8

Lizzie wist niet hoe ver het na middernacht was, ze kon zich niet herinneren of het zaterdag, zondag of maandag was. Ze wist alleen dat ze de crisis van haar leven had bereikt, en ze leefde nu in die crisis. Jaren geleden had ze Mike bijna in de steek gelaten om naar haar moeder te gaan, maar nu had hij haar niet bijna in de steek gelaten... Hij had haar in de steek gelaten, hij was definitief vertrokken. Waarom was dit gebeurd? Was het haar schuld? Als zij om het hele geval gelachen had, zou het dan ooit een dergelijke kwelling geworden zijn? Maar ze kon niet lachen als essentiële levenswaarden ondermijnd werden. Ze was niet een van degenen die de adviezen konden opvolgen van de wijzen in de damesblaadjes; die vrouwspersonen boordevol wijsheid die nooit hadden meegemaakt waarover ze iedere week een stroom van adviezen gaven. En dan nog wel adviezen in de trant van: 'Het beste is om de hele situatie te negeren'; 'Heet haar welkom in uw huis, behandel haar alsof ze uw dochter is'. Waren er ergens vrouwen te vinden die zo'n advies konden opvolgen? Nu, het was voorbij, hij was vertrokken. Ze keek op de klok. Niemand had hem opgewonden en hij was om vijf voor half een blijven stilstaan. Als hij teruggekomen was, zou hij er al lang zijn geweest. Ja, het was voorbij. Dan moest ze maar naar boven gaan, naar bed, nietwaar? Ze kon dat bed niet zien. Ze dacht niet dat ze er nog ooit in zou liggen; gelukkig of niet, ze hadden dat bed bijna vijfentwintig jaar gedeeld. Nee, vannacht kon ze dat bed al helemaal niet zien. Ze zou blijven waar ze was, bij de haard. Ze leunde met haar hoofd achterover in de hoek van de hoge fauteuil en keek naar Mikes fauteuil, die ontstellend leeg tegenover haar stond. 'O, Mike, Mike. ' Het was een jammerklacht die als het ware helemaal uit het diepste van haar wezen omhoog kwam, haar deed stikken, haar wurgde met het verdriet om de goede dingen die voorbij waren.

'Voelt u zich in orde?' Toen ze Michaels hand op haar schouder voelde zat ze plotseling rechtop in de stoel, terwijl ze met haar handen naar haar keel greep 'Het spijt me; heb ik u wakker gemaakt?' 'Nee, nee, ik sliep niet. '

Hij zat nu op zijn hurken voor haar, zijn ogen keken met een zachte blik naar haar gezicht. 'Ga naar bed, moeder, toe nou. '

'Ik zou het niet kunnen, Michael. Ik zit hier goed. Wees niet bezorgd. Ga jij maar naar Sarah. ' 'Zij kan ook niet slapen. '

'Dat ligt aan de canapé, die is niet lang genoeg. ' 'Nee, daar ligt het niet aan. ' 'Waar is Corny?' 'Ergens buiten. '

Lizzies ogen werden enigszins groter. 'Buiten in dit weer?' Ze luisterde een ogenblik naar het geloei van de wind en het metaalachtige getik van de regen tegen de ruiten. 'Wat doet hij daar buiten?'

'Ik weet het niet, hij heeft er gewoon zin in. De ene minuut is hij boven en de volgende is hij buiten. Dat is al uren zo. ' 'Hoe laat is het?' vroeg ze.

'Het is na enen, bijna half twee zou ik zeggen... Hoe gaat het met haar?' 'Zoeven sliep ze nog. '

'Dat komt door die tablet. Ze zal waarschijnlijk blijven slapen tot de ochtend. Michael... ' Ofschoon Lizzie de naam van haar zoon uitsprak, wendde ze haar gezicht van hem af. Pas enkele seconden later ging ze verder: 'Wil... wil je de boerderij voortzetten?'

En weer enkele seconden later antwoordde Michael: 'O, moeder, u weet dat ik dat wil... maar... maar zover zal het niet komen...

