Ik kwam ter wereld op een dinsdag in de herfst van 1880, onder het dak van mijn grootouders van moederskant in San Francisco. Terwijl in dat labyrintische huis mijn moeder met dapper hart en afgemat lijf lag te hijgen en te zwoegen, bruiste op straat het woelige leven van de Chinese wijk met zijn onuitwisbare exotische keukengeuren, zijn luidruchtige stortvloed aan dialecten, zijn onuitputtelijke massa menselijke bijen die komen en gaan. Ik werd vroeg in de ochtend geboren, maar in Chinatown houden de klokken zich niet aan de regels en beginnen op dat tijdstip de markt, het karrenverkeer en het droevige blaffen van de honden die in hun kooien op het mes van de kok wachten. Ik ben pas op latere leeftijd de details rond mijn geboorte te weten gekomen, maar het zou erger zijn als ik ze nooit had ontdekt; ze hadden ook zoek kunnen raken op de grillige paden van de vergetelheid. Er zijn zoveel geheimen in mijn familie dat ik misschien niet eens genoeg tijd heb om ze allemaal te onthullen: de waarheid is vluchtig, schoongespoeld door stortregens. Mijn grootouders verwelkomden me ontroerd – ondanks het feit dat ik volgens sommige getuigen een afzichtelijke baby was – en legden me tegen mijn moeders borst, waar ik een paar minuten ineengedoken bleef liggen, de enige die ik bij haar heb kunnen zijn. Daarna blies oom Lucky zijn adem in mijn gezicht om zijn geluk op mij over te brengen. Het was een nobel gebaar en een feilloze methode, want gedurende ten minste deze eerste dertig jaar van mijn bestaan is het me goed vergaan. Maar, opgelet, ik moet niet op de zaken vooruitlopen. Dit is een lange geschiedenis en ze begint ver voor mijn geboorte. Er is geduld voor nodig om haar te vertellen, en meer nog om ernaar te luisteren. Wie onderweg de draad kwijtraakt, moet niet wanhopen, want die wordt ongetwijfeld een paar pagina’s verderop weer opgepakt. Omdat we toch ergens moeten beginnen, laten we dat dan in 1862 doen en laten we, met de natte vinger, zeggen dat de geschiedenis begint met een meubelstuk van onwaarschijnlijke afmetingen.
Paulina del Valles bed werd besteld in Florence, een jaar na de kroning van Victor Emanuel, toen in het nieuwe koninkrijk Italië Garibaldi’s kogels nog nagalmden; het stak gedemonteerd de oceaan over in een oceaanstomer uit Genua, kwam van boord in New York te midden van een bloedige staking en werd overgeladen op een van de stoomschepen uit de rederij van mijn grootouders van vaderskant, de familie Rodríguez de Santa Cruz, in de Verenigde Staten wonende Chilenen. Kapitein John Sommers moest de kisten in ontvangst nemen, die in het Italiaans waren gemerkt met maar één woord: najaden. Deze robuuste Engelse zeeman, van wie slechts een verbleekt portret en een door de talloze overtochten zeer versleten leren hutkoffer vol eigenaardige manuscripten bewaard zijn gebleven, was mijn overgrootvader, zoals ik onlangs heb ontdekt, toen mijn verleden na jaren van mysterie eindelijk duidelijk begon te worden. Ik heb John Sommers, vader van Eliza Sommers – mijn grootmoeder van moederskant –, nooit gekend, maar van hem heb ik een zekere zwerflust geërfd. Deze man van de zee, een en al zout en horizon, kreeg de taak het Florentijnse bed in het ruim van zijn schip naar de andere kant van het Amerikaanse continent te brengen. Hij moest de blokkade van de yankees en de aanvallen van de geconfedereerden omzeilen, tot de zuidgrenzen van de Atlantische Oceaan varen, de verraderlijke wateren van de Straat van Magallanes oversteken, de Stille Oceaan op varen en na enkele korte stops in verscheidene Zuid-Amerikaanse havens koers zetten naar het noorden van Californië, het vroegere goudgebied. Hij had nauwkeurige orders gekregen om de kisten aan de kade in San Francisco te openen, toezicht te houden op de scheepstimmerman – terwijl die voorzichtig, om het houtsnijwerk niet te beschadigen, de stukken als een puzzel in elkaar paste –, de matras en de sprei van robijnrood brokaat over het bed te leggen, het bakbeest op een platte kar te zetten en het met een slakkengang naar het centrum van de stad te sturen. De voerman moest twee rondjes om Union Square rijden en nog twee extra om een bel te luiden tegenover het balkon van de minnares van mijn grootvader, alvorens het bed af te leveren op zijn eindbestemming: het huis van Paulina del Valle. Hij moest dit huzarenstukje leveren terwijl de burgeroorlog volop woedde en yankee-legers en geconfedereerden elkaar in het zuiden van het land afslachtten en niemand in de stemming was voor grappen of belletjes. John Sommers gaf vloekend instructies, want tijdens de maanden varen was dat bed symbool geworden voor datgene waar hij in zijn werk de grootste hekel aan had: de grillen van zijn bazin, Paulina del Valle. Bij de aanblik van het bed op de kar besloot hij met een zucht dat dit het laatste zou zijn wat hij voor haar zou doen; hij stond twaalf jaar onder haar bevel en de grens van zijn geduld was bereikt. Het meubelstuk is nog altijd intact, het is een loodzware kolos van gepolychromeerd hout; aan het hoofdeinde staat de god Neptunus, omringd door schuimende golven en diepzeewezens in bas-reliëf, terwijl aan het voeteneinde dolfijnen en zeemeerminnen spelen. Binnen een paar uur kon half San Francisco het sensationele ledikant bekijken; de bijslaap van mijn grootvader echter, aan wie het spektakel was opgedragen, liet zich niet zien toen de kar tweemaal met zijn gerinkel voorbijkwam.
‘Mijn triomf was van korte duur,’ bekende Paulina me vele jaren later, toen ik erop stond het bed te fotograferen en de bijzonderheden te horen. ‘De grap keerde zich tegen mij. Ik dacht dat ze Feliciano zouden uitlachen, maar ze lachten mij uit. Ik had de mensen verkeerd ingeschat. Wie had zich zoveel schijnheiligheid kunnen voorstellen? In die tijden was San Francisco een wespennest van corrupte politici, boeven en vrouwen van lichte zeden.’
‘Ze konden de provocatie niet waarderen,’ suggereerde ik.
‘Nee. Men verwacht dat wij vrouwen de reputatie van de echtgenoot beschermen, al is hij nog zo’n schoft.’
‘Uw man was geen schoft,’ sprak ik haar tegen.
‘Nee, maar hij had domme streken. Hoe dan ook, ik heb geen spijt van het fameuze bed, ik heb er veertig jaar lang in geslapen.’
‘Wat deed uw man toen hij wist dat hij betrapt was?’
‘Hij zei dat ik, terwijl het land hevig bloedde door de burgeroorlog, Caligula-meubels kocht. En hij ontkende alles, uiteraard. Niemand met een beetje hersens geeft ontrouw toe, al betrap je hem tussen de lakens.’
‘Zegt u dat uit eigen ervaring?’
‘Was dat maar zo, Aurora!’ antwoordde Paulina del Valle zonder aarzeling.
Op de eerste foto die ik van haar heb genomen, toen ik dertien jaar was, leunt Paulina in haar mythologische bed op kussens van geborduurd satijn, in een kanten hemd en met een halve kilo sieraden om. Zo heb ik haar vele malen gezien en zo had ik haar willen zien toen ze stierf, maar zij wenste het graf in te gaan in het mistroostige habijt van de karmelietessen en wilde dat er een aantal jaren lang gezongen missen werden opgedragen voor haar zielenrust. ‘Ik heb al een hoop schandalen veroorzaakt, het is tijd om het hoofd in de schoot te leggen,’ was haar uitleg toen ze wegzonk in de winterse melancholie van de nadagen. Toen ze het einde naderbij zag komen, werd ze angstig. Ze liet het bed naar de kelder verbannen en daarvoor in de plaats een houten verhoging met een met crin gevulde matras neerzetten, om te kijken of Petrus een streep zou halen door het zondeboek, zoals ze zei. De schrik was echter niet groot genoeg om zich van andere materiële zaken te ontdoen, en tot haar laatste snik had ze de teugels van haar inmiddels danig geslonken financiële imperium in handen. Van de onstuimigheid uit haar jeugd was aan het einde van haar leven nog maar weinig over, zelfs de ironie vloeide weg, maar mijn grootmoeder creëerde haar eigen legende en geen matras met crin of karmelietessenhabijt zou die kunnen verstoren. Het Florentijnse bed, dat ze met het grootste plezier door de allerbelangrijkste straten van San Francisco had laten voeren om haar echtgenoot te treiteren, was een van haar glorieuze momenten. In die tijd woonde het gezin in San Francisco onder een andere achternaam – Cross – omdat geen Noord-Amerikaan het welluidende Rodríguez de Santa Cruz y del Valle kon uitspreken, wat jammer is, want de oorspronkelijke naam heeft de oude bijklank van de inquisitie. Ze waren net verhuisd naar de wijk Nob Hill, waar ze een kapitale villa hadden laten bouwen, een van de meest opulente van de stad, een wanstaltig voortbrengsel van verscheidene rivaliserende architecten die om de haverklap werden aangenomen en ontslagen. De familie had haar fortuin niet vergaard tijdens de goudkoorts van 1849, zoals Feliciano beweerde, maar dankzij het voortreffelijke zakelijke instinct van zijn vrouw, die op het idee kwam verse producten van Chili naar Californië te vervoeren op een bed van antarctisch ijs. In die roerige tijden kostte een perzik een ounce goud en zij wist van die omstandigheden handig gebruik te maken. Het initiatief had succes en op een gegeven moment hadden ze een hele vloot varen tussen Valparaíso en San Francisco, die het eerste jaar leeg terugkeerde, maar later beladen met Californisch meel; daarmee drukten ze verscheidene Chileense boeren uit de markt, inclusief Paulina’s vader, de geduchte Agustín del Valle, wiens graan in de silo’s wormstekig werd omdat hij niet kon concurreren met het hagelwitte meel van de yankees. Van de razernij werd ook zijn lever wormstekig. Aan het einde van de goudkoorts keerden duizenden en duizenden avonturiers armer dan ze vertrokken waren terug naar hun plaats van herkomst, nadat ze bij het najagen van een droom hun ziel en gezondheid hadden verloren; Paulina en Feliciano werden echter rijk. Ze verwierven een vooraanstaande positie in de hoge kringen van San Francisco, ondanks het bijna onoverkomelijke obstakel van hun Spaanse accent. ‘In Californië heb je allemaal nieuwe rijken van slechte afkomst; onze stamboom gaat terug tot de kruistochten,’ bromde Paulina dan, voordat ze zich gewonnen gaf en naar Chili terugkeerde. Het waren echter geen adellijke titels of bankrekeningen geweest die de deuren voor hen openden, maar de sympathie van Feliciano, die vrienden maakte onder de machtigste mannen van de stad. Het bleek daarentegen nogal moeilijk om zijn ostentatieve, grof gebekte, oneerbiedige en dominante vrouw te verdragen. Het moet gezegd worden: Paulina boezemde in het begin altijd de mengeling van fascinatie en hevige angst in die men tegenover een leguaan voelt; alleen wanneer je haar beter leerde kennen, ontdekte je haar gevoelige kant. In 1862 schoof ze haar man naar voren in de handelsonderneming voor de intercontinentale spoorlijn, waarmee ze hun rijkdom bezegelden. Ik begrijp niet waar die vrouw haar goede neus voor zaken vandaan had. Ze kwam uit een familie van Chileense veeboeren die beperkt van inzicht en arm van geest waren; ze werd grootgebracht tussen de muren van het ouderlijk huis in Valparaíso, de rozenkrans biddend en bordurend, omdat haar vader geloofde dat onwetendheid de gehoorzaamheid van vrouwen en armen garandeert. De beginselen van het schrijven en het rekenen beheerste ze nauwelijks, ze had in haar leven geen boek gelezen en optellen deed ze met haar vingers – aftrekken deed ze nooit –, maar alles wat haar handen aanraakten veranderde in goud. Als haar kinderen en familieleden niet alles erdoorheen hadden gejaagd, zou ze luisterrijk als een keizerin gestorven zijn. In die jaren werd de spoorlijn aangelegd die het oosten en westen van de Verenigde Staten met elkaar moest verbinden. Terwijl iedereen investeerde in aandelen in de twee bedrijven en inzette op welke van die twee de rails het snelst zou aanleggen, vouwde zij, onverschillig voor die onbezonnen wedloop, een kaart uit over de tafel in de eetkamer en bestudeerde geduldig als een topograaf het toekomstige traject van de trein en de plaatsen waar in overvloed water aanwezig was. Lang voordat de nederige Chinese arbeiders in Promotory in Utah met de laatste nagel de treinrails met elkaar verbonden, en voordat de eerste locomotief het continent doorkruiste met zijn geraas van schuivend ijzer, zijn vulkanische rookpluim en zijn desperate geloei, haalde zij haar echtgenoot over land te kopen in de gebieden die zij op haar kaart had aangegeven met kruisjes in rode inkt.
‘Daar zullen de dorpen gesticht worden, want er is water, en in elk ervan zullen wij een winkel hebben,’ legde ze uit.
‘Dat kost een hoop geld,’ riep Feliciano geschrokken uit.
‘Zorg dat je het kunt lenen, daar zijn banken voor. Waarom zouden we ons eigen geld op het spel zetten als we over andermans geld kunnen beschikken?’ voerde Paulina aan, zoals altijd in dit soort gevallen.
Ze waren druk aan het onderhandelen met banken en grond aan het kopen door het halve land, toen de toestand met de concubine tot uitbarsting kwam. Het ging om een actrice genaamd Amanda Lowell, een eetbare Schotse van melkwit vlees met ogen van spinazie en een perziksmaak, naar zij die haar hadden geproefd verzekerden. Ze zong en danste slecht maar met zwier, speelde in onbeduidende kluchten en verlevendigde feesten van magnaten. Ze had een slang van Panamese herkomst, lang, dik en tam, maar huiveringwekkend om te zien, die om haar lijf kronkelde tijdens haar exotische dansen en die nooit blijk had gegeven van een kwaadaardig karakter, tot ze op een ongelukkige avond opkwam met een verendiadeem in het haar en het dier, dat de hoofdtooi verwarde met een nietsvermoedende papegaai, op het punt stond zijn bazin te wurgen in zijn ijver de vogel op te slokken. De mooie Lowell was allesbehalve een van de duizenden ‘bezoedelde duifjes’ uit het liederlijke leven van Californië; ze was een hooghartige courtisane bij wie je niet met geld alleen in de gratie kon komen, je moest ook goede manieren en charme hebben. Dankzij de vrijgevigheid van haar begunstigers had ze een goed leven en middelen te over om een horde talentloze artiesten te ondersteunen; ze was gedoemd om arm te sterven, want ze leefde op grote voet en gaf weg wat ze overhield. In de bloei van haar jeugd hield ze het verkeer op met haar elegante voorkomen en haar rode leeuwenmanen, maar haar voorliefde voor schandalen had haar lot ten kwade gekeerd: ze kon in een opwelling een goede naam en een familie te gronde richten. Voor Feliciano was dat risico een extra prikkel; hij had een zeeroversinborst en het idee met vuur te spelen bracht hem evenzeer in verleiding als de geweldige billen van La Lowell. Hij bracht haar onder in een appartement midden in het centrum, maar vertoonde zich nooit met haar in het openbaar, want hij was al te goed bekend met het karakter van zijn echtgenote, die in een vlaag van jaloezie eens de pijpen en mouwen van al zijn pakken had afgeknipt en ze voor de deur van zijn kantoor had gesmeten. Voor zo’n stijlvolle man als hij, die zijn kleding in Londen liet vervaardigen door de kleermaker van prins Albert, was dat een nekslag geweest.
In San Francisco, een mannenstad, was de echtgenote altijd de laatste die op de hoogte was van echtelijke ontrouw, en in dit geval was het Lowell zelf die het bericht verspreidde. Nauwelijks had haar begunstiger zijn hielen gelicht, of ze kraste streepjes in de posten van haar hemelbed, één voor elke ontvangen minnaar. Ze was een verzamelaarster, ze interesseerde zich niet voor mannen vanwege hun persoonlijke verdiensten, maar vanwege het aantal streepjes; ze wilde de mythe van de betoverende Lola Montez overtreffen, de Ierse courtisane die in de tijden van de goudkoorts als een wervelwind door San Francisco was gegaan. De roddel over de streepjes van La Lowell ging als een lopend vuurtje rond en de heren vochten om haar te bezoeken, zowel vanwege de bekoring van de mooie vrouw, die velen van hen al kenden in bijbelse zin, als vanwege de aardigheid om naar bed te gaan met de bijzit van een van de vooraanstaande mannen van de stad. Het nieuws bereikte Paulina del Valle toen het heel Californië al rondgegaan was.
‘Het meest vernederende is nog wel dat die grappenmaakster jou de hoorntjes opzet en dat iedereen rondbazuint dat ik getrouwd ben met een lulletje rozenwater!’ snauwde Paulina tegen haar echtgenoot in de Saraceense stijl die ze bij zulke gelegenheden placht te bezigen.
Feliciano Rodríguez de Santa Cruz wist niets van die activiteiten van de verzamelaarster en hij viel bijkans dood neer van ongenoegen. Hij had zich nooit kunnen voorstellen dat vrienden, kennissen en anderen die hem enorme gunsten verschuldigd waren, hem op zo’n manier te kijk zouden zetten. Hij gaf echter niet zijn geliefde de schuld, want hij aanvaardde gelaten de wispelturigheden van het andere geslacht, heerlijke wezens maar zonder morele basis, altijd bereid om voor de verleiding te zwichten. Terwijl zij toebehoorden aan de aarde, de humus, het bloed en de orgaanfuncties, waren de mannen voorbestemd voor het heldendom, de grote ideeën en – hoewel niet in zijn geval – de heiligheid. Door zijn echtgenote met zijn neus op de feiten gedrukt, verdedigde hij zich zo goed en kwaad als het ging, en tijdens een wapenstilstand benutte hij het moment om haar verwijten te maken over de knip op de deur van haar slaapkamer. Verwachtte ze soms dat een man als hij in onthouding leefde? Het was allemaal haar schuld omdat ze hem had afgewezen, beweerde hij. Dat van die knip was waar; Paulina had de vleselijke lusten de rug toegekeerd, niet omdat ze geen zin meer had, zoals ze me veertig jaar later toevertrouwde, maar uit schaamte. Ze vond het verschrikkelijk om in de spiegel te kijken en concludeerde dat elke man hetzelfde zou voelen wanneer hij haar naakt zou zien. Ze herinnerde zich precies het moment waarop ze zich ervan bewust werd dat haar lichaam haar vijand aan het worden was. Een paar jaar eerder, toen Feliciano terugkwam van een langdurige zakenreis naar Chili, pakte hij haar bij haar middel en wilde haar met hetzelfde uitgesproken goede humeur als altijd optillen om haar naar bed te dragen, maar hij kreeg haar niet van de grond.
‘Allejezus, Paulina, heb je stenen in je onderbroek?’ lachte hij.
‘Dat is vet,’ verzuchtte zij droevig.
‘Dat wil ik zien!’
‘Geen sprake van. Van nu af aan mag je alleen ’s nachts en met de lamp uit op mijn slaapkamer komen.’
Een tijdlang bedreven de twee, die elkaar zonder schroom hadden bemind, de liefde in het duister. Paulina bleef immuun voor de smeekbeden en driftbuien van haar man, die er nooit mee had ingestemd haar onder een berg dekens in het pikkedonker van de kamer te treffen, en evenmin om haar haastig in missionarishouding lief te hebben terwijl zij zijn handen vasthield zodat hij haar vlees niet zou betasten. Door het aantrekken en afstoten raakten ze uitgeput en bloednerveus. Ten slotte installeerde Paulina, onder het mom van de verhuizing naar de nieuwe villa op Nob Hill, haar man in de andere kant van het huis en vergrendelde de deur van haar kamer. De onvrede over haar eigen lichaam was groter dan het verlangen naar haar man dat ze voelde. Haar hals verdween achter de dubbele onderkin, haar borsten en buik waren één grote burgemeestersbult, haar voeten hielden haar slechts een paar minuten overeind, ze kon zich niet alleen aankleden of haar schoenen vastmaken, maar in haar zijden jurken en met haar schitterende juwelen, zoals ze zich bijna altijd vertoonde, was ze een wonderbaarlijke verschijning. Haar grootste zorg was het zweet tussen haar vetrollen en ze vroeg me dikwijls fluisterend of ze stonk, maar nooit had ik bij haar een andere geur waargenomen dan die van gardeniawater en talkpoeder. Tegen het destijds zo wijdverbreide geloof in dat reukwater en zeep de luchtwegen aantasten, dreef ze uren in haar geëmailleerde badkuip, waarin ze zich weer licht voelde als in haar jeugd. Ze was verliefd geworden op Feliciano toen hij een knappe en ambitieuze jongeman was, eigenaar van een paar zilvermijnen in het noorden van Chili. Voor die verliefdheid trotseerde ze de woede van haar vader, Agustín del Valle, die in de Chileense geschiedschrijvingen voorkomt als de oprichter van een piepklein, benepen, ultraconservatief politiek partijtje, dat meer dan twee decennia geleden van het toneel was verdwenen, maar om de zoveel tijd weer opdook als een ontvederde, larmoyante feniks. Dezelfde liefde voor Feliciano steunde haar toen ze besloot hem de toegang tot haar slaapkamer te ontzeggen op een leeftijd waarop haar lichaam meer dan ooit schreeuwde om een samenzijn. Anders dan zij werd Feliciano mooi oud. Zijn haar was grijs geworden, maar hij was nog steeds dezelfde vrolijke, hartstochtelijke en spilzieke kerel. Paulina hield van zijn ordinaire kant, van het idee dat die heer met de klinkende achternamen van sefardisch joodse afkomst was, maar onder zijn zijden bloezen met geborduurde initialen een vulgaire tatoeage had, die hij in een dronken bui in de haven had laten zetten. Ze smachtte ernaar nog eens de vieze woordjes te horen die hij haar in het oor fluisterde in de tijden dat ze nog met de lampen aan in het bed lagen te plonzen, en ze had er alles voor gegeven om nog eens met haar hoofd op de met onuitwisbare inkt gegraveerde blauwe draak op de schouder van haar man te rusten. Ze heeft nooit geloofd dat hij hetzelfde verlangde. Voor Feliciano was zij immer de onbevreesde verloofde met wie hij was gevlucht toen ze jong waren, de enige vrouw die hij bewonderde en vreesde. Ik heb het idee dat dit echtpaar altijd van elkaar is blijven houden, ondanks de cycloonachtige heftigheid van hun ruzies, die iedereen in het huis deden beven. Het samenzijn dat hen vroeger zo gelukkig maakte, veranderde in gevechten die uitmondden in langdurige wapenstilstanden en gedenkwaardige vergeldingen zoals het Florentijnse bed, maar geen van de wederzijdse beledigingen maakte hun relatie kapot, en tot het einde, toen hij dodelijk getroffen werd door een beroerte, vormden ze samen een benijdenswaardig zwendelaarsverbond.
Toen kapitein John Sommers er eenmaal zeker van was dat het mythische meubelstuk op de kar stond en dat de voerman zijn instructies begreep, vertrok hij te voet richting Chinatown, zoals hij bij ieder bezoek aan San Francisco deed. Deze keer had hij echter te weinig energie en moest hij na twee straten een huurrijtuig aanhouden. Hij stapte met moeite in, zei tegen de bestuurder waar hij heen moest en leunde hijgend achterover in de stoel. De symptomen waren een jaar geleden begonnen, maar de laatste weken waren ze erger geworden; zijn benen konden hem nauwelijks overeind houden en hij werd nevelig in het hoofd; hij moest onophoudelijk strijden tegen de verleiding om zich over te leveren aan de donzige onverschilligheid die zijn ziel binnendrong. Zijn zus Rose was de eerste geweest om te signaleren dat er iets niet goed ging, toen hij nog geen pijn voelde. Hij dacht aan haar met een glimlach: ze was de meest nabije en geliefde persoon, de poolster in zijn zwervende bestaan, die hem meer genegenheid had gegeven dan zijn dochter Eliza of welke vrouw ook die hij bij zijn langdurige omzwervingen van haven tot haven in zijn armen had gehad.
Rose Sommers had haar jeugd in Chili doorgebracht, samen met haar oudste broer Jeremy; maar toen deze stierf keerde ze terug naar Engeland om in haar eigen land oud te worden. Ze woonde in Londen, in een huisje op een paar straten van de theaters en de opera, een enigszins verpauperde wijk waar ze kon leven zoals zij daar zin in had. Ze was niet meer de keurige sleutelbewaarster van haar broer Jeremy, ze kon nu haar excentrieke kant de vrije loop laten. Ze kleedde zich vaak als een in ongenade gevallen actrice om thee te drinken in het Savoy of als Russische gravin om haar hond uit te laten; ze was de vriendin van bedelaars en straatmuzikanten, gaf haar geld uit aan snuisterijen en liefdadigheid. ‘Niets is zo bevrijdend als de leeftijd,’ zei ze terwijl ze vrolijk haar rimpels telde. ‘Niet de leeftijd, zus, maar de financiële situatie die jij met je pen hebt bewerkstelligd,’ antwoordde John Sommers. Die eerbiedwaardige vrijgezellin met wit haar had een klein fortuin vergaard met het schrijven van pornografie. Het meest ironische, bedacht de kapitein, was dat Rose, juist nu ze niet meer verborgen hoefde te blijven zoals toen ze in de schaduw van haar broer Jeremy leefde, was gestopt met het schrijven van erotische verhalen en zich wijdde aan het produceren van damesromans, in een uitputtend tempo en met uitzonderlijk succes. Er was geen vrouw met Engels als moedertaal, inclusief koningin Victoria, die niet ten minste één van de liefdesavonturen van dame Rose Sommers had gelezen. De deftige titel bekrachtigde slechts een positie die Rose al sinds jaren stormenderhand had veroverd. Als koningin Victoria had geweten dat haar favoriete schrijfster, die ze persoonlijk in de stand van dame had verheven, verantwoordelijk was voor een omvangrijke verzameling onzedelijke literatuur, ondertekend door een Anonieme Dame, had ze een flauwte gekregen. De kapitein vond pornografie verrukkelijk, maar die liefdesromans vond hij rotzooi. Hij zorgde jarenlang voor de publicatie en distributie van de verboden verhalen die Rose schreef onder de neus van haar oudste broer, die stierf in de overtuiging dat zij een eerbare mejuffrouw was met als enige missie hem het leven aangenaam te maken. ‘Zorg goed voor jezelf, John. Je kunt me toch niet zomaar alleen op deze wereld achterlaten? Je wordt mager en je hebt een rare kleur,’ had Rose de kapitein dagelijks gezegd toen hij haar had opgezocht in Londen. Sindsdien was hij onderhevig aan een metamorfose die hem onverbiddelijk in een hagedis veranderde.
