den de kinderen die laarsjes aangetrokken, en op het vliegveld had-
den zij hun cowboyhoed opgezet. ‘Dat zal “oom” Virgil misschien wel leuk vinden,’ hadden zij bedacht. In de aankomsthal was echter geen spoor van Virgil te bekennen. Wie daar wel stond was Ray Glasnapp, een gemeenschappelijke vriend. Ray, wiens gezicht er geen twijfel over liet bestaan dat er iets ernstigs was gebeurd, nam mij apart. ‘Virgil is drie uur geleden begraven, hij is een paar dagen geleden door een onbekende in zijn kantoor doodgeschoten,’ ver- telde Ray. Annelies (10) noteerde in haar dagboek: ‘Wij dachten gek “vurtsjel” haalt ons niet op. Papa vertelde het tegen ons. Ik vertel het maar niet want het is heel erg.’ Van de teamleider van het regionale recherchebijstandsteam, major Charles H. (Chuck) Lane van het Johnson County Sheriff’s Bureau, kreeg ik de vol- gende dag de toedracht te horen. Op vrijdagmiddag 16 juli rond zes uur hoorde een zekere Sam Robertson, die in een aangrenzende bureauruimte aan het werk was, hevig gestommel in het kantoor van Virgil. Toen hij poolshoogte ging nemen kwam er een ‘keu- rig geklede man’ uit Virgils kantoor. Op de vraag van Robertson of er iets met Virgil aan de hand was, antwoordde de onbekende dat dat inderdaad het geval was. Virgil was fl auwgevallen en had een dokter nodig, had de onbekende nog gezegd. Toen Robertson daarop het kantoor binnenging, vond hij Virgil levenloos en hevig bloedend achter zijn bureau. Op dat moment gebeurde er nog wat. De onbekende man, die achter Robertson aan was gelopen, trok plotseling een pistool en dwong hem op de grond te gaan liggen. Robertson verwachtte niet anders dan dat de man ook hem neer zou schieten, hetgeen echter niet gebeurde. Hij vertrok, waarna Robertson alarm sloeg. Bij onderzoek vond de politie twee pa- troonhulzen kaliber 45. Virgil bleek in het hoofd en in de borst te zijn geraakt. Omtrent het motief tastte de recherche volledig in het duister. In de agenda van Virgil stond een afspraak genoteerd voor vijf uur op die vrijdagmiddag, op naam van ‘Jim Hall’. Ondanks alle oproepen in de pers is die man nimmer achterhaald. Toen ik de foto’s van de plaats delict bekeek zag ik daarop een typisch Britse politiehelm, die op de grond lag. Die helm had ik in Engeland er- gens bij de politie op de kop getikt en vier weken voor de moord aan Virgil cadeau gedaan. Hij was er geweldig blij mee en had hem een ereplaatsje in zijn kantoor gegeven. De moordenaar van mijn goede vriend Virgil Hollis is helaas nimmer achterhaald. Het mo- tief voor de moord al evenmin.

Met één schot gedood
Van mijn opleiding aan de fbi Academy heb ik in mijn verdere loop- baan (ook daarna) alleen maar voordeel gehad. Niet alleen in Ame- rika beschikte je over een uitgebreid netwerk van collega’s van aller- lei politie-instanties, maar ook in de rest van de wereld. Geleidelijk aan bezochten steeds meer collega’s uit Europa, ook uit Nederland, de fbi Academy. Jaarlijks geeft de fbi een register uit waarin de na- men van alle ‘fbi-na graduates’ per land staan vermeld. Inmiddels is er een Europese Afdeling van de fbi-na ontstaan en wordt er jaar- lijks in een ander land een zogenaamde retraining session gehouden. Al met al bestaat er wereldwijd een zeer sterke band tussen fbi-na graduates. Ik heb in dat verband wel eens over Amerika gezegd dat ik bij reizen in dat land, ik heb er intussen vele gemaakt, slechts drie dingen nodig heb: een landkaart, een fbi-na register en een credit- card. Een aantal Amerikaanse fbi-na-collega’s van de 87e leergang zijn intussen ook mijn vrienden geworden. Ik bewaar bijzondere herinneringen aan latere ontmoetingen met hen in de Verenigde Staten. Twee van mijn klasgenoten waren afkomstig uit de staat Georgia: sheriff Earl Lee van Douglas County en Ron Angel, een ‘special agent’ van het Georgia Bureau of Investigation (gbi). Dit tweetal kreeg in 1974 nationale bekendheid. Op 18 december van dat jaar waren zij per politieauto vanuit Douglasville met een gevan- gene onderweg naar Henry County. Bij deze gevangene ging het om de zeer beruchte, wegens een groot aantal roofmoorden in verschil- lende staten veroordeelde Paul John Knowles. Knowles, die mijn beide klasgenoten in Henry County de plaats zou aanwijzen waar hij het pistool had gedumpt waarmee hij in Florida een politieman had doodgeschoten, zat aan handen en voeten geboeid op de achter- bank. Sheriff Earl Lee bestuurde de auto, Ron Angel zat naast hem. Op het moment dat Lee de autosnelweg I20 opreed, dook Knowles met een plotselinge, snelle beweging naar voren, om vervolgens met een van zijn handen een greep te doen naar de revolver van Earl Lee. Hij slaagde er inderdaad in de revolver uit de holster van Earl te lichten, maar verder kwam hij gelukkig niet. Op hetzelfde moment namelijk trok Ron Angel bliksemsnel zijn dienstpistool, waarna hij Knowles met één schot dodelijk verwondde. In die paar seconden waarbinnen dit alles zich afspeelde, verloor Earl de macht over het stuur, waarna de auto op de schuin afl opende berm terechtkwam, tegen een hek botste en ten slotte tot stilstand kwam. Geen van de beide politiemannen raakte gewond. Het bleek dat Knowles tijdens


de rit kans had gezien zich met behulp van een paperclip, die hij in zijn mondholte had verborgen, van een van zijn handboeien te ontdoen. Ik heb later bij een van mijn bezoeken aan Earl uitvoerig met hem over deze gebeurtenis gesproken. Hij vertelde mij dat hij er zonder meer van overtuigd was dat het alleen aan het snelle en kordate optreden van Ron Angel te danken was geweest dat zij het er levend vanaf hadden gebracht. ‘Knowles is de gemeenste boef die ik ooit ontmoet heb,’ aldus Earl, die ook nog wat anders vertelde. ‘Ik heb heel wat brieven ontvangen met vijandige reacties over ons optreden,’ aldus Earl, die mij liet blijken daarover nog altijd teleur- gesteld te zijn. Sommigen hadden hem en Ron zelfs beticht van ‘re- gelrechte executie’. Wat Earl intussen nog steeds niet begreep, was, zo vertelde hij mij, dat mensen ook maar enige sympathie konden opbrengen voor een moordenaar van het type Knowles, van wie onder meer bekend was dat hij de toedracht van zijn afschuwelijke moorden bij wijze van dagboek op een cassetterecorder vastgelegd had.
VS, Georgia,
Sheriff Earl
D. Lee,
Douglas
County,
klasgenoot
FBI NA en
goede vriend

Sheriff, wanneer ik dit overleef, ga ik je vermoorden
Earl Lee was het prototype van een sheriff in het ‘diepe Zuiden’ van de Verenigde Staten: ‘Ik ben de Wet, orde en gezag in mijn county worden strikt gehandhaafd.’ In Douglas County had hij vijf achtereen- volgende keren zijn mededinger naar het ambt van sheriff ruim versla- gen. Zodoende was hij daar ruim twintig jaar ‘de Wet’ geweest. Om gezondheidsredenen, maar ook met (letterlijk) pijn in zijn hart zag hij af van een zesde periode. De inwoners van Douglas County droegen hem op handen vanwege zijn harde aanpak van de criminaliteit. Earl was in zijn optreden als sheriff voor de duvel niet bang, maar wel voor- zichtig. Toen ik eens op een nacht met twee van zijn deputies op pad ging, drukte hij mij een klein model revolver in de hand met de goedbe- doelde raad dat wapen maar in mijn zak te steken ‘voor het geval dat’. Tijdens een gijzelingsactie in 1976 schoot hij een roofovervaller dood. Dat bepaalde criminelen in ‘zijn’ county hem liever dood dan levend wensten, blijkt wel uit het volgende voorval. Op een nacht hoorde ik zijn auto wegrijden en een uur of zo later weer terugkomen. Toen ik hem de volgende ochtend vroeg wat er aan de hand was geweest, vertelde Earl dat hij een telefoontje had gekregen met het dringende verzoek naar een ongeveer twintig kilometer van Douglasville gelegen ziekenhuis te komen. Iemand die daar op sterven lag wilde hem vóór zijn overlijden nog iets mededelen. Toen Earl de ziekenhuiskamer bin- nenliep, zat rondom het bed van de stervende, een goede bekende van Earl uit het criminele milieu, een hele schare familieleden en bekenden die de man in zijn laatste uren wilden bijstaan. Discreet naderde Earl het bed van de stervende man, boog zich iets voorover en richtte zich vervolgens tot hem met de woorden: ‘Oké, Joe, ik luister, wat had je me willen vertellen?’ Met zijn laatste krachten, aldus Earl, kwam de stervende iets overeind, keek Earl doordringend aan en zei: ‘Sheriff, wanneer ik dit overleef, ga ik je vermoorden.’ ‘Wat kon ik na deze trieste boodschap beter doen dan hem gewoon sterkte te wensen en weg te wezen,’ aldus Earl. Earl Lee was, behalve een ‘family-man’ ook een godsdienstig man, die zondags samen met zijn vrouw Betty en hun drie dochters de kerk bezocht. Zijn opvattingen over God en Gebod leidden in 1992 tot de volgende, wel heel merkwaardige gebeurtenis. In de dodencel van de gevangenis in Jackson, Georgia, zat sedert 1976 de meervoudige moordenaar Billy Sunday Birt, een blanke man, geboren in 1938, gehuwd en vader van vijf kinderen. Birt was ter dood veroordeeld wegens een door hem en een mededader in 1975 gepleegde roofmoord op een bejaard echtpaar. Met Birt was volgens

Earl Lee destijds echter veel meer aan de hand geweest. Hij zou na-
melijk ook verantwoordelijk zijn voor ruim vijftig in de staat Georgia gepleegde huurmoorden. Als huurmoordenaar (‘hit man’) zou Birt daar goed aan hebben verdiend. Behalve de moord op dat echtpaar was hij echter nog slechts voor één andere moord veroordeeld, name- lijk die op een wat maffi a-achtige fi guur. Terwijl Birt in de gevange- nis zat, had Earl een hele goede relatie met hem opgebouwd. Allengs was Birt hem zodoende behulpzaam bij het oplossen van een aantal openstaande misdrijven. Na enkele jaren was dat contact uitgelopen op een zekere vriendschapsband. In september 1992 verkreeg Earl op zijn verzoek een ‘court order’ waarbij de gevangenisdirectie in Jackson opdracht kreeg Birt te laten overbrengen naar de county- gevangenis in Douglasville ‘teneinde behulpzaam te zijn bij het op- lossen van een bepaalde zaak’. Tijdens een van de daaropvolgende gesprekken in die gevangenis – sheriff Lee had daarover het beheer – had Birt aan Earl te kennen gegeven dat hij in de dodencel tot inkeer was gekomen, ‘het Licht’ had gezien en als ‘christian’ gedoopt wenste te worden. Dit sprak Earl wel aan. Hij vond dat Birt een ander mens was geworden, die de criminaliteit geheel had afgezworen. Door be- middeling van Earl werd Billy Sunday Birt op 6 september 1992 in de kleine ‘Church of the Lord Jesus Christ’ in het plaatsje Winder, Georgia, gedoopt. Die gebeurtenis vond plaats in aanwezigheid van de familie van Birt en sheriff Earl Lee. Dat hierover later het nodige gedonder is ontstaan, behoeft nauwelijks nader betoog. Een van de verwijten die Earl kreeg was het feit dat hij Birt vanuit de gevangenis in Jackson geheel ongeboeid naar Winder had vervoerd en dat tijdens de doopplechtigheid ook zo had gelaten. ‘Ik wilde hem laten zien dat ik hem vertrouwde,’ aldus Earl, ‘bovendien wist Birt dat ik hem overhoop zou schieten als hij zou proberen te vluchten.’ Een afspraak met de ‘oude stoel’
Vier dagen nadat Billy Birt in Winder was gedoopt, was ik een paar dagen te gast bij Earl Lee, die mij het nodige over deze gebeurte- nis vertelde. Birt verbleef toen nog steeds in de county-gevangenis in Douglasville. Nadat ik de verhalen van Earl had aangehoord, rees bij mij het idee Birt te interviewen over zijn criminele verleden. Earl had geen bezwaar, maar merkte wel op dat Birt had geweigerd de pers te woord te staan en dat ik dus maar moest avonturen of hij wel met mij zou willen praten. Een dag later zat ik op het bu- reau van Earl tegenover Birt. Een rustig aandoende, ietwat rijzige

fi guur van even in de zestig, die mij eerst met nieuwsgierige blikken
de hand schudde en mij vervolgens afwachtend taxeerde. Nadat Earl mij in een inleidend praatje had geïntroduceerd, liet Birt weten geen bezwaar tegen een interview met mij te hebben, mits ik mijn cassetterecorder maar in mijn tas liet zitten. Geleidelijk kwam het gesprek op gang. Birt was tegenover mij weinig terughoudend over zijn verleden als ‘contractman’ (huurmoordenaar). Hij praatte, on- danks zijn spraakgebrek, honderd uit en had soms moeite om bij een bepaald onderwerp de lijn van het verhaal te blijven volgen. Nadat hij mij had verteld over zijn terdoodveroordeling, vroeg ik hem wat hij vond van de doodstraf. Tot mijn verbazing zei Birt dat hij daarin geloofde: ‘Wanneer iemand bereid is een ander het leven te ontnemen dan moet hij ook bereid zijn, zijn eigen leven te geven.’ Wel had hij bezwaar tegen de ‘veel te lange wachttijd’ voor de executie. ‘Twee jaar is voldoende,’ aldus Birt, die daaraan toevoegde dat het bovendien de belastingbetaler $ 60.000 per jaar kostte om hem gedurende al die tijd in leven te houden. Indien hij uiteindelijk toch op de elektrische stoel terecht zou komen, zou hij zeggen: ‘Gerechtigheid is geschied’, zo verzekerde Birt mij. Hij voegde daar overigens wel aan toe dat hij zou blijven vechten voor gratie. Terwijl het gesprek vorderde, lachte Birt af en toe als het type ‘gezellige vent’. Of hij spijt had van alle moorden die hij had gepleegd, vroeg ik hem na enige tijd. ‘Ja, op twee na,’ aldus Birt, die vervolgens bereid bleek tegenover mij één van die twee zaken uit de doeken te doen. Over de aard en toedracht van de andere moord wilde hij verder niets zeggen. Na mij eerst nadrukkelijk te hebben verzekerd dat hij ‘uit principe’ nimmer iemand had vermoord in aanwezigheid van een kind, vertelde hij het volgende verhaal. Op zekere dag was hij door een opdrachtgever benaderd om een echt- paar, dat als informant voor de fbi zou werken, tegen een ‘hoop dollars’ te liquideren. Voordat Birt zich akkoord verklaarde, had hij tot vier keer toe aan zijn opdrachtgever gevraagd of het bewuste echtpaar ook kinderen in huis had. Evenzoveel keer was hem door deze verzekerd dat daar geen sprake van was. Op de avond waarop de liquidatie moest plaatsvinden, had Birt, die in gezelschap was van een evenals hijzelf ongemaskerde mededader, bij het echtpaar aangebeld. Na een of andere smoes te hebben opgehangen waren zij daar binnengelaten. Juist op het moment dat zij hun ‘opdracht’ zouden gaan uitvoeren, hoorden zij vanuit een zijkamer een kind ‘mama’ roepen. Seconden later ging de deur van die kamer open, waarna een knulletje in hun richting dribbelde en vroeg ‘gaan jullie

mijn mama pijn doen?’ ‘Nee, ik ga je moeder niks doen,’ had Birt
geantwoord. Even later waren er nog twee kleine kinderen tevoor- schijn gekomen. Met een nieuwe smoes als afl eidingsmanoeuvre waren hij en zijn kompaan vervolgens onverrichter zake de woning uitgelopen. Direct hierna had Birt zijn opdrachtgever opgebeld. ‘Alles naar wens verlopen,’ had hij hem verteld, waarna hij een afspraak had gemaakt om de man nog diezelfde avond ergens bui- tenaf te ontmoeten voor het in ontvangst nemen van de andere helft van de afgesproken hoeveelheid dollars. Toen de opdrachtgever op de afgesproken plaats was verschenen, had Birt hem onomwonden verteld dat hij door hem was belazerd, gezien zijn ervaring met de drie kleine kinderen. Vervolgens had hij zijn pistool getrokken en de opdrachtgever ter plekke doodgeschoten. ‘Met de rest van de dollars ben ik ervandoor gegaan,’ aldus Birt, die het laatste gedeelte van dit verhaal met een ijskoude blik in zijn ogen ten beste gaf. On- geveer een jaar na het interview met Billy Birt schreef hij mij vanuit de dodencel in Jackson: ‘Ze zijn hier nog steeds kwaad op mij en op mister Lee omdat hij mij thuis naar de kerk heeft gebracht, ha ha. Maar wie kan het wat schelen, mister Lee niet, dat weet ik zeker, en mij al helemaal niet.’ Na te hebben vermeld dat zijn zaak binnen- kort weer in hoger beroep zou worden behandeld, vervolgt hij: ‘Er kunnen maar twee dingen gebeuren. Of ik kom van de doodstraf af, of ik krijg een afspraak met “de oude stoel”. Ze hebben er juist gisteravond iemand op “verbrand”.’ Billy Sunday Birt heeft in la- tere jaren uiteindelijk gratie verkregen. Zijn straf werd omgezet in levenslang. Gelukkig ziet het ernaar uit dat een nieuwe wet binnen afzienbare tijd een defi nitief einde zal maken aan de verjaring van het delict moord.
In
april
1998 heb ik Earl Lee voor het laatst opgezocht. Dat was op zijn ziekbed in een ziekenhuis in Atlanta. Toen ik drie maanden later weer in Amerika was, heb ik hem in het ziekenhuis opgebeld. Nadat ik had gevraagd hoe het met hem ging, kon hij alleen nog maar fl uisterend en sterk geëmotioneerd reageren. ‘Slecht, John, heel slecht, het is over en voorbij; ik heb altijd van m’n gezin en van mijn werk gehouden.’ Einde gesprek. In oktober 1998 is hij overle- den.
n.b. Tijdens mijn vele studiereizen naar Amerika heb ik het voor- recht genoten respectievelijk de volgende erebenoemingen en ere- burgerschappen in ontvangst te mogen nemen.


Een deel van mijn awards
EREBENOEMING

Deputy Sheriff, Johnson County, Kansas Police
Offi cer, Shawnee Police Department, Kansas Commissioner of Police, Overland Park, Kansas Deputy Sheriff, Sacramento, California Deputy Sheriff, Douglascounty, Georgia Chief of Police, Alcoa, Tennessee
Military Police Offi cer, U.S. Military Police Corps Police
Offi cer, Holland, Michigan
Erelid politiekorps Rotterdam, New York Special Agent U.S. Customs
EREBURGERSCHAP
State of Kansas (samen met Nelly en onze kinderen Annelies en
Hans)
City of Abilene, Texas
City of Borger, Texas
City of Rotterdam, New York

AWARDS kreeg ik van de volgende Amerikaanse instanties:
Federal Bureau of Investigation (fbi)
Drug Enforcement Administration (dea)
us Customs
Department of the Treasury (Internal Revenu Service) International Association of Chiefs of Police (iacp) International Homicide Investigators Association (ihia) zuidoost-azië
thailand
Drugsliaison
De eerste keer van mijn leven dat ik in het Verre Oosten belandde, was in oktober 1976. Op verzoek van de minister van Justitie mr. A.A.M. van Agt ben ik toen naar Bangkok gereisd. Samen met de directeur-generaal van de directie politie mr. A.J. Fonteijn heb ik daar onderzoek gedaan naar de vraag of het in het belang van een meer doeltreffende bestrijding van de heroïnehandel in Nederland wenselijk was een Nederlandse politieoffi cier als drugsliaison bij de Nederlandse ambassade in Bangkok te stationeren. De smokkel van heroïne vanuit Zuidoost-Azië naar Nederland begon destijds na- melijk verontrustende vormen aan te nemen. Ik heb dat onderzoek niet alleen als een eervolle opdracht beschouwd, maar ook als een buitengewoon boeiende onderneming ervaren. Op ons programma stonden tal van oriënterende besprekingen met allerlei autoriteiten en instanties zoals: de Nationale Thaise Narcoticabrigade, de Ame- rikaanse drugsbestrijdingorganisatie dea, de politieliaison verbon- den aan respectievelijk de Britse en de Canadese ambassade en die van Bureau Interpol. Ook spraken wij uitvoerig met vertegenwoor- digers van de Verenigde Naties, die in het noorden van Thailand, in de zogenaamde Gouden Driehoek, actief waren met een opium- vervangend gewasprogramma. Aan de Amerikaanse ambassade in Bangkok was destijds een afdeling van maar liefst 26 agenten van de dea verbonden. Deze afdeling opereerde geheel zelfstandig op het gebied van informatieverzameling, het runnen van informanten en het uitvoeren van observatieacties. Aan het einde van al deze bespre- kingen, waarbij wij uiteraard ook uitgebreid met de Nederlandse


Thailand, Bangkok (1987), inspectie van de erewacht bij de
politie academie
ambassadeur in Thailand mr. F. van Dongen van gedachten hadden gewisseld, waren wij het al snel met elkaar eens. Een Nederlandse politieoffi cier als drugsliasion verbonden aan onze ambassade in Bangkok was zonder meer een dringende noodzaak. Mr. Fonteijn, die direct na afl oop van onze missie in Bangkok naar Nederland zou terugkeren, verzocht mij door te reizen naar Chiang Mai. Het was de bedoeling dat ik nog enkele aanvullende besprekingen zou voe- ren met de twee in de Gouden Driehoek gestationeerde dea-agen- ten en met enkele functionarissen van de Thaise narcoticabrigade in dat gebied. De directeur-generaal had bovendien nog een ander verzoek. Tot mijn niet geringe verrassing vroeg hij mij namelijk of ik bereid zou zijn de beoogde functie van liaison drugsbestrijding te vervullen. Het zou dan de bedoeling zijn, aldus mr. Fonteijn, dat ik als een soort pionier die post binnen een termijn van ongeveer één jaar goed van de grond zou trekken. Daarna zou een functionaris van de Centrale Recherche Informatiedienst (cri) die functie gaan bekleden. Voortvarend als hij was, liet hij mij in één adem door weten dat de ambassadeur inmiddels geheel met zijn voorstel had in- gestemd, dat een woning beschikbaar was en dat onze kinderen, die inmiddels negen en tien jaar waren, naar de internationale school

in Bangkok zouden kunnen gaan. Die pioniersrol trok mij direct zo
geweldig aan dat ik daar toen zonder enige aarzeling volmondig ‘ja’ op heb gezegd. Of ik toch niet eerst mijn vrouw moest bellen, vroeg mr. Fonteijn. Ik heb hem gerustgesteld met de verzekering dat mijn vrouw, Nelly kennende, niet minder enthousiast zou reageren. Dat ook Annelies en Hans het wel een aantrekkelijk avontuur zouden vinden, stond voor mij ook als een paal boven water. Bovendien wilde ik iedereen met het voorstel verrassen bij mijn thuiskomst. Al met al had ik intussen met één factor geen rekening gehouden, namelijk hoe de Rotterdamse Korpschef op het voorstel van mr. Fonteijn zou reageren. Nadat ik mijn opdracht in Chiang Mai had uitgevoerd en was teruggekeerd in Nederland, werd ik dat echter al spoedig gewaar. Hoofdcommissaris Vermeij bleek er niet alleen vierkant tegen te zijn, hij liet dat ook op botte wijze blijken. Mijn werk als recherchecommissaris lag in Rotterdam en nergens anders. Dat toch zeker ook onze eigen Rotterdamse Narcoticabrigade zou kunnen profi teren van het niet alleen in Thailand maar ook in Singa- pore en Maleisië door mij op te bouwen netwerk, interesseerde hem niet in het minst. ‘Voorstel onbespreekbaar’, en als ik toch zonodig als liaison naar Bangkok wilde, moest ik bij de Rotterdamse poli- tie mijn ontslag maar nemen, zo liet hij mij uiterst kribbig weten. Dat laatste heb ik op zeker ogenblik ook serieus overwogen. Op zo’n moment blijkt het echter achteraf een uitkomst wanneer je een echtgenote hebt die ondanks alles met twee benen op de grond blijft staan, en minder emotioneel reageert.
Levenslang
Hoe het ook zij, als gevolg van mijn eerste ervaringen in Thailand was mijn verdere belangstelling voor dat deel van de wereld meer dan voldoende gewekt. Dat hield natuurlijk op de eerste plaats verband met het ook in Nederland almaar groter wordende drugs- probleem. Zodoende heb ik nadien nog een aantal keren in zowel Thailand als Singapore kunnen rondneuzen. Met grote waardering maar vooral ook met veel plezier denk ik daarbij terug aan de as- sistentie en de daadwerkelijke begeleiding die ik bij mijn verdere bezoeken aan dat gebied steeds heb gekregen van de in die jaren als drugsliaison in Bangkok werkzame functionarissen van de cri: Bart Theeuwes, Henk Pauwels, Harry Kamphuis, Aart Bloemheuvel en Arie Klein. Stuk voor stuk toegewijde, gedreven dienders en prima collega’s, met wie het goed toeven was bij een aantal onvergete-

