den de kinderen die laarsjes aangetrokken, en op
het vliegveld had-
den zij hun cowboyhoed opgezet. ‘Dat zal “oom” Virgil misschien wel
leuk vinden,’ hadden zij bedacht. In de aankomsthal was echter geen
spoor van Virgil te bekennen. Wie daar wel stond was Ray Glasnapp,
een gemeenschappelijke vriend. Ray, wiens gezicht er geen twijfel
over liet bestaan dat er iets ernstigs was gebeurd, nam mij apart.
‘Virgil is drie uur geleden begraven, hij is een paar dagen geleden
door een onbekende in zijn kantoor doodgeschoten,’ ver- telde Ray.
Annelies (10) noteerde in haar dagboek: ‘Wij dachten gek “vurtsjel”
haalt ons niet op. Papa vertelde het tegen ons. Ik vertel het maar
niet want het is heel erg.’ Van de teamleider van het regionale
recherchebijstandsteam, major Charles H. (Chuck) Lane van het
Johnson County Sheriff’s Bureau, kreeg ik de vol- gende dag de
toedracht te horen. Op vrijdagmiddag 16 juli rond zes uur hoorde
een zekere Sam Robertson, die in een aangrenzende bureauruimte aan
het werk was, hevig gestommel in het kantoor van Virgil. Toen hij
poolshoogte ging nemen kwam er een ‘keu- rig geklede man’ uit
Virgils kantoor. Op de vraag van Robertson of er iets met Virgil
aan de hand was, antwoordde de onbekende dat dat inderdaad het
geval was. Virgil was fl auwgevallen en had een dokter nodig, had de
onbekende nog gezegd. Toen Robertson daarop het kantoor binnenging,
vond hij Virgil levenloos en hevig bloedend achter zijn bureau. Op
dat moment gebeurde er nog wat. De onbekende man, die achter
Robertson aan was gelopen, trok plotseling een pistool en dwong hem
op de grond te gaan liggen. Robertson verwachtte niet anders dan
dat de man ook hem neer zou schieten, hetgeen echter niet gebeurde.
Hij vertrok, waarna Robertson alarm sloeg. Bij onderzoek vond de
politie twee pa- troonhulzen kaliber 45. Virgil bleek in het hoofd
en in de borst te zijn geraakt. Omtrent het motief tastte de
recherche volledig in het duister. In de agenda van Virgil stond
een afspraak genoteerd voor vijf uur op die vrijdagmiddag, op naam
van ‘Jim Hall’. Ondanks alle oproepen in de pers is die man nimmer
achterhaald. Toen ik de foto’s van de plaats delict bekeek zag ik
daarop een typisch Britse politiehelm, die op de grond lag. Die
helm had ik in Engeland er- gens bij de politie op de kop getikt en
vier weken voor de moord aan Virgil cadeau gedaan. Hij was er
geweldig blij mee en had hem een ereplaatsje in zijn kantoor
gegeven. De moordenaar van mijn goede vriend Virgil Hollis is
helaas nimmer achterhaald. Het mo- tief voor de moord al
evenmin.
Met één schot gedood
Van mijn opleiding aan de fbi Academy heb ik in mijn verdere loop-
baan (ook daarna) alleen maar voordeel gehad. Niet alleen in Ame-
rika beschikte je over een uitgebreid netwerk van collega’s van
aller- lei politie-instanties, maar ook in de rest van de wereld.
Geleidelijk aan bezochten steeds meer collega’s uit Europa, ook uit
Nederland, de fbi Academy. Jaarlijks geeft de fbi een register uit
waarin de na- men van alle ‘fbi-na graduates’ per land staan
vermeld. Inmiddels is er een Europese Afdeling van de fbi-na
ontstaan en wordt er jaar- lijks in een ander land een zogenaamde
retraining session gehouden. Al met al bestaat er wereldwijd een
zeer sterke band tussen fbi-na graduates. Ik heb in dat verband wel
eens over Amerika gezegd dat ik bij reizen in dat land, ik heb er
intussen vele gemaakt, slechts drie dingen nodig heb: een
landkaart, een fbi-na register en een credit- card. Een aantal
Amerikaanse fbi-na-collega’s van de 87e leergang zijn intussen ook
mijn vrienden geworden. Ik bewaar bijzondere herinneringen aan
latere ontmoetingen met hen in de Verenigde Staten. Twee van mijn
klasgenoten waren afkomstig uit de staat Georgia: sheriff Earl Lee
van Douglas County en Ron Angel, een ‘special agent’ van het
Georgia Bureau of Investigation (gbi). Dit tweetal kreeg in 1974
nationale bekendheid. Op 18 december van dat jaar waren zij per
politieauto vanuit Douglasville met een gevan- gene onderweg naar
Henry County. Bij deze gevangene ging het om de zeer beruchte,
wegens een groot aantal roofmoorden in verschil- lende staten
veroordeelde Paul John Knowles. Knowles, die mijn beide klasgenoten
in Henry County de plaats zou aanwijzen waar hij het pistool had
gedumpt waarmee hij in Florida een politieman had doodgeschoten,
zat aan handen en voeten geboeid op de achter- bank. Sheriff Earl
Lee bestuurde de auto, Ron Angel zat naast hem. Op het moment dat
Lee de autosnelweg I20 opreed, dook Knowles met een plotselinge,
snelle beweging naar voren, om vervolgens met een van zijn handen
een greep te doen naar de revolver van Earl Lee. Hij slaagde er
inderdaad in de revolver uit de holster van Earl te lichten, maar
verder kwam hij gelukkig niet. Op hetzelfde moment namelijk trok
Ron Angel bliksemsnel zijn dienstpistool, waarna hij Knowles met
één schot dodelijk verwondde. In die paar seconden waarbinnen dit
alles zich afspeelde, verloor Earl de macht over het stuur, waarna
de auto op de schuin afl opende berm terechtkwam, tegen een hek
botste en ten slotte tot stilstand kwam. Geen van de beide
politiemannen raakte gewond. Het bleek dat Knowles tijdens
de rit kans had gezien zich met behulp van een paperclip, die hij
in zijn mondholte had verborgen, van een van zijn handboeien te
ontdoen. Ik heb later bij een van mijn bezoeken aan Earl uitvoerig
met hem over deze gebeurtenis gesproken. Hij vertelde mij dat hij
er zonder meer van overtuigd was dat het alleen aan het snelle en
kordate optreden van Ron Angel te danken was geweest dat zij het er
levend vanaf hadden gebracht. ‘Knowles is de gemeenste boef die ik
ooit ontmoet heb,’ aldus Earl, die ook nog wat anders vertelde. ‘Ik
heb heel wat brieven ontvangen met vijandige reacties over ons
optreden,’ aldus Earl, die mij liet blijken daarover nog altijd
teleur- gesteld te zijn. Sommigen hadden hem en Ron zelfs beticht
van ‘re- gelrechte executie’. Wat Earl intussen nog steeds niet
begreep, was, zo vertelde hij mij, dat mensen ook maar enige
sympathie konden opbrengen voor een moordenaar van het type
Knowles, van wie onder meer bekend was dat hij de toedracht van
zijn afschuwelijke moorden bij wijze van dagboek op een
cassetterecorder vastgelegd had.
VS, Georgia,
Sheriff Earl
D. Lee,
Douglas
County,
klasgenoot
FBI NA en
goede vriend
Sheriff, wanneer ik dit overleef,
ga ik je vermoorden
Earl Lee was het prototype van een sheriff in het ‘diepe Zuiden’
van de Verenigde Staten: ‘Ik ben de Wet, orde en gezag in mijn
county worden strikt gehandhaafd.’ In Douglas County had hij vijf
achtereen- volgende keren zijn mededinger naar het ambt van sheriff
ruim versla- gen. Zodoende was hij daar ruim twintig jaar ‘de Wet’
geweest. Om gezondheidsredenen, maar ook met (letterlijk) pijn in
zijn hart zag hij af van een zesde periode. De inwoners van Douglas
County droegen hem op handen vanwege zijn harde aanpak van de
criminaliteit. Earl was in zijn optreden als sheriff voor de duvel
niet bang, maar wel voor- zichtig. Toen ik eens op een nacht met
twee van zijn deputies op pad ging, drukte hij mij een klein model
revolver in de hand met de goedbe- doelde raad dat wapen maar in
mijn zak te steken ‘voor het geval dat’. Tijdens een
gijzelingsactie in 1976 schoot hij een roofovervaller dood. Dat
bepaalde criminelen in ‘zijn’ county hem liever dood dan levend
wensten, blijkt wel uit het volgende voorval. Op een nacht hoorde
ik zijn auto wegrijden en een uur of zo later weer terugkomen. Toen
ik hem de volgende ochtend vroeg wat er aan de hand was geweest,
vertelde Earl dat hij een telefoontje had gekregen met het
dringende verzoek naar een ongeveer twintig kilometer van
Douglasville gelegen ziekenhuis te komen. Iemand die daar op
sterven lag wilde hem vóór zijn overlijden nog iets mededelen. Toen
Earl de ziekenhuiskamer bin- nenliep, zat rondom het bed van de
stervende, een goede bekende van Earl uit het criminele milieu, een
hele schare familieleden en bekenden die de man in zijn laatste
uren wilden bijstaan. Discreet naderde Earl het bed van de
stervende man, boog zich iets voorover en richtte zich vervolgens
tot hem met de woorden: ‘Oké, Joe, ik luister, wat had je me willen
vertellen?’ Met zijn laatste krachten, aldus Earl, kwam de
stervende iets overeind, keek Earl doordringend aan en zei:
‘Sheriff, wanneer ik dit overleef, ga ik je vermoorden.’ ‘Wat kon
ik na deze trieste boodschap beter doen dan hem gewoon sterkte te
wensen en weg te wezen,’ aldus Earl. Earl Lee was, behalve een
‘family-man’ ook een godsdienstig man, die zondags samen met zijn
vrouw Betty en hun drie dochters de kerk bezocht. Zijn opvattingen
over God en Gebod leidden in 1992 tot de volgende, wel heel
merkwaardige gebeurtenis. In de dodencel van de gevangenis in
Jackson, Georgia, zat sedert 1976 de meervoudige moordenaar Billy
Sunday Birt, een blanke man, geboren in 1938, gehuwd en vader van
vijf kinderen. Birt was ter dood veroordeeld wegens een door hem en
een mededader in 1975 gepleegde roofmoord op een bejaard echtpaar.
Met Birt was volgens
Earl Lee destijds echter veel meer
aan de hand geweest. Hij zou na-
melijk ook verantwoordelijk zijn voor ruim vijftig in de staat
Georgia gepleegde huurmoorden. Als huurmoordenaar (‘hit man’) zou
Birt daar goed aan hebben verdiend. Behalve de moord op dat
echtpaar was hij echter nog slechts voor één andere moord
veroordeeld, name- lijk die op een wat maffi a-achtige fi guur.
Terwijl Birt in de gevange- nis zat, had Earl een hele goede
relatie met hem opgebouwd. Allengs was Birt hem zodoende behulpzaam
bij het oplossen van een aantal openstaande misdrijven. Na enkele
jaren was dat contact uitgelopen op een zekere vriendschapsband. In
september 1992 verkreeg Earl op zijn verzoek een ‘court order’
waarbij de gevangenisdirectie in Jackson opdracht kreeg Birt te
laten overbrengen naar de county- gevangenis in Douglasville
‘teneinde behulpzaam te zijn bij het op- lossen van een bepaalde
zaak’. Tijdens een van de daaropvolgende gesprekken in die
gevangenis – sheriff Lee had daarover het beheer – had Birt aan
Earl te kennen gegeven dat hij in de dodencel tot inkeer was
gekomen, ‘het Licht’ had gezien en als ‘christian’ gedoopt wenste
te worden. Dit sprak Earl wel aan. Hij vond dat Birt een ander mens
was geworden, die de criminaliteit geheel had afgezworen. Door be-
middeling van Earl werd Billy Sunday Birt op 6 september 1992 in de
kleine ‘Church of the Lord Jesus Christ’ in het plaatsje Winder,
Georgia, gedoopt. Die gebeurtenis vond plaats in aanwezigheid van
de familie van Birt en sheriff Earl Lee. Dat hierover later het
nodige gedonder is ontstaan, behoeft nauwelijks nader betoog. Een
van de verwijten die Earl kreeg was het feit dat hij Birt vanuit de
gevangenis in Jackson geheel ongeboeid naar Winder had vervoerd en
dat tijdens de doopplechtigheid ook zo had gelaten. ‘Ik wilde hem
laten zien dat ik hem vertrouwde,’ aldus Earl, ‘bovendien wist Birt
dat ik hem overhoop zou schieten als hij zou proberen te vluchten.’
Een afspraak met de ‘oude stoel’
Vier dagen nadat Billy Birt in Winder was gedoopt, was ik een paar
dagen te gast bij Earl Lee, die mij het nodige over deze gebeurte-
nis vertelde. Birt verbleef toen nog steeds in de county-gevangenis
in Douglasville. Nadat ik de verhalen van Earl had aangehoord, rees
bij mij het idee Birt te interviewen over zijn criminele verleden.
Earl had geen bezwaar, maar merkte wel op dat Birt had geweigerd de
pers te woord te staan en dat ik dus maar moest avonturen of hij
wel met mij zou willen praten. Een dag later zat ik op het bu- reau
van Earl tegenover Birt. Een rustig aandoende, ietwat rijzige
fi guur van even in de zestig, die mij
eerst met nieuwsgierige blikken
de hand schudde en mij vervolgens afwachtend taxeerde. Nadat Earl
mij in een inleidend praatje had geïntroduceerd, liet Birt weten
geen bezwaar tegen een interview met mij te hebben, mits ik mijn
cassetterecorder maar in mijn tas liet zitten. Geleidelijk kwam het
gesprek op gang. Birt was tegenover mij weinig terughoudend over
zijn verleden als ‘contractman’ (huurmoordenaar). Hij praatte, on-
danks zijn spraakgebrek, honderd uit en had soms moeite om bij een
bepaald onderwerp de lijn van het verhaal te blijven volgen. Nadat
hij mij had verteld over zijn terdoodveroordeling, vroeg ik hem wat
hij vond van de doodstraf. Tot mijn verbazing zei Birt dat hij
daarin geloofde: ‘Wanneer iemand bereid is een ander het leven te
ontnemen dan moet hij ook bereid zijn, zijn eigen leven te geven.’
Wel had hij bezwaar tegen de ‘veel te lange wachttijd’ voor de
executie. ‘Twee jaar is voldoende,’ aldus Birt, die daaraan
toevoegde dat het bovendien de belastingbetaler $ 60.000 per jaar
kostte om hem gedurende al die tijd in leven te houden. Indien hij
uiteindelijk toch op de elektrische stoel terecht zou komen, zou
hij zeggen: ‘Gerechtigheid is geschied’, zo verzekerde Birt mij.
Hij voegde daar overigens wel aan toe dat hij zou blijven vechten
voor gratie. Terwijl het gesprek vorderde, lachte Birt af en toe
als het type ‘gezellige vent’. Of hij spijt had van alle moorden
die hij had gepleegd, vroeg ik hem na enige tijd. ‘Ja, op twee na,’
aldus Birt, die vervolgens bereid bleek tegenover mij één van die
twee zaken uit de doeken te doen. Over de aard en toedracht van de
andere moord wilde hij verder niets zeggen. Na mij eerst
nadrukkelijk te hebben verzekerd dat hij ‘uit principe’ nimmer
iemand had vermoord in aanwezigheid van een kind, vertelde hij het
volgende verhaal. Op zekere dag was hij door een opdrachtgever
benaderd om een echt- paar, dat als informant voor de fbi zou
werken, tegen een ‘hoop dollars’ te liquideren. Voordat Birt zich
akkoord verklaarde, had hij tot vier keer toe aan zijn
opdrachtgever gevraagd of het bewuste echtpaar ook kinderen in huis
had. Evenzoveel keer was hem door deze verzekerd dat daar geen
sprake van was. Op de avond waarop de liquidatie moest
plaatsvinden, had Birt, die in gezelschap was van een evenals
hijzelf ongemaskerde mededader, bij het echtpaar aangebeld. Na een
of andere smoes te hebben opgehangen waren zij daar binnengelaten.
Juist op het moment dat zij hun ‘opdracht’ zouden gaan uitvoeren,
hoorden zij vanuit een zijkamer een kind ‘mama’ roepen. Seconden
later ging de deur van die kamer open, waarna een knulletje in hun
richting dribbelde en vroeg ‘gaan jullie
mijn mama pijn doen?’ ‘Nee, ik ga je
moeder niks doen,’ had Birt
geantwoord. Even later waren er nog twee kleine kinderen tevoor-
schijn gekomen. Met een nieuwe smoes als afl eidingsmanoeuvre waren
hij en zijn kompaan vervolgens onverrichter zake de woning
uitgelopen. Direct hierna had Birt zijn opdrachtgever opgebeld.
‘Alles naar wens verlopen,’ had hij hem verteld, waarna hij een
afspraak had gemaakt om de man nog diezelfde avond ergens bui-
tenaf te ontmoeten voor het in ontvangst nemen van de andere helft
van de afgesproken hoeveelheid dollars. Toen de opdrachtgever op de
afgesproken plaats was verschenen, had Birt hem onomwonden verteld
dat hij door hem was belazerd, gezien zijn ervaring met de drie
kleine kinderen. Vervolgens had hij zijn pistool getrokken en de
opdrachtgever ter plekke doodgeschoten. ‘Met de rest van de dollars
ben ik ervandoor gegaan,’ aldus Birt, die het laatste gedeelte van
dit verhaal met een ijskoude blik in zijn ogen ten beste gaf. On-
geveer een jaar na het interview met Billy Birt schreef hij mij
vanuit de dodencel in Jackson: ‘Ze zijn hier nog steeds kwaad op
mij en op mister Lee omdat hij mij thuis naar de kerk heeft
gebracht, ha ha. Maar wie kan het wat schelen, mister Lee niet, dat
weet ik zeker, en mij al helemaal niet.’ Na te hebben vermeld dat
zijn zaak binnen- kort weer in hoger beroep zou worden behandeld,
vervolgt hij: ‘Er kunnen maar twee dingen gebeuren. Of ik kom van
de doodstraf af, of ik krijg een afspraak met “de oude stoel”. Ze
hebben er juist gisteravond iemand op “verbrand”.’ Billy Sunday
Birt heeft in la- tere jaren uiteindelijk gratie verkregen. Zijn
straf werd omgezet in levenslang. Gelukkig ziet het ernaar uit dat
een nieuwe wet binnen afzienbare tijd een defi nitief einde zal
maken aan de verjaring van het delict moord.
In
april
1998 heb ik Earl Lee voor het laatst opgezocht. Dat was op zijn
ziekbed in een ziekenhuis in Atlanta. Toen ik drie maanden later
weer in Amerika was, heb ik hem in het ziekenhuis opgebeld. Nadat
ik had gevraagd hoe het met hem ging, kon hij alleen nog maar fl
uisterend en sterk geëmotioneerd reageren. ‘Slecht, John, heel
slecht, het is over en voorbij; ik heb altijd van m’n gezin en van
mijn werk gehouden.’ Einde gesprek. In oktober 1998 is hij overle-
den.
n.b. Tijdens mijn vele studiereizen naar Amerika heb ik het voor-
recht genoten respectievelijk de volgende erebenoemingen en ere-
burgerschappen in ontvangst te mogen nemen.
Een deel van mijn awards
EREBENOEMING
Deputy Sheriff, Johnson County, Kansas Police
Offi cer, Shawnee Police Department, Kansas Commissioner of Police,
Overland Park, Kansas Deputy Sheriff, Sacramento, California Deputy
Sheriff, Douglascounty, Georgia Chief of Police, Alcoa,
Tennessee
Military Police Offi cer, U.S. Military Police Corps Police
Offi cer, Holland, Michigan
Erelid politiekorps Rotterdam, New York Special Agent U.S.
Customs
EREBURGERSCHAP
State of Kansas (samen met Nelly en onze kinderen Annelies en
Hans)
City of Abilene, Texas
City of Borger, Texas
City of Rotterdam, New York
AWARDS kreeg ik van de volgende
Amerikaanse instanties:
Federal Bureau of Investigation (fbi)
Drug Enforcement Administration (dea)
us Customs
Department of the Treasury (Internal Revenu Service) International
Association of Chiefs of Police (iacp) International Homicide
Investigators Association (ihia) zuidoost-azië
thailand
Drugsliaison
De eerste keer van mijn leven dat ik in het Verre Oosten belandde,
was in oktober 1976. Op verzoek van de minister van Justitie mr.
A.A.M. van Agt ben ik toen naar Bangkok gereisd. Samen met de
directeur-generaal van de directie politie mr. A.J. Fonteijn heb ik
daar onderzoek gedaan naar de vraag of het in het belang van een
meer doeltreffende bestrijding van de heroïnehandel in Nederland
wenselijk was een Nederlandse politieoffi cier als drugsliaison bij
de Nederlandse ambassade in Bangkok te stationeren. De smokkel van
heroïne vanuit Zuidoost-Azië naar Nederland begon destijds na-
melijk verontrustende vormen aan te nemen. Ik heb dat onderzoek
niet alleen als een eervolle opdracht beschouwd, maar ook als een
buitengewoon boeiende onderneming ervaren. Op ons programma stonden
tal van oriënterende besprekingen met allerlei autoriteiten en
instanties zoals: de Nationale Thaise Narcoticabrigade, de Ame-
rikaanse drugsbestrijdingorganisatie dea, de politieliaison verbon-
den aan respectievelijk de Britse en de Canadese ambassade en die
van Bureau Interpol. Ook spraken wij uitvoerig met vertegenwoor-
digers van de Verenigde Naties, die in het noorden van Thailand, in
de zogenaamde Gouden Driehoek, actief waren met een opium-
vervangend gewasprogramma. Aan de Amerikaanse ambassade in Bangkok
was destijds een afdeling van maar liefst 26 agenten van de dea
verbonden. Deze afdeling opereerde geheel zelfstandig op het gebied
van informatieverzameling, het runnen van informanten en het
uitvoeren van observatieacties. Aan het einde van al deze bespre-
kingen, waarbij wij uiteraard ook uitgebreid met de Nederlandse
Thailand, Bangkok (1987), inspectie van de erewacht bij
de
politie academie
ambassadeur in Thailand mr. F. van Dongen van gedachten hadden
gewisseld, waren wij het al snel met elkaar eens. Een Nederlandse
politieoffi cier als drugsliasion verbonden aan onze ambassade in
Bangkok was zonder meer een dringende noodzaak. Mr. Fonteijn, die
direct na afl oop van onze missie in Bangkok naar Nederland zou
terugkeren, verzocht mij door te reizen naar Chiang Mai. Het was de
bedoeling dat ik nog enkele aanvullende besprekingen zou voe- ren
met de twee in de Gouden Driehoek gestationeerde dea-agen- ten en
met enkele functionarissen van de Thaise narcoticabrigade in dat
gebied. De directeur-generaal had bovendien nog een ander verzoek.
Tot mijn niet geringe verrassing vroeg hij mij namelijk of ik
bereid zou zijn de beoogde functie van liaison drugsbestrijding te
vervullen. Het zou dan de bedoeling zijn, aldus mr. Fonteijn, dat
ik als een soort pionier die post binnen een termijn van ongeveer
één jaar goed van de grond zou trekken. Daarna zou een functionaris
van de Centrale Recherche Informatiedienst (cri) die functie gaan
bekleden. Voortvarend als hij was, liet hij mij in één adem door
weten dat de ambassadeur inmiddels geheel met zijn voorstel had in-
gestemd, dat een woning beschikbaar was en dat onze kinderen, die
inmiddels negen en tien jaar waren, naar de internationale
school
in Bangkok zouden kunnen gaan. Die
pioniersrol trok mij direct zo
geweldig aan dat ik daar toen zonder enige aarzeling volmondig ‘ja’
op heb gezegd. Of ik toch niet eerst mijn vrouw moest bellen, vroeg
mr. Fonteijn. Ik heb hem gerustgesteld met de verzekering dat mijn
vrouw, Nelly kennende, niet minder enthousiast zou reageren. Dat
ook Annelies en Hans het wel een aantrekkelijk avontuur zouden
vinden, stond voor mij ook als een paal boven water. Bovendien
wilde ik iedereen met het voorstel verrassen bij mijn thuiskomst.
Al met al had ik intussen met één factor geen rekening gehouden,
namelijk hoe de Rotterdamse Korpschef op het voorstel van mr.
Fonteijn zou reageren. Nadat ik mijn opdracht in Chiang Mai had
uitgevoerd en was teruggekeerd in Nederland, werd ik dat echter al
spoedig gewaar. Hoofdcommissaris Vermeij bleek er niet alleen
vierkant tegen te zijn, hij liet dat ook op botte wijze blijken.
Mijn werk als recherchecommissaris lag in Rotterdam en nergens
anders. Dat toch zeker ook onze eigen Rotterdamse Narcoticabrigade
zou kunnen profi teren van het niet alleen in Thailand maar ook in
Singa- pore en Maleisië door mij op te bouwen netwerk,
interesseerde hem niet in het minst. ‘Voorstel onbespreekbaar’, en
als ik toch zonodig als liaison naar Bangkok wilde, moest ik bij de
Rotterdamse poli- tie mijn ontslag maar nemen, zo liet hij mij
uiterst kribbig weten. Dat laatste heb ik op zeker ogenblik ook
serieus overwogen. Op zo’n moment blijkt het echter achteraf een
uitkomst wanneer je een echtgenote hebt die ondanks alles met twee
benen op de grond blijft staan, en minder emotioneel reageert.
Levenslang
Hoe het ook zij, als gevolg van mijn eerste ervaringen in Thailand
was mijn verdere belangstelling voor dat deel van de wereld meer
dan voldoende gewekt. Dat hield natuurlijk op de eerste plaats
verband met het ook in Nederland almaar groter wordende drugs-
probleem. Zodoende heb ik nadien nog een aantal keren in zowel
Thailand als Singapore kunnen rondneuzen. Met grote waardering maar
vooral ook met veel plezier denk ik daarbij terug aan de as-
sistentie en de daadwerkelijke begeleiding die ik bij mijn verdere
bezoeken aan dat gebied steeds heb gekregen van de in die jaren als
drugsliaison in Bangkok werkzame functionarissen van de cri: Bart
Theeuwes, Henk Pauwels, Harry Kamphuis, Aart Bloemheuvel en Arie
Klein. Stuk voor stuk toegewijde, gedreven dienders en prima
collega’s, met wie het goed toeven was bij een aantal
onvergete-
lijke ‘expedities’ in onder meer de
Gouden Driehoek. In het voorjaar
van 1982 was ik in Bangkok om een vijf dagen durend congres bij te
wonen van de aan de Verenigde Naties gelieerde Internationale Raad
voor Alcohol en Drugsverslaving. Op dat zeer druk bezochte congres
werd zowel over drugsverslaving en hulpverlening als over de
(internationale) drugsbestrijding gesproken. Aanwezig waren ook
enkele Nederlandse journalisten, onder wie Rob Knijff van De
Telegraaf en Bert Bommels van Het Parool. In een
vraaggesprek
met beide journalisten heb ik toen mijn persoonlijke visie met be-
trekking tot de aanpak van drugshandelaren nog eens geventileerd:
levenslang plus toekenning van de bedelstaf. Mijn verhaal was de
volgende ochtend voor De Telegraaf voorpaginanieuws, maar op
zowel het ministerie van Justitie als op de Nederlandse ambassade
in Bangkok werd men er niet bepaald vrolijk van. Weer een dag later
namelijk meldde dezelfde krant dat de minister van Justitie, mr. J.
de Ruiter, niets in mijn beide voorstellen zag. Verbeurdver-
klaring volgens ‘mijn’ methode achtte hij ‘volstrekt in strijd’ met
het strafrecht, terwijl de rechters ‘blijken nog voldoende uit de
voeten te kunnen met de nu geldende maximale straffen’. Gezien het
slappe Nederlandse drugsbeleid verbaasde het ministeriële standpunt
mij allerminst.