Tao Chi’en was de laatste acupunctuurnaalden uit de oren en armen van zijn patiënt aan het halen, toen zijn assistent hem meldde dat zijn schoonvader was aangekomen. De zhong yi zette de naalden zorgvuldig in zuivere alcohol, waste zijn handen in een waskom, trok zijn jasje aan en liep de deur uit om de gast te begroeten, verbaasd dat Eliza hem niet had verteld dat haar vader die dag kwam. Elk bezoek van kapitein Sommers bracht een hoop commotie teweeg. Het gezin keek altijd reikhalzend uit naar zijn komst, vooral de kinderen, die maar niet uitgekeken raakten op de exotische cadeaus en geen genoeg konden krijgen van de verhalen van die reusachtige opa over zeemonsters en Maleisische piraten. De kapitein, groot, stevig, met een verweerde huid door het zout van alle zeeën, een woeste baard, een bulderstem en onschuldige blauwe baby-ogen, was een indrukwekkende figuur in zijn blauwe uniform, maar de man die Tao Chi’en in een leunstoel van zijn kliniek zag zitten, was zo gekrompen dat hij hem met moeite herkende. Hij begroette hem respectvol, hij had de gewoonte om op z’n Chinees voor hem te buigen niet achter zich kunnen laten. Hij had John Sommers in zijn jeugd leren kennen, toen hij als kok op diens schip werkte. ‘Mij spreek je met “meneer” aan, begrepen, Chinees?’ had hij hem de eerste keer dat hij hem aansprak bevolen. Toen hadden we allebei nog zwart haar, bedacht Tao Chi’en met een pijnscheut van verdriet bij deze aankondiging van de dood. De Engelsman stond moeizaam op, schudde hem de hand en omhelsde hem kort maar stevig. De zhong yi constateerde dat nu hij de langste en zwaarste van de twee was.
‘Weet Eliza dat u vandaag zou komen, meneer?’ vroeg hij.
‘Nee. U en ik moeten onder vier ogen praten, Tao. Ik ben stervende.’
Dat had de zhong yi al begrepen zodra hij hem zag. Zonder een woord te zeggen leidde hij hem naar de spreekkamer, waar hij hem hielp met uitkleden en hem op de behandeltafel legde. Naakt zag zijn schoonvader er aandoenlijk uit: de dikke, uitgedroogde, koperkleurige huid, de gele nagels, de bloeddoorlopen ogen, de opgezwollen buik. Hij begon met hem te ausculteren en voelde vervolgens zijn hartslag bij de polsen, de hals en de enkels, om zich te vergewissen van wat hij al wist.
‘Uw lever is verwoest, meneer. Drinkt u nog steeds?’
‘U kunt niet van me vragen dat ik een levenslange gewoonte opgeef, Tao. Denkt u dat iemand het zeemansberoep volhoudt zonder een borrel op zijn tijd?’
Tao Chi’en glimlachte. De Engelsman dronk op normale dagen een halve liter gin en wanneer er iets te betreuren of te vieren was een hele, zonder dat het hem ook maar iets leek te doen; hij rook niet eens naar drank, want zijn kleding en adem waren doordrongen van het aroma van sterke tabak van slechte kwaliteit.
‘Bovendien, het is te laat om spijt te hebben, nietwaar?’ voegde John Sommers eraan toe.
‘U kunt wat langer en in betere omstandigheden leven als u ophoudt met drinken. Waarom neemt u geen rustperiode? Kom een tijdje bij ons wonen, Eliza en ik zullen voor u zorgen tot u een beetje aangesterkt bent,’ stelde de zhong yi voor zonder hem aan te kijken, zodat de ander niet kon zien dat hij aangedaan was. Zoals hem zo vaak overkwam in zijn doktersvak, moest hij vechten tegen het vreselijke gevoel van onmacht dat hem overweldigde wanneer hij moest vaststellen hoe beperkt de middelen van zijn wetenschap waren en hoe onmetelijk andermans lijden was.
‘Hoe haalt u het in uw hoofd dat ik me vrijwillig in Eliza’s handen leg, zodat zij me tot onthouding kan veroordelen? Hoeveel tijd rest me nog, Tao?’ vroeg John Sommers.
‘Dat kan ik niet met zekerheid zeggen. U zou ook iemand anders om zijn mening moeten vragen.’
‘Uw mening is de enige die mijn respect verdient. Sinds u pijnloos een kies bij me hebt getrokken halverwege tussen Indonesië en de Afrikaanse kust, heeft geen enkele andere dokter met zijn vervloekte handen aan me gezeten. Hoe lang is dat geleden?’
‘Ongeveer vijftien jaar. Ik ben u dankbaar voor uw vertrouwen, meneer.’
‘Vijftien jaar maar? Waarom komt het mij voor alsof we elkaar ons hele leven al kennen?’
‘Misschien hebben we elkaar in een ander leven gekend.’
‘Ik ben als de dood voor reïncarnatie, Tao. Stel je voor dat ik in mijn volgende leven een moslim ben. Wist u dat die arme mensen geen alcohol drinken?’
‘Dat is vast uw karma. In elke reïncarnatie moeten we oplossen wat we in een vorige hebben laten liggen,’ grapte Tao.
‘Ik heb liever de hel van de christenen, die is minder wreed. Welnu, we vertellen hierover niets tegen Eliza,’ besloot John Sommers terwijl hij zijn kleren aantrok, in gevecht met de knopen die uit zijn trillende handen glipten. ‘Dit kan mijn laatste bezoek zijn, en het is beter als zij en mijn kleinkinderen zich mij vrolijk en gezond herinneren. Ik ga rustig heen, Tao, want niemand zou beter voor mijn dochter Eliza kunnen zorgen dan u.’
‘Niemand zou meer van haar kunnen houden dan ik, meneer.’
‘Wanneer ik er niet meer ben, zal iemand zich over mijn zus moeten ontfermen. U weet dat Rose als een moeder is geweest voor Eliza...’
‘Maakt u zich geen zorgen, Eliza en ik zullen haar altijd in de gaten houden,’ verzekerde zijn schoonzoon hem.
‘De dood... Ik bedoel... Zal hij snel en waardig zijn? Hoe weet ik wanneer het einde daar is?’
‘Wanneer u bloed opgeeft, meneer,’ zei Tao bedroefd.
Het gebeurde drie weken later, midden op de Stille Oceaan, in de beslotenheid van de hut van de kapitein. Zodra hij kon opstaan, veegde de oude zeevaarder de sporen van het braaksel weg, spoelde zijn mond, verwisselde het bebloede overhemd, stak zijn pijp aan en liep naar de voorsteven van het schip, waar hij ging zitten om voor het laatst naar de flonkerende sterren aan een zwartfluwelen hemel te kijken. Verscheidene matrozen zagen hem en wachtten op afstand met de pet in de hand. Toen de tabak was opgerookt, gooide kapitein John Sommers zijn benen over de reling en liet zich geruisloos in zee vallen.
Severo del Valle leerde Lynn Sommers kennen tijdens een reis van Chili naar Californië die hij samen met zijn vader in 1872 maakte om zijn tante en oom Paulina en Feliciano te bezoeken, die onderwerp waren van de sappigste roddels in de familie. Severo had zijn tante Paulina twee keer gezien tijdens haar sporadische verschijningen in Valparaíso, maar pas toen hij haar later in haar Noord-Amerikaanse omgeving had gezien, begreep hij de verzuchtingen van christelijke onverdraagzaamheid van zijn familie. Ver van het religieuze, conservatieve milieu in Chili, van grootvader Agustín die aan zijn rolstoel was gekluisterd, van grootmoeder Emilia met haar naargeestige kanten kraagjes en haar lijnzaadlavementen, van de rest van haar afgunstige, preutse familieleden, groeide Paulina uit tot de amazone die ze eigenlijk was. Tijdens de eerste reis was Severo del Valle nog te jong om de macht en rijkdom van die beroemde oom en tante te overzien, maar de verschillen tussen hen en de rest van de Del Valle-clan ontgingen hem niet. Pas toen hij jaren later terugkeerde, begreep hij dat ze tot de rijkste families van San Francisco werden gerekend, samen met de zilver-, spoorweg-, bank- en transportmagnaten. Tijdens die eerste reis, op zijn vijftiende, besliste Severo, gezeten aan het voeteneinde van het gepolychromeerde bed van zijn tante Paulina, terwijl zij de strategie voor haar handelsoorlogen bepaalde, over zijn eigen toekomst.
‘Je zou advocaat moeten worden, zodat je me kunt helpen mijn vijanden in de geest van de wet te vernietigen,’ adviseerde Paulina hem die dag, tussen twee hapjes van het bladerdeeggebakje met karamelpasta.
‘Ja, tante. Grootvader Agustín zegt dat elke respectabele familie een advocaat, een dokter en een bisschop moet hebben,’ antwoordde haar neef.
‘Er is ook een zakelijk brein nodig.’
‘Grootvader vindt de handel geen beroep voor edelmannen.’
‘Zeg hem maar dat adeldom geen brood op de plank brengt, en dat-ie dat in z’n reet kan steken.’
De jongen had die rare uitdrukking alleen maar gehoord van de koetsier bij hem thuis, een Madrileen die uit de gevangenis op Tenerife ontsnapt was en die om onbegrijpelijke redenen ook schijt had aan God en de hele wereld.
‘Stel je niet zo aan, manneke, een reet hebben we toch allemaal?’ riep Paulina dubbelgevouwen van het lachen uit toen ze het gezicht van haar neef zag.
Diezelfde middag nam ze hem mee naar de patisserie van Eliza Sommers. San Francisco had Severo verblind toen hij de stad vanaf de boot ontwaarde: een lichtstad gevestigd in een groen landschap van met bomen bedekte heuvels, die naar beneden glooiden tot de kustlijn van een baai met rustig water. Van veraf leek ze streng, met haar Spaanse ontwerp van parallel- en dwarsstraten, maar van dichtbij had de stad de bekoring van het onverwachte. Gewend aan de suffe aanblik van de haven van Valparaíso, waar hij was opgegroeid, stond de jongen versteld van de waanzinnige diversiteit aan stijlen van de huizen en de gebouwen, luxe en armoede, alles door elkaar heen, alsof de stad in allerijl was gesticht. Hij zag een dood paard overdekt met vliegen voor de deur van een chique winkel met violen en vleugels. Door het drukke verkeer van dieren en rijtuigen baande een kosmopolitische menigte zich een weg: Amerikanen, Spanjaarden, Fransen, Ieren, Italianen, Duitsers, een paar indianen en voormalige negerslaven, die nu vrij waren, maar nog immer verstoten en arm. Ze gingen een rondje door Chinatown lopen en bevonden zich in een oogwenk in een land bevolkt door ‘hemelingen’, zoals de Chinezen genoemd werden, die de koetsier met klappen van zijn rijzweep uiteendreef terwijl hij de fiacre naar Union Square stuurde. Hij hield stil voor een huis in Victoriaanse stijl, eenvoudig in vergelijking met de uitspattingen van lijstwerk, reliëfs en roosvensters die men daar gewoonlijk zag.
‘Dit is de theesalon van mevrouw Sommers, de enige hier in de buurt,’ legde Paulina uit. ‘Je kunt koffiedrinken waar je maar wil, maar voor een kop thee moet je hier zijn. De yankees walgen van dit nobele drankje sinds de Vrijheidsoorlog, die begon toen de opstandelingen in Boston de thee van de Engelsen overboord gooiden.’
‘Maar is dat niet een eeuw of wat geleden?’
‘Je ziet wel, Severo, hoe idioot patriottisme kan zijn.’
Niet thee was de reden van de veelvuldige bezoekjes van Paulina aan die salon, maar de fameuze patisserie van Eliza Sommers, die de ruimte vulde met een verrukkelijke geur van suiker en vanille. Het gebouw, een van de vele huizen die in de begintijd van San Francisco uit Engeland geïmporteerd werden – met een gebruiksaanwijzing om het in elkaar te zetten, net als bij speelgoed – had twee verdiepingen met daarbovenop een torentje, waardoor het de uitstraling kreeg van een landelijk kerkje. Op de benedenverdieping hadden ze twee kamers samengevoegd om de patisserie uit te breiden; er stonden verscheidene leunstoelen met krulpoten en vijf ronde tafeltjes met witte kleedjes. Op de tweede verdieping werden doosjes handgemaakte bonbons van de beste Belgische chocolade, marsepein en verschillende soorten creoolse lekkernijen uit Chili verkocht, die bij Paulina del Valle favoriet waren. De bediening bestond uit twee Mexicaanse meisjes met lange vlechten, witte schortjes en gesteven kapjes, telepathisch aangestuurd door de kleine mevrouw Sommers, die nauwelijks leek te bestaan, in tegenstelling tot de onstuimige aanwezigheid van Paulina. De getailleerde mode met bollende onderrokken stond Eliza goed, maar verveelvuldigde de omvang van Paulina; bovendien was Paulina del Valle niet zuinig met stoffen, franje, pompons en plooien. Die dag was ze uitgedost als een bijenkoningin, van top tot teen in zwart en geel, met een met veren afgewerkte hoed en een gestreept lijfje. Veel strepen. Ze stormde de theesalon binnen, verzwolg de lucht, en bij elk van haar bewegingen rinkelden de kopjes en kreunden de tere houten wanden. Toen ze haar zagen binnenkomen, renden de serveersters weg om een van de delicate rieten stoeltjes te vervangen door een steviger fauteuil, waarin de dame gracieus neerzeeg. Ze bewoog zich omzichtig, want niets maakt zo lelijk als gehaastheid; ze vermeed eveneens oudevrouwtjesgeluiden, nooit liet ze in het openbaar gepuf, gekuch, gekreun of zuchten van vermoeidheid ontsnappen, hoewel haar voeten haar pijnigden. ‘Ik wil niet de stem van een dikzak hebben,’ zei ze, en ze gorgelde dagelijks met citroensap met honing om haar stem zuiver te houden. Eliza Sommers, iel en recht als een sabel, gekleed in een donkerblauwe rok en een bij de manchetten en het kraagje dichtgeknoopte zachtgele bloes, en getooid met slechts een bescheiden parelsnoer, zag er opmerkelijk jong uit. Ze sprak een roestig Spaans door gebrek aan oefening en Engels met een Brits accent, en schakelde in dezelfde zin van de ene taal op de andere over, net als Paulina. Het fortuin en het adellijke bloed van mevrouw Del Valle stelden haar ver boven het sociale niveau van de ander. Een vrouw die werkte voor haar plezier kon alleen maar een manwijf zijn, maar Paulina wist dat Eliza niet meer tot het milieu behoorde waarin ze in Chili was opgegroeid en niet werkte voor haar plezier, maar uit noodzaak. Ze had ook gehoord dat ze met een Chinees samenleefde, maar haar verwoestende gebrek aan tact was niet groot genoeg om het haar rechtstreeks te vragen.
‘Mevrouw Eliza Sommers en ik hebben elkaar in 1840 in Chili leren kennen; zij was toen acht jaar oud en ik zestien, maar nu horen we tot dezelfde leeftijdscategorie,’ vertelde Paulina haar neef.
Terwijl de diensters thee serveerden, luisterde Eliza Sommers geamuseerd naar het onophoudelijke gekwebbel van Paulina, dat ternauwernood onderbroken werd om de volgende hap naar binnen te werken. Severo vergat hen toen hij aan een andere tafel een beeldschoon meisje ontdekte dat plaatjes in een album zat te plakken bij het licht van de gaslampen en het zachte schijnsel van de gebrandschilderde ramen, dat goudkleurige lichtvlekjes op haar wierp. Het was Lynn Sommers, de dochter van Eliza, een kind van zo’n zeldzame schoonheid dat zij toen al, op twaalfjarige leeftijd, door verscheidene fotografen in de stad als model gebruikt werd; haar gezicht stond op ansichtkaarten, affiches en kalenders met engeltjes die de lier bespeelden en ondeugende nimfen in bossen van papier-maché. Severo had nog de leeftijd waarop meisjes eerder een weerzinwekkend mysterie zijn voor jongens, maar hij liet zich meeslepen door de aantrekkingskracht; naast haar staand aanschouwde hij haar met open mond, zonder te begrijpen waarom hij pijn in zijn borst had en de aandrang voelde om te huilen. Eliza Sommers haalde hem uit zijn trance door hen te roepen om chocolademelk te komen drinken. Het meisje deed het album dicht zonder aandacht aan hem te schenken, alsof ze hem niet zag staan, en stond lichtvoetig op, zwevend. Ze ging voor haar kop chocolademelk zitten zonder een woord te zeggen of haar ogen op te slaan, lijdzaam onder de indiscrete blikken van de jongen, zich er volledig van bewust dat haar uiterlijk haar onderscheidde van de rest van de mensheid. Ze onderging haar schoonheid als een misvorming, in de stiekeme hoop dat die mettertijd zou overgaan.
Een paar weken later ging Severo met zijn vader aan boord voor de terugreis naar Chili, met in zijn herinnering de uitgestrektheid van Californië en met het beeld van Lynn Sommers stevig in zijn hart geplant.
Severo del Valle zag Lynn pas verscheidene jaren later weer. Eind 1876 keerde hij terug in Californië om bij zijn tante Paulina te gaan wonen, maar zijn relatie met Lynn begon pas op een winterwoensdag in 1879, en toen was het voor allebei al te laat. Bij zijn tweede bezoek aan San Francisco was de jongen uitgegroeid, maar hij was nog altijd benig, bleek en houterig en zat niet lekker in zijn vel, alsof hij te veel ellebogen en knieën had. Drie jaar later, toen hij als verstomd tegenover Lynn ging staan, was hij inmiddels een echte man, met de nobele gelaatstrekken van zijn Spaanse voorouders, de lenige bouw van een Andalusische stierenvechter en het ascetische voorkomen van een seminarist. Er was veel veranderd in zijn leven sinds de eerste keer dat hij Lynn had gezien. Het beeld van dat stille meisje met de loomheid van een rustende kat was hem gedurende de moeilijke jaren van de puberteit en het verdriet van de rouw bijgebleven. Zijn vader, die hij aanbeden had, was in Chili te jong overleden, en zijn moeder, die niet wist wat ze aan moest met die nog baardeloze, maar al te scherpzinnige en oneerbiedige zoon, stuurde hem naar een katholieke school in Santiago om zijn studie af te maken. Al snel brachten ze hem echter terug naar huis met een brief waarin in droge termen stond dat één rotte appel in de mand de rest te schand maakt of iets dergelijks. Toen maakte de onbaatzuchtige moeder op haar knieën een pelgrimstocht naar een wondergrot, waar de immer vindingrijke Maagd haar de oplossing influisterde: hem naar militaire dienst sturen opdat een sergeant het probleem zou aanpakken. Een jaar lang marcheerde Severo met de manschappen, verdroeg hij de strengheid en stompzinnigheid van het regiment, en hij kwam eruit met de rang van reserveofficier, vastbesloten om van zijn leven niet meer bij een kazerne in de buurt te komen. Hij was de deur nog niet uit of hij viel alweer terug op zijn oude vrienden en zijn onberekenbare vlagen van humor. Ditmaal gingen zijn ooms en tantes zich ermee bemoeien. Ze kwamen bij elkaar voor overleg in de sobere eetkamer in het huis van grootvader Agustín, in afwezigheid van de jongen en zijn moeder, die geen stem hadden in het familieberaad. In diezelfde kamer had Paulina del Valle vijfendertig jaar geleden, met kaalgeschoren hoofd en een diadeem met diamanten, de mannen in haar familie getrotseerd om te trouwen met Feliciano Rodríguez de Santa Cruz, de man die zij had uitgekozen. Nu werden daar de bewijzen tegen Severo aan de grootvader overlegd: hij weigerde te biechten en ter communie te gaan, ging uit met bohémiens, er waren boeken van de zwarte lijst in zijn bezit ontdekt – kortom, ze vermoedden dat hij geronseld was door de vrijmetselarij of, erger nog, de liberalen. Chili maakte een periode van strijd tussen onverenigbare ideologieën door, en naarmate de liberalen regeringsposten op hen veroverden, groeide de woede van de van Messiaanse ijver doortrokken ultraconservatieven als de Del Valles, die met anathema’s en kogels hun ideeën wilden doordrukken, vrijmetselaars en antiklerikalen wilden verpletteren en eens en voor altijd wilden afrekenen met de liberalen. De Del Valles waren niet bereid een dissident van hun eigen vlees en bloed in de schoot van de familie te tolereren. Het idee hem naar de Verenigde Staten te sturen kwam van grootvader Agustín. ‘De yankees zullen hem de lol om herrie te schoppen wel afleren,’ voorspelde hij. Ze zetten hem op de boot naar Californië zonder hem naar zijn mening te vragen, in rouwkleding, met het gouden horloge van zijn overleden vader in zijn vestzakje, met weinig bagage, waaronder een groot Christusbeeld met doornenkroon, en een verzegelde brief voor zijn oom Feliciano en tante Paulina.
Severo’s protesten waren louter voor de vorm, want die reis paste in zijn eigen plannen. Het deed hem alleen verdriet om van Nívea weg te gaan, het meisje van wie iedereen verwachtte dat ze op een dag met hem zou trouwen, in overeenstemming met de oude gewoonte van de Chileense oligarchie om onder neven en nichten te trouwen. Chili verstikte hem. Hij was gevangen in een web van dogma’s en vooroordelen opgegroeid, maar het contact met andere studenten op de school in Santiago had zijn verbeelding opengesteld en een patriottistische strijdbaarheid in hem aangewakkerd. Tot dan toe dacht hij dat er slechts twee sociale klassen waren: die van hem en die van de armen, van elkaar gescheiden door een vaag grijs gebied van ambtenaren en andere ‘doorsnee-Chileentjes’, zoals zijn grootvader Agustín ze noemde. In de kazerne besefte hij dat er van de mensen uit zijn klasse, met een blanke huid en economische macht, nauwelijks een handjevol was; de overgrote meerderheid was mesties en arm; in Santiago ontdekte hij echter dat er tevens een sterke, uitgebreide, ontwikkelde middenklasse met politieke ambities bestond, die in feite de ruggengraat van het land vormde en waartoe voor oorlogen of ellende gevluchte immigranten, wetenschappers, onderwijzers, filosofen, boekhandelaren en mensen met vooruitstrevende ideeën behoorden. Hij was verbluft over de redenaarskunst van zijn nieuwe vrienden, als iemand die voor het eerst verliefd wordt. Hij wilde Chili veranderen, het land helemaal omgooien, zuiveren. Hij raakte ervan overtuigd dat de conservatieven – behalve die in zijn eigen familie, die in zijn ogen niet handelden uit slechtheid maar vanuit een misvatting – tot de aanhangers van satan behoorden, in het hypothetische geval dat satan iets meer was dan een schilderachtig verzinsel, en hij besloot in de politiek te gaan zodra hij onafhankelijk zou zijn. Hij begreep dat daar nog enkele jaren voor nodig waren, juist daarom beschouwde hij de reis naar de Verenigde Staten als een frisse wind; hij zou de benijdenswaardige democratie van de Noord-Amerikanen kunnen bestuderen en ervan leren, lezen waar hij zin in had zonder zich zorgen te maken om de katholieke censuur en zich op de hoogte stellen van de vorderingen van de moderne tijd. Terwijl in de rest van de wereld monarchieën van de troon werden gestoten, nieuwe landen ontstonden, continenten werden gekoloniseerd en wonderen werden uitgevonden, discussieerde het parlement in Chili over het recht voor overspeligen om in gewijde graven te worden begraven. Het was in het bijzijn van zijn grootvader niet toegestaan de theorie van Darwin te noemen, die een revolutie in de menselijke kennis had ontketend, maar men mocht wel een middag verliezen met discussiëren over onwaarschijnlijke wonderen van heiligen en martelaren. De andere prikkel voor de reis was de herinnering aan de kleine Lynn Sommers, die enorm zwaar drukte op zijn liefde voor Nívea, hoewel hij dat zelfs in het diepst van zijn ziel niet zou toegeven.