lijke ‘expedities’ in onder meer de Gouden Driehoek. In het voorjaar
van 1982 was ik in Bangkok om een vijf dagen durend congres bij te wonen van de aan de Verenigde Naties gelieerde Internationale Raad voor Alcohol en Drugsverslaving. Op dat zeer druk bezochte congres werd zowel over drugsverslaving en hulpverlening als over de (internationale) drugsbestrijding gesproken. Aanwezig waren ook enkele Nederlandse journalisten, onder wie Rob Knijff van De Telegraaf en Bert Bommels van Het Parool. In een vraaggesprek
met beide journalisten heb ik toen mijn persoonlijke visie met be- trekking tot de aanpak van drugshandelaren nog eens geventileerd: levenslang plus toekenning van de bedelstaf. Mijn verhaal was de volgende ochtend voor De Telegraaf voorpaginanieuws, maar op zowel het ministerie van Justitie als op de Nederlandse ambassade in Bangkok werd men er niet bepaald vrolijk van. Weer een dag later namelijk meldde dezelfde krant dat de minister van Justitie, mr. J. de Ruiter, niets in mijn beide voorstellen zag. Verbeurdver- klaring volgens ‘mijn’ methode achtte hij ‘volstrekt in strijd’ met het strafrecht, terwijl de rechters ‘blijken nog voldoende uit de voeten te kunnen met de nu geldende maximale straffen’. Gezien het slappe Nederlandse drugsbeleid verbaasde het ministeriële standpunt mij allerminst.
Bommenwerpers
Een van de vele punten in de Gouden Driehoek die ik destijds heb bezocht, was het in het noorden gelegen Thaise bergdorpje Ban Hin Taek. De meeste bewoners van dit vlak bij de grens met Birma gele- gen dorpje zijn uit Birma gevluchte Shans. Het zijn op het oog vrien- delijke mensen die hun ideaal, een vrije Shan-staat, met overtuiging uitdragen. Het was in dit plaatsje dat de ‘opiumkoning’ Khun Sa – zijn eigenlijke naam is Chiang Chi Fu – een aantal jaren zijn on- derkomen had. Khun Sa, half Chinees, half Shan, wierp zich op als ‘commander in Chief’ van het Verenigd Shan Leger (sua, Shan United Army). In Ban Hin Taek bewoonde hij een soort bungalow. Vlakbij hem woonden enkele van zijn ‘stafoffi cieren’. Net buiten het eigenlijke dorp liet Khun Sa een school, een ziekenhuis en een onderkomen voor jongens bouwen. Dat laatste gebouw zou heb- ben gediend als trainingscentrum voor Shan-verzetsstrijders. Alles was weliswaar primitief, nochtans degelijk gebouwd en het voorzag in een behoefte, zo hoorde ik in het dorp. Vanuit Ban Hin Taek regelde de ‘generaal’ zijn opiumzaken. Zijn troepen bewogen zich

gewapend en wel vrij door het dorp. Zijn leger, en ongetwijfeld hij-
zelf, voeren wel bij de opiumhandel. In het dorp werd een wapen- depot aangelegd, waarin een grote hoeveelheid wapens en munitie lag opgeslagen. Op 21 januari 1982 besloot de Thaise overheid aan de toestand in Ban Hin Taek een einde te maken en pogingen te ondernemen Khun Sa gevangen te nemen. Op de vroege ochtend van die dag werd eerst het onderkomen van Khun Sa door twee vc-10 bommenwerpers van de Thaise luchtmacht in puin gegooid. Direct hierna bestormden leger en grenspolitie, ondersteund door gevechtshelikopters, het dorp. De slag om Ban Hin Taek duurde twee dagen en kostte aan zeventig Shan-strijders en zeventien poli- tiemannen het leven. De ‘generaal’ zelf was met enkele honderden van zijn guerrillastrijders over de twee kilometer verderop gelegen Birmaanse grens gevlucht.
Vader van de Shans
Samen met Henk Pauwels ben ik ongeveer twee maanden na deze veldslag per auto vanuit Chang Rai naar Ban Hin Taek gereisd. Een tocht dwars door een gebied van adembenemende schoonheid. Een vriendelijke Shan die de Engelse taal uitstekend beheerste en met wie we in een soort van gemeenschapshuis contact hadden gemaakt, bleek bereid ons in Ban Hin Taek rond te leiden. Henk en ik keken elkaar even veelbetekenend aan toen de man ons na de eerste ken- nismaking belangstellend vroeg waar wij ons dagelijks brood mee verdienden. Ook, of wij zo vriendelijk wilden zijn een soort gasten- boek te signeren. Wij hadden eigenlijk niet direct op een dergelijk verzoek gerekend, wat niet wegneemt dat wij er natuurlijk wel aan hebben voldaan. Voor alle zekerheid hebben we het er echter wel op gehouden dat een van ons freelance fotograaf en de ander freelance journalist was. Voor deze bijzondere gelegenheid hebben we ons ook maar een andere naam aangemeten. Uitvoerig, af en toe met afschuw in zijn stem, beschreef onze Shan-begeleider de gebeurte- nissen van 21 januari. Hoofdschuddend wees hij ons intussen op de vernielde gebouwtjes, de bomtrechters en op de met kogels door- zeefde, maar nog overeind staande gebouwen. Genuanceerd, maar niet geheel ontdaan van een zeker fanatisme, presenteerde hij ons het Shan-probleem: ‘Geef ons onafhankelijkheid en het opiumprobleem is voor ons opgelost,’ zo meende hij met overtuiging. Volgens hem konden de Shans niet anders dan opium verhandelen: ‘We moeten immers wapens hebben om ons te verdedigen.’ Over Khun Sa, die

hij ‘father of the Shans’ noemde wilde hij geen kwaad woord horen.
Mistroostig wees hij tijdens de rondgang het vernielde onderkomen aan van ‘studenten’ en een daarbij behorende school. Volgens hem waren het zinloze vernielingen geweest. In het onderkomen verble- ven slechts ‘weesjongens’ van om en nabij de dertien jaar. Al pra- tend raapte hij tussen de puinhopen van de vernielde school een paar schriften op, die hij mij aanreikte. Hij raadde mij aan ze goed te bestuderen, waarna ik ongetwijfeld tot de ontdekking zou komen dat het gewoon lesmateriaal voor kinderen was. Toen ik een van de schriften later doorbladerde, zag ik dat op een aantal pagina’s sol- daten waren afgebeeld, uitgerust met onder meer machinegeweren en granaatwerpers. Jong geleerd, oud gedaan? vroeg ik mij toen af. Tegen het einde van de rondgang vroegen wij hem of hij ons het bergpad wilde wijzen waarlangs Khun Sa en zijn troepen naar Birma waren gevlucht. Dat heeft hij gedaan. Toen wij daar enkele tiental- len meters in de richting van de Birmaanse grens waren gelopen, zei hij dat hij ons ook met het Verenigd Shan Leger in contact kon brengen, ‘dan kunt u ook hun verhaal horen’. Op dat aanbod zijn we toch maar niet ingegaan.
Opiumkaravaan
Enkele jaren later was ik andermaal in het Thaise gedeelte van de Gouden Driehoek. Mijn goede vriend Inspecteur-Generaal Vasit Dejkunjorn, die ik op de fbi Academy had leren kennen, had mij uit- genodigd voor een crosscountry helikoptervlucht boven dit gebied. Ons uiteindelijke doel zou het plaatsje Huai Nam Rhue in politiere- gio 7 zijn. Die plaats ligt op het punt in de Driehoek waar Thailand, Birma en Laos bij elkaar komen. Nabij die plaats zou de deputatie waarvan ik deel uitmaakte eerst enkele in bloei staande opiumvel- den bekijken, om vervolgens in diezelfde omgeving een bezoek te brengen aan een Thais-Duits project van een vervangend gewas. De politiecommandant van deze regio, generaal Kraisook Sinsook, ook een man van de fbi na, vergezelde ons. Zijn ambtsgebied strekte zich uit over de volle breedte van de Driehoek, van de Birmaanse grens tot aan die van Laos, noordelijk van Chang Rai. Toen we op betrekkelijk geringe hoogte boven het oerwoudgebied vlogen, haalde generaal Vasit een landkaart tevoorschijn, om mij vervolgens te laten zien hoe uitgestrekt de Gouden Driehoek feitelijk wel is, 150.000 vierkante mijl. Wat later wees generaal Kraisook mij op en- kele verschroeide plekken in het donkere oerwoud onder ons. ‘Slash


Thailand, Gouden Driehoek, bezoek opiumvelden onder
politie-escorte
and burn [gekapt en platgebrand],’ riep hij boven het dreunende motorgeluid van de helikopter uit. ‘Na de regentijd wordt door de bergstammen een willekeurig stuk bos, veelal teakhout, gekapt en uiteindelijk verbrand,’ brulde hij vervolgens in mijn oor. In fl arden legde hij uit dat deze grond daarna vijf tot tien jaar wordt gebruikt voor het verbouwen van opium. Bemesting of wisselbouw kent men niet, met het gevolg dat de grond binnen een aantal jaren geheel is uitgeput. De bergstam trekt dan gewoon verder en zoekt een nieuw stuk bos uit. ‘Daar begint de verschroeide-aardetactiek opnieuw,’ aldus generaal Kraisook. Een van de andere politieoffi cieren, ko- lonel Sombat, legde mij tijdens onze vlucht boven dit overweldi- gend mooie natuurgebied uit hoe moeilijk het is een zogenaamde opiumkaravaan, meestal bestaande uit tientallen zwaar met opium bepakte muilezels, te onderscheppen. Hij had eigenlijk maar weinig woorden nodig om dat duidelijk te maken. De situatie zo’n driedui- zend voet beneden ons sprak voor zichzelf. De kolonel wees op een punt in de jungle waar als het ware uit het niets een smal bergpad tevoorschijn kwam, dat omlaag kringelde en even later plotseling ophield. Weer iets verder werd dit pad opeens weer zichtbaar, om even later opnieuw in de jungle op te gaan, deze keer vlak bij de


Birmaanse grens. Sombat legde uit dat de afstand tussen die twee punten ongeveer vijftien kilometer bedraagt. Om een volgend open punt te bereiken moet men zich dus letterlijk door de jungle slaan, zo betoogde hij. ‘Veronderstel dat we bij deze luchtverkenning zo’n opiumkaravaan zouden ontdekken, wat kunnen we dan doen? Po- sitie vastleggen, akkoord, maar daarna beginnen de problemen pas. Hoe komen we in de buurt om actie te kunnen ondernemen?’ Een blik naar beneden maakte me duidelijk dat er in de wijde omtrek geen mogelijkheid was om één, laat staan meer helikopters aan de grond te zetten. Ik kon hem dus alleen maar gelijk geven toen hij zei dat een onderscheppingseenheid van de grenspolitie dagenlang door de jungle zou moeten trekken om uiteindelijk contact te kunnen ma- ken met de opiumsmokkelaars. Een en ander nog afgezien van de bevoorradingsproblemen.
Opiumvelden
Nadat we op een wat breder zandpad in de jungle waren geland, werd de tocht per Landrover voortgezet, voorafgegaan door een pick-up met een tiental zwaarbewapende mannen van de Grenspo- litie. Via een hobbelige zandweg
vol brede kuilen kwamen we
uiteindelijk bij ons einddoel,
Huai Nam Rhue, dat door de
Lisu-stam – een van de zes berg-
volken in het Thaise deel van de
Gouden Driehoek – wordt be-
woond. ‘De Lisu hebben zich op
de hoogste hellingen genesteld,
en zij worden beschouwd als dé
specialisten in opiumverbouw,’
legde generaal Kraisook uit. De
nederzetting Huai Nam Rhue
bestaat uit een verzameling pri-
mitieve bamboehutten, waar
de bittere armoe bij wijze van
spreken van afdruipt en waar
de tijd al eeuwen moet hebben
stilgestaan. Het begrip elektrici-
Thailand, Gouden Driehoek,
teit bijvoorbeeld is er volkomen
bezoek opiumvelden
onbekend. De bewoners waren

vriendelijke mensen die me zonder enig bezwaar in hun hut toelieten
en me hun schamele bezit toonden. Rond de hutten krioelde het van zowel kinderen als kippen. In een met water gevulde kuil midden op de zandstraat wentelden zich een paar zwarte varkens behaaglijk in het rond. Via een tolk knoopte ik een gesprek aan met een 86-jarige Lisu, die me vertelde dat hij al ruim vijftig jaar in het dorp woonde en zo ongeveer zijn hele leven opium had verbouwd. In het kader van het vervangend-gewasprogramma hield hij zich nu bezig met koffi everbouw. Op mijn vraag wat hij van deze verandering vond, gaf hij een wat aarzelend antwoord, waar ik niet mee uit de voeten kon. Ik had mij vast voorgenomen in het dorp te proberen de twee stukjes primitief gereedschap te bemachtigen die bij het oogsten van de opium worden gebruikt: een mesje in de vorm van een drietand om de papaverbol in te snijden en een metalen schrappertje om de opium van de zaadbol af te schrappen. Via de tolk benaderde ik een vriendelijke vrouw die met een baby op de arm voor haar hut stond. Of zij zoiets voor me te koop had, vroeg ik haar. Zij knikte beves- tigend, ging haar hut binnen en kwam even later weer naar buiten met een drietandje in een bamboerietje en een oud schrappertje. Na het nu eenmaal gebruikelijke loven en bieden werden wij het eens: twee dollar. Zij lachte tevreden, ik trouwens ook. Via bruinstoffi ge junglepaden stonden we even later voor een veld vol bloeiende pa- pavers: wit, rood en paars. Het geeft je een wat tweeslachtig gevoel om daar in de Gouden Driehoek ineens midden in een opiumveld met duizenden papavers te staan. De absolute schoonheid van deze schitterende natuur enerzijds en het krankzinnige idee anderzijds dat de ellende van ontelbare verslaafden juist ergens in deze kleuren- pracht begint. Vlak bij dit opiumveld lag een akker met daarop een aantal uit lichtblauw gaas opgetrokken groentekassen. Op een aan- grenzend veld stonden koffi estruiken en veelkleurige snijbloemen. Een proces van lange adem, zo legde projectleider Sorasit van dit Thais-Duitse programma uit. Na zijn uitleg werden mij twee dingen duidelijk. Allereerst dat het vervangend-gewasprogramma slechts een druppel is op een gloeiende plaat. Vervolgens dat het ontbre- ken van een goede infrastructuur een geweldige handicap betekent. De vervangende gewassen moeten immers een lange, moeizame en vooral kostbare weg afl eggen om bij de consument in de (Thaise) steden te komen. Niettemin heb ik op deze trip grote bewondering en respect gekregen voor de manmoedige pogingen en het grote doorzettingsvermogen van de Thaise projectpioniers.


Bangkok (1987), ontvangst door hoofd van de Thaise politie,
generaal Pow Sarrasin; geheel links generaal Vasit Dejkunjorn
IJzeren armoe
Toen ik enkele dagen later terug was in Bangkok, werd ik in de ge- legenheid gesteld twee eindstations van de heroïne-ellende, te weten de mannengevangenis Bang Kwang (‘Bangkok-Hilton’) en een vrou- wengevangenis aan de rand van de Thaise hoofdstad te bezoeken. In dat laatste instituut waren toen 1650 vrouwen gedetineerd, van wie twintig buitenlandse. In de reusachtige zalen van het overbevolkte complex waren honderden gevangenen bezig met het vervaardigen van legeruniformen. Ik werd door de gevangenisdirectie in de gele- genheid gesteld drie westerse gevangenen te interviewen, vrouwen die zich er ooit voor hadden geleend om als heroïnekoerierster op te treden. Sheila uit Californië zat al vijf jaar en had inmiddels vlot Thais leren spreken. Op mijn vraag hoe lang ze nog voor de boeg had, antwoordde ze: ‘Nog 37 jaar.’ Haar misdrijf? Ze had gepoogd 160 gram heroïne het land uit te smokkelen. Op het vliegveld van Bangkok was ze tegen de lamp gelopen. Monique uit Parijs had vier jaar achter de rug. Zij had levenslang gekregen wegens het bezit van 126 gram heroïne. ‘Waarom levenslang?’ vroeg ik haar. ‘Omdat ik geweigerd heb schuld te bekennen,’ zei ze. Cynthia uit Australië ten slotte zat al zes jaar en hoopte binnen niet al te lange tijd vrij te ko-

men. ‘Bij goed gedrag kun je per maand een strafvermindering van
vijf dagen krijgen,’ vertelde de directeur van de gevangenis. Tel uit je winst, dacht ik. Toen het ijzeren hek van de gevangenis met een harde klap achter me dichtviel, vroeg ik me voor de zoveelste keer af wat een mens in ’s hemelsnaam kon bewegen om zo’n godvergeten heroïneavontuur aan te gaan. Het antwoord kende ik natuurlijk al- lang: de zucht naar goud, naar geld. Maar het ‘goud’ dat uit de pa- paver druppelt, is er alleen voor de meedogenloze exploitanten in de zogenaamde westerse beschaving, de heroïnehandelaren. Niet voor de primitieve bergstammen in de Gouden Driehoek die de opium produceren. Evenmin voor de koeriers die voor de georganiseerde misdaad het vuile werk opknappen. Voor hen is er alleen de ijzeren armoe. Voor de gevangenen in Bangkok geldt dat in een dubbele betekenis.
Een poging tot beroving
Eind januari 1986 woonde ik in Pattaya de eerste voortgezette trai- ningsbijeenkomst bij voor ‘Asian Pacifi c Graduates’ van de fbi na. De hoofdonderwerpen van deze door de fbi georganiseerde drie- daagse bijeenkomst waren gericht op bestrijding van het terrorisme en de handel in drugs. Het was voor mij een mooie gelegenheid om mijn twee Thaise klasgenoten uit 1971 nog eens te ontmoeten. Behalve het hoofd van de Thaise politie, generaal Nahrong Mahan- onda, was bij de opening van het symposium ook de toenmalige directeur van de fbi, Judge Webster, aanwezig. Generaal Nahrong nodigde mij uit om met hem, Judge Webster, en inspecteur-generaal Vasit in een helikopter mee te vliegen naar het reusachtige vluch- telingenkamp Khao I Dang, niet ver van de grens met Cambodja. Toen wij daar na ruim een uur vliegen waren geland, steeg de he- likopter onmiddellijk weer op, om even later achter de horizon te verdwijnen. Of we soms te voet naar Pattaya terug zouden gaan, vroeg ik gekscherend aan generaal Nahrong. ‘Alleen maar een vei- ligheidsmaatregel,’ verzekerde hij mij. Hij wilde niet het risico lo- pen dat het toestel, wanneer het op de grond stond, door de Rode Khmer vanuit Cambodja zou worden beschoten. Op de tweede dag van mijn verblijf in Pattaya deed ik een minder prettige ervaring op. Met mijn Thaise begeleider luitenant Ekavit, die vanuit Bangkok was meegereisd, naast mij, liep ik rond acht uur die avond door een drukke winkelstraat. Toen wij langs een fotozaak gelopen waren, schoot mij te binnen dat ik nog een paar batterijen moest kopen



Thailand (1987), afscheid van onze politiebegeleiders na een
onvergetelijke tocht in het gebied van de Gouden Driehoek
Thailand (1987), met onze politiebegeleiders op het eiland Taratou

voor mijn cassetterecorder. Terwijl ik in de winkel was, bleef Ekavit,
die in burger gekleed was, op enkele meters afstand van de winkel op mij wachten. Ik kocht vier batterijen, stopte die in mijn achterzak en liep vervolgens de winkel weer uit. Alvorens naar de wachtende Ekavit te lopen, wierp ik eerst nog een korte blik in de etalage van de fotozaak. Ik had nog geen twee passen in de richting van Eka- vit gedaan, toen ik opeens een scherpe pijn in mijn rechterbovenbil voelde. Automatisch betastte ik die plek, voelde daar iets vochtigs en merkte tegelijk dat mijn broek ter hoogte van mijn rechterach- terzak ingescheurd was. Toen ik mijn rechterhand bekeek, zat daar bloed aan. Op hetzelfde moment zag ik dat een jongeman zich snel verwijderde van de plaats waar ik stond. Ik realiseerde me direct dat de weglopende knaap een poging had gedaan om mij te beroven. Juist op dat ogenblik keek Ekavit mijn richting uit. ‘That son of a bitch tried to rob me,’ brulde ik naar hem. Gelijktijdig wees ik in de richting van de vluchtende straatrover. Luitenant Ekavit bedacht zich geen seconde. Sprintend naar de vluchteling trok hij zijn dienst- revolver uit een polstasje. Seconden later zette hij het wapen op het hoofd van de inmiddels stilstaande rover. De knaap hield het object waarmee hij mijn achterzak had opengeritst nog in zijn hand. Het was een in de lengte afgeknipt scherp deel van een Gillette-mesje, dat hij in de gleuf van een primitief houten houdertje had gefrie- meld. Twee passerende agenten in uniform ontfermden zich vervol- gens op een niet zachtzinnige manier over de arrestant. Mijn enige vrees die avond was niet zozeer de (geringe) verwonding die ik had opgelopen, als wel het wapen waarmee het was toegebracht, korter gezegd: het mogelijke infectiegevaar. Ik heb alle respect en waarde- ring voor de wijze waarop de Thaise politie direct na het gebeurde de nodige maatregelen heeft getroffen: onmiddellijke behandeling in een ziekenhuis en de volgende dag nadere controle door een arts op mijn hotelkamer. Ik had naar aanleiding van dit incident met de jonge Ekavit te doen. Hij was een rustige en bescheiden politieof- fi cier, prettig in de omgang en bijzonder hulpvaardig. In Bangkok was hij al eerder mijn trouwe begeleider geweest. Hij was geweldig geschrokken. Waar hij vooral mee zat, was dat het incident binnen zijn gezichtsveld had plaatsgevonden terwijl hij het niet had gezien. Hij vreesde nu dat een en ander voor hem vervelende consequenties zou hebben. Ik stelde hem gerust met de mededeling dat hij het ook niet had kunnen voorkomen en dat het toch maar aan zijn razend- snel en kordaat optreden te danken was geweest dat de rover in de boeien kon worden geslagen. Daarvan heb ik diezelfde avond

generaal Vasit kunnen overtuigen en later, tijdens een lunch met
de Thaise politietop, ook generaal Nahrong. Voor luitenant Ekavit heeft het verder geen gevolgen gehad. Integendeel, een jaar later zou hij mij weer begeleiden. Uit het verhoor bleek dat de berover, een goeie twintiger, mij uit de fotowinkel had zien komen en toen had gezien dat mijn rechterachterzak ‘redelijk gevuld’ was. Zodoende had hij de indruk gekregen dat daar een hoop geld in zat. Het waren echter slechts de vier batterijen die ik daar opgeborgen had. In een van mijn borstzakken had ik wat papiergeld gestopt. De rover werd door de provinciale rechtbank van Cholburi veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk, ‘omdat hij schuld had bekend’.
singapore
Triest
In de jaren tachtig heb ik ook enkele malen een oriëntatiebezoek gebracht aan Singapore, onder meer aan de Changi-gevangenis. De dodencel in deze beruchte gevangenis is het absolute eindpunt voor degene die wordt schuldig bevonden aan het bezit van meer dan vijftien gram zuivere heroïne. De rechter is bij schuldigverkla- ring wettelijk verplicht de doodstraf op te leggen. Toen ik in 1982 de troosteloos uitziende ‘Changi’ bezocht, zaten daar terzake van drugsdelicten twaalf ter dood veroordeelden, onder wie twee vrou- wen. Sedert de inwerkingtreding van de nieuwe Opiumwet in 1973 – ingrijpend gewijzigd in 1979 – waren inmiddels negen doodvon- nissen voltrokken. Uit hetgeen ik optekende uit de mond van het plaatsvervangend hoofd van het Central Narcotics Bureau bleek dat nergens ter wereld de behandeling van drugsverslaafden zo on- verbiddelijk is als in Singapore. Het komt er in een paar woorden gezegd op neer dat de verslaafde zonder pardon van de straat kan worden gehaald, om vervolgens voor een gedwongen afkickpro- gramma te worden geplaatst in een van de vijf zogenaamde reha- bilitatiecentra. Het verblijf in zo’n centrum duurt in beginsel zes maanden, maar deze termijn kan met name bij recidive oplopen tot (maximaal) twee jaar. Ik ben uitgebreid in een van deze kampen rondgeleid. Alhoewel in Singapore steeds werd benadrukt dat het geen gevangenissen zijn, deed de hele entourage mij toch anders vermoeden. De bekende rollen prikkeldraad zijn overal aanwezig,

evenals de wachttorentjes. Ontvluchtingen waren er overigens nau-
welijks, zo verzekerde men mij. De discipline die in het kamp werd gehandhaafd, kan zich meten met de discipline die gebruikelijk is bij zware militaire trainingen. Overal waar ik werd rondgeleid, werd door de aanwezige verslaafden het verplichte ‘good morning Sir’ gebruld. In de werkplaatsen vloog men bovendien nog overeind ook en bleef men stram in de houding staan totdat de mij begelei- dende commandant van het kamp toestemming had gegeven met de dagelijkse werkzaamheden verder te gaan. Alleen in de van brede tralies voorziene ‘cold turkey’-kooien – het beginpunt van het ge- dwongen afkickprogramma – bleven de verslaafden, drie rijen dik, na de ochtendgroet op de hurken zitten en met gebogen hoofd naar de kale betonnen vloer staren. Op het moment dat ik daar stond, werden juist vijf nieuwe verslaafden binnengebracht, de handboei- en nog om. Een triest gezicht!
indonesië
Wat moet je dan?
Ook de Indonesische politie heeft altijd mijn belangstelling gehad. In de jaren tachtig heb ik zodoende, meestal in combinatie met een bezoek aan Thailand en Singapore, onder meer het prachtige Java verschillende keren bezocht. Wat die schoonheid betreft, ik vond de natuur zo indrukwekkend mooi, dat ik op een keer toen ik per trein van Bandung naar Jakarta reisde, mijn videocamera ongeveer een kwartier gewoon buiten het raam heb laten draaien. Naast het hoofdkwartier van de politie in Jakarta en het daar gevestigde bu- reau van Interpol, bezocht ik de nationale politieschool in Suka- bumi, de school voor het middenkader (stafschool) in Bandung en de rechercheschool in Mugamendu. De Nationale Academie voor politieoffi cieren in Semarang, waar ik een lezing hield over de cri- minaliteitsbestrijding in Nederland, heeft als organisatie, inrichting en opleidingsprogramma de nodige indruk op mij gemaakt. Wat er intussen geworden is van de boom die ik destijds op verzoek van de leiding op het terrein van de academie heb geplant, weet ik niet. De ontvangst en gastvrijheid waren overal op Java zonder meer uitbundig. Zo uitgebreid als ik in Thailand en Singapore met het drugsprobleem was geconfronteerd, zo weinig hoorde ik daarover in Indonesië. Of men daar het drugsprobleem voor mij onder water


Semarang, Indonesië (1987), ontvangst op de Nationale
Politie Academie
heeft gehouden, kan ik niet goed beoordelen, maar ik heb niet die indruk. Waar ik wel van schrok, alhoewel ik daarover al eerder ge- ruchten had gehoord, was het volgende. Op een middag zat ik met mijn politiebegeleider in een open restaurant in Yogyakarta. Dat restaurant keek uit op een markt, waar het op dat moment erg druk was. Ik informeerde terloops, denkend aan de Rotterdamse markt, of de politie in Yogyakarta ook te maken had met zakkenrollers. De politieman haastte zich dat te ontkennen en toen het gesprek verder ging over ‘criminele recidivisten’ vertelde hij mij dat de politie daar wel raad mee wist. Zijn verhaal kwam erop neer dat dit soort fi gu- ren thuis werd opgehaald, om er nimmer in terug te keren. Ik heb dat opgevat als een regelrechte verwijzing naar de doodseskaders. Een soortgelijk verhaal had ik overigens al eens te horen gekregen van een politiechef ergens in het noorden van Thailand. ‘Wat moet je nou,’ vroeg die man zich hardop af, ‘wanneer een met naam en toenaam bekende dief een of ander dorp onveilig maakt, terwijl de bewoners niet naar de politie durven gaan uit vrees voor wraak.’ Wat de ‘oplossing’ van dit soort lokale problemen betreft, verschilde de rest van zijn verhaal ten slotte weinig met dat van de politieman in Yogyakarta.

