7

 

Met een duikzak van blauw nylon over zijn schouder, sjokte kapitein Pedro Gómez y Roig langs de douane en de paspoortcontrole. Met zijn voortdurende, een beetje slordige grijns zag hij eruit alsof hij een beetje dronken was, of een beetje simpel. Hij was overgegaan op een stoere stoppelbaard of moest zich hoognodig eens scheren. Zijn haar was niet gekamd. Zijn oorspronkelijk geelbruine lange broek was verbleekt tot die bijna kleurloos was en de zolen van zijn sandalen waren uit een oude autoband gesneden. Op de borst van zijn paarse T-shirt met afgeknipte mouwen stond het opschrift 'Earth Mover Incorporated'. Hij omhelsde Trent en brulde:' Hola senor jefe, u zijn goed mens dat u mij baan geven.' Hij bood Trent een bijna lege fles tequila aan en leek innig tevreden met zichzelf. Trent trok hem achter zich aan naar het parkeerterrein. Ze waren halverwege de hoofdstraat toen Trent zag dat Auria hen tegemoet kwam lopen. Hij zou gezwaaid hebben, maar een bestelwagen reed weg van het trottoir en hij moest remmen en uitwijken. Auria liep langs hen heen zonder dat ze de BMW herkende of zelfs maar opmerkte. In plaats van haar te roepen, zei Trent tegen Pepito: 'De rest kun je wel lopen,' en gaf hem de naam van de jachthaven. Hij gaf Auria een flinke voorsprong voordat hij een U-bocht maakte en achter haar aan kwam. Vanaf de andere kant van de weg had hij een bredere gezichtshoek en kon zich dus veroorloven om een flink eind achter haar te blijven. Hij hield de motor in zijn eerste versnelling en keek regelmatig naar de etalages. Toeristen verdrongen zich op de trottoirs. Ze liepen een beetje doelloos rond in kleine groepjes tijdelijke vrienden, in een vreemd land en niet gewend aan vrije tijd. De Noord-Amerikanen hadden betere kleren aan dan de Britten en hun zonnebrand was niet zo heel rood - ze hadden waarschijnlijk meer tijdschriften gelezen waarin huidspecialisten waarschuwden tegen kanker en advies gaven over crèmes en lotions. In vergelijking met de toeristen zagen de Bahamanen er doelbewust uit, zelfs al liepen ze alleen maar hun territorium af te bakenen. Ze hadden vrienden om te groeten, zaken om af te handelen, boodschappenlijstjes. Auria liep een brede straat in met een eenrichtingsverkeersbord. Trent gaf gas en kwam net op tijd bij de straathoek om te zien dat ze op haar horloge keek en daarna onder een roze kreeft met een knipperend rood oog doorliep en een restaurant binnenging. Hij reed het blok rond en vond de keukeningang. Hij parkeerde, deed zijn helm af, klopte, stak zijn hoofd om de deur en zwaaide met een biljet van twintig dollar. Een magere Bahamaanse kok met een witte muts en dito schort keek op van de vis die hij aan het grilleren was. Twee oude mannen voor wie de nieuwe welvaart van het toerisme te laat was gekomen, stonden borden te wassen bij een dubbele spoelbak terwijl een dikke vrouw de baas over hen stond te spelen, ik denk dat mijn vriendin daarbinnen zit,' zei Trent tegen de vrouw. Hij legde alles in zijn glimlach: hij erkende dat zij de macht had, en meer dan dat - dat zij een echte vrouw van de wereld was, en dus begrip had voor dit soort dingen. 'Kan ik even kijken?' Het biljet van twintig dollar verdween in de zak van haar witte schort en ze zei: 'Ga je gang,' en tegen de kok: 'Bob jongen, als je die vis verbrandt dan krijg je toch op je lazer...' Een ober liep langzaam en waardig door de dubbele deuren, maar zodra ze dichtsloegen leek het wel alsof hij bezig was met een hardloopwedstrijd. Maar Trent had Auria en haar metgezel al gezien. Het was voldoende. 'Verdomme,' zei hij. 'Het is haar man.' 'Pas op dat je met die witte tengels van je niet ergens aan blijft haken,' waarschuwde de vrouw. Trent reed weer naar de hoofdstraat, ging twee blokken terug, toen de hoek om en parkeerde zijn motorfiets op een punt van waaruit hij de ingang van het restaurant in de gaten kon houden. Auria kwam bijna onmiddellijk weer te voorschijn; ze had niet willen blijven lunchen of het was haar niet gevraagd. Een uur later kwam er een lege taxi voorrijden. Auria's tafelgenoot kwam naar buiten lopen terwijl de ober voor hem uit danste om het autoportier te openen. Hij gaf dus vette fooien. Achter in de dertig, dacht Trent, gladgeschoren en waarschijnlijk net als Auria een Amerikaan van Italiaanse afkomst. Op telkens wisselende afstand volgde Trent de taxi. De chauffeur reed de stad uit en Trent schoof achter een vrachtwagen. De chauffeur remde bij het witte wachthuisje naast de ingang van het privé-park waar Rogerton-Smithe woonde en Trent reed erlangs terwijl hij de wagen in zijn achteruitkijkspiegel in de gaten hield. Terwijl de schildwacht de gestreepte slagboom omhoogtilde, maakte hij een U-bocht. Toen hij bij de slagboom kwam, was de taxi nog steeds in zicht. Met zijn helm op zou hij niet herkend worden en het was niet dezelfde schildwacht als de vorige keer. Trent liet hem een biljet van tien dollar zien. 'Ik heb een jacht dat ik een paar maanden moet stallen en ik wil graag even naar de jachthaven kijken.' Boten zorgden altijd voor grote fooien en de schildwacht grinnikte terwijl hij het biljet aanpakte. 'Ja m'neer, mooie motor. Rechtdoor en na de golfclub eerste afslag links.' Trent reed de weg af en stopte op de top van een flauwe helling. Van daaruit had hij een goed zicht op de rest van de weg. De taxi was gestopt naast een jacht dat er uitzag alsof het snel kon varen. Trent kon niet zien onder welke vlag het voer. Onder het zonnescherm op het achterdek zag hij vier mannen zitten. Ze droegen korte broeken met pijpen tot op hun knieën, sportieve overhemden en slippers. Ze waren te ver weg om details te kunnen onderscheiden. Niemand van hen leek haast te hebben, maar twee van hen stonden op toen de man met wie Auria had gesproken de loopplank op liep. De langste van de twee volgde hem terwijl hij door de schuifdeuren de salon binnen liep. Trent dacht aan Auria. Hij was er zeker van dat ze onder druk stond, maar hij wist niet goed wat hij moest doen. Uiteindelijk draaide hij de contactsleutel om en reed op zijn BMW langs het golfterrein. Met een ruime bocht reed hij Rogerton-Smithes oprijlaan op, zette de motor in de schaduw rechts van het huis, naast de garage, liet zijn helm achter op het zadel en belde aan. Robert deed de deur open. De jonge Bahamaan droeg een zwembroek en een korte witte badjas. Hij was blootsvoets. De gouden armband werd nu vergezeld door een dun gouden kettinkje met een eenvoudig crucifix. Niets opzichtigs - Rogerton-Smithe had een uitstekende smaak. 'Hallo,' zei Trent, 'ik ben twee weken op zee geweest en wilde een eindje over de golfbaan lopen. Groen gras.' Robert raakte bijna in paniek. Hij zei: ik ben bang dat meneer Rogerton-Smithe aan het rusten is. Hij is niet helemaal in orde.' 'Dan kunnen we hem maar beter niet storen. Ik heb mijn motor bij de garage neergezet.' Robert deed twee passen naar voren en zijn gezicht lichtte op toen hij de grote paarse BMW zag. Trent vroeg of hij een rijbewijs had, en keek naar zijn korte worsteling tegen de verleiding. Robert wees hem de weg naar een logeerkamer en bracht hem een korte broek en T-shirt die een vorige gast had achtergelaten, plus een wijdgerande plantershoed om het kaalgeschoren deel van zijn schedel tegen de zon te beschermen. 