Severo del Valle wist niet wanneer of hoe het idee om met Nívea te trouwen was opgekomen; misschien hadden niet zij, maar de familie dat besloten, maar geen van tweeën kwam in opstand tegen die lotsbestemming, want ze kenden elkaar en hielden van elkaar sinds hun kindertijd. Nívea behoorde tot een tak van de familie die vermogend was geweest toen haar vader nog leefde, maar na zijn dood werd de weduwe arm. Een gefortuneerde oom, die in oorlogstijd nog een prominente figuur zou worden, don Francisco José Vergara, hielp met de opvoeding van de neefjes en nichtjes. ‘Er bestaat geen ergere armoede dan die van aan lagerwal geraakte mensen, want men moet iets hooghouden wat men niet heeft,’ had Nívea haar neef Severo toevertrouwd tijdens een van die plotselinge heldere momenten die haar typeerden. Ze was vier jaar jonger dan hij, maar veel volwassener; zij was degene die de toon aangaf in die jeugdliefde door hem vastberaden mee te voeren naar de romantische verhouding die ze uiteindelijk hadden toen Severo naar de Verenigde Staten vertrok. In de gigantische huizen waarin hun levens verstreken, zaten meer dan genoeg perfecte hoekjes om elkaar te beminnen. Tastend in het donker ontdekten neef en nicht met de stunteligheid van jonge honden de geheimen van elkaars lichaam. Ze streelden elkaar nieuwsgierig en stelden de verschillen vast, zonder te weten waarom hij dit had en zij dat, in de war door schuld en schaamte, immer zwijgend, want iets dat niet onder woorden werd gebracht, leek niet gebeurd en minder zondig. Ze onderzochten elkaar haastig en bang, zich ervan bewust dat ze die spelletjes tussen neef en nicht zelfs in de biechtstoel niet konden bekennen, al waren ze daardoor tot de hel gedoemd. Ze werden door talloze ogen in de gaten gehouden. De oude dienstmeiden die hen geboren hadden zien worden, beschermden die onschuldige liefde, maar de vrijgezelle tantes spiedden als raven; niets ontging hun zielloze ogen, die slechts dienden om elk moment van het familieleven te registreren; niets ontging die duistere tongen die geheimen onthulden en ruzies op de spits dreven, zij het altijd binnen de familie. Niets kwam buiten de muren van die huizen. Het was ieders eerste plicht de eer en goede naam van de familie te beschermen. Nívea was pas laat gaan groeien en had op haar vijftiende nog een kinderlichaam en een onschuldig gezicht, niets in haar uiterlijk verried de kracht van haar karakter: klein van stuk, mollig, met als enig vermeldenswaardig kenmerk haar grote, donkere ogen, leek ze onbeduidend, tot ze haar mond opendeed. Terwijl haar zussen de hemel verdienden met het lezen van vrome boeken, las zij in het geniep de artikelen en boeken die haar neef Severo haar onder de tafel aanreikte en de klassieke werken die haar oom José Francisco Vergara haar leende. Toen in haar milieu vrijwel niemand het erover had, kwam zij op de proppen met het idee voor vrouwenkiesrecht. De eerste keer dat ze het aanroerde, tijdens een familielunch in het huis van don Agustín del Valle, ontstond er een kettingreactie van ontzetting. ‘Wanneer gaan vrouwen en armen in dit land stemmen?’ vroeg Nívea ineens, zonder eraan te denken dat kinderen in het bijzijn van volwassenen hun mond niet opendeden. De oude patriarch Del Valle gaf een vuistslag op tafel die de glazen lanceerde, en gebood haar meteen te gaan biechten. Nívea vervulde zwijgend de boetedoening die de priester haar had opgelegd en schreef met haar gebruikelijke hartstocht in haar dagboek dat ze niet van plan was te rusten voordat ze fundamentele rechten voor vrouwen had verworven, al zouden ze haar uit de familie verstoten. Ze had het geluk gehad te kunnen rekenen op een uitzonderlijke onderwijzeres, zuster María Escapulario, een non met een leeuwinnenhart onder het habijt, die Nívea’s intelligentie had opgemerkt. Met dit meisje, dat alles gretig in zich opnam, dat vraagtekens zette bij dingen die zijzelf zich nog nooit had afgevraagd, dat haar uitdaagde met voor haar leeftijd onverwachte redeneringen en dat bijna uit haar afgrijselijke uniform leek te barsten van levenslust en gezondheid, voelde de non zich beloond als onderwijzeres. Nívea was in haar eentje al die jaren van onderwijzen aan een hele schare rijke meisjes met een muizenverstand de moeite waard. Uit genegenheid voor haar overtrad zuster María Escapulario systematisch het schoolreglement, dat in het leven was geroepen met de specifieke doelstelling gehoorzame kinderen van de leerlingen te maken. Ze had gesprekken met haar die moeder-overste en de geestelijk leider van de school met afschuw zouden vervullen.
‘Toen ik zo oud was als jij waren er maar twee mogelijkheden: trouwen of het klooster in gaan,’ zei zuster María Escapulario.
‘Waarom koos u voor het tweede, zuster?’
‘Omdat het me meer vrijheid gaf. Jezus is een verdraagzame echtgenoot...’
‘Wij vrouwen zijn mooi de pineut, zuster. Kinderen krijgen en gehoorzamen, verder niets,’ verzuchtte Nívea.
‘Zo hoeft het niet. Jij kunt de dingen veranderen,’ antwoordde de non.
‘Ik in mijn eentje?’
‘Niet in je eentje, er zijn meer meisjes zoals jij, die niet op hun achterhoofd gevallen zijn. Ik heb in een krant gelezen dat er nu een aantal vrouwen dokter zijn, stel je voor!’
‘Waar?’
‘In Engeland.’
‘Dat is een heel eind weg.’
‘Jawel, maar als zij het daar kunnen, zal het op een dag ook in Chili kunnen. Laat het hoofd niet hangen, Nívea.’
‘Mijn biechtvader zegt dat ik veel nadenk en weinig bid, zuster.’
‘God heeft je hersens gegeven om ze te gebruiken, maar ik waarschuw je dat de weg van het verzet bezaaid zal zijn met gevaren en verdriet; er is veel moed voor nodig om die te bewandelen. Het zou geen kwaad kunnen de Goddelijke Voorzienigheid te vragen je een beetje te helpen...’ adviseerde zuster María Escapulario haar.
Nívea beet zich er zo in vast dat ze in haar dagboek schreef dat ze zou afzien van het huwelijk, om zich volledig te wijden aan de strijd voor vrouwenkiesrecht. Ze wist niet dat een dergelijk offer niet nodig was omdat ze uit liefde zou trouwen met een man die haar zou bijstaan in haar politieke plannen.
Severo ging aan boord met een gegriefde houding, zodat zijn familieleden niet zouden vermoeden hoe blij hij was om uit Chili weg te gaan – ze mochten eens van gedachten veranderen – en besloot zo veel mogelijk op te steken van dit avontuur. Hij nam afscheid van zijn nicht Nívea met een gestolen kus, nadat hij haar had gezworen haar via een vriend, om de familiecensuur te omzeilen, interessante boeken te sturen en haar elke week te schrijven. Zij had zich neergelegd bij een scheiding van een jaar, zonder te vermoeden dat hij plannen had gemaakt om zo lang mogelijk in de Verenigde Staten te blijven. Severo wilde het afscheid niet nog bitterder maken door deze voornemens uit te spreken, die zou hij Nívea nog wel in een brief uitleggen, besloot hij. Ze waren hoe dan ook allebei te jong om te trouwen. Hij zag haar staan op de kade van Valparaíso, omgeven door de rest van de familie, met haar olijfkleurige jurk en mutsje, terwijl ze naar hem zwaaide en met moeite een glimlach toonde. ‘Ze huilt en klaagt niet, daarom hou ik van haar en zal ik altijd van haar houden,’ zei Severo hardop tegen de wind, bereid om de grillen van zijn hart en de verleidingen van de wereld met volharding te overwinnen. ‘Heilige Maagd, breng hem gezond en wel bij me terug,’ smeekte Nívea, op haar lippen bijtend, overmand door liefde en totaal vergetend dat ze gezworen had celibatair te blijven tot ze haar plicht als strijdster voor het vrouwenkiesrecht vervuld zou hebben.
De jonge Del Valle zat van Valparaíso tot Panama aan de brief van zijn grootvader Agustín te friemelen, popelend om hem te openen, maar hij durfde het niet, want ze hadden hem op het hart gedrukt dat geen enkele heer het oog op een brief of de hand op het geld houdt. Uiteindelijk was de nieuwsgierigheid sterker dan het eergevoel – het ging om zijn toekomst, redeneerde hij – en verbrak hij met zijn scheermes behoedzaam het zegel, hield vervolgens de envelop boven de stoom uit een theeketel en opende hem allervoorzichtigst. Zo ontdekte hij dat het zijn grootvaders plan was hem naar een Noord-Amerikaanse militaire school te sturen. Het was jammer, voegde de grootvader eraan toe, dat Chili niet met een buurland in oorlog was, zodat zijn kleinzoon een man zou worden met de wapens in de hand, zoals het hoorde. Severo gooide de brief in zee en schreef een nieuwe met zijn eigen bepalingen, stopte die in dezelfde envelop en druppelde gesmolten lak over het verbroken zegel. In San Francisco wachtte zijn tante Paulina aan de kade op hem, vergezeld door twee lakeien en Williams, haar statige butler. Ze was uitgedost met een belachelijke hoed en een overdaad aan in de wind wapperende sluiers, die haar als ze niet zo zwaar was geweest de lucht in getild hadden. Ze begon luidkeels te lachen toen ze haar neef over de loopplank aan zag komen lopen met het Christusbeeld in zijn armen; vervolgens drukte ze hem tegen haar sopranenboezem en verstikte hem in de berg van haar borsten en haar gardeniaparfum.
‘Eerst moeten we ons maar eens van dat monster ontdoen,’ zei ze terwijl ze naar het Christusbeeld wees. ‘We zullen ook kleren voor je moeten kopen, in deze contreien loopt niemand er zo bij,’ voegde ze eraan toe.
‘Dit pak is van mijn vader geweest,’ legde Severo gekrenkt uit.
‘Dat is te zien, je lijkt wel een doodgraver,’ zei Paulina, en ze had het nog niet gezegd of ze bedacht dat de jongen kortgeleden zijn vader verloren had. ‘Het spijt me, Severo, ik wilde je niet beledigen. Jouw vader was mijn lievelingsbroer, de enige in de familie met wie te praten viel.’
‘Ze hebben een paar van zijn pakken voor me vermaakt, zodat ze niet verloren zouden gaan,’ zei Severo met gebroken stem.
‘Dat was een slecht begin. Kun je me vergeven?’
‘Het is goed, tante.’
Bij de eerste gelegenheid die zich voordeed, gaf de jongen haar de nepbrief van grootvader Agustín. Zij wierp er een nogal onaandachtige blik op.
‘Wat stond er in de andere?’ vroeg ze.
Met rode oortjes deed Severo een poging te ontkennen wat hij gedaan had, maar zij gaf hem de tijd niet om in leugens verstrikt te raken.
‘Ik had hetzelfde gedaan, jongen. Ik wil weten wat er in de brief van mijn vader stond om hem te antwoorden, niet om naar hem te luisteren.’
‘Dat u me naar een militaire school of de oorlog in moet sturen, als er hier in de buurt een is.’
‘Je bent te laat, die is alweer voorbij. Maar ze zijn nu de indianen aan het afslachten, mocht dat je interesseren. Ze verweren zich behoorlijk, de indianen... stel je voor, ze hebben pas generaal Custer en meer dan tweehonderd soldaten van de 7de cavalerie in Wyoming vermoord. Er wordt over niets anders gepraat. Ze zeggen dat een indiaan genaamd Rain in the Face – wat een poëtische naam toch – gezworen had wraak te nemen op de broer van generaal Custer en dat hij hem in die strijd het hart heeft uitgerukt en het heeft verslonden. Heb je nog steeds zin om soldaat te worden?’ lachte Paulina del Valle binnensmonds.
‘Ik heb nooit militair willen worden, dat zijn ideeën van grootvader Agustín.’
‘In de brief die je vervalst hebt, zeg je dat je advocaat wilt worden, ik zie dat de raad die ik je jaren geleden heb gegeven niet aan dovemansoren was gericht. Daar hou ik van, jongen. De Amerikaanse wetten zijn niet zoals de Chileense, maar dat is niet zo’n punt. Jij wordt advocaat. Je zult als leerling bij het beste advocatenkantoor van Californië beginnen, mijn connecties moeten toch ergens goed voor zijn,’ stelde Paulina.
‘Ik sta voor de rest van mijn leven bij u in het krijt, tante,’ zei Severo, onder de indruk.
‘Inderdaad. Ik hoop dat je dat niet vergeet. Het leven is lang en je weet maar nooit wanneer ik jou om een gunst moet vragen.’
‘Op mij kunt u rekenen, tante.’
De volgende dag stond Paulina del Valle met Severo in het kantoor van haar advocaten, dezelfde die haar meer dan vijfentwintig jaar lang hadden gediend en gigantische commissies hadden verdiend, en vertelde hun onomwonden dat ze verwachtte vanaf volgende week maandag haar neef bij hen te zien werken om het vak te leren. Ze konden niet weigeren. De tante gaf de jongen onderdak in een zonrijke kamer op de tweede verdieping van haar huis, kocht een goed paard voor hem, kende hem een maandsalaris toe, gaf hem een leraar Engels en introduceerde hem vervolgens in de hogere kringen, omdat er volgens haar geen groter kapitaal bestond dan connecties.
‘Ik verwacht twee dingen van je: trouw en een goed humeur.’
‘Verwacht u niet dat ik ook studeer?’
‘Dat is jouw probleem, jongen. Wat jij met je leven doet is helemaal mijn zaak niet.’
Toch merkte Severo in de daaropvolgende maanden dat Paulina zijn vorderingen in het advocatenkantoor met argusogen volgde, zijn vriendschappen bijhield, zijn uitgaven optelde en zijn stappen kende zelfs nog voor hij ze gezet had. Hoe ze het voor elkaar kreeg om zoveel te weten te komen was een raadsel, tenzij Williams, de ondoorgrondelijke butler, een spionagenetwerk opgezet had. De man had de leiding over een leger aan bedienden, die als geruisloze schaduwen hun werkzaamheden verrichten, in een afzonderlijk gebouw achter in het park bij het huis woonden en wie het verboden was het woord tot de dames en heren van de familie te richten, behalve wanneer ze geroepen werden. Ze konden evenmin met de butler spreken zonder eerst voorbij de sleutelbewaarster te komen. Het kostte Severo moeite die hiërarchieën te begrijpen, want in Chili lagen de zaken veel eenvoudiger. De bazen, zelfs de meest despotische, zoals zijn grootvader, behandelden hun bedienden meedogenloos, maar voorzagen in hun behoeften en beschouwden hen als onderdeel van de familie. Hij had nooit een dienstmeid ontslagen zien worden; die vrouwen kwamen in hun puberteit in het huis werken en bleven er tot hun dood. Het deftige huis op Nob Hill was heel anders dan de kloosterlijk grote huizen waarin zijn kindertijd was verstreken, met dikke muren van adobe en lugubere, met ijzer beslagen deuren, met schaarse, tegen de naakte muren geschoven meubels. In het huis van zijn tante Paulina zou het een onmogelijke taak geweest zijn om een inventaris te maken van wat erin stond, van de massief zilveren deurklinken en badkranen tot de verzameling porseleinen beeldjes, Russische doosjes van gelakt hout, Chinees ivoor en alle kunstvoorwerpen of hebbedingen die maar in de mode waren. Feliciano Rodríguez de Santa Cruz kocht om het bezoek te imponeren, maar hij was geen barbaar, zoals andere bevriende magnaten, die boeken per kilo kochten en schilderijen voor de kleur om ze met de fauteuils te combineren. Paulina was daarentegen helemaal niet gehecht aan die schatten; het enige meubelstuk dat ze in haar leven had besteld was haar bed, en dat had ze gedaan uit overwegingen die niets te maken hadden met esthetiek of luxe. Zij was domweg geïnteresseerd in geld; haar uitdaging bestond eruit het listig te verdienen, hardnekkig te vergaren en verstandig te investeren. Ze lette niet op de dingen die haar man kocht of waar hij ze neerzette, en het resultaat was een ostentatieve villa waarin de bewoners zich vreemdelingen voelden. De schilderijen waren enorm, de lijsten massief, de thema’s heldhaftig – Alexander de Grote verovert Perzië –, maar er hingen ook honderden kleinere schilderijen, geordend op onderwerp, die de kamers naam gaven: de jachtsalon, de scheepvaartsalon, de aquarellensalon. De gordijnen waren van zwaar fluweel met overweldigende kwasten en de Venetiaanse spiegels weerkaatsten tot in het oneindige de marmeren zuilen, de hoge vazen van sèvresporselein, de bronzen beelden, de vazen en schalen boordevol bloemen en fruit. Er waren twee muzieksalons met exclusieve Italiaanse instrumenten, hoewel niemand in die familie ze kon bespelen en Paulina hoofdpijn kreeg van muziek, en een bibliotheek van twee verdiepingen. In elke hoek stonden zilveren kwispedoors met gouden initialen, want in die grensstad was het volledig geaccepteerd in het openbaar te spuwen. Feliciano had zijn kamers in de oostelijke vleugel en zijn vrouw de hare op dezelfde verdieping, maar aan de andere kant van het huis. Tussen hun vertrekken, verbonden door een brede gang, lagen naast elkaar de slaapkamers van de kinderen en de gastenkamers, allemaal leeg, behalve die van Severo en een andere, waarin de oudste zoon Matías verbleef, de enige die nog thuis woonde. Severo del Valle, gewend aan ongerief en kou, wat in Chili beschouwd wordt als goed voor de gezondheid, kon pas na een paar weken wennen aan de verstikkende omhelzing van de matras en de donzen kussens, aan de eeuwigdurende zomer van kachels en de verrassing elke dag de badkamerkraan open te draaien en een warmwaterstraal te krijgen. In het huis van zijn grootvader waren de wc’s stinkende hutjes achter op de binnenplaats en op winterochtenden stond het waswater met een laagje ijs in de lampetkommen.
De jonge neef en de weergaloze tante werden doorgaans pratend over zaken en familiekwesties in het mythologische bed overvallen door de siësta, zij onder de lakens met haar enorme kasboeken aan de ene en haar gebakjes aan de andere kant, hij gezeten aan het voeteneinde tussen de najade en de dolfijn. Alleen met Severo durfde Paulina zo intiem te zijn. Slechts weinigen hadden toegang tot haar privévertrekken, maar bij hem voelde ze zich helemaal op haar gemak in haar nachthemd. Die neef gaf haar een voldoening die haar eigen kinderen haar nooit gegeven hadden. De twee jongsten leefden van de erfenis en genoten van symbolische banen in de directie van de bedrijven van de clan, de een in Londen en de ander in Boston. Matías, de eerstgeborene, was voorbestemd om aan het hoofd van de familie Rodríguez de Santa Cruz y del Valle te staan, maar hij voelde daar niet de geringste roeping toe; hij wilde helemaal niet in de voetsporen treden van zijn ondernemende ouders, interesseerde zich totaal niet voor hun bedrijven en het was hem er evenmin aan gelegen zoons op de wereld te zetten om de achternaam in stand te houden. Hij had het hedonisme en het vrijgezellenbestaan tot kunst verheven. ‘Hij is niet meer dan een goed geklede sukkel,’ zo beschreef Paulina hem eens tegenover Severo, maar toen ze zag hoe goed haar zoon en haar neef met elkaar overweg konden, probeerde ze naarstig die ontluikende vriendschap te vergemakkelijken. ‘Mijn moeder doet niets voor niets, het zal haar bedoeling wel zijn dat jij me uit het losbandige leven redt,’ spotte Matías. Severo was niet van plan de taak op zich te nemen om zijn neef te veranderen, integendeel, hij had graag op hem geleken; in vergelijking met hem voelde hij zich stijf en doods. Alles in Matías wekte zijn verwondering: zijn onberispelijke stijl, zijn ijzige ironie, de luchtigheid waarmee hij ongegeneerd geld uitgaf.
‘Ik wil dat je vertrouwd raakt met mijn zaken. Dit is een materialistische en onbeschaafde maatschappij met weinig respect voor vrouwen. Hier tellen slechts rijkdom en connecties, en daarvoor heb ik je nodig: je zult mijn ogen en oren zijn,’ deelde Paulina haar neef een paar maanden na zijn aankomst mee.
‘Ik weet niets van zaken.’
‘Maar ik wel. Ik vraag je niet om na te denken, daar ben ik voor. Jij houdt je mond, observeert, luistert en brengt me verslag uit. Vervolgens doe je wat ik zeg zonder al te veel vragen te stellen. Duidelijk?’
‘U moet me niet vragen vals te spelen, tante,’ antwoordde Severo waardig.
‘Ik zie dat je een aantal geruchten over me hebt gehoord... Luister eens, jongen, wetten zijn uitgevonden door de sterken om de zwakken te overheersen, die met veel meer zijn. Ik heb niet de plicht ze te respecteren. Ik heb een advocaat nodig die ik volledig kan vertrouwen om te doen waar ik zin in heb zonder in de problemen te komen.’
‘Op een nette manier, hoop ik...’ waarschuwde Severo haar.
‘Ach, jongen! Zo komen we nergens. Jouw goede naam is niet in gevaar, zolang je maar niet overdrijft,’ antwoordde Paulina.
Zo bezegelden ze een overeenkomst die even sterk was als de bloedband die hen verenigde. Paulina, die hem zonder al te hoge verwachtingen had binnengehaald in de overtuiging dat hij een vlegel was, de enige reden waarom ze hem vanuit Chili naar haar zouden sturen, was aangenaam verrast door deze slimme en oprechte neef. Binnen een paar jaar leerde Severo Engels met een gemak dat nog niemand in zijn familie aan den dag had gelegd, leerde hij de bedrijven van zijn tante kennen als zijn broekzak, doorkruiste hij tot twee keer toe per trein de Verenigde Staten – een keer aangenaam beziggehouden door een aanval van Mexicaanse bandieten – en had hij zelfs nog tijd om advocaat te worden. Met zijn nicht Nívea onderhield hij een wekelijkse briefwisseling, die met de jaren eerder als intellectueel dan als romantisch omschreven kon worden. Zij vertelde hem over de familie en de Chileense politiek; hij kocht boeken voor haar en knipte artikelen uit over de vorderingen die de strijdsters voor vrouwenkiesrecht in Europa en de Verenigde Staten boekten. Het bericht dat er in het Amerikaanse Congres een wijzigingsvoorstel was ingediend om het stemrecht voor vrouwen toe te staan, werd door de twee op afstand van elkaar gevierd, hoewel ze het erover eens waren dat het gelijkstond aan waanzin zich iets dergelijks in Chili voor te stellen. ‘Wat bereik ik met al dat studeren en lezen, neef, als er in het leven van de vrouw geen gelegenheid is om iets te doen? Mijn moeder zegt dat ik onmogelijk kan trouwen omdat ik de mannen afschrik, dat ik me mooi moet maken en mijn mond moet houden als ik een echtgenoot wil. Mijn familie juicht de geringste kennis bij mijn broers toe – en ik zeg “gering” omdat je weet hoe stom ze zijn –, maar bij mij zien ze het als stoerdoenerij. De enige die me accepteert is mijn oom José Francisco, want ik geef hem de kans om met me over wetenschap, astronomie en politiek te praten, onderwerpen waar hij graag over betoogt, hoewel mijn meningen er niet toe doen. Je kunt je niet voorstellen hoe jaloers ik ben op mannen als jij, voor wie de wereld openligt,’ schreef de jonge vrouw. De liefde besloeg slechts een regel of twee in Nívea’s brieven en een paar woorden in die van Severo, alsof ze de stilzwijgende overeenkomst hadden de intense en gehaaste liefkozingen in de verborgen plekjes van het huis te vergeten. Twee keer per jaar stuurde Nívea hem een foto, zodat hij kon zien hoe ze tot een vrouw uitgroeide, en hij beloofde hetzelfde te doen maar vergat het altijd, net zoals hij vergat haar te zeggen dat hij ook die kerst weer niet naar huis zou komen. Een vrouw met meer haast om te trouwen dan Nívea zou haar voelhoorns uitsteken om een minder ongrijpbare vriend te vinden, maar zij twijfelde er nooit aan dat Severo haar echtgenoot zou worden. Ze was er zo zeker van, dat die inmiddels jarenlang durende scheiding haar niet al te veel zorgen baarde; ze was bereid te wachten tot het einde der tijden. Severo, van zijn kant, koesterde de herinnering aan zijn nicht als symbool van al het goede, nobele en zuivere.
Het uiterlijk van Matías kon de mening van zijn moeder rechtvaardigen dat hij slechts een goed geklede sukkel was, maar een sukkel was hij allerminst. Hij had alle belangrijke musea in Europa bezocht, had verstand van kunst, kon alle klassieke poëten voordragen die er waren en was de enige die gebruik maakte van de huisbibliotheek. Hij ontwikkelde zijn eigen stijl, een mengeling van bohémien en dandy; van het een had hij de gewoonte van het nachtleven en van het ander de gebrandheid op details qua kleding. Hij werd beschouwd als de beste partij van San Francisco, maar hij verklaarde zich overtuigd vrijgezel; hij had liever een platte conversatie met zijn ergste vijand dan een afspraakje met de meest aantrekkelijke van de vrouwen die verliefd op hem waren. Het enige dat hij met vrouwen gemeen had, was de mogelijkheid tot voortplanten, op zichzelf een absurde doelstelling, zei hij. Als de natuur riep, had hij liever een van de vele professionals die voorhanden waren. Er was geen herenavond denkbaar zonder afsluiting met een brandy in de bar en een bordeelbezoek; er waren meer dan een kwart miljoen prostituees in het land en een groot percentage daarvan verdiende haar brood in San Francisco, van de erbarmelijke sing song girls in Chinatown tot de verfijnde jongedames in de zuidelijke staten, die door de burgeroorlog in het liederlijke leven terechtgekomen waren. De jonge erfgenaam, die zo intolerant was ten opzichte van de vrouwelijke zwakheden, beroemde zich op zijn geduld met de onbeschoftheid van zijn losbollige vrienden; het was de zoveelste eigenaardigheid van hem, net zoals zijn voorliefde voor de dunne, zware cigarillo’s die hij in Egypte bestelde en voor literaire en waargebeurde misdaadverhalen. Hij woonde in het fraaie ouderlijk huis op Nob Hill en beschikte over een luxeappartement midden in het centrum met bovenin een ruime zolder, die hij de garçonnière noemde en waar hij af en toe schilderde en regelmatig feesten gaf. Hij verkeerde in het wereldje van bohémiens, een stel arme drommels die zich stoïcijns staande hielden in een uitzichtloze, diepe armoe: dichters, journalisten, fotografen, aankomende schrijvers en acteurs, mannen zonder familie die half ziek, hoestend en converserend door het leven gingen, op krediet leefden en geen horloge droegen, omdat de tijd niet voor hen was uitgevonden. Ze lachten de Chileense aristocraat achter zijn rug uit om zijn kleren en manieren, maar ze tolereerden hem omdat ze altijd naar hem toe konden voor wat dollars, een slok whisky of een plekje op de zolder om hun roes uit te slapen.
‘Is het je opgevallen dat Matías homomaniertjes heeft?’ zei Paulina tegen haar man.
‘Hoe kun je zulke nonsens over je eigen zoon uitkramen! Nooit hebben we er in mijn familie of de jouwe zo een gehad!’ antwoordde Feliciano.
‘Ken jij een normale vent die de kleur van zijn sjaal afstemt op die van het behang?’ brieste Paulina.
‘Nou ja, verdomme! Jij bent zijn moeder en het is jouw taak een vriendin voor hem uit te zoeken! Die jongen is al dertig en nog steeds vrijgezel. Je kunt er maar beter snel eentje vinden, voordat hij een alcoholist, een tuberculoselijder of iets ergers wordt,’ waarschuwde Feliciano, zonder te weten dat het al te laat was voor halfslachtige redmiddelen.
