaarheid
aan de zaak te hebben gegeven. Dat was niet slecht voor onze Piet.
De rest van de krant interesseerde Piet op het ogenblik geen klap.
Hij vouwde de krant dus maar op en zat in gedachten, terwijl de
trein door de donkere tunnels voortsnelde. Toen haalde hij het
notitieboekje uit zijn zak en herlas de vreemde woorden die hij
daarin had genoteerd tijdens het gesprek met de taxichauffeur.
"Rapporteer vanavond acht uur standbeeld een dollar een quarter en
zeven cent per telefoon."
Ik zal een boon zijn als ik daar iets van snap," bekende Piet
eerlijk. "Het hele geval ziet eruit als een code. Ha, het moet wel
de een of andere code zijn. De eerste drie woorden zijn duidelijk
genoeg, maar de rest is zo klaar als modder in een boerensloot. Een
,quarter' is een kwartje, maar het kan evengoed een .kwartier'
zijn. Maar met betrekking tot die ,zeven centen' zal het wel een
.kwartje' moeten betekenen en dan dat woordje ,telefoon'. Piet zat
zijn hersenen met het probleem te pijnigen en krabbelde intussen de
meest vreemdsoortige figuurtjes in zijn notitieboekje. Hij kon er
overigens geen touw aan vastknopen. Het was en bleef een groot
mysterie! Een dollar, een kwartje, en zeven centen per telefoon! Je
zou met evenveel duidelijkheid kunnen beweren: een aap, een olifant
op je boterham gesmeerd! Hij schudde wanhopig zijn zwarte haardos
en begon dan de nummers: een dollar, dat was 1, een kwartje, dat
was 25, en een 1... Als je die cijfers achter elkaar schreef, dan
kreeg je - even kijken - 1257... en dan ,telefoon'. Heila...
hola... een telefoonnummer! Sapperdekriek, dat-ie daar nu niet
eerder aan had gedacht Telefoon 1257 natuurlijk. Jawel, maar welke
centrale dan? In het grote New-York had je wel honderd
verschillende telefooncentrales. Allemaal hadden ze een
verschillende naam! Zou dat woordje ,Standbeeld' er misschien iets
mee te maken hebben? Piet twijfelde er ernstig aan of zo'n centrale
wel in het telefoonboek van New-York te vinden zou zijn. Wat een
rare naam! Direct ging hij bij aankomst in het Time Square Station
in het telefoonboek loeren. Hij zocht in het lijvige telefoonboek
onder de talloze namen en nummers naar het woord ,Standbeeld', maar
het was niet te vinden. Hij belde de telefooncentrale en gaf het
nummer Standbeeld 1257 op. De operator antwoordde meteen dat zo'n
nummer helemaal niet bestond. Piet weer aan 't zoeken in 't
telefoonboek. Dan viel zijn oog op het woordje ,Monument'. "Hè...
watte? Maar natuurlijk, ezelskop, dat woordje standbeeld' moest we!
staan voor ,monument'. En .Monument' was een telefooncentrale. Dat
wist Piet zeker. Dat had hij in advertenties al zo vaak zien
staan.
Er kon niets anders bedoeld zijn dan Monument 1257! Juist, dat was
dat in elk geval. Maar nu verder? Hij kon natuurlijk nummer
.Monument 1257' bellen, en de abonnee vragen naar diens naam en
adres, maar dat zou niet bijzonder slim zijn. Zou de telefoondienst
hem inlichtingen kunnen verschaffen? Proberen... direct bellen. En
jawel hoor: het antwoord kwam spoedig. Het bleek dat dit nummer
toebehoorde aan Johnsons sigarenwinkel, in de Morningsidestraat,
nummer 56. Piet noteerde meteen het adres en ging naar buiten. De
lucht was weer gaan betrekken. Het begon zachtjes te sneeuwen. Dat
vond Piet nu helemaal niet zo best, want hij vond dat die sneeuw
hem lelijk stoorde in zijn overpeinzingen. Hij dwaalde een beetje
door de stad en liep maar op de gok een klein bioscoopje binnen, om
tenminste uit die natte sneeuwrommel te komen. Het was een klein
bioscoopje, maar het was er lekker rustig. Dat was juist iets wat
Piet nodig had. Hij kon hier tenminste rustig nadenken. Hij werd zo
in beslag genomen door de mysterieuze verdwijning van Patty
Winslow, dat hij maar weinig notitie nam van de film die voor zijn
ogen werd afgedraaid, maar hij liet zijn gedachten de vrije loop...
