'Ben je het al?'
'Is het zover?'
'En? Nog steeds niets?'
'Verdomme, wat ga je nu doen?'
Wanhopige berichten, hulpgeroep, bidden, inspannende belachelijke oefeningen, voortdurend onder je rok kijken, de obsessie van de rode vlek die vrijheid impliceert... 'Menstruatie, wat een mooi woord!' had Lou vroeger aan Hermine geschreven. Wat mooi, vooral wanneer het zover was en je voor een maand, slechts een maand, weer een maand, verlost was van een toekomst die je opgelegd werd, met daarbij nog de druk van de liefde.
Nee, Louise had er nooit aan gedacht kapotjes te gebruiken. Arnaud ook niet. Er was doodgewoon geen sprake van geweest. Liefde moet poëtisch blijven, nietwaar? Natuurlijk. En het was toch wel prettiger dat ze zich zonder wist te redden. Ze wisselden over deze kwestie een minimum aan informatie uit.
'Is het gelukt? Is het weg?'
'Ja.'
'Gaat het? Voel je je oké?'
'Ja, het gaat wel.'
Oef, tot de volgende keer maar weer. Vooral niet te veel belang hechten aan die episodes, want anders maak je de liefde kapot. Ze waren het erover eens dat Arnaud op die momenten niet genoeg zelfbeheersing bezat om zich op tijd terug te trekken. Dat had toch iets sympathieks, niet? De Natuur, de menselijke natuur, zorgt dat alles goed geregeld wordt. Behalve in geval van ziektes, van beproevingen, geeft ze in het algemeen de gebruiksaanwijzing, de juiste dosis, die je net kunt verdragen. Als je iedere keer bij het vrijen aan het einde van de maand had moeten denken, had geen enkele verstandige vrouw het ooit nog gedaan.
Vijf abortussen en twee bevallingen in vier jaar tijd, waarvan er maar één was gewenst, was wel vervelend maar zo was het leven, het huwelijksleven. Of je zorgde dat het verdween of je was eeuwig aan het moederen, zoals Agnès die haar vierde kind had in vijf jaar tijd, en ontkalkt, met spataders, ten onder was gegaan in het badwater waarin continu de luiers van de twee jongsten lagen te weken. Ieder moest voor zich maar kiezen, als ze dat kon, en plezier blijven beleven aan de liefde,als ze dat kon. De anderen deden alsof. Aan de oppervlakte van de samenleving was er niets dat het stille water van het algemene goede geweten kwam verstoren. De woelingen bleven verborgen, werden in het geheim beleefd, in eenzaamheid, wanhoop, ziekte of depressie. Maar meestal kreeg het leven met zijn barmhartige vermogen tot zorgeloosheid de overhand.
Zonder wrok, zonder bitterheid, zonder opstandigheid deed Louise eigenlijk niets anders dan zich aansluiten bij al die lieve, ontroerende, dwaze vrouwen uit alle tijden, die ja hebben gezegd tegen een man, tegen een instinct dat even diepgeworteld is als het instinct tot overleven, ja tegen een moment van liefde of vergetelheid, tegen die goddelijke roes die zich van hen meester maakte, tegen dat hardnekkige tropisme, ja, zelfs met het risico in de steek gelaten te worden, beledigd, ontluisterd, weggejaagd en vervloekt door hun familie, in eenzaamheid en schande te moeten bevallen, tot in hun onechte kinderen toe veroordeeld door de maatschappij. Het ja van de jonge dienstmeisjes uit de betere buurten, van de kleine meisjes die door hun vader achternagezeten worden, van de jonge secretaresses die verliefd zijn op hun baas, het ja van de echtgenotes die er een hekel aan hebben, van de moeders met twaalf kinderen die toch doorgaan, het ja van de vrouwen die geslagen worden of daar bang voor zijn, van de piepjonge moedertjes die er al twee hebben en er toch nog in geloven; ja omdat je niet nee kunt zeggen tegen een man, of tegen het leven.
Is er soms een andere verklaring voor dit krankzinnige gedrag? Ik heb er nooit een gevonden.
Eind april '47 is Pauline vier maanden. Louise is weer aan het werk gegaan bij het Radiojournaal. Het leven is niet gemakkelijk in de kleine negerhut waar je je op geen enkele manier kunt onttrekken aan het gehuil van een pasgeboren baby. Arnaud werkt liever op zijn bureau en komt laat thuis, als het kind in bad is geweest, haar buikje vol heeft, en in theorie uitgeschakeld is. Omdat Louise verplicht is een oppas-hulp-in-de-huishouding in te schakelen, houdt ze weinig over van haar salaris. Wanneer ze dan ook geconfronteerd wordt met het feit dat ze helaas maar al te vruchtbaar blijkt te zijn en ze alweer zwanger is', hoeft ze daar niet lang over te praten. Louise heeft een adres. Ze zal de ingreep laten verrichten als Arnaud op reis is, want die valt flauw als hij bloed ziet en ze wil hem dit soort ceremonieel niet opdringen. Vriendelijk dringt hij nog wat aan, maar het is een principe van haar: hij heeft het al moeilijk genoeg met een vrouw die zwanger wordt zodra je haar aanraakt en ze wil alleen door een andere vrouw geholpen worden. Zodat ze weigert terug te gaan naar professor V. want ze herinnert zich dat ze zich daar alleen maar vernederd voelde. Ze besluit er ook niet met haar moeder over te praten. Hermine stelt altijd de mannen verantwoordelijk en ze wil haar geen nieuwe wapens tegen Arnaud in handen geven. Maar zoals gewoonlijk is daar Lou, voor wie alles natuurlijk is, Lou die geen last heeft van principes of nutteloze raadgevingen, die nergens een drama van maakt, die accepteert dat je je vergist, opnieuw dezelfde fout maakt, stom bent. Ze heeft een afspraak gemaakt met Jeanne Saulnier, een vroedvrouw die een kinderdagverblijf leidt in Montmorency en die Louise oppervlakkig kent omdat ze haar wel eens bij haar moeder thuis heeft ontmoet. Ze heeft zich altijd afgevraagd wat de band was tussen dat magere, onopvallende vrouwtje dat soms kwam lunchen en de briljante kunstenares die zo'n trouwe genegenheid voor haar aan de dag legde. Nu begrijpt ze het.
Zoals alle mensen die geconfronteerd worden met de fundamentele gebeurtenissen van het leven, was Jeanne Saulnier niet scheutig met emoties of vriendelijke woorden:
'Je weet, meisje, dat je dit spelletje niet te vaak moet spelen,' zegt ze alleen voordat ze haar meeneemt naar haar spreekkamer. 'Ik zal een sonde bij je aanleggen die moet blijven zitten tot de miskraam op gang komt. Zodra de bloeding begint, haal je de sonde eruit, denk daarom. Niet bij drie druppels bloed... wacht tot het echt bloedt.'
'Ik ben nog maar dertien dagen over tijd, zou het gemakkelijk loskomen? Misschien hoef ik niet in het ziekenhuis gecuretteerd te worden? Het klinkt gek maar het zou ons al ons vakantiegeld kosten!'
'Met een beetje geluk... Luister, neem wel 's ochtends en 's avonds je temperatuur op. Je zult alleen waarschijnlijk wat pijnlijker en langduriger menstrueren. Als je geen koorts hebt, betekent het dat alles goed is gegaan. Maar als je ook maar enigszins ongerust bent, ga dan meteen naar je dokter, degene die je met de bevalling heeft geholpen. Die zijn dat gewend, wat dacht je. Maar praat vooral niet over die sonde; je hoeft hem niet in een onmogelijke situatie te brengen.'
'En wat moet ik tegen hem zeggen?'
'Niets. Het is een betrouwbare man, ik ken hem. Hij zal je niets vragen. Hoe minder je erover zegt bij dit soort zaken, hoe beter het is. Voor iedereen. Ga maar liggen, schat, ik kom zo.'
Louise klimt op de angstaanjagende stoel, buiten zichzelf van dankbaarheid. Vriendelijke woorden op zulke momenten, een zachte hand die niet op winst belust is, zouden je zo in snikken doen uitbarsten.
Jeanne stelt geen enkele vraag. Ze heeft genoeg respect voor Louise om haar te beschouwen als een volwassen vrouw die het recht heeft haar leven in te richten zoals zij dat wil. Haar kleine magere gezicht, haar handen van een handarbeidster die zoveel kinderen op de wereld hadden gebracht, haar blauwe ogen die flets leken te zijn geworden door al te veel tranen, zeiden duidelijk genoeg dat het haar taak niet meer was om te oordelen. Ze zag er op haar vijftigste nog uit als het magere voogdijkind dat ze was geweest, en daarna een verlegen verpleegster die verleid en in de steek gelaten was door de dokter van de kraamkliniek waar ze werkte. Een dokter die zich op de vergelijkende examens voorbereidde en Jeanne begreep best dat het volstrekt onlogisch zou zijn dat hij zou trouwen met een arm verpleegstertje dat niet al te knap was en bovendien ook nog een beetje rachitisch. In de steek gelaten worden, dat kende ze al, dat was ze gewend. Hij was tegenwoordig hoogleraar, zei Jeanne met vertederd ontzag, ze had zich dus niet voor niets opgeofferd. Maar hij had zich keurig gedragen door iedere maand wat geld te sturen om haar te helpen bij de opvoeding van hun zoon. Hij had hem nooit willen zien, want hij had zelf drie echte zoons en had onder geen beding gewild dat deze jeugdzonde bekend werd, al was het alleen maar uit respect voor zijn vrouw die erg katholiek was en een zwak hart had.
Jeanne had, behalve van haar zoon, nooit meer van een man gehouden. Ze had zich gewijd aan de vrouwen die ze hielp bij de bevalling of verzorgde, al die vrouwen van wie er zoveel alleen waren op dat vreselijke en heerlijke ogenblik waarop ze een kind het leven schonken en voor wie zij, intuïtief en tien jaar voordat anderen dat deden, had bedacht hoe een geboorte rustig en bewust kon plaatshebben.
'Doe ik je geen pijn, liefje?' vroeg ze zacht terwijl ze het speculum inbracht dat ze even in gekookt warm water had gehouden opdat Louise niet het koude metaal zou voelen. 'Zo, alles zit op z'n plaats,' kondigde ze een paar minuten later aan. 'Je moet een goed strakke gordel omdoen, dan kan de sonde niet verschuiven. Vooral omdat je op de fiets naar huis gaat, veronderstel ik,' voegde ze er met een berustende glimlach aan toe. 'Maar pas goed op: als je een ongeluk zou krijgen en ze vinden je met dat ding...'
Maar ze kreeg geen ongeluk, noch die dag noch drie dagen later. Een klein gebaar en negen maanden zwangerschap en jaren van zorg werden uit haar leven geschrapt. Louise voelde zich alsof er een enorme last van haar afviel. De fout was ongedaan gemaakt, de fout om een buik te zijn die niet gehoorzaamt, die mannen in de val laat lopen en een bedreiging vormt voor de liefde. Ze was er trots op dat ze niet één dag was thuisgebleven van haar werk bij de Radio. Braaf lichaam, hoor! De toekomst leek haar minder bedreigend.
Arnaud kwam voor de eerste keer met bloemen aanzetten. Hij vroeg niet naar bijzonderheden en volstond ermee met een half smartelijke, half afkerige blik zijn hoofd te schudden toen ze hem in een paar woorden vertelde over haar bezoek aan Jeanne.
