HOOFDSTUK VII


De geheimzinnige verdwijning van Patty Winslow - Bob Merril ziet er geen brood in, maar Piet speelt voor detective - Een geheimzinnig telefoontje van een geheimzinnig individu en dan: " Volg die wagen! "

Piet sliep die nacht helemaal niet rustig. Als je bij dat heethoofdige jongmens over avonturen ging babbelen, dan ging zijn fantasie al meteen zo ver, dat hij maar 't liefst meteen in het rosse leven van de onderwereld van New-York zou zijn gedoken. De volgende morgen belde Piet het redactiebureau van ,The Times' al bijtijds op en vroeg naar Bob Merrill.
"Hallo Bob? "
"Ja, hallo, wacht even, als ik me niet vergis, mijn vriend Pietje Bell. Wat voer je uit vandaag? "
"Och, ik boemel maar zo'n beetje rond, denk ik, en ik vrees dat ik me zal vervelen als een aap op kwartjesdag in de diergaarde Blijdorp. is er wat bijzonders aan de hand bij jullie op de krant? "
"Niet dat ik weet. Ik heb een paar bezoeken af te leggen en dan is er ergens een kind vermist. Dat is ook al niets bijzonders, want dat gebeurt hier elke dag. Wel moet ik even op informatie uit in verband met dat geval. Wil je soms met me meegaan? "
"Oké, graag zeg! Waar zie ik je? "
"Waar zit je nu? "
"In een sigarettenwinkel, Broadway, 42ste Straat."
"Best, dat is vlak in de buurt. Kom maar hierheen, dan gaan we er samen op uit."
Tien minuten later trof hij Bob in de vestibule van het Timesgebouw.
"Waar moeten we heen? " informeerde Piet. "Naar het eindpunt van de subway, de 242ste Straat."
"Oké then, dat is zowat een half uur rijden, denk ik. Dan kunnen we alvast wat praten. Wat is er met dat vermiste kind aan de hand? " "Ik weet er zelf ook niet al te veel van. Daarom moet ik helemaal naar de 242ste Straat. Daar woont dat kind. 't Schijnt een dochtertje te zijn van een bekende autofabrikant. Tegen de tijd dat we daar aankomen hebben ze dat kind natuurlijk allang gevonden," zei Bob. Ze daalden samen de stenen trappen af die naar de subway leidden en namen de eerste de beste sneltrein die hen naar de plaats van bestemming reed. Maar van het voorgenomen gesprek in de trein kwam niet al te veel, want de trein maakte zulk een oorverdovend geraas, dat ze zich niet verstaanbaar konden maken. In een half uur waren ze aan het eindpunt gekomen en stapten uit. Voor hen strekte zich het Van Cortlandt Park uit. Een bos vol heuvels en rotsen. Veel minder gekunsteld aangelegd dan het Central Park, dat zich midden in de stad New-York bevindt. Hier en daar waren brede avenues aangelegd met heel mooie landhuizen. Met enkele woorden legde Bob uit waar hij op uit was!
"Dat vermiste kind," vertelde hij, "is het dochtertje van Winslow, de automobielfabrikant. Hij woont hier ergens in de buurt. Om de hoek kun je het huis zien."
"Is de politie op de hoogte gesteld? " wilde Piet weten.
"Dat weet ik niet, maar ik denk van wel. Dat zullen we straks wel horen."
In enkele minuten hadden ze nu het grote landhuis van de familie Winslow bereikt. Het was een prachtige witte villa, omringd door een grote tuin, grotendeels bestaande uit grasperken en hoge bomen, die nu met een laag sneeuw waren bedekt. Bob drukte op de bel, waarop een bediende verscheen die zijn kaartje in ontvangst nam en al spoedig terugkwam met de mededeling dat mevrouw Winslow hem verwachtte. Ze volgden de bediende en werden in een keurig gemeubileerd vertrek toegelaten, waar zij plaats namen. Het duurde niet lang of mevrouw Winslow verscheen.
De beide jongelui stonden op en begroetten Mrs. Winslow. "Mevrouw Winslow," zei Bob meteen op forse toon, "onze krant ,The Times' stelt haar organisatie geheel te uwer beschikking om te trachten uw dochtertje terug te vinden."