In een van die nachten met een ijzige bries, karakteristiek voor de zomer in San Francisco, bonsde de butler Williams in slipjas op de kamerdeur van Severo del Valle.
‘Neem me niet kwalijk dat ik u lastigval, meneer,’ mompelde hij met een beleefd kuchje, terwijl hij binnenkwam met in zijn gehandschoende hand een kandelaar met drie kaarsen.
‘Wat is er, Williams?’ vroeg Severo verontrust, want het was de eerste keer dat iemand hem in dat huis uit zijn slaap haalde.
‘Ik vrees dat er een klein probleem is. Het gaat om don Matías,’ zei Williams, met die Britse statige eerbied die men in Californië niet kende, en die altijd eerder ironisch dan respectvol klonk.
Hij vertelde dat er op dat late uur een boodschap was aangekomen, gestuurd door een dame van twijfelachtige reputatie, een zekere Amanda Lowell, die regelmatig door de jongeheer werd bezocht – mensen uit een ‘ander milieu’, zoals hij zei. Severo las het bericht bij het kaarslicht: slechts drie regels, waarin om onmiddellijke hulp voor Matías werd gevraagd.
‘We moeten mijn oom en tante waarschuwen, misschien heeft Matías wel een ongeluk gehad,’ zei Severo geschrokken.
‘Kijkt u eens naar het adres, meneer, het is midden in Chinatown. Het lijkt me beter als meneer en mevrouw hier niet achter komen,’ was de butler van mening.
‘Goh! Ik dacht dat u geen geheimen had voor mijn tante Paulina.’
‘Ik probeer haar te ontzien, meneer.’
‘Wat stelt u voor om te doen?’
‘Als het niet te veel gevraagd is, meneer, pak dan uw wapens en ga met me mee.’
Williams had een stalknecht wakker gemaakt om een van de koetsen in gereedheid te brengen, maar hij wilde de zaak zo stil mogelijk houden en nam zelf de teugels in handen en stuurde zonder aarzelen door de donkere, lege straten richting de Chinese wijk, geleid door het instinct van de paarden, want de wind blies telkens de lampen van het voertuig uit. Severo had de indruk dat het niet voor het eerst was dat de man door die straatjes rondreed. Al snel stapten ze uit het rijtuig en gingen ze te voet een smal straatje door dat uitkwam op een donkere binnenplaats, waar een merkwaardige, zoete geur als van gebrande noten hing. Er was geen levende ziel te bekennen, er was slechts het geluid van de wind, en het enige licht kwam gefilterd binnen door de kieren van twee kleine ramen op straatniveau. Williams stak een lucifer aan, las nogmaals het adres op het papiertje en duwde zonder omhaal een van de deuren open die op de patio uitkwamen. Severo volgde hem, met zijn hand op het wapen. Ze bereikten een kleine, ongeventileerde, maar schone en opgeruimde kamer, waar men door de dichte opiumwalm nauwelijks kon ademhalen. Rond een centrale tafel waren naast elkaar, en gestapeld als scheepskooien, houten compartimenten tegen de muren geplaatst, waarin een matje en, bij wijze van kussen, een stuk uitgehold hout lagen. Er lagen Chinezen in, soms twee per hokje, op hun zij en met kleine dienbladen voor zich waarop een doosje met een zwarte pasta en een brandend lampje stonden. Het was zeer laat in de nacht en de drug had bij de meerderheid effect gehad; de mannen lagen lethargisch door hun droomwereld te dwalen, slechts twee of drie hadden nog de kracht om een metalen staafje door de opium te halen, het boven de lamp te verhitten, het kleine vingerhoedje van de pijp vol te stoppen en door een bamboestokje te inhaleren.
‘Mijn god!’ stamelde Severo, die hiervan gehoord had, maar het nooit van dichtbij gezien had.
‘Het is beter dan alcohol, als ik zo vrij mag zijn,’ antwoordde Williams. ‘Het zet niet aan tot geweld en doet anderen geen kwaad, alleen degene die rookt. Moet u zien hoeveel rustiger en schoner dit is dan een willekeurige bar.’
Een oude Chinees in een kiel en een wijde katoenen broek kwam op hen toe gestrompeld. De rode oogjes kwamen nauwelijks uit de diepe rimpels in zijn gezicht te voorschijn, hij had een snor die even slap en grijs was als de schrale vlecht die op zijn rug hing; al zijn nagels, behalve die van de duim en de wijsvinger, waren zo lang dat ze omkrulden als het staartje van een oud schelpdier, zijn mond leek een zwart gat en de weinige tanden die hij nog had, waren verkleurd door de tabak en de opium. Deze manke overgrootvader richtte zich in het Chinees tot de nieuwkomers, en tot Severo’s verrassing blafte de Engelse butler in dezelfde taal iets terug. Er viel een ellenlange stilte, gedurende welke niemand zich verroerde. De Chinees bleef Williams aankijken, alsof hij hem bestudeerde, en stak ten slotte zijn hand uit, waar de ander enkele dollars in legde, die de oude man onder zijn kiel wegstopte; daarop pakte hij een kaarsstompje en gebaarde hun hem te volgen. Ze kwamen door een tweede zaal en meteen door een derde en een vierde, allemaal hetzelfde als de eerste; ze gingen door een kronkelige gang, liepen een korte trap af en stonden weer in een andere gang. Hun gids beduidde hun te wachten en verdween een paar minuten, die een eeuwigheid leken. Severo hield zwetend zijn vinger aan de overgehaalde haan van zijn wapen, op zijn hoede en zonder ook maar een half woord te durven uitspreken. Eindelijk kwam de overgrootvader terug en leidde hen door een labyrint tot ze tegenover een gesloten deur stonden, waar hij idioot aandachtig naar bleef kijken als iemand die een landkaart ontcijfert, totdat Williams hem nog een paar dollar toestopte – toen deed hij open. Ze gingen een ruimte binnen die nog kleiner, donkerder, rokeriger en drukkender was dan de andere, omdat deze onder straatniveau lag en geen ventilatie had, maar voor het overige was hij hetzelfde als de vorige. Op de houten bedden lagen vijf blanke Amerikanen, vier mannen en een wat oudere, maar nog stralende vrouw met een waterval van rood haar dat als een schandaleuze mantel om haar heen lag uitgewaaierd. Te oordelen naar hun elegante kleding waren het vermogende mensen. Ze bevonden zich allemaal in dezelfde toestand van gelukzalige wezenloosheid, op één na, die op zijn rug in een gescheurd overhemd naar adem hapte, met zijn armen als een kruis gespreid, een krijtwitte huidskleur en weggedraaide ogen. Het was Matías Rodríguez de Santa Cruz.
‘Kom, meneer, help me,’ gelastte Williams Severo.
Met z’n tweeën tilden ze hem met moeite op, ieder sloeg een arm van de bewusteloze man om zijn nek, en zo namen ze hem als een gekruisigde mee, met hangend hoofd, een slap lichaam, de voeten over de vloer van aangestampte aarde slepend. Ze maakten de lange weg terug door de smalle gangen en passeerden een voor een de benauwde kamers, totdat ze ineens in de openlucht stonden, in de ongemene zuiverheid van de nacht, waar ze, versuft, diep en gretig konden ademhalen. Ze legden Matías zo goed en zo kwaad als het ging in het rijtuig en Williams bracht hen naar de garçonnière, waarvan Severo dacht dat de bediende van zijn tante die niet kende. Nog groter was zijn verbazing toen Williams de sleutel te voorschijn haalde, er de hoofddeur van het gebouw mee opende en daarna een andere pakte om die van de zolder te ontsluiten.
‘Dit is niet de eerste keer dat u mijn neef redt, hè, Williams?’
‘Laten we zeggen dat het niet de laatste keer is,’ antwoordde hij.
Ze legden Matías op het bed dat in een hoek achter een Japans kamerscherm stond, en Severo legde natte doeken over hem heen en schudde hem door elkaar om hem te laten terugkeren uit de hemel waarin hij zich bevond, terwijl Williams wegliep om de huisarts van de familie te halen, nadat hij erop gewezen had dat het niet raadzaam zou zijn de oom en tante op de hoogte te stellen van wat er gebeurd was.
‘Mijn neef kan doodgaan!’ riep Severo uit, nog steeds trillend.
‘In dat geval zullen we het tegen meneer en mevrouw moeten zeggen.’
Matías lag vijf dagen in doodsstrijd te stuiptrekken, vergiftigd tot op het bot. Williams nam een broeder mee naar de zolder om hem te verplegen en zorgde ervoor dat zijn afwezigheid thuis geen schandaal veroorzaakte. Dit incident schiep een merkwaardige band tussen Severo en Williams, een stilzwijgende samenzwering die nooit in woorden of gebaren werd omgezet. Bij een andere, minder hermetische persoon dan de butler zou Severo gedacht hebben dat ze een zekere vriendschap hadden of tenminste sympathie voor elkaar voelden, maar rondom de Engelsman verhief zich een ondoordringbare muur van gereserveerdheid. Hij begon hem te observeren. Hij behandelde zijn ondergeschikten met dezelfde koude en onberispelijke beleefdheid als waarmee hij zich tot zijn bazen richtte, waardoor ze hem vreesden. Niets ontsnapte aan zijn toezicht, de glans van het bewerkte zilveren bestek noch de geheimen van elke bewoner van dat enorme huis. Het bleek onmogelijk zijn leeftijd of afkomst in te schatten, hij leek voor altijd ergens in de veertig stil te staan, en behalve het Britse accent waren er geen aanwijzingen voor zijn verleden. Hij verwisselde dertig keer per dag zijn witte handschoenen, zijn kamgaren pak zag er altijd pasgeperst uit, zijn witte overhemd van het beste Hollandse linnen was gesteven als karton en zijn schoenen glommen als spiegels. Hij zoog op mentholpastilles voor de adem en gebruikte eau de cologne, maar deed dat zo discreet dat de enige keer dat Severo de menthol- en lavendelgeur rook, was toen ze elkaar even aanraakten bij het optillen van de bewusteloze Matías in de opiumkit. Bij die gelegenheid zag hij ook zijn stevige spieren onder het jasje, de gespannen pezen in zijn hals, zijn kracht en soepelheid, wat allemaal niet paste bij zijn voorkomen van een aan lagerwal geraakte Engelse lord.
De neven Severo en Matías hadden slechts de aristocratische gelaatstrekken en het plezier in sport en literatuur gemeen, voor het overige leken ze niet van hetzelfde bloed; zo grootmoedig, onverschrokken en naïef als de eerste was, zo cynisch, laks en libertijns was de tweede, maar ondanks hun tegengestelde temperament en het verschil in leeftijd werden ze vrienden. Matías deed zijn best Severo schermen te leren, wie het aan de voor die kunst onmisbare elegantie en snelheid ontbrak, en hem in te wijden in de genoegens van San Francisco, maar de jongen bleek een slechte feestmaat, want hij stond rechtop te slapen; hij werkte veertien uur per dag in het advocatenkantoor en de rest van de tijd las en studeerde hij. Ze zwommen vaak samen naakt in het zwembad bij het huis en daagden elkaar uit voor gevechten van man tot man. Ze dansten afwachtend om elkaar heen, maakten zich klaar voor de sprong en uiteindelijk vielen ze aan, trappelden in elkaar verstrengeld rond, rolden over de grond, totdat de een de ander wist te onderwerpen en tegen de grond drukte. Dan dropen ze van het zweet, hijgden opgewonden. Severo duwde hem altijd onthutst van zich af, alsof het gevecht een onoorbare omhelzing was geweest. Ze praatten over boeken en discussieerden over de klassieken. Matías hield van poëzie, en wanneer ze alleen waren reciteerde hij uit het hoofd, zo ontroerd door de schoonheid van de verzen dat de tranen over zijn wangen rolden. Ook bij die gelegenheden raakte Severo van zijn stuk, want de intense emotie van de ander leek hem een vorm van verboden intimiteit tussen mannen. Hij hield zich altijd op de hoogte van de wetenschappelijke vorderingen en ontdekkingsreizen, die hij met Matías besprak in een ijdele poging hem te interesseren, maar het enige nieuws dat door het pantser van onverschilligheid van zijn neef kon dringen, waren de plaatselijke misdrijven. Matías onderhield een vreemde relatie, gebaseerd op liters whisky, met Jacob Freemont, een oude journalist zonder scrupules, altijd slecht bij kas, met wie hij de ziekelijke fascinatie voor delicten deelde. Freemont kreeg nog steeds misdaadreportages in de kranten gepubliceerd, maar zijn goede naam had hij vele jaren geleden voorgoed verspeeld toen hij het verhaal van Joaquín Murieta had verzonnen, een vermeende Mexicaanse bandiet ten tijde van de goudkoorts. Zijn artikelen creëerden een mythisch personage, dat bij de blanke bevolking de haat tegen de Spaanstaligen aanwakkerde. Om de gemoederen tot bedaren te brengen boden de autoriteiten een zekere kapitein Harry Love een premie aan om jacht te maken op Murieta. Na drie maanden lang in Californië naar hem te hebben gezocht, koos de kapitein voor een handige oplossing: hij vermoordde zeven Mexicanen in een hinderlaag en kwam terug met een hoofd en een hand. Niemand kon de resten identificeren, maar Loves heldendaad stelde de blanken gerust. De macabere trofeeën werden nog steeds geëxposeerd in een museum, hoewel men het erover eens was dat Joaquín Murieta een monsterlijke creatie van de pers in het algemeen en van Jacob Freemont in het bijzonder was. Door deze en andere episoden waarbij de misleidende pen van de journalist sjoemelde met de werkelijkheid, kreeg hij uiteindelijk de welverdiende reputatie van leugenaar en werden de deuren voor hem gesloten. Dankzij zijn vreemde band met Freemont, misdaadverslaggever, kreeg Matías de vermoorde slachtoffers te zien voordat ze van de plaats van het misdrijf werden gehaald, en kon hij de lijkschouwingen in het mortuarium bijwonen, spektakels die zijn gevoelige ziel evenzeer deden walgen als prikkelden. Van die avonturen in de onderwereld van de misdaad keerde hij dronken van afgrijzen terug, hij ging direct naar het Turkse badhuis, waar hij urenlang de lijkengeur die aan zijn huid kleefde zat uit te zweten, en daarna sloot hij zich op in zijn garçonnière om verschrikkelijke taferelen van aan stukken gesneden mensen te schilderen.
‘Wat betekent dit allemaal?’ vroeg Severo de eerste keer dat hij de danteske schilderijen zag.
‘Ben je niet gefascineerd door het idee van de dood? Moord is een enorm avontuur en zelfmoord is een praktische oplossing. Ik speel met ideeën voor allebei. Er zijn wel een paar mensen die het verdienen vermoord te worden, vind je niet? En wat mij aangaat – nou, neef, ik ben niet van plan om afgetakeld te sterven, ik beëindig liever mijn dagen met dezelfde zorg als waarmee ik mijn pakken uitkies; daarom bestudeer ik misdaden, om me te oefenen.’
‘Je bent getikt, en bovendien heb je geen talent,’ besloot Severo.
‘Er is geen talent voor nodig om kunstenaar te worden, alleen lef. Heb je van de impressionisten gehoord?’
‘Nee, maar als dit is wat die arme stakkers schilderen, dan komen ze niet ver. Zou je niet een wat aangenamer onderwerp kunnen zoeken? Een mooi meisje bijvoorbeeld?’
Matías barstte in lachen uit en zei hem dat er woensdag werkelijk een mooi meisje in zijn garçonnière zou zijn, het mooiste meisje van San Francisco, met algemene instemming, voegde hij eraan toe. Het was een model waar zijn vrienden om vochten om haar in klei, op linnen of op de gevoelige plaat te vereeuwigen, tevens in de hoop de liefde met haar te bedrijven. Er gingen weddenschappen over en weer over wie de eerste zou zijn, maar vooralsnog had niemand ook maar een hand van haar aangeraakt.
‘Ze heeft een afschuwelijk minpunt: kuisheid. Het is de laatste maagd in Californië, hoewel dat makkelijk te verhelpen is. Zou je haar willen leren kennen?’
Zo kwam het dat Severo del Valle Lynn Sommers terugzag. Tot die dag had hij zich ertoe beperkt stiekem ansichtkaarten met haar afbeelding in de toeristenwinkels te kopen en ze tussen de bladzijden van zijn wetboeken te verstoppen, als een beschamende schat. Hij was vele malen door de straat van de theesalon bij Union Square gelopen om haar van veraf te zien en deed voorzichtig navraag bij de koetsier die dagelijks de zoete waren voor zijn tante Paulina haalde, maar hij had nooit netjes naar Eliza Sommers toe durven gaan om haar te vragen of hij haar dochter mocht bezoeken. Elke directe handeling leek hem een onherstelbaar verraad aan Nívea, zijn lieve vriendin die hij al zijn hele leven kende; maar als hij Lynn toevallig tegenkwam was het iets anders, besloot hij, aangezien het in dat geval een smerige streek van het noodlot zou zijn en niemand hem verwijten zou kunnen maken. Hij had niet bedacht dat hij haar in het atelier van zijn neef Matías zou zien, onder zulke bizarre omstandigheden.
Lynn Sommers was het fortuinlijke product van gemengde rassen. Ze had Lin Chi’en moeten heten, maar haar ouders hadden besloten de namen van hun kinderen te verengelsen en hun de achternaam van de moeder, Sommers, te geven, om hun het bestaan in de Verenigde Staten, waar Chinezen als honden werden behandeld, gemakkelijker te maken. De oudste hadden ze Ebanizer genoemd, als eerbetoon aan een vroegere vriend van hun vader, maar ze zeiden Lucky tegen hem omdat hij het jongetje was met het meeste geluk dat men ooit in Chinatown gezien had. De jongere dochter, die zes jaar later geboren werd, noemden ze Lin als hommage aan haar vaders eerste vrouw, die vele jaren geleden in Hongkong was begraven, maar bij het inschrijven spelden ze haar naam in het Engels: Lynn. De eerste echtgenote van Tao Chi’en, wier naam aan het meisje was doorgegeven, was een broos vrouwtje geweest met piepkleine, ingebonden voetjes; ze werd aanbeden door haar echtgenoot maar stierf jong aan de tering. Eliza Sommers leerde leven met de hardnekkige herinnering aan Lin en beschouwde haar uiteindelijk als een extra lid van de familie, een soort onzichtbare beschermster die waakte over het welzijn van haar gezin. Twintig jaar geleden, toen ze ontdekte dat ze opnieuw zwanger was, had ze Lin gevraagd haar te helpen de zwangerschap uit te dragen, want ze had al verscheidene verliezen geleden en er was weinig hoop dat haar uitgeputte lichaam het kindje zou kunnen vasthouden. Zo vertelde ze het tegen Tao Chi’en, die elke keer zijn middelen als zhong yi in dienst van zijn vrouw gesteld had, naast het feit dat hij haar had meegenomen naar de beste specialisten in oosterse geneeskunde van Californië.
‘Dit keer zal er een gezond meisje geboren worden,’ verzekerde Eliza hem.
‘Hoe weet je dat?’ vroeg haar echtgenoot.
‘Omdat ik het Lin gevraagd heb.’
Eliza geloofde altijd dat de eerste echtgenote haar gedurende de zwangerschap had bijgestaan, haar kracht had gegeven om haar dochter ter wereld te brengen en zich daarna als een toverfee over de wieg had gebogen om de baby het geschenk van de schoonheid aan te bieden. ‘Ze zal Lin heten,’ maakte de uitgeputte moeder bekend toen ze eindelijk haar dochter in haar armen had; maar Tao Chi’en schrok: het was geen goed idee haar de naam te geven van een vrouw die zo jong was gestorven. Uiteindelijk kwamen ze overeen de schrijfwijze te veranderen om het noodlot niet te tarten. ‘Je spreekt het hetzelfde uit, dat is het enige wat telt,’ besloot Eliza.
Van haar moeders kant had Lynn Sommers Engels en Chileens bloed, van haar vader had ze de genen van de lange Chinezen uit het noorden van China. De grootvader van Tao Chi’en, een eenvoudige genezer, had zijn mannelijke nakomelingen zijn kennis van medicinale planten en magische formules tegen verscheidene lichamelijke en geestelijke kwalen doorgegeven. Tao Chi’en, de laatste in die lijn, had de erfenis van zijn vader verrijkt door voor zhong yi te leren bij een wijze man uit Kanton en door middel van een aan de studie gewijd leven, niet alleen van de traditionele Chinese geneeskunde, maar van alles wat hem in handen kwam over de medische wetenschap uit het westen. Hij had in San Francisco een degelijke reputatie opgebouwd, hij werd geraadpleegd door Amerikaanse artsen en had verschillende rassen in zijn patiëntenbestand, maar ze gaven hem geen toestemming om in ziekenhuizen te werken en zijn praktijk werd beperkt tot de Chinese wijk, waar hij een groot huis kocht waarvan de eerste verdieping als kliniek diende en de tweede als woning. Zijn goede naam beschermde hem: niemand mengde zich in zijn werk met de sing song girls, zoals men in Chinatown de trieste slavinnen uit de sekshandel noemde, allemaal zeer jonge meisjes. Tao Chi’en had de taak op zich genomen er zo veel mogelijk uit de bordelen te redden. De tongs – bendes die binnen de Chinese gemeenschap de controle hadden, waakten en bescherming verkochten – wisten dat hij de kleine prostituees kocht om ze ver van Californië een nieuwe kans te bieden. Ze hadden hem een paar keer bedreigd, maar namen geen drastischer maatregelen omdat ieder van hen vroeg of laat de diensten van de beroemde zhong yi nodig kon hebben. Zolang Tao Chi’en niet naar de Amerikaanse autoriteiten zou stappen, zonder ophef te werk ging en de meisjes met het geduld van een werkmier een voor een redde, konden ze hem gedogen, want hij bracht de enorme winsten van de handel geen schade toe. De enige persoon die Tao Chi’en als een publiek gevaar behandelde, was Ah Toy, de meest succesvolle hoerenmadam in San Francisco, eigenares van verscheidene in Aziatische tienermeisjes gespecialiseerde salons. Zij importeerde alleen al honderden meisjes per jaar, voor de onverschillige ogen van de keurig omgekochte yankee-ambtenaren. Ah Toy haatte Tao Chi’en en, zo had ze vaak gezegd, ze stierf liever dan dat ze hem nog eens consulteerde. Ze had het slechts éénmaal gedaan, overmand door hoestbuien, maar bij die gelegenheid begrepen ze allebei, zonder dat het nodig was het woordelijk uit te spreken, dat ze voor immer aartsvijanden zouden zijn. Elke door Tao Chi’en geredde sing song girl was een splinter onder de nagel van Ah Toy, ook als het niet een van haar meisjes was. Dat was voor haar, net als voor hem, een kwestie van principes.
Tao Chi’en stond altijd voor dag en dauw op en liep dan de tuin in, waar hij zijn gevechtsoefeningen deed om het lichaam in vorm en de geest helder te houden. Meteen daarna mediteerde hij een halfuur en vervolgens maakte hij het vuur voor de theeketel aan. Hij wekte Eliza met een zoen en een kopje groene thee, die zij langzaam in bed opslurpte. Dat moment was voor hen allebei heilig: het kopje thee dat ze samen dronken bezegelde de nacht die ze in innige omhelzing hadden doorgebracht. Wat er achter de gesloten deur van hun kamer tussen hen gebeurde, compenseerde alle inspanningen van de dag. De liefde tussen hen beiden was als een aangename vriendschap begonnen, die subtiel was opgebouwd te midden van een woud aan obstakels, van de noodzaak elkaar in het Engels te begrijpen en over de culturele en raciale vooroordelen heen te stappen tot de jaren leeftijdsverschil. Ze woonden en werkten al meer dan drie jaar onder één dak voordat ze de onzichtbare grens die hen scheidde durfden te passeren. Eliza moest eerst duizenden mijlen in cirkels lopen op een eindeloze reis achter een denkbeeldige geliefde aan die haar steeds als een schaduw door de vingers glipte, onderweg haar verleden en onschuld in flarden achter zich laten en met haar obsessie geconfronteerd worden ten overstaan van het afgehakte, week geworden hoofd op gin van de legendarische bandiet Joaquín Murieta, om te begrijpen dat haar toekomst aan de zijde van Tao Chi’en lag. De zhong yi wist dat daarentegen veel eerder en wachtte op haar met de zwijgende vasthoudendheid die bij een gerijpte liefde hoort.
De nacht dat Eliza eindelijk de acht meter lange gang die haar kamer van die van Tao Chi’en scheidde door durfde te lopen, veranderden hun levens totaal, alsof met een bijlslag de wortels van het verleden waren afgehakt. Vanaf die vurige nacht bestond er niet de geringste mogelijkheid of verleiding om terug te krabbelen, alleen nog de uitdaging om een plekje te verwerven in een wereld die geen rassenvermenging tolereerde. Eliza kwam blootsvoets in haar nachthemd aanlopen, op de tast in het duister, en duwde de deur van Tao Chi’en open in de zekerheid dat die niet op slot zou zijn, want ze wist dat hij net zo naar haar verlangde als zij naar hem. Ondanks die overtuiging was ze echter bang voor de onherroepelijkheid van haar beslissing. Ze had lang getwijfeld om die stap te zetten, want de zhong yi was haar beschermer, haar vader, haar broer, haar beste vriend, haar enige familie in dat vreemde land. Ze was bang om alles te verliezen als ze zijn geliefde zou worden; maar ze stond al op de drempel en het verlangen hem aan te raken was sterker dan de sluwe argumenten van de rede. Ze ging de kamer binnen bij het licht van een kaars die op de tafel stond, zag hem in kleermakerszit op bed zitten, gekleed in een wijde kiel en een witte katoenen broek, wachtend op haar. Eliza kwam er niet toe zich af te vragen hoeveel nachten hij zo, gespitst op het geluid van haar voetstappen in de gang, zou hebben doorgebracht, want ze was verdwaasd door haar eigen durf, trillend van verlegenheid en voor wat er komen ging. Tao Chi’en gaf haar de tijd niet zich terug te trekken. Hij liep op haar toe, opende zijn armen voor haar, en zij liep blindelings naar voren tot ze op zijn borst stuitte, waar ze haar gezicht tegen verborg en de zo bekende geur van de man inademde, een zilte geur van zeewater, terwijl ze zich met twee handen vastgreep aan zijn kiel omdat haar knieën knikten en er een onbedwingbare stroom aan verontschuldigingen van haar lippen vloeide, die zich vermengde met de Chinese woorden van liefde die hij fluisterde. Ze voelde hoe de armen haar van de vloer tilden en haar voorzichtig op het bed legden, ze voelde de lauwe adem in haar hals en de handen die haar vasthielden; toen werd ze overweldigd door een onbedwingbare onrust en begon ze geschrokken en vol wroeging te rillen.