'Niet te hard rijden,' waarschuwde Trent, 'en niet van het terrein af gaan.' Met ontbloot bovenlijf trok Trent zijn werpmes uit de hoes om het zweet van het lemmet te poetsen. Hij hoorde hoe de BMW zachtjes brommend de oprijlaan afreed. Een ogenblik later ging de deur open. Het eerste dat Rogerton-Smithe zag, was het mes, daarna zag hij de littekens en de pleisters. Voor zover Trent kon zien, toonde hij geen angst, maar de uitdrukking in zijn donkere ogen was moeilijk te ontcijferen en ondanks de airconditioning was de verzekeraar zwaar aan het transpireren. Trent liet het mes weer in de hoes glijden en legde uit dat hij even een wandeling had willen maken zonder de hele tijd te worden lastiggevallen door mensen die iets wilden verkopen. 'Robert was zo vriendelijk om me wat kleren te lenen. Hij is een eindje rijden op mijn BMW.' Nu kwam de angst. 'Een motorfiets? Verdomme Trent, dat is niet eerlijk.' Rogerton-Smithe keek naar de plantershoed die op het bed lag. 'En Robert heeft je zijn mooiste hoed geleend.' Hoewel dat eigenlijk niet met het voorafgaande te maken had, zei Trent: 'Ik weet zeker dat hem niets zal overkomen.' Hij trok het T-shirt over zijn hoofd, streek zijn resterende haren glad en zette de hoed op zijn hoofd. Hij keek in de spiegel hoe hij er uitzag en wierp daarna een blik op Rogerton-Smithes spiegelbeeld. Hun blikken kruisten elkaar, ik heb de Beau Belle gevonden,' zei Trent. Hij pakte zijn zonnebril. 'Over een uur ben ik terug.' Bij de jachthaven kocht Trent de nieuwste Yachting Monthly en hij vond een tafeltje onder het zonnescherm van een terras aan het water. Het jacht was achttien meter lang en voer onder Hondurese vlag zodat de eigenaren er in de Verenigde Staten geen belasting over hoefden te betalen. De stuurhut lag voor de salon en er liep een verhoogde brug overheen. Op die brug waren twee zoeklichten geplaatst en aan de mast achter de brug waren een radarschotel en drie antennes bevestigd. Een vijf meter lange speedboot stond op een stel draagblokken achter de verhoogde brug en een tweede boot hing in een stel davits bij de spiegel. De machinekamer, midscheeps met grote ventilatoren, splitste het woongedeelte van het schip in tweeën, waarschijnlijk onder het achterdek de luxehut van de eigenaar, plus misschien nog een extra hut. Een vast aluminium zonnescherm. Vier mannen zaten languit in rieten stoelen onder het zonnescherm. Een van hen was blond en droeg een witte overall - waarschijnlijk de machinist. De man uit het restaurant en de lange man die achter hem aan de salon in was gelopen, waren afwezig, dus er waren minstens zes man aan boord. Er was niets bijzonders aan hen, behalve dan dat ze allemaal keurig geschoren waren. Een heleboel Amerikanen schoren zich niet op vakantie en voelden zich daardoor, tijdelijk, echte kerels in plaats van kantoormannetjes. En er waren geen vrouwen. Trent vroeg de barkeeper om een balpen en maakte op de achterkant van de omslag van zijn tijdschrift een tekening van het Cubaanse rif en de eilandjes die hij daar na zijn laatste duik had gevonden. Hij liep terug over het golfterrein. De BMW stond op zijn standaard in de schaduw. Trent belde aan en Robert kwam aan de deur. Hij vloeide bijna over van dankbaarheid en zag eruit of hij heel tevreden was met zichzelf, dus als hij ruzie had gehad met Rogerton-Smithe, dan had hij die gewonnen. Maar Trent dacht dat Rogerton-Smithe waarschijnlijk te veel een pragmaticus was om de jongeman voor zoiets als dit een standje te geven. Robert bracht hem naar het terras bij het zwembad en liep weer het huis in om drankjes te halen. Rogerton-Smithe lag op een stretcher, met zijn hoofd op een kussen. Het was niet bijzonder heet, maar hij lag nog steeds te zweten. Zonder Trent aan te kijken zei hij: 'Gaat u toch zitten. Misschien ben ik een beetje kortaf geweest. Mijn oudere broer is met een motorfiets verongelukt. Ik was heel erg op hem gesteld.' 'Het spijt me.' 'Het is lang geleden. Als je ouder wordt, heb je steeds meer de neiging om jongere mensen te belasten met je ervaring.' Hij draaide zijn hoofd op het kussen in Trents richting en keek hem met zijn donkere ogen recht in het gezicht. 'Ik heb niets tegen Robert gezegd en hij heeft ervan genoten.' is dat goed of slecht?' Trent zag een zweem van een glimlach. 'Precies. Uiteindelijk kunnen we alleen maar de verantwoordelijkheid nemen voor onze eigen vergissingen. Dat probeer ik te doen, meneer Trent. U zei dat u de Beau Belle had gevonden? Zoudt u zo vriendelijk willen zijn om mij te vertellen hoe het schip gezonken is?' Trent beschreef de explosieven, Hewetts dood en de moord op de Nieuwzeelanders. 'Afschuwelijk. Buitengewoon afschuwelijk.' Terwijl hij Rogerton-Smithe aankeek, was Trent er zeker van dat hij zich opzettelijk probeerde voor te stellen hoe afgrijselijk het geweest moest zijn, hoe de twee jonge mannen geworsteld moesten hebben terwijl ze verdronken. Trent zei: 'Het leven is een steile helling. Je bepaalt zelf of je de trap op wilt klimmen; hoever je glijdt is voornamelijk een kwestie van geluk of pech, dus er zijn geen gradaties. Noem iemand een dikke jodenjongen en je staat naast de commandant van Auschwitz.' 'Bij de Lloyd begin je te glijden als je een klein syndicaat opzet voor je vrienden en naaste familie en daar de beste transacties van je firma naartoe sluist. In de Thatcherjaren werd dat heel veel gedaan, meneer Trent. Daarna verhuis je het syndicaat naar een belastingparadijs, maakt er een brievenbusmaatschappij van. En nu dus moord.' Robert kwam aanlopen met Trents daiquiri en Rogerton-Smithes muntthee. Rogerton-Smithe glimlachte dankbaar en tikte de jongeman licht op zijn pols. 'Je bent al een hele tijd niet meer bij je moeder op bezoek geweest, Robert. Ik denk dat dit er een goed moment voor is. Waarom ga je niet met de auto? Het zou prettig zijn als je op zaterdag weer terug was. En wil je eraan denken dat je even langs de stomerij gaat?' De jongeman aarzelde. Het was duidelijk dat hij bezorgd was en Rogerton-Smithe zei: 'Doe niet zo gek. Het zal heus heel goed met me gaan en als ik geen zin heb om te koken, kan ik altijd naar de jachthaven bellen en vragen of ze iets willen brengen. Ga nu maar, Robert, en als je in de stad komt, ga dan even langs de bloemenwinkel. Rozen,' voegde hij eraan toe. Het was duidelijk te zien dat hij een plotselinge beslissing had genomen en daar plezier aan beleefde. 'Gele rozen - op zijn minst een stuk of tien - en let erop dat je moeder een stukje van de stelen afsnijdt voordat ze ze in het water zet.' Hij keek Trent aan terwijl de jongeman de deur van het terras achter zich dichttrok. 'Het kan heel prettig zijn om geld te hebben, meneer Trent, zelfs als het strikt genomen je eigen geld niet is.' 'Geen "Rij voorzichtig" en "Pas op dat je de wagen niet zomaar ergens neerzet". Oh, lieve hemel nee. En bovendien, ik heb eigenlijk niet het recht om andere mensen hun gedrag voor te schrijven.' 