'Zover komt het wel, Michael. Laten we het onder ogen zien. Dit is het einde. ' 'Hij komt wel weer bij zinnen. U moet hem een kans geven. Hij was woedend over de manier waarop het is gebeurd. ' 'Ik wil hem niet meer, Michael, wanneer hij bij zinnen komt. Als hij eenmaal een nacht met dat meisje heeft doorgebracht zou niets ter wereld me ertoe kunnen brengen hem terug te nemen. Ik kan er niets aan doen, zo ben ik. Ik heb in mijn leven nooit iemand anders gewild dan hem, en tot nu toe is dat met hem ook het geval geweest. Maar ... maar het zou totaal geen zin hebben dat hij met hangende pootjes terugkwam als zijn waanzin geluwd is. Totaal geen zin. '

Haar stem klonk zo rustig en zo beslist, dat Michael wist dat overredingskracht helemaal geen invloed zou hebben op de houding van zijn moeder. Toen hij overeind kwam deed een geluid op het erf hem plotseling omdraaien, zijn gezicht naar de keukendeur. En ook Lizzie hief haar hoofd toen ze het geluid van rennende voetstappen hoorde. Het volgende ogenblik hoorden ze dat de achterdeur openging, en binnen enkele ogenblikken verscheen Corny in de deuropening. Het water stroomde uit zijn haar op zijn zwarte plastic regenjas. Hij stond een moment te hijgen en veegde met zijn hand de regen van zijn gezicht voordat hij verder de kamer inkwam; toen, terwijl hij van Michael naar Lizzie keek, bracht hij uit: 'Hij is terug. ' 'Mijn vader?' Het was een zachte vraag van Michael, maar Lizzie bewoog zich niet. 'Waar?' vroeg Michael.

'Ik zag hem naar de zolder gaan. Ik heb de hele avond het gevoel gehad dat hij ergens in de buurt was. Ik had overal gekeken, maar ik kon geen spoor van hem ontdekken. Toch kon ik dat gevoel niet van me afzetten. Toen gaf Simon me een tip. Je kent dat blafje wel dat hij laat horen als hij hem ziet of ruikt. Nu, ik hoorde hem grommend uit de achterste schuur komen en toen klonk dat blafje. Ik stond in de beschutting van de koestallen en ik zag zijn contouren. Hij... hij schommelde een beetje. Het zou kunnen dat hij dronken is, maar ik weet het niet zeker. Ik ben niet naar hem toe gegaan. ' Hij gaf een ruk met zijn hoofd. 'Na wat er gebeurd is zou hij niet bepaald blij zijn geweest mij te zien. ' 'Ik zal de lantaarn halen. ' Michael rende de kamer door; bij de deur draaide hij zich om en zei teger. Corny, die op het punt stond hem te volgen: 'Ga niet mee. Blijf bij mijn moeder. ' En hij wierp een blik in Lizzies richting voordat hij haastig de kamer uitliep.

Lizzie stond op en ging voor het vuur staan, haar hand op de schoorsteenmantel, haar hoofd gebogen. Ze ging dikwijls in deze houding staan als ze grote zorgen had. Na enkele minuten van stilte liep Corny naar de haard, maar hij ging niet te dicht bij haar staan. Terwijl hij zijn hand uitstak naar de warmte zei hij zacht: 'Ik voel dat ik net zoveel schuld heb aan wat er is gebeurd als wie dan ook, mam. Zie je, toen Mary Ann me het vertelde en zei dat ze niet wist wat ze moest doen, ik bedoel hoe ze moest vertellen wat ze wist, zei ik tegen haar dat ze het beste naar mijn grootmoeder kon gaan om advies. En mijn grootmoeder stelde voor alles te vertellen als een donderslag bij heldere hemel. Ik begrijp nu dat het verkeerd was, maar... berouw komt altijd na de zonde, nietwaar?' Hij wachtte een ogenblik, en toen hij geen antwoord kreeg, liet hij zijn hoofd zakken en mompelde: 'Het spijt me. ' Lizzie keerde zich naar hem toe, stak haar hand uit en raakte zijn arm aan. 'Geef jezelf de schuld niet, Corny, ' zei ze. 'Als je het mij vraagt, geloof ik dat het maar goed is dat het zo gebeurd is. Vroeg of laat moest het toch tot een crisis komen. Het móest tot een uitbarsting komen. ' 'Wat gaat er nu gebeuren?' vroeg hij zacht. 'U zult het hem toch niet betaald zetten... ?'

