7. Bill zorgt voor inspiratie
Een dag of veertien na het voorval met de graafmachine kreeg Mary Ann een idee. Ze zat op haar gemak met een hoek en een kop thee, zoals ze meestal deed nadat ze had afgewassen. De ene keer gunde ze zichzelf een kwartiertje, de andere keer een half uur, dat hing meestal af van wat ze las. Als de kinderen eenmaal thuis waren, kreeg ze de kans niet om te lezen en dit was het enige tijdstip van de dag waarop ze een pauze kon inlassen. Toch was die gewoonte de laatste twee weken veranderd, want zodra ze zat stond Bill op van zijn plaatsje bij de haard en sprong op haar schoot. De plotselinge genegenheid van de hond deed haar goed, al bleef ze tegen Corny klagen: 'Ik wil hem eigenlijk niet boven hebben, maar hij houdt zich koest... tenminste op 't ogenblik, maar als hij weer begint dan... ' Als de kinderen mopperden: 'Hij wil niet buiten blijven, mam, alleen maar als jij komt, ' zei ze: 'Dat zal wel meevallen. Doe hem aan de lijn en ga met hem naar het weiland. Hij moet een keertje hollen en ik kan niet altijd met hem uitgaan. Niet aan hem rukken, zeg hem dat hij netjes moet lopen en zitten. Als hij gehoorzaamt, geef hem dan een aai over zijn kop. '
Als ze zo tegen hen praatte, keken ze haar bevreemd aan en ze moest zich altijd inhouden niet te lachen waar ze bij waren, want Bills ommekeer in genegenheid van hen naar haar was werkelijk grappig als je erover nadacht. En nu lag hij dus weer op haar schoot en elke keer als ze een bladzij van het boek omsloeg, legde hij zijn snuit erop en deed zijn bek open alsof hij tegen haar lachte.
Mary Ann was er zeker van dat hij lachte, dat vonkje in zijn ogen, dat hangende tongetje en de manier waarop hij haar steeds aankeek, dat kon alleen maar lachen zijn. De laatste paar dagen was ze tegen hem gaan praten. 'Ik
zou graag wat lezen als je het goed vindt, ' zei ze dan. 'O, het mag niet? Maar dit is het enige uurtje van de dag dat ik voor mezelf heb, weet je? Waarom ik tijd voor mezelf nodig heb... ? Wat een domme vraag. O, je weet dat het een domme vraag is en het spijt je?' Ze bekeek hem aandachtig, tikte toen met een vinger op zijn snoet en zei: 'Weet je dat je het lelijkste bent dat ik ooit van mijn leven heb gezien... dat wil zeggen: het lelijkste hondje, maar je hebt iets... Wat? Ik weet het niet, zeg jij hel maar. O, we hebben allemaal iets, vind jij? Jaja, dat is mogelijk... Hoe zie jij ons dan, Bill? Hoe noem je ons in gedachten? Grote hij en kleine zij? Engel een en engel twee?' Ze moest lachen om de beschijving van haar gezin en Bill wriemelde op haar knieën heen en weer, sloeg toen zijn voorpoten op haar heupen en legde zijn snoet op zijn lievelingsplekje, in de holte tussen haar borsten. Ze aaide hem over zijn kop en hoe lang ze samen zo hadden gezeten wist ze niet, maar toen ze opnieuw hardop sprak, zei ze: 'Het is een idee... en waarom niet? Het is het proberen waard, er zijn wel gekkere dingen gelukt. Zoiets heb ik nog nooit in welke krant dan ook gezien. Ja, Dorfy is er natuurlijk... die schrijft stukjes in dialect voor de Shields Gazette, maar dit zou zijn vanuit het standpunt van een hond, hoe hij ons ziet. Ik zou het leuk moeten maken, ja... als ik mijn best doe, kan ik het leuk maken... o, het spijt me, neem me niet kwalijk. ' Ze was zo vlug overeind gesprongen dat Bill languit op de vloer terechtkwam en ze bukte zich om hem te troosten. Ze keek hem nog eens goed aan en zei: 'Het zou leuk zijn, hè, als het lukte. ' Voor haar geestesoog verscheen opeens Diana Blenkinsop.
Diana Blenkinsop en het gezichtspunt van een hond hadden zo op het oog niets met elkaar te maken, maar in het hoofd van Mary Ann bestond er wel degelijk een verband.
