Karin Alfredsson

DE VERLOSSING

Karin Alfredsson

Literaire thriller


Uit het Zweeds vertaald door Mariëlle Maaswinkel

Uitgeverij de Rode Kamer


In de Verenigde Staten sterft een opperrechter onder verdachte omstandigheden. Op datzelfde moment bloedt in een greppel in Zambia een veertienjarig meisje dood en krijgen drie activisten in een flat in Stockholm bericht over een naderende ramp. Wat hebben deze drie gebeurtenissen met elkaar te maken? En waarom probeert tegelijkertijd een jonge vrouw in een Amerikaanse bus wanhopig haar verleden te ontvluchten?

Slechts één ding is duidelijk: centraal bij al deze gebeurtenissen staat de Zweedse arts Ellen Elg, die met een duistere opdracht in Afrika verblijft.


Oorspronkelijke titel: 80° från Varmvattnet

Verschenen bij: Ordfront förlag, Stockholm

© Oorspronkelijke tekst: Karin Alfredsson, 2006

© Nederlandse vertaling: Mariëlle Maaswinkel en uitgeverij de Rode Kamer, 2009

Met toestemming van: Bengt Nordin Agency

Eindredactie: Ton Lelieveld

Omslagontwerp: Rolf van Kammen

Lay out: Rough Design, Haarlem

1e druk september 2009

ISBN 978 90 78 124 25 2


www.rodekamer.nl


Het belangrijkste deel van dit verhaal berust op waarheid. Iedere overeenkomst met de werkelijkheid is opzettelijk. 


Chongwe-District, Zambia
31 januari 2004

Beauty is voor haar gevoel net in slaap gevallen als er voorzichtig op de deur wordt geklopt. Zachtjes, nauwelijks hoorbaar, maar Beauty slaapt altijd licht. Het is al de derde nacht dat ze wordt gestoord. Gisternacht hadden ze genoeg aan haar advies, maar waarschijnlijk is het nu echt zover.

Ze trekt een jurk over haar hoofd terwijl ze fluistert – Ik kom!

De deur sluit niet helemaal goed, maar hij gaat ook niet gemakkelijk open. We moeten er nu echt iets aan doen, denkt ze. Die gedachte gaat dagelijks een paar keer door haar hoofd. Ook ’s nachts, want nachtelijke uitstapjes zijn voor haar de normaalste zaak van de wereld. Op de tast zoekt ze de tas met het plastic zeil, de tang en de plastic zakjes, waarna ze de deur precies zo ver openduwt dat het maanlicht niet naar binnen schijnt, want ze wil haar familie niet wakker maken.

Het witte schijnsel van de maan maakt het dorp zwart-wit en de schaduwen lang. Het is stil in de huizen waar ritmisch wordt ademgehaald, hier en daar begeleid door zacht gesnurk. Het maanlicht geeft de struiken een zilveren tint.

Het enige dat de rust verstoort is geschreeuw in de verte. Een mannenstem, zwaar en agressief, en de stem van een vrouw, afwisselend smekend en dan weer vol razernij. Beauty weet dat de vrouw zich inhoudt om de buren niet wakker te maken. Dat is in het dorp een ongeschreven wet en waarschijnlijk overal, denkt Beauty: Schreeuw zacht zodat de buren het niet horen. Op een zekere nacht zal de man zijn vrouw doodslaan en als ze dan nog bij machte is, zal de vrouw denken dat het haar eigen schuld is. Toen Beauty vanmiddag bij Milly thuis was, waren de weeën wel op gang gekomen, maar met lange tussenpozen en nog niet zo krachtig. Terwijl Milly gewoon doorging met het koken van maïspap en zich voorbereidde op het wachten begreep Beauty dat het een onrustige nacht zou kunnen worden. Zo gaat dat. Kinderen komen het liefst ’s nachts ter wereld. Waarom eigenlijk? Om eerst wat te kunnen wennen voor het licht wordt?

De deur piept een beetje en gaat verder open als ze er tegenaan duwt. Haar voorzichtige stappen op de wankele trap maken een rat aan het schrikken, die na een nachtelijk maal in de berg afval het gras in schiet. Beauty’s blote voeten maken een schopbeweging. Ze verdraagt die beesten, zolang ze maar buiten blijven. Ze verwacht Felipe, Milly’s man, in het maanlicht te zien. De laatste weken is Beauty diverse keren thuis geweest bij de familie met wie ze, zonder dat het is uitgesproken, een groeiende onrust deelt. Milly’s vorige bevalling was een uitputtingsslag en het kind, dat nu bijna twee wordt, kan nog niet eens staan. Het is een vrolijk ventje dat honderduit kletst als hij op het platgetrapte grasveld zit, maar als hij zich wil verplaatsen, schuift hij met zijn achterwerk over de grond. Zijn moeder geeft hem een standje en lacht gegeneerd terwijl ze de kleine steentjes van zijn billen veegt en hem een ander versleten broekje aantrekt. In het dorp wordt er sussend over gesproken, iedereen wuift het probleem weg met de woorden: ‘Hij is gewoon wat later’. Maar ondertussen denken ze: Wat als dat ventje nooit zal kunnen lopen? Hoe moet hij zich dan redden? Het liefst denkt Beauty nu helemaal niet aan het jongetje. Stel dat ze een fout heeft gemaakt. Dat het haar schuld is en dat, als ze kundiger en wijzer was geweest, hij misschien betere kansen had gehad?

Beauty’s blik dwaalt onrustig rond. Het maanlicht schijnt fel op de struiken en het pad naar de steenbakkerij, maar Felipe is nergens te bekennen. Het is stil, op een zacht briesje na dat de knoop van de waslijn tegen de boom doet schuren. Er staat een zwerfhond bij het huis, maar honden kloppen niet op de deur. Het geschreeuw van het stel aan de andere kant van het dorp is overgegaan in gesnik. Hopelijk is het voor deze keer weer voorbij en kennelijk heeft de vrouw het opnieuw overleefd.

Verstrooid zet Beauty een omgevallen krukje rechtop en voelt aan de was die nog aan de lijn hangt. De vochtige nachtlucht heeft het drogend effect van de zon gesaboteerd. Ze moet onthouden dat ze de overhemden straks binnenhaalt. Maar wie heeft er geklopt? Er is niemand te zien. Opeens hoort ze iets. Zacht gesnik, afgewisseld door een snelle, heftige ademhaling. Langs de kant van de weg zit een donker meisje op haar hurken. Beauty ziet ogen in het donker oplichten en een lichaam dat schokt van het huilen. Wat doet een jong meisje midden in de nacht buiten?

– Puni? Wat is er gebeurd? Waarom ben je hier? Wat wil je?




Beauty’s blote voeten zakken weg in de grijze klei. Met een geroutineerde beweging schept ze een precieze klodder in de houten vorm (klatsch!), schraapt de overtollige klei er met een houten spatel af (ratsch!) en laat de vorm op de stelling vallen (pang!), waarna de klei tot een baksteen wordt gebakken.

Beauty werkt al vijftien jaar bij de steenbakkerij en hoeft bij haar werk nooit na te denken. Ze runt het bedrijf samen met drie andere vrouwen. Ze werken op basis van stukloon. Eén keer per week komt haar baas langs, die eigenaar is van een aantal kleine steenbakkerijen in de buurt. Hij berekent hun productie, betaalt de lonen en verkoopt de stenen aan dorpsbewoners die ze nodig hebben. Hij krijgt daar altijd een flinke stapel bankbiljetten voor. Soms vraagt Beauty zich af waarom. Welke inspanning levert hij die zij en de andere vrouwen niet zelf zouden kunnen leveren? Hij heeft niet eens voor de houten vormen gezorgd. Die zijn in elkaar getimmerd door Joseph, Beauty’s man.

Het is drukkend warm en volledig windstil. Zelfs de vogels lijken te zijn ingedommeld. Als dit een gewone dag na een lange nachtdienst was geweest, had Beauty misschien moeite gehad haar ogen open te houden, maar nu is dat geen probleem. Ze houdt het smalle paadje dat naar het dorp kronkelt continue in de gaten. In het witgekalkte huis ligt Milly met krachtige weeën terwijl Beauty’s kinderen bij haar waken. Als een bevalling eenmaal goed op gang is gekomen vraagt Beauty de vrouwen meestal naar haar huis te komen. In Beauty’s huis zijn maar twee kamers en in de kleinste kamer zonder raam staat een bed met een bodem van ruw touw waarop een dunne deken ligt. Ze heeft de bedden van haar eigen familie, haar man en zes kinderen, in de grote kamer wat dichter bij elkaar moeten leggen, zodat de vrouw die aan het bevallen is een rustige kamer voor zich alleen heeft. Het plastic zeil, dat met heet water is schoongeboend en altijd netjes opgevouwen in haar tas zit, ligt nu op het bed. Het dorp is uitgestrekt en sommige zwangere vrouwen moeten van ver komen. Als Beauty haar werk bij de steenbakkerij, de verzorging van haar kinderen en het bereiden van de maaltijden wil combineren met haar werk als vroedvrouw, is het een stuk praktischer de vrouwen bij haar in huis te nemen. Bovendien vinden de vrouwen het vaak heerlijk hun huis een poosje te kunnen verlaten. Ze hoeven zich dan niet om het huishouden en hun andere kinderen te bekommeren en zijn even weg bij hun man, die toch nooit met iets helpt.

De enige mannelijke dorpsbewoners die bij bevallingen hun handen uit de mouwen hebben gestoken, zijn Beauty’s man Joseph en haar vader. Zij kunnen water koken, er precies genoeg zout aan toevoegen, zodat scheurtjes en wondjes gemakkelijker kunnen genezen en - als een drastische ingreep noodzakelijk is - helpen de vrouw stil te houden door haar armen stevig vast te pakken. Ze hebben geen last van angst of gêne en worden door de zwangere vrouwen volledig geaccepteerd. Verder is hier geen enkele man welkom. Beauty heeft de taak van dorpsvroedvrouw van haar moeder geërfd. Op tienjarige leeftijd is ze begonnen haar te assisteren en het meeste dat ze weet heeft ze van haar moeder geleerd. Toen haar moeder begon te helpen bij bevallingen waren de adviezen nog eenvoudig en concreet, zoals het gebruiken van gekookt water en schone doeken. Bij iedere bevalling deed Beauty nieuwe ervaringen op en met de tijd ontwikkelde ze zich steeds verder door met anderen te praten en diverse kruiden als medicijn te testen. Beauty’s moeder vocht tegen bijgeloof en geruchten over hekserij. Diverse malen werd ze tot lid van de groep van dorpsoudsten gekozen, wat voor een vrouw zeer ongebruikelijk was. Beauty heeft een deel, maar niet alle status geërfd die haar moeder had. Maar ze is minstens zo overtuigd van het gevaar dat bijgeloof met zich meebrengt. Ziekten hebben een medische oorzaak, ze ontstaan niet door het boze oog of bezwerende uitspraken. Dat heeft ze lang geleden, tijdens een paar gedenkwaardige nachten, geleerd.

Het ergste is dat de nieuwe ziekte, waaraan zo veel mensen sterven, het geloof in hekserij juist heeft aangewakkerd. Ook al heeft ze geen officiële opleiding gevolgd, Beauty heeft al die tijd geweten dat die verhalen niet kloppen, dat de dodelijke infectie op een normale manier wordt verspreid, want heksen bestaan niet!

Toen ze de blanke vrouw ontmoette, die haar uitlegde dat liefde - of veel te vaak geweld - de boosdoener van het verspreiden van de ziekte is, raakte ze direct overtuigd. Maar die boodschap is in het dorp moeilijk over te brengen. Ze moet voorzichtig zijn dat ze haar goede reputatie niet schaadt. Daarom ontmoet ze de blanke dokter het liefst buiten het dorp.

Opeens hoort ze haar zesjarige dochter roepen.

– Mamma! Kom!

Beauty rent. Als ze een stuk afsnijdt via de bosjes en over de greppel springt is ze in een paar minuten thuis. Haar blote voeten vinden gemakkelijk hun weg over het smalle pad, haar rok blijft haken aan een doornstruik, maar ze rukt de stof resoluut los. Een snelle blik de kamer in bevestigt dat het kind gelijk heeft. Het is zover. Milly heeft hulp nodig.

Beauty gooit haar modderige kleren van zich af, waarna ze haar gezicht, armen en handen in het water van de put wast. Het koude water loopt langs haar brede kin omlaag, terwijl ze ook wat water onder haar armen en op haar bezwete borst spat. Ten slotte giet ze een emmer water over haar hoofd, God weet wanneer ze weer tijd zal hebben zich te wassen.

Beauty’s handen zijn schraal en zitten vol kleine wondjes van de ruwe klei, maar het werk in de steenbakkerij brengt één voordeel met zich mee - ze is sterk. Als het nodig is, kunnen haar stevige vingers het meest onwillige kinderlijfje nog naar buiten krijgen. De verschoten rode vroedvrouwjurk is schoon en ligt opgevouwen onder het bed, samen met de andere spullen die ze nodig zal hebben. Ze trekt plastic zakjes over haar gekloofde vingertoppen. Het laatste paar plastic handschoenen, dat ze van de blanke dokter had gekregen, is laatst stukgegaan. Het is lastig de glibberige en uiterst onpraktische plastic zakjes weer te moeten gebruiken, maar ze weet dat ze zich moet beschermen, omdat veel van haar patiënten de ziekte bij zich dragen.

Beauty stuurt haar kinderen de kamer uit, zet water op het open vuur en praat op een kalmerende toon tegen Milly. Maar haar gedachten zijn voordurend bij Puni. Is alles nu in gang gezet? Durft ze iemand bij zich in de buurt te hebben of zal ze zich buiten moeten verstoppen? Hoe bang en eenzaam zal ze zich voelen? Beauty zou willen dat ze bij haar kon zijn, maar dat is natuurlijk uitgesloten.

Bovendien heeft Milly haar hulp nu nodig. Nee, het gaat niet. Wanhopig staart Beauty naar Milly’s gekwelde lichaam. De bevalling duurt al ruim twee dagen en is voor Milly nauwelijks meer vol te houden. Als de kliniek nou maar open was geweest, maar de laatste verpleegster is al lang geleden vertrokken en het ziekenhuis is veel te ver. Noch Milly, noch Beauty hebben geld voor een buskaartje. Als Milly het al naar de grote weg, waar de bus langskomt zou redden. Milly’s ademhaling is schokkerig en haar lichaam glanst van het klamme zweet. En dan is er een arm!

Uit Milly’s baarmoeder steekt een klein armpje. Het kind ligt helemaal verkeerd. Beauty is de tel kwijt hoe vaak ze het kleine lichaampje, via kneden en drukken op Milly’s puntige buik, heeft geprobeerd te draaien. Om het kind eruit te kunnen krijgen zal ze het armpje moeten terugduwen. Het zal niet lang duren of er is nog maar één alternatief dat in elk geval Milly’s leven kan redden - het armpje afzetten. Nooit eerder heeft Beauty voor een moeilijkere keuze gestaan. Hoe doen ze zoiets in het ziekenhuis?

Ze heeft gehoord dat ze de buik van de moeder opensnijden. Met een vlijmscherp mes snijden ze dwars door de huid en alle vliezen daaronder, tillen het kind eruit, waarna ze alles weer dichtnaaien. Beauty’s mes is niet zo scherp en zo’n naald en draad heeft ze niet - ze kan de gebruikelijke scheurtjes, die de meeste moeders tijdens de bevalling oplopen, niet eens hechten - en als ze die spullen wel had, en zou proberen te hechten, zouden de moeders waarschijnlijk ter plekke doodbloeden of doodgaan van de pijn. Als ze het kind al niet per ongeluk zou dood snijden. Beauty heeft geen idee hoe het er vanaf die kant uitziet. Nee, het enige dat ze met haar pas geslepen mes durft aan te vallen is het piepkleine armpje. Zonder een arm valt wel te leven. Zou dat zelfs niet beter zijn dan dat je niet kunt lopen? Nee, ze mag niet aan Milly’s eerste kind denken.

De zoon van Beauty’s zus was enige tijd geleden door een ongeluk met een kapmes een van zijn armen verloren en de wond op het overgebleven stompje was ondertussen geheeld. Als ze nu maar zeker wist dat het afzetten van het armpje zou kunnen helpen om het lijfje te draaien, zodat het er via de juiste weg uit zou kunnen komen. Hoe moet ze trouwens een afgesneden arm verbinden? Ze schuift het besluit voor zich uit terwijl ze in de doos onder het bed naar een ontsmettingsmiddel zoekt. Ze vindt wondspray en verband. Maar wat moet ze dan met het uiteinde van de botten doen? Er is eigenlijk zo veel dat ze zou moeten weten. Beauty voelt zich vreselijk onzeker. Leefde haar moeder nog maar, dan had ze tenminste iemand gehad aan wie ze het probleem had kunnen voorleggen. Ze kan zich niet herinneren dat haar moeder ooit iets over zo’n situatie heeft verteld, dus waarschijnlijk had zij er ook geen pasklaar antwoord op gehad, maar dan waren ze in ieder geval met zijn tweeën geweest en had ze iemand gehad waarmee ze het besluit had kunnen delen. Plotseling schiet haar iets te binnen.

Pastoor Abraham!

Er is een kans dat het kind sterft en dan moet er een pastoor in de buurt zijn die het kan dopen. Anders komt het kind niet in de hemel en dat wil Beauty absoluut niet op haar geweten hebben. Het zal toch niet verboden zijn een kind te dopen waarvan alleen het armpje zichtbaar is? Het doopwater kan toch wel over het armpje worden gesprenkeld? Dat zal toch geen ernstige overtreding van Gods regels zijn? Beauty kent de Bijbel niet zo goed, ze heeft geen tijd het boek te bestuderen en ook al kan ze lezen, zelfs in het Engels waarin de Bijbel is geschreven, het kost haar zeer veel tijd de lange, ingewikkelde zinnen te spellen. Maar nu zou ze willen dat ze er meer van wist. Ze wil er zeker van zijn dat de ziel van het kind is gered voor ze het mes gaat gebruiken. Pastoor Abraham moet dus komen. Als Milly sterft is er ook een priester nodig en, in het gunstigste geval, weet hij door zijn goede opleiding ook het een en ander van medicijnen. Maar alleen in het gunstigste geval.

Joseph springt op zijn fiets, blij dat hij met iets kan helpen. Beauty heeft nieuw water opgezet om er het pas geslepen mes in uit te koken en is net de uitgeputte Milly aan het vertellen wat ze van plan is, als de mannen komen aanfietsen. Pastoor Abraham zit achter op de bagagedrager met de bijbel onder zijn arm. Als de jonge priester de verduisterde kamer is binnengestapt legt Beauty de situatie uit. Pastoor Abraham doet een paar stappen achteruit en gaat voorzichtig zitten. Het lijkt of hij helemaal niet hoort wat ze zegt. Plotseling beseft Beauty dat hij misschien nog nooit het onderlichaam van een barende vrouw heeft gezien, waarbij het idiote armpje de situatie er niet gemakkelijker op maakt.

Opnieuw vertelt ze hem over het probleem en haar plan. Een nooddoop met daarna een laatste draaipoging, waarbij ze in het ergste geval een mes zal moeten gebruiken. Het lijkt niet tot hem door te dringen, hij zit maar op zijn bijbel te trommelen. Als hij ten slotte uit zijn toestand van apathie komt, slaat hij verward het boek bij een schijnbaar willekeurig hoofdstuk open, en begint een onsamenhangend verhaal te brabbelen. Beauty neemt aan dat het een passage uit de Bijbel is, hoewel ze de tekst niet herkent. De manier waarop de priester het verhaal opdreunt lijkt bijna een poging de werkelijkheid te ontvluchten. Beauty voelt haar respect voor de pastoor bij iedere zin afnemen. Ze had moeten inzien dat hij geen greintje beter of slechter is dan alle andere mannen. Misschien wel slechter. Omdat pastoors niet mogen trouwen of met vrouwen mogen slapen, heeft hij zelfs minder ervaring dan andere mannen. Toch voelt ze zich teleurgesteld. Ze had gehoopt dat hij haar tot steun zou zijn, dat ze hem om hulp zou kunnen vragen.

Goed, dan hangt dus alles van haar af. Ze legt uit dat ze een poging gaat doen het armpje terug te duwen om het kind te kunnen draaien. De priester zegent fluisterend alles wat eventueel te zegenen valt terwijl hij zijn hoofd wegdraait. Beauty’s stevige kleivingers pakken het armpje vast, buigen het resoluut - het maakt niet uit of ik het armpje breek als afsnijden het alternatief is, denkt ze - en uiteindelijk lukt het haar het armpje in de vagina terug te duwen. Ze kneedt de buik een aantal keren, moedigt Milly aan een laatste keer te persen en - plof - daar ligt het kind. Een krijsend jongetje met beide armpjes in goede staat. Beauty veegt het zweet van haar voorhoofd. Ze merkt dat ze haar adem heeft ingehouden en vult haar longen met een duizeligmakend grote ademteug. Het krijsende jongetje ligt glibberig van het witte vruchtwater in haar handen. Milly opent haar ogen terwijl er op haar van pijn verwrongen gezicht een lach verschijnt. Even denkt Beauty dat pater Abraham is flauwgevallen. Hij hangt achterover tegen de muur en reageert niet als ze hem vraagt of hij het jongetje kan vasthouden, zodat zij haar laatste schone scheermesje kan pakken om de navelstreng door te snijden. Dan ziet ze dat hij schokkend zit te huilen. Dit is waarschijnlijk het meest afschuwelijke dat hij ooit heeft meegemaakt, denkt ze, terwijl ze begripvol lacht. Mannen!

