Goudkoorts

1

 

Het tweeëntwintig meter lange motorzeiljacht Beau Belle was ontworpen door Charles Nicholson en in 1931 gebouwd op de scheepswerf van McGruer aan de Clyde. De huid was van teakhout en voor de spanten was eikenhout gebruikt. Met zijn klipperboeg en langgewelfde achtersteven was het schip duidelijk gebouwd in een tijd waarin bemanningsleden zo ruim beschikbaar waren, en zo slecht betaald werden, dat de bouwers bij het maken van een elegant ontwerp geen rekening hoefden te houden met zoiets prozaïsch als onderhoudskosten. De laatste keer dat de Beau Belle te koop werd aangeboden, hadden de makelaars haar omschreven als een klassiek jacht voor gentlemen - in de hoop daarmee de enorme bedragen die nodig waren om het schip in de vaart te houden, wat aanvaardbaarder te maken. De man die haar kocht, de huidige eigenaar, was een verzekeraar bij Lloyd's en kon misschien wel beschouwd worden als een gentleman - tot zijn recente en hoogst noodzakelijke verhuizing van Londen naar de Bahama-eilanden, waar de Bahamaanse wetten een verzoek om uitlevering zo kostbaar en langdurig maakten dat de afdeling Ernstige Fraude van de Londense politie er niet eens aan begon. En ook de Beau Belle zelf - die nu langzaam en voorzichtig het diepe Old Bahama Channel opvoer, de zeestraat die de enorme koraalriffen van de Great Bahama Bank scheidt van de noordkust van Cuba - werd tegenwoordig niet meer voor gentlemanachtige doeleinden gebruikt. Hoewel ze kitsgetuigd was, werd de Beau Belle op dit moment voornamelijk voortbewogen door een enorme Gardner-dieselmotor die precies in het midden van de machinekamer stond. In verhouding tot de rest van het jacht nam die veel ruimte in beslag. De machinekamer was zo goed voorzien van alle noodzakelijke uitrusting en zo netjes en overzichtelijk ingericht, dat het duidelijk was dat haar oorspronkelijke eigenaar in weerwil van zijn drang naar elegante lijnen toch ook respect en begrip voor scheepsmotoren had gehad, een typisch Schotse eigenschap. De Gardner was net zo oud als de Beau Belle. Hij was met de hand gemaakt, niet lawaaierig en zo perfect uitgebalanceerd en trillingsvrij dat een ouderwetse, achthoekige threepenny-munt boven op het metalen omhulsel kon blijven staan bij zijn kruissnelheid van 850 toeren per minuut. Bij kalm weer gaven die 850 toeren de Beau Belle een snelheid van 8,2 zeemijlen per uur. Bill Hewett, de schipper van de Beau Belle, had al twee ladingen dynamiet met kwikdetonatoren geplaatst: tegen de romp van de machinekamer, ongeveer twee meter van elkaar en dertig centimeter onder de waterlijn. Hij hoefde alleen nog maar de ladingen te verbinden met de accumulatorenbatterij naast de hulpgenerator. Toen de schipper voor het eerst met explosieven had gewerkt, tijdens zijn diensttijd bij de Royal Navy, was hij nog jong en dat had voor stalen zenuwen en een geloof in zijn eigen onkwetsbaarheid gezorgd. Nu was hij achtenvijftig jaar oud en terwijl hij op zijn knieën bij de generator zat om de blote uiteinden van de draden aan de polen van de batterij vast te plakken, kon hij er niet omheen dat zijn vingers trilden. De grote koperen thermometer aan de wand bij de trap naar boven stond tussen de veertig en vijftig graden. Hij zweette als een otter en voordat hij het tweede paar draden vastplakte, veegde hij eerst met een katoenen poetsdoek zijn handen en gezicht droog en maakte daarna zorgvuldig de lenzen van zijn leesbril schoon. De draden waren om de koperen trapleuning gewikkeld, liepen naar de stuurhut en waren daar bevestigd aan een massief koperen belknop die hij tussen de reserveonderdelen in de machinekamer had gevonden. Toen hij klaar was, borg Hewett zijn bril weg in een metalen brillenkoker en veegde opnieuw zijn gezicht en handen droog. Hij had meer dan dertig jaar lang de kost verdiend als schipper op luxe- jachten en onder normale omstandigheden zou hij eerst de olie van de zolen van zijn dekschoenen hebben geveegd voordat hij weer naar de stuurhut ging. Maar nu deed het er niet meer toe of de tapijten of het dek vies werden. In minder dan twee uur zou de Beau Belle op de zeebodem liggen en zou hij nooit meer hoeven te werken. Hij deed de lampen in de machinekamer uit voordat hij de deur boven aan de trap opende. Aan stuurboord stonden de ramen open en de koele regenlucht die door de snelheid waarmee het jacht voer, naar binnen kwam waaien, maakte het prettig om de verduisterde stuurhut binnen te stappen. Uit pure routine controleerde hij de koers. Ver weg, over de stuurboordzijde van de boeg, zag hij de lichtbundel van de vuurtoren van Lobos Cay, die de rand van de Great Bahamas Bank aangaf; achter hem flikkerde de vuurtoren van Punta Maternillos. Twee andere vuurtorens zouden de Cubaanse kust hebben moeten markeren, maar die waren kapot of niet zichtbaar door de regen. 