Lizzie draaide zich om en zei abrupt: 'We zullen gewoon moeten afwachten, Corny. We zullen gewoon moeten afwachten... '

Ze stonden zwijgend en wisten niets meer te zeggen, toen Michael weer haastig de keuken binnenkwam. In zo'n korte tijd kon hij nog niet bij de grote schuur geweest zijn. Ook hij hijgde van het tegen de wind in rennen, maar hij ging regelrecht naar Lizzie toe die op het haardkleedje stond te wachten, en zei, zonder er omheen te draaien: 'Hij is er slecht aan toe, moeder, hij is... ' Hij schudde langzaam zijn hoofd. 'Hij is helemaal niet verder geweest dan de velden. Hij is van top tot teen overdekt met modder en doornat; de kleren plakken aan zijn lichaam. Hij moet languit in de sloot daarginds bij Fuller's Cut gelegen hebben. Hij rilt alsof hij koorts heeft. ' Hij legde zijn natte hand op de hare. 'Hij is helemaal niet weg geweest, begrijpt u, niet verder dan de velden. '

Michael keek hoe zijn woorden langzaam weer kleur brachten op het gezicht van zijn moeder. Het leek of hij zag dat de jaren van haar afvielen. Haar stem trilde enigszins toen ze tegen hem zei: 'Geef me mijn jas alsjeblieft. ' Toen Michael haar jas uit de hal gehaald had en haar erin geholpen had vroeg ze: 'Is de lamp buiten?' En toen hij knikte zei ze: 'Ga niet met me mee. ' Toen keek ze van hem naar Corny en voegde eraan toe: 'Ga naar bed, Corny; het logeerbed is gereed. '

Corny zei niets, ook Michael zei niets meer, maar ze sloegen haar allebei gade toen ze snel de capuchon van de jas over haar hoofd trok en de kamer verliet. Nadat ze de lantaarn bij de achterdeur had opgepakt, zocht Lizzie zich over het erf een weg naar de schuur. Toen ze bij de grote deuren was, stond ze een moment stil om op adem te komen; toen duwde ze het kleine deurtje open, bukte en ging de schuur binnen. Toen ze onzeker naar de ladder liep die naar de zolder leidde, veroorzaakte het licht van de lantaarn, en haar voetstappen een geren van allerlei kleine diertjes. Toen stond ze op de ladder en beklom hem langzaam. Bovenaan werd ze begroet door de natte neus van Simon, die zich daarna omdraaide en naar de andere kant van de zolder rende, waar op een gescheurde baal stro een grote, ineengedoken figuur lag. Toen het licht van de lantaarn op Mike viel stond Lizzie stil. Met haar lichaam nog stijf en rechtop, haar gezicht nog strak, keek ze neer op haar man, en met uitzondering van de lege mouw was er niets aan hem dat ze herkende; maar ze was er zich onmiddellijk van bewust dat de met modder overdekte gedaante van het hoofd tot de voeten rilde. Ze boog zich langzaam over hem heen en raakte zijn schouder aan. Na een ogenblik keerde hij haar zijn gezicht toe, maar wendde het even snel weer af. Hij had blijkbaar niet verwacht haar te zullen zien. Het was de argeloze blik in zijn ogen die het ijs rond Lizzies hart deed smelten. De blik deed haar denken aan de hond die ze drie jaar geleden in het huisje van Weybridge hadden gevonden. De Weybridges waren een familie van nietsnutten die een eind van de begane weg hadden gewoond, ongeveer drie kilometer voorbij de velden, en die vanwege hun schulden op een nacht met de noorderzon waren vertrokken. Hun hond hadden ze geketend achtergelaten in een bijgebouw. Hij had daar al veertien dagen gelegen toen Michael hem vond en hem mee naar huis nam. Het arme dier was op zijn buik de hele keuken doorgekropen en had zijn kop op haar voeten gelegd. Het was een oude hond en gedeeltelijk blind. Hij was blijkbaar gewend geweest aan een vrouw en onmiddellijk had hij haar zijn trouw betoond, in ruil daarvoor had ze hem liefdevol verzorgd totdat hij vorig jaar gestorven was.

'Kom, sta op, ' zei ze zacht. Maar Mike bewoog zich niet. 'Hoor je me?' vroeg ze. 'Kom overeind. ' Als antwoord groef hij zijn gezicht in het stro en mompelde iets dat ze niet kon verstaan.