Bommenwerpers
Een van de vele punten in de Gouden Driehoek die ik destijds heb
bezocht, was het in het noorden gelegen Thaise bergdorpje Ban Hin
Taek. De meeste bewoners van dit vlak bij de grens met Birma gele-
gen dorpje zijn uit Birma gevluchte Shans. Het zijn op het oog
vrien- delijke mensen die hun ideaal, een vrije Shan-staat, met
overtuiging uitdragen. Het was in dit plaatsje dat de ‘opiumkoning’
Khun Sa – zijn eigenlijke naam is Chiang Chi Fu – een aantal jaren
zijn on- derkomen had. Khun Sa, half Chinees, half Shan, wierp zich
op als ‘commander in Chief’ van het Verenigd Shan Leger (sua, Shan
United Army). In Ban Hin Taek bewoonde hij een soort bungalow.
Vlakbij hem woonden enkele van zijn ‘stafoffi cieren’. Net buiten
het eigenlijke dorp liet Khun Sa een school, een ziekenhuis en een
onderkomen voor jongens bouwen. Dat laatste gebouw zou heb- ben
gediend als trainingscentrum voor Shan-verzetsstrijders. Alles was
weliswaar primitief, nochtans degelijk gebouwd en het voorzag in
een behoefte, zo hoorde ik in het dorp. Vanuit Ban Hin Taek regelde
de ‘generaal’ zijn opiumzaken. Zijn troepen bewogen zich
gewapend en wel vrij door het dorp.
Zijn leger, en ongetwijfeld hij-
zelf, voeren wel bij de opiumhandel. In het dorp werd een wapen-
depot aangelegd, waarin een grote hoeveelheid wapens en munitie lag
opgeslagen. Op 21 januari 1982 besloot de Thaise overheid aan de
toestand in Ban Hin Taek een einde te maken en pogingen te
ondernemen Khun Sa gevangen te nemen. Op de vroege ochtend van die
dag werd eerst het onderkomen van Khun Sa door twee vc-10
bommenwerpers van de Thaise luchtmacht in puin gegooid. Direct
hierna bestormden leger en grenspolitie, ondersteund door
gevechtshelikopters, het dorp. De slag om Ban Hin Taek duurde twee
dagen en kostte aan zeventig Shan-strijders en zeventien poli-
tiemannen het leven. De ‘generaal’ zelf was met enkele honderden
van zijn guerrillastrijders over de twee kilometer verderop gelegen
Birmaanse grens gevlucht.
Vader van de Shans
Samen met Henk Pauwels ben ik ongeveer twee maanden na deze
veldslag per auto vanuit Chang Rai naar Ban Hin Taek gereisd. Een
tocht dwars door een gebied van adembenemende schoonheid. Een
vriendelijke Shan die de Engelse taal uitstekend beheerste en met
wie we in een soort van gemeenschapshuis contact hadden gemaakt,
bleek bereid ons in Ban Hin Taek rond te leiden. Henk en ik keken
elkaar even veelbetekenend aan toen de man ons na de eerste ken-
nismaking belangstellend vroeg waar wij ons dagelijks brood mee
verdienden. Ook, of wij zo vriendelijk wilden zijn een soort
gasten- boek te signeren. Wij hadden eigenlijk niet direct op een
dergelijk verzoek gerekend, wat niet wegneemt dat wij er natuurlijk
wel aan hebben voldaan. Voor alle zekerheid hebben we het er echter
wel op gehouden dat een van ons freelance fotograaf en de ander
freelance journalist was. Voor deze bijzondere gelegenheid hebben
we ons ook maar een andere naam aangemeten. Uitvoerig, af en toe
met afschuw in zijn stem, beschreef onze Shan-begeleider de
gebeurte- nissen van 21 januari. Hoofdschuddend wees hij ons
intussen op de vernielde gebouwtjes, de bomtrechters en op de met
kogels door- zeefde, maar nog overeind staande gebouwen.
Genuanceerd, maar niet geheel ontdaan van een zeker fanatisme,
presenteerde hij ons het Shan-probleem: ‘Geef ons onafhankelijkheid
en het opiumprobleem is voor ons opgelost,’ zo meende hij met
overtuiging. Volgens hem konden de Shans niet anders dan opium
verhandelen: ‘We moeten immers wapens hebben om ons te verdedigen.’
Over Khun Sa, die
hij ‘father of the Shans’ noemde
wilde hij geen kwaad woord horen.
Mistroostig wees hij tijdens de rondgang het vernielde onderkomen
aan van ‘studenten’ en een daarbij behorende school. Volgens hem
waren het zinloze vernielingen geweest. In het onderkomen verble-
ven slechts ‘weesjongens’ van om en nabij de dertien jaar. Al pra-
tend raapte hij tussen de puinhopen van de vernielde school een
paar schriften op, die hij mij aanreikte. Hij raadde mij aan ze
goed te bestuderen, waarna ik ongetwijfeld tot de ontdekking zou
komen dat het gewoon lesmateriaal voor kinderen was. Toen ik een
van de schriften later doorbladerde, zag ik dat op een aantal
pagina’s sol- daten waren afgebeeld, uitgerust met onder meer
machinegeweren en granaatwerpers. Jong geleerd, oud gedaan? vroeg
ik mij toen af. Tegen het einde van de rondgang vroegen wij hem of
hij ons het bergpad wilde wijzen waarlangs Khun Sa en zijn troepen
naar Birma waren gevlucht. Dat heeft hij gedaan. Toen wij daar
enkele tiental- len meters in de richting van de Birmaanse grens
waren gelopen, zei hij dat hij ons ook met het Verenigd Shan Leger
in contact kon brengen, ‘dan kunt u ook hun verhaal horen’. Op dat
aanbod zijn we toch maar niet ingegaan.
Opiumkaravaan
Enkele jaren later was ik andermaal in het Thaise gedeelte van de
Gouden Driehoek. Mijn goede vriend Inspecteur-Generaal Vasit
Dejkunjorn, die ik op de fbi Academy had leren kennen, had mij uit-
genodigd voor een crosscountry helikoptervlucht boven dit gebied.
Ons uiteindelijke doel zou het plaatsje Huai Nam Rhue in politiere-
gio 7 zijn. Die plaats ligt op het punt in de Driehoek waar
Thailand, Birma en Laos bij elkaar komen. Nabij die plaats zou de
deputatie waarvan ik deel uitmaakte eerst enkele in bloei staande
opiumvel- den bekijken, om vervolgens in diezelfde omgeving een
bezoek te brengen aan een Thais-Duits project van een vervangend
gewas. De politiecommandant van deze regio, generaal Kraisook
Sinsook, ook een man van de fbi na, vergezelde ons. Zijn
ambtsgebied strekte zich uit over de volle breedte van de Driehoek,
van de Birmaanse grens tot aan die van Laos, noordelijk van Chang
Rai. Toen we op betrekkelijk geringe hoogte boven het oerwoudgebied
vlogen, haalde generaal Vasit een landkaart tevoorschijn, om mij
vervolgens te laten zien hoe uitgestrekt de Gouden Driehoek
feitelijk wel is, 150.000 vierkante mijl. Wat later wees generaal
Kraisook mij op en- kele verschroeide plekken in het donkere
oerwoud onder ons. ‘Slash
Thailand, Gouden Driehoek, bezoek opiumvelden onder
politie-escorte
and burn [gekapt en platgebrand],’ riep hij boven het dreunende
motorgeluid van de helikopter uit. ‘Na de regentijd wordt door de
bergstammen een willekeurig stuk bos, veelal teakhout, gekapt en
uiteindelijk verbrand,’ brulde hij vervolgens in mijn oor. In fl
arden legde hij uit dat deze grond daarna vijf tot tien jaar wordt
gebruikt voor het verbouwen van opium. Bemesting of wisselbouw kent
men niet, met het gevolg dat de grond binnen een aantal jaren
geheel is uitgeput. De bergstam trekt dan gewoon verder en zoekt
een nieuw stuk bos uit. ‘Daar begint de verschroeide-aardetactiek
opnieuw,’ aldus generaal Kraisook. Een van de andere politieoffi
cieren, ko- lonel Sombat, legde mij tijdens onze vlucht boven dit
overweldi- gend mooie natuurgebied uit hoe moeilijk het is een
zogenaamde opiumkaravaan, meestal bestaande uit tientallen zwaar
met opium bepakte muilezels, te onderscheppen. Hij had eigenlijk
maar weinig woorden nodig om dat duidelijk te maken. De situatie
zo’n driedui- zend voet beneden ons sprak voor zichzelf. De kolonel
wees op een punt in de jungle waar als het ware uit het niets een
smal bergpad tevoorschijn kwam, dat omlaag kringelde en even later
plotseling ophield. Weer iets verder werd dit pad opeens weer
zichtbaar, om even later opnieuw in de jungle op te gaan, deze keer
vlak bij de
Birmaanse grens. Sombat legde uit dat de afstand tussen die twee
punten ongeveer vijftien kilometer bedraagt. Om een volgend open
punt te bereiken moet men zich dus letterlijk door de jungle slaan,
zo betoogde hij. ‘Veronderstel dat we bij deze luchtverkenning zo’n
opiumkaravaan zouden ontdekken, wat kunnen we dan doen? Po- sitie
vastleggen, akkoord, maar daarna beginnen de problemen pas. Hoe
komen we in de buurt om actie te kunnen ondernemen?’ Een blik naar
beneden maakte me duidelijk dat er in de wijde omtrek geen
mogelijkheid was om één, laat staan meer helikopters aan de grond
te zetten. Ik kon hem dus alleen maar gelijk geven toen hij zei dat
een onderscheppingseenheid van de grenspolitie dagenlang door de
jungle zou moeten trekken om uiteindelijk contact te kunnen ma- ken
met de opiumsmokkelaars. Een en ander nog afgezien van de
bevoorradingsproblemen.
Opiumvelden
Nadat we op een wat breder zandpad in de jungle waren geland, werd
de tocht per Landrover voortgezet, voorafgegaan door een pick-up
met een tiental zwaarbewapende mannen van de Grenspo- litie. Via
een hobbelige zandweg
vol brede kuilen kwamen we
uiteindelijk bij ons einddoel,
Huai Nam Rhue, dat door de
Lisu-stam – een van de zes berg-
volken in het Thaise deel van de
Gouden Driehoek – wordt be-
woond. ‘De Lisu hebben zich op
de hoogste hellingen genesteld,
en zij worden beschouwd als dé
specialisten in opiumverbouw,’
legde generaal Kraisook uit. De
nederzetting Huai Nam Rhue
bestaat uit een verzameling pri-
mitieve bamboehutten, waar
de bittere armoe bij wijze van
spreken van afdruipt en waar
de tijd al eeuwen moet hebben
stilgestaan. Het begrip elektrici-
Thailand, Gouden Driehoek,
teit bijvoorbeeld is er volkomen
bezoek opiumvelden
onbekend. De bewoners waren
vriendelijke mensen die me zonder
enig bezwaar in hun hut toelieten
en me hun schamele bezit toonden. Rond de hutten krioelde het van
zowel kinderen als kippen. In een met water gevulde kuil midden op
de zandstraat wentelden zich een paar zwarte varkens behaaglijk in
het rond. Via een tolk knoopte ik een gesprek aan met een 86-jarige
Lisu, die me vertelde dat hij al ruim vijftig jaar in het dorp
woonde en zo ongeveer zijn hele leven opium had verbouwd. In het
kader van het vervangend-gewasprogramma hield hij zich nu bezig met
koffi everbouw. Op mijn vraag wat hij van deze verandering vond, gaf
hij een wat aarzelend antwoord, waar ik niet mee uit de voeten kon.
Ik had mij vast voorgenomen in het dorp te proberen de twee stukjes
primitief gereedschap te bemachtigen die bij het oogsten van de
opium worden gebruikt: een mesje in de vorm van een drietand om de
papaverbol in te snijden en een metalen schrappertje om de opium
van de zaadbol af te schrappen. Via de tolk benaderde ik een
vriendelijke vrouw die met een baby op de arm voor haar hut stond.
Of zij zoiets voor me te koop had, vroeg ik haar. Zij knikte beves-
tigend, ging haar hut binnen en kwam even later weer naar buiten
met een drietandje in een bamboerietje en een oud schrappertje. Na
het nu eenmaal gebruikelijke loven en bieden werden wij het eens:
twee dollar. Zij lachte tevreden, ik trouwens ook. Via bruinstoffi
ge junglepaden stonden we even later voor een veld vol bloeiende
pa- pavers: wit, rood en paars. Het geeft je een wat tweeslachtig
gevoel om daar in de Gouden Driehoek ineens midden in een opiumveld
met duizenden papavers te staan. De absolute schoonheid van deze
schitterende natuur enerzijds en het krankzinnige idee anderzijds
dat de ellende van ontelbare verslaafden juist ergens in deze
kleuren- pracht begint. Vlak bij dit opiumveld lag een akker met
daarop een aantal uit lichtblauw gaas opgetrokken groentekassen. Op
een aan- grenzend veld stonden koffi estruiken en veelkleurige
snijbloemen. Een proces van lange adem, zo legde projectleider
Sorasit van dit Thais-Duitse programma uit. Na zijn uitleg werden
mij twee dingen duidelijk. Allereerst dat het
vervangend-gewasprogramma slechts een druppel is op een gloeiende
plaat. Vervolgens dat het ontbre- ken van een goede infrastructuur
een geweldige handicap betekent. De vervangende gewassen moeten
immers een lange, moeizame en vooral kostbare weg afl eggen om bij
de consument in de (Thaise) steden te komen. Niettemin heb ik op
deze trip grote bewondering en respect gekregen voor de manmoedige
pogingen en het grote doorzettingsvermogen van de Thaise
projectpioniers.
Bangkok (1987), ontvangst door hoofd van de Thaise
politie,
generaal Pow Sarrasin; geheel links generaal Vasit
Dejkunjorn
IJzeren armoe
Toen ik enkele dagen later terug was in Bangkok, werd ik in de ge-
legenheid gesteld twee eindstations van de heroïne-ellende, te
weten de mannengevangenis Bang Kwang (‘Bangkok-Hilton’) en een
vrou- wengevangenis aan de rand van de Thaise hoofdstad te
bezoeken. In dat laatste instituut waren toen 1650 vrouwen
gedetineerd, van wie twintig buitenlandse. In de reusachtige zalen
van het overbevolkte complex waren honderden gevangenen bezig met
het vervaardigen van legeruniformen. Ik werd door de
gevangenisdirectie in de gele- genheid gesteld drie westerse
gevangenen te interviewen, vrouwen die zich er ooit voor hadden
geleend om als heroïnekoerierster op te treden. Sheila uit
Californië zat al vijf jaar en had inmiddels vlot Thais leren
spreken. Op mijn vraag hoe lang ze nog voor de boeg had, antwoordde
ze: ‘Nog 37 jaar.’ Haar misdrijf? Ze had gepoogd 160 gram heroïne
het land uit te smokkelen. Op het vliegveld van Bangkok was ze
tegen de lamp gelopen. Monique uit Parijs had vier jaar achter de
rug. Zij had levenslang gekregen wegens het bezit van 126 gram
heroïne. ‘Waarom levenslang?’ vroeg ik haar. ‘Omdat ik geweigerd
heb schuld te bekennen,’ zei ze. Cynthia uit Australië ten slotte
zat al zes jaar en hoopte binnen niet al te lange tijd vrij te
ko-
men. ‘Bij goed gedrag kun je per
maand een strafvermindering van
vijf dagen krijgen,’ vertelde de directeur van de gevangenis. Tel
uit je winst, dacht ik. Toen het ijzeren hek van de gevangenis met
een harde klap achter me dichtviel, vroeg ik me voor de zoveelste
keer af wat een mens in ’s hemelsnaam kon bewegen om zo’n
godvergeten heroïneavontuur aan te gaan. Het antwoord kende ik
natuurlijk al- lang: de zucht naar goud, naar geld. Maar het ‘goud’
dat uit de pa- paver druppelt, is er alleen voor de meedogenloze
exploitanten in de zogenaamde westerse beschaving, de
heroïnehandelaren. Niet voor de primitieve bergstammen in de Gouden
Driehoek die de opium produceren. Evenmin voor de koeriers die voor
de georganiseerde misdaad het vuile werk opknappen. Voor hen is er
alleen de ijzeren armoe. Voor de gevangenen in Bangkok geldt dat in
een dubbele betekenis.
Een poging tot beroving
Eind januari 1986 woonde ik in Pattaya de eerste voortgezette trai-
ningsbijeenkomst bij voor ‘Asian Pacifi c Graduates’ van de fbi na.
De hoofdonderwerpen van deze door de fbi georganiseerde drie-
daagse bijeenkomst waren gericht op bestrijding van het terrorisme
en de handel in drugs. Het was voor mij een mooie gelegenheid om
mijn twee Thaise klasgenoten uit 1971 nog eens te ontmoeten.
Behalve het hoofd van de Thaise politie, generaal Nahrong Mahan-
onda, was bij de opening van het symposium ook de toenmalige
directeur van de fbi, Judge Webster, aanwezig. Generaal Nahrong
nodigde mij uit om met hem, Judge Webster, en inspecteur-generaal
Vasit in een helikopter mee te vliegen naar het reusachtige vluch-
telingenkamp Khao I Dang, niet ver van de grens met Cambodja. Toen
wij daar na ruim een uur vliegen waren geland, steeg de he-
likopter onmiddellijk weer op, om even later achter de horizon te
verdwijnen. Of we soms te voet naar Pattaya terug zouden gaan,
vroeg ik gekscherend aan generaal Nahrong. ‘Alleen maar een vei-
ligheidsmaatregel,’ verzekerde hij mij. Hij wilde niet het risico
lo- pen dat het toestel, wanneer het op de grond stond, door de
Rode Khmer vanuit Cambodja zou worden beschoten. Op de tweede dag
van mijn verblijf in Pattaya deed ik een minder prettige ervaring
op. Met mijn Thaise begeleider luitenant Ekavit, die vanuit Bangkok
was meegereisd, naast mij, liep ik rond acht uur die avond door een
drukke winkelstraat. Toen wij langs een fotozaak gelopen waren,
schoot mij te binnen dat ik nog een paar batterijen moest kopen
Thailand (1987), afscheid van onze politiebegeleiders na
een
onvergetelijke tocht in het gebied van de Gouden
Driehoek
Thailand (1987), met onze politiebegeleiders op het eiland
Taratou
voor mijn cassetterecorder. Terwijl
ik in de winkel was, bleef Ekavit,
die in burger gekleed was, op enkele meters afstand van de winkel
op mij wachten. Ik kocht vier batterijen, stopte die in mijn
achterzak en liep vervolgens de winkel weer uit. Alvorens naar de
wachtende Ekavit te lopen, wierp ik eerst nog een korte blik in de
etalage van de fotozaak. Ik had nog geen twee passen in de richting
van Eka- vit gedaan, toen ik opeens een scherpe pijn in mijn
rechterbovenbil voelde. Automatisch betastte ik die plek, voelde
daar iets vochtigs en merkte tegelijk dat mijn broek ter hoogte van
mijn rechterach- terzak ingescheurd was. Toen ik mijn rechterhand
bekeek, zat daar bloed aan. Op hetzelfde moment zag ik dat een
jongeman zich snel verwijderde van de plaats waar ik stond. Ik
realiseerde me direct dat de weglopende knaap een poging had gedaan
om mij te beroven. Juist op dat ogenblik keek Ekavit mijn richting
uit. ‘That son of a bitch tried to rob me,’ brulde ik naar hem.
Gelijktijdig wees ik in de richting van de vluchtende straatrover.
Luitenant Ekavit bedacht zich geen seconde. Sprintend naar de
vluchteling trok hij zijn dienst- revolver uit een polstasje.
Seconden later zette hij het wapen op het hoofd van de inmiddels
stilstaande rover. De knaap hield het object waarmee hij mijn
achterzak had opengeritst nog in zijn hand. Het was een in de
lengte afgeknipt scherp deel van een Gillette-mesje, dat hij in de
gleuf van een primitief houten houdertje had gefrie- meld. Twee
passerende agenten in uniform ontfermden zich vervol- gens op een
niet zachtzinnige manier over de arrestant. Mijn enige vrees die
avond was niet zozeer de (geringe) verwonding die ik had opgelopen,
als wel het wapen waarmee het was toegebracht, korter gezegd: het
mogelijke infectiegevaar. Ik heb alle respect en waarde- ring voor
de wijze waarop de Thaise politie direct na het gebeurde de nodige
maatregelen heeft getroffen: onmiddellijke behandeling in een
ziekenhuis en de volgende dag nadere controle door een arts op mijn
hotelkamer. Ik had naar aanleiding van dit incident met de jonge
Ekavit te doen. Hij was een rustige en bescheiden politieof- fi
cier, prettig in de omgang en bijzonder hulpvaardig. In Bangkok was
hij al eerder mijn trouwe begeleider geweest. Hij was geweldig
geschrokken. Waar hij vooral mee zat, was dat het incident binnen
zijn gezichtsveld had plaatsgevonden terwijl hij het niet had
gezien. Hij vreesde nu dat een en ander voor hem vervelende
consequenties zou hebben. Ik stelde hem gerust met de mededeling
dat hij het ook niet had kunnen voorkomen en dat het toch maar aan
zijn razend- snel en kordaat optreden te danken was geweest dat de
rover in de boeien kon worden geslagen. Daarvan heb ik diezelfde
avond
generaal Vasit kunnen overtuigen en
later, tijdens een lunch met
de Thaise politietop, ook generaal Nahrong. Voor luitenant Ekavit
heeft het verder geen gevolgen gehad. Integendeel, een jaar later
zou hij mij weer begeleiden. Uit het verhoor bleek dat de berover,
een goeie twintiger, mij uit de fotowinkel had zien komen en toen
had gezien dat mijn rechterachterzak ‘redelijk gevuld’ was.
Zodoende had hij de indruk gekregen dat daar een hoop geld in zat.
Het waren echter slechts de vier batterijen die ik daar opgeborgen
had. In een van mijn borstzakken had ik wat papiergeld gestopt. De
rover werd door de provinciale rechtbank van Cholburi veroordeeld
tot twee jaar gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk,
‘omdat hij schuld had bekend’.
singapore
Triest
In de jaren tachtig heb ik ook enkele malen een oriëntatiebezoek
gebracht aan Singapore, onder meer aan de Changi-gevangenis. De
dodencel in deze beruchte gevangenis is het absolute eindpunt voor
degene die wordt schuldig bevonden aan het bezit van meer dan
vijftien gram zuivere heroïne. De rechter is bij schuldigverkla-
ring wettelijk verplicht de doodstraf op te leggen. Toen ik in 1982
de troosteloos uitziende ‘Changi’ bezocht, zaten daar terzake van
drugsdelicten twaalf ter dood veroordeelden, onder wie twee vrou-
wen. Sedert de inwerkingtreding van de nieuwe Opiumwet in 1973 –
ingrijpend gewijzigd in 1979 – waren inmiddels negen doodvon-
nissen voltrokken. Uit hetgeen ik optekende uit de mond van het
plaatsvervangend hoofd van het Central Narcotics Bureau bleek dat
nergens ter wereld de behandeling van drugsverslaafden zo on-
verbiddelijk is als in Singapore. Het komt er in een paar woorden
gezegd op neer dat de verslaafde zonder pardon van de straat kan
worden gehaald, om vervolgens voor een gedwongen afkickpro- gramma
te worden geplaatst in een van de vijf zogenaamde reha-
bilitatiecentra. Het verblijf in zo’n centrum duurt in beginsel zes
maanden, maar deze termijn kan met name bij recidive oplopen tot
(maximaal) twee jaar. Ik ben uitgebreid in een van deze kampen
rondgeleid. Alhoewel in Singapore steeds werd benadrukt dat het
geen gevangenissen zijn, deed de hele entourage mij toch anders
vermoeden. De bekende rollen prikkeldraad zijn overal aanwezig,
evenals de wachttorentjes.
Ontvluchtingen waren er overigens nau-
welijks, zo verzekerde men mij. De discipline die in het kamp werd
gehandhaafd, kan zich meten met de discipline die gebruikelijk is
bij zware militaire trainingen. Overal waar ik werd rondgeleid,
werd door de aanwezige verslaafden het verplichte ‘good morning
Sir’ gebruld. In de werkplaatsen vloog men bovendien nog overeind
ook en bleef men stram in de houding staan totdat de mij begelei-
dende commandant van het kamp toestemming had gegeven met de
dagelijkse werkzaamheden verder te gaan. Alleen in de van brede
tralies voorziene ‘cold turkey’-kooien – het beginpunt van het ge-
dwongen afkickprogramma – bleven de verslaafden, drie rijen dik, na
de ochtendgroet op de hurken zitten en met gebogen hoofd naar de
kale betonnen vloer staren. Op het moment dat ik daar stond, werden
juist vijf nieuwe verslaafden binnengebracht, de handboei- en nog
om. Een triest gezicht!
indonesië
Wat moet je dan?
Ook de Indonesische politie heeft altijd mijn belangstelling gehad.
In de jaren tachtig heb ik zodoende, meestal in combinatie met een
bezoek aan Thailand en Singapore, onder meer het prachtige Java
verschillende keren bezocht. Wat die schoonheid betreft, ik vond de
natuur zo indrukwekkend mooi, dat ik op een keer toen ik per trein
van Bandung naar Jakarta reisde, mijn videocamera ongeveer een
kwartier gewoon buiten het raam heb laten draaien. Naast het
hoofdkwartier van de politie in Jakarta en het daar gevestigde bu-
reau van Interpol, bezocht ik de nationale politieschool in Suka-
bumi, de school voor het middenkader (stafschool) in Bandung en de
rechercheschool in Mugamendu. De Nationale Academie voor politieoffi
cieren in Semarang, waar ik een lezing hield over de cri-
minaliteitsbestrijding in Nederland, heeft als organisatie,
inrichting en opleidingsprogramma de nodige indruk op mij gemaakt.
