De Hobbs-kliniek was door de beroemde chirurg Ebanizer Hobbs opgericht in zijn eigen woning, een degelijk en stijlvol uitziend oud herenhuis midden in de wijk Kensington, waar muren uit werden gebroken, ramen van werden dichtgetimmerd en overal tegels in werden aangebracht tot het er potsierlijk uitzag. De aanwezigheid van dat pand in die chique straat was de buren zo’n doorn in het oog dat Hobbs’ opvolgers zonder moeite de aangrenzende huizen konden opkopen om de kliniek uit te breiden, met behoud van de Edwardiaanse gevels, zodat ze aan de buitenkant in niets verschilden van de identieke huizenrijen in het blok. Vanbinnen was het een doolhof van kamers, trappen, gangen en kleine binnenraampjes die nergens op uitkeken. Het had niet, zoals de oude ziekenhuizen van de stad, de typische operatiepiste die eruitzag als een stierenvechtersarena – een centrale piste bedekt met zaagsel of zand en met omlopen voor toeschouwers –, maar kleine operatiezaaltjes met betegelde wanden, plafonds en vloeren en metalen platen die eens per dag afgeschrobd werden, want wijlen dokter Hobbs was een van de eersten geweest die Kochs theorie over infectieverspreiding hadden aanvaard en de ontsmettingsmethoden van Lister hadden overgenomen, ontdekkingen die door het grootste deel van de medische wereld uit arrogantie of luiheid nog verworpen werden. Het was niet makkelijk de oude gewoonten te veranderen; hygiëne was lastig, gecompliceerd en haalde de vaart uit de operatie, terwijl snelheid juist gold als een keurmerk voor een goede chirurg omdat het risico op een shock of bloedverlies daardoor afnam. In tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten, voor wie infecties spontaan in het lichaam van de zieke optraden, begreep Ebanizer Hobbs direct dat de kiemen erbuiten lagen, in de handen, op de vloer, op de instrumenten en in de atmosfeer, daarom besproeide hij alles met een regen van fenol, van de wonden tot de lucht in de operatiezaal. De arme man had zoveel fenol ingeademd dat zijn huid uiteindelijk onder de etterende zweren zat en hij voortijdig stierf aan een nieraandoening, waarmee zijn lasteraars een motief hadden om zich vast te klampen aan hun eigen ouderwetse ideeën. Hobbs’ volgelingen onderzochten echter de atmosfeer en ontdekten dat de ziektekiemen niet als onzichtbare roofvogels, klaar voor de slinkse aanval, rondzweefden, maar zich concentreerden op smerige oppervlakken; de infectie werd veroorzaakt door direct contact, het was dus van wezenlijk belang dat het instrumentarium grondig werd gereinigd, er steriele verbanden werden gebruikt en dat de chirurgen zich niet alleen verwoed wasten, maar voor zover mogelijk ook rubber handschoenen droegen. Het ging niet om de grove handschoenen die door anatomen werden gebruikt om lijken te ontleden of door sommige werklieden om met chemische substanties te werken, maar om een verfijnd product, zacht als de menselijke huid, gefabriceerd in de Verenigde Staten. Het had een romantische oorsprong: een dokter die verliefd was op een verpleegster wilde haar beschermen tegen het eczeem dat door de ontsmettingsmiddelen werd veroorzaakt en liet de eerste rubber handschoenen vervaardigen, die daarna door chirurgen werden overgenomen om te opereren. Dit alles had Paulina del Valle aandachtig zitten lezen in een paar wetenschappelijke tijdschriften die ze geleend had van haar familielid don José Francisco Vergara, die het in die tijd aan zijn hart had en een teruggetrokken leven leidde in zijn paleis in Viña del Mar, maar nog even leergierig was als altijd. Mijn grootmoeder koos niet alleen met zorg de arts uit die haar moest opereren – met wie ze al maanden van tevoren vanuit Chili contact opnam –, maar ze had tevens in Baltimore verscheidene paren van de beroemde rubber handschoenen besteld, die ze goed ingepakt in haar hutkoffer met ondergoed had zitten.
Paulina del Valle stuurde Frederick Williams naar Frankrijk om informatie in te winnen over het hout dat gebruikt werd voor de vaten waarin de wijn moest gisten en om de kaasindustrie te verkennen, want er was geen enkele reden waarom Chileense koeien niet zulke smaakvolle kazen als de Franse koeien, die net zo dom waren, zouden kunnen produceren. Tijdens de tocht over het Andesgebergte en later op de oceaanstomer kon ik mijn grootmoeder van dichtbij bestuderen, en ik besefte dat er iets wezenlijks in haar begon te verzwakken – niet de wilskracht, het verstand of de hebzucht, maar veeleer de felheid. Ze werd mild, weekhartig en zo verstrooid dat ze vaak op en top gekleed in mousseline en met parels, maar zonder haar kunstgebit op het scheepsdek ging wandelen. Ze maakte duidelijk slechte nachten door, ze had paarse wallen onder haar ogen en was altijd slaperig. Ze was flink afgevallen, haar vlees hing slap langs haar lijf wanneer ze haar korset uitdeed. Ze wilde me altijd in haar buurt hebben ‘zodat je niet met de matrozen flirt’, een pijnlijke grap, aangezien mijn verlegenheid op die leeftijd zo erg was dat een onschuldige mannenblik in mijn richting voldoende was om mij rood als een gekookte kreeft te laten aanlopen. De werkelijke reden was dat Paulina del Valle zich zwak voelde en mij aan haar zijde nodig had om de dood af te leiden. Ze sprak niet over haar kwalen, integendeel, ze had het erover een paar dagen in Londen door te brengen en vervolgens naar Frankrijk te gaan voor de kwestie met de vaten en de kazen, maar ik vermoedde vanaf het begin dat ze andere plannen had, zoals duidelijk werd zodra we in Engeland aankwamen en ze Frederick Williams begon te bewerken om alleen te gaan, dan zouden wij inkopen doen en ons later bij hem voegen. Ik weet niet of Williams wegging zonder te bevroeden dat zijn vrouw ziek was of dat hij de waarheid zag en haar uit begrip voor haar schroom met rust liet; feit is dat hij ons in hotel Savoy onderbracht en dat hij, toen hij er eenmaal zeker van was dat het ons aan niets ontbrak, zich zonder al te veel enthousiasme inscheepte om het Kanaal over te steken.
Mijn grootmoeder wilde geen pottenkijkers bij haar aftakelingsproces en ze was met name terughoudend jegens Williams. Het hoorde bij de koketterie die ze over zich had gekregen toen ze met hem trouwde en die er nog niet was geweest toen hij haar butler was. Toen maakte ze er geen punt van hem het slechtste van haar karakter te laten zien en zich op wat voor manier dan ook aan hem te vertonen, maar later probeerde ze met haar mooiste veren te pronken. Die relatie in de nadagen van haar leven was heel belangrijk voor haar en ze wilde niet dat haar slechte gezondheid het degelijke bouwwerk van haar ijdelheid schade zou toebrengen, dus probeerde ze haar echtgenoot op een afstand te houden, en als ik niet voet bij stuk had gehouden had ze mij ook buitengesloten; ik moest ervoor vechten, maar uiteindelijk zwichtte ze voor mijn koppigheid en haar eigen zwakte en liet ze me haar bij de doktersbezoeken begeleiden. Ze had pijn en kon bijna niet slikken, maar ze leek niet bang, hoewel ze dikwijls grappen maakte over de ongemakken van de hel en de verveling van de hemel. De Hobbs-kliniek boezemde al bij binnenkomst vertrouwen in met haar gang vol boekenkasten en olieverfportretten van chirurgen die binnen die muren hun beroep hadden uitgeoefend. We werden welkom geheten door een onberispelijke matrone, die ons naar de werkkamer van de dokter bracht, een gezellig vertrek met stijlvolle Engelse meubels van bruin leer en een open haard waarin een vuur van grote houtblokken knetterde. Het uiterlijk van dokter Gerald Suffolk was even indrukwekkend als zijn reputatie. Hij zag eruit als een Teutoon, groot en blozend, met een flink litteken op zijn wang, dat hem eerder onvergetelijk dan lelijk maakte. Op zijn bureau had hij de briefwisseling met mijn grootmoeder, de rapporten van de geraadpleegde Chileense specialisten en het pakje met de rubber handschoenen liggen, die zij diezelfde ochtend per koerier had laten bezorgen. Later kwamen we erachter dat het een onnodige voorzorgsmaatregel was, want ze werden in de Hobbs-kliniek al drie jaar gebruikt. Suffolk onthaalde ons op met kardemomzaadjes gearomatiseerde Turkse koffie, alsof we een beleefdheidsbezoek brachten. Hij nam mijn grootmoeder mee naar een aangrenzend vertrek, keerde na haar onderzocht te hebben terug naar de werkkamer en bladerde door een groot boek terwijl zij weer terugkwam. De patiënte was alweer binnen en de chirurg bevestigde de eerdere diagnose van de Chileense artsen: mijn grootmoeder had een darmtumor. Hij voegde eraan toe dat de operatie gezien haar leeftijd en de experimentele fase waarin de chirurgie zich nog bevond, riskant was, maar hij had een perfecte techniek ontwikkeld voor zulke gevallen, er kwamen artsen van over de hele wereld om van hem te leren. Hij drukte zich met zo’n superioriteitsgevoel uit dat ik moest denken aan Juan Ribero, die verwaandheid een voorrecht van de dommen vond; de wijze man is bescheiden omdat hij weet hoe weinig hij weet. Mijn grootmoeder eiste van hem dat hij haar tot in de details uitlegde wat hij met haar wilde gaan doen, tot verbazing van de arts, die eraan gewend was dat patiënten zich gedwee als kippen overleverden aan de onbetwistbare autoriteit van zijn handen, maar hij greep de gelegenheid meteen aan om een uitgebreide uiteenzetting te geven, waarbij hij het belangrijker vond ons te imponeren met de virtuositeit van zijn operatiemes dan dat hij zich bekommerde om het welzijn van zijn ongelukkige patiënte. Hij maakte een tekening van ingewanden en organen die op een krankzinnige machine leken en wees ons aan waar zich de tumor bevond en hoe hij van plan was die te verwijderen, waarbij hij ook vertelde hoe hij alles weer ging hechten, informatie die Paulina onaangedaan aanhoorde, maar waarvan ik onwel werd, en ik moest de werkkamer uit rennen. Ik ging in de hal met de portretten zitten om binnensmonds te bidden. Eigenlijk was ik angstiger voor mijzelf dan voor haar, het idee alleen op de wereld achter te blijven maakte me bang. Ik zat daar te piekeren over mijn eventuele bestaan als wees, toen er een man langskwam die moet hebben gevonden dat ik er heel bleek uit zag, want hij bleef staan. ‘Is er iets, kind?’ vroeg hij in het Spaans met een Chileens accent. Ik schudde verrast mijn hoofd, zonder hem te durven aankijken, maar ik moet hem zijdelings geobserveerd hebben, want ik kon zien dat hij jong was, een gladgeschoren gezicht had, hoge jukbeenderen, stevige kaken en schuinstaande ogen; hij leek op de afbeelding van Djingiz Chan uit mijn geschiedenisboek, maar dan minder woest. Zijn haar, ogen, huid, het was allemaal honingkleurig, maar de toon waarop hij me vertelde dat hij net als wij Chileens was en dat hij dokter Suffolk tijdens de operatie zou assisteren, was allerminst honingzoet.
‘Mevrouw Del Valle is in goede handen,’ zei hij zonder een zweempje bescheidenheid.
‘Wat gebeurt er als ze haar niet opereren?’ vroeg ik stotterend, zoals altijd wanneer ik erg zenuwachtig ben.
‘De tumor zal blijven groeien. Maar maakt u zich geen zorgen, lieve kind, de chirurgie heeft veel vooruitgang geboekt, uw grootmoeder heeft er heel goed aan gedaan om hier te komen,’ besloot hij.
Ik wilde weten wat een Chileen in die contreien deed en waarom hij dat Tataarse uiterlijk had – het kostte geen enkele moeite me hem met een lans in de hand, gehuld in huiden voor me te zien –, maar ik zweeg beduusd. Londen, de kliniek, de artsen en het drama van mijn grootmoeder waren meer dan ik alleen kon hanteren; Paulina del Valles schaamte in verband met haar ziekte en haar motieven om Frederick Williams naar de overkant van het Kanaal te sturen juist toen we hem het hardst nodig hadden, waren voor mij moeilijk te begrijpen. Djingiz Chan gaf me een minzaam klopje op mijn hand en liep weg.
Tegen al mijn pessimistische voorspellingen in overleefde mijn grootmoeder de chirurgische ingreep en na de eerste week, waarin de koorts onbeheersbaar steeg en daalde, was ze stabiel en kon ze vast voedsel gaan eten. Ik week niet van haar zijde, behalve om één keer per dag naar het hotel te gaan om me te wassen en te verkleden, omdat de geur van narcosemiddelen, medicamenten en ontsmettingsmiddelen als een kleverig mengsel aan je huid plakte. Ik deed af en toe, gezeten op een stoel bij de zieke, een dutje. Ondanks het strenge verbod van mijn grootmoeder stuurde ik nog op de dag van de operatie een telegram naar Frederick Williams, die dertig uur later in Londen arriveerde. Ik zag hem zijn spreekwoordelijke zelfbeheersing verliezen aan het bed waarin zijn vrouw lag, versuft door de medicijnen, kreunend elke keer dat ze uitademde, met een paar haren op haar hoofd en zonder tanden in haar mond, als een verschrompeld oud besje. Hij knielde bij haar neer en legde zijn gezicht in de slappe hand van Paulina del Valle, terwijl hij haar naam fluisterde; toen hij opstond was zijn gezicht nat van de tranen. Mijn grootmoeder, die altijd beweerde dat de jeugd geen periode in het leven is maar een geestestoestand, en dat iemand de gezondheid heeft die hij verdient, voelde zich totaal verslagen in dat ziekenhuisbed. De vrouw wier levenslust even groot was als haar vraatzucht, had haar gezicht naar de muur gekeerd, onverschillig voor haar omgeving, in zichzelf verzonken. Haar enorme wilskracht, haar sterkte, haar nieuwsgierigheid, haar gevoel voor avontuur en zelfs haar hebzucht – alles was uitgevlakt door het lichamelijk lijden.
In die dagen kreeg ik vaak de gelegenheid om Djingiz Chan te zien, die de toestand van de patiënte in de gaten hield, en hij bleek zoals te verwachten was toegankelijker dan de beroemde dokter Suffolk of de strenge matrones van de kliniek. Hij reageerde zonder vage troostende antwoorden, maar met weloverwogen uitleg op de vragen van mijn grootmoeder, en hij was de enige die haar bedroefdheid probeerde te verlichten, terwijl de rest geïnteresseerd was in de toestand van de wond en de koorts, maar de jammerklachten van de patiënte negeerde. Dacht ze soms dat het geen pijn zou doen? Ze kon beter haar mond houden en dankbaar zijn dat ze haar het leven gered hadden. De jonge Chileense dokter was echter royaal met morfine, omdat hij geloofde dat langdurige pijn de fysieke en morele weerstand van de zieke ondermijnt en de genezing vertraagt of verhindert, zoals hij Williams uitlegde. We hoorden dat hij Iván Radovic heette en uit een artsenfamilie kwam, waarvan de vader eind jaren vijftig van de Balkan naar Chili was geëmigreerd. Deze was met een Chileense onderwijzeres uit het noorden getrouwd en had drie kinderen gekregen, van wie er twee hem in de geneeskunde gevolgd waren. Zijn vader, vertelde hij, was tijdens de Salpeteroorlog, waarin hij als chirurg drie jaar gediend had, aan tyfus gestorven, en zijn moeder moest alleen het gezin grootbrengen. Ik kon naar hartenlust het personeel van de kliniek observeren, en ook hoorde ik gesprekken die niet voor mijn oren bestemd waren, want geen van hen, behalve dokter Radovic, gaf er ooit blijk van mijn bestaan op te merken. Ik was bijna zestien en had nog altijd mijn haar met een lint samengebonden en droeg de door mijn grootmoeder uitgezochte kleren; ze liet belachelijke kinderjurkjes voor me maken om me zo lang mogelijk klein te houden. De eerste keer dat ik iets aantrok wat bij mijn leeftijd paste, was toen Frederick Williams me zonder haar toestemming meenam naar Whiteney’s en me in de winkel mijn gang liet gaan. Toen we terugkwamen in het hotel en ik me aandiende met mijn haar in een knot en gekleed als een jongedame, herkende hij me niet, maar dat was weken later. Paulina del Valle moet sterk als een os zijn geweest; ze sneden haar buik open, haalden er een tumor ter grootte van een grapefruit uit, naaiden haar dicht als een schoen en binnen twee maanden was ze weer de oude. Het enige dat ze aan dat verschrikkelijke avontuur overhield, was een zeeroverslitteken dwars over haar buik en een gretige levens- en – uiteraard – eetlust. Zodra ze zonder wandelstok kon lopen vertrokken we naar Frankrijk. Het dieet dat door dokter Suffolk was voorgeschreven wees ze van de hand, want, zo zei ze, ze was niet van het eind van de wereld naar Parijs gekomen om babypap te eten. Onder het voorwendsel de productie van kaas en de culinaire traditie van Frankrijk te bestuderen, stopte ze zich vol met al wat dat land haar aan zaligheden te bieden had.
Eenmaal geïnstalleerd in het hotelletje dat Williams aan de boulevard Haussmann had geboekt, namen we contact op met de onbeschrijflijke Amanda Lowell, die nog altijd hetzelfde air van een vikingkoningin in ballingschap had. In Parijs was ze op haar plek; ze woonde op een stoffige maar gezellige zolder, waar door de kleine raampjes de duiven op de daken van haar wijk en de smetteloze luchten van de stad te zien waren. We stelden vast dat haar verhalen over het bohémienleven en haar vriendschap met beroemde kunstenaars absoluut waar waren; dankzij haar bezochten we de ateliers van Cézanne, Sisley, Degas, Monet en verscheidene anderen. La Lowell moest ons leren die schilderijen te waarderen, want we hadden geen geoefend oog voor het impressionisme, maar al snel waren we helemaal verkocht. Mijn grootmoeder verwierf een mooie collectie schilderijen, die voor grote hilariteit zorgde toen ze ze in haar huis in Chili ophing; niemand kon de spiraalvormige luchten van Van Gogh of de vermoeide revuedanseressen van Lautrec waarderen, en ze dachten dat die sufferd van een Paulina del Valle zich een oor had laten aannaaien. Toen Amanda Lowell zag dat ik altijd mijn fotocamera bij me had en me uren opsloot in een donkere kamer die ik in het hotelletje geïmproviseerd had, bood ze aan me voor te stellen aan de beroemdste fotografen van Parijs. Net als mijn meester Juan Ribero vond zij de fotografie geen concurrentie voor de schilderkunst, ze zijn wezenlijk verschillend; de schilder interpreteert de werkelijkheid en de camera geeft die weer. Bij het een is alles fictie, terwijl het bij het ander de optelsom is van het werkelijke en de gevoeligheid van de fotograaf. Ik mocht van Ribero geen sentimentele of exhibitionistische trucs toepassen, geen voorwerpen of modellen neerzetten zodat het schilderijen zouden lijken. Hij was een tegenstander van de artificiële compositie, hij liet me ook geen negatieven of afdrukken bewerken, en over het algemeen had hij weinig op met licht- en scherptediepte-effecten; hij wilde het beeld eerlijk en eenvoudig hebben, maar scherp tot in de allerkleinste details. ‘Als u het effect van een schilderij wilt, dan moet u schilderen, Aurora. Als u de waarheid wilt, leer dan uw camera gebruiken,’ zei hij me telkens weer. Amanda Lowell heeft me nooit als een kind behandeld, vanaf het begin nam ze me serieus. Ook zij was gefascineerd door de fotografie, die nog door niemand kunst genoemd werd en voor veel mensen slechts een van de vele zonderlinge speeltjes uit deze frivole eeuw was. ‘Ik ben te oud om nog te leren fotograferen, maar jij hebt jonge ogen, Aurora, jij kunt de wereld zien en de anderen dwingen hem op jouw manier te zien. Een goede foto vertelt een verhaal, onthult een plek, een gebeurtenis, een gemoedstoestand, hij is machtiger dan pagina’s en pagina’s tekst,’ zei ze. Mijn grootmoeder daarentegen ging met mijn passie voor de camera om als met een bevlieging van een tiener en had er meer belang bij mij voor te bereiden op het huwelijk en mijn uitzet uit te kiezen. Ze deed me op een school voor jongedames, waar ik dagelijks les had in elegant een trap op en af lopen, servetten vouwen voor een banket, verschillende menu’s opstellen al naargelang de gelegenheid, salonspelen organiseren en bloemschikken, talenten die voor mijn grootmoeder volstonden om in het huwelijksleven te zegevieren. Ze hield van winkelen, en we verspilden hele middagen in de boutiques met het uitzoeken van kleren, middagen die ik beter had kunnen besteden door met de camera in de hand door Parijs te lopen.
Ik weet niet hoe het jaar voorbijging. Toen Paulina del Valle ogenschijnlijk van haar aandoeningen hersteld was en Frederick Williams een expert in hout voor wijnvaten en in de productie van de meest stinkende tot de meest gaterige kaas was geworden, leerden we tijdens een dansavond in de Chileense legatie ter ere van 18 september, Onafhankelijkheidsdag, Diego Domínguez kennen. Ik was eindeloze uren bij de kapper onder handen geweest, die op mijn hoofd een toren van krullen en met parels versierde vlechtjes had gebouwd, een ware prestatie, aangezien ik haar als paardenmanen heb. Mijn jurk was een luchtige, schuimtaartachtige creatie vol glazen kraaltjes die gedurende de avond loslieten en de vloer van de legatie met glinsterende kiezeltjes bezaaiden. ‘Als je vader je nu eens had kunnen zien!’ riep mijn grootmoeder bewonderend uit toen ik me had klaargemaakt. Zij was van top tot teen uitgedost in mauve, haar lievelingskleur, met een schandalige hoeveelheid roze parels om haar hals, over elkaar geplaatste, verdacht mahoniekleurige nepknotten, een spierwit porseleinen gebit en een zwartfluwelen mantel, die van de hals tot aan de grond was afgezet met een gitzwarte bies. Ze kwam op het bal aan de arm van Frederick Williams en ik aan die van een matroos van een schip van het Chileense eskader, dat een beleefdheidsbezoek aan Frankrijk bracht, een onbeduidende jongeman wiens gezicht of naam ik me niet kan herinneren en die mij op eigen initiatief inlichtte over het gebruik van de sextant voor navigatiedoeleinden. Het was een enorme opluchting toen Diego Domínguez voor mijn grootmoeder ging staan om zich met al zijn achternamen voor te stellen en te vragen of hij met mij mocht dansen. Dit is niet zijn echte naam, ik heb hem op deze pagina’s veranderd omdat alles met betrekking tot hem en zijn familie beschermd moet worden. Het volstaat te weten dat hij bestond, dat zijn geschiedenis waargebeurd is en dat ik hem heb vergeven. De ogen van Paulina del Valle straalden van enthousiasme toen ze Diego Domínguez zag, want eindelijk hadden we een eventueel acceptabele kandidaat voor ons staan, een zoon van bekende mensen, hoogstwaarschijnlijk rijk, met keurige manieren en zelfs knap. Zij knikte, hij strekte zijn hand naar me uit en we voeren uit. Na de eerste wals nam hij mijn balboekje en schreef bij elke dans zijn naam, waarmee hij in één klap de sextantenexpert en andere kandidaten uitsloot. Toen bekeek ik hem zorgvuldiger, en ik moest toegeven dat hij er erg goed uitzag: hij straalde gezondheid en kracht uit, had een vriendelijk gezicht, blauwe ogen en een mannelijke houding. Hij leek ongemakkelijk in zijn rokkostuum, maar hij bewoog zich zelfverzekerd en danste goed; nou ja, in elk geval veel beter dan ik, want ik dans als een gans ondanks een jaar intensieve lessen op de school voor jongedames; met de verwarring nam bovendien mijn onhandigheid toe. Die avond werd ik verliefd, met alle hartstocht en verwarring van de eerste liefde van dien. Diego Domínguez leidde me met vaste hand over de dansvloer, terwijl hij me indringend en bijna continu in stilte aankeek, want zijn pogingen een gesprek aan te knopen liepen stuk tegen mijn eenlettergrepige antwoorden. Mijn verlegenheid was een marteling, ik kon zijn blik niet verdragen en wist niet waar ik de mijne op moest richten; bij het voelen van zijn warme adem tegen mijn wangen begaven mijn benen het; ik moest wanhopig vechten tegen de verleiding om weg te rennen en me onder een tafel te verstoppen. Ik sloeg ongetwijfeld een triest figuur, en die arme jongeman zat aan mij vast doordat hij zo stoer zijn naam in mijn boekje had gezet. Op zeker moment zei ik tegen hem dat hij niet verplicht was met mij te dansen als hij niet wilde. Hij antwoordde met een schaterlach, de enige van de avond, en vroeg me hoe oud ik was. Ik had me nooit in de armen van een man bevonden, nooit had ik de druk van een mannelijke handpalm in mijn taille gevoeld. Mijn ene hand rustte op zijn schouder en de andere in zijn hand met handschoen, maar niet licht als een duifje zoals mijn danslerares eiste, want hij had hem stevig, vastberaden vast. Tijdens een paar korte pauzes bood hij me glazen champagne aan die ik leegdronk omdat ik ze niet durfde af te slaan, met als voorspelbaar resultaat dat ik tijdens het dansen nog vaker op zijn tenen stond. Toen aan het eind van het feest de Chileense gezant het woord nam om een toast uit te brengen op zijn verre vaderland en het mooie Frankrijk, ging Diego Domínguez zo dicht achter me staan als de rand van mijn schuimtaartjurk het toeliet, en fluisterde in mijn hals dat ik ‘verrukkelijk’ was of iets dergelijks.
In de daaropvolgende dagen ging Paulina del Valle bij haar diplomatenvrienden onverholen navraag doen naar alles wat ze wilde weten over de familie en de antecedenten van Diego Domínguez, alvorens hem toestemming te geven met mij een rondje te paard over de Champs-Élysees te gaan rijden, op veilige afstand in de gaten gehouden door haar en oom Frederick in een koets. Daarna aten we met z’n vieren een ijsje onder grote parasols, gooiden broodkruimels naar de eenden en spraken af diezelfde week naar de opera te gaan. Van wandeling naar wandeling en van ijsje naar ijsje werd het oktober. Diego was door zijn vader naar Europa gestuurd op het verplichte avontuur dat bijna alle Chileense jongemannen uit de hoge klasse één keer in hun leven ondernamen om wat van de wereld te zien. Nadat hij voor de vorm verscheidene steden en kathedralen had afgereisd en zich in het nachtleven en smeuïge avonturen had gestort – waarvan hij vermoedelijk voorgoed was genezen maar die hem stof gaven om op te scheppen tegenover zijn maten –, was hij klaar om terug te keren naar Chili en rustig te worden, te werken, te trouwen en zijn eigen gezin te stichten. In vergelijking met Severo del Valle, op wie ik in mijn kindertijd altijd verliefd was geweest, was Diego Domínguez lelijk, en in vergelijking met mejuffrouw Matilde Pineda dom, maar ik was niet in een toestand om dergelijke vergelijkingen te maken: ik was er zeker van de perfecte man te hebben gevonden en ik kon het wonder dat hij mij had zien staan nauwelijks geloven. Frederick Williams vond het niet verstandig zich aan de eerste de beste die voorbijkwam vast te klampen, ik was nog erg jong en er zouden nog meer dan genoeg mannen komen om rustig uit te kiezen. Mijn grootmoeder hield echter vol dat deze jongeman de beste was die de huwelijksmarkt te bieden had, ondanks het bezwaar dat hij boer was en op het platteland woonde, ver van de hoofdstad.
‘Per schip en trein kun je zonder problemen reizen,’ zei ze.
‘Grootmoeder, loop niet zo op de zaken vooruit, meneer Domínguez heeft nog geen toespelingen gemaakt op wat u zich in uw hoofd haalt,’ maakte ik haar duidelijk, rood tot over mijn oren.
‘Dat kan hij dan maar beter rap doen, anders moet ik hem nog voor het blok zetten.’
‘Nee!’ riep ik geschrokken uit.
‘Ik ga niet toestaan dat mijn kleindochter een slechte naam krijgt. We mogen geen tijd verliezen. Als die jongeman geen serieuze bedoelingen heeft, moet hij nu meteen het veld ruimen.’
‘Maar, grootmoeder, vanwaar die haast? We kennen elkaar net...’
‘Weet je hoe oud ik ben, Aurora? Zesenzeventig. Er zijn er maar weinig die zo lang leven. Voordat ik sterf wil ik je gelukkig getrouwd achterlaten.’
‘U bent onsterfelijk, grootmoeder.’
‘Nee, meisje, dat lijkt maar zo,’ antwoordde ze.
Ik weet niet of zij Diego Domínguez inderdaad klem zette of dat hij de toespelingen begreep en zelf het besluit nam. Nu ik met een zekere afstand en humor naar deze periode kan kijken, zie ik in dat hij nooit verliefd op mij is geweest; hij voelde zich gewoon gevleid door mijn onvoorwaardelijke liefde en moet de voordelen van een dergelijke verbintenis hebben afgewogen. Misschien begeerde hij me, want we waren allebei jong en beschikbaar; misschien dacht hij dat hij met de tijd van mij zou gaan houden; misschien trouwde hij met me uit gemakzucht en berekening. Diego was een goede partij, maar dat was ik ook: ik beschikte over het inkomen dat mijn vader had nagelaten, en men ging ervan uit dat ik een fortuin van mijn grootmoeder zou erven. Wat zijn redenen ook waren, het geval wil dat hij om mijn hand vroeg en een diamanten ring om mijn vinger schoof. De tekenen van gevaar waren overduidelijk voor iedereen met ogen in zijn hoofd, behalve voor mijn grootmoeder, verblind door de angst me alleen achter te laten, en voor mij, dolverliefd als ik was. Ze werden echter wel gezien door oom Frederick, die vanaf het begin had volgehouden dat Diego Domínguez niet de man voor mij was. Aangezien hij de laatste jaren niemand die bij mij toenadering zocht leuk had gevonden, luisterden we niet naar hem, we dachten dat het vaderlijke jaloezie was. ‘Ik heb het idee dat die jongeman een enigszins koel karakter heeft,’ zei hij meer dan eens, maar mijn grootmoeder ging tegen hem in door te zeggen dat het geen koelheid maar respect was, zoals een echte Chileense heer betaamde.