Mevrouw Winslow zuchtte diep en ging in een fauteuil zitten. Haar ogen waren rood van het huilen en haar stem beefde een beetje. "Dank u wel," zei ze zachtjes. "U hebt zeker al het een en ander gehoord over het gebeurde? "
"Om u de waarheid te zeggen, mevrouw," antwoordde Bob, "weet ik niets meer dan dat uw dochtertje vermist wordt. Mijn redacteur heeft mij naar u toegezonden om alle verdere gegevens te verzamelen en dan kunt u ervan op aan dat wij alles in het werk zullen stellen om u te helpen! "
"Dat is buitengewoon vriendelijk van u." Zichzelf vermannend vertelde mevrouw Winslow: "We hadden ongeveer twee weken geleden een kindermeisje voor onze Patricia in dienst genomen. Zij scheen een keurig meisje te zijn, afkomstig uit Frankrijk. Alles ging uitstekend en Patricia was bijzonder aan het nieuwe kindermeisje gehecht. Gistermiddag na de lunch ging ze met Patricia nog een kort autoritje maken door het park. Jenkins, onze chauffeur, reed hen zowat een kwartiertje rond. Toen wilde ze plotseling uitstappen. Patty wilde nog een beetje in de sneeuw spelen. De chauffeur wachtte en zag dat Patty en het kindermeisje verder en verder afdwaalden, spelend en stoeiend in de sneeuw. Hij dacht dat het nog wel een tijdje zou kunnen duren, haalde een krant uit zijn zak en begon te lezen. Kort daarop werd het echter donker en Jenkins bemerkte tot zijn schrik dat ze allebei verdwenen waren. Direct begon hij het park in alle mogelijke richtingen te doorkruisen, maar ze waren nergens meer te vinden." Mevrouw Winslow wachtte even.
"Raadselachtig," meende Bob die intussen ijverig notities had gemaakt.
"Wat hebt u toen gedaan, mevrouw? "
"Wat kon ik doen? Mijn man kwam pas veel later thuis. Ik dus maar al onze vrienden en kennissen in de omgeving opgebeld, maar niemand kon mij ook maar enige inlichtingen geven. Die arme Patty...! "
Mevrouw Winslow kreeg een huilbui. Piet had zich in zijn hele leven nog nooit zo ellendig en hulpeloos gevoeld. Op dat ogenblik kwam er een oudere dame de kamer binnen die haar arm om Mrs. Winslow legde, en zachtjes tegen Bob en Piet zei: "Gaat u nu maar. Mijn dochter windt zich veel te veel op."
Bob en Piet verlieten het huis.
"Zeg," zei Piet, tot zijn metgezel, toen ze eenmaal weer buiten stonden, "ik weet niet waarom, maar ik heb grote zin om dat zaakje eens verder te gaan uitpluizen."
"Ik ook," zei Bob, "alleen ben ik bang dat we van die Mrs. Winslow niet veel wijzer worden. Aan dat gejank hebben we totaal niets, en ze weet bovendien ook niets meer. Als we wat van die zaak te weten willen komen, moeten we een paar andere lui vragen. Die Jenkins, die chauffeur bijvoorbeeld. Misschien zwerft die ergens hier in de buurt! "
De chauffeurswoning bleek boven de garage te zijn, aan het einde van de grote tuin. Ze liepen erheen en vonden chauffeur Jenkins druk bezig met het oppoetsen van een der wagens.
Hij keek verbaasd op toen hij Bob en Piet zag naderen.
"Goeiemorgen," begon Bob op vriendelijke toon, "bent u de chauffeur van de familie Winslow? "
"Ja, dat ben ik! "
"Wij komen van het dagblad ,The Times', kunt u ons misschien enige inlichtingen verstrekken over het verdwijnen van die kleine Patty? " Jenkins schudde het hoofd en keek strak voor zich uit.
"Ik ben bang van niet," zei hij dan. "Ik reed ze een eindje door het park en toen wilde Patty uitstappen om in een grote sneeuwhoop te spelen. Dat is natuurlijk heel gewoon als een kind zoiets vraagt. Het kindermeisje vond dat ook, en dus liet ik ze uitstappen. Ik heb mijn krantje zitten lezen, en toen ik opkeek waren ze allebei verdwenen. Direct ben ik toen aan het zoeken gegaan. Ik heb het park in alle mogelijke richtingen doorkruist, zonder resultaat helaas! "
"Is de politie al ingelicht? " informeerde Piet.
Jenkins haalde de schouders op. "Mr. Winslow stelt niet zo heel veel vertrouwen in de politie, en wilde nog even afwachten. U bent van ,The Times', is 't niet? Ik begrijp niet hoe de krant zoiets zo gauw te weten komt. Mr. Winslow wilde de zaak voorlopig nog even stilhouden, want hij houdt er niet van dat zijn naam in de kranten komt in verband met zo'n onverkwikkelijke geschiedenis. Dat is geen reclame voor zijn automobielfabriek, zegt hij, och, misschien komt dat kind vandaag wel weer terecht! "
"Ik weet niet hoe mijn redacteur aan dit nieuwtje is gekomen, maar hij heeft mij op informatie uitgestuurd. Zijn er al andere verslaggevers hier geweest? "
"Neen, voor zover ik weet nog niemand. U bent de eerste."