...kots je van je eigen welvaart
Behalve voor de politie, had ik in Indonesië nog belangstelling voor iets geheel anders. Reeds jaren eerder had mijn vrouw de wens uit- gesproken via Foster Parents Plan een pleegkind in Indonesië te wil- len adopteren. Die wens, die ook de mijne was, is op zekere dag werkelijkheid geworden. Zodoende beschouwden wij het toen acht- jarige meisje Suratminah, dat woonde in een dorpje dertig kilome- ter zuidelijk van Yogyakarta, vanaf dat moment als te behoren tot ons gezinnetje. Toen ik vervolgens in 1982 ‘van dienstwege’ rich- ting Zuidoost-Azië reisde, besloot ik er een reis naar Yogyakarta aan vast te koppelen en Suratminah daar ergens in die omgeving op te zoeken. Nadat ik mijn plan aan de organisatie van Foster Pa- rents Plan kenbaar had gemaakt, kreeg ik echter enkele dagen voor mijn vertrek vanuit het kantoor van die organisatie in Yogyakarta het bericht dat het in verband met de algemene verkiezingen in In- donesië aan mij niet zou worden toegestaan het betrokken gebied gedurende de maanden april en mei te bezoeken. Een ontmoeting met ‘onze’ Suratminah zou derhalve op het kantoor van Foster Pa- rents in Yogyakarta moeten plaatsvinden. Dat leek mij een wat al te stijf en plichtplegend gedoe, waar ik dan ook niets voor voelde. Ik besloot het avontuur te wagen. Mijn komst in Yogyakarta werd aangekondigd via bureau Interpol in Jakarta, waarna ik allerhar- telijkst door de plaatselijke politie werd ontvangen en rondgeleid. Het bezoekprobleem bleef echter nog overeind. ‘Een puur militaire aangelegenheid, waar de politie helemaal buitenstaat,’ aldus mijn, overigens zeer behulpzame, politiebegeleider Soekiran. Tijdens een bezoek aan de prachtige Borobudur, wees hij mij op een van de levensgrote klokken, waaronder een beeld van Boeddha was ge- plaatst. ‘Wanneer u kans ziet via de grote gaten in die klok de boed- dha aan te raken, mag u een wens doen, zo wil de overlevering,’ zei Soekiran. Ik probeerde dat en waarachtig, het lukte me. Op die plaats sprak ik vervolgens de wens uit dat ik op mijn verjaardag, dat was de volgende dag, toestemming zou krijgen Suratminah in haar dorpje te bezoeken. Die wens is in vervulling gegaan. Soekiran, die mij de volgende ochtend in mijn hotel opzocht, bracht mij het heuglijke nieuws dat hij via via toch voor elkaar had gekregen dat ik onder politiebegeleiding naar het dorpje Baguntapan mocht reizen, om daar Suratminah te bezoeken. Daar, in die kleine kampong heb ik die dag, 2 april 1982, met ‘onze’ tenger gebouwde Suratminah, negen jaar jong, de mooiste verjaardag van mijn leven beleefd. Nog


heel lang heb ik die grote schare kinderen die bij mijn afscheid aan het einde van de dag het ‘happy birthday to you’ ten gehore brach- ten, in beeld gehad. In mijn dagboek noteerde ik ’s avonds: ‘Als je deze armoe ziet, kots je van je eigen welvaart.’ volksrepubliek china
Verbeteren door arbeid
In 1987 verbleef ik op een oriëntatiereis tien dagen bij de politie in respectievelijk Sjanghai en Beijing. Een ervaring apart. Zoals ik ei- genlijk op basis van de geruchten had verwacht, was ik in de Volks- republiek China niet terechtgekomen in een omgeving van uiterst gesloten en formele politiefunctionarissen. Integendeel, ik werd ge- confronteerd met hartelijke en open collega’s op alle niveaus. On- getwijfeld heeft de introductie die de Rotterdamse burgemeester Bram Peper aan zijn bevriende ambtgenoten in die twee steden had gezonden, daartoe bijgedragen. Daar kwam nog bij dat Rotterdam en Sjanghai zustersteden zijn. De communicatie met allerlei poli- China, Shanghai (1987), offi ciële ontvangst op een school, waar
men mij voor de burgemeester van Rotterdam hield! (Ik heb wel
eens over mijn leeftijd gelogen, maar nooit over mijn baan.)


China, Shanghai, buitengewoon hartelijke ontvangst door het
hoofd van de geüniformeerde politie van Shanghai (‘mooie hamer
en sikkel heb jij op je uniform,’ merkte hij luid lachend op)
tie- en andere functionarissen verliep via een tolk in het Engels. De tolk was een jonge, enthousiaste luitenant van de politie in Sjanghai, Gong Jia Jie, die mij reeds op het vliegveld opwachtte en gedurende mijn hele verblijf in China niet van mijn zijde is geweken. De recher- chetop in Beijing was zeer geïnteresseerd in de Nederlandse opspo- ringstactieken en technische middelen. ‘Door een aantal rigoureuze maatregelen af te kondigen na de val van de “bende van vier” is er in de Volksrepubliek China niet alleen een einde gekomen aan de Culturele Revolutie, maar evenzeer aan de geweldige criminaliteit van die jaren, vooral in de geweldssector.’ Deze zelfverzekerde opi- nie vormde eigenlijk de rode draad in de talloze gesprekken die ik in Sjanghai en Beijing met politieoffi cieren voerde. Met betrekking tot de actuele criminaliteitscijfers bleef men echter overal nogal vrij- blijvend en vaag. Op mijn vraag hoeveel misdrijven er in 1986 in beide steden (zeven miljoen inwoners) waren geregistreerd, luidde het antwoord ‘rond achtduizend’. Als oplossingspercentage gaf men mij het getal 73 procent op. Van de geregistreerde criminaliteit zou slechts één procent betrekking hebben op levensdelicten. Vermo- gensdelicten onder een waarde van ongeveer twintig Amerikaanse dollar werden niet als misdrijf geregistreerd. Een en ander betekent


China (1987), een dorpje ongeveer 100 kilometer ten noorden
van Peking. Ik had aan de chef van de recherche in Peking
gevraagd een gewoon Chinees dorp te mogen bezoeken, waar
geen toeristen kwamen. Twee rechercheurs brachten mij naar
een kippenboerderij. Daar werd ik niet alleen ontvangen door de
boer, maar ook door de plaatselijke veldwachter en enkele andere
‘notabelen’. Omdat ik het zo koud had, stond de plaatselijke
veldwachter erop dat ik zijn uniformjas + pet zou dragen, hetgeen
je natuurlijk niet kunt weigeren.
echter niet, zo verzekerde men mij, dat een dergelijk vergrijp voor de pleger geen gevolgen zou hebben, nee, ‘heropvoeding’ bleek daar- bij dé toverspreuk. Bij het onderwerp criminaliteitsbestrijding is het mij in het bijzonder opgevallen dat de politie op ongeveer iedere vierkante kilometer woongebied de beschikking lijkt te hebben over een aantal ‘ogen en oren’. Van deze onoffi ciële informatiebronnen wordt verwacht dat zij, bij wijze van een soort nationale plicht, alle ‘onregelmatigheden’ aan de politie doorgeven. Niet alleen in de woonwijken, maar ook in bijvoorbeeld hotels beschikt de politie over deze vrijwillige ‘medewerkers’. Alhoewel tal van executies van ter dood veroordeelden in het openbaar plaatsvinden, bleef men ook in dit opzicht vaag voor wat betreft de juiste aantallen. Wanneer ik daar via de tolk naar informeerde, dacht men eerst enige ogenblik- ken na om vervolgens, met de bekende glimlach, een antwoord te

geven in de trant van ‘niet te veel’. De stelligheid waarmee dit op den
duur werd gezegd, heeft mij er ten slotte toegebracht mijn nieuws- gierigheid op dit punt verder maar te bedwingen. Toen ik in Beijing aan een recherchechef vroeg hoe hij over de aanpak van straatroof dacht, zei hij: ‘Schiet één boef overhoop en je schrikt duizend ande- ren af.’ Ongevraagd werd mij in Sjanghai aangeboden om de plaatse- lijke, uit 1903 daterende gevangenis met een bezoek te vereren. Dat verzoek heb ik uiteraard graag geaccepteerd. Het leverde trouwens ook een heel bijzondere ervaring op. Bij mijn aankomst bleek op de binnenplaats van het gevang een geheel uit veroordeelden bestaand orkest van twintig man en een koor van twaalf man gereed te staan om mij een ongeveer dertig minuten durend concert aan te bieden. De muziek en zang die deze gevangenen ten gehore brachten, was indrukwekkend. Terwijl ik aandachtig zat te luisteren, fl uisterde lui- tenant Gong Jia Jie mij in het oor dat ik in mijn dankwoord tot de gevangenen vooral de nadruk moest leggen op het principe ‘Reform through labour’ (Verbeteren door arbeid). Ik heb zo goed mogelijk aan het verzoek voldaan. Zoals ik overal elders tijdens mijn oriën- tatiereizen deed, legde ik ook in China mijn impressies vast op een cassettebandje. Toen ik op zekere dag in Beijing na een bezoek aan het Plein van de Hemelse Vrede in de politieauto stapte, gleed mijn cassetterecorder uit mijn jaszak. De chauffeur was dusdanig voort- varend in het wegrijden dat hij op mijn kreet om te stoppen, een fractie van een seconde te laat reageerde. Het linkerachterwiel stond boven op mijn recorder. Een regelrechte ramp, vond ik. Dat vonden mijn Chinese collega’s ook, en zij meenden het. Dat er ongeveer twee jaar later op datzelfde plein een échte ramp zou plaatsvinden, kon ik toen natuurlijk in de verste verte nog niet vermoeden. zuid-amerika
Operatie Condor
Wanneer je als hoofdcommissaris van politie gewend bent zonder enige terughoudendheid en gewoon op je eentje vanuit je woon- plaats Berkel en Rodenrijs naar het hoofdbureau in Rotterdam te fi etsen, sta je wel even met je ogen te knipperen wanneer je in Bogota door zes zwaarbewapende dienders vanaf je hotel wordt begeleid. Aanvankelijk ben je nog geneigd te denken aan een wat overdreven protocollair ritueel, maar algauw wordt het duidelijk in wat voor


omgeving je terechtgekomen bent. Colombia is een land waar de maffi a de dienst uitmaakt. Moord en doodslag zijn aan de orde van de dag. Voor een handjevol dollars zijn de talrijke moordcomman- do’s van de cocaïnemaffi a bereid iedere opdracht tot liquidatie uit te voeren. Ziedaar, kort samengevat, de feitelijke situatie in dit Zuid- Amerikaanse land zoals mij die geschetst werd toen ik mij daar in 1987 oriënteerde op de cocaïneplaag. Bij een aansluitend bezoek aan het buurland Peru werd mij duidelijk hoe gigantisch groot de verbouw van de cocaplant daar is. Het is tevens de grootste van Zuid-Amerika. Duidelijk werd mij daar ook dat door de toene- mende vraag naar cocaïne, de Peruviaanse maffi a in enkele jaren van kleine leverancier is opgeklommen tot de grootste in de wereld. In Peru werd ik door de Staatspolitie in de gelegenheid gesteld een kijkje achter de schermen van ‘Operatie Condor’ te nemen. Begeleid door onder meer de voortreffelijke drugsliaison, prima collega en begeleider Hans van Hees, deed ik de volgende impressie op. Ze staan in groepjes, dicht bij elkaar, het machinepistool en de plun- jezak binnen handbereik. Hun vaalgroene, slordig zittende unifor- men passen aardig bij het achtergronddecor, dat gevormd wordt door een grauw uitziend viermotorig Hercules-transportvliegtuig met het opschrift ‘Policia’. Het wachten is op beter weer aan de oostkant van het machtige Andesgebergte. Daarna zullen deze on- Peru, Lima (1987), vliegveld Lima, op weg naar de cocaïnejungle

geveer vijftig voor het merendeel jonge politiemannen van de Guar-
dia Civil – de Peruviaanse Staatspolitie – vanaf het vliegveld van Lima naar het strijdgebied van Operatie Condor, de cocaïnejungle worden overgevlogen. Het feit dat zij daar twee maanden onder uiterst primitieve maar bovenal gevaarlijke omstandigheden zullen worden ingezet tegen de drugsmaffi a schijnt hen nauwelijks iets te doen. Integendeel, de stemming is opperbest. De onderlinge con- versatie wordt in drukke gebaren in rap, maar vooral luidruchtig Spaans gevoerd. Het uitbundig gelach is hierbij niet van de lucht. Net een peloton me’ers dat gereed is om naar het Feyenoord-sta- dion te vertrekken, overpeins ik heel even. Zelfde leeftijd, zelfde uitbundige reacties, zelfde stemming. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat daarmee de vergelijking echter ook ophoudt. Het is ook maar de vraag of ze allemaal Operatie Condor zullen overleven. Het blijkt niet moeilijk om contact met de groep te leggen. Een van mijn begeleiders, een kolonel van de narcoticabestrijdingseenheid van de Guardia Civil, introduceert mij. Het gevolg is dat ik in minder dan geen tijd omringd ben door nieuwsgierige, vriendelijk vragende en druk gebarende Peruviaanse collega’s. De één vuurt vragen af via de begeleider, die tevens als tolk optreedt, de ander doet dit met gebruikmaking van steenkolenengels, dat links en rechts de lach- spieren doet opwekken.
Ik zal aanstonds naar dezelfde bestemming vliegen: het stroomge- bied van de Hualaga-rivier, noordoostelijk van het Andesgebergte. Het is een van de drie gebieden in Peru – tevens het grootste en gevaarlijkste – waar de cocaplant wordt verbouwd. Sinds enige tijd geldt er de staat van beleg. Naast de strijd tegen de cocaïnemaffi a zal deze politie-eenheid ook terdege rekening moeten houden met de in dit gebied opererende guerrillabeweging ‘Sendero Luminoso’ (Lichtend Pad). In tegenstelling tot de situatie in Colombia heeft deze beweging nog geen overeenkomst gesloten met de drugshan- delaren. Zo nu en dan komt het zelfs tot bloedige gevechten tussen beide groeperingen.
Zeshonderdduizend kilo cocaïne
Wanneer de politiemannen zien dat ik belangstelling heb voor hun bewapening, proberen drie of vier man mij tegelijk te overtuigen van de kwaliteit van hun Koreaanse machinepistolen. Terwijl de één mij zo’n wapen geladen en al in de hand drukt, gaat het enthou- siasme van enkele anderen zover, dat ik mij genoodzaakt zie be-

leefd, maar wel met enige aandrang, de achteloos en ongeveer mid-
scheeps op mij gerichte lopen naar een meer neutrale richting om te buigen. Ik informeer wat zij ervan vinden om twee maanden in de jungle te moeten doorbrengen. Zij halen onverschillig de schouders op. ‘We worden ook wel weer afgelost,’ zeggen ze. Het aanstaan- de gevaar wuiven ze weg met een simpele maar veelbetekenende knik in de richting van hun schiettuig. Op dat moment krijg ik het sein dat ons toestel, een tweemotorig Amerikaans verkennings- vliegtuig van het type Commander, klaar is voor vertrek. Nog snel wordt een groepsfoto gemaakt, waarna we handenschuddend en lachend afscheid nemen van elkaar. ‘Tot ziens in de jungle.’ Iemand schreeuwt mij nog iets na en wijst daarbij in de richting van een stuk of tien bij elkaar geparkeerde vliegtuigen van de meest uiteen- lopende types. ‘Allemaal in beslag genomen toestellen, volgestopt met cocaïne,’ vertaalt de kolonel laconiek. Eenmaal opgestegen van het vliegveld van Lima klimmen we snel naar een hoogte van 27.000 voet, om even later in oostelijke richting over het Andes- gebergte te koersen. Onze bestemming is een diepe vallei, oostelijk van het in de Andes gelegen stadje Tingo Maria, een bolwerk van de cocaïnehandel. Het prachtige landschap van de Andes wordt door de wolkenfl arden heen zo nu en dan zichtbaar. Het is een on- voorstelbaar mooi panorama van elkaar afwisselende besneeuwde bergtoppen, kronkelende riviertjes die eruitzien als smalle zilveren linten, diep verscholen stadjes en iets dat op een maanlandschap lijkt. Een stuk natuur waar je uren naar kunt kijken. Dan dwalen mijn gedachten onwillekeurig af naar het uitvoerige interview dat ik daags tevoren heb gehad met de grote drugsbestrijder van Peru, generaal Zarathé, leider van de twee jaar geleden in gang gezette Operatie Condor. Zijn betoog was behalve boeiend en helder, ook een trieste schets van de ontwikkelingen gedurende de afgelopen jaren in Peru op het gebied van de cocaïnehandel. Aan de hand van enkele getallen vertelde hij mij hoe gigantisch het probleem inmid- dels is geworden. Was er in de jaren zestig nog slechts sprake van ongeveer twintig hectare, thans wordt de cocaplant op een opper- vlakte van tweehonderdduizend hectare verbouwd. ‘Eén hectare,’ zo betoogde de generaal, ‘levert per jaar in vier oogsten een op- brengst van ongeveer duizend kilo cocabladeren op. Dat betekent een totale opbrengst in Peru van ongeveer tweehonderdduizend ton bladeren. Van deze hoeveelheid wordt ongeveer tienduizend ton geproduceerd voor de industrie. Dus honderdnegentigduizend ton wordt verbouwd voor criminele doeleinden. Uit honderd kilo

cocabladeren wordt één kilo pasta basica vervaardigd. Er is drie
kilo van dit voorproduct nodig voor één kilo zuivere cocaïne. Dat betekent dat de totale illegale cocaïneproductie in Peru zo’n zes- honderdduizend kilo bedraagt,’ aldus generaal Zarathé. Zelfs als men zich bij wijze van spreken een of twee ton verrekent, fi losofeer ik, dan blijft er nog een haast onvoorstelbare hoeveelheid over. De criminele geldstromen die hiermee gemoeid zijn, moeten wel astronomisch zijn.
Een jungleoorlog
Een uur en drie kwartier later landen we op het ‘vliegveld’ van Tingo Maria. Het is feitelijk niet meer dan een landingsstrip die bestaat uit een verharde zand- en grindstrook, samengehouden door een fl inke hoeveelheid gras. Ik slaak een zucht van verlichting als ons toestel, dat met niet geringe snelheid op die baan is neergestreken, eindelijk tot stilstand is gekomen. Grijnzend wijzen de beide vlie- gers, Amerikaanse dea-agenten, naar buiten. Aan weerszijden van de baan staat een tiental zwaarbewapende politiemannen met hun rug naar het vliegtuig gekeerd. Zij houden de directe omgeving in de gaten. Het grimmige van de situatie is ook zonder nadere toelichting volkomen duidelijk. We taxiën naar een afgelegen gedeelte van de grasmat waar we parkeren in de directe omgeving van twee Ameri- kaanse gevechtshelikopters. Daar worden we opgewacht door een aantal Amerikaanse en Peruviaanse collega’s. Het bekende ritueel volgt: kennismaken, handen schudden, gekscherende opmerkingen. Vervolgens stappen we in twee groepjes in de beide helikopters. Bin- nen enkele ogenblikken hangen deze toestellen in de lucht en zet- ten we koers in noordelijke richting. Onze verkenningsvlucht in het frontgebied van Operatie Condor is begonnen. Het heeft alles bij elkaar genomen zowel iets sinisters als on- heilspellends en spannends. Het fl akkerend geluid van de rotor, de dreigende loop van de aan weerszijden van de heli bungelende ma- chinegeweren, patroonbanden binnen handbereik en ten slotte de speurende blikken van de piloten, een dea-agent en een Peruviaanse politieman, en de in het grote toestel verspreid zittende of liggende overige bemanningsleden. Comfort past niet in een jungleoorlog, dus ook niet in een helikopter op verkenning. Het interieur bestaat uit enkele munitiekistjes, die overigens goed bruikbaar blijken te zijn als zitje. Behalve voor de beide vliegers zijn er nog twee extra koptelefoons aanwezig. Ik krijg er eentje aangereikt en de kolonel

zet de andere op. We kunnen nu zowel met elkaar als met de piloten
praten. Een bijkomend voordeel is dat het gedreun van de motor tenminste iets wordt gedempt. Gordels om je vast te sjorren zijn er niet. Als je je verplaatsen wilt is het vooral zaak je goed vast te houden aan een of andere buis. Die noodzaak is er des te meer omdat de deuren aan weerszijden wagenwijd zijn opengeschoven. Niemand maakt aanstalten om ze dicht te schuiven. Integendeel, iedereen vindt het blijkbaar de gewoonste zaak van de wereld en dus sluit ik mij er maar bij aan met een gezicht alsof het ook voor mij dagelijkse kost is. Een voordeel is in ieder geval de enigszins verkoelende wind die door het toestel jaagt. Vliegend op een hoogte van niet veel meer dan honderd meter, volgen we gedurende enige tijd de loop van de brede, kronkelige, vaalbruin gekleurde Hual- laga-rivier, die met zijn ontelbare zijarmen dwars door deze onme- telijke jungle stroomt. Aan weerszijden is een afwisselend landschap te bewonderen van bergen en dichtbegroeid, ondoordringbaar oer- woud. Slechts zeer sporadisch kan ik enkele fragmenten van een kronkelend zandweggetje ontdekken. De berghellingen zijn als het ware bezaaid met cocaïneplantages. De hardgroene bladeren steken duidelijk af bij de rest van de omgeving. Bij deze plantages zijn hier en daar halfverscholen bouwseltjes te zien, die dienen als onderko- men voor de plantagekwekers. Op tal van plaatsen is men kennelijk begonnen een nieuw stuk berghelling in gereedheid te brengen voor de verbouw van coca, getuige de talrijke omgekapte bomen en de verschroeide aarde. Schuin onder ons koerst de andere helikopter. Het toestel maakt de meest vreemde capriolen. Het scheert rake- lings om berghellingen heen, stijgt plotseling snel om vervolgens nog sneller een neerwaartse beweging te maken. Het toestel is op zoek naar primitieve laboratoria, waar de eerste bewerking van cocabladeren plaatsvindt. Via de boordradio wordt mij uitgelegd dat je zo’n plaats kunt ontdekken aan de hand van fl arden veelal lichtblauw of zwart plastic, dat wordt gebruikt bij het toedekken van de bladeren. Ook kan het zijn dat er in de directe omgeving plastic vaten met chemicaliën liggen. In ons toestel ben ik niet de enige die gefascineerd raakt door het stukje ware verkenningsacro- batiek dat zich beneden ons afspeelt. De kolonel bijvoorbeeld volgt met argusogen iedere springbeweging die de helikopter maakt. Zijn gezichtsuitdrukking verraadt een duidelijke bezorgdheid. Via de luid krakende intercom mompelt hij iets onverstaanbaars in mijn koptelefoon. De gebaren die hij erbij maakt, na eerst in het diepe gat onder ons te hebben gewezen, spreken echter duidelijke taal.