Paulina del Valle kreeg een enorme aanval van kooplust. In de haast kwamen de pakketten ongeopend in de hutkoffers terecht en later, toen we ze te voorschijn haalden, bleek dat we alles dubbel hadden en dat de helft me niet paste. Toen ze hoorde dat Diego Domínguez terug moest naar Chili, sprak ze met hem af met hetzelfde stoomschip terug te gaan, dan zouden we een paar weken hebben om elkaar beter te leren kennen, zo zeiden ze. Frederick Williams trok een lang gezicht en probeerde die plannen af te wenden, maar er viel met geen mogelijkheid ter wereld tegen die dame in te gaan wanneer ze zich iets in het hoofd had gezet, en haar obsessie van dat moment was haar kleinkind trouwen. Ik kan me maar weinig van de reis herinneren, hij ging voorbij in een waas van wandelingen op het dek, bal- en kaartspelen, cocktails en dansavonden tot Buenos Aires, waar we uit elkaar gingen omdat hij fokstieren moest kopen en ze over de zuidelijke Andesroute naar zijn landgoed moest brengen. We hadden weinig kansen gehad om alleen te zijn of zonder getuigen te praten, ik vernam het hoogstnoodzakelijke over de drieëntwintig jaar van zijn verleden en zijn familie, maar bijna niets over wat hij leuk vond, zijn levensovertuiging of ambities. Mijn grootmoeder zei hem dat mijn vader, Matías Rodríguez de Santa Cruz, overleden was en dat mijn moeder een Amerikaanse was die we niet kenden omdat ze bij de bevalling gestorven was, wat strookte met de waarheid. Diego toonde geen nieuwsgierigheid om meer te weten te komen; hij was evenmin geïnteresseerd in mijn passie voor de fotografie, en toen ik hem duidelijk maakte dat ik er niet over peinsde ermee op te houden, zei hij dat dat geen enkel probleem was, zijn zus schilderde aquarellen en zijn schoonzus borduurde in kruissteek. Tijdens de lange overtocht over zee leerden we elkaar niet echt kennen, maar we raakten verstrikt in het eenzame web dat mijn grootmoeder met de beste bedoelingen rondom ons spon.
Daar er in de eerste klasse van de oceaanstomer behalve de jurken van de dames en de bloemstukken in de eetzaal weinig te fotograferen viel, ging ik vaak naar de lagergelegen dekken om portretten te maken, vooral van de reizigers in de laagste klasse, die opeengepakt in de buik van het schip reisden: werklieden en emigranten op weg naar Amerika om hun geluk te beproeven, Russen, Duitsers, Italianen, joden, mensen die reisden met weinig op zak, maar met een hart dat overliep van hoop. Ik had het idee dat ze, ondanks het ongerief en het gebrek aan middelen, het leuker hadden dan de passagiers in de hoogste klasse, bij wie alles opgedoft, plechtig en saai was. Onder de emigranten hing een vriendschappelijke sfeer, de mannen kaartten en speelden domino, de vrouwen vormden groepjes om elkaar over hun leven te vertellen, de kinderen maakten geïmproviseerde hengels en speelden verstoppertje; ’s avonds kwamen de gitaren, de accordeons, de fluiten en de violen te voorschijn en ontstonden er vrolijke feesten met zang, dans en bier. Mijn aanwezigheid leek niemand te storen, ze stelden me geen vragen, en na een paar dagen accepteerden ze me als een van hen, waardoor ik in de gelegenheid kwam ze naar hartenlust te fotograferen. Op het schip kon ik de negatieven niet ontwikkelen, maar ik ordende ze zorgvuldig om dat later in Santiago te doen. Tijdens een van de uitstapjes naar het benedendek liep ik pal tegen de laatste persoon die ik daar verwachtte op.
‘Djingiz Chan!’ riep ik uit toen ik hem zag.
‘Ik geloof dat u me met iemand verwart, jongedame...’
‘Vergeef me, dokter Radovic,’ smeekte ik, en ik voelde me een idioot.
‘Kennen wij elkaar?’ vroeg hij verbaasd.
‘Herinnert u zich mij niet? Ik ben de kleindochter van Paulina del Valle.’
‘Aurora? Jeetje, ik had u nooit herkend. Wat bent u veranderd!’
Ik was zeker veranderd. Hij had me anderhalf jaar eerder gekleed als een klein meisje leren kennen, en nu had hij een echte vrouw voor zich staan, met een camera om haar nek en een verlovingsring om haar vinger. Tijdens die reis ontstond de vriendschap die mettertijd mijn leven zou veranderen. Dokter Iván Radovic, passagier in de tweede klasse, kon niet zonder uitnodiging naar het eersteklas dek gaan, maar ik kon naar beneden gaan om hem op te zoeken en dat deed ik vaak. Hij vertelde mij over zijn werk met dezelfde hartstocht als waarmee ik hem over fotografie vertelde; hij zag me de camera hanteren, maar ik kon hem niets van mijn eerdere werk laten zien omdat dat onder in de hutkoffers lag, en ik beloofde hem dat te doen als we in Santiago waren. Zo ging het echter niet, want later schaamde ik me om hem voor zoiets te laten komen; het leek me een teken van ijdelheid, en ik wilde geen tijd in beslag nemen van een man die bezig was levens te redden. Toen ze hoorde dat hij aan boord was, nodigde mijn grootmoeder hem meteen uit om thee te drinken op het terras bij onze suite. ‘Met u erbij voel ik me veilig op volle zee, dokter. Als er nog zo’n grapefruit in mijn buik groeit, komt u en verwijdert u hem met het keukenmes,’ grapte ze. Hij werd nog vele malen uitgenodigd op de thee, waarna ze altijd kaartten. Iván Radovic vertelde ons dat hij zijn praktijk in de Hobbs-kliniek beëindigd had en dat hij naar Chili terugkeerde om in een ziekenhuis te gaan werken.
‘Waarom opent u geen privékliniek, dokter?’ opperde mijn grootmoeder, die genegenheid voor hem had opgevat.
‘Ik zou nooit het kapitaal en de connecties hebben die daarvoor nodig zijn, mevrouw Del Valle.’
‘Ik ben bereid te investeren, als u het ermee eens bent.’
‘Ik kan op geen enkele wijze toestaan dat...’
‘Ik zou het niet voor u doen, maar omdat het een goede investering is, dokter Radovic,’ onderbrak mijn grootmoeder hem. ‘Iedereen wordt ziek, de geneeskunde is grote handel.’
‘Ik denk dat geneeskunde geen handel is, maar een recht, mevrouw. Als arts ben ik verplicht te dienen, en ik hoop dat op een dag de gezondheidszorg voor elke Chileen binnen bereik is.’
‘Bent u socialist?’ vroeg mijn grootmoeder met een grimas van afkeer, want sinds het ‘verraad’ van mejuffrouw Matilde Pineda wantrouwde ze het socialisme.
‘Ik ben arts, mevrouw Del Valle. Het enige dat ik belangrijk vind is mensen beter maken.’
Eind december 1898 kwamen we terug in Chili en we troffen een land aan dat volop in morele crisis verkeerde. Niemand, van de rijke grootgrondbezitters tot de schoolmeesters of de salpeterarbeiders, was tevreden met zijn lot of met de regering. De Chilenen leken te berusten in hun slechte eigenschappen, zoals drankzucht, luiheid en dieverij, en in de sociale kwalen, zoals de ergerlijke bureaucratie, de werkloosheid, de inefficiëntie van de rechtspraak en de armoede, die in schril contrast stond met de onbeschaamde pracht en praal van de rijken en een groeiende opgekropte woede veroorzaakte die zich van noord naar zuid uitbreidde. We konden ons Santiago niet zo smerig herinneren, met zoveel armoedige mensen, zoveel huurkazernes met kakkerlakken, zoveel kinderen die stierven voordat ze konden lopen. De pers beweerde dat het sterftecijfer in de hoofdstad gelijk was aan dat van Calcutta. Ons huis aan de Ejército Liberador was toevertrouwd aan twee straatarme verre tantes, afkomstig uit de vele verwanten die elke Chileense familie heeft, en een paar bedienden. De tantes zwaaiden er al twee jaar de scepter en ontvingen ons niet al te enthousiast, vergezeld door Caramelo, die inmiddels zo oud was dat hij me niet herkende. De tuin was een veld vol onkruid, de Moorse fonteinen waren dorstig, de salons roken als graftombes, in de keukens was het een zwijnenstal en onder de bedden lagen muizenkeutels, maar niets van dit alles bracht Paulina del Valle van haar stuk; zij was van plan de bruiloft van de eeuw te vieren en ze zou zich door niets, ook haar leeftijd, de hitte in Santiago of mijn eenzelvige karakter niet, laten tegenhouden. Ze had de zomermaanden, waarin iedereen naar de kust of het platteland vertrok, om het huis op orde te brengen, want in de herfst begon het intensieve sociale leven en moesten er voorbereidingen worden getroffen voor mijn trouwerij in september, het begin van de lente, de maand van de vaderlandsfeesten en de bruiden, precies een jaar na de eerste ontmoeting tussen Diego en mij. Frederick Williams zorgde ervoor dat er een regiment bouwvakkers, meubelmakers, tuinlieden en dienstmeisjes werd aangetrokken, die zich toelegden op de taak om die puinhoop op te knappen in het gebruikelijke Chileense tempo, dat wil zeggen, zonder al te veel haast. De zomer diende zich stoffig en heet aan, met zijn perzikgeur en het geschreeuw van de straatventers die luidkeels hun heerlijkheden van het seizoen aanprezen. Zij die konden gingen op vakantie naar het platteland of het strand; de stad leek dood. Severo del Valle kwam op bezoek met zakken groente, manden met fruit en goed nieuws over de wijngaarden; hij had een bruingebrande huid en was dikker geworden, maar hij was knapper dan ooit. Hij keek me met open mond aan, verbaasd dat ik hetzelfde meisje was van wie hij twee jaar daarvoor afscheid had genomen, hij liet me als een tol ronddraaien om me van alle kanten te bekijken, en zijn edelmoedige oordeel was dat ik wel iets van mijn moeder weg had. Mijn grootmoeder nam die opmerking zeer slecht op, over mijn verleden werd in haar bijzijn niet gesproken; voor haar begon mijn leven op mijn vijfde jaar, toen ik de drempel van haar grote huis in San Francisco overstak, al het voorgaande bestond niet. Nívea was met de kinderen op het landgoed gebleven, want ze stond weer op het punt te bevallen en was te zwaar om de reis naar Santiago te maken. De productie van de wijngaarden zag er goed uit voor dat jaar, ze wilden die voor de witte wijn in maart gaan oogsten en die voor de rode in april, vertelde Severo del Valle, en hij voegde eraan toe dat er een aantal totaal verschillende wijnstokken met blauwe druiven tussen de andere groeiden, die kwetsbaarder en gevoeliger voor ziekten waren en later rijpten. Al gaven ze een heerlijke vrucht, hij was van plan ze te rooien om problemen te voorkomen. Paulina del Valle was ineens een en al oor en in haar ogen zag ik het hebzuchtige lichtje dat meestal een winstgevend idee aankondigde.
‘Zet die maar apart zodra het herfst is. Verzorg ze goed, volgend jaar maken we er een speciale wijn mee,’ zei ze.
‘Waarom zouden we ons daarmee bezighouden?’ vroeg Severo.
‘Als die druiven later rijp worden, zijn ze waarschijnlijk verfijnder en geconcentreerder. De wijn wordt vast veel beter.’
‘We produceren al een van de beste wijnen van het land, tante.’
‘Doe me dit plezier, neef, doe wat ik je vraag...’ vroeg mijn grootmoeder op de zoetsappige toon die ze bezigde alvorens een bevel te geven.
Ik kon Nívea pas op de dag van mijn bruiloft zien, toen ze kwam met een nieuwe baby op de arm om me haastig de basisinformatie in te fluisteren die elke bruid vóór de wittebroodsweken moet weten en waarvoor niemand nog de moeite had genomen me die te geven. Mijn maagdelijkheid behoedde me echter niet voor de opwellingen van een instinctieve hartstocht die ik niet kon benoemen, ik dacht dag en nacht aan Diego en de gedachten waren niet altijd kuis. Ik verlangde naar hem, maar ik wist niet zo goed waarvoor. Ik wilde in zijn armen liggen, dat hij me kuste zoals hij een paar keer gedaan had, en hem naakt zien. Ik had nog nooit een man naakt gezien en – ik geef toe – de nieuwsgierigheid hield me uit mijn slaap. Dat was al wat ik wist; de rest was een mysterie. Nívea was met haar schaamteloze eerlijkheid de enige die me kon onderrichten, maar pas jaren later, toen de tijd en de mogelijkheid zich voordeden om onze vriendschap te verdiepen, zou zij me de geheimen over haar intieme samenzijn met Severo del Valle vertellen en zou ze me stikkend van het lachen tot in de details de standjes beschrijven die ze uit de boekencollectie van haar oom José Francisco Vegara had geleerd. Tegen die tijd had ik de onschuld al achter me gelaten, maar ik was zeer onwetend op erotisch gebied, zoals bijna alle vrouwen en ook de meerderheid van de mannen, volgens Nívea. ‘Zonder de boeken van mijn oom had ik vijftien kinderen gekregen zonder te weten hoe,’ zei ze. Haar adviezen, die mijn tantes de haren te berge hadden doen rijzen, bewezen me een grote dienst bij mijn tweede liefde, maar bij de eerste zou ik er niets aan hebben gehad.
Gedurende drie lange maanden kampeerden we in vier vertrekken van het huis aan de Ejército Liberador, naar adem snakkend van de hitte. Ik verveelde me niet, want mijn grootmoeder hervatte meteen haar liefdadigheidswerk, ondanks het feit dat alle leden van de Damesclub op zomervakantie waren. Tijdens haar afwezigheid was de discipline verslapt en zij moest de teugels van de compulsieve compassie weer in handen nemen; we gingen weer zieken, weduwen en krankzinnigen bezoeken, eten uitdelen en toezicht houden op de leningen aan arme vrouwen. Dit idee, waar zelfs de kranten spottend over deden omdat niemand dacht dat de begunstigden – allemaal in de laatste fase van de armoede – het geld zouden terugbetalen, bleek zo goed te werken dat de regering besloot het over te nemen. De vrouwen betaalden niet alleen nauwgezet het geld in maandelijkse termijnen terug, maar sprongen zelfs voor elkaar in, zodat wanneer er een niet kon betalen, de anderen dat voor haar deden. Ik geloof dat Paulina del Valle het idee kreeg om rente te innen en van de liefdadigheid een handel te maken, maar ik onderbrak haar bruusk. ‘Alles heeft zijn grenzen, grootmoeder, zelfs de hebzucht,’ wees ik haar terecht. Vanwege mijn hartstochtelijke correspondentie met Diego Domínguez hield ik altijd de post in de gaten. Ik ontdekte dat ik per brief in staat was uit te drukken wat ik onder vier ogen nooit zou durven zeggen; het geschreven woord is immens bevrijdend. Ik betrapte mezelf erop dat ik liefdespoëzie las in plaats van de romans waar ik vroeger zo van hield; als een dode dichter aan de andere kant van de wereld mijn gevoelens zo treffend kon beschrijven, moest ik nederig aanvaarden dat mijn liefde niet uitzonderlijk was, ik had niets nieuws uitgevonden, iedereen wordt op dezelfde manier verliefd. Ik stelde me mijn verloofde te paard voor, galopperend over zijn landerijen als een legendarische held met krachtige schouders, nobel, sterk en knap, een flinke kerel in wiens armen ik veilig zou zijn; hij zou me gelukkig maken, me bescherming, kinderen, eeuwige liefde geven. Ik zag een donzige, suikerzoete toekomst voor me waarin we voor eeuwig omarmd zouden rondzweven. Hoe rook het lichaam van de man die ik liefhad? Naar humus, zoals de bossen waar hij vandaan kwam, of naar het zoete aroma van bakkerijen, of misschien naar zeewater, net als die vluchtige geur die me sinds mijn kindertijd in mijn dromen verraste. Plotseling werd de behoefte Diego te ruiken zo dwingend als een hevige dorstaanval en ik vroeg hem per brief mij een van zijn halsdoekjes of een van zijn ongewassen overhemden te sturen. De antwoorden van mijn verloofde op die hartstochtelijke brieven waren rustige verslagen van het plattelandsleven – de koeien, het graan, de druiven, de regenloze zomerhemel – en spaarzame opmerkingen over zijn familie. Hij stuurde me uiteraard nooit een van zijn sjaaltjes of overhemden. In de laatste regels herinnerde hij me eraan hoeveel hij van me hield en hoe gelukkig we zouden worden in het koele, kleistenen huis met dakpannen dat zijn vader voor ons op hun landgoed bouwde, zoals hij dat eerder had gedaan voor zijn broer Eduardo, toen die met Susana trouwde, en zoals hij zou doen voor zijn zus Adela als zij zou trouwen. Generaties lang had de familie Domínguez bij elkaar gewoond; de liefde voor Jezus, de band tussen broers en zussen, het respect voor de ouders en het zware werk, zei hij, waren het fundament onder zijn familie.
Hoe vaak ik ook schreef en zuchtend verzen las, ik had tijd te veel, dus keerde ik terug naar de studio van don Juan Ribero, liep de stad door om foto’s te maken en werkte ’s avonds in de doka die ik thuis had gemaakt. Ik was aan het experimenteren met platinadruk, een nieuwe techniek die prachtige afbeeldingen oplevert. Het procédé is simpel, hoewel duurder, maar mijn grootmoeder droeg de kosten. Het papier wordt met een platinaoplossing ingesmeerd en het resultaat zijn lichte, heldere afbeeldingen in subtiele grijstonen met een grote scherptediepte, die niet vergelen. Er zijn tien jaar verstreken, en dat zijn nog altijd de meest bijzondere foto’s uit mijn collectie. Als ik ze zie, doemen er veel herinneringen voor me op met dezelfde zuivere scherpte als die platina-afdrukken. Ik kan mijn grootmoeder Paulina zien, Severo, Nívea, vrienden en verwanten, en ook kan ik mezelf bekijken zoals ik toen was, kort voordat de gebeurtenissen mijn leven zouden veranderen.
Bij het aanbreken van de tweede dinsdag in maart zag het huis er piekfijn uit: het had een moderne gasinstallatie, een telefoon en een lift voor mijn grootmoeder, uit New York overgekomen behang en gloednieuwe bekleding op de meubels; het parket was in de was gezet, de bronssculpturen waren gepoetst, de ramen gewassen en de collectie impressionistische schilderijen hing in de salons. Er was een nieuwe lichting bedienden in uniform onder leiding van een Argentijnse butler, die Paulina del Valle bij Hotel Crillón had weggehaald door hem het dubbele te betalen.
‘We zullen kritiek krijgen, grootmoeder. Niemand heeft een butler, dit is patserig,’ waarschuwde ik haar.
‘Maakt niet uit. Ik weiger het op te nemen tegen Mapuche-indiaansen op slippers die haar in mijn soep gooien en de borden op tafel smijten,’ antwoordde ze, vastbesloten de hoofdstedelijke jetset in het algemeen en de familie van Diego Domínguez in het bijzonder te imponeren.
De nieuwe bedienden kwamen dus bij de oude dienstmeisjes die al jaren in huis waren en natuurlijk niet ontslagen konden worden. Er was zoveel bedienend personeel dat het werkeloos rondliep en over elkaar heen viel, en de roddels en kwaadsprekerijen waren zo talrijk dat Frederick Williams uiteindelijk ingreep om orde op zaken te stellen, aangezien de Argentijn niet wist waar hij moest beginnen. Dat zorgde voor commotie; het was nog nooit vertoond dat de heer des huizes zich tot huishoudelijk niveau verlaagde, maar hij deed het perfect; zijn langdurige ervaring in het vak was toch ergens goed voor. Ik denk niet dat Diego Domínguez en zijn familie, het eerste bezoek dat we kregen, de stijlvolle bediening konden waarderen, integendeel, ze voelden zich ongemakkelijk bij al die weelde. Ze behoorden tot een oude dynastie van grootgrondbezitters in het zuiden, maar in tegenstelling tot de meeste landeigenaren in Chili, die twee maanden op hun landerijen waren en de rest van de tijd in Santiago of Europa van hun opbrengsten leefden, werden zij geboren op het platteland, groeiden er op en stierven er. Het waren zwaar katholieke, eenvoudige mensen met een degelijke familietraditie, zonder ook maar iets van het raffinement dat mijn grootmoeder aan den dag legde en dat zij vast enigszins decadent en weinig christelijk vonden. Het viel me op dat ze allemaal blauwe ogen hadden, behalve Susana, Diego’s schoonzuster, een donkere schone met een lusteloos uiterlijk, als een Spaans schilderij. Aan tafel werden ze in de war gebracht door de hoeveelheid bestek en de zes glazen, geen van hen proefde de eend in sinaasappelsaus en ze schrokken een beetje toen het in vuur en vlam staande nagerecht kwam. Toen ze de stoet aan geüniformeerde bedienden zag, vroeg Diego’s moeder, doña Elvira, waarom er zoveel militairen in het huis rondliepen. Ze bleven verdwaasd voor de impressionistische schilderijen staan, in de overtuiging dat ik die kliederwerken geschilderd had en dat mijn grootmoeder ze uit louter enthousiasme aan de muur hing, maar ze waardeerden het korte concert voor harp en piano dat we in de muzieksalon aanboden. Het gesprek liep telkens dood bij de tweede zin, totdat de fokstieren aanleiding gaven voor een gesprek over de voortplanting van het vee, hetgeen Paulina del Valle buitengewoon interesseerde. Met het oog op het aantal koeien dat ze bezaten, was ze ongetwijfeld van plan samen met hen een kaasindustrie op te zetten. Als ik al enige twijfels had omtrent mijn toekomstige leven op het platteland bij de stam van mijn verloofde, dan werden die door dit bezoek weggenomen. Ik was weg van die ouderwetse, aardige boeren zonder pretenties, van de blozende en goedlachse vader, de zo onschuldige moeder, de vriendelijke, mannelijke oudere broer, de mysterieuze schoonzus en de jonge zus met de vrolijkheid van een kanariepietje, die allemaal de dagenlange reis hadden gemaakt om mij te leren kennen. Ze namen me als vanzelfsprekend op, en ik weet zeker dat ze enigszins van hun stuk gebracht waren door onze levensstijl, maar ze bekritiseerden ons niet, want ze leken niet in staat tot een slechte gedachte. Aangezien Diego mij had uitgekozen, beschouwden ze me als een deel van hun familie, dat was voor hen voldoende. Hun eenvoud stelde mij in staat me te ontspannen, iets dat zelden gebeurt bij vreemden, en na een poosje zat ik met ieder van hen te praten, te vertellen over mijn reis naar Europa en mijn liefde voor de fotografie. ‘Laat mij uw foto’s eens zien, Aurora,’ vroeg doña Elvira, maar toen ik dat deed kon ze haar teleurstelling niet verbergen. Ik geloof dat ze iets opbeurenders verwachtte dan stakende arbeiders, huurkazernes, haveloze, in de goot spelende kinderen, gewelddadige volksopstanden, bordelen, lijdzaam op hun bagage gezeten emigranten in een scheepsruim. ‘Maar kindlief, waarom maakt u geen mooie foto’s, waarom begeeft u zich op die godverlaten plaatsen? Er zijn zoveel prachtige landschappen in Chili...’ mompelde de brave vrouw. Ik wilde haar uitleggen dat mooie dingen me niet interesseerden, maar juist die door inspanning en ellende geharde gezichten, maar ik begreep dat het niet het geschikte moment was. Er zou nog tijd genoeg zijn om mezelf aan mijn toekomstige schoonmoeder en de rest van de familie te laten zien.
‘Waarom liet je ze die foto’s zien? De familie Domínguez is van de oude stempel, je had ze niet moeten laten schrikken met je moderne ideeën, Aurora,’ verweet Paulina del Valle me toen ze weg waren.
‘Ze waren toch al geschrokken van de luxe van dit huis en de impressionistische schilderijen, denkt u niet, grootmoeder? Bovendien moeten Diego en zijn familie weten wat voor vrouw ik ben,’ antwoordde ik.
‘Je bent nog geen vrouw, maar een meisje. Je zult veranderen, kinderen krijgen, je zult je moeten aanpassen aan het milieu van je echtgenoot.’
‘Ik zal altijd dezelfde blijven, en ik wil het fotograferen niet opgeven. Dit is niet hetzelfde als de aquarellen van Diego’s zus of het borduurwerk van zijn schoonzus, het is een essentieel onderdeel van mijn leven.’
‘Prima, trouw eerst maar en doe daarna waar je zin in hebt,’ besloot mijn grootmoeder.
We wachtten niet tot september, zoals gepland was, maar moesten half april trouwen omdat doña Elvira een lichte hartaanval kreeg en een week later, toen ze voldoende hersteld was om een paar stapjes alleen te zetten, haar wens te kennen gaf me als echtgenote van haar zoon Diego te zien alvorens naar de andere wereld te vertrekken. De rest van de familie ging akkoord, want als de vrouw ertussenuit zou piepen zou de trouwerij minstens een jaar moeten worden uitgesteld om de gebruikelijke rouwperiode in acht te nemen. Mijn grootmoeder legde zich erbij neer dat de zaken moesten worden bespoedigd en ze de vorstelijke ceremonie die ze voor ogen had moest vergeten, en ik haalde opgelucht adem, want het idee me aan de ogen van half Santiago bloot te stellen terwijl ik aan de arm van Frederick Williams of Severo del Valle de kathedraal binnenliep onder een berg witte organdie, zoals mijn grootmoeder wilde, maakte me zeer nerveus.
Wat kan ik zeggen over de eerste liefdesontmoeting met Diego Domínguez? Weinig, want het geheugen drukt in zwart-wit af; de grijstonen gaan onderweg verloren. Misschien was het niet zo ellendig als ik me herinner, maar de nuances ben ik vergeten, ik heb er alleen een algeheel gevoel van frustratie en woede aan overgehouden. Na de besloten bruiloft in het huis aan de Ejército Liberador gingen we naar een hotel om er die nacht door te brengen, alvorens voor twee weken op huwelijksreis naar Buenos Aires te vertrekken, omdat het vanwege de precaire gezondheid van doña Elvira niet mogelijk was ver weg te gaan. Toen ik afscheid nam van mijn grootmoeder, voelde ik dat er aan een deel van mijn leven definitief een einde kwam. Toen ik haar omhelsde, merkte ik hoeveel ik van haar hield en hoe nietig ze was geworden: haar kleren hingen om haar lijf en ik stak een halve kop boven haar uit; ik had het voorgevoel dat ze niet al te lang meer te leven had, ze zag er klein en kwetsbaar uit, een oudje met een bevende stem en weke knietjes. Aan haar zijde leek Frederick Williams haar zoon, want de jaren deerden hem niet, alsof hij immuun was voor de aftakeling van normale stervelingen. Tot op de dag voor de bruiloft bleef de beste oom Frederick me achter de rug van mijn grootmoeder om vragen niet te trouwen als ik er niet zeker van was, en elke keer antwoordde ik dat ik nooit ergens zekerder van was geweest. Ik had geen twijfels over mijn liefde voor Diego Domínguez. Naarmate het moment van de bruiloft naderbij kwam, nam mijn ongeduld toe. Ik bekeek mezelf in de spiegel, naakt of amper bedekt door de tere kanten nachthemden die mijn grootmoeder in Frankrijk had gekocht, en vroeg me in spanning af of hij me soms mooi zou vinden. Een moedervlek in mijn hals of donkere tepels leken me verschrikkelijke gebreken. Zou hij net zo naar mij verlangen als ik naar hem? Ik kwam daar die eerste nacht in het hotel achter. We waren moe, hadden veel gegeten, hij had een glaasje te veel op en ook ik had drie glazen champagne achter de kiezen. We liepen zogenaamd achteloos het hotel binnen, maar het spoor van rijst dat we op de vloer achterlieten, verried dat we pas getrouwd waren. Mijn schaamte voor het alleenzijn met Diego en daarbij het idee te hebben dat buiten de kamer iemand zich voorstelde dat wij de liefde bedreven, was zo groot dat ik me misselijk in de badkamer opsloot, totdat een flinke poos later mijn kersverse echtgenoot zachtjes op de deur klopte om te kijken of ik nog leefde. Hij nam me aan de hand mee de kamer in, hielp me de ingewikkelde hoed af te zetten, haalde de spelden uit mijn knot, bevrijdde me uit mijn zeemleren jasje, knoopte de talloze parelknoopjes van mijn blouse los, maakte de zware rok en de onderrokken los, totdat ik nog slechts in het dunne batisten hemdje stond dat ik onder het korset droeg. Naarmate hij me van mijn kleren ontdeed, voelde ik me verdampen als water, ik ging in rook op, ik werd gereduceerd tot enkel een skelet en lucht. Diego kuste me op de lippen, echter niet zoals ik me de voorgaande maanden vaak had voorgesteld, maar krachtig en haastig; vervolgens werd de kus nog dwingender terwijl zijn handen aan mijn hemd trokken, dat ik probeerde aan te houden omdat ik gruwde bij het vooruitzicht dat hij me naakt zou zien. De jachtige liefkozingen en de openbaring van zijn lichaam tegen het mijne drukten me in de verdediging, ik was zo gespannen dat ik rilde, alsof ik het koud had. Hij vroeg me geërgerd wat er met me was en zei dat ik moest proberen me te ontspannen, maar toen hij zag dat dat de zaken nog erger maakte, veranderde hij van toon, zei dat ik niet bang moest zijn en beloofde voorzichtig te zijn. Hij blies de lamp uit en kreeg het op de een of andere manier voor elkaar me naar het bed te leiden; de rest ging haastig. Ik deed niets om hem te helpen. Ik bleef bewegingloos liggen als een kip onder hypnose, vergeefs pogend me Nívea’s adviezen te herinneren. Op een zeker moment doorboorde zijn lans me, ik kon een gil onderdrukken en proefde een bloedsmaak in mijn mond. De scherpste herinnering aan die nacht was de ontgoocheling. Was dat de passie waaraan de dichters zoveel inkt verspilden? Diego troostte me door te zeggen dat de eerste keer altijd zo was, mettertijd zouden we elkaar leren kennen en zou alles beter gaan, waarna hij me een kuise kus op het voorhoofd gaf, zonder verder een woord zijn rug naar me toe draaide en als een baby in slaap viel, terwijl ik in het duister wakker lag met een doek tussen mijn benen en een brandende pijn in mijn buik en in mijn ziel. Ik was te naïef om de reden van mijn frustratie te kunnen weten, ik kende het woord orgasme niet eens, maar ik had mijn lichaam verkend en wist dat ergens het seismische genot dat het leven op zijn kop kon zetten verborgen zat. Diego had het gevoeld toen hij in mij was, dat was duidelijk, maar ik had alleen maar beklemming ervaren. Ik voelde me slachtoffer van een enorme biologische onrechtvaardigheid: voor de man was seks eenvoudig – hij kon het zelfs onder dwang hebben – terwijl het voor ons zonder genot was en ernstige gevolgen had. Zou je aan de goddelijke vloek van het pijnlijke bevallen ook die van het genotloze beminnen moeten toevoegen?