'Maar wel om ze vertellen dat ze weg moeten blijven als u denkt dat ze gevaar zouden kunnen lopen. U hebt een heleboel Italiaanse Amerikanen in uw syndicaten gehad,' zei Trent. 'Die zullen wel enigszins gepikeerd zijn, zoals u zou zeggen. Zelf zou ik zeggen dat ze woedend zijn, en levensgevaarlijk.' 'Eigenlijk zou ik buitengewoon gepikeerd hebben gezegd, meneer Trent. En ja, een paar van hen zijn inderdaad gevaarlijk. Ik moet daaraan toevoegen dat ik toentertijd niet wist wie het waren. Misschien heb ik het niet willen weten, maar het kan soms heel moeilijk zijn om uit te maken waar de grens ligt tussen je bewustzijn en je onderbewustzijn, en ik stond onder werkelijk heel zware druk. De lieden met wie ik te maken had, hadden hele goede manieren en gingen correct gekleed, al denk ik dat je het aan hun schoenen meestal wel kunt zien.' 'Kunt, onvoltooid tegenwoordige tijd?' 'Ja, meneer Trent. Het is zowel onbeleefd als vermoeiend om spelletjes te doen. Als er iets is dat u wilt weten, vraag het dan, en als de vraag niet ongepast is, zal ik hem beantwoorden.' 'Het spijt me.' 'Ach hemel, wat bent u toch Brits, meneer Trent, en in dit geval is daar weinig reden voor. Ik ben toch degene die zich zorgen dient te maken? Ik ben een oplichter. Ik heb een heleboel geld gestolen en nu ben ik bovendien betrokken bij twee verschrikkelijke moorden. Vraagt u er maar op los.' Rocco was de eerste die de Italiaanse Amerikanen op onderzoek hadden uitgestuurd. Trent vroeg of Rocco de anderen had voorgesteld aan Rogerton-Smithe, en hoeveel Rocco van Rogerton-Smithes zaken had geweten, toen en nu. 'Zodat u een oordeel kunt vellen, meneer Trent? Wat ontzettend moedig van u.' Rogerton-Smithe dacht een ogenblik na. 'Meneer Rocco is een heel aardige man en een uitstekende restauranthouder, maar op financieel gebied is hij misschien een beetje naïef.' Rogerton-Smithe had drie zomers lang regelmatig in Rocco's restaurant gegeten voordat hij hem gesuggereerd had om lid van de Lloyd te worden. Hij zette hem in een van zijn goede syndicaten, ik heb hem als lokaas gebruikt, meneer Trent. Als een stukje kaas, waarmee ik ongedierte probeerde te lokken, gulzig ongedierte met kleine rode oogjes. Meneer Rocco had geen flauw benul van mijn plannen met zijn klanten. Toen hij geïnformeerd werd over hun problemen, was hij bijzonder geschokt. Het was hun idee dat hij de Beau Belle zou charteren zodat ze hun eigen namen niet aan het een of andere smerige zaakje hoefden te verbinden. Smokkel had ik wel verwacht, maar moord niet.' ik heb het de anderen niet verteld, maar er ligt dertien miljoen aan goud aan boord. Ik ga er morgen naar duiken,' zei Trent. Hij sloeg het tijdschrift open dat hij in de jachthaven had gekocht en liet het naast Rogerton-Smithes stretcher op de grond vallen. De assuradeur zag de schets van het Cubaanse rif. Hij stond op, liep langzaam naar de kast met drank en schonk zichzelf een kleine bel cognac in. Hij liet de cognac langzaam rondspoelen in het glas en terwijl hij Trent aankeek, hief hij het glas omhoog. De dunne laag drank die op het glasoppervlak was achtergebleven gloeide in de zon. 'U wilt dat ik hun dat ga vertellen en hebt liever dat ik het doe, dan dat het meisje ervoor opdraait?' suggereerde Rogerton-Smithe met een droge glimlach. 'Vindt u niet dat u eigenlijk een witte pruik en een zwarte toga zou moeten hebben, meneer Trent?' Trent reed weg van Rogerton-Smithes huis. Op iets minder dan een halve kilometer voor de jachthaven, zag hij Skelly langs de weg staan terwijl hij deed alsof hij het achterwiel van een witte Ford pick-up truck aan het verwisselen was. Trent remde en bood aan om te helpen. De glimlach van de Bahamaan was een beetje bitter terwijl hij antwoordde dat Trent degene was die hulp nodig had. 'Er is een dringend verzoek van de Amerikanen gekomen om je in de haven te houden.' Zoiets had Trent wel verwacht. Skelly zei: 'Ik heb je een belofte gedaan, Trent, en die is nog steeds van kracht en staat los van de politiek. Maar ik wil mezelf graag wel zien in te dekken.' 'Elf uur vannacht,' zei Trent. 'We kunnen er maar beter voor zorgen dat je niet wordt gevolgd.' Skelly haalde een kleine elektronische debugger uit zijn truck en Trent bedankte hem. Trent trof Rik, Marco en Auria in de stuurhut van de Golden Girl, terwijl Pepito half slapend in het net tussen de twee boegen lag. Trent had de voorraden en uitrustingsstukken gecheckt met de lijst die hij Marco had gegeven en daarna tegen Marco gezegd dat ze even een wandelingetje langs de kust moesten gaan maken. Ze stopten bij de jachthavenbar voor een koud biertje, namen hun flesjes mee naar buiten en gingen op de rand van de kade zitten. Terwijl de zon onderging, keken ze toe hoe een stuk of tien jachten de haven binnen voeren. Hoewel Marco een beroeps was, deed hij nooit laatdunkend over de manier waarop de vakantievierders met hun boten omgingen en twee keer rende hij over de kade om een lijn vast te grijpen. Trent vond hem prettig gezelschap. Hij zei: 'De interne ballast van de Beau Belle is vervangen door goudstaven.' Marco zei: 'Dat is toch een geintje hè?' en wendde zijn blik af van een brunette met een bootshaak in de boeg van een Nicholson 36. 'Ik bedoel, goud, echt goud? Kom op. Je maakt een geintje.' 'Ongeveer een ton, dat maakt iets van dertien miljoen dollar.' Marco floot. Met zijn handen plat op de grond haalde hij even het gewicht van zijn billen. 'Dertien miljoen. Nou weet ik zeker dat je een geintje maakt.' 'Drugsgeld dat in Angola aan boord is gebracht nadat de Cubanen zich daar terugtrokken. Denk er eens over na,' zei Trent. 'Je knalt een paar gaten in de Beau Belle als ze binnen het Cubaanse rif ligt en het goud is daar veiliger dan in een bank.' 'Maar niet zo makkelijk weer op te nemen.' Marco ging weer verzitten, spuwde tussen zijn voeten en keek hoe de ringen uitdijden in het wateroppervlak. Hij schudde zijn hoofd en keek Trent aan. 'Je meent het echt, hè? Dertien miljoen dollar.' 'Een miljoen meer of minder kan ook,' zei Trent. 'Dat is het goede nieuws. Het slechte nieuws is dat een knulletje van de ambassade me heeft bevolen om niet met de Golden Girl uit de jachthaven weg te varen, dus misschien zijn er nog anderen die weet hebben van het goud en die niet willen dat wij het in handen krijgen. Dat is alleen maar een gok van mij, maar er moet een reden zijn waarom ik niet mag uitvaren.' 'Fuck de reden,' zei Marco. 'Dit zijn de Bahama's. Zo'n lui van de ambassade heeft niet het recht om jou te vertellen wat je wel of niet mag doen.' Trent haalde berustend zijn schouders op en bleef zwijgen. Op Marco had een inbreuk op zijn vrijheid ongeveer dezelfde uitwerking als een rode lap op een stier. 'Hé, kom op verdomme. Jij bent Brits, Trent, en de Golden Girl ook, en de Beau Belle ligt in Cubaanse wateren.' 'En wat dan nog? Moet ik soms een brief schrijven naar de Britse regering?' Trent bracht de lege flessen terug naar de bar en kwam terug met twee volle. Marco bedankte hem en zei: 'Je wil het goud toch gaan opduiken?' 