Louise voelde zich niet moe, maar ondanks hun financiële problemen drong hij erop aan dat ze de week verlof die ze die winter nog had, opnam en er een paar dagen met Viviane tussenuit trok. Hermine die uit Londen terugkwam waar ze net een zeer geslaagde expositie had gehad, was die week erg welwillend en stelde voor op de baby te passen, zodat 'het meisje' wat meer haar handen vrij had. Ze was perfect, het meisje, afgezien van het feit dat zij wel recht had op haar wekelijkse rustdagen. Recht op verkoudheden, op verstuikingen, op spijsverteringsproblemen, op liefdesverdriet... Sinds de geboorte van Pauline stond Louise iedere ochtend doodsangsten uit dat mevrouw Le Gall zou opbellen met de mededeling dat haar dochter Simone een haar had gekneusd en in bed moest blijven.
'Maar natuurlijk, mevrouw, die arme Simone! Zegt u maar dat ze goed voor zichzelf moet zorgen, we redden ons wel...'
Een flinke schop onder haar kont, ja! Maar helaas kon je die methode niet meer toepassen. Iemand als Germinie Lacerteux, zo'n simpele ziel, zo'n dienstbode die alleen in bed ging liggen om te sterven, vond je niet meer bij Het Baken, het arbeidsbemiddelingsbureau in de rue de Passy voor Moeders in Nood. En verkeer je niet altijd in nood als je moeder bent?
Het leven was in '47 nog lastig, alsof het land zijn gewoontes uit de bezettingstijd maar niet kon opgeven, en je was vele uren kwijt voordat je het recht kreeg te gaan leven. Louise had een voorrangskaart, maar er waren duizenden moeders die in de gemeentehuizen met dezelfde kaart stonden te zwaaien voor het loket van de e-kaarten voor beneden de twee jaar, om zich daarna als wilden opnieuw in de rij te storten bij loket J3, bestemd voor 'jonge vrouwen en moeders die een zuigeling hebben gevoed'. Louise die niet meer zelf voedde maar dank zij de erkentelijkheid van de staat nog wel een paar maanden gebruik mocht maken van kaart j3, werd bovendien nog verzocht achter een verklaring aan te gaan waarin stond dat ze niet zelf kon voeden, waarmee ze dan gerechtigd was in de rij te gaan staan voor 'speciale toekenning geconcentreerde melk' en zich vervolgens bij loket 7 te vervoegen om bovengenoemde bonnen in ontvangst te nemen.
En dan had je nog de allerlangste rij, de rij van volwassenen zonder bijzonderheden zoals Arnaud, die slechts recht hadden op kaart m, en niet te vergeten nog de tabakskaart die alleen bestemd was voor de mannetjes van de soort, en vervolgens de verplichte inschrijving bij een sigarenwinkel die als enige bevoegd was de drug te leveren. Zelfs brood kocht je altijd met bonnen en nog nooit was het rantsoen zo karig geweest: 200 gram per dag. Na zoveel jaren van consumptiebeperkingen begonnen al die pesterijen ondraaglijk te lijken.
Het was bovendien april na een winter die niet van wijken wist, het seizoen waarin, als plantensap, de behoefte opkomt om andere lucht in te ademen. Louise droomde vooral van een diepe slaap die niet verstoord zou worden door het geschreeuw van een zuigeling. Ze vertrok dus met Viviane naar Kerviglouse waar Arnaud en Félicien beloofden hen in het weekend op te zoeken. Het was haar eerste meisjesvakantie sinds ze geen meisje meer was en ze ontdekte dat ze nog die levenslust bezat die ze meende te zijn kwijtgeraakt sinds ze getrouwd was. Adrien kwam voor een paar dagen langs om de illusie van het verleden volledig te maken en ze gingen weer botanische en geologische uitstapjes maken. Ook Woef Lagadec keerde terug naar zijn oude gewoontes en kwam zonder meer zijn intrek nemen in het huis met het rieten dak waar hij ieder jaar een paar maanden lang speelde dat hij een aanbeden hond was.
Viviane fladderde wat rond, bleef met haar hakken tussen de kieren van het oude parket steken, liet de hapjes aanbranden die ze met een samenzweerdersblik stond klaar te maken, gaf de genadeslag aan slakommen met een barst die, doordat er voorzichtig mee omgegaan was, tien jaar waren meegegaan en liet haar portemonnee in het dorp liggen.
'Je ziet het, ik breek alles en ik raak alles kwijt, zelfs mijn foetussen,' zei ze met een verdrietig lachje.
Zij die wanhopig was dat ze geen kind kon krijgen, was jaloers op de vruchtbaarheid waar Louise wanhopig van werd.
'Goed, een kind, dat is fantastisch maar dan geen Nietzsche meer, geen Plato, niet meer 's middags naar de film of 's zondags uitslapen...'
'Je las toch niet elke dag Plato!'
'Nee, maar het kon wel. Nu is het Spock!'
Viviane had lak aan Spock en ook aan Plato, en trouwens ook aan Kravchenko die in die tijd een scheiding der geesten veroorzaakte zoals de affaire-Dreyfus dat had gedaan en van wie Adrien hun 's avonds rond het houtvuur passages voorlas bij de oude schoorsteen met de granieten latei die al generaties Bretons vóór hen had verwarmd. Woef, met een zwart en een wit oog, zijn buik vol en naar hartelust geaaid, lag erbij als een sybariet, en deed alsof hij sliep om het ogenblik uit te stellen waarop hij teruggestuurd zou worden naar het vochtige stro in zijn hok.
Wanneer houtvuren iets anders zijn dan een decor in een al oververhit Parijs' appartement, zijn ze in staatje terug te voeren tot de essentie van het leven. Ze hadden de indruk dat ze bij het vriendelijke schijnsel van de vlammen belangrijke dingen zeiden en Adrien voelde zich als de gerespecteerde patriarch die hij in andere tijden, met een andere partner, had kunnen zijn.
Maar ze moest weer terug naar Parijs, 's ochtends vroeg op de fiets door de nog stille straten wanneer ze 'vroege dienst' had, de zuigflesjes klaar in de koelkast en de maaltijd voor Arnaud die hij moest opwarmen wanneer ze 'late dienst' had, wat hij vreselijk vond, want dan zag hij zich genoodzaakt de wacht te houden bij de wieg en met vuile luiers in de weer te zijn die hij bij een puntje vastpakte om ze in de badkuip neer te leggen, waar Louise ze dan om twaalf uur 's nachts vond om ze met een houten spatel af te schrapen voordat ze ze 's nachts liet weken zodat Simone ze 's ochtends kon uitkoken. De mogelijkheid van een nieuwe zwangerschap, geconcretiseerd door de komst van een tweede achterwerkje dat afgeveegd, gewassen, gepoederd, met crème ingesmeerd, gekust en elke dag van luiers voorzien moest worden, om nog maar te zwijgen van de andere openingen die niet verwaarloosd mochten worden, leek haar onacceptabel. Toen ze dan ook drie maanden later merkte dat het weer 'zo ver' was - dat was waarachtig de gemiddelde duur - besloot ze, zonder er ook maar met Arnaud over te praten, dat ze moest leren zich alleen te redden. Het was alleen een kwestie van het juiste gereedschap, en bij gebrek aan gereedschap, van vindingrijkheid.
Aangezien ze geen speculum had en geen mogelijkheid zag om eraan te komen, zou ze haar toevlucht nemen tot de traditionele breinaald. In plaats van de sonde, waarvan de verkoop bij de apotheek streng verboden was, kon je heel goed vissnoer nemen, dat per meter werd verkocht en bij alle winkels in visserij -artikelen zo gekocht kon worden. Verder hoefde ze dan alleen nog maar de anatomieboeken van Jean-Marie te raadplegen om de juiste plek te bepalen, en een geschikt weekend te vinden, dat wil zeggen als Arnaud op reis zou zijn, Simone vrijaf had en Viviane beschikbaar was om op Pauline te komen passen tijdens de ingreep die de eerste keer wel eens lang kon duren. Met tegenzin stemde ze toe.
'Waarom vraag je Arnaud niet om erbij te zijn? Ik vind het doodeng. Ik heb al problemen gehad met de politie vanwege het dienstmeisje dat bij mij thuis een bloeding kreeg, dus...'
'Arnaud wil niet nog een kind maar hij wenst niet te weten wat je daarvoor moet doen. Bovendien maakt het me niet uit of jij het gevaarlijk of vies vindt, schat.'
'Maar je had het eerst eens kunnen proberen met Duitse jenever, of met kinine... Dat schijnt te werken...'
'Ik heb alles geprobeerd, geloof me, en alles gekregen, flauwtes, misselijkheid, rillingen. Alles, behalve een miskraam.'
Viviane kreeg overigens alle tijd de verschillende vernietigingsmethodes vanaf de tijd van Attila de revue te laten passeren en alle ongelukken waarover ze had gehoord, terwijl Louise intussen bezig was de kleine ronde opening van haar baarmoederhals te lokaliseren en haar vijftig centimeter gummi snoer op de breinaald te schuiven die het buisje omhoogbracht in een vagina die nog nooit zoveel tegelijk had meegemaakt.
'Je weet toch dat je met zo'n ding een hartstilstand kunt krijgen... En wat moet ik dan doen?'
'Nou, dan zorg je vooral dat al het materiaal verdwijnt. En daarna bel je het alarmnummer van de politie en zeg je dat je me net dood hebt aangetroffen. En vergeet niet Pauline haar volgende flesje te geven: het staat in de koelkast.'
'O, schei uit, houd me niet voor de gek. In elk geval waarschuw ik je: ik ben niet in staat je te helpen. Ik kan mezelf al niet eens aanraken...'
'Wees maar gerust, ik zal je niets vragen, ik zou veel te bang zijn dat je mijn buik doorboort en het embryo laat zitten!'
Waar Jeanne Saulnier tien minuten over had gedaan, was Louise twee uur mee bezig. Het deed geen pijn maar het was uitputtend om in zo'n belachelijke, ongemakkelijke houding te werken, op de tast, heel voorzichtig om geen schade aan te richten. Ze zat steeds naast de ingang, het vissnoer lag dan diep in de vagina opgerold en dan moest ze weer helemaal opnieuw beginnen. Viviane kwam om de tien minuten kijken, met een angstige blik in de ogen.
'Ik ben nog maar een beginneling,' zei Louise. 'De volgende keer gaat het vlugger. Dan doe ik het direct met een haak.'
Viviane haalde haar schouders op. Ze begreep niet dat Louise hierover grappen kon maken, maar ieder moet maar zien waar hij de moed vandaan haalt.
Toen Arnaud terugkwam, was de lei gewist, alles ging goed, ze konden zo weer beginnen. Hij leek sinds een tijdje meer ontspannen, bijna gelukkig. Paris-Presse vroeg hem om artikelen, hij was bezig een beroemdheid te worden en bloeide op bij de warmte van zijn ontluikende roem en het feit dat het einde van de maand er wat comfortabeler uitzag. Hij vond het fijn om herkend te worden en liet zich gemakkelijk meeslepen door het soort vriendschappen dat succes met zich meebrengt, waarbij hij alle gelegenheden aangreep om uit te gaan en in het wereldje van de Parijse cocktailparty's te komen. Louise zag altijd op tegen die feestjes waar hij haar mee naar toe nam om haar dan onmiddellijk te vergeten. Wat schoot hij ermee op zich met haar te bemoeien, want hij wist immers zeker dat hij haar bij thuiskomst wel weer zou aantreffen! Niemand herkende haar, door haar verlegenheid bleef ze zich afzijdig houden en ze keek met een vijandige blik hoe iedereen zich verdrong om 'Weet je, Arnaud Castéja, die Aujourd- 'hui en France heeft gemaakt...'
