‘snol’ omschreven als ‘lichtekooi, hoer’. (W.L.H. Köster Henke, De
Boeventaal, 1906). In de jaren zestig was er in Rotterdam ook nog
een categorie publieke vrouwen die ‘Maasnimfen’ werden genoemd. Dat waren vrouwen die zich beroepsmatig maar in strijd met de be- wakingsvoorschriften aan boord van buitenlandse schepen ophiel- den. Het behoorde tot de taak van de Rivierpolitie deze vrouwen van boord te halen.
Souteneurs
Graag grepen wij iedere gunstige gelegenheid aan om een souteneur (pooier) ‘achterover te trekken’, dat wil zeggen, hem via de nodige getuigenverklaringen uiteindelijk in de Rijkswerkinrichting in het Drentse Veenhuizen te doen belanden. De moeilijkheid zat hem ech- ter steeds hierin dat publieke vrouwen in de regel niet stonden te trappelen van ongeduld om een verklaring af te leggen. Wanneer een publieke vrouw in een opwelling aangifte had gedaan, bijvoorbeeld na door haar pooier in elkaar te zijn geslagen, kon het gebeuren dat zij haar verklaring na een of twee dagen weer introk. Je had dan als Zedenpolitie natuurlijk geen been meer om op te staan. Souteneurs heb ik altijd beschouwd als profi teurs van het laagste soort. Bij een inverzekeringstelling van zo’n fi guur kon ik dan ook niet nalaten hem (in gedachten) een lange periode van hard werken en weinig verdienen in het schone Drentse land toe te wensen. In 1959 zag de Rotterdamse Zedenpolitie nog kans in totaal 18 souteneurs voor de rechter te brengen. In 1960 echter daalde het aantal tot vier. In het jaarverslag 1960 in dat verband: ‘De strijd tegen de souteneurs werd met onverminderde kracht voortgezet. Het succes, in 1959 geboekt, kon evenwel in het verslagjaar niet worden geprolongeerd, daar de schrik deze heren blijkbaar in beweging had gebracht met het gevolg dat velen van hen aan het werk gingen.’ De eerlijkheid gebiedt mij intussen te zeggen dat ook een souteneur wel eens tot ander inzicht kan komen. Zo kreeg ik van een zo’n fi guur die wij voor lange tijd aan een ‘baan’ in Veenhuizen hadden geholpen, een brief gedateerd 16 april 1963, waarin hij onder meer schreef: ‘(...) Ik heb nu een perfecte close-up ondervonden wat het woord misdaad behelst. Uit de vele conversaties die ik gevoerd hebt met
mijn zaalgenoten, ben ik Goddank tot de conclusie gekomen dat ik
niet de ware inslag bezit om souteneur te zijn. Dat ik er niet ruiter-
lijk voor uit ben gekomen, kan ik nooit verklaren. Het is een vraag
die mij vele malen per dag kwelt. Daar ik nu hier een poosje ben

en als het ware aan de lijve ondervindt wat een souteneur is, ben ik
mij er terdege van bewust dat ieder weldenkend mens geen greintje
begrip of meedelijden kan tonen en dat een Rechtbank geen ver-
zachtende omstandigheden aan mag voeren. Door een gedeelte van
mijn gedachten op schrift te stellen, dat doet mij goed. Tevens doe
ik dit om een gedeelte van mijn gewetensbezwaren kwijt te raken.
Toen ik voor het eerst met u kennismaakte had ik een grote antipatie
voor U, erger nog, ik haatte U. Doch nu ik weet welk duivels kwaad
u bestrijdt. Hoop ik dat deze op schrift gestelde gedachtengang U
in goede gezondheid bereiken mag. Hopende dat U begrip voor mij
kan tonen teken ik met de meeste hoogachting. (...)’
n.b. In de eerder aangehaalde Boeventaal wordt een ‘pooier’ om- schreven als: ‘Dikvreter. Kerel die met een meid leeft, die voor hem de kost verdient. Als ik zo’n pooier moest hebben, liet ik hem gauw den moord steken (om hals komen).’
Mijn diensttijd bij de Zedenpolitie heb ik al met al ervaren als een weliswaar veelzijdige, interessante en leerzame periode, maar ook veelal als een opeenhoping van menselijk verdriet en ellende, in het bijzonder wanneer het ontucht met (eigen) kinderen ging. In de rich- ting van een of andere pedofi el heb ik er nimmer onduidelijkheid over laten bestaan: blijf met je handen van onze kinderen af. Nadat ik alles bij elkaar drie jaar bij die dienst werkzaam was geweest, had ik het dan ook wel gezien. Zo’n twintig jaar later kreeg ik als hoofd van de recherche opnieuw met het Rotterdamse prostitutiebedrijf te maken. Daar is echter het nu volgende aan voorafgegaan. prostitutiebeleid – een gebed zonder eind Katendrecht vrijwaren voor prostitutie
Aan het begin van de jaren zeventig hadden bewoners van Katen- drecht (terecht) meer dan genoeg van de prostitutie in hun wijk. Zij lieten daarom ook geen gelegenheid onbenut om dat op allerlei manieren – al dan niet via het wijkcomité – aan het gemeentebestuur duidelijk te maken. Feitelijk waren hun grieven natuurlijk ook geen wonder. Volgens een rapport (1972) van de toenmalige commissaris chef Zedenpolitie Willem Verveld, vond prostitutie op Katendrecht eind 1971 plaats in 105 woningen, die verspreid waren over vrijwel de hele Kaap. In de Atjehstraat was de grootste concentratie van

‘hoerenpanden’ te vinden. Van de in totaal 91 woningen in die straat
waren dat er namelijk 33, met een gemiddelde van twee à drie ka- mers per pand. Bij de Zedenpolitie stonden toen 374 vrouwen gere- gistreerd als prostituee, die op Katendrecht – al dan niet regelmatig – als zodanig werkzaam waren. Verveld constateerde in zijn rapport dat ‘hier en daar stemmen opgaan om door het – waar dan ook – bouwen van een als bordeel ingericht fl atgebouw, Katendrecht te verlossen van de prostitutie. Een gedachte overigens, die zich ge- makkelijker laat lanceren dan realiseren.’ Verveld heeft zich in 1972 georiënteerd op de ervaringen die de politie in onder meer Ham- burg had opgedaan met betrekking tot de zogenaamde Erosfl ats. Hij stelde allereerst vast dat uit het onderzoek in Hamburg was geble- ken ‘dat het voortdurend verder om zich heen grijpen van bepaalde misstanden op het gebied van de seksualiteit mede kon plaatsvinden doordat Bestuur en Justitie niet eenzelfde taal spraken.’ Vanuit de politiepraktijk formuleerde hij vervolgens vier conclusies: * ‘daar waar de prostitutie als instituut vaste voet heeft gekregen, is
zij niet uit te bannen;
* semi-reglementering, in die zin dat politieregistratie op vrijwillige
basis plaatsvindt, blijft gewenst;
* concentratie van prostitutie verdient de voorkeur boven sprei-
ding; en
* dichte concentratie, om de gedachten te bepalen in een bepaalde
straat, heeft voordelen, vooral indien men de rol van de soute-
neur kan elimineren.
Aan deze conclusies voegde hij het volgende toe: ‘Ter adstructie van het laatste punt diene dat men tot een dichte concentratie alleen zou kunnen komen langs omwegen, die vereisen, dat de profi teurs van de prostitutie, (waarbij met name de souteneur echter geen rol mag spelen) als gesprekspartner aanvaard zouden moeten worden. Nadrukkelijk wordt de term “omweg” gebezigd omdat verondersteld mag worden dat de Nederlandse wetgever t.a.v. het bordeelverbod het huidige principe zal blijven aanhangen. Immers, strakke reglementering leidt tot vlucht in de vrije, moei- lijk te controleren prostitutie, en deze in haar consequenties tot spreiding en verheviging van de maatschappelijke problemen, die inherent zijn aan de prostitutie. Prostitutiebestrijding is in wezen een kwestie van opvoeding van het individu; het klimaat van de samenleving zal bepalend zijn voor de ontwikkeling in deze.’ Deze laatste constatering van Verveld – naar mijn vrije vertaling luidend: gemeentebestuur, wanneer u die richting uit wilt, dan bent u aange-

wezen op een ‘profi teur’ die met u langs een ‘omweg’ in zee wil gaan
voor een Eroscentrum – zou in de jaren tachtig enerzijds in die zin worden achterhaald omdat het bordeelverbod zou worden opgehe- ven. Tegelijkertijd echter zou de aanduiding uit het rapport ‘profi - teurs van de prostitutie’ nog eens volop in de (media-)belangstelling komen te staan. Met name met dat laatste aspect kreeg ik later als Hoofdcommissaris Hoofd Uitvoerende Dienst te maken. Allereerst nog dit. In 1975 besloot de Rotterdamse gemeenteraad Katendrecht te vrijwaren voor prostitutie. Dat nu bleek – om in de terminologie van Verveld te blijven – gemakkelijker te lanceren dan te realiseren. Men moest immers, hoe dan ook, op zoek naar een werkbaar alter- natief. En juist dat element bleek door de jaren heen keer op keer het grote struikelblok in het Rotterdamse prostitutiebeleid te zijn. Seksboten bij de Euromast
Wat die ‘profi teurs’ betreft. In de jaren tachtig rezen de illegale gokclubs in Rotterdam als paddestoelen uit de grond. Door allerlei oorzaken, onder meer door een capaciteitsprobleem, zag de afde- ling Bijzondere Wetten, die met de bestrijding was belast, zich uit- eindelijk genoodzaakt bij de bestrijding de prioriteit te leggen bij de overlastgevende gokpanden. Vanaf 1984 ontstond zodoende een gedoogbeleid met als leidraad art. 49c van de Algemene Politie Ver- ordening. Dat kwam er in de praktijk op neer dat illegale gokclubs ongemoeid werden gelaten, zolang de openbare orde maar niet in het gedrang kwam. Wat ieder gedoogbeleid met zich meebrengt, gebeurde natuurlijk ook in de illegale Rotterdamse gokwereld: de situatie werd alleen maar beroerder, en het ene gokpaleis werd nog fraaier dan het andere. Rond 1985 bestonden er in de stad inmid- dels zo’n dertig illegale gokhuizen. De grootste daarvan was de in 1984 geopende Mata Hari, gevestigd aan de Vierhavenstraat. De eigenaar van dit gokpaleis, ‘bekend als de ‘gokkoning’, was een fi - guur die in die illegale Rotterdamse gokwereld een dominerende rol speelde. Aan het begin van de jaren tachtig had deze gokkoning met de gemeente Rotterdam onderhandeld over een prostitutiecentrum in het Poortgebouw en later over seksboten bij de Euromast. Rond 1985 voerde hij gesprekken met de gemeente over een Eroscentrum in de fabriekshallen van de failliete papierfabriek Inverpak aan de Keileweg. Noch het een noch het ander is – afgezien van een slechts veertien dagen durende poging tot vestiging van een Eroscentrum aan de Keileweg – ooit van de grond gekomen.

Ik heb altijd grote bezwaren gehad tegen illegale gokholen. Van-
uit mijn Amerikaanse ervaringen beschouwde ik ze als broeinesten van allerlei vormen van (georganiseerde) criminaliteit. Oorden bij uitstek van waaruit criminele gokmagnaten zich verrijken, zich links en rechts inkopen en mede langs die weg veel macht krijgen in de re- guliere samenleving, zo heb ik bij de fbi geleerd. Toen ik als Hoofd Uitvoerende Dienst vanaf 1985 daartoe de lengte kreeg, hanteerde ik het uitgangspunt zo mogelijk aan alle illegale gokactiviteiten in Rotterdam een einde te maken. Of dat helemaal is gelukt, betwijfel ik, maar de belangrijkste hebben we zeker opgeruimd. Op het ver- moeden van andere criminele activiteiten startte het Bureau Zware Criminaliteit in 1985 een onderzoek tegen de gokkoning. Die be- wuste activiteiten hebben we overigens nimmer kunnen waarmaken. In september 1986 deed het Bureau Zware Criminaliteit een groot- scheepse inval in de Mata Hari. Bij deze zorgvuldig voorbereide ac- tie, waaraan zo’n driehonderd politiemensen deelnamen, hebben we dit gokpaleis geheel ontdaan van alles wat los en vast zat, inclusief een paar ton aan contanten. De gokkoning zelf wist op het laatste moment te ontkomen en voor ongeveer een halfjaar onderkomen in Brazilië te vinden. Later onderging ook de tweede in de hiërarchie van goktenten, Casino Royal aan de Berkenwoudestraat, hetzelfde lot. De Belastingdienst, een trouwe bondgenoot in onze strijd tegen de illegale gokwereld, heeft in die tijd kwistig en tot mijn groot ge- noegen met waarlijk niet geringe aanslagen gewapperd. En de Rotterdamse prosituees?
Mijn gokbeleid, dat in samenspraak met de justitie tot stand was ge- komen en dat ook is besproken in de raadscommissie politiezaken, is mij niet door iedereen in dank afgenomen. Zo riep een of andere gokbaas in Het Vrije Volk van 13 februari 1987 onder meer: ‘Wie ook moet uitkijken is politiecommissaris Blaauw. Ze zien in hem de kwaaie genius van de nieuwe tactiek. Een aantal jongens vindt het helemaal niet leuk dat hij aan hun boterham zit. Als Blaauw zo doorgaat vinden ze hem straks ingemetseld.’ Van dat laatste heb ik nooit wakker gelegen en het heeft mij evenmin ooit belet ongestoord op mijn (dienst)fi ets door Rotterdam te karren. Direct na de inval in de Mata Hari verschenen er in de pers berichten over het feit dat het gemeentebestuur niet tevoren over onze actie op de hoogte was geweest. Inderdaad, het gemeentebestuur was tevoren niet door mij ingelicht om de doodeenvoudige reden dat het hier ging om een puur

justitiële operatie, waarvoor de gemeentelijke overheid geen enkele
verantwoordelijkheid droeg. Daar kwam ook nog het volgende bij. Wij wisten dat de eigenaar van de Matia Hari, de ‘gokkoning’ dus, met de gemeente in gesprek was over een Eroscentrum aan de Kei- leweg. Op het Stadhuis wist men wat voor vlees men met de gok- koning in huis had gehaald. Evenzeer kende men op ‘de Coolsingel’ onze bezwaren tegen de contacten met de gokkoning. Aan mogelijke ‘lekken’ had ik geen enkele behoefte, aan ‘loodgieters’ al evenmin. Ongeveer een week na onze inval in de Mata Hari zei de toenmalige wethouder Johan Henderson (Volksgezondheid en Sociale Zaken) in een interview in het Rotterdams Nieuwsblad van 4 oktober 1986 onder meer het volgende: ‘Het prostitutiebeleid in Rotterdam zal voorzichtiger worden. Over enkele weken zal ik hierover meer be- kendmaken. Ik wil onder meer een vergunningenstelsel voor bor- delen invoeren, zodra artikel 250 bis [bordeelverbod, jab] uit het Wetboek van Strafrecht is geschrapt. Het wordt dan mogelijk om eisen te stellen aan de werkomstandigheden van de prostituees en als een bordeelhouder daaraan niet voldoet, dan kan zijn zaak worden gesloten.’ Ongetwijfeld goedbedoelde voornemens, maar daar is het in de loop van de jaren dan ook bij gebleven. n.b. Het bordeelverbod is op 1 oktober 2000 uit het Wetboek van Strafrecht geschrapt.
De geschiedenis herhaalt zich. Anno 2003, ruim dertig jaar nadat commissaris Verveld daar met een deputatie is geweest, brengt een andere gemeentelijke Rotterdamse delegatie een oriëntatiebezoek aan het Eroscentrum in Hamburg. Voorts, de gemeente Rotterdam zoekt nog steeds een ‘gemeentelijke bordeelhouder’ (pooier) aldus perspublicaties uit datzelfde jaar.
En de prostituees in Rotterdam intussen? Zij leefden nog lang en (on)gelukkig.

HOOFDSTUK VIJF
OPENBARE-
ORDEPROBLEMEN
‘De meest kernachtige defi nitie van het begrip “openbare orde”
kwam bij de commissievergadering Algemene Zaken van mr. K.
Staab (VVD), “Ga op dit moment,” zei hij “naar de Coolsingel
en zie dat er niets aan de hand is. Dat is openbare orde.” De
burgemeester, Ir. Thomassen nam deze opmerking over.’
Citaat uit het Rotterdams Nieuwsblad d.d. 27 oktober vroeger
‘Straat ontruimen! Geweld zal worden gebruikt’
Wie in de veronderstelling mocht verkeren dat er in Rotterdam ooit zoiets heeft bestaan als ‘den goeden ouden tijd’ waarin de open- bare orde niet of nauwelijks werd verstoord, hoeft de geschiedenis maar in te duiken om tot een heel andere conclusie te komen. Al- leen de oorzaak van een grootscheepse ordeverstoring is eigentijds. Voor het overige is tenminste één element van generatie op generatie kenmerkend gebleven bij ordeverstoringen: massaal geweld tegen de politie, met de ordinaire straatsteen als het belangrijkste wapen. Van alle tijden is voorts ook het gegeven dat bij een rel, hoe groot of hoe klein ook, twee elkaar bij wijze van spreken naar het leven staande partijen zich veelal verbazingwekkend snel verenigen, om vervolgens broederlijk de politie tot gemeenschappelijke vijand te verklaren. Ter inleiding van dit hoofdstuk een klein stukje historie. In zijn ‘Beknopt overzicht van de Geschiedenis der Rotterdamse Po- litie’ (Intern document, 1952) haalt de toenmalige commissaris H. de Jong, chef van de geüniformeerde politie, drie voorbeelden aan van grootscheepse ordeverstoringen in Rotterdam, die plaatsvonden

vóór de Tweede Wereldoorlog. Ik ontleen daaruit het volgende. De
maand augustus 1927 stond in de Rotterdamse binnenstad avond aan avond in het teken van vernieling van talrijke winkelruiten en hevige botsingen met de politie, die door de menigte met stenen (uit de wegens werkzaamheden opgebroken Goudsesingel) werd beko- geld. Aanleiding was de ter dood veroordeling en executie van twee mannen, Sacco en Vanzetti, in de Amerikaanse staat Massachusetts. Deze mannen waren veroordeeld wegens een dubbele roofmoord. Aanvankelijk werd alleen in Amerika actie gevoerd tegen het vonnis. De twee zouden onschuldig zijn en slechts zijn veroordeeld omdat zij lid waren van de communistische partij. Geleidelijk sloegen de acties echter ook over naar Europa. In Rotterdam gingen commu- nistisch gezinde organisaties de straat op. Demonstraties voor het Amerikaanse consulaat aan de Wijnhaven resulteerden uiteindelijk in grootscheepse en langdurige ordeverstoringen en vernielingen. De situatie dreigde op een gegeven moment zo uit de hand te lopen, dat bij noodverordening een samenscholingsverbod voor meer dan drie personen moest worden afgekondigd. Slechts enkele jaren la- ter, namelijk in 1931, vonden in de Tuinderstraat en de Beverstraat op Rotterdam-Zuid ernstige rellen plaats naar aanleiding van de zogenaamde huurstakingen. De toenmalige Hoofdcommissaris van politie, mr. L. Einthoven, vond dat het tijd werd dat de politie voor het handhaven van de openbare orde over andere middelen ging beschikken. In minder dan geen tijd kreeg het Rotterdamse poli- tiekorps dan ook de beschikking over onder meer ‘pantserauto’s en zoeklichten’. Bovendien werd de zogenaamde Karabijnbrigade opgericht. Dat hele arsenaal kwam ten slotte goed van pas toen in juli 1934 in Crooswijk wanordelijkheden uitbraken naar aanleiding van de verlaging van de steunuitkering aan werklozen. Aangezien de situatie in Crooswijk geheel uit de hand dreigde te lopen, be- sloot de Korpsleiding geen halve maatregelen te nemen. De hele wijk werd hermetisch afgesloten, waarbij de politie ondersteuning kreeg van militaire politietroepen. Daarna trokken de Karabijnbrigade en militairen de wijk binnen. De bevolking werd door middel van scheepstoeters en grote houten borden gelast de straat te ontruimen en deuren en ramen gesloten te houden. De tekst op een door de po- litietroepen meegevoerd bord liet aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘Straat ontruimen! Geweld zal worden gebruikt’. Tot zover hoe het ‘vroeger’ soms ook was.
Ruim vijftig jaar later, in 1987, werd ik op zekere dag opgebeld door iemand van de Technische Dienst van ons korps. Wat er ge-

beuren moest met een tijdens verbouwingswerkzaamheden aan het
bureau Westersingel onder de vloer gevonden groot houten bord, vroeg hij. Het bleek te gaan om bovengenoemd waarschuwingsbord. Het moet ooit onder de vloer van het bureau terecht zijn gekomen en daar ook de Tweede Wereldoorlog hebben overleefd. Dat bord is anno heden te bewonderen in de Historische Collectie van de politie Rotterdam-Rijnmond.
rellen
De stad uitgebonjourd
Een ordinaire rel waardoor de openbare orde wordt verstoord, kan op talloze manieren ontstaan. Soms komen de veelal door een rijke- lijke hoeveelheid alcohol opgejutte gemoederen al tot spontane zelf- ontbranding op het moment dat de politie ter plaatse is gearriveerd, maar nog geen enkele actie heeft ondernomen. Een soort rode-lap- op-een-stiereffect, dat bovendien snel kan escaleren. Dat laatste heb ik in 1956 eens ervaren als inspecteur van dienst aan het Bureau Rochussenstraat. Een gezelschap van zo’n dertig uit het Brabantse afkomstige mannen en vrouwen was voor een dagje uit per bus naar Rotterdam gereisd. Op de Nieuwe Binnenweg bezochten zij de no- dige kroegen, waarna het hele gezelschap, sommigen waren inmid- dels goed in de lorum, een cafetaria binnenviel. Toen de Brabanders daar wat al te luidruchtig tekeergingen, riep de cafetariahouder de hulp in van een toevallig voorbijfi etsende diender. De goede man had nog maar nauwelijks een voet in de cafetaria gezet, toen hij van alle kanten door de feestgangers werd omringd, vastgegrepen en bedreigd. De diender wist zich echter los te rukken, een telefooncel te bereiken en de meldkamer om spoedassistentie vragen. Toen wij met de nodige versterking van de rsb ter plaatse verschenen, ging het complete Brabantse gezelschap door het lint, met als gevolg een ware veldslag. Daarbij zag een van de relschoppers kans een pan met aardappelen te pakken en door de zaak te smijten. Wij lieten ons natuurlijk ook niet onbetuigd. Uiteindelijk slaagden wij erin een aantal van de feestvierders aan het bureau te krijgen en in te sluiten wegens openlijke geweldpleging. Even later verscheen de rest van de feestvierders voor het bureau, waar zij luidkeels en met veel misbaar de onmiddellijke vrijlating van de arrestanten eisten. Om die eis kracht bij te zetten, ontregelden zij gedurende ongeveer een uur het

verkeer bij de Lage Erfbrug. Uiteindelijk hebben wij wat er nog over
was van de club met zachte drang in de bus weten te krijgen en onder de nodige politiebegeleiding nabij het Feyenoord-stadion de stad uit- gebonjourd. Uiteraard zonder de arrestanten. ‘Groate schand, groate schand,’ brulden de Brabanders ons nog verontwaardigd na. Ik kan mij tegenwoordig niet aan de indruk onttrekken dat onze soms nogal opzichtige aanwezigheid bij het toenmalige jeugdamusement, zoals pantoffelparades, een bepaalde bijdrage heeft geleverd aan de rel- achtige sfeer. Aan de andere kant, met behulp van de gummistok de verstoorde orde ter plaatse herstellen, vonden wij als jonge dienders toch ook wel weer een uitdaging. Stoerheid? Laten zien wie de baas is op straat, die ‘etters’ of wij? Iets in die geest was het soms wel. Om zich heen meppende Hoofdcommissaris
Gedurende de eerste week van oktober 1956 vonden op de Schie- damseweg de zogenaamde rock-’n-roll-relletjes plaats. Grote horden jongelui hingen rond het Prinsestheater, waar toen een fi lm van Bill Haley ‘Rock around the Clock tonight’ werd gedraaid. Zo weinig als de bijbehorende muziek mij (toen) kon bekoren, zo opgetogen, om niet te zeggen door het dolle heen, was de avond aan avond daar verzamelde meute. Een en ander ging gepaard met het per brommer over de voetstraat scheuren, wildplassen en het irritatie opwekkende onderlinge indianengehuil. Dat de bewoners van de Schiedamseweg niet bepaald ingenomen waren met dit twijfelachtige festijn, zal dui- delijk zijn. Wij waren daarom natuurlijk ook prompt iedere avond met de nodige dienders ter plaatse. Aanvankelijk verkeerden wij nog in de veronderstelling dat het allemaal vanzelf over zou gaan, maar niets bleek minder waar. De horde werd steeds groter, de overlast dus ook. Zelfs vanuit de ‘boerenzij’ kwamen de nodige herrieschop- pers, in die tijd ook wel aangeduid als ‘nozems’, op de rellen af. Mijn afdelingschef raakte lichtelijk in paniek toen hij op zekere dag vanuit het ‘Vaticaan’ werd opgebeld met de mededeling dat de Hoofdcom- missaris zich die avond hoogst persoonlijk ter plekke zou komen overtuigen van de ontstane situatie. Die toestand op de Schiedam- seweg was intussen ook niet aan de aandacht van de lokale pers ontsnapt. Acht in burger geklede rayonagenten en ik stelden ons die avond min of meer verdekt op in enkele portieken, niet ver van het Prinsestheater. Wij hadden zodoende redelijk goed zicht op de ver- zamelde menigte, waarbij wij in het bijzonder het oog hadden op de kern van de relschoppers. Toen wij dat betrekkelijk kleine groepje

eenmaal goed in het vizier hadden gekregen, was het een kwestie
van op het juiste moment, letterlijk, toeslaan. Als het even kan geen arrestanten maken, maar die rotzakken zodanig kennis laten maken met ‘de lat’ dat ze zich morgen en de volgende avonden wel twee keer zullen bedenken om de omgeving van het Prinsestheater nog eens op te zoeken. Dat waren mijn instructies. Terwijl ik nog op een gunstig moment wachtte om tot actie over te gaan, gebeurde plotseling het volgende. Op de hoek van de Jan Kruyfstraat en de Schiedamseweg, te midden van de joelende troep ongeregeld, stopte een glimmende, zwarte Mercedes. Een naast de bestuurder gezeten man, klein van postuur, brilletje op het hoofd en gekleed in een lichte regenjas stapte uit en begon ogenblikkelijk links en rechts met een gummistok in te hakken op een groepje jongelui, die zich rond- om de Mercedes hadden geschaard. De dapper om zich heen mep- pende man in kwestie was niemand minder dan Hoofdcommissaris H.M.C.A. Staal. Ik vatte zijn eenmansactie onmiddellijk op als het startsein voor de algehele aanval. Die hebben wij dan ook prompt ingezet en dat heeft het groepje kernnozems geweten ook. De vol- gende avond was het al stukken rustiger, waarna het vuur binnen enkele dagen vanzelf is uitgegaan. Onder het motto ‘agentje pesten’ lieten de Rotterdamse nozems in de daaropvolgende tijd nog lang en danig van zich horen, onder meer in de omgeving van de Karel Doormanstraat. Hoofdcommissaris Staal huldigde in dat verband maar één principe: keihard aanpakken die troep. De inzet daarbij van motoren met zijspan was inmiddels bij de politie erg populair geworden. Terwijl zo’n machine ronkend tussen de verzamelde no- zems reed, haalde de ‘bakkenist’, zoals de man in de zijspan werd aangeduid, fel uit met de lange wapenstok. havenstakingen
Tijdens mijn loopbaan bij de Rotterdamse politie heb ik twee keer bemoeienis gehad met havenstakingen. De eerste keer gebeurde dat tijdens de staking in de maand september 1970. Ik was toen als hoofdinspecteur werkzaam bij de geüniformeerde politie van het bureau Centrum. Die staking heeft een aantal dagen geduurd. Door de verschillende optochten van de stakende havenarbeiders, waar- bij men op zekere dag ook door de oostbuis van de Maastunnel marcheerde, werd het wegverkeer met enige regelmaat zo ongeveer overal in de stad stevig ontwricht. Als plaats van samenkomst van

de stakers was het Schouwburgplein uitverkozen. De veelal grote
groepen daar verzamelde stakers werden via luidsprekers in gespier- de taal toegesproken door een of meer leden van het Comité Arbei- dersmacht Haven. Vanaf het Schouwburgplein trok men vervolgens in een lange sliert scanderend naar of het kantoor van de Neder- landse Bond van Vervoerspersoneel aan de West Zeedijk of dat van de Scheepvaart Vereniging Zuid op de linker Maasoever. Wij waren in Rotterdam inmiddels wel wat gewend wanneer het ging om verkeerschaos veroorzakende bijwerkingen van sommige gebeurtenissen. Ik doel met name op de groots opgezette festiviteiten van C’70, waaraan ik overigens hele mooie herinneringen bewaar. Tijdens ons optreden bij met name dat grootschalige evenement hadden wij als geüniformeerde politie vooral drie dingen geleerd. Op de eerste plaats dat, hoe groot de ontstane verkeerstroep ook is, het leven de volgende dag weer gewoon verder gaat. Op de tweede plaats dat geduld ook voor ons, dienders, soms een schone zaak is. Op derde plaats, dat een grote volksverzameling het best vergele- ken kan worden met een kruitvat. Mede afhankelijk van de aard en omvang van zo’n samenkomst is een klein lontje soms al genoeg om de boel te laten ontploffen. De diender staat in de regel echter het dichtst bij dat lont. Anders geformuleerd: het is zaak onder omstan- digheden je nuchter en gezond boerenverstand te gebruiken, daar je tactiek op af te stellen en je in geen geval inhoudelijk met het confl ict te bemoeien. Die fi losofi e laat intussen onverlet dat we geweld tegen personen of goederen natuurlijk niet pikten. Dat waren ook onze uitgangspunten bij het begeleiden van de stakersoptochten. Bij een van die optochten richting Rotterdam-Zuid had ik op het Schouw- burgplein heel nadrukkelijk met het Comité Arbeidersmacht Ha- ven afgesproken dat zij niet andermaal door de Maastunnel zouden marcheren. Zij zouden daarentegen nu de route via de Maasbruggen benutten en ik zou zorgen voor begeleiding door een aantal ‘platte petten’. Vervolgens liep ik met enkele dienders vooraan in de lange stoet. Direct achter ons reed het busje van het Actiecomité met wijd openstaande, blèrende luidsprekers. Alles liep op rolletjes. Gadege- slagen door honderden nieuwsgierigen langs de route paradeerden wij, als gold het een zegevierende intocht van een of andere veldheer over de Coolsingel. Toen wij aldus voortschrijdend even later op de Schiedamsedijk waren aangekomen, werd ik plotseling op mijn schouders getikt door een lid van het Actiecomité. ‘We gaan tóch maar door de Maastunnel,’ kondigde hij plompverloren aan. Ik had op dat moment wel enige moeite om mij te beheersen en hem niet in

een paar overduidelijke termen mijn gedachten kenbaar te maken,
maar het lukte me toch. Ik beperkte mij in eerste instantie slechts tot de vraag of hij ‘helemaal belazerd’ was. Op hetzelfde ogenblik be- sefte ik heel goed dat ik met mijn handjevol dienders geen been had om op te staan en dat ik het dus over een andere boeg moest gooien. ‘Een man een man, een woord een woord’, voor dat principe koos ik dus. Met nog slechts enkele honderden meters te gaan alvorens wij ons hetzij rechtsaf in de richting van de Maastunnel, hetzij linksaf naar de Maasbruggen zouden begeven, baande ik mij een weg naar het actiebusje van het stakingscomité. Luid, en in hun eigen taal sprekend, liet ik het comité weten dat we nog geen halfuur eerder iets heel anders met elkaar hadden afgesproken, en dat ik datgene wat zij nu van plan waren, voor volwassen kerels alleen maar ‘waar- deloos’ vond. Met een klein beetje blufpoker erachteraan voegde ik daar nog aan toe dat de gevolgen van hun eventuele woordbreuk voorzienbaar zouden uitmonden in een ‘grote kolérezooi’, die dan wel voor hun rekening zou komen. Tot mijn grote verrassing, meer nog opluchting, was het pleit feitelijk binnen één minuut al beslecht. Om een lang verhaal kort te houden, we zijn met z’n allen naar links, de Maasbruggen op gemarcheerd.
Waterkanonnen
Nu was het niet zo dat ik helemaal niets achter de hand had. Echter, om met enige kans op succes tegen zo’n grote menigte een veldslag om de Maastunnel te kunnen leveren, zou er iets meer nodig geweest zijn. Die reserve had ik op dat moment doodeenvoudig niet. Wat ik wel had waren twee waterkanonnen. Die had ons korps enkele maanden eerder, overigens geheel ongevraagd, van het ministerie van Binnenlandse Zaken ‘ten geschenke’ gekregen. De dank van de Korpsleiding jegens het ministerie voor deze in de maag gesplits- te monsters was niet bijster groot, hoorde ik in de wandelgangen, maar we moesten er maar mee leren leven. Als hoofdinspecteur bij de geüniformeerde politie vond ik het geen onaardige neventaak als commandant van de beide waterkanonnen te fungeren. Dat bete- kende in de praktijk dat ik onder meer verantwoordelijk was voor de training van de bemanning. Ook daaraan bewaar ik leuke her- inneringen! De beslissing om al dan niet het waterkanon in te zet- ten, was echter voorbehouden aan de commissaris Hoofd Geünifor- meerde Politie. In verband met de havenstaking had die beslist dat beide waterkanonnen ergens op een strategisch gelegen plaats op