'Niemand anders schijnt er veel haast mee te maken,' zei Trent. Marco giechelde. 'Een ton. Dat wordt een hele operatie.' 'We zouden minstens twee hele nachten nodig hebben,' zei Trent. Ze keken toe hoe een professionele schipper een achttien meter lange motorkruiser in een ligplaats vlak naast de Golden Girl manoeuvreerde. Drie mannen van achter in de veertig met vrouwen of vriendinnen die een stuk jonger waren, zaten te drinken op het achterdek. 'Jammer.' Trent schopte een paar keer met zijn hiel. 'Dit is een unieke kans.' 'Wat houdt ons dan tegen?' vroeg Marco. 'De Bahamaanse politie waarschijnlijk.' En Rik was geen wetsovertreder. Auria trouwens ook niet. 'M'n rug op. Kom op, Trent. Doe niet zo ongelooflijk negatief,' zei Marco. 'Hoe zit het met de grote Mex?' 'Een heel goeie duiker, maar een beetje simpel. Hij doet wat hem gezegd wordt.' Twee mannen van het motorjacht waren aan wal gesprongen om de lijnen vast te maken. De derde liep met zijn scheepspapieren naar het havenkantoor. Hij passeerde Trent en Marco. 'Denk na man, godallemachtig,' drong Marco aan. 'Dat ben ik de hele dag al aan het doen.' Trent gaf Marco de lege fles. 'Het is jouw beurt.' Marco haalde twee nieuwe biertjes en ging weer zitten. Trent zei proost, en toen goedenavond tegen de man van het grote motorjacht die terugkwam van het jachthavenkantoor. 'Mooie boot,' zei Marco, en de man bedankte hem voor het compliment en liep door. 'Jij maakt makkelijk vrienden,' zei Trent tegen Marco. 'Probeer om op dat motorjacht een feestje aan de gang te krijgen en zorg dat het zo lawaaierig wordt, dat ik erover kan gaan klagen.' Om kwart voor elf die avond waren er zoveel mensen op het feest dat ze niet allemaal meer op de boot pasten, en het feest ging verder op de kade. Het lachen klonk luider dan de muziek, want in reactie op een paar woorden van de bewaker in het jachthavenkantoor had een van de mannen van de boot de versterker wat lager gezet. Er was een hoop bloot vlees te zien en te oordelen naar de manier waarop er op het achterdek werd gedanst, was aids in de nevelen van de geschiedenis verdwenen. Een paar vrouwen kwamen uit de kombuis met schalen vol borrelhapjes waarvan niemand zich later zou kunnen herinneren of ze er nou wel of niet van hadden gegeten. Aan boord van de Golden Girl had Trent pasta gekookt om het bier te absorberen dat hij eerder op de dag met Marco had gedronken. Na het eten was Auria Marco gaan opzoeken op het feest. Op dit moment was ze aan het dansen met een Bahamaan terwijl Rik vanuit een hoekje van de stuurhut zat toe te kijken. Hij draaide zich om, keek naar Trent en zei: 'Ik hield van mijn vader en nu houd ik van Auria; daar zit een patroon in. Ik moet wel een idioot lijken. Ik ben wel goed in mijn werk trouwens. Heel goed,' voegde hij eraan toe, en terwijl hij zijn haar uit zijn ogen veegde, keek hij Trent recht in het gezicht. 'Het is nuttig om een balans te kunnen lezen. Betrouwbaar, aardig, een veelbelovende toekomst, maar niet veel lol. Omdat mijn vader was zoals hij was, werd mijn moeder nogal zenuwachtig van lol maken. Misschien kan ik er les in nemen. Ik moet er toch talent voor hebben. Zoiets is toch ten dele genetisch bepaald.' Hij moest plotseling glimlachen, geamuseerd door zijn eigen pretenties. Trent zei: 'Ja.' Rik richtte zijn aandacht weer op het feestje op het motorjacht, op de dansende Auria. Trent stond net op het punt om hem alleen te laten toen de jonge accountant zei: 'In mijn werk moet je kunnen aanvoelen of er iets verzwegen wordt, Trent.' De stand van zijn schouders was minder onzeker dan gewoonlijk en toen hij zich omdraaide om Trent opnieuw aan te kijken, gaven de lijn van zijn kaak en de smalheid van zijn lippen aan dat hij vastberaden was. 'Het was mijn vader, Trent. Tegen de waarheid hoef ik niet in bescherming genomen te worden.' 'Ik ken de waarheid niet - niet de hele waarheid,' zei Trent. Hij vertelde de jongeman over het goud en de moord op de Nieuw- zeelanders en waarom hij geloofde dat Hewett met dat laatste niets te maken had gehad. Terwijl hij naar Trents relaas luisterde, zat Rik met zijn armen op zijn knieën, en steunde met zijn kin op zijn handen. Terwijl hij zorgvuldig de feiten voor zichzelf op een rijtje zette, was zijn gezichtsuitdrukking ondoorgrondelijk. Uiteindelijk zei hij: 'We dachten dat je ons te hulp kwam. Je zat op ons te wachten. Je bent de een of andere soort politieman.' Hij knikte tegen zichzelf en keek op, boos en verbitterd: 'Je hebt ons als lokaas gebruikt. Een meisje...' Trent dacht eraan om te antwoorden dat hijzelf het lokaas was, maar het zou te veel tijd hebben gekost om dat allemaal uit te leggen en er zaten nog te veel lacunes in het bewijsmateriaal. En Rik zei: 'Nee, als het zo lag, dan zou je me dat niet verteld hebben.' Hij keek naar de jachthaven, naar de plek achter op het motorjacht waar Auria aan het dansen was, en toen het besef doorbrak, kwam ook de pijn. 'Auria is erbij betrokken.' 'Ik denk dat ze gechanteerd wordt. Ik moet dat nog uitzoeken,' zei Trent en liep naar voren om Pepito te spreken. Pepito had een slaapzak op het net gelegd en leek diep in slaap te zijn. De Mexicaan had de hele dag de simpele visserman uitgehangen. Hij had zelfs op zijn eentje op het voordek zitten eten. Om het beeld in stand te houden, had Trent hem nauwelijks gesproken, maar nu moest hij wel. Hij hurkte neer naast de Mexicaan, maar zonder zijn ogen te openen zei Pepito: 'Ga weg, companero. Ik wil het niet weten.' 'Bedankt,' zei Trent. Nu hij alleen met Pepito op de boot was, doorzocht hij de hele catamaran met de debugger en achter de radio geplakt vond hij een transductor van Russische makelij. Hij liet het ding zitten waar het zat, en riep tegen Pepito dat hij van boord ging. Marco gaf hem een blik toen hij over de kade liep en Trent zag hoe hij zijn stiefzuster bij de arm greep. Skelly en een politieman zaten bier te drinken in een hoekje van het jachthavenkantoor. Trent zei tegen de dienstdoende bewaker: 'Ik wil niet vervelend doen, maar in die herrie houd ik het niet uit. Ik wil een andere ligplaats.' Hij sprak zachtjes en met nadrukkelijke beleefdheid. De schildwacht keek om naar Skelly en Skelly zei: 'De agent hier zal u wel een handje helpen.' 