Die stuntvliegerij spreekt hem niet zo aan, al was het alleen maar
vanwege het gevaar om door de een of andere desperado daar bene- den te worden afgeschoten. ‘Het zou niet de eerste keer zijn,’ brult iemand in mijn oor. Onze eerste piloot laat het toestel iets zakken en een fl auwe bocht naar rechts maken. Via de intercom wijst hij op een illegale landingsstrip, vlak bij een zijarm van de Huallaga-ri- vier. Het is een zandbaan van ongeveer honderdvijftig meter lengte. Over de hele lengte van die baan is een vijftal grote bomtrechters zichtbaar, die het landen van smokkelvliegtuigjes verder onmoge- lijk maken. Als een stille getuige ligt halverwege naast de strip het wrak van een eenmotorig vliegtuigje. Het is slechts één van de tien- tallen landingsbanen die door de cocaïnemaffi a in de jungle zijn aangelegd. Verder naar het oosten, richting Amazonegebied, liggen zelfs banen die met asfalt zijn aangelegd en waarop ook grote trans- porttoestellen kunnen landen. De smokkelvliegtuigen, legt de kolo- nel uit, worden gevlogen door een allegaartje van Colombiaanse en Amerikaanse vliegers van het type avonturier of erger. Sommigen hebben nauwelijks het aantal vlieguren om het predikaat ‘ervaren’ te mogen voeren. ‘Bij Operatie Condor hebben wij in Peru tot nu toe 22 smokkelvliegtuigen van uiteenlopende types buitgemaakt,’ gaat hij verder. ‘Veertien daarvan zijn verongelukt of neergescho- ten,’ voegt hij er voldaan aan toe.
De vampier
In een brede bocht van de rivier ontdekken wij plotseling een lange platte boot, die langzaam in zuidelijke richting vaart. Midden op het vaartuig is een hoeveelheid in zwart verpakte lading zichtbaar. ‘Vermoedelijk een grote hoeveelheid cocabladeren,’ meldt een van onze waarnemers. Via de boordradio wordt overleg gevoerd met de andere helikopter. Ze besluiten dat wij door zullen vliegen naar een nabijgelegen veldpost van de Guardia Civil, om daar een onder- scheppingsgroep aan boord te nemen en vervolgens de boot aan te houden en te doorzoeken. Uiteindelijk bedraagt de buit vierhonderd kilo cocabladeren. Het succes kan die dag niet op als we enige tijd later een vrachtauto onderscheppen met enkele vaten chemicaliën, die gebruikt worden voor de verwerking van cocabladeren. Het is de 36e binnen Operatie Condor. Terwijl de helikopter vlak boven de grond hangt, springen zes man van de onderscheppingseenheid eruit en rennen met het machinepistool in de aanslag in de richting van de inmiddels gestopte vrachtauto. Mijn begeleiders hebben blijkbaar

van mijn gezicht afgelezen wat ik op dat moment zou willen. Zij
schudden echter resoluut het hoofd. Het risico is te groot en ik moet dus volstaan met het maken van enkele foto’s vanuit de helikopter, die overigens binnen enkele seconden weer een veilige hoogte heeft gekozen.
Op de politieveldpost nemen we een korte pauze. In de schamele onderkomens huizen zo’n zestig man van de Guardia Civil. Zij heb- ben hun verblijf van twee maanden erop zitten en wachten op af- lossing uit Lima. Eenmaal terug zullen zij hun normale politiewerk weer oppakken. De veldpost, gelegen in een bocht van de Huallaga- rivier, is een goedbewaakte stelling. Overal staan zwaarbewapende wachtposten achter hoog opgestapelde zandzakken. Ergens onder een afdak staat een pick-uptruck, of liever gezegd, wat daar nog van over is. Tientallen grote kogelgaten geven aan dat deze politieauto zwaar onder vuur is genomen. ‘Veertien dagen geleden, hier vlakbij, in een hinderlaag van de drugsmaffi a gelopen. Vijf van mijn mensen werden gedood,’ is het zakelijk commentaar van de commandant van de eenheid. Hij wijst in de richting van het nabijgelegen stadje Tocache en legt uit dat daar een maand geleden een hevig treffen heeft plaatsgevonden tussen leden van de cocaïnemaffi a en guer- rillastrijders van het ‘Lichtend Pad’. Toen de kruitdampen waren opgetrokken, telde men 35 doden. De plaatselijke maffi abaas, bij- genaamd ‘De Vampier’, vluchtte met zijn aanhang het oerwoud in. Zijn villa werd door de Guardia Civil in beslag genomen en prompt tot plaatselijk politiebureau verheven. Onder zware bewaking mag ik er de volgende dag een kijkje nemen. Het huis, te midden van de schamele ellende van de rest van de bevolking van het plaatsje, is omgeven door zandzakken, en daarmee tot een moeilijk te nemen vesting geworden.
De nacht breng ik door in een onderkomen aan de rand van de jungle. Ik loop nog even naar buiten om naar de grote variëteit van fascinerende oerwoudgeluiden te luisteren. Het is volle maan, met een heldere sterrenhemel. Een ideaal vakantieoord, overpeins ik, met een prachtige, ongerepte natuur waar alles zo vredig lijkt. De discreet rondschuifelende wachtposten, machinepistool losjes onder de arm, brengen mij weer terug in de realiteit. Hier wordt de cocaï- neoorlog gevoerd en dit is de eerste linie.

de sovjet-unie
Perestrojka en Glasnost
‘De bittere waarheid is beter dan een goede leugen.’ Ik had nooit verwacht nog eens een dergelijke ‘Glasnost-uitspraak’ te zullen op- tekenen uit de mond van een Russische politiegeneraal met wie ik, nota bene in Moskou, uitvoerig van gedachten zou wisselen over de criminaliteit in de (toenmalige) Sovjet-Unie. Ook Rusland heeft op mij altijd een bepaalde aantrekkingskracht uitgeoefend. De geschie- denis van de Tweede Wereldoorlog is daaraan zeker niet vreemd. Steden als Moskou, Leningrad en Stalingrad vormden in mijn jeugd een begrip voor de heroïsche strijd die de Russen voerden tegen dat- zelfde nazi-Duitsland dat ons land onder de voet had gelopen. Hoe meer buitenlandse politiekorpsen ik gedurende mijn loopbaan be- zocht, hoe sterker mijn verlangen werd om ook eens met mijn Rus- sische collega’s kennis te maken. Niet alleen wilde ik weten hoe ze er als vakgenoten uitzagen, mij interesseerde zeker ook de Russische ‘politiemens’. Lang heb ik betwijfeld of ik daartoe ooit de kans zou krijgen. Weliswaar had burgemeester Peper ook hierin een bemid- delende rol gespeeld, maar de Russische ambassade in Den Haag was bijzonder traag in het verlenen van een visum. Uiteindelijk lukte het toch. Twee dagen voor Pinksteren, in mei 1989, ik was inmiddels Korpschef ad interim in Gorinchem, liet iemand van de Russische ambassade mij telefonisch weten dat het ministerie van Binnenlandse Zaken in Moskou mijn verlanglijstje voor een bezoek aan de politie in Moskou en Leningrad had goedgekeurd en dat ik op de dinsdag na Pinksteren in Moskou werd verwacht. Ik heb vervolgens stad en land afgebeld in een poging voor die dinsdag nog ergens een vlieg- tuigstoel te bemachtigen, hetgeen uiteindelijk lukte bij Aerofl ot in Brussel. Daar was nog een stoel vrij op een rechtstreekse vlucht van Brussel naar Moskou. Aan boord van de overvolle en bepaald niet geruisloze Tupolev waande ik mij de enige Nederlandse politieman die op weg was naar Moskou. Ergens hoog in de lucht werd ik reeds na korte tijd uit die droom geholpen, toen de Enschedese rechercheur Gerrit Engelbertink plotseling naast mij opdook. Achter mij bleek het complete Enschedese Politiemannenkoor te zitten. Zij waren via Moskou op weg naar Riga om daar een concert te geven. Al direct bij aankomst in Moskou verzekerde mijn begeleider en tolk majoor Alexander Popov mij, dat al mijn wensen zo goed moge- lijk zouden worden vergevuld. ‘Wanneer we niet het hele program-

ma kunnen afwerken, dan ligt dat uitsluitend aan tijdgebrek,’ verze-
kerde hij me. Het hoofdkwartier van de Russische politie bleek een indrukwekkend gebouw. In de ruime hal namen de afbeeldingen van Gorbatsjov en het borstbeeld van Lenin, omgeven door een aantal rode vlaggen, een centrale plaats in. De kraakheldere, lange, statige en wat kil aandoende gangen waarop slechts potdichte en naamloze deuren uitkwamen, maakten een uitgestorven indruk. Glasnost had in dit gebouw in ieder geval nog niet geleid tot de ‘opendeurcul- tus’ Nederlandse stijl, was mijn eerste voorzichtige conclusie. Ik be- hoefde echter niet lang te wachten om van het tegendeel te worden overtuigd. Op innemende wijze werd ik ontvangen door de tweede man van de Russische politie, generaal majoor Vladimir Maximov, een vriendelijke midden vijftiger met een lange en indrukwekkende staat van dienst, getuige ook de vele onderscheidingen die hij op zijn uniform droeg. Het eerste halfuur van onze kennismaking werd be- steed aan het over en weer uitwisselen van loopbaanachtergronden. Dat schiep al direct een zekere band. We bleken namelijk beiden in de jaren vijftig op de onderste sport van de ladder, respectievelijk in Moskou en Rotterdam, als diender te zijn begonnen. ‘Perestrojka en Glasnost hebben de Russische politie ook niet onberoerd gelaten,’ zei de generaal, die deze ontwikkelingen van harte toejuichte. ‘De hervormingen in de Sovjet-Unie,’ vervolgde hij, ‘zullen ongetwijfeld ook van invloed zijn op onze organisatiestructuren en strategieën.’ Hij roemde president Gorbatsjov voor diens uitspraak dat er meer geld gestoken moest worden in de technische middelen van de poli- tie. In dat verband stak Maximov bepaald niet onder stoelen of ban- ken dat Rusland veel kan leren van de politie in het Westen. Aan het einde van ons gesprek verzekerde de generaal mij dat de deur van de politiekeuken in Moskou, wat hem betrof, wijd voor mij openstond. In mijn vraagstelling behoefde ik mij op geen enkele wijze geremd te voelen, benadrukte hij nog eens: ‘Glasnost.’ Kunst en cultuur
Wat dat laatste betreft, heeft generaal Maximov niet te veel gezegd. In Moskou zijn inderdaad allerlei deuren voor mij opengegaan en heb ik frank en vrij (via de tolk) met tientallen politiefunctionaris- sen over het vak kunnen spreken. Iedereen deed zijn best om de talloze vragen die ik had zo goed mogelijk te beantwoorden. De gesprekken hadden zowel betrekking op de politieopleiding als op tactiek, techniek en middelen bij de bestrijding van allerlei vormen

van criminaliteit. Wat die technische middelen betreft, was ik niet
direct onder de indruk. Of het nu ging om verbindingsmiddelen, telexapparatuur, camera’s, waarnemingsapparatuur of voertuigen, het was allemaal verouderd materiaal, dat mij sterk deed denken aan mijn begintijd bij de Rotterdamse politie. Een computer heb ik er nauwelijks kunnen ontdekken. Gezien mijn achtergrond met be- trekking tot de fbi na, had ik uiteraard een bezoek aan de Russische politieacademie hoog op mijn verlanglijstje staan. Aan die wens is in ruime mate voldaan. Mijn twee begeleiders brachten mij naar het indrukwekkend instituut dat ruim veertig kilometer buiten Moskou aan de rand van een bos lag. Dat de begrippen Perestrojka en Glas- nost inmiddels ook tot de Russische politieacademie waren door- gedrongen, werd mij al direct duidelijk gemaakt bij de ontvangst. Generaal Nikolai Arestov leidde mij rond door twee tijdelijk tot kunstgalerij ingerichte zalen. Er was niet alleen een tentoonstelling ingericht met schilderijen van bekende Russische schilders, maar ook van een groot aantal abstracte werken. ‘Perestrojka,’ glunderde de generaal. Volgens hem was het nog maar een jaar of wat geleden volstrekt onmogelijk dit soort kunstwerken, nota bene in een poli- tieacademie, te exposeren. ‘De bedoeling die wij ermee hebben, is de hier studerende politieoffi cieren te laten discussiëren over kunst en cultuur,’ lichtte hij toe. De commandant van de academie en vier stafl eden schetsten mij vervolgens een gedetailleerd beeld van het in totaal twee jaar durende opleidingsprogramma. Aan de politieaca- demie worden alleen politieoffi cieren toegelaten die reeds de rang van kapitein of majoor hebben en die in de nabije toekomst een nog hogere functie in de politieleiding moeten gaan vervullen. De indrukwekkende ‘fanfare’ bij de diploma-uitreiking was uiteraard op Russische leest geschoeid. Waarom ook niet, dacht ik toen ik de videofi lm zag. De Amerikanen hebben per slot van rekening ook hun eigen regie en in Rotterdam doen we het weer anders, ’s lands wijs, ’s lands eer.
Lenin
Of het kwam omdat Leningrad nu eenmaal een zusterstad van Rot- terdam is weet ik niet, maar de ontvangst en de openheid waren in die stad zo mogelijk nog groter dan in Moskou. Leningrad is in meer dan één opzicht een fascinerende stad. Ik zou er dagenlang kunnen rondzwerven, al was het alleen maar om de kunst- en cul- tuurhistorie te bewonderen. Van hetgeen Leningrad gedurende de


Tweede Wereldoorlog heeft ondergaan werd ik stil. Met ontroering denk ik terug aan de gigantische laatste rustplaats van zo’n zeshon- derdduizend burgers en militairen, waar de hele dag vanuit bomen en struiken de muziek ten gehore wordt gebracht van Beethovens negende symfonie.
‘Vanuit deze kamer heeft Lenin in oktober 1917 de revolutie ge- leid. In deze kamer is feitelijk ook de geschiedenis van de Russische politie begonnen,’ vertelde kolonel Victor Frolov, hoofd van de ge- uniformeerde politie, toen hij mij in het hoofdkwartier van de com- munistische partij van Leningrad iets vertelde over de historie van de stad. Ditzelfde gebouw, tot 1917 een exclusieve school, fungeer- de tijdens de Oktoberrevolutie als hoofdkwartier van Lenin en zijn medestanders. ‘De werkkamer van Lenin is met alles erop en eraan geheel intact gebleven en fungeert nu als een soort bedevaartplaats,’ aldus de kolonel. Wanneer hij mij even later in het politiemuseum van Leningrad rondleidt, blijkt dat ook daar de Oktoberrevolutie een centrale plaats inneemt bij het zichtbaar maken van de historie van de Russische politie, beter gezegd, van de Militie. ‘Om u zo veel mogelijk over de politie in Leningrad te vertellen, moesten we natuurlijk bij het begin beginnen,’ zegt de Korpschef, generaal Mi- chail Michailov, wanneer we op zijn werkkamer in het hoofdbureau Ontvangst door generaal Michail Michailov (midden) en
kolonel Victor Frolov

het gesprek met kolonel Frolov voortzetten. ‘Laten we het nu maar
eens hebben over vandaag,’ vervolgt de generaal, een innemend en allround politieman met ruim 35 jaar dienstjaren achter zich. Uit- voerig doet hij uit de doeken hoe de politie in Leningrad is georga- niseerd en met welke problemen het korps wordt geconfronteerd. Over vakorganisaties voor de politie zijn we gauw uitgepraat, ze be- staan namelijk niet. Tijdens ons gesprek willen de beide politieman- nen uiteraard ook wel graag ‘politieberichten’ uit het Westen horen. Aan die wens heb ik de volgende dag in ruime mate kunnen voldoen, toen ik voor een gehoor van zeventig districts- en recherchechefs ruim een uur een boekje opendeed over onze criminele problemen. Je kon een speld horen vallen.
Een kruisraket
Of ik misschien ook het cellencomplex wilde bekijken, vroeg een districtschef mij tijdens een bezoek aan het Lenininski-district in het centrum van de stad. Bereidwillig, maar met veel geknars en ge- piep wordt vervolgens een van de celdeuren opengemaakt. Op het uitnodigend gebaar van de chef stap ik de schaars verlichte cel van vijf bij vier meter binnen. Vanaf een ruime houten brits staren drie gevangenen van goed in de twintig mij verbaasd zwijgend aan. Ik heb niet al te veel tijd nodig om het interieur in me op te nemen. De enige lichtval in de cel komt via een luchtrooster, ergens hoog in de muur. In een hoek van de cel dient een soort glijgoot als toilet. Vlak ernaast bevindt zich een waterkraantje, waaraan een aluminium be- kertje bungelt. Voor het overige, een kale cel met grauwe muren. Toen ik het allemaal bekeken had, wist ik plotseling wat het begrip ‘kerker’ eigenlijk precies inhoudt. ‘Njet’ luidt het antwoord op mijn vraag of de arrestanten ook gelucht worden. De tolk liet me weten dat het mij vrijstond om de gevangenen vragen te stellen. Waarom hij vastzit, vraag ik aan een van de drie. ‘Diefstal van socialistische eigendommen, maar ze hebben geen spat van bewijs en ze kunnen me niet langer dan drie dagen vasthouden,’ vertaalt de tolk, die me vervolgens te kennen geeft dat de arrestant mij ook graag een vraag zou willen stellen. Wanneer ik, vanzelfsprekend, ‘ja’ heb geknikt, vraagt hij of de cellen er in Nederland precies zo uitzien. Toen ik goed en wel in Nederland teruggekeerd was, rees bij mij het plan om – als enthousiast langeafstandsfi etser – in het voorjaar in het kader van de ‘Vredesmanifestaties Rotterdam 1990’ een fi ets- tocht te ondernemen van Leningrad naar Rotterdam. Ik had het al

zo ongeveer voor elkaar dat ik in het voorjaar met een vrachtboot
de heenreis zou kunnen ondernemen. Generaal Michail Michailov reageerde enthousiast op het plan. Hij liet mij per brief weten dat ik in de regio Leningrad op zijn volledige steun en op een ‘warme gast- vrijheid’ zou kunnen rekenen. Burgemeester Bram Peper deed ook nu weer zijn best om te bemiddelen en de verschillende ambassades in het Oosten te informeren en, waar nodig, om ondersteuning te vragen. Echter, de Russische ambassade in Den Haag bleek ‘met het oog op mijn veiligheid’ minder enthousiast. De op zijn laatste benen lopende Deutsche Demokratische Republik (ddr) weigerde botweg een visum af te geven. Einde verhaal dus. ‘Voor het overige moet de heer Blaauw vooral goed uitkijken: de ddr is een “fi etseronvrien- delijk” land’, had de Nederlandse ambassadeur in Oost-Berlijn nog aan Bram Peper geschreven. Achteraf misschien dus toch maar goed dat het niet doorging, maar ik blijf het jammer vinden. Enkele jaren later werd ik opgebeld door iemand van de Rus- sische ambassade in Den Haag, die mij tot mijn grote verrassing mededeelde dat kolonel Victor Frolov in Nederland vertoefde en mij graag zou willen ontmoeten. In gezelschap van een tolk heeft hij mij de volgende dag thuis bezocht. Ik had hem in ons huis rondgeleid, en juist op het moment dat wij in de keuken waren aangekomen, ging mijn telefoon. Terwijl ik die in de woonkamer beantwoordde, nam Nelly de regie over. Even later hoorde ik Victor en mijn vrouw uitbundig lachen. Wat de grap was geweest, vroeg ik Nelly. ‘Ik heb hem verteld over de tijd van de kruisraketten en de posters waarop toen stond “liever een kruisraket in mijn tuin, dan een Rus in mijn keuken”, en nou staat er hier een, zei ik hem.’ Nelly heeft in diezelf- de keuken, zoals altijd, een heerlijke maaltijd klaargemaakt, waar ook Victor Frolov en zijn tolk van hebben genoten. We hebben met z’n vieren wat af gelachen die avond.

HOOFDSTUK ACHT
HOOFDCOMMISSARIS
VAN POLITIE
‘Sta niet alleen achter je mensen, maar ook bij je mensen. Zij
hebben daar recht op. De erkenning als leider wordt primair
bepaald door het respect dat men voor jou heeft en dat is weer
afhankelijk van jouw eigen gedrag en prestaties.’
Uit mijn toespraak tijdens het interne afscheid van de Rotterdamse politie, april de stoelendans
Meedoen of niet?
Op een dag in oktober 1982, ik was toen commissaris chef van de rechercheafdelingen, stapten twee in leeftijd oudere commissarissen mijn kamer aan het Hoofdbureau binnen met een wat wonderlij- ke boodschap. Nadat zij mij hadden geattendeerd op het feit dat Hoofdcommissaris Vermeij over ruim een jaar als Korpschef met pensioen zou gaan, vertelden ze dat ze met elkaar hadden nagedacht en gediscussieerd over de vraag wie hem zou moeten opvolgen. Zij vonden dat de nieuw te benoemen Hoofdcommissaris in ieder ge- val iemand uit ons eigen korps zou moeten zijn. Daar kon ik he- lemaal in meegaan, beaamde ik. Tot mijn niet geringe verbazing gaven ze mij vervolgens onomwonden te kennen dat ik naar hun opvatting de opvolger van Vermeij zou moeten worden. Of die sug- gestie als geintje was bedoeld, vroeg ik. Ik had namelijk bepaald geen aspiraties om ergens in Nederland Korpschef te worden. Met mijn baan als commissaris chef van de Rotterdamse recherche was ik meer dan gelukkig en ik hoopte dat ook de resterende zes jaren van mijn loopbaan zo te houden. Bovendien, zo hield ik de beide collega’s voor, meedingen naar de rang van Hoofdcommissaris zou

voor mij feitelijk betekenen dat ik een rang zou overslaan, namelijk
die van hoofdambtenaar 2e klas. Dat leek mij binnen de strakke hiërarchie in politieland een wat al te optimistische gedachte. Bij dit alles kwam ten slotte nog dit, betoogde ik, dat ik mij nog nooit een seconde had beziggehouden met de specifi eke vraag of de baan van Hoofdcommissaris Korpschef van de Rotterdamse politie wel iets voor mij zou zijn. Of ik over dat laatste punt dan toch eens goed zou willen nadenken, vroegen de collega’s. Die toezegging heb ik toen gedaan, zij het na enige aarzeling.
’s Avonds thuis heb ik het voorval met mijn vrouw besproken. Ook voor haar was het uiteraard iets volkomen nieuws, want zij wist dat ik mij in mijn baan als een vis in het water voelde. We spraken af het idee een paar dagen te laten bezinken tot het komen- de weekeinde. Dan zouden we er samen nog eens uitgebreid over praten, waarna ik de knoop zou doorhakken: meedoen aan de ko- mende stoelendans of blijven zitten waar ik zat. In ieder geval wilde ik de daaropvolgende maandag de beide collega’s een defi nitief ja of nee laten horen. Het standpunt van Nelly was zoals altijd even sim- pel als oprecht duidelijk: ‘Als jij vindt dat je het aan kunt en je het ook werkelijk wilt... mijn steun heb je; wanneer je je daarentegen op je huidige stek voldoende gelukkig voelt... ben ik dat ook.’ Het antwoord dat ik die maandagochtend aan de collega’s ‘headhunters’ heb gegeven, luidde ‘ja, ik doe mee’. Daarmee brak tegelijkertijd een periode aan die ik ook niet licht zal vergeten. Een man van de oude, starre stempel
Reeds enkele dagen na die bewuste maandagochtend en nog voordat de vacature voor Korpschef was opengesteld, kreeg Vermeij lucht van mijn voornemen om ook mee te lopen in de race voor zijn op- volger. Hij was des duivels en ik begrijp tot op de dag van vandaag eigenlijk nog steeds niet waarom eigenlijk. Hoe het ook zij, direct na opening van de eerstvolgende commissarisvergadering – die werd altijd op vrijdagochtend gehouden – uitte hij in niet mis te verstane bewoordingen zijn woede over het feit dat ‘achter zijn rug om’ door commissarissen was gepraat over zijn eventuele opvolger. Hij vroeg zich hardop af hoe men het in zijn hoofd had gehaald om mij in dat verband te benaderen, terwijl ik nog niet eens ‘hoofdambtenaar 2e klas’ was. Een verdere discussie was uitgesloten, want tot grote ver- bazing en onder absolute stilte van de ongeveer vijftien aanwezigen verliet hij direct hierna de vergadering. Met een klap sloeg hij de

deur van de vergaderzaal achter zich dicht. Na de vergadering, die
verder niet veel meer voorstelde, heb ik nog getracht een gesprek met hem op gang te krijgen, maar hij wenste niet over ‘de affaire’ te praten. Als hem nu ‘een bos brandnetels’ zou worden aangeboden, zou hij die weigeren, zo liet hij mij op korzelige toon weten. Voor de rest speelde hij een grote rol met betrekking tot zijn opvolging en daar had ik maar rekening mee te houden, zo besloot hij het korte gesprek. Het hele gedoe leidde nog geruime tijd tot een gespannen situatie binnen de commissarisvergadering. Later is dat weliswaar bijgetrokken, maar er is toch wat mij betreft altijd iets van blijven hangen.
Nadat mijn sollicitatie begin 1983 een feit was geworden en de vertrouwenscommissie inmiddels volop met haar werkzaamheden aan de slag was, deed zich een tweede incident voor. Deze keer werd dat in gang gezet door een verhaal in het juninummer van het In- formatiebulletin van de Partij van de Arbeid, gewest Rotterdam. De auteur van het verhaal, het Statenlid voor de pvda mevrouw Fer- nande Hazewinkel, liet eerst allerlei kritische geluiden horen over het functioneren van de Rotterdamse politie in het algemeen. Dat deel van haar betoog kwam er in essentie op neer dat de Rotter- damse politie ‘muurvast’ zat en dat het korps dringend toe was aan de nodige hervormingen. Zij vervolgde aldus: ‘Maar er is nog hoop, de Rotterdamse politie krijgt volop de kans in de nabije toekomst, want de huidige Hoofdcommissaris gaat binnenkort met pensioen en onder de sollicitanten kan men uitkijken naar voorzichtig pro- gressieven. Een van de kanshebbers, althans volgens de geruchten- machine, is een insider, een man van de oude, starre stempel, die “law-and-order” predikt, iemand met weinig diplomatieke gaven, gezien zijn publieke uitspraken. Maar wie weet is bij de opstellers van de voordracht aan Hare Majesteit de Koningin het besef aanwe- zig dat de tijden daar niet meer naar zijn, dat stilstand achteruitgang is, dat regeren vooruitzien is, om maar eens wat clichés uit de kast te halen. (...) Hij [de nieuwe Hoofdcommissaris, jab] moet zich bezin- nen op de taak die de politie heeft in de huidige maatschappij, weten wat er in de wijken leeft.’ Wat een typisch linkse arrogantie, dacht ik toen ik het verhaal had gelezen. Als iemand wist wat er in de wij- ken aan de hand was, wisten wij, Rotterdamse politie dat, en dan nog eens beter ook dan de politiek. Mevrouw Hazewinkel besloot haar relaas: ‘Moge de bestuurders de wijsheid hebben de juiste man op de juiste plaats te kiezen met het oog op de toekomst van onze stad. Rotterdam en de Rotterdammers verdienen meer progressie