'Hé, hoe ging het Bill?' vroeg de jongeman die aan het stuur stond, opgewekt. Hij was bijna 1,90 meter lang, soepel en gespierd. Hij stond wijdbeens aan het roer en terwijl het jacht heftig heen en weer bewoog, hield hij zichzelf in evenwicht op een manier die langdurige oefening verried. Zijn lange haar golfde over zijn schouders en zijn gelaatstrekken gingen schuil achter een volle baard, maar hij was jong, in ieder geval een heel stuk jonger dan de schipper, en naar zijn accent te oordelen kwam hij uit Noord-Amerika. Hij glimlachte tegen Hewett, ontspannen en zorgeloos. Hij was een onvermoeibare schouderklopper, een feestvarken. Zijn vaste manier om mensen te begroeten, zowel vrouwen als mannen, was een hartelijke omhelzing. Op feestjes was hij de gangmaker, als mensen spontaan besloten om naar het strand te gaan voor een barbecue, dan was hij de man die alles wel even regelde. Maar hij was intelligent, heel intelligent. 'Prima,' begon de schipper, en omdat hij merkte dat zijn keel kurkdroog was, liet hij het daar maar bij. Hij pakte zijn verrekijker van de haak, stapte op het dek en controleerde de stand van de zeilen: de fok, het grootzeil en de bezaan. Ze zaten dicht bij het Cubaanse rif en ver buiten de scheepvaartroutes, en dus zag hij, terwijl hij met zijn verrekijker de horizon bestreek, maar een paar navigatielichten, die zwak en ver verwijderd waren. Hij had de tocht zo gepland dat ze de zeestraat op konden varen in een maanloze nacht, en het dikke wolkendek en de regen waren een onverwacht extraatje, net als de betrekkelijk kalme deining. Met haar zeilen gestreken en haar lichten uit zou de Beau Belle nauwelijks zichtbaar zijn. Hewett had een zak-GPS om zijn nek, en een waterdichte zak met de sleutel van de safe in de kajuit van de eigenaar, travellers cheques ter waarde van bijna 6000 US-dollars en een Australisch paspoort op de naam van William Green. De GPS was afgestemd op zeven verschillende satellieten en gaf de positie van de Beau Belle aan tot op vijfendertig meter. Hewett hoefde de coördinaten niet uit te zetten op de kaart. Hij had ieder detail van deze nacht zorgvuldig gepland en zijn plannen wel honderd keer nagelopen. Hij liep naar voren en klopte op het luik naar het vooronder. 'Kom op jongens, wakker worden en aan dek! We moeten de zeilen binnenhalen.' Twee jonge Nieuwzeelanders klommen slaperig door het luik naar buiten. Het Waren prettige jongens. Ze hadden een opgeruimd karakter en deden zonder zeuren wat hun gevraagd werd: wereldreizigers. Hewett had ze aangetroffen op het strand van Noord-Afrika en ze in dienst genomen voor deze ene reis. 'Sorry,' zei hij, 'maar we kunnen het beter nu doen, nu het nog gemakkelijk is. Het weerbericht zegt dat er rukwinden op komst zijn.' Hewett nam het roer over, liet de motor wat langzamer draaien en loefde op zodat de Beau Belle in de wind kwam te liggen en de druk van de zeilen afging. De Nieuwzeelanders waren om middernacht uit de wacht gekomen en moesten om zes uur weer op. Meteen nadat de zeilen waren opgeborgen, kropen ze daarom weer in hun kooi. De jonge Amerikaan kwam terug naar de stuurhut. Hewett schakelde de navigatielampen uit, gaf gas zodat de Gardner weer op 850 toeren kwam en stuurde de Beau Belle voorzichtig naar de Cubaanse kust. Het kompas lichtte op in het duister, maar verder was er geen licht. Er was niets te horen - alleen het water dat wegspatte als de boeg van de Beau Belle naar beneden dook, het zachte kraken van het houtwerk en het zoemen van de twee sneldraaiende glazen schijven die de regen van de voorramen afslingerden. Terwijl de jonge Amerikaan vlak achter hem stond, slikte Hewett om weer wat vocht in zijn mond te krijgen en likte met zijn tong langs zijn lippen: 'Het duurt nu niet lang meer. Zorg dat de Zodiac en de sloep klaar zijn.' 'Hee kom op, Billy, relax man,' adviseerde de Amerikaan terwijl hij een arm om Bill heen sloeg en even zijn spieren aantrok. Zijn zachte grinnik werkte de toch al gespannen Hewett zwaar op de zenuwen. De Amerikaan liep blootsvoets en dus bijna geluidloos. Toen de jongeman snel het duister in glipte, hoorde Hewett alleen maar het klikken van het koperen deurslot. Terwijl ze beetje bij beetje naar het rif toe voeren, merkte Hewett een kleine verandering in de golfslag en toen hij door de voorruit tuurde zag hij de lange, donkere gestalte van de Amerikaan over de 4,20 meter lange zeilsloep gebogen. De sloep was stevig vastgesjord op zijn teakhouten onderstel op het dek voor de stuurhut. De Amerikaan ging naar de boeg en hurkte kort neer bij het luik van het vooronder. 'Die slapen de slaap der rechtvaardigen,' zei hij tegen Hewett toen hij weer terug was in de stuurhut. 'Deze regen is geweldig, maar ik wil nu wel een handdoek hebben.' Hij liep snel de trap af naar de twee gastenhutten en de bemanningsverblijven. Hewett checkte hun positie op de GPS en stuurde de Beau Belle in een koers recht naar de Cubaanse kust. Haar boeg kwam omhoog in de branding voor het rif, en toen waren ze erdoorheen en in kalmer water en Hewett stuurde het jacht met een ruime bocht weer op een koers langs de kustlijn. Nog anderhalf uur te gaan en hoewel hij geen zware roker was, zocht hij nu op de plank bij de kaartentafel naar het blik waar zijn sigaretten en lucifers in zaten. Hij streek een lucifer aan en zag de Amerikaan aan de voet van de trap staan, met een handdoek om zijn hoofd geslagen. Toen hij de horizontale koperen stang boven de trap vastgreep, werd het T-shirt van de Amerikaan omhoog getrokken over zijn gespierde maag en in het ogenblik voordat de lucifer uitging, zag Hewett de doffe glans van een pistool dat achter zijn broeksband gestoken was. Met een