Rotterdam-Zuid, maar ‘beslist buiten het zicht van de stakers’ dien- den te worden gestald. Ik had daarvoor het vlakbij de ingang van de Maastunnel gelegen gemeenteterrein van de roteb uitverkozen. In noodgevallen zouden we zodoende binnen een of twee minuten ter plaatse kunnen zijn. Deze uitvalsbasis was goedgekeurd door de leiding, echter onder één voorwaarde: de waterkanonnen mochten alleen onder dekking van de nachtelijke duisternis naar en van hun vaste basis, de brandweerkazerne aan het Kleinpolderplein, worden verplaatst. Buiten het zicht houden van iedereen en alles, en vooral van de pers, zo luidden de instructies die ik van het ‘Vaticaan’ had gekregen.
Onder de kop ‘Vakmensen dwingen respect af’ publiceerde Het Vrije Volk na afl oop van deze staking een interview met vakbonds-
bestuurder Arie Boon. Het beste compliment dat wij als politie van die zijde kregen, stond in de volgende passage van dat interview: ‘Er is tijdens het confl ict van bepaalde zijde gevraagd om “stevig optreden”, “de straat schoonvegen” en dergelijke onzin meer. Dat had een ramp kunnen worden,’ meent Boon. ‘Maar het was ook niet nodig. De politie was er – en dat vooral is tekenend – door haar rustige, oordeelkundige manier van optreden allang in ge- Rotterdam (1970), vliegveld Zestienhoven, in training met de
bemanning van de waterkanonnen

slaagd ook het respect te winnen van de stakers, die niet zouden
hebben toegestaan dat iemand maar een vinger naar de politie uit- stak.’
Terughoudend opstellen
Bij mijn tweede bemoeienis met een havenstaking in Rotterdam, precies negen jaar later, speelde ik een geheel andere rol. Ik was namelijk inmiddels benoemd tot commissaris chef van de recherche- afdelingen. Dat betekende onder meer dat de openbare-ordeproble- matiek niet langer in eerste instantie tot mijn competentie behoorde. Pas wanneer er in dat verband gepleegde misdrijven in het geding waren, zou ik met de recherche in beeld komen. Bij deze gebeurtenissen in 1979 ging het feitelijk om twee afzon- derlijke stakingen, die min of meer in elkaar waren overgelopen. De eerste was die van de havenslepers van Smit Internationale, die op 23 augustus was begonnen. Vier dagen later sloeg die staking over op de stukgoedsector van de Rotterdamse haven. Beide con- fl icten zouden de (geüniformeerde) politie tot eind september van dat jaar intensief bezighouden. Niet zozeer bij de havenslepers maar wel bij de havenarbeiders uit de stukgoedsector, was de sfeer rond de staking een geheel andere dan die van 1970. Het was allemaal veel grimmiger en agressiever, vooral op het laatst. Met het doel hun looneisen de nodige kracht bij te zetten, bezetten ruim zestig havenslepers op woensdag 5 september 1979 tegen acht uur in de avond het directiekantoor van Smit Internationale aan de Houtlaan in Rotterdam. Via de stakingsleiding eisten zij vervolgens een ge- sprek met hun werkgever dan wel met burgemeester A. van der Louw. De directie van Smit Internationale had helemaal geen trek in een dergelijk gesprek, nee dus. Burgemeester Van der Louw gaf niet thuis. Einde verhaal. Daarmee begonnen de problemen. De di- rectie van Smit wenste onmiddellijke beëindiging van de bezetting, lees: lokaalvredebreuk, en bijgevolg politieoptreden. Burgemeester Van der Louw stelde zich op het standpunt dat de politie zich wel- iswaar ‘terughoudend’ diende op te stellen, maar dat de bezetting van het directiekantoor niet zozeer een openbare orde, als wel een justitiële aangelegenheid was. Dus niet direct zijn verantwoorde- lijkheid, maar wel die van de hoofdoffi cier van justitie. Pontius Pi- latus in hoogst eigen persoon, vond ik. Wat daar verder ook van zij, de kwalifi catie lokaalvredebreuk was gevallen, dus mogelijk misdrijf, hetgeen betekende dat ook de recherche in actie moest

komen. Zodoende kwam ik die avond in beeld. Met het hoofd van
de geüniformeerde politie, commissaris Leo Folkert, mijn vroegere baas bij de rsb, zoals altijd nuchter en zakelijk opererend, pleegde ik die avond op het ‘Vaticaan’ uitvoerig overleg over de ontstane situatie en over de vraag wat ons als politie nu verder te doen stond. Ook de hoofdoffi cier van justitie was bij dat gesprek aanwezig. Wij waren het algauw met elkaar eens. De beslissing luidde dat ik zou proberen de havenslepers in een persoonlijk gesprek te bewegen op eigen gelegenheid de bezetting op te heffen. Dat bleek gemakkelijker gezegd dan gedaan.
n.b. In de zomer van 1977 ontstond in het korps de nodige hi- lariteit over een door commissaris Fonkert aan alle afdelingen van de geüniformeerde dienst gericht – inmiddels legendarisch – telex- bericht. Dit bericht was een uitvloeisel van een dienstorder, waarin werd bepaald dat alleen ‘bij warm weer’ en met toestemming van het hoofd geüniformeerde dienst in overhemd (‘met open kraag en korte mouwen’) mocht worden gesurveilleerd. Het bewuste telexbe- richt luidde: Ter uitvoering van het gestelde in telex 231/1977 van het bureau HGD, bepaal ik, dat vanaf heden tot nader order sprake is
van warm weer.
Via de praatpaal
De havenslepers hadden de deuren van het kantoor gebarricadeerd en de ramen met posters en dergelijke afgeplakt. Via hun advocaat en stakingsleider lieten zij weten dat niemand het kantoorpand in en uit zou gaan voordat de directie of de burgemeester daar hun gezicht hadden laten zien. Dat ‘verboden toegang’ gold uiteraard ook voor mij. De enige mogelijkheid die ik nog zag om binnen te komen en een gesprek met de stakers aan te gaan, was via een praatpaal bij de slagboom aan de ingang van het terrein. Via deze intercom kreeg ik contact met iemand van de stakers. Nadat ik had uitgelegd wie ik was en wat mijn missie inhield – een oog-in-oog-gesprek – kreeg ik weer iemand anders aan de lijn, tegenover wie ik hetzelfde ver- haal nog een keer afstak. Na ongeveer één uur die praatpaal aldus omarmd te hebben, het was inmiddels ver na middernacht, werd ik ten slotte binnengelaten. In het kantoor heerste een uitgelaten stem- ming. De stakers traden mij in alle opzichten voorkomend en vrien- delijk tegemoet. Ik heb vervolgens ruim een uur lang geprobeerd de aanwezigen ervan te overtuigen dat het onder omstandigheden het verstandigste zou zijn om het pand te ontruimen, moeder de vrouw

op te zoeken en te gaan ‘snurken’. Nadrukkelijk heb ik de aanwe-
zigen erop gewezen dat het niet opvolgen van mijn welgemeend advies, een proces-verbaal wegens lokaalvredebreuk tot gevolg zou kunnen hebben. Niets mocht baten. Bij monde van enkele heethoof- den verdomde men het gewoon mijn raad ter harte te nemen. Eerst de directie of burgemeester Van der Louw zien, dan pas ontruimen, luidde hun standpunt. Na nog de uitdrukkelijke verzekering te heb- ben gekregen dat men zich bij een politiële ontruiming niet daadwer- kelijk zou verzetten, ben ik na ruim één uur tevergeefs praten maar opgestapt. Het liep inmiddels tegen vier uur in de ochtend. Nadat in de volgende uren iemand van de directie van Smit Internationale de nu eenmaal noodzakelijke, juridisch-formele boodschap – ‘het pand nu verlaten’ – aan de bezetters had laten horen, ontruimde de me (zonder helm, wapenstok of schild) rond zes uur die ochtend zonder de minste weerstand het pand. De bezetters werden overgebracht naar het hoofdbureau van politie. Nadat tegen hen proces-verbaal was opgemaakt wegens lokaalvredebreuk, werden zij nog diezelfde ochtend weer vrijgelaten. De actie was in ieder geval geheel geweld- loos verlopen. Formeel-juridisch konden wij niet anders handelen dan we gedaan hadden. Toch hou je er een onbevredigd gevoel aan over. Als politie was ik liever op een wat grotere afstand gebleven van het confl ict tussen die twee partijen. Geheel anders verliep het met de staking van de havenarbeiders uit het stukgoed. Op verzoek van de werkgevers had burgemees- ter Van der Louw erin toegestemd dat werkwilligen zouden worden beschermd tegen de zogenaamde dweilploegen van de stakers. Die waren feitelijk bedoeld om werkwilligen het werk te beletten. Op woensdag 19 september was een groep van twintig me’ers aanwe- zig op het terrein van Unit Centre aan de Heyplaat. Dat peloton zag zich op zeker moment geplaatst tegenover zo’n tweehonderd stakers. Vanuit die groep werden die dienders, daartoe aangevuurd door enkele ophitsers, bekogeld met het klassieke wapen: de ordi- naire steen. Een aantal me’ers raakte daarbij (licht) gewond. Het kwam vervolgens tot een harde confrontatie met de Mobiele Een- heid, waarbij ook ‘mijn’ twee waterkanonnen van weleer werden ingezet. Het was voor het eerst dat ik deze ‘stukken’ in werkelijke actie zag. Niets dan lof! Of deze ‘slag aan de Waalhaven’ uiteinde- lijk de doorslag heeft gegeven, weet ik niet, maar enkele dagen later was in de haven iedereen weer aan het werk.


voetbalvandalisme
Die rotherrie
Inderdaad, er is een tijd geweest dat het fenomeen voetbalvandalisme nog uitgevonden moest worden. Laat ik vooropstellen dat ik geen voetbalfanaat ben – ik weet bijvoorbeeld nauwelijks wat ‘buiten spel’ precies inhoudt – maar ik kon in de ‘Kuip’ of op het ‘Kasteel’ best wel genieten van een wedstrijd. Zo’n wedstrijd woonde ik ove- rigens alleen maar bij wanneer mijn aanwezigheid ‘van dienstwege’ nuttig of noodzakelijk was. In mijn vrije tijd had ik heel andere sportbezigheden, zoals prestatielopen en langeafstandfi etstochten. Toen ik in de tweede helft van de jaren vijftig als inspecteur aan het bureau Marconiplein werkzaam was, zetten wij voor een wedstrijd op het Spartaveld gemiddeld zo’n vijftien dienders in, meest rayon- agenten. Die waren in hoofdzaak belast met de parkeertaak. Dat be- tekende, ervoor zorgen dat automobilisten hun karretje netjes kwijt Rotterdam (2 december 1956), Sparta-Feyenoord op het Kasteel in
Spangen; auteur derde van links. De man met hoed naast mij was
commissaris Wim Lagendaal, die vóór de Tweede Wereldoorlog in
het Nederlands elftal speelde. Hij dankte de bijnaam ‘Het Kanon’
aan zijn loeiharde doelschoten vanaf het middenveld.

konden in een van de zijstraten van Spangen. De meeste bezoekers
kwamen overigens op de fi ets of per tram. Het kon dan wel eens ge- beuren dat de diender die bij de Mathenesserbrug het verkeer stond te regelen, met behulp van een krachtig fl uitsignaal een overvolle tram liet stoppen omdat een aantal passagiers buitenboord hing. Een duidelijk handgebaar van de diender was dan voldoende om de treeplankrijders zonder morren van de tram te laten springen en hun reis naar het ‘Kasteel’ te voet te laten vervolgen. Met een ‘ting-ting’ als joviale groet reed dan ook de tram weer verder. Tijdens de wed- strijd zaten wij als politie netjes bij elkaar op een speciaal voor ons op de eerste rij gereserveerde bank, pal voor de in de regel stamp- volle tribune. Er viel geen onvertogen woord in onze richting, de sfeer was gemoedelijk en iedereen genoot. Dat ongeveer was door- gaans het beeld. Ter illustratie: op een zondag was een wat ouder echtpaar, dat hoog op de overdekte tribune zat, luidkeels met elkaar in een woordenstrijd gewikkeld over een bepaalde beslissing van de scheidsrechter. Het tweetal kon het kennelijk niet met elkaar eens worden. Zij bleven namelijk op onverminderde toonhoogte door- mekkeren. Rayonagent Jo Stegeman, die naast mij op de eerste rij zat, vond het op zeker moment welletjes. Hij stond op en wandelde in alle rust naar de eretribune. Daar richtte hij nadrukkelijk zijn blik op de hoog zittende en nog steeds bekvechtende ‘oudjes’, waarna hij hen toeriep dat het afgelopen moest wezen ‘met die rotherrie’. ‘Ja mijnheer,’ reageerde een van beiden bedeesd, waarop de rust op de tribune weerkeerde. Na afl oop van de wedstrijd verliet het echtpaar innig gearmd het ‘Kasteel’.
Feyenoord – Europacup
Het is zo’n tien jaar later, woensdagavond 6 mei 1970, daags voor Hemelvaartsdag. Na afl oop van de wedstrijd Celtic-Feyenoord werd ik thuis opgebeld door een enthousiaste inspecteur van dienst van het hoofdbureau, Ab van de Werf. Zijn boodschap: Feyenoord heeft de wedstrijd gewonnen en is daarmee in het gelukkige bezit gekomen van de Europacup. Morgen kunnen we het elftal dus op de Coolsingel verwachten voor de huldiging. ‘Wat gaan we doen’, vroeg hij. Natuurlijk hadden we reeds tevoren rekening gehouden met een mogelijke Europacup-happening en er was nagedacht over de openbare-ordemaatregelen die we in dat geval voor de binnen- stad zouden moeten nemen. Een bepaald plan, bijvoorbeeld in de vorm van een draaiboek, hadden we niet. We zien wel, was mijn


fi losofi e. Wat inmiddels wel vaststond waren twee dingen, namelijk dat we in het centrum konden beschikken over zo’n twintig dienders en verder dat het die hemelvaartsdag heel mooi weer zou worden. Dat laatste betekende dat we heel veel publiek op de Coolsingel konden verwachten. Tijdens ons telefoongesprek ontvouwde ik een idee dat pas diezelfde avond bij mij was opgekomen. Mijn uitgangs- punt was dat de massa die de volgende dag op de Coolsingel zou neerstrijken, uitbundig uiting zou willen geven aan hun (terechte) feestvreugde. Het absolute hoogtepunt van de dag zou ongetwijfeld het moment zijn waarop de Feyenoord-ploeg op het bordes van het stadhuis zou staan. Een feestdag voor de Rotterdammers dus, meer in het bijzonder voor het Feyenoord-legioen. Hoe pakken we dat aan? ‘If you can’t beat them, join them’, was een wijsheid die ik in Amerika had opgedaan. Met die fi losofi e in het achterhoofd wilde Rotterdam (7 mei 1970), Feyenoord wint Europacup. Via de
megafoon riep ik naar de menigte dat de bus met spelers onderweg
was van (Amsterdam) Schiphol naar de Coolsingel. Toen ik daarbij
nog de opmerking maakte dat die Cup tenslotte in Rotterdam
thuishoorde en niet in Amsterdam, juichte het publiek. Ik kreeg
echter van een commissaris een venijnige schrobbering: dergelijke
opmerkingen hoorde ik niet in het openbaar te maken!

ik een aanpak waarbij het publiek duidelijk zou zien dat wij, Rot-
terdamse politie, ook enthousiast waren vanwege de Europacup en dat ook wij dus gewoon in de algehele feestvreugde wilden delen. Ik verzocht Ab van de Werf om, met voorbijgaan aan de Winkel- sluitingswet en ondanks het late uur, een aantal Feyenoord-rozetten aan te kopen dat gelijk was aan het aantal dienders waarover we de volgende dag zouden beschikken. Ook vroeg ik hem ergens een of twee paar oude voetbalschoenen en wat Feyenoord-vlaggetjes te ‘organiseren’. Met die laatste attributen wilde ik de volgende dag namelijk de twee c-10 surveillanceauto’s laten behangen. De rozet- ten had ik in gedachten voor de pet van iedere individuele diender die die dag op de Coolsingel en directe omgeving dienst zou doen. Die hemelvaartsdag was inderdaad stralend. De dienders moesten even wennen aan het kleurrijke nieuwe embleem op de pet, ikzelf trouwens ook. Tijdens de ochtendbijeenkomst zette ik het doel van onze gezamenlijke missie uiteen: de zaak in goede banen proberen te leiden door te laten zien dat wij er ook bij horen. Ik gaf opdracht de pistolen voor die dag aan het bureau te laten en het opzichtige lusje van de gummistok goed aan het zicht te onttrekken. ‘Voor het ove- rige,’ zo besloot ik de bijeenkomst, ‘is het avonturen geblazen, we zien wel hoe het loopt.’ Ik moet eerlijk bekennen dat het zweet me in de handen stond toen ik die ochtend aan boord van een met Fey- enoord-vlaggetjes versierde c-10 surveillanceauto en aan de schijn- werper bungelende voetbalschoenen de Coolsingel opreed. Hoe zal het publiek reageren, vroeg ik mij in spanning af. Het antwoord liet niet lang op zich wachten. Een uitbundige massa juichte ons enthou- siast zwaaiend toe. De c-10 werd in minder dan geen tijd omringd door tientallen uitzinnige Feyenoord-fans. Toen wij uitgestapt wa- ren, werden enkelen van ons van de grond getild en letterlijk door het publiek op de schouders gedragen. Op dat moment realiseerde ik mij dat ook in positieve zin het gezegde geldt dat ‘de eerste klap’ een daalder waard is en dat we het pleit gewonnen hadden. Zo is het die prachtige dag ook gegaan. Tegen het hoogtepunt van het festijn, bovendien het warmste moment van die prachtige dag, hadden zich zo’n honderdduizend mensen voor het stadhuis verzameld. Een bijna dolgedraaide menigte, die ons niet de minste moeilijkheden bezorgde. Het is voor mij en voor al die dienders een onvergetelijke dag op het gebied van ‘handhaving van de openbare orde’ geworden. En dan te bedenken dat we voor al die Feyenoord- rozetten ‘van dienstwege’ een bedrag neergeteld hadden van zegge: honderd gulden. Toen ik van de Coolsingel terugliep naar het Haag-

seveer werd ik aangesproken door een Feyenoorder die niet meer he-
lemaal recht ter been was. ‘Meester, ik geeft je vijfentwintig gulden voor dat ding op je pet,’ lalde hij. Ik koester die rozet nog steeds in mijn collectie.
Werkkampen
‘Zoiets maak je nooit meer mee.’ Dat zei burgemeester Thomassen in de Burgerzaal tegen mij na afl oop van de huldiging van de Feyenoord- ploeg op die mooie Hemelvaartsdag in 1970. Of dat als een serieuze voorspelling was bedoeld, heb ik hem niet gevraagd, maar hij heeft wel gelijk gekregen. Bij de in 1974 in de ‘Kuip’ gespeelde wedstrijd Feyenoord-Tottenham Hotspur ligt voor Rotterdam zo ongeveer het beginpunt van wat voetbalvandalisme is gaan heten. Gedurende de volgende jaren, met name in de jaren tachtig, is het met deze nieuwe vorm van massavandalisme in het hele land snel bergaf- waarts gegaan. Het even bruut als zinloos groepsgeweld, gepleegd door uitzinnige en per defi nitie bezopen of onder invloed van drugs verkerende zogenaamde voetbalsupporters, is over een periode van pakweg dertig jaar uitgegroeid tot een tijdens het voetbalseizoen bijna wekelijks terugkerende, dienders-vretende vorm van terreur. Dat betekent onder meer dat een heleboel van dat tuig nog in de wieg lag of niet eens geboren was, toen de afl oop van een voetbal- wedstrijd nog zonder problemen kon verlopen. Die categorie weet dus niet beter dan dat voetbalvandalisme van alle tijden is en dat het er ook anno heden dus gewoon bij hoort. Intussen vraag ik mij wel eens af hoe lang de samenleving deze geweldssituatie nog pikt. In april 1986 heb ik in de media eens een pleidooi gehouden voor het inrichten van werkkampen voor voetbalvandalen, en deze fi guren daarin voor een periode van ten minste drie maanden op te bergen. ‘Laat ze hun poten maar gebruiken voor wat anders dan voor het gooien van stenen,’ betoogde ik toen. Mijn argument was dat voor mij de grens was bereikt en dat ik het verdomde om de dienders nog langer als kop van jut te laten fungeren door een horde dwazen. Ik heb destijds op mijn suggesties veel negatieve, maar nog veel meer positieve reacties gehad. De negatieve reacties richtten zich vooral tegen wat ik genoemd had werkkampen. Ik heb die benaming toen in de media maar gewijzigd in ‘multifunctionele opvang- en inspan- ningscentra voor stenenverplaatsende voetbalsupporters’. De essen- tie van wat ik feitelijk bedoelde, bleef zodoende redelijk overeind. Voor alle duidelijkheid: met werkkampen bedoelde ik niet meer en

niet minder dan de destijds in Veenhuizen gevestigde Rijkswerkin-
richting. ‘Werkkampen helpen niet’ of ‘borrelpraat’, zo lieten ande- ren horen, die het niet met mij eens waren. Dat eerste is naar mijn mening nog nooit geprobeerd, laat staan aangetoond. Het tweede laat ik maar voor wat het is. Wat dan wél de echte oplossing zou moeten zijn voor het voetbalvandalisme heb ik diezelfde critici in- tussen nog nimmer horen verkondigen.
Oud-papier clubje
Met burgemeester Bram Peper pleegde ik in de jaren tachtig als Hoofdcommissaris, plaatsvervangend Korpschef veelvuldig overleg over de ontstane voetbalsituatie en de in dit verband te nemen open- bare-ordemaatregelen. Over dat laatste bestond tussen ons geen ver- schil van opvatting. In november 1986 liep in Rotterdam het duel Excelsior-fc Den Haag dankzij de Haagse vandalen volledig uit de hand. Reeds voor aanvang van de wedstrijd waren zij al begonnen met het slopen van een houten staantribune achter een van de doe- len. Pure vernielzucht. Tijdens de wedstrijd gooiden zij vuurwerk op het veld. Ten slotte bekogelden zij een verzorger met een of ander voorwerp, waardoor die man aan het hoofd werd gewond. Daarop is de wedstrijd gestaakt en niet meer hervat. Nu was het maar zo dat als er ergens geen gelazer te verwachten was, dat het geval was bij Excelsior, een club die bij wijze van spreken bestond bij de gratie van het oud-papier. Voor deze wedstrijd hadden wij, gelet op de reputatie van de fc Den Haag aanhangers, 250 dienders ingezet, terwijl een handjevol ‘platte petten’ bij Excelsior voldoende had moeten zijn. Naar aanleiding van de rellen bij Excelsior heb ik toen in de media gezegd dat wanneer het bestuur van fc Den Haag de eigen aanhang niet in bedwang kon houden, zij maar ergens anders moesten gaan voetballen. Meer concreet nog, dat wat mij betrof fc Den Haag voor de rest van het voetbalseizoen in Rotterdam niet meer welkom was en dat ik in die zin een voorstel aan burgemeester Peper zou doen. Dat heb ik vervolgens ook gedaan. In mijn voorstel aan Peper werd ik vierkant gesteund door de voorzitter van de Alge- meen Christelijke Politiebond (acp), Adriaan Zijlmans. In een brief gedateerd 11 november 1986 lichtte hij zijn steun als volgt toe: ‘(...) Dit niet alleen met betrekking tot de openbare orde, doch ook gelet op het feit dat de normale en broodnodige dienstverlening aan de Rotterdammers, door de grote inzet van politiemensen bij voetbal, voor een belangrijk deel onmogelijk wordt gemaakt. (...) Ik wil u


ook niet verhullen dat het incasseringsvermogen van de politiemen- sen praktisch haar nulpunt heeft bereikt, omdat zij regelmatig voor de onzinnige voetbaltaken (onbetaald) moeten komen opdraven. De politiemensen beginnen gemotiveerd te morren.’ Peper heeft mijn voorstel in die zin gehonoreerd, dat hij één wedstrijd (Sparta-fc Den Haag) heeft verboden. Tegenover de media zei Peper dat het tijd werd voor ‘rigoureuze maatregelen’ in een stad met drie voetbal- clubs in de eredivisie. Hij sloot niet uit dat hij in de toekomst meer duels zou verbieden als het klimaat rond het voetbalvandalisme niet op korte termijn zou veranderen.
Mede op mijn advies heeft Bram Peper beslist dat de in mei 1987 te spelen Europa Cup ii fi nale voor bekerwinnaars in verband met de bij deze gelegenheid voorspelbare rellen niet in Rotterdam mocht worden gespeeld. Het duel heeft toen in Athene plaatsgevonden. Een andere wedstrijd die Peper verbood was de kampioenswedstrijd Excelsior-psv, die op Hemelvaartsdag in mei 1987 gespeeld zou worden. Die wedstrijd is toen verplaatst naar Venlo. Het wangedrag Rotterdam (2 november 1986), De Kuip, na afl oop van de
wedstrijd Feyenoord-Ajax, in actie met ME ‘Bravo 10’,
2e Peleton

van psv-supporters tijdens en na die wedstrijd toonde nog eens de
juistheid van die beslissing aan. In de herfst van 1986 ben ik na af- loop van de wedstrijd Feyenoord-Ajax in me-uniform met alles erop en eraan meegelopen in een linie van de me. Bij die gelegenheid heb ik met eigen ogen ter plekke kunnen waarnemen met welk soort fa- natiekelingen de dienders bij een voetbalrel worden geconfronteerd. Bovendien heb ik toen ervaren hoe snel en behendig je moet zijn om je kop met behulp van je schild tegen aanvliegende stenen te be- schermen. De verbale verwensingen en ziektes die ons toen door de uitzinnige horden werden toegewenst, heb ik verder maar voor ken- nisgeving aangenomen. Het incasseringsvermogen en het beheerste optreden van de voor het merendeel jonge dienders heb ik bij die gelegenheid bewonderd. Naar aanleiding van deze ervaring heb ik destijds via de media de Tweede-Kamerleden van harte aanbevolen zich ook eens in een me-pak te hijsen om zich ter plaatse te overtui- gen van wat er op het gebied van voetbalvandalisme werkelijk aan de hand is. Een gelegenheid bij uitstek ook om zich eens als politicus – met ‘Schild en Betrouwen’ – te midden van ‘het volk’ te begeven. Aan ‘het front’ heb ik er echter nog nooit één gezien. Tot slot: dat het voorkomen van voetbalvandalisme door de jeugd van morgen op de eerste plaats een verantwoordelijkheid is van de ouders van vandaag, staat buiten kijf. Die zorg voor de jeugd ligt echter niet alleen thuis, in het gezin, maar zeker ook op de sport- velden. Een gedeelde verantwoordelijkheid dus.