Wat er intussen geworden is van de boom die ik destijds op verzoek
van de leiding op het terrein van de academie heb geplant, weet ik
niet. De ontvangst en gastvrijheid waren overal op Java zonder meer
uitbundig. Zo uitgebreid als ik in Thailand en Singapore met het
drugsprobleem was geconfronteerd, zo weinig hoorde ik daarover in
Indonesië. Of men daar het drugsprobleem voor mij onder water
Semarang, Indonesië (1987), ontvangst op de Nationale
Politie Academie
heeft gehouden, kan ik niet goed beoordelen, maar ik heb niet die
indruk. Waar ik wel van schrok, alhoewel ik daarover al eerder ge-
ruchten had gehoord, was het volgende. Op een middag zat ik met
mijn politiebegeleider in een open restaurant in Yogyakarta. Dat
restaurant keek uit op een markt, waar het op dat moment erg druk
was. Ik informeerde terloops, denkend aan de Rotterdamse markt, of
de politie in Yogyakarta ook te maken had met zakkenrollers. De
politieman haastte zich dat te ontkennen en toen het gesprek verder
ging over ‘criminele recidivisten’ vertelde hij mij dat de politie
daar wel raad mee wist. Zijn verhaal kwam erop neer dat dit soort fi
gu- ren thuis werd opgehaald, om er nimmer in terug te keren. Ik
heb dat opgevat als een regelrechte verwijzing naar de
doodseskaders. Een soortgelijk verhaal had ik overigens al eens te
horen gekregen van een politiechef ergens in het noorden van
Thailand. ‘Wat moet je nou,’ vroeg die man zich hardop af, ‘wanneer
een met naam en toenaam bekende dief een of ander dorp onveilig
maakt, terwijl de bewoners niet naar de politie durven gaan uit
vrees voor wraak.’ Wat de ‘oplossing’ van dit soort lokale
problemen betreft, verschilde de rest van zijn verhaal ten slotte
weinig met dat van de politieman in Yogyakarta.
...kots je van je eigen
welvaart
Behalve voor de politie, had ik in Indonesië nog belangstelling
voor iets geheel anders. Reeds jaren eerder had mijn vrouw de wens
uit- gesproken via Foster Parents Plan een pleegkind in Indonesië
te wil- len adopteren. Die wens, die ook de mijne was, is op zekere
dag werkelijkheid geworden. Zodoende beschouwden wij het toen acht-
jarige meisje Suratminah, dat woonde in een dorpje dertig kilome-
ter zuidelijk van Yogyakarta, vanaf dat moment als te behoren tot
ons gezinnetje. Toen ik vervolgens in 1982 ‘van dienstwege’ rich-
ting Zuidoost-Azië reisde, besloot ik er een reis naar Yogyakarta
aan vast te koppelen en Suratminah daar ergens in die omgeving op
te zoeken. Nadat ik mijn plan aan de organisatie van Foster Pa-
rents Plan kenbaar had gemaakt, kreeg ik echter enkele dagen voor
mijn vertrek vanuit het kantoor van die organisatie in Yogyakarta
het bericht dat het in verband met de algemene verkiezingen in In-
donesië aan mij niet zou worden toegestaan het betrokken gebied
gedurende de maanden april en mei te bezoeken. Een ontmoeting met
‘onze’ Suratminah zou derhalve op het kantoor van Foster Pa- rents
in Yogyakarta moeten plaatsvinden. Dat leek mij een wat al te stijf
en plichtplegend gedoe, waar ik dan ook niets voor voelde. Ik
besloot het avontuur te wagen. Mijn komst in Yogyakarta werd
aangekondigd via bureau Interpol in Jakarta, waarna ik allerhar-
telijkst door de plaatselijke politie werd ontvangen en rondgeleid.
Het bezoekprobleem bleef echter nog overeind. ‘Een puur militaire
aangelegenheid, waar de politie helemaal buitenstaat,’ aldus mijn,
overigens zeer behulpzame, politiebegeleider Soekiran. Tijdens een
bezoek aan de prachtige Borobudur, wees hij mij op een van de
levensgrote klokken, waaronder een beeld van Boeddha was ge-
plaatst. ‘Wanneer u kans ziet via de grote gaten in die klok de
boed- dha aan te raken, mag u een wens doen, zo wil de
overlevering,’ zei Soekiran. Ik probeerde dat en waarachtig, het
lukte me. Op die plaats sprak ik vervolgens de wens uit dat ik op
mijn verjaardag, dat was de volgende dag, toestemming zou krijgen
Suratminah in haar dorpje te bezoeken. Die wens is in vervulling
gegaan. Soekiran, die mij de volgende ochtend in mijn hotel
opzocht, bracht mij het heuglijke nieuws dat hij via via toch voor
elkaar had gekregen dat ik onder politiebegeleiding naar het dorpje
Baguntapan mocht reizen, om daar Suratminah te bezoeken. Daar, in
die kleine kampong heb ik die dag, 2 april 1982, met ‘onze’ tenger
gebouwde Suratminah, negen jaar jong, de mooiste verjaardag van
mijn leven beleefd. Nog
heel lang heb ik die grote schare kinderen die bij mijn afscheid
aan het einde van de dag het ‘happy birthday to you’ ten gehore
brach- ten, in beeld gehad. In mijn dagboek noteerde ik ’s avonds:
‘Als je deze armoe ziet, kots je van je eigen welvaart.’
volksrepubliek china
Verbeteren door arbeid
In 1987 verbleef ik op een oriëntatiereis tien dagen bij de politie
in respectievelijk Sjanghai en Beijing. Een ervaring apart. Zoals
ik ei- genlijk op basis van de geruchten had verwacht, was ik in de
Volks- republiek China niet terechtgekomen in een omgeving van
uiterst gesloten en formele politiefunctionarissen. Integendeel, ik
werd ge- confronteerd met hartelijke en open collega’s op alle
niveaus. On- getwijfeld heeft de introductie die de Rotterdamse
burgemeester Bram Peper aan zijn bevriende ambtgenoten in die twee
steden had gezonden, daartoe bijgedragen. Daar kwam nog bij dat
Rotterdam en Sjanghai zustersteden zijn. De communicatie met
allerlei poli- China, Shanghai (1987), offi ciële ontvangst op
een school, waar
men mij voor de burgemeester van Rotterdam hield! (Ik heb
wel
eens over mijn leeftijd gelogen, maar nooit over mijn
baan.)
China, Shanghai, buitengewoon hartelijke ontvangst door
het
hoofd van de geüniformeerde politie van Shanghai (‘mooie
hamer
en sikkel heb jij op je uniform,’ merkte hij luid lachend
op)
tie- en andere functionarissen verliep via een tolk in het Engels.
De tolk was een jonge, enthousiaste luitenant van de politie in
Sjanghai, Gong Jia Jie, die mij reeds op het vliegveld opwachtte en
gedurende mijn hele verblijf in China niet van mijn zijde is
geweken. De recher- chetop in Beijing was zeer geïnteresseerd in de
Nederlandse opspo- ringstactieken en technische middelen. ‘Door een
aantal rigoureuze maatregelen af te kondigen na de val van de
“bende van vier” is er in de Volksrepubliek China niet alleen een
einde gekomen aan de Culturele Revolutie, maar evenzeer aan de
geweldige criminaliteit van die jaren, vooral in de geweldssector.’
Deze zelfverzekerde opi- nie vormde eigenlijk de rode draad in de
talloze gesprekken die ik in Sjanghai en Beijing met politieoffi
cieren voerde. Met betrekking tot de actuele criminaliteitscijfers
bleef men echter overal nogal vrij- blijvend en vaag. Op mijn vraag
hoeveel misdrijven er in 1986 in beide steden (zeven miljoen
inwoners) waren geregistreerd, luidde het antwoord ‘rond
achtduizend’. Als oplossingspercentage gaf men mij het getal 73
procent op. Van de geregistreerde criminaliteit zou slechts één
procent betrekking hebben op levensdelicten. Vermo- gensdelicten
onder een waarde van ongeveer twintig Amerikaanse dollar werden
niet als misdrijf geregistreerd. Een en ander betekent
China (1987), een dorpje ongeveer 100 kilometer ten
noorden
van Peking. Ik had aan de chef van de recherche in
Peking
gevraagd een gewoon Chinees dorp te mogen bezoeken, waar
geen toeristen kwamen. Twee rechercheurs brachten mij
naar
een kippenboerderij. Daar werd ik niet alleen ontvangen door
de
boer, maar ook door de plaatselijke veldwachter en enkele
andere
‘notabelen’. Omdat ik het zo koud had, stond de
plaatselijke
veldwachter erop dat ik zijn uniformjas + pet zou dragen,
hetgeen
je natuurlijk niet kunt weigeren.
echter niet, zo verzekerde men mij, dat een dergelijk vergrijp voor
de pleger geen gevolgen zou hebben, nee, ‘heropvoeding’ bleek daar-
bij dé toverspreuk. Bij het onderwerp criminaliteitsbestrijding is
het mij in het bijzonder opgevallen dat de politie op ongeveer
iedere vierkante kilometer woongebied de beschikking lijkt te
hebben over een aantal ‘ogen en oren’. Van deze onoffi ciële
informatiebronnen wordt verwacht dat zij, bij wijze van een soort
nationale plicht, alle ‘onregelmatigheden’ aan de politie
doorgeven. Niet alleen in de woonwijken, maar ook in bijvoorbeeld
hotels beschikt de politie over deze vrijwillige ‘medewerkers’.
Alhoewel tal van executies van ter dood veroordeelden in het
openbaar plaatsvinden, bleef men ook in dit opzicht vaag voor wat
betreft de juiste aantallen. Wanneer ik daar via de tolk naar
informeerde, dacht men eerst enige ogenblik- ken na om vervolgens,
met de bekende glimlach, een antwoord te
geven in de trant van ‘niet te veel’.
De stelligheid waarmee dit op den
duur werd gezegd, heeft mij er ten slotte toegebracht mijn nieuws-
gierigheid op dit punt verder maar te bedwingen. Toen ik in Beijing
aan een recherchechef vroeg hoe hij over de aanpak van straatroof
dacht, zei hij: ‘Schiet één boef overhoop en je schrikt duizend
ande- ren af.’ Ongevraagd werd mij in Sjanghai aangeboden om de
plaatse- lijke, uit 1903 daterende gevangenis met een bezoek te
vereren. Dat verzoek heb ik uiteraard graag geaccepteerd. Het
leverde trouwens ook een heel bijzondere ervaring op. Bij mijn
aankomst bleek op de binnenplaats van het gevang een geheel uit
veroordeelden bestaand orkest van twintig man en een koor van
twaalf man gereed te staan om mij een ongeveer dertig minuten
durend concert aan te bieden. De muziek en zang die deze gevangenen
ten gehore brachten, was indrukwekkend. Terwijl ik aandachtig zat
te luisteren, fl uisterde lui- tenant Gong Jia Jie mij in het oor
dat ik in mijn dankwoord tot de gevangenen vooral de nadruk moest
leggen op het principe ‘Reform through labour’ (Verbeteren door
arbeid). Ik heb zo goed mogelijk aan het verzoek voldaan. Zoals ik
overal elders tijdens mijn oriën- tatiereizen deed, legde ik ook in
China mijn impressies vast op een cassettebandje. Toen ik op zekere
dag in Beijing na een bezoek aan het Plein van de Hemelse Vrede in
de politieauto stapte, gleed mijn cassetterecorder uit mijn jaszak.
De chauffeur was dusdanig voort- varend in het wegrijden dat hij op
mijn kreet om te stoppen, een fractie van een seconde te laat
reageerde. Het linkerachterwiel stond boven op mijn recorder. Een
regelrechte ramp, vond ik. Dat vonden mijn Chinese collega’s ook,
en zij meenden het. Dat er ongeveer twee jaar later op datzelfde
plein een échte ramp zou plaatsvinden, kon ik toen natuurlijk in de
verste verte nog niet vermoeden. zuid-amerika
Operatie Condor
Wanneer je als hoofdcommissaris van politie gewend bent zonder
enige terughoudendheid en gewoon op je eentje vanuit je woon-
plaats Berkel en Rodenrijs naar het hoofdbureau in Rotterdam te fi
etsen, sta je wel even met je ogen te knipperen wanneer je in
Bogota door zes zwaarbewapende dienders vanaf je hotel wordt
begeleid. Aanvankelijk ben je nog geneigd te denken aan een wat
overdreven protocollair ritueel, maar algauw wordt het duidelijk in
wat voor
omgeving je terechtgekomen bent. Colombia is een land waar de maffi
a de dienst uitmaakt. Moord en doodslag zijn aan de orde van de
dag. Voor een handjevol dollars zijn de talrijke moordcomman- do’s
van de cocaïnemaffi a bereid iedere opdracht tot liquidatie uit te
voeren. Ziedaar, kort samengevat, de feitelijke situatie in dit
Zuid- Amerikaanse land zoals mij die geschetst werd toen ik mij
daar in 1987 oriënteerde op de cocaïneplaag. Bij een aansluitend
bezoek aan het buurland Peru werd mij duidelijk hoe gigantisch
groot de verbouw van de cocaplant daar is. Het is tevens de
grootste van Zuid-Amerika. Duidelijk werd mij daar ook dat door de
toene- mende vraag naar cocaïne, de Peruviaanse maffi a in enkele
jaren van kleine leverancier is opgeklommen tot de grootste in de
wereld. In Peru werd ik door de Staatspolitie in de gelegenheid
gesteld een kijkje achter de schermen van ‘Operatie Condor’ te
nemen. Begeleid door onder meer de voortreffelijke drugsliaison,
prima collega en begeleider Hans van Hees, deed ik de volgende
impressie op. Ze staan in groepjes, dicht bij elkaar, het
machinepistool en de plun- jezak binnen handbereik. Hun vaalgroene,
slordig zittende unifor- men passen aardig bij het
achtergronddecor, dat gevormd wordt door een grauw uitziend
viermotorig Hercules-transportvliegtuig met het opschrift
‘Policia’. Het wachten is op beter weer aan de oostkant van het
machtige Andesgebergte. Daarna zullen deze on- Peru, Lima
(1987), vliegveld Lima, op weg naar de cocaïnejungle
geveer vijftig voor het merendeel
jonge politiemannen van de Guar-
dia Civil – de Peruviaanse Staatspolitie – vanaf het vliegveld van
Lima naar het strijdgebied van Operatie Condor, de cocaïnejungle
worden overgevlogen. Het feit dat zij daar twee maanden onder
uiterst primitieve maar bovenal gevaarlijke omstandigheden zullen
worden ingezet tegen de drugsmaffi a schijnt hen nauwelijks iets te
doen. Integendeel, de stemming is opperbest. De onderlinge con-
versatie wordt in drukke gebaren in rap, maar vooral luidruchtig
Spaans gevoerd. Het uitbundig gelach is hierbij niet van de lucht.
Net een peloton me’ers dat gereed is om naar het Feyenoord-sta-
dion te vertrekken, overpeins ik heel even. Zelfde leeftijd, zelfde
uitbundige reacties, zelfde stemming. Tegelijkertijd realiseer ik
mij dat daarmee de vergelijking echter ook ophoudt. Het is ook maar
de vraag of ze allemaal Operatie Condor zullen overleven. Het
blijkt niet moeilijk om contact met de groep te leggen. Een van
mijn begeleiders, een kolonel van de narcoticabestrijdingseenheid
van de Guardia Civil, introduceert mij. Het gevolg is dat ik in
minder dan geen tijd omringd ben door nieuwsgierige, vriendelijk
vragende en druk gebarende Peruviaanse collega’s. De één vuurt
vragen af via de begeleider, die tevens als tolk optreedt, de ander
doet dit met gebruikmaking van steenkolenengels, dat links en
rechts de lach- spieren doet opwekken.
Ik zal aanstonds naar dezelfde bestemming vliegen: het stroomge-
bied van de Hualaga-rivier, noordoostelijk van het Andesgebergte.
Het is een van de drie gebieden in Peru – tevens het grootste en
gevaarlijkste – waar de cocaplant wordt verbouwd. Sinds enige tijd
geldt er de staat van beleg. Naast de strijd tegen de cocaïnemaffi a
zal deze politie-eenheid ook terdege rekening moeten houden met de
in dit gebied opererende guerrillabeweging ‘Sendero Luminoso’
(Lichtend Pad). In tegenstelling tot de situatie in Colombia heeft
deze beweging nog geen overeenkomst gesloten met de drugshan-
delaren. Zo nu en dan komt het zelfs tot bloedige gevechten tussen
beide groeperingen.
Zeshonderdduizend kilo cocaïne
Wanneer de politiemannen zien dat ik belangstelling heb voor hun
bewapening, proberen drie of vier man mij tegelijk te overtuigen
van de kwaliteit van hun Koreaanse machinepistolen. Terwijl de één
mij zo’n wapen geladen en al in de hand drukt, gaat het enthou-
siasme van enkele anderen zover, dat ik mij genoodzaakt zie be-
leefd, maar wel met enige aandrang,
de achteloos en ongeveer mid-
scheeps op mij gerichte lopen naar een meer neutrale richting om te
buigen. Ik informeer wat zij ervan vinden om twee maanden in de
jungle te moeten doorbrengen. Zij halen onverschillig de schouders
op. ‘We worden ook wel weer afgelost,’ zeggen ze. Het aanstaan- de
gevaar wuiven ze weg met een simpele maar veelbetekenende knik in
de richting van hun schiettuig. Op dat moment krijg ik het sein dat
ons toestel, een tweemotorig Amerikaans verkennings- vliegtuig van
het type Commander, klaar is voor vertrek. Nog snel wordt een
groepsfoto gemaakt, waarna we handenschuddend en lachend afscheid
nemen van elkaar. ‘Tot ziens in de jungle.’ Iemand schreeuwt mij
nog iets na en wijst daarbij in de richting van een stuk of tien
bij elkaar geparkeerde vliegtuigen van de meest uiteen- lopende
types. ‘Allemaal in beslag genomen toestellen, volgestopt met
cocaïne,’ vertaalt de kolonel laconiek. Eenmaal opgestegen van het
vliegveld van Lima klimmen we snel naar een hoogte van 27.000 voet,
om even later in oostelijke richting over het Andes- gebergte te
koersen. Onze bestemming is een diepe vallei, oostelijk van het in
de Andes gelegen stadje Tingo Maria, een bolwerk van de
cocaïnehandel. Het prachtige landschap van de Andes wordt door de
wolkenfl arden heen zo nu en dan zichtbaar. Het is een on-
voorstelbaar mooi panorama van elkaar afwisselende besneeuwde
bergtoppen, kronkelende riviertjes die eruitzien als smalle
zilveren linten, diep verscholen stadjes en iets dat op een
maanlandschap lijkt. Een stuk natuur waar je uren naar kunt kijken.
Dan dwalen mijn gedachten onwillekeurig af naar het uitvoerige
interview dat ik daags tevoren heb gehad met de grote
drugsbestrijder van Peru, generaal Zarathé, leider van de twee jaar
geleden in gang gezette Operatie Condor. Zijn betoog was behalve
boeiend en helder, ook een trieste schets van de ontwikkelingen
gedurende de afgelopen jaren in Peru op het gebied van de
cocaïnehandel. Aan de hand van enkele getallen vertelde hij mij hoe
gigantisch het probleem inmid- dels is geworden. Was er in de jaren
zestig nog slechts sprake van ongeveer twintig hectare, thans wordt
de cocaplant op een opper- vlakte van tweehonderdduizend hectare
verbouwd. ‘Eén hectare,’ zo betoogde de generaal, ‘levert per jaar
in vier oogsten een op- brengst van ongeveer duizend kilo
cocabladeren op. Dat betekent een totale opbrengst in Peru van
ongeveer tweehonderdduizend ton bladeren. Van deze hoeveelheid
wordt ongeveer tienduizend ton geproduceerd voor de industrie. Dus
honderdnegentigduizend ton wordt verbouwd voor criminele
doeleinden. Uit honderd kilo
cocabladeren wordt één kilo pasta
basica vervaardigd. Er is drie
kilo van dit voorproduct nodig voor één kilo zuivere cocaïne. Dat
betekent dat de totale illegale cocaïneproductie in Peru zo’n zes-
honderdduizend kilo bedraagt,’ aldus generaal Zarathé. Zelfs als
men zich bij wijze van spreken een of twee ton verrekent, fi
losofeer ik, dan blijft er nog een haast onvoorstelbare hoeveelheid
over. De criminele geldstromen die hiermee gemoeid zijn, moeten wel
astronomisch zijn.
Een jungleoorlog
Een uur en drie kwartier later landen we op het ‘vliegveld’ van
Tingo Maria. Het is feitelijk niet meer dan een landingsstrip die
bestaat uit een verharde zand- en grindstrook, samengehouden door
een fl inke hoeveelheid gras. Ik slaak een zucht van verlichting als
ons toestel, dat met niet geringe snelheid op die baan is
neergestreken, eindelijk tot stilstand is gekomen. Grijnzend wijzen
de beide vlie- gers, Amerikaanse dea-agenten, naar buiten. Aan
weerszijden van de baan staat een tiental zwaarbewapende
politiemannen met hun rug naar het vliegtuig gekeerd. Zij houden de
directe omgeving in de gaten. Het grimmige van de situatie is ook
zonder nadere toelichting volkomen duidelijk. We taxiën naar een
afgelegen gedeelte van de grasmat waar we parkeren in de directe
omgeving van twee Ameri- kaanse gevechtshelikopters. Daar worden we
opgewacht door een aantal Amerikaanse en Peruviaanse collega’s. Het
bekende ritueel volgt: kennismaken, handen schudden, gekscherende
opmerkingen. Vervolgens stappen we in twee groepjes in de beide
helikopters. Bin- nen enkele ogenblikken hangen deze toestellen in
de lucht en zet- ten we koers in noordelijke richting. Onze
verkenningsvlucht in het frontgebied van Operatie Condor is
begonnen. Het heeft alles bij elkaar genomen zowel iets sinisters
als on- heilspellends en spannends. Het fl akkerend geluid van de
rotor, de dreigende loop van de aan weerszijden van de heli
bungelende ma- chinegeweren, patroonbanden binnen handbereik en ten
slotte de speurende blikken van de piloten, een dea-agent en een
Peruviaanse politieman, en de in het grote toestel verspreid
zittende of liggende overige bemanningsleden. Comfort past niet in
een jungleoorlog, dus ook niet in een helikopter op verkenning. Het
interieur bestaat uit enkele munitiekistjes, die overigens goed
bruikbaar blijken te zijn als zitje. Behalve voor de beide vliegers
zijn er nog twee extra koptelefoons aanwezig. Ik krijg er eentje
aangereikt en de kolonel
zet de andere op. We kunnen nu zowel
met elkaar als met de piloten
praten. Een bijkomend voordeel is dat het gedreun van de motor
tenminste iets wordt gedempt. Gordels om je vast te sjorren zijn er
niet. Als je je verplaatsen wilt is het vooral zaak je goed vast te
houden aan een of andere buis. Die noodzaak is er des te meer omdat
de deuren aan weerszijden wagenwijd zijn opengeschoven. Niemand
maakt aanstalten om ze dicht te schuiven. Integendeel, iedereen
vindt het blijkbaar de gewoonste zaak van de wereld en dus sluit ik
mij er maar bij aan met een gezicht alsof het ook voor mij
dagelijkse kost is. Een voordeel is in ieder geval de enigszins
verkoelende wind die door het toestel jaagt. Vliegend op een hoogte
van niet veel meer dan honderd meter, volgen we gedurende enige
tijd de loop van de brede, kronkelige, vaalbruin gekleurde Hual-
laga-rivier, die met zijn ontelbare zijarmen dwars door deze onme-
telijke jungle stroomt. Aan weerszijden is een afwisselend
landschap te bewonderen van bergen en dichtbegroeid,
ondoordringbaar oer- woud. Slechts zeer sporadisch kan ik enkele
fragmenten van een kronkelend zandweggetje ontdekken. De
berghellingen zijn als het ware bezaaid met cocaïneplantages. De
hardgroene bladeren steken duidelijk af bij de rest van de
omgeving. Bij deze plantages zijn hier en daar halfverscholen
bouwseltjes te zien, die dienen als onderko- men voor de
plantagekwekers. Op tal van plaatsen is men kennelijk begonnen een
nieuw stuk berghelling in gereedheid te brengen voor de verbouw van
coca, getuige de talrijke omgekapte bomen en de verschroeide aarde.
Schuin onder ons koerst de andere helikopter. Het toestel maakt de
meest vreemde capriolen. Het scheert rake- lings om berghellingen
heen, stijgt plotseling snel om vervolgens nog sneller een
neerwaartse beweging te maken. Het toestel is op zoek naar
primitieve laboratoria, waar de eerste bewerking van cocabladeren
plaatsvindt. Via de boordradio wordt mij uitgelegd dat je zo’n
plaats kunt ontdekken aan de hand van fl arden veelal lichtblauw of
zwart plastic, dat wordt gebruikt bij het toedekken van de
bladeren. Ook kan het zijn dat er in de directe omgeving plastic
vaten met chemicaliën liggen. In ons toestel ben ik niet de enige
die gefascineerd raakt door het stukje ware verkenningsacro- batiek
dat zich beneden ons afspeelt. De kolonel bijvoorbeeld volgt met
argusogen iedere springbeweging die de helikopter maakt. Zijn
gezichtsuitdrukking verraadt een duidelijke bezorgdheid. Via de
luid krakende intercom mompelt hij iets onverstaanbaars in mijn
koptelefoon. De gebaren die hij erbij maakt, na eerst in het diepe
gat onder ons te hebben gewezen, spreken echter duidelijke
taal.
Die stuntvliegerij spreekt hem niet
zo aan, al was het alleen maar
vanwege het gevaar om door de een of andere desperado daar bene-
den te worden afgeschoten. ‘Het zou niet de eerste keer zijn,’
brult iemand in mijn oor. Onze eerste piloot laat het toestel iets
zakken en een fl auwe bocht naar rechts maken. Via de intercom wijst
hij op een illegale landingsstrip, vlak bij een zijarm van de
Huallaga-ri- vier. Het is een zandbaan van ongeveer honderdvijftig
meter lengte. Over de hele lengte van die baan is een vijftal grote
bomtrechters zichtbaar, die het landen van smokkelvliegtuigjes
verder onmoge- lijk maken. Als een stille getuige ligt halverwege
naast de strip het wrak van een eenmotorig vliegtuigje. Het is
slechts één van de tien- tallen landingsbanen die door de
cocaïnemaffi a in de jungle zijn aangelegd. Verder naar het oosten,
richting Amazonegebied, liggen zelfs banen die met asfalt zijn
aangelegd en waarop ook grote trans- porttoestellen kunnen landen.
De smokkelvliegtuigen, legt de kolo- nel uit, worden gevlogen door
een allegaartje van Colombiaanse en Amerikaanse vliegers van het
type avonturier of erger. Sommigen hebben nauwelijks het aantal
vlieguren om het predikaat ‘ervaren’ te mogen voeren. ‘Bij Operatie
Condor hebben wij in Peru tot nu toe 22 smokkelvliegtuigen van
uiteenlopende types buitgemaakt,’ gaat hij verder. ‘Veertien
daarvan zijn verongelukt of neergescho- ten,’ voegt hij er voldaan
aan toe.
De vampier
In een brede bocht van de rivier ontdekken wij plotseling een lange
platte boot, die langzaam in zuidelijke richting vaart. Midden op
het vaartuig is een hoeveelheid in zwart verpakte lading zichtbaar.