waar het politiezaken betreft. Alleen dan wordt de politie in de ware
zin des woords onze beste kameraad.’ ‘De beste kameraad van de pvda...’ schreef Koos de Gast in zijn zoals altijd kernachtige column in het Rotterdams Nieuwsblad van 21 juni 1983. Dat de (wat laffe) aanduiding ‘insider’ in het verhaal van mevrouw Hazewinkel op mij sloeg, behoeft geen nader betoog.
Hemel, beware ons voor Blaauw
Een reactie van Hoofdcommissaris Vermeij op het verhaal van me- vrouw Hazewinkel kon en mocht vanzelfsprekend niet uitblijven. Dat weerwoord loog er trouwens ook niet om, hetgeen vervolgens weer de toorn opwekte van de voorzitter van de Partij van de Arbeid- fractie in de Rotterdamse gemeenteraad, Johan Henderson. Vermeij liet in een persbericht aan de media namelijk onder meer weten dat hij zich ‘bijzonder gegriefd’ voelde door de uitlatingen van de pvda- politica en het ‘een politieke partij onwaardig’ te vinden op deze wijze in de publiciteit te treden’. ‘Zij [mevrouw Hazewinkel, jab] doet in grote mate onrecht aan een korps dat met zijn medewer- kers zoveel heeft gedaan (en ook zal blijven doen) voor het welzijn van zijn medeburgers,’ aldus de reactie van Vermeij met betrekking tot de algemene kritiek van mevrouw Hazewinkel. Ten aanzien van haar stellingname tegen de ‘insider’ zei Vermeij in het persbericht: ‘Ten slotte moet mij van het hart, dat de publicaties rondom één van de sollicitanten voor de straks door mij achter te laten plaats getui- gen van een mentaliteit, die op zijn minst van weinig respect voor privacy of meningsvorm van meer tot oordelen bevoegden blijk geeft. Als er door mevrouw Hazewinkel en door anderen in haar partij zo wordt gemanipuleerd als thans, kan inschakeling van Ver- trouwenscommissie, Politiecommissie en Bevoegd Gezag een farce worden.’ Voorzitter Henderson reageerde getergd. In een brief aan burgemeester Peper stelde hij acht vragen over het persbericht van Vermeij, overigens ‘in de diepste overtuiging dat het Rotterdamse politiekorps een uitstekende staat van dienst heeft, waarop vrijwel niets is aan te merken’. Waar Henderson zich met name aan had ge- ergerd was de zinsnede uit het persbericht ‘... door anderen in haar partij zo wordt gemanipuleerd’. Henderson wilde van Peper weten of hij dacht van Vermeij ‘wellicht enig bewijs voor deze “manipula- ties” te krijgen. Zo niet, of Peper dan niet van mening was dat Ver- meij aan mevrouw Hazewinkel en “anderen in haar partij” veront- schuldigingen zouden moeten worden aangeboden.’ De antwoorden

van Peper vormden in feite een soort kool-en-geitbetoog. De essentie
was namelijk dat hij zich met ‘de intentie van het persbericht’ kon verenigen, ‘al had ik op onderdelen een andere toonzetting en re- dactie wenselijk geacht’. Voorts achtte hij ‘geen termen aanwezig aan wie dan ook te vragen verontschuldigingen aan te bieden’. Zelfs niet aan mevrouw Hazewinkel richting ‘insider’, dacht ik toen ik het verhaal van Peper had gelezen.
Het derde incident deed zich voor vanuit een heel andere hoek. Het ging om een toen aan de Oude Binnenweg gevestigde kroeg be- kend onder de naam De Seen, vanwaaruit de hasjgeur je bij wijze van spreken al op afstand tegemoet walmde. Onder mijn verantwoorde- lijkheid en goedkeurig had de afdeling Verdovende Middelen daar in april 1983 een grootscheepse inval gedaan in verband met vermoe- dens van harddrugs. In het belang van de openbare orde had ik later bij het gemeentebestuur aangedrongen op sluiting van die tent. Over een en ander ontstond nogal wat deining, zowel op het stadhuis als in de media. In juli 1983 – de stoelendans was toen nog volop gaande – werden in het centrum van Rotterdam pamfl etten en posters ver- spreid met de volgende tekst: ‘Blaauw, wat maak je nou? De Seen dicht en de jongeren weer op straat? De rustigste kroeg van de Oude
Binnenweg op slot? En weer een deel van het uitgaansleven kapot?
Nee! Een rood kollege moet beter weten en niet op Blaauw afgaan.
Stappers zijn ook stemmers en willen geen Blaauwtje lopen. De Seen
moet open blijven! De bezoekers van de Seen.’
Ten slotte deed ook een columnist van Het Vrije Volk een duit in
het zakje rond de stoelendans. ‘Hemel, beware ons voor Blaauw’, aldus de kop boven zijn column in de krant van 29 april 1983. Dat verhaal begon als volgt: ‘De hemel beware Rotterdam voor J.A. Blaauw als Hoofdcommissaris. Hij schijnt genoemd te zijn als opvol- ger voor het binnenkort vertrekkende politiehoofd A. Vermeij, maar na wat Blaauw woensdag weer heeft uitgehaald moet deze promotie (net als de Willemstoren overigens) zo mogelijk worden voorkomen.’ Dit stemmingmakend leuterverhaal, dat sloeg op de gebeurtenissen rond De Seen, viel niet overal in goede aarde, zelfs niet bij de hoofd- redactie van de krant. Veertien dagen later namelijk kreeg ik van H.A. Wigbold, hoofdredacteur van Het Vrije Volk, een brief waarin hij onder meer schreef: ‘Ik stel er prijs op u te laten weten dat ik de publicatie in de rubriek Stukgoed persoonlijk betreur. Ik heb de betrokken redacteur onmiddellijk laten weten dat het stuk aan mij had moeten worden voorgelegd en dat ik het, zeker in deze vorm, niet zou hebben goedgekeurd.’ ‘Wegens vakantie’, zo blijkt uit zijn

brief, was Wigbold niet in de gelegenheid geweest eerder te reageren.
Hij bood ‘alsnog’ zijn excuses aan, hetgeen ik zeer heb gewaardeerd. Om de gebeurtenissen rond de stoelendans af te ronden: per 1 maart 1984 werd Jan van Dorp benoemd tot Hoofdcommissaris van politie te Rotterdam. Met ingang van diezelfde datum werd ik door burge- meester Peper aangewezen als plaatsvervangend Hoofdcommissaris. Tevens werd ik in de functie van commissaris Hoofd Uitvoerende Dienst (hud) belast met de leiding van zowel de hele geüniformeerde politie als alle recherchediensten van het korps. Een Rotterdamse burger schreef mij: ‘(...) ik hoop dan ook dat u zich in de nog reste- rende jaren met onverminderde motivatie zult kunnen inzetten in het belang van orde en veiligheid van de stad, waarin ook de start van mijn arbeidsverleden ligt.’ Dat nu was precies wat ik voornemens was te gaan doen en ook met veel plezier gedaan heb. Van mijn deel- name aan de stoelendans heb ik intussen nimmer spijt gehad. veranderingen
Die bij de Rotterdamse politie nog resterende diensttijd van ongeveer zes jaar heb ik ervaren als een zowel boeiende als roerige periode. Boeiend alleen al omdat het ‘gewone’ politiewerk, waar ik tenslotte voor ingehuurd was, 24 uur per dag doorging. Roerig vooral, omdat het korps weliswaar met goede intenties van start was gegaan om een aantal ingrijpende veranderingen in de organisatie te realiseren, maar uiteindelijk, zoals ik in dit hoofdstuk nader zal toelichten, in een betreurenswaardige vertrouwenscrisis terechtkwam. Een korte voorgeschiedenis:
In
1977 was het rapport Projectgroep Organisatiestructuren (pos-rapportage) verschenen, dat in de daaropvolgende jaren als grondslag diende voor ingrijpende veranderingen binnen de Neder- landse politie. Sleutelbegrippen uit die tijd waren: decentralisatie, despecialisatie, deconcentratie, wijkteams, generale taakstelling, horizontalisering van de organisatie, democratisering, strategische beleidsvoering en beleidsdeelname. Samenvattend en wat simpeler geformuleerd: het ‘oude’ heeft afgedaan, alles moet dus op z’n kop en in het vervolg moet iedereen alles kunnen. Ook de terminologie werd geleidelijk aan aangepast. De politie vervulde ten behoeve van de burger bijvoorbeeld niet langer gewoon allerlei opgedragen taken, maar voorzag ‘de klant’ in het vervolg van ‘een breed assortiment van politieproducten’, die tot stand waren gekomen op basis van

‘speerpunten van beleid’, ‘klantgerichte activiteiten’, ‘marktgericht
denken’ en ‘contractmanagement’. De leider heette in het vervolg bij voorkeur ‘manager’. Een ‘cultuuromslag’ was absolute voorwaarde om dit alles te kunnen realiseren en tevens om een einde te maken aan de binnen de politie heersende ‘strakke hiërarchie’. Ook streefde je niet zozeer meer een doel na, als wel een target. Ook binnen de Rotterdamse politie kwam geleidelijk een omvangrijk veranderings- proces op gang. De beoogde organisatorische veranderingen, neer- gelegd in een Beleidsplan 1985-1990, betroffen in de kern genomen de invoering van het decentrale districtenstelsel en de zogenaamde despecialisatie. Dat eerste betekende onder meer dat in de zeven te formeren districten de geüniformeerde dienst en de recherche – en daarmee feitelijk de hele gebiedsgebonden politiezorg – in het ver- volg onder eenhoofdige leiding van een commissaris districtschef zou komen te staan. Op zichzelf genomen vond ik dat een prima zaak. Het realiseren van het districtenstelsel is echter niet van de ene dag op de andere tot stand gekomen. Integendeel. In die turbu- lente jaren is nog weer eens pijnlijk aan het licht gekomen dat het produceren van een ambitieuze bouwtekening voor een andere or- ganisatiestructuur minder tijd kost en minder gecompliceerd is, dan het daadwerkelijk ontmantelen en vervolgens herinrichten van de vanuit de ‘oude’ cultuur gevestigde koninkrijkjes. Dat laatste vereist naar mijn opvatting naast kennis van allerlei managementleerstuk- ken vooral de kunst van gedegen leiderschap. Over de despecialisa- tiegedachte – met name ten aanzien van de recherche – ben ik nooit enthousiast geweest. Ik heb nimmer geloofd in de zogenaamde ge- nerale taakstelling, de allround diender dus. Specialistische centra- les vormen een onmisbaar onderdeel van de recherche. Tegen het geleidelijk onttakelen c.q. deconcentreren (naar de districten) van deze diensten, zoals bijvoorbeeld de Vuurwapencentrale, Verdo- vende Middelen en Zedenpolitie, Criminele Inlichtingdienst (cid) heb ik mij altijd verzet. Met het overhevelen van bepaalde, minder tijdrovende en/of ingewikkelde recherchetaken naar de basispolitie heb ik minder moeite gehad. Waar je, sedert het snelle fotokopi- eerapparaat was uitgevonden, ook aan moest wennen, waren de ellenlange, inhoudelijk door hun ingewikkelde formuleringen soms niet ‘te vreten’ (beleids)rapporten, die met enige regelmaat op je bu- reau neerploften. Daar was op zichzelf nog wel mee te leven, maar beroerder vond ik de soms oeverloze vergaderingen die altijd in het kielzog van de papierstroom meevoeren. Ik had overigens van huis uit altijd al een hekel aan vergaderingen. Dat was met name

het geval wanneer het ontbrak aan een voorzitter die de zaak strak
in de hand had, er geen agenda was en/of als de notulen van de vorige vergadering langer waren dan één A-viertje. Veel vergaderin- gen zouden overbodig zijn, zo heb ik altijd volgehouden, wanneer mensen in de dagelijkse omgang soepeler met elkaar zouden com- municeren, wat mij betreft achter een pilsje bij de Chinees, in plaats van zich in allerlei formele vergaderstructuren te wurmen. Het is daarom, dat heel wat vergaderingen gerangschikt konden worden onder de categorie verspilde kostbare tijd, geld en energie. Soms alleen al omdat het onderwerp simpelweg per telefoon afgehandeld had kunnen worden.
roer overgenomen
Met Jan van Dorp, een oud-marineoffi cier, integer en kundig po- litieman, kon ik het goed vinden. Wij wisten wat we aan elkaar hadden en in mijn functie als Hoofd Uitvoerende Dienst liet hij mij volkomen de vrije hand. Ik had Van Dorp reeds in de jaren zestig le- ren kennen, toen wij beiden inspecteur waren bij de geüniformeerde dienst aan het bureau Oostervanstraat. In 1970 vertrok Jan naar het ministerie van Binnenlandse Zaken, waar hij tot aan zijn benoe- ming als Hoofdcommissaris in Rotterdam werkzaam was geweest bij de afdeling Onderzoek en Ontwikkeling. Gedurende zijn relatief korte periode als Korpschef van de Rotterdamse politie heeft het Jan van Dorp met betrekking tot zijn gezondheid niet meegezeten. Op 6 maart 1985, een jaar na zijn aantreden als Korpschef, werd hij getroffen door een licht hartinfarct. Na een intensief revalidatie- programma zou hij eerst op 10 juni van dat jaar zijn functie weer hervatten. In maart 1986 werd Van Dorp door ziekte andermaal gedwongen zijn werk neer te leggen. Deze keer duurde dat in totaal ruim zes maanden. Gedurende die beide periodes heb ik als plaats- vervangend Korpschef, naast mijn taken als Hoofd Uitvoerende Dienst, het roer overgenomen. Dat hield onder meer in dat ik iedere dinsdagochtend van 09.00 tot 10.00 uur bij burgemeester Bram Pe- per op het ‘ochtendgebed’ verscheen. Daar werd dan in grote lijnen het wel en wee evenals ‘het laatste nieuws’ uit het korps besproken. Met burgemeester Peper heb ik steeds een goede verstandhouding gehad. Vanaf het begin van mijn waarneemperiode lag er een af- spraak tussen Peper en mij: hij liet mij als plaatsvervangend Korps- chef de tent runnen en ik garandeerde Peper dat hij als korpsbe-

heerder niet voor (onaangename) verrassingen zou komen te staan.
Zo is het ook steeds, naar ons beider tevredenheid, gegaan. Slechts één van de taken van Jan van Dorp heb ik gedurende zijn afwezig- heid van in totaal negen maanden niet kunnen uitvoeren. Dat ging om het volgende. Er bestond in die jaren al een soort Raad van Hoofdcommissarissen. Daarin zaten alleen de Korpschefs van de grote steden. Op zekere dag kreeg ik van mijn secretaresse te horen dat in de agenda van Van Dorp een vergaderdatum was vastgelegd voor de eerstvolgende bijeenkomst van Hoofdcommissarissen. Bij nadere informatie kreeg zij echter via de voorzitter van die Raad te horen dat die vergadering uit principe niet toegankelijk was voor de tweede man in het korps. Ik heb er even over gedacht om in de telefoon te klimmen, maar ik had inmiddels geleerd in dit soort situaties eerst langzaam tot tien te tellen. Toen ik dat had gedaan realiseerde ik mij dat tegen zoveel ambtelijke kortzichtigheid op dat niveau toch geen kruid gewassen zou zijn. Dus heb ik het zo maar gelaten.
Voor rotte vis
Een van de eerste klussen waarmee ik in 1986 tijdens de afwezigheid van Van Dorp werd geconfronteerd, betrof een politiële miskleun bij de bouw van het nieuwe politiebureau aan de Boezembocht, intern aangeduid als ‘Bobo’. Ik moest op korte termijn tegenover de raads- commissie politiezaken – daarin zaten de fractievoorzitters van de politieke partijen – tekst en uitleg komen geven over de vraag hoe het had kunnen gebeuren dat ‘Bobo’ een slordige dertien miljoen gulden duurder was uitgevallen dan de oorspronkelijk geplande 35 miljoen. Over dat debacle was op het Stadhuis en in de media de nodige heisa ontstaan. Als Hoofd van de Uitvoerende Dienst had ik met die bouw nauwelijks iets van doen gehad. Mijn kennis met betrekking tot deze kwestie beperkte zich tot de wetenschap dat er een bepaalde overschrijding van het toegestane budget was geweest. Hoe dat verder procedureel in de richting van het gemeentebestuur was verlopen, wist ik niet. Het behoorde trouwens ook niet tot mijn competentie. Nadat ik mij door de betrokken commissarissen had laten bijpraten, besloot ik aan burgemeester Peper te vragen wat hij als voorzitter over deze netelige kwestie tijdens de vergadering te berde zou gaan brengen. Ik deed dat teneinde straks een zo redelijk mogelijk weerwoord bij de hand te hebben. Bram stak zoals gebrui- kelijk met wijde armgebaren een lang verhaal af, dat in feite inhield

– kort samengevat en vrij vertaald – dat hij de Korpsleiding, mij dus,
in de commissie voor rotte vis zou uitmaken. Op die te verwachten ti- rade heb ik mij uiteraard diep bezonnen. Tijdens de vergadering kon ik niet veel meer doen dan het boetekleed aantrekken en de commis- sie voorhouden dat wij ons als Korpsleiding aan het project Bobo gewoon hadden vertild, hetgeen ik vanzelfsprekend ‘zeer betreurde’. Wat kon ik trouwens anders doen? In plaats van de geplande drie etages waren er nog eens zes bovenop gebouwd. Bovendien waren er extra faciliteiten gecreëerd in de vorm van een sportzaal en een schietbaan. Ten slotte konden we in het gebouw zes politiediensten onderbrengen in plaats van twee, zoals de oorspronkelijke plannen wilden. De netelige kwesties betroffen niet zozeer al deze extra’s – er was geen geld over de balk gesmeten – maar het feit dat de Korps- leiding had verzuimd het gemeentebestuur – de burgmeester – van deze overschrijdingen tijdig op de hoogte te stellen. Wij hadden een ‘bouwcommissaris’ rondlopen, maar de eerlijkheid gebiedt te zeg- gen dat bouwmanagement allerminst een politiespecialiteit bleek te zijn. Dat had ik inmiddels ook wel ontdekt. In die geest heb ik mijn verhaal gehouden. De commissie had uiteraard volop kritiek, maar daar is het bij gebleven. Intern was daarmee het laatste woord uiter- aard nog niet gesproken. Na afl oop van de commissievergadering vond ik op mijn bureau een fl esje wijn met daaraan een kaartje met de tekst: ‘Met dank en respect voor de behandeling van Bobo-13.’ Ik heb nooit geweten wie de gulle gever is geweest, maar ik heb niet de illusie dat het mij vanuit de politieke hoek geschonken is. Hoeksteen van de democratie
Mijn uitspraken over problemen in de samenleving zijn mij, zoals ik al eerder heb aangegeven, niet altijd door iedereen in dank afge- nomen. Een wel heel opmerkelijk voorbeeld daarvan was het vol- gende. In een eo-televisie-uitzending van 4 december 1986 met als onderwerp ‘geweld in de samenleving’, had ik de uitspraak gedaan dat het gezin naar mijn opvatting een hoeksteen van de democratie is. Dat was niet de eerste keer dat ik een dergelijke uitspraak had gedaan, maar bij vorige gelegenheden was er nog door niemand op gereageerd. Deze keer dus wel. Enkele dagen na de bewuste televi- sie-uitzending schreef een inwoner van Schiedam een brief aan de Rotterdamse gemeenteraad, waarin hij mij discriminatie toedichtte. Een afschrift van zijn brief zond hij naar het landelijk bestuur van de coc en naar de Gay-krant. In een brief aan burgemeester Peper

schreef de voorzitter van het coc hierop: ‘(...) Discriminatie van
homoseksuele vrouwen en mannen heeft heden ten dage (in Neder- land) nog zelden een heel expliciet karakter. Sommige “offi cials” – zoals recentelijk kardinaal Simonis – vormen daarop een uitzon- dering. Wij gaan ervan uit dat ook u het ongewenst vindt dat me- dewerkers van de overheid door publieke uitlatingen bijdragen aan een geestelijk klimaat waarin discriminatie van homoseksuele vrou- wen en mannen mogelijk wordt gemaakt. Volgens onze informatie is in een vergadering van de gemeenteraad daarom toegezegd dat u – als hoofd van de politie – deze zaak zou onderzoeken. Wij zouden graag van u vernemen wat dit onderzoek heeft uitgewezen.’ In zijn antwoord schreef Peper: ‘(...) Dat een zodanige opvatting iets van doen zou hebben met discriminatie vermag ik bepaaldelijk niet in te zien. Het gaat hier trouwens om een wel vaker verkondigde en in de samenleving ruimschoots gepraktiseerde mening. Persoonlijk deel ik de opvatting van de heer Blaauw niet, omdat ik het verband niet zie tussen democratie en een van de vele samenlevingsvormen die daarin voorkomen. M.b.t. de democratie zijn naar mijn mening andere hoekstenen aan te wijzen (...).’ Nou ja, toen ik over dat ant- woord nadacht, schoot mij inderdaad nog een andere hoeksteen te binnen: vrijheid van meningsuiting. Een maand eerder had een Haagse advocaat ook al een brief geschreven naar burgemeester Pe- per, met nota bene het verzoek mij een spreekverbod op te leggen. Aanleiding daartoe, zo bleek uit de commentaren van die advocaat naar de pers, waren onder meer mijn uitlatingen met betrekking tot de aanpak van het voetbalvandalisme, met name de kwestie ‘werk- kampen’, en mijn optrekken met de Mobiele Eenheid. ‘Toegegeven,’ schreef deze fi guur, ‘op oudere leeftijd wil een commissaris uiteraard wel eens voor “hoofdcommissaris spelen”, maar nu heeft de show – dunkt mij – toch wel lang genoeg geduurd.’ Toen ik deze brief van het secretariaat van Peper kreeg met het verzoek om commentaar, heb ik in de marge geschreven: ‘Een Berufsverbot lijkt mij effectie- ver. G.G.D., Gelezen, Gelachen, Doorgezonden, jab.’ mariniers en de poolcirkel
De stad Rotterdam en het Korps Mariniers zijn al heel lang onver- brekelijk met elkaar verbonden. Dat blijkt alleen al uit de historie van de Rotterdamse politie. In een dienstorder van 3 april 1900 bepaalde hoofdcommissaris W. Voormolen hoe de dienders in het

vervolg een declaratie moesten opmaken voor het ‘vangloon’, in ver-
band met het aanhouden van een ‘uit zijn garnizoen weggelopen [lees: gedeserteerde, jab] marinier’. Tussen dat korps en de Rotter- damse politie heeft ook altijd een bijzondere band bestaan, waaraan ik persoonlijk de beste herinneringen bewaar. Altijd al had ik de wens gekoesterd eens met de mariniers op oefening te mogen gaan in het noorden van Noorwegen. In februari 1987 is me dat ook gelukt. Het was een ervaring, daar rond de poolcirkel, die nog heel vers in mijn geheugen ligt. Gedurende een week verbleef ik bij de Eerste Amfi bische Gevechtsgroep (iaggp), die werd aangevoerd door lui- tenant-kolonel Henk Ramakers. Tijdens dat bezoek werd ik ook uitgenodigd om een nachtje bij de troep in het veld ergens hoog in de bergen te bivakkeren. Met vijf andere gasten, onder wie de voorzit- ter van de vereniging Contact Oud Mariniers, kapitein der mariniers kmr b.d. Jan Herlaar, werden we op een avond ergens gedropt en daar opgewacht door twee onderoffi cieren van de Gevechtsgroep. Een van die twee legde ons uit dat er twee mogelijkheden waren om boven op de berg te geraken, namelijk per rupsvoertuig of gewoon te voet. ‘Aangezien u gekomen bent om het frontleven van de ma- riniers te beleven, kan ik u dus een korte wandeling aanbevelen,’ voegde hij er fi jntjes aan toe. Op de vraag van een uit onze groep hoe lang dat wandelingetje zou gaan duren, kwam een antwoord dat al even mistig was als het weer ter plaatse. Uiteraard waren we aan onze status wel verplicht om ‘spontaan’ te kiezen voor de benen- wagen. Warm aangekleed in het gevechtstenue van de mariniers en met een bepakking van zo’n veertig kilo op onze rug, sjokten we in ganzenmars door een dikke sneeuwlaag in de duisternis naar boven. Een van de onderoffi cieren ging voorop, de ander sloot de rij. Aan het begin van deze barre voettocht konden we ons nog luidkeels enige opwekkende kreten veroorloven, maar naarmate de helling steiler werd, werd het stiller in het ‘peloton’. Bovendien werd de sneeuw dikker en de bepakking almaar zwaarder. Onze onderof- fi cier-gids brulde naar achteren dat we vooral bij elkaar moesten blijven. Ik rilde alleen al bij de gedachte ergens op die godvergeten helling, in de moordende kou van min 28 graden, verdwaald van de groep te raken. Nadat we ongeveer een uur door de sneeuw- storm hadden gezeuld, belandden we in een manshoge loopgraaf. Toen daar bleek dat we vermoedelijk uit koers waren geraakt, kreeg ik even het spookbeeld van een hele nacht in een wijd geopende vrieskist te moeten doorbrengen. Jan Herlaar, die achter me liep, verzekerde mij met overtuiging maar met een bijna bevroren stem


Noorwegen (winter 1987), met burgemeester Bram Peper te gast
bij ‘ons’ onvolprezen korps mariniers; geheel rechts Generaal-
majoor der mariniers T. Rudolphie
dat de mariniers ons in ieder geval niet zouden laten omkomen van honger of dorst. Over andere mogelijke ellende sprak hij weliswaar niet, maar zijn woorden stelden me in ieder geval gerust en gaven me de nodige moed om verder te marcheren. Er zat trouwens ook niks anders op. Tegen middernacht arriveerden we op onze bestemming. Daar werden we verdeeld over de verschillende sneeuwhutten, waar we de nacht zouden doorbrengen. Ik heb nooit geweten hoe gecom- pliceerd maar ook hoe boeiend en leerzaam het is om bij kaarslicht, in een sneeuwhut waar je nauwelijks gebukt kunt staan, te midden van zes mariniers die allerlei raadgevingen over je uitstrooien, uit je bepakking de nodige spullen te vissen en vervolgens je veldbed in orde te maken. Van slapen is die nacht niet veel gekomen. Toen ik rond een uur of drie onder een prachtige sterrenhemel ook mijn rondje wachtlopen vervulde, stond ik op een gegeven moment oog in oog met een naar (uiteraard) het oosten gericht zwaar machinege- weer. De patroonbanden bungelden er uitdagend naast. Een ogen- blik bekroop me de verleiding één keer de trekker over te halen. Op hetzelfde moment besefte ik echter dat ik daarmee niet alleen de indrukwekkende nachtelijke stilte zou verbreken, maar dat vervol- gens, zo wist ik nog uit de oorlog, langs de hele frontlinie de hel zou losbarsten. Zodoende heb ik mijn handen toen maar stevig in mijn

zak gehouden. In die winternacht heb ik, starend naar de prachtige
Noorse sterrenhemel, vervolgens gezworen dat, wanneer ik nog eens oorlogsvrijwilliger zou kunnen worden, het Korps Mariniers mijn absolute keus zou zijn.
toch nog hoofdcommissaris van politie
Ik heb in mijn loopbaan een aantal onvergetelijke dagen mogen bele- ven. De mooiste, voor mij en Nelly, was ongetwijfeld die waarop Jan van Dorp mij een splinternieuwe tuniek overhandigde met daarop de rangonderscheidingstekens van hoofdcommissaris van politie. Deze ceremonie ging gepaard met de mededeling dat ik bij Koninklijk Be- sluit van 20 juli 1987, met terugwerkende kracht per 1 januari 1986, was benoemd tot hoofdcommissaris van politie, hoofdambtenaar 2e klasse. Die feestelijke gebeurtenis vond plaats op maandag 17 augus- tus 1987. Ik had toen 37 jaar bij de Rotterdamse politie achter de rug. De bevordering was conform de voorstellen in het zogenaamde rapport ‘Bakker’, waarbij het aantal hoofdcommissarissen in Neder- land met zeven werd uitgebreid. Toen ik die maandagmiddag samen met mijn vrouw door burgemeester Peper werd ontvangen, bleek dat behalve Jan van Dorp en ikzelf, ook hij mijn benoeming in De Staats- courant had moeten lezen in plaats van het bericht zoals te doen
gebruikelijk, van de minister van Binnenlandse Zaken zelf had ver- nomen. Een ambtelijke blunder op het departement was er de oor- zaak van dat alle bevorderingen plompverloren in De Staatscourant waren opgenomen. Minister Van Dijk had hierover inmiddels per telex aan burgemeester Peper zijn verontschuldigingen aangeboden. De stroom van felicitaties voor mijn bevordering was overweldigend. Er waren trouwens nog andere feestelijkheden in diezelfde augustus- week. Enkele dagen later namelijk – op de verjaardag van mijn zoon Hans – vierde ik mijn veertigjarig ambtsjubileum (mijn diensttijd als oorlogsvrijwilliger was daarin meegerekend). Tijdens een drukbe- zochte receptie om zowel de benoeming als het ambtsjubileum te vieren, ontving ik de Erasmus-speld. Op die maandag waarop ik van Jan van Dorp mijn benoeming tot hoofdcommissaris te horen had gekregen, deed zich nog een incident voor. In mijn dienstauto op weg naar huis ving ik een bericht op van de meldkamer over een steekpartij die had plaatsgevonden nabij het Centraal Station. In dit bericht werd ook een signalement gege- ven van de dader, die gevlucht was in de richting van het Hofplein.