'Je bent eigenlijk een monstertje,' zei Arnaud als ze naar huis gingen, 'je zou willen dat ik buiten jou om niet meer leefde!'
'Ik heb altijd meer zin om met jou te zijn dan met een willekeurige ander, zelfs op een feestje. Jij beschouwt dat als een ziekte?'
'Nooit... Altijd, het is in ieder geval een gevangenis, die vorm van liefde. Wat wil je, de hele wereld interesseert me nog steeds.'
Speciaal de vrouwen van de hele wereld, had Louise willen antwoorden. Maar misschien had hij gelijk, het was waanzin. Alle liefde is waanzin. Toch is het zo duidelijk dat je al heel snel, maar al te snel, niet meer opgewonden zult raken als je het geluid van een sleutel in het slot hoort, dat de aanwezigheid van een bepaalde persoon niet langer voldoende is om het leven zin te geven... dan kun je toch niet anders dan een knieval maken wanneer de liefde zich voordoet?
In september '47, Pauline was tien maanden, klapte de zaadcelval opnieuw dicht. Moedeloos geworden, besloot Louise er met Arnaud over te praten. Je kon dat lichaam toch niet om de drie maanden verkrachten. Bovendien moest die zoon toch eens verwekt worden... Kortom, nu het toch uit de hand gelopen was... besloten ze dit embryo in leven te laten. Het kwam wel slecht uit: Arnaud had net een contract getekend met de Franse Poolexpedities en zou in april voor twee maanden naar Groenland vertrekken. Hij zou niet bij de geboorte aanwezig zijn. Hij stelde voor dat contract te verbreken, maar Louise protesteerde heftig. Het was al erg genoeg dat ze hem met dit tweede kind opscheepte zo vlak na het eerste, dan mocht hij niet ook nog eens zo'n buitenkansje mislopen. Met een kind op de arm, plus nog een in haar buik, was het misschien wel goed dat hij niet nog eens al die gynaecologische zorgen zou meemaken. Maar ze vond de toekomst zorgwekkend. Als de komende jaren er net zo zouden uitzien als deze, was ze op weg naar de prix Cognacq... of de gevangenis voor het plegen van abortus. Ze had gehoord dat ze in Engeland gummiringen voor vrouwen verkochten, die bevruchting zouden voorkomen. Ze zou proberen er een aan te schaffen. Arnaud wist van niets. In die tijd leefden de seksen heel erg gescheiden, je bracht over en weer zelden je intieme problemen ter sprake. Vrouwen redden zich onder elkaar. Maar Louise dacht dat als ze haar vissnoer drie of vier keer per jaar moest gebruiken, ze ten slotte haar ziel kwijt zou raken en anders wel haar gezondheid.
Eind april '48 vloog Arnaud dus naar Schotland vanwaar hij scheep zou gaan naar het zuiden van Groenland. Zijn afwezigheid viel deze keer nog zwaarder doordat ze onmogelijk anders konden communiceren dan via radioberichten.
'Schrijf me toch maar al die tijd,' vroeg hij haar, 'je houdt er toch zo van om je hart uit te storten... Dat ik als ik terugkom weet of je nog houdt van die arme Arnaud die wel niet zo'n leuke tijd zal hebben met de Eskimovrouwen.'
'Arme schat, ik weet best dat je veel liever met me zou willen ruilen en in alle rust hier bevallen...'
'Gek dat ik op de ijsvelden zal horen dat mijn zoon geboren is! Gustav is trouwens een Skandinavische naam. We zouden kunnen aangeven dat hij in Angmassalik is geboren, dat klinkt wel even anders dan Boulogne-Billancourt, zeg nou zelf.'
'Als het een meisje is, is Boullogne-Bilancourt uitstekend.'
'Het wordt een jongen, dat zul je zien. Zie je mij met twee dochters? Bovendien zou je er dan nog een moeten maken!'
-
GUSTAVE
10 april 1948
'Denk om je keel. Ga niet zonder sjaal naar buiten in Groenland!'
De armzalige woorden van degenen die achterblijven, zoals op het perron van een station wanneer de trein maar niet wil vertrekken. Arnaud belde me de laatste keer voor de grote oversteek vanuit Edinburgh en een paar lieve woordjes hadden me al in snikken doen uitbarsten. En dat had ik al gedaan toen hij, voordat hij de deur van de negerhut voor twee maanden achter zich dichttrok, heel zachtjes tegen me had gezegd: 'Ik ben blij dat jij mijn vrouw bent.' Ik had die kostbare informatie opgeslagen als een mier, met het oog op de winter die me te wachten stond. Hij moest waarschijnlijk naar het einde van de wereld afreizen om eindelijk die zin te kunnen uitspreken die me de verzekering geeft dat ik mijn leven niet verknoeid heb. Ik heb nog liever dat Arnaud ver weg is en van me houdt dan dat hij dichtbij is en weinig enthousiast.. . Vooral omdat ik er op het ogenblik niet erg florissant uitzie, suf van een verkoudheid die wel een sinusitis lijkt, met de strakke blik van een dier dat moet kalven, gekleed in een wollen zak met losse panden die aan een verschuifbare band vastzitten, een ontwerp van Lou, maar ik zie ermee uit als een buik op pootjes.
Mijn Odysseus van de noordelijke zeeën, die onder een zuivere zilte bries koers zet naar de ijsvelden, fris, zorgeloos, ongeschonden en vol opwinding zoals elke Odysseus en, net als hij, zonder gedachten aan de dikke Penelope die thuis moet blijven, lijkt wel tot een andere wereld te behoren. Als een echt wijfjesdier heb ik geen andere keus dan te luisteren hoe mijn buik dikker wordt en intussen op het kuikentje van het vorige broedsel te letten.
Ik had gepland om deze zes weken zwangerschapsverlof te gebruiken om alles wat ik had opgeschreven, stukjes roman en de eerste versie van gedichten, te ordenen. Een illusie! Hoe kun je openstaan voor inspiratie, voor creatieve gedachten als je lichaam aan de grond genageld is door zo'n zware bal? En als het lichaam is bevrijd, neemt het hart het over, en deze keer niet alleen voor negen maanden. De geest kan nog steeds doen alsof hij vrij is. Maar wanneer je moet schrijven, is niet alle tijd hebben, hetzelfde als helemaal geen tijd hebben.
Diep weggezonken in mijn tweede moederschap droom ik van de zee, van reizen, van boten, als een gevangene die voor lange tijd vastzit. Och Heer, wat snak ik naar zomers!
11 april
Een briefje van Arnaud gekregen, het laatste voor hij aan boord gaat. Ben ik ernstig besmet door de literatuur? 'Je man die aan je denkt', 'ik kus je zoals ik van je houd' en verder 'de gedachte aan jou is voortdurend bij me' kunnen in mijn ogen niet op tegen dat korte 'Ik A. je' van Jean-Marie. Bij mij is het alsof ik meer van iemand houd als ik het beter onder woorden heb kunnen brengen.
'Er stroomt geen inkt door mijn aderen maar bloed,' antwoordde Arnaud eens toen ik hem vertelde wat ik ervan vond.
Ook inkt kan rood zijn...
20 april
Zoals de echte moeders van het XVIde arrondissement die niet werken, breng ik mijn middagen met Pauline in het Bois de Boulogne door en moedeloos ben ik er getuige van hoe ze kennismaakt met de kleingeestigheid van de mens. Van geboorte was ze utopistisch socialiste, leende ze haar speelgoed uit en hielp ze andere kinderen hun emmertje te vullen. Sinds ze heeft meegemaakt dat een verontwaardigde moeder haar een schepje of een vormpje uit de handen rukte: 'Jeröme, kom op, laat je spullen niet afpakken!' heeft ze zelf ook geleerd te gaan brullen zodra iemand aan haar bezit komt. Het dieptreurige tafereel van een jongetje dat op zijn klapstoeltje midden op een berg zand zit met al zijn speelgoed in zijn armen, en niet het risico durft te nemen een zandtaartje te maken want dan moet hij zijn schepje even neerleggen. Dat worden later de mensen die een hangslot op hun koelkast doen om te voorkomen dat het dienstmeisje 's nachts iets te eten pakt... of die, zoals de man van Agnès, zeggen: 'Arbeiders? Die geven meer uit voor hun eten dan wij. Dus laten ze alsjeblieft niet aankomen met...'
25 april
Hier binnen niets nieuws. Ik ben bijna net zo dik en passief als een muilezelin. En ook niet meer ideeën of fantasie dan zo'n beest. 'Een muilezelin is mooi!' zegt Lou om me te troosten. Mooi, ja: om naar te kijken, niet om te zijn.
Voor wat afleiding neemt ze me mee naar haar favoriete waarzegster die me meedeelt dat ik een jongen van negen pond krijg en dat ze aan mijn zijde 'een huiselijke man' ziet 'die er op uit is me gelukkig te maken'. Een huiselijke man aan de Noordpool, dan is mijn huis wel erg groot!
'Ik weet inderdaad zeker dat hij verliefd op je is,' verzekert Lou me als ze weer met me naar huis gaat, 'maar je gunt hem nooit de tijd erachter te komen. Katachtige roofdieren moet je niet te veel aanhalen.'
'Maar liefde is geen keukenrecept! Ik houd van hem op mijn manier, Lou, ik kan het niet anders. Ik ben niet in staat er een strategie op na te houden en bovendien vind ik dat vernederend voor beide partijen.'
'Dan had je de Grote Hond maar niet moeten laten schieten. Jij kiest voor een man uit het Zuiden, dat wil zeggen een verleider die nog benauwd is ook - dat zijn ze allemaal - en je kunt hem niet verdragen!'
Precies. Maar misschien houd ik niet van verdragen? Lou smult van haar mannen als van lekkere bonbons, gulzig, maar ze staan haar gauw tegen. Hermine slokt ze op en minacht ze vervolgens omdat ze dat hebben toegelaten. Ik word aangetrokken door moeilijke gevallen, ik vind het heerlijk van iemand te houden en dat ook te zeggen. Een ernstige misvatting, naar het schijnt.
'Situ-Nemai-Meupas-Jetaim,' neuriet Lou met haar heldere, iets te hoge stem, zoals alle operettezangeressen in Frankrijk hebben. 'Het is droevig, maar zo eenvoudig is het nu eenmaal in de liefde, dat zul je zien.'
Wanneer zal ik dit soort waarheden leren? En moet ik daar echt naar uitzien?
7 mei
Félicien en Viviane kwamen eten. Ik hoopte echt dat het vannacht zou gebeuren en dat ze me naar de kliniek zouden brengen, maar nee hoor. Ik voel dat Gustave midden in de nacht in mijn blauwe lakens zal belanden en dat ik met de roestige keukenschaar de navelstreng zal moeten doorknippen. Maar hoe moet ik de schaar gaan halen als die navelstreng me tegenhoudt?
We hebben naar het avondjournaal geluisterd: de Force zet koers naar de zuidkust van Groenland, dat hoor ik, zoals alle geachte luisteraars, tussen het politieke nieuws en een reportage van Samy Simon over het Verre Oosten. Mijn postduif, die zich thuis zo zichtbaar verveelde, zal op dit uur wel in zijn hangmat de zware slaap van de ontdekkingsreiziger liggen te slapen, mannen, vrienden onder elkaar, zoals hij fijn vindt.