snelle contractie van zijn spieren slingerde de Amerikaan zich zonder merkbare inspanning naar boven en kwam groot en vriendelijk naast Hewett staan. De handdoek was als een monnikskap om zijn hoofd geslagen en wierp een schaduw die zijn gelaatstrekken onzichtbaar maakte. Hewett voelde een golf van angst over zich heen spoelen en vervloekte zichzelf nu het te laat was, en voor de eerste keer sinds de Amerikaan hem zijn plan had onthuld. Hij vervloekte zichzelf omdat hij zo goedgelovig had vertrouwd op de gladde praatjes van de Amerikaan, dat ze vrienden en compagnons waren, dat ze de beloning samen zouden delen en dat het bewijs van hun stunt diep onder de Cubaanse wateren begraven zou worden - waar niemand ooit zou gaan zoeken, zodat Castro's communisten de schuld zouden krijgen. 'Denk eens aan de krantenkoppen,' had de Amerikaan gezegd: ' "Brits jacht tot zinken gebracht door Cubaans vuur". Vertrouw maar op het jonge genie, Billy, ouwe reus. Je wordt rijk. En geen problemen.' 'Jezus, wat ben jij gespannen,' zei de Amerikaan nu verwijtend terwijl hij met zijn sterke handen Hewetts schouders masseerde. 'Tijd om met pensioen te gaan, ouwe reus. Een leuk huis aan het meer in Guatemala, en een paar leuke tienermeisjes om je 's nachts warm te houden.'De Amerikaan mocht het vooral niet weten, dacht Hewett, mocht vooral niet weten dat hij het pistool had gezien. Hij voelde een misselijke leegte in zijn maag en de spieren achter in zijn dijbenen trilden terwijl hij vocht om zijn stem te beheersen en kalm te klinken. 'De sleutel van de safe ligt in de machinekamer. Neem even het roer over.' Hewett deed een stap naar achteren zodat de Amerikaan geen kans kreeg om tegen te spreken. Met één hand al op de deur naar de machinekamer, aarzelde Hewett. Hij was bang dat de Amerikaan zijn paniek zou opmerken. Hij moest zijn verstand gebruiken, hij had tijd nodig om na te denken en plannen te maken, maar als hij meer dan een paar minuten benedendeks bleef, zou de Amerikaan de motor afzetten en achter hem aan komen. Alsof hij plotseling een inval had gehad, liet Hewett de deurklink los en checkte hun positie op de GPS. 'We varen tegen de een of andere stroming in. Het gaat een uur langer duren, misschien anderhalf uur,' zei hij kalm, hoewel zijn mond kurkdroog was. Hij keek op en zag dat de Amerikaan zich half van het stuurwiel afgekeerd had en naar hem stond te kijken. Onder de schaduw van de kap was zijn gezicht nog steeds onzichtbaar. Met het zesde zintuig dat hij ontwikkeld had in zijn vele jaren op zee, keek Hewett snel over de schouder van de Amerikaan en zag de hoge donkere boeg van een vissersboot opdoemen uit de duisternis - zonder boordlichten, met aan weerszijden van haar boeg een schuimende waternevel. Hewett schreeuwde een waarschuwing en de Amerikaan gaf vloekend een slinger aan het stuur wiel. De Beau Belle maakte slagzij naar stuurboord toen de boeg van de trawler zich in haar boorde. De boeggolf deed de Beau Belle nog verder kapseizen, aan stuurboord lag haar dek nu al onder water en de zeilsloep schoot van zijn onderstel af en brak door de geverniste reling. Hewett greep het kozijn van de deur beet. Een ogenblik lang wist hij zich vast te houden, toen schoten zijn voeten onder hem uit en viel hij het trapgat in. Met zijn armen over zijn hoofd geklemd, smakte hij tegen de wand. Hij sloeg met zijn rechterknie tegen de bovenste traptrede en met zijn schouder botste hij tegen de belknop die hij aan de trapleuning had vastgemaakt. De twee ontploffingen werden door minder dan een seconde gescheiden. De schokgolf knalde door het trapgat naar buiten en smeet Hewett weer de stuurhut in. Terwijl zijn  trommelvliezen scheurden, gilde hij van de pijn.  Toen het zeewater de machinekamer binnen golfde, maakte de Beau Belle nog verder slagzij. Alle ramen in de stuurhut knapten. Terwijl het dek bijna verticaal stond, dook de Amerikaan er af en zwom snel naar de zeilsloep, die met zijn boeg al onder water getrokken dreigde te worden omdat hij nog steeds met een lijn vastzat aan het zinkende jacht. Met een haal van zijn mes sneed hij de lijn door. Terwijl hij zich over het dolboord heen werkte, hoorde hij het wanhopige geschreeuw van de Nieuwzeelanders en het gedreun van hun schouders, waarmee ze tegen het luik van het vooronder aan beukten. Luitenant Rodrigo de Sanchez van de Cubaanse Marine Inlichtingendienst neuriede tevreden in zichzelf terwijl hij met de motor uit in zijn zachtblauwe vijftiger-jaren MG de bergweg afreed, naar de zee die zich als een grote schitterende vlakte uitstrekte tot aan de horizon. Hij reed met de kap naar beneden en had zijn zonnebril op tegen de ochtendzon. Hij was slank en had een mager gezicht, zijn ogen waren donkerbruin en zijn donkere, golvende haar krulde over de boord van zijn sportieve overhemd. De ineenstorting van de Sovjet-Unie en de intensivering van het handelsembargo door de Verenigde Staten hadden Cuba tot een bankroet gebracht. De winkels waren leeg. Roddy de Sanchez had zijn bloedrode Lacoste-overhemd, zijn designer jeans en sportschoenen in Venezuela gekocht. Zijn garderobe en het feit dat hij een eigen auto had, gaven aan dat hij deel uitmaakte van de tweede generatie van de Cubaanse elite. Hij had zijn positie te danken