– Ja, ik huil, zegt hij, ik huil van vreugde.

Hij droogt zijn tranen, terwijl hij zijn bijbel steviger vastpakt, zijn rug strekt en zijn keel schraapt waarin het snot door het huilen is opgehoopt. Zijn stem krijgt een nieuwe, zalvende klank.

– Beauty, besef je dat we zojuist getuige van een wonder zijn geweest? Een godswonder. Herinner je je de verhalen in de Bijbel waarin Jezus de blinden hun zicht teruggeeft en de lammen weer laat lopen? We zijn net toeschouwers van zo’n mirakel geweest.

– Het ongeboren kind vocht voor zijn leven en God hielp, opdat het leven kon zegevieren. De Heer zij geprezen. Jezus Christus, onze Heer, heeft wederom zijn kracht en macht getoond. Hij heeft als goede herder het leven van een kind gered. De Heer zij geprezen! Laat ons bidden!

Nou, nou, denkt Beauty, terwijl ze het kind op de doek legt en het scheermesje pakt. Nadat ze de navelstreng heeft doorgesneden en verbonden, legt ze het jongetje bij de uitgeputte Milly neer. Dan vouwt ze plichtsgetrouw haar handen, terwijl de priester zijn gebeden in een razend tempo voorleest.

Denk je soms dat je God op de bagagedrager hebt meegenomen? denkt Beauty. Dat jouw warrige verhaal voor een wonder heeft gezorgd? Volgens mij komt het doordat Milly een poosje had kunnen uitrusten en ik, op het moment dat ik het bijna niet meer zag zitten, opeens extra kracht in mijn vingers kreeg. Ik denk dat het mijn verdienste is. God heeft misschien geholpen, maar als hij had gewild, had hij dat ook kunnen doen voor je hiernaartoe kwam. Priesters zijn wel belangrijk, en God ook, maar hun invloed moet niet worden overdreven.

Het jongetje is gewassen en in de lap gewikkeld die zijn moeder bij zich had, een glanzende, goudgele katoenen lap met een dessin van maïskolven, een prachtige stof die in de stad is gekocht en waarschijnlijk flink wat geld heeft gekost. Beauty voelt zich trots als ze het jongetje bij de uitgeputte moeder achterlaat. De moederkoek is op de gebruikelijke plek begraven, waar de maïs extra hoog en krachtig groeit. Beauty heeft het plastic zeil afgespoeld en aan de waslijn gehangen, de hemden eindelijk van de lijn gehaald en de gebruikte plastic zakjes weggegooid. De zon staat nog hoog aan de hemel, maar het zal niet lang duren voor de schemering valt. In de meeste huizen wordt een kooktoestel aangestoken of een open vuur gemaakt. Maar er zijn ook huizen waar men geen aanstalten maakt om te gaan koken, en Beauty weet waarom. Daar is geen eten. Veel van Beauty’s buren kunnen zich tegenwoordig maar één maaltijd per dag veroorloven. Een heel klein meisje in een versleten, roze nylonjurkje loopt voorbij. Op haar hoofd balanceert een grote plastic mand waarvan de inhoud groen is. Ze draagt de mand met een verbeten blik en kijkt geen moment opzij, de kleine blote voetjes hebben haast, willen naar huis, naar haar grote zus. Beauty weet dat er in de mand overgebleven groenteafval zit, gekregen van een oma die aan de andere kant van het dorp woont, en dat de familie op de meeste dagen van de week niets anders te eten heeft. Beide ouders zijn ziek, de moeder ligt binnen in de lemen hut op een dunne deken en komt nauwelijks meer buiten. Hoewel Beauty, als ze de mogelijkheid heeft, de familie een paar keer per week bezoekt om hen een kom maïsmeel te ‘lenen’, wordt de naam van de ziekte nooit uitgesproken. De buurvrouw is ‘ziek’ en haar man ‘voelt zich niet goed’. De magere lichamen rillen van de koorts en de oudste dochter Precious is met school gestopt om voor haar beide ouders en de vier broers en zussen te kunnen zorgen.

Vorige week werd het kooktoestel meerdere malen per dag aangestoken, waarbij het trotse twaalfjarige meisje krachtig in de aluminiumpan met maïspap stond te roeren op een plek waar iedereen die voorbij liep haar goed kon zien. Precious probeerde zelfs een deel van het meel aan Beauty terug te geven, met dank voor het lenen. Beauty wist het meisje over te halen het meel te houden, maar de plotselinge toestroom van geld maakt Beauty zowel blij als ongerust. Precious kwam met een vaag verhaal over hoe ze aan het geld was gekomen. Beauty vraagt zich ongerust af of het meisje heeft ontdekt dat ze haar lichaam kan verkopen. Milly slaapt diep met het jongetje in haar armen. Hij dronk gulzig aan haar borst en zijn armpje lijkt niet te zijn gebroken, het is alleen iets gezwollen. Beauty schuift de deur, die niet helemaal sluit, weer dicht. De trotse vader Felipe deelt een beker zelfgebrouwen bier met Joseph en de ongewoon zwijgzame priester. Nu hij hier toch is heeft pater Abraham van de gelegenheid gebruikt gemaakt het jongetje te dopen. Het kind is Miracle genoemd. Beauty gebaart naar Joseph dat hij moet aanbieden de priester een lift naar huis te geven, voor de man straks tot het avondeten blijft hangen. Ze is moe, ze is de priester, de Bijbel en haar verantwoordelijkheid als vroedvrouw spuugzat. Ze wil haar drammerige kinderen hun avondpap geven en daarna heeft ze slaap nodig. Ze vindt dat ze de kerk niets verschuldigd is.

Dan opeens komt Rose via het pad tussen de maïsvelden aanrennen. Haar bloten voeten maken stofwolken, ze trekt aan haar haar, schudt met haar hoofd en gilt luidkeels.


Rechter McArthur overleden.

Mogelijk nieuwe meerderheid in Hooggerechtshof


Washington - Rechter van het Hooggerechtshof, professor Vernon McArthur (67) is gisteren onverwacht in zijn huis in Washington, DC overleden.
Perschef van het Hooggerechtshof, Sheila Velasquez, zegt dat de rechter, die in juni een bypassoperatie onderging, vermoedelijk opnieuw door een hartinfarct is getroffen.

Rechter McArthur stond bekend als een van de meer liberale rechters van het Hooggerechtshof. Hij werd in 1998 door president Clinton aangesteld, na een heftig debat met de senaat, waar vooral zijn opvattingen over het abortusvraagstuk omstreden waren. Rechter McArthur heeft veel vonnissen geschreven in de periode dat de abortuswet gerechtelijk werd onderzocht en schijnt de meest directe voorstander van het recht van de Amerikaanse vrouw op abortus te zijn geweest.

President George W. Bush krijgt nu de gelegenheid een voorstel in te dienen, waarin rechter McArthur door een tegenstander van abortus wordt vervangen. Veel conservatieve rechters wachten hun kans af in het hof van appel, waarvan de meerderheid tijdens het beleid van George W. Bush snel in conservatieve richting opschoven. Een verschuiving van de meerderheid in het Hooggerechtshof zou in conservatieve en christelijke kringen zeer worden toegejuicht, terwijl de meeste democraten in het congres hier afwijzend tegenover staan.

‘We wachten in spanning af hoe de president met de situatie om zal gaan’, zegt Patrick Hudson, woordvoerder van de Christelijke Coalitie. ‘Misschien wordt de stem van het volk nu eindelijk gehoord, zelfs in het Hooggerechtshof.’

‘De Verenigde Staten hebben op het punt gestaan abortus te verbieden’, zegt Sarah Grant, woordvoerder van de Planned Parenthood Federation. ‘Misschien is dat moment nu aangebroken.’

De woordvoerder van President George W. Bush liet in een persconferentie weten de plotselinge dood van rechter McArthur zeer te betreuren en sprak zijn medeleven uit met de naaste familie. Hij liet weten voorlopig geen uitspraken over de situatie te willen doen.

Rechter McArthur laat twee dochters met hun gezin achter. De begrafenis zal op vier februari om 16.00 uur in de Universiteitskerk van Georgetown plaatsvinden.


Chongwe-District, Zambia
2 februari 2004

Het is onnatuurlijk stil en de namiddagzon vormt messcherpe schaduwen. Alleen het zachte ruisen van de wind door de bladeren van de bananenbomen is hoorbaar, alle gebruikelijke dorpsgeluiden lijken te zijn verstomd, zelfs de vogels houden zich stil, alsof ze naar iets luisteren.

Beauty hoort haar eigen hart kloppen. De rest van haar leven zal ze dit beeld voor zich blijven zien. Het is alsof de wereld stilstaat. De bloederige rok over de smalle bruine benen en het huiswerk in de open schooltas. Een detail dat zich in haar geheugen grift en dat in haar dromen steeds zal terugkomen is het opengeslagen boek, een rekenboek vol letters die midden tussen de cijfers staan. Beauty’s verdoofde bewustzijn klampt zich aan dit beeld vast en aan de vraag: wat doen die letters tussen de cijfers? Alle andere onverklaarbare gedachten zoemen als een zwerm muggen door haar hoofd, terwijl haar hart bonkt.

Beauty zakt door haar benen en gaat naast Puni’s lichaam zitten. Verbaasd ziet ze dat iets, wat blijkbaar haar eigen vingers zijn, het droge gras uit de grond trekt en van de graspollen een bergje maakt. Langzaam voelt ze haar krachten terugkomen. Nu moet ze zich professioneel gedragen.

Een aantal dorpsvrouwen komt aangerend, met pater Abraham in hun kielzog en daarachter een hele zwerm kinderen. De vrouwen gillen en rukken aan hun kleding, terwijl de kinderen met grote ogen naar hun wanhopige moeders en het bewegingsloze meisjeslichaam staren. Tenslotte verzamelt de priester al zijn moed en neemt het woord.

– Wat is er gebeurd? vraagt hij aan Beauty.

Ze weet het, weet het, weet het, maar trekt toch Puni’s rok omhoog en voelt. Het onderzoek is nauwelijks voldoende, maar dat begrijpt pater Abraham niet. Ze denkt een paar seconden na. Zal ze een leugen vertellen om Puni’s eer te redden? Maar zelfs als het haar lukt pater Abraham om de tuin leiden, zullen de vrouwen haar door hebben.

– Een miskraam, zegt ze.

– Wat?

Begrijpt hij niet wat ze bedoelt of heeft hij het niet verstaan? Beauty’s stem krijgt een scherpe, pedagogische klank.

– Een miskraam. Maar zo vroeg in de zwangerschap dat het niet eens zeker is dat ze wist dat ze zwanger was. Het is vermoedelijk een acute bloeding geweest, die tijdens haar slaap is ontstaan, waardoor ze geen kans meer had op te staan en hulp te zoeken. Dat laatste is zeer onwaarschijnlijk, dat weet Beauty, die nog nooit van een hevige bloeding zonder pijn heeft gehoord, maar al te goed. Als Puni sliep, wat niet waarschijnlijk is, was ze zeker wakker geworden. En waarom zou ze hier op de grashelling gaan liggen? Maar wat had ze moeten doen? Wie had ze om hulp kunnen vragen? Wat had ze moeten zeggen?

– Ze heeft toch niet gezondigd?

De schijnheilige blik van pater Abraham roept bij Beauty niets dan verachting op.

– Wat bedoelt u, pater?

– Je weet precies wat ik bedoel, Beauty. Heeft ze niet zelf geprobeerd het werk van God af te breken? En de geboden van het evangelie geschonden?

– U bedoelt, geprobeerd het kind weg te halen?

– Ja.

– Dat denk ik niet. Zoals ik al zei geloof ik niet dat ze wist dat ze zwanger was.

Beauty ziet in dat ze het heft in handen moet nemen. Ze krabbelt overeind en richt zich tot de moeder van het dode meisje.

– Heeft ze iets gezegd?

De wanhopige vrouw zit op haar knieën naast het lichaam van haar dochter heen en weer te wiegen. Ze huilt niet, ze kermt alleen. Onhandig aait ze de hand van het meisje, troostend, alsof haar moederliefde het meisje weer tot leven kan wekken. Na een eerste nieuwsgierige blik hebben de andere vrouwen zich teruggetrokken en vormen een kleurrijke cirkel. Ze proberen hun nieuwsgierige kinderen in toom te houden. Blote voetjes en vieze mouwen verdringen elkaar in stilte om iets te kunnen zien. Hun moeders zijn zo vreselijk streng en waarom ligt Puni zo stil?

– Heeft ze iets gezegd? vraagt Beauty nogmaals, hoewel ze het antwoord al weet.

Puni’s moeder schudt wild met haar hoofd.

Wat had ze moeten zeggen? De moeder tilt de dunne hand van haar oudste dochter op en drukt hem tegen haar borst. Puni was veertien jaar. Eerst is ze dood, en dan blijkt ze ook nog zwanger te zijn! Wat een verdriet zal er komen, maar nu is alles nog zo onbevattelijk. Nee, Puni heeft niets gezegd.

– Ik heb een gerucht gehoord, vervolgt de priester, terwijl Beauty haar adem inhoudt. Ze balt haar vuisten. Het is alsof ze zo haar evenwicht beter kan bewaren, alsof ze anders onderuit gaat. Beauty voelt dat haar pols klopt en haar oren suizen van angst. Maar ze vermant zich en richt haar ogen strak op de priester.

– Als pater Abraham naar geruchten luistert en daarover wil discussiëren, vind ik dat we dat ergens anders moeten doen. Wat vindt u ervan eerst het meisje te zegenen?

Beauty en pater Abraham lopen achter elkaar over het smalle paadje terug naar Beauty’s huis. Pater Abrahams zwarte jas voorop, gevolgd door Beauty’s gekrompen jurk. Het droge gele gras kraakt onder haar voeten en ze kan haar eigen hartslag horen, terwijl de gedachten in haar hoofd rondtollen. Wat kan er zijn gebeurd? Heeft Puni mijn raad niet opgevolgd en iets doms gedaan? Is dit allemaal mijn schuld? En wat voor gerucht heeft pater Abraham gehoord?

Achter zich hoort Beauty geritsel en als ze zich omdraait ziet ze een klein groepje kinderen dat in een rijtje achter haar aan sjokt. Haar eigen kinderen lopen er ook tussen. Door de chaotische situatie heeft ze helemaal niet gemerkt dat de kinderen haar met grote ogen achterna zijn gekomen. Het is opeens een heel andere dag geworden. Enkele meisjes huilen een beetje, omdat ze voelen dat er iets verdrietigs aan de hand is, maar wat dat precies is weten ze niet.

Sinds de komst van de witte dokter is alles gecompliceerder geworden, denkt Beauty. Het verschil tussen goed en fout was vroeger veel duidelijker. Toen ging er ook veel mis, maar daar was dan niets aan te doen. Ja, natuurlijk wist ze in die tijd ook al het een en ander. Door haar vakkundigheid kon ze het lot enigszins beïnvloeden, of misschien was het Gods wil, zoals nu met Milly’s kind, maar uiteindelijk had ze het niet helemaal in de hand. Misschien heeft ze te veel macht gekregen. Een groot deel van de dorpelingen is ervan overtuigd dat een mensenleven door goede, maar vooral door kwade machten wordt gestuurd. Net als die nieuwe, slopende ziekte, waarvan velen geloven dat het met tovenarij te maken heeft. Is dit misschien een straf omdat ze overmoedig is geworden?

Maar aan de andere kant - denk aan al die levens die ze heeft gered! Vijf jaar geleden zou Puni een van de vijf of misschien zelfs een van de tien dode meisjes zijn geweest. Breinaalden, glasscherven en scherpe stokjes geven ernstige bloedingen of koorts, situaties die vaak tot de dood leiden. Een overdosis malariapillen doodt de foetus, maar vaak ook de moeder. En al die ongewenste kinderen die door langdurige, pijnlijke bevallingen ter wereld zijn gekomen, met veel te jonge moeders die met school moesten stoppen om met een man te trouwen die ze niet zelf hadden uitgekozen - of gewoon het dorp werden uitgestuurd. Nee, ze moet helder blijven denken. Het is nu beter. Beauty dwingt zichzelf aan Mary te denken, het dertienjarige meisje dat weigerde te vertellen wie de vader van haar kind was, en die daarna met het pasgeboren jongetje spoorloos was verdwenen. In het dorp is geen plaats voor kinderen zonder vader. Iemand had Mary bij het busstation in de stad gezien, in een kort rokje en met een sigaret in haar hand. Maar niemand weet waar het jongetje is gebleven.

Beauty denkt dat ze wel weet wie Mary zwanger heeft gemaakt. Beauty weet over het algemeen vrij veel, want een bevalling maakt heel wat los. Tussen de pijnlijke weeën wordt vaak meer verteld dan achteraf de bedoeling was, maar Beauty houdt haar mond. Wat ze te horen krijgt gaat niemand anders wat aan. Mary zelf heeft niets over de vader van haar kind gezegd, maar Beauty kan twee plus twee optellen, of één plus één plus één plus één. De getrouwde oom van het meisje heeft minstens vier kinderen in het dorp rondlopen, in de meeste gevallen het resultaat van wrede verkrachting.

Die waarheid zou niemand in Mary’s familie kunnen verdragen. Daarom kon Mary niet in het dorp blijven. Stel dat Beauty haar toen had kunnen helpen, dan had ze haar school kunnen afmaken en was ze niet bij het busstation beland.

Maar wat is er misgegaan?

Waarom is Puni dood?

Wat heeft pater Abraham gehoord?

En waar heeft Puni het doosje gelaten?

Plotseling blijft Beauty staan en twijfelt of ze zal terugrennen om de plek rond het lichaam te onderzoeken. Het groepje kinderen blijft ook staan, klaar om met haar mee te rennen, wie weet gebeurt er nog iets spannends. Maar Beauty heeft op de plek waar het meisje lag niets zien liggen en vermoedelijk heeft de familie het lichaam ondertussen verplaatst, dus mocht er enig bewijs hebben gelegen, dan moeten ze dat ondertussen al hebben gevonden. Ze loopt door naar huis.

Ze heeft nu dringende zaken te regelen, zoals die andere doosjes die thuis onder het bed liggen. Die moeten weg, onmiddellijk. Daarna kan ze naar het huis van Puni’s ouders gaan om het verdriet met hen te delen en goed om zich heen te kijken. 


Tampa, Florida, VS,
7 februari 2004

Dag mijnheer pastoor. Ik ben het, Melissa. Ik praat tegen u, maar dat hoort u natuurlijk wel. Hoewel u niet weet hoe ik heet. Melissa. Zo, nu weet u dat. En dat is genoeg. Gezien de situatie, lijkt me een achternaam niet nodig.

Als ik u dingen vertel heeft u toch zwijgplicht? U mag toch niets doorvertellen? En ook al ben ik van huis uit niet katholiek, dit kan toch wel als een soort biecht worden beschouwd?

Ik zal af en toe, als ik alleen op mijn kamer ben, iets op deze band vertellen, dan zien we wel hoever ik kom. En dan bepaal ik uiteindelijk of ik de band aan u zal geven. Dat heb ik op dit moment nog niet besloten.

Ik heb het hier niet naar mijn zin, er gebeurt zo weinig en ik pieker zo veel. Soms lijkt het net of de muren op me afkomen, waardoor er steeds minder lucht is om in te ademen, terwijl ik weet dat dat niet kan. Toch zie ik de muren bewegen. Daar moet ik soms van huilen.

Ik praat bijna de hele dag met God en dat helpt, maar niet altijd. God is liefde, zegt u steeds, en dat weet ik wel, maar God kan ook straffen. Als God zijn handen van me heeft afgetrokken, weet ik niet hoe ik verder zou moeten leven.

Daar heb ik het met u over gehad. Ook al zeg ik nooit zo veel als u hier bent, u moet weten dat ik het fijn vind dat u komt. Ik heb beloofd niets te vertellen over wat er is gebeurd, en dat heb ik tot nu toe ook niet gedaan. Maar dat voelt erg eenzaam. Ik dacht dat het misschien beter zou voelen, als ik het aan u zou vertellen, ook al kunt u geen antwoord geven. God luistert toch ook en misschien begrijpt hij me dan wat beter. Hoewel hij het natuurlijk allemaal al weet. Wat dom van me. Ik denk veel aan de andere meisjes en vraag me af hoe het nu met ze gaat. Ik denk natuurlijk aan hem, maar ook aan de meisjes, en aan de dominee. Ik hoop dat ze trots zijn dat ik een soldaat van God ben geweest, precies zoals hij zei.

Van wat de wet over mijn daad zegt denk ik het volgende. Stel dat u in een park loopt waar u een sluipschutter ziet die op kleine kinderen schiet, dan wilt u er toch alles aan doen hem te laten stoppen? Maar als u vervolgens naar de politie gaat, die u vertelt dat de scherpschutter slechts gebruikmaakt van zijn recht op ‘keuzevrijheid’ en zegt niets te kunnen doen, omdat dat een inbreuk op zijn privacy zou zijn, hoe zou u dan reageren?

Als u met de schutter zou praten en hij zou zeggen dat hij van plan was de kinderen één voor één dood te schieten, omdat hij in zijn recht stond, wat zou u dan doen? Zou u blijven toekijken, of zou u proberen hem op alle mogelijke manieren te laten stoppen?

Ik denk dat u zou proberen hem te laten ophouden. 


Luchthaven Arlanda, Zweden

2 februari 2004

28,1 Kg in digitale lichtgroene cijfers. De zorgvuldig geëpileerde wenkbrauwen van de grondstewardess bewegen zich nauwelijks terwijl ze het langwerpige label met de tekst HEAVY vastplakt.