Félicien, die door mijn toestand net zo ontroerd is alsof hij de vader was, wilde 's nachts bij me blijven, voor het geval dat... Hij vindt een zwangere vrouw mooi en ik zou onder zijn blik opbloeien als een dikke gelukkige bloem. Waarom heb ik er niet voor gekozen een dikke gelukkige bloem te zijn? Wat is dat voor slechte eigenschap waardoor ik de voorkeur heb gegeven aan die permanente ongerustheid waarin ik door Arnaud verkeer? Ik heb graag dat hij onvoorspelbaar, ongrijpbaar, onberekenbaar, onbillijk is, dat hij niet de slappe buik heeft van Félicien, zijn afhangende schouders, dat gezicht als van een droevige zeehond wiens nummertje zojuist de mist is ingegaan. Alles heeft zijn prijs; en ik houd jammer genoeg van liefde die duur is.
9 mei
Ik heb een afspraak met Gustave voor morgenochtend om zes uur! Lamaze is van mening dat het kind meer dan voldragen is en dat het maar flink van me is dat ik hem er nog niet uitgezet heb. Papa-en-mama zullen hun moeder-dochter naar de kliniek brengen. Ik heb m'n Paulientje vanmiddag bij hen afgeleverd. Het was schitterend weer, weer om te rennen, om je vrij te voelen. In de bus raakten de mensen naast mij vertederd door de ronde armpjes van Pauline, haar roze, blauwe, blonde gezichtje als van een celluloid pop, en ze zat te stralen onder hun blikken en glimlachte tegen iedereen. Ze zal graag in de smaak vallen net als Arnaud en ze zal het geluk hebben haar schoonheid als vanzelfsprekend te beschouwen. Ik herinner me niet dat ik als klein meisje ooit gedacht heb dat ik mooi was. Schoonheid leek me eerder iets dat je moest zien te verwerven, het resultaat van inspanningen die ik uit trots niet van mezelf wilde verlangen, want van nature was ik lelijk en nors!
De laatste dag van mijn zwangerschap verkeerde ik in een eigenaardige euforie, vervuld van een gevoel van... metafysische trots. Met dat wezentje in mijn armen en binnen in me dat andere wezentje dat klaar was om zich aan te sluiten bij de Broederschap der mensen, had ik mijn biologische plicht vervuld: voor Arnaud en mij had ik op aarde al plaatsvervangers gemaakt. Ik voelde me een tovenares, een heks, de dochter en tegelijkertijd de zuster van alle vrouwen die hun gelijke uit henzelf hadden zien voortkomen, vanaf het holentijdperk. In die bus had ik oprecht het gevoel dat ik een lopend wonder was, dat voor één plaats betaalde, terwijl we met z'n drieën waren, aan die arme hommel die als conducteur was vermomd en steeds grii-iix deed met zijn kniptangetje dat schuin over zijn borst hing, onder de onverschillige blikken van heren die er gewichtig uitzagen en zich verscholen achter hun tassen vol gekrabbel. Mannen zouden hun hoed moeten afnemen voor vrouwen die negen maanden zwanger zijn, en bedenken dat zonder hen de wereld niet zou bestaan, in plaats van te menen dat zij door God gegeven zijn en dat wat zij doen van het hoogste belang is.
Morgenochtend, met mijn voeten in de stijgbeugels, zal ik minder trots zijn. Dan zal ik alles willen geven om de busconducteur te zijn die grii-iix doet met zijn apparaatje. Maar vanmiddag ben ik God. Sommige vrouwen weten het en glimlachen tegen me op straat. Maar alle mannen zitten op de Noordpool.
10 mei
Adrien heeft me naar de Belvédère-kliniek gebracht. Mama houdt niet van vroeg opstaan. Ze zal later met Lou naar me toe komen. Te laat zoals gewoonlijk. Ze horen bij een generatie vrouwen die onbewust niet in staat zijn op tijd te komen, waarschijn, lijk omdat punctualiteit als militair wordt voorgesteld en te laat komen als verrukkelijk vrouwelijk, dus aan te bevelen.
Als Lamaze arriveert, onderzoekt hij me en ik ben blij verrast te horen dat de weeën echt zijn begonnen. De baarmoederhals is heel soepel. 'Over een of twee uur zal het waarschijnlijk gebeurd zijn, mevrouw.' Hoe vaak moet ik hem nog mijn kont laten zien voordat hij me 'schatje' noemt?
Om 6u20 de eerste hypofyse-prik om de weeën te bespoedigen en om 7u20 verschijnt er een donker, behaard hoofdje 'dat volgens mij het hoofdje van een jongen is', zegt de vroedvrouw. Ik slaap in met een glimlach op mijn lippen; maar ik zal hoogstens een kwartier moeder van een jongen zijn geweest... Als ik mijn ogen open, ben ik weer een onwaardig mens: het is weer een meisje, van 7,50 pond. 'Nog niet eens in staat een mannetje te maken,' zal Arnaud wel denken. 'Dan was mijn moeder heel wat beter. Weer al die drukte voor niets!' Alleen Lou schijnt verrukt te zijn dat we er weer een meisje bij hebben en dat geen enkel 'vreemd mannetje' ons geslacht komt verstoren.
De prikken hebben het proces zo versneld dat ik nauwelijks tijd heb gehad om te zien wat er gebeurde: het was een gekronkel, gepers, gescheur, gewrijf, en ten slotte wordt de spies eruit gehaald, wat veel meer pijn doet dan het opspietsen. Crunch Crunch Crunch de weeën, Ahh Ahh Iahh het persen, tot die goddelijke snuif narcose. Het knoopsgat is weer niet gescheurd; mijn Lamaze is een goochelaar die zachtjes konijntjes tevoorschijn tovert.
Er zijn klimatologische omstandigheden die de geboorte bevorderen, zoals er ook uren zijn waarop je het tijdelijke met het eeuwige verwisselt. Je sterft gemakkelijker in nachten met hevige wind. Op een dag zullen de weermannen aankondigen: 'Westenwind, kracht 7: waarschijnlijk worden er de komende nacht kinderen geboren.' Vele levenskandidaatjes hadden die dag hun intrede gedaan en in alle gangen hoorde je geblèr, kreten van moeders of pasgeboren baby's. Pas 's avonds hebben ze me ergens kunnen installeren en wel in een minuscuul kamertje, dat ongetwijfeld is gereserveerd voor vrouwen zonder man. Het belletje doet het niet, het bedlampje ook niet, maar het is 8 uur en in deze luxueuze kliniek kan of wil niemand een stopcontact uit elkaar halen. Ik heb wel babytruitjes bij me maar geen schroevendraaier.
Negen uur 's avonds, de bezoekers gaan weg, de wiegjes ook. Dit is het tijdstip waarop je neerslachtig wordt in een kraamkliniek. Ze hebben dat stukje van jezelf weggehaald om je te laten slapen, je bent eindelijk alleen in je eigen lichaam maar je hebt pijn aan dat ontbrekende lichaamsdeel. Ik herken het, dat neerslachtige gevoel van zestien maanden geleden, na de geboorte van Pauline: het was kerstavond en Arnaud, die reportages maakte van de kerstnacht in cafés, was alleen even binnen komen stormen. Ik hoorde hoe in de kamers naast me champagnekurken knalden en vrolijke stemmen klonken van mannen... en ik lag te huilen in mijn cel waar niet werd gelachen en gekust. 'Postnatale depressie!' zei de verpleegster toen ze me in tranen aantrof.
Die avond nog, net op het moment waarop mijn hormonen in mijn ogen begonnen te prikken, verraste mijn mooie Hermine me door in een kardinaalrode mantel en een hoed met een toefje veren aan mijn deur te verschijnen: ze kwam de avond bij mij doorbrengen. Was het de emotie dat ze mij zag huilen? Een gevoel van angst bij de gedachte aan haar volgende expositie? Voor een keer is ze nu eens niet van plan heibel te maken, een abces open te snijden (omdat dat oplucht) of me met mijn hoofd onder water te houden (opdat ik daarna beter kan ademen!). We praten over haar, wat zelden voorkomt, over het feit dat bij een artistiek beroep alles voortdurend ter discussie wordt gesteld en over de noodzaak je te doen gelden als schilder waarbij je als vrouw niet mag opvallen. Ze heeft de indruk dat ze steeds maar weer hetzelfde examen moet doen, als in een nachtmerrie. Bij deze overzichtstentoonstelling ziet ze erg op tegen de reactie van de critici die sinds enige tijd beweren dat ze alleen maar een mondaine schilderes is, omdat ze geen arbeidsters zou schilderen tegen de achtergrond van een fabriek of boeren die over het land gebogen staan.
'Als je zo redeneert, zou Watteau ook alleen maar een mondaine schilder zijn! En niemand neemt het Van Dongen kwalijk dat hij luxevrouwtjes schildert...'
Voor het eerst bespeur ik angst en machteloosheid achter haar grootspraak. Haar koers zou een dalende tendens vertonen, men vindt dat men haar wel gezien heeft; men is gewend geraakt aan haar eenhoorns, haar spookachtige landschappen, dat poëtische realisme dat haar zo origineel maakte. Men beweert dat ze vooroorlogs aandoet en geen twintig meer is, wat een waarheid als een koe is. Voor het eerst ontdek ik ook dat ze oud zou kunnen worden, een onvoorstelbare gedachte. We troosten elkaar over alles en niets, over wat we elkaar niet kunnen zeggen en die avond wonder boven wonder duidelijk gemaakt wordt. Je voelt je nooit zozeer de dochter van je moeder als wanneer je zelf moeder van een dochter wordt.
17 mei
De hele familie, tante Jeanne incluis, in mijn kamer bijeen om een naam te bedenken voor Gustave. Omdat iedere richtlijn van de maker ontbreekt, zitten we te dubben over de titel van het werkstuk: 'Marie?' 'Dat zou ik niet leuk vinden,' zegt Adrien, 'de baggermolen in de haven van Concarneau heette Marie de Smeerlap!' 'Blandine dan?' 'O nee, dat doet denken aan de martelares in de leeuwenkuil.' 'Constance?' 'Bah! Er zat een heel lelijk meisje bij me in de klas dat Constance heette.' 'Delphine?' 'Och...' Met als gevolg dat het nog steeds Gustave is. We hebben nog vierentwintig uur om na te denken.
Pauline, die Hermine ondanks het voorschrift heeft meegenomen, verstopt onder haar capa , wierp een blik op dat geval dat daar in de wieg lag te slapen, zei: 'Hond!' en keek toen de andere kant op, terwijl ze deed alsof ze het volstrekt oninteressant vond. En Viviane, voor wie emoties nooit een belemmering vormen om een flater te slaan, merkte op dat alle pasgeboren baby's toch eigenlijk oude-mannetjes-hoofdjes hebben.
'Ze ziet er gezond uit, maar wat heeft ze een kringen onder haar ogen! En dan die neus, zeg... Wat een aardappel!'
Félicien kwam 's avonds na zijn uitzending met boeken, bonbons, kruiswoordpuzzels en nieuws uit de buitenwereld. De Expeditie is nog niet in zicht van Kaap Farewell: er is geen hoop meer dat Arnaud nog voor juli terug is. Félicien is een van de weinige mannen die zich niet vervelen in een ziekenkamer. Hij kwam me echt opzoeken, dat wil zeggen naar me kijken, vragen hoe het is om het zog te voelen toeschieten, me afleiding bezorgen. Hij kijkt aandachtig naar de baby, raakt die aan, zegt niet alleen: 'Waarom ziet het zo rood?' of 'En dan te bedenken dat wij ook zo zijn geweest!'