‘Vermoedelijk een grote hoeveelheid cocabladeren,’ meldt een van
onze waarnemers. Via de boordradio wordt overleg gevoerd met de
andere helikopter. Ze besluiten dat wij door zullen vliegen naar
een nabijgelegen veldpost van de Guardia Civil, om daar een onder-
scheppingsgroep aan boord te nemen en vervolgens de boot aan te
houden en te doorzoeken. Uiteindelijk bedraagt de buit vierhonderd
kilo cocabladeren. Het succes kan die dag niet op als we enige tijd
later een vrachtauto onderscheppen met enkele vaten chemicaliën,
die gebruikt worden voor de verwerking van cocabladeren. Het is de
36e binnen Operatie Condor. Terwijl de helikopter vlak boven de
grond hangt, springen zes man van de onderscheppingseenheid eruit
en rennen met het machinepistool in de aanslag in de richting van
de inmiddels gestopte vrachtauto. Mijn begeleiders hebben
blijkbaar
van mijn gezicht afgelezen wat ik op
dat moment zou willen. Zij
schudden echter resoluut het hoofd. Het risico is te groot en ik
moet dus volstaan met het maken van enkele foto’s vanuit de
helikopter, die overigens binnen enkele seconden weer een veilige
hoogte heeft gekozen.
Op de politieveldpost nemen we een korte pauze. In de schamele
onderkomens huizen zo’n zestig man van de Guardia Civil. Zij heb-
ben hun verblijf van twee maanden erop zitten en wachten op af-
lossing uit Lima. Eenmaal terug zullen zij hun normale politiewerk
weer oppakken. De veldpost, gelegen in een bocht van de Huallaga-
rivier, is een goedbewaakte stelling. Overal staan zwaarbewapende
wachtposten achter hoog opgestapelde zandzakken. Ergens onder een
afdak staat een pick-uptruck, of liever gezegd, wat daar nog van
over is. Tientallen grote kogelgaten geven aan dat deze politieauto
zwaar onder vuur is genomen. ‘Veertien dagen geleden, hier vlakbij,
in een hinderlaag van de drugsmaffi a gelopen. Vijf van mijn mensen
werden gedood,’ is het zakelijk commentaar van de commandant van de
eenheid. Hij wijst in de richting van het nabijgelegen stadje
Tocache en legt uit dat daar een maand geleden een hevig treffen
heeft plaatsgevonden tussen leden van de cocaïnemaffi a en guer-
rillastrijders van het ‘Lichtend Pad’. Toen de kruitdampen waren
opgetrokken, telde men 35 doden. De plaatselijke maffi abaas, bij-
genaamd ‘De Vampier’, vluchtte met zijn aanhang het oerwoud in.
Zijn villa werd door de Guardia Civil in beslag genomen en prompt
tot plaatselijk politiebureau verheven. Onder zware bewaking mag ik
er de volgende dag een kijkje nemen. Het huis, te midden van de
schamele ellende van de rest van de bevolking van het plaatsje, is
omgeven door zandzakken, en daarmee tot een moeilijk te nemen
vesting geworden.
De nacht breng ik door in een onderkomen aan de rand van de jungle.
Ik loop nog even naar buiten om naar de grote variëteit van
fascinerende oerwoudgeluiden te luisteren. Het is volle maan, met
een heldere sterrenhemel. Een ideaal vakantieoord, overpeins ik,
met een prachtige, ongerepte natuur waar alles zo vredig lijkt. De
discreet rondschuifelende wachtposten, machinepistool losjes onder
de arm, brengen mij weer terug in de realiteit. Hier wordt de
cocaï- neoorlog gevoerd en dit is de eerste linie.
de sovjet-unie
Perestrojka en Glasnost
‘De bittere waarheid is beter dan een goede leugen.’ Ik had nooit
verwacht nog eens een dergelijke ‘Glasnost-uitspraak’ te zullen op-
tekenen uit de mond van een Russische politiegeneraal met wie ik,
nota bene in Moskou, uitvoerig van gedachten zou wisselen over de
criminaliteit in de (toenmalige) Sovjet-Unie. Ook Rusland heeft op
mij altijd een bepaalde aantrekkingskracht uitgeoefend. De geschie-
denis van de Tweede Wereldoorlog is daaraan zeker niet vreemd.
Steden als Moskou, Leningrad en Stalingrad vormden in mijn jeugd
een begrip voor de heroïsche strijd die de Russen voerden tegen
dat- zelfde nazi-Duitsland dat ons land onder de voet had gelopen.
Hoe meer buitenlandse politiekorpsen ik gedurende mijn loopbaan be-
zocht, hoe sterker mijn verlangen werd om ook eens met mijn Rus-
sische collega’s kennis te maken. Niet alleen wilde ik weten hoe ze
er als vakgenoten uitzagen, mij interesseerde zeker ook de
Russische ‘politiemens’. Lang heb ik betwijfeld of ik daartoe ooit
de kans zou krijgen. Weliswaar had burgemeester Peper ook hierin
een bemid- delende rol gespeeld, maar de Russische ambassade in Den
Haag was bijzonder traag in het verlenen van een visum.
Uiteindelijk lukte het toch. Twee dagen voor Pinksteren, in mei
1989, ik was inmiddels Korpschef ad interim in Gorinchem, liet
iemand van de Russische ambassade mij telefonisch weten dat het
ministerie van Binnenlandse Zaken in Moskou mijn verlanglijstje
voor een bezoek aan de politie in Moskou en Leningrad had
goedgekeurd en dat ik op de dinsdag na Pinksteren in Moskou werd
verwacht. Ik heb vervolgens stad en land afgebeld in een poging
voor die dinsdag nog ergens een vlieg- tuigstoel te bemachtigen,
hetgeen uiteindelijk lukte bij Aerofl ot in Brussel. Daar was nog
een stoel vrij op een rechtstreekse vlucht van Brussel naar Moskou.
Aan boord van de overvolle en bepaald niet geruisloze Tupolev
waande ik mij de enige Nederlandse politieman die op weg was naar
Moskou. Ergens hoog in de lucht werd ik reeds na korte tijd uit die
droom geholpen, toen de Enschedese rechercheur Gerrit Engelbertink
plotseling naast mij opdook. Achter mij bleek het complete
Enschedese Politiemannenkoor te zitten. Zij waren via Moskou op weg
naar Riga om daar een concert te geven. Al direct bij aankomst in
Moskou verzekerde mijn begeleider en tolk majoor Alexander Popov
mij, dat al mijn wensen zo goed moge- lijk zouden worden vergevuld.
‘Wanneer we niet het hele program-
ma kunnen afwerken, dan ligt dat
uitsluitend aan tijdgebrek,’ verze-
kerde hij me. Het hoofdkwartier van de Russische politie bleek een
indrukwekkend gebouw. In de ruime hal namen de afbeeldingen van
Gorbatsjov en het borstbeeld van Lenin, omgeven door een aantal
rode vlaggen, een centrale plaats in. De kraakheldere, lange,
statige en wat kil aandoende gangen waarop slechts potdichte en
naamloze deuren uitkwamen, maakten een uitgestorven indruk.
Glasnost had in dit gebouw in ieder geval nog niet geleid tot de
‘opendeurcul- tus’ Nederlandse stijl, was mijn eerste voorzichtige
conclusie. Ik be- hoefde echter niet lang te wachten om van het
tegendeel te worden overtuigd. Op innemende wijze werd ik ontvangen
door de tweede man van de Russische politie, generaal majoor
Vladimir Maximov, een vriendelijke midden vijftiger met een lange
en indrukwekkende staat van dienst, getuige ook de vele
onderscheidingen die hij op zijn uniform droeg. Het eerste halfuur
van onze kennismaking werd be- steed aan het over en weer
uitwisselen van loopbaanachtergronden. Dat schiep al direct een
zekere band. We bleken namelijk beiden in de jaren vijftig op de
onderste sport van de ladder, respectievelijk in Moskou en
Rotterdam, als diender te zijn begonnen. ‘Perestrojka en Glasnost
hebben de Russische politie ook niet onberoerd gelaten,’ zei de
generaal, die deze ontwikkelingen van harte toejuichte. ‘De
hervormingen in de Sovjet-Unie,’ vervolgde hij, ‘zullen
ongetwijfeld ook van invloed zijn op onze organisatiestructuren en
strategieën.’ Hij roemde president Gorbatsjov voor diens uitspraak
dat er meer geld gestoken moest worden in de technische middelen
van de poli- tie. In dat verband stak Maximov bepaald niet onder
stoelen of ban- ken dat Rusland veel kan leren van de politie in
het Westen. Aan het einde van ons gesprek verzekerde de generaal
mij dat de deur van de politiekeuken in Moskou, wat hem betrof,
wijd voor mij openstond. In mijn vraagstelling behoefde ik mij op
geen enkele wijze geremd te voelen, benadrukte hij nog eens:
‘Glasnost.’ Kunst en cultuur
Wat dat laatste betreft, heeft generaal Maximov niet te veel
gezegd. In Moskou zijn inderdaad allerlei deuren voor mij
opengegaan en heb ik frank en vrij (via de tolk) met tientallen
politiefunctionaris- sen over het vak kunnen spreken. Iedereen deed
zijn best om de talloze vragen die ik had zo goed mogelijk te
beantwoorden. De gesprekken hadden zowel betrekking op de
politieopleiding als op tactiek, techniek en middelen bij de
bestrijding van allerlei vormen
van criminaliteit. Wat die technische
middelen betreft, was ik niet
direct onder de indruk. Of het nu ging om verbindingsmiddelen,
telexapparatuur, camera’s, waarnemingsapparatuur of voertuigen, het
was allemaal verouderd materiaal, dat mij sterk deed denken aan
mijn begintijd bij de Rotterdamse politie. Een computer heb ik er
nauwelijks kunnen ontdekken. Gezien mijn achtergrond met be-
trekking tot de fbi na, had ik uiteraard een bezoek aan de
Russische politieacademie hoog op mijn verlanglijstje staan. Aan
die wens is in ruime mate voldaan. Mijn twee begeleiders brachten
mij naar het indrukwekkend instituut dat ruim veertig kilometer
buiten Moskou aan de rand van een bos lag. Dat de begrippen
Perestrojka en Glas- nost inmiddels ook tot de Russische
politieacademie waren door- gedrongen, werd mij al direct duidelijk
gemaakt bij de ontvangst. Generaal Nikolai Arestov leidde mij rond
door twee tijdelijk tot kunstgalerij ingerichte zalen. Er was niet
alleen een tentoonstelling ingericht met schilderijen van bekende
Russische schilders, maar ook van een groot aantal abstracte
werken. ‘Perestrojka,’ glunderde de generaal. Volgens hem was het
nog maar een jaar of wat geleden volstrekt onmogelijk dit soort
kunstwerken, nota bene in een poli- tieacademie, te exposeren. ‘De
bedoeling die wij ermee hebben, is de hier studerende politieoffi
cieren te laten discussiëren over kunst en cultuur,’ lichtte hij
toe. De commandant van de academie en vier stafl eden schetsten mij
vervolgens een gedetailleerd beeld van het in totaal twee jaar
durende opleidingsprogramma. Aan de politieaca- demie worden alleen
politieoffi cieren toegelaten die reeds de rang van kapitein of
majoor hebben en die in de nabije toekomst een nog hogere functie
in de politieleiding moeten gaan vervullen. De indrukwekkende
‘fanfare’ bij de diploma-uitreiking was uiteraard op Russische
leest geschoeid. Waarom ook niet, dacht ik toen ik de videofi lm
zag. De Amerikanen hebben per slot van rekening ook hun eigen regie
en in Rotterdam doen we het weer anders, ’s lands wijs, ’s lands
eer.
Lenin
Of het kwam omdat Leningrad nu eenmaal een zusterstad van Rot-
terdam is weet ik niet, maar de ontvangst en de openheid waren in
die stad zo mogelijk nog groter dan in Moskou. Leningrad is in meer
dan één opzicht een fascinerende stad. Ik zou er dagenlang kunnen
rondzwerven, al was het alleen maar om de kunst- en cul-
tuurhistorie te bewonderen. Van hetgeen Leningrad gedurende de
Tweede Wereldoorlog heeft ondergaan werd ik stil. Met ontroering
denk ik terug aan de gigantische laatste rustplaats van zo’n
zeshon- derdduizend burgers en militairen, waar de hele dag vanuit
bomen en struiken de muziek ten gehore wordt gebracht van
Beethovens negende symfonie.
‘Vanuit deze kamer heeft Lenin in oktober 1917 de revolutie ge-
leid. In deze kamer is feitelijk ook de geschiedenis van de
Russische politie begonnen,’ vertelde kolonel Victor Frolov, hoofd
van de ge- uniformeerde politie, toen hij mij in het hoofdkwartier
van de com- munistische partij van Leningrad iets vertelde over de
historie van de stad. Ditzelfde gebouw, tot 1917 een exclusieve
school, fungeer- de tijdens de Oktoberrevolutie als hoofdkwartier
van Lenin en zijn medestanders. ‘De werkkamer van Lenin is met
alles erop en eraan geheel intact gebleven en fungeert nu als een
soort bedevaartplaats,’ aldus de kolonel. Wanneer hij mij even
later in het politiemuseum van Leningrad rondleidt, blijkt dat ook
daar de Oktoberrevolutie een centrale plaats inneemt bij het
zichtbaar maken van de historie van de Russische politie, beter
gezegd, van de Militie. ‘Om u zo veel mogelijk over de politie in
Leningrad te vertellen, moesten we natuurlijk bij het begin
beginnen,’ zegt de Korpschef, generaal Mi- chail Michailov, wanneer
we op zijn werkkamer in het hoofdbureau Ontvangst door generaal
Michail Michailov (midden) en
kolonel Victor Frolov
het gesprek met kolonel Frolov
voortzetten. ‘Laten we het nu maar
eens hebben over vandaag,’ vervolgt de generaal, een innemend en
allround politieman met ruim 35 jaar dienstjaren achter zich. Uit-
voerig doet hij uit de doeken hoe de politie in Leningrad is
georga- niseerd en met welke problemen het korps wordt
geconfronteerd. Over vakorganisaties voor de politie zijn we gauw
uitgepraat, ze be- staan namelijk niet. Tijdens ons gesprek willen
de beide politieman- nen uiteraard ook wel graag ‘politieberichten’
uit het Westen horen. Aan die wens heb ik de volgende dag in ruime
mate kunnen voldoen, toen ik voor een gehoor van zeventig
districts- en recherchechefs ruim een uur een boekje opendeed over
onze criminele problemen. Je kon een speld horen vallen.
Een kruisraket
Of ik misschien ook het cellencomplex wilde bekijken, vroeg een
districtschef mij tijdens een bezoek aan het Lenininski-district in
het centrum van de stad. Bereidwillig, maar met veel geknars en ge-
piep wordt vervolgens een van de celdeuren opengemaakt. Op het
uitnodigend gebaar van de chef stap ik de schaars verlichte cel van
vijf bij vier meter binnen. Vanaf een ruime houten brits staren
drie gevangenen van goed in de twintig mij verbaasd zwijgend aan.
Ik heb niet al te veel tijd nodig om het interieur in me op te
nemen. De enige lichtval in de cel komt via een luchtrooster,
ergens hoog in de muur. In een hoek van de cel dient een soort
glijgoot als toilet. Vlak ernaast bevindt zich een waterkraantje,
waaraan een aluminium be- kertje bungelt. Voor het overige, een
kale cel met grauwe muren. Toen ik het allemaal bekeken had, wist
ik plotseling wat het begrip ‘kerker’ eigenlijk precies inhoudt.
‘Njet’ luidt het antwoord op mijn vraag of de arrestanten ook
gelucht worden. De tolk liet me weten dat het mij vrijstond om de
gevangenen vragen te stellen. Waarom hij vastzit, vraag ik aan een
van de drie. ‘Diefstal van socialistische eigendommen, maar ze
hebben geen spat van bewijs en ze kunnen me niet langer dan drie
dagen vasthouden,’ vertaalt de tolk, die me vervolgens te kennen
geeft dat de arrestant mij ook graag een vraag zou willen stellen.
Wanneer ik, vanzelfsprekend, ‘ja’ heb geknikt, vraagt hij of de
cellen er in Nederland precies zo uitzien. Toen ik goed en wel in
Nederland teruggekeerd was, rees bij mij het plan om – als
enthousiast langeafstandsfi etser – in het voorjaar in het kader van
de ‘Vredesmanifestaties Rotterdam 1990’ een fi ets- tocht te
ondernemen van Leningrad naar Rotterdam. Ik had het al
zo ongeveer voor elkaar dat ik in het
voorjaar met een vrachtboot
de heenreis zou kunnen ondernemen. Generaal Michail Michailov
reageerde enthousiast op het plan. Hij liet mij per brief weten dat
ik in de regio Leningrad op zijn volledige steun en op een ‘warme
gast- vrijheid’ zou kunnen rekenen. Burgemeester Bram Peper deed
ook nu weer zijn best om te bemiddelen en de verschillende
ambassades in het Oosten te informeren en, waar nodig, om
ondersteuning te vragen. Echter, de Russische ambassade in Den Haag
bleek ‘met het oog op mijn veiligheid’ minder enthousiast. De op
zijn laatste benen lopende Deutsche Demokratische Republik (ddr)
weigerde botweg een visum af te geven. Einde verhaal dus. ‘Voor het
overige moet de heer Blaauw vooral goed uitkijken: de ddr is een “fi
etseronvrien- delijk” land’, had de Nederlandse ambassadeur in
Oost-Berlijn nog aan Bram Peper geschreven. Achteraf misschien dus
toch maar goed dat het niet doorging, maar ik blijf het jammer
vinden. Enkele jaren later werd ik opgebeld door iemand van de Rus-
sische ambassade in Den Haag, die mij tot mijn grote verrassing
mededeelde dat kolonel Victor Frolov in Nederland vertoefde en mij
graag zou willen ontmoeten. In gezelschap van een tolk heeft hij
mij de volgende dag thuis bezocht. Ik had hem in ons huis
rondgeleid, en juist op het moment dat wij in de keuken waren
aangekomen, ging mijn telefoon. Terwijl ik die in de woonkamer
beantwoordde, nam Nelly de regie over. Even later hoorde ik Victor
en mijn vrouw uitbundig lachen. Wat de grap was geweest, vroeg ik
Nelly. ‘Ik heb hem verteld over de tijd van de kruisraketten en de
posters waarop toen stond “liever een kruisraket in mijn tuin, dan
een Rus in mijn keuken”, en nou staat er hier een, zei ik hem.’
Nelly heeft in diezelf- de keuken, zoals altijd, een heerlijke
maaltijd klaargemaakt, waar ook Victor Frolov en zijn tolk van
hebben genoten. We hebben met z’n vieren wat af gelachen die
avond.
HOOFDSTUK ACHT
HOOFDCOMMISSARIS
VAN POLITIE
‘Sta niet alleen achter je mensen, maar ook bij je mensen.
Zij
hebben daar recht op. De erkenning als leider wordt
primair
bepaald door het respect dat men voor jou heeft en dat is
weer
afhankelijk van jouw eigen gedrag en prestaties.’
Uit mijn toespraak tijdens het interne afscheid van de Rotterdamse
politie, april de stoelendans
Meedoen of niet?
Op een dag in oktober 1982, ik was toen commissaris chef van de
rechercheafdelingen, stapten twee in leeftijd oudere commissarissen
mijn kamer aan het Hoofdbureau binnen met een wat wonderlij- ke
boodschap. Nadat zij mij hadden geattendeerd op het feit dat
Hoofdcommissaris Vermeij over ruim een jaar als Korpschef met
pensioen zou gaan, vertelden ze dat ze met elkaar hadden nagedacht
en gediscussieerd over de vraag wie hem zou moeten opvolgen. Zij
vonden dat de nieuw te benoemen Hoofdcommissaris in ieder ge- val
iemand uit ons eigen korps zou moeten zijn. Daar kon ik he- lemaal
in meegaan, beaamde ik. Tot mijn niet geringe verbazing gaven ze
mij vervolgens onomwonden te kennen dat ik naar hun opvatting de
opvolger van Vermeij zou moeten worden. Of die sug- gestie als
geintje was bedoeld, vroeg ik. Ik had namelijk bepaald geen
aspiraties om ergens in Nederland Korpschef te worden. Met mijn
baan als commissaris chef van de Rotterdamse recherche was ik meer
dan gelukkig en ik hoopte dat ook de resterende zes jaren van mijn
loopbaan zo te houden. Bovendien, zo hield ik de beide collega’s
voor, meedingen naar de rang van Hoofdcommissaris zou
voor mij feitelijk betekenen dat ik
een rang zou overslaan, namelijk
die van hoofdambtenaar 2e klas. Dat leek mij binnen de strakke
hiërarchie in politieland een wat al te optimistische gedachte. Bij
dit alles kwam ten slotte nog dit, betoogde ik, dat ik mij nog
nooit een seconde had beziggehouden met de specifi eke vraag of de
baan van Hoofdcommissaris Korpschef van de Rotterdamse politie wel
iets voor mij zou zijn. Of ik over dat laatste punt dan toch eens
goed zou willen nadenken, vroegen de collega’s. Die toezegging heb
ik toen gedaan, zij het na enige aarzeling.
’s Avonds thuis heb ik het voorval met mijn vrouw besproken. Ook
voor haar was het uiteraard iets volkomen nieuws, want zij wist dat
ik mij in mijn baan als een vis in het water voelde. We spraken af
het idee een paar dagen te laten bezinken tot het komen- de
weekeinde. Dan zouden we er samen nog eens uitgebreid over praten,
waarna ik de knoop zou doorhakken: meedoen aan de ko- mende
stoelendans of blijven zitten waar ik zat. In ieder geval wilde ik
de daaropvolgende maandag de beide collega’s een defi nitief ja of
nee laten horen. Het standpunt van Nelly was zoals altijd even sim-
pel als oprecht duidelijk: ‘Als jij vindt dat je het aan kunt en je
het ook werkelijk wilt... mijn steun heb je; wanneer je je
daarentegen op je huidige stek voldoende gelukkig voelt... ben ik
dat ook.’ Het antwoord dat ik die maandagochtend aan de collega’s
‘headhunters’ heb gegeven, luidde ‘ja, ik doe mee’. Daarmee brak
tegelijkertijd een periode aan die ik ook niet licht zal vergeten.
Een man van de oude, starre stempel
Reeds enkele dagen na die bewuste maandagochtend en nog voordat de
vacature voor Korpschef was opengesteld, kreeg Vermeij lucht van
mijn voornemen om ook mee te lopen in de race voor zijn op- volger.
Hij was des duivels en ik begrijp tot op de dag van vandaag
eigenlijk nog steeds niet waarom eigenlijk. Hoe het ook zij, direct
na opening van de eerstvolgende commissarisvergadering – die werd
altijd op vrijdagochtend gehouden – uitte hij in niet mis te
verstane bewoordingen zijn woede over het feit dat ‘achter zijn rug
om’ door commissarissen was gepraat over zijn eventuele opvolger.
Hij vroeg zich hardop af hoe men het in zijn hoofd had gehaald om
mij in dat verband te benaderen, terwijl ik nog niet eens
‘hoofdambtenaar 2e klas’ was. Een verdere discussie was
uitgesloten, want tot grote ver- bazing en onder absolute stilte
van de ongeveer vijftien aanwezigen verliet hij direct hierna de
vergadering. Met een klap sloeg hij de
deur van de vergaderzaal achter zich
dicht. Na de vergadering, die
verder niet veel meer voorstelde, heb ik nog getracht een gesprek
met hem op gang te krijgen, maar hij wenste niet over ‘de affaire’
te praten. Als hem nu ‘een bos brandnetels’ zou worden aangeboden,
zou hij die weigeren, zo liet hij mij op korzelige toon weten. Voor
de rest speelde hij een grote rol met betrekking tot zijn opvolging
en daar had ik maar rekening mee te houden, zo besloot hij het
korte gesprek. Het hele gedoe leidde nog geruime tijd tot een
gespannen situatie binnen de commissarisvergadering. Later is dat
weliswaar bijgetrokken, maar er is toch wat mij betreft altijd iets
van blijven hangen.
Nadat mijn sollicitatie begin 1983 een feit was geworden en de
vertrouwenscommissie inmiddels volop met haar werkzaamheden aan de
slag was, deed zich een tweede incident voor. Deze keer werd dat in
gang gezet door een verhaal in het juninummer van het In-
formatiebulletin van de Partij van de Arbeid, gewest Rotterdam. De
auteur van het verhaal, het Statenlid voor de pvda mevrouw Fer-
nande Hazewinkel, liet eerst allerlei kritische geluiden horen over
het functioneren van de Rotterdamse politie in het algemeen. Dat
deel van haar betoog kwam er in essentie op neer dat de Rotter-
damse politie ‘muurvast’ zat en dat het korps dringend toe was aan
de nodige hervormingen. Zij vervolgde aldus: ‘Maar er is nog hoop,
de Rotterdamse politie krijgt volop de kans in de nabije toekomst,
want de huidige Hoofdcommissaris gaat binnenkort met pensioen en
onder de sollicitanten kan men uitkijken naar voorzichtig pro-
gressieven. Een van de kanshebbers, althans volgens de geruchten-
machine, is een insider, een man van de oude, starre stempel, die
“law-and-order” predikt, iemand met weinig diplomatieke gaven,
gezien zijn publieke uitspraken. Maar wie weet is bij de opstellers
van de voordracht aan Hare Majesteit de Koningin het besef aanwe-
zig dat de tijden daar niet meer naar zijn, dat stilstand
achteruitgang is, dat regeren vooruitzien is, om maar eens wat
clichés uit de kast te halen. (...) Hij [de nieuwe
Hoofdcommissaris, jab] moet zich bezin- nen op de taak die de
politie heeft in de huidige maatschappij, weten wat er in de wijken
leeft.’ Wat een typisch linkse arrogantie, dacht ik toen ik het
verhaal had gelezen. Als iemand wist wat er in de wij- ken aan de
hand was, wisten wij, Rotterdamse politie dat, en dan nog eens
beter ook dan de politiek. Mevrouw Hazewinkel besloot haar relaas:
‘Moge de bestuurders de wijsheid hebben de juiste man op de juiste
plaats te kiezen met het oog op de toekomst van onze stad.
Rotterdam en de Rotterdammers verdienen meer progressie
waar het politiezaken betreft. Alleen
dan wordt de politie in de ware
zin des woords onze beste kameraad.’ ‘De beste kameraad van de
pvda...’ schreef Koos de Gast in zijn zoals altijd kernachtige
column in het Rotterdams Nieuwsblad van 21 juni 1983. Dat de
(wat laffe) aanduiding ‘insider’ in het verhaal van mevrouw
Hazewinkel op mij sloeg, behoeft geen nader betoog.