Ellen hapt geruisloos naar adem terwijl er een koude rilling door haar heen gaat. Natuurlijk kan ze het overgewicht betalen, maar hoe minder ophef er over haar bagage wordt gemaakt, hoe beter.

De twee stuks volgepropte handbagage staan onopvallend onder de incheckbalie. Het gebeurt af en toe, eigenlijk steeds vaker, dat men de handbagage ook wil wegen en controleren. Het is zelfs een keer gebeurd dat Ellen een van de tassen bij haar koffer op de band moest achterlaten.

Niet goed. Niet alleen vanwege de honden, maar ook vanwege de kans op diefstal. Maar het lijkt ook deze keer weer goed te gaan.

Er is ook niemand die zich druk maakt om haar visum. Dat lijkt op Arlanda nooit een probleem te zijn, en in dit paspoort staan maar vier dezelfde visumstempels. Geduldig staat ze in de rij met haar blik op oneindig. Ticket, boardingpas, paspoort, ze is aan de beurt.

Quasi ontspannen zet ze de twee loodzware tassen op de lopende band. Een tas valt met een klap om en wordt door een bewaker opgetild, die zich over het overgewicht niet druk lijkt te maken. Dat is zijn verantwoordelijkheid niet. Soms kan Ellen zo gaan staan dat ze de beelden op het röntgenapparaat, waarop uiteraard niets verdachts valt te ontdekken, kan zien. Vierkante contouren, dat zou best een toilettas of wat boeken kunnen zijn. Sinds 11 september stopt ze alle canules in haar koffer. Ze moesten eens weten.

Ooit was er een tijd, het voelt als een eeuwigheid terwijl het pas drie jaar geleden is, dat de sfeer van de vertrekhal haar aan champagne deed denken. Bruisend, verwachtingsvol, spannend. De spontane inkopen bij de taxfreeshops en misschien een glas wijn aan de bar. Bij de kiosk kocht ze damesbladen en haar bestemming was Londen, Kreta of een enkele keer New York. Tegenwoordig komt ze precies op tijd. Niet te vroeg en niet te laat. En haar bestemming is altijd Zambia.

Toch voelt het deze keer anders. Niet zoals gewoonlijk. Ze is een beetje misselijk en strijkt met haar hand het klamme zweet van haar voorhoofd. Zo gaat het niet langer. Zowel het project als haar leven zijn zo gecompliceerd geworden. Ze vraagt zich af of ze nog een gewoon leven zal kunnen leiden als ze nog meer bij het project betrokken raakt. En geeft het leven haar genoeg voldoening, als ze eruit zou stappen? Wil ze eruit stappen? En kan dat eigenlijk wel? Wie zou het van haar moeten overnemen?

In de taxfreeshop koopt ze, net als altijd, een paar plastic flessen gin en een nieuw flesje nagellak. Plastic flessen, zodat het niet zo zwaar wordt (praktische Ellen!), gin, omdat dat lekker kan zijn na een lange dag in de hitte (verfrissende Ellen!) en omdat gin en tonic kinine bevatten (medische Ellen!). Hoewel ze de laatste tijd steeds meer flessen koopt en die steeds sneller leegdrinkt (alcoholverslaafde Ellen?). En hoe zit het met die nagellak? Een huismerk deodorant van de Konsum-supermarkt werkt in de regel net zo goed als een duur merk, en als ze de mascaraprijzen nauwkeurig vergelijkt, komt het warenhuis Åhléns er het best vanaf.

Maar om de een of andere reden geldt dit niet voor nagellak. Als iemand Ellen onder druk zou zetten, zou ze misschien zeggen dat nagellak een product is waarvan de kwaliteit met de prijs samenhangt. Maar eigenlijk weet ze dat het onzin is. Ze is dol op de schappen vol kleurige flesjes in de taxfreeshops en is trots op haar lange verzorgde nagels, die ze in Afrika net zo knalrood kan lakken als ze maar wil zonder dat iemand er iets van zegt. Thuis in het ziekenhuis kijkt iedereen haar scheef aan als ze met vrolijk gekleurde nagels rondloopt, dus daar gebruikt ze doorschijnende nagellak, maar ze weigert haar nagels te knippen met als argument dat ze - meer dan eens - haar wijsvinger als mini schroevendraaier heeft kunnen gebruiken en dat ze de allerdunste draadjes kan oppakken. Ze ziet zichzelf als Liza Minelli in haar favoriete film ‘Cabaret’, waarin ze met lange groene nagels zwaait: ‘divine decadence’. De nagels waarmee ze haar creditcard aan de verkoper overhandigt zijn onschuldig lichtroze, terwijl de inhoud van het nieuw aangeschafte flesje knalpaars en peperduur is. Divine decadence, denkt Ellen glimlachend.

Terwijl ze haar koffie met melk drinkt, verstopt ze zich achter de krant Dagens Nyheter, om zo de blikken van andere mensen te ontwijken, want ze wil hier absoluut geen bekenden tegenkomen. Ze denkt goed na over hoe ze zich kleedt als ze op reis gaat. Een witte, gebreide katoenen trui, een blauwe spijkerbroek, anoniem zwarte tassen, haar lange haar in een paardenstaart en geen makeup. Ze wil niet opvallen. Misschien moet ze toch even haar moeder of Björn bellen, hoewel hij zelden zijn mobiele telefoon aanzet als hij op zijn werk is en meestal vergeet zijn antwoordapparaat af te luisteren. In het begin bracht hij haar altijd naar het vliegveld, maar daar is hij mee gestopt, en op zich kan ze dat wel begrijpen. Het is natuurlijk onzin dat hij iedere keer een halve dag vrij moet nemen, terwijl ze net zo goed met de taxi kan gaan. Een kus in de ochtend, goede reis, mail even als je bent aangekomen, succes, we zien elkaar weer snel. Op de terugreis haalt hij haar meestal van het vliegveld op. Dat wel. Maar hoe lang nog?

Maar haar moeder vindt het altijd fijn als ze belt. Ellen toetst het telefoonnummer uit haar jeugd in en de telefoon gaat vier keer over. De tekst op het antwoordapparaat verraadt het generatieverschil. Het verhaal is omslachtig en uiterst beleefd:

‘Hallo, u bent verbonden met het antwoordapparaat van Marianne Olofsson. Helaas kan ik u op dit moment niet te woord staan, maar als u uw naam en telefoonnummer inspreekt, bel ik u zo spoedig mogelijk terug. Laat alstublieft ook even weten wanneer u heeft gebeld. Dank u wel voor het bellen.’

Het had heel wat maanden geduurd voor haar moeder de boodschap had veranderd en haar vaders stem had gewist. Ze zei dat ze niet wist hoe ze dat moest doen, waarna ze het vergat, omdat ze natuurlijk nooit haar eigen nummer belde en dus ook nooit de boodschap hoorde. Maar haar dochters, gekweld door de spookachtige stem op de band, vermoedden dat het om iets anders ging. Het niet in staat zijn te kunnen loslaten. De naam van haar vader staat nog steeds op de voordeur.

Terwijl Ellen een tweede kopje koffie haalt, houdt ze haar tassen in de gaten. De koffie op Arlanda is zo schandelijk duur dat je het gratis tweede kopje wel moet benutten, denkt ze terwijl ze langs twee tegen elkaar geschoven tafeltjes loopt.

– Ellen! Ik dacht al dat jij het was!

– Hallo.

– Jemig, dat is lang geleden! Hoe lang geleden is het wel niet. Tien jaar, of is het nog langer?

Om precies te zijn, acht en een half.

Toen Ellen in de vrouwenkliniek van Örnsköldsvik haar coschappen liep, ontmoette ze daar Margoth Oxenstierna, een gerenommeerd arts die vijftien jaar ouder was dan zij. Energiek, spraakzaam en deftig, maar ook aardig en geestig. Met dezelfde droge galgenhumor hadden ze samen heel wat baby’s ter wereld geholpen en miskramen weggeschraapt, en tijdens het wassen van de baby’s hadden ze gegiecheld als de verpleegsters even niet keken. Ze werden vriendinnen, maar verloren elkaar uit het oog toen ze allebei verhuisden. Met kerst kwam er nog een paar keer een kaartje, maar dat hield op een gegeven moment op.

Ellen had in een medisch tijdschrift gelezen dat Margoth met onderzoek was begonnen toen haar kinderen groot waren. Het had iets met het immuunsysteem te maken. Naast Margoth zit een halve schoolklas, of gezien hun lengte eerder een basketbalteam.

– Dit is Ellen, met wie ik in Ö-vik heb gewerkt. En dit is Peter, mijn man.

Een van de goed getrainde teamleden heeft wat grijze haren. Ze heeft het gevoel dat ze hem ergens van kent.

Margoth stelt haar grote familie voor, ze knikken allemaal verstrooid, nauwelijks geïnteresseerd in een oude bekende van hun moeder. Wat een hoop tekst zonder één keer adem te halen, denkt Ellen. En waar ken ik die Peter van? Hebben we elkaar misschien een keer in Ö-vik ontmoet, of zou hij een bekend persoon zijn?

– En jij? Ik hoorde van iemand dat je druk met je proefschrift bent.

– Ja, dat klopt, maar dat kost een hoop tijd. Ellen wil niet praten. Ze wil rustig haar koffie kunnen drinken en geen bekenden tegenkomen. Ze wil zich niet met Margoth en haar familie bezighouden. Ze heeft genoeg aan haar eigen zaken.

– Ik moet deze reis nog maken en een paar maanden aan de computer zitten. Ik doe onderzoek naar sterfte onder zwangere vrouwen in een district in Centraal-Zambia.

– Dat klinkt erg spannend!

– En jij?

Ellen verschuift de aandacht graag naar de ander.

– Ach, ik zit meestal aan de computer, reisjes zitten er voor mij niet in. In het gunstigste geval mag ik naar een saaie conferentie in Frankfurt. Margoth lacht en wuift afwerend naar haar gezin, dat graag naar de taxfreeshops, bars en andere attracties wil lopen.

– En waar gaan jullie nu naartoe?

– Op vakantie. Leeuwen en giraffen kijken.

– Ik neem aan in Nairobi?

– Nee, we dachten naar Zambia en het South Luwanga-park te gaan. Ben jij daar wel eens geweest?

– Nee.

– Maar jij gaat nu naar Lusaka?

– Ja.

Dat kan ze onmogelijk ontkennen.

– Dan zitten we dus in hetzelfde vliegtuig. Waar slaap je?

Ze wil zeggen: bij goede vrienden, maar dat is niet waar en aangezien de hotelbussen bij het vliegveld klaarstaan, kan ze niet tegen Margoth liegen.

– In het Pamodzi Hotel.

– Wij zitten eerst in het Continental, maar na de safari kunnen we een ander hotel nemen. Dat is over vijf dagen. Het zou zo leuk zijn als we elkaar wat uitgebreider zouden kunnen spreken, dan kunnen we lekker bijkletsen over wat er in al die tijd gebeurd is. Het hele basketbalteam slentert weg, kibbelend over wat een cd-speler in de taxfreeshop zal kosten. Ze zijn niet bang gezien of gehoord te worden.

Voor de maaltijd in het vliegtuig is geserveerd laat Margoth zich niet zien. Als het eten is rondgebracht doet Ellen oordoppen in en verstopt zich achter het oogmasker en de knetterende synthetische deken. Het alternatief, zich op haar onderzoeksmateriaal storten, is geen optie. Ze heeft verder niets bij zich, behalve een matige detective, die haar vermoedelijk niet tegen Margoths enthousiasme zal kunnen beschermen. Ze is enigszins verbaasd dat Margoth de gebruikelijke familievragen oversloeg:

‘En hoe zit het? … heb je kinderen?’

In Zweden vraag je tegenwoordig niet meer ‘ben je getrouwd’? Maar kinderen zijn openbaar bezit, dus daar mag je uitgebreid naar vragen.




Ellen loopt door een lichtgroene gang. Misschien een ondergrondse tunnel. Geen ramen. Beschadigingen op de muur waar rolstoelen, bedden en stepjes tegenaan zijn gebotst. Ze heeft haast, maar kan niet rennen. Ze beweegt zich in slow motion, alsof ze door het water loopt of harde tegenwind heeft. Alles om haar heen staat stil. Het enige dat ze zeker weet is dat ze te laat komt. Te laat voor iets belangrijks.

Ellen wordt wakker als de stewardess met een warme handdoek langskomt. Ze gromt een dankjewel, terwijl ze de veel te warme doek opzij gooit.

Het is geen ongewone droom. Ellen komt in haar dromen vaak te laat. Droomduidingen interesseren haar niet, maar het is duidelijk dat haar dromen over ontoereikendheid gaan. Maar wie is er wel toereikend?

Ze denkt aan de omgeving waar de droom zich afspeelde. Wat was dat voor gang? Geen gang in het ziekenhuis, haar werkplek. Toch hing er een sterke ziekenhuisgeur. Desinfecteermiddel en schone lakens. Metaal en plastic. Duizenden witte klompen hadden slijtageplekken op de geschilderde houten vloer gemaakt. De deur achter in de gang had een donkergroene kleur waarin een rechthoekig raampje zat. Een operatiezaal?

Nee. Als ze weer indommelt zwaait de hydraulische deur met een sissend geluid open en staat er een gynaecologische stoel. Over de benen van de patiënt ligt een groene lap. Met bonkend hart ziet Ellen wie daar ligt. Dan kijkt ze naar de arts, die in het groen is gekleed en onder de doek zit te wroeten. Dat is zij ook. Ze is het allebei. En allebei zijn ze bang.

Tijdens de tussenlanding op Harare heeft Margoth Ellen gevonden, die niet langer kan volhouden te doen alsof ze slaapt. Hangend over de medereizigers, waarmee Ellen nauwelijks een woord heeft gewisseld, werkt Margoth haar hele vragenlijst af. Ellen antwoordt zo min mogelijk, zonder direct onbeleefd te zijn. Ja, ze is met Björn getrouwd, die ze tijdens haar studie heeft ontmoet. Hij is ook arts, maar is helemaal op onderzoek gericht en werkt in de farmaceutische industrie, het is dus niet gek dat Margoth hem niet kent. Ze wonen in een appartement in Solna. Geen kinderen, nee, daar zijn ze nog niet aan toegekomen. Ellen werkt op de afdeling Verloskunde van Karolinska Sjukhuset, maar is vaak vrij om aan haar proefschrift te kunnen werken. Ellens vader is dood, maar haar moeder leeft nog en met haar zussen gaat het goed.

Waarom zou ze dat allemaal niet vertellen? Margoth was altijd al nieuwsgierig, maar ook heel aardig, en niets van wat Ellen vertelt is geheim. Toch kost het haar moeite. Terwijl Margoth over haar onderzoek babbelt, over de successen van haar kinderen, over de villa in Stocksund, over het zomerhuis op Dalarö, over de jaarlijkse vakanties met de hele familie, de laatste jaren in Afrika, ‘Thailand is zo toeristisch geworden',  realiseert Ellen zich dat haar leven sterk is veranderd. Twee jaar geleden zou ze blij zijn geweest Margoth te ontmoeten. In die tijd was ze graag met haar gaan lunchen, had ze haar misschien als een grote zus gezien die ze over haar proefschrift om raad zou kunnen vragen. Ze zou zich een beetje hebben aangesteld over het exotische aspect van haar project, Margoth en haar man misschien zelfs bij haar thuis hebben uitgenodigd en iets aparts hebben gekookt, waarvoor ze complimentjes zou hebben gekregen. Björn zou hen vast aardig vinden.

Nu hoopt ze alleen maar dat Margoth & Co zo door elkaar en door de nijlpaarden in beslag zullen worden genomen, dat Ellen stilletjes kan verdwijnen. Ze heeft geen behoefte aan mensen die vragen stellen over haar privéleven en haar werkzaamheden in Zambia.

Ellen bladert verstrooid in het tijdschrift van de luchtvaartmaatschappij dat ze uit de stoelzak voor zich heeft gepakt. Op een wereldkaart zijn de breedtegraden aangegeven. Ze kan precies uitrekenen hoever ze eigenlijk van huis is. ‘Tachtig graden van Varmvattnet’, mompelt ze, terwijl ze zich een avond waarop het sneeuwde, nog niet zo lang geleden.




– Op de volgende reis en op een nieuwe vriend in de club! Ellen en Anne-Marie zetten beide hun wijnglas met een knal neer en knikken tevreden. Gelukkig denken niet alle bedrijven alleen maar aan geld. De nieuwe compagnon van de Junta blijkt zowel betrouwbaar als genereus. Dankzij het contact van Anne-Marie met haar baas kunnen ze op een soepele, rechtstreekse manier communiceren. Ellens volgende opdracht zal een stuk gemakkelijker gaan, met betere hulpbronnen. En Björn is niet thuis, dus ze kunnen vrijuit praten.

– Mijn hemel, is de wijn nu al op!? zegt Anne-Marie. Hoeveel hebben we gedronken? Volgens mij kan ik beter naar huis gaan.

– Niks aan de hand, ik heb nog een doos. Kijk maar even onder in de voorraadkast. Ik moet naar de wc.

Ellen wankelt als ze haar panty omlaag trekt om op de wc-bril te gaan zitten. Ik kan beter niet meer drinken, denkt ze, terwijl ze spijt heeft dat ze Anne-Marie over de doos wijn heeft verteld. Maar als ze haar gezicht met een beetje koud water heeft afgespoeld, voelt ze zich een stuk beter. Het gebeurt niet elke dag dat een van de leden van de Junta op bezoek komt. En Björn is voor één keer eens niet thuis. Ellen was trouwens al heel lang nieuwsgierig naar Anne-Marie’s geschiedenis. Ze pakt een fles mineraalwater uit de koelkast en loopt terug naar de kamer waar ze op de bank ploft, nog steeds een beetje duizelig.

– Wat bedoel je met dat je ‘ervaring met het rechtssysteem hebt’?

– Ach, soms praat ik een beetje teveel.

Anne-Marie’s goed gestreken bloes is uit de band van haar broek omhoog gekropen en op een onhandige manier probeert ze die erin terug te friemelen. Ellen ziet dat ook zij niet meer helemaal nuchter is en dat lucht op.

– Volgens mij is dat het probleem niet, zegt Ellen met een provocerende ondertoon. Je bent hartstikke gesloten.

– Insgelijks.

– Hoezo, ik ben een open boek!

– Pff. Anne-Marie’s protest klinkt als een leeglopend luchtbed. Allemaal gelul!

– Wat zou je willen weten, vraagt Ellen, terwijl ze voor alle zekerheid haar wijnglas met water vult.

– Waarom houd je je hiermee bezig?

Ellen kijkt naar de lantaarnpaal die voor het huis staat en terwijl ze met een tegenvraag antwoordt, herkent ze haar eigen reactiepatroon. De aandacht naar een ander verschuiven. Is ze inderdaad gesloten?

– Vind je niet dat we zinvol bezig zijn?

– Ja, misschien wel zinvol, zegt Anne-Marie, maar tegelijkertijd ook idioot. Je hebt alles voor elkaar, je zou een heerlijk rustig leven kunnen leiden.

– Dat zou jij toch ook kunnen doen.

– Dat doe ik al, en bovendien stel ik mezelf niet bloot aan groot gevaar. Overigens ben ik meer van het soort…

– Van welk soort?

– Het soort dat risico’s neemt.

– Hoe dan?

– Nee, laat maar.

– Kom op. Als je A zegt moet je ook B zeggen.

– Je moet me beloven dat je niets tegen de anderen zult zeggen.

– Beloofd!

Net als in haar kindertijd houdt Ellen haar duim naar voren en drukt hem tegen die van Anne-Marie als teken dat ze het geheim niet zal doorvertellen.

– Nu heb je het beloofd!, waarschuwt Anne-Marie, waarna ze een flinke slok wijn neemt.

– Jaha, vertel nou maar!

– Ik ben veroordeeld in een strafzaak.

Het klinkt zo plechtig. Alsof ze uit een wetboek voorleest.

– Echt waar? Waarvoor dan?

– Fraude.

– Dat meen je niet. Heb je in de gevangenis gezeten?

– Ja. Een jaar.

– Hoe ging dat dan?

– Toen ze het ontdekten hebben ze natuurlijk aangifte gedaan.

– Ja, ja. Dat begrijp ik. Maar hoe zat het dan met die fraude?

– Het was eigenlijk heel simpel. Kinderlijk eenvoudig. Ze hadden geen enkel beveiligingssysteem. Dat stond ook in het vonnis, en daarom heb ik maar één jaar gekregen.

– Om hoeveel geld ging het?

Anne-Marie’s anders zo rustig klinkende stem krijgt iets uitdagends als ze antwoordt.

– Ruim driemiljoen kroon.

– Lieve hemel.

Opeens kijkt Ellen met heel andere ogen naar haar vriendin.

– Van wie was dat geld?

– Van een verzekeringsmaatschappij. Ik werkte er op de afdeling schadeuitkering.

– Maar wat heb je dan precies gedaan?

– Ik verzon zowel schademeldingen als klanten, waarna ik de schadevergoedingen naar mijn eigen rekening overmaakte.

– En dat merkten ze niet?

– Het heeft twee jaar geduurd. Natuurlijk wist ik dat ze er vroeg of laat achter zouden komen.

– En toch ging je ermee door?

– Ik had uitgezocht hoe hoog de straf zou kunnen uitvallen. Maximaal twee jaar omdat ik nog nooit eerder was veroordeeld. Ik dacht dat het de moeite waard zou kunnen zijn.