Hij is heel verontwaardigd dat ik dat kleine meisje Gustave noem. Ik stel voor Mao Tse-tung. Ze lijkt op hem met haar platte neusje en haar donkere haar dat rechtop op haar hoofd staat. Oma Castéja heeft door de telefoon Mireille geopperd. Algemeen protest. Je ontkomt niet aan Gustave om bij Mireille uit te komen.
Ze stak haar afkeuring niet onder stoelen of banken dat ik weer een meisje heb gekregen. En hoe moet dat dan met de mooie naam Castéja?
14 mei
De laatste termijn verstrijkt vanmiddag om 12 uur. Ten slotte tekent zich een duidelijke meerderheid af voor Marion en Adrien wordt naar het gemeentehuis van Boulogne-Billancourt gestuurd waar de beambte, die denkt dat hij God de Vader zelf is, verklaart dat de naam niet acceptabel is. 'Marie of Marinette,' staat hij oppermachtig toe. Je moet niet denken dat ouders alle rechten hebben! Frankrijk waakt. 'Waar zou het heen moeten als je de mensen zo maar wat liet kiezen?' zegt hij streng tegen Adrien.
Opnieuw eindeloze discussies. Ten slotte om tien voor twaalf nemen we onze toevlucht tot een outsider: Frédérique. Aangenomen met algemene stemmen min één, helaas, de stem van de verwekker.
19 mei
Haast om weer overeind te komen maar ze zeggen dat hoe langer je blijft liggen, des te beter 'alles weer op z'n plaats komt'. Van de twee flesjes spuugt Gustave er één weer uit. Ze heeft minstens vijftig procent moedermelk nodig om het te kunnen verteren. Welnu, ik had besloten deze keer niet zelf te voeden maar daar begint de chantage al. Ik heb haar niet gewenst, oké, maar daar word ik ook nog eens voor gestraft! Ze hebben me een borstpomp gebracht die me tot op de laatste druppel leegzuigt.
Ik had van mijn 'vakantie' in de kliniek willen profiteren door eens heerlijk uit te slapen, maar je bent hier al op voet van oorlog om 5u30, het tijdstip waarop de nachtploeg de hongerige koters in iedere kamer naar binnen brengt om hun moeders leeg te zuigen. Daarna wassen, toilet maken, de karretjes van het ontbijt rammelend door de gang, bezems en dweilen die als botsautootjes tegen de muren en de poten van het bed op gestuurd worden, visite van de verloskundige, wasgoed dat gebracht en gehaald wordt, visite van de kinderarts, luiers die ze komen verwisselen... kortom een hel die de hele ochtend duurt en je nooit voldoende ruimte geeft om in te sluimeren. En wanneer moet ik nu slapen? Pas over een jaar misschien.
24 mei
Gustave spuugt nog steeds en de kinderarts raadt aan op melkpoeder over te gaan, maar de kliniek wil niet van de routine afwijken, dat zou het werk van de verpleegsters te ingewikkeld maken. Ik krijg het advies haar nog maar een paar dagen te laten spugen en als ik weer thuis ben op andere melk over te gaan! Schandalig! Er is een remedie: haar weer aan de borst leggen. Maar omdat ze normaal groeit en ik over vijf weken weer naar de Radio terugkeer, weiger ik die extra moeite ondanks de zichtbare afkeuring van de dokter. 'Hij heeft later geen negerinnenborsten en pijn in zijn rug,' merkt Lou op.
Omdat ik niet slaap, lees ik een boek per dag. Vandaag Journal d'une jeune fille van Irène Révelliotti, een klasgenote van me die ook aan tuberculose is gestorven. Ik vind het dagboek dat ik als meisje schreef beter. Maar ik ben natuurlijk niet dood. Dus wie zou zich daarvoor interesseren?
26 mei
Terug naar huis maar nog vele uren bedrust, dat wil zeggen verveling. Het moeilijkste is dat ik noch een brief noch een telefoontje kan verwachten. En als de Force op een ijsberg zou lopen en met man en muis zou vergaan, en mijn man daarbij zou zijn, zou dat pas bekend worden als het schip nooit meer tevoorschijn komt. Ik weet alleen dat het grootste deel van het gezelschap van boord is gegaan om in een rupsautootje tot een hoogte van 4000 meter te klimmen, tot aan het centrale plateau, terwijl Arnaud langs de kust vaart en ieder district bezoekt. Heel slecht weer. De verbindingen zijn niet te verstaan.
Gustave gaat er leuker uitzien. Of begin ik soms te wennen?
10 juni
Ik draag een tailleband en ik ben net serieus met gymnastiek begonnen. Ik heb zin in vrijen, in geborduurde onderrokken, in wellustige decolletés; en vooral in een wellustige man. 'Dip your fingers in the water, 0 Lord, and cool my heart.' Nog een hele maand zonder Arnaud. Ik word er bijna dichterlijk van, zo melancholiek voel ik me: Wat een zware bagage. Zo 'n hart vol liefde... (Ja, oké, dat is van een ander.) Je terugkomst uit Groenland Waarom duurt die zo lang Zo lang als een eeuw
O schoener! O zeemeeuw! (Dat is van mij, en niet van Max Jacob zoals je zou kunnen denken.)
Nog steeds weinig nieuws van daarboven. De Radio begint te vinden dat er wel veel geld in is gestoken terwijl er alleen een paar telegrammen worden uitgezonden waarin gezegd wordt dat het erg koud is. Hermine heeft Pauline weer bij me teruggebracht, mooier dan ooit met haar ronde schoudertjes en haar vergeet-me-nietjes ogen. Maar omdat het bij mij zogenaamd 'naar poep stonk', kregen we weer heibel. Het schijnt dat ik met een jaar zindelijk was. Ze vergeet dat ze een Iers kindermeisje had dat overal achter me aan liep met de pot in de hand! Ze wijst me erop dat ze me een gezond kind teruggeeft terwijl ze een schriel wezentje met puistige billen en een loopneus had meegekregen. Terwijl ze door mijn tweekamerwoning loopt, op zoek* naar bewijzen van mijn slordigheid om haar beschuldigingen te staven, komt de firma Borstpomp het apparaat terughalen, begint Gustave te brullen en belt Simone op om te zeggen dat ze die middag niet kan komen, want er wordt een tand bij haar getrokken.
'Hoe vaak heeft ze die smoes van die tand al niet opgehangen, die slons?' vraagt mama op scherpe toon. 'Ze moet er wel minstens tweeënvijftig hebben!'
Ze is weer in topvorm, richt mijn kasten in zoals het haar goeddunkt, inspecteert mijn elektrische oven die er volgens haar weerzinwekkend uitziet en zet in de koelkast de boodschappen die ze voor me heeft meegebracht, want het schijnt dat ik als een zwerfster alleen maar blikvoer eet en dat ik, als Arnaud terugkomt, eruit zal zien als een vogelverschrikker, wat trouwens niets uitmaakt omdat hij toch niet de moeite neemt om naar me te kijken. Opgetogen vertrekt ze weer: mijn huis is opgeruimd en ik ben afgemaakt.
15 juni
Nauwelijks tijd gehad om het te vergeten en daar is het alweer, het helse ritme. Niet in slaap vallen voor het flesje van n uur, daarna wakker worden om z uur, 5 uur en 8 uur. Flesjes en spenen steriliseren, luiers wassen, verscheidene malen per dag Gustave op de pot zetten zoals in mijn handboek wordt aangeraden. Ik moet haar half zittend, half leunend tegen mijn benen neerzetten en vlak in de buurt een kraan laten lopen. Het heeft resultaat. Heb haar vanochtend voor het eerst een paar druppels sinaasappelsap gegeven. Ze sabbelde op de lepel met die argwanende blik van haar en het leek alsof ze wilde zeggen: 'Het zou me niks verbazen als je me probeerde te vergiftigen, ouwe!'
En bij die full-time baan moet ik me nog bezighouden met Pauline die er een uur over doet haar eten naar binnen te werken. Ik sta op het punt een schokkende ontdekking te doen: twee kinderen is drie keer zoveel werk als een! En al nemen ze al je tijd in beslag, je eenzaamheid wordt er niet minder door, ik bedoel je eenzaamheid als volwassene. Ik heb het gevoel dat ik al een eeuw alleen ben. En toch is het nog maar twee maanden geleden dat ik keek hoe Arnaud wegging, met mijn dikke buik tegen de balustrade van het balkon geleund. De auto van de Radio stond voor de deur op hem te wachten en hij keek niet naar boven. Hij wist maar al te goed dat ik naar dat gebaar uitzag. Het portier sloeg dicht, zoals portieren doen, en ja hoor: naar Groenland afreizen was niet ingewikkelder dan een tochtje naar Saint-Germain-en- Laye. Ik denk veel aan ons tijdens deze gedwongen retraite. Lieve schat, zul je ooit genoeg vertrouwen in me hebben? Dat je niet vanwege een vrouw gelukkig durft te zijn, is misschien jouw grootste fout.
20 juni
In de Paris-Presse van iemand naast me in de bus zag ik: '... Deens schip ter hoogte van... haven, alle opvarenden vermist.' Een moment van paniek. En toen vouwde hij zijn krant open: het was maar een Deens passagiersschip dat onlangs ter hoogte van Kobenhaven op een mijn was gelopen met tweehonderd passagiers. Tweehonderd mensen verdwijnen en de wereld is weer bevolkt.
Omdat Arnaud er niet was, die niet erg houdt van de getuigen van mijn verleden, nam ik de uitnodiging van de Cherubijn aan om naar een dansavond te gaan. Ik ging er heel vrolijk heen, maar kwam in een droevige stemming terug van dat spookbal. De schimmen van de Schurken, Hugo, Bernard, Jean-Marie die altijd de grote meester van deze uitspattingsavondjes was, klampten zich vast aan de overlevenden. Een paar meisjes die van hen hadden gehouden waren er ook, maar ze waren getrouwd met anderen, en de charmes van de Cherubijn waren niet voldoende om de avond tot een feest te maken. Ik voelde me dubbel in de steek gelaten: door de dode en door de levende.
Pauline heeft gisteren alles bij elkaar alleen een bordje macaroni gegeten. Ze wordt woedend als ze haar bord ziet. Ik geloof dat ze helemaal wanhopig is nu ze merkt dat Frédérique voor goed bij ons woont. Ze dacht dat het tijdelijk was! Ze loopt door het huis en mompelt: 'Papa?' en als er dan geen antwoord komt, schudt ze haar hoofd: 'Is er niet, papa. Is er niet.' De kinderarts raadt aan haar uit de huiselijke omgeving weg te halen: ik zou haar naar Montpellier, naar Oma Castéja, moeten sturen. Maar ik heb geen zin in zo'n draconische behandeling terwijl haar anorexie is begonnen omdat ik haar drie weken alleen heb gelaten om terug te komen met een nieuwe baby. Ze zou denken dat ik nog een derde ben gaan halen.
30 juni
Als ik van mijn werk thuiskom, ben ik jaloers op alle dames in de huizen naast me die iedere avond heel gewoon wachten op manlief. Ik wou dat er heel gewoon van mij gehouden werd en ik niet binnenkort weer met een avonturier zat opgescheept die nooit zo ver weg is als wanneer hij naast me in bed ligt met zijn gedachten elders.