Toen Diego de volgende ochtend wakker werd, had ik me al lang daarvoor aangekleed en besloten naar huis terug te keren en mijn toevlucht te zoeken in de veilige armen van mijn grootmoeder, maar de frisse lucht en de lange wandeling door de straten van het centrum, bijna verlaten op dat zondagse uur, kalmeerden me. Mijn vagina, waarin ik nog steeds de aanwezigheid van Diego voelde, brandde, maar bij elke stap verdween mijn woede, en ik maakte me gereed om de toekomst als een vrouw en niet als een verwende snotneus het hoofd te bieden. Ik was me ervan bewust hoe vertroeteld ik de negentien jaar van mijn leven geweest was, maar die periode had ik afgesloten; de afgelopen nacht was ik ingewijd in het bestaan als getrouwde vrouw en ik moest volwassen handelen en denken, besloot ik, terwijl ik mijn tranen wegslikte. De verantwoordelijkheid om gelukkig te worden lag helemaal bij mij. Mijn echtgenoot zou me niet het eeuwige geluk als een in zijde ingepakt cadeau aandragen, ik moest er van dag tot dag aan werken met intelligentie en inzet. Gelukkig hield ik van die man en geloofde ik, zoals hij me verzekerd had, dat met tijd en oefening de dingen tussen ons veel beter zouden gaan. Arme Diego, dacht ik, hij moet net zo teleurgesteld zijn als ik. Ik liep terug naar het hotel om de koffers dicht te doen en op huwelijksreis te gaan.
Het landgoed Caleufú, dat in het mooiste gebied van Chili lag, een landschap met dichtbegroeid, koel woud, vulkanen, meren en rivieren, had de familie Domínguez toebehoord sinds de koloniale periode, toen het land bij de Spaanse verovering onder de gedistingeerde edelmannen werd verdeeld. De familie had haar rijkdom uitgebreid door van de indianen meer land te kopen tegen de prijs van een paar flessen brandewijn, tot ze een van de meest welvarende haciënda’s in de regio hadden. Het landgoed was nooit opgesplitst; volgens de traditie werd het in zijn geheel geërfd door de oudste zoon, die de plicht had zijn broers werk te verschaffen of te ondersteunen, zijn zussen te onderhouden en een bruidsschat mee te geven en voor de pachters te zorgen. Mijn schoonvader, don Sebastián Domínguez, was een van die mensen die hebben gedaan wat er van hen verwacht wordt; hij werd oud met een rustig geweten en was dankbaar voor de beloningen die het leven hem had gegeven, vooral de genegenheid van zijn vrouw, doña Elvira. In zijn jeugd was hij een rotzak geweest, dat zei hij zelf lachend, en het bewijs daarvan waren verscheidene boeren op zijn landgoed met blauwe ogen, maar de zachte maar ferme hand van doña Elvira had hem langzaam getemd zonder dat hij het doorhad. Hij nam zijn rol van patriarch bereidwillig op zich; de pachters kwamen allereerst naar hem met hun problemen, want zijn twee zoons, Eduardo en Diego, waren strenger en doña Elvira deed buiten de muren van het huis haar mond niet open. Het geduld dat don Sebastián met de pachters toonde, die hij als enigszins achtergebleven kinderen behandelde, sloeg om in strengheid wanneer hij met zijn zoons te maken had. ‘We zijn zeer bevoorrecht, daarom hebben we ook meer verantwoordelijkheden. Voor ons bestaan er geen verontschuldigingen of uitvluchten, wij moeten onze verplichtingen aan God nakomen en onze mensen helpen, daarvan zullen we in de hemel rekenschap moeten afleggen,’ zei hij. Hij moet rond de vijftig geweest zijn, maar hij zag er jonger uit omdat hij een zeer gezond leven leidde: hij ging de hele dag te paard zijn landerijen af, hij stond als eerste op en ging als laatste naar bed, hij was aanwezig bij het dorsen, het temmen, het bijeendrijven van de dieren, hij hielp zelf bij het merken en castreren van het vee. Hij begon de dag met een kop zwarte koffie met zes scheppen suiker en een scheutje brandy; daarmee had hij energie voor het werk op het land tot twee uur ’s middags, wanneer hij in gezelschap van de familie vier gangen en drie nagerechten met flink wat wijn wegspoelde. We waren niet met velen in dat enorme landhuis; het grootste verdriet van mijn schoonouders was dat ze slechts drie kinderen hadden gekregen. God had het zo gewild, zeiden ze. Tegen het avondeten kwam iedereen die de hele dag overal verspreid met verschillende dingen bezig was geweest bij elkaar, niemand mocht ontbreken. Eduardo en Susana woonden met hun drie kinderen in een ander huis, voor hen gebouwd op tweehonderd meter van het grote huis, maar daar werd alleen het ontbijt bereid, de andere maaltijden werden bij mijn schoonouders aan tafel gegeten. Vanwege het feit dat ons huwelijk vervroegd was, was het huis voor Diego en mij nog niet klaar en woonden we in een vleugel van het huis van mijn schoonouders. Don Sebastián ging altijd aan het hoofd van de tafel zitten op een hogere en fijner bewerkte zetel; aan de andere kant had doña Elvira haar plaats en aan weerszijden zaten verspreid de kinderen met hun vrouwen, twee tantes die weduwe waren, een aantal neven en nichten of naaste verwanten, een grootmoeder die zo oud was dat ze haar met de fles moesten voeden, en de genodigden, die nooit ontbraken. Aan tafel werden extra plaatsen ingeruimd voor de gasten, die vaak onverwacht binnenvielen en soms wekenlang bleven. Ze waren altijd welkom, want in het afgezonderde plattelandsleven was bezoek de grootste afleiding. Verder naar het zuiden woonden een paar Chileense families omsloten door indianengebieden, en ook Duitse kolonisten, zonder wie de regio zo goed als woest was gebleven. Er waren verscheidene dagen voor nodig om de landgoederen van de familie Domínguez, die tot de grens met Argentinië reikten, te paard af te lopen. ’s Avonds werd er gebeden en de kalender werd beheerst door religieuze feestdagen, die strikt maar vreugdevol werden nageleefd. Mijn schoonouders beseften dat ik met zeer beperkt katholiek onderricht was opgevoed, maar we hadden in dat opzicht geen problemen, want ik was zeer respectvol jegens hun geloofsovertuigingen en zij probeerden me die niet op te leggen. Doña Elvira legde me uit dat het geloof een godsgeschenk is: ‘God roept jouw naam, Hij kiest je uit.’ Dat bevrijdde me in hun ogen van schuld; God had mijn naam weliswaar nog niet geroepen, maar als Hij mij in zo’n christelijke familie had geplaatst, was dat omdat Hij dat snel zou doen. Mijn enthousiasme om haar bij haar liefdadigheidswerk onder de pachters te helpen compenseerde mijn beperkte geloofsijver; ze dacht dat het meelevendheid was, een teken van mijn goede inborst, ze wist niet dat het was vanwege mijn training in de Damesclub van mijn grootmoeder en mijn prozaïsche interesse om de landarbeiders te leren kennen en ze te fotograferen. Buiten don Sebastián, Eduardo en Diego, die intern waren opgeleid aan een goede school en de verplichte reis naar Europa hadden gemaakt, had niemand in die contreien een idee van hoe groot de wereld was. Romans werden in dat huis niet toegestaan, ik denk dat don Sebastián de fut niet had om ze te censureren en hij om te voorkomen dat iemand er een van de zwarte lijst van de Kerk zou lezen er liever korte metten mee maakte en ze allemaal van de hand wees. De kranten kwamen zo laat dat ze geen nieuws, maar geschiedenis brachten. Doña Elvira las haar gebedsboeken en Adela, de jongere zus van Diego, bezat een paar poëziebundels, wat biografieën van historische figuren en reisverslagen, die ze telkens weer herlas. Later ontdekte ik dat ze thrillers bemachtigde, de kaften ervan losscheurde en ze verving door die van de door haar vader toegestane boeken. Toen mijn hutkoffers en kisten uit Santiago arriveerden en er honderden boeken te voorschijn kwamen, vroeg doña Elvira me op haar gebruikelijke zachtaardige manier of ik ze niet aan de rest van de familie wilde laten zien. Elke week stuurde mijn grootmoeder of Nívea me leesmateriaal, dat ik op mijn kamer bewaarde. Mijn schoonouders zeiden er niets van, erop vertrouwend, veronderstel ik, dat die slechte gewoonte wel zou verdwijnen wanneer ik kinderen zou krijgen en ik niet zoveel ledige uren over zou hebben, zoals het geval was met mijn schoonzus Susana, die drie prachtige maar zeer verwende kinderen had. Ze maakten echter geen bezwaar tegen de fotografie, wellicht omdat ze vermoedden dat het erg moeilijk zou zijn me op dat punt te doen zwichten, en hoewel ze nooit nieuwsgierig waren naar mijn werk, wezen ze me een kamer achter in het huis toe waarin ik mijn donkere kamer kon maken.
Ik was opgegroeid in de stad, in de gerieflijke en kosmopolitische sfeer van mijn grootmoeders huis, met veel meer vrijheid dan welke Chileense ook, toen en nu, want hoewel we aan het einde komen van het eerste decennium van de twintigste eeuw, zijn de zaken er voor de meisjes in deze contreien niet veel op vooruitgegaan. De verandering van levensstijl toen ik in de schoot van de familie Domínguez belandde, was enorm, al deden zij al het mogelijke om me op mijn gemak te stellen. Ze behandelden me uitstekend, ik leerde makkelijk van hen te houden; hun liefde compenseerde het gereserveerde en dikwijls stugge karakter van Diego, die in het openbaar als een broer met me omging maar als we alleen waren nauwelijks tegen me sprak. De eerste weken dat ik me probeerde aan te passen waren zeer boeiend. Don Sebastián gaf me een schitterende zwarte merrie met een witte ster op het voorhoofd cadeau, en Diego stuurde me met een opzichter het landgoed op om de arbeiders en de buren te leren kennen, die zo ver weg woonden dat elk bezoek drie of vier dagen in beslag nam. Daarna liet hij me vrij. Mijn echtgenoot ging met zijn broer en zijn vader aan het werk op het land en op jacht, soms kampeerden ze dagenlang buiten. Ik kon niet tegen de verveling in het huis, waar de kinderen van Susana eindeloos vertroeteld moesten worden, waar lekkernijen en conserven bereid moesten worden, waar moest worden gepoetst en gelucht, genaaid en geweven; wanneer ik klaar was met school of mijn liefdadigheidswerk op het landgoed gedaan had, trok ik een broek van Diego aan en vertrok in galop. Mijn schoonmoeder had me gewaarschuwd niet schrijlings, als een man, op het paard te zitten, want dan zou ik ‘vrouwelijke problemen’ krijgen, een eufemisme dat ik nooit helemaal heb kunnen doorgronden, maar niemand kon in amazonezit paardrijden in die omgeving van heuvels en steile rotsen zonder bij een val zijn hoofd open te splijten. Het landschap was adembenemend, het verraste me bij elke bocht, het verwonderde me. Ik reed de heuvels op en af naar de dichte bossen, een paradijs van lariksen, laurier- en kaneelbomen, mañío, mirten en stokoude apenbomen, exclusieve houtsoorten die de familie Domínguez in haar zagerijen exploiteerde. Ik raakte bedwelmd door de geur van het vochtige woud, dat sensuele aroma van rode aarde, plantensap en wortels; door de rust van de dichte begroeiing, bewaakt door die zwijgende groene reuzen; door het mysterieuze ritselen van het bos: gezang van onzichtbare wateren, gedans van de wind rond de takken, gemurmel van wortels en insecten, gekoer van de zachtmoedige houtduiven en geschreeuw van de luidruchtige chimango’s. De paden kwamen uit op de zagerij en verderop moest ik me een weg banen door de dichte begroeiing, vertrouwend op het instinct van mijn merrie, wier benen wegzakten in een oliekleurige modder, dik en geurig als plantensap. Het licht viel in heldere, bijna tastbare stralen door de enorme koepel van bomen, maar er waren ijzige stukken waar de poema’s zich schuilhielden en me met hun vlammende ogen begluurden. Ik droeg een aan mijn zadel bevestigd geweer bij me, maar in geval van nood zou ik geen tijd hebben het te voorschijn te halen, en ik zou toch nooit geschoten hebben. Ik fotografeerde de oude bossen, de meren met zwarte stranden, de onstuimige rivieren met tinkelende stenen en de onstuimige vulkanen die de horizon bekroonden als slapende draken in torens van as. Ook nam ik foto’s van de pachters van het landgoed, die ik hun later als geschenk bracht en die zij beduusd in ontvangst namen, zonder te weten wat te doen met die afbeeldingen van zichzelf waar ze niet om hadden gevraagd. Hun door de weersomstandigheden en de armoede verweerde gezichten fascineerden me, maar zij zagen zichzelf niet graag zo, precies zoals ze waren, in hun lompen met het leed op hun schouders; ze wilden met de hand ingekleurde portretten waarop ze poseerden in het enige pak dat ze hadden, het trouwpak, goed gewassen en gekamd, met hun kinderen zonder snottebellen.
’s Zondags werd het werk neergelegd en waren er missen – wanneer we een priester hadden – of ‘missies’, die de vrouwen van de familie uitvoerden door de pachters thuis te bezoeken om hun de catechismus te onderwijzen. Zo bestreden ze met cadeautjes en vasthoudendheid de indiaanse geloofsovertuigingen, die met de christelijke heiligen verstrengeld raakten. Ik deed niet mee aan de religieuze preken, maar ik maakte van de gelegenheid gebruik om mezelf aan de boeren voor te stellen. Velen van hen waren volbloed indianen die nog woorden uit hun eigen taal gebruikten en hun tradities levend hielden; anderen waren mestiezen, allemaal bescheiden en verlegen onder normale omstandigheden, maar agressief en luidruchtig als ze dronken. De alcohol was een bittere balsem, die een paar uur lang de aardse smart van alledag verlichtte, maar als een vijandige rat hun ingewanden aanvrat. De zuip- en vechtpartijen met steekwapens werden beboet, evenals andere overtredingen, zoals zonder toestemming een boom omhakken of de eigen dieren los laten lopen buiten de ieder toegewezen halve cuadra voor eigen gewassen. Op diefstal of brutaal gedrag tegen superieuren stonden stokslagen, maar don Sebastián had een afkeer van lijfstraffen; hij had eveneens het droit du seigneur afgeschaft, een oude traditie uit de koloniale tijd, die de bazen toestemming gaf de dochters van de boeren te ontmaagden voordat ze trouwden. Hijzelf had het in zijn jeugd gedaan, maar nadat doña Elvira op het landgoed was gekomen, was het afgelopen met die vrijheden. Zij keurde ook het bordeelbezoek in de aangrenzende dorpen af en stond erop dat haar eigen kinderen jong zouden trouwen, zodat ze niet in de verleiding konden komen. Eduardo en Susana hadden dat zes jaar geleden gedaan, toen ze allebei twintig waren, en voor Diego, destijds zeventien, hadden ze een meisje uit de familie aangewezen, maar ze verdronk in het meer voordat de verloving een feit was. Eduardo, de oudste broer, was jovialer dan Diego, hij had talent voor moppen tappen en zingen, kende alle legendes en verhalen uit de regio, hij hield van gesprekken en hij kon luisteren. Hij was smoorverliefd op Susana, zijn ogen lichtten op wanneer hij haar zag en hij verloor nooit zijn geduld bij haar wispelturige stemmingen. Mijn schoonzus had last van hoofdpijnaanvallen waardoor ze een verschrikkelijk humeur kreeg; dan sloot ze zich op in haar kamer, at niet en mocht om geen enkele reden gestoord worden, maar wanneer haar klachten over waren, dook ze volledig hersteld weer op, glimlachend en liefdevol; ze leek een andere vrouw. Ik kwam erachter dat ze alleen sliep en dat haar echtgenoot noch haar kinderen zonder uitnodiging haar kamer binnengingen, de deur was altijd op slot. De familie was gewend aan haar migraineaanvallen en depressies, maar haar verlangen naar privacy vonden ze bijna een belediging, net zoals ze het vreemd vonden dat ik niemand zonder toestemming binnenliet in de kleine donkere kamer waar ik mijn foto’s ontwikkelde, hoewel ik hun had uitgelegd hoeveel schade een lichtstraaltje aan mijn negatieven kon toebrengen. In Caleufú waren geen afsluitbare deuren of werkkamers, behalve de voorraadkelders en de kluis in het kantoor. Er werden uiteraard kruimeldiefstalletjes gepleegd, maar die hadden niet al te ernstige gevolgen, want over het algemeen kneep don Sebastián een oogje toe. ‘Die mensen zijn erg onwetend, ze stelen niet uit slechtheid of uit noodzaak, het is een verkeerde gewoonte van ze,’ zei hij, hoewel de pachters in werkelijkheid behoeftiger waren dan de baas toegaf. De boeren waren vrij, maar in de praktijk hadden ze generaties lang in dat gebied gewoond en het kwam niet in hen op dat het anders kon zijn, ze hadden geen plek om heen te gaan. Er werden er maar weinig oud. Veel kinderen stierven jong aan darminfecties, rattenbeten en longontsteking, de vrouwen tijdens de bevalling en aan de tering, de mannen door ongelukken, ontstoken wonden en alcoholvergiftiging. Het dichtstbijzijnde ziekenhuis, waar een zeer gerenommeerde Beierse arts zat, behoorde de Duitsers toe, maar de reis werd alleen gemaakt bij spoedeisende gevallen; de kleinere kwalen werden behandeld met natuurgeheimen, gebed en de hulp van de meica’s, de indiaanse genezeressen, die de kracht van de regionale planten beter kenden dan wie ook.
Eind mei viel de winter zonder verzachtende omstandigheden in, met zijn regengordijn dat als een geduldige wasvrouw het landschap schoonspoelde en met zijn vroeg invallende duisternis, waardoor we gedwongen waren om vier uur ’s middags naar huis terug te keren en waardoor de avonden eeuwig duurden. Ik kon niet meer mijn lange ritten maken of de mensen op het landgoed fotograferen. We waren geïsoleerd, de wegen waren een modderpoel, niemand kwam op bezoek. Ik vermaakte me door in de donkere kamer met verschillende ontwikkeltechnieken te experimenteren en door foto’s van de familie te maken. Ik ontdekte langzaam aan dat alles wat bestaat met elkaar verband houdt, onderdeel is van een compact plan; wat op het eerste gezicht een wirwar van toevalligheden lijkt, openbaart zich voor het minutieuze oog van de camera in al zijn perfecte symmetrie. Niets is toevallig, niets is banaal. Net als in de ogenschijnlijk plantaardige chaos van het bos bestaat er een nauwe relatie tussen oorzaak en gevolg, op elke boom zijn er honderden vogels, op elke vogel zijn er duizenden insecten, op elk insect zijn er duizenden organische deeltjes; op dezelfde wijze zijn de boeren tijdens hun werk of de familie die beschut tegen de winter binnenzit onmisbare onderdelen van een enorm fresco. Het wezenlijke is vaak onzichtbaar; het oog neemt het niet waar, alleen het hart, maar de camera vangt soms sprankjes van die substantie op. Dat probeerde meester Ribero in zijn kunst te verkrijgen en dat wilde hij mij graag leren: het louter documentaire overstijgen en doordringen tot de kern, de pure ziel van de werkelijkheid. Die subtiele verbanden die op het fotopapier te voorschijn kwamen, raakten me diep en stimuleerden me om door te gaan met experimenteren. Tijdens de winterse opsluiting werd mijn nieuwsgierigheid groter; naarmate de omgeving verstikkender en benepener werd met het overwinteren tussen die dikke kleistenen muren, werd mijn geest onrustiger. Ik ging obsessief de inhoud van het huis en de geheimen van zijn inwoners verkennen. Ik onderzocht de huiselijke omgeving met nieuwe ogen, alsof ik die voor het eerst zag, zonder iets als vanzelfsprekend te beschouwen. Ik liet me door mijn intuïtie leiden en liet vooroordelen varen. ‘We zien alleen wat we willen zien,’ zei don Juan Ribero altijd, en hij voegde eraan toe dat het mijn werk moest zijn om te laten zien wat niemand eerder gezien heeft. In het begin poseerde de familie Domínguez met een geforceerde glimlach, maar al snel raakten ze gewend aan mijn stille aanwezigheid en uiteindelijk negeerden ze de camera; toen kon ik hen onopgemerkt vastleggen, precies zoals ze waren. De regen spoelde de bloemen en blaadjes weg, het huis met zijn zware meubels en grote lege ruimtes werd van de buitenwereld afgesloten en we zaten vast in een merkwaardige, huiselijke gevangenschap. We liepen door de met kaarsen verlichte kamers, de ijskoude tocht ontwijkend; het hout kraakte als een jammerende weduwe en je hoorde heimelijk de muizen trippelen tijdens hun ijverige bezigheden; het rook naar modder, naar vochtige dakpannen, naar verstikte kleding. De knechten staken de komforen en open haarden aan, de dienstmeisjes brachten ons warmwaterkruiken, dekens en dampende mokken chocolademelk, maar er viel met geen mogelijkheid aan de lange winter te ontkomen. In die tijd viel ik ten prooi aan de eenzaamheid.
Diego was een schim. Ik probeer me nu één gedeeld moment te herinneren, maar ik kan hem slechts zien als een mimespeler op het podium, zonder stem en van mij gescheiden door een brede orkestbak. Ik heb in mijn hoofd – en in mijn verzameling foto’s van die winter – veel beelden van hem tijdens de werkzaamheden op het land en thuis, altijd bezig met anderen, nooit met mij, afstandelijk en als een vreemde voor me. Het was onmogelijk intiem met hem te zijn, er lag een peilloze stilte tussen ons, en mijn pogingen om ideeën uit te wisselen of naar zijn gevoelens te vragen liepen stuk tegen zijn hardnekkige wil om afwezig te zijn. Hij beweerde dat alles tussen ons al gezegd was, als we getrouwd waren was dat omdat we van elkaar hielden, waarom was het nodig om dieper in te gaan op wat overduidelijk was? In het begin was ik beledigd door zijn zwijgen, maar later begreep ik dat hij met iedereen zo omging, behalve met zijn neefjes en nichtjes; hij kon vrolijk en teder met de kinderen zijn, misschien wilde hij net zo graag kinderen als ik, maar elke maand was er weer de teleurstelling. Ook daar praatten we niet over, het was een van de vele onderwerpen over het lichaam of de liefde die we uit schaamte niet aanroerden. Een paar keer heb ik geprobeerd hem te vertellen hoe graag ik gestreeld wilde worden, maar hij schoot onmiddellijk in de verdediging; in zijn ogen mocht een fatsoenlijke vrouw dat soort dringende behoeften niet voelen, en al helemaal niet uiten. Al snel verrees er door zijn terughoudendheid, mijn schaamte en de trots van ons beiden een Chinese Muur tussen ons tweeën. Ik had er alles voor gegeven om met iemand te praten over wat er gebeurde achter onze gesloten deur, maar mijn schoonmoeder was etherisch als een engel, met Susana had ik geen echte vriendschap, Adela was nog maar net zestien en Nívea was te ver weg, en ik durfde die verlangens niet op te schrijven. Diego en ik bedreven heel af en toe de liefde – om het maar een naam te geven –, altijd zoals de eerste keer. Het samenwonen bracht ons niet dichter bij elkaar, maar dat deed alleen mij verdriet, hij voelde zich prima bij de situatie. We maakten geen ruzie en gingen met geforceerde hoffelijkheid met elkaar om, al had ik duizend keer liever een openlijke oorlog dan onze koppige stiltes. Mijn echtgenoot ontvluchtte de gelegenheden om met mij alleen te zijn; ’s avonds bleef hij net zo lang kaarten tot ik, overmand door moeheid, ging slapen; ’s ochtends sprong hij bij het eerste hanengekraai op en zelfs op zondag, als de rest van de familie uitsliep, had hij smoesjes om vroeg weg te gaan. Ik stelde me daarentegen altijd afhankelijk op van zijn buien, ik liep me de benen uit het lijf om hem met talloze kleinigheden van dienst te zijn, ik deed al het mogelijke om hem naar me toe te trekken en hem het leven aangenaam te maken; mijn hart ging als een razende tekeer als ik zijn stappen of zijn stem hoorde. Ik kreeg er geen genoeg van naar hem te kijken, ik vond hem mooi als de helden uit sprookjes; in bed betastte ik zijn brede en sterke schouders, ervoor zorgend hem niet wakker te maken, ik streelde zijn weelderige, golvende haar, de spieren in zijn benen en zijn hals. Ik hield van zijn geur van zweet, aarde en paard wanneer hij van het land kwam, van Engelse zeep na het baden. Ik begroef mijn gezicht in zijn kleren om zijn mannengeur op te snuiven, omdat ik dat bij zijn lichaam niet durfde. Nu, na het verstrijken van de tijd en vanuit het perspectief van de vrijheid die ik de laatste jaren heb verworven, zie ik in hoezeer ik me uit liefde heb vernederd. Ik zette alles opzij, van mijn persoonlijkheid tot mijn werk, om te dromen van een huiselijk paradijs dat niet voor mij was weggelegd.
Gedurende de langdurige, ledige winter moest de familie verscheidene fantasiebronnen aanspreken om de verveling tegen te gaan. Ze hadden allemaal een goed muzikaal gehoor, ze bespeelden een veelheid aan instrumenten, en zo verstreken de middagen met geïmproviseerde concerten. Susana amuseerde ons vaak door gehuld in een haveloos fluwelen gewaad, met een Turkse tulband op haar hoofd en met houtskool zwartgemaakte ogen, te zingen met de hese stem van een zigeunerin. Doña Elvira en Adela organiseerden naailessen voor de vrouwen en probeerden het schooltje draaiende de houden, maar alleen de kinderen van de pachters die het dichtst in de buurt woonden, slaagden erin het weer te trotseren en naar de les te komen. Dagelijks werden de winterse rozenkransen gebeden waar groot en klein op af kwamen, want daarna werd er chocolademelk met taart geserveerd. Susana kreeg het idee om een theaterstuk voor te bereiden ter viering van het einde van de eeuw, en wekenlang waren we bezig met het schrijven van het draaiboek en het instuderen van onze rollen, met het bouwen van een podium in een van de graanschuren, met het naaien van kostuums en met oefenen. Het thema was uiteraard een voorspelbare allegorie over de fouten en tegenspoed uit het verleden, verslagen door het gloeiende zwaard van de wetenschap, de technologie en de vooruitgang van de twintigste eeuw. Naast theater organiseerden we schietwedstrijden en woordenboekspelletjes, allerlei soorten kampioenschappen, van schaken tot het vervaardigen van marionetten en dorpjes bouwen met luciferhoutjes, maar altijd bleven er uren over. Ik maakte Adela tot mijn assistente in de donkere kamer en stiekem wisselden we boeken uit. Ik leende haar de boeken die ze me uit Santiago stuurden en zij mij haar thrillers, die ik hartstochtelijk verslond. Ik werd een bedreven detective, over het algemeen ried ik de identiteit van de moordenaar vóór bladzijde 80. Het repertoire was beperkt en hoe lang we het lezen ook rekten, de boeken waren snel uit, en dan veranderde ik met Adela de verhalen of verzonnen we enorm ingewikkelde misdrijven die de ander moest oplossen. ‘Wat lopen jullie twee daar te smiespelen?’ vroeg mijn schoonmoeder vaak. ‘Niets, mama, we zijn moorden aan het verzinnen,’ antwoordde Adela met haar onschuldige konijnenlachje. Doña Elvira lachte dan, ze kon niet vermoeden hoe waar het antwoord van haar dochter was.