Zou dat zo zijn? vraagt Ellen zich af. Ze heeft het water opgedronken en vult zowel haar eigen glas als dat van Anne-Marie weer met wijn. Anne-Marie wikkelt een haarstreng rond haar vinger, terwijl ze een korte pauze inlast om ruimte te geven voor meer vragen.

– Wat heb je met het geld gedaan?

– Gereisd, kleding gekocht en mijn appartement laten renoveren.

– En wat gebeurde er toen ze er achter kwamen?

– Toen hebben ze natuurlijk aangifte gedaan. Het was overduidelijk dat ik de schuldige was, want ik had niet eens een poging gedaan de sporen te wissen. Maar vlak voor de rechtszaak werd ik door het bedrijf voor een lunch uitgenodigd, omdat ze van me wilden weten hoe ze het beveiligingssysteem zouden kunnen verbeteren. Ze eisten het geld niet terug, ze vonden de kwestie zo gênant dat ze die het liefst zo onopvallend mogelijk wilden afhandelen, zodat hun klanten niet in de gaten zouden krijgen hoe onzorgvuldig er met hun geld was omgesprongen. De rechtbank ging daarmee akkoord. Mijn advocaat zei in zijn betoog dat het systeem misbruik in de hand had gewerkt.

– Hemeltjelief.

Anne-Marie strekt haar benen uit onder het salontafeltje terwijl ze zich uitrekt. Ze stopt haar bloes opnieuw in de band van haar broek. Onder haar armen zijn kleine zweetplekken zichtbaar en ze heeft haar schoenen uitgeschopt. Toen ze een paar uur geleden op Ellens versleten leren bank ging zitten zag ze er fris, maar nogal oncomfortabel uit. Of - de bank zag er oncomfortabel, doorgezakt en smerig uit. Anne-Marie’s goed gestreken kostuum vroeg om een ivoorwit bankstel of misschien een lichtgeel, had Ellen gedacht. Nu passen Anne-Marie en het bankstel plotseling een stuk beter bij elkaar.

– Maar hoe was het in de gevangenis? gaat Ellen verder.

– Tja, niet geweldig natuurlijk. De meeste vrouwen in de bajes kunnen nauwelijks lezen, ze hebben hun hele leven lopen klooien, kunnen geen brief schrijven of een bezwaarschrift indienen als ze worden overgeplaatst of zoiets. Dus ik werd een soort supermoeder voor ze en omdat ik vriendelijk was en me goed aanpaste waren de bewakers ook op me gesteld. Bovendien heb ik Åsa daar ontmoet …

– Heb je haar daar ontmoet?

Ellen trekt haar benen onder zich op de bank. Ze moet even nadenken. Ellen weet dat Anne-Marie lesbisch is en met Åsa samenwoont. De Junta heeft Åsa maar een paar keer ontmoet. Ze is nogal verlegen en een heel stuk jonger dan Anne-Marie.

– Zat zij ook in de gevangenis? Of werkte ze daar?

– Ze zat daar ook.

– Waarvoor?

– Het bekende verhaal. Je weet wel. Een rotmoeder, geen vader, kindertehuis, jeugdzorg, bier, hasj, sterke drank, amfetamine. Op haar vierentwintigste zat ze voor de tweede keer in de vrouwengevangenis Hinseberg. Een klein drugsdelict, wat joyriding en valsheid in geschrifte. Dat is meer dan tien jaar geleden, toen er nog cheques bestonden die je kon vervalsen. We hadden een cel naast elkaar. En zodoende …

– Hoezo, en zodoende?

Ellen merkt dat ze onnodig streng klinkt.

– We werden verliefd op elkaar.

– Ja, dat snap ik. Maar hoe dan?

– Op de normale, ouderwetse manier, lijkt me.

Nu is het Anne-Marie’s stem die geïrriteerd klinkt.

– Nou ja, ik bedoel, vielen jullie daarvoor ook al op vrouwen?

– Ik niet. Ik had nauwelijks een relatie gehad. Toen ik eindexamen deed had ik een vriendje, maar nadat hij het had uitgemaakt heb ik nooit meer iemand kunnen vinden. Ik denk dat ik daarom dat geld jatte. Ik was ongelofelijk eenzaam en vond het leven saai. Er gebeurde helemaal niets. Het gaf in ieder geval een moment van spanning. Als ik Åsa niet had ontmoet was ik waarschijnlijk nog steeds alleen geweest. De kans was wel groot geweest dat ik weer op het verkeerde pad was geraakt, hoewel ik het dan wel iets slimmer zou hebben aangepakt. Want daar houd ik van, het berekenen, het plannen, en de risico’s. Klinkt dat gek?

– Ik weet het niet. Ik heb daar nooit zo over nagedacht.

– Echt niet? Anne-Marie klinkt sceptisch.

– Hoe zat het dan met Åsa? Was zij lesbisch?

– In haar drugstijd had ze relaties met zowel mannen als vrouwen. Afhankelijk van wat het meest lonend was. Maar eigenlijk zat ze in hetzelfde schuitje. Zij was ook een eenzame ziel. Schepen die elkaar op zee ontmoetten ... Anne-Marie staart door het raam naar de straatlantaarn. Een lichte sneeuwval maakt het beeld een tikkeltje wazig.

– Ongelofelijk, zegt Ellen, vooral tegen zichzelf.

– Heb je zin in een toastje met kaas?

– Ja, lekker.

Ellen haalt twee kleine bakjes kruidenkaas, een met knoflook en een met gemengde kruiden, die ze gisterenavond voor het avondeten met Björn heeft gemaakt. De toastjes zijn met sesamzaad en Ellen weet dat ze erg lekker zijn. Ze kunnen wel wat energie gebruiken. En nog een beetje wijn. Een klein beetje maar.

– Maar daarna? vraagt Ellen, als alles op tafel staat en ze AnneMarie het kaasmesje heeft gegeven dat oom Bertil van elandenbot heeft gemaakt.

– Was het niet moeilijk daarna een baan te vinden? Vroeg niemand wat jullie die jaren hadden gedaan?

– We hadden geluk. Eerst kregen we een baantje in de gevangenis, wat meer een soort werktraining was, maar al vrij snel begonnen we een echte baan te zoeken. Åsa’s baas bij Åhléns had zelf een wat duister verleden en vond dat iedereen een tweede kans verdiende. En ik, ik solliciteerde gewoon op de formele manier. Ik was over de dertig en had diverse banen gehad. Het verloren jaar verklaarde ik door te vertellen dat ik had gestudeerd, maar vanwege ziekte mijn examen niet had gehaald. En dat klopte voor een deel. Ik had in de gevangenis inderdaad gestudeerd en een paar studiepunten verzameld. Gelukkig was er niemand die de verzekeringsmaatschappij belde. Ik had ze ook niet als referentie opgegeven.

– Nee, dat begrijp ik.

Ellen is net bezig met haar derde toastje kaas en heeft zichzelf opnieuw een glas wijn ingeschonken als Anne-Marie de tegenaanval inzet.

– Nu is het jouw beurt. Wat voor geheimen heb jij? Ik beloof, ze maakt hetzelfde symbolische gebaar met haar duim in de lucht, dat ik het niet zal doorvertellen.

– Hoezo? Ik heb geen geheimen.

– Toch is het gek. Waarom ruil je een schitterende carrière in voor iets dat zo onzeker en zelfs verboden is. Ook jij kunt worden gepakt.

– Welnee.

– Natuurlijk wel. Soms doe je echt onnozel, weet je dat?

– Wat bedoel je daarmee?

– Ik heb het idee dat je onnodig veel risico neemt. Dat begrijp ik niet. Ben je niet bang voor de consequenties? Wat zegt je man ervan, hoe heet hij ook alweer, Björn?

– Hij zegt niets.

– Dat geloof ik niet, zegt Anne-Marie snel.

Ellens gezicht begint rood aan te lopen. Het gaat Anne-Marie helemaal niets aan wat Björn vindt en hoe kan ze nu beweren dat ze niet gelooft wat ze zegt? De welopgevoede, volgzame secretaresse lijkt van de aardbodem te zijn verdwenen. Anne-Marie’s stem heeft een nieuwe, scherpe klank.

– Hoeveel weet hij eigenlijk?

– Hij weet het belangrijkste, dat we mensen helpen en niets crimineels doen, tenminste niet bijzonder veel.

– Is dat zo?

Anne-Marie is het er niet mee eens, maar besluit er verder niet op in te gaan.

– Wat vindt hij ervan dat je zo vaak weg bent?

– Dat vindt hij niet fijn, maar ik heb hem gezegd dat ik nu wat vaker thuis zal zijn. Geloof ik.

– Hebben jullie een goede relatie?

– Jaha! De toon die Ellen aanslaat geeft aan: tot hier en niet verder. Anne-Marie begrijpt de boodschap.

– Oké, laat Björn nu maar even maar zitten. Wat probeer je eigenlijk te bewijzen? Voor wie?

– Niets. Ik probeer alleen iets goeds te doen.

– En van wie heb je dat? Wie heeft je geleerd wat goed is?

– Mijn vader, vermoed ik.

Ellen denkt een poosje na.

– En mijn opa. En oma. In een klein dorpje, Varmvattnet.

– In Varmvattnet? Dus je bent van Varmvattnet naar Heetvattnet gegaan?

Ellen moet moeite doen de in wijn gemarineerde gedachten te volgen. Net, toen ze Varmvattnet zei, viel alles ineens op zijn plek. Daar kwam het allemaal vandaan. Van dat rode huis op de helling bij het meer. Van de heuvels vol wilgenroosjes en de steiger waar je op voorn kon vissen. Van het bos met de vossenbessen en bosbessen en de zoutsteen voor de elanden. Opeens kan ze haar eigen gedachtegang niet meer zo goed volgen, en er iets over vertellen lijkt al helemaal onmogelijk. Er zijn zo weinig woorden. Het is meer een gevoel. Hoe zou Anne-Marie moeten begrijpen wat Ellen zelf niet eens helemaal begrijpt.

– Nee, je begrijpt het niet. Varmvattnet is de naam van een dorp. Daar woonden mijn opa en oma en daar is mijn vader geboren. Toen ik jong was, logeerde ik daar vrij veel.

– Ja, en?

– Daar draaide alles om ‘het Goede’, ‘het Juiste’ te doen.

– Hoe dan?

– Opa was geheelonthouder en voorzitter van het genootschap van geheelonthouders, of hoe dat ook heette. Midden in de nacht ging hij in zijn oude Opel op weg om de een of andere alcoholist te helpen die ruzie met zijn vrouw had en die na een flinke preek zijn roes in het tuinhuis van mijn opa en oma mocht uitslapen. Mijn oma zat in het missiewerk, was leidster van de naaivereniging, reed naar het huis van die alcoholist om zijn vrouw te troosten en kookte altijd extra veel voor het geval er iemand zou langskomen. Er kwam bijna altijd iemand langs. En ze stuurde al het geld dat ze overhielden naar de arme, zwarte kindertjes in Afrika.

– En ondanks dat ze strenggelovig was, ja, ik geloof zelfs dat ze met de bijbel onder haar hoofdkussen sliep, was ze wars van vooroordelen en had ze altijd begrip voor mensen die het moeilijk hadden. Mijn opa en oma zijn al heel lang dood, maar ik denk dat ze achter ons werk zouden staan.

Ellens stem wordt hees. Ze kan de brok in haar keel niet doorslikken. Ze snottert een beetje, pakt een servet van het kaasplankje en snuit haar neus.

– Tot hun zestigste hadden ze pleegkinderen in huis. Ik vond het er altijd heerlijk. ‘Heb je vandaag iets van blijvende waarde gedaan?’ vroeg mijn opa altijd als hij op de rand van mijn bed kwam zitten, nadat oma het avondgebed had opgezegd. Dan moest ik altijd nadenken. Had ik dat gedaan? En zo denk ik nog steeds bijna iedere avond.

Ellen veegt een traan weg die langs haar wang omlaag rolt.

– Maar je was toch een intelligente meid, die het goed op school deed? vraagt Anne-Marie. Anders had je nooit arts kunnen worden.

– Jawel, maar dat was niet voldoende. Je huiswerk doen of een goed cijfer halen was niet iets van ‘blijvende waarde’. Dat was een eerste vereiste. Iets wat je sowieso deed. Maar er werd wat meer van je verwacht.

– En je vader?

– Hij was hun zoon. Hij probeerde het op zijn manier goed te doen. We waren het niet altijd eens over de manier waarop hij dat deed. Maar hij wilde hetzelfde, iets moest blijvende waarde hebben. Ellen staat op. Het tolt in haar hoofd en ze moet zich aan de bank vasthouden.

– Misschien had je gelijk met dat Varmvattnet en Heetvattnet. Hoe ver kan het zijn naar Zambia?

– Verdomd ver.

– Ten zuiden van Varmvattnet kan het natuurlijk behoorlijk warm worden.

– Ja, pas maar op dat je je niet brandt.

Anne-Marie pakt de wijnfles, glazen en het kaasplankje op, terwijl Ellen naar de badkamer waggelt. Ze gaat plassen, tanden poetsen en naar bed. Anne-Marie bestelt een taxi.

Ellen herinnert zich precies de dag, het uur en de minuut waarop ze besloten heeft het onderzoek voor haar proefschrift stop te zetten. Niet formeel, nee, formeel is ze er nog mee bezig en levert ze bij haar steeds minder geïnspireerde studiebegeleider sporadisch wat papieren in. Maar twee jaar geleden, op een middag in september, voelde ze, op een ongeverfd bankje in de Afrikaanse zon, haar passie voor het academische project uitdoven.




Het dorp was in rouw gehuld en rouw is in Afrika een boze geest die moet worden uitgedreven. Geschreeuw en geklaag in verschillende toonsoorten en geluidssterkten, de directe nabestaanden werden door familie en vrienden bijgestaan. Ellen wilde dat ze haar handen voor haar oren kon houden. Maar zij was een belangrijke buitenlandse gast die een plaatsje op de bank naast de familie had gekregen.

Een aantal vrouwen zong een langzame, wiegende melodie.

– Oh Jezus, Oh Jezus …

Gospel, dacht Ellen, terwijl ze probeerde het geschreeuw uit haar hoofd te krijgen. Ze wilde niet gaan huilen, haar bescheiden manier van snotteren zou als misplaatst gevoeld hebben, veel te zachtjes en niet betrokken. Denk aan iets anders! Gospel, denkt ze nogmaals, maar in Afrika heet het vast anders. Hier was alles begonnen. De Rythm and Blues, de Rock and Roll. De rest van de wereld had het mogen lenen, er hier en daar iets aan veranderd, maar hier was het ritme ontstaan, hier hoorde het thuis. Maar in tegenstelling tot de oeroude muziek die in de rode aarde nog steeds nieuwe wortels maakt, is Jezus met de blanken mee naar Afrika gekomen. Hij neemt een hoop plaats in en lijkt het bijzonder naar zijn zin te hebben.

Ellen had nogal moeten wennen aan het onophoudelijk aanroepen van de Heer, voor het eten, na het eten en tijdens de dagelijkse begroetingen. De onafgebroken gebeden en zegeningen. Niet als een soort formaliteit, maar oprecht bedoeld. Jezus is onder de brandende zon voortdurend aanwezig.

– Oh Jesus, my Lord, bring mercy…

Dat Jezus zich hier had gevestigd was op zich niet zo erg, als hij maar niet in zulk slecht gezelschap terecht was gekomen.

– Oh Jesus, my Lord, bring mercy…

Er werd afwisselend in het Engels of in een andere taal gezongen, net zoals in de gewone gesprekken gebruikelijk was. Ellen heeft de moed opgegeven de verschillende talen te leren spreken of ze zelfs maar uit elkaar te houden. Ze kent wat zinnetjes in het Nyanya en een paar in het Bemba. Mensen zijn geïmponeerd dat ze ‘hallo’, en ‘dankjewel’ kan zeggen - weinig blanken bekommeren zich om de taal - maar daarna stapt ze over op Engels of op gebarentaal. Het verhaal dat ze wil overbrengen is bovendien zo concreet dat ze zich met gebaren uitstekend kan redden. Kleurrijke jurken, kraakwitte hemden en op de maat meetikkende voeten in goedkope plastic sandalen. Begrafenissen zijn hier al te gewoon en de doden veel te jong, maar dit keer is het erger dan gewoonlijk. Een zinloze dood. Volstrekt, volstrekt, volstrekt onnodig. Toen Patricia voor de trein was gesprongen, had niemand er iets van begrepen. Voor het de machinist was gelukt de trein tot stilstand te brengen had de locomotief het levenloze lichaam al een paar honderd meter meegesleurd. De treinbestuurder was wanhopig, maar hield keer op keer koppig vol dat het meisje plotseling op de rails stond. Ze moest zijn gesprongen of vanuit de bosjes zijn geduwd, het was geen gewoon ongeluk en de machinist had onmogelijk op tijd kunnen stoppen. Als er geen getuigen waren geweest - een aantal vrouwen verkocht geroosterde maïskolven aan de andere kant van het spoor - had niemand de machinist geloofd, maar de vrouwen hadden zijn verhaal bevestigd. Het meisje had in de buurt van de struiken op een steen gezeten en op het moment dat de trein kwam aanstuiven was ze opgestaan en op de rails gesprongen. Het was verschrikkelijk snel gegaan. Maar waarom? Patricia deed het goed op school, ze leek een gelukkig leven te leiden en wilde arts worden. Toen Ellen haar voor het eerst ontmoette was ze vijftien jaar en maakte ze deel uit van een straattheatergroep dat een toneelstuk over aids opvoerde. Ze was erg slim, sprak uitstekend Engels en Ellen had een tolk nodig. Voortaan ging Patricia met Ellen mee langs de dorpen, waar ze vertaalde, uitleg gaf en de schakel vormde die de blanke vrouw nodig had om in de hutten en in de belevingswereld van de dorpsbewoners te worden toegelaten. Patricia kreeg hiervoor een kleine vergoeding en leerde tevens een hoop over het artsenvak. De laatste tijd had ze het erg druk met school gehad, waardoor Ellen met andere tolken had moeten werken. En toen opeens - totaal onverwacht -was Patricia voor de trein gesprongen.

De begrafenisgasten zongen in een wiegend ritme en Patricia’s moeder begon opnieuw te gillen, terwijl de vader de handen van zijn vrouw stevig vasthield. Een paar schurftige honden scharrelden rond de benen van de begrafenisgasten, zonder te begrijpen wat er aan de hand was.

Ellen vroeg zich af of ze iets had kunnen doen, iets had kunnen zien, of met iets had kunnen helpen.

Onder haar lange rok kriebelde het droge gras tegen haar benen. Ze had een paar jeukende muggenbeten en dat maakte haar ongerust. Wanneer was ze gestoken? Hier zijn muggenbeten niet alleen irritant, ze kunnen ook heel gevaarlijk zijn. Malaria. Was ze zich vergeten in te smeren?

Een van de nadelen van het volwassen worden is dat je last van muggen krijgt. Als Ellen aan de bossen en de meren uit haar kindertijd terugdenkt, verbaast het haar hoe ze het als kind en als tiener vaak hele avonden, soms zelfs hele nachten buiten uithield. De muggenplagen zijn niet verergerd, dat heeft ze uitgezocht, maar alles draait om tolerantie. Als ze tegenwoordig van de Zweedse, lichte midzomernachten wil kunnen genieten, heeft ze een sjaal, anti-muggenmiddel en lange mouwen nodig en moet ze haar broekspijpen in haar sokken stoppen. Het voordeel van die overgevoeligheid is dat ze altijd een goed merk anti-muggenmiddel van de apotheek bij zich heeft, waardoor ze meestal niet wordt gestoken. Geïrriteerd krabde ze aan haar been en tilde het schrijfblok uit haar rugzak om het flesje muggenmelk te kunnen zoeken.

– Hoe kun je hier aantekeningen lopen maken, terwijl je in plaats daarvan zou kunnen helpen?

De stem naast haar klonk rustig, gecontroleerd, maar woedend. Dora legde haar baby aan de borst terwijl de tranen over haar wangen liepen. Met het schrijfblok op schoot graaide Ellen nog een poosje in haar tas, waarna ze de natte wang van Patricia’s oudere zus onhandig streelde.

– Wat bedoel je?

– Patricia was zwanger.

Ellens hand zakte op haar knie. Dora drukte haar ene neusgat dicht, spoot het snot van het huilen door het andere neusgat naar buiten en veegde haar hand af aan een graspol.

– Ze vroeg me haar te helpen het kind weg te halen.

– Hoe dan? vroeg Ellen, maar ze realiseerde zich tegelijkertijd dat ze dat waarschijnlijk helemaal niet wilde weten.

– Ik heb mijn best gedaan, maar geen van de methoden die ik kende leek te werken. Patricia bloedde, kotste en crepeerde, maar het kind bleef zitten. Dat was de reden dat ze niet meer voor je kon werken, ze was zelfs een paar maanden doodziek. Ik geloof dat mijn moeder het wist, maar ze zei niets. Het zou snel zichtbaar worden en er moest iets gebeuren.

Dora streelde haar jongste over zijn krullende haartjes. Haar andere kind zat op de trap naast het huis met grote ogen naar de begrafenisgasten te kijken.

– Ik vond het geen ramp, want kinderen krijg je vroeg of laat toch wel, maar voor haar was het dat wel. Een ramp dus. Ik trouwde en kreeg Pilot, die nu zes jaar is, bijna direct. Ik was toen zestien jaar. Maar Patricia wilde dat niet. Ze wilde absoluut niet trouwen met de vader van haar kind, die leraar op haar school is. Heb je hem wel eens ontmoet? Meester Phiri?