1 juli
Nog steeds geen bericht van mijn poolbeer. 'Maak je geen zorgen en wacht geduldig af,' zei Liotard tegen me, 'de Force is op de terugweg richting Denemarken.' Ben dus het weekend naar Poissy gegaan, naar tante Jeanne. Ik ren rondjes om het enorme grasveld heen terwijl Pauline achter de kippen aan zit, een kruiwagen vol dennenappels voortduwt en Gustave vergeet.
Jeanne heeft me de bijnaam 'Elouisabeth, de vrouw zonder man' gegeven. Ze is niet ontevreden als ze ziet dat het huwelijk ook tot veel eenzaamheid kan leiden. Voor mij is er tenminste nog hoop. Met haar haren met een scheiding in het midden en een vlecht snoeistrak om haar hoofd, een armzalige kroon die haar magere, trieste nekje en haar grote slappe wangen nog beter doet uitkomen, is Jeanne het toonbeeld van een vrouw die de hoop heeft opgegeven. Haar gelaatstrekken zijn steeds fletser geworden, haar lichaam is zo langzamerhand ongedifferentieerd. Ze heeft niet meer twee borsten maar één boezem, niet twee billen maar één zitvlak. Ze ruikt naar dood zweet en heeft de grauwe huid van iemand naar wie nooit gekeken is. Een huid die er zo triest uitziet dat ze die verbergt door het hele jaar lange mouwen te dragen en zelfs 's zomers grijze katoenen kousen en daarbij touwschoenen met veters.
'Hoe kun je je gezicht zo opschilderen, beste zuster,' zegt ze tegen Hermine die die zondag is komen lunchen en haar de ogen uitsteekt met haar elegantie, haar make-up, haar geestigheid, haar succes en de liefde van Adrien. 'Ik geef je geen zoen, je weet dat ik hoofdpijn krijg van je parfum.'
Al zou Hermine een slet zijn, een halve gare, dan zou ze haar die schoonheid, haar geld en haar brutaliteit vergeven. Maar dat ze bovendien nog gerespecteerd en aanbeden wordt door een echtgenoot, is in haar ogen een schandelijke onrechtvaardigheid. Aan die opstandigheid gaat ze trouwens kapot en Jeanne is al dood zonder het te weten.
3 juli
Vreugde, vreugde, tranen van vreugde! Liotard heeft me net gebeld dat Arnaud de 6de in Kopenhagen aankomt, dat hij daar een paar dagen blijft maar dat hij me zal vragen naar hem toe te komen als dat mogelijk is. Eindelijk zul je weer voet aan wal zetten in een beschaafd land, die lieve grote voet van je! Ik zou het heerlijk vinden naar je toe te komen in Kopenhagen als het niet al te duur wordt. Ik wacht op je telegram. Je zult wel vinden dat ik niet dikker ben geworden, al doe ik m'n best om puree en graan - producten naar binnen te werken: het lukt me niet zo'n haremvrouw te worden waarvan jij droomt.
7 juli
Ik lees in de kranten dat je in Kopenhagen bent en daarvan gebruik zult maken om even in Zweden te gaan kijken. Waarom niet in Rusland nu je daar toch bent? Het zou toch leuk zijn als je een Penelope met grijze haren aantreft, met twee grote dochters! Het schijnt dat de Deense Radio-omroep je een rondleiding door het land aanbiedt. Laten we de geschiedenis en aardrijkskunde dankbaar zijn dat Denemarken zo klein is.
9 juli
Tussen de kier van de deur stak een kleine envelop die je waarschijnlijk hebt meegegeven aan iemand die wel naar Parijs terugging. Eindelijk jouw handschrift... mijn hart bonst ervan. Houd je van me? Wil je geen dag langer wachten voor je me ziet? Vraagje of ik naar Kopenhagen kom? Ik heb klamme handen als ik je envelop openmaak. Maar daarin vind ik alleen de brief van een werkgever aan zijn secretaresse (die hij zijn 'zoupinette' noemt) en van een huiseigenaar die informeert hoe het met zijn bezit is gesteld. Wanneer durf je nu eens over je gevoelens te praten?
'Vergeet niet aan Goldman te vragen of ze me met de auto van de Radio van het vliegveld ophalen want ik heb zware apparatuur bij me.' (Ja, chef.)
Je geestigheid, zie ik, is niet ten onder gegaan in de Noordelijke IJszee en ik ben blij dat je 'kloven in handen, voeten en Groenland' hebt weten te vermijden. Maar wat de liefde betreft, schijnt je enige zorg te zijn dat ik maar geen plezier heb gehad zonder jou: 'Ik hoop dat je vrienden niet al te veel om je heen gedraaid hebben en dat je heel oppassend bent geweest.' (Je verdient het eigenlijk dat ik heel ondeugend zou zijn geweest, dan zou ik het minder wrang vinden dat je niet genoeg woorden kon bedenken om die twee kantjes te vullen van dat belachelijke postpapier dat je hebt gebruikt. Heb je dat speciaal voor mij gekocht? Je schijnt trouwens te vergeten dat een zwangerschap van acht maanden en een kraamkliniek niet de ideale omstandigheden zijn om een echtgenoot te bedriegen!)
Wat je gezondheid aangaat, benadruk je dat 'die arme Arnaud erg moe is, slecht slaapt en flink verwend moet worden'. (Kortom, ik krijg er nog een kind bij?)
Als laatste aanbeveling, voor het geval dat ik nergens aan had gedacht en je in mijn gebruikelijke zwijnenstal had ontvangen, op ouwe sloffen en met een schort voor: 'Laat het huis mooi zijn en de kinderen er picobello uitzien. En wees jij ook mooi, slank en elegant voor de ontvangst van je wettige man. Je zult me herkennen aan het aureool van de avonturier en je zult versteld staan van mijn goede voornemens.' (Verrek! Je praat als een kind dat naar catechisatie gaat en zijn oude pastoor belooft offers te zullen brengen...)
'Je zult me wel veel te vertellen hebben en ik bereid me erop voor braaf naar je gebabbel te luisteren.' (En ik maar denken dat ik praat! Het is waar dat vergeleken bij jouw hoogstaande avontuur mijn zwaarmoedige gedachten en mijn bevalling maar kleinigheden zijn.)
Je eindigt ten slotte met 'me innig te omhelzen', wat ik zo vrij ben als een belediging te beschouwen na drie maanden zonder wat voor liefkozing dan ook. Je terugkeer begint al goed! Ik was eigenlijk een stuk gelukkiger met je toen je er niet was.
Goed, ik heb mijn gal gespuwd. Genoeg kritiek geuit. Hoe het ook zij, ik heb al weer te veel gezegd en ik weet al dat ik er nooit toe zal komen je dat dagboek te laten zien waaraan ik ter ere van jou ben begonnen. Ik zou maar al te bang zijn voor je rancune, je gemok en je gekwetste eigenliefde. Ik zeg expres eigenliefde, want ik zal je niet zo gauw in je liefde kwetsen.
Ik zie langzamerhand in, dat absolute eerlijkheid misschien niet nodig is in een verhouding, zoals ik had gedacht. Aan Jean- Marie durfde ik alles te vertellen, mijn dromen, mijn onvermogen, zelfs als ik me tot een of andere jongen op straat aangetrokken voelde zonder dat dit verder iets te betekenen had... Die openhartigheid heb ik niet meer. Dat wil niet zeggen dat er niets meer over is. Jij wantrouwt het geschreven woord, je hebt nooit een lieve brief kunnen schrijven. En ik kan maar niet mezelf zijn tegenover jou... Maar ondanks al die onbekenden zullen we onze vergelijking toch moeten oplossen, lieverd.
Eigenlijk had ik in plaats van verstandig te reageren, mijn kinderen maar zonder melk moeten laten zitten en naar Kopenhagen snellen om jou te begroeten. Je vindt altijd duizend redenen om geen domme dingen te doen en maar één om ze wel te doen, maar dat is de goede.
10 juli
Als een echte trut boen ik het huis omdat jij terugkomt. Ik heb mijn vrije dag besteed aan het schoonmaken van het parket. Ik vind het parket in de was zetten best leuk: ik ben aan het langlaufen als ik met de staalwol in de weer ben en ik kruip door de jungle als ik op handen en voeten de was inwrijf. Het vervelende is dat de helft van het stof dat ik van de grond afhaal op mijn pas met brillantine ingesmeerde haar terechtkomt en ik morgen naar de kapper zal moeten. De kosten van deze actie: zevenhonderd frank.
De vloerenwrijver van het Elysée had me nog minder gekost! En grote klussen door Simone laten doen, daar is geen sprake van: ik moest vanochtend duizend frank van haar lenen om inkopen te doen.
Het is ijzig weer: vanochtend 70 en er daalt aan een stuk door een koude regen neer. Je zult je in je element voelen. Ik heb je bureau opgeruimd en je schrijfmachine laten nakijken. Er ontbreekt nog geen knoop aan een beenkap, officier!
11 juli
In mijn omgeving begint men zich te verbazen. 'Arnaud schijnt in Europa te zijn. Wat doet hij? Plezierreisjes maken?' En ik maar 'oppassend' op je wachten terwijl ik al negenentwintig ben en op zekere dag negenenveertig zal zijn en mijn liefde voor jou ook rimpelig zal zijn geworden. Vergeet niet dat Penelope's de moed ook kunnen verliezen en je ze niet op iedere straathoek aantreft. Dan kom je bij Calypso's of Circes terecht (in dit geval in de Zweedse fjorden waar beruchte tovenaressen wonen) die je in een varken veranderen. En komt het niet eens op een avond bij je op dat ijsvelden en fjorden niet dieper zijn dan de liefde van je vrouw?
13 juli
Vanochtend een telegram van je. Eindelijk is die dag gekomen waarop ik kan zeggen: morgen! Ik ben er zo van ondersteboven dat ik Gustave bijna aan haar slabbetje heb vastgespeld (ze bloedde, die arme schat) en ik mijn eten heb laten aanbranden. Het is schandalig dat je zo'n uitwerking op een vrouw hebt. Ik zal het je betaald zetten, lieverd. Morgen.
-
DE ZONDAGEN VAN EEN MOEDER
Er zijn momenten waarop alles in het leven van Louise op dezelfde impasse schijnt uit te lopen: hoe kun je zorg dragen voor de nieuwsberichten van 18U15 aan de avenue des Champs-Elysées in het 8ste arrondissement, en voor het flesje van 18 uur in de rue Raynouard, in het 16de arrondissement, terwijl Simone, Ginette of Lucette het huis om 17 uur verlaten? En deze impasse loopt uit op die van de zondag, ofwel hoe zorg je dat er een eind komt aan het gehuil van Gustave die vanwege een verkoudheid thuis moet blijven, en aan het protest van Pauline die naar buiten wil en op haar driewielertje door de gang rijdt, terwijl je er ook nog rekening mee houdt dat Arnaud zijn rust krijgt, want die is tegen de ochtend thuisgekomen en hoopte rustig te kunnen slapen, en er intussen nog een stapel buitenlandse weekbladen ligt te wachten die vertaald moeten worden voor het persoverzicht van maandagochtend? Tegenslagen, ongelukken, ziektes, onbelangrijke voorvallen, die echter wel dringend om een oplossing vragen; diverse onverwachte gebeurtenissen, die buitengewoon divers zijn maar allemaal neerkomen op dezelfde kwellende vraag, die niet omzeild of tot de volgende dag uitgesteld kan worden: 'Wat doen we dan met de kinderen?'