'Bedankt,' zei Trent, 'ik ga wel aan de buitenste steiger liggen.' Voordat hij achter Trent aanliep, trok de agent zijn laarzen uit. Op weg naar de Golden Girl zei hij: 'Hoofdinspecteur Skelly zei dat ik u moest zeggen dat een neef van mij op Lobos Cay zat, meneer Trent.' Marco en Auria waren weer terug en Trent zei tegen Auria: 'Het spijt me dat ik je moet losrukken uit je feestje, maar ik heb mijn slaap nu echt nodig.' Tegen Pepito zei hij: 'Ga naar beneden, dan zit je tenminste niet in de weg.' Hij zei tegen Rik en Auria: 'Ik wil niet onbeleefd zijn, maar drie man aan dek is echt genoeg.' Auria wilde tegensputteren, maar Marco fluisterde iets dat haar tot zwijgen bracht en ze liep achter Pepito en Rik aan de salon binnen. Er stond een zachte landafwaartse bries en Trent hees het grootzeil terwijl Marco de lichtste van de grote fokken aan de voorstag vastmaakte. De agent maakte de landvasten los en sprong aan boord. Trent trok de schoot aan en de grote cat schoof geruisloos uit haar ligplaats. Marco stond bij de mastvoet en hield de fokkeval vast. Trent duwde tegen de helmstok en stuurde naar de overkant van de jachthaven, voorbij de ingang. Hij liet de schoot iets vieren en terwijl hij ervoor zorgde dat zijn eigen lichaam het zicht op de agent blokkeerde, gaf hij hem een stoot in zijn maag. Terwijl de agent dubbelklapte, gaf Trent hem een kaakslag, greep de vallende man beet en duwde hem met zijn dijbeen over de reling. Hij voelde hoe de man hem een kort kneepje in zijn dij gaf. Trent stak een hand op naar Marco en de enorme witte fok brak los uit zijn sjorringen. Ze hadden de rest van de nacht en de hele volgende dag om de Cubaanse wateren te bereiken. 'Wel?' vroeg admiraal De Sanchez aan Roddy. 'Het is in orde,' zei Roddy. 'Vier exemplaren van het document zijn gedeponeerd bij de mensen die u had opgegeven en Smith heeft opdracht gekregen om zijn honden terug te roepen. Trent...' 'Trent is op weg naar Cuba,' viel de admiraal hem in de rede. 'Rocco heeft gebeld voordat ze Nassau verlieten. Hij zei dat ze vannacht en morgennacht gaan duiken.' Hij grinnikte zachtjes. 'Kan het nog mooier, mijn zoon? Zij doen al het werk en buiten de Cubaanse wateren wachten wij hen op.' De Golden Girl lag voor anker in een stuk water van 1,80 meter diep tussen de twee eilandjes op het Cubaanse rif. Een tiental palmen op beide stukjes zand en koraal camoufleerden de mast en toen hij wegvoer in de nieuwe Zodiac, had Trent al snel moeite om haar in de duisternis terug te vinden, hoewel hij toch wist waar het schip moest liggen. Marco had in Nassau een zes meter lang model aangeschaft, plus een 80 pk Mercury, dus er was ruim voldoende motorvermogen en plaatsruimte voor een gezelschap van vijf personen, acht pers- luchtflessen, plus een zware ankertros en een stel lijnen. Trent had het aan Marco overgelaten om Auria uit te leggen waarom ze ervandoor waren gegaan en op zijn beurt had Marco het aan Auria overgelaten om Riks protesten te smoren. Een uur na zonsondergang waren ze over het rif gevaren en toen ze eenmaal veilig voor anker lagen, had Trent voor hen een schets gemaakt van de positie van de Beau Belle en de grot, en uitgelegd hoe hij bij de gaten in de romp wilde komen. Marco had onmiddellijk begrepen dat Trent in het jacht moest zijn geweest toen het dak van de grot het begaf. En dat hij daarom een derde duik moest hebben gemaakt. 'Je bent teruggegaan? Op je eentje?' Trent legde uit dat hij eerst had gedacht dat het dak van de grot invloed uitoefende op de magnetometer. Toen hij zich realiseerde dat dat niet het geval kon zijn, had hij van de vuurtorenwachter op Lobos Cay een Zodiac geleend: 'Het moest de ballast wel zijn.' Trent en Marco doken als eersten en namen de nieuwe ankertros met zich mee. Ze inspecteerden het deel van de oude ankertros dat over de rand van de grot hing. Trent deed zijn best om niet aan zijn laatste duik terug te denken, maar de herinnering was te sterk en hij huiverde toen hij langs de ankertros naar beneden zwom, en besefte dat Marco waarschijnlijk wist hoe hij zich nu moest voelen. De bleke lichtcirkels van hun zaklampen voerden hen de diepte in, vierenveertig meter. Telkens als hij de druk op zijn oren klaarde, voelde hij het enorme gewicht van het water op hem drukken. Hij voelde de druk boven zich en de afwachtende diepte van de grot onder hen, zo leeg en open als een tandeloze mond, en toen hij voor de eerste keer de versplinterde resten van de bovenbouw van de Beau Belle zag, huiverde hij opnieuw. Van de stuurhut en de salon waren alleen nog maar een paar splinters over, stukken hout die een paar centimeter boven het dek uitstaken. De trappen naar de machinekamer en de beneden- dekse ruimtes waren volledig versperd, maar de toch al versplinterde boeg van het jacht was weggescheurd zodat er van het vooronder alleen nog een gapende leegte over was. De lichamen van de twee Nieuwzeelanders waren weggezonken in de diepten. De tuigage en de masten waren verdwenen, net als de voorsteven en de boegspriet, de scepters en de teakhouten voetreling. De zware koperen bolders op het achterdek waren echter blijven staan. De Beau Belle lag met haar stuurboordzijde tegen de klifwand, en Trent wees naar de bolder aan bakboordzijde. Marco maakte de nieuwe ankertros vast en ze draaiden tegelijk en zweefden langs de klif naar boven. Decompressie was nog niet nodig. Ze leidden de ankertros schuin naar beneden om de boeg heen, trokken hem strak en bevestigden hem aan een groot koraalhoofd ongeveer tien meter van de rand van de grot. Trent liet de oude ankertros vieren. Ze volgden het spoor van hun luchtbellen naar boven en wachtten een uur in de Zodiac totdat de Beau Belle weer stabiel lag. Bij de volgende duik ging Trent samen met Pepito. De Mexicaan had een zaag en een koevoet bij zich, terwijl Trent de vier duik- lampen droeg. Toen de Beau Belle in de nieuwe ankertros zakte, had het schip kalk van de zijkant van de grot geschuurd en het fijne poeder weerkaatste de lichtbundels van hun zaklampen, zodat ze wegzonken in een zacht gloeiende witte wolk waarin kleine vissen op schaaldiertjes jaagden. De Beau Belle was in de nieuwe tros gedraaid en hing nu met haar boeg naar beneden en haar dek tegen de rotswand. Trent stak een duim omhoog naar Pepito en zwom voor hem uit langs de stuurboordzijde, naar het gat in de machinekamer dat hij al vergroot had. Terwijl Pepito zaagde, hing Trent de lampen op. Op deze diepte moest je voorzichtig zijn, je kon erdoor verdoofd raken, en daarom hielden ze elkaar goed in de gaten. Zes minuten op deze diepte was voldoende en Trent gaf Pepito een teken dat ze konden opstijgen. Ze wachtten opnieuw een uur in de Zodiac en daarna dook Pepito samen met Marco. De grot onder hen en de nabijheid van de Cubaanse kust dwong de drie achterblijvers in de Zodiac hun conversatie te beperken tot een paar korte, gefluisterde opmerkingen. De zee klotste tegen de rubberen romp. Ze roken de kust en hoorden zo nu en dan een auto of vrachtwagen over de kustweg rijden, en het zachte ploffen van een ééncilinder dieselmotor die een vissersboot naar de rand van het rif duwde. Zo nu en dan, als de lichtbundel van een van de vuurtorens over hen heen maaide, kon Trent zien hoe de luchtbellen aan de oppervlakte uit elkaar spatten. Op het moment dat ze door het wateroppervlak braken, waren ze zilverkleurig en Trent moest aan het goud denken. Hij zou graag iets tegen Auria gezegd hebben, iets dat haar angst en woede zou verminderen, de woede die ze op hem gericht had. Misschien zou hij haar kunnen zeggen dat hij het begreep. Maar nu ze daadwerkelijk het goud aan het bergen waren, was hij minder zeker van een goede afloop dan toen hij bij Rogerton-Smithe op bezoek was, en hij herinnerde zich dat Rogerton-Smithe de spot met hem had gedreven omdat hij zich een oordeel aanmatigde dat alleen God kon