Bob Merrill keek eens in de rondte en haalde de schouders op. Hij zag niet veel bijzonders in dit nieuwtje. Als het verdwijnen van Patty Winslow een belangrijk en sensatieverwekkend geval zou zijn geweest, dan waren er natuurlijk al minstens een dozijn detectives en een kleine vijftig krantenkerels op af gestoven. Maar nu scheen niemand er enige notitie van te nemen, Wel ja, dat was weer echt een gevalletje om hem. Bob Merrill, mee af te schepen! Bob zuchtte diep, draaide zich om en verzocht Pietje Bell hem maar te volgen. "Niks bijzonders," zei hij, toen ze enige stappen van de chauffeur verwijderd waren. "Wij kunnen er verder ook niets aan doen. Mevrouw Winslow kan ons niet te woord staan, die oude dame werkte ons met een zoet lijntje de deur uit en die chauffeur weet ook van toeten noch blazen.
"Nou, ik ga maar terug naar mijn bureau! "
"Nou al? " vroeg Piet verbaasd.
"Wel ja, jò! Ik kan hier toch niet de hele dag aan besteden? Ik zal in de loop van de dag nog wel eens opbellen en vragen of er al iets bekend is." Piet scheen diep in gedachten te zijn, terwijl hij naast Bob Merrill voortstapte.
Dan opeens scheen hij tot een besluit te zijn gekomen, want hij hield zijn tred in en zei: "Stop eens eventjes, Bob. Zou jij er bezwaar tegen hebben wanneer ik nog even terugga naar dat huis en een beetje in de buurt blijf rondspeuren, terwijl jij naar New-York teruggaat? "
"Wat wil je daarmee bereiken? "
"Dat kun je nooit vooruit weten. Ik heb zo'n idee, dat hier iets achter zit. Ga jij maar terug naar New-York. Zodra ik wat bijzonders vind, bel ik je direct op."
"Oké," zei Bob weinig geïnteresseerd, "je doet maar hoor. Ik zie er geen brood in! "
Teruglopend naar de subway moest Bob Merrill inwendig een beetje grinniken om die rare Pietje Bell. Je kon wel zien dat het nog een jong knulletje was, een beginneling op het glibberige pad der journalistiek. Echt zo'n jochie dat nou echt dacht, dat-ie een der grootste misdaden ter wereld op het spoor was. Misschien zocht-ie nu wel naar verloren boordeknoopjes of peukjes sigaret in de tuin. Dat deden ze op de detectivefilms ook altijd. Dan zag je ze met een eigenwijs gezicht zo'n vies, uitgekauwd peukje uiterst zorgvuldig in een papiertje pakken en in een doosje stoppen. Dan hoorde en zag je de hele film lang niets meer over dat vieze sigarettenpeukje. Als de verdachten dan met huichelachtige tronies voor de rechter-commissaris triomfantelijk betoogden met de hele zaak niets, maar dan ook helemaal niets, te maken te hebben, dan kwam die detective plotseling weer met dat peukje voor den dag, en dan riepen ze allemaal hard om ,genade', want in die peuk school dan de hele oplossing van het raadsel. En de misdaad was meteen zo klaar als een klontje! Arme Pietje Bell, dacht Bob, die zat zijn tijd daar maar te verdoen met dat geval, waarin nu letterlijk helemaal geen sikkepit nieuws school... Dat kind zou vanmiddag wel weer op de een of andere manier terechtkomen! Piet was intussen teruggelopen naar de villa. Het was een ruim gebouw met een grote, ingesloten veranda eromheen. Het huis stond er wat koud en eenzaam, omringd door de met sneeuw bedekte tuinen, waarin knoestige, naakte bomen hun takken als reumatische handen naar boven hieven. Piet besloot nog eens een babbeltje te gaan maken met chauffeur Jenkins. Hij liep in de richting van de garage toen hij plotseling het geronk van een automotor achter zich hoorde. Piet stelde zich meteen verdekt op achter een boom en zag hoe een taxi kwam aanrijden, die voor de deur van de villa stilhield. Piet ,zag, hoe een - kennelijk zeer zenuwachtige - dame uitstapte en de chauffeur haastig betaalde. Dan ging ze de stoep van de villa op en belde aan. De deur werd bijna onmiddellijk opengedaan. Hé, dacht Piet, wat gaat dat verdacht vlot! Piet zóu er aardig wat voor over hebben gehad als hij te weten had kunnen komen wat er zich achter die gesloten deur afspeelde... De taxichauffeur had het geld in zijn zak gestoken, nadat hij het nauwkeurig had nageteld, en stak nu een sigaretje op. Het leek erop alsof de man zou wachten op de terugkomst van zijn passagier, maar toen bedacht Pietje zich dat die dame al betaald had... Met een paar stappen was hij bij de taxi, stopte de chauffeur twee dollar in de hand, opende het portier en stapte in.