Rotterdam (augustus 1987), korpschef Jan van Dorp speldt mij de
Erasmus-speld op
Aangezien ik daar op dat moment toch reed, besloot ik een schot te wagen. Nog geen twee minuten later zag ik op de Schiestraat een man lopen die niet alleen aan het signalement voldeed, maar die bovendien een hevig bloedende wond aan een van zijn handen had. Ik parkeerde mijn auto op de voetstraat, waarna ik wachtte tot de man wat dichterbij was gekomen. Op dat moment stapte ik uit en maakte mij aan hem bekend als politieman, ik was namelijk in burger. Dat bleek achteraf overbodig, want de man maakte mij duidelijk dat hij dat al had gezien. Zonder problemen overhandigde hij mij een bebloed mes, dat hij nog in zijn hand droeg. Ik liep hem met de benen buiten boord plaatsnemen op de smalle ruimte die de achterbank van mijn dienstauto nog te bieden had. Die was na- melijk volgestouwd met bloemen en planten die ik die dag links en rechts had gekregen. Een buurtbewoner was zo attent de arres- tant een handdoek aan te bieden om de bloedende wond af te dek- ken. Alles bij elkaar een vreemd gezicht, met al die bloemen op de achterbank. Van ‘overmeesteren’ door mij, zoals enkele kranten de volgende dag schreven, was geen sprake geweest. De man had zich gewoon moeiteloos overgegeven. De steekpartij had te maken met een heroïnekwestie.

vertrouwenscrisis
Nadat hij van zijn tweede ziekteperiode was hersteld, hervatte Jan van Dorp per 1 oktober 1986 zijn werkzaamheden als Korpschef. Gedurende de daaropvolgende twee jaar ontstond er binnen het korps geleidelijk aan het nodige gerommel, gepaard gaande met een zekere onvrede. Dat hield naast enkele andere interne kwesties voornamelijk verband met de voortgang van het in gang gezette ver- anderingsproces. In het laatste kwartaal van 1987 ontstonden er zo- doende spanningen tussen de Dienstcommissie en de Korpsleiding. Ook heerste er rond die tijd een gevoel van ongenoegen tussen de Korpsleiding enerzijds en de overige topfunctionarissen anderzijds. Bij de laatstgenoemden bestond, zo vatte Van Dorp het samen, een gemis aan gezamenlijkheid, aan informatie/communicatie. Boven- dien bestonden er gevoelens dat men onvoldoende bij de besluitvor- ming werd betrokken. De verschillende conferenties tussen Dico en Korpsleiding konden uiteindelijk niet verhinderen dat het steeds ver- der groeiend ongenoegen enkele weken voor mijn afscheid van het korps een hoogtepunt bereikte. De Dienstcommissie zegde namelijk per brief van 30 maart 1988 aan burgemeester Peper het vertrouwen op in de Korpsleiding. Dat waren op dat moment behalve Jan van Dorp, ook de diensthoofden, Hans van de Meer, Cees Ottevanger en ik. Het confl ict spitste zich overigens onmiskenbaar toe op Jan van Dorp. Wat hem verweten werd kwam er samengevat op neer dat hij de grootscheepse reorganisatie binnen het Rotterdamse korps niet goed begeleidde, dat hij te ver af stond van het personeel, en dat het hem ontbrak aan daadkracht en leiderschap. Zoals het blijkbaar nu eenmaal lijkt te moeten gaan met dit soort nog ‘geheime’ brie- ven aan de burgemeester, lag het verhaal reeds de volgende dag op straat. Na lezing van het Rotterdams Nieuwsblad wist zodoende het hele korps al op 31 maart hoe de vlag ervoor stond, althans voor wat de Dienstcommissie betrof. Veertien dagen later, op 15 april, vond er een gesprek plaats tussen een vertegenwoordiging van de Dico, de Korpsleiding en burgemeester Peper. Gedurende dat onge- veer twee uur durende gesprek werden over en weer de standpunten uit de doeken gedaan, maar werden er door Peper nog geen conclu- sies getrokken. De burgemeester wilde eerst spreken met het korps- beraad (de overige commissarissen) en de vakorganisaties. Daarna zou hij in de maand mei, dus na mijn afscheid, op de ontstane situ- atie terugkomen. Nog diezelfde dag werd hetgeen reeds uitgebreid in de kranten had gestaan een offi cieel feit: er was een vertrouwens-

crisis tussen de Dienstcommissie en de Korpsleiding. Waarom de
Dico slechts enkele weken voor mijn afscheid deze ambtelijke bom liet ontploffen, kan worden afgeleid uit het volgende citaat uit een brief d.d. 15 april 1988 van de voorzitter van de Dico: ‘(...) Vaak is de laatste tijd de vraag gesteld, waarom juist nu, kort voor het afscheid van de plv. Korpschef, e.e.a. in werking werd gesteld. Dit heeft de volgende achtergrond. Binnen de Dienstcommissie werd gedurende een achttal weken over dit punt in besloten kring ver- trouwelijk gesproken. Niettemin ontstond enige weken geleden buiten de Dico in steeds sterkere mate het gerucht dat de Dico naar de grote “confrontatie” toewerkte. Buitenstaanders leidden dit af uit het veelvuldig vergaderen van de Dico op ongebruikelijke tijd- stippen en bijvoorbeeld uit het agendapunt “personeelszorg” op het laatste Formeel Overleg. Toen voorts bleek dat de Korpschef op vakantie ging, wilde de Dico voorkomen dat de Korpschef mogelijk tijdens zijn verblijf uit de krant zou moeten vernemen dat de Dico het vertrouwen in de Korpsleiding had opgezegd. Afgewogen tegen het naderende afscheid van de plv. Korpschef was dat de hoofdre- den om niet langer te wachten met het op de hoogte stellen van de burgemeester.’ Midden in deze roerige dagen overhandigde mijn onvolprezen secretaresse Liset Botter mij een heel bijzondere briefje dat afkomstig was van de agenten van ploeg E. van het bureau Marconiplein. De tekst luidde: ‘Naar aanleiding van het feit dat u de gerechtigde flo-leeftijd heeft bereikt en de dienst per 1 mei 1988 gaat verlaten, nodigen wij u graag uit om nog éénmaal een nachtdienst mee te draaien in onze ploeg. Dit biedt ons tevens de gelegenheid om persoonlijk afscheid van u te nemen.’ Ik was nog slechts veertien dagen van mijn afscheidsrecepties verwijderd, maar Liset heeft kans gezien mijn agenda zodanig aan te passen dat het kon. Ik heb ervan genoten, die laatste nachtdienst met die jonge dienders. Een wel heel aparte manier van afscheid nemen, maar daarom niet minder hartelijk.
afscheid van de rotterdamse politie
Tot het rijtje onvergetelijke topdagen uit mijn loopbaan horen ze- ker ook de twee afscheidsdagen. Op respectievelijk 22 en 27 april 1988 nam ik in verband met mijn functioneel leeftijdsontslag (flo) afscheid van het Rotterdamse politiekorps. De eerste receptie was alleen voor de korpsleden. De tweede, die werd gehouden in de


Rotterdam (april 1988), Stadhuis, afscheidsreceptie, met Nelly,
onze kinderen en mijn trotse moeder
Burgerzaal van het stadhuis, was voor mijn relaties en andere ge- nodigden van buiten het politiekorps. Beide recepties waren door de zeer grote belangstelling niet alleen indrukwekkend, maar meer nog hartverwarmend. Ik denk er daarom in dankbare herinnering aan terug. Dat binnen het korps deze en gene bezig was met de nodige voorbereidingen ter gelegenheid van mijn afscheid, was mij natuurlijk niet ontgaan, maar dat het door enkele enthousiaste mensen zo grondig, origineel en verrassend was gedaan, ontdekte ik pas op die twee afscheidsdagen zelf. Wat ik helemaal niet wist, was dat ook mijn vrouw intensief bij de voorbereidingen betrokken was geweest. Zij was, zo bleek mij pas na afl oop, zelfs een aantal keren met de videoploeg van het korps op stap geweest om een documentaire te maken. Nelly heeft haar aandeel in de voorberei- dingen voor mij uitstekend verborgen weten te houden. Tijdens de afscheidsreceptie van het korps werd ik in het bijzonder getroffen door drie afzonderlijke gebeurtenissen. De eerste was de aanwezig- heid van 19 van de 26 klasgenoten (en hun echtgenotes) uit mijn agentenopleiding uit 1950. Die ‘oude knarren’ waren van heinde en verre opgespoord door Jan Wubben, die ook tot die klas (16)


Rotterdam (april 1988), afscheidsreceptie in de Burgerzaal van het
Rotterdamse stadhuis


had behoord. Geweldig vond ik dat. Het tweede was iets geheel anders. Korpschef Jan van Dorp bood mij namelijk het op een klein marmeren ornament bevestigde ‘gouden’ korpsbrevet aan. Het was voor mij vooral de symboliek die hieruit heel duidelijk sprak. Het korpsbrevet in een goudkleurige uitvoering wordt namelijk alleen op het uniform van de Korpschef gedragen. De derde verrassing was het afscheidsboek getiteld Honderd over Bla(a)uw met daar- in brieven met herinneringen en goede wensen van honderd van mijn (politie)relaties uit binnen- en buitenland. Ook op de tweede afscheidsdag waren de verrassingen niet van de lucht. Daar was allereerst mijn benoeming door Hare Majesteit de Koningin tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, uitgereikt door bur- gemeester Peper. Ik was daar bijzonder mee vereerd, te meer omdat ik niet eens wist hoe de rangorde bij koninklijke onderscheidingen precies in elkaar stak. Daar ben ik pas na de receptie achtergeko- men. Zeer vereerd was ik ook door de aanwezigheid van zowel de minister van Binnenlandse Zaken, mr. Van Dijk, als de minister van Justitie mr. Korthals Altes. Premier Lubbers had mij in een brief laten weten ‘helaas’ niet in de gelegenheid te zijn persoonlijk Ook de ministers van respectievelijk Justitie (mr. F. Korthals Altes)
en Binnenlandse Zaken (mr. C.P. van Dijk) waren op de receptie

afscheid te nemen. Hij bedankte mij ‘voor alle goede diensten in
het Rotterdamse’. Indrukwekkend ten slotte was ook de lange rij van mensen uit binnen- en buitenland die afscheid kwamen nemen. Rotterdammers van allerlei richtingen en instellingen, zeker niet te vergeten de vertegenwoordigers van de voetbalverenigingen Fey- enoord, Sparta en Excelsior. Collega’s van allerlei andere politie- korpsen in Nederland. Vertegenwoordigers ook van buitenlandse politiediensten met wie ik lang en intensief had samengewerkt: de fbi, de dea, de us-Customs, de Duitse, Engelse en Belgische politie. Militairen ook, zoals van het Korps Mariniers en de in Duitsland gelegerde Amerikaanse militaire politie. Ten slotte waren daar ook de talrijke ‘gewone’ Rotterdammers die me de hand wilden komen schudden. Hartverwarmend vond ik het, dit allemaal zo te mogen beleven. Dankbaar was ik op de eerste plaats omdat ik die dag het Rotterdamse korps mocht verlaten zoals ik gekomen was, namelijk als een gezond mens. Dankbaar zeker ook omdat ik dat afscheid heb mogen vieren samen met mijn geliefde vrouw en onze beide kinderen (alledrie Rotterdammers) die mij altijd ongelofelijk had- den gesteund. Dankbaar ten slotte ook omdat mijn bejaarde moe- der er op die dag van afscheid bij mocht zijn. Zij wist als geen ander wat het politieleven in allerlei opzichten voor het (grote) gezin van destijds betekende.
toch nog korpschef
Van Jumbo naar Piper
Dat ik binnen een maand na mijn afscheid van de Rotterdamse poli- tie toch nog ergens hoofdcommissaris-korpschef werd, kwam zo. In 1985 ontstonden er in het gemeentelijk politiekorps van Gorinchem moeilijkheden in verband met de gedragingen van enkele agenten. Zij werden onder meer verdacht van corruptieve praktijken rond een seksclub (de klassieke D van dames) in die gemeente. Het ge- volg was dat vijf dienders van het 51 leden tellende korps werden geschorst en in een later stadium ontslagen. Om aan het aldus ont- stane nijpende tekort aan politiemensen het hoofd te kunnen bieden, riep burgemeester Leen Vleggeert bij korpsbeheerder Peper de hulp in van de Rotterdamse politie. Vanuit ons korps werden vervolgens gedurende een aantal jaren acht politiemensen in Gorinchem gede- tacheerd. Om mij bij tijd en wijle op de hoogte te stellen omtrent het



Rotterdam, maart 1988. Ridder in de orde van de Noelemakkers.
Deze Rotterdamse carnavalsvereniging sloeg mij tot ridder etc. op
grond van mijn verdiensten voor Rotterdam. Belangrijker vond ik
de loftuitingen voor mijn vrouw. Voor alle duidelijkheid: ik ben als
Drent per slot van rekening allerminst een carnavalsfi guur, maar ik
heb een en ander zeer gewaardeerd, mijn vrouw ook. We hebben
ons die avond trouwens uitstekend vermaakt.

wel en wee van die Rotterdamse dienders, kwam ik als Hoofd Uit-
voerende Dienst zodoende regelmatig in contact met burgemeester Vleggeert. Rond augustus 1987 vertrok de Gorkumse Korpschef, mevrouw Marjan Ekels, met ziekteverlof. Het lag vervolgens in de lijn van de verwachtingen dat zij niet als Korpschef zou terugke- ren. Bij een van de gesprekken met de burgemeester, ongeveer drie maanden voor mijn afscheid van het Rotterdamse korps, stelde Leen Vleggeert mij de verrassende vraag of ik eventueel bereid zou zijn als tijdelijk Korpschef naar Gorinchem te komen. Ik heb daar enkele dagen over nagedacht en met Nelly overlegd. Samen waren wij het er binnen niet al te lange tijd over eens dat het voor mij een prima gelegenheid zou zijn om ‘af te kicken’. In een motel in de buurt van ’s-Gravendeel hebben Leen Vleggeert en ik ongeveer een maand voor mijn vertrek uit Rotterdam de zaak onder ‘voorlopig nog stilhouden’ beklonken. Koningin Beatrix heeft op voordracht van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie het aan mij per 1 mei verleende ontslag vervolgens opgeschort, waarna minister Van Dijk mij ‘voor de duur van één en een half jaar’ benoemde als Korpschef in Gorinchem. Medio mei 1988 introduceerde burge- meester Vleggeert mij ten slotte in het Gorinchemse politiekorps. Van tweede man op een 747 Jumbo was ik nu eerste man op een Pipertje.
gouden handdruk
Nog in diezelfde meimaand, maar voor mijn daadwerkelijke ver- trek naar Gorinchem heb ik op het stadhuis in Rotterdam nog een gesprek gehad met burgemeester Peper. Tijdens dat gesprek werd het mij duidelijk dat er voor Jan van Dorp als Korpschef geen red- den meer aan was. Peper was van oordeel dat hij Van Dorp niet langer kon handhaven. Ik heb in dit gesprek burgemeester Peper met klem geadviseerd Van Dorp, aan wiens managementskwalitei- ten ik niet twijfelde, de gelegenheid van een doorstart te gunnen. Ik had daarvoor een aantal argumenten, de belangrijkste beschrijf ik hierna. Jan van Dorp werd onder meer verweten dat hij zich te weinig bij ‘de troepen’ vertoonde. Dat was op zichzelf, hoe men daar verder ook over mocht denken, niet zo verwonderlijk. Vanaf het moment van zijn aantreden had hij mij, zoals eerder gezegd, de vrije hand gegeven om het karwei in de loopgraven te begeleiden. Met andere woorden, ik was feitelijk de troepenoffi cier. Met in-

achtneming van het feit dat hij, en niet ik, de Korpschef was, heb
ik de mij geboden gelegenheid ten volle en met heel veel plezier benut. Wij, Van Dorp en ik, hebben elkaar daarbij nimmer voor de voeten gelopen. Daar was hij trouwens ook de man niet naar. Een en ander had tot gevolg dat ik in die jaren naar buiten toe het gezicht van de Rotterdamse politie heb bepaald. Dat laatste werd nog eens versterkt door de omstandigheid dat Van Dorp binnen twee jaar twee keer wegens langdurige ziekte afwezig was geweest. Gedurende die periode fungeerde ik niet alleen Korpschef, maar functioneerde ik ook – op eigen gezag – als het Hoofd Uitvoerende Dienst. Mijn betoog nu tegenover Peper kwam hier op neer dat Jan van Dorp naar mijn mening de gelegenheid moest worden geboden een doorstart te maken. Anders geformuleerd: hij diende, nu ik im- mers niet langer deel uitmaakte van het korps, alsnog de gelegen- heid te krijgen om uit wat in de pers wel werd aangeduid ‘de scha- duw van Blaauw’ te kruipen. Zodoende zou Van Dorp zelf kunnen waarmaken wat hij ook met betrekking tot gezichtsbepaling voor het Rotterdamse korps waard was. Het heeft allemaal niet zo mo- gen zijn. Jan van Dorp heeft uiteindelijk op 1 oktober 1988 met een ‘gouden handdruk’ het Rotterdamse korps moeten verlaten. Daarmee is hem naar mijn opvatting geen recht gedaan. Drie da- gen voor het afscheid van Jan van Dorp publiceerde de voorzitter van de Dienstcommissie in het interne voorlichtingsbulletin van de Rotterdamse politie het volgende bericht. ‘(...) Reeds bij zijn in- stallatie als Korpschef in Rotterdam werd hem [J. van Dorp, jab] vanwege de toenmalige Dienstcommissie voorgehouden, dat ook de problemen van alledag zijn oog en oor dienden te hebben. In de jaren die daarop volgden bleek in toenemende mate het inzicht dat uit die opmerking sprak. Die uitgesproken angst voor een te veel toekomstgerichte, zich slechts op strategisch niveau bewegende manager, werd bewaarheid. De heer Van Dorp deed dit overigens vanuit zijn volle overtuiging, dat anderen een eerste verantwoorde- lijkheid droegen op het punt van de dagelijkse gang van zaken. In principe werd dit standpunt ook gedeeld door de Dienstcommissie. Toen echter – niet geheel als een verrassing – bleek dat sommigen die verantwoordelijkheid niet wilden of konden oppakken, werd de Korpschef aangemoedigd meer sturend en zonodig corrigerend op te treden, dus ook ten aanzien van zaken, welke hem niet direct regardeerden. Die gevraagde aanmoedigingen veranderden in de loop der jaren in uitdrukkelijke wensen van de Dienstcommissie tot uiteindelijke eisen, waaraan in laatste instantie de waarschu-

wing werd geknoopt, dat de Dienstcommissie zonodig de uiterste
consequentie bij de Korpsbeheerder zou bepleiten, indien zaken niet ten goede zouden veranderen. De gevraagde interventies van de Korpschef leidden helaas niet tot herkenbare effecten, wat de Dienstcommissie er uiteindelijk toe bracht het vertrouwen in de Korpsleiding op te zeggen. De bereikte successen werden daarbij zeker meegewogen (...).’
n.b. De bewering dat ‘sommigen die verantwoordelijkheid niet wilden of konden oppakken’ werd in dit bericht niet nader onder- bouwd.
Een waardig afscheidswoord
Jan van Dorp heeft op een waardige manier, zonder enig uiterlijk ceremonieel, afscheid genomen van het Rotterdamse korps. In een extra editie van het korpsblad d.d. 22 september 1988 schreef hij: ‘(...) Toen ik in 1984 in het korps aantrad was mijn opdracht toe- komstgericht beleid te ontwikkelen en die strategische beslissingen te nemen die nodig waren om het korps beter voor de negentiger jaren toe te rusten. Met inspanning van velen, ook van de Dienst- commissie voor de goede orde, is dat gelukt. Het korps heeft nu een aanvaarde visie op organisatie en functioneren, de toekomstige fi nanciële en materiële positie van het korps is zekergesteld, de be- heersafdelingen worden op een nieuwe leest geschoeid, de huisves- tingssituatie wordt op ongekende schaal verbeterd. Een en ander hield veel extra werk in. Dat ik mij mede daardoor te weinig op de werkvloer liet zien – een verwijt dat mij wel wordt gemaakt – is een logisch gevolg van deze prioriteitskeuze en geen gebrek aan belangstelling voor het wel en wee van het korps. Als dan toch vele dingen goed gingen, wat ging er dan fout of waar ging het fout? Dat was waar verwachtingen te hoog gespannen waren met betrekking tot de vraag wat ons korps op dit gebied allemaal kan en aan kan en het tempo waarin de, door niemand bestreden, ver- beteringen zouden kunnen worden bereikt. Anders gezegd, met het Beleidsplan 1985-1990 koos het korps niet alleen voor een andere organisatiestructuur maar, nog veel belangrijker, voor een andere cultuur. Een cultuur met als belangrijkste kenmerk dat niet meer alles top-down wordt geregeld, maar de nadruk wordt gelegd op de bijdragen van afzonderlijke korpsleden aan het gezamenlijk product. Een dergelijke cultuurverandering vergt enorm veel tijd en gaat gepaard met veel problemen, weerstand en gevoelens van

onzekerheid. Daarin en in de rol die mensen kunnen en willen spe-
len, ligt de kern van de vertrouwenscrisis tussen Korpsleiding en Dienstcommissie, hetgeen uiteindelijk, nadat de burgemeester zich achter de Dienstcommissie opstelde, tot mijn heengaan leidde. Ik meen dat de Dienstcommissie hiermee een grote verantwoordelijk- heid op zich geladen heeft, té groot voor een Dienstcommissie . Ik hoop oprecht dat de impasse en onzekerheid die thans ontstaan zijn het vele goede wat in gang is gezet niet in gevaar zullen bren- gen. Ik roep u allen dan ook op in het belang van ons korps vast te blijven houden aan de doelstellingen die wij met elkaar hebben gekozen, en voort te blijven gaan op de weg die is ingeslagen. Dat is een lange weg, langer dan velen vermoeden, en het zal veel moed en doorzettingsvermogen vragen om het doel te bereiken. Maar dat doel is de inspanning alleszins waard. Ik dank allen die, op welke plaats in ons korps dan ook, hun bijdrage leveren aan het functio- neren van ons korps, en dat ook in de achter ons liggende moeilijke periode zijn blijven doen. Ik dank in het bijzonder hen die hebben bijgedragen aan de verworvenheden van de laatste jaren. Verwor- venheden die essentieel zullen blijken te zijn voor de toekomst van het Rotterdamse korps. Onze wegen scheiden thans. Ik zal u met belangstelling blijven volgen. Het gaat u allen goed!’ Jan van Dorp is op 14 juni 1989 op zijn vakantieadres in Zuid-Frankrijk overle- den. Hij werd 55 jaar.
n.b. Vijftien jaar na dato kan men in het Algemeen Politieblad van18 oktober 2003 een beschouwing lezen over een dat jaar ver- schenen ‘bijzondere studie naar politieleiders en politieleiderschap’. ‘(...) Interessant is ook te zien hoe de oude garde, die binnenkort plaats zal maken voor een nieuwe generatie, verschilt van de op dit moment zittende “jongeren”. De “ouderen” zijn nog sterk be- invloed door de pos-ideologie. (pos staat voor Projectgroep Or- ganisatiestructuren, de naam van een werkgroep die in 1977 het baanbrekend rapport “Politie in Verandering” schreef.) Zij gaan er goeddeels aan voorbij dat de pijlers onder de pos-ideologie zijn “geërodeerd” door de huidige discussie over de kerntaken van de politie. Zo bestaan er uiteenlopende visies over de vraag in hoeverre het pos-concept van decentrale, gebiedsgebonden politiezorg als an- kerpunt moeten (blijven) gelden voor de inrichting van politieorga- nisatie en politiezorg.’