Stukje voor stukje voegde hij alle brokstukken van zijn
overpeinzingen als een legkaart in elkaar. Tenslotte kwam hij tot
de volgende oplossing: Die kinderjuffrouw behoorde tot een
georganiseerde bende misdadigers die zich bezighield met de
ontvoering van personen, ook kinderen, en dan grote geldsommen
eisten van familieleden of ouders, in ruil voor de terugkeer van de
vermiste. Chauffeur Jenkins zat ook in het komplot, en die had het
meisje Patty met de kinderjuffrouw op de gewone middagrit
meegenomen. In plaats van in de omtrek te blijven, had die
onverlaat het tweetal meegenomen naar de city, waar het kind was
afgeleverd bij de bende. Piet begreep best dat de kleine Patty
niets zou overkomen en heus wel goed zou worden behandeld. Die
bendeleden zouden evenmin iets doen om het kind bang te maken, want
daar hadden ze niets aan. Hoe rustiger het kind bleef, des te beter
was het voor hen! Deze morgen was de kinderjuffrouw vertrokken, en
die was door een van de bendeleden naar een taxi gebracht. Daar had
zij de geheimzinnige opdracht ontvangen om rapport uit te brengen.
Ja... maar wat dan? Toen Piet de bioscoop verliet, sneeuwde het nog
harder. Het verkeer zat volkomen in de knoop. Gelukkig hadden de
ondergrondse treinen daar weinig of geen last van. Daarom pikte
Piet die maar, zodat hij spoedig daarop zijn kamertje bereikte.
Piet ging rustig in een gemakkelijke stoel zitten en zette zijn
.denksport' voort. Hij besefte nu zo langzamerhand wel dat hij
achter een geheim gekomen was, waarvoor vele dagbladen in New-York
hem graag een klein kapitaaltje zouden hebben geboden. En die
stomme Bob Merrill had zo'n prachtkans voor zijn neus laten
wegglippen! Onbegrijpelijk. Hij hoorde een krantenjongen op straat
schreeuwen: Extra... extra... dan volgde er iets onverstaanbaars.
Piet glimlachte even. Hij kende die trucjes van de New-Yorkse
krantenjongens van dichtbij. Toch was zijn nieuwsgierigheid
opgewekt. Hij liep naar beneden en kocht een krant. Maar jawel
hoor! Er was nieuws die avond. En wat voor nieuws! Een vette kop,
dwars over de gehele breedte van de krant, luidde:
ACHTJARIG DOCHTERTJE VAN AUTOMAGNAAT ONTVOERD!
Kinderjuffrouw mishandeld en teruggezonden met bedreigingen!
New-York, 12 december.
Gisternamiddag ging het achtjarig dochtertje van Mr. William
Winslow, de bekende automobielfabrikant, met haar kinderjuffrouw
haar dagelijks autoritje in het Van Cortlandt Park maken. Zij is
daarvan tot op dit ogenblik nog niet teruggekeerd. Na enige tijd in
het Park te hebben rondgereden, wilde het meisje een beetje in de
sneeuw spelen. Het kindermeisje liet daarop de auto stoppen en
stapte met het meisje, Patty genaamd, uit. Ze stoeiden wat in de
verse sneeuw, maar schenen zich tijdens die stoeipartij steeds
verder van de auto te verwijderen. De chauffeur zat een krant te
lezen. Pas veel later miste hij het tweetal en begon ongerust te
worden. Hij doorkruiste het park met zijn wagen vele malen, zonder
enig spoor van het meisje en de kinderjuffrouw te ontdekken.