Hemel, beware ons voor Blaauw
Een reactie van Hoofdcommissaris Vermeij op het verhaal van me-
vrouw Hazewinkel kon en mocht vanzelfsprekend niet uitblijven. Dat
weerwoord loog er trouwens ook niet om, hetgeen vervolgens weer de
toorn opwekte van de voorzitter van de Partij van de Arbeid-
fractie in de Rotterdamse gemeenteraad, Johan Henderson. Vermeij
liet in een persbericht aan de media namelijk onder meer weten dat
hij zich ‘bijzonder gegriefd’ voelde door de uitlatingen van de
pvda- politica en het ‘een politieke partij onwaardig’ te vinden op
deze wijze in de publiciteit te treden’. ‘Zij [mevrouw Hazewinkel,
jab] doet in grote mate onrecht aan een korps dat met zijn medewer-
kers zoveel heeft gedaan (en ook zal blijven doen) voor het welzijn
van zijn medeburgers,’ aldus de reactie van Vermeij met betrekking
tot de algemene kritiek van mevrouw Hazewinkel. Ten aanzien van
haar stellingname tegen de ‘insider’ zei Vermeij in het
persbericht: ‘Ten slotte moet mij van het hart, dat de publicaties
rondom één van de sollicitanten voor de straks door mij achter te
laten plaats getui- gen van een mentaliteit, die op zijn minst van
weinig respect voor privacy of meningsvorm van meer tot oordelen
bevoegden blijk geeft. Als er door mevrouw Hazewinkel en door
anderen in haar partij zo wordt gemanipuleerd als thans, kan
inschakeling van Ver- trouwenscommissie, Politiecommissie en
Bevoegd Gezag een farce worden.’ Voorzitter Henderson reageerde
getergd. In een brief aan burgemeester Peper stelde hij acht vragen
over het persbericht van Vermeij, overigens ‘in de diepste
overtuiging dat het Rotterdamse politiekorps een uitstekende staat
van dienst heeft, waarop vrijwel niets is aan te merken’. Waar
Henderson zich met name aan had ge- ergerd was de zinsnede uit het
persbericht ‘... door anderen in haar partij zo wordt
gemanipuleerd’. Henderson wilde van Peper weten of hij dacht van
Vermeij ‘wellicht enig bewijs voor deze “manipula- ties” te
krijgen. Zo niet, of Peper dan niet van mening was dat Ver- meij
aan mevrouw Hazewinkel en “anderen in haar partij” veront-
schuldigingen zouden moeten worden aangeboden.’ De antwoorden
van Peper vormden in feite een soort
kool-en-geitbetoog. De essentie
was namelijk dat hij zich met ‘de intentie van het persbericht’ kon
verenigen, ‘al had ik op onderdelen een andere toonzetting en re-
dactie wenselijk geacht’. Voorts achtte hij ‘geen termen aanwezig
aan wie dan ook te vragen verontschuldigingen aan te bieden’. Zelfs
niet aan mevrouw Hazewinkel richting ‘insider’, dacht ik toen ik
het verhaal van Peper had gelezen.
Het derde incident deed zich voor vanuit een heel andere hoek. Het
ging om een toen aan de Oude Binnenweg gevestigde kroeg be- kend
onder de naam De Seen, vanwaaruit de hasjgeur je bij wijze van
spreken al op afstand tegemoet walmde. Onder mijn verantwoorde-
lijkheid en goedkeurig had de afdeling Verdovende Middelen daar in
april 1983 een grootscheepse inval gedaan in verband met vermoe-
dens van harddrugs. In het belang van de openbare orde had ik later
bij het gemeentebestuur aangedrongen op sluiting van die tent. Over
een en ander ontstond nogal wat deining, zowel op het stadhuis als
in de media. In juli 1983 – de stoelendans was toen nog volop
gaande – werden in het centrum van Rotterdam pamfl etten en posters
ver- spreid met de volgende tekst: ‘Blaauw, wat maak je nou? De
Seen dicht en de jongeren weer op straat? De rustigste kroeg
van de Oude
Binnenweg op slot? En weer een deel van het uitgaansleven
kapot?
Nee! Een rood kollege moet beter weten en niet op Blaauw
afgaan.
Stappers zijn ook stemmers en willen geen Blaauwtje lopen. De
Seen
moet open blijven! De bezoekers van de Seen.’
Ten slotte deed ook een columnist van Het Vrije Volk een
duit in
het zakje rond de stoelendans. ‘Hemel, beware ons voor Blaauw’,
aldus de kop boven zijn column in de krant van 29 april 1983. Dat
verhaal begon als volgt: ‘De hemel beware Rotterdam voor J.A.
Blaauw als Hoofdcommissaris. Hij schijnt genoemd te zijn als opvol-
ger voor het binnenkort vertrekkende politiehoofd A. Vermeij, maar
na wat Blaauw woensdag weer heeft uitgehaald moet deze promotie
(net als de Willemstoren overigens) zo mogelijk worden voorkomen.’
Dit stemmingmakend leuterverhaal, dat sloeg op de gebeurtenissen
rond De Seen, viel niet overal in goede aarde, zelfs niet bij de
hoofd- redactie van de krant. Veertien dagen later namelijk kreeg
ik van H.A. Wigbold, hoofdredacteur van Het Vrije Volk, een
brief waarin hij onder meer schreef: ‘Ik stel er prijs op u te
laten weten dat ik de publicatie in de rubriek Stukgoed
persoonlijk betreur. Ik heb de betrokken redacteur onmiddellijk
laten weten dat het stuk aan mij had moeten worden voorgelegd en
dat ik het, zeker in deze vorm, niet zou hebben goedgekeurd.’
‘Wegens vakantie’, zo blijkt uit zijn
brief, was Wigbold niet in de
gelegenheid geweest eerder te reageren.
Hij bood ‘alsnog’ zijn excuses aan, hetgeen ik zeer heb
gewaardeerd. Om de gebeurtenissen rond de stoelendans af te ronden:
per 1 maart 1984 werd Jan van Dorp benoemd tot Hoofdcommissaris van
politie te Rotterdam. Met ingang van diezelfde datum werd ik door
burge- meester Peper aangewezen als plaatsvervangend
Hoofdcommissaris. Tevens werd ik in de functie van commissaris
Hoofd Uitvoerende Dienst (hud) belast met de leiding van zowel de
hele geüniformeerde politie als alle recherchediensten van het
korps. Een Rotterdamse burger schreef mij: ‘(...) ik hoop dan ook
dat u zich in de nog reste- rende jaren met onverminderde motivatie
zult kunnen inzetten in het belang van orde en veiligheid van de
stad, waarin ook de start van mijn arbeidsverleden ligt.’ Dat nu
was precies wat ik voornemens was te gaan doen en ook met veel
plezier gedaan heb. Van mijn deel- name aan de stoelendans heb ik
intussen nimmer spijt gehad. veranderingen
Die bij de Rotterdamse politie nog resterende diensttijd van
ongeveer zes jaar heb ik ervaren als een zowel boeiende als roerige
periode. Boeiend alleen al omdat het ‘gewone’ politiewerk, waar ik
tenslotte voor ingehuurd was, 24 uur per dag doorging. Roerig
vooral, omdat het korps weliswaar met goede intenties van start was
gegaan om een aantal ingrijpende veranderingen in de organisatie te
realiseren, maar uiteindelijk, zoals ik in dit hoofdstuk nader zal
toelichten, in een betreurenswaardige vertrouwenscrisis
terechtkwam. Een korte voorgeschiedenis:
In
1977 was het rapport Projectgroep Organisatiestructuren
(pos-rapportage) verschenen, dat in de daaropvolgende jaren als
grondslag diende voor ingrijpende veranderingen binnen de Neder-
landse politie. Sleutelbegrippen uit die tijd waren:
decentralisatie, despecialisatie, deconcentratie, wijkteams,
generale taakstelling, horizontalisering van de organisatie,
democratisering, strategische beleidsvoering en beleidsdeelname.
Samenvattend en wat simpeler geformuleerd: het ‘oude’ heeft
afgedaan, alles moet dus op z’n kop en in het vervolg moet iedereen
alles kunnen. Ook de terminologie werd geleidelijk aan aangepast.
De politie vervulde ten behoeve van de burger bijvoorbeeld niet
langer gewoon allerlei opgedragen taken, maar voorzag ‘de klant’ in
het vervolg van ‘een breed assortiment van politieproducten’, die
tot stand waren gekomen op basis van
‘speerpunten van beleid’,
‘klantgerichte activiteiten’, ‘marktgericht
denken’ en ‘contractmanagement’. De leider heette in het vervolg
bij voorkeur ‘manager’. Een ‘cultuuromslag’ was absolute voorwaarde
om dit alles te kunnen realiseren en tevens om een einde te maken
aan de binnen de politie heersende ‘strakke hiërarchie’. Ook
streefde je niet zozeer meer een doel na, als wel een
target. Ook binnen de Rotterdamse politie kwam geleidelijk
een omvangrijk veranderings- proces op gang. De beoogde
organisatorische veranderingen, neer- gelegd in een Beleidsplan
1985-1990, betroffen in de kern genomen de invoering van het
decentrale districtenstelsel en de zogenaamde despecialisatie. Dat
eerste betekende onder meer dat in de zeven te formeren districten
de geüniformeerde dienst en de recherche – en daarmee feitelijk de
hele gebiedsgebonden politiezorg – in het ver- volg onder
eenhoofdige leiding van een commissaris districtschef zou komen te
staan. Op zichzelf genomen vond ik dat een prima zaak. Het
realiseren van het districtenstelsel is echter niet van de ene dag
op de andere tot stand gekomen. Integendeel. In die turbu- lente
jaren is nog weer eens pijnlijk aan het licht gekomen dat het
produceren van een ambitieuze bouwtekening voor een andere or-
ganisatiestructuur minder tijd kost en minder gecompliceerd is, dan
het daadwerkelijk ontmantelen en vervolgens herinrichten van de
vanuit de ‘oude’ cultuur gevestigde koninkrijkjes. Dat laatste
vereist naar mijn opvatting naast kennis van allerlei
managementleerstuk- ken vooral de kunst van gedegen leiderschap.
Over de despecialisa- tiegedachte – met name ten aanzien van de
recherche – ben ik nooit enthousiast geweest. Ik heb nimmer geloofd
in de zogenaamde ge- nerale taakstelling, de allround diender dus.
Specialistische centra- les vormen een onmisbaar onderdeel van de
recherche. Tegen het geleidelijk onttakelen c.q. deconcentreren
(naar de districten) van deze diensten, zoals bijvoorbeeld de
Vuurwapencentrale, Verdo- vende Middelen en Zedenpolitie, Criminele
Inlichtingdienst (cid) heb ik mij altijd verzet. Met het
overhevelen van bepaalde, minder tijdrovende en/of ingewikkelde
recherchetaken naar de basispolitie heb ik minder moeite gehad.
Waar je, sedert het snelle fotokopi- eerapparaat was uitgevonden,
ook aan moest wennen, waren de ellenlange, inhoudelijk door hun
ingewikkelde formuleringen soms niet ‘te vreten’
(beleids)rapporten, die met enige regelmaat op je bu- reau
neerploften. Daar was op zichzelf nog wel mee te leven, maar
beroerder vond ik de soms oeverloze vergaderingen die altijd in het
kielzog van de papierstroom meevoeren. Ik had overigens van huis
uit altijd al een hekel aan vergaderingen. Dat was met name
het geval wanneer het ontbrak aan een
voorzitter die de zaak strak
in de hand had, er geen agenda was en/of als de notulen van de
vorige vergadering langer waren dan één A-viertje. Veel vergaderin-
gen zouden overbodig zijn, zo heb ik altijd volgehouden, wanneer
mensen in de dagelijkse omgang soepeler met elkaar zouden com-
municeren, wat mij betreft achter een pilsje bij de Chinees, in
plaats van zich in allerlei formele vergaderstructuren te wurmen.
Het is daarom, dat heel wat vergaderingen gerangschikt konden
worden onder de categorie verspilde kostbare tijd, geld en energie.
Soms alleen al omdat het onderwerp simpelweg per telefoon
afgehandeld had kunnen worden.
roer overgenomen
Met Jan van Dorp, een oud-marineoffi cier, integer en kundig po-
litieman, kon ik het goed vinden. Wij wisten wat we aan elkaar
hadden en in mijn functie als Hoofd Uitvoerende Dienst liet hij mij
volkomen de vrije hand. Ik had Van Dorp reeds in de jaren zestig
le- ren kennen, toen wij beiden inspecteur waren bij de
geüniformeerde dienst aan het bureau Oostervanstraat. In 1970
vertrok Jan naar het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar hij
tot aan zijn benoe- ming als Hoofdcommissaris in Rotterdam werkzaam
was geweest bij de afdeling Onderzoek en Ontwikkeling. Gedurende
zijn relatief korte periode als Korpschef van de Rotterdamse
politie heeft het Jan van Dorp met betrekking tot zijn gezondheid
niet meegezeten. Op 6 maart 1985, een jaar na zijn aantreden als
Korpschef, werd hij getroffen door een licht hartinfarct. Na een
intensief revalidatie- programma zou hij eerst op 10 juni van dat
jaar zijn functie weer hervatten. In maart 1986 werd Van Dorp door
ziekte andermaal gedwongen zijn werk neer te leggen. Deze keer
duurde dat in totaal ruim zes maanden. Gedurende die beide periodes
heb ik als plaats- vervangend Korpschef, naast mijn taken als Hoofd
Uitvoerende Dienst, het roer overgenomen. Dat hield onder meer in
dat ik iedere dinsdagochtend van 09.00 tot 10.00 uur bij
burgemeester Bram Pe- per op het ‘ochtendgebed’ verscheen. Daar
werd dan in grote lijnen het wel en wee evenals ‘het laatste
nieuws’ uit het korps besproken. Met burgemeester Peper heb ik
steeds een goede verstandhouding gehad. Vanaf het begin van mijn
waarneemperiode lag er een af- spraak tussen Peper en mij: hij liet
mij als plaatsvervangend Korps- chef de tent runnen en ik
garandeerde Peper dat hij als korpsbe-
heerder niet voor (onaangename)
verrassingen zou komen te staan.
Zo is het ook steeds, naar ons beider tevredenheid, gegaan. Slechts
één van de taken van Jan van Dorp heb ik gedurende zijn afwezig-
heid van in totaal negen maanden niet kunnen uitvoeren. Dat ging om
het volgende. Er bestond in die jaren al een soort Raad van
Hoofdcommissarissen. Daarin zaten alleen de Korpschefs van de grote
steden. Op zekere dag kreeg ik van mijn secretaresse te horen dat
in de agenda van Van Dorp een vergaderdatum was vastgelegd voor de
eerstvolgende bijeenkomst van Hoofdcommissarissen. Bij nadere
informatie kreeg zij echter via de voorzitter van die Raad te horen
dat die vergadering uit principe niet toegankelijk was voor de
tweede man in het korps. Ik heb er even over gedacht om in de
telefoon te klimmen, maar ik had inmiddels geleerd in dit soort
situaties eerst langzaam tot tien te tellen. Toen ik dat had gedaan
realiseerde ik mij dat tegen zoveel ambtelijke kortzichtigheid op
dat niveau toch geen kruid gewassen zou zijn. Dus heb ik het zo
maar gelaten.
Voor rotte vis
Een van de eerste klussen waarmee ik in 1986 tijdens de afwezigheid
van Van Dorp werd geconfronteerd, betrof een politiële miskleun bij
de bouw van het nieuwe politiebureau aan de Boezembocht, intern
aangeduid als ‘Bobo’. Ik moest op korte termijn tegenover de raads-
commissie politiezaken – daarin zaten de fractievoorzitters van de
politieke partijen – tekst en uitleg komen geven over de vraag hoe
het had kunnen gebeuren dat ‘Bobo’ een slordige dertien miljoen
gulden duurder was uitgevallen dan de oorspronkelijk geplande 35
miljoen. Over dat debacle was op het Stadhuis en in de media de
nodige heisa ontstaan. Als Hoofd van de Uitvoerende Dienst had ik
met die bouw nauwelijks iets van doen gehad. Mijn kennis met
betrekking tot deze kwestie beperkte zich tot de wetenschap dat er
een bepaalde overschrijding van het toegestane budget was geweest.
Hoe dat verder procedureel in de richting van het gemeentebestuur
was verlopen, wist ik niet. Het behoorde trouwens ook niet tot mijn
competentie. Nadat ik mij door de betrokken commissarissen had
laten bijpraten, besloot ik aan burgemeester Peper te vragen wat
hij als voorzitter over deze netelige kwestie tijdens de
vergadering te berde zou gaan brengen. Ik deed dat teneinde straks
een zo redelijk mogelijk weerwoord bij de hand te hebben. Bram stak
zoals gebrui- kelijk met wijde armgebaren een lang verhaal af, dat
in feite inhield
– kort samengevat en vrij vertaald –
dat hij de Korpsleiding, mij dus,
in de commissie voor rotte vis zou uitmaken. Op die te verwachten
ti- rade heb ik mij uiteraard diep bezonnen. Tijdens de vergadering
kon ik niet veel meer doen dan het boetekleed aantrekken en de
commis- sie voorhouden dat wij ons als Korpsleiding aan het project
Bobo gewoon hadden vertild, hetgeen ik vanzelfsprekend ‘zeer
betreurde’. Wat kon ik trouwens anders doen? In plaats van de
geplande drie etages waren er nog eens zes bovenop gebouwd.
Bovendien waren er extra faciliteiten gecreëerd in de vorm van een
sportzaal en een schietbaan. Ten slotte konden we in het gebouw zes
politiediensten onderbrengen in plaats van twee, zoals de
oorspronkelijke plannen wilden. De netelige kwesties betroffen niet
zozeer al deze extra’s – er was geen geld over de balk gesmeten –
maar het feit dat de Korps- leiding had verzuimd het
gemeentebestuur – de burgmeester – van deze overschrijdingen tijdig
op de hoogte te stellen. Wij hadden een ‘bouwcommissaris’
rondlopen, maar de eerlijkheid gebiedt te zeg- gen dat
bouwmanagement allerminst een politiespecialiteit bleek te zijn.
Dat had ik inmiddels ook wel ontdekt. In die geest heb ik mijn
verhaal gehouden. De commissie had uiteraard volop kritiek, maar
daar is het bij gebleven. Intern was daarmee het laatste woord
uiter- aard nog niet gesproken. Na afl oop van de
commissievergadering vond ik op mijn bureau een fl esje wijn met
daaraan een kaartje met de tekst: ‘Met dank en respect voor de
behandeling van Bobo-13.’ Ik heb nooit geweten wie de gulle gever
is geweest, maar ik heb niet de illusie dat het mij vanuit de
politieke hoek geschonken is. Hoeksteen van de
democratie
Mijn uitspraken over problemen in de samenleving zijn mij, zoals ik
al eerder heb aangegeven, niet altijd door iedereen in dank afge-
nomen. Een wel heel opmerkelijk voorbeeld daarvan was het vol-
gende. In een eo-televisie-uitzending van 4 december 1986 met als
onderwerp ‘geweld in de samenleving’, had ik de uitspraak gedaan
dat het gezin naar mijn opvatting een hoeksteen van de democratie
is. Dat was niet de eerste keer dat ik een dergelijke uitspraak had
gedaan, maar bij vorige gelegenheden was er nog door niemand op
gereageerd. Deze keer dus wel. Enkele dagen na de bewuste televi-
sie-uitzending schreef een inwoner van Schiedam een brief aan de
Rotterdamse gemeenteraad, waarin hij mij discriminatie toedichtte.
Een afschrift van zijn brief zond hij naar het landelijk bestuur
van de coc en naar de Gay-krant. In een brief aan
burgemeester Peper
schreef de voorzitter van het coc
hierop: ‘(...) Discriminatie van
homoseksuele vrouwen en mannen heeft heden ten dage (in Neder-
land) nog zelden een heel expliciet karakter. Sommige “offi cials” –
zoals recentelijk kardinaal Simonis – vormen daarop een uitzon-
dering. Wij gaan ervan uit dat ook u het ongewenst vindt dat me-
dewerkers van de overheid door publieke uitlatingen bijdragen aan
een geestelijk klimaat waarin discriminatie van homoseksuele vrou-
wen en mannen mogelijk wordt gemaakt. Volgens onze informatie is in
een vergadering van de gemeenteraad daarom toegezegd dat u – als
hoofd van de politie – deze zaak zou onderzoeken. Wij zouden graag
van u vernemen wat dit onderzoek heeft uitgewezen.’ In zijn
antwoord schreef Peper: ‘(...) Dat een zodanige opvatting iets van
doen zou hebben met discriminatie vermag ik bepaaldelijk niet in te
zien. Het gaat hier trouwens om een wel vaker verkondigde en in de
samenleving ruimschoots gepraktiseerde mening. Persoonlijk deel ik
de opvatting van de heer Blaauw niet, omdat ik het verband niet zie
tussen democratie en een van de vele samenlevingsvormen die daarin
voorkomen. M.b.t. de democratie zijn naar mijn mening andere
hoekstenen aan te wijzen (...).’ Nou ja, toen ik over dat ant-
woord nadacht, schoot mij inderdaad nog een andere hoeksteen te
binnen: vrijheid van meningsuiting. Een maand eerder had een Haagse
advocaat ook al een brief geschreven naar burgemeester Pe- per, met
nota bene het verzoek mij een spreekverbod op te leggen. Aanleiding
daartoe, zo bleek uit de commentaren van die advocaat naar de pers,
waren onder meer mijn uitlatingen met betrekking tot de aanpak van
het voetbalvandalisme, met name de kwestie ‘werk- kampen’, en mijn
optrekken met de Mobiele Eenheid. ‘Toegegeven,’ schreef deze fi
guur, ‘op oudere leeftijd wil een commissaris uiteraard wel eens
voor “hoofdcommissaris spelen”, maar nu heeft de show – dunkt mij –
toch wel lang genoeg geduurd.’ Toen ik deze brief van het
secretariaat van Peper kreeg met het verzoek om commentaar, heb ik
in de marge geschreven: ‘Een Berufsverbot lijkt mij effectie- ver.
G.G.D., Gelezen, Gelachen, Doorgezonden, jab.’ mariniers en de
poolcirkel
De stad Rotterdam en het Korps Mariniers zijn al heel lang onver-
brekelijk met elkaar verbonden. Dat blijkt alleen al uit de
historie van de Rotterdamse politie. In een dienstorder van 3 april
1900 bepaalde hoofdcommissaris W. Voormolen hoe de dienders in
het
vervolg een declaratie moesten
opmaken voor het ‘vangloon’, in ver-
band met het aanhouden van een ‘uit zijn garnizoen weggelopen
[lees: gedeserteerde, jab] marinier’. Tussen dat korps en de
Rotter- damse politie heeft ook altijd een bijzondere band bestaan,
waaraan ik persoonlijk de beste herinneringen bewaar. Altijd al had
ik de wens gekoesterd eens met de mariniers op oefening te mogen
gaan in het noorden van Noorwegen. In februari 1987 is me dat ook
gelukt. Het was een ervaring, daar rond de poolcirkel, die nog heel
vers in mijn geheugen ligt. Gedurende een week verbleef ik bij de
Eerste Amfi bische Gevechtsgroep (iaggp), die werd aangevoerd door
lui- tenant-kolonel Henk Ramakers. Tijdens dat bezoek werd ik ook
uitgenodigd om een nachtje bij de troep in het veld ergens hoog in
de bergen te bivakkeren. Met vijf andere gasten, onder wie de
voorzit- ter van de vereniging Contact Oud Mariniers, kapitein der
mariniers kmr b.d. Jan Herlaar, werden we op een avond ergens
gedropt en daar opgewacht door twee onderoffi cieren van de
Gevechtsgroep. Een van die twee legde ons uit dat er twee
mogelijkheden waren om boven op de berg te geraken, namelijk per
rupsvoertuig of gewoon te voet. ‘Aangezien u gekomen bent om het
frontleven van de ma- riniers te beleven, kan ik u dus een korte
wandeling aanbevelen,’ voegde hij er fi jntjes aan toe. Op de vraag
van een uit onze groep hoe lang dat wandelingetje zou gaan duren,
kwam een antwoord dat al even mistig was als het weer ter plaatse.
Uiteraard waren we aan onze status wel verplicht om ‘spontaan’ te
kiezen voor de benen- wagen. Warm aangekleed in het gevechtstenue
van de mariniers en met een bepakking van zo’n veertig kilo op onze
rug, sjokten we in ganzenmars door een dikke sneeuwlaag in de
duisternis naar boven. Een van de onderoffi cieren ging voorop, de
ander sloot de rij. Aan het begin van deze barre voettocht konden
we ons nog luidkeels enige opwekkende kreten veroorloven, maar
naarmate de helling steiler werd, werd het stiller in het
‘peloton’. Bovendien werd de sneeuw dikker en de bepakking almaar
zwaarder. Onze onderof- fi cier-gids brulde naar achteren dat we
vooral bij elkaar moesten blijven. Ik rilde alleen al bij de
gedachte ergens op die godvergeten helling, in de moordende kou van
min 28 graden, verdwaald van de groep te raken. Nadat we ongeveer
een uur door de sneeuw- storm hadden gezeuld, belandden we in een
manshoge loopgraaf. Toen daar bleek dat we vermoedelijk uit koers
waren geraakt, kreeg ik even het spookbeeld van een hele nacht in
een wijd geopende vrieskist te moeten doorbrengen. Jan Herlaar, die
achter me liep, verzekerde mij met overtuiging maar met een bijna
bevroren stem
Noorwegen (winter 1987), met burgemeester Bram Peper te
gast
bij ‘ons’ onvolprezen korps mariniers; geheel rechts
Generaal-
majoor der mariniers T. Rudolphie
dat de mariniers ons in ieder geval niet zouden laten omkomen van
honger of dorst. Over andere mogelijke ellende sprak hij weliswaar
niet, maar zijn woorden stelden me in ieder geval gerust en gaven
me de nodige moed om verder te marcheren. Er zat trouwens ook niks
anders op. Tegen middernacht arriveerden we op onze bestemming.