Ja, Ellen had hem ontmoet. Een sympathieke man van rond de vijfendertig, welbespraakt, met een stralend witte lach en goed thuis in de Engelse literatuur.

– Mijn familie had hem waarschijnlijk kunnen dwingen Patricia als tweede vrouw te nemen, zegt Dora. Maar dat scenario was volgens Patricia erger dan de dood. Dus koos ze voor de dood. Het flesje anti-muggenmiddel was uit Ellens hand gevallen, maar ze hield het schrijfblok stevig vast, alsof dat haar kon beschermen. Ze zat, midden in het zonlicht, als bevroren. Plotseling stond Dora op, de baby bungelend onder een arm. Met haar andere hand trok ze het hemdje weer over haar borst, waar nog een druppel melk aanhing. Haar stem klonk nog steeds rustig, maar toen ze zich voorover naar Ellen boog was haar lichaamstaal dreigend.

– Ons hier een beetje komen bestuderen! Alsof wij een stelletje domme apen zijn. Aantekeningen maken, verhalen schrijven om zo zoetjes aan flink wat geld op te strijken en een leuk baantje te versieren omdat je ons de hele tijd hebt lopen analyseren! En dan wil je ook nog dat wij je helpen, zoals Patricia deed. Vertalen, uitleggen, je helpen de dingen te begrijpen, zodat jij je mooie rapporten en boeken kunt schrijven en in je fijne, witte land een vet salaris kunt opstrijken.

Dora neemt even pauze om haar kind goed op haar heup te zetten. Niemand anders luistert, iedereen wordt door het verdriet in beslag genomen.

– Patricia vertelde dat je eigenlijk arts bent, ging de vrouw verder. Dat je weet hoe het werkt, dat je lang hebt gestudeerd om andere mensen te kunnen helpen, en dat er goede medicijnen in jouw land zijn. En toch loop je ons hier alleen maar te bestuderen. Terwijl wij en onze dierbaren ondertussen door allerlei ziektes sterven, of ons voor de trein storten omdat we geen andere uitweg zien. Dat je je niet dood schaamt! Het beeld van haar donkerbruine gezicht, dat nat van de tranen is, verandert plotseling voor Ellens ogen. Als in een soort overbelichte film.

‘ … een mooie baan en een vet salaris … terwijl je de mensen zou kunnen helpen!’

Toen ze haar ogen had scherpgesteld zag ze voor zich een lichtgrijze snor onder een paar dwingende blauwe ogen.

– Heb je de laatste tijd iets van blijvende waarde gedaan?

Dora huilde hysterisch toen de priester een schep rode aarde over de kist strooide. Hij begroef haar kleine zusje en daarmee ook het proefschrift van een Zweedse arts.




Lusaka, Zambia
3 februari 2004

– En wat is dit!?

De douanier zwaait met een van de witte doosjes uit Ellens geopende koffer. Dit heeft ze vaker meegemaakt. Het interesseert de douanier geen barst wat ‘dit’ is. Hij heeft geen flauw benul of import wel of niet is toegestaan, hij weet niets over welke tarieven eventueel van toepassing zijn, hij roept maar wat. Hij is straatarm, heeft een familie te onderhouden en hij ziet haar als een wandelende schatkist.

Als het zou kunnen zou ze protesteren en weigeren te betalen. Weigeren het systeem in stand te houden dat iedere vorm van fatsoen dwarsboomt, erop staan dat de douanier zijn chef zou halen, en die weer zijn chef, en inzage in de voorschriften eisen waarnaar wordt verwezen. Dreigen met de Minister van Binnenlandse Zaken, of wie dan ook. Maar nu kan dat niet.

Misschien ruiken de douaniers dat ze hier niet is gekomen om herrie te schoppen. Ze houden haar vaak aan, graaien in haar tassen, maar niemand lijkt zich haar te herinneren, niemand schrijft een rapport. Natuurlijk niet, alles gebeurt hier immers buiten de regels om. Als iemand zijn smeergeld zou laten zien, zouden er meer willen meedoen en de buit willen delen.

En dat is op een bepaalde manier haar redding.

Ellen pakt een stapeltje dollars in kleine coupures, dat ze van tevoren stevig heeft opgerold en van een elastiekje heeft voorzien, zodat de douaniers het geld niet onopgemerkt kunnen natellen voor ze het in hun zak laten glijden en haar laten doorlopen. Ze heeft eerder wel eens in kwacha’s betaald, maar daar is ze mee gestopt. Deels omdat de groene dollarbiljetten de ogen van de corrupte douaniers doen fonkelen, en deels omdat ze de waarde van hun eigen valuta veel beter kennen.

Dan worden de automatische deuren geopend en mag ze doorlopen, opnieuw. Vlak achter haar probeert een lange Amerikaanse man met een aktetas zich naar voren te wurmen. Hij is vast niet gewend naar Afrika te reizen. Hij draagt een driedelig pak!

De hitte komt haar tegemoet en ze trekt haar gebreide trui uit en propt hem in haar rugzak. Ondanks de hectiek op het vliegveld, reageert haar lichaam positief op de warmte. Eindelijk. Haar gespannen spieren genieten van de warme wind en het licht. Haar bevroren skelet begrijpt waarom de oermens ervoor gekozen heeft in Afrika te worden geboren en ze vraagt zich af waarom die daar ooit is weggetrokken.

Een van de wielen van de bagagekar is stuk, waardoor hij lastig stuurt. Haar koffers zijn zwaar, maar Ellen wijst resoluut alle hulp van de hand. Natuurlijk zou ze best wat hulp kunnen gebruiken, en natuurlijk zou ze de behulpzame handen wat centen voor hun grote families moeten gunnen, maar ze heeft daar nu even geen geduld voor. Ze wil met rust worden gelaten en haar eigen zaakjes regelen. Typisch Zweeds, denkt ze chagrijnig.

Dan komt de taxi-invasie. Hardwerkende taxichauffeurs en sjacheraars verdringen elkaar. Ze hebben allemaal een glimmend gezicht en dragen allemaal een overhemd met korte mouwen. De meesten van hen rijden in auto’s die de Zweedse APK-keuring niet eens zouden inkomen, laat staan doorkomen. Ellen heeft in taxi’s gezeten waar ze dwars door het verroeste onderstel trapte en heeft wel eens een chauffeur moeten helpen de versnellingspook op zijn plek te houden als hij moest schakelen. Om nog maar niet te spreken van al die keren dat ze vooraf moest betalen, zodat de chauffeur precies het aantal deciliter kon tanken dat nodig was om de bestemming te kunnen bereiken.

Maar er zijn er ook die klantvriendelijk en servicegericht zijn. Zoals de chauffeur die ze niet eerder mocht betalen dan dat hij haar van het restaurant naar huis had teruggebracht, ‘het is hier niet veilig voor een vrouw alleen, en ik wil niet dat u in moeilijkheden raakt, dus kom ik over anderhalf uur terug mevrouw, hebt u daar genoeg aan? U hoeft niet naar buiten te komen, ik kom u binnen ophalen.’

Maar vandaag gaat ze niet met de taxi. Ze houdt haar blik strak op de stoep gericht, terwijl ze alle chauffeurs negeert die haar bagagekar proberen te grijpen.

– Madame! Taxi!?

– Madame! Taxi to the city? Very cheap!

– Miss! Can I help you?

Het felle licht komt haar tegemoet en ze zoekt naar haar zonnebril, terwijl haar T-shirt tegen haar rug plakt. In de goot liggen platgereden colablikjes en vieze plastic zakjes. Met het wiebelige karretjes zigzagt ze langs de gaten in de weg.

– Bus naar Hotel Pamodzi!

De chauffeur die de minibus van het hotel bestuurt is blij haar weer te zien en merkt op dat ze net als altijd weer veel bagage bij zich heeft.

– Papieren en boeken, zegt ze met een verontschuldigende glimlach terwijl ze hem wat geld geeft.

De bus is niet vol, maar toch kruipt Ellen helemaal achterin en gaat, met een zuinig knikje in de richting van een uitgelaten Engelse familie, vlakbij het raam zitten. De zonnebril komt goed van pas. Ze wil met niemand praten. De bezwete Amerikaan in zijn driedelig kostuum heeft de aangeboden hulp op het vliegveld wel geaccepteerd, en betaalt de overgelukkige jongeman met een briefje van twintig dollar. Misschien heeft hij nog geen tijd gehad zijn geld te wisselen, maar Ellen zou nog liever zelf haar koffers door het stof slepen, dan zoveel geld te betalen. En dat is niet omdat ze het geld niet heeft. Als je in een land waar de bevolking straatarm is met dollars gaat smijten, geef je aan dat voor jou geld geen waarde heeft en als jouw geld geen waarde heeft, is dat van hen ook niets waard. Natuurlijk wil Ellen geld geven, ze kan zich dat veroorloven, maar dan wel een redelijk bedrag. Anders voelt ze zich een koloniale potentaat. Ze betwijfelt of de kruiers op het vliegveld het met haar eens zouden zijn.

De Amerikaan blijkt niet op de passagierslijst te staan, maar hij mag toch instappen. Vriendelijk groet hij de andere passagiers en gaat helemaal achterin bij het andere raam zitten.

Margoths grote familie is nog niet bij de bus gearriveerd, dus met een beetje geluk is Ellen al onderweg voor ze aankomen. Maar nee, daar komt de hele club onder leiding van hun coach aanzetten. Margoth heeft het zo druk met het tellen van haar kinderen en de koffers dat ze helemaal vergeet naar Ellen uit te kijken. Mooi. Dat ze maar in het National Park mogen verdwijnen en nooit meer zullen opduiken.

De weg naar het centrum van Lusaka is een stuk verbeterd. Vanwege een pan-Afrikaanse topontmoeting eerder dit jaar zijn de grote gaten in de weg opnieuw gevuld en overbelaste minibussen denderen met een snelheid van honderd kilometer per uur voorbij. Hier en daar zie je glimmend-zwarte Mercedessen met geblindeerde ruiten, waarin regeringsfunctionarissen en zakenlieden zich laten vervoeren. Ontwikkelingswerkers rijden in Jeeps met vierwielaandrijving.

Langs de kant van de weg – je kunt de hobbelige strook nauwelijks een stoep noemen – lopen mensen. Schoolmeisjes met spierwitte bloess en plooirokken, arbeiders met zanderig gereedschap in hun handen, vrouwen met zware lasten op hun hoofd en rug, straatjongens in vieze kleding die verwilderd uit hun ogen kijken. Een vrouw, gewikkeld in een doek met fleurige patronen, en met een groot pakket op haar hoofd en op haar heup, staat bij een brede greppel langs de kant van de weg te wankelen. Ze zoekt haar evenwicht, neemt een aanloop, en precies op het moment dat ze springt ziet Ellen het kind dat op haar rug bungelt. Verstrooid schuift de vrouw de last op haar hoofd weer op zijn plaats en loopt met een kaarsrechte rug verder.

Wat zo kenmerkend voor Afrika is, denkt Ellen, is dat iedereen er loopt. Urenlang, dagen achtereen, kilometer na kilometer. In Vietnam fietst iedereen die de kans heeft een fiets te kopen. Of, als men het echt getroffen heeft, rijdt men er op een brommer met de hele familie achterop de bagagedrager. Tijdens hun artsenopleiding hadden Björn en Ellen een half jaar verlof opgenomen en als vrijwilligers in een ziekenhuis in Hanoi gewerkt. Toen hadden ze alles op de fiets gedaan. Op zijn minst zou een fiets voor veel Afrikanen toch ook mogelijk moeten zijn, maar je ziet ze zelden. Misschien hebben de mensen in Afrika simpelweg niet zo’n haast, accepteren ze dat het tijd kost om ergens te komen. Doe je er twee uur over om op je werk te komen, dan is dat nu eenmaal zo en met een beetje geluk krijg je onderweg een lift.

Betekent dat dat Afrikanen gelukkiger zijn? Of alleen maar armer? Ellen leunt achterover en sluit haar ogen.

Het lukt haar tegenwoordig goed in het vliegtuig te slapen, als ze zich maar aan haar ritueel houdt. Gin met tonic, rode wijn bij het eten, koffie met cognac. Geen conversaties met medereizigers, schoenen uit en zachte sokken aan, de knoop van haar broek los, een halve film, oordopjes, een nekkussen en een deken. Ze heeft ook deze reis goed geslapen en is eigenlijk niet zo moe. Als ze straks bij het hotel aankomt, moet ze niet vergeten Björn te mailen om te laten weten dat ze is aangekomen, dat alles goed is gegaan en hem vragen of hij zijn schoonmoeder even wil bellen. Ellens moeder is de laatste tijd steeds ongeruster als Ellen op reis is. Voor de dood van haar man maakte ze zich nergens druk om, maar tegenwoordig is ieder item in het nieuws waarin over onrust in de wereld wordt gesproken, een reden zich over haar dochter zorgen te maken. Dat Bali, waar die bomaanslagen zijn gepleegd, een halve aardbol van Zambia verwijderd ligt, is voor haar steeds moeilijker te begrijpen. Maar Björn kan goed met haar overweg en het lukt hem een stuk beter dan haarzelf zijn schoonmoeder gerust te stellen. Björn kan überhaupt goed met mensen omgaan, denkt ze. Eigenlijk is het verbazingwekkend dat zij nog steeds met patiënten werkt terwijl hij achter zijn microscoop zit. Haar zussen, waar ze vaak mee in de clinch ligt, zijn dol op hun sympathieke zwager. Ze zullen het af en toe wel met hem te doen hebben, omdat hij zo’n stijfkoppige vrouw heeft.

Vermoedelijk heeft Björn zijn menslievendheid te danken aan zijn onconventionele opvoeding. Hij is opgegroeid met zijn moeder, zijn oom en zijn tante, met elkaar in een groot huis in Uppsala. Björns vader, die van zijn vrouw scheidde toen Björn nog een baby was, kwam er ook regelmatig over de vloer en het hele stel ging altijd samen op vakantie, waarbij het kleine ventje in het middelpunt van de belangstelling stond. Ellen vindt het prettig bij Björns familie en vergelijkt soms zijn kindertijd jaloers met die van haar. In haar familie was het vaak erg stil. Een soort stijfkoppige stilte. Ze heeft wel eens gedacht dat het leukste van Björn zijn familie is, en dat, als ze zouden scheiden, ze die meer zou missen dan haar man, maar zo mag ze niet denken. Björn is een goed mens en een betrouwbare echtgenoot. Een kameraad op de werkvloer, een goede vriend enzovoort, enzovoort. Meer kun je je toch niet wensen? Of wel?

Ze moet echt niet vergeten vanaf het hotel te mailen. Ze graait in haar rugzak naar een pen en schrijft op haar hand ‘Björn mailen!’ Misschien kan ze straks een duik in het zwembad nemen en kijken of de vrouw die massages geeft nog een uurtje over heeft. Het werk en de stoffige wegen kunnen best even wachten, vandaag neemt ze het ervan. Ellen sluit haar ogen en laat zich door de deinende schokdempers in slaap wiegen.

Ze schrikt wakker als de bus plotseling remt. Het is niets bijzonders, gewoon een rood stoplicht dat voor Afrikaanse chauffeurs altijd als een verrassing lijkt te komen.

Naast de bus komt een vrachtwagen tot stilstand. Hij is volgeladen met mannen die zich aan de rand van de laadvloer vasthouden en op de maat meedeinen als de wagen stopt. Hij staat zo dicht naast de bus, dat Ellen hem zou kunnen aanraken als ze haar raampje zou opendoen. Misschien is het een soort openbaar vervoer, of een transportwagen voor arbeiders. De mannen dragen een T-shirt of een overhemd op een spijkerbroek, die in sommige gevallen nog heel is, maar niet bepaald schoon.

Precies naast Ellen, met zijn gezicht tegenover dat van haar, staat een erg knappe, jonge knul van hooguit vijftien jaar. Opeens heeft hij haar in de gaten en tovert een krijtwitte glimlach tevoorschijn. Hij zet grote ogen op en maakt overduidelijke bewegingen met zijn onderlijf. Het is zonder twijfel een uitnodiging tot seks. Ze heeft dit eerder meegemaakt, maar toen was de afstand groter, waardoor ze zich snel van de persoon kon afkeren. Nu zit ze daar en kan de jongen zelfs op het raam kloppen. Als hij met zijn lichte handpalm het raam begint te strelen draait ze gegeneerd en verward haar hoofd weg. Volgens Afrikaanse maatstaven zou hij haar zoon kunnen zijn. Wat haalt hij zich in zijn hoofd? Is het alleen een demonstratie van zijn mannelijkheid of zou hij het serieus menen? Zou hij in dat geval geld willen hebben? Zijn er blanke vrouwen die seks met jonge zwarte jongens hebben en er misschien zelfs voor betalen? In dit met HIV besmette land?

De andere mannen in de laadbak hebben ondertussen in de gaten wat er aan de hand is en moedigen de jongen aan, die steeds uitdagender begint te bewegen. Onder de gulp van zijn versleten broek zit een markante bobbel en met de hand die hij niet nodig heeft om zich aan de laadbak vast te houden streelt hij zijn gespierde bruine borst onder zijn opengeknoopte overhemd. Tot haar schrik merkt Ellen dat ze bloost. Er moet een verkeersopstopping zijn, want het stoplicht is al een paar keer op groen gesprongen, maar het verkeer komt niet op gang. Godzijdank heeft ze een zonnebril op.

Ellen draait haar gezicht demonstratief weg en staart door het andere raam naar een reclamebord voor mobiele telefonie. Het lawaai uit de met testosteron gevulde laadbak neemt toe. Ondanks de airco loopt het zweet van haar af en kan ze haar hart voelen bonzen.

Plotseling staat de Amerikaan naast Ellen woedend op, doet een grote stap naar voren en leunt over de lege stoel voor haar. Terwijl hij de handgreep beetpakt en het raam omlaag trekt, schreeuwt hij iets naar de mannen in de laadbak. Ellen kan de taal niet verstaan. Kennelijk richt hij zich direct tot de hitsige jongeman, want de jongen stopt en staart hem verbouwereerd aan. Het verkeer komt weer op gang en terwijl de Amerikaan het raam dichtschuift hoort Ellen in de laadbak een nieuw lachsalvo losbarsten, maar dit keer wordt de hitsige jongen uitgelachen.

De Amerikaan gaat weer op zijn plek zitten, terwijl de blikken van alle passagiers op hem zijn gericht. De enige die iets zegt is de chauffeur. Het klinkt bemoedigend, maar Ellen kan ook hem niet verstaan.

– Dat ware rake woorden, zegt de chauffeur nu in het Engels, terwijl hij zich direct tot Ellen richt.

Nog natrillend kijkt ze verbaasd naar de Amerikaanse man in het driedelig pak.

– Bedankt, zegt ze uiteindelijk met een benepen stemmetje.

– Graag gedaan, antwoordt hij en Ellen ziet dat hij zweet. Zijn gezicht is rood aangelopen en hij trekt geïrriteerd aan de knoop van zijn stropdas.

– Wat zei je eigenlijk? vraagt ze.

– Dat wil je niet weten, zegt hij met een brede glimlach. Er is iets geks met zijn ene oog, dat soms even wegdraait.

– Welke taal was het?

– Tonga. Dat heb ik als kind geleerd. Ik geloof niet dat het de lokale taal is, maar de meesten lijken het te verstaan. En het had in elk geval effect.

– Woon je hier? vraagt Ellen.

– Nee. Het is zelfs de eerste keer dat ik in Lusaka ben. Maar toen ik klein was heb ik in Zambia bij een zendingspost aan de Zambezi gewoond. Daar was mijn pa missionaris. 

Hij zegt ‘pa’ in plaats van ‘vader’, denkt Ellen, maar dat is misschien typisch Amerikaans.

– Op mijn veertiende zijn we naar de VS verhuisd, maar ik heb altijd terug willen gaan. Nu is het eindelijk zo ver, ik ga hier wat werken, en dat vind ik heel spannend. Hoewel er natuurlijk enorm veel is veranderd.

Er is veel te weinig veranderd, denkt Ellen, maar ze vraagt:

– Wat doe je voor werk?

– Ik ben freelance journalist en ik ben van plan een aantal artikelen over de gezondheidssituatie in Zambia te schrijven. Aids en zo. Ik werk voor een aantal kleine specialistische tijdschriften. Ben jij hier eerder geweest?

– Ja.

– Vaak?

– Dat kun je wel zeggen.

– Wat doe je?

– Ik ben arts en ik doe onderzoek naar sterfte onder zwangere vrouwen.

– Dat klinkt spannend. Misschien kun je me aan wat contacten helpen?

– Misschien wel, zegt Ellen, terwijl ze zich voorneemt helemaal niet te helpen en de Amerikaanse journalist op veilige afstand te houden. Hij mag haar dan wel hebben geholpen en er is zeker niets mis met hem, maar Ellen heeft geen behoefte aan gezelschap. De Amerikaan heeft bij zijn stoel zo weinig beenruimte dat hij zijn lange benen in het gangpad moet uitstrekken. Op zijn goedgepoetste schoenen ligt een dun laagje stof en zijn broek heeft een geperste vouw en een omslag. Een fout geklede, lichtelijk schele Amerikaan, met Tonga als tweede taal.