"Rij eventjes hier in de buurt rond," zei Piet geheimzinnig, en hij voegde er ter aanmoediging aan toe: "Ik zal je goed betalen! "
Dat hielp. De chauffeur zette de motor aan en reed weg. Direct knoopte Piet een gesprek met de taxichauffeur aan.
"Haast je maar niet," zei Piet gemoedelijk, "ik heb de tijd, en ik wil alleen zo maar een beetje rondrijden. Zeg, wat deed die juffrouw zenuwachtig, die je zojuist in je wagen had. Was die ziek of zoiets? "
De chauffeur scheen gemoedelijk genoeg om een babbeltje te maken.
"Nou, ziek was ze niet, zou ik zo zeggen, alleen erg opgewonden leek ze me toe," antwoordde de taxichauffeur. "Dat is dan te zeggen, ze scheen zich tijdens de rit hoe langer hoe meer op te winden. Ze zat maar van: schiet toch op, en rijd nou maar door... enfin, u kent dat wel als dames haast hebben."
"O eh," zei Piet snel, "bedoel je dat ze wel kalm was toen ze instapte? "
"O ja, hoor. Toen was ze bedaard genoeg, want ze stond eerst nog wat te kletsen met een man voor ze instapte. Kent u die juffrouw misschien? "
Piet dacht bliksemsnel na en zei toen kordaat: "Natuurlijk ken ik haar. Dat is een min of meer mislukt lid van de familie Winslow. Een beetje zielig geval. Ze is niet helemaal lekker in haar bovenkamertje. De familie heeft soms veel met haar te stellen. Kon je horen wat die man tegen haar zei? "
"Jawel," zei de chauffeur... "o, beleefd, meneer, net 't merk dat ik rook... maar ik begreep er geen sikkepitje van! "
"Hoezo? " vroeg Piet, hevig geïnteresseerd.
"Nou ja, hij zei onder andere: rapporteer vanavond acht uur standbeeld een dollar een quarter en zeven cent per telefoon." Toen knikte die dame en stapte in mijn wagen. Hebt u ooit zo zout gegeten? Ik snap er geen bliksem van! "
Piet had snel zijn notitieboekje uit zijn zak gehaald en noteerde die vreemde boodschap meteen. Dan glimlachte hij vergenoegd en stak het boekje weer in de zak.
"Zo," zei hij, "en rijd me nu maar weer terug naar het huis van de Winslows... maar eh, rijd niet het pad op dat naar de deur leidt." Binnen enkele minuten had de taxi het huis weer bereikt en Piet stapte uit. Hij gaf de chauffeur nog een dollar, die daarmee nogal in zijn sas bleek te zijn. Terwijl Piet op enige afstand van het huis heen en weer drentelde en een oogje in 't zeil hield voor eventuele verdere gebeurtenissen, grinnikte hij inwendig. Hier werd een achtjarig meisje vermist, het dochtertje van een bekend automobielfabrikant, en zijn vriend, de verslaggever Bob Merrill vond het blijkbaar niet eens de moeite waard er wat tijd en aandacht aan te besteden! En hier was hij. Pietje Bell, uit Rotterdam, de eerste om het spoor te gaan volgen! Van het allereerste ogenblik af had Piet de gedachte niet van zich af kunnen zetten dat die kinderjuffrouw de hand in het spel had, en dat de kleine Patty eenvoudig ontvoerd was! Wat echter die zenuwachtige juffrouw in de taxi en de zonderlinge woorden, die zij met de een of andere man had gewisseld, met de zaak te maken hadden, kon Piet op dit ogenblik nog niet goed begrijpen. Hij drentelde maar weer eens op het huis af en ging naar de garage, waar de chauffeur Jenkins nog bezig was met wagens te poetsen. De man keek op toen Piet naderde, gooide zijn poetslappen neer en liep op Piet toe.
Toen zei hij kortaf: "Zeg ereis, meneer, als je soms met vragen komt, dan moet je maar ergens anders heen gaan, want ik houd er geen informatiebureau op na! "
Piet liet zich door die onvriendelijkheid echter geenszins van de wijs brengen en zei poesvriendelijk: "Neen, beste vriend, wees maar niet benauwd! Ik zal je zeker niets meer vragen. Ik wilde je alleen maar zeggen dat die kinderjuffrouw zoëven teruggekomen is met het kind, anders niet...! "
Piet zei dat maar op groot lef! Hij wilde alleen maar vaststellen of die chauffeur Jenkins misschien ook iets te maken had met de verdwijning van Patty. Nauwlettend bestudeerde Piet het gezicht van de chauffeur. Jenkins keek Piet met halfgesloten ogen aan en begon toen smalend te lachen.