Eduardo moest als eerstgeborene bij de dood van don Sebastián het landgoed overnemen, maar hij had met zijn broer een vennootschap gesloten om het samen te beheren. Ik vond mijn zwager leuk, hij was zachtaardig en speels, haalde vaak grappen met me uit of nam cadeautjes voor me mee – doorschijnende agaten uit de rivierbedding, een eenvoudig halssnoer uit het Mapuche-reservaat, veldbloemen, een modetijdschrift dat hij in het dorp bestelde – en zo probeerde hij de onverschilligheid van zijn broer jegens mij, die voor de hele familie duidelijk was, te compenseren. Hij nam me dikwijls bij de hand en vroeg me bezorgd of het goed met me ging, of ik iets nodig had, of ik mijn grootmoeder miste, of ik me verveelde op Caleufú. Susana daarentegen, die verzonken was in haar aan luiheid grenzende, haremvrouwachtige loomheid, negeerde me het merendeel van de tijd en had een onbeschofte manier om me de rug toe te keren en me met het woord op de lippen bestorven achter te laten. Ze was een echte schoonheid met haar weelderige lichaam, haar goudkleurige huid en haar grote, donkere ogen, maar ik geloof niet dat ze zich daar bewust van was. Er was niemand voor wie ze zich mooi kon maken, alleen de familie, daarom besteedde ze weinig aandacht aan haar persoonlijke verzorging; soms kamde ze haar haar niet eens en zat ze de hele dag slaperig en bedroefd in haar ochtendjas en haar schaapslederen pantoffels. Andere keren kwam ze echter stralend als een Moorse prinses te voorschijn, met haar lange donkere haar met schildpaddenkammetjes opgestoken in een knot en met een gouden halsketting die de perfecte lijn van haar hals volgde. Wanneer ze in een goed humeur was, poseerde ze graag voor me; ze stelde een keer aan tafel voor dat ik haar naakt moest fotograferen. Het was een provocatie die insloeg als een bom bij die zo conservatieve familie, doña Elvira kreeg bijna weer een hartaanval en Diego was zo geschokt dat hij abrupt opstond en daarbij de stoel omvergooide. Als Eduardo geen grapje had gemaakt, was het een drama geworden. Adela, die met haar konijnengezichtje en haar in een zee van sproeten verloren blauwe ogen de minst bevallige van de kinderen Domínguez was, was zonder twijfel de sympathiekste. Haar vrolijkheid was net zo’n zeker feit als het opkomen van de zon; we konden erop vertrouwen dat zij, zelfs diep in de winter, wanneer de wind tussen de dakpannen gierde en we het kaarten bij kaarslicht onderhand beu waren, de gemoederen zou opbeuren. Haar vader, don Sebastián, aanbad haar; hij kon haar niets weigeren en vroeg haar vaak half voor de grap, half serieus, vrijgezel te blijven om hem op zijn oude dag te verzorgen.
De winter maakte drie slachtoffers onder de pachters: twee kinderen en een oude man, die aan longontsteking stierven; ook de grootmoeder die in huis woonde en naar men schatte meer dan een eeuw geleefd had – want ze had haar eerste communie al gedaan toen Chili zich in 1810 onafhankelijk van Spanje verklaarde – overleed. Ze kregen allemaal een sobere begrafenis op het kerkhof van Caleufú, dat door de hevige stortbuien in een modderpoel was veranderd. Het bleef onophoudelijk regenen tot september, toen overal de lente begon te ontluiken en we eindelijk naar buiten konden om de verstikte kleren en matrassen op de binnenplaats in de zon te leggen. Doña Elvira had al die maanden in omslagdoeken gewikkeld gezeten, verplaatste zich alleen nog tussen het bed en de leunstoel, steeds zwakker. Eén keer per maand vroeg ze me heel discreet of er ‘geen nieuws was’ en aangezien dat er niet was, ging ze vaker bidden dat Diego en ik haar meer kleinkinderen zouden geven. Ondanks de eindeloos lange nachten van die winter werden mijn echtgenoot en ik niet intiemer. We lagen in stilte in het duister, als vijanden bijna, en altijd bleef ik achter met hetzelfde gevoel van frustratie en onbedwingbare onrust van de eerste keer. Het scheen mij toe alsof we elkaar alleen omhelsden wanneer ik het initiatief nam, maar ik kan me vergissen, misschien was het niet altijd zo. Met de komst van de lente ging ik er weer alleen op uit naar de bossen en de vulkanen; als ik door die uitgestrekte gebieden galoppeerde werd die honger naar liefde enigszins gestild, de vermoeidheid en mijn door het zadel beurs geworden billen overschaduwden de onderdrukte verlangens. Ik keerde ’s middags vochtig van het bos en het paardenzweet terug, liet een warm bad klaarmaken en lag urenlang te weken in het met sinaasappelblaadjes geparfumeerde water. ‘Voorzichtig, meisje, paardrijden en in bad liggen zijn slecht voor de buik, ze veroorzaken onvruchtbaarheid,’ waarschuwde mijn gekwelde schoonmoeder me. Doña Elvira was een simpele vrouw, een en al goedheid en gedienstigheid, met een doorschijnende ziel die weerspiegeld werd in het bedaarde water van haar blauwe ogen, de moeder die ik had willen hebben. Ik bracht uren aan haar zijde door, terwijl zij wevend voor haar kleinkinderen steeds weer dezelfde kleine verhaaltjes over haar leven en Caleufú vertelde, en ik haar aanhoorde in de smartelijke wetenschap dat ze niet lang meer in deze wereld zou zijn. Inmiddels vermoedde ik al dat een kind de afstand tussen Diego en mij niet zou verkleinen, maar ik wilde het enkel en alleen om het doña Elvira als een geschenk aan te bieden. Als ik me mijn leven op het landgoed zonder haar voorstelde, voelde ik een onoverkomelijk verdriet.
De eeuw liep ten einde en de Chilenen deden hun uiterste best om mee te gaan in de industriële vooruitgang van Europa en Noord-Amerika, maar de Domínguez zagen, zoals veel andere conservatieve families, met afschuw toe hoe de traditionele gewoonten verdwenen en de tendens om het buitenlandse te imiteren opgang maakte. ‘Het is echt rotzooi van de duivel,’ zei don Sebastián wanneer hij in zijn verouderde kranten over de technologische verbeteringen las. Zijn zoon Eduardo was de enige die in de toekomst geïnteresseerd was; Diego leefde in zichzelf gekeerd, Susana had altijd migraine en Adela kwam pas net kijken. Hoe ver weg we ook zaten, de echo’s van de vooruitgang bereikten ons en we konden de maatschappelijke veranderingen niet negeren. In Santiago was iedereen als een bezetene met sporten en spelletjes en wandelingen in de openlucht bezig, activiteiten die veeleer eigen waren aan de excentrieke Engelsen dan aan de gemakzuchtige afstammelingen van de edelmannen uit Castilië en León. Een frisse wind van Franse kunst en cultuur verkwikte de sfeer en een zwaar gepiep van Duitse machinerie wekte Chili uit zijn lange koloniale siësta. Er was een ambitieuze en beschaafde middenklasse aan het ontstaan die wilde leven zoals de rijken. De sociale crisis, die met stakingen, excessen, werkloosheid en charges van de politie te paard met getrokken sabels het land op zijn grondvesten deed schudden, was een vaag gerucht dat geen invloed had op het ritme van ons leven op Caleufú, maar al bleven we op het landgoed leven als de betovergrootouders die honderd jaar daarvoor in diezelfde bedden hadden geslapen, ook voor ons kwam de twintigste eeuw eraan.
Mijn grootmoeder Paulina was sterk achteruitgegaan, vertelden Frederick Williams en Nívea del Valle me per brief; ze legde het af tegen de vele ouderdomskwaaltjes en de aankondiging van de dood. Ze beseften hoe oud ze was geworden toen Severo haar de eerste flessen wijn bracht van de wijnstokken die laat rijpten en die, zo hadden ze gehoord, carmenere genoemd werden, een zachte, volle rode wijn met weinig tannine, zo goed als de beste uit Frankrijk, die ze Viña Paulina doopten. Eindelijk hadden ze een uniek product in handen dat hun roem en geld zou brengen. Mijn grootmoeder nipte er voorzichtig van. ‘Het is jammer dat ik er niet van zal kunnen genieten, anderen zullen hem drinken,’ zei ze, en ze had het er niet meer over. De uitbarsting van blijdschap en de arrogante opmerkingen die normaal gesproken haar handelszeges begeleidden, bleven uit; na een ongeremd leven begon ze bescheiden te worden. Het duidelijkste teken van haar zwakte was de dagelijkse aanwezigheid van de bekende pastoor in het smoezelige priestergewaad die bij de stervenden rondhing om ze hun fortuin afhandig te maken. Ik weet niet of het uit eigen initiatief of op voorstel van die ouwe onheilsbode was, maar mijn grootmoeder verbande het befaamde mythologische bed waarin ze de helft van haar leven had doorgebracht naar het diepst van de kelder en zette in plaats daarvan een soldatenbrits met een met crin gevulde matras neer. Dat leek me een zeer alarmerend teken, en zodra de modder op de wegen was opgedroogd, deelde ik mijn echtgenoot mee dat ik naar Santiago moest om mijn grootmoeder te bezoeken. Ik verwachtte enige tegenwerking, maar het tegendeel was het geval. Binnen vierentwintig uur regelde Diego mijn vervoer per kar naar de haven, waar ik de boot naar Valparaíso zou nemen, en van daaruit zou ik per trein de reis naar Santiago vervolgen. Adela brandde van verlangen om met me mee te gaan en ze ging zo vaak bij haar vader op schoot zitten, aan zijn oren knabbelen, aan zijn bakkebaarden trekken en zeuren dat don Sebastián haar die nieuwe bevlieging niet kon ontzeggen, ondanks het feit dat doña Elvira, Eduardo en Diego het er niet mee eens waren. Ze hoefden hun redenen niet toe te lichten, ik ried al dat ze de sfeer die ze in het huis van mijn grootmoeder hadden geproefd niet geschikt achtten en dachten dat ik niet volwassen genoeg was om naar behoren voor het meisje te zorgen. We vertrokken dus naar Santiago, in gezelschap van een bevriend Duits stel dat met hetzelfde stoomschip ging. We hadden een scapulier van het Heilig Hart van Jezus op onze borst hangen om ons tegen al het kwaad te beschermen – amen –, het geld in een onder het korset genaaid buideltje, nauwkeurige instructies niet met onbekenden te praten en meer bagage dan je nodig zou hebben om een reis rond de wereld te maken.
Adela en ik brachten twee maanden in Santiago door, die geweldig geweest waren als mijn grootmoeder niet ziek was geweest. Ze ontving ons quasi-enthousiast, vol plannen om wandelingen te maken, naar het theater te gaan en met de trein naar Viña del Mar te reizen om de zeelucht in te ademen, maar op het laatste moment stuurde ze ons met Frederick Williams mee en bleef ze zelf thuis. Zo ging het ook toen we een reis per koets ondernamen naar Severo en Nívea del Valle en de wijngaarden, die inmiddels de beste flessen exportwijn opleverden. Mijn grootmoeder vond Viña Paulina een te creoolse naam en wilde hem in iets Frans veranderen om hem in de Verenigde Staten te verkopen, waar volgens haar niemand verstand had van wijn, maar Severo maakte bezwaar tegen een dergelijk bedrog. Nívea, omringd door haar jongste kinderen, had een knot vol grijze haren en was wat zwaarder geworden, maar ik vond haar nog even vlot, brutaal en ondeugend als vroeger. ‘Ik geloof dat de overgang er eindelijk aankomt, nu kunnen we vrijen zonder bang te zijn om nog een kind te krijgen,’ fluisterde ze in mijn oor, zonder ooit te kunnen bedenken dat jaren later de helderziende Clara ter wereld zou komen, het eigenaardigste kind dat in deze talrijke en zonderlinge Del Valle-clan geboren is. De kleine Rosa, wier schoonheid zoveel opmerkingen uitlokte, was vijf jaar. Ik vind het jammer dat de fotografie haar kleuren niet heeft kunnen vastleggen, ze is net een zeediertje met haar gele ogen en haar groene haar, als oud brons. Ze was toen al een engelachtig wezentje, een beetje achtergebleven voor haar leeftijd, dat als een geestverschijning voorbijzweefde. ‘Waar is ze vandaan gekomen? Ze moet een dochter zijn van de Heilige Geest,’ grapte haar moeder. Dat beeldschone meisje was gekomen om Nívea te troosten voor het verlies van haar twee kleintjes, die aan difterie waren gestorven, en voor de langdurige ziekte die de longen van een derde kind aanvrat. Ik probeerde er met Nívea over te praten – ze zeggen dat er geen verschrikkelijker leed bestaat dan het verlies van een kind –, maar zij veranderde van onderwerp. Al wat ze tegen me zei was dat vrouwen eeuwen- en eeuwenlang de pijn van het bevallen en het begraven van hun kinderen hebben gehad, zij was geen uitzondering. ‘Het zou heel arrogant van me zijn te veronderstellen dat God mij zegent met veel kinderen en dat ze mij allemaal zullen overleven,’ zei ze.
Paulina del Valle was geen schaduw meer van wie ze geweest was. Ze had haar interesse in eten en zaken verloren, ze kon nauwelijks lopen omdat haar knieën niet wilden, maar ze was scherper dan ooit. Op haar nachtkastje stonden naast elkaar de flesjes medicijnen, en drie nonnen zorgden om beurten voor haar. Mijn grootmoeder vermoedde dat we niet veel kansen meer zouden hebben om samen te zijn, en voor het eerst in onze relatie was ze bereid mijn vragen te beantwoorden. We bladerden door de fotoalbums en ze gaf bij elke foto uitleg; ze vertelde me over de reden voor het in Florence bestelde bed en haar rivaliteit met Amanda Lowell, die, vanuit het perspectief van haar leeftijd gezien, eerder komisch was, en ze sprak over mijn vader en over de rol van Severo del Valle in mijn kindertijd, maar ze vermeed stellig het onderwerp van mijn grootouders van moederskant in Chinatown; ze zei dat mijn moeder een heel knap Amerikaans model was geweest, verder niets. Op sommige middagen gingen we in de glazen serre zitten om met Severo en Nívea del Valle te praten. Terwijl hij het had over de jaren in San Francisco en zijn latere ervaringen in de oorlog, bracht zij me de details rond de gebeurtenissen tijdens de revolutie in herinnering, toen ik nog maar elf jaar was. Mijn grootmoeder klaagde niet, maar oom Frederick waarschuwde me dat ze last had van hevige buikpijnen en dat het voor haar een enorme inspanning was zich elke ochtend aan te kleden. Trouw aan haar geloof dat iemand de leeftijd heeft die hij uitstraalt, bleef ze het weinige haar dat nog op haar hoofd zat verven, maar ze praalde niet meer zoals vroeger met haar keizerinnenjuwelen; ‘ze heeft er nog maar heel weinig,’ fluisterde haar echtgenoot me geheimzinnig toe. Het huis zag er net zo onverzorgd uit als zijn eigenares, de ontbrekende schilderijen hadden lichte plekken op het behang achtergelaten, er waren minder meubels en vloerkleden, de tropische planten in de serre waren een verlepte en ondergestofte wildernis en de vogels zaten stil in hun kooien. Wat oom Frederick eerder in zijn brieven had gezegd over het soldatenbed waarop mijn grootmoeder sliep, bleek waar. Zij had altijd de grootste kamer in het huis gehad en haar beroemde mythologische bed verhief zich in het midden als een pauselijke troon; van daaruit bestuurde ze haar imperium. Ze bracht de ochtenden tussen de lakens door, omringd door de veelkleurige waterfiguren die een Florentijnse vakman er veertig jaar geleden uit had gesneden, en bestudeerde haar kasboeken, dicteerde brieven, bedacht zaken. Onder de lakens bleef haar zwaarlijvigheid verborgen en kon ze een illusie van breekbaarheid en schoonheid creëren. Ik had talloze foto’s genomen van haar in dat goudkleurige bed en ik kreeg het idee om haar nu in haar eenvoudige viyella nachthemd en haar omaatjesomslagdoek op een boetelingenbrits te fotograferen, maar ze weigerde beslist. Ik merkte op dat de mooie Franse meubels met zijden bekleding, het grote rozenhouten bureau met parelmoeren inlegwerk uit India, de tapijten en de schilderijen uit haar kamer verdwenen waren; de enige decoratie was een grote Christus aan het kruis. ‘Ze schenkt de meubels en juwelen aan de Kerk,’ zei Frederick Williams tegen me, waarop we besloten de nonnen door verpleegsters te vervangen en te kijken hoe we, al was het met geweld, de bezoekjes van de apocalyptische pastoor konden verhinderen, want naast het feit dat hij de mensen hun bezittingen aftroggelde, joeg hij iedereen ook nog eens de stuipen op het lijf. Iván Radovic, de enige arts in wie Paulina del Valle vertrouwen had, was het helemaal eens met die maatregelen. Het was goed die oude vriend terug te zien – echte vriendschap doorstaat de tand des tijds, de afstand en de stilte, zoals hij zei – en hem al lachend op te biechten dat hij in mijn herinnering altijd vermomd als Djingiz Chan verscheen. ‘Dat komt door de Slavische jukbeenderen,’ verklaarde hij goedgeluimd. Hij had nog steeds iets weg van een Tataarse leider, maar door het contact met de patiënten in het armenziekenhuis waar hij werkte was hij milder geworden, en bovendien zag hij er in Chili minder exotisch uit dan in Engeland; hij zou een wat langere en schonere Araucaanse toqui geweest kunnen zijn. Hij was een zwijgzame man, die met intensieve aandacht zelfs naar het onophoudelijke gekwebbel van Adela luisterde, die meteen verliefd op hem werd en, gewend als ze was om haar vader te verleiden, dezelfde methode gebruikte om Iván Radovic in te palmen. Helaas voor haar zag de dokter haar als een klein meisje, onschuldig en grappig, maar hoe dan ook een meisje. Het ontstellende gebrek aan ontwikkeling en de zelfingenomenheid waarmee ze de stompzinnigste dingen beweerde, hinderden hem niet, ik geloof dat hij het wel leuk vond, hoewel haar naïeve kokette buien hem deden blozen. De dokter boezemde vertrouwen in, het was voor mij gemakkelijk om met hem over onderwerpen te praten die ik zelden in het bijzijn van andere mensen aanroerde uit angst ze te vervelen, zoals fotografie. Hij was geïnteresseerd omdat hij sinds verscheidene jaren in Europa en de Verenigde Staten werkzaam was in de geneeskunde; hij vroeg me hem te leren de camera te gebruiken, zodat hij opnames kon maken van zijn operaties en de uiterlijke symptomen van zijn patiënten kon vastleggen, om ze als illustratie bij zijn lezingen en colleges te gebruiken. Onder dat voorwendsel gingen we op bezoek bij don Juan Ribero, maar we troffen een gesloten studio aan met een bordje te koop. De kapper ernaast vertelde ons dat de meester niet meer werkte omdat hij staar had aan beide ogen, maar hij gaf ons zijn adres en we zochten hem op. Hij woonde in een groot, oud, door spoken belaagd gebouw in de Calle Monjitas, dat betere tijden gekend had. Een dienstmeisje leidde ons door verscheidene met elkaar in verbinding staande, van de vloer tot het plafond met foto’s van Ribero behangen kamers naar een salon met oude mahoniehouten meubels en aftandse pluchen fauteuils. Er brandden geen lampen en we hadden een paar seconden nodig om onze ogen aan het halfdonker te laten wennen en de meester met een kat op zijn knieën te zien zitten naast het raam, waardoor het laatste avondschijnsel naar binnen kwam. Hij ging staan en liep uiterst zeker op ons toe om ons te begroeten, niets in zijn tred verried de blindheid.
‘Mejuffrouw Del Valle! Excuseer, het is nu mevrouw Domínguez, nietwaar?’ riep hij uit terwijl hij beide handen naar me uitstak.
‘Aurora, meester, dezelfde Aurora als altijd,’ antwoordde ik, hem omhelzend. Vervolgens stelde ik hem voor aan dokter Radovic en vertelde hem over zijn wens om fotografie te leren voor medische doeleinden. ‘Ik kan niets meer onderwijzen, beste vriend. De hemel heeft me gestraft waar het me het meest raakt: het gezichtsvermogen. Stelt u zich voor, een blinde fotograaf, hoe ironisch!’
‘Ziet u niets, meester?’
‘Met mijn ogen zie ik niets, maar ik blijf naar de wereld kijken. Vertel eens, Aurora, bent u veranderd? Hoe ziet u er nu uit? Het duidelijkste beeld dat ik van u heb is een meisje van dertien jaar dat koppig als een ezel voor de deur van mijn studio zit.’
‘Ik ben nog steeds dezelfde, don Juan, verlegen, dwaas en eigenwijs.’
‘Nee, nee, vertel me bijvoorbeeld eens hoe uw haar zit en welke kleur kleding u draagt.’
‘Mevrouw draagt een witte, luchtige jurk, met kant bij het decolleté – ik weet niet van wat voor stof want daar heb ik geen verstand van – en een gele ceintuur, net zoals het lint van haar hoed. Ik verzeker u dat ze er erg mooi uitziet,’ zei Radovic.
‘Breng me niet in verlegenheid, dokter, ik smeek het u,’ onderbrak ik hem.
‘En nu heeft mevrouw blozende wangen...’ voegde hij eraan toe, en de twee lachten eenstemmig.
De meester rinkelde met een belletje en de bediende kwam binnen met het dienblad met koffie. We zaten een uur zeer onderhoudend te praten over de nieuwe technieken en camera’s die in andere landen gebruikt werden en over hoeveel vooruitgang er was geboekt in de wetenschappelijke fotografie. Don Juan Ribero was overal van op de hoogte.
‘Aurora heeft de intensiteit, de concentratie en het geduld die elke kunstenaar moet hebben. Ik neem aan dat een goede arts hetzelfde nodig heeft, nietwaar? Vraag of ze u haar werk laat zien, dokter, ze is bescheiden en zal dat niet doen als u niet aandringt,’ stelde meester Iván Radovic voor bij ons afscheid.
Een paar dagen later kreeg ik de kans ze te laten zien. Mijn grootmoeder was wakker geworden met verschrikkelijke buikpijn en haar normale kalmeringsmiddelen konden haar niet helpen, dus haalden we Radovic erbij, die kwam aangesneld en haar een sterk laudanumpreparaat toediende. We lieten haar in bed uitrusten, gingen de kamer uit, en buiten vertelde hij me dat het om een nieuwe tumor ging en dat ze al te oud was om haar nog eens te opereren, ze zou de narcose niet aankunnen; hij kon alleen proberen de pijn te bestrijden en haar bijstaan om in vrede te sterven. Ik wilde weten hoe lang ze nog had, maar dat was niet makkelijk vast te stellen, want ondanks haar leeftijd was mijn grootmoeder zeer sterk, en de tumor groeide zeer traag. ‘Bereidt u zich voor, Aurora, want het einde kan binnen een paar maanden komen,’ zei Radovic. Ik kon de tranen niet vermijden, Paulina del Valle vertegenwoordigde mijn enige roots, zonder haar raakte ik op drift, en het feit dat ik Diego als echtgenoot had, verlichtte mijn gevoel van radeloosheid niet, maar maakte het juist sterker. Hij gaf me zijn zakdoek en hield zijn mond, zonder me aan te kijken, beduusd door mijn gehuil. Ik liet hem beloven dat hij me op tijd zou waarschuwen, zodat ik van het platteland kon komen om mijn grootmoeder tijdens haar laatste momenten gezelschap te houden. Het laudanum deed zijn werk en ze werd snel rustig; toen ze sliep, liet ik Iván Radovic uit. Bij de deur vroeg hij me of hij nog even kon blijven, hij had een uur vrij en het was erg warm buiten. Adela deed een middagdutje, Frederick Williams was naar de zwemclub en het enorme huis aan de Ejército Liberador leek een stilliggend schip. Ik bood hem een glas amandelmelk aan en we gingen in de serre met de varens en de vogelkooien zitten.
‘Fluit eens, dokter Radovic,’ stelde ik voor.
‘Moet ik fluiten? Waarvoor?’
‘Volgens de indianen roep je door te fluiten de wind aan. We hebben een briesje tegen de hitte nodig.’
‘Waarom haalt u uw foto’s niet terwijl ik fluit? Ik zou ze heel graag zien,’ vroeg hij.
Ik haalde verscheidene dozen en ging naast hem zitten om te proberen hem mijn werk uit te leggen. Ik liet hem eerst een paar in Europa gemaakte foto’s zien, toen ik geïnteresseerder was in de esthetiek dan in de inhoud, daarna de platinadrukken van Santiago en van de indianen en pachters op het landgoed, en tot slot die van de familie Domínguez. Hij bekeek ze met dezelfde zorgvuldigheid als waarmee hij mijn grootmoeder onderzocht en vroeg af en toe het een en ander. Hij stopte bij de foto’s van Diego’s familie.
‘Wie is die mooie vrouw?’ wilde hij weten.
‘Susana, de echtgenote van Eduardo, mijn zwager.’
‘En ik neem aan dat dit Eduardo is, of niet?’ zei hij, wijzend op Diego.
‘Nee, dat is Diego. Waarom denkt u dat hij de man van Susana is?’
‘Ik weet niet, het leek me...’
Die avond legde ik de foto’s op de grond en zat er uren naar te kijken. Ik ging heel laat naar bed, angstig.
Ik moest afscheid nemen van mijn grootmoeder omdat het tijd was om terug te gaan naar Caleufú. In de zonovergoten decembermaand van Santiago voelde Paulina del Valle zich beter – de winter was ook erg lang en eenzaam geweest voor haar – en ze beloofde me na nieuwjaar samen met Frederick Williams te bezoeken, in plaats van naar het strand met vakantie te gaan, zoals de mensen deden die de hondsdagen van Santiago konden ontvluchten. Ze voelde zich zo goed dat ze zelfs met ons meeging in de trein naar Valparaíso, waar Adela en ik de boot naar het zuiden namen. We gingen vóór Kerstmis terug naar het platteland, want we mochten niet ontbreken bij het belangrijkste feest van het jaar voor de familie Domínguez. Maanden van tevoren zag doña Elvira al toe op de cadeaus voor de boeren, die in huis gemaakt of in de stad gekocht werden: kleertjes en speelgoed voor de kinderen, stof voor kleding en wol om te weven voor de vrouwen, gereedschap voor de mannen. Op die dagen werd er van alles uitgedeeld: dieren, zakken meel, aardappelen, chancaca (of bruine suiker), bonen en maïs, charqui (of gedroogd vlees), maté, zout en gietvormen met kweepeergelei, bereid in enorme koperen pannen op kampvuren in de openlucht. De pachters van het landgoed kwamen uit alle windstreken, sommige moesten met hun vrouwen en kinderen dagen lopen voor het feest. Er werden runderen en geiten geslacht, aardappels en verse maïskolven gekookt en pannen met bonen bereid. Ik kreeg de taak de lange, op de patio geplaatste tafels te versieren met bloemen en pijnboomtakken en de kruiken met water verdunde wijn en suiker klaar te maken, een drankje waarvan de volwassenen niet dronken konden worden en dat de kinderen vermengd met geroosterd meel konden drinken. Er kwam een pastoor die twee of drie dagen bleef om kinderen te dopen, zondaars de biecht af te nemen, samenwonenden te trouwen en overspeligen te berispen. Op 24 december om middernacht woonden we in de openlucht de nachtmis bij voor een geïmproviseerd altaar, want er pasten niet zoveel mensen in de kleine kapel van het landgoed, en vroeg in de ochtend liepen ze, na een voedzaam ontbijt van koffie met melk, pan amasado, room, jam en zomerfruit, in een vrolijke processie met het kindje Jezus rond, zodat iedereen zijn aardewerken voeten kon kussen. Don Sebastián wees de familie aan die zich qua moreel gedrag het meest had onderscheiden, om die het kindje te overhandigen. Een jaar lang, tot de volgende kerst, zou de glazen doodskist met het kleine beeld een ereplaats in het hutje van die boeren hebben en hun goede dingen brengen. Zolang het daar stond, kon er niets slechts gebeuren. Don Sebastián zorgde ervoor dat elke familie een kans kreeg om het kindje Jezus onderdak te geven. Dat jaar hadden we ook nog het allegorische theaterstuk over de komst van de twintigste eeuw, waaraan alle familieleden deelnamen, behalve doña Elvira, die te zwak was, en Diego, die zich liever met de technische aspecten bezighield, zoals de lampen en de geschilderde decors. Don Sebastián nam zeer goedgemutst de rol van het oude jaar dat mopperend vertrok op zich en een kind van Susana, dat nog luiers droeg, stelde het nieuwe jaar voor.
Een aantal Pehuenche-indianen kwamen op het gerucht van gratis eten af. Ze waren straatarm – ze hadden hun land verloren en werden genegeerd door de ontwikkelingsplannen van de regering –, maar ze kwamen uit trots niet met lege handen; ze hadden onder hun lange poncho’s wat appels bij zich, die ze ons vol zweet en vuiligheid aanboden, een naar ontbinding stinkend konijn en een aantal kalebassen met muchi, een alcoholische drank bereid uit een kleine, violetkleurige vrucht waarop gekauwd wordt en die ze dan uitspugen in een pannetje en vermengd met speeksel laten gisten. Het oude opperhoofd liep voorop met zijn drie vrouwen en zijn honden, gevolgd door een twintigtal stamleden; de mannen hielden hun speren goed vast, en ondanks vier eeuwen van uitbuiting en tegenslagen hadden ze hun wilde uiterlijk niet verloren. De vrouwen waren allesbehalve verlegen. Ze waren net zo onafhankelijk en machtig als de mannen, er bestond een seksuele gelijkwaardigheid die Nívea del Valle toegejuicht zou hebben. Ze groetten plechtig in hun eigen taal en noemden don Sebastián en zijn zoons ‘broeder’, en laatstgenoemden heetten hen welkom en nodigden hen uit om deel te nemen aan het feestmaal, maar ze hielden hen nauwlettend in de gaten, want bij de geringste onachtzaamheid sloegen ze aan het stelen. Mijn schoonvader beweerde dat ze geen mijn en dijn kenden omdat ze gewend waren in een gemeenschap te leven en te delen, maar Diego zei dat indianen, die zo makkelijk andermans spullen pakken, niemand aan hun eigen spullen laten komen. Uit angst dat ze dronken en gewelddadig zouden worden, bood don Sebastián het opperhoofd een vat brandewijn aan zodat ze op tijd weer zouden vertrekken, want ze mochten het niet op zijn landgoed openen. Ze gingen in een grote kring zitten om te eten, te drinken, allemaal van dezelfde pijp te roken en lange uiteenzettingen te houden waar niemand naar luisterde, zonder zich in te laten met de pachters van Caleufú, hoewel de kinderen allemaal samen rondrenden. Dat feest was voor mij een gelegenheid om naar hartenlust indianen te fotograferen en vriendschap te sluiten met enkele van de vrouwen vanuit de achterliggende gedachte dat ze me dan zouden toestaan hen op te zoeken in hun kamp aan de overkant van het meer, waar ze zich gevestigd hadden om de zomer door te brengen. Wanneer de weilanden uitgeput waren of ze het landschap beu waren, trokken ze de palen waarop hun daken rustten uit de grond, rolden de doeken op en vertrokken op zoek naar nieuwe oorden. Als ik een tijd met hen zou kunnen doorbrengen, zouden ze misschien aan mijn aanwezigheid en aan de camera wennen. Ik wilde hen fotograferen bij hun dagelijkse werkzaamheden, een idee dat mijn schoonouders deed gruwen, want er deden allerlei huiveringwekkende verhalen de ronde over de gewoonten van die stammen, waar het geduldige werk van de missionarissen nauwelijks een dun laagje beschaving had achtergelaten.