HOOFDSTUK ZES
RECHERCHEJAREN
‘Rotterdam schijnt toch in de laatste tijden meer dan vroeger
de uitgezochte pleister- of passageplaats te zijn, van allerlei
spitsboeven, dieven en moordenaars, die gebruikmaken van hare
gunstige ligging om met talrijke middelen van vervoer te land en te
water een goed heenkomen te zoeken, wanneer zulks noodig is.’
Rapport inzake reorganisatievoorstellen van Hoofdcommissaris Voormolen aan de burgemeester van Rotterdam d.d. 11 juni 1: de misdrijven
Van het verleden naar het heden
Het overgrote deel van mijn veertig politiejaren heb ik in een of an- dere functie doorgebracht bij de recherche. Alles bij elkaar zo’n der- tig jaar. Eerst als inspecteur een aantal jaren bij de Zedenpolitie en vervolgens als hoofdinspecteur chef van het Stafbureau Recherche. Na mijn benoeming in 1973 tot commissaris van politie bekleedde ik de functie van chef van de Rechercheafdelingen. Na een ingrij- pende reorganisatie werd ik enkele jaren later chef van de Centrale Recherche. Die dienst bestond uit drie verschillende afdelingen, te weten de Bureaus A: Zware Criminaliteit, B: Narcoticabrigade, C: Fraude. In 1983 werd ik Hoofd van alle Rotterdamse recherchedien- sten. Weer een paar jaar later en na een nieuwe reorganisatie was ik ten slotte als Hoofd Uitvoerende Dienst verantwoordelijk voor zo- wel de gehele geüniformeerde politie als de gezamenlijke recherche- diensten van de Gemeentepolitie Rotterdam. In al die verschillende functies heb ik mij naar hartelust kunnen uitleven in het vak dat mij altijd bijzonder heeft aangesproken: rechercheren. Iedere functie of niveau had weer zijn eigen uitdagingen. Je begint in de ‘loopgraven’,

de mooiste plaats die er is, en je eindigt op een comfortabele kamer
in het ‘Vaticaan’. De mooiste tijd is weliswaar die geweest waarin ik daadwerkelijk op het oorlogspad was. Toch had ik die andere pe- riode waarin ik van steeds groter wordende afstand leiding gaf dan wel als coach optrad, ook niet graag willen missen. Wanneer ik de ontwikkeling en de bestrijding van de misdaad, groot en klein, als een versnelde fi lm aan mij voorbij laat gaan en vervolgens de balans opmaak, dan kom ik tot de conclusie dat mijn veertig jaar politiewerk zich op een aantal punten als het ware tus- sen twee uitersten heeft afgespeeld. Ter illustratie een paar grepen daaruit.
Van het tijdperk waarin de criminaliteitscijfers laag en de oplos- singspercentages hoog waren, tot de tijd waarin het omgekeerde het geval is.
Van de meer of minder bedreven criminelen zoals inbrekers en helers die veelal bij hun stiel bleven, en op wie de politie nog redelijk zicht had, tot de onoverzichtelijk geworden massa doe-het-zelvers die zich bezighouden met wat heden – het klinkt bijna vergoelijkend – als kleine criminaliteit wordt aangemerkt en dat op de grote (sepo-) hoop wordt geveegd.
Van de zeer sporadisch voorkomende roofoverval, waarbij een heel politiekorps werd gemobiliseerd om de daders op te sporen, tot de gewapende dagelijkse overvallen van heden, inclusief schiet- partijen en gijzelingen, waaraan de recherche slechts met allerlei be- perkte middelen en mogelijkheden aandacht kan besteden. Van de schlemielachtige ‘tiller’ en de ‘heer’-oplichter van toen, die gebruikmaakte van de kroontjespen, tot de ‘computergestuurde’, nauwelijks aan rang of stand gebonden megafraudeurs van vandaag. Van de destijds bij de politie bekende grote en kleine helers, tot de op een koopje beluste massa van vandaag, die het misdrijf heling als een veredelde vorm van smokkelarij ziet, en dus niet afkeurt zolang zijn/haar eigen spullen maar niet worden gejat. Van een tijd waarin het aantreffen van een vuurwapen bij een crimineel en ook het gebruik daarvan nog uitzondering was, tot de situatie anno heden, waarbij het vuurwapen behoort tot het vaste, tevens levensgevaarlijke statussymbool van allerlei crimineel tuig, al dan niet behorend tot de categorie van de zogenaamde georgani- seerde criminelen.
Van de dag waarop het hasjvuurtje in dit land heel zachtjes begon te smeulen met vanuit de politiek de reactie ‘gaat vanzelf weer uit’, tot de onder de noemer gedoogbeleid fi naal uit de hand gelopen lou-

che coffeeshophandel en wietteelt van vandaag, waar niemand in de
politiek nog goed raad meer mee weet, anders dan het trekken van een formidabel rookgordijn rond het probleem.‘ Van de eigenlijk verder niemand kwaad doende, binnenshuis ope- rerende Chinese opiumschuiver tot een even gigantische als verder- felijke handel in heroïne, cocaïne en xtc. Behalve ten aanzien van tulpen en kaas geniet Nederland thans ook internationaal de ‘faam’ van dé exporteur van het middel xtc.
Van een tijd waarin woninginbraken nog nauwkeurig in kaart werden gebracht, en op basis daarvan de politie op gezette tijden de nodige actie ondernam, tot een situatie waarbij zelfs deze, diep de privacy van mensen aantastende categorie van misdrijven wordt bijgezet op de stapel ‘veel voorkomende delicten, dader onbekend, andere prioriteiten’.
Van een tijd waarin men nog op elkaar lette en de moed had din- gen te verbieden en grenzen te trekken, tot wat vandaag met een ze- kere weemoed als ‘de sociale controle’ dan wel ‘normen en waarden’ wordt aangeduid, die we zo graag in ere zouden willen herstellen. Intussen zijn we wel vergeten hoe lichtvaardig over een reeks van jaren is omgesprongen met zaken als eigen verantwoordelijkheid, tolerantie, toezicht en het begrip mijn en dijn. Inmiddels verkeren we in een situatie waarin geweld, onverdraagzaamheid en egoïsme hoogtij vieren.
Van de tijd dat de diender op straat (ook in de ‘voor de nachtrust bestemde tijd’) nog routinematig kritische vragen mocht stellen aan op de openbare weg rondscharrelende dubieuze fi guren en daarbij ook een redelijke mate van belangstelling aan de dag mocht leg- gen voor de door die lieden meegevoerde verborgen zaken, tot de situatie anno heden, waarbij de situatie zo uit de hand is gelopen dat hele wijken per gemeentelijke verordening (noodzakelijkerwijs) zijn aangewezen als ‘preventief fouilleringgebied’. Van de tijd ook waarin de politiek zich weinig interesseerde voor het wel en wee van de politie en voor de misdaadbestrijding, tot de huidige, altijd ferm uitgesproken vierjaarlijkse belijdenis inzake criminaliteitsbe- strijding, waarbij politiek links rechts inmiddels heeft ingehaald. De kater voor de misdaadbestrijders komt in de regel vrij snel nadat de verkiezingen verleden tijd zijn geworden: bezuinigen. Van de tijd tenslotte waarin misdaadbestrijding – lees: bescher- ming van onze samenleving – nog effectief was en bestond uit vier logisch en consequent op elkaar afgestemde fasen: opsporen, vervol- gen, berechten en ‘brommen’, tot de hedendaagse situatie waarbij

de pakkans door alle mogelijke oorzaken drastisch is verlaagd, de
politie onderbezet is, het justitiële kanaal is verstopt, de rechterlijke macht overbelast is en de gevangenissen zijn voorzien van het uit- hangbord: ‘Vol’. De zorg voor het wel en wee van de verdachte (da- der) is intussen aanzienlijk groter dan die welke besteed wordt aan het in de kou staande slachtoffer.
Er zijn intussen natuurlijk ook een heleboel positieve ontwikkelin- gen te melden. Zo zijn we van ‘rooksignalen’ overgegaan op moder- ne communicatiemiddelen, heeft de vingerafdruk een bondgenoot gekregen in de vorm van het dna, is de schrijfmachine vervangen door de computer en, ten slotte, is er een (voorlopig?) eind gemaakt aan de lappendeken van de Nederlandse politieorganisatie. In dit hoofdstuk zal ik eerst ingaan op mijn ervaringen met be- trekking tot een aantal specifi eke misdrijven, daarna op de verschil- lende bestrijdingsmethoden.
moord
Inleiding
Het moordonderzoek heeft mij gedurende mijn hele loopbaan voor- al daarom zo sterk aangetrokken, omdat ik mij bij het opsporings- onderzoek naar een onbekende dader volledig kon uitleven in alle mogelijkheden die de criminele tactiek en techniek te bieden heeft. Ik heb in dat opzicht altijd de fi losofi e gehanteerd dat geen hooiberg te groot is om op zijn minst te pogen de speld te vinden. Dat wil zeg- gen, zolang je maar creatief, planmatig, en vooral ook zorgvuldig te werk gaat. Natuurlijk moet je bij dit alles ook nog (een beetje) geluk hebben, maar dat komt in de regel niet aanwaaien. Geluk moet je opzoeken.
De menselijke tragedie achter een moord gaat natuurlijk ook niet onberoerd aan je voorbij. Dat is met name het geval wanneer het bij het slachtoffer gaat om een kind of, erger nog, wanneer bij één bepaalde zaak meer kinderen het slachtoffer blijken zijn. Zo- als in maart 1974, toen op Rotterdam-Zuid een 29-jarige moeder die uit pure wanhoop haar twee kinderen, een meisje van acht en een jongetje van vijf jaar wurgde en daarna de hand aan zichzelf sloeg. Zij kon het leven niet meer aan en wilde de kinderen niet alleen achterlaten, schreef zij op een afscheidsbriefje. Of dat hele

Chinese gezin; vader, moeder, een dochtertje van vijf jaar en een
baby van anderhalve maand, die in september 1987 in hun woning aan de Statensingel op beestachtige wijze door messteken om het leven werden gebracht. Een van de beide Chinese verdachten kreeg later levenslang, de ander werd vrijgesproken. Ik wil niet verhelen dat ik menig nacht wakker heb gelegen nadat ik met een dergelijke dramatische gebeurtenis was geconfronteerd. De stemming binnen de hele opsporingsgroep was er dan ook altijd een van toewijding en vastbeslotenheid om de onderste steen boven te brengen. In zo’n situatie kom je ook tot de ontdekking hoe belangrijk en wat een zegen het is wanneer je een hecht thuisfront hebt. Iemand met wie je kunt praten. Ik denk daar dikwijls met grote dankbaarheid aan terug.
Men vraagt mij nog wel eens welke moordzaak mij het meest heeft aangesproken. Tot op de dag van vandaag weet ik dat niet. Ik zou trouwens ook niet zoiets als een lijst van criteria kunnen beden- ken waaruit ik dan een bepaalde keus zou kunnen maken. Maar om op die vraag toch een (algemeen) antwoord te geven: de onopgeloste moord waarbij een kind het slachtoffer was. Voor een dergelijk even laf als afschuwelijk misdrijf behoort naar mijn vaste overtuiging in het strafrecht feitelijk geen verjaringstermijn (15-18 jaar) te bestaan. De ouders/nabestaanden hebben immers ook ‘levenslang’. Waarom hebben wij de ene moord wel, en de andere niet opge- lost? Simpelweg omdat zowel het een als het ander steeds sterk af- hankelijk is van het antwoord op (onder meer) drie kardinale vragen waarmee een moordonderzoek begint: zijn er bruikbare daderspo- ren? Kennen we het motief? Krijgen we de absoluut noodzakelijke medewerking van het publiek? Ik zal deze punten verduidelijken aan de hand van een aantal moordzaken waarmee ik gedurende mijn loopbaan te maken heb gehad.
ontdekking op heterdaad
Visitekaartje
De meest eenvoudige moordzaken zijn die waarbij na ontdekking de dader nog in persoon op de plaats delict (pd) aanwezig blijkt te zijn is, of er zijn ‘visitekaartje’ heeft achtergelaten. Om van die tweede mogelijkheid een concreet voorbeeld te geven: in augustus 1975 werd in een woning aan de Beijerlandselaan in Rotterdam

het lijk aangetroffen van een 44-jarige vrouw. Zij bleek door een
pistoolschot in het hoofd om het leven te zijn gebracht. De dader (een vroegere relatie van de vrouw), die in de nachtelijke uren het slachtoffer in haar woning had opgewacht, was via een openstaand raam de woning binnengedrongen. Na de moord had hij ook langs dezelfde weg de benen genomen. Mogelijk door de nogal zwoele buitentemperatuur had hij bij zijn vlucht zijn colbertje, dat hij over een stoel had gehangen, op de plaats delict achtergelaten. In de bin- nenzak van dat jasje troffen we zijn rijbewijs aan. Een variant op deze situatie was de in oktober 1974 gepleegde moord op het achtjarig meisje Monique Heisterenberg. Dit kind werd op een avond in haar ouderlijke woning aan de Linker Rot- tekade in Rotterdam vermoord door een 23-jarige homofi el/pedofi el. De dader maakte gebruik van zijn wetenschap dat het kind op dat moment alleen thuis was. Via een luikje kreeg hij toegang tot de wo- ning, waar hij het kind verraste, dat reeds in bed lag. Nadat hij on- tucht met haar had gepleegd waarbij hij het kind had gedreigd alles aan haar moeder te zullen vertellen, wurgde hij haar. Na de moord stapte de dader in een taxi om zich naar een café in het westen van de stad te laten rijden. Tijdens de rit daarheen vertelde hij terloops aan de taxichauffeur dat hij zojuist een meisje had vermoord. Nadat de man op het gevraagde adres was afgezet, aarzelde de verbouwereerde taxichauffeur geen moment. Hij reed regelrecht naar het hoofdbu- reau aan het Haagseveer en lichtte de recherche in. Zodoende waren wij in staat de dader, die bij wijze van spreken zijn ‘visitekaartje’ aan de taxichauffeur had afgegeven, binnen een paar uur na de moord aan te houden. De man werd veroordeeld en kreeg bovendien tbs. Ik zag dat je laarzen droeg
In Rotterdam ben ik twee keer vrijwel direct nadat een moord was gepleegd, geconfronteerd met de dader. ‘Heterdaad’, zogezegd, maar toch met een opvallend verschil. Bij de eerste zaak ging het om een onenigheid waarbij een jongeman de vader van zijn vriendin had doodgestoken en haar broer had verwond. Dit drama speelde zich op klaarlichte dag af op de galerij van de derde etage van een fl atgebouw. Het toeval wilde dat ik als inspecteur van dienst in een surveillanceauto in de betreffende wijk rondreed. Ik was op nog geen honderd meter van de bewuste fl at verwijderd, toen de politie- meldkamer een surveillance-eenheid naar de plaats delict dirigeerde. Zodoende meldde ik mij als eerste ‘ter plaatse’. De trappen naar

driehoog waren zo genomen. Op de galerij werd ik even later ge-
confronteerd met het hevig bloedend, en op het oog dode slachtof- fer. Enkele meters daar vandaan stond de dader, een negentienjarige jongeman die het wapen, een fors dolkmes, nog in de hand had. Uit voorzorg had ik op mijn route naar boven mijn dienstpistool dui- delijk zichtbaar in de hand genomen. Er deden zich daar op die ga- lerij echter geen problemen voor. Zonder mankeren overhandigde de jongeman mij het dolkmes, waarna ik hem naar beneden bege- leidde. Daar arriveerde even later de nodige assistentie, aan wie ik de arrestant vervolgens heb overgegeven. De eigentijdse reactie van het ‘Vaticaan’ op mijn activiteiten op de plaats delict wil ik ook niet onvermeld laten. Toen ik met de arrestant uit de hal van het fl atge- bouw stapte, stond daar de destijds in Rotterdam bij zo ongeveer iedere gebeurtenis aanwezige, altijd goedlachse persfotograaf Arie Groeneveld. Arie had op zijn scanner een en ander opgevangen en zich vervolgens, zoals gebruikelijk met de nodige spoed, naar de plaats des onheils gehaast in de hoop daar een mooi plaatje te kun- nen schieten. Dat is hem trouwens ook gelukt. De volgende ochtend namelijk prijkte ik in vol ornaat op de voorpagina van het Alge- meen Dagblad: dolkmes in de linkerhand, pistool inmiddels weer
discreet onder mijn tuniek geborgen. Toen ik die ochtend om drie minuten over negen achter mijn bureau zat, rinkelde de telefoon. Mijn instinct zei dat het ‘Vaticaan’ aan de lijn hing om mij hulde te brengen voor de vreedzame en snelle wijze waarop ik de arrestatie van de moordenaar had weten uit te voeren. De ‘hoogmogenden’ belden immers altijd kort na negen uur om opheldering wanneer zij in de dagrapporten hadden gelezen dat er ergens iets bijzonders was voorgevallen. Gelijk had ik echter slechts ten dele. Het was het ‘Vaticaan’ in de persoon van commissaris Donkersloot, die chef was van de geüniformeerde politie. Hij viel met de deur in huis. Of ik de krant al had gelezen? Vanzelfsprekend ontkende ik dat, want je werd als inspecteur nu eenmaal geacht tussen acht en negen uur op straat te vertoeven en niet achter de krant gebogen te zitten. Boven- dien was ik nog maar net van mijn ‘ronde’ aan het bureau terugge- keerd. Mijn mond viel open van verbazing toen de commissaris in één adem doorratelde: ‘Ik zag dat je laarzen droeg!’ Op dat moment realiseerde ik mij dat ik zwaar gezondigd had tegen de Dienstvoor- schriften. Het ‘laarzenseizoen’ liep namelijk van de maanden ok- tober tot en met april en we leefden inmiddels in de meimaand. Je hoorde dus nu een lange uniformbroek te dragen, waar ik overigens een hekel aan had. Ik verzon dus ter plekke een smoes. Daar nam

de commissaris weliswaar genoegen mee, maar het moest ‘niet weer
gebeuren’. Einde dienstmededeling. In de toedracht was hij verder niet geïnteresseerd.
Je zit toch niet voor een moord
De tweede moordzaak was in feite ook een ‘heterdaadje’, maar dat kon ik op dat moment nog niet eens vermoeden. Van een informant had ik gehoord dat een bepaalde knaap, ‘Thomas’, de laatste tijd nogal veel geld uitgaf, terwijl hij ‘geen spat’ werk verrichtte. De tip- gever achtte het niet uitgesloten dat deze jongeman verantwoordelijk was voor een serie inbraken die de laatste tijd in een bepaalde wijk in Rotterdam-West waren gepleegd. Ik liet er geen gras over groeien en besloot samen met twee rayonagenten nog diezelfde avond een ‘praatje-pot’ met Thomas te houden. Beter gezegd, een stukje bluf- poker met hem te spelen, want we hadden feitelijk niets tegen hem. Toen we bij zijn kosthuis hadden aangebeld, bleek Thomas nog niet thuis te zijn. Eerst tegen vier uur in de ochtend stapte hij op een hon- derd meter afstand van zijn kosthuis uit een taxi. Op het moment dat hij vlak voor zijn deur stond, kwamen wij uit onze schuilhoek tevoorschijn, waarna wij hem ter plekke uitnodigden ‘even’ met ons mee naar het bureau te gaan. Thomas, die zichtbaar geschrokken was van deze plotselinge confrontatie met drie politiemannen, ging gewillig mee. Aan het bureau heb ik hem een aantal uren verhoord in relatie tot de inbraken. Thomas gaf echter geen krimp en ik kreeg niet de minste vat op hem. Dat laatste bracht mij – ik was zo on- geveer aan het einde van mijn Latijn – tot de opmerking: ‘Thomas, wees wijs, man, je zit tenslotte toch niet voor een moord.’ Thomas slikte een paar keer waarna hij tot mijn grote verbazing prompt al die inbraken bekende. Ook wees hij ons die nacht een sloot aan waarin hij enkele geldkistjes had gedeponeerd. Nadat wij die eruit hadden gevist en Thomas aan de afdelingsrecherche hadden overgedragen, gingen wij huiswaarts. Enkele uren later werden alle politiebureaus in de stad per telex geïnformeerd over een moord. In een hotelletje in het centrum van Rotterdam was een prostituee met de bijnaam ‘Tijger Annie’ vermoord aangetroffen. Het bericht bevatte ook een signalement van de mogelijke dader. Een attente wachtcommandant vond dat het opgegeven signalement best eens kon slaan op Tho- mas. Hij had gelijk. Thomas, die de moord later ook heeft bekend, bleek regelrecht na zijn daad in een taxi te zijn gestapt. Die bracht hem in minder dan een kwartier vlak bij zijn kosthuis, waar wij op

hem stonden te wachten. Achteraf niet verwonderlijk natuurlijk dat
hij op het moment dat wij daar opdoken de schrik van zijn leven had gekregen. Is de moord al zo snel ontdekt, moet hij zich toen verbijsterd afgevraagd hebben. Maar tot zijn geruststelling hoorde hij tijdens het verhoor uit mijn mond dat hij ‘per slot van rekening niet voor een moord’ zat. Waar kun je dan voor een redelijk sluitend alibi beter zitten dan in een politiecel? Roofmoord onder de ogen van de politie
Met de al even brute als tragische moord op de 32-jarige J.M. van den Bosch, gehuwd en vader van drie kleine kinderen, werd tevens een zwarte bladzijde geschreven in de historie van de Rotterdamse politie. Waarom? Omdat deze moord werd gepleegd onder de ogen van de recherche. Ziehier hoe een en ander zich in de avonduren van donderdag 6 juli 1972 heeft toegedragen. De Rotterdamse recherche beschikte al enige tijd over de informatie dat twee beruchte crimine- len regelmatig over veel geld beschikten, alhoewel ze geen van beiden werk hadden. Gedacht werd aan inbraken of roofovervallen. Om te proberen vast te stellen waar zij hun ‘inkomsten’ vandaan haalden, besloot de leiding van de afdeling Observatie het tweetal enige tijd nauwlettend in de gaten te houden. Tijdens die observatieperiode, die ongeveer een maand heeft geduurd, kon worden vastgesteld dat de twee criminelen dubieuze belangstelling aan de dag legden voor allerlei bedrijven, in het bijzonder voor supermarkten. Aanvankelijk voerden zij hun verkenningen alleen uit op Rotterdams grondge- bied, maar na enige tijd richtten zij hun aandacht ook op bedrijven in Schiedam. Tussen de Rotterdamse en de Schiedamse recherche- leiding werd afgesproken dat de Rotterdamse observatiegroep het tweetal ook op Schiedams grondgebied zou blijven volgen. De Schie- damse politie zou uiteraard over een en ander geïnformeerd blijven en in actie komen wanneer de situatie daartoe aanleiding zou geven. Geleidelijk aan kon uit hun bewegingen voorzichtig de conclusie worden getrokken dat de twee criminelen van plan waren de beheer- der van een supermarkt te beroven. Het lag voor de hand dat zij dat zouden doen op het moment dat die man met de dagopbrengst on- derweg was naar een bank of naar huis. Aangezien zij minstens tien van dergelijke bedrijven hadden ‘afgelegd’, kon aanvankelijk nog niet met zekerheid worden vastgesteld welke daarvan het vermoedelijke doelwit zou gaan vormen. In de loop van de observatieactiviteiten van de Rotterdamse recherche werd het echter duidelijk dat het zeer

waarschijnlijk zou gaan om het fi liaal van de Végé aan de Bachlaan
in Schiedam-Kethel. Van deze winkel was J.M. van den Bosch de fi li- aalhouder. In de maand juni werd het tweetal op twee koopavonden (donderdags) nabij deze supermarkt waargenomen. Daar kwam nog bij dat de observatie precies een week later, weer op een donderdag- avond, had vastgesteld dat het duo een duidelijke belangstelling aan de dag legde voor de woning van Van den Bosch op de tweede etage van een fl atgebouw aan de Nieuwendamlaan in Schiedam. De beide criminelen waren daar aanwezig rond het tijdstip dat Van den Bosch die avond thuiskwam. De recherche ging er vervolgens vanuit dat de beroving van de fi liaalhouder naar alle waarschijnlijkheid de eerst- volgende donderdagavond zou plaatsvinden. Boetekleed
In een gezamenlijk door de Rotterdamse en Schiedamse politie op- gesteld actieplan werden door in totaal dertig rechercheurs een aan- tal observatieposten betrokken bij zowel de bewuste supermarkt, de route naar de Nieuwendamlaan, en ten slotte bij de woning van Van den Bosch. Waar de politie het meest rekening mee had gehouden, een overval vlak bij de supermarkt, gebeurde echter niet. Wat die avond wel gebeurde was het volgende. Ruim na afsluiting van de koopavond reden de twee criminelen naar de Nieuwendamlaan. Daar stapten zij het fl atgebouw binnen om vervolgens op de tweede etage de neon- verlichting onklaar te maken en zich nabij de lift te verstoppen. Even later, zo nam de observatie waar, betrad ook Van den Bosch het fl at- gebouw. Weer even later hoorde de politie hulpgeroep, gevolgd door een doffe knal. Vrijwel direct hierop stormden de twee overvallers met hun buit naar buiten, waar zij door de postende rechercheurs werden gearresteerd. In de hal van de tweede etage vond de politie de met een schot dodelijk verwonde Jan van den Bosch. De Korpsleiding van zowel de Rotterdamse als de Schiedamse politie zat met deze tragische afl oop van de rechercheactie begrijpelijkerwijs in zak en as. (Het drama gebeurde enkele dagen voordat Hoofdcommissaris A. Wolters het korps met pensioen zou verlaten.) De storm van kritiek die op de beide korpsen losbarstte was ook niet mis. Het heeft na het gebeurde nog een week geduurd voordat de beide Korpsleiding en in een gezamenlijke persconferentie het boetekleed aantrokken en het falen van de recherche openlijk toegaven. Het uitermate gevaarlijke karakter van de beide overvallers was faliekant onderschat, ondanks alle grondige voorbereidingen van de observatieactie. Dat ook het

hoofd van de Rotterdamse recherche, commissaris A. Vermeij, naar
aanleiding van deze zaak diep in de put zat, heb ik met name gemerkt op de (late) avond voorafgaande aan deze persconferentie. Ik was toen als hoofdinspecteur chef van het Stafbureau Recherche betrok- ken bij de voorbereidende gesprekken voor die bijeenkomst met de pers. Aan het later door de procureur-generaal verordonneerde be- leid betreffende het in het vervolg tijdig ‘kapotmaken’ van een bij de politie bekend geworden voornemen om een roofoverval te plegen, ligt deze trieste affaire uit 1972 ten grondslag. moordonderzoek en medewerking publiek
Stoorzenders
De drieledige combinatie – recherche, (laboratorium)deskundigen en medewerking van het publiek – heb ik altijd als de meest ideale situ- atie gevonden bij een moordonderzoek. Wanneer ik via de media de hulp van de burgerij inriep, deed ik dat zo veel mogelijk in de vorm van hele concrete vragen, zo mogelijk geïllustreerd met afbeeldin- gen van bijvoorbeeld bij een roofmoord ontvreemde voorwerpen. Daarbij moest je er wel steeds voor waken geen dingen prijs te geven waardoor het onderzoek geschaad zou kunnen worden. Ik vond dat je in een moordonderzoek altijd ten minste twee dingen voor de pers achter moest houden: feiten waaraan je een bekentenis op juistheid kon toetsen en zaken die je beslist nodig had voor de bewijskracht. Een frappant voorbeeld van dat laatste kwam ik eens tegen toen ik research deed in de Verenigde Staten. Een brute seriemoordenaar, die het gemunt had op kleine levensmiddelenbedrijfjes langs de au- tosnelweg tussen Kansas City en Dallas, schoot bij zijn overvallen steeds met hetzelfde vuurwapen zijn slachtoffers dood. Dit gegeven lekte uit naar de media, met het gevolg dat bij een volgende overval, duidelijk gepleegd door dezelfde dader, een ander type vuurwapen werd gebruikt. In de beginperiode van mijn loopbaan bij de recher- che was ik er nog redelijk van overtuigd dat een door justitie uitge- loofde beloning ook daadwerkelijk zou bijdragen aan de oplossing van een moordzaak. In latere jaren ben ik daar echter toch sterk aan gaan twijfelen. Dat baseer ik voornamelijk op de slechts sporadische keren dat zo’n beloning inderdaad kon worden uitgekeerd. Met be- trekking tot hulp uit de kringen van zogenaamde ‘helderzienden’ kan ik kort zijn. Zij kunnen voor een moordonderzoek naar mijn

opvatting helemaal niets betekenen, anders dan het functioneren als
stoorzenders. Bovendien acht ik uitspraken van ‘helderzienden’ niet ongevaarlijk voor het bevorderen van tunneldenken. De enige keren dat ik ‘aanwijzingen’ van helderzienden heb laten natrekken, was in gevallen waarbij het ging om vermissing van een kind. Ik deed dat uitsluitend ter geruststelling van de betrokken ouders. Resultaten heb ik nog nooit gezien, dwaalsporen des te meer. Plastic korreltjes
Hoe de combinatie recherche-laboratorium-publiek kan leiden tot snelle oplossing van een moorzaak, blijkt overduidelijk uit de vol- gende zaak. Op een vroege ochtend in januari 1975 werd in de Mei- doornstraat in Rotterdam een man van Turkse afkomst die samen met zijn vrouw te voet op weg was naar een tramhalte, van dicht- bij door iemand doodgeschoten. De vrouw, die ongemoeid werd gelaten, verklaarde ons dat de schutter een masker had gedragen met een ‘Chinees gezicht’. Naar school lopende kinderen vonden diezelfde ochtend op ongeveer vijfhonderd meter van de plaats de- lict een dergelijk masker onder een geparkeerde auto. Ze namen het ding mee naar school, mochten er daar wel mee spelen, maar moesten het masker eerst enige tijd onder de kraan houden. Je weet tenslotte maar nooit wie het ding op zijn hoofd heeft gehad, zo vond de ‘juf’ heel terecht. Toen een van de kinderen later die dag met het masker thuis kwam en de ouders in de krant iets gelezen hadden over een ‘maskermoord’, waren zij gelukkig zo attent snel de politie te informeren. Wij gingen ervan uit dat eventuele sporen, zoals vin- gerafdrukken, haren en speeksel van de dader door de ‘douche’ op school wel grondig van het masker zouden zijn verwijderd. Dat was ook wel zo, maar ten aanzien van één element hadden wij ons toch vergist. Wat was het geval? Door met het masker te rechercheren, slaagden wij erin de winkel te achterhalen waar het was verkocht. De verkoper, die het masker herkende aan de hand van de door hem op verzoek van de koper wat breder ingeknipte mondhoeken, gaf ons om te beginnen een uitstekend signalement van die man. Belangrijker nog was echter het volgende. Hij vertelde de recher- cheurs bovendien dat een dergelijk masker altijd op een plastic bin- nenmasker zat, waardoor het min of meer in vorm werd gehouden. Om verder te rechercheren kochten wij in die winkel een identiek masker. Wij bemerkten toen dat op het plastic binnenmasker een hoeveelheid stof zat, dat bij microscopisch onderzoek bleek te be-