Daar werden we verdeeld over de verschillende sneeuwhutten, waar we
de nacht zouden doorbrengen. Ik heb nooit geweten hoe gecom-
pliceerd maar ook hoe boeiend en leerzaam het is om bij kaarslicht,
in een sneeuwhut waar je nauwelijks gebukt kunt staan, te midden
van zes mariniers die allerlei raadgevingen over je uitstrooien,
uit je bepakking de nodige spullen te vissen en vervolgens je
veldbed in orde te maken. Van slapen is die nacht niet veel
gekomen. Toen ik rond een uur of drie onder een prachtige
sterrenhemel ook mijn rondje wachtlopen vervulde, stond ik op een
gegeven moment oog in oog met een naar (uiteraard) het oosten
gericht zwaar machinege- weer. De patroonbanden bungelden er
uitdagend naast. Een ogen- blik bekroop me de verleiding één keer
de trekker over te halen. Op hetzelfde moment besefte ik echter dat
ik daarmee niet alleen de indrukwekkende nachtelijke stilte zou
verbreken, maar dat vervol- gens, zo wist ik nog uit de oorlog,
langs de hele frontlinie de hel zou losbarsten. Zodoende heb ik
mijn handen toen maar stevig in mijn
zak gehouden. In die winternacht heb
ik, starend naar de prachtige
Noorse sterrenhemel, vervolgens gezworen dat, wanneer ik nog eens
oorlogsvrijwilliger zou kunnen worden, het Korps Mariniers mijn
absolute keus zou zijn.
toch nog hoofdcommissaris van politie
Ik heb in mijn loopbaan een aantal onvergetelijke dagen mogen bele-
ven. De mooiste, voor mij en Nelly, was ongetwijfeld die waarop Jan
van Dorp mij een splinternieuwe tuniek overhandigde met daarop de
rangonderscheidingstekens van hoofdcommissaris van politie. Deze
ceremonie ging gepaard met de mededeling dat ik bij Koninklijk Be-
sluit van 20 juli 1987, met terugwerkende kracht per 1 januari
1986, was benoemd tot hoofdcommissaris van politie, hoofdambtenaar
2e klasse. Die feestelijke gebeurtenis vond plaats op maandag 17
augus- tus 1987. Ik had toen 37 jaar bij de Rotterdamse politie
achter de rug. De bevordering was conform de voorstellen in het
zogenaamde rapport ‘Bakker’, waarbij het aantal hoofdcommissarissen
in Neder- land met zeven werd uitgebreid. Toen ik die maandagmiddag
samen met mijn vrouw door burgemeester Peper werd ontvangen, bleek
dat behalve Jan van Dorp en ikzelf, ook hij mijn benoeming in De
Staats- courant had moeten lezen in plaats van het
bericht zoals te doen
gebruikelijk, van de minister van Binnenlandse Zaken zelf had ver-
nomen. Een ambtelijke blunder op het departement was er de oor-
zaak van dat alle bevorderingen plompverloren in De
Staatscourant waren opgenomen. Minister Van Dijk had hierover
inmiddels per telex aan burgemeester Peper zijn verontschuldigingen
aangeboden. De stroom van felicitaties voor mijn bevordering was
overweldigend. Er waren trouwens nog andere feestelijkheden in
diezelfde augustus- week. Enkele dagen later namelijk – op de
verjaardag van mijn zoon Hans – vierde ik mijn veertigjarig
ambtsjubileum (mijn diensttijd als oorlogsvrijwilliger was daarin
meegerekend). Tijdens een drukbe- zochte receptie om zowel de
benoeming als het ambtsjubileum te vieren, ontving ik de
Erasmus-speld. Op die maandag waarop ik van Jan van Dorp mijn
benoeming tot hoofdcommissaris te horen had gekregen, deed zich nog
een incident voor. In mijn dienstauto op weg naar huis ving ik een
bericht op van de meldkamer over een steekpartij die had
plaatsgevonden nabij het Centraal Station. In dit bericht werd ook
een signalement gege- ven van de dader, die gevlucht was in de
richting van het Hofplein.
Rotterdam (augustus 1987), korpschef Jan van Dorp speldt mij
de
Erasmus-speld op
Aangezien ik daar op dat moment toch reed, besloot ik een schot te
wagen. Nog geen twee minuten later zag ik op de Schiestraat een man
lopen die niet alleen aan het signalement voldeed, maar die
bovendien een hevig bloedende wond aan een van zijn handen had. Ik
parkeerde mijn auto op de voetstraat, waarna ik wachtte tot de man
wat dichterbij was gekomen. Op dat moment stapte ik uit en maakte
mij aan hem bekend als politieman, ik was namelijk in burger. Dat
bleek achteraf overbodig, want de man maakte mij duidelijk dat hij
dat al had gezien. Zonder problemen overhandigde hij mij een
bebloed mes, dat hij nog in zijn hand droeg. Ik liep hem met de
benen buiten boord plaatsnemen op de smalle ruimte die de
achterbank van mijn dienstauto nog te bieden had. Die was na-
melijk volgestouwd met bloemen en planten die ik die dag links en
rechts had gekregen. Een buurtbewoner was zo attent de arres- tant
een handdoek aan te bieden om de bloedende wond af te dek- ken.
Alles bij elkaar een vreemd gezicht, met al die bloemen op de
achterbank. Van ‘overmeesteren’ door mij, zoals enkele kranten de
volgende dag schreven, was geen sprake geweest. De man had zich
gewoon moeiteloos overgegeven. De steekpartij had te maken met een
heroïnekwestie.
vertrouwenscrisis
Nadat hij van zijn tweede ziekteperiode was hersteld, hervatte Jan
van Dorp per 1 oktober 1986 zijn werkzaamheden als Korpschef.
Gedurende de daaropvolgende twee jaar ontstond er binnen het korps
geleidelijk aan het nodige gerommel, gepaard gaande met een zekere
onvrede. Dat hield naast enkele andere interne kwesties
voornamelijk verband met de voortgang van het in gang gezette ver-
anderingsproces. In het laatste kwartaal van 1987 ontstonden er zo-
doende spanningen tussen de Dienstcommissie en de Korpsleiding. Ook
heerste er rond die tijd een gevoel van ongenoegen tussen de
Korpsleiding enerzijds en de overige topfunctionarissen anderzijds.
Bij de laatstgenoemden bestond, zo vatte Van Dorp het samen, een
gemis aan gezamenlijkheid, aan informatie/communicatie. Boven- dien
bestonden er gevoelens dat men onvoldoende bij de besluitvor- ming
werd betrokken. De verschillende conferenties tussen Dico en
Korpsleiding konden uiteindelijk niet verhinderen dat het steeds
ver- der groeiend ongenoegen enkele weken voor mijn afscheid van
het korps een hoogtepunt bereikte. De Dienstcommissie zegde
namelijk per brief van 30 maart 1988 aan burgemeester Peper het
vertrouwen op in de Korpsleiding. Dat waren op dat moment behalve
Jan van Dorp, ook de diensthoofden, Hans van de Meer, Cees
Ottevanger en ik. Het confl ict spitste zich overigens onmiskenbaar
toe op Jan van Dorp. Wat hem verweten werd kwam er samengevat op
neer dat hij de grootscheepse reorganisatie binnen het Rotterdamse
korps niet goed begeleidde, dat hij te ver af stond van het
personeel, en dat het hem ontbrak aan daadkracht en leiderschap.
Zoals het blijkbaar nu eenmaal lijkt te moeten gaan met dit soort
nog ‘geheime’ brie- ven aan de burgemeester, lag het verhaal reeds
de volgende dag op straat. Na lezing van het Rotterdams
Nieuwsblad wist zodoende het hele korps al op 31 maart hoe de
vlag ervoor stond, althans voor wat de Dienstcommissie betrof.
Veertien dagen later, op 15 april, vond er een gesprek plaats
tussen een vertegenwoordiging van de Dico, de Korpsleiding en
burgemeester Peper. Gedurende dat onge- veer twee uur durende
gesprek werden over en weer de standpunten uit de doeken gedaan,
maar werden er door Peper nog geen conclu- sies getrokken. De
burgemeester wilde eerst spreken met het korps- beraad (de overige
commissarissen) en de vakorganisaties. Daarna zou hij in de maand
mei, dus na mijn afscheid, op de ontstane situ- atie terugkomen.
Nog diezelfde dag werd hetgeen reeds uitgebreid in de kranten had
gestaan een offi cieel feit: er was een vertrouwens-
crisis tussen de Dienstcommissie en
de Korpsleiding. Waarom de
Dico slechts enkele weken voor mijn afscheid deze ambtelijke bom
liet ontploffen, kan worden afgeleid uit het volgende citaat uit
een brief d.d. 15 april 1988 van de voorzitter van de Dico: ‘(...)
Vaak is de laatste tijd de vraag gesteld, waarom juist nu, kort
voor het afscheid van de plv. Korpschef, e.e.a. in werking werd
gesteld. Dit heeft de volgende achtergrond. Binnen de
Dienstcommissie werd gedurende een achttal weken over dit punt in
besloten kring ver- trouwelijk gesproken. Niettemin ontstond enige
weken geleden buiten de Dico in steeds sterkere mate het gerucht
dat de Dico naar de grote “confrontatie” toewerkte. Buitenstaanders
leidden dit af uit het veelvuldig vergaderen van de Dico op
ongebruikelijke tijd- stippen en bijvoorbeeld uit het agendapunt
“personeelszorg” op het laatste Formeel Overleg. Toen voorts bleek
dat de Korpschef op vakantie ging, wilde de Dico voorkomen dat de
Korpschef mogelijk tijdens zijn verblijf uit de krant zou moeten
vernemen dat de Dico het vertrouwen in de Korpsleiding had
opgezegd. Afgewogen tegen het naderende afscheid van de plv.
Korpschef was dat de hoofdre- den om niet langer te wachten met het
op de hoogte stellen van de burgemeester.’ Midden in deze roerige
dagen overhandigde mijn onvolprezen secretaresse Liset Botter mij
een heel bijzondere briefje dat afkomstig was van de agenten van
ploeg E. van het bureau Marconiplein. De tekst luidde: ‘Naar
aanleiding van het feit dat u de gerechtigde flo-leeftijd heeft
bereikt en de dienst per 1 mei 1988 gaat verlaten, nodigen wij u
graag uit om nog éénmaal een nachtdienst mee te draaien in onze
ploeg. Dit biedt ons tevens de gelegenheid om persoonlijk afscheid
van u te nemen.’ Ik was nog slechts veertien dagen van mijn
afscheidsrecepties verwijderd, maar Liset heeft kans gezien mijn
agenda zodanig aan te passen dat het kon. Ik heb ervan genoten, die
laatste nachtdienst met die jonge dienders. Een wel heel aparte
manier van afscheid nemen, maar daarom niet minder hartelijk.
afscheid van de rotterdamse politie
Tot het rijtje onvergetelijke topdagen uit mijn loopbaan horen ze-
ker ook de twee afscheidsdagen. Op respectievelijk 22 en 27 april
1988 nam ik in verband met mijn functioneel leeftijdsontslag (flo)
afscheid van het Rotterdamse politiekorps. De eerste receptie was
alleen voor de korpsleden. De tweede, die werd gehouden in de
Rotterdam (april 1988), Stadhuis, afscheidsreceptie, met
Nelly,
onze kinderen en mijn trotse moeder
Burgerzaal van het stadhuis, was voor mijn relaties en andere ge-
nodigden van buiten het politiekorps. Beide recepties waren door de
zeer grote belangstelling niet alleen indrukwekkend, maar meer nog
hartverwarmend. Ik denk er daarom in dankbare herinnering aan
terug. Dat binnen het korps deze en gene bezig was met de nodige
voorbereidingen ter gelegenheid van mijn afscheid, was mij
natuurlijk niet ontgaan, maar dat het door enkele enthousiaste
mensen zo grondig, origineel en verrassend was gedaan, ontdekte ik
pas op die twee afscheidsdagen zelf. Wat ik helemaal niet wist, was
dat ook mijn vrouw intensief bij de voorbereidingen betrokken was
geweest. Zij was, zo bleek mij pas na afl oop, zelfs een aantal
keren met de videoploeg van het korps op stap geweest om een
documentaire te maken. Nelly heeft haar aandeel in de voorberei-
dingen voor mij uitstekend verborgen weten te houden. Tijdens de
afscheidsreceptie van het korps werd ik in het bijzonder getroffen
door drie afzonderlijke gebeurtenissen. De eerste was de aanwezig-
heid van 19 van de 26 klasgenoten (en hun echtgenotes) uit mijn
agentenopleiding uit 1950. Die ‘oude knarren’ waren van heinde en
verre opgespoord door Jan Wubben, die ook tot die klas (16)
Rotterdam (april 1988), afscheidsreceptie in de Burgerzaal van
het
Rotterdamse stadhuis
had behoord. Geweldig vond ik dat. Het tweede was iets geheel
anders. Korpschef Jan van Dorp bood mij namelijk het op een klein
marmeren ornament bevestigde ‘gouden’ korpsbrevet aan. Het was voor
mij vooral de symboliek die hieruit heel duidelijk sprak. Het
korpsbrevet in een goudkleurige uitvoering wordt namelijk alleen op
het uniform van de Korpschef gedragen. De derde verrassing was het
afscheidsboek getiteld Honderd over Bla(a)uw met daar- in
brieven met herinneringen en goede wensen van honderd van mijn
(politie)relaties uit binnen- en buitenland. Ook op de tweede
afscheidsdag waren de verrassingen niet van de lucht. Daar was
allereerst mijn benoeming door Hare Majesteit de Koningin tot
Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, uitgereikt door bur-
gemeester Peper. Ik was daar bijzonder mee vereerd, te meer omdat
ik niet eens wist hoe de rangorde bij koninklijke onderscheidingen
precies in elkaar stak. Daar ben ik pas na de receptie achtergeko-
men. Zeer vereerd was ik ook door de aanwezigheid van zowel de
minister van Binnenlandse Zaken, mr. Van Dijk, als de minister van
Justitie mr. Korthals Altes. Premier Lubbers had mij in een brief
laten weten ‘helaas’ niet in de gelegenheid te zijn persoonlijk
Ook de ministers van respectievelijk Justitie (mr. F. Korthals
Altes)
en Binnenlandse Zaken (mr. C.P. van Dijk) waren op de
receptie
afscheid te nemen. Hij bedankte mij
‘voor alle goede diensten in
het Rotterdamse’. Indrukwekkend ten slotte was ook de lange rij van
mensen uit binnen- en buitenland die afscheid kwamen nemen.
Rotterdammers van allerlei richtingen en instellingen, zeker niet
te vergeten de vertegenwoordigers van de voetbalverenigingen Fey-
enoord, Sparta en Excelsior. Collega’s van allerlei andere politie-
korpsen in Nederland. Vertegenwoordigers ook van buitenlandse
politiediensten met wie ik lang en intensief had samengewerkt: de
fbi, de dea, de us-Customs, de Duitse, Engelse en Belgische
politie. Militairen ook, zoals van het Korps Mariniers en de in
Duitsland gelegerde Amerikaanse militaire politie. Ten slotte waren
daar ook de talrijke ‘gewone’ Rotterdammers die me de hand wilden
komen schudden. Hartverwarmend vond ik het, dit allemaal zo te
mogen beleven. Dankbaar was ik op de eerste plaats omdat ik die dag
het Rotterdamse korps mocht verlaten zoals ik gekomen was, namelijk
als een gezond mens. Dankbaar zeker ook omdat ik dat afscheid heb
mogen vieren samen met mijn geliefde vrouw en onze beide kinderen
(alledrie Rotterdammers) die mij altijd ongelofelijk had- den
gesteund. Dankbaar ten slotte ook omdat mijn bejaarde moe- der er
op die dag van afscheid bij mocht zijn. Zij wist als geen ander wat
het politieleven in allerlei opzichten voor het (grote) gezin van
destijds betekende.
toch nog korpschef
Van Jumbo naar Piper
Dat ik binnen een maand na mijn afscheid van de Rotterdamse poli-
tie toch nog ergens hoofdcommissaris-korpschef werd, kwam zo. In
1985 ontstonden er in het gemeentelijk politiekorps van Gorinchem
moeilijkheden in verband met de gedragingen van enkele agenten. Zij
werden onder meer verdacht van corruptieve praktijken rond een
seksclub (de klassieke D van dames) in die gemeente. Het ge- volg
was dat vijf dienders van het 51 leden tellende korps werden
geschorst en in een later stadium ontslagen. Om aan het aldus ont-
stane nijpende tekort aan politiemensen het hoofd te kunnen bieden,
riep burgemeester Leen Vleggeert bij korpsbeheerder Peper de hulp
in van de Rotterdamse politie. Vanuit ons korps werden vervolgens
gedurende een aantal jaren acht politiemensen in Gorinchem gede-
tacheerd. Om mij bij tijd en wijle op de hoogte te stellen omtrent
het
Rotterdam, maart 1988. Ridder in de orde van de
Noelemakkers.
Deze Rotterdamse carnavalsvereniging sloeg mij tot ridder etc.
op
grond van mijn verdiensten voor Rotterdam. Belangrijker vond
ik
de loftuitingen voor mijn vrouw. Voor alle duidelijkheid: ik ben
als
Drent per slot van rekening allerminst een carnavalsfi guur, maar
ik
heb een en ander zeer gewaardeerd, mijn vrouw ook. We
hebben
ons die avond trouwens uitstekend vermaakt.
wel en wee van die Rotterdamse
dienders, kwam ik als Hoofd Uit-
voerende Dienst zodoende regelmatig in contact met burgemeester
Vleggeert. Rond augustus 1987 vertrok de Gorkumse Korpschef,
mevrouw Marjan Ekels, met ziekteverlof. Het lag vervolgens in de
lijn van de verwachtingen dat zij niet als Korpschef zou terugke-
ren. Bij een van de gesprekken met de burgemeester, ongeveer drie
maanden voor mijn afscheid van het Rotterdamse korps, stelde Leen
Vleggeert mij de verrassende vraag of ik eventueel bereid zou zijn
als tijdelijk Korpschef naar Gorinchem te komen. Ik heb daar enkele
dagen over nagedacht en met Nelly overlegd. Samen waren wij het er
binnen niet al te lange tijd over eens dat het voor mij een prima
gelegenheid zou zijn om ‘af te kicken’. In een motel in de buurt
van ’s-Gravendeel hebben Leen Vleggeert en ik ongeveer een maand
voor mijn vertrek uit Rotterdam de zaak onder ‘voorlopig nog
stilhouden’ beklonken. Koningin Beatrix heeft op voordracht van de
ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie het aan mij per 1 mei
verleende ontslag vervolgens opgeschort, waarna minister Van Dijk
mij ‘voor de duur van één en een half jaar’ benoemde als Korpschef
in Gorinchem. Medio mei 1988 introduceerde burge- meester Vleggeert
mij ten slotte in het Gorinchemse politiekorps. Van tweede man op
een 747 Jumbo was ik nu eerste man op een Pipertje.
gouden handdruk
Nog in diezelfde meimaand, maar voor mijn daadwerkelijke ver- trek
naar Gorinchem heb ik op het stadhuis in Rotterdam nog een gesprek
gehad met burgemeester Peper. Tijdens dat gesprek werd het mij
duidelijk dat er voor Jan van Dorp als Korpschef geen red- den meer
aan was. Peper was van oordeel dat hij Van Dorp niet langer kon
handhaven. Ik heb in dit gesprek burgemeester Peper met klem
geadviseerd Van Dorp, aan wiens managementskwalitei- ten ik niet
twijfelde, de gelegenheid van een doorstart te gunnen. Ik had
daarvoor een aantal argumenten, de belangrijkste beschrijf ik
hierna. Jan van Dorp werd onder meer verweten dat hij zich te
weinig bij ‘de troepen’ vertoonde. Dat was op zichzelf, hoe men
daar verder ook over mocht denken, niet zo verwonderlijk. Vanaf het
moment van zijn aantreden had hij mij, zoals eerder gezegd, de
vrije hand gegeven om het karwei in de loopgraven te begeleiden.
Met andere woorden, ik was feitelijk de troepenoffi cier. Met
in-
achtneming van het feit dat hij, en
niet ik, de Korpschef was, heb
ik de mij geboden gelegenheid ten volle en met heel veel plezier
benut. Wij, Van Dorp en ik, hebben elkaar daarbij nimmer voor de
voeten gelopen. Daar was hij trouwens ook de man niet naar. Een en
ander had tot gevolg dat ik in die jaren naar buiten toe het
gezicht van de Rotterdamse politie heb bepaald. Dat laatste werd
nog eens versterkt door de omstandigheid dat Van Dorp binnen twee
jaar twee keer wegens langdurige ziekte afwezig was geweest.
Gedurende die periode fungeerde ik niet alleen Korpschef, maar
functioneerde ik ook – op eigen gezag – als het Hoofd Uitvoerende
Dienst. Mijn betoog nu tegenover Peper kwam hier op neer dat Jan
van Dorp naar mijn mening de gelegenheid moest worden geboden een
doorstart te maken. Anders geformuleerd: hij diende, nu ik im- mers
niet langer deel uitmaakte van het korps, alsnog de gelegen- heid
te krijgen om uit wat in de pers wel werd aangeduid ‘de scha- duw
van Blaauw’ te kruipen. Zodoende zou Van Dorp zelf kunnen waarmaken
wat hij ook met betrekking tot gezichtsbepaling voor het
Rotterdamse korps waard was. Het heeft allemaal niet zo mo- gen
zijn. Jan van Dorp heeft uiteindelijk op 1 oktober 1988 met een
‘gouden handdruk’ het Rotterdamse korps moeten verlaten. Daarmee is
hem naar mijn opvatting geen recht gedaan. Drie da- gen voor het
afscheid van Jan van Dorp publiceerde de voorzitter van de
Dienstcommissie in het interne voorlichtingsbulletin van de
Rotterdamse politie het volgende bericht. ‘(...) Reeds bij zijn in-
stallatie als Korpschef in Rotterdam werd hem [J. van Dorp, jab]
vanwege de toenmalige Dienstcommissie voorgehouden, dat ook de
problemen van alledag zijn oog en oor dienden te hebben. In de
jaren die daarop volgden bleek in toenemende mate het inzicht dat
uit die opmerking sprak. Die uitgesproken angst voor een te veel
toekomstgerichte, zich slechts op strategisch niveau bewegende
manager, werd bewaarheid. De heer Van Dorp deed dit overigens
vanuit zijn volle overtuiging, dat anderen een eerste verantwoorde-
lijkheid droegen op het punt van de dagelijkse gang van zaken. In
principe werd dit standpunt ook gedeeld door de Dienstcommissie.
Toen echter – niet geheel als een verrassing – bleek dat sommigen
die verantwoordelijkheid niet wilden of konden oppakken, werd de
Korpschef aangemoedigd meer sturend en zonodig corrigerend op te
treden, dus ook ten aanzien van zaken, welke hem niet direct
regardeerden. Die gevraagde aanmoedigingen veranderden in de loop
der jaren in uitdrukkelijke wensen van de Dienstcommissie tot
uiteindelijke eisen, waaraan in laatste instantie de waarschu-
wing werd geknoopt, dat de
Dienstcommissie zonodig de uiterste
consequentie bij de Korpsbeheerder zou bepleiten, indien zaken niet
ten goede zouden veranderen. De gevraagde interventies van de
Korpschef leidden helaas niet tot herkenbare effecten, wat de
Dienstcommissie er uiteindelijk toe bracht het vertrouwen in de
Korpsleiding op te zeggen. De bereikte successen werden daarbij
zeker meegewogen (...).’
n.b. De bewering dat ‘sommigen die verantwoordelijkheid niet wilden
of konden oppakken’ werd in dit bericht niet nader onder-
bouwd.
Een waardig afscheidswoord
Jan van Dorp heeft op een waardige manier, zonder enig uiterlijk
ceremonieel, afscheid genomen van het Rotterdamse korps. In een
extra editie van het korpsblad d.d. 22 september 1988 schreef hij:
‘(...) Toen ik in 1984 in het korps aantrad was mijn opdracht toe-
komstgericht beleid te ontwikkelen en die strategische beslissingen
te nemen die nodig waren om het korps beter voor de negentiger
jaren toe te rusten. Met inspanning van velen, ook van de Dienst-
commissie voor de goede orde, is dat gelukt. Het korps heeft nu een
aanvaarde visie op organisatie en functioneren, de toekomstige fi
nanciële en materiële positie van het korps is zekergesteld, de be-
heersafdelingen worden op een nieuwe leest geschoeid, de huisves-
tingssituatie wordt op ongekende schaal verbeterd. Een en ander
hield veel extra werk in. Dat ik mij mede daardoor te weinig op de
werkvloer liet zien – een verwijt dat mij wel wordt gemaakt – is
een logisch gevolg van deze prioriteitskeuze en geen gebrek aan
belangstelling voor het wel en wee van het korps. Als dan toch vele
dingen goed gingen, wat ging er dan fout of waar ging het fout? Dat
was waar verwachtingen te hoog gespannen waren met betrekking tot
de vraag wat ons korps op dit gebied allemaal kan en aan kan en het
tempo waarin de, door niemand bestreden, ver- beteringen zouden
kunnen worden bereikt. Anders gezegd, met het Beleidsplan 1985-1990
koos het korps niet alleen voor een andere organisatiestructuur
maar, nog veel belangrijker, voor een andere cultuur. Een cultuur
met als belangrijkste kenmerk dat niet meer alles top-down wordt
geregeld, maar de nadruk wordt gelegd op de bijdragen van
afzonderlijke korpsleden aan het gezamenlijk product. Een
dergelijke cultuurverandering vergt enorm veel tijd en gaat gepaard
met veel problemen, weerstand en gevoelens van
onzekerheid. Daarin en in de rol die
mensen kunnen en willen spe-
len, ligt de kern van de vertrouwenscrisis tussen Korpsleiding en
Dienstcommissie, hetgeen uiteindelijk, nadat de burgemeester zich
achter de Dienstcommissie opstelde, tot mijn heengaan leidde. Ik
meen dat de Dienstcommissie hiermee een grote verantwoordelijk-
heid op zich geladen heeft, té groot voor een Dienstcommissie . Ik
hoop oprecht dat de impasse en onzekerheid die thans ontstaan zijn
het vele goede wat in gang is gezet niet in gevaar zullen bren-
gen. Ik roep u allen dan ook op in het belang van ons korps vast te
blijven houden aan de doelstellingen die wij met elkaar hebben
gekozen, en voort te blijven gaan op de weg die is ingeslagen. Dat
is een lange weg, langer dan velen vermoeden, en het zal veel moed
en doorzettingsvermogen vragen om het doel te bereiken. Maar dat
doel is de inspanning alleszins waard. Ik dank allen die, op welke
plaats in ons korps dan ook, hun bijdrage leveren aan het functio-
neren van ons korps, en dat ook in de achter ons liggende moeilijke
periode zijn blijven doen. Ik dank in het bijzonder hen die hebben
bijgedragen aan de verworvenheden van de laatste jaren. Verwor-
venheden die essentieel zullen blijken te zijn voor de toekomst van
het Rotterdamse korps. Onze wegen scheiden thans. Ik zal u met
belangstelling blijven volgen. Het gaat u allen goed!’ Jan van Dorp
is op 14 juni 1989 op zijn vakantieadres in Zuid-Frankrijk overle-
den. Hij werd 55 jaar.
n.b. Vijftien jaar na dato kan men in het Algemeen
Politieblad van18 oktober 2003 een beschouwing lezen over een
dat jaar ver- schenen ‘bijzondere studie naar politieleiders en
politieleiderschap’. ‘(...) Interessant is ook te zien hoe de oude
garde, die binnenkort plaats zal maken voor een nieuwe generatie,
verschilt van de op dit moment zittende “jongeren”. De “ouderen”
zijn nog sterk be- invloed door de pos-ideologie. (pos staat voor
Projectgroep Or- ganisatiestructuren, de naam van een werkgroep die
in 1977 het baanbrekend rapport “Politie in Verandering” schreef.)