Gedurende de volgende drie weken leek het huis op een pan die op het punt stond over te koken, maar nooit zover kwam.
Mary Ann verkeerde in een toestand van onderdrukte opwinding. Ze koesterde in haar eentje een geheim en als alles liep zoals ze heimelijk bad, zouden ze nog opkijken.
Wanneer haar gedachten op dit punt waren gekomen, zag ze in haar verbeelding Corny en Diana Blenkinsop bij elkaar staan. De afgelopen week had ze tot twee keer toe Diana uit Corny's kantoortje zien komen en een keer had ze hun twee hoofden gebogen onder de motorkap van haar wagen gezien. Zij was het type, wist Mary Ann, dat alle zeilen bij zou zetten om te krijgen wat ze wilde hebben, zelfs als het moest de motor van haar auto onklaar maken. Ze had inmiddels stukjes van drie- en vijfhonderd woorden over Bill klaar, ze had ze herschreven en nog eens herschreven. Ze had zijn kijk op het leven op papier proberen te zetten en afgelopen maandag had ze ze opgestuurd naar de hoofdredacteur van de Newcastle Courier. Als de brievenbesteller in de verte aankwam, vloog ze de trap af om hem bij de deur op te wachten, maar het was al vrijdag en ze had nog geen antwoord gekregen, zelfs geen bevestiging van ontvangst. Maar toch... als ze haar pennevruchten had teruggekregen zou dat veel erger zijn, misschien was geen nieuws dus goed nieuws...
Corny had zich de laatste drie weken geïrriteerd gevoeld, in de eerste plaats omdat Mary Ann een loopje met hem nam. Ze was iets van plan, dat wist hij zeker. Hij kon alleen maar bidden dat het niet iets was in verband met Diana Blenkinsop. Hij herinnerde zich nog heel goed hoe ver ze was gegaan om voor haar moeder de zaak in 't reine te brengen en dus hield hij zijn hart vast voor haar doen en laten nu het hemzelf betrof. Dan was er ook nog Jimmy. Het liefst had hij hem eruit gegooid, maar waar kon hij iemand vandaan halen zoals hij? Jimmy kon een auto binnenste buiten keren. Hij was een harde werker, als je hem een karwei liet doen, bleef hij ermee bezig tot alles piekfijn in orde was, maar wogen die eigenschappen op legen diefstal? Deze week waren er twee bankbiljetten van tien shilling uit de kas verdwenen. Een ervan had hij gemerkt, maar toen hij Jimmy nadien had gevraagd of hij een pond kon wisselen, had deze hem een biljet van tien shilling en tien zilveren shillings gegeven. Het gemerkte biljet was er niet bij geweest. Hij was handig, die Jimmy, en dat waren de meest gehaaide dieven, de handige jongens. Verder was er nog meneer Blenkinsop, die gisteren de garage was binnengestapt en na eerst wat te hebben rondgekeken, had gevraagd: 'Gaat alles goed, Corny?' En hij had geantwoord: 'Ja hoor, het gaat prima. Waarom denkt u van niet?'
'En het kleine mevrouwtje, Mary Ann, maakt die het ook goed?'
'Jaja, met haar ook alles goed. '
Toen had meneer Blenkinsop zijn schouders opgehaald en gezegd: 'Ach, ik vroeg het me alleen maar af. ' Corny had niet geïnformeerd naar wat hij zich dan wel afvroeg, dat had hij niet gedurfd. Was het hem opgevallen dat zijn dochter altijd in de garage rondhing? Zelfs tussen de middag kwam ze langs. Ze vond het de kortste weg naar de heuvel, waar ze ging zonnen als het mooi weer was. Ze had zelfs een paar keer haar lunch meegebracht om die daar op te eten. Was ze hier maar niet komen werken, dacht hij vertwijfeld. Sindsdien was alles veranderd. Hij was innerlijk helemaal in de war. Hij bleef zich voorhouden dat als ze de volgende keer weer haar neus liet zien, hij haar zou negeren, maar als hij haar 'Cor-ny' hoorde zeggen op dat speciale toontje, keek hij toch weer naar haar, om dan met een lachje te antwoorden: 'Ja, ja. ' Hij was het eens met elke verdomde opmerking die ze maakte. Gisteren had ze echter opeens gezegd: 'Ik vraag me wel eens af hoe jij in een vechtpartij zou zijn, Corny?' waarop hij had gezegd: 'In een vechtpartij? Met wie zou ik moeten vechten?'