staan uit ontelbare kleine plastic korreltjes, die er bij het stansen
op waren achtergebleven. Met het door de dader gedragen masker waagden wij vervolgens met succes een schot bij het gerechtelijk laboratorium. Ondanks de grondige afwasbeurt zaten er nog veel van die korreltjes op. Toen wij enkele dagen later een (aanvankelijk ontkennende) verdachte hadden opgepakt, verzochten wij hem met een door ons aangereikte kam zijn haren te kammen. Het laborato- rium vond daarop een hoeveelheid van diezelfde plastic korreltjes. Hetzelfde resultaat werd verkregen op het in de woning van de man aangetroffen hoofdkussen. Bovendien vonden wij in zijn auto ook nog eens een klein stukje plastic, dat onmiskenbaar afkomstig was van een plastic binnenmasker. Uiteindelijk bekende hij de moord. Bij het motief ging het om een vete.
Een volkomen willekeurig slachtoffer
Een beestachtige moord op een willekeurig slachtoffer dat puur toe- vallig het pad van de haar totaal onbekende moordenaar kruiste. Dat was het geval bij de moord op de dertigjarige mevrouw Teun- tje Cornelia de Jong-Slagboom, gehuwd en moeder van twee jonge kinderen. De als een keurige huisvrouw bekend staande Teuntje de Jong was op zondagavond 10 maart 1973 te voet op weg naar haar woning in de (toen) nieuwbouwwijk aan de Weresteyn in Sliedrecht. Na een verjaardagsvisite bij haar zwager aan de Baanhoek was zij daar omstreeks 22.40 uur vertrokken. De afstand naar haar woning bedroeg ongeveer 2,5 kilometer. Toen zij niet rond de afgesproken tijd thuis was gekomen, gingen verontruste familieleden naar haar op zoek. Rond één uur die nacht werd de vrouw aangetroffen in de berm van een onbebouwd, maar goed verlicht weggedeelde, onge- veer een kilometer van haar huis. Zij bleek door acht messteken in de rug te zijn vermoord. Van een zedendelict bleek niets. Wel was haar handtasje verdwenen, hetgeen in eerste instantie roofmoord deed veronderstellen. Al spoedig was het mij duidelijk dat wij ook bij deze moord de hulp van het publiek dringend nodig hadden. Ik ging er daarbij vanuit dat wij als Regionaal Bijstandsteam Zuid- West, gezien de locatie van de plaats delict, te maken hadden met een lokaal wonende dader. Het veronderstelde motief, roof, kwam reeds op de dag na de moord op losse schroeven te staan. Een inwo- ner van Sliedrecht meldde zich namelijk bij ons met de mededeling dat hij de portefeuille van het slachtoffer met daarin een bedrag van vierhonderd gulden had gevonden. Die vindplaats lag zo’n achthon-

derd meter van de nieuwbouwwijk. Nadat wij aan de hand van de
resultaten van het huis-aan-huisonderzoek tot op zowel de meter als de minuut hadden vastgesteld waar het slachtoffer voor het laatst was gezien, hielden wij een reconstructie. Het resultaat daarvan was weer dat op exact dat tijdstip en op die plaats een lijnbus bij de vaste halte was gestopt. Uit de getuigenverklaring van twee passagiers die daar waren uitgestapt, bleek dat ook een onbekende jongeman bij diezelfde halte de bus had verlaten en vervolgens in de richting van de plaats delict en daarmee in die van de nieuwbouwwijk was ge- lopen. Via de pers riepen wij de passagiers van die bus van die zon- dagavond op zich te melden. Aan die oproep werd ruim voldaan, met uitzondering dan van de knaap die wij zochten. Aan de hand van een door ons gemaakte plattegrond van de bus konden wij wel nauwkeurig aangeven waar precies hij had gezeten. Onze volgende stap was een huis-aan-huis-alibicontrole in de nieuwbouwwijk. De bij elk van de ongeveer 350 woningen te stellen kernvraag luidde simpelweg: ‘Is hier op de zondag van de moord iemand na 22.30 uur thuisgekomen, zo ja, wie?’ De medewerking van de bewoners van deze wijk was voortreffelijk. Die heeft ons vier dagen na de moord bij de dader gebracht. Hij legde een volledige bekentenis af, waarbij hij ons de plaats aanwees waar hij het dolkmes in een sloot had gegooid. Zijn motief? Opgekropte haatgevoelens omdat zijn meisje twee dagen voor de moord de verkering had uitgemaakt. Een dag voor de moord had hij in Rotterdam een dolkmes gekocht. Toen hij op de bewuste zondagavond vanaf de bushalte op weg was naar zijn ouderlijke woning in de nieuwbouwwijk, was hij toevalligerwijs achter het hem volkomen onbekende slachtoffer komen te lopen. Op dat moment was hij ‘dol’ geworden, had zijn dolkmes getrokken en het volstrekt willekeurige slachtoffer in blinde woede doodgesto- ken. De regionale krant De Merwestreek wijdde een extra bulletin aan de oplossing van dit misdrijf dat huis-aan-huis werd verspreid. n.b. Een enkele jaren later in opdracht van het ministerie van Bin- nenlandse Zaken gemaakte politie-voorlichtingsfi lm onder de titel ‘P.D.’ (Plaats Delict) was gebaseerd op deze moordzaak. Mij viel destijds de eer te beurt (onder de ‘valse’ naam Barendse) in die fi lm mijn eigen rol, die van teamleider, te mogen spelen. Deze ongeveer vijfentwintig minuten durende fi lm heeft in augustus 1978 de eerste prijs gewonnen op de Dag voor de Korte Film, die de stichting Au- diovisuele Manifestatie in Den Haag hield. Tijdens het festival voor korte fi lms in september 1978 in Wenen, werd aan ‘P.D.’ de tweede prijs toegekend.

Etalage afgehuurd
Dezelfde ideale opsporingscombinatie heb ik ongeveer een jaar later meegemaakt toen ik als teamleider van het Recherchebijstandsteam Zuid-West in Gorinchem het onderzoek leidde in de moordzaak J.F.J. Courrech Staal, een 56-jarige scheepswerfdirecteur die op een vroege ochtend door twee indringers in zijn villa werd vermoord. De moordenaars, die al geruime tijd in geldnood verkeerden, hadden oorspronkelijk twee plannen uitgebroed. Volgens plan één zouden zij hun slachtoffer, vooropgesteld dat hij alleen thuis zou zijn, ont- voeren door hem te dwingen met zijn eigen auto naar het Lingebos te rijden. Vandaar uit zouden zij dan telefonisch contact opnemen met een mededirecteur van de scheepswerf, teneinde een bepaald be- drag aan losgeld te eisen. Na betaling daarvan zouden zij het slacht- offer vrijlaten. Bij plan twee was rekening gehouden met de moge- lijkheid dat ook de echtgenote van Courrech Staal thuis zou zijn of plotseling thuis zou komen. De daders wisten namelijk dat zij op dat vroege tijdstip altijd haar hondje uitliet. In dat geval zouden ze uit een meegebrachte plastic container een hoeveelheid benzine over de vloer laten uitstromen en vervolgens dreigen de boel in brand te steken, tenzij het echtpaar een bedrag van twintigduizend gulden zou betalen. Waar zij echter geen rekening mee hadden gehouden, was dat Courrech Staal, die inderdaad alleen thuis was, zich hevig tegen de beide bandieten verzette. In zijn pogingen de indringers uit de woning te werken, heeft het slachtoffer zich in de keuken letter- lijk doodgevochten. Een van de mannen loste met een revolver twee schoten, echter zonder het slachtoffer te raken. Met een groot mes bracht de andere bandiet het slachtoffer een aantal dodelijke steken toe. Nadat de overvallers de zakken van het slachtoffer nog tever- geefs hadden omgekeerd op zoek naar geld, vluchtten zij de villa uit. In de tuin van de villa vonden wij een ongelofelijk aantal daderspo- ren zoals: twee vechtpetten, twee pruiken, een nylonkous waarop een bloedspoortje zat en twee bebloede ijzeren staven. Tijdens ons terreinonderzoek in de omgeving van de plaats delict vonden wij nog eens twee stel herenbovenkleding met daarop een grote hoeveelheid bloedsporen. Onder die kleding lagen bovendien een paar lederen handschoenen. Het gerechtelijk laboratorium onder aanvoering van professor Groeneveld leverde ons twee heel bijzondere sporen. Het eerste had betrekking op de rechterhandschoen. De duim en de wijs- vinger bleken namelijk gedeeltelijk te zijn opgevuld met een prop tissuepapier. ‘Je moet dus waarschijnlijk zoeken naar een vent aan

wiens rechterhand een deel van de duim en wijsvinger ontbreken,’
aldus professor Groeneveld in een telefoongesprek met mij. Het an- dere spoor was zo mogelijk nog opmerkelijker. Op een van de beide broeken zaten namelijk bloedsporen afkomstig van twee verschil- lende bloedgroepen. Het ene was van het slachtoffer, het andere moest dus van een van de beide daders zijn. Het slachtoffer had zich op het laatste moment nog verdedigd met een zakschaartje, waarmee hij kennelijk een van de aanvallers had verwond. In plaats van het merendeel van de door ons gevonden dadersporen zoals gebruikelijk via perspublicaties onder de aandacht van het publiek te brengen, besloot ik de hulp van de Gorinchemse bevolking in te roepen. Met medewerking van de gemeente huurde ik in een drukke winkelstraat de etalage van een leegstaande winkel. Bij een groot kledingbedrijf organiseerden wij twee etalagepoppen, die we de gevonden kleding aantrokken. Ook de beide pruiken en enkele andere sporen werden in de etalage tentoongesteld. Via een grote advertentie met een tekst in vijf talen, Nederlands, Turks, Arabisch, Grieks en Italiaans rie- pen we de Gorkumers op de uitstalling in onze ‘winkel’ te komen bezichtigen. Feitelijk hadden we vervolgens maar twee vragen aan het publiek: wie is pop één? En: wie is pop twee? Onze winkel liep als een trein. We kregen tips uit evenzoveel taalgebieden als aange- geven in onze advertentie. Een daarvan sloeg inderdaad op een van de beide moordenaars. De andere hebben we gevonden dankzij het feit dat hij de man was van ‘de duim en de wijsvinger’. n.b. Op 11 november 1931 werd in Gorinchem de 42-jarige nota- ris W.J. Courrech Staal vermoord. Dat was de vader van de in 1974 vermoorde J.W.J. Courrech Staal.
onopgeloste moorden
Kamervragen over de gebezigde opsporingsmethode
Een onopgeloste moord betekent veelal een nachtmerrie voor ieder teamlid dat bij het onderzoek betrokken is geweest. Wat mij als ver- antwoordelijk teamleider in zo’n situatie uit mijn slaap hield, waren vooral twee vragen: wat heb ik over het hoofd gezien? En: welke fout heb ik gemaakt? Een paar van dat soort zaken hebben lange tijd als en molensteen om mijn nek gehangen. Daar is om te begin- nen de moord op een moeder en haar kind in de sigarenwinkel aan het Brekelsveld, waar we werkelijk alles uit de kast hebben gehaald





Rotterdam (november 1971), teamleider van het eerste Recherche
Bijstands Team ‘Zuid-West’ Nederland, na afl oop van een interne
trainingsweek in Overschie. Tijdens een oefening in Zeeland werd
een door mij op de PD gedeponeerde (‘geleende’) damesfi ets, die
wij even onbeheerd hadden gelaten naast een danig ‘toegetakelde’
etalagepop (slachtoffer), door een onbekende gejat. Ondanks het
feit dat het een geweldig team was, zijn wij er nimmer in geslaagd
deze gauwdief te achterhalen.
De naamlijst van het RBT-‘Zuid-West Nederland’

om de dader op te sporen. Met acht man hebben we een aantal jaren
aan deze zaak gewerkt, ruim vierduizend tips onderzocht en een stuk of tien (vrijwillige) valse bekentenissen aangehoord. De dader, ongetwijfeld een goede bekende van de beide slachtoffers, hebben we helaas nimmer achterhaald. Ik denk nog vaak terug aan die af- schuwelijke moord en dan met name met het oog op de huidige dna-mogelijkheden. Een techniek waar we in die jaren nog niet van hadden gehoord. Waar ik mij in de zaak Brekelsveld heel lang het hoofd over gebroken heb, waren twee dingen. Het eerste was de kring waarin die moordenaar dagelijks verkeerde en waarin hij di- rect na zijn gruwelijke daad is teruggekeerd. De situatie op de plaats delict liet er geen twijfel over bestaan dat de man onder het bloed moet hebben gezeten. Is dat anderen (huisgenoten) ook opgevallen en hebben zij hem vervolgens heel bewust gedekt? Een alternatieve mogelijkheid is natuurlijk dat die dader alleen woonde, zodoende niet direct is opgevallen en dus kans heeft gezien zijn kleding te rei- nigen. Het tweede punt betreft de vraag waarom de moordenaar al het geld (voornamelijk muntgeld bestaande uit guldens en rijksdaal- ders) dat hij van de plaats delict heeft meegenomen in een eveneens gestolen portefeuille in de Waalhaven heeft gegooid. Daar werd het zes weken na de moord bij een lage waterstand door spelende kin- deren gevonden. Ging het dan wellicht om een gefi ngeerde roof- moord? Dat maakt het werkelijke motief alleen maar mysterieuzer. Tot slot ben ik ervan overtuigd dat de dader tot de directe kennis- senkring van het slachtoffer heeft behoord. Ook een brute moord op de zeventienjarige havo-leerlinge Petra van de Berg bleef zeer tot mijn spijt onopgelost. Dit meisje werd in de nieuwjaarsnacht van 1 januari 1982 rond 03.00 uur, vlak bij haar ouderlijke woning door een of andere straatboef neergestoken. We hadden geen spo- ren, geen moordwapen en geen aanwijzingen omtrent een mogelijk motief. Het enige dat we wel hadden was een getuigenverklaring volgens welke de vermoedelijke dader een jongeman was, gekleed in een lichtgekleurd jack. Daar moest het gedreven team van hoofdin- specteur Nico Mastenbroek het mee doen. De medewerking van het publiek in de vorm van tips was weliswaar groot, maar het heeft ons helaas geen centimeter dichter bij de dader gebracht. Nog een andere onopgeloste moordzaak die mij zeer heeft bezigge- houden is die op taxichauffeur Bas Hartman. Hij werd in april 1975 in Kralingseveer in zijn taxi doodgeschoten. Het motief van deze moord was onduidelijk. In de kleding van het slachtoffer troffen wij diens portefeuille met geld aan, hetgeen roof minder waarschijnlijk


Rotterdam (april 1975), de moordzaak taxichauffeur Hartman
(Kralingseveer); rechercheurs selecteren (met de hand) uit zo’n
twee miljoen taxiritten
maakt. Ook in deze zaak hebben we al het mogelijke ondernomen, echter zonder succes. De technische recherche vond in de taxi een bruikbare vingerafdruk, die heel goed van de dader afkomstig zou kunnen zijn. Gezien de locatie waar Hartman was doodgeschoten, hield ik er rekening mee dat de dader binding had met het Kralings- eveer. Dat deed mij besluiten om aan alle mannelijke inwoners van het dorp tussen de 15 en 65 jaar te vragen op basis van vrijwilligheid hun vingerafdrukken aan ons ter beschikking te stellen. Ik beoogde daarmee via een elimineerproces bij de dader uit te komen. Door middel van een persoonlijke brief had ik alle betrokkenen gegaran- deerd dat de afdrukken uitsluitend zouden worden gebruikt voor het onderzoek in deze moordzaak, dat geen kopieën zouden worden gemaakt, dat geen ander politiekorps erover zou kunnen beschik- ken en dat alle afdrukken direct na onderzoek in het openbaar en controleerbaar voor iedereen zouden worden verbrand. Dat laatste is ook gebeurd en wel door de Rotterdamse brandweer. Tevoren had ik vier vertrouwensmannen, allen inwoner van Kralingseveer, de gelegenheid gegeven onze administratie te controleren op volle-

digheid van de te verbranden vingerslips. Wat we hadden gehoopt,
gebeurde niet: geen dader. Wat we niet verwacht hadden, gebeurde wel: Kamervragen. Of deze operatie niet in strijd was met ‘enkele grondbeginselen van ons strafrechtelijk bestel’, wilde het Twee- de-Kamerlid Roethof (pvda) weten. Justitieminister mr. Van Agt schonk daarover klare wijn: ‘Onder de gegeven omstandigheden en gelet op de getroffen voorzorgsmaatregelen,’ achtte hij de door de politie aan de bevolking gevraagde medewerking verantwoord. Het opsporingsonderzoek is na enkele maanden van intensieve arbeid op doodspoor beland. Heel jammer.
Een Britse deserteur en een Duitse prostituee
Met een tweede moord op een taxichauffeur vijf jaar later, dreigde het aanvankelijk dezelfde kant uit te gaan. Deze zaak is illustratief voor twee belangrijke aspecten in een moordonderzoek. Het eerste betreft de oorzaken van het als recherche de mist ingaan op basis van ‘pertinente’ getuigenverklaringen. Het tweede toont aan dat, hoe gedegen je een moordonderzoek ook uitvoert, een beetje geluk onmisbaar is. Een en ander heeft zich als volgt toegedragen. Op een nacht in januari 1980 werd taxichauffeur Willem Stakenburg dood in zijn taxi aangetroffen in een straat op Rotterdam-Zuid. Hij bleek door twintig messteken, toegebracht door twee verschillende messen, om het leven te zijn gebracht. Een van de messen lag in de taxi, de andere vonden wij op een plat dak vlak bij de pd. De taxi was ongeveer een halfuur eerder via de centrale naar een adres aan de Noorderkerkerdijk gedirigeerd om daar iemand op te pikken. De telefoniste van de taxicentrale twijfelde geen moment: degene die de taxi had besteld had een mannenstem, had gewoon Neder- lands gesproken en had zich Handers of zoiets genoemd. Wel had zij de opbeller enkele keren naar het huisnummer moeten vragen. Ook wist zij zeker dat de man had opgebeld vanuit een woning. Op de achtergrond was namelijk ‘instrumentale muziek’ hoorbaar ge- weest. Ook vertelde zij aan de rechercheurs dat zij uit ervaring heel goed het verschil kon vaststellen of iemand vanuit een telefooncel, een café of een woning opbelde. De plaats waar Stakenburg even la- ter vermoord werd aangetroffen, lag op ongeveer vierhonderd meter van het opgegeven adres aan de Noorderkerkerdijk. Op dat adres was de naam Handers of iets dat daarop leek volkomen onbekend. Het oudere echtpaar dat daar woonde was reeds vroeg op de avond naar bed gegaan. Minuten na de moord hadden andere ge-

tuigen vanuit hun in de buurt van de pd gelegen woning gezien hoe
twee mannen het tochtraampje van een geparkeerde Volkswagen insloegen, snel instapten en er vandoor gingen. Ons onderzoek was in eerste instantie dus geconcentreerd op twee mannen, waarvan in ieder geval één ‘normaal Nederlands’ sprekende fi guur, die gevlucht waren in een mogelijk gestolen vw. Bij de twee messen ging het om respectievelijk een sierlijk, betrekkelijk nieuw uitziend jachtmes en een kennelijk veel gebruikt langwerpig mes dat, naar onze inschat- ting, wel zo ongeveer in iedere keukenlade kon worden aangetrof- fen. Waar wij dachten met het jachtmes goed te kunnen recher- cheren, bleek al spoedig het tegendeel. Dit type mes was namelijk in grote partijen vanuit Japan geïmporteerd en in praktisch iedere dumpzaak te koop. Het tweede mes lieten wij onderzoeken door een professionele ‘scharensliep’. Die verzekerde ons dat het hier ging om een slachtersmes dat door degene tot wiens gereedschap het be- hoorde zonder meer zou worden herkend. Hij bleek later inderdaad gelijk te hebben gehad. Ons onderzoek naar de (veronderstelde) vw, we hebben er enkele duizenden nagetrokken, liep uiteindelijk dood. Datzelfde lot dreigde langzaam maar zeker ons hele onderzoek te treffen. We hadden nog één troef: het slachtersmes. Ik had een bul- letin laten ontwerpen met daarop een scherpe foto van het mes en enkele gerichte vragen aan het publiek. Juist aan de vooravond van de verspreiding kregen wij een telefoontje van de politie uit de om- geving van het Duitse Hannover. Daar had een Duitse prostituee tegenover een vriendin bekend dat zij samen met een gedeserteerde Britse militair in Rotterdam een taxichauffeur had vermoord. Ook de deserteur was inmiddels aangehouden en had een volledige be- kentenis afgelegd.
Drie frappante bijzonderheden: de prostituee was degene geweest die de taxi vanuit een telefooncel vlak bij de pd had besteld. Zij had daarbij uitsluitend Duits gesproken. De straatnaam Noorderkerker- dijk had zij opgelezen van een stukje papier waarop zij die naam tij- dens de uitgebreide voorbereidingen van de moord had opgeschre- ven. De vw 1600 was eigendom van de Britse deserteur. Direct na de moord waren zij regelrecht met deze auto naar het Franse Bayonne gereden. Daar was de vooras gebroken, waarna zij het voertuig voor 150 Franse franc hadden verkocht. De reden waarom de Brit het tochtraampje had ingeslagen was achteraf ook simpel: hij had de contactsleutels in de auto laten zitten. Het slachtersmes ten slotte had de Brit meegenomen uit een slachterij in Almelo, waar hij en- kele dagen had gewerkt. Tot slot, een afrekening in het criminele

milieu levert per defi nitie door allerlei factoren altijd een moeilijk
opsporingsonderzoek op. Dat hebben we met name ervaren bij de in februari 1982 gepleegde moord op de 37-jarige autohandelaar Olav Soares, bepaald geen onbekende in de Rotterdamse onderwereld. Hij dreef een zaak in (duurdere) tweedehandsauto’s aan de Aelbrechts- kade in Rotterdam. Op de dag van zijn verdwijning zou hij enkele tonnen aan geld bij zich hebben gehad. Soares, die reeds een paar dagen werd vermist, werd dood aangetroffen in een sloot in de ge- meente Krimpen a.d. Lek. Hij bleek door twee schoten in het hart om het leven te zijn gebracht. Met een team van vijftien man hebben we geruime tijd geprobeerd de dader(s) te achterhalen. Tevergeefs. verborgen lijken
Ingemetseld
Wanneer iemand een moord pleegt nadat hij zijn slachtoffer naar een plaats heeft gelokt die hem bij ontdekking regelrecht als da- der zou aanwijzen, bijvoorbeeld zijn eigen woning of zijn bedrijfs- ruimte, dan is het alleszins verklaarbaar waarom de moordenaar het lijk daarna naar elders heeft vervoerd. Een reden is uiteraard het opsporingsonderzoek in zijn richting naar een doodlopend spoor te leiden. Een tweede, om ontdekking van het misdrijf zo lang mogelijk voor te zijn. Zowel het een als het ander was het geval bij de moord op bankloper Jacob Kodde, die in 1974 in een werkplaats in Rot- terdam-West om het leven werd gebracht. De twee daders stopten het dode lichaam in een groot model plunjezak, reden daarmee naar Zeeland en deponeerden hun slachtoffer in een afwateringssloot midden in de verlaten Reigerbergsepolder bij Rilland Bath. Die plek ligt ongeveer honderd kilometer van Rotterdam verwijderd. Om er ook zeker van te zijn dat het lichaam onder water zou blijven, had- den de beide daders met behulp van een tv-antennekabel een zware steenklomp aan het bovenbeen van het slachtoffer bevestigd. Toen zij vier dagen later vanuit het buitenland nog eens langs die plaats reden om te zien of hun opzet was gelukt, kregen de beide man- nen de schrik van hun leven. Het lichaam van Kodde was namelijk reeds daags na het deponeren ontdekt. Dat wij op die plaats gedregd hadden naar mogelijke sporen was aan de berm ook duidelijk waar- neembaar. De tv-antennekabel werd tijdens ons minutieus onder- zoek een van aanwijzingen die ons op het spoor van de twee daders

zette. Wij slaagden er namelijk in via de in Duitsland gevestigde
fabrikant vast te stellen dat die kabel deel had uitgemaakt van een rol van vijf duizend meter. Bij verder rechercheren bleek ons dat de beide daders uit hoofde van hun beroep bij een winkelbedrijf in Rotterdam een bepaalde hoeveelheid van die kabel hadden gekocht. Doorslaggevend ten slotte was onze constatering dat het tweetal heel bewust met hun alibi had geknoeid. Overigens zijn we in die moordzaak aanvankelijk op een volkomen verkeerd spoor terecht- gekomen. De oorzaak? Een groot aantal getuigen verklaarde ons dat zij het slachtoffer op de dag van zijn verdwijning nog tot tegen het einde van de middag ergens in Rotterdam hadden waargenomen. Pas nadat wij alle getuigenverklaringen nauwkeurig hadden geana- lyseerd en in kaart gebracht, zou blijken dat Kodde diezelfde dag kort na twaalf uur was vermoord. Dat dwaalspoor heeft ons nogal parten gespeeld bij de alibicontrole van verdachten. Wat moeilijker verklaarbaar is het soms, waarom sommige moordenaars die hun slachtoffer in diens eigen woning om het leven hebben gebracht, ook nog eens alle mogelijke moeite hebben gedaan om uitgerekend op die plaats het lijk te verbergen. ‘Ontdekking van de moord zo lang mogelijk proberen te voorkomen’, zo ongeveer luidde de gemiddelde verklaring van de gevallen die ik in het Rotter- damse heb ervaren. In een enkel geval lukte dat gedurende langere tijd, in de meeste gevallen was het echter slechts een kwestie van dagen voordat het lijk werd gevonden.
Een wel heel bijzondere plaats en manier om zijn door hem vermoorde echtgenote te verbergen, had een in Rotterdam-West wonende 37-jarige Portugees bedacht. Na een lange periode van huwelijksmoeilijkheden wurgde hij op een nacht in mei 1975 zijn 33-jarige echtgenote Joanna Lucia Delgado. Reeds enige tijd voor de moord had hij een hoeveelheid cement, een aantal houten latten en een afvoerrooster gekocht. Nadat de Portugees het lichaam van zijn vrouw op de vloer van de douchecel had gedeponeerd, wierp hij een emmer water over haar heen. Toen zij hierna nog bewoog stak hij haar met een mes twee keer in de hals, om er zeker van te zijn dat zij dood was. Vervolgens metselde hij de vrouw in de douchecel in door het aanbrengen van een tweede vloer. Een dag later waarschuwde een buurvrouw de politie met de mededeling dat zij ongerust was over de plotselinge verdwijning van Delgado. De Portugees beweer- de dat zijn vrouw was weggelopen, terwijl een eerste onderzoek in de woning niets opleverde. Twee dagen later was dat wel het geval. Wij hebben uren nodig gehad om het lijk uit het cement te hakken.