Ze zette de lantaarn op veilige afstand neer, boog zich over hem heen, en terwijl ze hem bij de schouder greep en al haar kracht gebruikte, rukte ze hem overeind uit zijn vooroverliggende houding. En nu, met hangend hoofd, mompelde hij tussen zijn klapperende tanden: 'Wil je me vannacht met rust laten?' 'Dat doe ik niet; ga staan. '

'Ik... ik kan het niet. Ik ben voorlopig doodop. Ik... ik ben morgen weer in orde. Vooruit, ga naar binnen. ' Hij wilde weer gaan liggen maar haar handen weerhielden hem. 'Sta op, ' zei ze. 'Vooruit, sta op. ' Haar stem klonk zacht, smekend nu, en na een ogenblik draaide hij zich op handen en voeten, ging op zijn knieën zitten en ging staan. Ze schrok hevig toen ze zag hoe hij eruitzag. Zoals Michael had gezegd moest hij languit in de modderige sloot bij Ful-ler's Cut gevallen zijn.

Ze leidde zijn bevende gestalte naar de ladder, toen erop, en hield het licht hoog totdat hij de vloer van de schuur had bereikt. Toen kwam ze snel naar beneden en leidde hem nogmaals. Op het erf sloeg ze haar arm om hem heen om hem steun te geven tegen de wind, en gedwee als een kind liet hij zich door haar helpen totdat ze bij de achterdeur waren; daar stond hij stil en terwijl hij zich langzaam losworstelde uit haar greep, mompelde hij: 'Zijn ze binnen?' 'Nee, nee, ' fluisterde ze haastig, 'ze liggen allemaal op bed. '

In de bijkeuken stond hij opnieuw stil en terwijl hij zichzelf bekeek en zag in wat voor toestand hij zich bevond bracht hij uit, waarbij zijn woorden als kiezelsteentjes tegen zijn tanden ratelden: 'Ik... ik zal me hier omkleden. ' Als antwoord trok ze haar jas uit en zei energiek: 'Je gaat regelrecht naar boven en in bad. '

Ze ging hem nu kalm voor door de keuken, de hal in en de trap op; hij volgde, behoedzaam lopend, zijn benen bevend bij iedere stap die hij zette. Ze gingen de badkamer binnen en Lizzie draaide de kraan open om het bad te laten vollopen. Maar toen ze een paar warme handdoeken van de stang had getrokken zei hij, zonder haar aan te kijken: 'Laat me nu alleen, ik red me wel. '

Hij voelde haar aarzeling en voegde op meer natuurlijke toon eraan toe: 'Ik kom naar beneden als ik me opgeknapt heb, laat me maar. '

Toen Lizzie terugging naar de keuken trilden haar benen zo dat ze voelde dat ze moest gaan zitten voordat ze erbij neerviel. Maar voordat ze naar een stoel liep, stond ze stil en zei bij zichzelf: 'Nee, nee, aan de gang blijven, aan de gang blijven. ' Ze wist dat het op dit moment fataal zou zijn te gaan zitten en na te denken. Als ze ging zitten zou ze instorten, en dat wilde ze niet. Hij zou iets heets moeten hebben, iets kokend heets, wilde hij geen nadelige gevolgen ondervinden van de toestand waarin hij verkeerde. Hoe lang was hij doornat geweest? Acht, negen uur? En in deze wind, die door je heen sneed als een zwaard! Hete melk met brood, zei ze, dat zal werken als een pap en... Ze keek naar de voorraadkast en zag achterin, verborgen tussen de flesjes saus, mayonaise en zuur, een fles whisky staan. Die stond daar al een lange tijd, voor als zich een noodsituatie zou voordoen; en dit was een noodsituatie. Ze had niet meer willen hebben dat Mike whisky in huis had, maar die fles had ze daar altijd verborgen gehouden. Het was vreemd, dacht ze, toen haar hand zich welbewust over het schap bewoog en de fles Johnnie Walker te voorschijn haalde, vreemd dat zij hem zelf whisky gaf... Een half uur later kwam Mike beneden. Toen ze hem zachtjes op pantoffels hoorde naderen, begon haar lichaam te trillen. Ze ging haastig de bijkeuken in en haalde de pan met broodpap van het fornuis. Toen ze die in een schaal aan het schenken was kwam hij de kamer binnen. Ze keek niet naar hem, en Mike keek ook niet naar haar; maar terwijl hij het koord van zijn kamerjas strakker om zich heen trok liep hij naar het vuur. En op precies dezelfde manier als zij daarstraks had gedaan ging hij ervoor staan en keek ernaar, terwijl zijn ene hand de rand van de schoorsteenmantel greep.