vellen. Marco verscheen aan de oppervlakte en Trent hees zijn uitrusting de boot in. Terwijl hij schrijlings op de romp zat, pakte Trent een luchtfles aan van Pepito, hield hem een ogenblik omhoog zodat hij hem goed kon zien, en liet hem toen weer in zee vallen. Het was de luchtfles die Trent in de machinekamer had laten liggen. Ze doken nu met zijn vieren, zodat Rik alleen achterbleef in de Zodiac. Trent en Marco zwommen met twee verzwaarde plunje- zakken naar de Beau Belle terwijl Pepito en Auria bij de rand van de grot bleven wachten met nog twee zakken die aan lijnen naar de boot waren vastgemaakt. Trent laadde de staven in de plunje- zakken en Marco duwde ze door het gat in de romp naar buiten en seinde naar Pepito of Auria dat ze ze konden ophijsen naar de rand. Daar laadden ze het goud over in de andere zakken en Rik hees die dan weer naar de oppervlakte. Het werk ging langzaam. Na tien minuten nam Pepito het over van Marco. Na nog eens vijftien minuten zwommen Trent en Pepito naar de rand van de grot en decompresseerden voordat ze naar de oppervlakte zwommen. Trent maakte zijn draagstel los. Pepito pakte zijn luchtfles en loodgordel aan en hees Trent in de Zodiac. Ze gingen op hun hurken zitten en keken elkaar aan. Het goud lag in een keurige stapel in het midden van de geverniste bodemplanken, met aan weerszijden een luchtfles zodat de stapel niet zou gaan schuiven. Eigenlijk zouden ze nu iets hebben moeten vieren. Marco zat naast zijn stiefzuster op de bakboorddrijver terwijl Richard in de boeg zat, zo ver mogelijk van Auria verwijderd. 'Dit kan moeilijk worden. We hebben genoeg brandstof om met de Zodiac naar Lobos Cay te varen,' zei Trent zachtjes tegen Pepito, in het Spaans. 'Als jij iets doet, zijn er altijd problemen. We doen het op jouw manier, companero.' Pepito keek toe terwijl Trent de kralenketting om zijn nek wat verschoof zodat het mes goed verborgen hing tussen zijn schouderbladen, onder zijn lange haar. De tanden van de Mexicaan lichtten wit op toen hij grinnikte: 'En God zij met ons.' Trent startte de grote Mercury. Een ogenblik dacht hij dat Auria iets zou zeggen. Het ogenblik ging voorbij en hij draaide aan de gashendel. Hij bleef net zolang gas geven totdat de afgeladen Zodiac eindelijk zijn boeg uit de zee tilde. Met een duw tegen de helmstok, voer hij in de richting van de twee eilandjes waar de Golden Girl voor anker lag. In vijftien minuten rondde hij de laatste uitloper van de zandbank en voer naar de catamaran. Ze werden plotseling geraakt door een zoeklicht en hij was onmiddellijk blind. Een Amerikaanse stem riep door een luidspreker: 'Handen omhoog allemaal, behalve de man aan de helmstok. Vaar recht op het licht af. Eén vergissing en we schieten het meisje als eerste dood.' Trent kon haar niet aanraken en daarom moest hij het met zijn stem doen. 'Ik weet dat ze je vader bedreigen, maar alles komt goed. Je moet me vertrouwen,' zei hij dringend. 'Misschien komt er een gelegenheid om een scène te maken. Onthoud dat.' Terwijl hij de Zodiac langszij de boot bracht, floepte er bij de salondeuren een tweede zoeklicht aan dat het gehele achterdek bestreek. De stem riep weer: 'Jij daar, dat jongetje in de boeg, gooi eens een lijn op.' 'Hij bedoelt jou, Rik,' zei Trent. Er kwam een touwladder langs de romp van het jacht naar beneden vallen en de stem riep: 'Kom meteen aan boord als wij dat zeggen. Die vent met het lange haar komt als eerste.' Trent klom de ladder op en stond op het achterdek, met zijn ogen gesloten tegen het licht. 'Doe langzaam met je linkerhand je wetsuit uit,' zei de stem. Trent trok de drukknopen tussen zijn benen los en haalde de ritssluiting naar beneden. Hij trok het jack open vanaf de kraag om de kralenketting vooral niet te laten bewegen. In het felle licht moesten zijn littekens er wel indrukwekkend uitzien, want een tweede stem zei: 'Godallemachtig!' Er werd gegrinnikt en een derde stem zei: 'Die vent heeft zichzelf verhuurd als schietschijf.' 'Een geboren verliezer.' 'Altijd nog beter dan een dode verliezer.' Er werd opnieuw gegrinnikt. 'Gooi het pak recht naar voren.' 'Jij bent de Brit, Trent?' 'Correct.' 'Trek je broek uit en schop hem hiernaartoe.' Ze waren voorzichtig, heel voorzichtig, bedacht Trent terwijl hij naakt in de lichtbundel stond. Iemand gooide zijn broek weer terug en hij bukte zich, blind, zocht ernaar met zijn handen en trok hem aan. "Loop nu recht vooruit naar de salon.' Toen hij langs het zoeklicht liep, scheen het licht niet langer in zijn ogen en hij opende ze. De meubilering van de salon was standaard: niets echt lelijk, niets echt mooi, maar allemaal best aardig. Twee banken van twee meter breed en twee luie stoelen die bekleed waren met havermoutkleurige wol stonden in een rechthoek om een langwerpige koffietafel aan het andere eind van de ruimte. In het voorste deel van de kamer, aan bakboordzijde, liep een trap naar beneden. Voor de trap stond een L-vor- mige bank en daar weer voor stond een glanzend gepoetste teakhouten eettafel tegen de muur. De bank en de vier stevige stoelen die aan de andere kant stonden, boden samen plaats aan ruim acht personen; met een beetje duwen aan tien. Een open deur aan stuurboord gaf toegang tot de kombuis, die uitkwam op de stuurhut, waar weer een trap naar het vooronder was. Er waren twee mannen in de salon. De ene zat aan de eettafel, de andere in een van de luie stoelen. De man in de luie stoel hield een jachtgeweer vast; de andere was gewapend met een Colt. De man met de Colt zei: 'Als je wilt zitten, pak dan een handdoek. We willen geen zout op de kussens. En geen spelletjes, want we willen ook geen bloedvlekken.' Trent pakte een handdoek van de stapel op de koffietafel en legde hem op de luie stoel tegenover de man met het jachtgeweer. Languit, alsof hij was uitgeput door het vele duiken, keek hij toe van onder zijn halfgesloten oogleden. Dit waren de zes mannen die hij in de jachthaven al had gezien, en niet meer dan die zes. Auria's tafelgenoot uit het restaurant in Nassau was de leider. De anderen noemden hem Alfredo. Hij was goed gekleed en dat paste niet bij de tijd van de nacht en buitengaats voor anker liggen. Een geelbruine broek, rood overhemd, dure dekschoenen. Als een kant-en-klare outfit uit de New Yorker, bedacht Trent terwijl hij de details in zich opnam: er hing een wollen sweater over zijn schouders, en hij had een flinterdun Patek-Philippe horloge met een gouden armband. Het was allemaal te nieuw en te gladjes. De zes zagen er allemaal hetzelfde uit. Het waren leden van de nieuwe generatie managers. Ze deden aan de lijn en lazen tijdschriften met diëten erin, en gingen 's ochtends joggen voordat ze op de trein naar kantoor stapten. Geen spoor meer van de traditionele boeven met hun knokkels vol littekens, hun gebroken neuzen en zware spieren. Misschien kon je spierballen niet meer van de belasting aftrekken. Maar de gemeenheid was er nog -de slechtheid. Rik was de volgende die de ladder op kwam. Hij was naakt en hij kruiste zijn handen voor zijn geslachtsdelen en de mannen lachten wreed. 