Ze had haar schouders opgehaald 'O, ik vroeg het me alleen maar af. '
'Je vraagt je zoiets niet zonder reden af. ' Hij glimlachte nu niet langer, maar ze liep weg en zei met een lachje: 'Weet je dat onze knappe ploegbaas boven zit?' Hij mompelde iets onverstaanbaars, maar ze kwam terug en ging pal voor hem staan. Hij schudde zijn hoofd en zei: 'Nou, en wat dan nog? Ze kent Johnny Murgatroyd sinds ze een kind was. ' Alsof hij haar wou waarschuwen zei hij: 'Jij hitst iemand graag op, hè, Diana?' 'Wat bedoel je daarmee?'
'Je weet donders goed wat ik bedoel. Iedereen kan van jou hetzelfde zeggen, maar toch... je komt hier nou wel bij
mij... maar je goeie naam wil je niet verliezen, hè?' 'Wie weet. ' Ze deed een stapje in zijn richting. 'Misschien heb ik dat al gedaan. '
Hij schraapte zijn keel, veegde zijn handen af aan een denkbeeldige lap en zei toen: 'Jij moest een pak voor je broek hebben en dat wil je feitelijk ook. Ga buiten in de zon liggen. '
'Je probeert te doen alsof ik nog een kind ben, hè Corny?' zei ze. 'Maar je weet best dat ik dat niet meer ben. Dat weten we allebei, en dus... ' Ze gooide haar blonde haren naar achteren, die over haar schouders teruggolfden. 'We zullen dit onder ogen moeten zien... maar tijd genoeg... je komt nog wel zover... ik heb geen haast. ' Ze ging naar buiten door de smalle deur aan de achterkant van de garage en Corny liep naar een auto en tilde de kap op. Zijn handen zochten steun aan het frame toen hij zich over de motor boog terwijl hij dacht: grote God, wat moet ik doen? Ze was een klein krengetje. Nee, ze was een groot krengetje, een mooi, aantrekkelijk krengetje met lange benen. Hij haatte haar. Nee, nee, dat was niet waar, hij... Zijn hoofd boog zich dieper over de motor, zelfs in gedachten wilde hij het woord niet uitspreken... En de kinderen? Rose Mary was ongelukkig om meer dan een reden. David wilde helemaal niet meer met haar spelen. Zelfs als ze uit school kwamen, wilde hij thuis niet meer met haar spelen zoals hij altijd had gedaan. 'Ik ga naar de auto's, ' schreeuwde hij dan tegen haar. Zij voelde er niets voor naar de garage te gaan, maar ze wilde bij David zijn. En ze wilde bij Bill zijn, maar als Bill tien minuten of een kwartier had rondgedarteld, ging hij regelrecht naar huis terug, naar boven, naar Mary Ann. Rose Mary was blij dat Bill dol op haar moeder was, omdat ze hem dan mochten houden. Maar hij hield alleen van haar mam en niet van haar. Als hij van haar hield, zou hij wel bij haar blijven, maar hij wilde alleen bij haar moeder zijn. Hoe kon dat nou?
En dan haar vader. Het was altijd zijn gewoonte geweest met hen te komen spelen als ze in bed lagen. Ook als hij laat boven kwam, wipte hij toch altijd nog even hun kamer in om een spelletje met hen te doen. Maar dat was voorbij, zelfs als ze wakker bleef tot hij kwam, gaf hij haar alleen maar een nachtzoen, zei 'welterusten' en 'God zegen je' en daar bleef het bij.
En haar moeder. Haar moeder was ongelukkig en zij wist waarom. Ze had haar met eigen ogen achter het gordijn zien staan en naar beneden zien kijken, naar haar vader en Diana Blenkinsop. Toch had haar moeder de laatste tijd niet gehuild. Van hen tweeën zat ze het meest in over haar vader. Haar vader... en Diana Blenkinsop. En David. Ook David had zijn zorgen. Maar David had zijn zorgen diep weggestopt, dat waren geen dingen om over te praten. Je dacht er niet al te veel aan, maar je deed je best ze uit de weg te ruimen. Zijn zorgen golden in de eerste plaats Jimmy en dan pas zijn vader. Wat Jimmy aanging, deed hij iets wat hij goed vond en wat het probleem van zijn vader betrof, daarover was hij iets aan het uitdenken. In zekere zin was het David, die de vindingrijkheid van zijn moeder had meegekregen.