alblas-vijf
Afgeschoten
Nu terug naar het Gorinchemse politiekorps. In 1988 werd er in de politiek veel gepraat over de organisatie van de politie. Ook over forse bezuinigingen bij de korpsen. Zo zou in december 1988 in de Tweede Kamer niet alleen de politiebegroting aan de orde komen, maar ook het preadvies van de stuurgroep Project Kwantifi cering Politiesterkte (het zogenaamde pkp-rapport). Het ambtelijk advies hield in dat in Nederland zo’n 2600 politieambtenaren zouden wor- den verplaatst van kleinere gemeenten met minder criminaliteit naar grotere gemeenten met veel criminaliteit. Voor het gebied Alblas- serwaard en de Vijfherenlanden zou dat in de praktijk betekenen dat Gorinchem er 37 dienders bij zou krijgen. Daarmee zouden wij dus uit de crepeersterkte zijn en zou de Gorinchemse samenleving verzekerd kunnen zijn van een behoorlijke politiezorg. Daarente- gen zouden de gemeenten Leerdam, Sliedrecht en Papendrecht ieder ruwweg vijftien politiemensen moeten inleveren, hetgeen zonder enige twijfel ten koste zou gaan van het noodzakelijke lokale po- litietoezicht. Ik heb toen in het tumult het plan opgevat de politie- korpsen in de hele regio Alblasserwaard-Vijfherenlanden te laten fu- seren tot één regionaal korps, dat ik in mijn enthousiasme ook maar vast ‘Alblas-Vijf’ had gedoopt. Een dergelijke fusie zou naar mijn opvatting op de eerste plaats ten goede komen aan het politietoe- zicht in de vorm van (vooral nachtelijke) surveillance. Daarnaast zou integratie betekenen dat de gezamenlijke korpsen in fi nancieel opzicht enorm besparend zouden kunnen opereren, onder andere door het creëren van één gemeenschappelijke beheersdienst voor personele en materiële zorg. Ik besprak het plan met burgemeester Leen Vleggeert, die er onmiddellijk en zonder enige terughoudend- heid mee instemde. Wij waren het er samen ook over eens dat nie- mand ons ‘eigenbelang’ zou kunnen verwijten. Als Gemeentepolitie Gorinchem zaten wij immers gebeiteld met de aanzienlijke sterkte- verhoging van 51 naar 87 dienders. Persoonlijk gezien, hoefde ik ook geen carrière meer te maken, dat was immers al lang en breed achter de rug. De collega- korpschefs van de Gemeentepolitie Leer- dam, Sliedrecht en Papendrecht waren ook enthousiast over het plan. Het was trouwens de enige mogelijkheid om aan een ‘faillisse- ment’ te ontkomen. Binnen het gebied van ‘Alblas-Vijf’ lagen echter ook nog enkele groepen van de Rijkspolitie. Daar was men minder

enthousiast over de plannen tot ‘inlijving’. Met een wegschuifge-
baar verwees de Rijkspolitie dan ook naar de landelijke politiek. Burgemeester Vleggeert en ik waren het er ook over eens dat, poli- tiek gezien, de tijd rijp was om in Den Haag aan de bel te trekken en steun te bepleiten voor plan ‘Alblas-Vijf’. Zo kon het gebeuren dat wij ons, na afspraak en op een hele vroege ochtend in novem- ber 1988, op het ministerie van Binnenlandse Zaken aandienden. Op het departement werden wij ontvangen door niemand minder dan de Directeur-Generaal Openbare Orde en Veiligheid (mr. I.W. Opstelten, de huidige burgemeester van Rotterdam), en de Direc- teur Politiezaken (mr. H.C.J.L. Borghouts, de huidige Commissaris van de Koningin in Noord-Holland). Indringend prezen wij ‘Al- blas-Vijf’ aan als proeftuin voor een andere politieorganisatie in Nederland. De beide topfunctionarissen hoorden ons niet alleen met grote belangstelling aan, zij toonden ook alle begrip voor ons plan. Sterker nog, ook op het departement betreurde men het ge- geven dat ‘Alblas-Vijf’ al bij voorbaat door de Rijkspolitie was af- geschoten. Terwijl Leen Vleggeert een vurig pleidooi hield, meende ik intussen uit de af en toe wat meewarige departementale blikken – zo van: wat motten we nou met die burgemeester van buiten en zijn chefveldwachter – te kunnen afl eiden wat de uitslag zou gaan worden. Daar bleek ik niet ver naast te zitten. Van ‘bovenaf’ kon men ‘helaas’ niets voor ons doen. Het moest allemaal ‘van onderop’ komen. ‘Heren, prettig dat u er was en veel succes.’ Twee koppen koffi e later stonden we weer op de Haagse keien. We baalden al- lebei. Ik heb vervolgens nog geprobeerd ‘Alblas-Vijf’ via de krant aan de man te brengen. Vanuit politiek Den Haag heeft er geen ster- veling op gereageerd. Vier jaar later werd de Nederlandse politie gereorganiseerd tot wat het vandaag is. ‘Alblas-Vijf’ leeft nu voort onder één andere naam: Alblasserwaard/Vijfheerenlanden, district 2 van de regiopolitie Zuid-Holland-Zuid. Piper JAB veilig geland
Laat ik mijn belevenissen als Korpschef in Gorinchem thans afron- den. Ik had daar geen andere plannen dan te proberen het korps weer op de rails te zetten, met andere woorden het (onderling) ver- trouwen te herstellen en zowel de politiemensen als de burgers weer moed te geven. Een van de voorwaarden daartoe was een goede verstandhouding burgemeester-korpschef. Ook op dat punt kan ik kort zijn. Ik heb met burgemeester Leen Vleggeert steeds een bij-

zonder prettige werkverhouding gehad. Hij liet, evenals Peper in
Rotterdam had gedaan, de tent volledig aan mij over. Tegelijkertijd was hij echter voortdurend bereikbaar en bereid tot goed en zake- lijk overleg. Ik denk ook met veel plezier terug aan het wekelijks ‘maandagochtendgebed’ dat ik met hem had op het fraaie stadhuis van Gorinchem. Naast onze zakelijke beslommeringen was er altijd meer dan voldoende ruimte voor gezonde humor over de dingen van alledag. Dat ik in mijn missie in het Gorkumse geslaagd ben, meen ik in alle bescheidenheid te mogen afl eiden uit de volgende passage uit de indrukwekkende oorkonde die burgemeester Vleggeert mij bij mijn afscheid in januari 1990 ten overstaan van het Gorinchemse korps heeft overhandigd: ‘Overwegende:(...) dat betrokkene bij zijn aantreden in Gorinchem een aangeslagen korps aantrof met een
zwaar tekortschietende sterkte; dat betrokkene met inzet van al zijn
kennis, kunde en gezag de structuur van het korps heeft gereorga-
niseerd en de medewerkers opnieuw heeft gemotiveerd voor de uit-
oefening van de opgedragen taken; dankt: hoofdcommissaris J. A.
Blaauw voor zijn waardevolle arbeid ten behoeve van het herstel
van het zelfvertrouwen van het Gorkumse korps. Deze dank wordt
ondersteund door de Gorkumse gemeenteraad.’
Hoe het ook zij, ik denk alleen maar met veel genoegen terug
aan de periode die ik samen met de Gorkumse dienders heb door- gemaakt. Het was alleszins de moeite waard en ik heb het graag ge- daan. Mijn ‘gouden’ Gorkums korpsbrevet heb ik met gepaste trots thuis een plaatsje gegeven naast het Rotterdamse exemplaar. Op 16 januari 1990 heb ik mijn Pipertje in Gorinchem veilig aan de grond gezet.

EPILOOG
‘Het leven is een geschenk, maar wij krijgen het niet cadeau.’
Eric van der Steen (1907), Nederlands dichter met pensioen: wat nu?
een terugblik
Daar sta je dan als oud-hoofdcommissaris van politie. Achter je liggen een mooie jeugd, ruim twee jaar militaire dienst en op de kop af veertig boeiende politiejaren. Intussen heb je samen met je vrouw een gelukkig gezinnetje van twee kinderen opgebouwd. Over de destijds veel aan mij gestelde vraag wat ik na mijn pensionering van plan was te gaan doen, kon ik altijd erg kort zijn: alles wat ik leuk vind en waar Nelly en ik samen volop van kunnen genieten. Concreet betekende dat schrijven (uitsluitend non-fi ctie), reizen, van de natuur genieten en bij dit alles ook zorgen voor voldoende licha- melijke ontspanning. Als het even kon, zouden we al onze liefheb- berijen op een of andere wijze met elkaar combineren, zo namen wij ons voor. Ik wist intussen ook wat ik niet zou gaan doen, namelijk een baan zoeken. Vanuit twee totaal verschillende richtingen kreeg ik een functie aangeboden in de beveiligingssector, maar daar had ik helemaal geen trek in. Ik wilde nu eindelijk in alle opzichten ei- gen baas zijn en volstrekt onafhankelijk van wie of wat dan ook. ‘Een privé-detectivebureau beginnen’, luidde het goedbedoelde ad- vies van de Amsterdamse oud-commissaris Gerard Toorenaar. Dat is wel het allerlaatste waar ik ooit aan zal beginnen, liet ik hem weten. Afgezien dan van de nodige processen-verbaal hadden mijn ‘schrijfkunsten’ zich tijdens mijn politieleven beperkt tot een aantal publicaties in politievakbladen, en het samenstellen van een ‘bijbel’, Criminele tactiek, met een omvang van ruim duizend pagina’s. De


eerste gelegenheid die ik na mijn vertrek bij de Rotterdamse politie kreeg om op schrijversgebied eens iets heel anders te gaan doen, was bij het Rotterdams Nieuwsblad. Gedurende ongeveer anderhalf jaar heb ik onder de uitstekende begeleiding van redacteur Martijn Verwaayen een wekelijkse column in die krant geschreven. Zo on- geveer in diezelfde periode had ik ook een wekelijkse column van vier minuten bij Radio Rijnmond. Iedere vrijdagochtend, vlak voor het nieuws van acht uur, kon ik toen mijn mening kwijt over een of andere actualiteit of gebeurtenis. Meestal fi etste ik op donder- dagavond naar de studio om mijn verhaal in te spreken. Het waren twee interessante activiteiten. Niet alleen kon je altijd wel iets over je ervaringen kwijt, maar af en toe ook wat gif. Dat laatste lucht ook wel eens op.
Samen op pad
Intussen was het contact met uitgever Wim Hazeu tot stand geko- men en kon ik beginnen aan mijn eerste boek. Dat is ongeveer twee jaar na mijn pensionering verschenen. Onder de titel Laatste rit van een taxichauffeur beschreef ik daarin tien moordonderzoeken waar-
aan ik leiding had gegeven. Na dit debuut kreeg ik de smaak van het schrijven goed te pakken. Vooral het (archief)onderzoek dat aan een Rotterdam (1992), signeersessie ter gegelegenheid van de
verschijning van mijn eerste boek; met mijn trotse Nelly

boek voorafgaat, heb ik als buitengewoon boeiend ervaren. Het gaf
me altijd weer een beetje het gevoel dat ik bezig was met een span- nende ontdekkingsreis, met Nelly als steun en toeverlaat. Zodoende heb ik in die eerste jaren na mijn pensionering onder meer uitgebreid onderzoek gedaan naar de geschiedenis van de vermeende Duitse se- riemoordenaar Bruno Lüdke. Deze enigszins geestelijk gehandicapte fi guur werd in 1943 in het stadje Köpenick bij Berlijn gearresteerd in verband met de moord op een vrouw. Binnen een tijdsverloop van enkele maanden bekende Lüdke vervolgens tegenover de Ber- lijnse recherche dat hij over een periode van ongeveer twintig jaar en verspreid over een groot deel van Duitsland in totaal 53 moorden had gepleegd. In een Berlijnse krant uit 1946 (Nachtexpress) werd Lüdke aangeduid als de Blauwbaard van Köpenick. Met behulp van een West-Berlijnse collega kwam ik erachter dat de ongeveer 340 dossiers over deze affaire in 1976 door het Präsidium van de Oost- Duitse Volkspolizei waren overgedragen aan het Brandenburgisches Landeshauptarchiv in Potsdam. Nadat ik van de directeur van dit archief toestemming had gekregen deze dossiers te raadplegen, zijn mijn vrouw en ik binnen een jaar zes keer op en neer gereisd naar Potsdam om archiefonderzoek te doen. Wij werkten dan van maan- dag tot en met vrijdag aan het doorworstelen van de met een dikke laag stof bedekte dossiers, en het kopiëren van de belangrijkste stuk- ken daaruit. Die documenten kon ik zodoende in alle rust thuis na- der analyseren. In het kader van dit onderzoek hebben we ons ook samen georiënteerd in een aantal plaatsen in Duitsland en in enkele op voormalig Duits gebied in Polen gelegen dorpjes, waar Lüdke naar eigen zeggen moorden had gepleegd. Daarnaast deed ik inter- views met twee oud-politiefunctionarissen uit de nazi-tijd en met twee in Berlijn wonende familieleden van Lüdke. In de regel com- bineerden wij onze researchtrips in Duitsland met een paar dagen genieten van wandelingen in de vrije natuur. De Lüneburgerheide had onze voorkeur. In 1994 is mijn boek over Lüdke verschenen. In het oorspronkelijke manuscript (ongeveer zeshonderd pagina’s) heb ik alle 53 moorden afzonderlijk en gedetailleerd beschreven, inclusief de gang van zaken rond de stenografi sch opgenomen ver- horen van Lüdke. Mijn bevindingen kwamen er kort en goed op neer dat alle door Lüdke afgelegde bekentenissen vals waren. De fi lm die in 1958 in West-Duitsland over hem was gemaakt onder de titel ‘Nachts wenn der Teufel kam’ (met Mario Adorf in de rol van Bruno Lüdke), kreeg in dat jaar weliswaar de Bundesfi lmpreis, maar berust naar mijn opvatting inhoudelijk op één grote leugen.


Nelly, precies zoals zij was en zoals zij in mijn herinnering
voortleeft. Deze opname heb ik in het Duitse Moringen gemaakt,
enkele weken voor de eerste symptomen van haar dodelijke ziekte
zich openbaarden.

Sterker nog: na twee jaar (archief)onderzoek ben ik tot de conclusie
gekomen dat wat in Duitsland wel doorging voor de ‘ongelofelijkste moordzaak uit de Duitse criminele geschiedenis’, in feite de meest ongelofelijke politiële miskleun uit diezelfde geschiedenis is geweest. In 1997 vertoonde de Ostdeutscher Rundfunk Brandenburg een do- cumentaire over een aantal oude Berlijnse moordzaken, waaronder ook de affaire Bruno Lüdke. Aan het einde van deze documentaire memoreerde de presentator de eindconclusie die ik in mijn boek had geschreven. De enige vergissing die hij daarbij maakte was, mij te verslijten voor de voormalige chef van de ‘Amsterdammer Kriminal- polizei’. Het zij hem vergeven!
n.b. Een van de beide politiefunctionarissen uit de nazi-tijd die ik enkele malen in persoon heb geïnterviewd, was de reeds eerder genoemde in 1995 overleden Kriminaldirektor a.D. Dr. Jur. Bernd Wehner. Met hem – hij was mij altijd zeer ter wille bij mijn naspeu- ringen – heb ik over de affaire Lüdke ook een uitvoerige briefwisse- ling gevoerd. Een van zijn antwoordbrieven, gedateerd 20 juli 1992, begint als volgt:
‘Lieber Herr Blaauw, (heute, um diese Zeit, in der ich Ihnen schreibe, vor 38 Jahren, war ich im Hauptquartier Hitlers bei Ras- tenburg im früheren Ostpreuszen, um von kriminalistischer Seite das Attentat auf den “Führer und Reichskanzler” aufzuklären = das nur ganz nebenbei...).’
een ander afscheid
Ik bewaar bijzonder mooie herinneringen aan het onderzoek in de Lüdke-affaire. Evenzeer aan het te boek stellen van het verhaal. Nelly, met haar onafscheidelijke Groene Boekje en rode ballpoint, was daarbij altijd een even enthousiast als kritisch meelezer. Ik denk echter tegelijkertijd ook met weemoed terug aan die periode uit ons leven. Laat ik uitleggen waarom. Nadat ik het manuscript bij Wim Hazeu en ‘mijn’ voortreffelijke redacteur mevrouw Maran Olthoff had afgeleverd, verheugden Nelly en ik ons erop dat het boek binnen enkele maanden zou gaan verschijnen. Dat is ook gebeurd, maar mijn vrouw heeft dat mooie resultaat van onze gezamenlijke inspanningen helaas niet meer mogen meemaken. Reeds tijdens onze laatste trip naar het archief in Potsdam in het najaar van 1993 dienden zich de eerste symptomen aan die erop wezen dat Nelly aan een ernstige ziek- te leed. Na een operatie een paar weken later, kreeg zij de keiharde


werkelijkheid te horen: ongeneeslijk. Op 25 maart 1994 is zij, na een buitengewoon moedig gedragen ziekte, van mij en onze beide kinde- ren heengegaan. ‘De zorg voor ons gezinnetje was haar alles’, zo heb ik op haar rouwkaart vermeld. Met die paar woorden was zij ook in alle opzichten getypeerd. Zij was voor ons viertjes dag en nacht in de weer. Ik weet ook als geen ander hoeveel opofferingsgezindheid, hoeveel verdraagzaamheid en hoeveel moed zij aan de dag heeft ge- legd om mij in die voorbije veertig ambtelijke jaren te ondersteunen. Niet alleen in goede tijden, maar ook in de schaduwzijde daarvan. Haar tevreden glimlach en begrijpend knikje toen ik haar enkele da- gen voor haar overlijden het omslag van ons boek over Bruno Lüdke liet zien, vergeet ik nooit meer. De herinneringen aan de rest van haar ziekteperiode heb ik zo goed mogelijk uit mijn leven gebannen. Dierbare herinneringen
Blijven over de talloze, even dierbare als dankbare herinneringen aan haar. Bijvoorbeeld, toen wij als gezin twee keer naar Indonesië zijn gereisd om daar, onder politiebegeleiding, ergens diep in de bin- nenlanden onze twee pleegkinderen op te zoeken. De eerste keer het meisje Suratminah op Java en enkele jaren later het knulletje Sutris op Sulawesi. Al een jaar tevoren verzamelde Nelly van her en der een Waar mijn vrouw zich ongeloofl ijk thuis voelde: (1983), kampong
nabij Yogjakarta met ons pleegkind Suratminah


vracht aan kinderkleding, om die met een stralend gezicht ergens in de kampong aan tientallen kinderen uit te delen. Mooie herinnerin- gen ook aan het bijna jaarlijkse vakantieverblijf op ‘onze’ boerderij te midden van de heuvels in Wales, waar we met z’n viertjes hele dagen in weer en wind konden ronddwalen. De enige levende we- zens die je dan tegenkwam waren schapen. Herinneringen aan onze gezinsvakanties in het mooie Drentse land, herinneringen zeker ook aan de spannende uren die we in de weekeinden samen doorbrach- ten op de verschillende sportterreinen, om de sportprestaties van onze kinderen gade te slaan: Annelies op de atletiekbaan of bij een ruiterwedstrijd, Hans als voetballer bij de plaatselijke club togb. Van de video-opnamen die ik bij die gelegenheden gemaakt had, genoten we dan op zondagavond met ons viertjes nog eens na in ons eigen programma ‘Sport in beeld’. Nelly was in haar jonge jaren zelf altijd een enthousiast korfbalster geweest. Zij had jaren gespeeld in het twaalftal van ‘Spangen’.
Ook om nooit te vergeten, de herinneringen aan haar exclusief domein thuis: de keuken, en de tijd die zij daar als ‘prinses’ bij uit- stek doorbracht. Die schitterende, daaraan gekoppelde gewoonte ook om op verjaardagen en andere hoogtijdagen eigenhandig ge- schreven menukaartjes met originele teksten en afbeeldingen op ta- fel zetten. Wat een sfeer!
‘Onze’ boerderij in Wales


In ons huis had Nelly trouwens nog een ander eigen domein: het kamertje waar haar naaimachine stond. Hele dagen kon zij daar doorbrengen om prachtige kledingstukken te produceren, niet alleen voor zichzelf maar ook voor Annelies en Hans. Herinneringen aan duizend en één andere dingen die ons als gezin bonden. Zoals aan Nijmegen, in juli 1986. Eerder dat jaar had ik mij door enkele Rot- terdamse dienders laten verleiden om voor het eerst de Vierdaagse mee te tippelen. Enthousiast zwaaide Nelly mij vanaf de vip-tribune aan het Keizer Karelplein toe toen ik het detachement van de Rotter- damse politie over de eindstreep leidde. Toen zij mij enkele minuten Nijmegen (1986), eerste Vierdaagse-fi nish


later in het bijzijn van al die dienders met een grote bos bloemen feliciteerde, heb ik haar in het oor gefl uisterd dat ik nooit van mijn leven nog één voet in dit vervloekte Nijmegen zou zetten. Wat zou zij een plezier hebben gehad wanneer ze had kunnen zien hoe ik in juli 2003 achter de kinderwagen met daarin ‘ons’ tweelinkje voor de tiende keer over de fi nish ging. Ongelofelijk trots was Nelly, ik niet minder, bij twee andere gebeurtenissen in ons gezin, die kort na elkaar plaatsvonden. De eerste was in december 1991, toen wij in het ziekenhuis Dijkzicht getuige waren van de uitreiking aan An- nelies van het diploma Verpleegkundige-A. Een halfjaar later, in juli Idem, juli 2003, 10e keer


1992, waren wij aanwezig in het auditorium van het hoofdbureau van politie in Rotterdam toen Hans beëdigd werd als Inspecteur van Gemeentepolitie in het Rotterdamse korps. Waar Nelly helaas niet van heeft mogen genieten zijn onze drie kleinkinderen: Jordy, van Annelies en Bert, en de tweeling Elien en Jasper, van Hans en Machteld. Zij zou er stapelgek mee geweest zijn en de kleintjes met Berkel en Rodenrijs (1992), met mijn zoon Hans, die toen stage
liep bij de gemeentepolitie in Zoetermeer



haar. Evenmin heeft zij mogen beleven dat Hans in 2002 op de fbi Academy in Quantico zijn fbi-diploma kreeg. Ik was bij de uitrei- king aanwezig, samen met Machteld (zij is ook hoofdinspecteur van politie) en de tweeling. In 2003 kreeg ik de unieke gelegenheid om samen met Hans het jaarlijks symposium van de Europese afdeling van de fbi-na-graduates in Ljubljana, Slovenië, bij te wonen. Wat Quantico (september 2002),
FBI-Academy. Hans krijgt zijn
FBI-diploma.
Juni 1971: zijn vader ook.
J. Edgar Hoover geheel links.