aan zijn vlotte charme, zijn goede figuur en knappe gezicht, zijn strategisch gebruikte seksuele vaardigheden, zijn goede maar niet briljante verstand, en aan zijn vader, admiraal Antonio Maria de Sanchez, de commandant van Cuba's Noordsector. Met de motor uit de berg afrijden spaarde genoeg benzine om er twee keer van naar de tennisclub te kunnen. Roddy startte de motor van zijn MG weer en reed langs de kustweg. Een schildwacht salueerde, meer beleefd dan enthousiast, terwijl de luitenant door de poort van de kleine marinebasis reed. Roddy parkeerde de MG in de schaduw van een palmboom en pakte een Samsonite-koffertje van achter zijn stoel. Het was eb en de drooggevallen wadden wasemden een zware lucht uit. Terwijl Roddy het parkeerterrein overstak moest hij bijna kokhalzen en hij sloeg boos naar een muskiet. Sinds ze aan het eind van de achttiende eeuw waren gebouwd,waren de gebouwen van de kazerne twee keer per jaar wit gekalkt, maar nu was zelfs witkalk moeilijk te krijgen. De muren waren vlekkerig en de lagere delen zaten onder de modderspatten. Vanuit de kazerne leidde een grote poort naar een exercitieterrein waar de passaatwinden verkoeling boden. Aan één kant van het terrein stonden een paar doelpalen en een stuk of zes matrozen waren zonder veel enthousiasme penalty's aan het oefenen. Een tweede groepje zat lui in de schaduw van de door de wind kromgegroeide palmbomen en keek zonder veel belangstelling toe. Achter de palmbomen lagen de wadden, en een lange houten steiger. In het ondiepe water aan het eind van de steiger lagen een paar achttien meter lange patrouilleboten. Op de boeg van een van de boten zat een matroos te vissen terwijl een stel fregatvogels afwachtend boven hem zweefde. Dankzij het tekort aan benzine en dieselolie werd de stilte niet verstoord door verbrandingsmotoren en toen een kolibrie zijn snavel diep in een rode hibiscus naast de deur van het kantoor van de adjudant duwde, hoorde Roddy het zoemen van zijn vleugels. Roddy dronk samen met de adjudant zwarte koffie voordat hij achter een marinier aan naar de cellen aan de andere kant van de kazerne liep. De marinier schoof een klein luikje open zodat Roddy de gevangen gringo kon inspecteren. De gevangene lag op een smal bed. Hij had een korte broek aan, een standaardonderdeel van de garderobe van de marine, en een T-shirt dat strak om zijn borstkas spande. Hij lag op zijn rug met zijn armen onder zijn hoofd. Hij was voor in de dertig, groot en flink gespierd, zijn haar was lang en blond en hij had een volle baard. Roddy dacht aan de man als de Gringo omdat de sergeant die hem had opgepakt, hem zo had genoemd toen hij over de telefoon zijn verslag uitbracht. Bovendien was het veiliger om de gevangene ook in gedachten niet bij zijn ware naam te noemen. Hij wist dat de man Marco Rocco heette. Roddy en de gevangene hadden elkaar nooit ontmoet maar ze waren deelgenoten in een alliantie die Roddy heel snel voor het vuurpeloton kon doen belanden. Roddy was een goed opgeleide officier van de inlichtingendienst en had veel meer ervaring met spionage dan Marco Rocco. Hij vermoedde dat de cel afgeluisterd werd en daarom haalde hij een cassetterecorder uit zijn koffertje en zette hem aan voordat hij tegen de marinier knikte dat hij de celdeur kon openen. Marco opende zijn ogen, blauw en onschuldig, en grinnikte tegen Roddy op een manier die leek aan te geven dat hij een groot deel van zijn tijd grinnikend doorbracht, en zei: 'Hai, ben jij weer een nieuwe kantoorpik? Of ben jij de man die me kan vertellen wanneer ik naar huis kan?' 'Dat ben ik, ja,' zei Roddy. Hij hield zijn cassetterecorder omhoog om er zeker van te zijn dat Marco hem gezien had en sprak luid en duidelijk zijn rang in, plus de naam van de marinebasis en datum en tijd van de ondervraging: 'Formaliteiten. Ik heb begrepen dat u aan boord van een jacht was?' 'Jullie hebben het tot zinken gebracht,' zei Marco zonder dat hij boos klonk. 'Paf, paf, twee granaten in de machinekamer.' 'Daar komen we nog aan toe,' zei Roddy. 'Geeft u eerst uw naam, nationaliteit, geboorteplaats en geboortedatum.' 'Die zijn nog steeds precies hetzelfde als toen ik op het strand werd gearresteerd, en sinds toen heb ik ze wel honderd keer gegeven. Het is allemaal nog steeds hetzelfde hoor,' zei Marco. Hij had zijn ogen geopend, maar verder had hij sinds Roddy de cel was binnengekomen nog geen vin verroerd. Hij maakte een ontspannen indruk, een man die heel tevreden was met zichzelf, met zijn lange, gebruinde benen, zijn smalle heupen, zijn brede schouders en zijn luie versierdersgrijns.  