De bus passeert het terrein van de steenhouwers. Ze zijn terug, denkt Ellen, die weer van de schrik is bekomen en voor iedereen in de bus die het wil horen over de steenhouwers begint te vertellen. Op een open stuk grond, opgekocht door een projectontwikkelaar, maar nog niet bebouwd, zitten zo’n twintig mannen en vrouwen en veel te veel kinderen, ieder bij hun eigen berg uitgehouwen stenen. Verschillende steenhouwers hebben zich in een bepaalde grootte van stenen gespecialiseerd. Naast enorme bergen grof grint hebben sommigen kleine zeskantige stenen naast zich liggen, zoals bakstenen, en weer anderen grotere en meer onregelmatige stenen. Het basismateriaal, de steenblokken, hakken ze een eind verderop los, waarna ze de rest van de tijd op het winderige bouwterrein de massieve blokken bewerken. Af en toe komt er iemand met een kar langs om wat stenen te kopen. Om de week stuurt de grondeigenaar er een groep zware jongens op af, die de steenhouwers met auto’s afvoeren. De eigenaar heeft geprobeerd de grond te omheinen, maar zonder resultaat. In een land waar mensen elkaar voor een zak maïs doodslaan, is het lastig de politie te motiveren achter een stelletje steendieven aan te gaan, vooral als de grondeigenaar niet van plan is de agenten netjes voor hun diensten te betalen. Als de mensen zijn afgevoerd duurt het vaak een aantal dagen, maar dan komen ze steevast weer terug. Het enige dat een arm mens te verkopen heeft is zijn lichaam, in het meest gunstige geval als arbeidskracht, en als dat met wat stenen te combineren valt, verdubbelt dat de inkomsten.

– Dus als iemand wat stenen nodig heeft, kan ik dit verkooppunt zeer aanbevelen, zegt Ellen lachend, waarop de Engelse familie laat weten de regels voor overgewicht van de luchtvaartmaatschappij te betreuren. Ze moeten ook erg lachen als Ellen vertelt hoe in Lusaka een rotonde wordt genoemd: een keepilefti.

Ellen herkent zichzelf niet. Normaal praat ze nooit met mensen die ze niet kent, laat staan dat ze grappige verhalen aan vreemden gaat zitten vertellen. De spraakwaterval zal wel door de opluchting komen na het akkefietje met de jongen op de vrachtwagen. De ernst keert terug als de bus de weg naar het hotel oprijdt. De groep jonge meisjes, die altijd bij de opening in de heg rondhangt, is groter geworden. Ze zijn fel opgemaakt, dragen truitjes met lage decolletés, korte rokjes en hoge hakken. Af en toe jaagt een van de bewakers van het hotel ze van het terrein af, maar de meesten van hen vinden het wel best. Zolang de meisjes niemand lastigvallen mogen ze blijven en bovendien heeft een groot aantal hotelgasten soms behoefte aan wat gezelschap. De nachtbewaker kan tijdens zijn saaie arbeidsuren ook wel wat afleiding gebruiken. Gratis uiteraard, en in ruil daarvoor knijpt hij dan een oogje toe als iemand door het hek glipt. Ellen ziet dat sommige meisjes heel jong zijn, nauwelijks twaalf, dertien jaar. Ze moet eraan denken wat condooms langs te brengen. De Amerikaan geeft haar zijn visitekaartje, dat ze snel in haar zak stopt, want de bus stopt nu bij de bekende ronde plantenbak voor het hotel. De voorzijde van het hotel is met plastic bedekt en een groepje arbeiders is bezig een bouwsteiger op te zetten. Dat was ze vergeten. Zou het hotel in februari worden gerenoveerd?

– Miss Ellen, welkom terug!

De grijs wordende conciërge in zijn uniform met gouden bies kijkt oprecht blij als hij haar ziet. Hij zet haar koffers op de bagagekar, terwijl hij vrolijk vertelt hoe hard het gisteren heeft geregend en hoe weinig regen er vandaag wordt verwacht. Met een extra handdruk verontschuldigt hij zich voor de renovatiewerkzaamheden in het hotel. Ze zal er zeker geen last van hebben en het resultaat wordt heel, heel mooi, dat heeft hij op de tekeningen kunnen zien. De airco in de hal van het hotel doet het in elk geval en de oude bekende souvenirverkoper heeft een aantal nieuwe houten maskers, waarvan hij vindt dat Ellen ze moet komen bekijken. Later, ze blijft nog een hele tijd. De receptionist is nieuw, maar de chef van de receptie komt haastig aanlopen om haar te vertellen dat haar kamer net als gewoonlijk tegen een speciaal tarief is geboekt. En de bouwsteigers zullen voorlopig niet aan de kant van haar kamer komen. Tegen die tijd mag ze, als ze dat wil, van kamer wisselen. De jongeman die de koffers draagt lijkt ook blij haar te zien. Dat is niet zo verwonderlijk, want ze heeft hem meerdere malen een extra fooi gegeven als hij haar houten souvenirgiraffen voor het transport naar Zweden in bubbelplastic verpakte. Bij de receptie vult Ellen het registratieformulier in. Naam: Ellen Elg. 

Meisjesnaam: Ellen Olofsson.

Direct na haar achttiende verjaardag, toen Ellen meerderjarig werd, had ze haar achternaam laten veranderen. Ze had alle zaterdagen achter de kassa bij de Konsum gezeten om geld te sparen voor het verzoek tot naamsverandering, en de formaliteiten waren geen probleem geweest. Ellens opa uit Varmvattnet was geboren met de achternaam Elg, wat klinkt als het Zweedse woord voor eland, maar veranderde zijn naam in Olofsson, omdat hij vrij klein was, slechts 1 meter 60, en tijdens zijn jeugd veel met de naam Elg was gepest. Ellen had daarmee het recht weer haar oude familienaam aan te nemen, en ze had met 1 meter 76 haar lengte mee. Het lastigste was om haar besluit aan haar vader mee te delen, die uiteraard doorhad, dom was hij niet, dat dit voor haar een manier was om zich van hem los te maken. Als een Olofsson kende iedereen je en werd je permanent in de gaten gehouden. Daar had Ellen schoon genoeg van en hoewel ze op het punt stond het huis uit te gaan, wilde ze die naam niet langer dragen. Ze wilde een nieuw leven beginnen op een nieuwe plek met een nieuwe identiteit. Daarbij was het mooi meegenomen dat de naam Elg kracht uitstraalde en gemakkelijk was te onthouden. In die tijd speelde anonimiteit geen grote rol.

Dat haar zusters Kristina en Maria zodra ze meerderjarig werden haar voorbeeld volgden en ook hun achternaam in Elg veranderden, maakte Ellens vader er niet vrolijker op en eigenlijk vond Ellen dat ze best zelf iets hadden kunnen verzinnen. Beroep: ‘consultant’, schrijft ze, want dat klinkt lekker vaag. Huisadres. Paspoortnummer. Geen probleem.

Dan komt het vakje dat ze altijd demonstratief overslaat: Naam van de echtgenoot/vader: vandaag schrijft ze toch Björns naam op. Waarom ze dat doet weet ze niet. Ze moet later maar eens nadenken of dit een onbewust signaal is, misschien een waarschuwingsteken.

Ellen heeft het in het hotel uitstekend naar haar zin. Geen lastige vragen over wat ze hier komt doen, lekkere omeletten bij het ontbijt en een prima service. Als ze een paar dagen op pad moet is het geen enkel probleem dat ze haar spullen inpakt en voor die dagen niet betaalt, zelfs als dat vrij onverwachts gebeurt. Ze krijgt bijna iedere keer dezelfde kamer, met een stoeltje op het balkon, van waaruit ze uitzicht op de zonsondergang heeft.

Het is een typisch zakenhotel voor alleenreizende consultants, ondernemers en ontwikkelingswerkers van beide seksen. Vandaag zit er gek genoeg een familie met drie kleine kinderen op de bank bij de ingang. De moeder snuit de neus van het middelste kind, terwijl de baby een beetje huilt. De vader poetst de ijsvlekken van zijn zoontjes kin en beide ouders lachen om een grapje dat hij maakt. Ellen, die voelt dat ze naar de baby staart, wendt haar blik af en concentreert zich op de receptionist.

– Zijn er nog boodschappen voor me achtergelaten?

De receptionist overhandigt haar een enveloppe waarop het logo van het hotel staat. Er zit een computeruitdraai in met daaraan vastgeniet een handgeschreven briefje waarvan ze het slordige handschrift direct herkent.

‘Welkom Ellen. Doe het kalm aan, pak je koffers rustig uit en slaap een paar uur als je dat nodig hebt, maar bel me even zodat ik weet dat je goed bent aangekomen. Ik kom je rond zes uur ophalen. Groet, Blessing’.

‘P.S. Ik voeg een grappig en opmerkelijk berichtje bij, dat ik via de mail kreeg’.

De kartonnen doos, die ze de vorige keer in de opslagruimte van het hotel heeft achtergelaten, staat er nog steeds. Hij is goed dichtgetapet en zo te zien onaangeroerd. De kruier sleept de doos naar buiten en zet hem op de kar. Ze heeft al vaker bij vertrek, één of twee dozen in een hok van het hotel mogen achterlaten

‘Stapels papieren en werkmateriaal waarvoor ik geen overgewicht wil betalen’, zegt ze altijd. Ze gelooft niet dat er iemand in de dozen snuffelt, en mocht dat wel zo zijn, dan liggen er bovenop wat papieren en is de doos verder vooral met frisgewassen kleding en ingepakte toiletspullen gevuld. Een beetje merkwaardig misschien, maar nauwelijks verdacht. Ze ziet er nauwkeurig op toe dat ze geen spullen achterlaat die het hotel in de problemen zouden kunnen brengen, of een nieuwsgierige hotelmedewerker op vreemde gedachten.

Bij de receptie is er wat opschudding ontstaan rond de boeking van de Amerikaan. Er is geen kamer voor hem gereserveerd, en nu zit het hotel vol, zegt de receptionist, maar natuurlijk kan opeens alles worden opgelost als er wat dollars uit een binnenzak worden gehaald.

De kruier helpt haar met de koffers. Op de verdieping waar haar kamer is, is de renovatie in volle gang, maar de kruier zegt dat er niet wordt getimmerd ‘beng beng’ zegt hij, terwijl hij doet alsof hij met een hamer slaat, maar alleen wordt geschilderd. Hij veegt met zijn hand langs de muur. Als hij hotel-Engels spreekt is zijn woordenschat indrukwekkend, in andere situaties redt hij zich uitstekend met gebarentaal.

De vloer op de gang is bedekt met houtvezelplaten en bouwplastic. Een schilder is met de kozijnen bezig. Hij draagt een witte, gevlekte schildersoverall, waarvan de knopen tot onder zijn borst zijn opengeknoopt. Een groot gouden kruis bungelt tegen zijn zwarte huid. Hij kijkt naar Ellen, terwijl ze het geperforeerde pasje in de gleuf van het slot steekt.

De kamer ziet er precies zo uit als alle andere kamers. Twee bedden, een klein bureautje, een bankje waarop je je koffer kunt inpakken, een luie stoel, dichtgetrokken gordijnen, een tv met afstandsbediening, badkamer met ligbad, alles in abrikoosgele pasteltinten. Het zou een fatsoenlijk middenklasse hotel waar dan ook op de wereld kunnen zijn, ware het niet dat je hier uitzicht op Jacarandabomen, het zwembad en de skyline van Lusaka hebt. De kruier begint volstrekt overbodige informatie te geven over de werking van de lampen, de televisie en de airco. Kan hij niet ophoepelen? Dan begrijpt ze de hint en stopt nog een fooi in zijn hand.

Eindelijk alleen. Ellen controleert zorgvuldig of de deur op slot zit, trekt haar klamme reiskleding uit en grabbelt haar ochtendjas uit de kartonnen doos. De kleding propt ze in een waszak van het hotel. Dat is een luxe waarvoor ze zich niet langer schaamt, je kleren mogen inleveren zodat je niet zelf hoeft te wassen of te strijken. Ze heeft lange tijd met handwasmiddeltjes in de wasbak staan knoeien, waarna ze onder de druppelende was moest doorkruipen om onder de douche te kunnen stappen. Maar dat heeft ze achter zich gelaten. En ze zal haar moeder nooit vertellen dat ze niet zelf wast.

In de kartonnen doos zit een enveloppe met een Zambiaanse simkaart. Ze wisselt de kaart in haar mobiele telefoon, ontvangt het enthousiaste welkomstbericht van de Zambiaanse operator en toetst het nummer van Blessing in. Haar huishoudster antwoordt dat, ‘nee, miss Blessing is helaas niet thuis’ en ‘nee, ze weet niet wanneer ze thuiskomt’.

Ellen zit op het bed en bladert in haar adressenboekje. Ze beseft voor de honderdste keer dat het niet slim is al haar contactgegevens in één boekje te hebben staan zonder er een kopie van te hebben gemaakt. Ze moet niet vergeten voor alle zekerheid het hele boekje te kopiëren.

Het duurt vrij lang voor Blessing opneemt. Ze zit in de auto, draait ritmische Congolese rockmuziek en is onderweg naar de begrafenis van haar schoonzus. Ze verwacht daar zeker tot zonsondergang te blijven, maar ze belooft daarna naar het hotel te komen. Natuurlijk is het overlijden van haar schoonzus verdrietig, zegt ze, maar haar dood kwam niet onverwacht.

– Zo gaat het tegenwoordig nu eenmaal in het leven. Maar luister, ik heb een vreemd bericht uit Chongwe ontvangen. Ik moet dat even uitzoeken en bel je dan zo snel mogelijk terug. Het is waarschijnlijk niet dringend.

Nee, waarschijnlijk niet dringend, maar iets in Blessings stem aan de andere kant van de krakerige telefoonlijn zegt Ellen dat Blessing wel degelijk ongerust is. En Blessing is nooit ongerust. Ze is de meeste relaxte vrouw van Afrika, en dat wil wat zeggen. Ellen ziet Blessing voor zich in haar gedeukte auto op een stoffige grintweg vol kuilen. Het gebutste portier aan de bestuurderskant, de muziek die haar handen uitdaagt het ritme op het stuur mee te tikken, de gebloemde jurk waarin de donkerbruine, volumineuze armen door de veel te krappe armsgaten worden afgekneld. Blessing is groot, in Zweden zouden ze haar dik noemen, maar hier is ze mooi. Met haar versleten heupen waggelt ze voort op enorme Katrien Duck-schoenen, terwijl ze nauwkeurig uitkiest in welke stoel ze veilig kan gaan zitten.

Blessing straalt uit dat ze bergen kan verzetten. Dat kan ze ook en dat zal ook nu weer nodig zijn. Haar overleden schoonzus laat vier jonge kinderen achter terwijl hun vader, Blessings broer, een jaar geleden gestorven is. De kinderen zullen nu dus over de rest van de familie worden verdeeld. Blessing, die al eerder vier kinderen in huis heeft genomen, zal er ook een paar gaan verzorgen. Ze zal er een extra baantje bij moeten zoeken om het schoolgeld te kunnen betalen en de kinderen zullen moeten inschikken om met z’n allen in het kleine huis te passen. Althans, als mister Singogo niet kan helpen.

Ellen weet zeker dat zowel Blessings broer als haar schoonzus aan aids zijn gestorven, hoewel Blessing daar nooit iets over heeft gezegd. Als het om andere dingen gaat, bijvoorbeeld seks, kan ze buitengewoon open zijn. Maar als het haar eigen familie betreft houdt ze zich aan de Afrikaanse gewoonten en laat ze over de doodsoorzaak niets los. Mensen sterven, maar er wordt niet gesproken over hoe of waarom. Leven en dood hebben in Afrika altijd in hetzelfde bed geslapen, en tegenwoordig meer dan ooit. Tijdens haar jaren in Afrika is Ellen naar zo veel begrafenissen geweest.

In de Zambiaanse traditie zijn begrafenissen langdurige bijeenkomsten die verscheidene dagen duren met enorm veel eten. Familieleden nemen vrij van hun werk en slapen met z’n allen op de grond. Niet alle families kunnen zich dat tegenwoordig nog veroorloven, maar Blessings familie houdt de traditie in stand en trakteert op veel eten. Daarom komt ook iedereen.

Op Zambiaanse begrafenissen wordt het verdriet krachtig en luidkeels geuit en het kruis op het kerkhof is primitief, maar wel speciaal voor die gelegenheid gemaakt. De aarde is rood. In Zweden zijn de begrafenissen stil en draagt iedereen een donker pak of een zwarte jurk. Openlijk verdriet is gênant, je stopt je nog liever vol kalmeringsmiddelen dan dat je je emoties toont. Je moet sterk zijn en je groot houden. Verdriet houd je voor jezelf. Bridge over troubled water is al bijna te revolutionair en de aarde onder de zware grafstenen is zwart. Net als de begrafenis van Ellens vader. Hij had alles voorbereid: de crematie, een goedkope kist ‘om geen geld te verspillen aan iets dat toch maar zou opbranden’, een moderne kerk met een radicale priester, de Internationale, de psalm Här är Gudagott att vara, witte lelies, de bodes die de kist droegen, de plek waar de as zou worden uitgestrooid en hij wilde geen grafsteen. In de kluis vond Ellens moeder een instructielijst waarop zelfs het aantal gasten en het broodbeleg was vastgelegd. Hij had niets aan het toeval of aan zijn familie overgelaten.

En zo ging het, geheel volgens plan. De lokale afdeling van de Sociaal-Democratische Partij kwam in gesloten formatie, net als de Coöperatie en de Bewonersvereniging, met ieder een rode roos. Allemaal richtten ze zich tot ‘kameraad en collega Stig Olofsson’, in eenzelfde weloverwogen, goed geformuleerde en onpersoonlijke toespraak. Bertil, de neef en jeugdvriend van haar vader, had een paar woorden op een velletje papier gekrabbeld dat hij tot een prop verkreukelde toen de wethouder was uitgesproken. Daarna stond Bertil een hele poos bij de kist en bewoog nauwelijks merkbaar zijn lippen, terwijl Stig onder de deksel van zijn goedkope kist lag te luisteren. Bertils roos was wit. Ellen, haar moeder en haar zussen, die stijf stonden van de valium, hadden geen woord gezegd. Ellen heeft gelezen dat de Zweedse kerk een groeiend probleem heeft met families die over de details van een begrafenis ruziemaken. Daarom wordt er aangeraden ruim van tevoren zorgvuldig over je uitvaart na te denken, zodat daarover voor je naaste familie geen onenigheid kan ontstaan. Onenigheid? Had Ellens familie maar eens iets gehad om ruzie over te maken, een ventiel waardoor de overdruk had kunnen ontsnappen. Nu waren ze achtergebleven in een enorme stilte.

Ellen pakt de kleren uit de doos en hangt de kreukelige jurken in de kast. Ze heeft wat kleding van verschillende bedrukte Zambiaanse stoffen laten naaien. De roestbruine, armloze jurk met groene ruiten is het meest stijlvol, het jasje met de turkooizen vissen het vrolijkst. De witte rok die al vele keren is in- en uitgepakt, zit iedere keer strakker. ‘In de was gekrompen’, zegt Ellens moeder altijd, die al haar hele leven ieder jaar een paar kilo zwaarder wordt, een eigenschap die Ellen heeft geërfd en waar ze niet langer tegen vecht. De rok zal ze ook deze keer niet dragen, dus die kan wel in de doos blijven liggen.

De linnen schoenen zijn misschien niet zo mooi, maar ze kunnen worden gewassen als ze in de modder heeft gelopen. Net als haar orthopedische sandalen. Ze kan zich nauwelijks herinneren wanneer ze die witte schoenen met hoge hakken heeft gekocht, maar weet nog wel dat het in een schoenenwinkel bij Manda Hill was. Ze zal ze vast ter gelegenheid van een evenement op de ambassade hebben gekocht toen ze vond dat ze er elegant moest bijlopen. Ellen houdt helemaal niet van hoge hakken, deels omdat ze niet lekker lopen, maar vooral omdat ze zelf al lang genoeg is. Toen ze jong was groeide ze zo snel dat ze in de brugklas al één meter zeventig was. Haar hele leven heeft Ellen mensen, en vooral mannen, beoordeeld op hun lengte en altijd vriendjes uitgekozen die lang genoeg waren. Björn is één meter tweeënnegentig. Ze zou liegen als ze zei dat dat niet had meegespeeld. Ze neemt haar toilettas mee naar de badkamer en zet alle toiletspullen op een rij. De spanning van het vliegveld wil maar niet van haar afvallen. Deze reis heeft iets definitiefs. Niet dat het haar laatste reis is, nee, er staan er al diverse in de planning en bovendien: waarom zou ze ermee ophouden nu de nieuwe samenwerking er zo veelbelovend uitziet?

Dagcrème, mascara, haarborstel en shampoo. Ellen maakt haar haar los en borstelt het met lange halen. Lang haar is niet praktisch en zij heeft het laag op haar rug hangen. Het enige aan Ellens uiterlijk waar ze ooit complimentjes over heeft gekregen is haar lange haar, en dat is de reden dat ze het lang heeft gehouden, zelfs in tijden dat het uit de mode was.

Heeft de spanning misschien met Björn te maken? Was hij deze keer minder geïnteresseerd dan anders? Ze probeert terug te denken. Gisteravond hadden ze samen gegeten en een fles wijn gedeeld. Daarna wilde hij voetbal kijken. Dat had ze prima gevonden, want dan kon ze haar spullen rustig achter een gesloten slaapkamerdeur inpakken. Ze probeert zich te herinneren of hij voor ze in slaap vielen nog iets speciaals heeft gezegd. Tijdens het ontbijt las hij de krant, terwijl zij naar haar badjas zocht die achter het bad bleek te zijn gevallen. Een kus, tot gauw, en wees voorzichtig. Nee, niets bijzonders. Zonnebril, contactlenzenvloeistof, een paar extra contactlenzen. Haar nagellakcollectie heeft absurde proporties aangenomen. Zes, zeven, acht, tien flesjes waarvan een aantal bijna exact dezelfde kleur heeft. Ellen stopt er een paar terug in haar toilettas. Ze weet niet voor wie ze dat doet. Voor de schoonmakers? Zouden schoonmakers ook maar één gedachte schenken aan het aantal flesjes nagellak dat een hotelgast bij zich heeft? Waarschijnlijk niet. Toch doet Ellen hetzelfde met de flessen gin. Eén fles mag op het tafeltje blijven staan, terwijl ze de rest in een tas stopt die ze onder het bankje schuift.