Er zijn natuurlijk Simones, zoals Pauline ze noemt, die zich erg had gehecht aan de eerste. Er zijn heel veel Simones in de jaren vijftig, ze zijn gemakkelijk te vinden op het platteland waar ze zich vervelen bij hun familie op de boerderij en van de hoofdstad dromen, maar je kunt niet op ze bouwen want met de eerste de beste jongen gaan ze ervandoor. Inderdaad werd Simone opgevolgd door Ginette, en Ginette door Lucette, vanwege een huwelijk, een pijntje of geen-zin-meer, waardoor van tijd tot tijd het ingewikkelde mechanisme ontregeld wordt dat Louise heeft geconstrueerd en waarvan de geringste hapering het evenwicht in gevaar brengt van de gezinnen waarvan de moeder 'werkt'.
Maar er bestaat een redmiddel: de conciërgewoning. Als de Simones een vrije dag hebben, laat Louise Gustave in haar kinderwagen op de binnenplaats achter en Pauline, die zich veel beter vermaakt in de hangkast vol oude kleren van mevrouw Bignolet dan met het speelgoed in haar kamer, en die het kattenvoer dat ze daar eet lekkerder vindt dan de gebakken tong van thuis, gaat naar beneden naar 'Bibi' als naar de grot van Ali Baba. Helaas gebeurt het regelmatig dat mevrouw Bignolet net met Kiki naar de dierenarts moet op de dag dat het kabinet-Schumann valt, dat geen rekening houdt met het flesje van 18 uur! En daarom moet er een speciale uitzending plaatsvinden en het zal onmogelijk zijn voor 8 uur weer in de negerhut te zijn en de conciërge weet niet wat de juiste verhouding van melk en mineraalwater voor het flesje van Gustave is en het is te laat om Hermine te waarschuwen in haar atelier aan de andere kant van Parijs, Hermine die trouwens altijd klaar staat om op te merken dat haar dochter niet kan organiseren. En Viviane zal ongetwijfeld yogales hebben of bij Dior kleren aan het passen zijn. 'Had dat gisteren gezegd...' Maar dit soort situaties vindt nooit gisteren plaats...
Kortom, er blijft Louise niets anders over dan haar nieuwsberichten af te raffelen, met enige hulp van een secretaresse die inspringt in geval van belangrijk nieuws dat op het laatste nippertje moet worden ingevoegd, en daarna als Robic op de fiets door de stad te racen om tussen twee uitzendingen door nog gauw even naar huis te gaan, waarna ze Gustave met een kalmerend middel in haar wieg achterlaat en Pauline met Kiki in de stinkende conciërgewoning moet eten. Waar ze haar twee uur later in de zevende hemel zal aantreffen, met haar mond vol suikerrotsjes die thuis verboden zijn maar die Bibi haar niet kan weigeren, en bezig het achterwerk van Kiki in te smeren met de antiseptische crème die de dierenarts heeft voorgeschreven voor het eczeem waar zijn achterlijf mee bedekt is. Maar Pauline is gelukkig. Misschien zou ze neurotisch worden in handen van een Zwitsers kindermeisje dat tegen haar zou zeggen: 'Niet aankomen, bah!' telkens als ze haar arm zou uitstrekken om te ontdekken hoe de wereld in elkaar zit.
Arnaud, die na afloop op de hoogte wordt gesteld van de problemen, wordt verontwaardigd, bedenkt achteraf oplossingen, ontvouwt onweerlegbare theorieën. 'Dat is ontoelaatbaar... Een beetje gezag... Discipline in je leven... Een minimum aan planning... Het is toch niet zo moeilijk om...'
Er wordt hem niets meer verteld en hij denkt dat alles beter gaat dank zij zijn bemoeienis. Met vrouwen is het altijd storm in een glas water. Maar het zijn wel de vrouwen die ze vullen, leeggooien, afwassen, opruimen, breken en aan anderen ronddelen, die glazen water.
En op de zondagen dat de Vader er wel is, wordt het probleem nog ingewikkelder. In het tnp speelt le Cid met Gérard Philipe, maar Corneille... dat is een zeurpiet, Arnaud heeft nou juist zin om zich te ontspannen en naar een fantastische western te gaan, aan de avenue de la Grande-Armée, en zijn gezicht verraadt geen enkele reactie meer als Louise verklaart dat alle westerns hetzelfde zijn en dat je de Indiaan, de hoer van de saloon of het paard kunt vervangen door die van een andere film zonder dat de kijker het merkt. Viviane en Félicien zouden hen willen meenemen om te gaan lunchen in een nieuwe eettent bij de Hallen, ontzettend leuk... Maar het komt er allemaal niet van. 'Vraag mevrouw Bignolet,' stelt Arnaud voor. Maar Louise houdt haar liever achter de hand voor moeilijke gevallen. Bovendien laat ze haar dochters toch niet in de steek op de enige dag dat ze zich met hen kan bemoeien? Dus, op naar de Toverrivier, de 'Voertuin' zoals Pauline het niet geheel onlogisch noemt want daar mag ze de dieren voeren, naar de hoogst vermakelijke taferelen in het lachspiegelpaleis, en de weerzinwekkende Tom en Jerry in de Cinéac Opéra. Arnaud zal ten slotte zijn western te zien krijgen. Waarvoor zou hij thuis blijven?
De zondagen van een moeder in Parijs, de droefgeestige zondagen van een moeder...
Natuurlijk is ze een gelukkige moeder, en is ze soms in-tevreden als ze kijkt naar die twee kleine filiaaltjes van haarzelf, die bijna even groot zijn, de kleine, mollige Pauline en de lange Frédérique die haar wel gauw zal inhalen. Natuurlijk is het soms op zondag in de winter feest, als Arnaud niet thuis is en ze zodra ze wakker worden naar het grote eiland rennen dat het bed van hun moeder is: door de sprookjes van duizend-en-één-ochtend verandert de slaapkamer in een hol, in een onderaardse kerker, in een vesting of in een oosters paleis al naar gelang de stemming of het weer. Natuurlijk geeft het Louise een gevoel van eindigheid en eeuwigheid als ze hen ieder onder een arm tegen zich aan houdt, de lichtblauwe ogen aan de ene kant, de mosgroene ogen aan de andere kant; maar ze moet ook moerassige dagen door zien te komen, dagen waarop je je afvraagt waar het leven toe dient... en dan stuurt ze haar miasma's naar Agnès om er maar vanaf te zijn, naar de Agnès van vroeger, van de vertalingen vanuit het Latijn onder de lamp van groen opaalglas, die 'uitdrukkingen' opzocht in de Goelzer, de Agnès die droomde van literaire roem, voor wie Louise, wat er ook gebeurt, het serene jonge meisje blijft van de kanotocht over de Loire, het sterke meisje, dat haar mannen en haar lot zelf durft te kiezen! Het is zo fijn om een beeld van jezelf terug te vinden, ook al klopt het niet, bij iemand van wie je houdt, ook al is het er maar één en ook al vergist ze zich. En als zij zich nu als enige eens niet vergiste? Ze zullen altijd een speciaal beeld van elkaar hebben, ondanks de ontkenningen of de teleurstellingen van het leven en dat is het geheim van sommige jeugdvriendschappen die scheidingen, echtgenoten en kinderen overleven.
Ze hebben er altijd van gedroomd ooit te zullen schrijven, als ze over dat luxe-goed zouden beschikken: tijd voor jezelf. Een goed dat zeldzaam wordt: Agnès heeft net haar vijfde kind het leven geschonken, een klein vosje met net zulk rood haar als zij zelf heeft, dertien maanden na haar vierde, een jongetje dat een afwijking aan zijn gehemelte heeft en nog met een pipet gevoed moet worden. Maar waarom zouden ze niet de brieven uit hun middelbare-schooltijd voor de oorlog publiceren, een tijd die voor de lyceumleerlingen van 1950 op de middeleeuwen lijkt, en daarna de brieven uit de bezettingstijd toen ze brave studentes waren? En vervolgens hun confidenties als echtgenote, vol kleinigheden en grote verwachtingen die de achtergrond vormen van wat ze de beste jaren van je leven noemen?
Agnès noemt Louise 'Lief zieltje' en vertelt haar over dat langzame wegzinken in het leven van de provincie, met die precieuze, charmante, ouderwetse stijl waarmee ze ontsnapt aan haar bestaan als vrouw van een leidinggevende functionaris in een wapenfabriek, zoals je je verkleedt om beter te kunnen fantaseren. Zelfs in 1950 schreef Agnès nog brieven als van een jonge dame uit Saint-Cyr: 'Vergeef me, lief zieltje, mijn laatste epistel dat, zoals je zult toegeven, domweg erbarmelijk en sentimenteel was. Ik heb ongelijk dat ik klaag. Toen ik onlangs uit Parijs terugkeerde, voelde ik een serene vreugde bij het weerzien van mijn grote, lelijke, rustige huis met zijn treurig saaie tuin die door anderen is aangelegd. Eigenlijk was ik geschapen om vast te roesten in de provincie, met mijn haar zo braaf in een wrong in mijn nek (Etienne houdt alleen van een knot), mijn klassieke mantelpakjes en mijn beige vilthoeden. Ik heb niets geschreven sinds ik getrouwd ben maar het doet me zelfs geen verdriet: dat is het voordeel van weinig zelfwaardering. Maar jij, Louise, die zoveel meer behoefte hebt aan de aardse geneugten dan ik, jij zou iets moeten doen: ik verzeker je dat je het kunt.'
Het zal heel wat van dat vertrouwen dat Agnès in haar heeft, heel wat getuigenissen kosten voordat ze besluit 'iets te gaan doen'. Maar de rollen worden onderling verdeeld: Agnès is melancholiek en klaaglijk, Louise gaat tekeer of put zich met succes uit in lange stukken over de natuur die men 'beschrijvingen' noemde in de tijd waarin de twee vriendinnen streden om de eerste plaats in wat ze beschouwden als de waardering van hun geliefde lerares, mevrouw Ansermet.
'Alvorens ook maar aan schrijven te kunnen denken, lieve Agnès ('Drrie infinitieven in hetzelfde zinsdeel, dat is te veel, juffrrouw Morrvan!'), moet ik een ander huis hebben. Ik heb nog geen vierkante centimeter voor mezelf in deze negerhut. We hebben er een op het oog in dezelfde flat als waar Viviane en Félicien wonen, helaas ook weer in het xvide, maar dan zou ik wel gebruik kunnen blijven maken van de diensten van mevrouw Bignolet. Essentieel detail: het huis heeft een dienstbodenkamer. Lucette is dolblij dat ze full-time kan gaan werken. Lucette heeft maar één gebrek: haar geliefde is conducteur op lijn 3 2! En in plaats van de meisjes mee te nemen naar het Bos, reist ze hele middagen heen en weer tussen de porte de la Muette en het Gare de 1'Est of zit ze op een bank bij het eindpunt te wachten tot de dienst van de beminde beambte erop zit. 's Avonds geeft hij Pauline (die dol op hem is) te eten en doet hij de afwas opdat Lucette eerder weg kan. "We hebben een stel in dienst genomen," zegt Arnaud tegen onze vrienden die verbaasd staan te kijken als een conducteur in uniform de deur voor hen opendoet.
Het is te hopen dat Lucette een achterover gekantelde baarmoeder heeft en niet al te snel zwanger wordt...