Onbeschoft, dacht Roddy, en even flitste er een beeld van zijn zuster samen met Marco door zijn geest. Hij voelde een bittere smaak achter in zijn mond, maar hij kon zijn gevoelens heel goed verbergen en lachte vlot: 'Ja, het is stomvervelend, maar zo werken bureaucratieën nou eenmaal. In de meeste landen is het een stuk erger. In Cuba worden mensen tenminste niet gemarteld, ook al beweert de Miami Herald van wel.' Hij legde de cassetterecorder op de houten tafel aan de voet van het bed en ging zitten terwijl hij rustig doorpraatte. Zijn Amerikaanse Engels was vloeiend en niet overdreven netjes of formeel: 'We zetten uw verklaring op de band zodat een secretaresse hem kan uittypen en in een dossier kan stoppen. Als we eenmaal een dossier hebben, dan kunnen we de handtekening van de admiraal krijgen en daarna kunnen we het doorsturen naar het departement van Immigratie. Daar zet de staatssecretaris zijn handtekening en dan geeft hij het door aan iemand die een sleutel heeft van de kast met stempels. En als er dan een paar stempels op uw dossier staan, wordt u door mij, of iemand in dezelfde functie, naar het vliegveld gereden en daar geven we elkaar dan een hand en u stapt op een vliegtuig naar Cancun in Mexico of op een charter naar Vancouver - het zal ervan afhangen wat er vrij is. En als u dan eenmaal terug bent in de Verenigde Staten, kunt u uw verhaal aan de kranten verkopen: "Castro liet mijn schip zinken. Ik was de gevangene van Castro. In de klauwen van Castro." Alles wat u maar wilt. Ze drukken het wel. En als u niets kunt verzinnen, doen ze het zelf wel.' Hij haalde zijn schouders op om te laten zien dat het hem niet kon schelen wat de Yankees allemaal opschreven. 'We zijn eraan gewend,' zei hij. Hij haalde een schrijfblok uit zijn koffer en legde dat naast de recorder op tafel. Toen keek hij naar Rocco die op het bed lag en zei: 'Kom op, het is in uw eigen belang.' Marco zette zijn voeten op de tegelvloer en rekte zich uit met een diepe geeuw. 'McKinley Wilson,' zei hij. Hij duwde zijn voeten in een paar slippers en stond op. Hij was ontspannen en vriendelijk, en bijna 1,90 meter lang. Hij liep naar de tafel, ging tegenover Roddy zitten en grijnsde breed. 'Zo, hoe noemen ze jou? Roddy?' Zijn grijns werd nog breder, plagerig: 'Ja, jij ziet er wel uit als een Roddy.' 'Goed geraden,' zei Roddy. Als een van zijn mede-officieren de band zou moeten afluisteren, zou die zich afvragen of de Amerikaan dat nou werkelijk geraden had. Het was dom en riskant en hij zou Marco graag een klap gegeven hebben. Hij wilde de cel uit, weg van die vent en zijn gevaarlijke geintjes en zijn arrogante overmoed.  Hij pakte zijn potlood en schreef Marco's naam op - of liever, de naam die Marco hem had opgegeven: McKinley Wilson. Dat was de naam waarop ze voor Marco een vals paspoort hadden kunnen regelen. Roddy zette een dubbele streep onder de naam en liep daarna samen met Marco zorgvuldig alle details van zijn alias door: geboren in Chicago, tweeëndertig jaar oud, ongehuwd, dekknecht op het in Groot-Brittannië geregistreerde jacht Beau Belle. Laatste aanleghaven, Angola. Geplande bestemming, Newport Beach. 'Hoe is het jacht gezonken?' vroeg Roddy, en hij waarschuwde Marco: 'Houd het kort en eenvoudig. De secretaresse die vertalingen uit het Engels uittypt heeft een nieuw vriendje en wil geen overuren maken.'  Marco beschreef hoe de Beau Belle het Old Bahama Channel was opgevaren. Het had geregend en de wind werd steeds sterker en daarom had de schipper de zeilen laten innemen. Hij beschreef hoe de onverlichte trawler vanuit het donker was komen opdoemen en hoe er een paar seconden later plotseling twee ontploffingen hadden geklonken, dicht bij de waterlijn. Marco was door de kracht ervan uit de stuurhut gesmeten. Het jacht was binnen een paar seconden gezonken, maar hij had de zeilsloep gevonden en was erin geslaagd om aan boord te klauteren. Hij had op de bodemplanken gelegen met een brullend geluid in zijn oren, half verdoofd door de twee ontploffingen. Hij dacht dat hij een buitenboordmotor had gehoord, maar hij was er niet zeker van. 'Dat zou dan de schipper geweest zijn,' zei hij, en Roddy knikte. 'Naam?'  'William Hewett, Brits.' Roddy schreef het op, keurig netjes, met hoofdletters. 'Andere bemanningsleden?'  'Twee jongens uit Nieuw-Zeeland die een lift nodig hadden,' zei Marco terwijl zijn schouders langzaam afzakten. Uit bezorgdheid klonk zijn stem plotseling een stuk doffer. 'Aardige jongens. Rugzaktoeristen. Ze waren achter op een vrachtwagen naar Angola gereden, geen visa. Op de dag dat we uitvoeren heeft de schipper ze dus maar meegenomen.' Twee extra getuigen! Ze hadden rekening gehouden met Hewett, hadden hem er zo nauw bij betrokken dat hij geen mond open zou durven doen, maar deze twee onschuldige buitenstaanders konden ze er niet bij hebben. Ze zouden gaan opscheppen over hun grote avontuur en met een beetje pech zouden ze weten aan te geven waar de Beau Belle was gezonken. Dat was het enige dat ertoe deed, de positie van de Beau Belle, maar Roddy beheerste zich. Hij wist dat de uitgetypte tekst van de band nauwkeurig bestudeerd zou worden en dat hij maar beter niet al te geïnteresseerd kon klinken. Dus vroeg hij door over de rugzaktoeristen: 'Laten we hopen dat u werkelijk een buitenboordmotor heeft gehoord en dat ze samen met de schipper zijn weggekomen. Wat waren hun namen, meneer Wilson?' Marco gaf hun namen en Roddy voegde ze toe*aan zijn rapport. Toen keek hij op: 'Wilt u de ontploffingen beschrijven?' Volgens Marco was hij zo verdoofd geweest door de klappen dat hij zich nog maar weinig details kon herinneren, maar hoelang Roddy er ook op doorging, Marco bleef koppig volhouden dat de Beau Belle door granaatvuur tot zinken was gebracht. 'U wilt het niet toegeven, maar wat kan het anders zijn geweest?' zei hij boos. 'Als die twee jongens niet hebben kunnen wegkomen, dan hebben jullie hen vermoord.' 