De tampons mogen ook in haar toilettas blijven. Het duurt nog een hele tijd voor ze weer ongesteld wordt en op Ellens ongesteldheid kun je de klok gelijkzetten. Drie jaar geleden was ze met de pil gestopt, nadat haar gecompliceerde relatie met Thomas was beëindigd en ze haar leven, voor altijd, met Björn zou gaan delen. Ze was toen vierendertig, een uitstekende leeftijd om moeder te worden, voor een academicus in de grote stad zelfs wat aan de vroege kant. Een mooi besluit dat met een heerlijk visje, champagne en een voorzichtige, bijna verlegen vrijpartij werd gevierd. Björn, die al langer kinderen had willen hebben, maar had geaccepteerd dat zij eerst wat verder aan haar proefschrift wilde werken, begon direct in de etalages naar kinderwagens te kijken. Kinderlijk genoeg had ook zij gedacht dat het gemakkelijk zou gaan, terwijl ze toch veel kinderloze echtparen had ontmoet. Juist toen herinnerde ze zich vooral de vrouwen die al zwanger raakten als ze naar een man wezen. Maar dat was bij Ellen niet het geval, en terwijl de jaren voorbijgingen en de bloedingen steevast bleven komen, spraken ze er steeds minder over. Toen Björn tussen neus en lippen door de mogelijkheid had geopperd een onderzoek te laten doen, had ze dat resoluut van tafel geveegd. Het zou toeval kunnen zijn en bij sommigen gaat het niet zo gemakkelijk. Stress misschien? Wellicht een slechte reisplanning met het oog op haar eisprongcyclus? Of iets heel anders, iets dat moeilijk bespreekbaar is.

Ze legt haar papieren in keurige stapels op het bureau. Op haar koffers zit zowel een combinatieslot als een hangslot. Hoewel er achter de ramen op de zevende verdieping alleen de warme buitenlucht is, doet ze toch de gordijnen dicht en de veiligheidsketting op de deur. Daarna opent ze de koffers. Ja hoor, alles zit er nog in. Alle doosjes, dicht op elkaar gepakt. Een aantal flesjes alcohol als ontsmettingmiddel, rubber handschoenen en gaasjes. In het begin nam ze ook altijd watten mee, maar die zijn ook bij de zelfbedieningswinkel in Manda Hill te koop.

Ze doet de koffers weer op slot, rijgt de sleuteltjes aan haar halsketting en tilt de koffers naar een hoek van de kamer alsof ze net zijn uitgepakt. Ze heeft het opnieuw ijskoud en laat de warme buitenlucht via de balkondeur naar binnen stromen.

Nu is het wachten op een bericht van Blessing. Ze kan ondertussen net zo goed even van de warmte gaan genieten. En mailen. Als Björn weet dat ze een paar uur geleden is geland zit hij meestal op een mailtje te wachten en de Junta zal het ook waarderen als ze een paar zinnen schrijft. Ze neemt een warme douche, laat haar natte haar loshangen zodat het vanzelf kan opdrogen en trekt de donkerrode jurk met het druppelmotief over haar hoofd. Ze kijkt in de spiegel en steekt een speld in haar haar. Ze is zo bleek als een Engelsman. En dik! Met een ontevreden rimpel tussen haar wenkbrauwen bekijkt ze zichzelf en profil, terwijl ze haar buik intrekt.

De misdaadroman en haar badpak stopt ze in haar rugzak die ze over haar schouder hangt, en ze controleert nauwkeurig of de deur goed in het slot valt.

Als ze door de gang loopt ritselt het plastic onder haar voeten. De schilder is verdwenen, maar zijn trap vol verfvlekken staat er nog. Ze neemt de lift naar beneden.

In het businesscenter staat een rij voor de enige computer die op internet is aangesloten en ze kan over een uur een massage krijgen. Kennelijk zijn alle hotelgasten aan het werk, want er is niemand bij het zwembad en als Ellen een badlaken heeft gepakt kan ze kiezen waar ze wil gaan liggen. De zon is heerlijk warm en de zacht ruisende bladeren van de palmbomen geven schaduw. Ze trekt haar badpak aan, doet de sleutel van haar hotelkamer, haar horloge en halsketting in haar rugzak en duikt aan de diepe kant het zwembad in. Het water, dat maar een paar seconden koud aanvoelt, stroomt langs haar stijve lichaam terwijl ze onderwater blijft zwemmen tot ze over de bodem van het ondiepe gedeelte schraapt. Ze trekt nog een paar baantjes, klimt via het trappetje het zwembad uit, knijpt het water uit haar haar, haalt nog een badlaken en zet de ligstoel midden in de zon, wat ze nu juist beter niet zou kunnen doen. Ze weet dat ze vanavond al branderige schouders zal hebben, maar de warmte is zo lekker en een bevrijding voor haar lichaam na die ellendig koude winter. Het verhaal in het boek komt langzaam op gang en terwijl de pomp in het zwembad ronkt en de palmbomen boven de hibiscusstruiken ritselen, valt ze in slaap.

Ze wordt wakker van de kou. De zon heeft zich verplaatst en Ellen ligt met haar hoofd en schouders in de schaduw van de palmbomen. De jongen die de handdoeken uitdeelt is verdwenen en als ze haar jurk weer heeft aangetrokken en het chloor uit haar badpak heeft gespoeld, legt ze de natte handdoek over de rugleuning van de stoel en zet deze weer op zijn plek. Ze lacht een beetje om haar eigen precisie en moet denken aan die paar weken dat ze bij Blessing logeerde en door haar huishoudster werd bediend. Toen het meisje druk met iets anders bezig was, sloop Ellen voor de derde keer de keuken in om haar eigen thee te maken zodat ze niet om hulp hoefde te vragen. De huishoudster was met een ernstig gezicht naar haar toe gekomen en had gevraagd of er iets mis was met de thee die zij maakte en waarom mevrouw niet tevreden over haar werk was. Ik zou het met personeel niet uithouden, had Ellen toen gedacht, maar ze realiseert zich nu dat ze dat wel degelijk zou kunnen. Niets went zo snel als comfort.

Lang geleden, tijdens een diner in een tropische tuin, was de discussie over huishoudelijk personeel flink opgelaaid. Een Zweedse vrouw, die net met haar baan als milieuambtenaar op de ambassade in Lusaka was begonnen, verkondigde met enige trots dat ze er niet over peinsde personeel in dienst te nemen. Het zou ongemakkelijk voelen mensen in huis te hebben, zei ze, ze woonde alleen en had altijd haar eigen eten gekookt en haar huis zelf schoongemaakt. En de tuin zou het ook wel overleven als ze maar af en toe het gras maaide. Ellen, die ook een nieuwkomer in Afrika was, vond dat een zinnige redenering, tot David, de vriendelijk Zambiaanse econoom die in Lund had gestudeerd, zijn stem verhief. Hij was kwaad, kwader dan de Zweden hem ooit hadden gezien, zijn ogen schoten vuur toen hij de milieuambtenaar duidelijk maakte hoe weinig solidariteit uit haar opvatting sprak.

– Iedere keer dat ik voorbij een huis kom waarvan de tuin verwilderd is, komt er plaatsvervangende schaamte bij me op, zei hij. Nee, erger nog:  ik word razend. Als je geld hebt voor een groot huis, en dat heb je, dan ben je verplicht mensen in dienst te nemen. Je eigen tuin verzorgen terwijl je een tuinman kunt betalen die daarmee zijn hele familie kan onderhouden, dat is niet alleen onnadenkend, dat is misdadig. Doe af en toe de afwas als je dat zo graag wilt, maar neem een huishoudster in dienst, laat haar zich trots kunnen voelen over het werk dat ze doet en betaal haar fatsoenlijk. Het kost je bijna niets en het is misschien, ook al klinkt dat in jullie oren vreselijk, het zinnigste dat je voor de bevolking van dit land kunt doen, al jullie ontwikkelingscenten ten spijt. David richtte zich tot alle Zweden die aan tafel zaten. Ze luisterden vol verbazing naar de uitbarsting van de anders zo zachtaardige Afrikaan, die zich verontschuldigde en vervolgens het huis inliep. Later nam hij terug wat hij had gezegd, vooral over het aanstellen van personeel, dat dat het zinnigste was wat ontwikkelingswerkers konden doen. Maar Ellen was ervan overtuigd dat hij ieder woord dat hij had gezegd oprecht had gemeend. Haar begrip voor Blessing, die ondanks haar geldzorgen toch altijd een huidhoudster in dienst had, was ook toegenomen.

Het businesscenter is nu leeg en de internetverbinding voor één keer zelfs tamelijk snel. De mail naar Björn is beknopt. Hij weet veel over haar taak en is een goede steun, maar sommige dingen kan hij beter niet weten. Bovendien is ze er niet zeker van of het wel zo veilig is vanuit het hotel te mailen en wil ze geen enkel risico lopen. Ze vraagt Björn haar moeder te bellen en ondertekent met KeK, hun vaste afkorting voor Kus en Knuffel. Ze drukt op de verzendknop en kijkt op haar horloge. Björn is waarschijnlijk nog op zijn werk. Als Ellen op reis is maakt hij het vaak erg laat. Björn werkt veel te veel als ze weg is en dat geeft haar een slecht geweten. Hij vindt het saai alleen thuis te zijn. Soms gaat hij naar de film, maar dat is ook saai in je eentje. Alleen eten vindt hij vreselijk. Bij Ellen is dat precies andersom. Ze vermaakt zich uitstekend als ze alleen is, ze geniet ervan haar tijd zelf te kunnen indelen, tv te kunnen kijken wanneer ze zin heeft, om negen uur naar bed te kunnen gaan of in bad te liggen tot het water koud is. Björn zou ook best eens wat mogen overwerken als ze wel thuis is. Als ze over haar reizen vertelt en haar vrienden haar vragen of de avonden niet eenzaam zijn, knikt ze instemmend zoals van haar wordt verwacht, maar als haar reizen niet langer dan een maand duren en een aantal avonden door dinertjes of andere sociale afspraken wordt gevuld, afgewisseld met de avontuurlijke opdrachten en reizen door het land, bevalt het hotelleven haar uitstekend. Toen ze nog volledig met haar onderzoek bezig was, gebruikte ze de avonden vaak voor het lezen en uitwerken van haar aantekeningen. Tegenwoordig kijkt ze meestal naar de BBC of naar een slechte film op de kabel, of ze slaapt. De realiteit is voldoende. Ze heeft de avonden nodig om bij te komen. Soms is het fijn bij Blessing te logeren, maar meestal kiest ze voor de eenzaamheid van het hotel.

Drie ongeduldige zakenlieden in bijna identieke kostuums, maar met een verschillende huidskleur, ‘een gele, een zwarte en een witte’, gniffelt Ellen, staan achter haar in de rij te wachten tot ze klaar is. De blanke man heeft stekeltjes en is een Amerikaan. Hij is iets te dik en te oud om marinier te zijn. Ex-marinier misschien. Hij staat door te telefoon ruzie te maken met een autoverhuurbedrijf. Hij accepteert geen andere auto dan een Jeep Grand Cherokee -‘a great American car’- vertelt hij iedereen die binnen een straal van vijftien meter om hem heen staat. Hij is klein en breed en goed gekleed. De Amerikanen in hawaï-shirts en basketbalgympen bivakkeren dit jaar kennelijk ergens anders. Plotseling loopt er iets vast in cyberspace. De snelheid van de verbinding wordt extreem langzaam. Ongeduldig trommelt ze op de tafel om aan te geven dat het heus niet haar schuld is dat het zo lang duurt. En haar moeder, tja … Als Björn zijn mail te laat leest belt hij haar vanavond niet meer. Mobiel bellen naar Zweden is vreselijk duur, maar toch belt Ellen af en toe naar haar moeder om haar gerust te stellen. Alleen gebeurt het dan veel te vaak dat haar moeder haar uitgebreid wil bijpraten en een lang verhaal begint te vertellen over iemand die iets bijzonders gedaan heeft, of ze vraagt of Ellen zich kan voorstellen dat … en dan voelt het zo onaardig het gesprek af te breken. Nee, vandaag geen telefoontje naar Västerbotten. Een mail naar Kristina moet voldoende zijn:

– Hoi! Ik ben in Lusaka aangekomen. Alles prima. Lekker een uur bij het zwembad liggen bakken. Begin morgen met werken. Bel alsjeblieft even naar mamma. Kus! Zuslief.

Ellen had haar eigen mail nog willen ophalen, maar laat dat nu maar zitten. Het getrappel van de drie mannen achter haar rug werkt op haar zenuwen.

Ze logt uit, betaalt en wisselt een paar woorden met de vrouw die in het businesscenter werkt. De vrouw klaagt over de renovatie die af en toe voor stroomstoring zorgt, waardoor zij van woedende hotelgasten de wind van voren krijgt. De vorige keer dat Ellen in het hotel logeerde had de vrouw een broer die kanker had en zat ze voornamelijk met verschillende artsen en haar familie te telefoneren. Tijdens de vele uren die ze bij de trage computer moest wachten had Ellen een hoop over de familie te horen gekregen. De broer is ondertussen behandeld en genezen, zegt de vrouw, die onder de indruk is van Ellens geheugen en haar belangstelling zeer op prijs stelt. Tevreden met zichzelf en met het gevoel hier thuis te zijn, ook al is dat thuis maar een zakenhotel in Afrika, pakt Ellen de lift omhoog naar haar kamer om een handdoek voor de massagebehandeling te halen. In de lift controleert ze haar mobiele telefoon. Waarom heeft Blessing nog niet gebeld? Is er iets mis met haar telefoon? Maar nee, de ontvangst lijkt prima en de batterij is opgeladen. Als ze door de gang loopt en de schilder met het gouden kruis passeert, hoort ze een van de andere liften met een tingelend geluid op dezelfde verdieping stoppen. De zon heeft haar kamer verwarmd en ze doet de gestreepte gordijnen dicht. De natte handdoek die ze voor het douchen heeft gebruikt ligt over de stoel bij het bureau. Ze pakt hem op en wil hem in de badkamer te drogen hangen, als haar blik op een van de stapels papieren op het bureau valt. Ze had toch keurige stapeltjes gemaakt? Nu ligt een van de stapels overdwars, een doorbroken symmetrie, alsof iemand de papieren heeft opgepakt. Beeldt ze het zich in, of is het echt zo?

Ellen draait zich snel om en loopt naar de koffers in de hoek van de kamer. Voorzichtig tilt ze ze allebei op. Ze zijn nog even zwaar en de hangsloten zien er onaangeroerd uit. Maar is de combinatie van het cijferslot van een van de koffers niet veranderd? Ze zet de combinatie altijd op 0000 als ze de koffers open heeft gehad. Nu staat het slot van de ene koffer op 1234. Dat is niet eens de juiste combinatie. Hoe kan dat? En zijn de koffers ook niet verplaatst?

Hoe stonden ze voor ze ze optilde? Is er nog meer in de kamer veranderd? Ellen kijkt snel in de badkamer, in de kast en onder het bed - daar is niets te zien - en voor ze verder gaat zoeken bevestigt ze eerst de veiligheidsketting op de deur. 



Tampa, Florida, VS
17 februari 2004

Ik heb maar twee boeken bij me. De Bijbel natuurlijk, waar ik veel met de nachtzuster over praat. Ook zij leest de Bijbel als ze wakker wordt. Soms vraagt ze wat ik het mooiste verhaal vind, maar dat weet ik niet precies. Ik vind bijna alles mooi. De verhalenover Jezus natuurlijk, maar ook veel andere verhalen, zoals in het Oude Testament. Ik lees bijna voortdurend in de bijbel. Het boek ligt ’s nachts naast mijn kussen.

Mijn bijbel is nogal oud en ik moet er een elastiekje omheen doen, zodat de Korintiërs er niet uitval en. Dat klinkt eigenlijk best grappig, vindt u niet?

Ik heb hem tweedehands gekocht, voor dertien dollar op mijn favoriete afdeling in de boekhandel. Op die afdeling zijn boven de deur twee engelen geschilderd, waartussen in mooie letters staat geschreven ‘Inspiratieruimte voor religieuze overpeinzingen’. Dat vond ik prachtig: ‘Inspiratieruimte voor religieuze overpeinzingen’.

Nadat ik hier in Florida was aangekomen ontdekte ik de boekhandelal vrij snel. Hij is heel groot en verkoopt zowel nieuwe als tweedehandsboeken. Ik vond de winkel toen ik bij een groot bord bleef staan dat bijna de hele gevel bedekte. ‘Misdaadbestrijdin–Bel!’ stond er levensgroot geschreven. ‘Bel, en doe aangifte U kunt anoniem blijven!’ Ik belde een aantal keren en zei dat ik helemaal niet anoniem hoefde te blijven, sterker nog, dat ik niet eens anoniem wílde blijven, maar ze zeiden dat dat waarvan ik aangifte wilde doen helemaal geen misdrijf was. Toen drong het besef bij me door hoe ernstig de situatie was.

Maar goed, de boekhandel dus. Ik vind tweedehandsboeken zowel goedkoper als beter. Ik houd meer van oude boeken. Ze zijn vaak beter qua inhoud en ik vraag me altijd af wie de vorige eigenaar is geweest. Bijvoorbeeld met mijn bijbel. Daar staat geennaam in, maar er is veel in onderstreept. Vooral in de Korintiërs. Misschien vallen ze er daarom uit.

Je mag in die boekhandel in de inspiratiekamer uren zitten lezen, zonder dat iemand daar iets van zegt. Er zijn een paar vreemde afdelingen, zoals een kast met ‘Oosterse religies’, ‘Astrologie’, en zelfs een kast met ‘Hekserij’. Stel je voor, God wordt in zijn eigen inspiratiekamer niet eens met rust gelaten!

De conciërge, die daar schoonmaakte en de prullenbakken leegde, vond het fijn als ik er was. Hij zei altijd ‘hallo’ als ik binnenkwam en ‘nog een prettige dag’ als ik wegging. Een keer vroeg hij wat mijn lievelingsbloemen zijn. Waarom hij dat vroeg weet ik nog steeds niet. Ik was toen al een paar weken in Florida. Ik mis hem. De conciërge bedoel ik. Als hij er niet was geweest had ik de boeken over hekserij aan stukken gescheurd. Ik weet zeker dat God dat fijn had gevonden. Gods wraak kan zich op verschillende manieren openbaren, dat weet ik, omdat ik de Bijbel heb gelezen. Ik had toen dus al, in het klein, een soldaat van God kunnen worden, maar ik besloot daar op dat moment van af te zien. Vanwege de conciërge. Hij had dat vast niet fijn gevonden, want hij had immers de verantwoordelijkheid voor alle boeken en dan had ik waarschijnlijk nooit meer mogen terugkomen. Dat wilde ik natuurlijk ook niet.

Ik zei tegen hem dat mijn lievelingsbloem een kerstster is. Ik weet niet waarom ik dat zei, het was nog lang geen kerst, misschien alleen maar om iets te zeggen. Misschien had ik citroenkruid moeten zeggen, want daar ben ik mee opgegroeid, maar dat is eigenlijk geen bloem.

Nu zit ik hier over de conciërge en bloemen te praten, maar dat was eigenlijk niet wat ik wilde vertellen. Ik wilde u over Dee Esser vertellen. Soms denk ik dat zij mijn moeder is, hoewel ik haar nog nooit heb ontmoet. Eerst was ik van plan haar te gaan zoeken. Misschien woont ze nog steeds hier in Tampa en zit ze te wachten tot er iemand belt. Iemand die net zo denkt als zij. Er zijn tegenwoordig niet zo veel mensen zoals wij, dus we zouden veel aan elkaar kunnen hebben. Maar ik heb haar nooit opgezocht.

Ik heb niet eens haar naam in het telefoonboek opgezocht. En nu is het te laat. Het was waarschijnlijk ook niet makkelijk geweest haar te vinden, want ze staat vast onder de naam van haar man in het telefoonboek, maar ik had natuurlijk alle mensen met de naam Esser kunnen bellen en naar tante Dee kunnen vragen. Ze is vermoedelijk al heel oud, of misschien is ze al thuis bij God, maar ik had het kunnen proberen. Ik heb spijt dat ik dat niet heb gedaan. Dan was alles misschien anders gelopen. U vraagt zich vast af wie Dee Esser is?

Ze had ooit een boek dat nu van mij is. Ik heb het in de inspiratiekamer van de boekhandel gevonden. Dat is het andere boek dat ik bij me heb. Het heet ‘Hoe maak ik mijn man gelukkig’. Het is een fantastisch boek, dat door Darien B. Cooper is geschreven. Op de achterflap van het boek staat een foto van Darien B. Cooper waarop ze een kapsel heeft dat me nogal tijdrovend lijkt, met veel krullen bovenop haar hoofd. Maar het boek is in 1977 geschreven en toen waren dit soort kapsels waarschijnlijk heel gebruikelijk. En Dee Esser, dat is dus de vrouw van wie het boek is geweest dat ik tweedehands op de inspiratieafdeling heb gekocht, heeft haar naam in het boek geschreven plus het jaartal 1981. Ze heeft veel onderstreept en veel commentaar in de kantlijn geschreven. Het lijkt net alsof ze zo met me praat.