Zij gaan er goeddeels aan voorbij dat de pijlers onder de
pos-ideologie zijn “geërodeerd” door de huidige discussie over de
kerntaken van de politie. Zo bestaan er uiteenlopende visies over
de vraag in hoeverre het pos-concept van decentrale,
gebiedsgebonden politiezorg als an- kerpunt moeten (blijven) gelden
voor de inrichting van politieorga- nisatie en politiezorg.’
alblas-vijf
Afgeschoten
Nu terug naar het Gorinchemse politiekorps. In 1988 werd er in de
politiek veel gepraat over de organisatie van de politie. Ook over
forse bezuinigingen bij de korpsen. Zo zou in december 1988 in de
Tweede Kamer niet alleen de politiebegroting aan de orde komen,
maar ook het preadvies van de stuurgroep Project Kwantifi cering
Politiesterkte (het zogenaamde pkp-rapport). Het ambtelijk advies
hield in dat in Nederland zo’n 2600 politieambtenaren zouden wor-
den verplaatst van kleinere gemeenten met minder criminaliteit naar
grotere gemeenten met veel criminaliteit. Voor het gebied Alblas-
serwaard en de Vijfherenlanden zou dat in de praktijk betekenen dat
Gorinchem er 37 dienders bij zou krijgen. Daarmee zouden wij dus
uit de crepeersterkte zijn en zou de Gorinchemse samenleving
verzekerd kunnen zijn van een behoorlijke politiezorg. Daarente-
gen zouden de gemeenten Leerdam, Sliedrecht en Papendrecht ieder
ruwweg vijftien politiemensen moeten inleveren, hetgeen zonder
enige twijfel ten koste zou gaan van het noodzakelijke lokale po-
litietoezicht. Ik heb toen in het tumult het plan opgevat de
politie- korpsen in de hele regio Alblasserwaard-Vijfherenlanden te
laten fu- seren tot één regionaal korps, dat ik in mijn
enthousiasme ook maar vast ‘Alblas-Vijf’ had gedoopt. Een
dergelijke fusie zou naar mijn opvatting op de eerste plaats ten
goede komen aan het politietoe- zicht in de vorm van (vooral
nachtelijke) surveillance. Daarnaast zou integratie betekenen dat
de gezamenlijke korpsen in fi nancieel opzicht enorm besparend
zouden kunnen opereren, onder andere door het creëren van één
gemeenschappelijke beheersdienst voor personele en materiële zorg.
Ik besprak het plan met burgemeester Leen Vleggeert, die er
onmiddellijk en zonder enige terughoudend- heid mee instemde. Wij
waren het er samen ook over eens dat nie- mand ons ‘eigenbelang’
zou kunnen verwijten. Als Gemeentepolitie Gorinchem zaten wij
immers gebeiteld met de aanzienlijke sterkte- verhoging van 51 naar
87 dienders. Persoonlijk gezien, hoefde ik ook geen carrière meer
te maken, dat was immers al lang en breed achter de rug. De
collega- korpschefs van de Gemeentepolitie Leer- dam, Sliedrecht en
Papendrecht waren ook enthousiast over het plan. Het was trouwens
de enige mogelijkheid om aan een ‘faillisse- ment’ te ontkomen.
Binnen het gebied van ‘Alblas-Vijf’ lagen echter ook nog enkele
groepen van de Rijkspolitie. Daar was men minder
enthousiast over de plannen tot
‘inlijving’. Met een wegschuifge-
baar verwees de Rijkspolitie dan ook naar de landelijke politiek.
Burgemeester Vleggeert en ik waren het er ook over eens dat, poli-
tiek gezien, de tijd rijp was om in Den Haag aan de bel te trekken
en steun te bepleiten voor plan ‘Alblas-Vijf’. Zo kon het gebeuren
dat wij ons, na afspraak en op een hele vroege ochtend in novem-
ber 1988, op het ministerie van Binnenlandse Zaken aandienden. Op
het departement werden wij ontvangen door niemand minder dan de
Directeur-Generaal Openbare Orde en Veiligheid (mr. I.W. Opstelten,
de huidige burgemeester van Rotterdam), en de Direc- teur
Politiezaken (mr. H.C.J.L. Borghouts, de huidige Commissaris van de
Koningin in Noord-Holland). Indringend prezen wij ‘Al- blas-Vijf’
aan als proeftuin voor een andere politieorganisatie in Nederland.
De beide topfunctionarissen hoorden ons niet alleen met grote
belangstelling aan, zij toonden ook alle begrip voor ons plan.
Sterker nog, ook op het departement betreurde men het ge- geven dat
‘Alblas-Vijf’ al bij voorbaat door de Rijkspolitie was af-
geschoten. Terwijl Leen Vleggeert een vurig pleidooi hield, meende
ik intussen uit de af en toe wat meewarige departementale blikken –
zo van: wat motten we nou met die burgemeester van buiten en zijn
chefveldwachter – te kunnen afl eiden wat de uitslag zou gaan
worden. Daar bleek ik niet ver naast te zitten. Van ‘bovenaf’ kon
men ‘helaas’ niets voor ons doen. Het moest allemaal ‘van onderop’
komen. ‘Heren, prettig dat u er was en veel succes.’ Twee koppen
koffi e later stonden we weer op de Haagse keien. We baalden al-
lebei. Ik heb vervolgens nog geprobeerd ‘Alblas-Vijf’ via de krant
aan de man te brengen. Vanuit politiek Den Haag heeft er geen ster-
veling op gereageerd. Vier jaar later werd de Nederlandse politie
gereorganiseerd tot wat het vandaag is. ‘Alblas-Vijf’ leeft nu
voort onder één andere naam: Alblasserwaard/Vijfheerenlanden,
district 2 van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid. Piper JAB
veilig geland
Laat ik mijn belevenissen als Korpschef in Gorinchem thans afron-
den. Ik had daar geen andere plannen dan te proberen het korps weer
op de rails te zetten, met andere woorden het (onderling) ver-
trouwen te herstellen en zowel de politiemensen als de burgers weer
moed te geven. Een van de voorwaarden daartoe was een goede
verstandhouding burgemeester-korpschef. Ook op dat punt kan ik kort
zijn. Ik heb met burgemeester Leen Vleggeert steeds een bij-
zonder prettige werkverhouding gehad.
Hij liet, evenals Peper in
Rotterdam had gedaan, de tent volledig aan mij over. Tegelijkertijd
was hij echter voortdurend bereikbaar en bereid tot goed en zake-
lijk overleg. Ik denk ook met veel plezier terug aan het wekelijks
‘maandagochtendgebed’ dat ik met hem had op het fraaie stadhuis van
Gorinchem. Naast onze zakelijke beslommeringen was er altijd meer
dan voldoende ruimte voor gezonde humor over de dingen van alledag.
Dat ik in mijn missie in het Gorkumse geslaagd ben, meen ik in alle
bescheidenheid te mogen afl eiden uit de volgende passage uit de
indrukwekkende oorkonde die burgemeester Vleggeert mij bij mijn
afscheid in januari 1990 ten overstaan van het Gorinchemse korps
heeft overhandigd: ‘Overwegende:(...) dat betrokkene bij
zijn aantreden in Gorinchem een aangeslagen korps aantrof
met een
zwaar tekortschietende sterkte; dat betrokkene met inzet van al
zijn
kennis, kunde en gezag de structuur van het korps heeft
gereorga-
niseerd en de medewerkers opnieuw heeft gemotiveerd voor de
uit-
oefening van de opgedragen taken; dankt: hoofdcommissaris J.
A.
Blaauw voor zijn waardevolle arbeid ten behoeve van het
herstel
van het zelfvertrouwen van het Gorkumse korps. Deze dank
wordt
ondersteund door de Gorkumse gemeenteraad.’
Hoe het ook zij, ik denk alleen maar met veel genoegen terug
aan de periode die ik samen met de Gorkumse dienders heb door-
gemaakt. Het was alleszins de moeite waard en ik heb het graag ge-
daan. Mijn ‘gouden’ Gorkums korpsbrevet heb ik met gepaste trots
thuis een plaatsje gegeven naast het Rotterdamse exemplaar. Op 16
januari 1990 heb ik mijn Pipertje in Gorinchem veilig aan de grond
gezet.
EPILOOG
‘Het leven is een geschenk, maar wij krijgen het niet
cadeau.’
Eric van der Steen (1907), Nederlands dichter met pensioen: wat
nu?
een terugblik
Daar sta je dan als oud-hoofdcommissaris van politie. Achter je
liggen een mooie jeugd, ruim twee jaar militaire dienst en op de
kop af veertig boeiende politiejaren. Intussen heb je samen met je
vrouw een gelukkig gezinnetje van twee kinderen opgebouwd. Over de
destijds veel aan mij gestelde vraag wat ik na mijn pensionering
van plan was te gaan doen, kon ik altijd erg kort zijn: alles wat
ik leuk vind en waar Nelly en ik samen volop van kunnen
genieten. Concreet betekende dat schrijven (uitsluitend non-fi
ctie), reizen, van de natuur genieten en bij dit alles ook zorgen
voor voldoende licha- melijke ontspanning. Als het even kon, zouden
we al onze liefheb- berijen op een of andere wijze met elkaar
combineren, zo namen wij ons voor. Ik wist intussen ook wat ik niet
zou gaan doen, namelijk een baan zoeken. Vanuit twee totaal
verschillende richtingen kreeg ik een functie aangeboden in de
beveiligingssector, maar daar had ik helemaal geen trek in. Ik
wilde nu eindelijk in alle opzichten ei- gen baas zijn en volstrekt
onafhankelijk van wie of wat dan ook. ‘Een privé-detectivebureau
beginnen’, luidde het goedbedoelde ad- vies van de Amsterdamse
oud-commissaris Gerard Toorenaar. Dat is wel het allerlaatste waar
ik ooit aan zal beginnen, liet ik hem weten. Afgezien dan van de
nodige processen-verbaal hadden mijn ‘schrijfkunsten’ zich tijdens
mijn politieleven beperkt tot een aantal publicaties in
politievakbladen, en het samenstellen van een ‘bijbel’,
Criminele tactiek, met een omvang van ruim duizend pagina’s.
De
eerste gelegenheid die ik na mijn vertrek bij de Rotterdamse
politie kreeg om op schrijversgebied eens iets heel anders te gaan
doen, was bij het Rotterdams Nieuwsblad. Gedurende ongeveer
anderhalf jaar heb ik onder de uitstekende begeleiding van
redacteur Martijn Verwaayen een wekelijkse column in die krant
geschreven. Zo on- geveer in diezelfde periode had ik ook een
wekelijkse column van vier minuten bij Radio Rijnmond. Iedere
vrijdagochtend, vlak voor het nieuws van acht uur, kon ik toen mijn
mening kwijt over een of andere actualiteit of gebeurtenis. Meestal
fi etste ik op donder- dagavond naar de studio om mijn verhaal in te
spreken. Het waren twee interessante activiteiten. Niet alleen kon
je altijd wel iets over je ervaringen kwijt, maar af en toe ook wat
gif. Dat laatste lucht ook wel eens op.
Samen op pad
Intussen was het contact met uitgever Wim Hazeu tot stand geko- men
en kon ik beginnen aan mijn eerste boek. Dat is ongeveer twee jaar
na mijn pensionering verschenen. Onder de titel Laatste rit
van een taxichauffeur beschreef ik daarin tien
moordonderzoeken waar-
aan ik leiding had gegeven. Na dit debuut kreeg ik de smaak van het
schrijven goed te pakken. Vooral het (archief)onderzoek dat aan een
Rotterdam (1992), signeersessie ter gegelegenheid van de
verschijning van mijn eerste boek; met mijn trotse Nelly
boek voorafgaat, heb ik als
buitengewoon boeiend ervaren. Het gaf
me altijd weer een beetje het gevoel dat ik bezig was met een span-
nende ontdekkingsreis, met Nelly als steun en toeverlaat. Zodoende
heb ik in die eerste jaren na mijn pensionering onder meer
uitgebreid onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de vermeende
Duitse se- riemoordenaar Bruno Lüdke. Deze enigszins geestelijk
gehandicapte fi guur werd in 1943 in het stadje Köpenick bij Berlijn
gearresteerd in verband met de moord op een vrouw. Binnen een
tijdsverloop van enkele maanden bekende Lüdke vervolgens tegenover
de Ber- lijnse recherche dat hij over een periode van ongeveer
twintig jaar en verspreid over een groot deel van Duitsland in
totaal 53 moorden had gepleegd. In een Berlijnse krant uit 1946
(Nachtexpress) werd Lüdke aangeduid als de Blauwbaard van
Köpenick. Met behulp van een West-Berlijnse collega kwam ik
erachter dat de ongeveer 340 dossiers over deze affaire in 1976
door het Präsidium van de Oost- Duitse Volkspolizei waren
overgedragen aan het Brandenburgisches Landeshauptarchiv in
Potsdam. Nadat ik van de directeur van dit archief toestemming had
gekregen deze dossiers te raadplegen, zijn mijn vrouw en ik binnen
een jaar zes keer op en neer gereisd naar Potsdam om
archiefonderzoek te doen. Wij werkten dan van maan- dag tot en met
vrijdag aan het doorworstelen van de met een dikke laag stof
bedekte dossiers, en het kopiëren van de belangrijkste stuk- ken
daaruit. Die documenten kon ik zodoende in alle rust thuis na- der
analyseren. In het kader van dit onderzoek hebben we ons ook samen
georiënteerd in een aantal plaatsen in Duitsland en in enkele op
voormalig Duits gebied in Polen gelegen dorpjes, waar Lüdke naar
eigen zeggen moorden had gepleegd. Daarnaast deed ik inter- views
met twee oud-politiefunctionarissen uit de nazi-tijd en met twee in
Berlijn wonende familieleden van Lüdke. In de regel com- bineerden
wij onze researchtrips in Duitsland met een paar dagen genieten van
wandelingen in de vrije natuur. De Lüneburgerheide had onze
voorkeur. In 1994 is mijn boek over Lüdke verschenen. In het
oorspronkelijke manuscript (ongeveer zeshonderd pagina’s) heb ik
alle 53 moorden afzonderlijk en gedetailleerd beschreven, inclusief
de gang van zaken rond de stenografi sch opgenomen ver- horen van
Lüdke. Mijn bevindingen kwamen er kort en goed op neer dat alle
door Lüdke afgelegde bekentenissen vals waren. De fi lm die in 1958
in West-Duitsland over hem was gemaakt onder de titel ‘Nachts wenn
der Teufel kam’ (met Mario Adorf in de rol van Bruno Lüdke), kreeg
in dat jaar weliswaar de Bundesfi lmpreis, maar berust naar mijn
opvatting inhoudelijk op één grote leugen.
Nelly, precies zoals zij was en zoals zij in mijn
herinnering
voortleeft. Deze opname heb ik in het Duitse Moringen
gemaakt,
enkele weken voor de eerste symptomen van haar dodelijke
ziekte
zich openbaarden.
Sterker nog: na twee jaar
(archief)onderzoek ben ik tot de conclusie
gekomen dat wat in Duitsland wel doorging voor de ‘ongelofelijkste
moordzaak uit de Duitse criminele geschiedenis’, in feite de meest
ongelofelijke politiële miskleun uit diezelfde geschiedenis is
geweest. In 1997 vertoonde de Ostdeutscher Rundfunk Brandenburg een
do- cumentaire over een aantal oude Berlijnse moordzaken, waaronder
ook de affaire Bruno Lüdke. Aan het einde van deze documentaire
memoreerde de presentator de eindconclusie die ik in mijn boek had
geschreven. De enige vergissing die hij daarbij maakte was, mij te
verslijten voor de voormalige chef van de ‘Amsterdammer Kriminal-
polizei’. Het zij hem vergeven!
n.b. Een van de beide politiefunctionarissen uit de nazi-tijd die
ik enkele malen in persoon heb geïnterviewd, was de reeds eerder
genoemde in 1995 overleden Kriminaldirektor a.D. Dr. Jur. Bernd
Wehner. Met hem – hij was mij altijd zeer ter wille bij mijn
naspeu- ringen – heb ik over de affaire Lüdke ook een uitvoerige
briefwisse- ling gevoerd. Een van zijn antwoordbrieven, gedateerd
20 juli 1992, begint als volgt:
‘Lieber Herr Blaauw, (heute, um diese Zeit, in der ich Ihnen
schreibe, vor 38 Jahren, war ich im Hauptquartier Hitlers bei Ras-
tenburg im früheren Ostpreuszen, um von kriminalistischer Seite das
Attentat auf den “Führer und Reichskanzler” aufzuklären = das nur
ganz nebenbei...).’
een ander afscheid
Ik bewaar bijzonder mooie herinneringen aan het onderzoek in de
Lüdke-affaire. Evenzeer aan het te boek stellen van het verhaal.
Nelly, met haar onafscheidelijke Groene Boekje en rode ballpoint,
was daarbij altijd een even enthousiast als kritisch meelezer. Ik
denk echter tegelijkertijd ook met weemoed terug aan die periode
uit ons leven. Laat ik uitleggen waarom. Nadat ik het manuscript
bij Wim Hazeu en ‘mijn’ voortreffelijke redacteur mevrouw Maran
Olthoff had afgeleverd, verheugden Nelly en ik ons erop dat het
boek binnen enkele maanden zou gaan verschijnen. Dat is ook
gebeurd, maar mijn vrouw heeft dat mooie resultaat van onze
gezamenlijke inspanningen helaas niet meer mogen meemaken. Reeds
tijdens onze laatste trip naar het archief in Potsdam in het najaar
van 1993 dienden zich de eerste symptomen aan die erop wezen dat
Nelly aan een ernstige ziek- te leed. Na een operatie een paar
weken later, kreeg zij de keiharde
werkelijkheid te horen: ongeneeslijk. Op 25 maart 1994 is zij, na
een buitengewoon moedig gedragen ziekte, van mij en onze beide
kinde- ren heengegaan. ‘De zorg voor ons gezinnetje was haar
alles’, zo heb ik op haar rouwkaart vermeld. Met die paar woorden
was zij ook in alle opzichten getypeerd. Zij was voor ons viertjes
dag en nacht in de weer. Ik weet ook als geen ander hoeveel
opofferingsgezindheid, hoeveel verdraagzaamheid en hoeveel moed zij
aan de dag heeft ge- legd om mij in die voorbije veertig ambtelijke
jaren te ondersteunen. Niet alleen in goede tijden, maar ook in de
schaduwzijde daarvan. Haar tevreden glimlach en begrijpend knikje
toen ik haar enkele da- gen voor haar overlijden het omslag van
ons boek over Bruno Lüdke liet zien, vergeet ik nooit meer.
De herinneringen aan de rest van haar ziekteperiode heb ik zo goed
mogelijk uit mijn leven gebannen. Dierbare herinneringen
Blijven over de talloze, even dierbare als dankbare herinneringen
aan haar. Bijvoorbeeld, toen wij als gezin twee keer naar Indonesië
zijn gereisd om daar, onder politiebegeleiding, ergens diep in de
bin- nenlanden onze twee pleegkinderen op te zoeken. De eerste keer
het meisje Suratminah op Java en enkele jaren later het knulletje
Sutris op Sulawesi. Al een jaar tevoren verzamelde Nelly van her en
der een Waar mijn vrouw zich ongeloofl ijk thuis voelde: (1983),
kampong
nabij Yogjakarta met ons pleegkind Suratminah
vracht aan kinderkleding, om die met een stralend gezicht ergens in
de kampong aan tientallen kinderen uit te delen. Mooie herinnerin-
gen ook aan het bijna jaarlijkse vakantieverblijf op ‘onze’
boerderij te midden van de heuvels in Wales, waar we met z’n
viertjes hele dagen in weer en wind konden ronddwalen. De enige
levende we- zens die je dan tegenkwam waren schapen. Herinneringen
aan onze gezinsvakanties in het mooie Drentse land, herinneringen
zeker ook aan de spannende uren die we in de weekeinden samen
doorbrach- ten op de verschillende sportterreinen, om de
sportprestaties van onze kinderen gade te slaan: Annelies op de
atletiekbaan of bij een ruiterwedstrijd, Hans als voetballer bij de
plaatselijke club togb. Van de video-opnamen die ik bij die
gelegenheden gemaakt had, genoten we dan op zondagavond met ons
viertjes nog eens na in ons eigen programma ‘Sport in beeld’. Nelly
was in haar jonge jaren zelf altijd een enthousiast korfbalster
geweest. Zij had jaren gespeeld in het twaalftal van ‘Spangen’.
Ook om nooit te vergeten, de herinneringen aan haar exclusief
domein thuis: de keuken, en de tijd die zij daar als ‘prinses’ bij
uit- stek doorbracht. Die schitterende, daaraan gekoppelde gewoonte
ook om op verjaardagen en andere hoogtijdagen eigenhandig ge-
schreven menukaartjes met originele teksten en afbeeldingen op ta-
fel zetten. Wat een sfeer!
‘Onze’ boerderij in Wales
In ons huis had Nelly trouwens nog een ander eigen domein: het
kamertje waar haar naaimachine stond. Hele dagen kon zij daar
doorbrengen om prachtige kledingstukken te produceren, niet alleen
voor zichzelf maar ook voor Annelies en Hans. Herinneringen aan
duizend en één andere dingen die ons als gezin bonden. Zoals aan
Nijmegen, in juli 1986. Eerder dat jaar had ik mij door enkele Rot-
terdamse dienders laten verleiden om voor het eerst de Vierdaagse
mee te tippelen. Enthousiast zwaaide Nelly mij vanaf de vip-tribune
aan het Keizer Karelplein toe toen ik het detachement van de
Rotter- damse politie over de eindstreep leidde. Toen zij mij
enkele minuten Nijmegen (1986), eerste Vierdaagse-fi nish
later in het bijzijn van al die dienders met een grote bos bloemen
feliciteerde, heb ik haar in het oor gefl uisterd dat ik nooit van
mijn leven nog één voet in dit vervloekte Nijmegen zou zetten. Wat
zou zij een plezier hebben gehad wanneer ze had kunnen zien hoe ik
in juli 2003 achter de kinderwagen met daarin ‘ons’ tweelinkje voor
de tiende keer over de fi nish ging. Ongelofelijk trots was Nelly,
ik niet minder, bij twee andere gebeurtenissen in ons gezin, die
kort na elkaar plaatsvonden. De eerste was in december 1991, toen
wij in het ziekenhuis Dijkzicht getuige waren van de uitreiking aan
An- nelies van het diploma Verpleegkundige-A. Een halfjaar later,
in juli Idem, juli 2003, 10e keer
1992, waren wij aanwezig in het auditorium van het hoofdbureau van
politie in Rotterdam toen Hans beëdigd werd als Inspecteur van
Gemeentepolitie in het Rotterdamse korps. Waar Nelly helaas niet
van heeft mogen genieten zijn onze drie kleinkinderen: Jordy, van
Annelies en Bert, en de tweeling Elien en Jasper, van Hans en
Machteld. Zij zou er stapelgek mee geweest zijn en de kleintjes met
Berkel en Rodenrijs (1992), met mijn zoon Hans, die toen
stage
liep bij de gemeentepolitie in Zoetermeer
haar. Evenmin heeft zij mogen beleven dat Hans in 2002 op de fbi
Academy in Quantico zijn fbi-diploma kreeg. Ik was bij de uitrei-
king aanwezig, samen met Machteld (zij is ook hoofdinspecteur van
politie) en de tweeling. In 2003 kreeg ik de unieke gelegenheid om
samen met Hans het jaarlijks symposium van de Europese afdeling van
de fbi-na-graduates in Ljubljana, Slovenië, bij te wonen. Wat
Quantico (september 2002),
FBI-Academy. Hans krijgt zijn
FBI-diploma.
Juni 1971: zijn vader ook.
J. Edgar Hoover geheel links.
Quantico (september 2002), FBI NA, na de
diploma-uitreiking.
A happy family: Hans en zijn echtgenote Machteld en de
tweeling
Elien en Jasper; naast mij Cassandra M. Chandler, directeur van
de
FBI Academy.
zou mijn vrouw ook van die gebeurtenissen genoten hebben, en van de
herinneringen uit 1971, toen wij met Annelies en Hans in Wa-
shington woonden, en ik daar de opleiding aan de fbi Academy
volgde. Allemaal herinneringen die ik zal blijven koesteren. en
daarna?
In de jaren na het overlijden van mijn vrouw ben ik doorgegaan met
het doen van onderzoek en het schrijven van boeken over de
resultaten daarvan. Nelly zou niet anders gewild hebben. Zo schreef
ik in 1996 het boek Verdacht van Moord, een reconstructie van
zes dubieuze Nederlandse moordzaken. Een van de
hoofdstukken was
gewijd aan de moord op de 21-jarige Sandra van Raalten,
gepleegd
in Zaandam in november 1984. Na
uitvoerig dossieronderzoek van
deze als paskamermoord bekendstaande zaak, kwam ik tot de con-
clusie dat de politie met de aanvankelijk veroordeelde en in hoger
beroep vrijgesproken Rob van Zaane gewoon de verkeerde ‘dader’ te
pakken had. Die formidabele miskleun was naar mijn mening
veroorzaakt door de tunnelvisie bij zowel de politie als de
justitie. In januari 2002 werd uiteindelijk via dna bekend wie de
werkelijke dader van deze moord is geweest. Welgemeende excuses
richting Rob van Zaane was wel het minste dat men van het om en de
politie had mogen verwachten. Niets van dat alles. Het persbericht
van het om Haarlem (4-1-2002) volstond met de constatering dat ‘...
RvZ niet de dader is geweest’.
Een van weinig moed getuigend gebaar jegens een volstrekt on-
schuldige burger, die geheel door toedoen van politie en om in het
gevang geraakt was en die in eerste instantie (voor vier jaar meer
dan de geëiste acht jaar) door de rechtbank in Haarlem voor deze
afschuwelijke moord was veroordeeld. Pure politiële tunnelvisie
heeft ook geleid tot arrestatie van een onschuldige ‘dader’ in een
Groningse moordzaak. Het ging in die zaak om de moord op de
achttienjarige studente Anne de Ruijter de Wildt. Dat meisje werd
in de nacht van 30 april op 1 mei 1997 vermoord gevonden nabij het
Noorderstation in Groningen. Zij bleek door wurging om het leven te
zijn gebracht. Precies twee maanden later werd een 23-jarige man,
zekere J.M., als verdachte in deze zaak gearresteerd. Wegens gebrek
aan bewijs moest hij echter ongeveer zes weken later weer worden
vrijgelaten. In Groningen was de verdeeldheid over deze vrijlating
groot. Nadat ik op verzoek van de actualiteitenrubriek nova het
dossier had bestudeerd en in de uitzending had geconcludeerd dat
verdachte J.M. een doodlopend spoor was, kreeg ik van de justitie
Groningen het verzoek mijn (aanvullende) bevindingen ook aan het om
kenbaar te maken. Dat heb ik eerst mondeling gedaan in een
bijeenkomst op het parket in Groningen, waarbij twee offi cieren van
justitie en een collega van de Groningse recherche aanwezig waren.
Mijn bevindingen en aanbevelingen heb ik vervolgens twee dagen la-
ter nog eens uitgebreid schriftelijk bevestigd. Mijn conclusie
‘J.M. is doodlopend spoor’ was in essentie gebaseerd op de
onbetrouwbaar- heid van bepaalde getuigenverklaringen, de gang van
zaken rond de Oslo-confrontatie en de uitkomst van het
dna-onderzoek. In mijn rapport heb ik vier aanbevelingen gedaan. De
belangrijkste daarvan was, twee haren die in het slipje van het
slachtoffer waren aangetrof- fen alsnog op het Britse Laboratorium
in Birmingham op mitochon-
driaal (mt-)dna te laten onderzoeken.