In de kruipkelder
Op Koninginnedag in 1975 belde een buurman van de zestigjarige, alleenwonende Gijsbertus Boel in paniek de politiemeldkamer op. De gordijnen bij Boel waren al de hele dag gesloten gebleven en dat had hem verontrust. Aangezien hij een goede relatie had met Boel en zodoende ook over een sleutel van diens woning aan de Haring- pakkerstraat beschikte, had hij besloten binnen een kijkje te nemen. Al direct bij binnenkomst had hij tot zijn grote schrik gemerkt dat er iets gebeurd moest zijn. Overal in het huis waren bloedsporen te zien, de meeste in de wanordelijk uitziende slaapkamer. Het vreem- de was echter dat van Boel geen spoor viel te bekennen. Een aantal bloedsporen in de woning leidde de rechercheurs naar het luikje van een onopvallende kruipkelder in de keuken. Dat keldertje werd nor- maliter gebruikt voor het opslaan van een kleine voorraad aardap- pelen. Toen de politiemannen het luikje hadden opgetild vonden zij het met een deken toegedekte lijk van Boel. De man was slechts ge- deeltelijk gekleed. Zijn keel was voor de helft doorgesneden en in de borststreek waren tal van messteken te zien. Boel was homofi el en het was bekend dat hij bij het Centraal Station in Rotterdam regelma- tig zwervende buitenlandse jongemannen oppikte en mee naar zijn woning nam. Het gebeurde ook wel, zo bleek uit ons onderzoek, dat hij zo’n knaap een of meer dagen in zijn woning liet verblijven. Bij ons onderzoek in de woning vonden wij twee dingen die ons op het spoor van de mogelijke dader zetten. Het eerste was een fotoalbum met daarin onder meer de pasfoto van een onbekende jongeman van kennelijk buitenlandse afkomst. Het tweede was een colafl es met een prachtige serie vingerafdrukken, die in ieder geval niet afkom- stig waren van Boel. Rechercheren met de pasfoto leverde uitein- delijk langs een wel heel bijzondere weg succes op. De fi guur op de foto droeg namelijk op zijn linkerrevers een speldje, dat op de foto niet groter was dan een speldenknop. Toen onze technische recher- che die ‘speldenknop’ had uitvergroot, werden een vaag symbool en een voor ons niet te ontcijferen Turkse randtekst zichtbaar. Met een uitvergroting van dat speldje togen rechercheurs van het team naar de Rotterdamse weekmarkt, waarbij zij een speciaal oog hadden voor Turkse mannen met een soortgelijk reversspeldje. Zo iemand hebben zij inderdaad gevonden. De man stond het speldje bereidwil- lig aan ons af, waarna op het laboratorium bleek dat het inderdaad om een identiek speldje ging. Aangezien uit het verdere onderzoek bleek dat het speldje een insigne was van een arbeiderscoöperatie uit

de Turkse landstreek Yozgat, speurden wij verder in Rotterdam en
omgeving naar daar wonende Turken uit dat gebied. Dat bracht ons uiteindelijk bij de identiteit van de knaap op de pasfoto. Het bleek te gaan om een twintigjarige Turk. Verdere recherche in België en Duitsland leidde ten slotte tot zijn aanhouding. De man ontkende aanvankelijk in alle toonaarden ooit in de woning van Boel te zijn geweest. Pech voor hem, maar de vingerafdrukken op de colafl es waren stuk voor stuk de zijne. Afgezien daarvan, beschikten wij ook nog over voldoende aanvullend ander bewijsmateriaal. Uiteindelijk heeft die jongeman dan ook bekend en is hij veroordeeld. Lijken in de kast
Alsof het niet op kon dat jaar, bleek zich in oktober 1975 nog een geval van ‘lijk in de kast’ te hebben voorgedaan. Die werd echter pas drie maanden later, op 14 januari 1976, ontdekt. Een en ander speelde zich af in een woning aan het Burgemeester Hoffmanplein in Rotterdam. Een daar samenwonend jong stel leefde al geruime tijd in onmin met elkaar. Op zeker moment kregen de buren wel de indruk dat de vrouw, de 23-jarige Hélène Weekers, was verdwenen, maar men zocht daar verder niets achter. De man knoopte intussen een relatie aan met een nieuwe vriendin, die bij hem kwam inwonen. Hij weigerde haar echter consequent de toegang tot een bepaalde kamer. Ook omdat hij voortdurend tegenstrijdige verhalen vertelde over zijn ‘weggelopen’ vrouw, kreeg deze nieuwe vriendin argwaan. Uiteindelijk waarschuwde zij daarom de politie. ‘U weet zeker wel waarvoor wij komen,’ zeiden de rechercheurs nadat zij bij de man hadden aangebeld. Die bevestigde dat grif en leidde de rechercheurs vervolgens naar een kast, waarin zijn dode vriendin bleek te zijn verborgen. Bij verder onderzoek bleek dat Hélène op 6 oktober door haar vriend met messteken was vermoord. Daarna had hij het lijk in een deken gewikkeld en vervolgens in een kast in de ‘verboden kamer’ gedeponeerd. De weerzinwekkende stank had hij steeds verdreven met een combinatie van luchtverfrissers en wierook. Op de vraag waarom hij het lijk in de kast had gestopt, verklaarde de dader: ‘Omdat ik haar bij mij wilde houden.’ Ten aanzien van het motief voor zijn daad verklaarde hij dat hij zijn vriendin ervan had verdacht lesbisch te zijn. Hij was zodoende bang geweest dat zij omgang had met een vrouw.
Het lijk van de 45-jarige Belg Victor de Moor had ‘slechts’ elf da- gen, gewikkeld in een deken, in een kast gelegen toen het op 19 april

1978 bij toeval werd ontdekt. De kamerverhuurder van het pand
aan de Joost van Geelstraat in Rotterdam, waar enkele zwervers onderdak vonden, had aan iemand opdracht gegeven een kast op de derde etage te verwijderen. Toen die man de kast openmaakte rolde daar het gedeeltelijk ontklede lijk van De Moor uit. Hij bleek door steekwonden aan de hals om het leven te zijn gebracht. Ons onder- zoek leidde algauw in de richting van twee zwervers, een Belg en een Luxemburger. Zij werden aangehouden en bekenden dat ze De Moor na een ordinaire nachtelijke ruzie over geluidsoverlast hadden vermoord en in de kast hadden verstopt.
De langste tijd dat het slachtoffer van een moord tijdens mijn recherchejaren in een kast heeft gelegen, bedraagt ongeveer negen maanden. De 49-jarige Maria Telder, een vrouw van net ander- halve meter groot, werd eind mei 1978 in haar woning aan de Kem- penaerstraat door een zogenaamde klusjesman met een elektrici- teitssnoer gewurgd. De 28-jarige klusjesman wikkelde het lijk van de vrouw in lappen en vervolgens in een grote plastic zak, waarna hij haar in de meterkast stopte. De dader was aanvankelijk van plan geweest het dode lichaam onder de woning te begraven. Hij had daartoe reeds vergevorderde maatregelen getroffen. Zo had hij in de kruipkelder een gat gegraven van ruim anderhalve meter lang en twee meter diep. Om onduidelijk gebleven redenen liet hij het lijk uiteindelijk toch maar in de meterkast liggen. Uiteraard kwamen er na verloop van tijd bij de politie klachten binnen over stankoverlast. Tijdens de verdwijning is de politie tot twee keer toe, respectievelijk in juni en oktober 1978 in de woning geweest, maar de agenten vonden daar anders dan een ‘bevuild toilet’ dat naast de bewuste kast was gelegen, niets ‘verdachts’. Toen uiteindelijk een broer van het slachtoffer in maart 1979 aangifte deed van vermis- sing, werd het slachtoffer in de meterkast gevonden. Het motief voor de moord lag volgens de klusjesman in de sfeer van een ruzie over de betaling van een door hem uitgevoerde verbouwing aan de woning. De vrouw zou gedreigd hebben hem bij sociale zaken aan te geven wegens ‘zwart werken’. Ons onderzoek wees echter on- der meer uit dat de reeds tal van keren wegens vermogensdelicten veroordeelde klusjesman het slachtoffer voor een groot bedrag had ‘getild’, door het innen van door haar reeds ondertekende blanco girobetaalkaarten. Na zijn daad was hij door Europa op zwerftocht gegaan.

moord op een kind
Het graf van zo’n peuter
Het door de dader verbergen of het zich ontdoen van het lijk van een vermoord kind, vormt wel een hoofdstuk apart. Enkele voorbeel- den. In 1958 hield de recherche van het bureau Sandelingplein een op Rotterdam-Zuid wonende man aan in verband met de moord op zijn pasgeboren baby. De man verklaarde tot zijn daad te zijn overgegaan omdat het kind thuis als ‘een last’ werd beschouwd en derhalve ‘ongewenst’ was. Hij had het dode kind gewoon in zijn woning verborgen. Bij huiszoeking vonden de rechercheurs op de vliering van zijn woning de skeletten van nog drie pasgeboren ba- by’s. Zij bleken door dezelfde man in de periode 1951-1956 door verstikking om het leven te zijn gebracht. Ook zijn echtgenote werd aangehouden.
Op tweede kerstdag in 1959 werd de wijk Spangen opgeschrikt door de moord op de twaalfjarige Jantje Uytenbogerd. Het ventje werd, gedeeltelijk bedekt door een laag zand, vermoord gevonden onder een viaduct in de Spaanse polder. De dader, een 21-jarige man uit Spangen, wilde op een stil plaatsje achter een school aan de Laanslootseweg ontucht met het kind plegen, maar dat bleek daar helemaal niet van gediend te zijn. Uit angst voor ontdekking heeft hij de jongen vervolgens gewurgd en hem daarna in een sloot achter die school gedeponeerd. Thuisgekomen is de dader toch wat onge- rust geworden over een mogelijke snelle ontdekking van de moord. Hij fi etste terug naar de sloot, haalde de jongen eruit en vervoerde hem achter op de bagagedrager naar het in aanbouw zijnde viaduct in Spaanse polder. Via een buurtonderzoek kon de dader reeds een dag na de moord worden aanhouden. Wat de dader niet had be- merkt, ontdekten wij op de ochtend na de moord. Toen hij het kind achter op de bagagedrager van zijn fi ets vervoerde, is hij daarmee langs de witgeverfde, houten wanden van de school gelopen. Daar- bij hebben de voeten en/of benen van het slachtoffer een langgerekt modderspoor op die wand achtergelaten.
In
1961 trachtte een 39-jarige kappersbediende ontucht te ple- gen met de achtjarige Marcel Nivard, die zich daartegen hevig verzette. Een en ander speelde zich af in de kruipkelder van een kapperszaak aan de Beukelsweg in Rotterdam. De kappersbedien- de slaagde erin het kind met een smoesje in zijn auto te krijgen, waarna hij met hem naar Amsterdam reed. Dat hij het kind uit

angst voor ontdekking van de ontuchtpoging zou vermoorden,
stond toen reeds bij hem vast. Zijn oorspronkelijke voornemen het (toen nog levende) kind op de terugweg richting Rotterdam ergens op de Rijksweg uit de rijdende auto te gooien, liet hij uit- eindelijk varen. Ongeveer een uur later – het was inmiddels rond middernacht – wurgde hij het ventje met een sjaal en deponeerde hij het lichaam in een sloot onder de gemeente Bergschenhoek. De volgende avond keerde hij nog een keer terug naar die plaats. Hij was namelijk bang geworden dat zijn vingerafdrukken mo- gelijk op de knoopjes van het bloesje van zijn slachtoffer zouden staan. Nadat hij het ventje uit de sloot had getrokken, rukte hij de vier knoopjes van het bloesje, waarna hij het lichaam weer in het water liet glijden. Na zijn arrestatie hebben wij opnieuw de moord onderzocht die in 1948 op zijn buurjongen was gepleegd, de tienjarige Keesje Vermeulen. (Voor deze moord was in 1949 iemand veroordeeld, maar naar mijn persoonlijk oordeel berustte dit vonnis op een valse bekentenis en rammelend bewijsmateriaal.) Hoe het ook zij, de moordenaar van Keesje Vermeulen heeft het kind na de moord in een jutezak gestopt en het lichaam in de Schie gedeponeerd. Daar is het ongeveer veertien dagen later opgevist. De moordenaar van Marcel Nivard werkte ten tijde van de moord op Keesje Vermeulen in een kapperszaak aan de Mathenesserweg, op slechts tachtig meter van de walkant van de Schie. De plaats waar de jutezak met het lijkje werd opgevist, ligt enkele tiental- len meters verder. Ondanks intensief onderzoek en het uitgebreide verhoor dat ik hem heb afgenomen, heeft de kappersbediende deze moord nimmer toegegeven. Voor de moord op Marcel Nivard werd hij veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf plus tbs. De twaalfjarige Anita Pothuis, die begin februari 1972 in de buurt van het Noordplein spoorloos verdween, werd op 19 maart van dat jaar dood aangetroffen in een veenplas in Laag Zestienhoven. Zij bleek te zijn vermoord. Haar moordenaar hebben wij helaas nim- mer gevonden.
Bijzonder triest ten slotte heb ik ook altijd de in oktober 1986 ge- pleegde laffe moord op de driejarige Anouska Grishaver gevonden. Zij werd door de dader – een vriend van de moeder van het kind – begraven in het park nabij de Euromast. De aanblik van het graf van zo’n peuter blijft je nog lang bij.

moord op een politieman
In 1985 deed zich een voor het Rotterdamse politiekorps bijzonder dramatische gebeurtenis voor. Op 2 februari namelijk werd hoofd- agent Willem Schepen (25), zoon van een (Rotterdams) politieman en zelf ook politieman in hart en nieren, tijdens de uitoefening van zijn functie in de nachtelijke uren op lafhartige wijze door een roof- overvaller doodgeschoten. Politiechauffeur A. Kouwenberg werd bij die gelegenheid door schotwonden zwaargewond. Het tweetal was door drie criminelen, die even tevoren een illegale gokclub hadden overvallen, in een hinderlaag gelokt. Een van de overvallers vuurde vervolgens met een Duits machinepistool 26 kogels, kaliber 9 mm, af op de beide politiemannen. Drie daarvan troffen Willem Schepen. De drie daders konden later die nacht door een arrestatieteam wor- den aangehouden.
De verslagenheid in het Rotterdamse korps was enorm. In de ruim honderd jaar daarvoor, de oorlogsjaren buiten beschouwing gelaten, was in de Maasstad twee keer eerder een politieman dood- geschoten, respectievelijk in 1892 (agent R. van den Berg) en 1919 (rechercheur Y. de Vries). Willem Schepen werd op 7 februari onder overweldigende belangstelling van politiemensen uit het hele land gecremeerd. Politiechauffeur Kouwenberg is langzaam maar zeker van zijn verwondingen hersteld.
internationaal terrorisme
activiteiten van een ex-cia-agent in de rotterdamse haven
C-4 springstof
Vlak voor Kerstmis 1982 werd ik door de fbi-liaison verbonden aan de Amerikaanse ambassade in Bonn, opgebeld met een gedetail- leerd verhaal over illegale explosieven die zouden zijn opgeslagen in de kantoorruimte van het expeditiebedrijf Whestship aan de IJs- selstraat in Rotterdam. Het zou gaan om tenminste één drum met een inhoudsmaat van vijf gallon (ongeveer twintig liter) dat gevuld zou zijn met zeer krachtige Amerikaanse militaire springstof, be- kend onder de naam c-4. Die drum zou te vinden zijn in een kast op de bovenste etage van het bedrijfspand, aldus de fbi.


De
fbi-agent beschikte over nog meer informatie. Niet alleen noemde hij de naam van de directeur van het bewuste expeditie- bedrijf, de in België wonende Duitser Wilfried Hagemann (naam gefi ngeerd, jab), maar hij wist ook te melden dat de springstof tot voor enkele dagen geleden nog in het bedrijfspand aanwezig was en dat het binnenkort zou worden opgehaald door een Amerikaan genaamd John Heath. Deze Heath zou op zijn beurt weer handelen in opdracht van een andere Amerikaan, de ex-cia-agent Edwin Paul Wilson. De in het pand aan de IJsselstraat liggende c-4 zou deel uitmaken van een veel grotere partij van deze springstof, die door Wilson vanuit de Verenigde Staten naar Libië was gesmokkeld. Li- bië zou deze explosieven gebruiken voor terroristische acties, aldus de informatie die ik van de fbi kreeg. Toen wij nog diezelfde dag, samen met de Explosieven Opruimings Dienst (eod), het bewuste expeditiebedrijf doorzochten, vonden wij in een als slaapkamer ingerichte ruimte drie zwarte, vrij roestige drums. Eén ervan was gevuld met een onbekende harde witte substantie, de beide andere drums waren leeg. Deze drums waren voorzien van het etiket ‘Dril- ling Mud’ (een vette substantie die gebruikt wordt bij boringen). In een afgesloten kast op de eerste etage vonden wij voorts vier plastic Rotterdam (december 1982), de drie door ons in beslag genomen
drums met explosieven uit de Wilson-affaire

containers met het opschrift ‘Structuurverf’. Deze containers waren
voorzien van etiketten met de aanduiding ‘brandgevaarlijk’. De drie drums werden voor nader onderzoek overgedragen aan het Gerech- telijk Laboratorium. In eerste instantie kon echter van aanwezigheid van springstof niet blijken. De vaste massa uit de gevulde drum was zeker geen explosieve substantie, aldus het Laboratorium. Bij een verder analytisch onderzoek van een aan de rand van de drums kle- vende substantie werden echter wel sporen van rdx aangetroffen. rdx is het hoofdbestanddeel van de springstof c-4. Een eerste onder- zoek aan de plastic containers leverde al evenmin aanwijzingen op voor de aanwezigheid van springstof. De inhoud leek overeen te ko- men met het etiket ‘structuurverf’. Niettemin namen wij het zekere voor het onzekere en droegen wij ook deze verfcontainers over aan het Gerechtelijk Laboratorium. De uitslag van het laboratorium- onderzoek was verrassend. Onder een laag van enkele centimeters structuurverf bleken namelijk alle vier containers gevuld te zijn met c-4 springstof. Het ging hierbij om in totaal 46,9 kilogram. Genoeg om het hoofdbureau van politie in Rotterdam op te blazen. Daar hadden die containers, die ik in de kofferbak van mijn dienstauto had vervoerd, in verband met de komende feestdagen enkele dagen in een kast op mijn kamer gelegen. In een douaneloods onder de kantoorruimte van het expeditiebedrijf vonden wij restanten van in- frarood nachtkijkers (zogenaamde nightvision equipment-housing) en vier kisten met vliegtuigonderdelen, naar later bleek voor een c.130 Amerikaans transportvliegtuig. Al deze spullen bleken daar in transito te liggen voor een zekere Alex Raffi o, ook een Amerikaan, en kompaan van Ed Wilson, die directeur was van een bv onder de naam ‘Moor Industrie’. Het eerste verhoor van Hagemann leverde weinig aanknopingspunten op. Volgens hem waren de drums en- kele jaren geleden door Raffi o in het bedrijspand geplaatst. Dat- zelfde gold volgens hem voor de plastic containers met muurverf. Van explosieven was hem echter niets bekend. In het kantoor van Hagemann vonden wij een dossier waarin de luchtvrachtbrief plus de rekening van een expeditiebedrijf dat de drums ‘drilling mud’ had ingeklaard, waren opgeborgen. Uit deze documenten bleek dat de drie drums met een bruto gewicht van negentig kilogram op 11 oktober 1979 per vliegtuig vanuit Tripoli naar Amsterdam waren verzonden en vervolgens via een expediteur naar de IJsselstraat in Rotterdam. In het dossier zat ook een rekening voor de gemaakte transportkosten, gericht aan een bedrijf in Egypte. Dat die rekening ook was betaald, kon niet blijken. Later zou vast komen te staan

dat, behoudens de luchtvrachtbrief, deze documenten vals waren.
De plastic containers structuurverf bleken te zijn gekocht bij een Rotterdamse grootwinkelbedrijf.
Een godsgeschenk
Om in deze zaak enig bewijs te krijgen tegen Hagemann, dienden wij het onderzoek in de Verenigde Staten voort te zetten. Het ging mij daarbij om drie dingen: het uitwisselen van de nodige achter- grondinformatie met de fbi en de Amerikaanse Justitie, een uitge- breid verhoor van Raffi o, Heath en andere betrokkenen, onder wie natuurlijk Ed Wilson, en ten slotte bestudering en zo mogelijk kopi- eren van de door de verschillende Amerikaanse Diensten in beslag genomen documenten. Ik had intussen van de fbi bericht gekre- gen dat Ed Wilson begin februari 1982 in Houston, Texas, terecht moest staan wegens illegale uitvoer van de twintig ton c-4 springstof naar Libië. Tegelijkertijd kreeg ik het verzoek om in verband met de bewijsvoering in Houston de rechercheur die de drie drums in be- slag had genomen, als getuige naar de rechtszitting te laten komen. Ook verzocht de fbi mij een van die drums ter beschikking te willen stellen van de justitie in Houston. Aangezien alle hoofdrolspelers van deze C-affaire op de rechtszitting in Houston aanwezig zouden zijn, leek dit een uitstekende gelegenheid om het een met het an- der te combineren. Bovendien konden wij op de aanstaande zitting in Houston ook nog wat anders inbrengen, namelijk een door de Technische Recherche in samenspraak met de eod gemaakt video- fi lmpje over de uitwerking van een hoeveelheid van tien kilogram c-4 springstof.
n.b. In een later stadium van het onderzoek heeft de eod op mijn verzoek nog meer experimenten met de c-4 springstof uitge- voerd. Bij een sloperij had ik daartoe drie sloopauto’s laten kopen en naar een militair terrein ergens op de Veluwe laten vervoeren. Met uiteenlopende hoeveelheden c-4 onder de motorkap blies de eod deze voertuigen op. Het is ongelofelijk hoe weinig er nog van zo’n auto overblijft wanneer een hoeveelheid c-4 ter grootte van een sneeuwbal onder de motorkap tot ontploffi ng wordt gebracht. Ook van al deze experimenten heeft de Technische Recherche vi- deo-opnamen en foto’s gemaakt. Bij deze experimenten waren ook springstofdeskundigen van het Amerikaanse leger in Duitsland aanwezig.

Enkele dagen voor aanvang van de rechtszitting ben ik met recher-
cheur Gerrit de Vlieg – een rechercheur om mee op karwei te gaan – naar Houston gevlogen. Een van de in beslag genomen drums die onder ons toezicht (een juridisch-formele stap in verband met de be- wijskracht) in de laadruimte van een klm-toestel was geplaatst, heb- ben wij direct na aankomst op het vliegveld van Houston overgedra- gen aan ‘special agent’ Dick Pedersen van het United States Treasury Department. Hij had het onderzoek tegen Wilson inzake de smokkel van de c-4 geleid. Zo doorgeroest als die drum was, zo zichtbaar blij was Pedersen met dit ‘godsgeschenk’. Het was namelijk het enige exemplaar van de in totaal uit 865 drums bestaande partij waarin de twintig ton c-4 was verpakt, dat hij als hard bewijsmiddel na een moeizaam verlopen onderzoek aan de jury kon tonen. Wij hebben het proces tegen Ed Wilson bijgewoond. Gerrit de Vlieg heeft op voortreffelijke wijze zijn bevindingen tegenover de rechter en de jury afgelegd, waarna wij volop in de gelegenheid werden gesteld, eerst in Houston en daarna in Washington, in totaal vijf betrokkenen uit de Wilson-organisatie, onder wie Alex Raffi o en John Heath, te verhoren. Ook hadden wij in Washington uitvoerige gesprekken met de federale offi cier van justitie Larry Barcella, die de langdurige jacht op de voortvluchtige Ed Wilson had geleid. Een gesprek met de secretaresse (tevens ex-lover) van Ed Wilson, Roberta ‘Bobbie’ Barns (bijnaam: B.B.) in Alexandria leverde nuttige informatie op ten aanzien van de relatie Wilson-Hagemann. Het uitwisselen van de nodige ‘intelligence’ met de verschillende opsporingsdiensten ten slotte, liep op rolletjes. Alleen mijn verzoek om ook Ed Wilson te mogen verhoren, bleek wat al te optimistisch gedacht. De justitie in Houston liet mij weten dat Wilson met geen enkele politie-instantie wenste te praten. Daar zal hij ongetwijfeld wel een goede reden voor hebben gehad, troostte ik mezelf op dat moment. Libische ambassade
Uit de uitgebreide verhoren die ik samen met Gerrit de Vlieg in res- pectievelijk Houston en Washington heb uitgevoerd en uit de in Amerika van de fbi en U.S. Treasury Department verkregen verdere informatie, ontstond uiteindelijk met betrekking tot de c-4 spring- stofaffaire het volgende totaalbeeld. In oktober 1977 heeft Wilson vanuit Houston de in totaal ruim twintig ton c-4-explosieven onder de benaming ‘drilling mud’ per chartervliegtuig via Lissabon naar Tripoli gesmokkeld. Elke drum had een inhoud van ongeveer 25 ki-

logram c-4, afgedekt met een laag ‘drilling mud’. Een deel van deze
explosieven was ter beschikking gekomen van Amerikanen, onder wie John Heath, die in Libië voor Wilson werkten en die Libische militairen trainden in het omgaan met explosieven, onder meer het maken van zogenaamde boobytraps. De gemiddelde prijs van de c-4 bedroeg 5 dollar per pond. Deze hele transactie had Wilson zodoen- de een bedrag van ongeveer 300.000 dollar opgeleverd. In oktober 1979 werden drie van deze c-4 drums afgeleverd aan de IJsselstraat in Rotterdam. Een en ander was het resultaat van een enkele dagen tevoren op Schiphol gevoerde bespreking tussen Wilson en Hage- mann. Tijdens deze bespreking was tussen beiden overeengekomen dat Hagemann voor zijn bemoeienis 35.000 dollar zou krijgen, te weten 5.000 dollar voor het in ontvangst nemen van de drie drums en 30.000 dollar voor het opslaan en de latere afl evering van de springstof. Wilson had namelijk aan Hagemann gezegd dat elk van de drie drums een afzonderlijke bestemming zou krijgen. Welke dat precies waren, heeft Wilson toen echter niet verteld. Omstreeks april 1980 heeft John Heath, alias Tim Stirling, (bijnaam: Silver Fox) van Wilson opdracht gekregen één van de drie drums zodanig om te pakken, dat de explosieven ongehinderd door de douane konden worden gesmokkeld. Heath is hierop vanuit België naar Rotterdam gereisd en heeft toen één van de drums omgepakt in twee grote, door Hagemann geleverde verfblikken. De bovenlaag van de c-4 werd door Heath ruim afgedekt met witte muurverf. Daarna zijn deze bei- de verfblikken voorlopig opgeborgen in een kast op de tweede etage van het expeditiebedrijf van Hagemann. Enkele weken later kreeg John Heath opdracht van Wilson om naar Londen te gaan, zijn in- trek te nemen in een bepaald hotel en te wachten op Hagemann, die de beide blikken met c-4 aan hem zou overhandigen. Hagemann arriveerde een dag later per auto via Hoek van Holland in Londen. De twee blikken met springstof die in de kofferbak van zijn auto lagen, zijn vervolgens ergens op een rendez-vous in Londen door Heath overgenomen en in diens auto geplaatst. Heath verklaarde ons dat hij bij die gelegenheid een envelop met 10.000 dollar aan Hagemann heeft gegeven. Hagemann heeft ons later verklaard dat hij bij die overdracht slechts 5.000 dollar had ontvangen. Hoe het ook zij, John Heath heeft vervolgens op zijn beurt de beide blik- ken overgedragen aan een onbekende, Arabisch uitziende fi guur die, naar Ed Wilson hem had gezegd, in een bepaalde bar contact met hem zou maken. Heath is na het tot stand komen van dit contact met zijn auto achter de ‘Arabier’ aan gereden naar een bepaald ge-

bouw. Na aankomst daar hebben zij de blikken in de hal van dat
gebouw gedeponeerd. Volgens Heath ging het hierbij vermoedelijk om de Libische ambassade in Londen. De beide andere drums zijn in het pand aan de IJsselstraat bewaard gebleven. In de zomer van 1981 heeft Heath deze drums op verzoek van Wilson ook omge- pakt, omdat ze begonnen door te roesten. De c-4 is toen door hem in de vier plastic containers ‘muurverf’ gestopt. Omtrent de uitein- delijk beoogde bestemming van dit restant c-4 (49,6 kilogram) heeft Wilson aan Raffi o noch aan Heath ooit iets verteld. Verhalen over de plo hadden zij van ‘horen zeggen’. Vanaf 1980 is er voortdurend geruzied tussen Hagemann en Wilson over de betaling van door Ha- gemann verleende ‘diensten’. De communicatie in dit verband ver- liep meestal via de telex van een in Londen onder de naam Brilhurst gevestigd kantoor van Wilson.
Interessante documenten
Voor wat hoort wat, heeft special agent Dick Pedersen wellicht ge- dacht toen hij ons op een ochtend met zijn auto van het hotel af- haalde en naar de rechtbank in Houston reed. Hij overhandigde mij een grote enveloppe met daarin een aantal documenten. ‘Doe er straks in Nederland je voordeel maar mee, wij hebben ze voor onze zaak niet nodig,’ zei hij. ‘De stukken zijn afkomstig van Ed- ward Coughlin, een Amerikaanse advocaat die vanuit zijn kantoor in Genève, Zwitserland, de fi nanciële belangen van Ed Wilson be- hartigde. Coughlin is ook hier, en als je over een van de documenten wat meer wilt weten, regel ik dat je vrij met hem kunt praten.’ Toen ik ’s avonds op mijn hotelkamer samen met Gerrit de Vlieg de do- cumenten bestudeerde, bleek het bij één van de stukken te gaan om een, op zijn zachtst gezegd, keiharde drang van Hagemann om Ed Wilson te dwingen fi nancieel over de brug te komen. Het ongeda- teerde en niet-ondertekende document, dat uit twee A-viertjes be- stond, vermeldde met betrekking tot de achternamen van de daarin voorkomende personen alleen de voorletters. De rest van de letters was steeds kennelijk gewist. In het document werd uit de doeken gedaan dat de totale schuld van de verschillende ‘Wilson-fi rms’ aan Hagemann 60.000 dollar bedroeg. Verder was er nog een afzonder- lijke schuld van 35.000 dollar van Wilson aan Hagemann. Voorge- steld werd het totaal van 95.000 dollar te laten wegvallen tegen een vliegtuig van Wilson, een Beechcraft Baron ter waarde van 90.000 dollar. In het memo werd verder losjes opgemerkt dat bewijsstukken

van bepaalde ‘business’ voorhanden waren en dat bepaalde Ameri-
kaanse nieuwsmedia voor het verhaal van Hagemann grote sommen hadden geboden, ‘die ver uitgaan boven het te vorderen bedrag’. Met deze ‘linkerschoen’ werd ook de ‘rechterschoen’ gepost, dat wil zeggen de gedetailleerde rekeningen met betrekking tot boven- genoemde posten, die namelijk ook bij de stukken zaten die ik van Dick Perdersen had gekregen. Aan de hand van het postbusnummer van de afzender konden we vrij gemakkelijk vaststellen dat dit van Hagemann was geweest. In Houston heb ik ook een uitvoerig ge- sprek gevoerd met Ed Coughlin, die er geen enkele moeite mee had om al deze documenten aan mij af te staan. Wat hij over Hagemann wist te vertellen, heeft hij bovendien zelf nog eens op papier gezet. Reeds de volgende ochtend overhandigde zijn advocaat, George P. Lamb, mij dat door een notaris gewaarmerkte, uit drie pagina’s be- staande document.
De dodenlijst van Ed Wilson
Een van de fi guren uit de Wilson-organisatie met wie ik in Houston ook uitgebreid heb gesproken, was de veertigjarige Reginald Slo- combe. Ook hij was daar als getuige in het proces tegen Ed Wilson. Anders dan zijn bijnaam ‘R-man’ (vanwege zijn Religieuze ach- tergrond) doet vermoeden, maakte hij op mij de indruk van een doldrieste avonturier uit de Wilson-organisatie. Slocombe had over twee zaken tegen Ed Wilson getuigd, namelijk de C-4-smokkel van Houston naar Libië en twee zaken van vuurwapensmokkel. Voor dat laatste was Wilson in november 1982 door een rechtbank in Boston veroordeeld tot vijftien jaar gevangenisstraf. Die twee vuur- wapenzaken interesseerden mij daarom, omdat bij de smokkel ook het Rotterdamse vliegveld Zestienhoven en Schiphol een doorgangs- rol hadden gespeeld. De eerste vuurwapenklus was volgens Slocom- be als volgt in zijn werk gegaan. In 1979 had hij op verzoek van Ed Wilson vier vuistvuurwapens, verstopt in een met allerlei materiaal gevulde en van een metalen afsluitband voorziene gereedschapskist, per vliegtuig vanuit Washington naar Londen gesmokkeld. In Lon- den was hij vervolgens overgestapt op een City Hopper naar Rot- terdam. Op Zestienhoven aangekomen was hij ongehinderd door de douane gewandeld, waarna hij bij de terminal per auto was afge- haald door een ander lid van de Wilson-organisatie, Pete Goulding, een ex-offi cier uit het Amerikaanse leger. Nadat de gereedschapskist met de vuurwapens in de kofferruimte van de auto was gestopt, was

het tweetal regelrecht naar Bonn gereden. Om bij de Nederlands-
Duitse grens niet in de problemen te komen had Slocombe onder- weg de vuurwapens uit de gereedschapskist gehaald en onder de achterbank van de auto verborgen. De opdracht die hij van Wilson had gekregen, luidde dat hij in Bonn naar het centraal station moest gaan, waar hij ’s avonds rond elf uur een Libiër zou ontmoeten. Slocombe had na introductie van Wilson in Tripoli reeds kennisge- maakt met deze fi guur, die naar zijn mening tot de Libische geheime dienst behoorde. De Libiër die de vuurwapens van hem zou overne- men, bleek inderdaad op het afgesproken tijdstip op het station te zijn. Hij verzocht Slocombe achter hem aan te rijden, terwijl Goul- ding op het station moest wachten. In een stille straat vlak bij de Libische ambassade had hij de vier vuurwapens vervolgens aan de Libiër overhandigd. De tweede missie die Slocombe datzelfde jaar op verzoek van Wilson had ondernomen, was wat ingewikkelder geweest, maar uiteindelijk toch gelukt. Het ging erom ten behoeve van de Libiërs een Amerikaans M-16 geweer op de kop te tikken. Nadat hij eerst tevergeefs had geprobeerd een dergelijk, toen zeer modern, geweer te bemachtigen, was hij er uiteindelijk in geslaagd tegen betaling van $ 10.000, in Amerika een exemplaar te ‘organi- seren’. Hij stopte dit vuurwapen in een stevige langwerpige reistas, die hij opvulde met onder meer allerlei langwerpige metalen buizen. Op J.F. Kennedy Airport in New York bood hij deze reistas zonder problemen bij de klm-balie als check-in bagage aan. Een uur of wat later vloog hij met een 747 Jumbo Jet naar Amsterdam. Ed Wilson, die met een eigen vliegtuig vanuit Genève op Schiphol was geland, nam daar de reistas van Slocombe over, om er via Zwitserland mee naar Tripoli te vliegen. Reginald Slocombe vloog diezelfde dag nog terug naar New York, met dezelfde Jumbo Jet en in dezelfde stoel, zo vertelde hij met een grijnslach. Toen Ed Wilson in februari 1983 in Houston wegens de c-4-affaire tot zeventien jaar gevangenisstraf werd veroordeeld, zat hij reeds de in november 1982 aan hem opge- legde gevangenisstraf uit van vijftien jaar wegens de met behulp van Reg Slocombe gepleegde smokkel van vuurwapens naar Libië. Slo- combe werd immuniteit verleend vanwege zijn getuigenis tegen Wil- son. Ed Wilson had in verband met het komende proces in Houston inmiddels in de gevangenis een dodenlijst (hitlist) opgesteld van per- sonen die hij tijdig, dat wil zeggen vóór aanvang van dat proces, uit de weg wilde laten ruimen. Op die hitlijst stond als nummer één of- fi cier van justitie Larry Barcella en voorts Alex Raffi o, John Heath, Reginald Slocombe en Ed Coughlin. Via een medegevangene stelde