'Waarom zouden we zoiets doen?' 'Hoe moet ik dat weten?' Marco schopte zijn stoel naar achteren en stond boos naar het getraliede raam hoog in de muur te kijken. 'Misschien schoten jullie wel op die vissersboot. Waarschijnlijk een stel tieners die probeerden te ontsnappen uit jullie communistische dictatuur.' 'In internationale wateren? Doe niet zo achterlijk,' zei Roddy. 'Dat soort stunts laten we over aan de Verenigde Staten.' 'Omdat de godverdomde Russen jullie niet meer beschermen, Roddy, daar gaat het om.' Voor een amateur was Marco behoorlijk goed, dacht Roddy. Hij zei: 'We dwalen van het onderwerp af, meneer Wilson. U bent er nogal zeker van dat u beschoten bent. Is dat omdat u een slecht geweten hebt? Bevond u zich in Cubaanse wateren?' Marco keerde zich woedend naar hem toe: 'Christus, waar wil jij naartoe? De schipper deed de navigatie. Ik was alleen maar de roerganger.' 'En ik probeer alleen maar achter de waarheid te komen,' zei Roddy. 'Er worden misschien wel drie mensen vermist. De Britten zullen willen weten wat er met William Hewett is gebeurd - en namens de regering van Nieuw-Zeeland zullen ze ook een verklaring eisen over het verdwijnen van die twee jongens. En de eigenaar van het jacht en zijn verzekeringsmaatschappij zullen wel willen weten wat er met het schip is gebeurd.' Hij haalde een kaart uit zijn koffertje, vouwde hem uit en legde hem op tafel: 'Wat was uw koers?' Marco vertelde het. 'Langs welke oever?' Marco aarzelde en gaf toen bokkig toe dat ze erg dicht bij het rif hadden gezeten. Hij deed alsof hij zijn best deed om zich iets te herinneren: 'Het zicht was slecht, dus de schipper bleef uit de buurt van de vaargeulen. Hij zei iets over een paar kustbakens die hij niet kon zien...' Marco haaide geïrriteerd zijn schouders op en keek Roddy opzettelijk zo argeloos aan dat Roddy kon zien dat hij zich werkelijk niet erg op zijn gemak voelde. 'Het is de waarheid, verdomme. Ik heb niet eens op die godverdomde kaart gekeken. Dat was toch nergens goed voor. De schipper had een van die nieuwe GPS-dingen die tot op vijftien meter nauwkeurig zijn. Hij droeg hem aan een touwtje om zijn nek en om de paar minuten keek hij erop. Als je wilt weten waar de Beau Belle nu is, dan moet je dat aan hem vragen. Als ik het moet gaan raden, dan kan ik er ook best vijftien kilometer naast zitten.' Hoewel hij erg van bonensoep en geroosterd speenvarken hield, was admiraal Antonio Maria de Sanchez, de commandant van Cuba's Noordsector nog steeds slank. Een oplettende kapper haalde tijdig het grijs weg uit zijn haren en snor, zijn nagels waren gemanicuurd, zijn schoenen glanzend gepoetst, zijn uniform was van goede snit en stijf gesteven. Een patriciersneus, donkere ogen en een sensuele mond completeerden het uiterlijk van een man die op een conferentie van hoge NAVO-commandanten of leden van een militaire junta waarschijnlijk meer op zijn plaats was geweest dan tussen de leden van Cuba's revolutionaire elite. Hij keek diep in gedachten verzonken naar een porseleinen beeldje op de schoorsteenmantel in de salon van de villa van de familie De Sanchez in Vedado, al sinds mensenheugenis de meest snobistische wijk van Havana. Kort nadat Castro geland was, was er in deze kamer een familieconferentie gehouden - de admiraal was toen kadet bij de Cubaanse marine. Tijdens die bijeenkomst had de familie besloten dat hij Castro van informatie zou voorzien terwijl zijn broer de dictatuur van Batista zou blijven steunen. Zijn zuster en zwager zouden ondertussen naar Florida emigreren en alle tonijnvissersboten die de familie in bezit had, met zich meenemen. Hun vader zou de vrachtrederij overbrengen naar de Dominicaanse Republiek. Doordat de familie De Sanchez dit soort machtspolitiek altijd had verkozen boven inzet voor een ideologie had ze zich in de loop van Cuba's driehonderd jaar lange en woelige geschiedenis altijd goed weten te handhaven. Ook de admiraal was het tijdens de revolutie voor de wind gegaan. Hij had zijn huidige hoge rang bereikt met behulp van zijn scherpe geest en zijn grote bestuurlijke vaardigheden. Dat kom je onder revolutionairen niet zoveel tegen. Er zat stof aan de binnenkant van de arm van het porseleinen figuurtje, en de admiraal veegde het zorgvuldig schoon met de punt van zijn zakdoek voordat hij zich omdraaide om zijn zoon Roddy aan te kijken, die op de bank zat. 'Het zou handig zijn als we wisten of de schipper heeft kunnen ontkomen.' Roddy haalde zijn schouders op. 'Ik heb je verteld wat de Amerikaan heeft gezegd. Hij denkt dat hij een buitenboordmotor heeft gehoord. ' 'En zou de schipper voldoende brandstof hebben gehad om de zeestraat over te steken?' 'Volgens Rocco had hij tien liter.' Roddy stond nerveus op en liep naar de dubbele, openslaande ramen die uitkeken op het zwembad. Zijn zuster Maria lag met haar gezicht naar beneden op een stretcher naast het zwembad. Ze had het topje van haar bikini uitgedaan en Roddy voelde de zure smaak van haat opborrelen in zijn keel toen hij dacht aan haar en de Amerikaan. Het was zijn vaders schuld, dacht Roddy, maar toen hij over zijn schouder weer naar de admiraal keek, bleef zijn gezicht uitdrukkingsloos. Ook aan zijn stem was niets bijzonders te horen toen hij zei: 'Als Hewett heeft weten te ontkomen, dan is hij naar Zuid-Andros gegaan.' De admiraal knikte om te laten zien dat hij het met hem eens was. Zuid-Andros was het meest zuidelijke van de Bahama-eilanden en lag zeventig kilometer ten zuiden van de Cubaanse kust. De zee was kalm geweest en Hewett had een GPS bij zich gehad dus hoogstwaarschijnlijk had hij het wel gehaald en wist hij tot op dertig meter nauwkeurig waar de Beau Belle zich bevond. En waarschijnlijk wisten de Amerikaanse inlichtingendiensten dat nu ook. 