Ik ben in 1981 geboren, in hetzelfde jaar dat Dee Esser het boekkocht, en ik geloof dat dat een teken van God is. Wat denkt u? Gelooft u dat God zulke tekens geeft?

Ik denk dat als mijn moeder het boek destijds had gelezen en ernaarhad geleefd zoals Dee Esser heeft gedaan, dat alles misschien heel anders was gegaan.

Op bladzijde 61, onder het hoofdstuk ‘Volg de leider’, staat bijvoorbeeld: ‘De stabiliteit van het gezin en van het volk valt of staat met de erkenning van de man als gezinshoofd’. En de uitleg is te vinden in het boek Genesis 3:16: ‘Naar uw man zal uw begeerteuitgaan en hij zal over u heersen’. Die zin heeft Dee Esser onderstreept en in de kantlijn heeft ze een uitroepteken gezet. Ik zou willen dat mijn moeder dit had gelezen.



Lusaka, Zambia
3 februari 2004

Ellen checkt net voor de honderdste keer haar mobiele telefoon als de ober met haar Chicken Tikka Masala komt aanlopen. De Indische kip wordt geserveerd met rijst die met komijnzaad is gekruid - een spannende combinatie die wellicht de moeite van het proberen waard is -  en met een salade van komkommer en tomaat die met citroen en een soort muntblad lijkt aangemaakt. Als de ober straks terugkomt zal ze het hem even vragen. Van alle gerechten op de menukaart zijn de Indische schotels verreweg het lekkerst en de kok heeft zijn ambities kennelijk nog wat opgeschroefd. De fluwelen avondlucht streelt haar gloeiende schouders. Ze is wat rillerig en heeft een dunne sjaal om zich heengeslagen. Waarom laat Blessing niets van zich horen? Wat kan er in Chongwe zijn gebeurd?

Ellen had in haar kamer niets verdachts gevonden toen er van de massageafdeling werd gebeld met de vraag of ze nog van plan was te komen. Het moest een schoonmaakster of een controleur van de minibar zijn geweest die aan haar papieren had gezeten. Of ik ben er zelf met mijn handdoek tegenaan gelopen. En misschien heb ik onbewust aan de cijfercombinatie zitten peuteren. Tenslotte zat het hangslot er nog op en in de koffer zat alles nog precies op zijn plek.

Maar voor ze naar beneden was gegaan om gemasseerd te worden, had ze eerst een stuk plakband over de kier van de deur geplakt. Die aanpak leek haar niet bijster professioneel, maar het was beter dan niets. Hoe zouden detectives dat doen? Met een draad of een haar? Na de massage zat het stuk tape nog op zijn plek, maar voor ze naar beneden ging voor het diner, had ze een nieuw stuk op de deur geplakt.

Het is vroeg en op het terras zijn slechts enkele tafeltjes bezet, door Engelstalige blanken. Het komt wel eens voor dat er een groep Zweden zit, maar Ellen zoekt hun gezelschap nooit op en tegenwoordig geeft ze niet eens meer door aan de ambassade dat ze er is. Sinds ze met haar onderzoek is gestopt is alles zo lastig uit te leggen.

Ellen heeft in haar rugzak het vel papier gevonden, een uitdraai van een groepsmail, dat aan Blessings briefje zat vastgeniet. Ze was het helemaal vergeten en schuift het kleine olielampje dichterbij om gelijktijdig te kunnen eten en lezen. Zou de restauranteigenaar niet begrijpen dat er ook mensen zijn die niet romantisch in het donker willen eten?

Bij het lezen van de eerste zinnen verschijnt er een lach op Ellens gezicht. Blessing ergert zich groen en geel aan de christelijke televisieprogramma’s, waarmee de Zambiaanse tv wordt overspoeld en die gesponsord worden door de Amerikaanse neo-christelijke beweging. Een van de tv-dominees noemt zich ‘Dokter Laura’.


Geachte Dokter Laura,

Dank u wel voor de intensieve wijze waarop u Gods geboden aan de mensen onderwijst. Ik heb van uw  tv-programma veel geleerd en probeer mijn kennis overal te verspreiden. Als iemand bijvoorbeeld homoseksualiteit probeert te verdedigen, hoef ik hem er alleen maar aan te herinneren dat dit in het derde Boek 18:22 kristalhelder als zonde wordt gedefinieerd. Tot zover heb ik geen problemen. Maar er zijn een paar specifieke regels waarvan ik niet goed weet hoe ik ze moet naleven:

A/ Als ik een os op mijn kookaltaar offer, weet ik dat de Heer die geur weet te waarderen (derde Boek 1:9). Maar mijn buren denken daar heel anders over. Ze klagen steen en been. Zal ik ze een pak slaag geven?

B/ Ik zou mijn dochter als slaaf willen verkopen, zoals wordt beschreven in het tweede Boek 21:8. Welke bedrag kun je tegenwoordig voor zo’n meisje vragen?

C/ Ik weet dat ik geen contact met een vrouw mag hebben die in haar onreine menstruatieperiode zit (derde Boek 15:19-24). Het probleem is – hoe kom ik dat te weten? Ik heb geprobeerd het te vragen, maar de meeste vrouwen reageren nogal verontwaardigd. 

D/ Het derde Boek 25:44 zegt dat ik slaven mag hebben, zowel mannelijke als vrouwelijke, mits ze uit een buurland komen. Een van mijn vrienden beweert dat Mexicanen wel mogen, maar Canadezen niet. Kunt u me dat uitleggen? Waarom mag ik geen Canadese slaven hebben?

E/ Ik heb een buurman die consequent tijdens de Sabbat blijft werken. In het tweede Boek 35:2 staat heel duidelijk dat hij moet worden gedood. Ben ik degene die dat moet doen?

F/ Een van mijn andere vrienden zegt dat, ook al is het een zonde schaaldieren te eten (derde Boek 11:10), het een minder grote zonde is dan homoseksualiteit. Ik ben het daar niet mee eens. Kunt u zeggen wie van ons gelijk heeft?

G/ In het derde Boek 21:20 staat dat zij die een vlek op hun ogen hebben, het altaar van de Heer niet mogen betreden. Ik moet toegeven dat ik een leesbril heb. Moeten mijn ogen perfect zijn of valt hierover te onderhandelen?

H/ Ondanks dat het volgens het derde Boek 19:27 uitdrukkelijk is verboden, knippen de meeste van mijn mannelijke kennissen hun haar en zelfs hun bakkebaarden. Op welke manier moeten ze worden gedood?

I/ Ik weet uit het derde Boek 11:6-8 dat ik zondig als ik de huid van een dood varken aanraak, maar zou ik wel mogen voetballen als ik handschoenen draag?

J/ Mijn oom heeft een boerderij. Hij leeft in strijd met het derde Boek 19:19 door twee verschillende soorten zaad op eenzelfde akker te zaaien. Zelfs zijn vrouw zondigt door kleding te dragen van twee verschillende vezelsoorten (katoen/polyester). Het komt ook voor dat hij vloekt en scheldt. Is het werkelijk nodig dat we het hele dorp bijeenroepen om hen te stenigen? (derde Boek 24:1-16.) Kunnen we ze niet gewoon in de familiekring verbranden, net zoals we doen met degenen die met hun schoonmoeder slapen? (derde Boek 20:14.)

Ik weet dat u al deze vragen nauwkeurig hebt bestudeerd, dus ben ik er zeker van dat u me kunt helpen.

Nogmaals, zeer veel dank dat u ons eraan herinnert dat Gods woorden eeuwig en onveranderlijk zijn.

Met vriendelijke groeten,

Blessing.



De kip is lekker, het Indische knoflookbrood een tikkeltje klef en de aanval op Dokter Laura geniaal. Ellen voelt zich een stuk vrolijker en bestelt een Mosi-bier bij een van de alerte obers. 

– Ja, er is inderdaad een nieuwe Indische kok, zegt hij beleefd. Heeft u dat kunnen proeven?

Ellens gedachten gaan terug naar haar hotelkamer. Ze heeft zich vast alleen maar ingebeeld dat er iemand binnen is geweest. Als Blessing nu maar eens kwam zou alles goed komen. De zwoele avondlucht maakt haar een beetje slaperig en ze zou vanavond het liefst lekker vroeg in bed willen kruipen.

– Wil je het liefst met rust worden gelaten, of mag ik je even gezelschap houden?

Het is de Amerikaan uit de bus, die zijn driedelig kostuum voor een wit overhemd met een donkere stropdas heeft ingeruild. Hij is tegen de twee meter lang. Ellen vouwt de brief aan Dokter Laura dubbel en stopt hem in haar rugzak. Met een knikje geeft ze aan dat hij tegenover haar mag gaan zitten. Zijn schele oogopslag compenseert zijn saaie stropdas. Ze kan wel wat afleiding gebruiken, anders zit ze toch maar te piekeren. Als ze is uitgegeten, of als Blessing belt, kan ze altijd weglopen.

– Nee hoor, ga zitten.

Ze kan zich de naam van de loensende Amerikaan niet meer herinneren. Hij heeft zich vanmorgen voorgesteld, maar zijn visitekaartje zit nog in de zak van haar spijkerbroek die ze in de waszak heeft gestopt. Het voelt onbeleefd nog een keer naar zijn naam te vragen, omdat hij, zoals dat vaak bij Amerikanen het geval is, haar naam wel heeft onthouden.

– Elg? vraagt hij, waarna ze het verhaal van haar kleine opa vertelt die niet langer met die naam wilde worden gepest, maar ze erkent dat ze het zelf, als extreem lange tiener, waarschijnlijk ook vreselijk zou hebben gevonden als ze haar op het schoolplein ‘de Eland’ zouden hebben genoemd. Hij is het volledig met haar eens. Hij bestelt een Indische lamstoofpot en vraagt zich net af of hij naanbrood met knoflook zal nemen, als Ellens mobiele telefoon overgaat. Ze verontschuldigt zich en loopt met het mobieltje de geurende tuin in. De contouren van de zwarte Jacarandabomen tekenen zich scherp af tegen het licht van de straatverlichting aan de andere kant van de muur. Het is Blessing, ze belt vanaf de begraafplaats en op de achtergrond klinken luide stemmen.

– Welkom in Afrika, honey! Ik hoop dat je een lekker rustig dagje hebt gehad.

– Ja, dank je. Ik heb een paar baantjes gezwommen en daarna een massage gehad.

– Het spijt me ontzettend, maar ik kom hier niet weg. Ze hebben mijn hulp nodig met het eten en zijn niet van plan me te laten gaan, zelfs niet nu mijn goede vriendin uit Zweden is aangekomen.

– Dat geeft niet. Maar weet je wat er in Chongwe is gebeurd?

– Nee, maar ik denk dat Beauty, de vroedvrouw, me heeft geprobeerd te bereiken. Ze heeft zelf geen telefoon, dus ik kan haar niet terugbellen en ze wilde kennelijk geen bericht achterlaten. Ik zal proberen of ik morgenochtend even bij haar langs kan rijden. Als ik tenminste genoeg benzine heb. Dan kom ik daarna naar jou. Rond tien uur, komt dat uit?

– Ja, dat is prima. Ik heb mijn spullen al gepakt!

– Trouwens, heb je de brief aan Dokter Laura gelezen?

– Ja, die was erg leuk.

– Ik heb geprobeerd hem in The Post te publiceren, maar ik geloof niet dat ze dat aandurven. Tegen de regering durven ze hun mond open te trekken, maar niet tegen de kerk, gniffelt Blessing, terwijl op de achtergrond te horen is dat ze door iemand wordt geroepen. Ze verontschuldigt zich en hangt op. Als Ellen terugkomt staat de Amerikaan op om haar stoel aan te schuiven. Hij heeft ondertussen een nieuw biertje voor haar besteld.

– Toen de ober hier toch was, heb ik maar gelijk voor ons allebei een Mosi besteld – dat is toch het lokale biermerk? – want je weet maar nooit wanneer je een nieuwe kans krijgt iets te bestellen. Ze begrijpt niet waarom hij dat zegt, want de oplettende ober loopt voordurend tussen de tafeltjes rond. Ze voelt zich er zelfs een beetje door gegeneerd, want ze zorgt liever voor zichzelf. Vooral hier in Afrika.

De Amerikaan heeft een gladgeschoren gezicht en ze ruikt de geur van zijn aftershave. Björn gebruikt nooit aftershave en ze was bijna vergeten dat ze daar eigenlijk erg van houdt.

– Houd je van de Indische keuken? vraagt ze, terwijl ze zich realiseert dat ze een afkeer heeft van de Amerikaanse eetcultuur.

– Ik houd van kruiden, maar soms vind ik het iets te vet en te klef.

– Dat ben ik met je eens, maar als je het zelf klaarmaakt kun je de grote hoeveelheden olie en boter achterwege laten. Ik houd eigenlijk het meest van de groentegerechten.

– Spinazie met geitenkaas is heerlijk. Hebben ze dat hier?

– Volgens mij wel. Ze hebben kennelijk een nieuwe Indische kok, dus je hebt zelfs kans dat je speciale bestellingen kunt doen.

– Dan doen we dat de volgende keer!

Ellens lichaam verstijft. Ze leunt achterover, terwijl ze haar bestek neerlegt. Hoezo ‘de volgende keer?’ Ze is absoluut niet van plan met deze man op te trekken. Ze is klaar met eten en kijkt demonstratief op haar horloge.

– Ben je niet heel moe van de reis? Je moet wel erg lang onderweg zijn geweest?

– Nee hoor, dat valt reuze mee. Ik heb een tussenlanding in Rome gemaakt.

Ellen vraagt niets meer. Ze wil niet weten wat hij onderweg heeft gedaan of in Zambia gaat doen. Niet omdat het oninteressant zou zijn, maar omdat ze zelf geen zin heeft zulke vragen te beantwoorden. Maar zijn maaltijd wordt net geserveerd en het zou onbeleefd zijn gelijk op te stappen. Ze heeft het immers goed gevonden dat hij bij haar aan tafel kwam zitten en als ze dan toch ergens over moeten praten, dan liever over hem dan over haar.

– Hoe oud zei je ook alweer dat je was toen je hierheen verhuisde?

– Zes jaar.

– Waar woonden jullie precies?

– In de buurt van Siavonga, bij de Zambezi. Mijn vader was door de Evangelische Kerk in Iowa uitgezonden en mijn moeder en ik gingen met hem mee.

Voor hij van zijn lamschotel begint te eten, snijdt hij eerst het vlees in heel kleine stukjes.

Pietje precies, denkt Ellen, terwijl ze nog eens naar zijn keurig gestreken overhemd met de glimmende stropdas kijkt. Op haar eigen sjaal zit een kleine vetvlek, maar die zie je nauwelijks.

– We hebben hier ruim zeven jaar gewoond en gingen terug naar Amerika toen ik veertien was. Sindsdien ben ik niet meer in Zambia geweest en nu denk ik erover naar de Zambezi te rijden. De missiepost is inmiddels een kindertehuis geworden en daar wil ik een artikel over schrijven.

Zijn stem klinkt zachter als hij over zijn reisplannen vertelt. Hij heeft lange, smalle vingers met kortgeknipte nagels en donshaartjes op zijn handen. De ietwat verbeten klank in de woorden ‘vader’ en ‘moeder’ wekken haar nieuwsgierigheid.

– Leven je ouders nog?

– Mijn moeder niet meer. Ze is vijf jaar geleden gestorven. Stilte. Nog een paar zorgvuldig samengestelde happen.

– Met mijn vader heb ik geen contact meer.

– Oh, dat spijt me.

– Dat is niet nodig.

Het korte antwoord geeft aan dat die deur gesloten is, of staat hij misschien op een kier? Ellen probeert het via een omweg.

– Was je moeder ziek?

– Dat zou je kunnen zeggen, ja.

Zijn stem klinkt scherp, terwijl hij met een ironische blik in zijn ogen zijn bierglas heft.

– Te veel jaren te veel drank, na te veel slechte ervaringen en te veel verkeerde beslissingen.

Hij spreekt het woord ‘drank’ op een eigenaardige manier uit. Met een gespannen gezicht leegt hij zijn bierglas, waarna hij het met een knal op tafel zet.

– Nee, zo moet ik niet over haar praten, zegt hij enigszins verontschuldigend. Ze heeft het niet gemakkelijk gehad. De ober heeft Ellens bord meegenomen en komt met de dessertkaart. Ze bladert er verstrooid doorheen, maar weet dat ze het bij een kop koffie moet houden. Die overheerlijke Indische zoetigheden staan stijf van de calorieën. Volgens alle conversatieregels zou het gesprek zich nu in haar richting moeten verplaatsen. Ze is van plan op alle vragen over haar werkzaamheden in Zambia een ontwijkend antwoord te geven. Maar de Amerikaan verrast haar:

– Waar ben jij geboren?

– In Lapland, het land van de Middernachtzon, zegt ze met een glimlach.

Hij lacht terug, terwijl zijn oog weer wegdraait.

– Koud en donker, stel ik me voor.

– Ja, koud en donker in de winter, maar licht en warm in de zomer. Toen ik dertien was logeerde ik een paar weken bij een correspondentievriendin in Zuid-Zweden, waar ik voor het eerst in mijn leven meemaakte dat het zowel warm als donker was. Gek genoeg had ik warmte altijd met licht geassocieerd. De Amerikaan wijst lachend naar de donkere Afrikaanse hemel.

– Dan ben je nu wel een heel eind bij je wortels vandaan.

– Absoluut. Maar dat geldt dus niet voor jou.

Het is meer een constatering dan een vraag, waardoor de bal weer bij hem ligt.

– Nee dat is waar. Ik heb aan de tijd dat we hier woonden zowel goede als slechte herinneringen, maar het landschap, het licht en de dieren zijn werkelijk een geschenk van God, en ik ben zeer dankbaar dat ik dat alles heb mogen ervaren.

Ellen vindt de lichtelijk breedsprakige manier waarop hij zich uitdrukt wel charmant. Alsof hij uit een boek of uit een Bijbeltekst voordraagt: ‘De Vader, De zoon en het Heilige Afrika’. Zijn verhalen fascineren haar. Hij houdt van Afrika en heeft dingen meegemaakt waar zij als buitenstaander met haar Jeepkonvooien en haar tolken niet aan kan tippen. Hij heeft wekenlang in de savanne in een tent geslapen die door olifanten aan stukken was gescheurd. Zijn lievelingsvak op school was biologie en hij kan nog altijd een twintigtal verschillende vogelgeluiden onderscheiden. Terwijl hij met zijn vriendjes en hun vaders in de Zambezi viste, leerde hij Tonga spreken en verstaan. Hij mocht altijd meespelen, want hij had een voetbal.

– Vertel eens, wat zei je nou tegen die jongen in de laadbak? vraagt ze nieuwsgierig.

– Nee, dat bewaren we voor een andere keer, antwoordt hij met een glimlach.

Terwijl de koffie en het honingijs worden geserveerd, vertelt hij verder over het koedoe-jong met de gebroken poot, dat hij had mogen voeden en verzorgen. En hoe je slangenpoep kunt herkennen (kleine harde balletjes ontlasting vol konijnenhaar), zodat je een slang kunt opsporen of juist vermijden (hij probeerde ze vooral te vinden, maar dat lukte meestal niet). En over het agressieve nijlpaard dat in de Zambezi leefde en diverse dorpsbewoners had gedood, waarna zijn vader een bekende scherpschutter had ingehuurd die het beest neerschoot, zonder dat de overheid daarvan op de hoogte werd gesteld.

– Door het doden van dat nijlpaard werd de positie van mijn vader alleen nog maar sterker, zegt hij, zonder een spoor van trots in zijn stem.

–Was dat niet prettig?

Hij lijkt even over het antwoord te moeten nadenken, alsof hem die vraag nooit eerder gesteld is.

– Hij was een geboren leider en Afrikanen accepteren sterke leiders. Als alles precies ging zoals hij wilde, kon hij soms de indruk wekken een redelijk mens te zijn.

– Soms?

De Amerikaan prikt wat met zijn lepel in zijn ijs en besluit dat hij genoeg heeft gehad. Om de bezorgde ober gerust te stellen, klapt hij glimlachend op zijn buik, waarmee hij aangeeft dat hij vol zit en tevreden is. Ellen herhaalt haar vraag, waarbij haar stem minder geïnteresseerd klinkt dan ze eigenlijk is.

– Als alles precies ging zoals hij wilde, kon hij soms de indruk wekken een redelijk mens te zijn?

– Ja, hij vond dat hij altijd gelijk had, en degene die het niet met hem eens was had het zwaar te verduren.

– Gold dat ook voor jou?

– Wat?

– Had jij het zwaar te verduren?

– Soms …

– En je moeder?

– Ja.

Er klinkt een duidelijke punt na zijn ‘ja’, gevolgd door een bedompte stilte. Tot haar eigen verbazing begint Ellen te vertellen over haar eigen teruggetrokken, zichzelf wegcijferende moeder, die na de dood van haar man de grootste moeite had haar leven weer op de rails te krijgen.

– Wat voor werk deed je vader?

– Van oorsprong was hij elektricien, maar voor mijn geboorte was hij al een paar jaar fulltime actief in de vakbeweging en de politiek.

– Een vakbondsbobo dus, net als Jimmy Hoffa? Hij lacht verontschuldigend, alsof de vergelijking met de vermoorde Amerikaanse vakbondsleider die maffiacontacten had haar zou kwetsen. 

Ze schenkt hem een geruststellende glimlach. Ze is niet gekwetst en ziet geen overeenkomsten.