Mijn grootmoeder Paulina kwam me die zomer niet opzoeken, zoals ze had beloofd. De reis per trein of per schip was te doen, maar ze was bang voor de twee dagen op de ossenkar van de haven tot Caleufú. Haar wekelijkse brieven betekenden mijn belangrijkste contact met de buitenwereld; naarmate de weken verstreken groeide mijn heimwee. Mijn gemoedstoestand veranderde, ik werd schichtig, liep stiller dan gewoonlijk rond en sleepte mijn teleurstelling als een zware bruidssluier achter me aan. De eenzaamheid bracht me dichter bij mijn schoonmoeder, die zachtmoedige, tactvolle vrouw, die volledig afhankelijk van haar man was, geen eigen ideeën had en de geringste inspanningen van het bestaan niet aankon, maar die haar gebrek aan intelligentie compenseerde met een eindeloze goedheid. Mijn geruisloze woedeaanvallen verkruimelden in haar aanwezigheid, bij doña Elvira kon ik weer tot mezelf komen, en ze kon de angst die me soms naar de keel greep sussen.
Die zomermaanden hielden we ons bezig met de oogst, de pasgeboren dieren en het inmaken van fruit en groenten; de zon ging om negen uur ’s avonds onder en de dagen duurden een eeuwigheid. Inmiddels was het huis dat mijn schoonvader voor Diego en mij had gebouwd klaar; het was degelijk, koel, mooi, aan alle vier de zijden omringd door overdekte gaanderijen, het geurde naar verse klei, pas gezaagd hout en basilicum, dat de pachters langs de muren hadden geplant om het ongeluk en de zwarte magie uit de buurt te houden. Mijn schoonhouders gaven ons enkele meubelstukken die generaties lang in de familie waren geweest, de rest kocht Diego in het dorp zonder naar mijn mening te vragen. In plaats van het brede bed waarin we tot dan toe hadden geslapen, kocht hij twee bronzen ledikanten en zette er een nachtkastje tussen. Na de lunch sloot de familie zich altijd voor een verplichte rust tot vijf uur ’s middags op in hun kamers, want men dacht dat de hitte de spijsvertering bemoeilijkte. Diego lag dan een tijdje in een hangmat onder de wilde wingerd te roken en ging daarna in de rivier zwemmen; hij ging graag alleen, en de weinige keren dat ik met hem mee wilde gaan was hij geïrriteerd, dus ik drong niet aan. Aangezien we die siësta-uurtjes niet gezamenlijk in de beslotenheid van onze slaapkamer doorbrachten, besteedde ik ze aan lezen en werken in mijn kleine doka, want ik kon er niet aan wennen om midden op de dag te slapen. Diego verlangde niets van me, vroeg me niets, toonde amper een beleefde interesse in mijn bezigheden of gevoelens, hij verloor nooit zijn geduld met mijn stemmingswisselingen, met mijn nachtmerries, die heviger en met grotere regelmaat waren teruggekeerd, of met mijn koppige stilzwijgen. Er gingen dagen voorbij zonder dat we een woord wisselden, maar hij leek het niet op te merken. Ik sloot me op in mijn zwijgzaamheid als in een harnas, de uren tellend om te kijken hoe lang we de situatie konden rekken, maar uiteindelijk gaf ik altijd toe omdat het zwijgen mij veel zwaarder viel dan hem. Voorheen, toen we het bed deelden, kroop ik naar hem toe, vlijde me tegen zijn rug aan terwijl ik deed of ik sliep en strengelde mijn benen om de zijne, en zo overbrugde ik nu en dan de afstand die onverbiddelijk tussen ons groeide. In die incidentele omhelzingen zocht ik geen lust, daar ik niet wist dat dat mogelijk was, maar slechts troost en gezelschap. Een paar uur lang had ik de illusie dat ik hem veroverd had, maar daarna werd het ochtend en was alles weer zoals altijd. Toen we naar het nieuwe huis gingen verdween zelfs die povere intimiteit, want de kloof tussen de twee bedden was breder en vijandiger dan het onstuimige water van de rivier. Soms echter, wanneer ik schreeuwend wakker werd, belaagd door de kinderen in zwarte pyjama’s uit mijn dromen, stond hij op, kwam naar me toe en omhelsde me stevig tot ik rustig werd; dat waren wellicht de enige spontane ontmoetingen tussen ons. Die nachtmerries baarden hem zorgen, hij dacht dat ze in krankzinnigheid konden ontaarden, daarom kocht hij een flesje opium en gaf me soms een paar in sinaasappellikeur opgeloste druppeltjes om me te helpen slapen en gelukkige dromen te krijgen. Afgezien van de activiteiten die we met de rest van de familie ondernamen, brachten Diego en ik weinig tijd samen door. Vaak trok hij de Andes over naar Argentijns Patagonië of ging hij naar het dorp om proviand in te slaan. Soms was hij zomaar twee of drie dagen verdwenen en zat ik in angst aan een ongeluk te denken, maar Eduardo stelde me gerust met het argument dat zijn broer altijd hetzelfde was geweest: een in die uitgestrekte, ruige natuur grootgebrachte eenling, gewend aan de stilte; van kleins af aan had hij veel ruimte nodig gehad, hij had een zwerversinborst en als hij niet binnen dat dwingende familienetwerk was geboren, was hij misschien wel zeeman geworden. We waren een jaar getrouwd en ik voelde me tekortschieten, ik had hem niet alleen geen kind kunnen schenken, maar ik had hem ook niet voor mij kunnen interesseren, en hem al helemaal niet verliefd kunnen maken: er was iets fundamenteel mis met mijn vrouwelijkheid. Ik ging ervan uit dat hij me had uitgekozen omdat hij de leeftijd had om te trouwen, door de druk van zijn ouders was hij gedwongen geweest een bruid te zoeken; ik was de eerste, misschien wel de enige, die op zijn weg gekomen was. Diego hield niet van me. Ik wist het vanaf het begin, maar hoogmoedig als ik was met mijn eerste liefde en mijn negentien jaar, leek dat me geen onoverkomelijk obstakel, ik dacht dat ik hem met vasthoudendheid, deugdzaamheid en koketterie wel kon verleiden, zoals in romantische sprookjes. In mijn ongerustheid om te weten wat er mis was met mij, besteedde ik uren en uren aan het maken van zelfportretten, sommige tegenover een grote spiegel die ik naar mijn studio bracht, andere door voor de camera te gaan staan. Ik maakte honderden foto’s, op sommige sta ik gekleed, op andere naakt, ik onderzocht mezelf vanuit alle hoeken, en het enige wat ik ontdekte was een schemerende droefheid.
Vanuit haar ziekenstoel sloeg doña Elvira het familieleven gade zonder een detail te missen, en ze bemerkte de lange afwezigheden van Diego en mijn verdriet, maakte de optelsom en kwam tot een aantal conclusies. Door haar zwakke gezondheid en die Chileense gewoonte om niet over gevoelens te praten kon ze het probleem niet direct aanpakken, maar tijdens de vele uren die we samen doorbrachten kwamen we zeer dicht bij elkaar, we werden als moeder en dochter. Zo vertelde ze me, voorzichtig en gedoseerd, over de problemen die zij in het begin met haar man had gehad. Ze was heel jong getrouwd en kreeg haar eerste kind pas vijf jaar later, na verscheidene miskramen, waarvan ze lichamelijk en geestelijk een flinke deuk opliep. In die tijd was Sebastián Domínguez onvolwassen en hij had geen verantwoordelijkheidsgevoel voor het huwelijksleven; hij was onstuimig, een flierefluiter, en neukte graag buiten de deur – zij gebruikte dit woord natuurlijk niet, ik denk niet dat ze het kende. Doña Elvira voelde zich geïsoleerd, mijlenver van haar familie, alleen en bang, en ze was ervan overtuigd dat haar huwelijk een verschrikkelijke vergissing was geweest, waaruit de dood de enige uitweg was. ‘Maar God heeft mijn smeekbeden aanhoord, we kregen Eduardo, en van de ene op de andere dag was Sebastián compleet veranderd; er bestaat geen betere vader of echtgenoot dan hij, we zijn meer dan dertig jaar samen en elke dag dank ik de hemel voor het geluk dat we delen. Je moet bidden, lieverd, dat helpt veel,’ ried ze me aan. Ik bad, maar vast niet intensief en vasthoudend genoeg, want er veranderde niets.
De vermoedens waren maanden eerder ontstaan, maar ik schoof ze terzijde, walgend van mezelf; ik kon ze niet aanvaarden zonder iets slechts van mijn eigen karakter aan het licht te brengen. Ik herhaalde voor mezelf dat dergelijke verdenkingen slechts ideeën van de duivel konden zijn die in mijn hersenen wortel schoten en als dodelijke tumoren ontkiemden, ideeën die ik genadeloos moest bestrijden, maar de knagende wrok was sterker dan mijn goede voornemens. Eerst waren er de familiefoto’s die ik aan Iván Radovic liet zien. Wat aanvankelijk niet in het oog sprong – door de gewoonte alleen te zien wat we willen zien, zoals mijn meester Juan Ribero altijd zei – werd in zwart-wit zichtbaar op het papier. De onmiskenbare taal van het lichaam, van de gebaren, de blikken, kwam daar langzaam uit naar boven. Vanaf die eerste vermoedens viel ik meer en meer terug op de camera; onder het voorwendsel een album voor doña Elvira te maken nam ik om de haverklap kiekjes van de familie, die ik daarna in de beslotenheid van mijn doka ontwikkelde en met perverse aandachtigheid bestudeerde. Zo bouwde ik een miserabele collectie van futiele bewijzen op, sommige zo dun dat alleen ik, door wrok vergiftigd, ze kon waarnemen. Met de camera voor mijn gezicht als een masker dat me onzichtbaar maakte, kon ik scherpstellen op het tafereel en tegelijkertijd een ijzige afstand bewaren. Tegen het einde van april, toen de hitte afnam, de vulkaantoppen met wolken omgeven werden en de natuur zich begon terug te trekken voor de herfst, vond ik de op de foto’s geopenbaarde aanwijzingen voldoende en begon ik aan de afschuwelijke opgave om Diego als een willekeurige jaloerse vrouw te bespieden. Toen ik me eindelijk bewust werd van die wurgende greep om mijn keel en er de naam aan kon geven die het in het woordenboek heeft, voelde ik me wegzinken in een moeras. Jaloezie. Wie dat gevoel niet kent kan niet weten hoeveel pijn het doet en hoeveel dwaze streken er in haar naam worden uitgehaald. In de dertig jaar van mijn leven heb ik er alleen die keer last van gehad, maar de brandwond was zo genadeloos dat de littekens niet zijn verdwenen, en ik hoop ook dat ze nooit verdwijnen, als een waarschuwing om ze in de toekomst te voorkomen. Diego was niet van mij – niemand kan ooit iemand anders toebehoren – en het feit dat ik zijn echtgenote was, gaf me geen aanspraak op hem of zijn gevoelens. Liefde is een vrijblijvend contract dat begint met een vonk en op dezelfde wijze kan eindigen. Talloze gevaren liggen op de loer, en als het paar haar beschermt kan de liefde overleven, groeien als een boom en schaduw en fruit geven, maar dat gebeurt alleen als beiden meewerken. Diego deed dat nooit, onze relatie was vanaf het begin verdoemd. Nu begrijp ik dat, maar destijds was ik blind: in het begin van pure woede en later van verdriet.
Door hem met het horloge in de hand in de gaten te houden kwam ik er gaandeweg achter dat de afwezigheden van mijn echtgenoot niet strookten met zijn verklaringen. Wanneer hij zogenaamd was gaan jagen met Eduardo, kwam hij vele uren voor of na zijn broer terug; wanneer de andere mannen van de familie in de zagerij waren of het vee bijeendreven om het te merken, stond hij ineens op de binnenplaats en bleek hij later, als ik het onderwerp ter sprake bracht, de hele dag niet bij hen geweest te zijn; wanneer hij boodschappen ging doen in het dorp kwam hij dikwijls zonder iets terug, want hij had zogenaamd niet gevonden wat hij zocht, al was het iets banaals als een bijl of een zaag. Tijdens de vele uren die de familie samen doorbracht, ging hij tot elke prijs de gesprekken uit de weg: hij was altijd degene die de kaartspelen organiseerde of Susana vroeg om te zingen. Als zij weer eens gevloerd was door een migraineaanval, verveelde hij zich heel snel en ging weg op zijn paard met het geweer over zijn schouder. Ik kon hem niet volgen bij zijn uitstapjes zonder dat hij het zou merken en zonder achterdocht te wekken in de familie, maar ik bleef hem scherp in de gaten houden wanneer hij in de buurt was. Zo merkte ik dat hij soms midden in de nacht opstond en niet naar de keuken ging om wat te eten, zoals ik dacht, maar zich aankleedde, de binnenplaats op liep en een of twee uur wegbleef, waarna hij zwijgend terug naar bed ging. Hem volgen in het donker bleek makkelijker dan overdag, wanneer een dozijn ogen ons bekeken; het was slechts een kwestie van wakker blijven door tijdens het diner geen wijn te drinken en de druppeltjes opium ’s avonds niet in te nemen. Op een nacht halverwege mei hoorde ik hem zijn bed uit glippen, en bij het flauwe licht van het olielampje dat we altijd bij het Christusbeeld hadden branden, zag ik dat hij zijn broek en laarzen aantrok, zijn bloes en zijn jasje pakte en wegging. Ik wachtte even, stond vervolgens snel op en volgde hem terwijl mijn hart bijna uit mijn borst sprong. Ik kon hem niet goed zien in het donkere huis, maar toen ik de binnenplaats op liep, tekende zijn silhouet zich duidelijk af tegen het licht van de maan, die van het ene moment op het andere vol aan het firmament verscheen. Het was halfbewolkt en nu en dan schoven er wolken voor de maan, die ons in duister hulden. Ik hoorde de honden blaffen en bedacht dat ze mijn aanwezigheid zouden verraden als ze dichterbij zouden komen, maar ze kwamen niet, en toen begreep ik dat Diego ze eerder al had vastgebonden. Mijn echtgenoot liep helemaal om het huis heen en begaf zich snel naar een van de stallen waar de rijpaarden van de familie stonden die niet voor het werk op het land gebruikt werden, schoof de grendel van de deur en ging naar binnen. Beschermd door de donkerte van een olm die op een paar meter van de paardenstallen stond, bleef ik wachten, op blote voeten en slechts bedekt door een dun nachthemd, zonder nog een voet te durven verzetten, in de overtuiging dat Diego op een paard zou terugkomen en ik hem niet zou kunnen volgen. Er verstreek voor mijn gevoel een hele tijd zonder dat er iets gebeurde. Plotseling ontwaarde ik licht door de kier van de openstaande deur, misschien van een kaars of een kleine lamp. Ik knarsetandde en rilde krampachtig van de kou en de angst. Ik stond op het punt me gewonnen te geven en weer naar bed te gaan, toen ik vanaf de oostkant een andere gestalte naar de stal zag lopen – het was duidelijk dat die niet uit het grote huis kwam – en eveneens binnen zag gaan, de deur achter zich op een kier zettend. Ik liet bijna een kwartier verstrijken alvorens een besluit te nemen, en toen dwong ik mezelf een paar stappen te zetten; ik was verstijfd en kon me nauwelijks bewegen. Ik liep doodsbang naar de stal, zonder te weten hoe Diego zou reageren als hij zou ontdekken dat ik hem begluurde, maar ik kon niet opgeven. Ik duwde zachtjes tegen de deur, die zonder weerstand openging – want de grendel zat aan de buitenkant, vanbinnen kon je hem niet afsluiten – en ik kon als een dief door de smalle opening glippen. Binnen was het donker, maar achterin fonkelde een klein lichtje en daar ik liep op mijn tenen naartoe, zonder ook maar te ademen – onnodige voorzorgsmaatregelen, aangezien het stro mijn passen dempte en er verscheidene dieren wakker waren, ik hoorde ze bewegen en in hun voederbakken blazen.
Bij het zwakke licht van een lantaarn die aan een balk was opgehangen en heen en weer werd gewiegd door de wind die tussen het hout door tochtte, zag ik ze. Ze hadden een stel dekens over een strobaal gelegd, als een nest, waarop zij op haar rug lag, gekleed in een zware, opengeknoopte jas, waaronder ze naakt was. Haar armen en benen lagen opengespreid, haar hoofd lag gedraaid naar een schouder, het zwarte haar bedekte haar gezicht en haar huid blonk als blank hout in het zwakke, oranjeachtige lantaarnlicht. Diego, nauwelijks bedekt door zijn overhemd, zat haar op zijn knieën te likken. Er lag zo’n absolute overgave in Susana’s houding en zo’n ingehouden passie in Diego’s handelingen dat ik meteen begreep hoe ver ik van dit alles af stond. Eigenlijk bestond ik niet, en Eduardo of de drie kinderen evenmin, niemand verder, alleen zij tweeën die elkaar onvermijdelijk beminden. Nooit had mijn echtgenoot me op zo’n manier liefgehad. Het was eenvoudig te begrijpen dat ze al talloze keren eerder zo samen waren geweest, dat ze elkaar al jaren beminden; ik snapte uiteindelijk dat Diego met mij getrouwd was omdat hij een dekmantel nodig had voor zijn relatie met Susana. In een oogwenk vielen de stukjes van die pijnlijke puzzel in elkaar: ik kon zijn onverschilligheid jegens mij verklaren, zijn afwezigheden die samenvielen met de migraineaanvallen van Susana, zijn gespannen relatie met zijn broer Eduardo, de achterbakse manier waarop hij met de rest van de familie omging en hoe hij ervoor zorgde om altijd bij haar in de buurt te zijn, haar aan te raken, zijn voet tegen de hare, zijn hand op haar elleboog of haar schouder en soms, als bij toeval, in de holte van haar rug of haar hals, onmiskenbare aanwijzingen die mijn foto’s me hadden onthuld. Ik herinnerde me hoeveel Diego van de kinderen hield en bedacht dat ze wellicht niet zijn neefjes en nichtjes waren, maar zijn eigen kinderen, alle drie met blauwe ogen, het handelsmerk van de Domínguez. Ik verroerde me niet, ik stond langzaam te bevriezen, terwijl zij wellustig de liefde bedreven, genietend van elke aanraking, elk gekreun, zonder haast, alsof ze nog een heel leven samen voor zich hadden. Ze leken geen minnaars tijdens een gejaagde, heimelijke ontmoeting, maar een pasgetrouwd stel in de tweede week na de bruiloft, wanneer de vonken er nog vanaf vliegen maar het vertrouwen en de wederzijdse kennis van het vlees er al zijn. Ik had echter nog nooit zo’n mate van intimiteit met mijn echtgenoot meegemaakt en ik was evenmin in staat geweest die in mijn gewaagdste fantasieën te verzinnen. Diego’s tong ging langs Susana’s benen, van haar enkels naar boven, en stopte tussen haar dijen om weer naar beneden te gaan, terwijl zijn handen langs haar middel omhoogklommen en haar ronde, weelderige borsten kneedden, spelend met haar stijve en als druiven glanzende tepels. Susana’s weke, zachte lichaam rilde en kronkelde, ze was een vis in de rivier, haar hoofd draaide van links naar rechts in de wanhoop van het genot, het haar nog altijd in haar gezicht, de lippen geopend in een langdurig gekreun, haar handen op zoek naar Diego om hem over de prachtige topografie van haar lichaam te leiden, totdat zijn tong haar een uitbarsting van genot bezorgde. Susana boog haar rug naar achteren van het genot dat als een bliksemschicht door haar heen trok en slaakte een hese schreeuw, die hij smoorde door zijn mond tegen de hare te drukken. Daarna hield Diego haar in zijn armen, wiegde haar, streelde haar als een kat, fluisterde een reeks geheime woordjes in haar oor met een gevoeligheid en tederheid die ik bij hem nooit voor mogelijk had gehouden. Op een zeker moment ging ze in het hooi zitten, deed haar jas uit en begon hem te kussen, eerst het voorhoofd, daarna zijn oogleden, zijn slapen, langdurig de mond, haar tong die ondeugend Diego’s oren verkent, over zijn adamsappel springt, de hals beroert, haar tanden die aan de mannelijke tepels knabbelen, haar vingers die verstrikt zitten in zijn borsthaar. Toen was het zijn beurt om zich helemaal aan de liefkozingen over te geven, hij ging op zijn buik op de deken liggen en zij ging op zijn rug zitten, beet hem in zijn nek en hals, liep met kleine, speelse kusjes langs zijn schouders naar beneden tot zijn billen, onderzoekend, aan hem ruikend, van hem proevend en op haar weg een spoor van speeksel achterlatend. Diego draaide zich om en haar mond sloot zich om zijn opgerichte, kloppende lid in een eindeloos werk van genot, van geven en nemen in de meest afgezonderde intimiteit, totdat hij het niet meer uithield en zich op haar stortte, haar penetreerde en ze als vijanden omrolden in een wirwar van armen en benen en kussen en hijgen en zuchten en uitingen van liefde die ik nog nooit had gehoord. Daarna doezelden ze in in een warme omhelzing, bedekt met de dekens en de jas van Susana, als twee onschuldige kindertjes. Ik liep stilletjes achteruit en begon mijn weg terug naar het huis, terwijl de ijzige kou van de nacht zich onverbiddelijk meester maakte van mijn ziel.
Er opende zich een afgrond voor me, ik voelde hoe de hoogtevrees me naar beneden zoog, ik voelde de verleiding om te springen en me te verliezen in de diepte van de pijn en ontzetting. Door het verraad van Diego en de angst voor de toekomst was ik op drift geraakt, verloren en ontroostbaar; de woede die aanvankelijk door me heen was gegaan duurde niet lang, meteen daarop werd ik verslagen door een gevoel van dood, van absolute rouw. Ik had mijn leven aan Diego overgeleverd, ik had mezelf aan zijn bescherming als echtgenoot toevertrouwd, ik geloofde letterlijk in de rituele woorden van het huwelijk: we waren tot de dood met elkaar verbonden. Er was geen uitweg. Het tafereel in de stal stelde me voor een werkelijkheid die ik al een aardige tijd doorhad, maar niet onder ogen wilde zien. Mijn eerste impuls was naar het grote huis te rennen en midden op de binnenplaats te gaan staan brullen als een krankzinnige, de familie, de pachters, de honden wakker te maken, getuige te maken van het overspel en de incest. Mijn verlegenheid was echter sterker dan de wanhoop, ik sleepte me zwijgend op de tast naar de kamer die ik met Diego deelde en ging rillend op het bed zitten, terwijl de tranen over mijn wangen liepen en mijn borst en mijn nachthemd doordrenkten. In de minuten of uren die volgden had ik tijd om na te denken over het gebeurde en mijn onmacht te accepteren. Het ging niet om een vleselijk avontuur; wat Diego en Susana verbond was een beproefde liefde, die alle risico’s aandurfde en elk obstakel dat op haar weg kwam zou meesleuren, als een genadeloze, brandende lavastroom. Eduardo en ik telden helemaal niet mee, wij waren afdankertjes, nauwelijks een stel insecten in het grootse hartstochtelijke avontuur van die twee. Ik moest het allereerst aan mijn zwager vertellen, besloot ik, maar toen ik me voorstelde hoe zo’n bekentenis als een mokerslag in het leven van die beste man zou aankomen, begreep ik dat ik de moed niet zou hebben dat te doen. Eduardo zou het op een dag zelf wel ontdekken of zou het, met een beetje geluk, nooit weten. Misschien vermoedde hij het, net als ik, maar wilde hij het niet bevestigd zien om het wankele evenwicht van zijn illusies te bewaren; drie kinderen, zijn liefde voor Susana en de monolithische samenhang van de familieclan stonden op het spel.
Diego keerde ergens in de nacht terug, vlak voor het ochtendgloren. Bij het licht van het olielampje zag hij me op het bed zitten, rood van het huilen, niet in staat een woord uit te brengen, en hij dacht dat ik weer door zo’n nachtmerrie wakker was geworden. Hij ging naast me zitten en probeerde me tegen zijn borst aan te trekken, zoals hij op dat soort momenten deed, maar ik trok me instinctief terug, en ik moet een verschrikkelijke uitdrukking van wrok op mijn gezicht gehad hebben, want hij deinsde meteen achteruit. We bleven elkaar aankijken, hij verbaasd en ik met afkeer, totdat de waarheid zich als een draak tussen de twee bedden nestelde, onherroepelijk en onvermijdelijk.
‘Wat doen we nu?’ kon ik slechts uitbrengen.
Hij probeerde het niet te ontkennen of zich te rechtvaardigen, hij daagde me uit met een stalen blik, bereid zijn liefde hoe dan ook te verdedigen, al moest hij me doden. Toen brak de dijk van trots, fatsoen en welgemanierdheid die me gedurende maanden van frustratie had tegengehouden, en de stilzwijgende verwijten gingen over in een niet-aflatende stortvloed aan beschuldigingen, die hij onaangedaan en zwijgend, maar met aandacht voor elk woord, over zich liet komen. Ik beschuldigde hem van alles wat er in me opkwam en ten slotte smeekte ik hem diep na te denken, ik zei dat ik bereid was te vergeven en vergeten, dat we ver weg moesten gaan, waar niemand ons kende, dat we opnieuw konden beginnen. Toen mijn woorden en tranen op waren, was het al helemaal licht. Diego overbrugde de afstand tussen onze bedden, ging naast me zitten, pakte mijn handen en legde me rustig en ernstig uit dat hij al vele jaren van Susana hield en dat die liefde het belangrijkste in zijn leven was, belangrijker dan de eer, de rest van de familie en zijn eigen zielenheil; hij zou kunnen beloven zich afzijdig van haar te houden om me gerust te stellen, zei hij, maar dat zou een valse belofte zijn. Hij voegde eraan toe dat hij dat geprobeerd had toen hij naar Europa ging en zes maanden lang bij haar uit de buurt was, maar het was niet gelukt. Hij was zelfs met mij getrouwd om te zien of hij zo de verschrikkelijke band met zijn schoonzus kon verbreken, maar het huwelijk had, in plaats van hem te helpen bij zijn besluit afstand van haar te nemen, de zaken alleen maar makkelijker gemaakt, want het verminderde de argwaan van Eduardo en de rest van de familie. Toch was hij blij dat ik uiteindelijk de waarheid ontdekt had, want het deed hem verdriet mij te bedriegen; hij kon me niets verwijten, verzekerde hij me, ik was een zeer goede echtgenote en hij betreurde het ten zeerste dat hij me niet de liefde kon geven die ik verdiende. Hij voelde zich een schoft elke keer dat hij van mijn zijde wegglipte om met Susana te zijn, het zou een opluchting zijn om niet meer tegen me te hoeven liegen. Nu was de situatie duidelijk.
‘En Eduardo, telt die soms niet mee?’ vroeg ik.
‘Wat er tussen hem en Susana gebeurt is hun zaak. We moeten nu een besluit nemen over onze relatie.’
‘Dat heb jij al gedaan, Diego. Ik heb hier niets meer te zoeken, ik ga terug naar huis,’ zei ik.
‘Dit is jouw thuis nu, we zijn getrouwd, Aurora. Wat God heeft verbonden, mag de mens niet scheiden.’
‘Jij bent degene die meerdere goddelijke geboden heeft overtreden,’ maakte ik duidelijk.
‘We zouden als broer en zus kunnen leven. Aan mijn zijde zal het je aan niets ontbreken, ik zal je altijd respecteren, je zult bescherming en vrijheid genieten om je te wijden aan je foto’s of wat je maar wilt. Het enige dat ik je vraag, is geen scène te maken.’
‘Je kunt me niets meer vragen, Diego.’
‘Ik vraag het niet voor mezelf. Ik heb een dikke huid en kan als een man de consequenties aanvaarden. Ik vraag het je voor mijn moeder. Zij zou het niet kunnen verdragen...’
Ik bleef dus voor doña Elvira. Ik weet niet hoe ik me aankleedde, water in mijn gezicht gooide, mijn haar kamde, koffiedronk en het huis uit ging voor mijn dagelijkse werkzaamheden. Ik weet niet hoe ik tijdens het middagmaal Susana onder ogen kwam of welke verklaring ik mijn schoonouders gaf voor mijn gezwollen ogen. Die dag was de ergste, ik voelde me geradbraakt en verdoofd, ik kon bij de eerste de beste vraag in huilen uitbarsten. ’s Avonds had ik koorts en deden mijn botten zeer, maar de volgende dag was ik rustiger; ik zadelde mijn paard en stoof richting de heuvels. Al snel begon het te regenen, maar ik draafde door tot de merrie niet meer kon, steeg af en baande me te voet een weg door het struikgewas en de modder, onder de bomen, uitglijdend en vallend en weer opstaand, schreeuwend uit volle borst, terwijl het water me doordrenkte. De druipnatte poncho was zo zwaar dat ik hem weggooide en ik liep rillend van de kou maar innerlijk brandend verder. Bij zonsondergang keerde ik zonder stem en koortsig terug, dronk hete kruidenthee en ging naar bed. Van de rest herinner ik me maar weinig, want in de daaropvolgende weken lag ik te vechten voor mijn leven en had ik tijd noch energie om aan het drama van mijn huwelijk te denken. De nacht die ik blootsvoets en halfnaakt in de stal had doorgebracht en het galopperen in de regen hadden een longontsteking veroorzaakt die me bijna naar de andere wereld hielp. Ze brachten me op een kar naar het ziekenhuis van de Duitsers, waar ik in handen van een Teutoonse verpleegster met blonde vlechten was, die me met louter doorzettingsvermogen het leven redde. Die edelmoedige walkure kon me als een baby in haar krachtige houthakkersarmen optillen maar me ook geduldig als een min lepeltjes kippenbouillon voeren.