Wat natuurlijk voorspelbaar
was, is vervolgens ook gebeurd. Enkele weken nadat ik mijn rapport
had uitgebracht, werd van de zijde van de nabestaanden van Anne de
Ruijter de Wildt en de Stichting Groningen Veilig aan het om
gevraagd om openbaarmaking van het stuk. Het om in Groningen is
vervolgens onhandig met het rapport omgesprongen, door zich te
verzetten tegen dat alleszins gerechtvaardigd verzoek. Men had naar
mijn opvatting de essentie van het verhaal, met inachtneming van
enkele privacygevoelige elementen, gewoon naar buiten kunnen
brengen. Persoonlijk had ik daartegen ook geen enkel bezwaar. Na
het nodige juridische geharrewar en de uiteindelijke beslissing van
de minister van Justitie, is mijn verhaal enkele maanden later
alsnog in ‘geanonimiseerde vorm’ openbaar gemaakt. In
mei
2000 werd door dna vastgesteld wie de werkelijke da- der van de
moord op Anne de Ruijter de Wildt was geweest. Op basis van
ditzelfde dna-profi el bekende die dader ook de in 1994 in Utrecht
gepleegde moord op de 26-jarige Annet van Reen. Een hele positieve
bijdrage aan het onderzoek in de moordzaak Anne de Ruijter de Wildt
leverde ook misdaadverslaggever Peter R. de Vries. Op 7 mei 2000
besteedde hij een complete en degelijk voorbereide tv-uitzending
aan deze zaak. Bij de voorbereidingen had hij enige tijd tevoren
aan het gerenommeerde Silvius Laboratorium in Leiden een rapportage
gevraagd over de open eindjes met betrekking tot het dna-onderzoek
in deze zaak. Die rapportage stelde hij vervolgens ter beschikking
van de Groningse politie, die er verder mee aan de slag ging.
Daarna kwam de zaak in een stroomversnelling. Goed sa- menspel
tussen het nfi en ‘Silvius’ enerzijds en de politie Groningen en
Utrecht anderzijds leidde ten slotte via dna-onderzoek naar de
oplossing van beide moorden, inclusief een bekentenis. Toen ik in
1996 in de Verenigde Staten een lezing hield voor moordonderzoekers
over de zaak Bruno Lüdke, werd ik door een van de toehoorders
attent gemaakt op een (vermeende) Amerikaan- se seriemoordenaar,
genaamd Henri Lee Lucas. Deze man, die in de dodencel in
Huntsville, Texas, op het uur van zijn executie zat te wachten, had
medio de jaren tachtig bekend in Amerika zo’n 350 moorden te hebben
gepleegd. Ik vond die zaak interessant genoeg om er eens in te
duiken. Na verkregen toestemming kon ik zodoende in Texas en in de
staat West-Virginia het nodige dossieronderzoek en naspeuringen op
enkele locaties uitvoeren. Voorts was ik in de gelegenheid een
aantal gesprekken te voeren met politiemensen en offi cieren van
justitie die bij het onderzoek in de zaak Lucas be-
1997: Interview met de (vermeende) seriemoordenaar Henry
Lee
Lucas in de dodencel in Huntsville, Texas
trokken waren geweest. Uiteindelijk kreeg ik ook toestemming om
Lucas in zijn dodencel op te zoeken. Ik heb hem daar binnen een
periode van anderhalf jaar drie keer geïnterviewd. Lucas had in-
middels al zijn bekentenissen weer ingetrokken. Mijn bevindingen
heb ik neergelegd in een boek over hem, dat in 1999 is verschenen.
Henry Lee Lucas heeft ongetwijfeld een aantal moorden gepleegd,
maar zeer beslist geen 350. Sterker nog, van de in totaal tien
moor- den waarvoor hij veroordeeld werd, heeft hij er wat mij
betreft (los van de moord op zijn moeder) ‘slechts’ twee zeker
gepleegd. Bij de overige acht veroordelingen plaats ik grote
vraagtekens. Lucas is eerder een serieleugenaar dan een
seriemoordenaar, zo luidt mijn eindconclusie. Hij is overigens de
enige ter dood veroordeelde moor- denaar geweest die onder het
bewind van de toenmalige gouverneur van Texas, George W. Bush,
gratie heeft gekregen. Een andere activiteit waar ik mij in de
jaren negentig binnen het kader van het fenomeen
moordonderzoek, samen met Ton Rutting (toenmalig directeur
van de rechercheschool) en Carlo Schippers (cri), met veel genoegen
heb beziggehouden, betrof de voorberei- dingen voor een uniek
symposium. In juli 1998 namelijk hield de
(Amerikaanse) International Homicide
Investigators Association
(ihia) voor het eerst in haar tienjarig bestaan haar (inmiddels
zijn er al zes geweest) symposium Kinderontvoering en
Seriemoorden aan de rechercheschool in Zutphen. Dit symposium,
dat vier dagen heeft geduurd, werd geopend door de toenmalige
minister van Justi- tie, mevrouw mr. W. Sorgdrager. Er waren in
totaal 160 ervaren en zeer gemotiveerde toehoorders, afkomstig uit
negentien landen. De sponsors van dit symposium waren de fbi, het
ministerie van Justi- tie, politie Amsterdam-Amstelland, politie
Rotterdam-Rijnmond en de rechercheschool. Binnen de organisatie van
ihia bestaat sedert september 2000 de afdeling Nederland. Een
dergelijke organisatie kan met haar enthousiaste leden alleen maar
de professionaliteit van het (Nederlandse) moordonderzoek ten goede
komen. Een Don Quichot
Alle tot dusver verrichte onderzoeken waarover ik een boek heb ge-
schreven, heb ik ervaren als boeiend en alleszins de moeite van de
research waard. Het onderzoek dat mij echter de meeste voldoening
heeft gegeven, was zonder meer de op 9 januari 1994 in Putten ge-
pleegde moord op de 23-jarige Christel Ambrosius. Samen met Peter
R. de Vries heb ik daar, verdeeld over enkele jaren en in een
unieke combinatie – misdaadverslaggever en (ex-)politieman samen op
pad – uitgebreid onderzoek naar gedaan. Het waren inspannende en
in- teressante jaren. Mijn ervaringen en bevindingen heb ik in 2000
be- schreven in het boek De Puttense moordzaak. Peter R. de
Vries heeft aan onze gezamenlijke, hechte inspanningen bijna
veertig tv-uitzen- dingen gewijd. Onze activiteiten om de
volstrekte onschuld van ‘de twee van Putten’, Herman du Bois en
Wilco Viets, duidelijk te maken aan eenieder die het wilde zien of
horen, zijn in die tijd, dat wil zeg- gen vóór de uiteindelijke
vrijspraak in 2002, niet altijd door iedereen met instemming
begroet. Ter illustratie geef ik enkele voorbeelden. * Kort na het
verschijnen van mijn boek over de Puttense moord- zaak concludeerde
een universitair docent uit Utrecht in een co- lumn in het
Advocatenblad van juni 2000: ‘(...) Het beeld dat ontstaat
is ontegenzeglijk dat van een groepje mannen dat hun laagste lusten
op een toevallig passerende vrouw heeft botge- vierd, niet meer,
niet minder. (...) Ik had me voorgenomen een vlammend stuk te
schrijven om ook onze Zola te steunen in zijn strijd tegen de
justitiële autoriteiten. Blaauw ontpopt zich echter als een Don
Quichot, en ik pas voor de rol van Sancho Panza.’
n.b. Deze kennelijk nogal
zelfbewuste columnist had aldus zijn
verhaal, vóór lezing van mijn boek een vergelijking willen maken
met de bekende Dreyfus-affaire uit 1898, waarbij een onschuldige
werd veroordeeld en de onschuld was komen vast te staan op basis
van een boek geschreven door Zola. Vandaar deze toespeling. * Een
jurist uit Putten, die ‘met instemming’ deze column had ge- lezen,
haastte zich in een ingezonden brief in het Advocatenblad
van 28 juli 2000 te verkondigen: ‘Talloze Puttenaren zijn – zonder
ook maar één letter van het omvangrijk procesdossier te hebben
gelezen – door fi guren als Peter R. de Vries en J.A. Blaauw op het
verkeerde been gezet en overtuigd van het feit dat onschuldigen
vastzitten (...).’
* Twee advocaten uit het Utrechtse schreven in het
Reformatorisch Dagblad van 23 januari 2001: ‘Blaauw
legt terecht de vinger bij
fouten en zwakheden in het politieonderzoek (...) doch matigt zich,
daartoe gebracht door sensatietrekkers en -zoekers als mis-
daadverslaggever Peter R. de Vries en kamerlid Dittrich, daarbij
ook oordelen aan die hij onvoldoende kan staven en die hem ook niet
toekomen.’
* Een redacteur van het weekblad HP/De Tijd (blijkbaar ook
niet gehinderd door enige vakinhoudelijke kennis van het moordon-
derzoek) dichtte mij in het nummer van 4 augustus 2000 ‘een zekere
beroepsdeformatie’ toe.
Zonder verder op al deze van weinig kennis van de zaak waar het om
gaat getuigende verhalen, te reageren, volsta ik met de constate-
ring dat ik na de vrijspraak van de ‘twee van Putten’ in april
2002, van de hand van deze geachte (deels zeergeleerde) critici
geen letter meer over de Puttense moordzaak ben tegengekomen. * Wie
nog wel publiekelijk reageerde op de vrijspraak van de ‘twee van
Putten’, was niemand minder dan de voorzitter van het col- lege van
procureurs-generaal, mr. J.L. de Wijkerslooth. In een column in het
mei-nummer 2002 van het om maandblad Oppor- tuun
schreef de hoogste baas van het om onder de kop ‘Hoezo
blunders in de Puttense moordzaak?’: ‘(...) dat de rechters in deze
zaak gewoon verschillend hebben geoordeeld over het door het om
aangedragen bewijsmateriaal.’ Daar kwam in de kern geno- men zijn
betoog op neer. Het was de procureur-generaal klaar- blijkelijk
ontgaan dat, evenals destijds bij de paskamermoord het geval was
geweest, ook het opsporingsonderzoek in de Puttense moordzaak
schandelijk ten onder is gegaan aan vier onlosmake- lijk met elkaar
verbonden elementen: slecht leiderschap, onpro-
fessionele verhoormethoden,
tunnelvisie en blinde scoringsdrift.
De bewijsvoering in deze zaak berustte per saldo puur op aan-
toonbaar valse bekentenissen.
Ten slotte nog dit. Wat mij met betrekking tot de Puttense moord-
zaak altijd enorm heeft verbaasd, is het feit dat, met uitzondering
van mr. Boris Dittrich (d66), niemand in de Haagse politieke arena
[waar men anders elkaar soms staat te verdringen om het misnoegen
over (vermeend) onrecht aan de kaak te stellen, liefst met de
camera in zicht] zich ooit geroepen heeft gevoeld om, toen het echt
dringend nodig was, het voor de ‘twee van Putten’ op te nemen.
Gebrek aan durf om je politieke nek uit te steken, denk ik dan
maar. Ik durf intussen de stelling aan dat, evenals dat bij de
paskamermoord het geval is geweest, de identiteit van de werkelijke
dader van de moord op Christel Ambrosius vroeg of laat boven zal
komen drijven. Een aan het stuur en een op de
bagagedrager
Toen ik eind 2003 samen met mijn Duitse recherchecollega en goede
vriend Karl-Heinz Thies door het heuvelachtige gebied in de om-
geving van Moringen rondstruinde, heb ik de drie fasen van mijn
levensverhaal nog eens in een sneltreinvaart de revue laten passe-
ren. Hardop fi losoferend constateerde ik toen achtereenvolgens vijf
dingen. Op de eerste plaats dat ik het absolute voorrecht heb gehad
van een, ondanks alle oorlogsomstandigheden, gelukkige jeugd in een
groot en gelukkig gezin. Daarvoor komt natuurlijk mijn ouders
(postuum) alle lof en hulde toe. Voor hun geweldige zorgzaamheid in
die periode van mijn leven kan ik hun niet dankbaar genoeg zijn.
Vervolgens stelde ik vast dat ik van mijn veertig politiejaren
eigen- lijk geen dag had willen missen. Nog anders gezegd:
afhankelijk van ‘het weer’ ben ik iedere dag bij wijze van spreken
fl uitend naar mijn werk gefi etst (ook wel naar huis). Op de derde
plaats dat ik met Nel- ly en onze beide kinderen een gelukkig leven
heb gehad. Een periode waarin naast de dagelijkse beslommeringen
ook altijd voldoende tijd werd ingeruimd voor de nodige
ontspanning, zowel als gezin gezamenlijk als voor mij persoonlijk
in mijn sportliefhebberijen. Zo memoreerde ik met veel plezier de
langeafstandsfi etstochten in En- geland, Duitsland, Denemarken,
België en Frankrijk. Ook de Elfste- denfi etstocht in Friesland, die
ik drie keer heb gereden. Op de vierde plaats, dat er ook na je
pensionering nog volop mogelijkheden zijn om actief ergens mee
bezig te zijn en je gelukkig te voelen. Voorop- gesteld natuurlijk
– en dat is iets waar je alleen maar dankbaar voor
kunt zijn – dat je gezegend bent met een goede gezondheid. Op de
vijfde en laatste plaats hebben wij uitgebreid gefi losofeerd over
de waanzin van de Tweede Wereldoorlog (Karl-Heinz zat samen met
zijn vader in hetzelfde krijgsgevangenkamp waar zijn vader is over-
leden). Evenzeer herinnerden wij ons dat we destijds beiden hadden
gedacht dat zoiets nimmer meer zou gebeuren en dat er nu (1945) een
betere wereld zou gaan ontstaan. Welk een illusie. Ten slotte
hebben wij al wandelend in dat mooie natuurgebied rond Moringen ook
uitvoerig van gedachten gewisseld over de vraag hoe oorspron-
kelijke vijanden gewoon je vrienden kunnen worden. Om mijn Epiloog
af te ronden. Er zijn drie factoren die mij na het overlijden van
mijn vrouw in staat hebben gesteld – en nog – om al- leen verder te
gaan, nieuwe doelen in het leven op te zoeken en die zo mogelijk
ook te realiseren. Dat zijn allereerst de dierbare herin- neringen
aan haar, waarvan ik er slechts een paar heb genoemd. Dat is
vervolgens het gegeven dat ik een hechte band heb met onze twee
kinderen en hun wederhelften – Annelies met ‘haar’ Bert en Hans met
‘zijn’ Machteld – met wie ik zodoende ook openhartig over ‘vroeger’
kan praten. En dan zijn er de drie kleinkinderen, waar ik intens
van kan genieten. Wanneer ik bijvoorbeeld met het kweb- belende
tweelinkje, een voorop aan het stuur en de ander op de Oktober
2003, Ljubljana, Slovenië, FBI NA jaarconferentie Europese
Afdeling. Samen met Hans, vijfde rij v.l.n.r. nrs. 1 en
2.
Mijn ‘rijkdom’ Jordy, Elien en Jasper!
bagagedrager, ergens in de polder aan het fi etsen ben of de derde fi
er op zijn eigen fi etsje zie rondkarren, voel ik mij een van de
rijkste mensen op deze aardbol. Tegelijkertijd vraag ik mij dan wel
eens af waarom ik mij niet kan herinneren of ik destijds ook zo
intensief bezig ben geweest met onze eigen ‘kleintjes’. Ik heb
altijd geweldig genoten van ons gezinsleven en van mijn werk.
Wanneer ik het leven nog eens over zou mogen doen, zou ik precies
dezelfde route willen volgen met precies hetzelfde gezin. Het enige
verschil zou ongetwij- feld zijn dat ik het allemaal nog veel
intenser zou beleven. Ik herhaal nog eens wat ik in 1988 tijdens
mijn afscheidstoespraak in de Bur- gerzaal in Rotterdam heb gezegd:
‘Ik ben een tevreden mens.’ En zo wil ik het graag nog een poosje
houden.
Personenregister
Agt, mr. A.A.M. van, Blom, R., Ahout, Gerard, Boel, Gijsbertus,
Ambrosius, Christel, 374, Boersma, T., Amuro, Cora, Bois, Herman
du, Angel, Ron, Bommels, Bert, Arbeider, K., Boo van Uijen, J.C.
de, Arestov, Nikolai, Boogaart, kolonel, Ark, A.M. van der, Boon,
Arie, Asworth, Judge, Booster, mr. J., 167, 168, Aulton, Margaret,
Borghouts, mr., Bosboom, Willem, Bak, K., Bosch, J.M. van den, 131,
Bakhuis, J.A., Botter, Liset, Bakker, mr., 246
Bouhadiche, Baldock, Bill, Brand, Gerrit Willem, Ban, Job van de,
168, Briggs, Charles A., Barcella, Larry, 161,
Brox, J., Barendse, 136
Brummen, mr. H.A. van, Barns, Roberta ‘B.B.’, Bush, George W.,
Bavel, Rein van, 189, 190
Butler, Tommy, Beek, J.C. van, Beek, Van, 230
Campen, C. van, Beernink, Carratu, Vincent, 211, Bellemin-Noel,
Jean, Casper, Joseph C., 283, Benichou, Chandler, Cassandra M.,
Berg, J. van de, Chiang Chi Fu, Berg, Petra van de Berg, 140
Clercq, De, 22, Berg, R. van den, Cockburn, George, alias
Vickers,
Bernadom, Harold, 183- Birt, Billy Sunday, 291, 292, 293,
Copper, D.J., 214, Coughlin, Ed, 157,
Blaakman, P.A., 139
Courrech Staal, W.J., Bloemheuvel, Aart, Courrecht Staal, J.F.J.,
137, Blok, mr. Hans, Cowlin, Geoffrey, 198,
Cox, Rodney, alias David Williams,
Gerding, mr. R.A.F., 160-162,
196- Giessen, A. van de, Cozijnsen, Lientje, Giskes, H.J., Crabb,
John, Glasnapp, Ray, Gong, Jia Jie, 314, Darby, Christine, 261,
265, 266,
Goulding, Pete, 158, Gremmer, Allegonda, Delgado, Joanna,
Grishaver, Anouska, Denderen, M.J. van, Groenendijk, Henk, Dijk,
B.W. van, Groeneveld, Arie, 129
Dijk, Louis, Groeneveld, prof.dr. J., 137, 138,
Dijk, mr. C.P. van, Dingen, J.J., Gros, G., Dittrich, mr. Boris,
375, Gualthérie van Weezel, mr. Hans,
Dohnke, Tytsia, Dongen, F. van, Donkersloot, H., Hagemann,
Wilfried, 152- Doorne, Huub van, Haley, Bill, Dop, J. van, 80,
Hall, Jim, Dorp Jan van, 335, 337, 338, 343,
Hamelink, S.I., 345, 349, 352- Hartman, Bas, 140, 141, Have, W.J.
van der, 223
Eck, mr. Nico van, Hazeu, Wim, 360, Einthoven, mr. L., Hazewinkel,
mevrouw F., 332, Ekavit, 306, 308, Heath, John, 152, 154, 156,
157,
Ekels, Marjan, 159, Elst, Goof (John), Hedges, Daniel,
Engelberting, Heerschap, Martin, Engelbertink, Gerrit, Hees, Hans
van, Heijman, Th., Feenstra, Heisterenberg, Monique, Feltz, mr.
W.A. Baron van der,
Henderson, Johan, 103, Hendriks, mr. W.J.F., 177, Ferguson, John,
Henley, K., Flannagan, Frank, 271, Herlaar, Jan, Fonkert, Leo, 75,
Heukels, Theo, Fonteijn, mr. A.J., 296, 297, Hitler, Forbes, Ian,
261, 262, 267, Hitzert, A., Frolov, Victor, 327, Hoff, mevrouw B.
van der, Hollander, mr. R.J., Gast, E. de, Hollebrand, Jaap, Gast,
Koos de, Hollis, Virgil, 270, 287, 288,
Gaster, 208- Hoover, J. Edgar, 275-278, 283- Gentile, Joe, 188,
Hughes, Lynn N. (Judge), Georgoulis, Dimitrios, 215- Huiskamp,
Karel, 83,
IJsselstein, Herman, Lucas, Henry Lee,
372, IJzerman, Leen, Lüdke, Bruno, 256, In het Veld, Han, 214, 217,
Maat, dr. G.J., Jansen, Henk, 173–175, 204, 222,
Magendans, W, 254
Marel, J. van der, 211- Jenkins, Peter, 196, 197, 200, Mastenbroek,
Nico, Jones, Ernest, Maximov, Vladimir, Jong, H. de, Meekeren, Jaap
van, Jong, L. de, Meer, Hans van der, Jong, mr. J.D., Meijers, mr.
L.C.M., Jongen, H.J.R., Meixner, F., Jong-Slagboom, Teuntje de,
Messchaert, mr., 168, Michailov, Michail, Kamphuis, Harry, Miller,
Bill, Karel, Jaap, Miller, John Barry, alias John Dun-
Kelley, Clarence, phy, Khun Sa, 299, Mitchell, John N., Klein,
Arie, Moerdijk, M.C., Klingner, Molloy, Pat, 265
Klinken, Hans van, Monteban, N., Knijff, Rob, Moor, Victor D., 147,
Knowles, Paul John, Morris, Raymond, Leslie, 264- Kodde, Jaap, 144,
145, Muis, J.A.A., Kool, Leo, Muller, Joop, Koomen, J. de, Korthals
Altes, mr. F., 180, 225, Nahrong Mahanonda, 306, Kouwenberg, Ton
Nederlof, Nelly, Kraisook Sinsook, 301-303
Nivard, Marcel, 149, Kranenburg, Arie, Nixon, Richard M., 283,
Kriezels, Trees, Noordermeer, C.K., Kwast, J.A., Noorthoek, J.,
Lafèbre, Thérèse, 171, Offermans, (kolonel), Lagendaal, Wim,
Olthoff, Maran, Lamb, George P., Opstelten, mr. I.W., Lambooy, mr.
R.J.J., 31, Osterman, A., 176- Lamers, J., Ottevanger, Cees, Lane,
Charles H., Otto, Joke, 176- Lee, Earl, 289, 290, 291, 292,
Overveld, mr. Van, Levisson, Sal, 214, Paalvast, Piet, Lindemans,
Christiaan, alias King
Paape, drs. A.N., Kong, 202- Palland, Jhr. Van, Louw, A. van der,
112, Paton, Michael,
Pauwels, Henk, 298, 300, Selini, Louis,
Pedersen, Dick, 155, 157, Sikkens, Pel, R., Simon, Will, Peper, dr.
Bram, 129, 121, 203, 205, Simonis, kardinaal, 206, 335, 337-340,
342, 343,
Slingerland, G., 345, 349, 350, 352, Slocombe, Reginald,
158-160
Pieterse, L.C., Soares, Olav, Piredda, Natale, 179, Soekiran,
Poetin, Sombat, Polak, burgemeester, 230, Somers, Ph., Popov,
Alexander, Sorasit Sangprassert, Pothuis, Anita, Sorgdrager,
mevrouw mr. W., Pow Sarrasin, Soudan, Ed. E., Prooien, Bas van,
Speck, Richard, Putter, J. de, Spel, Ton, Staab, mr. K., Raalten,
Sandra van, Staal, H.M.C.A., 79, Raffi o, Alex, 153-155, 157,
159
Stakenburg, Willem, Ramakers, Henk, Stegeman, Jo, 116, Randwijck,
mr. R.J.C. Graaf van,
Stehouwer, Arend, Steventon, Ron, 279
Regt, Cees de, Straten, Arie van, 69, Remortel, Eugène van, 91, 92,
Straten, Hans van, Reynolds, Margaret, Suratminah, Riekwel, A.,
Rijn, Hugo van, Taylor, Julia, Robertson, Sam, Telder, Maria,
Rockjwell, Norman, Tengnagel, Annie, Roël, 59, Theeuwes, Bart,
Roesselaer, Jean, 183- Thies, Karl-Heinz, 94, 190, 376,
Roestenburg, Wil, Thomassen, ir. W., 104, 119, 227,
Roethof, H., 142, 248, 252, 232, Rose, John du, 258- Thöne-Siemens,
mevrouw B.M.,
Rudolphie, T., 203, Ruijter de Wildt, Anne, Tift, Diana, Ruiter,
mr. J. de, Toorenaar, Gerard, 208, 209, Rutting, Ton, Traa, Maarten
van, Turner, Harry, Sacco en Vanzetti, Schaik, Van, Uytenbogerd,
Jantje, Schepen, Willem, Schimmel, mr. R., Vaal, Hans de,
Schippers, Carlo, Van Noy, George A., Schippers, M.W., Vasit
Dejkunjorn, 301, Schuit, H., Vergouwe, mevrouw T.E.,
Vermeij, A., 168, 227, 298, 330-334
Weekers, Hélène, Vermeulen (gefi ngeerd), 182, Wehner, dr. Bernd,
256, Vermeulen, Keesje, Wendels, mr. A., Vervat, Wil, Werf, Ab van
der, 116, 118, 173-
Verveld, Willem, 99-101, 175, 212-214, Vervloet, J., Werkhoven,
A.G.M., Verwaayen, Martijn, Weststrate, J.J., Viets, Wilco,
Wigbold, H.A., 334, Visbeen, J., Wijkerslooth, mr. J.L. de, Visser,
dominee Hans, 223, Wilson, Edwin Paul, 152- Vleggeert, Leen, 350,
352, 356- Wiltink, Herman, Vlieg, Gerrit de, 155, 157, Wolters, A.,
279, Vlielander, M., Wubben, Jan, Vliet, J. van der, Wurr, Voorden,
Henk van, 80, Voormolen, W., Zaanen, Rob van, Voortman, M.,
Zarathé, 319, Vosmeer, J., Zee, Klaas van der, Vries, E. de, Zeiss,
George, Vries, Peter R. de, 372, 374, Zijlmans, Adriaan, Vries, Y.
de, Zon, J.,
Fotoverantwoording
De foto’s op de pagina’s 111, 139, 152, 195 en 233 zijn afkomstig
van de Gemeentepolitie Rotterdam
De foto op p. 115 is afkomstig uit het archief van het
Rotterdams Dagblad
De foto op p. 117 is afkomstig uit het Gemeentearchief Rotterdam De
foto’s op p. 141 en 175 © Paul Stolk
De foto op p. 166 is afkomstig van de Technische Recherche Rijks-
politie te Arnhem
De foto op p. 170 © Ton den Haan
De foto op p. 360 © Maurice Abdelale, Rotterdam-Hoogvliet De foto
op p. 367 © Mirjam Wanetie
Voor het overige zijn de meeste foto’s uit de collectie van de au-
teur zelf afkomstig. In een enkel geval hebben we de rechthebbende
echter niet kunnen achterhalen. Mocht iemand menen aanspraak te
kunnen maken op het copyright van enig in deze uitgave verschenen
fotomateriaal, dan verzoeken wij deze persoon contact op te nemen
met Uitgeverij De Fontein, Postbus 1, 3740 aa te baarn.