"Tja," beaamde de chauffeur. "Ze is teruggekomen met het kind. Wat verwacht u nu eigenlijk van me dat ik zal zeggen, hè? "
"Je schijnt er ook niet erg blij om te zijn dat 't kind eindelijk terug is," zei Piet zo langs zijn neus weg.
"Blij? Om wat blij? Je weet net zo goed als ik dat je staat te liegen door je hele duvel heen! Dat kind is helemaal niet terug. Alleen de kinderjuffrouw is teruggekomen! " Tjonge, dacht Piet verheugd, precies in de roos! Dat is alles wat ik weten wilde! Hij mompelde maar gauw iets over een vergissing en zo, presenteerde de chauffeur dan een sigaretje. Toen maakte Piet dat hij wegkwam... Toen hij de hoofdweg weer had bereikt, versnelde Piet zijn pas. Zo zo, die zenuwachtige juffrouw was dus de kinderjuffrouw. Kijk, kijk, wat toevallig. Die zenuwachtige juffrouw had een gesprek gehad met de een of andere mysterieuze knul, toen was ze heel kalm in een taxi gestapt om er als een bundeltje zenuwen weer uit te rennen, zodra ze bij het huis van de Winslows was gearriveerd. Typisch, heel merkwaardig, dacht Piet. En nog altijd is twee maal twee vier, mompelde Piet bij zichzelf. Hé, ik begin een lichtpitje in de duisternis te zien! Die kinderjuffrouw staat met de een of andere bende in contact en zij heeft het kind aan die kerels uitgeleverd. Mijn kop eraf als 't niet zo is. Die chauffeur Jenkins barst van de leugens. Het tweetal is helemaal niet in het park uit de auto gestapt om in de sneeuw te gaan spelen. Hij heeft ook helemaal niet gezocht in het park, maar is juist regelrecht met hen naar de plaats gereden waar die smerige bende zich verbergt. Zo is 't geweest en niet anders! Piet was overigens wel bijzonder benieuwd wat voor een sprookje die kinderjuffrouw de familie Winslow op de mouw had gespeld. Natuurlijk zal de zaak nu wel direct bij de politie aanhangig worden gemaakt, en zullen de kranten een woordje gaan meespreken. Maar ik ben hun een paar kilometertjes voor. Dat is een heel veilig gevoel, als ik 't zo eens mag uitdrukken. Nou, vriend Bob Merrill, je hebt een dot van een story aan je neus voorbij laten glippen, old boy! Piet kuierde terug naar het station van de subway in de 22ste Straat. Het was nu volop middag geworden. Hij had honger als een paard gekregen. Hij reed door naar de benedenstad en kocht een krant aan het subwaystation. Snel keek hij de krant door. Geen enkel bericht over het vermiste kind... Mr. Winslow scheen dus nog geen ruchtbaarheid aan de zaak te hebben gegeven. Dat was niet slecht voor onze Piet. De rest van de krant interesseerde Piet op het ogenblik geen klap. Hij vouwde de krant dus maar op en zat in gedachten, terwijl de trein door de donkere tunnels voortsnelde. Toen haalde hij het notitieboekje uit zijn zak en herlas de vreemde woorden die hij daarin had genoteerd tijdens het gesprek met de taxichauffeur.
"Rapporteer vanavond acht uur standbeeld een dollar een quarter en zeven cent per telefoon."