Onverrichterzake is hij tenslotte naar huis teruggekeerd, waar het
bericht van de verdwijning van Patty grote opschudding én
ontsteltenis veroorzaakte. In stilten hoopten de angstige ouders
echter dat de kinderjuffrouw toch nog onverwachts met het kind zou
terugkeren. Zij deden daarom nog geen aangifte bij de politie.
Vanmorgen echter keerde de gouvernante, volkomen overstuur, met een
taxi terug naar het huis van de familie Winslow. Zij deelde mede
dat zij in het park door vreemde mannen was overvallen, die haar en
het meisje in een andere wagen hadden geduwd. De bandieten hadden
haar geblinddoekt en gedreigd hen onmiddellijk neer te schieten als
zij zich niet stil zouden houden. Men reed naar de city, waar men
voor een onbekend huis stilhield en het meisje en de kinderjuffrouw
in een kamer werden opgesloten. Miss Clifton, de kinderjuffrouw,
had gegild dat zij eruit wilde, waarna een der mannen haar met
zoveel kracht tegen de vloer had geslagen, dat zij enige tijd
buiten bewustzijn was geweest. Vanmorgen werd Miss Clifton door
twee bendeleden in een auto geduwd en teruggezonden naar de familie
Winslow. Het meisje Patty bevindt zich nog steeds in handen van de
bende. Miss Clifton moest de boodschap overbrengen naar de familie
Winslow dat de kinderdieven het meisje terug zouden sturen tegen
betaling van vijfhonderdduizend dollar in contant geld, in
biljetten niet groter dan vijftig dollar. Verdere instructies
zouden dan volgen...
De krant putte zich dan verder uit in het beschrijven van de
levensgewoonten van de familie Winslow, van hun chauffeur, de
andere bedienden in huis, enzovoorts. Piet las dat alles heel
aandachtig door. "Juist," zei Piet in zichzelf. "Nu zullen we tot
directe actie moeten overgaan, anders zit ik er ook nog naast, net
als meneer Bob Merrill..." Tegen half acht verliet Piet zijn kamer
en begaf zich op weg naar de sigarenwinkel van een zekere meneer
Johnson in de Morningsidestraat 56. Hij voelde dat hij nu de eerste
stap zou moeten zetten op een weg die lang niet ongevaarlijk was.
Maar Pietje Bell was vastbesloten!Uit alles was gebleken dat de
politie nu de zaak in handen zou hebben. Die zou er beslist wel een
stelletje bijzonder listige detectives op af zenden. Wat zouden die
snaken lachen, wanneer ze zouden weten dat een Rotterdamse
belhamel, genaamd Pietje Bell, op het spoor van een uiterst
gevaarlijke bende dacht te zijn! Jawel, dat lachen is goed en wel,
maar... Piet was altijd nog een paar kilometer voor in de race! Hij
voelde met zijn klompen aan dat hij zijn waffel stijf dicht moest
houden en niemand ook maar iets van zijn doen en laten op de hoogte
stellen. Anders zou alles onmiddellijk bedorven zijn. Eerst maar
eens kijken wie er in die sigarenwinkel van de telefoon beliefde
gebruik te maken, precies om acht uur. De rest maar eens eventjes
op zijn beloop laten, dacht Pietje. Hij nam een der bovengrondse
treinen (de zg. ,elevated') die over hoge viaducten dwars op de
stad rijden, en stapte dicht bij de plaats van zijn bestemming uit.