Sinds zijn echtgenote in Hongkong was gestorven, had Tao Chi’en af en toe troost gezocht bij haastige omhelzingen van betaalde vrouwen. Hij had meer dan zes jaar de liefde niet meer met liefde bedreven, maar hij liet zich niet opjagen. Hij had in gedachten al zo vaak het lichaam van Eliza afgetast en hij kende haar zo goed dat hij met een landkaart over haar zachte valleien en kleine heuvels leek te lopen. Zij dacht de liefde te hebben leren kennen in de armen van haar eerste geliefde, maar de intieme sfeer met Tao Chi’en toonde aan hoe groot haar onwetendheid was. De hartstocht die haar op haar zestiende het hoofd op hol had gebracht, waarvoor ze de halve wereld over was gegaan en verscheidene malen haar leven op het spel had gezet, was een luchtspiegeling geweest die haar nu absurd voorkwam; ze was destijds verliefd op de liefde geworden en had zich tevredengesteld met de kruimeltjes die ze kreeg van een man die meer geïnteresseerd was in weggaan dan in bij haar blijven. Ze had hem vier jaar lang gezocht, in de overtuiging dat de jonge idealist die ze in Chili had leren kennen in Californië was veranderd in een onwerkelijke bandiet met de naam Joaquín Murieta. Gedurende die tijd wachtte Tao Chi’en met zijn spreekwoordelijke kalmte op haar, in de zekerheid dat zij vroeg of laat de drempel die hen scheidde zou oversteken. Hij was bij haar toen ze het hoofd van Joaquín Murieta tentoonstelden als amusement voor de Amerikanen en als lesje voor de latino’s. Hij dacht dat Eliza de aanblik van die weerzinwekkende trofee niet zou kunnen verdragen, maar zij ging voor de pot staan waarin de vermeende crimineel rustte en keek er onaangedaan naar, alsof het om een kool in inmaakazijn ging, totdat ze er absoluut zeker van was dat het niet de man was die zij jarenlang had gevolgd. Eigenlijk maakte het haar niet uit wat zijn identiteit was, want tijdens de lange reis in het voetspoor van een onmogelijke romance had Eliza iets verworven dat even waardevol was als de liefde: vrijheid. ‘Ik ben eindelijk vrij,’ was alles wat ze zei bij het zien van het hoofd. Tao Chi’en begreep dat ze zich eindelijk had bevrijd van haar vroegere geliefde, dat het haar om het even was of hij leefde of bij het zoeken naar goud in de glooiingen van de Sierra Nevada was gestorven; ze zou hoe dan ook niet meer naar hem zoeken, en als de man op een dag zou opduiken, zou zij in staat zijn hem in zijn ware hoedanigheid te zien. Tao Chi’en pakte haar hand en ze verlieten de sinistere expositie. Buiten ademden ze de frisse lucht in en begonnen rustig te lopen, klaar om een nieuwe fase van hun leven te beginnen.
De nacht waarop Eliza de kamer van Tao Chi’en binnenging, was heel anders dan de heimelijke en haastige omhelzingen met haar eerste geliefde in Chili. Die nacht ontdekte ze een aantal van de vele mogelijkheden om te genieten en werd ze ingewijd in de intimiteit van een liefde die voor de rest van haar leven de enige zou zijn. In alle kalmte ontdeed Tao Chi’en haar van lagen opgekropte angst en zinloze herinneringen, bleef haar onvermoeibaar strelen totdat ze ophield met trillen en haar ogen opende, totdat ze onder zijn wijze vingers ontspande, totdat hij haar voelde kronkelen, zich openen, opklaren; hij hoorde haar kreunen, hem roepen, hem smeken; hij zag dat ze vol overgave en vochtig was, bereid zich over te leveren en hem volledig in zich op te nemen; totdat geen van tweeën nog wist waar ze waren, wie ze waren, waar hij begon en zij eindigde. Tao Chi’en voerde haar voorbij het orgasme, naar een geheimzinnige dimensie waarin liefde en dood gelijk zijn. Ze voelden hoe hun geesten groeiden, hun verlangens en geheugen verdwenen, hoe ze opgingen in één grote onmetelijkheid van licht. Ze omhelsden elkaar in die buitengewone ruimte en herkenden elkaar, want misschien waren ze al samen geweest in vorige levens en zouden ze nog heel vaak samen zijn in toekomstige levens, zoals Tao Chi’en suggereerde. Ze waren eeuwige geliefden, elkaar telkens zoeken en weer vinden was hun karma, zei hij geemotioneerd; maar Eliza antwoordde lachend dat het niets met het plechtige karma van doen had, maar gewoon zin om te neuken was, dat ze om de waarheid te vertellen al een paar jaar ontzettend veel zin had om het met hem te doen en hoopte dat Tao Chi’ens enthousiasme het vanaf nu niet zou laten afweten, want dit zou het belangrijkste in haar leven worden. Ze stoeiden die nacht en een flink deel van de volgende dag tot ze door honger en dorst gedwongen werden wankelend, beneveld en gelukkig de kamer uit te komen, zonder elkaars hand los te laten uit angst plotseling wakker te worden en te ontdekken dat ze in een waanvoorstelling hadden rondgedoold.
De hartstochtelijke band die ze sinds die nacht hadden en die ze met buitengewone zorg voedden, hield hen overeind en beschermde hen op de onvermijdelijke momenten van tegenspoed. Met de tijd kreeg die passie een plek in hun tederheid en goedlachsheid, de tweehonderdtweeëntwintig manieren om de liefde te bedrijven onderzochten ze niet meer omdat ze aan drie of vier genoeg hadden en ze elkaar niet meer hoefden te verrassen. Hoe beter ze elkaar leerden kennen, hoe leuker ze elkaar vonden. Sinds die eerste nacht sliepen ze in een strakke knoop, ademden ze dezelfde lucht in en droomden dezelfde dromen; hun leven was echter niet eenvoudig, ze waren bijna dertig jaar samen in een wereld waar geen plek was voor een stel als zij. In de loop der jaren werden die kleine blanke vrouw en die lange Chinees een vertrouwde verschijning in Chinatown, maar ze werden nooit helemaal geaccepteerd. Ze leerden om elkaar in het openbaar niet aan te raken, in het theater apart te gaan zitten en op een paar passen afstand van elkaar over straat te lopen. In bepaalde restaurants en hotels mochten ze niet samen naar binnen, en toen ze naar Engeland gingen, zij om haar adoptiemoeder, Rose Sommers, te bezoeken en hij om in de Hobbs-kliniek lezingen over acupunctuur te houden, kon dat niet in de eerste klas van het schip en mochten ze ook geen hut delen, hoewel zij ’s nachts stiekem wegglipte om bij hem te slapen. Ze trouwden eenvoudig, volgens boeddhistisch ritueel, maar hun verbintenis had geen wettelijke geldigheid. Lucky en Lynn stonden ingeschreven als door de vader erkende onwettige kinderen. Tao Chi’en had het staatsburgerschap verworven na eindeloze formaliteiten en omkoperij, hij was een van de weinigen die erin geslaagd waren de Chinese Exclusion Act te ontduiken, nog zo’n discriminerende Californische wet. Zijn bewondering voor en trouw aan het tweede vaderland waren onvoorwaardelijk, zoals hij in de burgeroorlog had laten zien, toen hij het continent doorkruiste om zich als vrijwilliger aan het front aan te melden en tijdens het vier jaar durende conflict als assistent van de yankee-dokters werkte, maar hij voelde zich een echte buitenlander en had de wens dat zijn lichaam, ook al speelde zijn hele leven zich in Amerika af, in Hongkong begraven zou worden.
Het gezin van Eliza Sommers en Tao Chi’en woonde in een ruim en comfortabel huis, degelijker en van betere makelij dan de meeste in Chinatown. Om hen heen werd voornamelijk Kantonees gesproken, en alles, van het eten tot de kranten, was Chinees. Een paar straten verderop lag La Misión, de Spaanse wijk, waar Eliza Sommers vaak rondslenterde om Spaans te kunnen praten, maar haar dagen verstreken onder Amerikanen in de omgeving van Union Square, waar haar stijlvolle theesalon zich bevond. Van het begin af aan had zij met haar gebak bijgedragen in het onderhoud van het gezin, want een groot deel van Tao Chi’ens inkomsten kwam in vreemde handen terecht: wat niet opging aan het helpen van de arme Chinese dagloners in tijden van ziekte of tegenspoed, kon terechtkomen in de clandestiene veilingen van slavenmeisjes. Het redden van die kinderen uit een eerloos leven was een heilige missie geworden voor Tao Chi’en; zo zag Eliza dat ook van meet af aan, en ze accepteerde het als een van de karaktertrekken van haar man, nog een van de vele redenen waarom ze van hem hield. Ze had haar patisserie opgezet om hem niet lastig te vallen met vragen om geld; ze had onafhankelijkheid nodig om haar kinderen het beste Amerikaanse onderwijs te geven, want ze wilde dat ze volledig in de Verenigde Staten zouden integreren en konden leven zonder de aan Chinezen en Spaanstaligen opgelegde beperkingen. Met Lynn lukte dat, maar bij Lucky liepen haar plannen spaak, want de jongen was trots op zijn afkomst en was niet van plan uit Chinatown te vertrekken.
Lynn aanbad haar vader – het was onmogelijk níét van die zachtaardige, edelmoedige man te houden –, maar ze schaamde zich voor zijn ras. Ze besefte al zeer jong dat haar wijk de enige plek voor Chinezen was, in de rest van de stad werden ze verafschuwd. De favoriete sport van blanke jongens was ‘hemelingen’ met stenen bekogelen of hun vlecht afknippen nadat ze hen afgeranseld hadden. Net als haar moeder stond Lynn met één been in China en met het andere in de Verenigde Staten, ze spraken allebei alleen maar Engels en droegen hun haar en kleding volgens de Amerikaanse mode, hoewel ze binnenshuis meestal een zijden gewaad en broek droegen. Lynn had, behalve het lange lijf en de oriëntaalse ogen, maar weinig van haar vader en minder nog van haar moeder; niemand wist waar haar zeldzame schoonheid vandaan kwam. Ze lieten haar nooit op straat spelen, zoals haar broer Lucky deed, want in Chinatown leefden vrouwen en meisjes uit invloedrijke families in volkomen opsluiting. De weinige keren dat ze de wijk in ging, liep ze aan de hand van haar vader met haar blik naar de grond gericht, om de vrijwel geheel mannelijke menigte niet te provoceren. Ze trokken allebei de aandacht, zij vanwege haar schoonheid en hij omdat hij zich als een yankee kleedde. Tao Chi’en had al jaren niet meer de voor zijn volk typische vlecht, maar had kort, met brillantine naar achteren gekamd haar, droeg een smetteloos zwart pak, een overhemd met gesteven boord en een hoge hoed. Buiten Chinatown liep Lynn echter vrij rond, zoals ieder blank meisje. Ze werd opgeleid aan een presbyteriaanse school, waar ze de grondbeginselen van het christendom leerde; door deze samen te voegen met de boeddhistische gebruiken van haar vader raakte ze er uiteindelijk van overtuigd dat Christus de reïncarnatie van Boeddha was. Ze deed alleen boodschappen, ging alleen naar pianoles en bij haar schoolvriendinnen op bezoek, en ’s middags ging ze in de theesalon van haar moeder zitten, waar ze haar huiswerk maakte en zich amuseerde met het herlezen van de romantische boekjes die ze voor tien cent kocht of van haar grootmoeder Rose uit Londen toegestuurd kreeg. Eliza’s inspanningen om haar te interesseren voor koken of welke andere huishoudelijke bezigheden ook, waren vergeefs: haar dochter leek niet gemaakt voor het werk van alledag.
Toen ze volwassen werd, behield Lynn haar zonderlinge engelengezicht en haar lichaam kreeg overal verontrustende rondingen. Er waren jarenlang zonder grote gevolgen foto’s van haar in omloop geweest, maar alles veranderde toen op haar vijftiende haar lichaam definitief vorm kreeg en ze zich bewust werd van de verwoestende aantrekkingskracht die ze uitoefende op mannen. Haar moeder, die doodsbang was voor de gevolgen van deze enorme macht, probeerde de verleidingsdrang van haar dochter in te dammen door te hameren op normen van bescheidenheid en haar te leren lopen als een soldaat, zonder de schouders en de heupen te bewegen, maar het was allemaal tevergeefs: mannen van alle leeftijden, rassen en standen buitelden over elkaar heen om haar te bewonderen. Toen ze de voordelen van haar schoonheid inzag, hield Lynn op haar te verwensen, zoals ze had gedaan toen ze jong was, en ze besloot voor een korte tijd kunstenaarsmodel te worden, totdat er een prins op zijn gevleugelde paard zou komen om haar naar het huwelijkse geluk te leiden. Haar ouders hadden tijdens haar jeugd de foto’s met sprookjesachtige taferelen en schommels toegestaan als een onschuldige gril, maar ze beschouwden het als een enorm risico dat ze met haar nieuwe, vrouwelijke uiterlijk voor de camera’s zou pronken. ‘Dat poseren is geen fatsoenlijk beroep, maar puur verderf,’ stelde Eliza bedroefd vast, want ze zag in dat ze haar dochter niet van haar fantasieën kon afbrengen of haar tegen de valkuil van de schoonheid kon beschermen. Ze legde haar ongerustheid aan Tao Chi’en voor op een van die volmaakte momenten waarop ze uitrustten na het bedrijven van de liefde, en hij maakte haar duidelijk dat iedereen zijn karma heeft, dat andermans leven niet te sturen is, men kan alleen nu en dan de koers van het eigen leven bijstellen; maar Eliza was niet van plan zich door het ongeluk te laten verrassen. Ze was altijd met Lynn meegegaan wanneer ze poseerde voor de fotografen om op te letten of het fatsoenlijk ging – geen ontblote kuiten onder artistieke voorwendselen – en nu het meisje zeventien jaar was, was ze bereid haar inspanning te verdubbelen.
‘Er is een schilder die achter Lynn aan zit. Hij wil haar laten poseren voor een schilderij over Salome,’ zei ze op een dag tegen haar man.
‘Over wie?’ vroeg Tao Chi’en, die nauwelijks opkeek uit de medische encyclopedie.
‘Salome, die met de zeven sluiers, Tao. Lees de bijbel eens.’
‘Als het uit de bijbel komt, moet het goed zijn, neem ik aan,’ mompelde hij afwezig.
‘Weet je hoe de mode was in de tijd van Johannes de Doper? Als ik niet oplet, schilderen ze je dochter met blote borsten!’
‘Let maar goed op dan,’ glimlachte Tao, terwijl hij zijn vrouw om haar middel pakte, haar boven op het enorme boek zette dat hij op zijn knieën had liggen en haar waarschuwde zich niet bang te laten maken door de listen van de verbeelding.
‘Ach, Tao! Wat moeten we toch met Lynn?’
‘Niets, Eliza, ze trouwt nog wel en dan geeft ze ons kleinkinderen.’
‘Ze is nog een kind!’
‘In China zou ze te oud zijn om een vriendje te vinden.’
‘We zijn hier in Amerika en ze zal niet met een Chinees trouwen,’ stelde ze.
‘Waarom niet? Hou je niet van Chinezen?’ grapte de zhong yi.
‘Er is geen andere man zoals jij op deze wereld, maar ik denk dat Lynn met een blanke zal trouwen.’
‘Amerikanen weten niet hoe ze de liefde moeten bedrijven, naar ze me vertellen.’
‘Misschien kun jij het ze leren,’ bloosde Eliza met haar neus in de hals van haar man.
Lynn poseerde voor het schilderij van Salome met een zijden, vleeskleurige maillot onder de sluiers, onder de onvermoeibare blik van haar moeder, maar Eliza moest haar vastberaden opstelling laten varen toen haar dochter de geweldige eer geboden kreeg om model te staan voor het standbeeld van De Republiek, dat midden op Union Square zou worden opgericht. De campagne om fondsen te werven had maanden geduurd, mensen droegen bij wat ze konden, scholieren een paar centen, weduwen een paar dollar en magnaten als Feliciano Rodríguez de Santa Cruz vette cheques. De kranten publiceerden dagelijks het bedrag dat de dag ervoor bereikt was, totdat er voldoende bijeengebracht was om een speciaal voor dat ambitieuze project uit Philadelphia gehaalde, beroemde beeldhouwer de opdracht voor het monument te geven. De meest vooraanstaande families uit de stad wedijverden in feesten en dansavonden om de kunstenaar de gelegenheid te geven hun dochters uit te kiezen; men wist inmiddels dat het model voor De Republiek het symbool van San Francisco zou worden, en alle jonge vrouwen dongen naar een dergelijke eer. De beeldhouwer, een moderne man met gewaagde ideeën, zocht wekenlang naar het ideale meisje, maar er was er geen dat hem beviel. Voor het uitbeelden van de bloeiende Amerikaanse natie, bestaande uit dappere immigranten die uit alle windstreken gekomen waren, wilde hij iemand van gemengd ras, verklaarde hij. De financiers van het project en de autoriteiten van de stad schrokken zich wild; blanken konden zich niet voorstellen dat mensen met een andere huidskleur helemaal menselijk waren, en niemand wilde ervan horen dat een mulattin hoog op de obelisk van Union Square de stad zou aanvoeren, zoals de bedoeling van die man was. Californië liep voorop als het om kunst ging, zo waren de kranten van mening, maar dat met de mulattin was te veel gevraagd. De beeldhouwer stond op het punt te zwichten voor de pressie en te kiezen voor een Deense afstammelinge, toen hij bij toeval de patisserie van Eliza Sommers binnenliep om zich te troosten met een chocolade-eclair en Lynn zag. Ze was de vrouw naar wie hij zo gezocht had voor zijn standbeeld: ze was lang, welgevormd, had een volgroeid figuur; ze had niet alleen de waardigheid van een keizerin en een gelaat met klassieke trekken, maar ook het exotische stempel dat hij wilde hebben. Ze had iets wat meer was dan harmonie, iets unieks, een mix van oost en west, van sensualiteit en onschuld, kracht en breekbaarheid, waarvoor hij viel als een blok. Toen hij de moeder ervan op de hoogte stelde dat hij haar dochter als model had gekozen, in de overtuiging dat hij dat eenvoudige banketbakkersgezin een enorme eer bewees, werd hij met een hardnekkige weerstand geconfronteerd. Eliza Sommers was het beu haar tijd te verdoen met het in de gaten houden van Lynn in de ateliers van fotografen die alleen maar met de vinger een knopje hoefden in te drukken. Bij de gedachte haar tijd te verliezen bij dat mannetje dat een bronzen standbeeld van enkele meters hoog wilde maken, werd ze al moe; Lynn was echter zo trots bij het vooruitzicht dat ze De Republiek zou zijn dat ze het niet over haar hart kon verkrijgen om te weigeren. De beeldhouwer had er een zware dobber aan om de moeder ervan te overtuigen dat een kort gewaad in dit geval het juiste kledingstuk zou zijn – zij zag namelijk het verband niet tussen de Noord-Amerikaanse Republiek en de kledij van de Grieken –, maar uiteindelijk kwamen ze overeen dat Lynn met ontblote armen en benen, maar met bedekte borsten, zou poseren.
Verloren in haar wereld van romantische fantasieën, was Lynn zich totaal niet bewust van haar moeders zorgen om haar kuisheid te bewaren. Afgezien van haar verontrustende lichamelijke verschijning onderscheidde ze zich nergens in; ze was een doodnormaal meisje, dat verzen overschreef in schriften met roze papier en porseleinen beeldjes verzamelde. Haar traagheid was geen elegantie, maar luiheid, en haar melancholie was geen mysterie, maar leegheid. ‘Laat haar toch met rust, zolang ik leef, zal Lynn niets tekortkomen,’ had Lucky vele malen beloofd, want hij was de enige die donders goed in de gaten had hoe dom zijn zus was.
Lucky, die een paar jaar ouder was dan Lynn, was een echte Chinees. Behalve de keren dat hij iets officieels moest afhandelen of een foto moest laten maken, ging hij gekleed in een wijde kiel, loszittende broek, met een sjerp om zijn middel en schoentjes met houten zool, maar altijd met een cowboyhoed op. Hij had niets van de gedistingeerde houding van zijn vader, de broosheid van zijn moeder of de schoonheid van zijn zuster; hij was klein, had korte beentjes, een vierkant hoofd en een groenige huid, maar toch was hij aantrekkelijk door zijn onweerstaanbare glimlach en zijn aanstekelijke optimisme, dat voortkwam uit de zekerheid dat hij door het geluk getekend was. Er kon hem niets slechts overkomen, dacht hij, geluk en voorspoed had hij bij zijn geboorte meegekregen. Hij had die gave op negenjarige leeftijd ontdekt, toen hij op straat fan tan speelde met andere jongens; die dag kwam hij thuis met de mededeling dat hij van nu af Lucky zou heten – in plaats van Ebanizer – en hij reageerde niet meer als iemand hem anders noemde. Het geluk achtervolgde hem overal, hij won in alle kansspelen die er bestonden, en hoewel hij een oproerkraaier en een waaghals was, had hij nooit problemen met de tongs of de blanke autoriteiten. Zelfs de Ierse politieagenten zwichtten voor zijn sympathieke uitstraling, en terwijl zijn maten stokslagen kregen, werkte hij zich uit de nesten met een grap of een van de vele goocheltrucs die hij met zijn wonderlijke jongleurshanden kon doen. Tao Chi’en legde zich niet neer bij het feit dat zijn enige zoon zo’n leeghoofd was en vervloekte het gunstige gesternte waardoor hij de inspanningen van doodgewone stervelingen niet hoefde te leveren. Hij wenste hem geen geluk, maar transcendentie toe. Het benauwde Tao hem door de wereld te zien fladderen als een blij vogeltje, want met die houding zou hij zijn karma schade toebrengen. Hij geloofde dat de ziel naar de hemel gaat door mededogen en lijden, door waardig en edelmoedig obstakels te overwinnen, maar als Lucky’s weg altijd makkelijk was, hoe moest hij dan boven zichzelf uitstijgen? Hij was bang dat hij in de toekomst als ongedierte zou reïncarneren. Tao Chi’en wilde dat zijn eerstgeborene, die hem op zijn oude dag moest ondersteunen en na zijn dood zijn nagedachtenis in ere moesten houden, de nobele familietraditie van het genezen zou voortzetten, hij droomde er zelfs van hem als de eerste gediplomeerde Chinees-Amerikaanse arts te zien; maar Lucky gruwde van de stinkende drankjes en de acupunctuurnaalden, hij had nergens zo’n afkeer van als van andermans ziekten en kon zich niets voorstellen bij het genot dat zijn vader beleefde aan een ontstoken blaas of een gezicht vol etterpuisten. Tot hij zestien werd en de straat op ging, had hij Tao Chi’en moeten helpen in de praktijk, waar deze er bij hem de namen van de geneesmiddelen en hun toepassingen instampte en probeerde hem de ondefinieerbare kunst van het opnemen van de hartslag, het in balans brengen van de energieën en het identificeren van de lichaamsvochten bij te brengen, fijnzinnige zaken die bij de jongen het ene oor in en het andere oor uit gingen, maar hem tenminste geen trauma bezorgden, zoals de wetenschappelijke teksten over oosterse geneeskunde die zijn vader ijverig bestudeerde. Hij gruwde van de illustraties van lichamen zonder huid, met blootliggende spieren, aderen en botten – maar wel in onderbroek – alsook van de chirurgische ingrepen die met de meest afgrijselijke details werden beschreven. Hij had smoezen genoeg om bij de praktijk uit de buurt te blijven, maar hij was altijd beschikbaar wanneer er een schuilplaats gezocht moest worden voor een van de miserabele sing song girls die zijn vader vaak mee naar huis nam. Die geheime en gevaarlijke activiteit was hem op het lijf geschreven. Niemand beter dan hij om de verzwakte meisjes onder de neus van de tongs weg te voeren, niemand handiger om ze uit wijk te loodsen zodra ze enigszins waren hersteld, niemand vindingrijker om ze voorgoed her en der in vrijheid te laten verdwijnen. Hij deed dat niet omdat hij overspoeld werd door medelijden, zoals Tao Chi’en, maar voor de kick met het gevaar te spelen en zijn geluk op de proef te stellen.
Voordat ze de leeftijd van negentien jaar had bereikt, had Lynn Sommers al verscheidene pretendenten afgewezen en was ze gewend geraakt aan het mannelijke eerbetoon, dat ze met de hooghartigheid van een koningin in ontvangst nam, want geen van haar bewonderaars paste in haar beeld van de romantische prins, geen van hen sprak de woorden die haar tante Rose Sommers in haar boekjes schreef; ze vond ze allemaal gewoontjes, haar onwaardig. Ze dacht de sublieme toekomst waarop ze recht had gevonden te hebben toen ze de enige man leerde kennen die haar geen blik waardig gunde, Matías Rodríguez de Santa Cruz. Ze had hem een paar keer van veraf gezien, op straat of in de koets met Paulina del Valle, maar ze hadden geen woord gewisseld; hij was behoorlijk wat ouder en verkeerde in kringen waar Lynn geen toegang toe had, en als het standbeeld van De Republiek er niet was gekomen, hadden ze elkaar misschien wel nooit ontmoet.