Wilson alles in het werk om tegen grof geld een ‘hitman’ in te huren.
Deze medegevangene was echter ook een informant van de politie. Toen Wilson op zekere dag zijn twintigjarige zoon had ingeschakeld om aan deze fi guur een ‘voorschot’ van $ 10.000 te overhandigen, bleek de ingehuurde ‘hitman’, een fbi-undercover agent te zijn. In november 1983 kreeg Wilson vervolgens in New York nog eens 25 jaar gevangenisstraf wegens poging tot moord op in totaal acht mensen.
Hagemann veroordeeld
Wij hadden in Amerika genoeg bewijsmateriaal verzameld om reeds binnen een week na onze terugkomst Hagemann te kunnen arresteren. Na eindeloos gechicaneer gaf deze fi guur het vervoer door hem van de C-4 springstof naar Londen uiteindelijk toe. Bij de huiszoeking door de Gerechtelijke Politie van Antwerpen in zijn Belgische woonplaats waren de Rotterdamse offi cier van justitie mr. H.A. van Brummen en ik aanwezig. Onder de in zijn woning in beslag genomen documenten was een indrukwekkende bestellijst van in totaal veertien afzonderlijke posten vuurwapens en munitie. Toen Hagemann daar later over werd gehoord, verklaarde hij dat Slocombe dan wel Heath of iemand anders uit de Wilson-orga- nisatie hem had gevraagd de posten 1 en 4 van de bestellijst te verzorgen: 5.000 M-16 geweren en vijf miljoen stuks bijbehorende munitie. Hagemann had echter, naar eigen zeggen, te kennen gege- ven dat hij niet in ‘dit soort zaken’ deed, en hen had verwezen naar een relatie van hem in Madrid. In oktober 1983 stond Hagemann terecht voor de Rotterdamse rechtbank terzake overtreding van de Vuurwapenwet. Offi cier van justitie mr. R.A.F. Gerding kwalifi - ceerdeHagemann in zijn requisitoir ‘(...) in de eerste plaats als een zakenman die er koel berekenend op uit was geweest om zo veel mogelijk geld te verdienen, zonder zich te bekommeren om de uit moreel en strafrechtelijk oogpunt afkeurenswaardige aspecten van z’n handelen.’ Hij eiste een gevangenisstraf van tweeënhalf jaar, onder de motivering dat bij hem het generaal preventieve aspect voorop staat: het moet naar buiten toe volstrekt duidelijk worden gemaakt dat Nederland deze activiteiten op haar grondgebied ab- soluut niet kan tolereren. Het verweer van Hagemann vertoonde een opvallende gelijkenis met dat van Wilson in Houston: de hele c-4-operatie naar Libië zou onder ‘dekking’ van de cia hebben plaatsgevonden. Met betrekking tot dit laatste zei mr. Gerding in

zijn requisitoir het volgende: ‘(...) Daarnaast staat vast, dat Edwin
P. Wilson al sedert 1971 niet meer voor de cia werkte en niet meer voor de Amerikaanse regering sedert 1976. De verklaring afgelegd door de Amerikaanse offi cier van justitie Barcella laat aan duide- lijkheid niets te wensen over. Bovendien is tijdens het proces tegen Wilson in Houston een en ander ook expliciet naar voren gebracht.’ Hagemann werd ten slotte in januari 1984 veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf.
n.b. Met zijn opmerkingen over respectievelijk de verklaring van Barcella en de procesgang in Houston, doelde mr. Gerding op twee verschillende documenten:
De door hem genoemde verklaring van offi cier van justitie Larry Barcella betrof een door een notaris gewaarmerkt stuk gedateerd 25 augustus 1983. Dat document hield, in essentie weergegeven, het volgende in: Wilson was van september 1955 tot en met febru- ari 1971 werkzaam geweest voor de cia. Vervolgens had hij tot 30 april 1976 een arbeidsverhouding gehad met een inlichtingen- dienst ressorterende onder het Amerikaanse ministerie van Defen- sie. Noch de administratie van de cia noch die van het ministerie van Defensie bevatte aanwijzingen dat Wilson na 30 april 1976 in enigerlei arbeidsverhouding had gestaan tot een van beide organi- saties. Ten slotte vermeldde dit document dat Wilson in juli 1981 tijdens een hem door Barcella in Rome, Italië, afgenomen verhoor onder meer had verklaard dat hij sedert 1971 niet meer werkzaam was geweest voor de cia en sedert april 1976 evenmin voor enige inlichtingendienst ressorterende onder het Amerikaanse ministe- rie van Defensie. De verwijzing van mr. Gerding naar de zitting in Houston sloeg op een op 4 februari 1983 op de zitting in Houston voorgelezen verklaring van de cia. Deze verklaring, ondertekend door de derde man in de top van de cia, executive director Charles A. Briggs, kwam in essentie neer op de twee volgende punten: 1. Edwin P. Wilson heeft op 28 februari 1971 zijn werkzaamheden voor de cia beëindigd en is sedertdien in geen enkele functie meer voor de cia werkzaam geweest. 2. Behoudens één uitzondering toen hij in 1972 werkzaam was voor de Inlichtingendienst van de Ma- rine, is aan Wilson ‘direct noch indirect, gevraagd of verzocht, enige dienst, direct noch indirect, voor de cia uit te voeren c.q. daarin te voorzien’.
Met name dit laatste document is voor de lezer van belang in verband met het vervolgverhaal in de Wilson-affaire anno 2003.

CIA-verklaring was vals
Toen ik om mijn geheugen op te frissen en vervolgens dit verhaal te kunnen schrijven, het onderzoeksdossier uit 1983 tegen Hagemann nog eens doorploegde, stuitte ik op het volgende. Na onze terug- komst uit Amerika in februari 1983 heb ik het proces-verbaal dat Gerrit de Vlieg en ik hadden opgemaakt met betrekking tot ons on- derzoek in Houston en Washington, naar de zaaksoffi cier mr. R.A.F. Gerding gezonden. In een begeleidende brief schreef ik toen dat nog enkele stukken zouden worden nagezonden, waaronder: ‘Een ver- klaring van de cia-leiding zoals die tijdens het proces tegen Wilson in Houston aan de jury is voorgelezen.’ Toen ik die verklaring, die mr. Gerding nodig had in verband met de komende rechtszitting tegen Hagemann, na een aantal maanden nog niet had ontvangen, heb ik daarover telefonisch contact opgenomen met de offi cier van justitie mr. Daniel K. Hedges in Houston. Op 2 augustus 1983 kreeg ik vervolgens een brief van hem, waarin het volgende stond vermeld: ‘Met betrekking tot de kwestie waarover wij onlangs telefonisch contact met elkaar hebben gehad, heb ik gesproken met mijn supe- rieuren van de afdeling Criminaliteit, van het ministerie van Justitie. Zij hebben mij opgedragen het materiaal dat u gevraagd hebt, niet aan u door te leiden. Ik betreur het u in deze kwestie niet van dienst te kunnen zijn.’ Alhoewel het op zichzelf genomen vreemd was dat ik de gevraagde cia-verklaring, die op een openbare rechtszitting was voorgelezen, niet kreeg, heb ik er destijds niets bijzonders ach- ter gezocht. Bovendien heb ik deze kwestie toen met medewerking van de fbi opgelost in de vorm van bovengenoemde schriftelijke verklaring van offi cier van justitie Barcella, die immers het opspo- ringsonderzoek tegen Wilson had geleid. Een en ander kwam ech- ter in een wel heel ander daglicht te staan toen ik in 2003 bij het schrijven van dit hoofdstuk van mijn memoires en onder het motto ‘niet geschoten altijd mis’, het internet afstruinde op de naam van ex-cia-agent Edward Paul Wilson. Zodoende kwam ik namelijk te- recht op een artikel in het Amerikaanse The National Law Journal van 12 juni 2000, onder de kop: ‘doj [Department of Justice] geeft valse informatie over ex-agent toe’. Het artikel komt er in grote lij- nen op neer dat de destijds bij de rechtbank in Houston aan de jury voorgelezen cia-verklaring valselijk zou zijn opgemaakt. Het fede- rale ministerie van Justitie zou, aldus het verhaal, inmiddels hebben toegegeven dit te hebben geweten, doch een en ander destijds voor de justitie in Houston verborgen te hebben gehouden. Wel zouden

de offi cieren van justitie in Houston binnen dagen na het einde van
de rechtszaak in 1983 gewaar zijn geworden dat het cia-document valselijk was opgemaakt. Zij zouden dit vervolgens jarenlang voor zowel Wilson als diens advocaten en hogerberoepsrechters verbor- gen hebben gehouden. Klap op de vuurpijl: het ministerie van Justi- tie in Washington zou intussen bij twee voorlopige verhoren door de rechtbank inmiddels hebben toegegeven dat functionarissen van de cia op een lager niveau onmiddellijk na de veroordeling van Wilson de betreffende offi cieren van justitie zouden hebben ingelicht over de valsheid van het stuk. De kwestie was door Ed Wilson in de herfst van 1999 bij de rechter in Houston aan het rollen gebracht, toen hij op basis van de Freedom of Information Act [Wet Openbaarheid van Bestuur] inzage kon krijgen in een groot aantal documenten, waartoe hij tot dan geen toegang had. In oktober 2003 heb ik aan de reeds eerder genoemde (voormalige) offi cier van justitie Daniel K. Hedges, thans advocaat in Houston, een e-mail gezonden met de vraag of hij het verhaal kon bevestigen dat de bewuste cia-verklaring vals was. Hij mailde prompt aan mij terug: ‘Uw informatie is globaal geno- men juist’. Het toeval wilde dat districtsrechter Lynn N. Hughes in Houston juist op de dag dat ik mijn e-mail aan Daniel Hedges zond, uitspraak (‘Ruling’) zou doen in het onderzoek dat zij de afgelopen jaren in deze kwestie had ingesteld. Die uitspraak d.d. 27 oktober 2003 en uitgebreid gemotiveerd in een document van 25 pagina’s, dat Daniel Hedges mij zonder commentaar mailde, liegt er niet om: de bewuste cia-verklaring was vals, de veroordeling van Edwin P. Wilson in de c-4 springstofaffaire wordt terzijde geschoven. Uit de uitspraak blijkt dat Wilson in 1974 en 1975 in vijf aange- legenheden werkzaam was geweest voor de cia, waaronder ‘Handel met Libië in wapens of explosieven tegen hoogwaardige Sovjet mi- litaire uitrusting – zoals mig-25 jachtvliegtuigen, tanks, raketten en oceaanmijnen.’
n.b. De laatste passage uit de conclusie van rechter Hughes luidt als volgt:
‘(...) America did not defeat the Axis because it locked up Japa- nese Americans. America did not defeat the Sovjet Union because it tried to lock up its philosophic fellow-travellers here. America wil not defeat Libyan terrorism by double-crossing a part-time, infor- mal governement agent.
The Governement’s preparation, presentations and preservation of false evidence are not the process that is due from the gover- nement. As Justice Sutherland observed, while a prosecutor “may

strike hard blows, he is not at liberty to strike foul ones. It is as
much his duty to refrain from improper methods calculated to pro- duce a wrongful conviction as it is to use every legitimate means to bring about a just one.” Berger v. United States, 295 U.S. 78,88 (1935) (George Sutherland). The Governement has no legitimate
interest in buying or presenting false evidence from outsiders – it has less than none in lying in court itself. The Governement may be able to prove beyond a reasonable doubt by legal evidence that Wilson is guilty of violating the law. It will have that opportunity because Edwin Paul Wilson’s conviction will be vacated.’
Vrij vertaald en in gewoon Nederlands weergegeven: de cia heeft in 1983 de boel op een onvoorstelbare manier belazerd. jab de bomaanslagen in ravenstein en ommen
Een niet-ontplofte tijdbom
De bewoners van het Brabantse Ravenstein werden in de nacht van zaterdag 5 op zondag 6 februari 1972 omstreeks 04.25 uur ruw uit hun slaap gewekt door een enorme explosie, gevolgd door een vuurzuil van zo’n zestig meter hoogte. Ongeveer veertig minuten later volgde een tweede knal. De ontploffi ngen bleken zich te heb- ben voorgedaan op het compressorstation van de nv Nederlandse Gasunie, dat even buiten de bebouwde kom lag. Op dit terrein met een oppervlakte van ongeveer vijftien hectare werden twee gasfi l- ters die als pompinstallatie dienden voor de gasaanvoer naar Zuid- Nederland, België en Frankrijk, grondig vernield. De schade was enorm. Het sporenonderzoek wees zonder meer uit dat hier sprake moest zijn van een bomaanslag. Nabij de vernielde gasfi lters werden namelijk restanten springstof, een batterij, enkele stukjes geplasti- fi ceerd koperdraad en een goudkleurig zakhorloge aangetroffen. Op de kast van dit horloge, waaraan het glas, de minutenwijzer en de secondewijzer ontbraken, was een stukje koperdraad gesol- deerd. Bovendien bleek dat de daders zich de toegang tot het terrein hadden verschaft door een groot gat te knippen in de afrastering. Ongeveer een halfuur eerder had ook op het terrein van het Com- pressorstation Ommen van de Nederlandse Gasunie een explosie plaatsgevonden. Daar was de schade echter beperkt gebleven tot een over een afstand van ongeveer elf meter vernield hekwerk. Onder

dat hekwerk was een krater geslagen met een middellijn van drie
meter en een diepte van ruim een meter. Dat ook hier sprake was geweest van een bomaanslag was al direct duidelijk. Het werd ech- ter nog duidelijker nadat de politie vlak bij de krater een canvastasje met inhoud aantrof. Dat er diezelfde nacht in Ravenstein en Ommen samen, niet in totaal minstens vier politiemannen om het leven zijn gekomen, mag met recht een godswonder worden genoemd. Om te beginnen in Ravenstein. Opperwachtmeester J. van de Berg reed die avond routinematig per surveillanceauto langs het terrein van de Nederlandse Gasunie, toen zijn aandacht werd getrokken naar een daar in de buurt geparkeerde personenauto met een Frans kenteken. In de auto zaten drie personen: de bestuurder (een vrouw), een man naast haar en een man op de achterbank. Toen de politieman, die onvoldoende Frans sprak, vroeg wat zij daar deden, maakten zij hem zo goed en zo kwaad als dat ging duidelijk dat zij op vakantie waren. Daar is het deze ontmoeting bij gebleven. Pas veel later zou blijken wie die fi guren in de auto waren geweest. Voor wat Om- men betreft behoeft men slechts die passage uit het proces-verbaal erop na te slaan waarin de gang van zaken wordt beschreven met betrekking tot het canvastasje, om (achteraf) te beseffen dat ook de dienders daar een uitstekende beschermengel moeten hebben gehad. Citaat: ‘Op een afstand van ongeveer één meter van de in de bodem geslagen krater, zag ik een blauwkleurig canvastasje staan. Ik zag dat dit tasje met een ritssluiting aan de bovenzijde gesloten was. Aan het tasje was een bruinlederen draagriem bevestigd. (...) Nadat ik het tasje had betast, voelde ik dat er een hard voorwerp in verpakt was. Hierna heb ik het tasje beluisterd en hoorde toen niets in het tasje. Het tasje hebben wij, Feenstra en Magendans, toen per dienstauto vervoerd naar het terrein voor het hoofdgebouw van het Compres- sorstation Ommen. Aldaar aangekomen heb ik, Magendans, met de opperwachtmeester Engelbertink het tasje eerst ontdaan van het zich op het tasje bevindend zand. Hierna hebben wij de ritssluiting van het tasje voorzichtig met tangetjes geopend. Toen wij de ritsslui- ting gedeeltelijk geopend hadden, zag ik in het tasje twee pakketten liggen die met zwart plastic omwikkeld waren. Vervolgens zag ik dat op één van twee pakketten een platte batterij en een horloge be- vestigd waren met wit plakband. Vervolgens zag ik dat een rode en een blauwe draad vanaf het horloge en de batterij naar een zijde van het tasje liepen. Het bleek mij toen dat in dit tasje een vermoedelijk niet-ontplofte tijdbom was verpakt. Op het moment dat het tasje geopend werd hoorde ik het uurwerk van het horloge niet tikken.


Ommen (februari 1972), het bij de Nederlandse Gasunie
aangetroffen tasje met explosieven

Nadat het tasje weer was verplaatst naar een ander gedeelte van het
terrein, hoorde ik het uurwerk plotseling tikken. Hierop heb ik mij zo snel mogelijk van het tasje met inhoud verwijderd.’ ‘Zwarte September’?
Aangezien Ravenstein en Ommen behoorden tot het ambtsgebied van de Rijkspolitie, werd het onderzoek door dat korps ter hand genomen. Er werden twee afzonderlijke opsporingsteams in het leven geroepen, ieder dertig man sterk. Het team Ravenstein, dat werd geleid vanuit het districtsbureau in ’s-Hertogenbosch, stond onder leiding van districtscommandant kolonel Offermans en offi - cier van justitie mr. J. Booster. Bij dat van Ommen, district Zwolle, berustte de leiding bij kolonel Vriezen. Gedurende de eerste week na de beide aanslagen deden zich allerlei, soms vreemde, ontwikke- lingen voor. Zo hield de politie in Ommen ernstig rekening met de mogelijkheid dat bij het vroegtijdig afgaan van de bom, een van de daders van de aanslag zwaargewond of mogelijk zelfs gedood was. Men meende uit sporen in het zand bij de krater te kunnen afl eiden dat daar iemand over enige afstand was versleept. Bovendien was er een anoniem telefoontje binnengekomen dat een van de daders ernstig gewond zou zijn. Bloedsporen waren ter plaatse overigens niet aangetroffen. Pas veel later zou blijken dat er geen sprake was geweest van een gewonde of dode. Figuren die aanslagen claimden waren er die week ook. Op een anonieme briefkaart eiste de ‘Rode Jeugd’ de aanslagen op, aangevuld met de mededeling dat er nog meer zouden volgen. Iemand van de (echte) Rode Jeugd ontkende echter prompt iedere betrokkenheid. Een anonieme beller liet de Ne- derlandse Gasunie weten dat ‘wanneer jullie gastarbeiders in dienst blijven houden’, er nog veel meer zou gebeuren. Dan waren er de vreemde telefoontjes van iemand die het had voorzien op onder- zoeksleider kolonel Offermans. Radioverslaggever Hugo van Rijn van de ncrv kreeg twee keer een telefoontje met de strekking dat Offermans zou worden doodgeschoten wanneer de berichtgeving over de bomaanslagen niet werd gestopt. Ten slotte werden er die week ook nog enkele aanhoudingen verricht. In het noorden van het land was dat iemand die zich wel eens over de aanslagen had uitgela- ten. Hij werd dezelfde dag alweer vrijgelaten. De drie verdachten die later in de week in Amsterdam waren aangehouden – twee mannen en een vrouw – bleken al evenmin iets met de zaak te maken te heb- ben. Zij stonden binnen twee dagen na hun aanhouding al weer op

straat. Tegen het einde van de week doken er uit Beiroet berichten
op volgens welke de Palestijnse guerrillabeweging ‘Zwarte Septem- ber’ de beide aanslagen zou hebben gepleegd. Teamleider
Ik was nog op geen enkele wijze bij het onderzoek in de Ommen- Ravenstein-affaire betrokken geweest, totdat ik enkele dagen na de aanslag laat op de avond van donderdag 10 februari door het hoofd van de Rotterdamse recherche commissaris A. Vermeij thuis werd opgebeld. Vermeij vertelde mij in het kort dat de procureur-generaal in ’s-Hertogenbosch hem, na overleg met de minister van Justitie, had gevraagd mij ter beschikking te stellen voor een taak in het rechercheonderzoek. Ik was nergens toe verplicht, maar wanneer ik ‘ja’ zou zeggen werd ik de volgende ochtend om negen uur bij de procureur-generaal in Den Bosch verwacht, voegde hij er nog aan toe. Vanzelfsprekend stond ik die vrijdagochtend op de afgesproken tijd bij p-g. mr. Van Overveld op de stoep. Daar waren ook aan- wezig de hoofdoffi cier van justitie mr. Messchaert en een zichtbaar ‘afgedraaide’ mr. Booster. Ik brandde natuurlijk van nieuwsgierig- heid met betrekking tot de vraag wat mijn opdracht precies zou zijn. ‘(...) Belast met de leiding van het rechercheteam,’ zo luidde het telexbericht dat later die dag aan alle politiekorpsen plus het bureau Interpol werd gezonden. In een afzonderlijke bespreking op die vrij- dag met mr. Booster kreeg ik van hem vrij mandaat om naar eigen goeddunken het rechercheteam te reorganiseren en in te richten. Ik had in dat verband drie plannen in mijn hoofd, die ik mr. Booster diezelfde vrijdagochtend voorlegde. Op de eerste plaats wilde ik de beide bestaande teams zo snel mogelijk opheffen en uit ongeveer de helft van ieder team een nieuwe eenheid samenstellen. Op de tweede plaats wilde ik op zoek gaan naar een eigen onderkomen voor het nieuwe team. Om de reistijden van de teamleden zo kort mogelijk te houden zou dat wat mij betrof ergens tussen Ommen en Raven- stein moeten liggen. Ten slotte zou ik de beschikking willen hebben over een staf, dat wil zeggen een tweede man en een of meer stafl e- den. Nadat mr. Booster zich zonder meer akkoord had verklaard, heb ik het weekeinde besteed aan de uitwerking van mijn plannen. Mijn tweede man werd majoor Job van de Ban, die als rechercheof- fi cier werkzaam was bij de Rijkspolitie van het district Den Haag. Een voortreffelijk rechercheman, die ik reeds een aantal jaren kende en met wie ik het onderzoek in de Ommen-Ravenstein-affaire met

veel plezier heb gedraaid. Het nieuwe onderkomen kwam dat week-
einde ook voor elkaar, dankzij de spontane medewerking van Karel Huiskamp, die toen Korpschef was in Veenendaal. Karel, met wie ik jarenlang in het Rotterdamse korps had gebivakkeerd, stelde mij zonder problemen een hele etage van zijn bureau ter beschikking. Die ruimte had hij gewoon over, vertelde hij. Bleef over de fusie van de twee teams. Niemand van die bestaande teams wilde natuurlijk graag buiten de boot vallen, maar na de nodige gesprekken, passen en meten, had ik een nieuwe ploeg van een kleine twintig man, in- clusief een inspecteur van de Rijksrecherche en een functionaris van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (bvd). Na een gewenningsperiode bleek het een gedreven, hechte groep mensen met wie ik met veel plezier aan de Ommen-Ravenstein-affaire heb gewerkt. n.b. De zaak Ommen-Ravenstein was feitelijk de eerste keer dat ik met iemand (een zeer beminnelijk man) van de bvd werkte. Bij mijn latere contacten met ambtenaren van de bvd viel het mij steeds weer op dat zij veelal dezelfde argwanende, speurende blik vertoon- den als de rechercheurs van de Politieke Inlichtingen Dienst (pid). Ik heb die typische, meestal van onderen opkomende gezichtsuit- drukking eigenlijk nooit precies kunnen defi niëren, maar toen ik de (huidige) Russische president voor het eerst op de televisie zag, wist ik het: de Poetin-look.
Vertrouweling van de Amerikaanse geheime dienst
Over mijn benoeming tot nieuwe teamleider ventileerde het com- munistenblaadje De Waarheid van 15 februari 1972 onder de kop ‘Aanstelling fbi-man met eigen hoofdkwartier bij Arnhem’, zo zijn eigen mening: ‘Steeds meer vraagtekens rijzen in de zaak van de explosies in de gascompressorstations in Ommen en Ravenstein van het vorige weekeinde. De laatste ontwikkeling is, dat na het kabi- netsberaad van vrijdag waarin de zaak besproken werd, de tot nu toe aan het onderzoek leiding gevende functionarissen aan de kant zijn geschoven. Zij moeten plaats maken voor de kortelings uit Amerika overgekomen in Rotterdam gestationeerde hoofdinspecteur Blaauw, die een speciale opleiding bij de Amerikaanse binnenlandse veilig- heidsdienst, de beruchte FBI van Hoover heeft gekregen. Hij wordt aangemerkt als de enige Nederlandse politiechef met zo’n fbi-oplei- ding. Deze hoofdinspecteur, die zich gisteren in een ochtendblad liet afdrukken met de fbi-pet op z’n kop, nam in de Verenigde Staten ook actief deel aan het werk van deze geheime dienst.’