'We hebben iemand nodig die contacten heeft bij de Amerikaanse satellietobservatie,' besloot de admiraal. 'Kijk eens in de archieven, Roddy, en laat Rocco weten dat hij op Andros maar beter heel goed naar Hewett kan gaan zoeken.' Estoban Tur reed op een zwarte politiefiets die gemaakt was in China. Het ding woog vijf keer zoveel als die fantasiefietsen met tien versnellingen waar jonge Amerikanen graag op reden en Estoban zweette hevig terwijl hij langs de lege etalages van het centrum van Havana de heuvel op trapte. Maar de lucht was tenminste schoon. Door de brandstofschaarste moesten de ouderwetse benzineslurpende Buicks en Chevrolets wel in hun garages blijven. Hij reed met een ruime bocht door de poorten van de Cubaanse Marine Inlichtingendienst en zette zijn fiets tegen een acacia naast de trap. Hij had de beste van zijn twee polyester pakken aan, een wit nylon overhemd dat aan de randen een beetje vergeeld was en een gerafelde rode das. Een van zijn nylon sokken was van een andere kleur grijs dan de andere en zijn afgetrapte bruine schoenen kwamen uit Bulgarije. Hij was achter in de dertig, tien kilo te zwaar en zag eruit als een werkloze kantoorbediende. In werkelijkheid was hij al vijf jaar directeur van Bureau Drie van de DGI, de Cubaanse Inlichtingendienst, en hij had banden met iedere linkse guerrillabeweging in Latijns Amerika. De marinier die op wacht stond keek minachtend toe terwijl Estoban de ketting losmaakte waarmee hij een gebutst plastic diplomatenkoffertje had vastgezet op zijn bagagedrager. Met het koffertje tussen zijn knieën trok Estoban de ketting door het achterwiel en legde hem vast om de stam van de boom. Het hangslot was van Russische makelij en Estoban gaf een paar stevige rukken aan de ketting voordat hij de trap op liep. De marinier had net willen gaan zeggen dat hij zijn fiets ergens anders moest neerzetten, maar toen hij Estobans identiteitskaart zag sprong hij met klikkende hielen in de houding. Estoban glimlachte vermoeid: 'Ja, het leven is soms klote, kameraad.' Hij veegde het zweet van zijn gezicht en keek of hij de MG van luitenant Rodrigo de Sanchez zag staan. De sportwagen met de linnen kap stond in de schaduw, tussen een paar Zim-auto's. 'Je hoeft me niet in te schrijven,' zei Estoban tegen de decoratieve receptioniste met make-up uit de dollarwinkel en benen die alleen bestemd waren voor vlagofficieren. Hij liep de lobby door en zag dat er een klein gedrukt briefje op de liftdeur hing. Om elektriciteit te besparen is het gebruik van deze lift alleen toegestaan aan de hogere rangen. Estoban klom de trap op naar Roddy de Sanchez' kantoor op de vijfde verdieping. Het was een ruime kamer; een paar moderne olieverfschilderijen aan de muren, een felgekleurd tapijtje uit Guatemala, een vaas met rozen op het bureau. Het bureau stond tegenover een groot raam met uitzicht over een reeks tegeldaken en daarachter de zee. Een lege bulkcarrier lag buiten de haven voor anker en een kleine trawler voer hortend en stotend om de pier. Roddy was nergens te bekennen en Estoban keek naar de trawler terwijl hij op adem kwam en liep toen weer de trap af naar de archieven, die gehuisvest waren in een bunker twee verdiepingen onder de grond. Bij de stalen deuren controleerde een marinier zijn pasje en Estoban deed een paar stappen naar achteren zodat hij recht onder de tv-camera stond terwijl een tweede marinier in de bunker zijn identiteit nog eens controleerde. De twee mariniers hadden alle- twee een sleutel en moesten die gelijktijdig gebruiken. De bunker werd door archiefkasten opgedeeld in een reeks nauwe gangetjes. Ieder gangetje leidde naar een kleine studie- hoek met een metalen tafel en twee rechte metalen stoelen. De al wat oudere officier van dienst inspecteerde de inhoud van Estobans diplomatenkoffertje en verwees hem toen naar gang E, waar hij werd begroet door de zolen van Roddy's Amerikaanse sportschoenen, die tussen twee stapels gele dossiermappen op het metalen tafelblad lagen. Estoban zei: 'Hallo Roddy, hoe staat het leven voor de bevoorrechte klassen?' Terwijl hij een dossiermap opzij legde, glimlachte Roddy vlot en vriendelijk en veegde een donkere krul van zijn voorhoofd weg. 'Overwerkt en onderbetaald, maar we klagen niet hoor,' zei hij. 'Sommige soorten werk waar ik over heb gehoord...' Estoban schoof met zijn voet een stoel van onder de tafel, zakte erop neer als een halfgevulde zoutzak en veegde met zijn mouw zijn gezicht droog. 'Je bent komen lopen in plaats van met de lift te gaan,' raadde Roddy, die er in zijn sportshirt koel en ontspannen uitzag. 'Principe,' zei Estoban en knikte naar de dossiers. 'Zit er iets bij waar ik in geïnteresseerd zou kunnen zijn?' 