Ik zal een boon zijn als ik daar iets van snap," bekende Piet eerlijk. "Het hele geval ziet eruit als een code. Ha, het moet wel de een of andere code zijn. De eerste drie woorden zijn duidelijk genoeg, maar de rest is zo klaar als modder in een boerensloot. Een ,quarter' is een kwartje, maar het kan evengoed een .kwartier' zijn. Maar met betrekking tot die ,zeven centen' zal het wel een .kwartje' moeten betekenen en dan dat woordje ,telefoon'. Piet zat zijn hersenen met het probleem te pijnigen en krabbelde intussen de meest vreemdsoortige figuurtjes in zijn notitieboekje. Hij kon er overigens geen touw aan vastknopen. Het was en bleef een groot mysterie! Een dollar, een kwartje, en zeven centen per telefoon! Je zou met evenveel duidelijkheid kunnen beweren: een aap, een olifant op je boterham gesmeerd! Hij schudde wanhopig zijn zwarte haardos en begon dan de nummers: een dollar, dat was 1, een kwartje, dat was 25, en een 1... Als je die cijfers achter elkaar schreef, dan kreeg je - even kijken - 1257... en dan ,telefoon'. Heila... hola... een telefoonnummer! Sapperdekriek, dat-ie daar nu niet eerder aan had gedacht Telefoon 1257 natuurlijk. Jawel, maar welke centrale dan? In het grote New-York had je wel honderd verschillende telefooncentrales. Allemaal hadden ze een verschillende naam! Zou dat woordje ,Standbeeld' er misschien iets mee te maken hebben? Piet twijfelde er ernstig aan of zo'n centrale wel in het telefoonboek van New-York te vinden zou zijn. Wat een rare naam! Direct ging hij bij aankomst in het Time Square Station in het telefoonboek loeren. Hij zocht in het lijvige telefoonboek onder de talloze namen en nummers naar het woord ,Standbeeld', maar het was niet te vinden. Hij belde de telefooncentrale en gaf het nummer Standbeeld 1257 op. De operator antwoordde meteen dat zo'n nummer helemaal niet bestond. Piet weer aan 't zoeken in 't telefoonboek. Dan viel zijn oog op het woordje ,Monument'. "Hè... watte? Maar natuurlijk, ezelskop, dat woordje standbeeld' moest we! staan voor ,monument'. En .Monument' was een telefooncentrale. Dat wist Piet zeker. Dat had hij in advertenties al zo vaak zien staan.
Er kon niets anders bedoeld zijn dan Monument 1257! Juist, dat was dat in elk geval. Maar nu verder? Hij kon natuurlijk nummer .Monument 1257' bellen, en de abonnee vragen naar diens naam en adres, maar dat zou niet bijzonder slim zijn. Zou de telefoondienst hem inlichtingen kunnen verschaffen? Proberen... direct bellen. En jawel hoor: het antwoord kwam spoedig. Het bleek dat dit nummer toebehoorde aan Johnsons sigarenwinkel, in de Morningsidestraat, nummer 56. Piet noteerde meteen het adres en ging naar buiten. De lucht was weer gaan betrekken. Het begon zachtjes te sneeuwen. Dat vond Piet nu helemaal niet zo best, want hij vond dat die sneeuw hem lelijk stoorde in zijn overpeinzingen. Hij dwaalde een beetje door de stad en liep maar op de gok een klein bioscoopje binnen, om tenminste uit die natte sneeuwrommel te komen. Het was een klein bioscoopje, maar het was er lekker rustig. Dat was juist iets wat Piet nodig had. Hij kon hier tenminste rustig nadenken. Hij werd zo in beslag genomen door de mysterieuze verdwijning van Patty Winslow, dat hij maar weinig notitie nam van de film die voor zijn ogen werd afgedraaid, maar hij liet zijn gedachten de vrije loop... Stukje voor stukje voegde hij alle brokstukken van zijn overpeinzingen als een legkaart in elkaar. Tenslotte kwam hij tot de volgende oplossing: Die kinderjuffrouw behoorde tot een georganiseerde bende misdadigers die zich bezighield met de ontvoering van personen, ook kinderen, en dan grote geldsommen eisten van familieleden of ouders, in ruil voor de terugkeer van de vermiste. Chauffeur Jenkins zat ook in het komplot, en die had het meisje Patty met de kinderjuffrouw op de gewone middagrit meegenomen. In plaats van in de omtrek te blijven, had die onverlaat het tweetal meegenomen naar de city, waar het kind was afgeleverd bij de bende. Piet begreep best dat de kleine Patty niets zou overkomen en heus wel goed zou worden behandeld. Die bendeleden zouden evenmin iets doen om het kind bang te maken, want daar hadden ze niets aan. Hoe rustiger het kind bleef, des te beter was het voor hen! Deze morgen was de kinderjuffrouw vertrokken, en die was door een van de bendeleden naar een taxi gebracht. Daar had zij de geheimzinnige opdracht ontvangen om rapport uit te brengen. Ja... maar wat dan? Toen Piet de bioscoop verliet, sneeuwde het nog harder. Het verkeer zat volkomen in de knoop. Gelukkig hadden de ondergrondse treinen daar weinig of geen last van. Daarom pikte Piet die maar, zodat hij spoedig daarop zijn kamertje bereikte. Piet ging rustig in een gemakkelijke stoel zitten en zette zijn .denksport' voort. Hij besefte nu zo langzamerhand wel dat hij achter een geheim gekomen was, waarvoor vele dagbladen in New-York hem graag een klein kapitaaltje zouden hebben geboden. En die stomme Bob Merrill had zo'n prachtkans voor zijn neus laten wegglippen! Onbegrijpelijk. Hij hoorde een krantenjongen op straat schreeuwen: Extra... extra... dan volgde er iets onverstaanbaars. Piet glimlachte even. Hij kende die trucjes van de New-Yorkse krantenjongens van dichtbij. Toch was zijn nieuwsgierigheid opgewekt. Hij liep naar beneden en kocht een krant. Maar jawel hoor! Er was nieuws die avond. En wat voor nieuws! Een vette kop, dwars over de gehele breedte van de krant, luidde:

ACHTJARIG DOCHTERTJE VAN AUTOMAGNAAT ONTVOERD!