'Richard Hewett,' zei Alfredo. ik wou dat we je ouwe heer hier hadden.' Hij gaf Rik opdracht om door te lopen naar de salon, waar de accountant in een hoek ging staan, naast de deuren naar het dek alsof hij nog verder had willen lopen. Trent dacht dat hij niet bang was voor zichzelf, maar voor Auria, en dat zijn behoefte om te begrijpen wat er aan de hand was, hem emotioneel had uitgeput. Hij zou op ieder moment kunnen instorten. Daarna riep Alfredo Marco: 'Jij bent de stiefzoon die zo goed kan varen, hè?' Marco knikte. Hij leek niet bang te zijn en ging in een van de stevige stoelen zitten, in de hoek tegenover die waar Rik stond. 'En nu die grote vent,' zei Alfredo. Pepito struikelde het dek op. Al zijn spieren hingen slap en zijn schouders hingen schuin naar beneden. Hij zag eruit als een zoutzak. Hij stamelde in een nauwelijks verstaanbaar Engels dat hij een duiker was. Hij gebruikte zijn handen om de gaten in zijn woordenschat op te vullen. Hij was een Mexicaan. Hij was gehuurd door de Gringo - hij verontschuldigde zich onmiddellijk voor het gebruik van dat woord. 'No es insulto, senores ,' bezwoer hij hen terwijl zijn enorme handen op en neer flapperden als bladeren in een storm, ik heb heel veel respect, senores. Mucho respecto por los Norteamericanos.' Hij had een vrouw en vier kinderen. Hij gaf aan hoe groot ze al waren. Hij wist nergens van. Er was nog meer goud.' Mucho mós, senores. ' Ze hadden nog niet eens de helft aan de oppervlakte gebracht. 'Af uy profondo... si, diep, senores.' Het was niet zijn fout dat ze de berging niet in één nacht hadden kunnen voltooien. Iedere staaf moest worden opgetild en van de een naar de ander worden doorgegeven. ' Al minimo, cualro per- sonas, senores. Muy lento, el trabajo. ' Op zijn minst vier man. Het werk ging heel langzaam. 'Laat hem in godsnaam zijn kop dichthouden,' zei Alfredo en de lange man gaf Pepito een stomp in zijn maag met de kolf van zijn geweer. Pepito jankte en greep naar zijn maag terwijl hij in elkaar zakte op het dek. Terwijl hij op de grond lag, probeerde hij zijn T-shirt uit te trekken. 'Alstublieft senores, kijk...' Maar Alfredo had geen belangstelling meer. 'Mexicanen!' snauwde hij minachtend. 'Hup, lui, naar de salon en houd je kop dicht.' Pepito kroop langs de mannen op het dek, knielde bij de drempel van de salon en schudde zijn grote hoofd, verbijsterd door wat hem was overkomen, beschaamd over zijn lafheid. Omdat hij niet in verband gebracht wilde worden met de anderen, strompelde hij naar achteren en maakte, met gevouwen handen - alsof hij aan het bidden was - een onhandige buiging voor de man met de Colt, die op de teakhouten tafel zat.' Con supermiso, senor...' smeekte hij en ging op het uiterste randje van de L-vormige bank zitten, als een schoolkind dat zit te wachten tot de meester hem komt uitschelden. 'Oké, kom maar naar boven en trek je wetsuit uit.' Ze stond in haar zwempak, met haar onderarm voor haar ogen. Het licht maakte het dunne materiaal doorschijnend. 'Nou, die heeft in ieder geval geen pistool bij zich,' zei de blonde machinist en Alfredo lachte met de anderen mee. 'Zij hoort bij ons. Tóch, Auria?' Alfredo legde zijn hand op haar billen en kneedde erin alsof hij in een tweedehandswinkel een kussen voor zijn hond aan het kopen was. 'Dus waarom heb je ons niet gebeld toen jullie in de jachthaven lagen? Dat hadden we toch afgesproken?' vroeg hij genietend. Hij wilde dat Trent en Richard en Marco zouden beseffen dat ze hen had verraden. 'Pak een stoel. Dan kun je kijken hoe we het goud naar boven hijsen.' 'Mooi,' zei Alfredo terwijl hij de staven inspecteerde die nu op een stapel op het tapijt van de salon lagen. De drie mannen die hem hadden geholpen met het overladen van het goud uit de Zodiac, waren naar hun kooien in het vooronder gegaan en hadden de twee man in de salon achtergelaten als wachtposten. 'Als we morgen gaan duiken, moet ik nu kunnen slapen,' zei Trent. 'En ik moet een paar dingen van boord halen.' 'Geef een van de jongens maar een lijstje. Als je denkt aan die twee geweren onder de bank in de salon, die hebben we al hier aan boord gehaald. We spelen dit spel al heel wat langer dan jij.' De man met het geweer, die recht tegenover Trent zat, moest lachen. Het leek wel alsof Alfredo iets grappigs had gezegd. Alfredo wenkte naar Auria. 'Ga je mee naar beneden?' Waarschijnlijk wilde hij niet eens met haar naar bed, maar het ging hem om de macht. Hij wilde laten zien dat hij macht had. 'Auria!' riep Rik. Hij deed twee stappen naar voren voordat Alfredo hem met gestrekte arm een klap in zijn gezicht gaf. De klap was perfect getimed en Richard viel op zijn knieën. Alfredo schopte hem in zijn maag. Marco had zich niet bewogen. Alfredo greep Auria in haar nek en kneep hard terwijl hij haar door de salon duwde. Ze liep mee als een geslagen hond. 'Veel plezier, teef,' zei Trent. 'We krijgen je nog wel...' Twee, dacht Trent terwijl hij van de man met het geweer naar de man met de Colt keek. 'Teef,' herhaalde hij, en terwijl Pepito hem een zijdelingse blik gaf, rekte hij zich uit en zakte met zijn handen onder zijn hoofd weer onderuit in zijn luie stoel. Van achter zijn halfgesloten oogleden maakte Trent een inschatting van de afstand tussen hem en de man met het geweer. Pepito leek in slaap te zijn gevallen, maar hij was een klein beetje gaan verzitten op de bank. Niet veel, maar misschien wel genoeg - het was makkelijk om zijn bereik te onderschatten. En hij zag er niet snel uit. Voor zover als de mafiosi wisten, was hij alleen maar een duiker, een beetje stom maar waarschijnlijk goed in zijn vak, voor een Mex. De timing moest precies goed zijn en Auria moest zich wel herinneren wat hij gezegd had. Voel de boot aan, waarschuwde Trent zichzelf. Voel hoe hij beweegt, hoe hij op de lichte deining heen en weer gaat. Hij keek neer op Richard. 'Leuk hoertje heb jij uitgekozen.' Hij grijnsde minachtend toen Richard zichzelf dwong om overeind te komen en op handen en voeten op hem af kwam kruipen. 