Onder het voorwendsel toezicht te houden op het project, spraken politici en magnaten die bijdroegen in de financiering van het standbeeld met elkaar af in het atelier van de beeldhouwer. De kunstenaar hield van roem en het goede leven; onder het werken genoot hij, ogenschijnlijk verdiept in het voetstuk van de gietvorm voor het brons, van het stoere mannelijke gezelschap, de flessen champagne, de verse oesters en de goede sigaren die het bezoek meebracht. Op een verhoging waarop via een dakvenster natuurlijk licht viel, stond Lynn op haar tenen met haar armen in de hoogte te balanceren in een pose die onmogelijk langer dan een paar minuten was vol te houden, met een lauwerkrans in de ene en een perkament met de grondwet in de andere hand, gekleed in een luchtig, geplooid gewaad dat van één schouder tot haar knieën hing en haar lichaam evenzeer ontblootte als bedekte. San Francisco was een goede markt voor vrouwelijk naakt; in alle bars werden schilderijen van niets verhullende odalisken, foto’s van courtisanes met blote billen en gipsen fresco’s met door onvermoeibare saters achternagezeten nimfen tentoongesteld; een geheel naakt model had minder nieuwsgierigheid gewekt dan dat meisje dat weigerde haar kleding uit te trekken en nooit onder het waakzame oog van haar moeder vandaan kwam. Eliza Sommers, die donker gekleed was en stokstijf op een stoel zat naast de verhoging waarop haar dochter poseerde, hield toezicht zonder de oesters of de champagne aan te nemen waarmee ze haar probeerden af te leiden. Die ouwe kerels kwamen uit wellust, niet uit liefde voor de kunst, dat was zo duidelijk als wat. Ze had de macht niet om hun aanwezigheid te verhinderen, maar ze kon er tenminste zeker van zijn dat haar dochter niet op uitnodigingen zou ingaan en, voor zover mogelijk, niet om de grapjes zou lachen of op de stomme vragen zou antwoorden. ‘In deze wereld krijg je niets voor niets. Voor die prullen zul je een zeer hoge prijs moeten betalen,’ waarschuwde ze het meisje wanneer ze zat te mokken als ze zich gedwongen zag een cadeautje af te slaan. Het poseren voor het standbeeld bleek een eindeloos en eentonig proces, waarvan Lynn kramp in haar benen kreeg en waardoor ze verstijfde van de kou. Het waren de eerste dagen van januari en de kachels in de hoeken kregen die aan alle kanten tochtende ruimte met hoge plafonds niet warm. De beeldhouwer werkte met een jas aan en met een gekmakende traagheid, vernietigde vandaag wat hij gisteren gemaakt had alsof hij ondanks de honderden op de muren geplakte schetsen van De Republiek geen afgerond idee had.
Op een rampzalige dinsdag kwam Feliciano Rodríguez de Santa Cruz met zijn zoon Matías binnen. Feliciano had het nieuws over het exotische model gehoord en wilde haar leren kennen voordat het monument op het plein zou worden opgericht, haar naam in de krant zou komen en het meisje een onneembare prooi zou worden, in het hypothetische geval dat het monument daadwerkelijk onthuld zou gaan worden. In het tempo waarin het ging, zou het heel goed kunnen gebeuren dat voordat het beeld in brons gegoten werd, de tegenstanders van het project de strijd zouden winnen en alles op niets zou uitdraaien; velen waren het oneens met het idee van een niet-Angelsaksische Republiek. Feliciano’s oude bedriegershart klopte nog altijd harder wanneer hij een verovering rook, daarom was hij daar. Hij was over de zestig, maar het feit dat het model nog geen twintig was leek hem geen onoverkomelijk obstakel; hij was ervan overtuigd dat er maar weinig níet met geld te koop was. Hij had maar heel even nodig om de situatie in te schatten toen hij Lynn, zo jong en kwetsbaar, rillend onder het onbetamelijke jurkje op de verhoging zag staan met het atelier vol kerels die haar wilden verslinden; het was evenwel geen medelijden met het meisje of angst voor de concurrentie tussen menseneters waardoor zijn eerste impuls om haar te versieren werd onderdrukt, maar Eliza Sommers. Hij herkende haar meteen, hoewel hij haar slechts een paar keer gezien had. Hij had niet verwacht dat het model waarover hij zoveel had horen vertellen, de dochter van een vriendin van zijn vrouw was.
Lynn Sommers werd de aanwezigheid van Matías pas een halfuur later gewaar, toen de beeldhouwer de sessie als beëindigd beschouwde en zij de lauwerkrans en het perkament kon wegleggen en van de verhoging af kon komen. Haar moeder legde een deken over haar schouders en bracht haar een kop chocolademelk, terwijl ze haar meevoerde naar achter het kamerscherm, waar ze zich moest omkleden. Matías stond in zichzelf gekeerd voor het raam naar de straat te kijken; zijn ogen waren de enige die op dat moment niet op haar gevestigd waren. Lynn merkte meteen de mannelijke schoonheid, de jeugdigheid en de goede afkomst van die man op, zijn verfijnde kleding, zijn hooghartige houding, de donkerblonde haarlok die geraffineerd slordig over zijn voorhoofd viel, de perfecte handen met gouden ringen aan de pinken. Verbaasd dat ze zo werd genegeerd, deed ze om de aandacht te trekken alsof ze struikelde. Verscheidene handen schoten te hulp om haar op te vangen, behalve die van de dandy bij het raam, die nauwelijks zijn blik langs haar liet glijden, totaal onverschillig, alsof zij onderdeel was van het meubilair. En toen besloot Lynn, met een op hol geslagen verbeelding, zonder ook maar een reden te hebben om zich aan vast te klampen, dat hij de knappe man was die al jarenlang in de damesromans was aangekondigd: eindelijk had ze haar bestemming gevonden. Terwijl ze zich achter het kamerscherm aankleedde, waren haar tepels hard als steentjes.
Matías’ onverschilligheid was niet gespeeld, hij had de jonge vrouw echt niet opgemerkt, hij was daar om heel andere redenen dan wellust: hij moest met zijn vader over geld praten en had geen andere gelegenheid gevonden om dat te doen. Het water stond hem tot de lippen en hij had onmiddellijk een cheque nodig om zijn schulden in een speelhol in Chinatown af te lossen. Zijn vader had hem gewaarschuwd dat hij niet van plan was dergelijk vertier te blijven financieren, en als het niet een zaak van leven of dood geweest was, zoals zijn schuldeisers hem duidelijk te kennen hadden gegeven, had hij er wel voor gezorgd dat hij beetje bij beetje het hoognodige van zijn moeder kon aftroggelen. Dit keer waren de ‘hemelingen’ echter niet van plan te wachten en Matías dacht terecht dat zijn vader door het bezoek aan de beeldhouwer in een goed humeur zou zijn en het makkelijk zou zijn van hem te krijgen wat hij wilde. Pas enkele dagen later kwam hij er tijdens een braspartij met zijn losbollige vrienden achter dat hij bij Lynn Sommers was geweest, de meest begeerde vrouw van het moment. Hij moest moeite doen zich haar te herinneren en vroeg zich zelfs af of hij in staat zou zijn haar te herkennen als hij haar op straat zou zien. Toen er weddenschappen kwamen over wie haar het eerst zou verleiden, deed hij mee uit lusteloosheid en kondigde vervolgens met zijn gebruikelijke onbeschaamdheid aan dat hij dat in drie stappen zou doen. De eerste, zei hij, was voor elkaar krijgen dat zij alleen naar de garçonnière zou komen om haar aan zijn makkers voor te stellen; de tweede zou zijn haar overhalen om naakt voor hen te poseren, en de derde de liefde met haar bedrijven – dat alles binnen de termijn van een maand. Toen hij zijn neef Severo del Valle uitnodigde om op woensdagmiddag de mooiste vrouw van San Francisco te leren kennen, was hij bezig het eerste gedeelte van de weddenschap na te komen. Het was makkelijk geweest Lynn met een discreet gebaar voor het raam van de theesalon van haar moeder te wenken, op de hoek op haar te wachten toen ze met een smoes naar buiten kwam, een paar straten met haar op te lopen, haar een paar complimentjes te geven die bij een vrouw met meer ervaring hilariteit hadden gewekt, en nadrukkelijk met haar alleen in zijn atelier af te spreken. Hij was teleurgesteld omdat hij een interessantere uitdaging had verwacht. Vóór de afspraak op woensdag hoefde hij niet eens veel moeite te doen om haar te verleiden: een paar lome blikken, zijn lippen die haar wang beroerden, een beetje blazen en wat overbekende zinnen in haar oor waren genoeg om het meisje, dat beefde in zijn bijzijn, klaar voor de liefde, te ontwapenen. Matías vond dat vrouwelijke verlangen zich over te geven en te lijden pathetisch, het was precies waar hij bij vrouwen de grootste hekel aan had, daarom kon hij zo goed overweg met Amanda Lowell, die dezelfde houding van schaamteloosheid tegenover gevoelens en van eerbied tegenover lust had als hij. Lynn, die gehypnotiseerd was als een muis door een cobra, had eindelijk iemand aan wie ze de bloemrijke kunst van de minnebriefjes en haar prentjes van dromerige maagden en knappe mannen met brillantinehaar kon richten. Ze had er geen vermoeden van dat Matías die romantische missives deelde met zijn fijne vrienden. Toen Matías ze aan Severo del Valle wilde laten zien, weigerde deze. Hij wist nog niet dat ze gestuurd waren door Lynn Sommers, maar het idee te spotten met de verliefdheid van een naïeve jonge vrouw stuitte hem tegen de borst. ‘Zo te zien ben je nog altijd een heer, beste neef, maar maak je maar geen zorgen, dat gaat net zo makkelijk over als maagdelijkheid,’ zei Matías.
Severo del Valle ging die gedenkwaardige woensdag op de uitnodiging van zijn neef in om de mooiste vrouw van San Francisco te zien, zoals die hem verteld had, en kwam voor de onaangename verrassing te staan dat hij niet als enige voor de gelegenheid was opgetrommeld; er was minstens een half dozijn drinkende en rokende bohémiens in de garçonnière, en dezelfde roodharige vrouw die hij zo’n twee jaar geleden een paar seconden had gezien toen Williams Matías in een opiumkit ging redden. Hij wist wie ze was, want zijn neef had hem over haar verteld en haar naam ging rond in het wereldje van de lichtzinnige shows en het nachtleven. Het was Amanda Lowell, een zeer goede vriendin van Matías, met wie hij in koor lachte om het schandaal dat ze veroorzaakt had in de tijd dat ze de minnares van Feliciano Rodríguez de Santa Cruz was geweest. Matías had haar beloofd haar na de dood van zijn ouders het Neptunusbed te schenken dat Paulina del Valle uit rancune uit Florence had laten komen. Van La Lowells liederlijke roeping was weinig meer over – naarmate ze ouder werd, ontdekte ze hoe zelfingenomen en saai de meeste mannen zijn –, maar met Matías had ze ondanks hun wezenlijke verschillen een diepgaande verwantschap. Die woensdag hield ze zich afzijdig, terwijl ze op de sofa champagne lag te drinken, want ze was zich ervan bewust dat zij eens niet het middelpunt van de aandacht was. Ze was uitgenodigd zodat Lynn bij de eerste afspraak niet in haar eentje tussen de mannen zou zijn, want dan zou ze misschien terugschrikken.
Na een paar minuten werd er op de deur geklopt en kwam het beroemde model voor De Republiek binnen, gewikkeld in een dikke wollen cape met een capuchon over haar hoofd. Toen ze de mantel uittrok zagen ze een maagdelijk gezicht, omlijst door zwart haar, in het midden gescheiden en in een eenvoudig knotje naar achteren gekamd. Severo del Valle voelde zijn hart opspringen en al het bloed naar zijn hoofd stromen, dat als een legertrom tegen zijn slapen dreunde. Hij had nooit gedacht dat het slachtoffer van de weddenschap van zijn neef Lynn Sommers zou zijn. Hij kon geen woord uitbrengen, haar niet eens gedag zeggen, zoals de rest deed; hij trok zich terug in een hoek en bleef daar staan gedurende het uur dat het bezoek van het meisje duurde, met zijn blik strak op haar gericht, verlamd van schrik. Het leed voor hem geen twijfel wat de uitkomst van de weddenschap onder die groep mannen zou zijn. Hij zag Lynn Sommers als een lam op de offersteen, onwetend van haar lot. Een golf van haat jegens Matías en zijn volgelingen kwam vanuit zijn tenen naar boven, vermengd met een ingehouden woede jegens Lynn. Hij kon niet bevatten dat het meisje niet doorhad wat er gaande was, dat ze het bedrieglijke van die dubbelzinnige vleierijen, het glas champagne dat ze maar bleven bijvullen, de perfecte rode roos die Matías in haar haar stak, niet zag; het was allemaal zo voorspelbaar en banaal dat je er misselijk van werd. Ze moet echt ongeneeslijk dom zijn, dacht hij, net zozeer walgend van haar als van de rest, maar overmand door een onafwendbare liefde die jarenlang op de gelegenheid had gewacht om te ontluiken en nu openbarstte, hem overdonderde.
‘Is er iets, neef?’ vroeg Matías spottend, terwijl hij hem een glas aanreikte.
Hij kon niet antwoorden en moest zijn gezicht afwenden om niet te laten zien dat hij hem wel kon vermoorden, maar de ander had zijn gevoelens geraden en wilde de grap verder doorvoeren. Toen Lynn Sommers zei dat ze moest gaan, nadat ze beloofd had de volgende week terug te komen om voor de camera’s van die ‘kunstenaars’ te poseren, vroeg Matías zijn neef haar te begeleiden. En zo kwam het dat Severo del Valle ineens alleen was met de vrouw die de halsstarrige liefde voor Nívea op een laag pitje had kunnen houden. Hij liep met Lynn de weinige straten tussen het atelier van Matías en de theesalon van Eliza Sommers door, zo erg van slag dat hij niet eens wist hoe hij een simpel gesprekje moest beginnen. Het was te laat om haar over de weddenschap te vertellen, hij wist dat Lynn net zo gruwelijk blind verliefd was op Matías als hij op haar. Ze zou hem niet geloven, ze zou zich beledigd voelen en zou, al zou hij haar uitleggen dat ze voor Matías nauwelijks meer dan een speeltje was, evengoed rechtstreeks naar de slachtbank gaan, blind van liefde. Zij was degene die de ongemakkelijke stilte verbrak om hem te vragen of hij de Chileense neef was over wie Matías het had gehad. Severo begreep zeer goed dat dat meisje niet de geringste herinnering had aan de eerste ontmoeting jaren geleden, toen zij bij het licht van de gebrandschilderde ramen plaatjes in een album had zitten plakken, ze wist niet dat hij sindsdien met de volharding van de eerste liefde van haar hield, en evenmin was het haar opgevallen dat hij bij de patisserie rondhing en haar vaak passeerde op straat. Haar ogen hadden hem eenvoudigweg niet geregistreerd. Bij het afscheid gaf hij haar zijn visitekaartje, maakte een buiging om haar hand te kussen en stamelde dat ze, als ze hem ooit nodig mocht hebben, alsjeblieft niet moest aarzelen om bij hem aan te kloppen. Vanaf die dag ontweek hij Matías en stortte zich op zijn studie en het werk om de gedachte aan Lynn Sommers en de vernederende weddenschap van zich af te zetten. Toen zijn neef hem de volgende woensdag voor de tweede bijeenkomst uitnodigde, waarbij ze naar verwachting haar kleren uit zou trekken, schold hij hem uit. Een paar weken lang kreeg hij geen regel op papier voor Nívea en kon hij evenmin haar brieven lezen, die hij ongeopend bewaarde, alsof hij ook deelhad in de stoerdoenerij om Lynn Sommers te onteren.
Matías Rodríguez de Santa Cruz won de weddenschap zonder moeite, maar onderweg liet zijn cynisme hem in de steek en zag hij zich ongewild gevangen in datgene waar hij op deze wereld het bangst voor was: sentimenteel gedoe. Hij werd niet verliefd op de mooie Lynn, maar de onvoorwaardelijke liefde en de onschuld waarmee zij zich overleverde, ontroerden hem. Het meisje legde een volledig vertrouwen in zijn handen, was bereid om te doen wat hij van haar vroeg, zonder zich af te vragen wat zijn bedoelingen waren of de consequenties te overzien. Matías kon de absolute macht die hij over haar uitoefende pas volledig bevatten toen hij haar naakt op zijn zolderkamer zag en zij blozend van ontsteltenis haar schaamstreek en borsten met haar armen bedekte, midden in de kring van zijn kornuiten, die deden alsof ze haar fotografeerden zonder de hondse geilheid te verbergen die deze meedogenloze rotstreek bij hen opwekte. Lynns lichaam had niet de zandlopervorm die destijds zo in de mode was, geen weelderige heupen en borsten die door een onmogelijke taille gescheiden werden; ze was slank en welvend, had lange benen en ronde borsten met donkere tepels, haar huid had de kleur van zomerfruit en een mantel van sluik, zwart haar viel tot halverwege haar rug. Matías bewonderde haar als een van de vele kunstvoorwerpen die hij verzamelde, hij vond haar subliem, maar hij stelde tevreden vast dat ze geen enkele aantrekkingskracht op hem uitoefende. Zonder aan haar te denken, alleen om op te scheppen tegenover zijn vrienden en als proeve van wreedheid, gebaarde hij haar haar armen te spreiden. Lynn keek hem een paar seconden aan en gehoorzaamde vervolgens traag, terwijl tranen van schaamte over haar wangen liepen. Bij het zien van dit onverwachte huilen wendden de mannen hun blikken af en bleven gedurende een moment dat eeuwig leek te duren met de camera’s in de hand staan wachten, niet wetend wat te doen. Toen pakte Matías, voor het eerst in zijn leven in verlegenheid gebracht, een jas en bedekte Lynn hiermee terwijl hij haar omarmde. ‘Wegwezen! Het is afgelopen,’ gebood hij zijn gasten, die een voor een onthutst afdropen.
Eenmaal met haar alleen zette Matías haar op zijn knieën en begon haar als een kind te wiegen, haar in gedachten om vergeving vragend, maar niet in staat de woorden te formuleren, terwijl het meisje zwijgend bleef huilen. Ten slotte voerde hij haar zachtmoedig naar het bed achter het kamerscherm en ging er met haar op liggen terwijl hij haar omhelsde als een broer, haar hoofd streelde, haar voorhoofd kuste, in de war gebracht door een onbekend, almachtig gevoel dat hij niet kon benoemen. Hij verlangde niet naar haar, hij wilde haar slechts beschermen en haar haar onschuld ongeschonden teruggeven, maar de onmogelijke zachtheid van Lynns huid, het warrelende haar dat over hem heen viel en haar appelgeur deden hem bezwijken. Hij werd verrast door de overgave zonder reserves van dat huwbare lichaam dat openging bij de aanraking van zijn handen, en zonder te weten hoe het kwam, was hij haar ineens aan het verkennen, aan het kussen met een begeerte die geen enkele vrouw ooit eerder in hem had opgewekt, en stak hij zijn tong in haar mond, oren, overal, overweldigde hij haar, drong bij haar binnen in een maalstroom van onhoudbare passie, bereed haar genadeloos, blind, op hol geslagen, totdat hij met een verwoestend orgasme in haar tot uitbarsting kwam. Heel even waren ze in een andere dimensie, weerloos, lichamelijk en geestelijk naakt. Matías kreeg de openbaring van een intimiteit die hij tot dan toe had gemeden zonder ook maar te weten dat die bestond, hij ging een laatste grens over en bevond zich aan de andere kant, beroofd van zijn wil. Hij had meer geliefdes gehad – vrouwen en mannen – dan goed was om zich te herinneren, maar nooit had hij zo de controle, de ironie, de afstand, de notie van zijn eigen onaantastbare individualiteit verloren, gewoonweg om met een ander mens samen te smelten. Op een bepaalde manier gaf hij bij dat samenzijn evenzeer zijn maagdelijkheid prijs. De reis duurde nauwelijks een duizendste fractie van een seconde, maar dat was genoeg om hem doodsbang te maken; hij keerde terug in zijn uitgeputte lichaam en verschanste zich direct weer in het pantser van zijn gebruikelijke sarcasme. Toen Lynn haar ogen opende, was hij niet meer de man met wie ze de liefde had bedreven, maar die van voorheen; zij had echter niet de ervaring om dat te weten. Gepijnigd, met bloed bevlekt en gelukkig liet ze zich meevoeren door de luchtspiegeling van een denkbeeldige liefde, terwijl Matías haar in zijn armen bleef houden, hoewel zijn geest alweer ver was afgedwaald. Zo bleven ze liggen tot het licht door het raam helemaal verdwenen was en zij begreep dat ze terug moest naar haar moeder. Matías hielp haar met aankleden en liep met haar mee tot in de buurt van de theesalon. ‘Wacht op me, morgen kom ik op dezelfde tijd,’ fluisterde ze bij het afscheid.
Severo del Valle hoorde pas drie maanden later wat er die dag was voorgevallen en welke gebeurtenissen erop volgden. In april 1879 verklaarde Chili de oorlog aan zijn buurlanden Peru en Bolivia, vanwege een grenskwestie, voor de salpeter en uit arrogantie. De Salpeteroorlog was uitgebroken. Toen het bericht San Francisco bereikte, presenteerde Severo zich bij zijn oom en tante met de mededeling dat hij ging vechten.
‘Hadden we niet afgesproken dat je nooit meer een voet in een kazerne zou zetten?’ bracht zijn tante Paulina hem in herinnering.
‘Dit is anders, mijn vaderland is in gevaar.’
‘Jij bent een burger.’
‘Ik ben reserveofficier,’ zei hij.
‘De oorlog is afgelopen voordat jij in Chili bent aangekomen. Laten we eens kijken wat de kranten zeggen en wat de familie ervan vindt. Neem geen overhaaste beslissingen,’ adviseerde zijn tante hem.
‘Het is mijn plicht,’ antwoordde Severo, denkend aan zijn grootvader, de patriarch Agustín del Valle, die onlangs, gekrompen tot de afmeting van een chimpansee maar met zijn slechte karakter nog helemaal intact, was gestorven.
‘Jouw plicht is hier, bij mij. Oorlog is goed voor de handel. Dit is het moment om met suiker te speculeren,’ reageerde Paulina.
‘Met suiker?’
‘Geen van deze drie landen produceert het, en in zware tijden snoepen mensen meer,’ stelde Paulina.
‘Hoe weet u dat, tante?’
‘Uit eigen ervaring, jongen.’
Severo liep weg om zijn koffers in te pakken, maar hij ging niet met de boot die al een paar dagen later uitvoer richting zuiden, zoals hij van plan was, maar pas eind oktober. Die avond deelde zijn tante hem mee dat ze ongewoon bezoek kregen en dat ze verwachtte dat hij aanwezig zou zijn omdat haar man op reis was en deze kwestie om de goede adviezen van een advocaat vroeg. Om zeven uur opende Williams, met de hooghartige houding die hij aannam wanneer hij zich verplicht zag mensen van lagere komaf te dienen, de deur voor een lange, strak in het zwart geklede Chinees met grijs haar en een vrouwtje met een jeugdig en onbetekenend uiterlijk, maar even hautain als Williams zelf. Tao Chi’en en Eliza Sommers bevonden zich in de roofdierensalon, zoals die genoemd werd, omringd door leeuwen, olifanten en andere Afrikaanse beesten die hen vanuit hun vergulde lijsten aan de muren observeerden. Paulina zag Eliza regelmatig in de patisserie, maar nooit hadden ze elkaar ergens anders ontmoet, ze behoorden tot gescheiden werelden. Evenmin kende ze die ‘hemeling’, die te oordelen naar de manier waarop hij haar aan de arm had, haar echtgenoot of geliefde moest zijn. Ze voelde zich voor schut staan in haar paleisje met vijfenveertig kamers, gekleed in zwart satijn en behangen met diamanten, tegenover dit bescheiden echtpaar dat haar eenvoudig, afstandelijk begroette. Het viel haar op dat haar zoon Matías hen beduusd ontving, met een hoofdbuiging en zonder zijn hand uit te steken, en afgezonderd van de groep mensen achter een jacarandahouten bureau bleef zitten, ogenschijnlijk in beslag genomen door het schoonmaken van zijn pijp. Severo del Valle ried van zijn kant zonder een sprankje twijfel de reden van de aanwezigheid van de ouders van Lynn Sommers in het huis en hij wenste dat hij zich duizend mijl daarvandaan bevond. Nieuwsgierig en met haar oren gespitst bood Paulina onmiddellijk iets te drinken aan en maakte een gebaar naar Williams om zich terug te trekken en de deuren te sluiten. ‘Wat kan ik voor u doen?’ vroeg ze. Toen begon Tao Chi’en zonder blikken of blozen te vertellen dat zijn dochter Lynn zwanger was, dat de dader van de ontering Matías was en dat hij het enig mogelijke eerherstel verwachtte. Voor één keer in haar leven stond de matriarch Paulina del Valle met haar mond vol tanden. Ze bleef zitten, hapte naar adem als een gestrande walvis, en toen ze eindelijk haar stem terughad, kwam er slechts een gekras uit.
‘Moeder, ik heb niets met deze mensen te maken. Ik ken ze niet en ik weet niet waar ze het over hebben,’ zei Matías van achter het jacarandahouten bureau, met zijn pijp van bewerkt ivoor in zijn hand.
‘Lynn heeft ons alles verteld,’ onderbrak Eliza hem terwijl ze opstond, met gebroken stem maar zonder tranen.
‘Als het geld is wat u wilt...’ begon Matías, maar zijn moeder sneed hem met een woeste blik de pas af.
‘Vergeeft u ons alstublieft,’ zei ze tot Tao Chi’en en Eliza Sommers. ‘Mijn zoon is net zo verrast als ik. Ik weet zeker dat we dit fatsoenlijk kunnen oplossen, zoals het hoort...’
‘Lynn wil graag trouwen, uiteraard. Ze heeft ons verteld dat jullie van elkaar houden,’ zei Tao Chi’en, eveneens staand, in de richting van Matías, die reageerde met een korte schaterlach die klonk als hondengeblaf.
‘U lijkt respectabele mensen,’ zei Matías. ‘Uw dochter is dat echter niet, zoals elk van mijn vrienden kan getuigen. Ik weet niet wie van hen verantwoordelijk is voor haar eerverlies, maar ik ben het zeker niet.’
Eliza Sommers was helemaal wit weggetrokken en stond te trillen op haar benen, die het bijna begaven. Tao Chi’en pakte haar stevig bij de arm en liep, haar ondersteunend als een invalide, met haar naar de deur. Severo del Valle dacht dat hij doodging van benauwdheid en schaamte, alsof hij de enige schuldige aan het gebeurde was. Hij haalde hen in om de deur voor hen te openen en liep met hen mee tot de voordeur, waar een huurrijtuig wachtte. Hij kon niets bedenken om te zeggen. Toen hij terugliep naar de salon, kon hij het einde van de discussie nog horen.