Lizzie opende de fles whisky en schonk een royale hoeveelheid in een beker, voegde er bruine suiker aan toe en liep naar de haard. Ze boog zich opzij zodat ze Mike niet zou aanraken, deze schijnbaar weer normale Mike, tilde de kokende ketel van de haardplaat, ging ermee terug naar de tafel en vulde de beker. Toen, de ketel in de ene hand, de beker in de andere, liep ze weer naar de haard, zette de ketel op de plaat, en met haar ogen strak op de beker gevestigd terwijl ze de hete whisky en suiker dooreen roerde, zei ze zacht: 'Drink dit op. '

Zonder zich te bewegen draaide Mike zijn hoofd en keek naar haar, en vervolgens naar de beker. De geur die er vanaf kwam was de geur van whisky, de vloeistof die in huis verboden was vanwege zijn zwakheid. Het hete, prikkelende aroma drong zich in zijn neusgaten en in zijn lichaam. Het werd hem allemaal te machtig. Hij nam zijn hand van de schoorsteenmantel en drukte die tegen zijn gezicht; hij begroef zijn vingers in de huid alsof hij zijn hele gezicht wilde verscheuren. Hij boog zijn lichaam voorover van ellende terwijl hij eruitbracht: 'Liz. O, Liz. ' Toen ze snel haar hand op zijn gebogen hoofd legde, had ze het gevoel of ze hem voor het eerst aanraakte. Ze kon haar hand of zijn hoofd nu niet zien; het ijs dat snel smolt rond haar hart stroomde uit haar ogen, overspoelde haar gezicht en verfriste haar ziel als een springvloed een verdord land. Ze sloeg haar armen om hem heen en hij greep zich heftig aan haar vast terwijl ook hij zijn tranen de vrije loop liet; een stroom die zijn spraak belemmerde en hem verstikte, maar die hem niet kon verhinderen telkens weer haar naam te zeggen. Hij vroeg vergiffenis en zei wat hij had te zeggen met zijn hand, die zich met heftige druk over haar hoofd, haar schouders en haar rug bewoog. Hoe lang ze zo stonden, wisten ze niet, maar nu mompelde Lizzie gesmoord: 'Het... het wordt koud. ' Blindelings stak ze haar hand uit, pakte het glas van de schoorsteenmantel en hield het tegen zijn lippen; en over de rand ervan keken ze elkaar aan. Weer hadden ze het overleefd, weer waren ze naar de kust gezwommen. En bij deze redding wist Lizzie één ding zeker: nooit meer zou Mike zo scherp bij de wind varen, en nooit meer zou hij, om zo te zeggen, aanmonsteren op een zelfde schip als waarvan hij zojuist was ontsnapt. Die reis was voorbij.

Toen de volgende morgen aanbrak, ontwaakte Mary Ann uit haar kunstmatig opgewekte slaap. Ze lag een ogenblik volkomen bewegingloos naar de vage omtrekken van de voorwerpen in de kamer te staren. Ze voelde zich afschuwelijk, haar hoofd deed pijn; en toen ze aan haar hoofdpijn dacht, realiseerde ze zich dat haar gezicht ook pijn deed, alsof ze tandpijn had gehad, ook had ze een stijf gevoel in haar been. Toen ze een hand tegen haar gezicht hield en de andere tegen haar heup, begon ze langzaam te beseffen wat de oorzaak van haar pijn was. Ze kreunde terwijl ze zich omdraaide en haar gezicht half in de kussens begroef. Ze sloot haar ogen en haalde zich de scène van gisteravond weer voor de geest. Ze herinnerde zich dat ze gehuild en geschreeuwd had, nadat haar vader haar had geslagen. Ze herinnerde zich dat ze niet kon ophouden en dat ze voortdurend mevrouw McBride de schuld van alles had gegeven. Dat was vlak voordat haar moeder haar die tablet gaf; het moest een slaaptablet zijn geweest. Ze draaide zich weer op haar rug en keek naar het raam. Mevrouw McBride had geen schuld, zijzelf had schuld. Toen ze dat te weten was gekomen over Yvonne Radley, had ze naar haar moeder moeten gaan met het nieuws, of ze had haar vader onder vier ogen moeten spreken en de gevolgen riskeren. Ze voelde dat er een golf van misselijkheid over haar heen kwam, toen ze bedacht dat het resultaat niet slechter kon zijn geweest, wat ze ook had gedaan.