Kinderjuffrouw mishandeld en teruggezonden met bedreigingen!

New-York, 12 december.

Gisternamiddag ging het achtjarig dochtertje van Mr. William Winslow, de bekende automobielfabrikant, met haar kinderjuffrouw haar dagelijks autoritje in het Van Cortlandt Park maken. Zij is daarvan tot op dit ogenblik nog niet teruggekeerd. Na enige tijd in het Park te hebben rondgereden, wilde het meisje een beetje in de sneeuw spelen. Het kindermeisje liet daarop de auto stoppen en stapte met het meisje, Patty genaamd, uit. Ze stoeiden wat in de verse sneeuw, maar schenen zich tijdens die stoeipartij steeds verder van de auto te verwijderen. De chauffeur zat een krant te lezen. Pas veel later miste hij het tweetal en begon ongerust te worden. Hij doorkruiste het park met zijn wagen vele malen, zonder enig spoor van het meisje en de kinderjuffrouw te ontdekken. Onverrichterzake is hij tenslotte naar huis teruggekeerd, waar het bericht van de verdwijning van Patty grote opschudding én ontsteltenis veroorzaakte. In stilten hoopten de angstige ouders echter dat de kinderjuffrouw toch nog onverwachts met het kind zou terugkeren. Zij deden daarom nog geen aangifte bij de politie. Vanmorgen echter keerde de gouvernante, volkomen overstuur, met een taxi terug naar het huis van de familie Winslow. Zij deelde mede dat zij in het park door vreemde mannen was overvallen, die haar en het meisje in een andere wagen hadden geduwd. De bandieten hadden haar geblinddoekt en gedreigd hen onmiddellijk neer te schieten als zij zich niet stil zouden houden. Men reed naar de city, waar men voor een onbekend huis stilhield en het meisje en de kinderjuffrouw in een kamer werden opgesloten. Miss Clifton, de kinderjuffrouw, had gegild dat zij eruit wilde, waarna een der mannen haar met zoveel kracht tegen de vloer had geslagen, dat zij enige tijd buiten bewustzijn was geweest. Vanmorgen werd Miss Clifton door twee bendeleden in een auto geduwd en teruggezonden naar de familie Winslow. Het meisje Patty bevindt zich nog steeds in handen van de bende. Miss Clifton moest de boodschap overbrengen naar de familie Winslow dat de kinderdieven het meisje terug zouden sturen tegen betaling van vijfhonderdduizend dollar in contant geld, in biljetten niet groter dan vijftig dollar. Verdere instructies zouden dan volgen...


De krant putte zich dan verder uit in het beschrijven van de levensgewoonten van de familie Winslow, van hun chauffeur, de andere bedienden in huis, enzovoorts. Piet las dat alles heel aandachtig door. "Juist," zei Piet in zichzelf. "Nu zullen we tot directe actie moeten overgaan, anders zit ik er ook nog naast, net als meneer Bob Merrill..." Tegen half acht verliet Piet zijn kamer en begaf zich op weg naar de sigarenwinkel van een zekere meneer Johnson in de Morningsidestraat 56. Hij voelde dat hij nu de eerste stap zou moeten zetten op een weg die lang niet ongevaarlijk was. Maar Pietje Bell was vastbesloten!Uit alles was gebleken dat de politie nu de zaak in handen zou hebben. Die zou er beslist wel een stelletje bijzonder listige detectives op af zenden. Wat zouden die snaken lachen, wanneer ze zouden weten dat een Rotterdamse belhamel, genaamd Pietje Bell, op het spoor van een uiterst gevaarlijke bende dacht te zijn! Jawel, dat lachen is goed en wel, maar... Piet was altijd nog een paar kilometer voor in de race! Hij voelde met zijn klompen aan dat hij zijn waffel stijf dicht moest houden en niemand ook maar iets van zijn doen en laten op de hoogte stellen. Anders zou alles onmiddellijk bedorven zijn. Eerst maar eens kijken wie er in die sigarenwinkel van de telefoon beliefde gebruik te maken, precies om acht uur. De rest maar eens eventjes op zijn beloop laten, dacht Pietje. Hij nam een der bovengrondse treinen (de zg. ,elevated') die over hoge viaducten dwars op de stad rijden, en stapte dicht bij de plaats van zijn bestemming uit. Het was inmiddels vijf minuten voor acht geworden. Piet stapte dus maar meteen de sigarenwinkel binnen om een pakje sigaretten