‘Ik ben niet van plan te tolereren dat er overal bastaards van mijn bloed rondlopen!’ schreeuwde Paulina.
‘Weet aan welke kant u staat, moeder. Wie gaat u geloven: uw eigen zoon of een banketbakster en een Chinees?’ antwoordde Matías terwijl hij de deur achter zich dicht knalde.
Die avond ging Severo de confrontatie met Matías aan. Hij had genoeg informatie om de feiten te herleiden en wilde zijn neef met een stevige ondervraging ontwapenen, maar dat was niet nodig, want hij flapte er meteen alles uit. Hij voelde zich gevangen in een absurde situatie waarvoor hij niet verantwoordelijk was, zei hij; Lynn Sommers had hem achternagelopen en zichzelf op een presenteerblaadje aangeboden; hij had nooit echt de bedoeling gehad haar te verleiden, die weddenschap was alleen maar bluf geweest. Hij probeerde zich al twee maanden van haar te ontdoen zonder haar kapot te maken, hij was bang dat ze een dwaasheid zou begaan, ze was zo’n hysterisch meisje dat in staat was zich uit liefde in zee te storten, legde hij uit. Hij gaf toe dat Lynn nog bijna een kind was en als maagd in zijn armen was beland, met het hoofd vol mierzoete gedichten en geen flauw benul van de seksuele basisbeginselen, maar hij herhaalde dat hij geen enkele verplichting had jegens haar, dat hij het nooit met haar over liefde had gehad, laat staan over een huwelijk. Meisjes als zij brachten altijd moeilijkheden met zich mee, voegde hij eraan toe, daarom meed hij ze als de pest. Hij had nooit bedacht dat zijn korte samenzijn met Lynn dergelijke consequenties zou kunnen hebben. Ze waren een enkele keer samen geweest, zei hij, en hij had haar aangeraden zich te spoelen met azijn en mosterd, hij had niet kunnen bedenken dat ze zo verbazingwekkend vruchtbaar zou zijn. Hij was in elk geval bereid voor de kosten van het kind op te draaien, betalen was het punt niet, maar hij wilde het niet zijn achternaam geven, want er was geen enkel bewijs dat het van hem zou zijn. ‘Ik trouw nu niet en nooit niet, Severo. Ken jij iemand die minder burgerlijk is dan ik?’
Een week later kwam Severo del Valle in de kliniek van Tao Chi’en, nadat hij de heikele missie waarmee zijn neef hem op pad had gestuurd talloze malen had overdacht. De zhong yi had zojuist de laatste patiënt van die dag geholpen en ontving hem onder vier ogen in het wachtkamertje van zijn praktijk, op de eerste verdieping. Hij luisterde onaangedaan naar Severo’s aanbod.
‘Lynn heeft geen geld nodig, daar heeft ze haar ouders voor,’ zei hij zonder enige emotie te tonen. ‘In elk geval bedankt voor uw bezorgdheid, meneer Del Valle.’
‘Hoe gaat het met mejuffrouw Sommers?’ vroeg Severo, vernederd door de waardigheid van de ander.
‘Mijn dochter denkt nog steeds dat er een misverstand is. Ze weet zeker dat meneer Rodríguez de Santa Cruz haar spoedig ten huwelijk zal vragen, niet uit verplichting, maar uit liefde.’
‘Meneer Chi’en, ik weet niet wat ik ervoor zou geven om de situatie te veranderen. De waarheid is dat mijn neef een slechte gezondheid heeft, hij kan niet trouwen. Ik betreur het vreselijk...’ mompelde Severo del Valle.
‘Wij betreuren het nog meer. Voor uw neef is Lynn slechts vermaak; voor Lynn is hij haar leven,’ zei Tao Chi’en zachtjes.
‘Ik zou graag uw dochter uitleg geven, meneer Chi’en. Kan ik haar zien, alstublieft?’
‘Dat moet ik aan Lynn vragen. Op dit moment wil ze niemand zien, maar ik laat het u weten als ze van mening verandert,’ antwoordde de zhong yi terwijl hij hem uitgeleide deed.
Severo del Valle wachtte drie weken zonder een woord van Lynn te vernemen, totdat hij het niet langer uithield en naar de theesalon ging om Eliza Sommers te smeken met haar dochter te mogen praten. Hij verwachtte op een ondoordringbare weerstand te stuiten, maar zij ontving hem, omgeven door haar suiker- en vanillearoma, even sereen als Tao Chi’en naar hem had geluisterd. Aanvankelijk had Eliza zichzelf de schuld gegeven van wat er gebeurd was: ze had niet opgelet, ze was niet in staat geweest haar dochter te beschermen, en nu was haar leven verwoest. Ze huilde in de armen van haar man, totdat hij haar eraan herinnerde dat zij op zestienjarige leeftijd een soortgelijke ervaring had gehad: dezelfde grenzeloze liefde, de geliefde die haar had laten zitten, de zwangerschap en de angst; het verschil was dat Lynn niet alleen was, niet van huis weg hoefde te lopen en de halve wereld te doorkruisen in het ruim van een schip achter een man aan die haar niet waard was, zoals zij had gedaan. Lynn was naar haar ouders gegaan en zij hadden het grote geluk haar te kunnen helpen, had Tao Chi’en gezegd. In China of Chili zou hun dochter reddeloos verloren zijn, de maatschappij zou geen pardon met haar hebben, maar in Californië, land zonder traditie, was er ruimte voor iedereen. De zhong yi riep zijn kleine gezin bij elkaar en verklaarde dat de baby een geschenk uit de hemel was en dat ze het kind met blijdschap tegemoet moesten zien; tranen waren slecht voor het karma, ze brachten het kindje in de buik van de moeder schade toe en tekenden het voor een leven in onzekerheid. Dat jongetje of meisje zou welkom zijn; oom Lucky en hijzelf, de grootvader, zouden waardige vervangers voor de afwezige vader zijn. En wat Lynns mislukte liefde betreft, daar zouden ze later wel over nadenken, zei hij. Hij leek zo enthousiast bij het vooruitzicht opa te worden dat Eliza zich schaamde voor haar schijnheilige overwegingen, haar tranen droogde en zichzelf geen verwijten meer maakte. Als voor Tao Chi’en het medelijden met zijn dochter zwaarder telde dan de eer van de familie, dan moest dat ook voor haar zo zijn, besloot ze; het was haar plicht Lynn te beschermen en de rest was niet belangrijk. Zo maakte ze dat ook vriendelijk kenbaar aan Severo del Valle, die dag in de theesalon. Ze begreep niet waarom de Chileen zo bleef aandringen om met haar dochter te praten, maar ze deed een goed woordje voor hem en uiteindelijk stemde het meisje ermee in hem te zien. Lynn kon zich hem nauwelijks herinneren, maar ze ontving hem in de hoop dat hij als boodschapper van Matías zou komen.
In de daaropvolgende maanden werden de bezoeken van Severo del Valle aan het huis van de familie Chi’en een gewoonte. Hij arriveerde altijd tegen de avond, wanneer hij klaar was met werken, liet zijn paard vastgebonden bij de deur staan en kwam binnen met zijn hoed in de ene en een cadeautje in de andere hand, en zo raakte Lynns kamer gevuld met speelgoed en kleertjes voor de baby. Tao Chi’en leerde hem mahjong spelen en samen met Eliza en Lynn brachten ze uren door met het verplaatsen van de ivoren speelstukken. Lucky deed niet mee, want hij vond het tijdverspilling om zonder geld te spelen, terwijl Tao Chi’en het juist alleen in huiselijke kring deed omdat hij het in zijn jeugd had afgezworen om geld te spelen en er zeker van was dat hem, als hij die belofte zou verbreken, iets ergs zou overkomen. De familie Chi’en raakte zo gewend aan de aanwezigheid van Severo dat ze ontsteld op de klok keken wanneer hij te laat kwam. Eliza Sommers maakte van de gelegenheid gebruik om met hem haar Spaans te oefenen en herinneringen aan Chili op te halen, dat verre land waar ze in meer dan dertig jaar geen voet had gezet, maar dat ze nog steeds als haar vaderland beschouwde. Ze spraken over de details rond de oorlog en de politieke veranderingen: na enkele decennia van conservatieve regeringen hadden de liberalen gewonnen en had de strijd om de macht van de clerus te breken en hervormingen door te voeren elke Chileense familie verdeeld. De meerderheid van de mannen, hoe katholiek ze ook waren, wilde dolgraag het land moderniseren, maar de vrouwen, die veel religieuzer waren, keerden zich tegen hun vaders en echtgenoten om de Kerk te verdedigen. Naar Nívea in haar brieven vertelde, bleef het lot van de armen hetzelfde, hoe liberaal de regering ook was, en ze voegde eraan toe dat zoals altijd de vrouwen uit de hoge klasse en de clerus de touwtjes in handen hadden. Het scheiden van Kerk en Staat was ongetwijfeld een grote stap voorwaarts, schreef het meisje – achter de rug van de Del Valle-clan om, die dit soort ideeën niet tolereerde –, maar het waren altijd dezelfde families die de situatie controleerden. ‘Laten we een nieuwe partij oprichten, Severo, eentje die rechtvaardigheid en gerechtigheid zoekt,’ schreef ze, geprikkeld door de geheime gesprekken met zuster María Escapulario.
In het zuiden van het continent ging de Salpeteroorlog door, steeds bloediger, terwijl de Chileense krijgsmachten zich snel gereedmaakten om de campagne in de noordelijk gelegen woestijn te starten, een gebied zo ruig en onherbergzaam als de maan, waar het bevoorraden van de troepen een titanisch werk bleek te zijn. De enige manier om de soldaten naar de plaatsen te brengen waar de veldslagen geleverd zouden worden, was over zee, maar het Peruaanse eskader wilde dat niet toestaan. Severo del Valle dacht dat de oorlog zou uitpakken in het voordeel van Chili, dat een onoverwinnelijke organisatie en wreedheid leek te hebben. Het waren niet alleen de bewapening en het krijgshaftige karakter die de uitslag van het conflict zouden bepalen, legde hij Eliza Sommers uit, maar ook het voorbeeld van een handjevol heldhaftige mannen die erin geslaagd waren de geest der natie aan te vuren.
‘Ik geloof dat de oorlog in mei werd beslist, mevrouw, in een zeeslag bij de haven van Iquique. Daar vocht een wrakkig Chileens fregat tegen een superieure Peruaanse zeemacht. Het bevel werd gevoerd door Arturo Prat, een zeer religieuze en nogal verlegen jonge kapitein, die niet meedeed aan het gefeest en gebras in het militaire milieu, een zo weinig uitgesproken persoon dat zijn superieuren geen vertrouwen hadden in zijn moed. Die dag werd hij de held die de geest van alle Chilenen inspireerde.’
Eliza kende de details, ze had ze gelezen in een exemplaar van de The Times, waarin de episode werd beschreven als ‘... een van de meest glorieuze zeeslagen die ooit hebben plaatsgevonden; een oud houten schip dat bijna uit elkaar viel hield drieënhalf uur lang stand tegen een grondbatterij en een machtig slagschip en eindigde met zijn vlag in top’. Het Peruaanse schip onder bevel van admiraal Miguel Grau, ook een held in zijn land, stormde op volle kracht op het Chileense fregat af en doorboorde het met zijn stormram, een moment dat kapitein Prat benutte om te enteren, gevolgd door een van zijn mannen. Ze stierven beiden enkele minuten later, doodgeschoten op het vijandelijke dek. Bij de tweede stoot sprongen er meer, in navolging van hun baas, en die werden eveneens met kogels doorzeefd; uiteindelijk kwam driekwart van de bemanning om voordat het fregat zonk. Een dergelijk staaltje van heroïek gaf hun landgenoten moed en maakte zo’n indruk op hun vijanden dat admiraal Grau onthutst bleef herhalen: ‘Wat kunnen die Chilenen vechten!’
‘Grau is een heer. Hij pakte persoonlijk het zwaard en de kledingstukken van Prat bij elkaar en gaf ze terug aan de weduwe,’ vertelde Severo, en hij voegde eraan toe dat sinds die slag de heilige leuze in Chili luidde: ‘Strijden tot de overwinning of de dood’, zoals die dappere mannen hadden gedaan.
‘En u, Severo, bent u niet van plan om de oorlog in te gaan?’ vroeg Eliza hem.
‘Ja, dat zal ik zeer binnenkort doen,’ antwoordde de jongen beschaamd, zonder te weten waar hij op wachtte om zijn plicht te vervullen. Intussen werd Lynn dikker zonder ook maar een greintje van haar gratie of schoonheid te verliezen. Haar jurken paste ze niet meer en ze trok makkelijk zittende, vrolijke zijden tunieken aan die in Chinatown gekocht waren. Ze ging weinig de deur uit, hoewel haar vader erop hamerde dat ze moest lopen. Soms haalde Severo del Valle haar op in een koets en nam haar mee uit wandelen in Presidio Park of langs het strand, waar ze op een doek gingen zitten om te lunchen en te lezen, hij zijn kranten en wetboeken, zij de romantische boekjes waarvan ze de verhalen niet meer geloofde, maar waar ze nog altijd in kon vluchten. Severo leefde bij de dag, van bezoek tot bezoek aan het huis van de familie Chi’en, zonder ander doel dan Lynn te zien. Nívea schreef hij niet meer. Vele malen had hij de pen opgepakt om haar op te biechten dat hij van een ander hield, maar hij verscheurde de brieven zonder ze op te sturen omdat hij de woorden niet vond om met zijn vriendin te breken zonder haar dodelijk te treffen. Bovendien had Lynn hem nooit signalen gegeven die hem een uitgangspunt boden om zich een toekomst met haar voor te stellen. Ze spraken niet over Matías, net zomin als deze ooit iets over Lynn zei, maar de vraag hing altijd in de lucht. Severo lette erop in het huis van zijn oom en tante geen gewag te maken van zijn nieuwe vriendschap met de familie Chi’en en hij ging ervan uit dat niemand het vermoedde, behalve de stijve butler Williams, aan wie hij het niet hoefde te vertellen, want hij wist het, zoals hij alles wist wat er in dat enorme huis gebeurde. Severo kwam al twee maanden laat thuis met een idiote glimlach op zijn gezicht toen Williams hem meenam naar de vliering en hem bij het licht van een alcohollamp een in lakens gewikkelde bult liet zien. Toen hij die uitpakte bleek het een schitterende wieg te zijn.
‘Hij is van bewerkt zilver, zilver uit de Chileense mijnen van meneer en mevrouw. Hier hebben alle kinderen van dit gezin in geslapen. Als u wilt kunt u hem meenemen,’ was het enige dat hij zei.
Uit schaamte kwam Paulina del Valle niet meer in de theesalon, ze was niet in staat de scherven van haar aan stukken liggende, langdurige vriendschap met Eliza Sommers te lijmen. Ze moest het zonder de Chileense lekkernijen stellen waarvoor ze jarenlang een zwak had gehad, en genoegen nemen met de Franse banketbakkerskunsten van haar kok. Haar overweldigende kracht, waar ze zoveel aan had als er obstakels uit de weg geruimd en plannen verwezenlijkt moesten worden, keerde zich nu tegen haar; tot bewegingsloosheid veroordeeld, vrat ze zich op van onrust, ze had last van hartkloppingen. ‘Ik word gekweld door de zenuwen, Williams,’ klaagde ze, voor het eerst veranderd in een kwakkelende vrouw. Ze redeneerde dat het, met een ontrouwe echtgenoot en drie losbollen van zoons, het meest waarschijnlijk was dat er her en der een flink aantal onwettige kinderen met haar bloed rondzwierf, er was geen reden om zich zo te kwellen; die hypothetische bastaarden hadden echter geen naam of gezicht, maar deze had ze voor haar neus. Als het tenminste Lynn Sommers maar niet geweest was! Ze kon het bezoek van Eliza en die Chinees van wie ze zich de naam niet kon herinneren niet vergeten; het beeld van dat waardige echtpaar in haar salon pijnigde haar. Matías had het meisje verleid, geen slimme redenering van de logica of van haarzelf kon die waarheid, die zij intuïtief vanaf het eerste moment had aangenomen, weerleggen. De ontkenningen van haar zoon en zijn sarcastische opmerkingen over de beperkte kuisheid van Lynn hadden haar slechts gesterkt in haar overtuiging. Het kind dat die jonge vrouw in haar buik droeg, riep een wervelstorm aan ambivalente gevoelens in haar op, aan de ene kant een ingehouden woede jegens Matías en aan de andere kant een onvermijdelijke tederheid jegens dat eerste kleinkind. Zodra Feliciano terug was van zijn reis, vertelde ze hem wat er gebeurd was.
‘Die dingen gebeuren voortdurend, Paulina, je hoeft er geen drama van te maken. De helft van de Californische kindertjes is bastaard. Het belangrijkste is een schandaal te voorkomen en de gelederen rond Matías te sluiten. De familie gaat voor,’ meende Feliciano.
‘Dat kind is van onze familie,’ voerde zij aan.
‘Het is nog niet geboren of je telt het al mee! Ik ken die Lynn Sommers. Ik heb haar naakt zien poseren in het atelier van een beeldhouwer, ze toonde zichzelf midden in een kring van mannen, ieder van hen zou haar minnaar kunnen zijn. Zie je dat dan niet?’
‘Jíj ziet het niet, Feliciano.’
‘Dit kan een eindeloos proces van chantage worden. Ik verbied je het geringste contact met die mensen, en als ze hier in de buurt komen, laat het dan maar aan mij over,’ besliste Feliciano in een oogwenk.
Vanaf die dag roerde Paulina het onderwerp niet meer aan in het bijzijn van haar zoon of haar man, maar ze kon zich niet inhouden en nam uiteindelijk Williams in vertrouwen, die de prettige gewoonte had tot het einde naar haar te luisteren zonder zijn mening te geven, tenzij zij daar om vroeg. Als ze Lynn Sommers zou kunnen helpen, zou ze zich iets beter voelen, dacht ze, maar voor één keer had ze helemaal niets aan haar rijkdom.
Die maanden waren een ramp voor Matías. Niet alleen wekte het gedoe met Lynn zijn gal, maar ook nam de pijn in zijn gewrichten dermate toe dat hij niet meer kon schermen en ook met andere sporten moest stoppen. Hij werd meestal met zoveel pijn wakker dat hij zich afvroeg of het moment niet was aangebroken om zelfmoord te overwegen, een gedachte die hij koesterde sinds hij de naam van zijn aandoening kende, maar wanneer hij uit bed stapte en in beweging kwam, voelde hij zich beter, en dan keerde zijn levenslust met hernieuwde energie terug. Zijn polsen en knieën zwollen op, zijn handen trilden en de opium was niet meer een leuk tijdverdrijf in Chinatown, maar een noodzaak. Het was Amanda Lowell, zijn goede feestmaatje en enige vertrouwelinge, die hem de voordelen van het injecteren van morfine liet zien, effectiever, schoner en eleganter dan een opiumpijp: een minimale dosis en meteen verdween de beklemming, om plaats te maken voor rust. Het schandaal van de bastaard die op komst was, had hem uiteindelijk kapotgemaakt, en halverwege de zomer kondigde hij plotseling aan dat hij binnen een paar dagen naar Europa zou vertrekken om te zien of een andere omgeving, de thermale wateren in Italië en de Engelse artsen zijn symptomen konden verlichten. Hij zei er niet bij dat hij van plan was in New York Amanda Lowell te treffen om samen met haar de overtocht te maken, want haar naam werd nooit genoemd binnen het gezin, waar de herinnering aan de roodharige Schotse bij Feliciano indigestie veroorzaakte en bij Paulina een onderdrukte woede naar boven haalde. Niet alleen zijn kwalen en het verlangen bij Lynn Sommers uit de buurt te zijn brachten Matías tot zijn plotselinge reis, maar ook nieuwe speelschulden, zoals men kort na zijn vertrek te weten kwam, toen een paar omzichtige Chinezen in het kantoor van Feliciano verschenen en hem met de grootste beleefdheid lieten weten dat hij het bedrag dat zijn zoon verschuldigd was met rente moest terugbetalen, anders zou een lid van zijn eerbiedwaardige familie iets heel vervelends overkomen. Als antwoord liet hij ze uit zijn kantoor wegdragen en op straat gooien, en vervolgens belde hij Jacob Freemont, de journalist die gespecialiseerd was in de stedelijke onderwereld. De man hoorde hem vriendelijk aan, want hij was een goede vriend van Matías, en ging meteen met hem mee naar de commissaris van politie, een Australiër van troebele reputatie die hem het een en ander verschuldigd was, en vroeg hem de zaak op zijn manier op te lossen. ‘De enige manier die ik ken is betalen,’ antwoordde de ambtenaar, en hij legde aansluitend uit waarom niemand zich inliet met de tongs van Chinatown. Hij had van boven tot beneden opengereten lichamen moeten bergen, met de ingewanden keurig ingepakt in een doosje ernaast. Het waren vergeldingen onder ‘hemelingen’, uiteraard, zei hij erbij; bij blanken zorgden ze er in elk geval voor dat het een ongeluk leek. Had hij niet opgemerkt hoeveel mensen er bij onverklaarbare branden omkwamen, in een afgelegen straat onder paardenbenen verbrijzeld werden, in het rustige water van de baai verdronken of verpletterd werden onder bakstenen die op onverklaarbare wijze van een gebouw in aanbouw vielen? Feliciano Rodríguez de Santa Cruz betaalde.
Toen Severo del Valle Lynn Sommers vertelde dat Matías naar Europa was vertrokken zonder plannen om in de nabije toekomst terug te keren, barstte ze in huilen uit en bleef daar ondanks de kalmeringsmiddelen die Tao Chi’en haar toediende vijf dagen mee doorgaan, totdat haar moeder haar twee klappen in het gezicht gaf en haar dwong de realiteit onder ogen te zien. Ze was roekeloos geweest, en nu moest ze maar voor de consequenties opdraaien; ze was geen klein meisje meer, ze werd moeder en moest dankbaar zijn dat ze een familie had die bereid was haar te helpen, want andere vrouwen in haar situatie werden op straat gezet en moesten op onfatsoenlijke wijze aan de kost komen, terwijl hun bastaardkinderen in een weeshuis terechtkwamen; het moment was aangebroken om te accepteren dat haar geliefde in rook was opgegaan, ze zou een moeder en vader voor de baby moeten zijn en nu eindelijk eens volwassen moeten worden, want in dit huis waren ze het zat haar grillen te verdragen; al twintig jaar kreeg ze wat haar hartje begeerde; ze moest niet denken dat ze nu voortaan op een bed kon blijven liggen klagen; neus snuiten en aankleden, want ze gingen wandelen, en dat zouden ze absoluut twee keer per dag doen, al regende of onweerde het, had ze dat gehoord? Ja, Lynn had het tot het einde toe gehoord, met uitpuilende ogen van verbazing en brandende wangen van de enige klappen die ze in haar leven gekregen had. Ze kleedde zich aan en gehoorzaamde zwijgend. Vanaf dat moment stond ze ineens met beide benen op de grond, ze aanvaardde haar lot met een verbluffende kalmte, klaagde niet meer, slikte de middeltjes van Tao Chi’en, maakte lange wandelingen met haar moeder en was zelfs in staat te schateren van het lachen toen ze erachter kwam dat het project voor het standbeeld van De Republiek in de soep was gelopen, zoals haar broer Lucky vertelde, niet omdat er geen model was, maar omdat de beeldhouwer met de poen naar Brazilië gevlucht was.
Eind augustus durfde Severo eindelijk over zijn gevoelens voor Lynn Sommers te praten. In die tijd voelde zij zich zwaar als een olifant en herkende haar eigen gezicht niet in de spiegel, maar in de ogen van Severo was ze mooier dan ooit. Ze hadden het warm gekregen van een wandeling en hij pakte zijn zakdoek om haar voorhoofd en hals te deppen, maar kon zijn gebaar niet afmaken. Zonder te weten hoe stond hij ineens voorovergebogen, hield haar stevig vast bij haar schouders en kuste haar midden op straat op de mond. Hij vroeg haar te trouwen en zij vertelde hem in alle eenvoud dat ze nooit van een andere man zou houden, alleen van Matías Rodríguez de Santa Cruz.
‘Ik vraag je niet van mij te houden, Lynn, de genegenheid die ik voor jou voel is genoeg voor twee,’ antwoordde Severo op de enigszins plechtige wijze waarop hij altijd met haar omging. ‘De baby heeft een vader nodig. Geef me de kans jullie beiden te beschermen en ik beloof dat ik op den duur je liefde waardig zal zijn.’
‘Mijn vader zegt dat in China stelletjes trouwen zonder elkaar te kennen en later leren van elkaar te houden, maar ik weet zeker dat dat in mijn geval niet zo is, Severo. Het spijt me zeer...’ antwoordde zij.
‘Je zult niet met mij samen hoeven leven, Lynn. Zodra je bevallen bent, ga ik naar Chili. Mijn land is in oorlog en ik heb mijn plicht al te lang uitgesteld.’
‘En als je niet terugkeert uit de oorlog?’
‘Dan heeft je kind in elk geval mijn achternaam en de erfenis van mijn vader, die ik nog steeds heb. Het is niet veel, maar genoeg voor een opleiding. En jij, liefste Lynn, zult gerespecteerd worden...’
Diezelfde avond schreef Severo Nívea de brief die hij haar eerder niet had kunnen schrijven. Hij vertelde het haar in vier zinnen, zonder omwegen of excuses, want hij begreep dat zij het niet anders zou dulden. Hij durfde haar niet eens om vergeving te vragen voor de verspilling van tijd en liefde die die vier jaar van epistolaire verkering voor haar betekenden, want dat soort kleinzielige berekeningen waren het genereuze hart van zijn nicht onwaardig. Hij riep een bediende om de brief de volgende dag op de post te doen en ging vervolgens aangekleed op bed liggen, afgepeigerd. Hij had voor het eerst in lange tijd een droomloze slaap. Een maand later trouwden Severo del Valle en Lynn Sommers met een sobere plechtigheid, in aanwezigheid van haar familie en Williams, de enige bewoner van zijn huis die Severo had uitgenodigd. Hij wist dat de butler het aan zijn tante Paulina zou vertellen en besloot te wachten tot zij de eerste stap zou zetten en hem ernaar zou vragen. Hij vertelde het tegen niemand, want Lynn had hem gevraagd om uiterste geheimhouding totdat het kind geboren zou zijn en zij haar normale uiterlijk weer terug zou hebben; ze durfde zich niet te vertonen met die kalebasbuik en haar met vlekken bezaaide gezicht, zei ze. Die avond nam Severo met een zoen op haar voorhoofd afscheid van zijn kersverse echtgenote en vertrok zoals altijd om in zijn eenpersoonskamer te gaan slapen.