Begin juli, toen de winter definitief was ingetreden en het landschap een en al water was – onstuimige rivieren, overstromingen, modderpoelen, regen en nog eens regen – kwamen Diego en twee pachters me uit het ziekenhuis ophalen om me in dekens en bontvellen gewikkeld, als een pakketje, mee terug te nemen naar Caleufú. Ze hadden een canvas huif, een bed en zelfs een stoof tegen de vochtigheid op de kar gezet. Zwetend in mijn laag dekens maakte ik de trage gang naar huis, terwijl Diego op zijn paard naast de kar reed. Herhaaldelijk liepen de wielen vast; de kracht van de ossen was niet genoeg om de kar te trekken, de mannen moesten planken op de modder leggen en duwen. Diego en ik wisselden geen woord tijdens die lange dag reizen. Op Caleufú liep doña Elvira huilend van blijdschap naar buiten om me te begroeten, waarna ze nerveus de bedienden aanspoorde om goed te letten op de komforen, de warmwaterkruiken en de soep met runderbloed, die me mijn kleur en levenslust moesten teruggeven. Ze had zoveel voor me gebeden, zei ze, dat God medelijden had gekregen. Met de smoes dat ik me nog erg slapjes voelde, vroeg ik haar me in het grote huis te laten slapen, en ze bracht me onder in een kamer naast de hare. Voor het eerst in mijn leven kreeg ik de zorg van een moeder. Mijn grootmoeder Paulina del Valle, die zoveel van me hield en zoveel voor me had gedaan, was niet zo geneigd tot uitingen van liefde, hoewel ze eigenlijk heel sentimenteel was. Ze zei dat tederheid, die honingzoete mengeling van genegenheid en medelijden die op kalenders vaak wordt weergegeven met opgetogen moeders bij hun baby’s, aan weerloze dieren zoals pasgeboren katjes nog wel kon worden gegeven, maar onder mensen gigantische onzin was. In onze relatie zat altijd een ironische en bijdehante ondertoon; we raakten elkaar weinig aan, behalve wanneer we in mijn kindertijd samen sliepen, en gingen over het algemeen met een zekere botheid met elkaar om, die voor ons allebei heel prettig was. Ik gebruikte spottend lieve woordjes als ik iets van haar gedaan wilde krijgen, en dat lukte altijd, want mijn wonderbaarlijke grootmoeder gaf zeer gemakkelijk toe, eerder om uitingen van genegenheid uit de weg te gaan dan uit zwakte. Doña Elvira was juist een eenvoudig iemand die beledigd zou zijn door het sarcasme zoals mijn grootmoeder en ik dat zouden gebruiken. Ze was van nature liefdevol, ze pakte mijn hand en hield die tussen de hare, kuste me, omhelsde me, ze borstelde graag mijn haar, ze diende me persoonlijk de merg- en levertraandrankjes toe, ze legde kamferkompressen aan tegen de hoest en liet me de koorts uitzweten door me met eucalyptusolie in te wrijven en in warme dekens te wikkelen. Ze zorgde ervoor dat ik goed at en rustte, ’s avonds gaf ze me de opiumdruppeltjes en bleef naast me zitten bidden tot ik insliep. Elke ochtend vroeg ze me of ik nachtmerries had gehad en of ik haar die tot in de details wilde beschrijven, ‘want door over die dingen te praten verdwijnt de angst,’ zo zei ze. Haar gezondheid was niet goed, maar ze haalde weet ik waarvandaan de kracht om me te verzorgen en me gezelschap te houden, terwijl ik me zwakker voordeed dan ik me werkelijk voelde om de idylle met mijn schoonmoeder te rekken. ‘Word maar snel beter, meisje, je man heeft je aan zijn zijde nodig,’ zei ze dikwijls bezorgd tegen me, hoewel Diego haar herhaaldelijk zei dat het goed zou zijn als ik de rest van de winter in het grote huis zou doorbrengen. Die weken onder haar dak dat ik herstelde van de longontsteking waren een vreemde ervaring. Mijn schoonmoeder bood me de zorg en liefde die ik van Diego nooit zou krijgen. Die tedere en onvoorwaardelijke liefde werkte als een balsem en genas me geleidelijk aan van mijn doodsverlangen en de wrok die ik tegen mijn man koesterde. Ik kon de gevoelens van Diego en Susana en de onverbiddelijke noodlottigheid van wat er gebeurd was begrijpen; hun passie moest wel een tellurische kracht zijn, een aardbeving, die hen onvermijdelijk meesleepte. Ik stelde me voor hoe ze tegen die aantrekkingskracht gevochten hadden voordat ze ervoor zwichtten, hoeveel taboes ze moesten overwinnen om samen te zijn, hoe verschrikkelijk de kwelling moest zijn om elke dag tegenover iedereen te doen alsof ze een broer-zusrelatie hadden terwijl ze innerlijk brandden van verlangen. Ik vroeg me niet meer af hoe het mogelijk was dat ze zich niet over de wellust heen konden zetten en dat hun egoïsme hen verhinderde te zien wat voor ramp ze konden veroorzaken bij de meest nabije personen, want ik voelde aan hoe verscheurd ze moesten zijn. Ik had Diego wanhopig liefgehad, ik kon begrijpen wat Susana voor hem voelde, zou ik onder dezelfde omstandigheden net als zij gehandeld hebben? Ik dacht van niet, maar het was onmogelijk te garanderen. Hoewel het gevoel van mislukking bleef, kon ik de haat loslaten, afstand nemen en in de huid kruipen van de andere hoofdrolspelers in deze ellende. Ik had meer medelijden met Eduardo dan verdriet om mezelf; hij had drie kinderen en was verliefd op zijn vrouw, voor hem zou het drama van die incestueuze ontrouw erger zijn dan voor mij. Ook voor mijn zwager moest ik het stilhouden, maar het geheim woog niet meer als een molensteen om mijn nek, want de hekel aan Diego werd minder, weggewassen door de handen van doña Elvira. Mijn dankbaarheid tegenover haar voegde zich bij het respect en de genegenheid die ik vanaf het begin voor haar had opgevat. Ik raakte aan haar gehecht als een schoothondje; ik had haar aanwezigheid, haar stem, haar lippen op mijn voorhoofd nodig. Ik voelde me verplicht haar te beschermen tegen de catastrofe die in de schoot van haar gezin ontstond; ik was bereid op Caleufú te blijven en mijn vernedering als afgewezen echtgenote te verbergen, want als ik wegging en zij de waarheid zou ontdekken, zou ze sterven van verdriet en schaamte. Haar bestaan draaide om die familie, om de behoeften van elk van de personen die binnen de muren van haar huis leefden, dat was haar hele universum. Mijn schikking met Diego was dat ik mijn deel zou nakomen zolang doña Elvira leefde en daarna vrij zou zijn; hij zou me laten gaan en geen contact meer met me opnemen. Ik zou het – voor velen onterende – bestaan als ‘gescheiden vrouw’ moeten verduren en zou niet meer kunnen trouwen, maar ik zou in ieder geval niet meer hoeven leven aan de zijde van een man die niet van me hield.
Halverwege september, toen ik geen excuus meer had om bij mijn schoonouders in huis te blijven en het moment om weer bij Diego te gaan wonen was aangebroken, kwam het telegram van Iván Radovic. In een paar regels deelde de arts me mee dat ik terug moest komen naar Santiago omdat het einde van mijn grootmoeder nabij was. Ik verwachtte dat bericht al maanden, maar toen ik het telegram kreeg, kwamen de verrassing en het verdriet als een mokerslag; ik was verbijsterd. Mijn grootmoeder was onsterfelijk. Ik kon haar niet zien als het kleine, kale en broze oudje dat ze in werkelijkheid was, alleen maar als de snoepzieke, geslepen amazone met dubbele pruik die ze vroeger geweest was. Doña Elvira nam me in haar armen en zei dat ik me niet alleen moest voelen, ik had nu een andere familie, ik hoorde bij Caleufú, en zij zou proberen voor me te zorgen en me te beschermen zoals Paulina del Valle dat vroeger had gedaan. Ze hielp me mijn twee koffers in te pakken, hing de scapulier van het Heilige Hart van Jezus weer om mijn nek en overlaadde me met goede raad; voor haar was Santiago een poel des verderfs en de reis een enorm gevaarlijk avontuur. Het was de tijd om, na de winterstop, de houtzagerij weer in beweging te zetten, zodat Diego een goed excuus had om niet met me mee te gaan naar Santiago, ook al stond zijn moeder erop. Eduardo zette me bij de boot af. In de deuropening van het grote huis van Caleufú stonden ze allemaal te zwaaien: Diego, mijn schoonouders, Adela, Susana, de kinderen en verscheidene pachters. Ik wist niet dat ik ze niet meer zou terugzien.
Alvorens te vertrekken doorzocht ik mijn doka, waar ik sinds de rampzalige nacht in de stal geen voet meer had binnengezet, en ontdekte dat iemand de foto’s van Diego en Susana had weggehaald, maar aangezien die persoon hoogstwaarschijnlijk geen weet had van het ontwikkelingsproces, had hij de negatieven niet gezocht. Ik had helemaal niets aan die armetierige bewijzen; ik vernietigde ze. Ik stopte de negatieven van de indianen, de mensen van Caleufú en de rest van de familie in mijn koffers, want ik wist niet hoe lang ik weg zou zijn en ik wilde niet dat ze vergingen. Ik maakte de reis met Eduardo te paard, de bagage op een muilezel gebonden, en we stopten in de indianendorpen om te eten en uit te rusten. Mijn zwager, die beer van een vent, had hetzelfde zachtaardige karakter als zijn moeder, dezelfde bijna kinderlijke naïviteit. Onderweg hadden we tijd om met z’n tweeën te praten, zoals we nooit eerder hadden gedaan. Hij bekende dat hij van kinds af aan poëzie schreef, ‘hoe kun je dat niet doen wanneer je te midden van zoveel schoonheid leeft?’ zei hij erbij, wijzend op het bos- en waterlandschap om ons heen. Hij vertelde me dat hij niets ambieerde, hij had geen behoefte om net als Diego zijn horizon te verbreden, Caleufú was genoeg voor hem. Toen hij in zijn jeugd naar Europa was gereisd, had hij zich verloren en diep ongelukkig gevoeld, hij kon niet ver van dat land dat hij liefhad leven. God was heel royaal voor hem geweest, zei hij, Hij had hem midden in het aardse paradijs neergezet. We namen afscheid in de haven met een stevige omhelzing. ‘Dat God je altijd moge beschermen, Eduardo,’ fluisterde ik in zijn oor. Hij was enigszins onthutst door dat plechtige afscheid.
Frederick Williams stond op het station op me te wachten en bracht me in de koets naar het huis aan de Ejército Liberador. Hij was verbaasd me zo uitgemergeld te zien, en mijn verklaring dat ik heel ziek was geweest bevredigde hem niet; hij bekeek me vanuit zijn ooghoeken, vroeg met klem naar Diego, of ik gelukkig was, hoe de familie van mijn schoonouders was en of ik me kon aanpassen op het platteland. Eens het schitterendste huis in die wijk met paleizen, was de villa van mijn grootmoeder nu in net zo’n staat van verval geraakt als zijn eigenares. Verscheidene luiken hingen uit hun scharnieren en de muren zagen er kleurloos uit; de tuin was zo verwaarloosd dat de lente hem had overgeslagen, zodat hij in een droeve winter gehuld bleef. Binnen was de verwoesting erger: de prachtige salons van vroeger waren bijna leeg, meubels, vloerkleden en schilderijen waren verdwenen; geen van de beroemde impressionistische schilderijen die een aantal jaren geleden zoveel opschudding hadden veroorzaakt, hing er nog. Oom Frederick legde uit dat mijn grootmoeder, ter voorbereiding op de dood, bijna alles aan de Kerk had geschonken. ‘Maar ik geloof dat al haar geld er nog is, Aurora, want ze houdt nog altijd elke centavo bij en heeft de kasboeken onder het bed liggen,’ voegde hij er met een ondeugende knipoog aan toe. Zij, die alleen een tempel binnenging om gezien te worden, die een hekel had aan die zwerm schooiende priesters en voorkomende nonnen die voortdurend om de rest van de familie heen fladderde, had in haar testament een aanzienlijk bedrag voor de katholieke Kerk beschikt. Immer gewiekst in zaken, wilde ze op het uur van de dood datgene kopen waar ze in het leven weinig aan had. Williams kende mijn grootmoeder beter dan wie ook, en ik denk dat hij bijna net zoveel van haar hield als ik; tegen alle voorspellingen van de jaloerse mensen in beroofde hij haar niet van haar fortuin om haar op haar oude dag in de steek te laten, maar behartigde hij juist jarenlang de familiebelangen. Hij was een echtgenoot die haar waardig was, bereid haar tot haar laatste adem gezelschap te houden, en hij zou nog veel meer doen voor mij, zoals de komende jaren duidelijk zou worden. Paulina was inmiddels niet zo helder van geest meer, door de pijnstillers bevond ze zich in een droomtoestand zonder herinneringen of verlangens. In die maanden was ze een slap velletje geworden, want ze kon niet slikken, en ze kreeg melk toegediend via een rubber slang die ze in haar neus ingebracht hadden. Ze had nog amper een paar witte plukken haar op haar hoofd en haar grote donkere ogen waren klein geworden, als twee puntjes in een landkaart van rimpels. Ik boog me voorover om haar te kussen, maar ze herkende me niet en wendde haar gezicht af; haar hand zocht echter op de tast naar die van haar echtgenoot en toen hij de hare vastpakte, streek een vredige uitdrukking haar gezicht glad.
‘Ze lijdt niet, Aurora, we geven haar veel morfine,’ legde oom Frederick uit.
‘Hebt u haar kinderen op de hoogte gebracht?’
‘Ja, ik heb ze twee maanden geleden een telegram gestuurd, maar ze hebben niet geantwoord en ik denk niet dat ze op tijd komen, Paulina heeft niet lang meer,’ zei hij aangedaan.
En zo was het, Paulina del Valle stierf stilletjes de volgende dag. Bij haar waren haar echtgenoot, dokter Radovic, Severo, Nívea en ik; haar kinderen kwamen veel later met advocaten om te ruziën over de erfenis, die niemand hun betwistte. De arts had de voedingssonde bij mijn grootmoeder weggehaald en omdat ze ijskoude handen had, had Williams haar handschoenen aangetrokken. Haar lippen waren blauw geworden en ze was lijkbleek, ze ademde steeds onwaarneembaarder, zonder onrust, en ineens hield ze er gewoon mee op. Radovic nam haar polsslag op, er ging een minuut voorbij, misschien twee, en toen deelde hij mee dat ze was heengegaan. Er hing een aangename rust in de kamer, er gebeurde iets geheimzinnigs, misschien had de geest van mijn grootmoeder zich losgemaakt en fladderde hij nu als een verwarde vogel in een afscheid rond boven zijn eigen lichaam. Haar heengaan dompelde me in diepe verslagenheid, een oud gevoel dat ik al kende, maar pas een paar jaar later kon benoemen of verklaren, toen het mysterie rond mijn verleden eindelijk werd opgehelderd en ik begreep dat de dood van mijn grootvader Tao Chi’en, vele jaren daarvoor, me in een vergelijkbaar verdriet had gestort. De wond was gebleven en ging nu met dezelfde brandende pijn weer open. Het gevoel van ouderloosheid dat mijn grootmoeder achterliet, was hetzelfde als het gevoel waardoor ik op vijfjarige leeftijd werd overstelpt, toen Tao Chi’en uit mijn leven verdween. Ik denk dat het oude zeer uit mijn kindertijd – het ene verlies na het andere – dat jarenlang in de diepste lagen van het geheugen was weggestopt, zijn dreigende medusakop opstak om me te verslinden: mijn moeder gestorven bij de bevalling, mijn vader die niet van mijn bestaan wilde weten, mijn grootmoeder van moederskant die me zomaar in de handen van Paulina del Valle achterliet en, vooral, de plotselinge afwezigheid van de persoon die ik het meest liefhad, mijn grootvader Tao Chi’en.
Er zijn negen jaren verstreken sinds die septemberdag waarop Paulina del Valle heenging; deze en andere tegenslagen liggen achter me, ik kan nu met een gerust hart aan mijn grootse grootmoeder terugdenken. Ze was niet verdwenen in het uitgestrekte duister van een definitieve dood, zoals ik in het begin dacht: een deel van haar is hier gebleven en is samen met Tao Chi’en altijd om me heen, twee zeer verschillende geesten die me vergezellen en helpen, de eerste voor de praktische zaken in het leven en de tweede voor het oplossen van gevoelskwesties; maar toen mijn grootmoeder ophield met ademen op de soldatenbrits waarop ze haar laatste periode had doorgebracht, vermoedde ik niet dat ze zou terugkomen en was ik stuk van verdriet. Als ik in staat was geweest mijn gevoelens te tonen, had ik misschien minder geleden, maar ze blijven als een enorme ijsblokkade in me vastzitten en er kunnen jaren overheen gaan voordat het ijs begint te smelten. Ik huilde niet toen ze heenging. De stilte in de kamer leek een fout in het protocol, want een vrouw die had geleefd als Paulina del Valle moest zingend met een orkest sterven, als in de opera; haar afscheid was echter stil, het enige bescheidene dat ze in haar hele leven gedaan heeft. De mannen liepen de kamer uit en Nívea en ik kleedden haar voor haar laatste reis voorzichtig in het karmelietessenhabijt dat ze sinds een jaar in haar kleerkast had hangen, maar we konden de verleiding niet weerstaan haar daaronder haar mooiste Franse ondergoed van mauvekleurige zijde aan te trekken. Toen we haar lichaam optilden, merkte ik hoe licht ze was geworden, er was slechts een breekbaar skelet en wat losse huid van haar overgebleven. In stilte bedankte ik haar voor alles wat ze voor me gedaan had, ik zei de lieve woordjes tegen haar die ik nooit had durven uitspreken als ze me had kunnen horen, ik kuste haar prachtige handen, haar schildpadoogleden, haar nobele voorhoofd, en ik vroeg haar om vergeving voor de driftbuien uit mijn kindertijd, voor het feit dat ik zo laat was gekomen om afscheid van haar te nemen, voor de gedroogde hagedis die ik had uitgespuugd tijdens die gespeelde hoestbui en andere flauwe grappen die ze had moeten verdragen, terwijl Nívea de door Paulina del Valle geboden gelegenheid aangreep om stilletjes te huilen om haar gestorven kinderen. Nadat we mijn grootmoeder hadden aangekleed, besprenkelden we haar met haar gardeniawater en deden we de gordijnen en de ramen open om de lente binnen te laten komen, zoals ze graag gewild had. Niks geen gejammer, geen zwarte kleding, geen bedekte spiegels; Paulina del Valle had geleefd als een onbeschaamde keizerin en verdiende het te worden gevierd met het licht van september. Zo vatte ook Williams het op, die persoonlijk naar de markt ging en de koets vollaadde met verse bloemen om het huis te versieren.
Toen de familieleden en vrienden kwamen – in rouw en met de zakdoek in de hand – waren ze gechoqueerd, want nog nooit hadden ze een dodenwake in zonlicht, met bruidsboeketten en zonder tranen gezien. Onder het mompelen van boosaardige toespelingen vertrokken ze weer, en nu, jaren later, wijzen sommigen me nog steeds na, ervan overtuigd dat ik blij was toen Paulina del Valle stierf omdat ik de hand op de erfenis wilde leggen. Ik erfde echter niets, daar zorgden haar kinderen met hun advocaten al snel voor, maar ik hoefde ook niets, aangezien mijn vader me genoeg had nagelaten om behoorlijk te leven en ik de rest kan financieren door te werken. Ondanks de talloze adviezen en lessen van mijn grootmoeder kreeg ik niet haar goede neus voor zaken; ik zal nooit rijk worden, en daar ben ik blij om. Frederick Williams zou ook niet met de advocaten hoeven ruziën, want geld interesseerde hem veel minder dan boze tongen al jarenlang fluisterden. Bovendien had zijn vrouw hem bij leven veel gegeven, en hij had dat, behoedzaam als hij was, opzij gezet. Paulina’s kinderen konden niet bewijzen dat het huwelijk van hun moeder met de vroegere butler onwettig was en ze moesten oom Frederick helaas met rust laten; de wijngaarden konden ze zich evenmin toe-eigenen, want die stonden op naam van Severo del Valle, waarop ze de advocaten achter de priesters aan stuurden om te kijken of ze de goederen konden terugkrijgen die deze geestelijken hadden bemachtigd door de zieke bang te maken met de hete pannen van de hel, maar tot nu toe heeft niemand een rechtszaak gewonnen tegen de katholieke Kerk, die God aan haar kant heeft staan, zoals iedereen weet. Er was hoe dan ook meer dan voldoende geld en de kinderen, verscheidene familieleden en zelfs de advocaten hebben er tot op de dag van vandaag van kunnen leven.
Het enige plezierige in die deprimerende weken was de terugkomst van mejuffrouw Matilde Pineda. Ze had in de krant gelezen dat Paulina del Valle was overleden en ze had de moed bij elkaar geraapt om zich te vertonen in het huis waar ze ten tijde van de revolutie uit gezet was. Ze kwam met een bosje bloemen, in gezelschap van boekhandelaar Pedro Tey. Ze was in die jaren volwassen geworden, en aanvankelijk herkende ik haar niet, maar hij was nog altijd hetzelfde kale mannetje met satanische dikke wenkbrauwen en vurige ogen.
Na het kerkhof, de gezongen missen, de novenen die gebeden moesten worden en het verdelen van aalmoezen en door mijn overleden grootmoeder toegewezen giften, daalde het stof van de protserige begrafenis neer en bevonden Frederick Williams en ik ons alleen in het lege huis. We gingen samen in de glazen serre zitten om zachtjes om de afwezigheid van mijn grootmoeder te treuren – want wij zijn niet goed in huilen – en om haar te gedenken in haar vele grote en haar weinige ongelukkige momenten.
‘Wat bent u nu van plan, oom Frederick?’ wilde ik weten.
‘Dat hangt van u af, Aurora.’
‘Van mij?’
‘Ik kan me niet geheel onttrekken aan de indruk dat er iets vreemds met u aan de hand is, kindlief,’ zei hij, op die hem zo eigen subtiele manier van vragen.
‘Ik ben heel ziek geweest, en door het overlijden van mijn grootmoeder ben ik erg bedroefd, oom Frederick. Dat is alles, er is niets vreemds aan de hand, dat verzeker ik u.’
‘Jammer dat u me onderschat, Aurora. Ik zou wel erg dom moeten zijn of erg weinig van u moeten houden om uw gemoedstoestand niet op te merken. Zeg me wat er aan de hand is, misschien kan ik u helpen.’
‘Niemand kan me helpen, oom.’
‘Stel me maar eens op de proef...’ verzocht hij me.
En toen begreep ik dat ik verder niemand op deze wereld had om op te vertrouwen en dat Frederick Williams had laten zien een uitstekend raadgever en de enige persoon in de familie met gezond verstand te zijn. Ik kon hem mijn tragedie best vertellen. Hij luisterde tot het einde toe zeer aandachtig naar me, zonder me ook maar één keer te onderbreken.
‘Het leven is lang, Aurora. U ziet nu alles zwart, maar de tijd heelt en wist bijna alles. Deze periode is als blind door een tunnel lopen, het lijkt alsof er geen uitweg is, maar ik beloof u dat die er is. Blijf lopen, lieve kind.’
‘Wat zal er van me worden, oom Frederick?’
‘U zult andere relaties hebben, misschien krijgt u kinderen of wordt u de beste fotografe van dit land,’ zei hij.
‘Ik voel me zo verward en eenzaam!’
‘U bent niet alleen, Aurora, ik ben nu bij u en ik zal blijven zolang u me nodig hebt.’
Hij haalde me over om niet naar mijn man terug te gaan, hij kon een dozijn smoezen verzinnen om mijn terugkeer jarenlang uit te stellen, hoewel hij zeker wist dat Diego mijn terugkomst op Caleufú niet zou eisen, want het was voor hem gunstig mij zo ver mogelijk uit de buurt te hebben. En wat betreft de goedaardige doña Elvira zat er niets anders op dan haar te troosten met een frequente correspondentie; er moest tijd gewonnen worden, mijn schoonmoeder had een slecht hart en zou niet lang meer leven, volgens de diagnose van de artsen. Oom Frederick verzekerde me dat hij geen enkele haast had om Chili te verlaten, ik was zijn enige familie, hij hield van me als van een dochter of een kleindochter.
‘Hebt u niemand in Engeland?’ vroeg ik hem.
‘Niemand.’
‘U weet dat er roddels omtrent uw afkomst circuleren, ze zeggen dat u een geruïneerde edelman bent en mijn grootmoeder heeft dat nooit weersproken.’
‘Niets is minder waar, Aurora!’ riep hij lachend uit.
‘Dus u hebt niet ergens een familiewapen verborgen liggen?’ lachte ik eveneens.
‘Kijk, meisje,’ antwoordde hij.
Hij trok zijn jasje uit, deed zijn overhemd open, trok zijn hemd omhoog en liet me zijn rug zien. Hij zat vol verschrikkelijke littekens.
‘Tuchtiging. Honderd zweepslagen voor het stelen van tabak in een strafkolonie van Australië. Ik heb vijf jaar straf uitgezeten alvorens op een vlot te ontsnappen. Ik werd op volle zee opgepikt door een Chinees piratenschip en ze zetten me als een slaaf aan het werk, maar zodra we aan land kwamen, ontsnapte ik opnieuw. Zo, van het een naar het ander hoppend, kwam ik uiteindelijk in Californië aan. Het enige dat ik van een Engelse edelman heb is het accent, dat ik van een echte lord heb geleerd, mijn eerste baas in Californië. Hij leerde me tevens het beroep van butler. Paulina del Valle nam me in 1870 aan en sindsdien was ik bij haar.’
‘Kende mijn grootmoeder deze geschiedenis, oom?’ vroeg ik toen ik een beetje van de verrassing was bekomen en weer iets kon uitbrengen.
‘Uiteraard. Paulina vond het ontzettend grappig dat mensen een veroordeelde verwarden met een aristocraat.’
‘Waarom werd u veroordeeld?’
‘Vanwege het stelen van een paard toen ik vijftien was. Ze wilden me eerst ophangen, maar ik had geluk: mijn straf werd omgezet en ik kwam in Australië terecht. Maakt u zich geen zorgen, Aurora, ik heb in mijn leven geen cent meer gestolen, de zweepslagen hebben me van die slechte gewoonte genezen, maar niet van mijn zin in tabak,’ lachte hij.
We bleven dus samen. De kinderen van Paulina del Valle verkochten de villa aan de Ejército Liberador, die nu een meisjesschool is, en haalden als klap op de vuurpijl het weinige wat er nog in het huis stond eruit. Ik redde het mythologische bed door het weg te halen voordat de erfgenamen kwamen en het gedemonteerd te verstoppen in een magazijn van het hospitaal van Iván Radovic, waar het bleef tot de advocaten het moe waren in alle hoeken en gaten te snuffelen op zoek naar de laatste overblijfselen van de vroegere bezittingen van mijn grootmoeder. Frederick Williams en ik kochten een buitenhuis aan de rand van de stad, richting de Andes; we hadden twaalf hectare grond, omzoomd door wuivende populieren, met een zee aan geurende jasmijnen, gewassen door een bescheiden beekje, waar alles ongebreideld groeit. Daar fokt Williams honden en raspaarden, doet hij aan croquet en andere saaie, typisch Engelse activiteiten; daar heb ik mijn winterverblijf. Het huis is een bouwval, maar heeft zo zijn charme, er is ruimte voor mijn fotostudio en voor het befaamde Florentijnse bed, dat met zijn gepolychromeerde zeewezens midden in mijn kamer verrijst. Daar slaap ik in, beschermd door de waakzame geest van mijn grootmoeder Paulina, die meestal op tijd verschijnt om de kinderen in zwarte pyjama’s mijn nachtmerries uit te smijten. Santiago zal zich ongetwijfeld uitbreiden naar de kant van het Centraal Station, en ons zullen ze met rust laten in dit bucolische landschap met populieren en bergen.