'Voornamelijk rapporten van vissers.' Roddy pakte een dossier van de top van de stapel en overhandigde het hem. 'Ik moet een paar namen zien te vinden voor de narcoticamensen van de Verenigde Naties.' 'Onze relaties met de kapitalistische wereld wat verbeteren?' Roddy haalde zijn schouders op: 'Het Centraal Comité wil buitenlandse investeerders aantrekken.' 'Voor je het weet vragen ze al die hoerenlopende miljonairs in Miami of ze terug willen komen - ik heb het niet over jouw familie hoor,' zei Estoban met een vluchtige glimlach terwijl hij Roddy aandachtig aankeek. Estobans vader en grootvader hadden op de suikerrietvelden gewerkt, onder omstandigheden die officieel geen slavernij genoemd mochten worden, maar daar wel op neer kwamen. Toch mocht Estoban Roddy wel, ondanks hun verschillen in achtergrond. Hij pakte een dossier uit zijn diplomatenkoffertje en zei: 'Roddy, ik wil dat je me een dienst bewijst. Dit hier is een echte klootzak. Ik wil een val voor hem uitzetten - of beter nog, hem de Cubaanse wateren binnenlokken.' Estoban spuwde de naam bijna uit terwijl hij het dossier op Roddy's tafel smeet: 'Trent.' Estoban keek toe terwijl Roddy de foto aan de binnenkant van de omslag van het dossier bestudeerde. Het was een foto van een man met een dikke baard die in de stuurhut van een grote catamaran zat. Roddy begon te lezen en Estoban wachtte geduldig. Halverwege de tweede pagina floot Roddy zachtjes voor zich uit en Estoban knikte. 'Een beroepsmoordenaar,' zei hij. Hij sprak zacht en ernstig en keek Roddy recht in zijn ogen terwijl hij de jongeman onder druk zette. Hij moest nu eindelijk zijn dilettantenrol eens opgeven en zich werkelijk gaan inzetten. 'Hij heeft meer dan tien van onze mensen vermoord, Roddy. Echte revolutionairen. Grijp hem voor me. Als je dat doet, dan sta ik heel zwaar bij je in het krijt. Hij zit op het ogenblik op zwart zaad, dus misschien kunnen we hem zo gek krijgen dat hij een vergissing maakt.' Roddy vond het prettiger om over te werken dan om benzine te verspillen in de avondspits en het was acht uur toen hij eindelijk zijn kantoor verliet. Hij had het dossier Trent meer dan tien keer van voren naar achteren doorgelezen. Volgens het dossier was Trent onder een groot aantal verschillende namen gesignaleerd in zulke uiteenlopende landen als Syrië en Argentinië. Het dossier bevatte ook een lange lijst met moordaanslagen die aan Trent werden toegeschreven: Ieren, Duitsers, Arabieren en Latijns-Amerikanen. Toegeschreven, want in de meeste gevallen was er geen enkel bewijs. Daar kwam bij dat de weinige beschrijvingen die ooggetuigen van Trent hadden gegeven, met elkaar in strijd waren, dus óf Trent was iemand die zich bijzonder goed kon vermommen óf het werk van meerdere personen werd toegedicht aan één man. Als hij zijn baard zou afscheren, zou zelfs de foto weinig houvast geven, maar in ieder geval was die catamaran, de Golden Girl , makkelijk te traceren en de valstrik die hij had bedacht was perfect. Voordat hij zijn kantoor verliet, zette Roddy de details nog even op papier. Vanwege het brandstoftekort had hij een nieuwe rijstijl aangeleerd en hij reed langzaam met het verkeer mee, op de rechterbaan van de Malecón, terwijl hij net zo behoedzaam was met remmen als met gas geven. De koele zeewind had de jeugd van Havana naar de boulevard gelokt en terwijl hij langzaam langsreed, had hij alle tijd om de lange reeks elkaar omhelzende stelletjes te bewonderen die tegen het zachte grijs van de muur langs zee duidelijk zichtbaar waren. Roddy had geen politieke overtuiging. Als iemand hem ernaar gevraagd zou hebben, en hij niet bang zou zijn om afgeluisterd te worden, zou hij zeggen dat hij het geluk had gehad om als lid van de elite geboren te worden, en dat de elite in een kapitalistisch systeem meer plezier had van haar bevoorrechte positie dan in Cuba. Maar hoe geprivilegieerd zijn familie ook was, hij was een kind van de revolutie en hij had geleerd om vreugde te scheppen in pleziertjes die eenvoudiger waren dan die waarvan zijn neven en nichten in Miami en de Dominicaanse Republiek konden genieten. Hij wist dat hij in dat opzicht verschilde van zijn vader en zuster, en terwijl hij door de poort reed en de MG naast de officiële Volga van zijn vader in de garage zette, maakte dat besef Hem onrustig. Hij voelde zich heel erg thuis op Cuba. Vanuit de tuin liep hij de studeerkamer van zijn vader binnen. De admiraal zat in zijn hemdsmouwen, met zijn voeten op de leren sofa, een sigaar in zijn mond, en las de Miami Herald van de vorige dag. Admiraal De Sanchez glimlachte tegen zijn zoon en wees met zijn sigaar naar de societypagina: 'De dochter van Tony Ramón is getrouwd met een van de jongens van Garcia.' Roddy wist niet wie Tony Ramón was en die dochter kon hem al helemaal niets schelen. Een ogenblik speelde hij met de gedachte om in één ruk door te lopen, de trap op en naar zijn kamer. Hij kon de Trent-papieren in zijn klerenkast leggen en ze de volgende dag weer meenemen naar kantoor. Maar hoewel zijn aversie tegen de intriges van zijn vader steeds groter werd, was de macht der gewoonte te sterk en hij boog zich naar zijn vader toe om hem op de wang te kussen. De admiraal zag het dossier. 'Wat heb je daar?' 'De man die we nodig hebben,' zei Roddy. 'Trent. Het is een Engelsman.'