Diezelfde week werd in de wateren van de Stille Oceaan opnieuw een zeeslag geleverd, waarbij het Chileense eskader twee vijandelijke pantserschepen uitschakelde. De Peruaanse admiraal, Miguel Grau, dezelfde heer die maanden eerder het zwaard van kapitein Prat aan diens weduwe had teruggegeven, stierf even heldhaftig als hij. Voor Peru was het een ramp, want door het verlies van de controle op zee werd de communicatie afgesneden en raakten de troepen versnipperd en geïsoleerd. De Chilenen namen de heerschappij op zee over, konden hun troepen verplaatsen naar de sleutelposities in het noorden en het plan uitvoeren om over vijandelijk terrein op te rukken en Lima in te nemen. Severo del Valle volgde het nieuws even fanatiek als de rest van zijn landgenoten in de Verenigde Staten, maar zijn liefde voor Lynn overtrof ruimschoots zijn vaderlandsliefde en hij vervroegde zijn terugreis niet.
In de vroege ochtend van de tweede maandag van oktober werd Lynn wakker in een doorweekt nachthemd en slaakte een kreet van afschuw, want ze dacht dat ze in bed geplast had. ‘Dat is niet best, de vliezen zijn te vroeg gebroken,’ zei Tao Chi’en tegen zijn vrouw, maar tegen zijn dochter deed hij rustig en glimlachte hij. Tien uur later, toen er nog nauwelijks weeën waarneembaar waren en de familie doodmoe was van het mahjong spelen om Lynn af te leiden, besloot Tao Chi’en zijn toevlucht te nemen tot zijn kruiden. De aanstaande moeder grapte uitdagend: waren dat nou de barenspijnen waarvoor ze haar zo hadden gewaarschuwd? Ze waren beter te verdragen dan de buikkrampen die ze van het Chinese eten kreeg, zei ze. Ze was eerder verveeld dan dat ze zich onbehaaglijk voelde en ze had honger, maar haar vader liet haar alleen water en de medicinale kruidenthee drinken, terwijl hij acupunctuur op haar toepaste om de bevalling te bespoedigen. De combinatie van geneesmiddelen en gouden naalden had effect, en toen Severo del Valle zich bij het vallen van de avond aandiende voor zijn dagelijkse bezoek, trof hij een bleke Lucky aan de deur en schudde het huis op zijn grondvesten door het gekreun van Lynn en de druktemakerij van een Chinese vroedvrouw, die tegen haar schreeuwde en heen en weer rende met lappen en kannen water. Tao Chi’en liet de vroedvrouw toe omdat zij op dat terrein meer ervaring had dan hij, maar hij stond niet toe dat ze Lynn martelde door boven op haar te gaan zitten of met haar vuisten tegen haar buik te slaan, zoals ze van plan was. Severo del Valle bleef in de salon tegen de muur gedrukt staan in een poging niet op te vallen. Elke jammerklacht van Lynn ging hem door merg en been; hij wilde zo ver mogelijk weg vluchten, maar hij kon zich niet verroeren en kreeg geen woord uitgebracht. Op dat moment zag hij Tao Chi’en aankomen, onverstoorbaar, keurig gekleed als altijd.
‘Kan ik hier wachten? Sta ik niet in de weg? Hoe kan ik helpen?’ stamelde Severo, het zweet deppend dat over zijn hals liep.
‘U loopt helemaal niet in de weg, jongeman, maar u kunt Lynn niet helpen, ze moet haar werk alleen doen. U kunt wel Eliza helpen, die is een beetje in de war.’
Eliza had de kwellingen van de bevalling zelf meegemaakt en wist, zoals elke vrouw, dat je op de drempel van de dood stond. Ze kende de ingespannen, geheimzinnige reis waarbij het lichaam zich opent om ruim baan te geven aan een nieuw leven; ze herinnerde zich het moment waarop je van een helling begint te rollen zonder te kunnen stoppen, kreunt en perst zonder enige beheersing, de angst, het lijden en de ongelooflijke verbazing wanneer het kind eindelijk loslaat en ter wereld komt. Tao Chi’en deed er met al zijn wijsheid als zhong yi langer over dan zij om te beseffen dat er in Lynns geval iets helemaal misging. De middelen uit de Chinese geneeskunde hadden hevige weeën veroorzaakt, maar het kindje lag verkeerd en werd tegengehouden door het bekken van de moeder. Het was een droge en zware bevalling, zo legde Tao Chi’en uit, maar zijn dochter was sterk en het ging er alleen om dat Lynn rustig bleef en niet vermoeider raakte dan nodig was; het was een race op uithoudingsvermogen, niet op snelheid, zei hij erbij. Tijdens een pauze liep Eliza Sommers, die net zo uitgeput was als Lynn zelf, de kamer uit en kwam in een gang Severo tegen. Ze wenkte hem en hij volgde haar, ontredderd, naar het kamertje met het altaar, waar hij nooit eerder was geweest. Op een lage tafel lag een eenvoudig kruisbeeld, er stond een klein beeldje van Kuan Yin, de Chinese godin van het mededogen, en in het midden lag een simpele inkttekening van een vrouw in een groene tuniek met twee bloemen achter haar oren. Hij zag twee brandende kaarsen en schoteltjes met water, rijst en bloemblaadjes. Eliza knielde voor het altaar op een oranje zijden kussentje en vroeg Christus, Boeddha en de geest van Lin, de eerste echtgenote, om haar dochter te komen helpen bij de bevalling. Severo bleef achter haar staan en mompelde zonder na te denken de katholieke gebeden die hij in zijn kindertijd geleerd had. Zo bleven ze daar een tijdje, verbonden door de angst en de liefde voor Lynn, totdat Tao Chi’en zijn vrouw riep om hem te helpen, want hij had de vroedvrouw naar huis gestuurd en maakte zich klaar om het kindje om te draaien en het met de hand te halen. Severo bleef met Lucky in de deur staan roken, terwijl Chinatown langzaam wakker werd.
In de vroege dinsdagochtend werd het kindje geboren. De moeder streed trillend en badend in het zweet om het ter wereld te brengen, maar schreeuwde niet meer, ze hijgde slechts, gespitst op de aanwijzingen van haar vader. Ten slotte zette ze de tanden op elkaar, greep zich vast aan de spijlen van het bed en perste met een geweldige beslistheid, waarna er een plukje donker haar te voorschijn kwam. Tao Chi’en pakte het hoofdje en trok vastberaden maar voorzichtig tot de schoudertjes naar buiten kwamen, draaide het lichaampje om en haalde het snel met een enkele beweging naar buiten, terwijl hij met de andere hand de paarse navelstreng van het halsje haalde. Eliza Sommers kreeg een bloederig hoopje, een piepklein meisje met een plat gezichtje en een blauwe huid, in haar armen. Terwijl Tao Chi’en de navelstreng doorknipte en zich inspande voor het tweede gedeelte van de bevalling, maakte de grootmoeder het kleinkind schoon met een spons en klopte op het rugje totdat het begon te ademen. Toen ze de schreeuw hoorde die de intrede in de wereld aankondigde en zag dat ze een normale kleur kreeg, legde ze haar op Lynns buik. Uitgeput steunde de moeder op een elleboog om haar te ontvangen, terwijl haar lichaam bleef stuwen, en legde haar aan haar borst, terwijl ze haar kuste en welkom heette in een allegaartje van Engels, Spaans, Chinees en verzonnen woorden. Een uur later riep Eliza Severo en Lucky om naar het meisje te komen kijken. Ze zagen haar vredig slapend in de wieg van bewerkt zilver die de familie Rodríguez de Santa Cruz had toebehoord, gekleed in gele zijde en met een rood mutsje dat haar het uiterlijk van een piepklein kaboutertje gaf. Lynn lag bleekjes en kalm te soezen onder schone lakens en Tao Chi’en, die naast haar zat, hield haar hartslag in de gaten.
‘Welke naam geeft u haar?’ vroeg Severo del Valle ontroerd.
‘Dat moeten Lynn en u beslissen,’ antwoordde Eliza.
‘Ik?’
‘Bent u niet de vader?’ vroeg Tao Chi’en hem met een knipoog.
‘Ze heet Aurora, omdat ze met de dageraad geboren is,’ fluisterde Lynn zonder haar ogen te openen.
‘In het Chinees is haar naam Lai-Ming, dat betekent dageraad,’ zei Tao Chi’en.
‘Welkom in de wereld, Lai-Ming, Aurora del Valle,’ glimlachte Severo, terwijl hij het meisje een kus op het voorhoofd gaf. Dit was ongetwijfeld de gelukkigste dag uit zijn leven, en dat rimpelige, als een Chinese pop aangeklede wezentje voelde bijna als zijn bloedeigen dochter. Lucky nam zijn nichtje in zijn armen en blies zijn tabaks- en sojasausadem in haar gezicht.
‘Wat doe je nou!’ riep de grootmoeder uit, terwijl ze probeerde haar uit zijn handen te rukken.
‘Ik blaas haar lucht in om mijn geluk aan haar over te dragen. Welk ander cadeau dat de moeite waard is kan ik aan Lai-Ming geven?’ lachte de oom.
Rond etenstijd, toen Severo del Valle bij het huis op Nob Hill arriveerde met het nieuws dat hij een week geleden met Lynn Sommers getrouwd was en dat die dag hun dochter geboren was, waren zijn oom en tante zo verbijsterd dat het leek alsof hij een dode hond op de eettafel gelegd had.
‘En iedereen maar Matías de schuld geven! Ik wist altijd wel dat hij de vader niet was, maar ik had nooit gedacht dat jij het zou zijn,’ spoog Feliciano zodra hij een beetje van de verrassing was bekomen.
‘Ik ben niet de biologische, maar de wettige vader. Het meisje heet Aurora del Valle,’ verduidelijkte Severo.
‘Dit is een onvergeeflijke brutaliteit! Je hebt deze familie, die je als een zoon heeft opgenomen, verraden!’ brulde zijn oom.
‘Ik heb niemand verraden. Ik ben uit liefde getrouwd.’
‘Maar die vrouw was toch verliefd op Matías?’
‘Die vrouw heet Lynn en ze is mijn echtgenote, ik eis van u dat u haar met het gepaste respect bejegent,’ zei Severo droogjes, terwijl hij opstond.
‘Je bent een idioot, Severo, een complete idioot!’ schold Feliciano, en hij liep met grote woeste stappen de eetkamer uit.
De ondoorgrondelijke Williams, die op dat moment binnenkwam om toezicht te houden op het uitserveren van de nagerechten, kon een korte glimlach van medeplichtigheid niet onderdrukken voordat hij zich discreet terugtrok. Paulina hoorde ongelovig de uitleg van Severo aan dat hij binnen een paar dagen naar de oorlog in Chili zou vertrekken, dat Lynn bij haar ouders in Chinatown zou blijven wonen en dat hij, als de zaken goed uitpakten, in de toekomst zou terugkeren om zijn rol als echtgenoot en vader te aanvaarden.
‘Ga zitten, neef, laten we eens als normale mensen met elkaar praten. Matías is de vader van dat meisje, nietwaar?’
‘Vraag dat maar aan hem, tante.’
‘Ik snap het al. Je bent getrouwd om het gezicht van Matías te redden. Mijn zoon is een cynicus en jij bent een romanticus... Je leven verwoesten voor een donquichotterie!’ riep Paulina uit.
‘U vergist zich, tante. Ik heb mijn leven niet verwoest; integendeel, ik denk dat dit voor mij de enige mogelijkheid is om gelukkig te zijn.’
‘Met een vrouw die van een ander houdt? Met een dochter die niet van jou is?’
‘De tijd zal helpen. Als ik terugkeer uit de oorlog, zal Lynn van me leren houden en het meisje zal denken dat ik haar vader ben.’
‘Matías kan eerder terugkomen dan jij.’
‘Dat verandert niets.’
‘Matías hoeft maar een woord te zeggen en Lynn volgt hem naar het einde van de wereld.’
‘Dat is een onvermijdelijk risico,’ antwoordde Severo.
‘Je bent gek geworden, jongen. Die mensen komen niet uit ons milieu,’ stelde Paulina del Valle.
‘Het is de keurigste familie die ik ken, tante,’ verzekerde Severo haar.
‘Ik zie dat je bij mij niets geleerd hebt. Om in deze wereld succes te hebben moet je dingen van tevoren incalculeren. Jij bent een advocaat met een glansrijke toekomst en hebt een van de oudste achternamen van Chili. Denk je dat de hogere kringen jouw vrouw zullen accepteren? En je nicht Nívea, wacht die soms niet op je?’ vroeg Paulina.
‘Dat is voorbij,’ zei Severo.
‘Geweldig, nu heb je het echt goed verknald, Severo, ik neem aan dat het voor spijt te laat is. We gaan proberen de zaken te herstellen voor zover we dat kunnen. Geld en sociale positie zijn erg belangrijk, hier en in Chili. Ik zal je helpen zo goed als ik kan, ik ben niet voor niets de grootmoeder van dat meisje... hoe zei je dat ze heette?’
‘Aurora, maar haar grootouders noemen haar Lai-Ming.’
‘Ze draagt de achternaam Del Valle, het is mijn plicht haar te helpen, aangezien Matías in deze treurige kwestie zijn handen in onschuld wast.’
‘Dat is niet nodig, tante. Ik heb alles zo geregeld dat Lynn het geld van mijn erfenis krijgt.’
‘Centen kun je nooit te veel hebben. Ik mag mijn kleinkind toch wel zien?’
‘Dat zullen we aan Lynn en haar ouders vragen,’ beloofde Severo del Valle.
Ze zaten nog in de eetkamer toen Williams verscheen met de dringende boodschap dat Lynn een bloeding had gehad en er gevreesd werd voor haar leven, en dat hij onmiddellijk moest komen. Severo snelde naar Chinatown. Toen hij bij de familie Chi’en aankwam, trof hij het kleine gezin rond het bed van Lynn aan, zo stil dat ze leken te poseren voor een tragisch schilderij. Heel even werd hij door een dwaze hoop bevangen toen hij alles schoon en opgeruimd zag, zonder sporen van de bevalling, geen vieze lappen of een geur van bloed, maar daarna zag hij het verdriet op de gezichten van Tao, Eliza en Lucky. De lucht in de kamer was ijl geworden; Severo haalde diep adem, hapte naar lucht, als op de top van een berg. Hij liep bevend naar het bed en zag Lynn met haar handen op haar borst liggen, haar oogleden gesloten en haar gelaatstrekken doorzichtig: een mooie, albasten, askleurige sculptuur. Hij pakte haar hand, hard en koud als ijs, boog zich over haar heen en constateerde dat haar ademhaling nauwelijks waarneembaar was en dat haar lippen en vingers blauw waren; hij kuste in een eindeloos gebaar haar handpalm, maakte haar nat met zijn tranen, verslagen door droefenis. Zij slaagde erin de naam van Matías uit te brengen, zuchtte meteen daarna twee keer en ging heen met dezelfde luchtigheid als waarmee ze door deze wereld gezweefd had. Een absolute stilte onthaalde het mysterie van de dood en gedurende een onmetelijke tijd wachtten ze roerloos, terwijl de geest van Lynn opsteeg. Severo voelde hoe een langdurige kreet uit het diepst van de aarde omhoogkwam en van zijn voeten tot zijn mond door hem heen trok, maar niet van zijn lippen kon komen. De schreeuw overmande zijn binnenste, nam hem volledig in bezit en kwam in zijn hoofd tot een geruisloze uitbarsting. Hij bleef daar geknield naast het bed stemloos om Lynn roepen, vol ongeloof over het noodlot dat plotseling de vrouw van wie hij jarenlang gedroomd had van hem had weggerukt, haar had meegenomen juist toen hij dacht haar voor zich gewonnen te hebben. Een eeuwigheid later voelde hij dat er op zijn schouder getikt werd en ontmoette hij de doffe ogen van Tao Chi’en, ‘het is goed, het is goed’, leek hij te mompelen, en verder naar achteren zag hij Eliza Sommers en Lucky elkaar snikkend omhelzen, en hij begreep dat hij een indringer was in het verdriet van dit gezin. Toen dacht hij aan het meisje. Hij liep wankelend als een dronkenman naar het zilveren wiegje, nam de kleine Aurora in zijn armen, droeg haar naar het bed en bracht haar bij het gezicht van Lynn zodat ze haar moeder vaarwel kon zeggen. Daarna nam hij haar op schoot en wiegde haar, ontroostbaar.
Toen Paulina del Valle hoorde dat Lynn Sommers gestorven was, ging er een golf van blijdschap door haar heen en slaakte ze zelfs een overwinningskreet, voordat de schaamte over een dusdanig lage emotie haar weer met beide benen op de grond zette. Ze had altijd een dochter willen hebben. Vanaf haar eerste zwangerschap droomde ze van het meisje dat haar naam, Paulina, zou dragen en haar beste vriendin en metgezel zou zijn. Bij elk van de drie jongens die ze op de wereld had gezet, voelde ze zich belazerd, maar nu, in de rijpheid van haar leven, viel dit geschenk haar in de schoot: een kleinkind dat zij als een dochter zou kunnen opvoeden, iemand die ze alle mogelijkheden die liefde en geld konden geven kon bieden, dacht ze, iemand die haar op haar oude dag gezelschap zou houden. Met Lynn Sommers uit beeld kon zij het kind in naam van Matías bemachtigen. Ze was die onverwachte buitenkans aan het vieren met een kop chocola en drie crèmegebakjes, toen Williams haar eraan herinnerde dat de kleine wettelijk gezien als dochter van Severo del Valle geregistreerd stond, de enige persoon met het recht om over haar toekomst te beslissen. Des te beter, concludeerde ze, want haar neef was er tenminste, terwijl het langetermijnwerk zou worden om Matías uit Europa te halen en hem te overreden zijn dochter op te eisen. Ze had Severo’s reactie nooit voorzien toen ze hem haar plannen voorlegde.
‘Wettelijk gezien ben jij de vader, dus jij kunt het meisje morgen meteen in huis halen,’ zei Paulina.
‘Dat doe ik niet, tante. Lynns ouders zullen hun kleindochter bij zich houden terwijl ik de oorlog in ga. Ze willen haar opvoeden en ik vind het goed,’ antwoordde de neef op een stellige toon, die zij nog nooit van hem gehoord had.
‘Ben je niet goed wijs? We kunnen mijn kleindochter niet in de handen van Eliza Sommers en die Chinees achterlaten!’ riep Paulina uit.
‘Waarom niet? Het zijn haar grootouders.’
‘Wil je dat ze in Chinatown opgroeit? Wij kunnen haar onderwijs bieden, kansen, luxe, een respectabele achternaam. Geen van deze dingen kunnen zij haar geven.’
‘Ze zullen haar liefde geven,’ antwoordde Severo.
‘Ik ook! Denk eraan dat je me veel verschuldigd bent, jongen. Dit is jouw kans om me terug te betalen en iets voor dat meisje te doen.’
‘Het spijt me, tante, het is al besloten. Aurora zal bij haar grootouders van moederskant blijven.’
Paulina kreeg weer eens een van de vele driftbuien in haar leven. Ze kon niet geloven dat die neef van wie ze dacht dat hij haar onvoorwaardelijke bondgenoot was, die voor haar een zoon erbij was geworden, haar zo gemeen kon verraden. Ze krijste, schold, gebruikte vergeefse argumenten en maakte zich zo druk dat Williams er een dokter bij moest roepen om haar een aan haar omvang aangepaste dosis kalmeringsmiddelen toe te dienen en haar voor een flinke poos te laten inslapen. Toen ze dertig uur later wakker werd, was haar neef al aan boord van het stoomschip dat hem naar Chili zou brengen. Haar echtgenoot en de trouwe Williams konden haar er samen van overtuigen dat het niet aan de orde was om geweld te gaan gebruiken, zoals ze van plan was, want hoe corrupt de justitie in San Francisco ook was, er bestond geen wetmatige basis om een baby bij de grootouders van moederskant weg te halen, in aanmerking genomen dat de vermeende vader dat schriftelijk zo bepaald had. Ze adviseerden haar tevens geen gebruik te maken van het aloude middel om geld te bieden, want dat zou tegen haar kunnen werken en als een boemerang op haar kunnen terugkaatsen. De enige mogelijke weg totdat Severo del Valle zou terugkeren was die van de diplomatie, en daarna zouden ze tot een overeenkomst kunnen komen, adviseerden ze haar, maar zij wilde van geen argumenten weten en verscheen twee dagen later in de theesalon van Eliza Sommers met een voorstel waarvan ze zeker wist dat de andere grootmoeder het niet kon weigeren. Eliza ontving haar in het zwart gekleed vanwege haar dochter, maar opgefleurd door de troost van haar kleinkind, dat vreedzaam naast haar lag te slapen. Toen ze het zilveren wiegje dat van haar kinderen was geweest bij het raam zag staan, schrok Paulina, maar ze herinnerde zich meteen weer dat ze Williams toestemming had gegeven het aan Severo te geven en beet op haar lippen, want ze was niet daar om over een wieg te ruziën – hoe duur die ook was –, maar om over haar kleinkind te onderhandelen. ‘Niet degene die gelijk heeft wint, maar degene die het best kan pingelen,’ placht ze te zeggen. En in dit geval leek het haar niet alleen evident dat ze het gelijk aan haar kant had, maar was het ook nog eens zo dat niemand haar overtrof in de kunst van het afdingen.
Eliza haalde de baby uit de wieg en gaf haar aan Paulina. Ze hield dat piepkleine hoopje vast, zo licht dat het slechts een bundeltje lappen leek, en ze dacht dat haar hart explodeerde door een geheel nieuw gevoel. ‘Mijn god, mijn god,’ herhaalde ze beangstigd bij het voelen van die onbekende kwetsbaarheid die haar knieën deed knikken en een snik door haar borst joeg. Ze ging in een stoel zitten, met haar kleinkind half verdwaald op haar enorme schoot, en wiegde haar, terwijl Eliza Sommers de thee en de gebakjes bestelde die ze haar vroeger serveerde, in de tijden dat Paulina de trouwste bezoekster van haar patisserie was. Gedurende die minuten kon Paulina del Valle van de emoties bekomen en haar geschut in stelling brengen. Ze condoleerde Eliza met Lynns dood en erkende vervolgens meteen dat haar zoon Matías zonder twijfel de vader van Aurora was, je hoefde het kindje maar te zien om dat te weten: ze was hetzelfde als alle Rodríguez de Santa Cruz y del Valles. Ze betreurde het ten zeerste, zei ze, dat Matías om gezondheidsredenen in Europa was en nog geen aanspraak kon maken op het meisje. Vervolgens gaf ze haar wens te kennen om het kleinkind te krijgen, aangezien Eliza zoveel werkte, weinig tijd en nog minder middelen van bestaan had – het was voor haar ongetwijfeld onmogelijk Aurora hetzelfde bestaansniveau te bieden als ze bij haar thuis op Nob Hill zou krijgen. Ze zei het op de toon van iemand die een gunst verleent, waarbij ze de benauwdheid die haar keel dichtkneep en het trillen van haar handen verborg. Eliza Sommers antwoordde dat ze het genereuze voorstel op prijs stelde, maar ze was er zeker van dat zij met Tao Chi’en Lai-Ming onder haar hoede kon nemen, zoals Lynn hun gevraagd had voordat ze stierf. Uiteraard, voegde ze eraan toe, was Paulina altijd welkom in het leven van het meisje.
‘We moeten geen verwarring stichten rond het vaderschap over Lai-Ming,’ voegde Eliza Sommers eraan toe. ‘Zoals u en uw zoon een aantal maanden geleden beweerden, had hij niets te maken met Lynn. U zult zich herinneren dat uw zoon uitdrukkelijk te kennen gaf dat elk van zijn vrienden de vader van het meisje kon zijn.’
‘Dat zijn dingen die men in de hitte van de strijd zegt, Eliza. Matías zei het zonder erbij na te denken...’ stamelde Paulina.
‘Het feit dat Lynn met meneer Severo del Valle is getrouwd, bewijst dat uw zoon de waarheid vertelde, Paulina. Mijn kleindochter heeft geen bloedband met u, maar ik herhaal dat u haar kunt zien wanneer u wilt. Hoe meer mensen er van haar houden, des te beter voor haar.’
In het halfuur dat volgde stonden de twee vrouwen als gladiatoren tegenover elkaar, ieder in haar eigen stijl. Paulina del Valle ging van vleierij over op intimidatie, van een verzoek op het wanhopige redmiddel van de omkoperij, en toen alles mislukt was, op bedreiging, zonder dat de andere grootmoeder ook maar een centimeter van haar standpunt week, behalve om voorzichtig de kleine op te pakken en haar naar de wieg terug te brengen. Paulina wist niet wanneer de woede haar naar het hoofd gestegen was, ze de controle over de situatie volkomen verloor en uiteindelijk stond te gillen dat Eliza Sommers nog wel eens zou zien wie de familie Rodríguez de Santa Cruz was, hoeveel macht ze hadden in die stad en hoe ze haar en ook haar achterlijke gebakszaak en haar Chinees te gronde konden richten, want het was voor niemand gunstig om de vijand van Paulina del Valle te worden, en dat ze haar vroeg of laat het meisje zou afnemen, daar kon ze zo zeker van zijn als wat, want degene die haar in de weg stond moest nog geboren worden. Met één veeg gooide ze de exclusieve porseleinen kopjes en de Chileense gebakjes van tafel, die in een wolk van vederlichte suiker op de grond belandden, en ze liep briesend als een stier de deur uit. Eenmaal in de koets barstte ze, met het bloed kloppend tegen haar slapen en haar hart stampend onder de in het korset gevangen vetlagen, uit in een hevig snikken, zoals ze, sinds ze de knip op haar slaapkamerdeur gemaakt had en alleen was achtergebleven in het grote mythologische bed, niet meer gedaan had. Net als toen had haar beste gereedschap gefaald: haar vaardigheid om te onderhandelen als een Arabische koopman, waarmee ze op andere vlakken in haar leven zoveel succes had gehad. Door te veel te ambiëren had ze alles verloren.