Dankzij oom Lucky, die me zijn geluksadem inblies toen ik geboren werd, en dankzij de gulle steun van mijn grootmoeder en mijn vader, kan ik zeggen dat ik een goed leven heb. Ik beschik over de middelen en de vrijheid om te doen wat ik wil, ik kan me volledig wijden aan het bereizen van de ruwe Chileense natuur met mijn camera om mijn nek, zoals ik de laatste acht of negen jaar gedaan heb. De mensen praten achter mijn rug om, dat is onvermijdelijk; verscheidene familieleden en kennissen hebben me verstoten, en als ze me op straat zien, doen ze alsof ze me niet kennen, ze kunnen niet toelaten dat een vrouw haar man in de steek laat. Ik lig niet wakker van die beledigingen: ik hoef niet iedereen te behagen, alleen degenen die ik werkelijk belangrijk vind, en dat zijn er niet veel. De trieste uitvloeisels van mijn relatie met Diego Domínguez hadden me voorgoed bang moeten maken voor onbezonnen en vurige liefdes, maar zo was het niet. Het is waar dat ik een paar maanden vleugellam was en me van dag tot dag voortsleepte met het totaal verslagen gevoel mijn enige kaart te hebben uitgespeeld en alles te hebben verloren. Het is eveneens waar dat ik ertoe veroordeeld ben een getrouwde vrouw zonder echtgenoot te zijn, hetgeen me verhindert mijn leven ‘opnieuw op te bouwen’, zoals mijn tantes zeggen, maar deze vreemde toestand geeft me veel bewegingsvrijheid. Een jaar nadat ik bij Diego was weggegaan werd ik weer verliefd, hetgeen betekent dat ik een dikke huid heb en snel herstel. De tweede liefde was geen tedere vriendschap die mettertijd uitgroeide tot een beproefde romance, het was eenvoudigweg een opwelling van hartstocht die ons allebei overviel en puur toevallig goed uitpakte... Nou ja, tot nu toe, wie weet hoe het in de toekomst zal zijn. Het was op een winterdag, zo’n dag van aanhoudende, groene regen, van de ene bliksemschicht na de andere en een zwaar gemoed. De kinderen van Paulina del Valle en hun advocaten van kwade zaken waren weer komen zeuren met hun eindeloze bescheiden, elk met drie kopieën en elf stempels, die ik ongelezen ondertekende. Frederick Williams en ik hadden het huis aan de Ejército Liberador verlaten en zaten nog in een hotel, omdat de reparaties aan het buitenhuis waar we nu wonen nog niet voltooid waren. Oom Frederick liep op straat tegen dokter Iván Radovic aan, die we een flinke tijd niet meer gezien hadden, en ze spraken af samen met mij te gaan kijken naar een Spaans zarzuela-gezelschap dat door Zuid-Amerika toerde, maar op de vastgestelde dag lag oom Frederick verkouden op bed en zat ik in mijn eentje in de lounge van het hotel te wachten, met ijskoude handen en zere voeten omdat mijn rijglaarsjes te strak zaten. Het water stroomde langs de ramen en de wind liet de bomen in de straat schudden als plumeaus, de avond nodigde niet uit om de deur uit te gaan, en even was ik jaloers op de verkoudheid van oom Frederick, waardoor hij in bed kon blijven met een goed boek en een kop warme chocolademelk, maar de binnenkomst van Iván Radovic deed me de storm vergeten. De arts kwam met een doorweekte jas aan en toen hij tegen me lachte, besefte ik dat hij veel knapper was dan ik me herinnerde. We keken elkaar in de ogen en ik geloof dat we elkaar voor het eerst zagen, ik bekeek hem in elk geval echt, en wat ik zag beviel me wel. Er viel een langdurige stilte, een pauze die onder andere omstandigheden zeer pijnlijk zou zijn geweest, maar op dat moment een soort dialoog leek. Hij hielp me in mijn mantel en we liepen langzaam naar de deur, aarzelend, met onze ogen continu op elkaar gevestigd. Geen van tweeën wilden we de storm die de hemel openscheurde trotseren, maar we wilden ook niet uit elkaar gaan. Er kwam een portier met een grote paraplu aanzetten, die aanbood ons naar het rijtuig te begeleiden dat voor de deur wachtte, waarop we zonder een woord te zeggen, twijfelend, naar buiten liepen. Ik had helemaal geen flits van emotionele helderziendheid, geen enkel speciaal voorgevoel dat we gelijkgestemde zielen hadden, ik stelde me niet het begin van een romance uit een boek voor, niets van dat al, ik nam eenvoudigweg nota van mijn hartkloppingen, mijn happen naar lucht, de hitte en het tintelen van mijn huid, van de enorme zin om die man aan te raken. Ik vrees dat er wat mij betreft niets spiritueels aan die ontmoeting ten grondslag lag, alleen wellust, hoewel ik destijds te onervaren was en mijn woordenschat te beperkt was om die opwinding de naam te geven die ze in het woordenboek heeft. De naam is nog tot daar aan toe, het interessante is dat die inwendige beroering sterker was dan mijn verlegenheid, en in de beschutting van het rijtuig, waaruit nauwelijks ontsnapping mogelijk was, nam ik zijn gezicht in mijn handen en kuste hem zonder er twee keer over na te denken op zijn mond, net zoals ik vele jaren daarvoor Nívea en Severo del Valle elkaar had zien kussen, doortastend en gulzig. Het was een simpele en onherroepelijke actie. Ik kan niet in details treden over wat er daarna gebeurde, want dat is makkelijk voorstelbaar, en als Iván het op deze bladzijden zou lezen, zouden we gigantische bonje krijgen. Het moet gezegd: onze ruzies zijn even gedenkwaardig als onze verzoeningen hartstochtelijk zijn; dit is geen rustige, mierzoete liefde, maar je kunt in haar voordeel zeggen dat het een blijvende liefde is; de hindernissen lijken die liefde niet te beangstigen, maar juist te versterken. Het huwelijk is een kwestie van gezond verstand, waar het ons allebei aan ontbreekt. Het feit dat we niet getrouwd zijn maakt de goede liefde voor ons gemakkelijker, zo kan ieder zich met zijn eigen dingen bezighouden en beschikken we over onze eigen ruimte, en wanneer we op springen staan is er altijd nog de uitweg om een paar dagen uit elkaar te gaan en weer samen te komen wanneer we bezwijken voor het heimwee naar de kussen. Bij Iván Radovic heb ik geleerd mijn mond open te doen en mijn tanden te laten zien. Als ik hem zou betrappen op vreemdgaan – moge God het verhoeden –, zoals me met Diego Domínguez overkwam, zou ik niet wegkwijnen in tranen, zoals toen, maar hem zonder de geringste wroeging vermoorden.
Nee, ik ga het niet hebben over de intimiteit die ik deel met mijn minnaar, maar er is een episode die ik niet kan verzwijgen omdat die te maken heeft met mijn herinneringen en welbeschouwd ook de reden is waarom ik deze pagina’s schrijf. Mijn nachtmerries zijn een blindelingse reis naar de schaduwrijke holten waar mijn oudste herinneringen slapen, vergrendeld in de diepste lagen van het bewustzijn. De fotografie en het schrijven zijn een poging de momenten te pakken voordat ze vervagen, de herinneringen vast te leggen om mijn leven betekenis te geven. Iván en ik waren een paar maanden samen en waren al gewend geraakt aan de routine elkaar stiekem te ontmoeten, dankzij die beste oom Frederick, die onze relatie vanaf het begin onderdak verleent. Iván moest een medische lezing geven in een stad in het noorden en ik ging met hem mee met het excuus om de salpetermijnen te fotograferen, waar de arbeidsomstandigheden zeer bedenkelijk zijn. De Engelse ondernemers weigerden een dialoog met de arbeiders aan te gaan en er heerste een klimaat van groeiend geweld, dat een paar jaar later tot uitbarsting zou komen. Toen dat gebeurde, in 1907, was ik toevallig daar, en mijn foto’s vormen het enige onweerlegbare bewijs van de slachtpartij bij Iquique, want de overheidscensuur wiste de tweeduizend doden die ik op het plein zag uit de geschiedenis. Maar dat is een ander verhaal, dat niet op deze pagina’s plaatsvindt. De eerste keer dat ik met Iván naar die stad ging, had ik geen vermoeden van de tragedie waarvan ik later getuige moest zijn, het was voor ons allebei een korte huwelijksreis. We schreven ons afzonderlijk in bij het hotel, en die avond, toen ieder van ons zijn werkdag erop had zitten, kwam hij naar mijn kamer, waar ik met een geweldige fles Viña Paulina op hem wachtte. Tot dan toe was onze relatie een vleselijk avontuur geweest, een verkenning van de zintuigen die voor mij fundamenteel was, omdat ik me daardoor over de vernedering dat ik door Diego was afgewezen heen kon zetten en kon begrijpen dat ik geen mislukte vrouw was, zoals ik vreesde. Bij elke ontmoeting met Iván Radovic had ik meer zelfvertrouwen gekregen, ik overwon mijn verlegenheid en mijn schaamtegevoelens, maar ik had me niet gerealiseerd dat die gelukzalige intimiteit plaats had gemaakt voor een grote liefde. Die nacht omhelsden we elkaar loom van de goede wijn en de vermoeidheid van de dag, traag, als twee wijze oudjes die negenhonderd keer de liefde hebben bedreven en elkaar niet meer kunnen verrassen of teleurstellen. Wat was er voor mij voor bijzonders aan? Niets, neem ik aan, behalve de overvloed aan gelukkige ervaringen met Iván, die die avond het kritieke punt bereikten waarop mijn verdedigingswerken het begaven. Na een orgasme, ingesloten in de sterke armen van mijn minnaar, voelde ik namelijk een snik door mijn hele lijf gaan en daarna nog een en nog een, totdat een onbedwingbaar getij van opgekropt verdriet me meesleurde. Ik huilde en huilde, vol overgave, onbeheerst, zo veilig in die armen als ik in mijn herinnering nooit eerder was geweest. Een dijk binnen in mij brak door en het oude verdriet stroomde naar buiten als gesmolten sneeuw. Iván stelde geen vragen en probeerde me niet te troosten, hij hield me stevig tegen zijn borst, liet me huilen totdat ik geen traan meer over had en toen ik hem uitleg wilde geven, snoerde hij me de mond met een langdurige kus. Voor het overige op dat moment heb ik geen enkele verklaring, die zou ik moeten verzinnen, maar ik weet nu – omdat het daarna nog verscheidene malen is gebeurd – dat toen ik me helemaal veilig voelde, beschut en beschermd, de herinneringen aan mijn eerste vijf levensjaren begonnen terug te komen, de jaren die mijn grootmoeder Paulina en alle anderen met een deken van geheimzinnigheid hadden bedekt. Eerst zag ik, in een flits van helderheid, het beeld van mijn grootvader Tao Chi’en die mijn naam in het Chinees mompelde, Lai-Ming. Het moment was heel kort, maar helder als de maan. Daarna beleefde ik in wakkere toestand de steeds terugkerende nachtmerrie die me al heel lang heeft gekweld opnieuw, en toen begreep ik dat er een direct verband bestaat tussen mijn aanbeden grootvader en die demonen in zwarte pyjama’s. De hand die me in die droom loslaat is die van Tao Chi’en. Degene die langzaam valt is Tao Chi’en. De vlek die zich onverbiddelijk uitspreidt over de straatstenen, is het bloed van Tao Chi’en.
Ik woonde iets meer dan twee jaar officieel bij Frederick Williams, maar trok steeds meer naar Iván Radovic, zonder wie ik me mijn toekomst niet meer kon voorstellen, toen mijn grootmoeder van moederskant, Eliza Sommers, opnieuw in mijn leven verscheen. Ze kwam ongeschonden terug, met diezelfde geur van suiker en vanille van haar, immuun voor de slijtage van de armoede of de vergetelheid. Ik herkende haar bij de eerste blik, hoewel er zeventien jaar waren verstreken sinds ze me in het huis van Paulina del Valle had achtergelaten, en in al die tijd had ik geen foto van haar gezien en was haar naam slechts zeer zelden in mijn bijzijn uitgesproken. Haar beeld zat verstrikt in het raderwerk van mijn nostalgie en ze was zo weinig veranderd dat het, toen ze werkelijkheid werd op de drempel van onze deur met haar koffer in de hand, leek alsof we de vorige dag afscheid genomen hadden en alsof alles wat er in die jaren gebeurd was een illusie was. Het enige nieuwe was dat ze kleiner bleek te zijn dan ik me herinnerde, maar dat kan door mijn eigen lengte komen – de laatste keer dat we bij elkaar waren geweest was ik een snotneus van vijf jaar en keek ik naar haar op. Ze was nog steeds stijf als een admiraal, met hetzelfde jeugdige gelaat en hetzelfde strenge kapsel, hoewel er hier en daar grijze lokken in haar haar zaten. Ze droeg zelfs hetzelfde parelsnoer dat ik haar altijd zag dragen en dat ze, dat weet ik nu, niet eens afdoet om te slapen. Ze werd gebracht door Severo del Valle, die al die jaren contact met haar had gehad, maar dat niet tegen me gezegd had omdat zij dat niet toestond. Eliza Sommers had Paulina del Valle beloofd nooit met haar kleindochter contact op te nemen en hield zich daar letterlijk aan, totdat de dood van Paulina haar van haar belofte onthief. Toen Severo haar schreef om het haar te vertellen, pakte ze haar hutkoffers in en sloot haar huis af, zoals ze al vele malen eerder had gedaan, en scheepte zich in naar Chili. Toen ze in 1885 in San Francisco weduwe was geworden, ondernam ze de bedevaart naar China met het gebalsemde lichaam van haar echtgenoot, om hem in Hongkong te begraven. Tao Chi’en had het grootste deel van zijn leven in Californië doorgebracht en was een van de weinige Chinese immigranten die het Amerikaanse staatsburgerschap bemachtigden, maar hij had altijd zijn wens te kennen gegeven dat zijn lichaam in China onder de grond zou komen te liggen, zodat zijn ziel niet zou verdwalen in de weidsheid van het universum zonder de hemelpoort te vinden. Die voorzorgsmaatregel was niet afdoende, want ik weet zeker dat de geest van mijn onbeschrijflijke grootvader Tao Chi’en nog steeds op deze aardbodem rondwaart, anders kan ik niet verklaren dat ik hem om me heen voel. Het is niet alleen verbeelding, mijn grootmoeder Eliza heeft een paar bewijzen bevestigd, zoals de zeegeur die soms om me heen hangt en de stem die een magisch woord fluistert: mijn naam in het Chinees.
‘Hallo, Lai-Ming,’ was de begroeting van die bijzondere grootmoeder toen ze me zag.
‘Oi poa!’ riep ik uit.
Ik had dat woord – ‘grootmoeder van moederskant’ in het Kantonees – niet meer uitgesproken sinds de lang vervlogen tijd dat ik bij haar had gewoond boven een acupunctuurkliniek in de Chinese wijk van San Francisco, maar ik was het niet vergeten. Zij legde een hand op mijn schouder en nam me van top tot teen op, knikte vervolgens instemmend en omhelsde me ten slotte.
‘Ik ben blij dat je niet zo mooi bent als je moeder,’ zei ze.
‘Dat zei mijn vader ook al.’
‘Je bent lang, net als Tao. En Severo zegt dat je ook net zo slim bent als hij.’
In onze familie wordt er thee geserveerd wanneer iemand zich met een situatie opgelaten voelt, en daar ik me bijna continu geremd voel, sta ik altijd thee in te schenken. Die drank heeft de goede eigenschap me te helpen bij het beheersen van mijn zenuwen. Ik had vreselijk veel zin om mijn grootmoeder bij haar middel te pakken en een wals met haar te dansen, om haar struikelend over mijn woorden mijn leven te vertellen en haar de verwijten te maken die ik jarenlang bij mezelf had gemompeld, maar niets hiervan was mogelijk. Eliza Sommers is niet het type dat uitnodigt tot vrijpostigheden, haar waardigheid is intimiderend, en er moesten weken verstrijken voordat zij en ik ontspannen konden praten. Gelukkig werd de spanning verminderd door de thee en de aanwezigheid van Severo del Valle en Frederick Williams, die uitgedost als een ontdekkingsreiziger in Afrika van een van zijn wandelingen over het erf terugkwam. Zodra oom Frederick zijn tropenhoed had afgezet, de beslagen bril van zijn neus had genomen en Eliza Sommers zag, veranderde er iets in zijn houding: hij zette een hoge borst op, verhief zijn stem en spreidde zijn veren tentoon. Zijn bewondering werd nog groter toen hij de hutkoffers en de koffers met de labels zag en hoorde dat deze vrouw een van de weinige buitenlanders was die in Tibet waren geweest.
Ik weet niet of de wens mij te leren kennen het enige motief was voor mijn oi poa om naar Chili te komen, ik vermoed dat ze meer interesse had om door te reizen naar de zuidpool, waar geen vrouw ooit een voet had gezet, maar wat de reden ook was, haar bezoek was voor mij van wezenlijk belang. Zonder haar zou mijn leven bezaaid zijn gebleven met nevelige gebieden; zonder haar had ik dit verslag niet kunnen schrijven. Het was die grootmoeder van moederskant die me de ontbrekende stukken van mijn levenspuzzel aanreikte, me over mijn moeder vertelde, over de omstandigheden rond mijn geboorte, en me uiteindelijk de verklaring voor mijn nachtmerries gaf. Zij was het ook die me later naar San Francisco zou vergezellen om mijn oom Lucky te leren kennen, een dikke, welvarende, allercharmantste Chinese koopman met o-benen, en om de nodige documenten op te duiken om de losse eindjes van mijn geschiedenis aan elkaar te knopen. De relatie van Eliza Sommers met Severo del Valle is net zo intens als de geheimen die ze jarenlang hebben gedeeld; zij beschouwt hem als mijn echte vader, want hij was de man die haar dochter liefhad en met haar trouwde. De enige functie van Matías Rodríguez de Santa Cruz was dat hij toevalligerwijs wat genen had aangeleverd.
‘Jouw verwekker doet er weinig toe, Lai-Ming, dat kan iedereen. Severo is degene die je zijn achternaam gaf en zich verantwoordelijk voor je voelde,’ verzekerde ze me.
‘In dat geval was Paulina del Valle mijn moeder en mijn vader, ik draag haar naam en zij voelde zich verantwoordelijk voor me. Alle andere mensen kwamen in mijn kindertijd als kometen voorbij en hebben nauwelijks een spoor van kosmisch stof achtergelaten,’ sprak ik haar tegen.
‘Vóór haar waren Tao en ik jouw vader en moeder, wij hebben je grootgebracht, Lai-Ming,’ legde ze me uit, en terecht, want mijn grootouders van moederskant hadden zo’n sterke invloed op me gehad dat ik ze dertig jaar lang als een zachte aanwezigheid in me heb meegedragen, en ik weet zeker dat ik ze voor de rest van mijn leven bij me zal houden.
Eliza Sommers leeft in een andere dimensie samen met Tao Chi’en, wiens dood een lastig obstakel was, maar geen beletsel vormde om hem voorgoed lief te hebben. Mijn grootmoeder Eliza is zo iemand die is voorbestemd voor slechts één grootse liefde, ik geloof dat er geen andere in haar weduwenhart past. Na haar echtgenoot in China naast het graf van Lin, zijn eerste vrouw, begraven te hebben en volgens zijn wens de boeddhistische begrafenisrituelen te hebben uitgevoerd, was ze vrij. Ze had naar San Francisco terug kunnen gaan om bij haar zoon Lucky en zijn jonge echtgenote die hij via een catalogus in Sjanghai had besteld te gaan wonen, maar het idee een gevreesde en aanbeden schoonmoeder te worden stond gelijk aan zich overgeven aan de ouderdom. Ze voelde zich niet alleen of angstig tegenover de toekomst, aangezien de beschermgeest van Tao Chi’en altijd bij haar was; eigenlijk zijn ze meer samen dan voorheen, ze laten elkaar geen moment meer alleen. Ze had zich aangewend zachtjes met haar man te praten, om niet krankzinnig te lijken in andermans ogen, en ’s nachts slaapt ze aan de linkerkant van het bed om hem de ruimte aan de rechterkant te geven, zoals ze gewend waren. De zucht naar avontuur die haar ertoe had aangezet op zestienjarige leeftijd verborgen in de buik van een zeilschip uit Chili te vluchten en naar Californië te gaan, was weer in haar ontwaakt toen ze weduwe werd. Ze herinnerde zich een moment van openbaring op haar achttiende, op het hoogtepunt van de goudkoorts, toen ze in de onmetelijkheid van een woest en verlaten landschap werd gewekt door het gehinnik van haar paard en een ochtendlijke zonnestraal. Die vroege ochtend ontdekte ze de opwinding van de vrijheid. Ze had de nacht alleen onder de bomen doorgebracht, omringd door talloze gevaren: nietsontziende bandieten, wilde indianen, slangen, beren en andere roofdieren, en toch was ze voor het eerst in haar leven niet bang. Ze was opgegroeid in een keurslijf, lichamelijk, geestelijk en qua verbeelding ingesnoerd, angstig zelfs voor haar eigen gevoelens, maar dat avontuur had haar vrijgemaakt. Ze moest een kracht ontwikkelen die ze wellicht altijd al in zich had gehad, maar die ze tot dan toe niet kende omdat ze hem niet had hoeven gebruiken. Ze verliet haar veilige thuis toen ze nog een meisje was, in het spoor van haar vluchtige geliefde, ging als verstekelinge aan boord van een schip, waar ze de baby en bijna ook haar eigen leven verloor, kwam in Californië aan, verkleedde zich als man en maakte zich gereed het van noord tot zuid te bereizen zonder andere wapens of gereedschap dan de wanhopige drijfveer van de liefde. Ze was in staat alleen te overleven in een land van macho’s, waar hebzucht en geweld regeerden, vatte gaandeweg moed en kreeg de smaak van de onafhankelijkheid te pakken. Die intense euforie van het avontuur is ze niet meer vergeten. Eveneens uit liefde leefde ze dertig jaar als de onopvallende echtgenote van Tao Chi’en, als moeder en banketbakster, haar plicht vervullend met slechts haar huis in Chinatown als gezichtsveld, maar de kiem die tijdens die nomadenjaren was gelegd, was nog immer aanwezig, klaar om op het juiste moment weer te ontspruiten. Toen Tao Chi’en, de enige toeverlaat in haar leven, verdween, was het moment om op drift te raken aangebroken. ‘Eigenlijk ben ik altijd een globetrotter geweest, wat ik wil is reizen zonder vast doel,’ schreef ze in een brief aan haar zoon Lucky. Ze besloot echter dat ze eerst de belofte moest vervullen die ze haar vader, kapitein John Sommers, had gedaan om haar tante Rose op haar oude dag niet in de steek te laten. Van Hongkong ging ze naar Engeland om de oude dame tijdens haar laatste jaren gezelschap te houden; dat was het minste wat ze kon doen voor die vrouw die als een moeder voor haar geweest was. Rose Sommers was meer dan zeventig jaar en haar gezondheid begon wat zwakker te worden, maar ze bleef haar damesromans schrijven, allemaal ongeveer hetzelfde, en ze was de beroemdste romantische schrijfster van het Engelse taalgebied geworden. Er kwamen nieuwsgierigen van verre om haar nietige gestalte in het park de hond te zien uitlaten en men zei dat koningin Victoria als weduwe troost vond in haar mierzoete verhalen over zegevierende liefdes. De komst van Eliza, van wie ze hield als van een dochter, betekende een enorme steun voor Rose Sommers, onder meer omdat haar pols het liet afweten en het steeds moeilijker werd de pen vast te houden. Vanaf dat moment ging ze haar romans dicteren, en later, toen ook haar tegenwoordigheid van geest haar in de steek liet, deed Eliza alsof ze aantekeningen maakte maar schreef ze eigenlijk zelf, zonder dat de uitgever of de lezeressen het ooit merkten, het was slechts een kwestie van de formule herhalen. Toen Rose Sommers stierf, bleef Eliza in hetzelfde huisje in de wijk van bohémiens – dat veel waard was omdat de buurt in de mode was geraakt – en erfde het kapitaal dat haar stiefmoeder met haar liefdesboekjes had vergaard. Het eerste dat ze deed was haar zoon Lucky in San Francisco opzoeken om haar kleinkinderen te leren kennen, die ze nogal lelijk en saai vond, en vervolgens vertrok ze naar exotischer oorden, waarmee ze uiteindelijk haar lot als zwerfster volbracht. Ze was zo’n reizigster die zo nodig naar plekken moest gaan waar anderen vandaan vluchten. Niets gaf haar zoveel voldoening als op haar bagage de labels en stickers te zien van de meest afgelegen landen op aarde; niets maakte haar zo trots als het oplopen van een vreemde besmettelijke ziekte of gebeten worden door een of ander uitheems insect. Ze reisde jarenlang rond met haar ontdekkingsreizigerskoffers, maar ze kwam altijd terug in het huisje in Londen, waar de correspondentie van Severo del Valle met nieuws over mij op haar lag te wachten. Toen ze hoorde dat Paulina del Valle niet meer in deze wereld was, besloot ze terug te keren naar Chili, waar ze geboren was maar al meer dan een halve eeuw niet aan gedacht had, voor een weerzien met haar kleindochter.
Misschien dacht mijn grootmoeder Eliza gedurende de lange overtocht per stoomschip aan haar eerste zestien jaar in Chili, dit ranke, elegante land; aan haar kindertijd onder de hoede van een vriendelijke indiaanse en de mooie Miss Rose; aan haar vredige, veilige bestaan voordat de geliefde verscheen die haar zwanger maakte, haar liet zitten om het goud in Californië na te jagen en nooit meer iets van zich liet horen. Aangezien mijn grootmoeder Eliza in het karma gelooft, zal ze wel geconcludeerd hebben dat die langdurige omzwervingen nodig waren om Tao Chi’en tegen te komen, die ze in elk van haar reïncarnaties moet liefhebben. ‘Wat een weinig christelijke gedachte,’ zei Frederick Williams toen ik hem probeerde uit te leggen waarom Eliza Sommers niemand nodig had.
Mijn grootmoeder Eliza had als geschenk een gammele hutkoffer voor me meegebracht, die ze me met een ondeugende schittering in haar donkere ogen overhandigde. Er zaten vergeelde manuscripten in, ondertekend door een Anonieme Dame. Het waren de pornografische romans die Rose Sommers in haar jeugd geschreven had, nog zo’n goed bewaard familiegeheim. Ik heb ze aandachtig, vanuit een puur didactisch oogmerk, gelezen, tot direct profijt van Iván Radovic. Die vermakelijke lectuur – hoe kwam een Victoriaanse oude vrijster op zulke gewaagde dingen? – en de bekentenissen van Nívea del Valle hebben me geholpen in de strijd tegen de verlegenheid, die in het begin een bijna onoverkomelijke hindernis tussen Iván en mij was. Het is weliswaar zo dat ik de arme man op de dag van de storm, toen we eigenlijk naar de zarzuela moesten en niet gingen, vóór was door hem in het rijtuig te kussen voordat hij zich kon verweren, maar verder ging mijn lef niet, en we verloren vervolgens kostbare tijd, worstelend met mijn verschrikkelijke onzekerheid en zijn bedenkingen, want hij wilde niet ‘mijn reputatie te gronde richten,’ zo zei hij. Het was niet makkelijk hem ervan te overtuigen dat mijn reputatie al behoorlijk toegetakeld was voordat hij in zicht kwam en dat dat ook zo zou blijven, want ik was niet van plan ooit naar mijn man terug te gaan of mijn werk of mijn onafhankelijkheid, waar men hier geen goed woord voor over heeft, op te geven. Na de vernederende ervaring met Diego leek het me onmogelijk verlangen of liefde in iemand op te roepen; bij mijn absolute onwetendheid op seksueel gebied kwam ook nog een minderwaardigheidsgevoel: ik voelde me lelijk, ondeugdelijk, niet-vrouwelijk, ik schaamde me voor mijn lichaam en de hartstocht die Iván in mij wakker maakte. Rose Sommers, de verre overoudtante die ik niet heb gekend, had me een geweldig cadeau gegeven door me die speelse vrijheid te verschaffen die bij het bedrijven van de liefde zo belangrijk is. Iván neemt de dingen vaak te serieus, zijn Slavische temperament neigt naar het tragische; soms valt hij ten prooi aan vertwijfeling omdat we niet zullen kunnen samenwonen voordat mijn echtgenoot sterft, als we vast al heel oud zijn. Wanneer die donkere wolken zijn humeur overschaduwen, grijp ik naar de manuscripten van de Anonieme Dame, waarin ik altijd nieuwe middelen vind om hem genot te bezorgen of hem tenminste aan het lachen te maken. Bij mijn inspanningen om hem tijdens ons intieme samenzijn te plezieren, heb ik langzaam aan mijn schaamte verloren en een zelfverzekerdheid verworven die ik nooit heb bezeten. Ik voel me geen verleidster, zover heeft het positieve effect van de manuscripten nou ook weer niet gereikt, maar ik ben in elk geval niet meer bang het initiatief te nemen om Iván, die anders gerieflijk zou kunnen terugvallen op de eeuwige routine, op dreef te helpen. Het zou zonde zijn om als een bedaagd echtpaar de liefde te bedrijven terwijl we niet eens getrouwd zijn. Het voordeel van minnaars zijn is dat we onze relatie goed moeten onderhouden, want alles spant samen om ons uit elkaar te drijven. De beslissing samen te zijn moet keer op keer herzien worden, dat houdt ons scherp.
Dit is het verhaal dat mijn grootmoeder Eliza me vertelde.
Tao Chi’en vergaf zichzelf de dood van zijn dochter Lynn niet. Zijn vrouw en Lucky bleven op hem inpraten dat het niet binnen de menselijke vermogens lag de vervulling van het lot te verhinderen, dat hij als zhong yi al het mogelijke had gedaan en dat men met de huidige medische kennis nog niet in staat was om zo’n fatale bloeding, die zoveel vrouwen tijdens de bevalling het leven kostte, te voorkomen of te stoppen. Voor Tao Chi’en was het alsof hij in rondjes had gelopen om weer uit te komen waar hij dertig jaar geleden was, in Hongkong, toen zijn eerste vrouw, Lin, van een meisje was bevallen. Ook zij was hevig gaan bloeden, en in zijn wanhoop om haar te redden had hij de hemel alles willen geven in ruil voor het leven van Lin. De baby was na een paar minuten gestorven en hij dacht dat dat de prijs was voor het redden van zijn vrouw. Hij had zich nooit kunnen voorstellen dat hij veel later, aan de andere kant van de wereld, opnieuw met zijn dochter Lynn zou moeten betalen.
‘U mag zo niet praten, vader, alstublieft,’ sprak Lucky hem tegen. ‘Het gaat niet om de ruil van het ene leven voor een ander, dat is een bijgeloof dat een man met uw intelligentie en ontwikkeling onwaardig is. De dood van mijn zus heeft niets te maken met die van uw eerste vrouw of met u. Dit soort tegenslagen is aan de orde van de dag.’
‘Waar zijn al die jaren studie en ervaring goed voor als ik haar niet kan redden?’ beklaagde Tao Chi’en zich.
‘Duizenden vrouwen sterven tijdens de bevalling, u hebt voor Lynn gedaan wat u kon...’