te kopen. Rustig nam hij er een sigaret uit en stak hem op. Intussen keek hij op zijn dooie gemak de winkel eens rond. Er waren drie telefoonhokjes aangebracht aan het einde van de winkel. Piet liep erheen en stapte in nummer twee. Op die manier had hij dus een telefoonhokje aan beide zijden. De afscheidingen waren van dun materiaal vervaardigd. Het kostte werkelijk niet al te veel moeite af te luisteren wat iemand in het hokje ernaast allemaal te beweren had door de telefoon. Piet was naarstig bezig in een dik telefoonboek te bladeren en zette die bezigheid voort, totdat hij het buiten ergens acht uur hoorde slaan.Vrijwel direct daarop zag hij een man heen en weer lopen voor de telefoonhokjes. Hij vermoedde zo dat dit de knaap was die de boodschap in ontvangst kwam nemen. Piet beefde van opwinding en wierp een blik op het nummer van het telefoontoestel. .Monument 1256'. Het aangrenzende telefoonhokje moest dus wel nummer 1257 zijn... het beruchte nummer! Dat klopte dus al heel aardig. Opnieuw kwam de man voorbij en keek Piet onderzoekend aan. Piet snapte wel dat de vent hem in de gaten hield, en er zich over scheen te verbazen dat Piet niet telefoneerde. Dat was natuurlijk fout. Daarom deed hij maar direct alsof hij een nummer opbelde. Hij zorgde er echter wel voor de haak naar beneden gedrukt te houden, zodat hij geen contact met de telefooncentrale maakte. Piet kon aardig toneelspelen bleek wel, want hij stond te oreren tegen dat doofstomme telefoontoestel dat 't niet mooi meer was. Het leek van buitenaf precies alsof hij in een druk gesprek gewikkeld was. Toen ging plotseling de bel in het andere telefoonhokje, naast hem, over. Monument 1257 werd opgeroepen! Ogenblikkelijk schoof de kerel het telefoonhokje in en sloeg het deurtje met een pats achter zich dicht. Piet prevelde op zachte toon allerlei onsamenhangende woorden, maar hield intussen zijn oren wagenwijd open, om op te vangen wat de vent in het hokje naast hem zou zeggen! De man scheen wel enige moeite te hebben om de spreker aan het andere eind van de draad te verstaan, want Piet hoorde hem op een gegeven ogenblik driftig en luid roepen:"Wat is er toch? Ik kan je niet verstaan. Praat toch eens een beetje duidelijker. Wie...? Jenkins? Wat wil dat stuk chauffeur eigenlijk? Wat... is-ie stapelgek geworden...? Vijfduizend dollar? Duizend krijgt-ie, en geen dollar meer. Luister, Mary, niet de naam van de vader over de telefoon noemen... wees voorzichtig! " Piet ving elk woord van dit gesprek natuurlijk op en beefde van opwinding. Hij begreep dat hij zich nu in een allergevaarlijkste positie bevond. Maar terug was er niet meer bij. Hij moest en zou het spoor volgen, en... tot het bittere einde, als 't erop aankwam. Hoor, de vent was weer aan 't spreken. "Wat? Is zijn vrouw ziek van angst? Wat zou dat? Laat die vent dan betalen, dan sturen we de goederen direct terug. Verdraaid, Mary, je begrijpt me toch wel. De goederen... snap nou toch eens iets, uilskuiken. Ja, ik zal nog duidelijker worden, hoe heb ik 't nou met je? De politie? Laat me niet lachen, ik heb een scheurtje in mijn lip. De politie kan voor mijn part. , enfin, luister goed wat ik je zeg: morgen komt er een brief voor hem met instructies, en jij maar kijken wat voor indruk dat op hem maakt. We zullen eens kijken of die meneer niet betalen wil! 't Spul brengen we morgenochtend naar Long Island over. Neen, niet met een auto, met een vliegtuig, ezelsveulen. Oké, bel me morgenavond weer op. Neen, natuurlijk niet hier. Bel 't kantoor maar op. 't Nummer weet je! " Piet had genoeg gehoord. Hij stapte naar buiten en een ogenblik later kwam ook de man uit de winkel gelopen. Even keek hij rond, zonder enige notitie van Piet te nemen, en riep dan een taxi aan. Haastig sprong de man in de auto en reed weg. Een tweede taxi kwam aanrijden en Piet stak snel zijn hand omhoog. "Vooruit, rijden wat je kan, volg die taxi daar! " riep hij de verbouwereerde taxichauffeur toe. "Kom man,sta niet te dralen, rijd achter die taxi aan..."