Ook over mijn nieuwe onderko-
men had dit blad een spannend
verhaal: ‘Opvallend is voorts, dat
deze van de fbi afkomstige politie-
man een eigen hoofdkwartier krijgt
toegewezen met telexlijnen en mo-
bilofoonverbindingen. Gewoonlijk
worden de belangrijke onderzoeken,
ook wanneer daarbij meer plaatsen
betrokken zijn, vanuit een der bu-
reaus in de grotere plaatsen geleid.
Los daarvan trekt het de aandacht
dat als plaats van vestiging voor dit
hoofdkwartier Arnhem is gekozen.
Als argumentatie hiervoor wordt
De foto waar het
gegeven, dat dit is gebeurd ‘om de
communistenblaadje ‘De
weg van de leden van beide onder-
Waarheid’ kennelijk zo veel zoeksteams zo veel mogelijk te be- moeite mee had
korten. Er wordt echter op gewezen
dat de nu gekozen situering van het
hoofdkwartier van de fbi-man bijzonder gunstig is ten opzichte van de verbindingen met West-Duitsland. (...) Zo blijft de hele affaire, inclusief de zogenaamde anonieme briefjes en telefoontjes, een bij- zonder mistige zaak, waarin nu de benoeming van een vertrouweling van de Amerikaanse geheime dienst een opmerkelijk aspect vormt.’ Een minimum aan bureaucratie
Dat het onderzoek een niet eenvoudige klus zou blijken te zijn, lag voor de hand. Concrete, direct op de daders terug te voeren sporen, bijvoorbeeld in de vorm van vingerafdrukken, waren er niet. Wat Ra- venstein betreft was er slechts het mogelijke spoor van een auto met een onbekend Frans kenteken. In Ommen echter was een verdachte auto gesignaleerd met een, eveneens onbekend, Belgisch kenteken. Verder waren er de geruchten uit Beiroet over ‘Zwarte September’ als mogelijke dadergroep. Een hernieuwd en minutieus terreinonder- zoek dat ik zowel in Ravenstein als in Ommen liet instellen, leverde niets op. Voor wat betreft de herkomst van de springstof, besloot ik de hulp in te roepen van het laboratorium van de fbi in Washington. Daar werd vastgesteld dat het ging om een explosief van Tsjechi- sche oorsprong. Van de Arabische landen was langs offi ciële kanalen

weinig bruikbare informatie te verwachten. Zodoende nam ik mijn
toevlucht tot de route van wat de Engelsen noemen de ‘Old pals act’ (‘ons kent ons’). Van een bevriende Libanese politieoffi cier met wie ik goede contacten onderhield, kreeg ik in maart 1972 een per- soonlijke brief. Daarin stond onder meer dat volgens het in Beiroet verschijnende weekblad Hissad Al Assifat [Harvest of the Tempest] – een blad van Fateh – bronnen dicht bij Zwarte September hadden bevestigd dat die organisatie achter de bomaanslagen in Duitsland (Hamburg) zat en ‘dezelfde dag in Ravenstein, van waaruit de Ne- derlandse Gasunie gas pompt naar “de Zionistische Staat”.’ Ook met de recherche in Hamburg onderhield ik uitstekende con- tacten. Met een minimum aan bureaucratie kon zodoende op per- soonlijke basis een maximum aan informatie worden uitgewisseld. Om het (eerste) onderzoek af te ronden: we hebben met z’n allen hard gewerkt, van alles geprobeerd, maar als Nederlands team niet het doel kunnen bereiken dat mij voor ogen stond, namelijk de daders van de beide aanslagen te achterhalen. Eind maart 1972 zat ik zodoende weer op mijn eigen stek, het stafbureau recherche in Rotterdam. ‘Hebt gij een reisopdracht?’
Wat ons niet was gelukt, lukte de Franse politie wel. In november 1972 berichtte de Sureté Nationale in Parijs via Interpol aan de jus- titie in Den Bosch dat daar twee personen waren aangehouden die betrokken zouden zijn geweest bij de bomaanslag in Ravenstein. Het ging om een 28-jarige Algerijn, zekere Bouhadiche, en de veertigjarige Française, Thérèse Lafèbre, die wegens andere delicten waren gearres- teerd. In opdracht van de Bossche hoofdoffi cier mr. Messchaert – mr. Booster was intussen overgeplaatst naar Maastricht – ben ik vervol- gens samen met Job van de Ban en inspecteur van de Rijksrecherche Louis van Dijk naar Parijs gereisd. Na een moeizame formele proce- dure bij de rechter-commissaris kregen wij uiteindelijk toestemming om bij de verhoren van de twee arrestanten aanwezig te zijn. Een en ander hield in dat wij alleen via onze Franse collega, die het feitelijke verhoor deed, concrete vragen mochten stellen. Bij het verhoor van Bouhadiche, een rustig ogende fi guur, verliep dat zonder problemen. Hij wond er geen doekjes om dat hij samen met een andere Algerijn, beiden behoorden tot ‘Zwarte September’, de aanslag in Ravenstein had gepleegd. Bij madame Thérèse Lafèbre liep het verhoor aanvan- kelijk ook zonder problemen. Zij gaf zonder meer toe de bestuurder van de auto te zijn geweest. De heisa tijdens haar verhoor ontstond

nadat de chef van de rechercheur die het verhoor op een voortreffelijke
manier deed, zich ermee ging bemoeien. Staande naast de daadwer- kelijke verhoorder – die rustig achter zijn schrijfmachine zat en bezig was het zoveelste velletje (in duplo) vol te tikken – had de chef haar eerst een poosje met een ongelovig en smalend gezicht aangestaard. Haar irritatie groeide zichtbaar toen de chef, nadat hij terloops haar verklaringen had ingekeken, enkele opmerkingen maakte die feitelijk inhielden dat zij zat te liegen en dat het hoog tijd werd dat zij met de waarheid voor de dag kwam. Ik had het vanuit mijn positie in de kamer al duidelijk zien aankomen. Op zeker moment dook Thérèse met een bliksemsnelle beweging over het bureau van de verhoorder, griste de stapel verklaringen weg en begon die tot ontsteltenis van iedereen te verscheuren. De repen van de processen-verbaal waaierde zij gepaard met enkele verwensingen in de richting van de ‘commis- saire’. We hebben ruim een uur nodig gehad om de papierrepen met behulp van plakband weer enigszins in het gelid te krijgen. Tijdens de uitwisseling van informatie met onze Franse collega’s hadden wij onder meer vernomen dat een Belg bij de aanslag in Ommen betrok- ken was. Hij zou daar de bestuurder zijn geweest van de auto waarin twee Jordaniërs zaten, die de bommen in Ommen hadden geplaatst. Uit puur praktische overwegingen meenden wij er goed aan te doen om op de terugweg naar Nederland in Brussel even binnen te stappen bij de hoogste vertegenwoordiger van Interpol. ‘Hebt gij een reisop- dracht,’ luidde zijn eerste vraag nadat wij uiteindelijk op zijn kamer waren toegelaten. Toen ik hem had uitgelegd waar wij juist vandaan kwamen en dat wij meenden dat het uit praktische overwegingen wel nuttig zou zijn... enz. onderbrak hij mij met de formele boodschap dat een rogatoire commissie (gerechtelijke opdracht) voor Parijs nog geen reisopdracht voor Brussel inhield. Of we daar bij een eventueel volgend bezoek wel rekening mee wilden houden. We zijn ons verhaal in Brussel overigens toch wel kwijtgeraakt. gijzeling en ontvoering
Operatie Barrière
‘Kidnappers bliksemsnel gepakt’. Dat meldde het Rotterdams Nieuws blad van zaterdag 19 januari 1974. Dat was ook zo, maar
er was wel het een en ander aan voorafgegaan en de zaak bleek ach- teraf wel wat genuanceerder te liggen dan aanvankelijk werd ver-

ondersteld. ‘We hebben een gijzeling,’ had hoofdinspecteur Hans
van Straten mij daags tevoren rond een uur of vijf in de ochtend telefonisch gemeld. ‘Ik kom eraan en ik bel je nog aan de grens,’ zei ik. Ik zat op dat moment namelijk een paar dagen op de Politie- academie in Hiltrupp bij Münster. Het verhaal dat Hans mij had gedaan kwam hier op neer dat enkele Surinamers een achttienja- rige Chinese jongen hadden ontvoerd. Dat had een onbekende die nacht telefonisch aan de vader van de jongen, een restauranthouder op Rotterdam-Zuid, laten weten. Volgens de onbekende zou er met de knaap niets gebeuren, mits een bepaald losgeld zou worden be- taald en de politie niet zou worden gewaarschuwd. Van dat laatste had de restauranthouder zich niets aangetrokken en hij had de po- litiemeldkamer gebeld. Toen ik vanaf de grens bij Zevenaar enkele uren later met Hans belde, bleek de situatie nog onveranderd. We spraken af dat we rond 10.00 uur die ochtend op mijn kamer aan het hoofdbureau crisisberaad zouden houden over de aanpak van deze eerste Rotterdamse gijzelingszaak om losgeld. Bij dit beraad waren behalve de offi cier van justitie mr. Van Randwijck ook de inspecteurs Ab van de Werf en Henk Jansen aanwezig. Ab was chef van de Observatie. Hij zou dus, wanneer het eenmaal zover was, de observatie van de kidnappers op zich nemen. Henk Jansen, die chef van het bureau Geüniformeerde Dienst was, zou de leiding op zich nemen van een door hem op te trommelen ploeg me’ers. Een vast arrestatieteam hadden we in die jaren nog niet. Daarom mobi- liseerden we in recordtijd van her en der een ploeg van vijftien tac- tische rechercheurs, die we de taak toebedeelden op het juiste mo- ment in te grijpen. Wanneer dat precies het geval zou zijn, moesten we natuurlijk afwachten. Ook hadden we nog twee rechercheurs aangewezen die het contact met de ouders van de gegijzelde on- derhielden en die hun, waar nodig, nauwkeurig instrueerden. Ook namen zij maatregelen om binnenkomende telefoongesprekken op band vast te leggen. Dat wachten op een signaal van de kidnappers duurde eigenlijk niet zo heel lang. In de loop van de ochtend was de vader van de gegijzelde knaap namelijk andermaal door een van de kidnappers opgebeld. De opdracht die hij kreeg luidde dat hij een bedrag van ƒ 7.500 moest afl everen op een bepaald adres in de Schietbaanstraat in Rotterdam. De man beschikte op dat mo- ment echter slechts over ƒ 3.000, die hij ook prompt op dat adres bezorgde. Het restant zou hij later die dag komen brengen. Alhoe- wel wij vermoedden dat de gegijzelde Chinees in dat pand werd vastgehouden, leek het ons verstandig op dat moment nog niet in

te grijpen. Wij stelden ons vanzelfsprekend op het standpunt dat
we de bedreigingen van de gijzelnemers serieus moesten nemen en dat de veiligheid van de gegijzelde onze eerste prioriteit was. Wan- neer hij eenmaal was vrijgelaten, zouden wij aan zet zijn. Alhoewel de gijzelnemers met de restauranthouder hadden afgesproken dat hij die vrijdagavond om tien uur het restant zou komen bezorgen, wijzigden zij te elfder ure hun plannen. De telefonische opdracht luidde nu dat hij het geldbedrag om middernacht bij het Centraal Station moest afl everen. Zodra dat was gebeurd, zou zijn zoon wor- den vrijgelaten. Wij brachten kort voor middernacht rond en nabij het Centraal Station alles in stelling wat maar mogelijk was. De ob- servatieploeg het dichtst bij, de arrestatie-eenheid iets verder weg en ten slotte de me’ers nog verder buiten zicht. Hans van Straten en ik hielden ons in mijn dienstauto op in de omgeving van het Hofplein. Per mobilofoon leidden wij vandaar uit ‘Operatie Barrière’. Uit de hand gelopen drugsdeal
Rond middernacht kwamen wij in actie. Ab van de Werf meldde over de mobilofoon dat het ‘losgeld’ kennelijk was betaald, dat moe- der en zoon ter plekke waren herenigd en dat de twee kidnappers er in een witte personenauto vandoor waren gegaan in de richting van de Maasbruggen. ‘Wij volgen het spul,’ besloot hij zijn melding. Ik gaf hem opdracht zijn positie voortdurend te blijven doorseinen. Via de boordradio zette ik vervolgens de hele wachtende caravan in beweging. Achter de drie of vier auto’s van de observatie reed de ar- restatieploeg van vijftien man, verdeeld in drie vw-busjes met ieder vijf man, daarachter twee me-bussen met een stuk of twintig me’ers, aangevoerd door Henk Jansen. Daar ergens tussenin reden Hans en ik. ‘Rosestraat, richting Kaap, waar blijft die arrestatieploeg nou,’ riep een kennelijk wat ongeduldig wordende Van de Werf. Ik maan- de hem rustig te blijven, met de verzekering dat we onderweg waren. ‘Ze rijden de Kaap op,’ meldde hij even later. ‘Oké,’ antwoordde ik, ‘blijven volgen, positie vaststellen en aan mij doorgeven.’ Met een half woord, veel meer had hij nooit nodig, gaf ik Henk Jansen opdracht positie in te nemen op de twee toegangswegen naar de Kaap en die wegen volledig af te sluiten nadat ik het commando ‘Actie Barrière’ zou hebben gegeven. ‘Doen we,’ zei Henk. Ab meldde even later dat de beide kidnappers voor een kroeg stonden aan de Delistraat. Dat nu leek ons het geschikte moment om toe te slaan. Ik gebaarde naar de vw-busjes die inmiddels achter mij stonden, mij te volgen. Toen


Rotterdam (januari 1974), actie na arrestatie op Katendrecht
i.v.m. gijzeling/ontvoering (Operatie Barriére); naast mij
hoofdinspecteur Hans van Straten
wij nog maar een paar honderd meter van het doel verwijderd waren, meldde Ab dat de beide mannen de kroeg in waren gedoken. Ternau- wernood konden wij een zwenking maken en zodoende voorkomen dat een groot aantal voor de kroeg rondhangende fi guren ons in de gaten zouden krijgen. Het was nu een kwestie van afwachten wan- neer de kidnappers uit de kroeg zouden komen. Toen Ab ongeveer een uur later meldde dat dit het geval was, gaf ik het afgesproken signaal, waarop Henk Jansen met zijn troepen aanstalten maakte om de Kaap hermetisch te gaan afsluiten. Nog geen minuut later meldde Ab echter dat de waarneming op een vergissing berustte. Henk kon nog net op tijd zijn eenheid weer terugtrekken. Dat ene woord dat ik bij wijze van reactie over de radio liet horen, zal ik hier niet herhalen. Tegen twee uur die nacht was het dan eindelijk zover. Henk sloot de boel af, de kidnappers reden zich vast en de arrestatieploeg kwam uit de vw-busjes. Vijftien rechercheurs, die ik stuk voor stuk had laten voorzien van een m-1 karabijn stormden op de kidnappers af, die zich zonder verdere problemen in de boeien lieten slaan. Ook Hans en ik, ieder een karabijn in de hand, waren ter plaatse uitgestapt. Daar had zich intussen een niet geringe menigte nieuwsgierigen verzameld, hetgeen voor mij aanleiding was de arrestatie-eenheden tot spoed te manen en met hun arrestanten zo snel mogelijk weg te wezen. Dat gebeurde ook wel, maar met een zodanige haast dat een van de re-

chercheurs geen tijd meer had gekregen om in te stappen. Als uit
het niets kwam hij daar, karabijn in de hand, uit de mensenmassa te voorschijn. Hans en ik hebben hem een lift gegeven. Toen ik later die nacht aan zijn ploegleider vroeg hoe het zo had kunnen gebeuren dat hij een van zijn mensen op de Kaap had achtergelaten, bleek dat hij in het donkere busjes de koppen had geteld en dat het aantal toen klopte. Rijden dus. Hij had echter over het hoofd gezien dat een van die koppen die van een van de arrestanten was. Om het verhaal af te ronden. De gijzeling bleek uiteindelijk een uit de hand gelopen drugsdeal te zijn. Drie Chinezen, onder wie de gegijzelde, hadden aan Surinamers een partijtje verdovende midde- len aangeboden voor een bedrag van ƒ 7.500. De Surinamers had- den daar wel trek. De Chinezen verlangden echter betaling vooraf, waarna zij het spul ergens zouden gaan ophalen. Daar waren de Su- rinamers het weliswaar mee eens, maar voor alle zekerheid hielden zij toch maar een van de Chinezen als ‘onderpand’. Toen later bleek dat zij kennelijk bij de neus waren genomen, eisten zij via de ouders van de gegijzelde het geld terug.
ontvoering door italiaanse gangsterbende Geblinddoekt
In mei 1986 werden wij geconfronteerd met een ongelofelijk brutale ontvoeringszaak, die ons tijdens het onderzoek behalve vier spannende dagen ook nogal wat hoofdbrekens heeft bezorgd. Het begon feitelijk allemaal in Spijkenisse. Op de avond van donderdag 29 mei rond half- elf belde een man aan bij de woning van Adré Osterman, fi liaalhouder van een wijkkantoor van De Verenigde Spaarbank aan de Crooswijk- seweg in Rotterdam. De man, die Nederlands sprak met een buiten- lands accent, vroeg aan Osterman of de witte Golf die voor zijn woning geparkeerd stond zijn eigendom was. Op het moment hij ‘ja’ had ge- zegd, stapte de man de woning binnen, trok gelijktijdig een pistool en dwong Osterman daarmee de woonkamer in. Even later stapten ook drie met bivakmutsen getooide fi guren het huis binnen. Osterman en zijn vriendin Joke Otto kregen metalen handboeien om en werden ge- dwongen op de grond te gaan liggen. Al spoedig bleek hun wat de vier overvallers van plan waren en hoe zij dat dachten te verwezenlijken. De man die had aangebeld maakte in gebrekkig Nederlands aan de fi liaal- houder duidelijk dat zij losgeld van de bank wilden en dat zijn vriendin

zou worden doodgeschoten wanneer niet aan hun eis werd voldaan.
De overvallers onderhielden zich onderling in een voor het tweetal on- bekende taal, naar later zou blijken Italiaans. Tegen twee uur die nacht ontdeden de gangsters de fi liaalhouder van zijn handboeien, en dwon- gen hem met drie van de vier overvallers in zijn witte Golf te stappen en de route naar de bank te rijden. De vierde overvaller bleef intussen bij Joke Otto in de woning achter. De overvallers wilden met Oosterman kennelijk een nachtelijke verkenningstocht houden voor het scenario dat de volgende ochtend zou worden opgevoerd. Onderweg werd de fi liaalhouder namelijk duidelijk gemaakt dat hij diezelfde route ook de volgende ochtend diende te nemen en dat hij dan per portofoon instruc- ties zou krijgen waar hij het losgeld moest overhandigen. Direct nadat de overvallers met Osterman in zijn woning waren teruggekeerd, werd Joke Otto door drie van de mannen gedwongen plaats te nemen in de Golf van haar man, waarna zij met haar wegreden. De vierde overval- ler bleef in de woning bij Osterman achter. Onderweg werd Joke Otto ergens op een parkeerplaats gedwongen over te stappen in een andere auto, waarna zij werd geblinddoekt. Terwijl een van de gangsters ook in die wagen plaatsnam, reden de beide anderen terug naar Spijkenisse. Nadat zij Osterman een portofoon in de hand hadden gedrukt en hem nogmaals op het hart hadden gedrukt vooral geen politie te waarschu- wen en die ochtend te handelen zoals hem via de portofoon zou worden opgedragen, verlieten de drie gangsters de woning. Zij vertrokken in een Volkswagen Passat. Het was op dat moment ongeveer vijf uur in de ochtend van vrijdag 30 mei. In tegenstelling tot wat de ontvoerders van hem hadden geëist, belde Osterman even later eerst zijn directie en ver- volgens de politie in Spijkenisse. In minder dan geen tijd werd hierop ook de Rotterdamse politie gealarmeerd. Nadat ik rond halfzeven die vrijdagochtend thuis door de politiemeldkamer over deze zaak was ge- informeerd, riep ik samen met offi cier van justitie mr. W. Hendriks op het hoofdbureau van politie een beleidsteam bij elkaar. Tevens mobili- seerde ik de nodige ‘hulptroepen’. In de loop van de ochtend waren dat zo’n honderd dienders.
In België vrijgelaten
Snel handelen was alleen al daarom geboden omdat Osterman vol- gens instructies van de ontvoerders zo snel mogelijk na opening van de bank om negen uur met het losgeld moest vertrekken. Mijn eerste doel was erop gericht te proberen via observatie voldoende zicht te krijgen op de kidnappers. Ik hoopte door een zo ‘geruisloos’ moge-

lijke actie op zijn minst op het spoor te komen van de verblijfplaats
van Joke Otto. Uiteraard stond haar veiligheid daarbij voorop. Even na negen uur verliet Osterman het kantoor van de bank in Croos- wijk. Hij droeg twee koffers bij zich, met daarin een totaal bedrag van 1,4 miljoen gulden aan Nederlandse bankbiljetten. Vanaf het moment dat hij die koffers in zijn auto plaatste en vervolgens weg- reed, had onze observatieploeg goed zicht op zijn bewegingen. Via de portofoon werd Osterman door de ontvoerders naar de Teilin- gerstraat gedirigeerd. Op de hoek van de Agniesestraat droegen zij hem op te stoppen. Nadat zij vervolgens bliksemsnel de beide kof- fers met inhoud van hem hadden teruggenomen en de portofoon van Osterman hadden afgepakt, gingen zij er even snel in hun ge- stolen Passat vandoor. Vanaf dat moment liep de zaak uit de hand. Op de Noordsingel verwisselden de ontvoerders hun Volkswagen voor een gereedstaande Audi. Op de hoek van de ongeveer een ki- lometer verder gelegen Gordelweg-Bergweg reden zij door een rood stoplicht, met het gevolg dat zij op een Mercedes botsten. Op die- zelfde locatie kaapten zij vervolgens een Ford Escort. Een poging die auto iets verder ‘in te ruilen’ tegen een Taunus mislukte. Via allerlei wegen kwamen de ontvoerders ten slotte op de Heemraadssingel terecht, waar zij een blauwe bmw stalen. Met die auto, waarin drie van de vier overvallers zaten, vluchtten zij via Rijksweg 13 rich- ting Den Haag. Bij onze observatie hadden wij ook vanaf het begin een helikopter ingezet. De bemanningsleden deden hun uiterste best maar helaas, door wat voor oorzaak dan ook, was hun aanwezig- heid bij de ontvoerders niet onopgemerkt gebleven. Nabij het Prins Clausplein in Den Haag sloegen de overvallers de achterruit van de gestolen Mercedes aan diggelen, waarna een van de gangsters met een zwaar kaliber hagelgeweer op de heli vuurde. Die werd overi- gens niet geraakt. Ook richtten zij dat vuurwapen op een van de ob- servatieauto’s, die zodoende wel gedwongen werd meer afstand te nemen. De dolle rit werd nu voortgezet richting Amsterdam, waar- bij de vluchtelingen enige tijd later de Schipholtunnel bereikten. In die tunnel veroorzaakten zij een fi le door hun bmw dwars over de rijbaan te zetten. Vervolgens dwongen zij onder bedreiging met een vuurwapen een echtpaar uit hun Audi te stappen. Met die gekaapte auto scheurden zij de tunnel uit. Het gevolg was tweeledig. Onze door de fi le ook tot stoppen gedwongen observatieauto’s hadden geen schijn van kans meer, terwijl de helikopter begrijpelijkerwijs uitkeek naar een blauwe bmw en niet naar een grijze Audi. Anders ge- zegd: we waren vanaf dat moment het spoor van de ontvoerders vol-

komen bijster. We hadden vervolgens twee dingen te doen: afwachten
of Joke Otto binnen afzienbare tijd ergens zou opduiken en intus- sen proberen houvast te krijgen op de identiteit van de ontvoerders. Dat laatste poogden wij met behulp van getuigenverklaringen en een nauwkeurig sporenonderzoek op de verschillende gekaapte auto’s. Op de in de Schipholtunnel gekaapte Audi, die in Amsterdam werd teruggevonden, vond de technische recherche vingersporen, die zon- der enige twijfel konden worden teruggebracht op de beruchte Itali- aanse crimineel Natale Piredda, die vroeger in de Graaf Florisstraat in Rotterdam had gewoond. Bovendien verkregen wij bij ons onderzoek een getuigenverklaring waarin signalement en fotoherkenning van een tweede Italiaan waren opgenomen. Ook stelden wij vast dat deze tweede Italiaan goed bevriend was met Piredda. Bij onze speurtocht naar de ontvoerders hadden wij onze aandacht in eerste instantie ge- concentreerd op Amsterdam en omgeving. Daar immers waren zij met het losgeld heengereden. Tot onze grote verrassing en natuurlijk ook opluchting werd Joke Otto op de vierde dag van haar ontvoering in België door haar kidnappers vrijgelaten. Op die maandagochtend rond elf uur werd zij in zwaar overspannen toestand door een auto- mobilist aangetroffen nabij de plaats Genappe, langs de autosnelweg tussen Brussel en Charleroi. De automobilist leverde haar af bij de Rijkswacht in Nijvel, van waaruit contact met ons werd opgenomen. Uit een eerste verhoor bleek dat zij vanaf haar ontvoering ergens was vastgehouden ‘waar veel vliegtuigen overkwamen’ en in de omgeving van een school waar een zekere juffrouw ‘Anita’ werkzaam moest zijn. Die naam had zij namelijk door kinderen horen roepen. Nu Joke Otto in ieder geval in veiligheid was, kon de jacht op de Italiaanse gangsters op volle kracht worden geopend. Doodgeschoten
Nog diezelfde maandagavond hield ik samen met offi cier van justitie mr. Hendriks en in aanwezigheid van burgemeester Peper een pers- conferentie voor de in groten getale aanwezige binnen- en buitenland- se media. Tijdens die bijeenkomst heb ik, voorzover de stand van het onderzoek het op dat moment toeliet, opening van zaken gegeven met betrekking tot de gebeurtenissen tot dan toe. Als hoogtepunt toonde ik de verzamelde persvertegenwoordigers de politiefoto’s van de beide Italianen, waarvan wij op grond van respectievelijk de in de vlucht- auto gevonden vingersporen en een getuigenverklaring aannamen dat het hier twee van de vier gangsters betrof. De eerste foto was die van

de reeds genoemde Piredda, de andere van een in Nederland wonende
Italiaan die, zo bleek ons uit het onderzoek, een goede vriend was van Piredda. Beide foto’s, die ik overigens ook ter beschikking van de me- dia had gesteld, werden nog diezelfde avond uitgebreid in het nos- journaal vertoond. Ook prijkten zij de volgende dag op de voorpagina van alle kranten. Diezelfde dag ook werd mij duidelijk dat ik mij in mijn voortvarendheid goed had vergaloppeerd. De in Nederland wo- nende Italiaan had zich namelijk nog diezelfde avond bij de politie in zijn woonplaats gemeld. Vervolgens bleek dat hij met de kidnapping helemaal niets van doen had gehad. Mij bleef dan ook niet veel meer over dan jegens die Italiaan mijn excuses te maken, hetgeen ik toen uitgebreid en uiteraard ook via de televisie en de overige media heb gedaan. Ook werd in een met toestemming van de minister van Justitie mr. Korthals Altes uitgezonden speciaal politiebericht per televisie nog eens de onschuld van de Italiaan benadrukt. De Staat der Nederlanden is overigens fi nancieel voor deze kwestie opgedraaid in de vorm van een schadevergoeding van ƒ 10.000 aan de betrokkene. Over de uit- eindelijke afl oop van deze bizarre zaak kan ik kort zijn. In Rotterdam arresteerden wij als ‘tipgevers’ een man en een vrouw die bevriend waren met Piredda. De vrouw, die vroeger bij de Verenigde Spaar- bank had gewerkt maar daar was ontslagen wegens verduistering van ƒ 10.000, had aan Piredda de nodige informatie verstrekt over het fi li- aal van de bank aan de Crooswijkseweg. De man had informatie gege- ven over een vleeshandelaar in Vlaardingen, die later door Piredda en een kompaan werd overvallen en beroofd van ƒ 220.000. Dankzij de media kon de locatie van de school van ‘juf Anita’ in Amsterdam wor- den achterhaald. Vervolgens werd ook vastgesteld waar Joke Otto na haar ontvoering was vastgehouden. Dat bleek een vierkamerwoning op de tweede etage aan de Churchilllaan in Amsterdam te zijn geweest. Die woning was kort daarvoor door de ontvoerders gehuurd. Aan de hand van onder meer vingerafdrukken kon ten slotte, naast de identi- teit van Piredda (‘Valentino’) ook de identiteit worden vastgesteld van de drie andere ontvoerders. Het waren allemaal Italianen van even in de dertig. Deze uitermate gevaarlijke bende werd internationaal gesig- naleerd. Zij werden ook door de politie in Zwitserland en Frankrijk gezocht voor een reeks bankovervallen. In november 1987 vond in de omgeving van de Italiaanse stad Brescia een hevig vuurgevecht plaats tussen de politie en twee van de ontvoerders van Joke Ottto. Beide mannen, die gepoogd hadden een bank te overvallen, werden neerge- schoten. De een overleed ter plaatse, de andere is later in een zieken- huis aan zijn verwondingen gestorven.