Het was inmiddels vijf minuten voor acht geworden. Piet stapte dus
maar meteen de sigarenwinkel binnen om een pakje sigaretten te
kopen. Rustig nam hij er een sigaret uit en stak hem op. Intussen
keek hij op zijn dooie gemak de winkel eens rond. Er waren drie
telefoonhokjes aangebracht aan het einde van de winkel. Piet liep
erheen en stapte in nummer twee. Op die manier had hij dus een
telefoonhokje aan beide zijden. De afscheidingen waren van dun
materiaal vervaardigd. Het kostte werkelijk niet al te veel moeite
af te luisteren wat iemand in het hokje ernaast allemaal te beweren
had door de telefoon. Piet was naarstig bezig in een dik
telefoonboek te bladeren en zette die bezigheid voort, totdat hij
het buiten ergens acht uur hoorde slaan.Vrijwel direct daarop zag
hij een man heen en weer lopen voor de telefoonhokjes. Hij
vermoedde zo dat dit de knaap was die de boodschap in ontvangst
kwam nemen. Piet beefde van opwinding en wierp een blik op het
nummer van het telefoontoestel. .Monument 1256'. Het aangrenzende
telefoonhokje moest dus wel nummer 1257 zijn... het beruchte
nummer! Dat klopte dus al heel aardig. Opnieuw kwam de man voorbij
en keek Piet onderzoekend aan. Piet snapte wel dat de vent hem in
de gaten hield, en er zich over scheen te verbazen dat Piet niet
telefoneerde. Dat was natuurlijk fout. Daarom deed hij maar direct
alsof hij een nummer opbelde. Hij zorgde er echter wel voor de haak
naar beneden gedrukt te houden, zodat hij geen contact met de
telefooncentrale maakte. Piet kon aardig toneelspelen bleek wel,
want hij stond te oreren tegen dat doofstomme telefoontoestel dat
't niet mooi meer was. Het leek van buitenaf precies alsof hij in
een druk gesprek gewikkeld was. Toen ging plotseling de bel in het
andere telefoonhokje, naast hem, over. Monument 1257 werd
opgeroepen! Ogenblikkelijk schoof de kerel het telefoonhokje in en
sloeg het deurtje met een pats achter zich dicht. Piet prevelde op
zachte toon allerlei onsamenhangende woorden, maar hield intussen
zijn oren wagenwijd open, om op te vangen wat de vent in het hokje
naast hem zou zeggen! De man scheen wel enige moeite te hebben om
de spreker aan het andere eind van de draad te verstaan, want Piet
hoorde hem op een gegeven ogenblik driftig en luid roepen:"Wat is
er toch? Ik kan je niet verstaan. Praat toch eens een beetje
duidelijker. Wie...? Jenkins? Wat wil dat stuk chauffeur eigenlijk?
Wat... is-ie stapelgek geworden...? Vijfduizend dollar? Duizend
krijgt-ie, en geen dollar meer. Luister, Mary, niet de naam van de
vader over de telefoon noemen... wees voorzichtig! " Piet ving elk
woord van dit gesprek natuurlijk op en beefde van opwinding. Hij
begreep dat hij zich nu in een allergevaarlijkste positie bevond.
Maar terug was er niet meer bij. Hij moest en zou het spoor volgen,
en... tot het bittere einde, als 't erop aankwam. Hoor, de vent was
weer aan 't spreken. "Wat? Is zijn vrouw ziek van angst? Wat zou
dat? Laat die vent dan betalen, dan sturen we de goederen direct
terug. Verdraaid, Mary, je begrijpt me toch wel. De goederen...
snap nou toch eens iets, uilskuiken. Ja, ik zal nog duidelijker
worden, hoe heb ik 't nou met je? De politie? Laat me niet lachen,
ik heb een scheurtje in mijn lip. De politie kan voor mijn part. ,
enfin, luister goed wat ik je zeg: morgen komt er een brief voor
hem met instructies, en jij maar kijken wat voor indruk dat op hem
maakt. We zullen eens kijken of die meneer niet betalen wil! 't
Spul brengen we morgenochtend naar Long Island over. Neen, niet met
een auto, met een vliegtuig, ezelsveulen. Oké, bel me morgenavond
weer op. Neen, natuurlijk niet hier. Bel 't kantoor maar op. 't
Nummer weet je! " Piet had genoeg gehoord. Hij stapte naar buiten
en een ogenblik later kwam ook de man uit de winkel gelopen. Even
keek hij rond, zonder enige notitie van Piet te nemen, en riep dan
een taxi aan. Haastig sprong de man in de auto en reed weg. Een
tweede taxi kwam aanrijden en Piet stak snel zijn hand omhoog.
"Vooruit, rijden wat je kan, volg die taxi daar! " riep hij de
verbouwereerde taxichauffeur toe. "Kom man,sta niet te dralen, rijd
achter die taxi aan..."