Eliza Sommers ging net zo gebukt onder het verdriet van het verlies van hun enige dochter als Tao Chi’en, maar zij droeg daarnaast ook nog de verantwoordelijkheid om voor het kleine weesmeisje te zorgen. Terwijl zij al staande in slaap viel van vermoeidheid, deed Tao Chi’en geen oog dicht; hij zat de hele nacht te mediteren, dwaalde als een slaapwandelaar door het huis en zat stilletjes te huilen. Ze hadden al dagenlang de liefde niet meer bedreven, en zoals de stemming binnen dat huis was, zag het er niet naar uit dat ze dat in de nabije toekomst zouden kunnen. Na een week koos Eliza voor de enige oplossing die ze kon bedenken: ze legde de kleindochter in de armen van Tao Chi’en en zei dat ze zich niet in staat voelde haar groot te brengen, dat ze een twintigtal jaren van haar leven als een slavin voor hun kinderen Lucky en Lynn had gezorgd en de kracht niet had om opnieuw te beginnen met de kleine Lai-Ming. Tao Chi’en zag zich belast met de zorg voor een pasgeboren, moederloze baby, die hij elk halfuur met een pipet met water verdunde melk moest voeden omdat ze nauwelijks kon slikken, en die hij onophoudelijk moest wiegen omdat ze dag en nacht huilde van de krampjes. Het kindje was niet eens leuk om te zien: ze was piepklein en gerimpeld, haar huid was geel uitgeslagen van de geelzucht, haar gelaatstrekken platgedrukt door de moeilijke bevalling, en ze had niet één haar op haar hoofd; maar na vierentwintig uur voor haar zorgen kon Tao Chi’en naar haar kijken zonder te schrikken. Na haar vierentwintig dagen in een draagzak te hebben gehad, haar met de pipet te hebben gevoed en naast haar te hebben geslapen, begon hij haar grappig te vinden. En nadat hij vierentwintig maanden als een moeder voor haar had gezorgd, was hij totaal verliefd op zijn kleindochter en ervan overtuigd dat ze nog mooier zou worden dan Lynn, ook al bestond er niet de geringste grond om dat aan te nemen. Het meisje was niet meer het wurmpje dat ze bij haar geboorte was geweest, maar ze leek bij lange na niet op haar moeder. Tao Chi’ens dagelijks bezigheden, die zich voorheen hadden beperkt tot zijn medische praktijk en de weinige uren van samenzijn met zijn vrouw, veranderden volledig. Zijn dagindeling draaide om Lai-Ming, dat veeleisende meisje dat altijd bij hem was, dat hij sprookjes moest vertellen, in slaap moest zingen, moest dwingen om te eten, mee uit wandelen moest nemen, voor wie hij de mooiste jurkjes in de Amerikaanse winkels en die van Chinatown moest kopen, dat hij aan iedereen op straat moest voorstellen, want nog nooit had men zo’n slim meisje gezien, zo geloofde mijn grootvader, door liefde verblind. Hij wist zeker dat zijn kleindochter een genie was, en om dat te bewijzen sprak hij Chinees en Engels tegen haar, wat zich voegde bij het Spaanse brabbeltaaltje dat mijn grootmoeder bezigde, zodat er een geweldige spraakverwarring ontstond. Lai-Ming reageerde op de prikkels van Tao Chi’en als elk kind van twee, maar hij vond haar schaarse succesjes een onweerlegbaar bewijs van haar superieure intelligentie. Hij bracht zijn praktijkuren terug tot een paar in de middag, zo kon hij de ochtend met zijn kleindochter doorbrengen en haar nieuwe trucjes leren, als een gedresseerd aapje. Met tegenzin stond hij toe dat Eliza haar ’s middags, als hij werkte, meenam naar de theesalon, want hij had zich in het hoofd gezet dat hij haar van kinds af aan in de geneeskunde zou kunnen opleiden.
‘In mijn familie zijn zes generaties van zhong yi’s. Lai-Ming zal de zevende worden, aangezien jij niet het geringste talent hebt,’ zei Tao Chi’en tegen zijn zoon Lucky.
‘Ik dacht dat alleen mannen dokter konden worden,’ zei Lucky.
‘Dat was vroeger. Lai-Ming wordt de eerste vrouwelijke zhong yi uit de geschiedenis,’ antwoordde Tao Chi’en.
Eliza Sommers stond echter niet toe dat hij het hoofd van hun kleinkind op zo’n jonge leeftijd volstopte met medische kennis; daar zou later nog tijd genoeg voor zijn, op dit moment was het nodig een paar uur per dag met het meisje Chinatown uit te gaan om haar te veramerikaniseren. Op dat punt waren de grootouders het in elk geval eens: Lai-Ming moest tot de wereld van de blanken behoren, waar ze ongetwijfeld meer mogelijkheden zou krijgen dan onder Chinezen. Ze hadden als voordeel dat het meisje geen Aziatische trekken had, ze was uiterlijk net zo Spaans uitgevallen als de familie van haar vader. De mogelijkheid dat Severo del Valle op een dag zou terugkomen met het doel die zogenaamde dochter op te eisen om haar mee te nemen naar Chili was ondraaglijk, dus spraken ze er niet over; ze gingen er gewoon van uit dat de jonge Chileen zich aan de overeenkomst zou houden, want hij had meer dan genoeg blijken van edelmoedigheid gegeven. Ze raakten het geld dat hij voor het meisje opzij had gelegd niet aan, ze stortten het op een rekening voor haar toekomstige opleiding. Elke drie of vier maanden schreef Eliza een kort briefje aan Severo del Valle, waarin zij hem over ‘zijn protégee’ vertelde, zoals zij haar noemde, om heel duidelijk te maken dat ze zijn recht op het vaderschap niet erkende. Gedurende het eerst jaar kwam er geen antwoord omdat hij verdwaasd rondwaarde in zijn rouw en in de oorlog, maar daarna slaagde hij erin om af en toe te antwoorden. Paulina del Valle zagen ze niet meer terug, want ze kwam niet meer in de theesalon en voerde haar dreigement dat ze de kleindochter bij hen zou weghalen en hun leven kapot zou maken niet uit.
Zo verstreken er vijf harmonieuze jaren in het huis van de familie Chi’en, totdat de gebeurtenissen die het gezin zouden verwoesten elkaar onvermijdelijk opvolgden. Het begon allemaal met het bezoek van twee vrouwen, die zich voorstelden als presbyteriaanse zendelingen en vroegen of ze in vertrouwen met Tao Chi’en konden praten. De zhong yi ontving ze in de praktijkruimte omdat hij dacht dat ze om gezondheidsredenen kwamen; er was geen andere verklaring waarom twee blanke vrouwen zich onverwacht in zijn huis zouden aandienen. Ze leken zussen, waren lang, rozekleurig, hadden ogen zo blauw als het water van de baai en blaakten allebei van het zelfvertrouwen waarmee godsdienstijver meestal gepaard gaat. Ze stelden zich voor met hun voornamen, Donaldina en Martha, en legden hem vervolgens uit dat het presbyteriaanse zendingswerk in Chinatown tot nu toe met uiterste behoedzaamheid en discretie was verricht om de boeddhistische gemeenschap niet voor het hoofd te stoten, maar nu nieuwe leden had die vastbesloten waren om de minimale christelijke fatsoensnormen in te voeren in die wijk, die, naar ze zeiden, ‘geen Chinees, maar Amerikaans grondgebied was, en men kon niet toelaten dat daar de wet en de moraal met voeten getreden werden’. Ze hadden van de sing song girls gehoord, maar de handel in slavenmeisjes voor seksuele doeleinden bleef gehuld in een stilzwijgend complot. De zendelingen wisten dat de Amerikaanse autoriteiten smeergeld ontvingen en een oogje toeknepen. Iemand had hen erop attent gemaakt dat Tao Chi’en waarschijnlijk de enige was met genoeg lef om hun de waarheid te vertellen en te helpen, daarom waren ze daar. De zhong yi had tientallen jaren op dat moment gewacht. Bij zijn moeizame reddingswerkzaamheden voor die erbarmelijke tienermeisjes had hij alleen op de stille hulp van een aantal quakervrienden kunnen rekenen, die de kleine prostituees Californië uit loodsten en ze op weg hielpen in een nieuw leven ver van de tongs en de hoerenmadammen. Het was zijn taak de meisjes die hij kon betalen te kopen bij de clandestiene veilingen en de meisjes die te ziek waren om in de bordelen te dienen op te vangen; hij probeerde hun lichaam te genezen en hun zieltje te troosten, maar dat lukte hem niet altijd: velen van hen stierven in zijn handen. In zijn huis waren twee, bijna altijd bezette kamers om de sing song girls in onder te brengen, maar Tao Chi’en merkte dat het probleem met het toenemen van de Chinese bevolking in Californië almaar groter werd en dat hij in zijn eentje heel weinig kon doen om het te verhelpen. Die twee zendelingen kwamen als door de hemel gezonden: allereerst konden ze rekenen op de steun van de machtige presbyteriaanse Kerk en ten tweede waren ze blank; zij zouden de pers, de publieke opinie en de Amerikaanse autoriteiten kunnen mobiliseren om een einde te maken aan die genadeloze mensensmokkel. Hij vertelde hun dus tot in de details hoe die meisjes in China gekocht of ontvoerd werden, hoe de Chinese cultuur meisjes verachtte en er in dat land dikwijls in putten verdronken of op straat achtergelaten meisjesbaby’s gevonden werden. De families wilden ze niet, daarom was het zo makkelijk ze voor een paar centen te kopen en naar Amerika te halen, waar ze voor duizenden dollars konden worden uitgebuit. Ze werden als dieren in grote kisten in scheepsruimen vervoerd, en de meisjes die de uitdroging en de cholera overleefden, kwamen met valse huwelijkscontracten Amerika binnen. In de ogen van de immigratieambtenaren waren het allemaal bruidjes, en de jonge leeftijd, de erbarmelijke lichamelijke toestand en hun panische gelaatsuitdrukking wekten kennelijk geen argwaan. Die meisjes deden er niet toe. Wat er met hen gebeurde was ‘zaak van de hemelingen’, waarmee de blanken niets van doen hadden. Tao Chi’en legde Donaldina en Martha uit dat de levensverwachting van de sing song girls nadat ze eenmaal in het beroep waren ingewijd, nog drie of vier jaar was: ze ontvingen tot dertig mannen per dag, stierven aan geslachtsziekten, miskramen, longontsteking, honger en mishandeling; Chinese prostituees van twintig waren een zeldzaamheid. Niemand registreerde hun leven, maar aangezien ze met een legaal document het land binnenkwamen, moest wel hun dood geregistreerd worden, voor het onwaarschijnlijke geval dat er iemand naar hen zou vragen. Veel meisjes werden gek. Ze waren goedkoop, konden in een oogwenk vervangen worden, niemand investeerde in hun gezondheid of in een langer leven. Tao Chi’en gaf de twee zendelingen aan hoeveel slavenmeisjes er ongeveer in Chinatown waren, wanneer de veilingen plaatsvonden en waar de bordelen zich bevonden, van de armoedigste, waarin de meisjes als gekooide dieren behandeld werden, tot de meest luxueuze, geleid door de beroemde Ah Toy, die de belangrijkste importeur van vers vlees in het land geworden was. Ze kocht kinderen van elf jaar in China en tijdens de reis naar Amerika overhandigde ze die aan de matrozen, zodat ze bij aankomst al ‘Eerst betalen’ konden zeggen en echt goud van brons wisten te onderscheiden om niet met vals metaal te worden opgelicht. De meisjes van Ah Toy werden uit de mooiste geselecteerd en hadden meer geluk dan de andere, wier toekomst het was om geveild te worden als vee en de meest schofterige mannen te dienen op de manieren zoals die dat wensten, tot de wreedste en vernederendste toe. Veel meisjes veranderden in woeste wezens, ze waren als wilde dieren, die aan de ketting moesten worden gelegd en met verdovende middelen moesten worden versuft. Tao Chi’en gaf de zendelingen de namen van drie of vier vermogende en prestigieuze Chinese kooplieden – onder wie zijn eigen zoon Lucky – die hen bij hun taak zouden kunnen helpen, de enigen die het er met hem over eens waren dat dit soort handel moest worden uitgebannen. Donaldina en Martha namen alles wat Tao Chi’en zei met trillende handen en waterige ogen in zich op, bedankten hem vervolgens en vroegen bij het afscheid of ze op hem konden rekenen wanneer het moment om tot actie over te gaan was aangebroken.
‘Ik zal doen wat ik kan,’ antwoordde de zhong yi.
‘Wij ook, meneer Chi’en. De presbyteriaanse zending zal niet rusten voordat er aan dit perverse gebeuren een eind is gemaakt en die arme meisjes zijn gered, al moeten we de deuren van die poelen des verderfs met bijlen openhakken,’ verzekerden ze hem.
Toen hij hoorde wat zijn vader had gedaan, werd Lucky Chi’en geplaagd door slechte voorgevoelens. Hij kende het milieu van Chinatown veel beter dan Tao en besefte dat deze een onherstelbare onvoorzichtigheid had begaan. Dankzij zijn handigheid en zijn sympathie had Lucky vrienden in alle lagen van de Chinese gemeenschap; hij zette al jaren lucratieve handeltjes op en won met mate maar ook met regelmaat aan de fan tan-tafels. Ondanks zijn jeugdigheid was hij uitgegroeid tot een door iedereen geliefde en gerespecteerde figuur, zelfs door de tongs, die hem nooit hadden lastiggevallen. Jarenlang had hij zijn vader geholpen bij het redden van de sing song girls, met de stilzwijgende overeenkomst dat hij zich niet in grotere zaken zou mengen; hij was zich terdege bewust van de noodzaak van uiterste geheimhouding om in Chinatown te overleven, waar de gulden regel gold zich niet met blanken – de gevreesde en gehate fan güey – in te laten en alles, in het bijzonder de misdaden, onder landgenoten op te lossen. Vroeg of laat zou men erachter komen dat zijn vader de zendelingen informeerde en zij op hun beurt de Amerikaanse autoriteiten. Er bestond geen trefzekerder formule om het ongeluk aan te trekken, en al zijn geluk zou niet toereikend zijn om hen te beschermen. Zo zei hij het tegen Tao Chi’en, en zo geschiedde in oktober 1885, de maand waarin ik vijf jaar werd.
Het lot van mijn grootvader werd beslist op de gedenkwaardige dinsdag dat de twee jonge zendelingen, vergezeld van drie gespierde Ierse agenten en de oude journalist Jacob Freemont, gespecialiseerd in misdaad, midden op de dag in Chinatown kwamen. De levendigheid op straat stokte en een menigte dromde samen om de in die wijk ongebruikelijke stoet van fan güey te volgen. Deze liep met gedecideerde pas naar een armzalig huis, waar in de smalle, getraliede deur de met rijstpoeder en karmijn opgemaakte gezichten van twee sing song girls verschenen, die zich met hun gemiauw en hun kleine blote borstjes aan de klanten aanboden. Toen ze de blanken zagen aankomen, verdwenen de meisjes met kreten van schrik naar binnen en verscheen in hun plaats een woedende oude vrouw die de politieagenten met een hele rits scheldwoorden in haar eigen taal uitfoeterde. Op een aanwijzing van Donaldina ging in de handen van een van de Ieren een bijl omhoog en werd, tot verbijstering van de menigte, de deur neergehaald. De blanken stormden door de smalle deuropening naar binnen, er ontstond een tumult van geschreeuw, geren en bevelen in het Engels, en binnen een kwartier kwamen de aanvallers naar buiten, een half dozijn doodsbange meisjes, de oude vrouw die spartelend werd meegesleept door de politieagenten en drie mannen die onder bedreiging van een pistool met gebogen hoofd liepen voor zich uit drijvend. Op straat brak een chaos uit en sommige nieuwsgierigen wilden dreigend naar voren treden, maar bleven plotseling staan toen er schoten in de lucht klonken. De fan güey zetten de meisjes en de andere arrestanten in een geblindeerd politierijtuig en de paarden droegen de lading mee. De rest van de dag hadden de mensen in Chinatown het over het gebeurde. Nooit eerder had de politie in de wijk opgetreden om redenen die niet direct een zaak van blanken waren. Er bestond bij de Amerikaanse autoriteiten een hoge tolerantiegrens voor ‘de gewoonten van de geelhuiden’, zoals ze genoemd werden; niemand deed de moeite om uit te zoeken hoe het zat met de opiumkitten, de speelholen, en al helemaal niet met de slavenmeisjes, die ze beschouwden als nog zo’n bizarre perversiteit van de ‘hemelingen’, net als gekookte hond met sojasaus eten. De enige die zich niet verrast, maar voldaan betoonde, was Tao Chi’en. De befaamde zhong yi werd in het restaurant waar hij altijd met zijn kleindochter lunchte bijna aangevallen door twee zware jongens van een van de tongs toen hij, hard genoeg om boven de herrie in de ruimte uit gehoord te worden, uitdrukking had gegeven aan zijn tevredenheid dat de autoriteiten van de stad zich eindelijk met de sing song girls bemoeiden. Hoewel de meeste eters aan de andere tafels van mening waren dat onder een bijna geheel mannelijke bevolking de slavenmeisjes een onontbeerlijk consumptieartikel waren, verdrongen ze elkaar om Tao Chi’en te verdedigen, want hij was de meest gerespecteerde figuur van de gemeenschap. Als de restauranteigenaar niet op het juiste moment had ingegrepen, was het heibel geworden. Tao Chi’en trok zich verontwaardigd terug, met aan zijn ene hand zijn kleindochter en in de andere zijn lunch, gewikkeld in een stuk papier.
Misschien had de episode met het bordeel geen verdere gevolgen gehad als die niet twee dagen later op dezelfde wijze in een andere straat herhaald was: dezelfde presbyteriaanse zendelingen, dezelfde journalist Jacob Freemont en dezelfde drie Ierse politieagenten; dit keer hadden ze echter ter ondersteuning vier agenten extra meegenomen en twee grote, wilde honden die aan hun kettingen trokken. De manoeuvre duurde acht minuten en Donaldina en Martha namen zeventien meisjes mee, twee hoerenmadammen, een paar portiers en verscheidene klanten die, hun broek ophijsend, naar buiten kwamen. Het gerucht over wat de presbyteriaanse zending en de regering van de fan güey van plan waren, ging als een lopend vuurtje door Chinatown en bereikte ook de smerige cellen waarin de slavinnen leefden. Voor het eerst in hun armzalige levens was er een sprankje hoop. De dreigementen dat ze zouden worden afgeranseld als ze in opstand zouden komen en de verhalen die hun verteld werden over hoe de blanke duivels hen zouden meenemen om hun bloed uit te zuigen, waren vergeefs: vanaf dit moment zochten de meisjes een manier om onder de aandacht van de zendelingen te komen, en in een paar weken tijd werden er steeds meer politierazzia’s gehouden, begeleid door krantenartikelen. Deze keer stelde Jacob Freemont zijn valse pen eindelijk in dienst van een goede zaak, door het bewustzijn van de burgers door elkaar te schudden met zijn welbespraakte campagne over het verschrikkelijke lot van de kleine slavinnen in het hart van San Francisco. De oude journalist zou kort daarop sterven zonder de reikwijdte van zijn artikelen te kunnen overzien; Donaldina en Martha zouden daarentegen de vrucht van hun inspanningen wel zien. Achttien jaar later leerde ik hen kennen tijdens een reis naar San Francisco; ze hebben nog steeds een roze huid en dezelfde Messiaanse ijver in hun blik, ze lopen nog steeds dagelijks door Chinatown, altijd alert, maar ze worden inmiddels niet meer ‘vervloekte fan güey’ genoemd en niemand spuugt meer naar ze wanneer ze voorbijlopen. Ze noemen hen nu lo-mo, liefhebbende moeder, en buigen ter begroeting. Ze hebben duizenden kinderen gered en de schaamteloze handel in meisjes uitgebannen, hoewel ze aan andere vormen van prostitutie geen einde hebben kunnen maken. Mijn grootvader Tao Chi’en zou zeer tevreden zijn.
De tweede woensdag van november ging Tao Chi’en, zoals elke dag, zijn kleindochter Lai-Ming in de theesalon van zijn vrouw op Union Square ophalen. Het meisje bleef ’s middags bij haar grootmoeder Eliza totdat de zhong yi klaar was met de laatste patiënt in zijn praktijk en haar weer kwam ophalen. Het was maar zeven straten lopen naar het huis, maar Tao Chi’en had de gewoonte om op dat tijdstip door de twee hoofdstraten van Chinatown te wandelen, wanneer de papieren lampionnen in de winkels werden aangestoken, de mensen klaar waren met hun werk en op zoek gingen naar ingrediënten voor het avondeten. Hij liep met zijn kleindochter aan de hand over de markten, waar het exotische fruit dat van overzee kwam lag opgestapeld, de glimmende eenden aan hun haken hingen, de paddestoelen, insecten, zeevruchten, dierlijke organen en planten lagen die alleen daar te vinden waren. Omdat niemand tijd had om thuis te koken, koos ook Tao Chi’en zorgvuldig enkele gerechten uit als avondeten, bijna altijd dezelfde, want Lai-Ming was een zeer lastige eter. Haar grootvader verleidde haar door haar hapjes van heerlijke Kantonese gerechten te laten proeven die in de kraampjes op straat werden verkocht, maar over het algemeen kwamen ze altijd uit op dezelfde variaties: op chau-mein en op varkensribben. Die dag droeg Tao Chi’en voor het eerst een nieuw pak, gemaakt door de beste Chinese kleermaker van de stad, die alleen voor de meest vooraanstaande mannen werkte. Hij had zich jarenlang Amerikaans gekleed, maar sinds hij het staatsburgerschap had gekregen, probeerde hij dat uiterst stijlvol te doen, als teken van respect jegens zijn tweede vaderland. Hij zag er zeer knap uit met zijn onberispelijke donkere pak, zijn gesteven overhemd met brede stropdas, zijn Engelse kamgaren jas, hoge hoed en ivoorkleurige geitenleren handschoenen. Het uiterlijk van de kleine Lai-Ming contrasteerde met de westerse kledij van haar grootvader: ze droeg een warme broek en een warm jasje van gewatteerde zijde in felle kleuren geel en blauw, zo dik dat het meisje zich waggelend als een beer verplaatste; haar haar zat in een strakke vlecht en ze droeg een zwarte geborduurde muts naar Hongkongse mode. Beiden trokken ze de aandacht in de bonte, bijna geheel mannelijke menigte die gekleed ging in de typische zwarte broeken en kielen, zo eenvormig dat de Chinese bevolking geüniformeerd leek. De mensen bleven staan om de zhong yi te begroeten, want als het al niet zijn patiënten waren, dan kenden ze hem wel van gezicht en naam, en de marktkooplieden gaven het meisje iets liefs om bij de grootvader in het gevlij te komen: een lichtgevende kever in een houten kooitje, een papieren waaier, een snoepje. Bij het vallen van de avond hing er altijd een feestelijke sfeer in Chinatown, met rumoer van luide gesprekken, onderhandelingen en het geroep van straatventers; het rook er naar gefrituurd eten, kruidenmengsels, vis en vuilnis, want het afval hoopte zich midden op straat op. De grootvader en zijn kleindochter liepen langs de zaken waar ze gewoonlijk hun boodschappen deden, babbelden met de mannen die op de stoep mahjong zaten te spelen, gingen naar het obscure kleine winkeltje van de kruidenhandelaar om een paar medicijnen op te halen die de zhong yi in Sjanghai had besteld, stopten even bij een speelhol om vanuit de deuropening naar de fan tan-tafels te kijken – want Tao Chi’en was gefascineerd door weddenschappen maar meed ze als de pest. Ze dronken ook een kop groene thee in de winkel van oom Lucky, waar ze de laatste lading antiek en bewerkte meubels die zojuist was gearriveerd konden bewonderen, en meteen daarna maakten ze rechtsomkeert om rustig naar huis terug te wandelen. Plotseling kwam er een jongen hevig opgewonden aanrennen en vroeg de zhong yi snel te komen, want er was een ongeluk gebeurd: een man was door een paard op zijn borst getrapt en gaf bloed op. Tao Chi’en liep in allerijl zonder de hand van zijn kleindochter los te laten achter hem aan door allerlei zijstraatjes, begaf zich in smalle steegjes van de krankzinnige topografie van Chinatown, totdat ze met z’n tweeën in een doodlopend steegje stonden dat schaars werd verlicht door de lampionnen voor een paar ramen, schitterend als onwerkelijke glimwormen. De jongen was verdwenen. Tao Chi’en kreeg in de gaten dat hij in een hinderlaag was gelopen en probeerde terug te lopen, maar het was al te laat. Vanuit het donker doemden verscheidene met stokken gewapende mannen op, die hem omcirkelden. De zhong yi had in zijn jeugd vechtsporten geleerd en droeg onder zijn jas altijd een mes aan zijn riem, maar hij kon zich niet verweren zonder de hand van het meisje los te laten. Hij kreeg even de tijd om te vragen wat ze wilden, wat er gebeurde, en om de naam van Ah Toy te horen vallen terwijl de mannen in zwarte pyjama’s, hun gezichten met zakdoeken bedekt, om hem heen dansten; daarna kreeg hij de eerste klap op zijn rug. Lai-Ming voelde hoe ze naar achteren werd getrokken en probeerde zich aan haar grootvader vast te klampen, maar de geliefde hand liet haar los. Ze zag de knuppels omhooggaan en neerkomen op het lichaam van haar grootvader, ze zag een straal bloed uit zijn hoofd spuiten, ze zag hem op zijn gezicht op de grond vallen, ze zag hoe ze hem bleven slaan totdat hij niet meer was dan een bloederig hoopje op de straatstenen.
‘Toen ze Tao Chi’en op een geïmproviseerde brancard binnenbrachten en ik zag wat ze met hem gedaan hadden, brak er iets in me in duizend scherven, als een kristallen vaas, en vloeide mijn vermogen om lief te hebben voorgoed weg. Ik verdorde vanbinnen. Ik ben nooit meer dezelfde geworden. Ik voel genegenheid voor jou, Lai-Ming, ook voor Lucky en zijn kinderen, ik had het voor Miss Rose, maar liefde kan ik alleen voor Tao Chi’en voelen. Zonder hem is niets echt belangrijk voor me; elke dag dat ik leef is er een minder in het lange wachten om me met hem te herenigen,’ bekende mijn grootmoeder Eliza Sommers me. Ze voegde eraan toe dat ze medelijden met me had gehad omdat ik op mijn vijfde de marteldood van degene van wie ik het meest hield moest bijwonen, maar ze veronderstelde dat de tijd het trauma wel zou wegvagen. Ze dacht dat mijn leven bij Paulina del Valle, ver van Chinatown, voldoende was om me Tao Chi’en te doen vergeten. Ze had niet gedacht dat de scène in de steeg zich voorgoed in mijn nachtmerries zou nestelen, en evenmin dat de geur, de stem en de zachte aanraking van de handen van mijn grootvader me als ik wakker was zouden achtervolgen.
Tao Chi’en kwam nog levend in de armen van zijn vrouw terecht. Achttien uur later kwam hij bij bewustzijn en na een paar dagen kon hij praten. Eliza Sommers had er twee Amerikaanse dokters bij gehaald die herhaaldelijk een beroep hadden gedaan op de kennis van de zhong yi. Ze onderzochten hem somber: zijn ruggengraat was gebroken, en in het onwaarschijnlijke geval dat hij zou blijven leven, zou hij half verlamd zijn. De wetenschap kon niets voor hem doen, zeiden ze. Ze maakten slechts zijn wonden schoon, zetten de gebroken botten zo goed en zo kwaad als het ging, hechtten zijn hoofd en gaven hem zware doses pijnstillers. Intussen kroop het kleinkind, door iedereen vergeten, in een hoekje naast het bed van haar grootvader, hem stemloos roepend – oi goa! oi goa...! – zonder te begrijpen waarom hij niet antwoordde, waarom ze niet bij hem mocht komen, waarom ze niet zoals altijd gewiegd in zijn armen kon slapen. Eliza Sommers diende de zieke de geneesmiddelen toe met hetzelfde geduld als waarmee ze probeerde hem via een trechtertje soep te laten doorslikken. Ze liet zich niet meeslepen door wanhoop, zat dagenlang rustig en zonder te huilen bij haar man te waken, totdat hij door zijn gezwollen lippen en kapotte tanden heen tegen haar kon praten. De zhong yi wist zonder enige twijfel dat hij onder die omstandigheden niet kon en wilde leven. Dit gaf hij zijn vrouw te kennen, en hij vroeg haar hem niet meer te eten of te drinken te geven. Door de innige liefde en de volstrekte intimiteit die ze meer dan dertig jaar lang hadden gedeeld, konden ze elkaars gedachten lezen; er waren niet veel woorden nodig. Als Eliza al in de verleiding kwam om haar man te vragen nutteloos in een bed te blijven leven, alleen om haar niet alleen op deze wereld achter te laten, dan slikte ze haar woorden in, omdat ze te veel van hem hield om hem om een dergelijk offer te vragen. Tao Chi’en van zijn kant hoefde niets uit te leggen, want hij wist dat zijn vrouw het hoognodige zou doen om hem waardig te helpen sterven, net zoals hij voor haar zou doen als de dingen anders waren gelopen. Hij dacht dat het niet de moeite waard was bij haar aan te dringen om zijn lichaam naar China te brengen, want het leek hem niet echt belangrijk meer en hij wilde niet nog een last op Eliza’s schouders leggen, maar zij had besloten het hoe dan ook te doen. Geen van tweeën hadden ze de moed om te praten over wat zonneklaar was. Eliza zei simpelweg tegen hem dat ze niet in staat was hem van de honger en de dorst te laten sterven, want dat zou dagen, wellicht weken kunnen duren, en zij wilde hem niet zo lang in doodsstrijd laten verkeren. Tao Chi’en gaf haar aan hoe ze het moest doen. Hij zei dat ze naar zijn praktijk moest gaan, in een bepaald kastje moest zoeken en er een blauw flesje uit moest halen. Zij had hem gedurende de eerste jaren van hun relatie in de kliniek geholpen en deed dat nog steeds als de assistent er niet was, ze kon de Chinese tekens op de potjes lezen en een injectie geven. Lucky ging de kamer binnen om de zegen van zijn vader te krijgen en liep meteen weer hevig snikkend naar buiten. ‘Lai-Ming en jij moeten je geen zorgen maken, Eliza, want ik ga jullie niet in de steek laten, ik zal altijd in de buurt zijn om jullie te beschermen, er zal jullie twee niets slechts kunnen overkomen,’ prevelde Tao Chi’en. Zij tilde hun kleinkind op en bracht haar bij haar grootvader zodat ze afscheid konden nemen. Het meisje zag dat gezwollen gelaat en kromp angstig ineen, maar toen herkende ze hem aan de zwarte pupillen die haar aankeken met dezelfde trouwe liefde als altijd. Ze greep zich aan de schouders van haar grootvader vast en terwijl ze hem kuste en wanhopig riep, maakte ze hem nat met haar warme tranen, totdat ze met een ruk werd weggehaald, de kamer uit werd gedragen en op de borst van haar oom Lucky belandde. Eliza Sommers ging de kamer waarin ze met haar man zo gelukkig was geweest weer binnen en deed zachtjes de deur achter zich dicht.
‘En wat gebeurde er toen, oi poa?’ vroeg ik haar.
‘Ik deed wat ik moest doen, Lai-Ming. Meteen daarna ging ik naast Tao liggen en kuste hem langdurig. Zijn laatste adem is bij mij gebleven...’