oplichters
Gestolen vliegtickets
Op de agentenschool zat ik er soms met open mond naar te luisteren en kon ik er ook nog wel eens om lachen, wanneer een oude rot in het recherchevak zijn verhalen over een specifi ek soort criminelen uit de doeken deed: oplichters. ‘Tillers’ noemde men die fi guren bij de afdeling Zwendel, een dienst die zich ook bezighield met de be- strijding van kwakzalverij. Toen ik als inspecteur bij de Centrale Recherche aan het hoofdbureau werkzaam was, ben ik eens in de slag geweest met een ‘tiller’, die mij tijdens het onderzoek om ver- schillende redenen echter weinig aanleiding tot vrolijkheid gaf. Dat kwam zo. Een 36-jarige in Rotterdam geboren en getogen fi guur met een onduidelijk beroep had kans gezien bij de balie van een Britse luchtvaartmaatschappij op het vliegveld van het Belgische Ostende een stapeltje blanco vliegtickets achterover te drukken. Dergelijke tickets werden destijds nog met de hand ingevuld hetgeen voor deze fi guur, die op dit gebied kennelijk van wanten wist, geen proble- men opleverde. Om van de gestolen vliegtickets uiteindelijk fi nan- cieel wijzer te worden, had deze ‘tiller’ de volgende geraffi neerde werkwijze bedacht. Om te beginnen vulde hij drie van de biljetten in voor enkele reizen eerste klas Londen-Montvideo. Hij maakte daarbij gebruik van een valse, Arabische naam. Dat was daarom sluw bedacht, omdat hij die naam later met enkele simpele pennen- streekjes tot zijn eigen naam kon omtoveren. Daar kwam voor hem nog het voordeel bij dat hij, getooid met een zonnebril, qua uiterlijk gemakkelijk voor bijvoorbeeld een Egyptenaar kon doorgaan. Met de aldus ingevulde vliegtickets in zijn zak toog hij enkele dagen later naar Londen, waar hij bij een andere Britse Luchtvaartmaatschappij probeerde de drie tickets om te wisselen voor een vlucht van Lon- den naar Lima, uiteraard in dezelfde klasse. Aan de balie kreeg men echter argwaan, waarop de Rotterdammer met achterlating van de drie tickets de benen nam. Een poosje later probeerde hij bij een boekingskantoor in Rotterdam hetzelfde kunststukje met twee over- gebleven tickets, die waren ingevuld voor een reis naar Santiago. Deze keer met succes. Hij kreeg ‘legale’ tickets, met behoud van de valse naam, voor een vlucht ergens naar het Midden-Oosten. Ten slotte wisselde hij die echte tickets bij de klm op zijn eigen naam in. Zodoende streek hij ƒ 5.000 op. Door al zijn manoeuvres kwamen wij de man uiteindelijk toch op het spoor. Toen wij deze fi guur, die

ik verder met de gefi ngeerde naam Vermeulen zal aanduiden, ergens
buiten Rotterdam op straat aanhielden, verblikte of verbloosde hij niet in het minst. Integendeel, op arrogante toon wenste hij te weten wat ons dan wel bezielde om hem zo maar van de straat te plukken. Bij huiszoeking vonden wij behalve enkele vervalste vliegtickets ook een aantal afschriften van brieven aan diverse verzekeringsmaat- schappijen, waarin hij schadevergoeding vroeg voor steeds dezelfde spullen. Daaronder was een fi lmcamera, die hij steeds weer door diefstal in het buitenland zou zijn kwijtgeraakt. Ten slotte vonden wij in zijn woning een stapeltje voorgedrukte, op zijn (echte) naam gestelde sollicitatiebrieven met een curriculum vitae. Uit dat docu- ment moest blijken dat hij aan de Economische Hogeschool in Lon- den was afgestudeerd en daar de titel ‘bachelor of science’ (drs.) had behaald.
De problemen met deze fi guur speelden zich af tijdens de verho- ren, die steeds op mijn kamer plaatsvonden. Met betrekking tot de gestolen vliegtickets viel er weliswaar nog maar weinig voor hem te ontkennen, maar hij zette toch nog alle zeilen bij om een uitweg te vinden. Datzelfde gold voor de schadeclaims. Over zijn studietijd aan de Londense Hogeschool wenste mijnheer ons helemaal geen informatie te verstrekken, waardoor ons wantrouwen tegen hem intussen alleen maar groter werd. Elke keer wanneer wij hem erop wezen dat hij gezien de stempels in zijn paspoort op een bepaalde datum ergens in het buitenland was geweest, eiste hij op hoge toon dat wij hem de desbetreffende pagina uit zijn paspoort zouden voor- houden. Dat hebben we tot vervelens toe gedaan. Toen Vermeulen tijdens een van de moeizaam verlopende verhoren voor de zoveelste keer het paspoort wenste te zien, deed ik een ontstellende ontdek- king: alleen de pagina met zijn tronie erop zat nog in het paspoort, de overige pagina’s bleken te zijn verdwenen. De schade bleef voor ons in zoverre beperkt, dat ik het paspoort al direct na de inbeslag- neming uitgebreid had laten fotokopiëren. Wat we natuurlijk beslist wilden weten, was wie die pagina’s er wanneer precies had uitge- scheurd. Het document had namelijk of steeds in een kast op mijn kamer gelegen, of op de tafel waaraan de verhoren hadden plaats- gevonden. Het eerste deel van die vraag was gauw beantwoord. Bij onderzoek in de cel van Vermeulen in het Huis van Bewaring bleken de snippers in de ‘ton’ te liggen. Het antwoord op de vraag wanneer en hoe hij ons dat kunstje had gefl ikt, hebben we door reconstructie verkregen. Tijdens het verhoor de vorige dag, werd Vermeulen plot- seling ‘onwel’ en moest hij ‘dringend’ naar het toilet. Hij moet op

dat moment reeds kans hebben gezien om het paspoort, dat tussen
talrijke andere papieren op de tafel lag, weg te frommelen, om het na terugkomst van het toilet weer ongemerkt tussen de papieren te schuiven. Hij heeft een en ander echter nimmer toegegeven. Eerlijk gezegd heb ik me rot gegeneerd over deze stunt, maar ik heb er ook wel wat van opgestoken.
Om het drs.-verhaal nog even af te ronden. Ons onderzoek heeft uitgewezen dat Vermeulen nog geen dag in Londen had gestudeerd. Hoe hij dan toch aan zijn titel is gekomen, hebben wij ook achter- haald. Dat is als volgt gegaan. Op zekere dag heeft Vermeulen kans gezien uit de kaartenbak in een kantoor van de Londense Hoge- school de kaart te lichten van een afgestudeerde student. Op een bij die gelegenheid eveneens gepikte blanco kaart heeft hij de gegevens van de afgestudeerde op zijn eigen naam gezet en beide kaarten in de kaartenbak geplaatst. Enige tijd later heeft hij de Londense Ho- geschool per telegram laten weten dat hij zijn bul kwijt was geraakt en daaraan de vraag gekoppeld of hij een nieuwe kon krijgen. Dat verzoek is toen prompt gehonoreerd. Dat Vermeulen zijn drs.-titel niet in Londen heeft behaald maar wel gehaald, heeft hij overigens ook nooit toegegeven. Voor de gestolen vliegtickets heeft hij twaalf maanden gevangenisstraf gekregen, waarvan vier maanden voor- waardelijk.
Valse dollars
Een oplichterszaak die mij vanuit mijn werkzaamheden bij de Cen- trale Recherche in de jaren zestig voor een uitgebreid achtergrond- onderzoek naar België, Frankrijk en Engeland voerde, was de Cock- burn-affaire. De Engelsman George Cockburn had zich onder de naam John Alan Vickers ingeschreven in het Hiltonhotel in Rot- terdam. In zijn gezelschap verkeerde de Belg Jean Roesselaer (naam gefi ngeerd, jab). Uitgerekend op sinterklaasavond 1966 probeerde Cockburn bij de kassier van het hotel vijf valse dollarbiljetten van $ 20 in harde Nederlandse guldens om te zetten. Of het nu kwam doordat de dollarbiljetten er splinternieuw uitzagen, weet ik niet, maar de kassier vertrouwde het spul in ieder geval niet. Het gevolg was dat even later twee van mijn rechercheurs de lobby binnenstap- ten, juist op het moment dat beide mannen op het punt stonden het hotel te verlaten voor het maken van een ‘nachtwandeling’. Nadat ze zich als politieambtenaren hadden gelegitimeerd, verzochten de rechercheurs Cockburn en Roesselaer ter plekke hun zakken leeg te

maken. Dat bleek geen overbodig verzoek. Cockburn haalde onder
de waakzame blikken van de beide ‘russen’ noodgedwongen en met een weinig vrolijk gezicht honderd valse 20-dollarbiljetten tevoor- schijn. Toen de rechercheurs hem voor alle zekerheid ter plaatse fouilleerden, bleek hij bovendien in het bezit van twintig $ 20 tra- vellerscheques op naam van Vickers. Zijn metgezel Jean Roesselaer hing de vermoorde onschuld uit. Hij beweerde met grote stelligheid niet één dollar in zijn zakken te hebben. Fouillering door de beide rechercheurs leverde inderdaad geen dollar op, wel een blanco pas- poort van de staat Oeganda. Toen de dienders echter de volgende dag in een door Roesselaer gehuurde automobiel neusden, vonden zij op de achterbank zijn overjas, met daarin een pakketje. Daarin bleken op de kop af 399 valse 20-dollarbiljetten te zitten. George Cockburn, een goede dertiger, was een merkwaardige vo- gel. Hij was een wat statige fi guur met een baardje, die zich in alle opzichten als een op en top gentleman gedroeg en in typisch ‘Kings English’ antwoordde op de vragen die ik hem stelde. Een bepaald gevoel voor humor kon hem trouwens ook niet worden ontzegd. ‘Acteur’, zei hij met een uitgestreken gezicht toen ik hem vroeg wat hij eigenlijk voor de kost deed. Tijdens de ‘vrije momenten’ in de verhoren citeerde hij soms Shakespeares McBeth, alsof hij het stuk zelf had geschreven. ‘Alec, Alas,’ riep hij dan wel eens met wijd ge- spreide armen en onschuldig kijkend uit. Wanneer ik daar dan op z’n Rotterdams op reageerde met ‘zo leg ’t’, wilde hij natuurlijk wel weten wat die kreet betekende. ‘You’re lost, man,’ [je hangt] blufte ik dan maar met een speciaal voor die gelegenheid aangemeten so- nore stem. Al met al op het eerste gezicht geen onsympathieke vent, met wie ook best te praten viel. Hij vertelde veel, zei echter weinig en loog tegen de klippen op. Zijn paspoort op naam van John Vickers was zo vals als het maar zijn kon. Bovendien bleek dat hij de laatste jaren in Engeland nog eens onder twee andere valse namen had ge- leefd: George Gage en John Glebe. Een rasechte ‘tiller’ dus. De hamvraag was voor ons natuurlijk hoe en waar de beide he- ren in het bezit waren gekomen van de valse dollars. Datzelfde gold voor de travellerscheques op naam van Vickers. Wij hadden name- lijk in minder dan geen tijd vastgesteld dat de aangetroffen cheques deel uitmaakten van een partij ter waarde van ƒ 80.000, die enkele maanden eerder bij een in Londen gepleegde inbraak in het kantoor van een reisagentschap waren gestolen. Cockburn, die ontkende te weten dat de dollars vals waren, vertelde mij het volgende verhaal. Ongeveer een maand geleden was hij ‘voor zaken’ in Montreal, Ca-

nada, geweest. Bij die gelegenheid had hij in de Doughnut King-bar
een man ontmoet die zich had voorgesteld als Louis Selini. Reeds tijdens het eerste gesprek met Selini had die hem laten doorscheme- ren dat hij een voordelige transactie voor hem wist. Hij, Cockburn, zou daarmee driemaal zoveel geld terugkrijgen als hij bereid was in te zetten. Voor deze transactie, waarbij Cockburn naar eigen zeg- gen was voorgespiegeld dat het zou gaan over een hoeveelheid ge- stolen Amerikaanse dollars en travellerscheques, had Selini duizend Engelse pond verlangd. Na enig heen-en-weergepraat was Cock- burn ten slotte op het voorstel ingegaan. Afgesproken werd dat zij elkaar de volgende dag ergens zouden ontmoeten. Die tweede ontmoeting had inderdaad plaatsgevonden, aldus Cockburn, deze keer echter in de auto van Selini. Cockburn kon op dat moment weliswaar niet meer te voorschijn toveren dan zevenhonderd En- gelse pond in plaats van de verlangde duizend, maar Selini had daar ook genoegen mee genomen. Nadat hij dat bedrag aan Selini had overhandigd, had deze hem een gesloten pakketje en een enve- loppe overhandigd. Gelijktijdig had hij Cockburn vriendelijk maar dringend verzocht de auto daar en dan te verlaten. Cockburn had vervolgens een taxi naar het vliegveld genomen. Onderweg daar- heen had hij het pakketje opengemaakt en vastgesteld dat dit een grote hoeveelheid dollarbiljetten bevatte. In de enveloppe zat een hoeveelheid travellerscheques en een blanco Oegandees paspoort. Op de dag van hun arrestatie in Rotterdam had hij tijdens een au- torit van Brussel naar de Maasstad een pakketje met een deel van de dollars aan Roesselaer gegeven, met het verzoek dit voor hem te bewaren. Hoe ik tijdens de verhoren ook probeerde Cockburn duidelijk te maken dat hij waarschijnlijk de enige was die dit hele verhaal geloofde, hij was er niet van af te brengen. Zelfs toen hij enkele maanden later voor de Rotterdamse rechtbank stond heeft hij dit hoogst onwaarschijnlijke verhaal stug volgehouden. Zijn kompaan Roesselaer, een rustige fi guur met een beschaafd voorko- men, hield zonder met zijn trouwe ogen te knipperen consequent vol dat hij niet wist hoe het pakketje met de dollars en het Oegan- dese paspoort in zijn overjas waren terechtgekomen. Hoe het ook zij, uit het eerste onderzoek – onder meer uit een indrukwekkende reeks namen en telefoonnumers in hun agenda’s – werd het algauw duidelijk dat Cockburn en Roesselaer in internationale criminele kringen verkeerden. Zo had Cockburn in Brussel contact gekregen – hij weigerde te zeggen via wie – met de notoire Franse onderwe- reldfi guur Benichou, die hem weer in contact had gebracht met de

vanuit Marseille internationaal opererende heroïnehandelaren, de
gebroeders Guerini. Tijdens de verhoren gaf hij weliswaar toe dat hij bij die gelegenheid was benaderd om heroïne naar Amerika te koerieren tegen $ 5.000 per trip, maar daar was hij naar ei- gen zeggen niet op ingegaan. Ook verklaarde hij dat in Marseille door een van de Guernini’s gesproken was over valse 100-dollar- biljetten, maar daar was het dan ook bij gebleven. In Brussel had Cockburn ook contacten met een Belgische onderwereldfi guur, met wie hij onder meer naar Düsseldorf reisde om gestolen tra- vellerscheques te verzilveren. Ook op het adreslijstje van Roes- selaer – die beweerde met de handel in vliegtuigonderdelen in zijn levensonderhoud te voorzien – prijkten de namen van een aantal notoire, zowel Belgische als Britse onderwereldfi guren. Ook kwam daarin de naam voor van een Franse goud- en wapensmokkelaar. Wat het tweetal binnen deze exclusieve kring van naar activiteiten gemeten verschillende soorten criminelen precies uitspookten, was al met al natuurlijk een andere vraag. Cockburn was in Engeland meermalen veroordeeld terzake van oplichting. Roesselaer had geen criminele antecedenten. De veelheid van informatie die wij in de eerste weken van het onderzoek hadden verzameld liet niet toe die allemaal de desbetreffende buitenlandse politiediensten per telex via Interpol toe te spelen. Ik kreeg zodoende van de behan- delend offi cier van justitie mr. Wendels de opdracht daartoe per- soonlijk naar respectievelijk Brussel, Parijs en Londen te reizen en daar met de verschillende politie-instanties de nodige informatie uit te wisselen. In Parijs deed ik dat behalve met de Sureté Natio- nale ook met de aan de Amerikaanse ambassade verbonden Secret Service en het Federal Bureau of Narcotics. Het uitwisselen van criminele informatie heeft in Engeland weliswaar geleid tot enkele arrestaties, maar de bron van de valse dollars hebben wij nooit kunnen achterhalen. Volgens de Secret Service – die dienst was in Amerika belast met de opsporing van valsgelddelicten – zouden de door ons in beslag genomen valse dollarbiljetten vermoedelijk in de omgeving van Marseille zijn gedrukt. Cockburn werd door de Rotterdamse rechtbank wegens het invoeren en uitgeven van valse Amerikaanse dollars conform de eis van mr. Wendels veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest. Zijn raads- man, de legendarische mr. Ivens had vrijspraak gevraagd. De Belg Roesselaer werd vrijgesproken.

internationale autodieven
De Dunphy Express
Als inspecteur bij de Centrale Recherche was ik in de jaren zestig ook chef van de Auto en Rijwielcentrale. Deze uit acht rechercheurs bestaande afdeling had het destijds overigens drukker met fi etsen- diefstallen dan met diefstal van auto’s. Bij auto’s ging het dan in de meeste gevallen ook nog om het zogenaamde joyriding. Wat recher- cheren betreft leverde die categorie ‘plezierrijders’ eigenlijk weinig boeiende zaken op. Interessant werd het pas wanneer je met een ‘echte’ autodief te maken kreeg. Daar rolde tijdens het onderzoek nog wel eens wat meer uit. Autodieven lopen naar mijn gevoel maar zelden bij de eerste de beste ‘pikkert’ (autohandelarenjargon voor een gestolen auto) tegen de lamp, vandaar. Nog veel interessanter werd een rechercheonderzoek wanneer het om lieden ging die inter- nationaal in gestolen auto’s deden. Bij zo’n zaak kon je je als recher- cheman naar alle kanten uitleven. Van de verhoren en het onder- zoek naar de bij de verdachten aangetroffen documenten (inclusief hun agenda’s) tot het aanboren van internationale politiecontacten. Een dergelijke zaak, die we de codenaam Dunphy Express hadden gegeven, diende zich in het najaar van 1965 bij ons aan. Via een informant hadden wij er lucht van gekregen dat een vanuit Parijs opererende bende met enige regelmaat gestolen dure sportwagens in onder meer Rotterdam aan de man bracht. Die bende zou bestaan uit Britten en Amerikanen. Zij zouden het vooral gemunt hebben op Jaguars, Triumphs, Sunbeams, mg’s en Daimlers. Elk merk en mo- del kon, naar onze informant wist, in de gewenste kleur en met de gewenste kilometerstand worden afgeleverd. De informant wist ons nog meer te vertellen. Een van de bendeleden zou over twee dagen een mooie Jaguar in de aanbieding hebben en daarmee in Rotterdam verschijnen. Dat laatste zagen wij inderdaad gebeuren toen op een zonnige middag een juweel van een Jaguar het parkeerterrein naast het Centraal Station op kwam rijden. Deze auto, die was voorzien van een Amerikaans militair kenteken, werd discreet gevolgd door een grote Chevrolet met een Zwitserse nummerplaat. Terwijl de Chevrolet voor het Groothandelsgebouw werd geparkeerd, liep de bestuurder van de Jaguar het gebouw binnen. Daar maakte hij con- tact met de ‘aspirant-koper’, met wie hij het algauw eens werd over de prijs. Tot zover liep alles als een trein. Ik was met zo ongeveer de voltallige auto- en rijwielcentrale als een her en der verspreid opge-

steld comité van ontvangst ter plaatse. Enkelen van ons waren uit-
gerust met een portofoon. Oordopjes kenden we toen nog niet. Die portofoons waren destijds onhandig groot en ook nog eens voorzien van een zodanig formaat antenne, dat je het ding moest camoufl e- ren. Ik had mijn exemplaar dan ook zo deugdelijk mogelijk in een opgerolde krant weggewerkt. Toen de bestuurder van de Jaguar bij zijn geparkeerde ‘aanbieding’ terugkwam, gaf ik het afgesproken signaal, waarna het binnen enkele seconden voor de helft fout liep. De Jaguar-man was geen punt, die stond en bleef staan toen hem dat luid en duidelijk door enkele rechercheurs was toegeroepen. Het probleem zat hem in de nog steeds voor het Groothandelsgebouw met draaiende motor geparkeerde Chevrolet. Ik stond daar het dichtst bij. Zo onopvallend mogelijk liep ik die richting uit, met de bedoeling het portier open te trekken en de man achter het stuur de schrik van zijn leven te bezorgen. Helaas, de vent heeft op het laatste moment – ik was toen nog maar een paar meter van hem verwijderd – in de gaten gekregen dat het ‘foute boel’ was. Met gierende banden verdween hij de hoek om. Ik stond natuurlijk voor joker. Met nau- welijks ingehouden woede vervloekte ik de rotzak. Een zoekactie door de geüniformeerde politie leverde een paar uur later ergens in het centrum van Rotterdam wel de bewuste Chevrolet op, maar de bestuurder was in geen velden of wegen te bekennen. Uit onderzoek bleek dat deze auto op een valse naam in Zwitserland was gehuurd door de Engelsman John Barry Miller, een man met acht aliassen. Eén daarvan was Captain John Dunphy. Dat was onze vluchteling, die nog in drie andere landen werd gezocht. Dat was ook de bende- leider, bleek later. Wat een ongelofelijke misser, verzuchtte ik toen ik het hoorde.
Een paar klompen als souvenir
De man die we gevangen hadden bleek een Amerikaan. Het was de 29-jarige Joe Gentile. Hij was van oorsprong uit New York af- komstig maar woonde sedert enkele jaren in Parijs, waar hij met een Française was getrouwd. De kentekenplaten op de Jaguar wa- ren vals. De wagen bleek in Parijs te zijn gestolen ten nadele van een Mexicaanse diplomaat. Met Joe, een lange, slanke en geen on- sympathieke fi guur, was heel goed te praten. Dat heb ik ook vele uren gedaan. Hij heeft echter nooit iets gezegd. Hij had van begin af aan al door dat Miller ons ontglipt was en dat hij in Nederland eigenlijk weinig strafbaars had ondernomen. ‘Ik ga vechtend ten on-

der,’ zei hij tijdens een van de verhoren, waarmee hij mij duidelijk
maakte dat er heel wat op tafel zou moeten komen vooraleer hij zou capituleren. Intussen hoorden we van de Autocentrale van de Franse Sûreté Nationale in Parijs dat daar twee bendeleden uit de Miller-groep waren opgepakt, de 35-jarige Schot Harry Turner en de 25-jarige, van oorsprong Joegoslavische Damiana. De bende zou in haar geheel verantwoordelijk zijn voor de diefstal van ruim zestig sportwagens in en rond Parijs. In overleg met de offi cier van justitie mr. R. Schimmel besloot ik mijn geluk in Parijs te beproeven. Van de Franse rechter-commissaris kreeg ik toestemming Harry Turner in de (middeleeuws aandoende) Santé-gevangenis te horen. Dat leverde echter alles bij elkaar bitter weinig op. Ook met Turner kon je best een babbeltje opzetten, maar niet veel meer dan dat. Er zat per saldo weinig anders op dan Joe Gentile op vrije voeten te stellen, hetgeen begin november op last van de rechtbank gebeurde. Joe werd aan onze zuidgrens uitgezwaaid, waarbij wij dachten dat hij naar Frank- rijk zou reizen. Dat bleek echter allerminst het geval. Hij realiseerde zich dat in Frankrijk de gevangenis wachtte, zodoende besloot hij voorlopig in Brussel onder te duiken om daarna te proberen naar New York te ontkomen. Nu kreeg het bureau Autodiefstallen van Sûreté Nationale in Parijs het benauwd. Men wilde een internatio- naal arrestatiebevel tegen Joe Gentile uitvaardigen, maar men had daarvoor op zeer korte termijn een aantal belangrijke bewijsstukken nodig. Die stukken, waaronder vervalste documenten en een aantal kentekenplaten van gestolen auto’s hadden wij echter in ons bezit. Wij hadden deze spullen voor een deel zowel in de door Miller ach- tergelaten Chevrolet als in de Jaguar aangetroffen. Van de chef van de Parijse autocentrale, commissaire Jean Bellemin-Noel, die ik tij- dens mijn bezoek aan de Santé-gevangenis had leren kennen, kreeg ik rond het middaguur van 5 november een telefoontje met een drin- gend verzoek: ‘Bezorg me die bewijsstukken op de snelst mogelijke manier, anders verspelen we Joe Gentile.’ Ik antwoordde dat ik hem binnen één uur terug zou bellen met een bepaald voorstel, maar dat ik voor de uitvoering daarvan eerst rugdekking moest hebben van de offi cier van justitie. Dat was in minder dan geen tijd geregeld. Mr. Schimmel bleek geen enkel probleem te hebben met mijn voorstel. Het gevolg was dat ik diezelfde middag rond drie uur met de recher- cheurs Rijn van Bavel en Hans de Vaal per Volkswagen-kever en met alle gewenste bewijsstukken aan boord richting Frankrijk tufte. Als rendez-vous had ik met commissaire Bellemin-Noel een restau- rant in een dorpje vlak bij St.-Quentin, 150 kilometer van Parijs

afgesproken. Daar arriveerden we rond halftien die avond. De Parij-
zenaars waren er al. We hebben twee uur gezellig met elkaar gespro- ken, onder het genot van een glaasje wijn informatie uitgewisseld en de spullen aan de Franse collega’s overgedragen. Ook hadden we voor de beide Fransen een paar degelijke Nederlandse klompen als aandenken aan de ‘Dunphy Express’ meegenomen. Rond vijf uur de volgende ochtend waren wij weer in Rotterdam. Onze spoedexpe- ditie heeft al met al toch niet het gewenste gevolg gehad. Joe Gentile ontkwam twee dagen later naar New York.
Rotterdam-Wolfsburg
Een Duitser en een Italiaan opereerden omtrent diezelfde periode in omgekeerde richting, dat wil zeggen, zij ‘exporteerden’ gestolen sportwagens vanuit Nederland naar het Duitse Wolfsburg. Onge- lukkigerwijs, voor het tweetal dan, liepen zij daarmee op een nacht op de Blaak in Rotterdam tegen de lamp. Het tweetal had een even tevoren gestolen Triumph brutaalweg op sleeptouw genomen. Toen zij daarmee in oostelijke richting de stad uit wilden rijden, kruisten twee oplettende dienders hun pad. Die agenten vonden het maar verdacht: een auto met een Duits kenteken sleept in het holst van de nacht een andere auto met een Nederlands kenteken. ‘Net in een café gekocht van een onbekende,’ beweerden de twee bestuurders met een stalen gezicht. Nee, papieren hadden ze er niet bij gekregen, die moesten in de auto liggen. Daar lagen ze niet. Waar dat café dan wel precies was, konden ze ook niet duidelijk maken. Toen ik het stel de volgende dag in verzekering stelde, hadden ze in de gaten dat ze hun verhaal over het mannetje op de maan niet overeind konden houden. Nog diezelfde dag nam ik telefonisch contact op met de chef van de recherche in Wolfsburg, Karl-Heinz Thies. Toen ik de volgende dag van hem hoorde dat er in de garage van de Duitser nog twee sportwagens met een onduidelijke herkomst geparkeerd stonden, een Triumph met een Duits en een Jaguar met een Engels kenteken, leek het mij nuttig maar eens een kijkje ter plaatse te gaan nemen. Daar kwam nog bij dat de Duitser voor wat de herkomst van de twee auto’s betrof de ene leugen na de andere opdiste. Met de Ja- guar had hij enige tijd geleden nog een wedstrijd gereden op de Nür- burgring. Daarbij was hij zelfs derde geworden, liet hij ons vol trots weten. Toen wij hem vroegen hoeveel deelnemers er waren geweest, luidde het antwoord: ‘Drie.’ De Italiaan wist intussen helemaal van niks. Samen met rechercheur Rein van Bavel, een politieman met

wie je op pad kon gaan, heb ik in Wolfsburg met de Duitse col-
lega’s nauwkeurig de ‘bezittingen’ van de Duitser kunnen bekijken. Beide auto’s, met de ingeslagen nummers was duidelijk geknoeid, bleken in Amsterdam te zijn gestolen. Bij huiszoeking troffen wij bij de Duitser een camera in foedraal aan. Aan de binnenzijde van dat foedraal stonden de initialen van de rechtmatige eigenaar van de Jaguar. Toen wij hem na onze terugkomst verder verhoorden, ont- kende de Duitser in alle toonaarden dat hij de Jaguar had gestolen. Omdat hij iemand was die alleen een leugen toegaf wanneer je hem aan de hand van keiharde feiten kon aantonen dat het inderdaad een leugen was, besloot ik tijdens het verhoor een klein trucje toe te passen. Toen ik hem de camera liet zien met de vraag hoe hij aan dat ding gekomen was, vertelde hij ons dat hij die ergens in Duitsland in een winkel had gekocht. Hij gaf daarbij een jaartal op dat ver voor de datum van de diefstal van de auto lag. Het was hem kennelijk ontgaan dat ik tijdens de vraagstelling de initialen aan de binnen- zijde van het foedraal met mijn duim had bedekt. Nadat we zijn leu- genverhaal op papier hadden gezet en door hem laten ondertekenen, toonden we hem de camera opnieuw, deze keer met de vraag wiens initialen dat dan wel waren. Het heeft enige moeite gekost, maar uiteindelijk kwam het hoge woord er bij hem toch uit. inbrekers
Kleinduimpje
Met een ploegje dienders gericht op inbrekers jagen, was ook een ac- tiviteit waar ik mij als jong inspecteur graag mee bezighield en waar- aan ik met genoegen terugdenk. Niet iedere actie verliep succesvol. De keren dat wij zonder wat te vangen op pad zijn geweest – op z’n Bargoens: ‘voor noppes’ – is vele malen groter dat de keren dat we met één of meer inbrekers thuiskwamen. Je moest nu eenmaal ook in die sector van de misdaadbestrijding een beetje geluk hebben. Het was vooral zaak om, voordat je met een ploeg op pad ging, eerst eens op een rijtje te zetten welke gegevens je van de nog onbekende inbreker(s) die een bepaald gebied onveilig maakte(n), feitelijk al in huis had. Dat deden we door het nauwkeurig analyseren van de inbraken die in een bepaalde periode in die omgeving waren ge- pleegd. Soms kwamen we tot verrassende resultaten, zoals die keer in Rotterdam-West. In de vanwege de straatnamen zogenoemde in-

ternationale buurt had een inbreker bij voorkeur de zaterdagavond
uitgekozen om op de inbraaktoer te gaan. De tijdstippen waarop deze mysterieuze fi guur via een openstaand bovenlicht een woning waarvan de bewoners afwezig waren binnensloop, lagen steeds vóór acht uur ’s avonds. Zijn buit bestond meestal uit de opbrengst van de kinderspaarpotten. Het meest interessante van onze analyse was echter dat de vent als het ware volgens een tevoren vastgestelde route zijn doelwit bepaalde. Hij schoof systematisch van straat tot straat op. Zodoende waren wij op een bepaald moment in staat vrij nauw- keurig aan te geven in welke straat en waar ongeveer de insluiper de eerstvolgende keer zijn slag zou proberen te slaan. Precies op die plaats hebben wij hem op de eerstvolgende zaterdag rond halfacht op heterdaad betrapt. Wij brandden natuurlijk van nieuwsgierig- heid met betrekking tot de vraag waarom hij altijd voor acht uur op het inbrekerspad was. Het antwoord was al even verrassend: hij wilde gewoon voor acht uur thuis achter de (toen nog schaarse) beeldbuis zitten om het journaal te kunnen zien. Bij analyse van een andere serie inbraken, deze keer in winkels op de Lijnbaan in Rotterdam, stelden wij vast dat die inbreker via de luifel op een ho- ger gelegen deel van een winkelpand klauterde, daar een ruit uit de sponningen wrikte om vervolgens in de winkel af te dalen. Zijn buit bestond meestal uit in de kassa achtergebleven muntgeld. Toen wij op een nacht met een grote ploeg rechercheurs verdeeld over aantal winkels positie hadden ingenomen, hebben we ook deze inbreker op heterdaad betrapt. Toen rechercheur Henk Groenendijk, die hem als eerste in het vizier had gekregen, even later achter de inbreker aan holde die zich snel in de richting van de Coolsingel uit de voe- ten maakte, deed zich een soort Kleinduimpje-effect voor. De hele vluchtrichting werd namelijk gemarkeerd door stuivers, dubbeltjes en kwartjes die de geveltoerist onderweg was verloren. Daar bij die molen
Wanneer je met een ploegje dienders op jacht was naar inbrekers, ontbrak het binnen de groep maar zelden aan humor. Sterker nog, soms lachte je je met z’n allen ‘de tranen’. Dat laatste was bijvoor- beeld het geval toen we als Recherchebijstandsteam een kraak on- derzochten die was gezet in het glasmuseum in Leerdam. Daarbij was door de inbrekers voor een paar ton aan antiek glaswerk buit- gemaakt. Dat men dat spul vroeg of laat ergens te koop zou aan- bieden, laat zich raden. Zodoende vingen wij op zeker moment het