'Jankerige kleine klerk,' zei Trent terwijl het jacht met de volgende golf mee omhoog deinde. Hij voelde het nu, de manier waarop het schip bewoog, de lichte pauze boven aan iedere golf, en dan de duik naar bakboord. Auria gilde en ze hoorden een klap. Richard schreeuwde: 'Auria!' en stak zijn hoofd omhoog. De man met het geweer keek omlaag en terwijl het jacht met de volgende golf mee omhoog ging, schopte hij de jongen in zijn gezicht. De man met de Colt lachte terwijl Richard met zijn gebalde vuisten op het kleed sloeg en de man met het geweer gaf hem opnieuw een schop. Dit was het moment van aarzeling op het hoogste punt van de golf en Trents rechterarm maaide naar voren en wees recht naar de man met het geweer. De man liet het geweer vallen en probeerde met zijn handen bij het heft van Trents mes te komen, dat vijf centimeter uit zijn keel stak. Terwijl hij zich omdraaide, hoorde Trent iets breken en hij zag hoe Pepito de man met de Colt op het kleed neerlegde. Zijn hoofd maakte een vreemde hoek met zijn lichaam. Auria schreeuwde opnieuw. Trent haalde zijn mes terug en liep op blote voeten de trap af. Auria's derde schreeuw wees hem welke van de twee deuren hij moest hebben en hij draaide aan de deurknop. Alfredo stond hem aan te kijken vanuit de andere kant van de hut. De mafioso had zijn broeksriem om Auria's keel gewonden. Ze knielde aan zijn voeten, met haar rug naar de muur, en ze werd bijna gewurgd toen Alfredo haar optilde om haar als schild te gebruiken. Alfredo greep onder het kussen op zijn kooi naar een pistool en vuurde over Auria's schouder terwijl Trent een duik maakte. Trents schouder duwde Auria opzij. Op het moment dat Alfredo opnieuw vuurde, sloeg hij met zijn linkerhand het pistool tegen de muur en de zijkant van zijn rechterhand ramde tegen Alfredo's neus. Door de kracht schoot het neusbeen omhoog, zijn hersenen in. Trent rolde van de kooi en tilde Auria overeind. Boven hen klonken schoten en hij greep Alfredo's pistool. Terwijl hij dubbelgebogen de trap opsprintte, klonken er in de stuurhut twee geweerschoten. Trent rende zonder naar Rik en Marco te kijken de salon door. Zijn zicht op de voorste trap werd geblokkeerd door de grote Mexicaan. De stuurhut was voor hem aan de lage kant en hij leunde dubbelgebogen tegen de wand terwijl hij patronen in het magazijn van het geweer duwde dat hij van de mafioso in de salon had afgepakt. Hij keek om naar Trent en zei: 'Toen ze de schoten aan jouw kant hoorden, kwamen ze allemaal uit hun hut rennen.' 'Allemaal?' 'Si, companero.' 'Gracias .' Trent liep terug naar de salon terwijl Auria de trap op kwam. Ze had een laken samengebonden boven haar borsten. Alfredo's riem had een rode striem in haar nek achtergelaten en er zaten ook striemen op de plekken waar hij haar in het gezicht had geslagen. Ze balanceerde als een bokser boven aan de trap, haar voeten in een hoek ten opzichte van elkaar en vijftig centimeter uit elkaar. 'Alles goed?' vroeg Trent. Ze knikte en hij keek naar Richard die zwaar gebutst in een van de luie stoelen zat. Zijn gezicht was donker van de blauwe plekken en zijn rechterwenkbrauw zat vol met gestold bloed. Trent zei: 'Prima werk, van jullie allebei. We kunnen het goud maar beter weer naar de Golden Girl brengen.' Ze stouwden de staven in de bergkasten aan bakboord en stuurboord van de stuurhut en lieten er twee achter op het jacht. Trent legde de twee geweren weer onder de bank in de salon. Hij liet het aan Marco over om de duikspullen weer in de Zodiac te leggen en ging weer aan boord van het motorjacht. Pepito kwam achter hem aan. In de tropische hitte stonk het jacht nu al als een slachthuis. Trent had bewijs nodig voor de maffia. Bewijs dat het goud in hun handen was geweest en dat het verlies ervan daarom hun eigen verantwoordelijkheid was; Auria en haar vader hadden gedaan wat ze konden en hen trof daarom geen blaam. De goudstaven waren de sleutel tot het scenario. De mannen hadden met elkaar gevochten. Wie het gevecht begonnen was, deed niet ter zake. Waar het om ging, was dat ze dood waren en dat een van hen nog over voldoende kracht had beschikt om de automatische piloot in te stellen. 'We zullen een van de mannen die je hebt neergeschoten naar de stuurhut slepen,' zei hij. Pepito, de politieman, zei: 'Geen bloed.' 'Veeg wat op met een handdoek,' zei Trent. 'We hangen hem over het stuurwiel met een handdoek om zijn middel gewikkeld. Het zal lijken alsof hij vanuit zijn cabine hier naartoe is gekropen. We geven het geweer terug aan die vent met de gebroken nek in de salon en we gooien hem achteruit de trap naar het vooronder af. Hij heeft de twee neergeschoten die nog in het vooronder zaten. Jammer dat hij toen struikelde.' Pepito knikte naar de man die Trent met zijn mes in de keel had geraakt. Het mes was Trents handelsmerk en te veel mensen wisten dat. 'Schiet een kogel door de steekwond. Het bloed is er al,' zei Trent. 'Alfredo kunnen we wel laten waar hij is.' 'Denk je dat ze erin zullen trappen?' 'Wie kan het wat schelen? Zes mafiosi? Jij bent toch de agent van ons tweeën?' 'Ik zou in ieder geval geïnteresseerd zijn,' zei Pepito. ik zou het als een schaakprobleem zien, dat ik probeerde op te lossen. Maar je hebt gelijk. Zes mafiosi - ik zou het niet heel erg vinden dat ze dood waren. Wat ik zou doen zou afhangen van de druk van bovenaf. De maffia heeft invloed, dus die druk zou best zwaar kunnen zijn. Waar sturen we de boot naartoe?' 'Cuba.' Pepito keek naar de kust terwijl hij een politieke inschatting probeerde te maken, het soort inschatting dat zo'n essentieel onderdeel vormde van al het politiewerk in Latijns Amerika en het Caribische gebied. De maffia had Cuba uitgebuit, was dikke maatjes geweest met de dictatuur van Batista en was tot op heden een gezworen vijand van de Revolutie. in Cuba lukt dit je wel,' zei Pepito. 'We kunnen het jacht maar beter een paar kilometer dichter bij het rif brengen voordat we het erop af sturen.' Estoban belde Roddy kort na zonsopgang. Er was een motorjacht op de noordkust gestrand en Roddy reed ernaartoe om hem op het wrak te ontmoeten. De bodem van het jacht was opengescheurd op het koraal dicht voor de kust en lag. nu het eb was, in water van maar enkele centimeters diep. De kustwacht had een paar lijnen aan de boeg vastgemaakt en de mannen wachtten nu totdat de vloed hen zou helpen om het jacht verder uit zee te trekken. Op dit moment waren Estoban en Roddy alleen aan boord, samen met de lijken en de vliegen. Zoals altijd droeg Estoban een bruin pak en hield hij zijn handen in zijn zakken, niet omdat hij bang was om vingerafdrukken uit te wissen, maar omdat de hele zaak hem geen bal kon schelen. Hij liet zijn minachting voor wat ze hadden gevonden nadrukkelijk blijken door met zijn voet naar het bewijsmateriaal te wijzen. 'Groot jacht, dure kleren, geweren, wat denk jij, Roddy? Dat ze elkaar hebben afgemaakt vanwege een paar kilo goud?' 'Dat zullen we nooit weten,' zei Roddy. 'We weten wel dat het tuig was.' Estoban klauterde langs de romp van het jacht omlaag en liep daarna over het zand omhoog naar zijn Lada. Roddy liep achter hem aan. Die doden waren weer het werk van de Brit en dat de Brit een einde had gemaakt aan de poging van de maffia om het goud terug te stelen dat ze aan Roddy's vader hadden betaald, stemde hem eerder ongemakkelijk dan dankbaar. Roddy herinnerde zich dat hij het heel erg slim van zichzelf had gevonden om Trent in te zetten voor het lokaliseren van de Beau Belle. De Russen en de Amerikanen hadden het heel slim van zichzelf gevonden om kernwapens uit te vinden, bedacht hij, en een ogenblik lang glimlachte hij, maar toen herinnerde hij zich dat het Estoban was geweest die hem Trents dossier had gegeven. Er was geen enkele organisatorische reden voor Estoban om hem het jacht te laten inspecteren en Estobans eigen aanwezigheid was al helemaal nergens voor nodig. De schipbreuk en de moorden vielen onder jurisdictie van de kustwacht en de politie. Zijn gedachten zorgden ervoor dat hij zich heel slecht op zijn gemak voelde terwijl hij keek hoe Estoban moeizaam achter het stuur van zijn wagen schoof.