Quantico (september 2002), FBI NA, na de diploma-uitreiking.
A happy family: Hans en zijn echtgenote Machteld en de tweeling
Elien en Jasper; naast mij Cassandra M. Chandler, directeur van de
FBI Academy.
zou mijn vrouw ook van die gebeurtenissen genoten hebben, en van de herinneringen uit 1971, toen wij met Annelies en Hans in Wa- shington woonden, en ik daar de opleiding aan de fbi Academy volgde. Allemaal herinneringen die ik zal blijven koesteren. en daarna?
In de jaren na het overlijden van mijn vrouw ben ik doorgegaan met het doen van onderzoek en het schrijven van boeken over de resultaten daarvan. Nelly zou niet anders gewild hebben. Zo schreef ik in 1996 het boek Verdacht van Moord, een reconstructie van zes dubieuze Nederlandse moordzaken. Een van de hoofdstukken was
gewijd aan de moord op de 21-jarige Sandra van Raalten, gepleegd

in Zaandam in november 1984. Na uitvoerig dossieronderzoek van
deze als paskamermoord bekendstaande zaak, kwam ik tot de con- clusie dat de politie met de aanvankelijk veroordeelde en in hoger beroep vrijgesproken Rob van Zaane gewoon de verkeerde ‘dader’ te pakken had. Die formidabele miskleun was naar mijn mening veroorzaakt door de tunnelvisie bij zowel de politie als de justitie. In januari 2002 werd uiteindelijk via dna bekend wie de werkelijke dader van deze moord is geweest. Welgemeende excuses richting Rob van Zaane was wel het minste dat men van het om en de politie had mogen verwachten. Niets van dat alles. Het persbericht van het om Haarlem (4-1-2002) volstond met de constatering dat ‘... RvZ niet de dader is geweest’.
Een van weinig moed getuigend gebaar jegens een volstrekt on- schuldige burger, die geheel door toedoen van politie en om in het gevang geraakt was en die in eerste instantie (voor vier jaar meer dan de geëiste acht jaar) door de rechtbank in Haarlem voor deze afschuwelijke moord was veroordeeld. Pure politiële tunnelvisie heeft ook geleid tot arrestatie van een onschuldige ‘dader’ in een Groningse moordzaak. Het ging in die zaak om de moord op de achttienjarige studente Anne de Ruijter de Wildt. Dat meisje werd in de nacht van 30 april op 1 mei 1997 vermoord gevonden nabij het Noorderstation in Groningen. Zij bleek door wurging om het leven te zijn gebracht. Precies twee maanden later werd een 23-jarige man, zekere J.M., als verdachte in deze zaak gearresteerd. Wegens gebrek aan bewijs moest hij echter ongeveer zes weken later weer worden vrijgelaten. In Groningen was de verdeeldheid over deze vrijlating groot. Nadat ik op verzoek van de actualiteitenrubriek nova het dossier had bestudeerd en in de uitzending had geconcludeerd dat verdachte J.M. een doodlopend spoor was, kreeg ik van de justitie Groningen het verzoek mijn (aanvullende) bevindingen ook aan het om kenbaar te maken. Dat heb ik eerst mondeling gedaan in een bijeenkomst op het parket in Groningen, waarbij twee offi cieren van justitie en een collega van de Groningse recherche aanwezig waren. Mijn bevindingen en aanbevelingen heb ik vervolgens twee dagen la- ter nog eens uitgebreid schriftelijk bevestigd. Mijn conclusie ‘J.M. is doodlopend spoor’ was in essentie gebaseerd op de onbetrouwbaar- heid van bepaalde getuigenverklaringen, de gang van zaken rond de Oslo-confrontatie en de uitkomst van het dna-onderzoek. In mijn rapport heb ik vier aanbevelingen gedaan. De belangrijkste daarvan was, twee haren die in het slipje van het slachtoffer waren aangetrof- fen alsnog op het Britse Laboratorium in Birmingham op mitochon-

driaal (mt-)dna te laten onderzoeken. Wat natuurlijk voorspelbaar
was, is vervolgens ook gebeurd. Enkele weken nadat ik mijn rapport had uitgebracht, werd van de zijde van de nabestaanden van Anne de Ruijter de Wildt en de Stichting Groningen Veilig aan het om gevraagd om openbaarmaking van het stuk. Het om in Groningen is vervolgens onhandig met het rapport omgesprongen, door zich te verzetten tegen dat alleszins gerechtvaardigd verzoek. Men had naar mijn opvatting de essentie van het verhaal, met inachtneming van enkele privacygevoelige elementen, gewoon naar buiten kunnen brengen. Persoonlijk had ik daartegen ook geen enkel bezwaar. Na het nodige juridische geharrewar en de uiteindelijke beslissing van de minister van Justitie, is mijn verhaal enkele maanden later alsnog in ‘geanonimiseerde vorm’ openbaar gemaakt. In
mei
2000 werd door dna vastgesteld wie de werkelijke da- der van de moord op Anne de Ruijter de Wildt was geweest. Op basis van ditzelfde dna-profi el bekende die dader ook de in 1994 in Utrecht gepleegde moord op de 26-jarige Annet van Reen. Een hele positieve bijdrage aan het onderzoek in de moordzaak Anne de Ruijter de Wildt leverde ook misdaadverslaggever Peter R. de Vries. Op 7 mei 2000 besteedde hij een complete en degelijk voorbereide tv-uitzending aan deze zaak. Bij de voorbereidingen had hij enige tijd tevoren aan het gerenommeerde Silvius Laboratorium in Leiden een rapportage gevraagd over de open eindjes met betrekking tot het dna-onderzoek in deze zaak. Die rapportage stelde hij vervolgens ter beschikking van de Groningse politie, die er verder mee aan de slag ging. Daarna kwam de zaak in een stroomversnelling. Goed sa- menspel tussen het nfi en ‘Silvius’ enerzijds en de politie Groningen en Utrecht anderzijds leidde ten slotte via dna-onderzoek naar de oplossing van beide moorden, inclusief een bekentenis. Toen ik in 1996 in de Verenigde Staten een lezing hield voor moordonderzoekers over de zaak Bruno Lüdke, werd ik door een van de toehoorders attent gemaakt op een (vermeende) Amerikaan- se seriemoordenaar, genaamd Henri Lee Lucas. Deze man, die in de dodencel in Huntsville, Texas, op het uur van zijn executie zat te wachten, had medio de jaren tachtig bekend in Amerika zo’n 350 moorden te hebben gepleegd. Ik vond die zaak interessant genoeg om er eens in te duiken. Na verkregen toestemming kon ik zodoende in Texas en in de staat West-Virginia het nodige dossieronderzoek en naspeuringen op enkele locaties uitvoeren. Voorts was ik in de gelegenheid een aantal gesprekken te voeren met politiemensen en offi cieren van justitie die bij het onderzoek in de zaak Lucas be-


1997: Interview met de (vermeende) seriemoordenaar Henry Lee
Lucas in de dodencel in Huntsville, Texas
trokken waren geweest. Uiteindelijk kreeg ik ook toestemming om Lucas in zijn dodencel op te zoeken. Ik heb hem daar binnen een periode van anderhalf jaar drie keer geïnterviewd. Lucas had in- middels al zijn bekentenissen weer ingetrokken. Mijn bevindingen heb ik neergelegd in een boek over hem, dat in 1999 is verschenen. Henry Lee Lucas heeft ongetwijfeld een aantal moorden gepleegd, maar zeer beslist geen 350. Sterker nog, van de in totaal tien moor- den waarvoor hij veroordeeld werd, heeft hij er wat mij betreft (los van de moord op zijn moeder) ‘slechts’ twee zeker gepleegd. Bij de overige acht veroordelingen plaats ik grote vraagtekens. Lucas is eerder een serieleugenaar dan een seriemoordenaar, zo luidt mijn eindconclusie. Hij is overigens de enige ter dood veroordeelde moor- denaar geweest die onder het bewind van de toenmalige gouverneur van Texas, George W. Bush, gratie heeft gekregen. Een andere activiteit waar ik mij in de jaren negentig binnen het kader van het fenomeen moordonderzoek, samen met Ton Rutting (toenmalig directeur van de rechercheschool) en Carlo Schippers (cri), met veel genoegen heb beziggehouden, betrof de voorberei- dingen voor een uniek symposium. In juli 1998 namelijk hield de

(Amerikaanse) International Homicide Investigators Association
(ihia) voor het eerst in haar tienjarig bestaan haar (inmiddels zijn er al zes geweest) symposium Kinderontvoering en Seriemoorden aan de rechercheschool in Zutphen. Dit symposium, dat vier dagen heeft geduurd, werd geopend door de toenmalige minister van Justi- tie, mevrouw mr. W. Sorgdrager. Er waren in totaal 160 ervaren en zeer gemotiveerde toehoorders, afkomstig uit negentien landen. De sponsors van dit symposium waren de fbi, het ministerie van Justi- tie, politie Amsterdam-Amstelland, politie Rotterdam-Rijnmond en de rechercheschool. Binnen de organisatie van ihia bestaat sedert september 2000 de afdeling Nederland. Een dergelijke organisatie kan met haar enthousiaste leden alleen maar de professionaliteit van het (Nederlandse) moordonderzoek ten goede komen. Een Don Quichot
Alle tot dusver verrichte onderzoeken waarover ik een boek heb ge- schreven, heb ik ervaren als boeiend en alleszins de moeite van de research waard. Het onderzoek dat mij echter de meeste voldoening heeft gegeven, was zonder meer de op 9 januari 1994 in Putten ge- pleegde moord op de 23-jarige Christel Ambrosius. Samen met Peter R. de Vries heb ik daar, verdeeld over enkele jaren en in een unieke combinatie – misdaadverslaggever en (ex-)politieman samen op pad – uitgebreid onderzoek naar gedaan. Het waren inspannende en in- teressante jaren. Mijn ervaringen en bevindingen heb ik in 2000 be- schreven in het boek De Puttense moordzaak. Peter R. de Vries heeft aan onze gezamenlijke, hechte inspanningen bijna veertig tv-uitzen- dingen gewijd. Onze activiteiten om de volstrekte onschuld van ‘de twee van Putten’, Herman du Bois en Wilco Viets, duidelijk te maken aan eenieder die het wilde zien of horen, zijn in die tijd, dat wil zeg- gen vóór de uiteindelijke vrijspraak in 2002, niet altijd door iedereen met instemming begroet. Ter illustratie geef ik enkele voorbeelden. * Kort na het verschijnen van mijn boek over de Puttense moord- zaak concludeerde een universitair docent uit Utrecht in een co- lumn in het Advocatenblad van juni 2000: ‘(...) Het beeld dat ontstaat is ontegenzeglijk dat van een groepje mannen dat hun laagste lusten op een toevallig passerende vrouw heeft botge- vierd, niet meer, niet minder. (...) Ik had me voorgenomen een vlammend stuk te schrijven om ook onze Zola te steunen in zijn strijd tegen de justitiële autoriteiten. Blaauw ontpopt zich echter als een Don Quichot, en ik pas voor de rol van Sancho Panza.’

n.b. Deze kennelijk nogal zelfbewuste columnist had aldus zijn
verhaal, vóór lezing van mijn boek een vergelijking willen maken met de bekende Dreyfus-affaire uit 1898, waarbij een onschuldige werd veroordeeld en de onschuld was komen vast te staan op basis van een boek geschreven door Zola. Vandaar deze toespeling. * Een jurist uit Putten, die ‘met instemming’ deze column had ge- lezen, haastte zich in een ingezonden brief in het Advocatenblad van 28 juli 2000 te verkondigen: ‘Talloze Puttenaren zijn – zonder ook maar één letter van het omvangrijk procesdossier te hebben gelezen – door fi guren als Peter R. de Vries en J.A. Blaauw op het verkeerde been gezet en overtuigd van het feit dat onschuldigen vastzitten (...).’
* Twee advocaten uit het Utrechtse schreven in het Reformatorisch Dagblad van 23 januari 2001: ‘Blaauw legt terecht de vinger bij
fouten en zwakheden in het politieonderzoek (...) doch matigt zich, daartoe gebracht door sensatietrekkers en -zoekers als mis- daadverslaggever Peter R. de Vries en kamerlid Dittrich, daarbij ook oordelen aan die hij onvoldoende kan staven en die hem ook niet toekomen.’
* Een redacteur van het weekblad HP/De Tijd (blijkbaar ook niet gehinderd door enige vakinhoudelijke kennis van het moordon- derzoek) dichtte mij in het nummer van 4 augustus 2000 ‘een zekere beroepsdeformatie’ toe.
Zonder verder op al deze van weinig kennis van de zaak waar het om gaat getuigende verhalen, te reageren, volsta ik met de constate- ring dat ik na de vrijspraak van de ‘twee van Putten’ in april 2002, van de hand van deze geachte (deels zeergeleerde) critici geen letter meer over de Puttense moordzaak ben tegengekomen. * Wie nog wel publiekelijk reageerde op de vrijspraak van de ‘twee van Putten’, was niemand minder dan de voorzitter van het col- lege van procureurs-generaal, mr. J.L. de Wijkerslooth. In een column in het mei-nummer 2002 van het om maandblad Oppor- tuun schreef de hoogste baas van het om onder de kop ‘Hoezo
blunders in de Puttense moordzaak?’: ‘(...) dat de rechters in deze zaak gewoon verschillend hebben geoordeeld over het door het om aangedragen bewijsmateriaal.’ Daar kwam in de kern geno- men zijn betoog op neer. Het was de procureur-generaal klaar- blijkelijk ontgaan dat, evenals destijds bij de paskamermoord het geval was geweest, ook het opsporingsonderzoek in de Puttense moordzaak schandelijk ten onder is gegaan aan vier onlosmake- lijk met elkaar verbonden elementen: slecht leiderschap, onpro-

fessionele verhoormethoden, tunnelvisie en blinde scoringsdrift.
De bewijsvoering in deze zaak berustte per saldo puur op aan- toonbaar valse bekentenissen.
Ten slotte nog dit. Wat mij met betrekking tot de Puttense moord- zaak altijd enorm heeft verbaasd, is het feit dat, met uitzondering van mr. Boris Dittrich (d66), niemand in de Haagse politieke arena [waar men anders elkaar soms staat te verdringen om het misnoegen over (vermeend) onrecht aan de kaak te stellen, liefst met de camera in zicht] zich ooit geroepen heeft gevoeld om, toen het echt dringend nodig was, het voor de ‘twee van Putten’ op te nemen. Gebrek aan durf om je politieke nek uit te steken, denk ik dan maar. Ik durf intussen de stelling aan dat, evenals dat bij de paskamermoord het geval is geweest, de identiteit van de werkelijke dader van de moord op Christel Ambrosius vroeg of laat boven zal komen drijven. Een aan het stuur en een op de bagagedrager
Toen ik eind 2003 samen met mijn Duitse recherchecollega en goede vriend Karl-Heinz Thies door het heuvelachtige gebied in de om- geving van Moringen rondstruinde, heb ik de drie fasen van mijn levensverhaal nog eens in een sneltreinvaart de revue laten passe- ren. Hardop fi losoferend constateerde ik toen achtereenvolgens vijf dingen. Op de eerste plaats dat ik het absolute voorrecht heb gehad van een, ondanks alle oorlogsomstandigheden, gelukkige jeugd in een groot en gelukkig gezin. Daarvoor komt natuurlijk mijn ouders (postuum) alle lof en hulde toe. Voor hun geweldige zorgzaamheid in die periode van mijn leven kan ik hun niet dankbaar genoeg zijn. Vervolgens stelde ik vast dat ik van mijn veertig politiejaren eigen- lijk geen dag had willen missen. Nog anders gezegd: afhankelijk van ‘het weer’ ben ik iedere dag bij wijze van spreken fl uitend naar mijn werk gefi etst (ook wel naar huis). Op de derde plaats dat ik met Nel- ly en onze beide kinderen een gelukkig leven heb gehad. Een periode waarin naast de dagelijkse beslommeringen ook altijd voldoende tijd werd ingeruimd voor de nodige ontspanning, zowel als gezin gezamenlijk als voor mij persoonlijk in mijn sportliefhebberijen. Zo memoreerde ik met veel plezier de langeafstandsfi etstochten in En- geland, Duitsland, Denemarken, België en Frankrijk. Ook de Elfste- denfi etstocht in Friesland, die ik drie keer heb gereden. Op de vierde plaats, dat er ook na je pensionering nog volop mogelijkheden zijn om actief ergens mee bezig te zijn en je gelukkig te voelen. Voorop- gesteld natuurlijk – en dat is iets waar je alleen maar dankbaar voor


kunt zijn – dat je gezegend bent met een goede gezondheid. Op de vijfde en laatste plaats hebben wij uitgebreid gefi losofeerd over de waanzin van de Tweede Wereldoorlog (Karl-Heinz zat samen met zijn vader in hetzelfde krijgsgevangenkamp waar zijn vader is over- leden). Evenzeer herinnerden wij ons dat we destijds beiden hadden gedacht dat zoiets nimmer meer zou gebeuren en dat er nu (1945) een betere wereld zou gaan ontstaan. Welk een illusie. Ten slotte hebben wij al wandelend in dat mooie natuurgebied rond Moringen ook uitvoerig van gedachten gewisseld over de vraag hoe oorspron- kelijke vijanden gewoon je vrienden kunnen worden. Om mijn Epiloog af te ronden. Er zijn drie factoren die mij na het overlijden van mijn vrouw in staat hebben gesteld – en nog – om al- leen verder te gaan, nieuwe doelen in het leven op te zoeken en die zo mogelijk ook te realiseren. Dat zijn allereerst de dierbare herin- neringen aan haar, waarvan ik er slechts een paar heb genoemd. Dat is vervolgens het gegeven dat ik een hechte band heb met onze twee kinderen en hun wederhelften – Annelies met ‘haar’ Bert en Hans met ‘zijn’ Machteld – met wie ik zodoende ook openhartig over ‘vroeger’ kan praten. En dan zijn er de drie kleinkinderen, waar ik intens van kan genieten. Wanneer ik bijvoorbeeld met het kweb- belende tweelinkje, een voorop aan het stuur en de ander op de Oktober 2003, Ljubljana, Slovenië, FBI NA jaarconferentie Europese
Afdeling. Samen met Hans, vijfde rij v.l.n.r. nrs. 1 en 2.


Mijn ‘rijkdom’ Jordy, Elien en Jasper!
bagagedrager, ergens in de polder aan het fi etsen ben of de derde fi er op zijn eigen fi etsje zie rondkarren, voel ik mij een van de rijkste mensen op deze aardbol. Tegelijkertijd vraag ik mij dan wel eens af waarom ik mij niet kan herinneren of ik destijds ook zo intensief bezig ben geweest met onze eigen ‘kleintjes’. Ik heb altijd geweldig genoten van ons gezinsleven en van mijn werk. Wanneer ik het leven nog eens over zou mogen doen, zou ik precies dezelfde route willen volgen met precies hetzelfde gezin. Het enige verschil zou ongetwij- feld zijn dat ik het allemaal nog veel intenser zou beleven. Ik herhaal nog eens wat ik in 1988 tijdens mijn afscheidstoespraak in de Bur- gerzaal in Rotterdam heb gezegd: ‘Ik ben een tevreden mens.’ En zo wil ik het graag nog een poosje houden.

Personenregister
Agt, mr. A.A.M. van, Blom, R., Ahout, Gerard, Boel, Gijsbertus, Ambrosius, Christel, 374, Boersma, T., Amuro, Cora, Bois, Herman du, Angel, Ron, Bommels, Bert, Arbeider, K., Boo van Uijen, J.C. de, Arestov, Nikolai, Boogaart, kolonel, Ark, A.M. van der, Boon, Arie, Asworth, Judge, Booster, mr. J., 167, 168, Aulton, Margaret, Borghouts, mr., Bosboom, Willem, Bak, K., Bosch, J.M. van den, 131, Bakhuis, J.A., Botter, Liset, Bakker, mr., 246
Bouhadiche, Baldock, Bill, Brand, Gerrit Willem, Ban, Job van de, 168, Briggs, Charles A., Barcella, Larry, 161,
Brox, J., Barendse, 136
Brummen, mr. H.A. van, Barns, Roberta ‘B.B.’, Bush, George W., Bavel, Rein van, 189, 190
Butler, Tommy, Beek, J.C. van, Beek, Van, 230
Campen, C. van, Beernink, Carratu, Vincent, 211, Bellemin-Noel, Jean, Casper, Joseph C., 283, Benichou, Chandler, Cassandra M., Berg, J. van de, Chiang Chi Fu, Berg, Petra van de Berg, 140
Clercq, De, 22, Berg, R. van den, Cockburn, George, alias Vickers,
Bernadom, Harold, 183- Birt, Billy Sunday, 291, 292, 293,
Copper, D.J., 214, Coughlin, Ed, 157,
Blaakman, P.A., 139
Courrech Staal, W.J., Bloemheuvel, Aart, Courrecht Staal, J.F.J., 137, Blok, mr. Hans, Cowlin, Geoffrey, 198,
Cox, Rodney, alias David Williams,
Gerding, mr. R.A.F., 160-162,
196- Giessen, A. van de, Cozijnsen, Lientje, Giskes, H.J., Crabb, John, Glasnapp, Ray, Gong, Jia Jie, 314, Darby, Christine, 261, 265, 266,
Goulding, Pete, 158, Gremmer, Allegonda, Delgado, Joanna, Grishaver, Anouska, Denderen, M.J. van, Groenendijk, Henk, Dijk, B.W. van, Groeneveld, Arie, 129
Dijk, Louis, Groeneveld, prof.dr. J., 137, 138,
Dijk, mr. C.P. van, Dingen, J.J., Gros, G., Dittrich, mr. Boris, 375, Gualthérie van Weezel, mr. Hans,
Dohnke, Tytsia, Dongen, F. van, Donkersloot, H., Hagemann, Wilfried, 152- Doorne, Huub van, Haley, Bill, Dop, J. van, 80, Hall, Jim, Dorp Jan van, 335, 337, 338, 343,
Hamelink, S.I., 345, 349, 352- Hartman, Bas, 140, 141, Have, W.J. van der, 223
Eck, mr. Nico van, Hazeu, Wim, 360, Einthoven, mr. L., Hazewinkel, mevrouw F., 332, Ekavit, 306, 308, Heath, John, 152, 154, 156, 157,
Ekels, Marjan, 159, Elst, Goof (John), Hedges, Daniel, Engelberting, Heerschap, Martin, Engelbertink, Gerrit, Hees, Hans van, Heijman, Th., Feenstra, Heisterenberg, Monique, Feltz, mr. W.A. Baron van der,
Henderson, Johan, 103, Hendriks, mr. W.J.F., 177, Ferguson, John, Henley, K., Flannagan, Frank, 271, Herlaar, Jan, Fonkert, Leo, 75, Heukels, Theo, Fonteijn, mr. A.J., 296, 297, Hitler, Forbes, Ian, 261, 262, 267, Hitzert, A., Frolov, Victor, 327, Hoff, mevrouw B. van der, Hollander, mr. R.J., Gast, E. de, Hollebrand, Jaap, Gast, Koos de, Hollis, Virgil, 270, 287, 288,
Gaster, 208- Hoover, J. Edgar, 275-278, 283- Gentile, Joe, 188, Hughes, Lynn N. (Judge), Georgoulis, Dimitrios, 215- Huiskamp, Karel, 83,
IJsselstein, Herman, Lucas, Henry Lee, 372, IJzerman, Leen, Lüdke, Bruno, 256, In het Veld, Han, 214, 217, Maat, dr. G.J., Jansen, Henk, 173–175, 204, 222,
Magendans, W, 254
Marel, J. van der, 211- Jenkins, Peter, 196, 197, 200, Mastenbroek, Nico, Jones, Ernest, Maximov, Vladimir, Jong, H. de, Meekeren, Jaap van, Jong, L. de, Meer, Hans van der, Jong, mr. J.D., Meijers, mr. L.C.M., Jongen, H.J.R., Meixner, F., Jong-Slagboom, Teuntje de, Messchaert, mr., 168, Michailov, Michail, Kamphuis, Harry, Miller, Bill, Karel, Jaap, Miller, John Barry, alias John Dun-
Kelley, Clarence, phy, Khun Sa, 299, Mitchell, John N., Klein, Arie, Moerdijk, M.C., Klingner, Molloy, Pat, 265
Klinken, Hans van, Monteban, N., Knijff, Rob, Moor, Victor D., 147, Knowles, Paul John, Morris, Raymond, Leslie, 264- Kodde, Jaap, 144, 145, Muis, J.A.A., Kool, Leo, Muller, Joop, Koomen, J. de, Korthals Altes, mr. F., 180, 225, Nahrong Mahanonda, 306, Kouwenberg, Ton Nederlof, Nelly, Kraisook Sinsook, 301-303
Nivard, Marcel, 149, Kranenburg, Arie, Nixon, Richard M., 283, Kriezels, Trees, Noordermeer, C.K., Kwast, J.A., Noorthoek, J., Lafèbre, Thérèse, 171, Offermans, (kolonel), Lagendaal, Wim, Olthoff, Maran, Lamb, George P., Opstelten, mr. I.W., Lambooy, mr. R.J.J., 31, Osterman, A., 176- Lamers, J., Ottevanger, Cees, Lane, Charles H., Otto, Joke, 176- Lee, Earl, 289, 290, 291, 292,
Overveld, mr. Van, Levisson, Sal, 214, Paalvast, Piet, Lindemans, Christiaan, alias King
Paape, drs. A.N., Kong, 202- Palland, Jhr. Van, Louw, A. van der, 112, Paton, Michael,
Pauwels, Henk, 298, 300, Selini, Louis, Pedersen, Dick, 155, 157, Sikkens, Pel, R., Simon, Will, Peper, dr. Bram, 129, 121, 203, 205, Simonis, kardinaal, 206, 335, 337-340, 342, 343,
Slingerland, G., 345, 349, 350, 352, Slocombe, Reginald, 158-160
Pieterse, L.C., Soares, Olav, Piredda, Natale, 179, Soekiran, Poetin, Sombat, Polak, burgemeester, 230, Somers, Ph., Popov, Alexander, Sorasit Sangprassert, Pothuis, Anita, Sorgdrager, mevrouw mr. W., Pow Sarrasin, Soudan, Ed. E., Prooien, Bas van, Speck, Richard, Putter, J. de, Spel, Ton, Staab, mr. K., Raalten, Sandra van, Staal, H.M.C.A., 79, Raffi o, Alex, 153-155, 157, 159
Stakenburg, Willem, Ramakers, Henk, Stegeman, Jo, 116, Randwijck, mr. R.J.C. Graaf van,
Stehouwer, Arend, Steventon, Ron, 279
Regt, Cees de, Straten, Arie van, 69, Remortel, Eugène van, 91, 92, Straten, Hans van, Reynolds, Margaret, Suratminah, Riekwel, A., Rijn, Hugo van, Taylor, Julia, Robertson, Sam, Telder, Maria, Rockjwell, Norman, Tengnagel, Annie, Roël, 59, Theeuwes, Bart, Roesselaer, Jean, 183- Thies, Karl-Heinz, 94, 190, 376, Roestenburg, Wil, Thomassen, ir. W., 104, 119, 227,
Roethof, H., 142, 248, 252, 232, Rose, John du, 258- Thöne-Siemens, mevrouw B.M.,
Rudolphie, T., 203, Ruijter de Wildt, Anne, Tift, Diana, Ruiter, mr. J. de, Toorenaar, Gerard, 208, 209, Rutting, Ton, Traa, Maarten van, Turner, Harry, Sacco en Vanzetti, Schaik, Van, Uytenbogerd, Jantje, Schepen, Willem, Schimmel, mr. R., Vaal, Hans de, Schippers, Carlo, Van Noy, George A., Schippers, M.W., Vasit Dejkunjorn, 301, Schuit, H., Vergouwe, mevrouw T.E.,
Vermeij, A., 168, 227, 298, 330-334
Weekers, Hélène, Vermeulen (gefi ngeerd), 182, Wehner, dr. Bernd, 256, Vermeulen, Keesje, Wendels, mr. A., Vervat, Wil, Werf, Ab van der, 116, 118, 173-
Verveld, Willem, 99-101, 175, 212-214, Vervloet, J., Werkhoven, A.G.M., Verwaayen, Martijn, Weststrate, J.J., Viets, Wilco, Wigbold, H.A., 334, Visbeen, J., Wijkerslooth, mr. J.L. de, Visser, dominee Hans, 223, Wilson, Edwin Paul, 152- Vleggeert, Leen, 350, 352, 356- Wiltink, Herman, Vlieg, Gerrit de, 155, 157, Wolters, A., 279, Vlielander, M., Wubben, Jan, Vliet, J. van der, Wurr, Voorden, Henk van, 80, Voormolen, W., Zaanen, Rob van, Voortman, M., Zarathé, 319, Vosmeer, J., Zee, Klaas van der, Vries, E. de, Zeiss, George, Vries, Peter R. de, 372, 374, Zijlmans, Adriaan, Vries, Y. de, Zon, J.,
Fotoverantwoording
De foto’s op de pagina’s 111, 139, 152, 195 en 233 zijn afkomstig van de Gemeentepolitie Rotterdam
De foto op p. 115 is afkomstig uit het archief van het Rotterdams Dagblad
De foto op p. 117 is afkomstig uit het Gemeentearchief Rotterdam De foto’s op p. 141 en 175 © Paul Stolk
De foto op p. 166 is afkomstig van de Technische Recherche Rijks- politie te Arnhem
De foto op p. 170 © Ton den Haan
De foto op p. 360 © Maurice Abdelale, Rotterdam-Hoogvliet De foto op p. 367 © Mirjam Wanetie
Voor het overige zijn de meeste foto’s uit de collectie van de au- teur zelf afkomstig. In een enkel geval hebben we de rechthebbende echter niet kunnen achterhalen. Mocht iemand menen aanspraak te kunnen maken op het copyright van enig in deze uitgave verschenen fotomateriaal, dan verzoeken wij deze persoon contact op te nemen met Uitgeverij De Fontein, Postbus 1, 3740 aa te baarn.