Maar wat was er sinds gisteravond gebeurd? Haar moeder was helemaal alleen achtergebleven. Op dit moment twijfelde ze er niet aan dat haar moeder de hele nacht alleen was geweest. Want toen ze zich de uitdrukking op het gezicht van haar vader voor de geest haalde, wist ze dat die opstandigheid betekende, en dat hij van plan was zijn eigen weg te gaan. Ze moest opstaan en naar haar moeder gaan kijken.

Toen ze zich ophees in een zittende houding dacht ze: o, lieve help, ik voel me verschrikkelijk. En ze ging weer liggen, met haar hoofd tegen het hoofdschot van het bed en luisterde een moment naar de gewone huiselijke geluiden die de dageraad meebracht: de gedempte voetstappen die in de keuken beneden klonken, een deur die gesloten werd, het geblaf van Simon, het geloei van het vee. Het vee... Ze hief haar hoofd van het kussen. Wie zou voor het vee zorgen, de boerderij in zijn geheel? Michael, natuurlijk... Ja, Michael was er ook nog. Nogmaals viel haar hoofd terug. Ze moest opstaan en erachter zien te komen hoe de zaken ervoor stonden, maar wat voelde ze zich afschuwelijk.

Toen ze het beddegoed van zich afgooide, klonken er voetstappen op de overloop; ze waren kalm, zwaar en langzaam. Toen ze deze voetstappen herkende, wendde ze haar gezicht naar de deur. Ze bleef stilzitten met het beddegoed in haar hand, terwijl een been over de rand van het bed hing. Toen er een zacht, bijna onhoorbaar klopje op de deur klonk, trok ze haar been weer in bed en de dekens om zich heen en wachtte.

De deur ging open en ze zag haar vader binnenkomen, in zijn nachtgoed met een kamerjas eroverheen, een kopje thee in zijn hand en een uitdrukking op zijn gezicht, die ze er sinds vele dagen niet had gezien. Ze vroeg zich een ogenblik af of ze gedurende de nacht gestorven was, of dat ze nog droomde. Of was ze, als ze wakker was, nog steeds onder invloed van de slaaptablet? Ze hield haar ogen op hem gevestigd toen hij langzaam naar het bed liep. Ze keek hoe hij het kopje thee op het tafeltje zette en zich toen neerliet op de rand van het bed. Toen ze in zijn gezicht staarde, gleden de jaren van haar af; ze was weer zeven, of negen, of elf, of dertien, en ze wist dat er op de hele wereld niemand was zoals haar vader. Nog nooit was er ergens ter wereld iemand geweest zoals hij en er zou ook nooit meer zo iemand zijn. Toch had ze in al die keren dat ze in het verleden samen waren geweest nog nooit een uitdrukking op zijn gezicht gezien als nu. Ze zou hebben gezegd dat haar vader niets afwist van nederigheid; haar vader kon niet nederig zijn, maar binnen in dit zware, mannelijke individu dat nu voor haar zat, bevond zich een nederig man, een beschaamde man, die bang was voor de reactie waarmee zijn gebaar misschien ontvangen zou worden. Ze keek hoe hij zijn hand naar haar gezicht bracht, naar de pijnlijke zijde, en toen ze voelde dat zijn vingers haar wang aanraakten, trok ze haar schouders op en omklemde zijn hand terwijl ze haar armen snel om zijn nek sloeg.

'Ik zal het mezelf nooit vergeven. '

'Vergeet het, o, vergeet het, vader. Het was niets. Ik vroeg erom. '

'Ik zal het mezelf tot mijn dood toe niet vergeven. ' Ze duwde hem van zich af en keek hem aan, maar ze kon hem niet zien. Ze stelde hem een vraag. Het leek niet nodig te zijn, maar ze moest hem stellen. Ze moest zijn antwoord horen. 'Is alles in orde, vader?' Vaag zag ze de beweging van zijn hoofd, toen hield hij haar weer vast en antwoordde mompelend met dikke stem: 'Ja, God zij dank. ' God zij dank, had hij gezegd, en haar vader geloofde niet in God, nu ja, niet in de door de kerk erkende God althans. Maar God zij dank. En zij zei eveneens, uit de grond van haar hart, uit het diepste van haar wezen dat hij tot leven had gewekt: 'God zij dank. ' Maar hardop antwoordde ze op haar gewone manier. 'O, vader! O, vader!' zei ze.