Arnaud zou de 18 de thuiskomen, maart stelt het twee dagen uit om te gaan kijken naar het stierengevecht in Nimes, waarvoor hij mij ook uitnodigt. Maar zin om een echtgenoot en een stierengevecht te zien zijn niet voldoende redenen om mijn hoofdredacteur te vermurwen en ik bewaar liever mijn kapitaal aan vrije dagen voor wanneer ze weer eens kroep hebben, een angina die wel polio lijkt of een kroontjespen in een oog... Hoe dan ook, ik ga liever niet naar een stierengevecht, misschien zou ik het nog leuk gaan vinden ook. Dat noemt Arnaud terecht mijn koppige trekje. Maar je moet wel op een paar punten je poot stijf houden bij die grote capitulatie die het huwelijk is.
huis weg zonder dat je jezelf achterblijft.
Ik mis je, Agnès. Ik mis de Sorbonne, waar ik nooit meer zal komen. Ik mis het nutteloze en het belangeloze; ik mis het studeren van iets dat nergens toe dient. We zijn een wereld ingegaan waarin we alleen nog maar de tijd en het recht hebben iets te doen. Daarom ben ik zo enthousiast over ons plan een boek te schrijven, zodat we gedwongen zullen worden te dromen. Maar durf jij, voor een droom, tijd af te pakken van Vincent of je pasgeboren Vosje? Ik hoop dat ze net zo rossig is als jij en het kindje van Mary Webb.'
In de loop van een leven zijn bepaalde gebeurtenissen bodes van het lot, maar vaak kom je daar pas later achter. Voor Louise was het elke keer de verandering van woonplaats die zorgde voor een breuk, een wending of het op gang brengen van een onomkeerbaar mechanisme. Want je gaat uit een huis weg zonder dat je altijd weet welk deel van jezelf, ondanks jezelf achterblijft.
Zo zou het vertrek uit de negerhut voor Louise de eerste breuk met haar verleden betekenen. Jean-Marie was dood. En van nu af aan begraven. In het nieuwe appartement is er niets meer dat aan zijn bestaan herinnert behalve het onvoltooide schilderij dat ze in de salon ophangt, goed zichtbaar, opdat nieuwsgierige bezoekershaar zullen vragen wie die harmonicaspelende jongeman met die droevige glimlach is en waarom de handen niet af zijn, op die manier zal ze de gelegenheid hebben het woord 'Jean-Marie' uit te spreken. Ze gaat nooit naar zijn graf in Saint-Gervais. Daar is hij te zeer dood. Ze heeft liever dat hij bij haar leeft wanneer ze doet wat hij graag deed of zegt wat hij gezegd zou hebben. Zij zijn de enigen die allebei weten dat hij in haar weer tot leven komt op zulke momenten.
Ook Werner is plotseling verdwenen, zijn grote lichaam dat hij had laten neerzakken in de paarse fauteuil die opnieuw bekleed zal worden en zelfs niet meer 'de paarse fauteuil' zal zijn, zijn sterke handen, zijn vriendelijke moordenaarshanden, zijn glimlach wanneer hij als eerste in bed lag, altijd gehaast, en zijn armen naar haar uitstrekte vanuit het grote bed achter in de alkoof. Ze vond het best leuk, al die personen in de alkoof en de korte, charmante herinnering aan Don, Frank en Ted, tussen hen was nauwelijks verschil, ze waren nu verenigd tot één figuur, de Homo americanus, die haar al met al zo'n nuttige les had geleerd, een les in de Man. Een les die ze helemaal vergeten was nu ze de vrouw was van één man en opnieuw zo onhandig en naïef en weerloos... alsof je met mannen niets leerde, niets dat ook voor een andere man gold.
Werner schreef vaak, hartelijke brieven waarin niets stond dat niet door de beugel kon, niet de geringste toespeling op de alkoof; het was een edelmoedige idioot die respect had voor het huwelijk en zich niet kon voorstellen dat een getrouwde vrouw er soms juist wel eens behoefte aan kon hebben dat een ander haar liet merken dat ze nog steeds een erotische waarde had. Je stopt die informatie weg in een hoekje van je hart, die kan ongetwijfeld nog eens van pas komen. Hoe dan ook, zelfs al waren de brieven van Werner doorzichtig, toch waren ze in staat Arnaud zo te irriteren dat hij op de dag dat ze arriveerden kans zag een discussie uit te lokken die ermee eindigde dat hij zich, bij wijze van represaille, terugtrok op de divan in de eetkamer. Ze kreeg voor straf geen lichaam, zoals je een kind voor straf geen toetje geeft! Louise stond er nauwelijks bij stil dat Arnaud het schenken van zijn persoon als een beloning beschouwde en geenszins de afwezigheid van Louise als een straf.
Arnaud is enthousiast over het nieuwe appartement, om dezelfde redenen als waarom Louise een beetje melancholiek wordt. Hij laat een paar meubels uit Montpellier komen om er zijn territorium mee af te bakenen, een grote dikbuikige commode met gekrulde bronzen handvaten, een nachtkastje met een marmeren bovenblad en een vak voor de pot, waarvan Louise vindt dat hij nog ruikt naar de plasjes van hele families; vazen voor op de schoorsteen waar je alleen maar judaspenningen in kunt zetten of die trieste pluimen die de naam dragen van een vrouwenziekte: gyneriums. Ze woont voortaan bij haar man, alles is zoals het hoort. Lou die alleen houdt van modern of 'uit het jaar '25', en die het hele weelderige meubilair van Léon heeft verkocht om de herinnering aan zijn bestaan nog meer uit te wissen, wat haar uitstekend is gelukt, vindt dat de nieuwe inrichting aan een mortuarium doet denken: 'Zie je, je had beter kunnen trouwen met een balling, zoals Werner. Die slepen tenminste niet hun mummies mee.'
Ze helpt haar met het uitzoeken van Afrikaanse stoffen bij Marie Labattut om de meubels wat sprekender te maken en koopt een halvemaanvormig bureau voor haar met laden met een combinatieslot, dat je geheim moet houden, raadt ze aan. Ze heeft genegenheid opgevat voor Pauline die ze op donderdag meeneemt naar haar modehuis waar de kleine urenlang speelt met stalen- boeken, of naar het atelier waar de naaisters er plezier in hebben haar aan te kleden met restjes stoffen.
Over het algemeen vindt men dat Gustave op een rat lijkt. Hermine decreteert dat ze te laat is met tanden krijgen en dat ze een asymmetrisch gezicht heeft. 'Dat komt omdat je te veel gefietst hebt tijdens je zwangerschap,' beweert ze.
Arnaud is nog steeds even vaak op reis en Louise krijgt plotseling genoeg van die zinnen die ze voortdurend tegen haar vrienden moet herhalen: 'O nee, hij is er niet met de Kerst, hij maakt een rechtstreekse reportage over de nachtmis in Rome... Een enquête over de fabricage van santons in de Provence... Hij zit in Twickenham, in Lille, in Bordeaux...' Je kunt net zo goed gewoon weduwe zijn!
Ze hebben hun zomervakantie de eerste twee jaar in Kerviglouse doorgebracht, maar, zoals de meeste mannen, houdt Arnaud niet van het strand waar vrouwen het nu juist zo lekker vinden, als zeehondemoeders tussen hun poedelnaakte jongen liggend, deinend op de ritmische ademhaling van de golven. Hij wilde wel met de boot eropuit en met het sleepnet vissen in het bootje van Adrien, dat nog steeds in goede staat was, maar hij verzuimde het te breeuwen, te schilderen, het die talloze attenties te bewijzen die iemand op leeftijd nodig heeft om te kunnen functioneren. Ook het huis was iemand op leeftijd die de eigenaardige gewoonte had op steeds dezelfde plekken de regen te laten binnendringen: 'Laat de rietdekker komen, het is toch waanzinnig dat ze hier geen lek kunnen repareren!' Hij wist niet dat huizen, net als auto's, bootmotoren en levende wezens, hun aangeboren, ongeneeslijke gebreken hebben en dat je het daarmee moet doen. Dat huis wilde op die plek lekken en alle pogingen van dakdekkers hadden daar niets aan veranderd.
En in de eerste plaats hield Arnaud niet van vakantie, die voor hem nog steeds de etymologische betekenis van 'leegte' had. Wat hij op prijs stelde was een onbekende omgeving, beschikbaarheid, verandering. 'Jij bent een huismus... zoals alle vrouwen eigenlijk,' voegde hij eraan toe, een opmerking die altijd een moorddadige schittering in Louises ogen teweegbracht, waarna de eeuwige discussie tussen hen losbarstte waaraan nooit een einde komt. 'Dat is lichamelijk,' beweerde hij dan, 'of je het nu wilt of niet.'
Louise haat de gedachte dat haar voorkeuren, karakter en aanleg door haar hormonen zouden worden bepaald. Ze voelt zich vastgeklemd in haar lot als eicel die afhankelijk is van de goede wil van zo'n vrolijke zaadcel, en voor wie ieder avontuur onveranderlijk uitloopt op de Belvédère-kliniek.
Ten slotte moet ze zich maar neerleggen bij het feit dat Kerviglouse nooit het vaderland van Arnaud zal worden. Zoals je gedichten niet kunt vertalen, zo ook kun je jeugdherinneringen niet aan een ander overbrengen. Louise leidt hem rond langs plekjes die voor haar heel veel betekenen en die hij volkomen onbeduidend vindt en ze beschrijft hem onvergetelijke momenten uit haar verleden die hij even later alweer vergeten is. Dat zijn beledigingen die verstrekkende gevolgen kunnen hebben, want Louise is heel lichtgeraakt wat Kerviglouse betreft. Dat merkt Arnaud op die 31ste augustus als hij, terwijl hij met een ijzeren hoepel het lange tuinhek vastmaakt, haar voorstelt:
'Volgende zomer neem ik je mee naar Griekenland, dat is weer eens wat anders.'
'Anders dan wat?' zegt ze.
Hij dringt niet aan, hij kent zo langzamerhand dat arrogante toontje wel dat ze soms aanneemt. Met haar absolutisme en haar mythe van Bretagne maakt Louise dat hij niet veel zin meer heeft zijn best te doen.
Toch zullen ze de volgende zomer hun vakantie uiteindelijk in Griekenland doorbrengen. Félicien heeft in Piraeus een boot gehuurd om 'de Cycladen te bezichtigen' met zijn oude vriend Claude Weiss, van vijftig, die net weg is bij een vrouw die door vijfentwintig jaar dienstverlening versleten is, om met een nieuwe te trouwen, Carole, van achtentwintig, sinds vijfjaar zijn secretaresse en sinds twee jaar zijn maïtresse. Een Carole die bij haar professionele en seksuele taken sinds kort ook huishoudelijke verplichtingen heeft en zich begint af te vragen of ze er wel op vooruit is gegaan... Maar Claude is twintig jaar jonger geworden en de wereld met hem: alles is nieuw omdat hij het nu kan bekijken met de onervaren ogen van Carole. Hij zal haar Venetië en Rome laten zien en de Italiaanse meren. Wat had het voor zin om met Germaine nog eens naar Venetië terug te gaan?
Er waren nog twee plaatsen over aan boord van de Meltem en Louise heeft de uitnodiging enthousiast aangenomen. Ze heeft zo lang Grieks gestudeerd zonder ooit Griekenland te zien! Dit zal haar eerste buitenlandse reis met Arnaud worden, hun eerste vakantie zonder kinderen. Lucette zal bij Hermine intrekken met de baby en Oma Castéja neemt Pauline in huis in Montpellier.
Misschien word je door een zesde zintuig gewaarschuwd voor een gevaar, lang voordat duidelijk wordt wat het is. Wat zou het trouwens voor zin hebben, behalve dat een periode waarin je nog gelukkig was van tevoren zou zijn vergald? Aan deze droom-cruise zou Louise alleen maar een bittere smaak overhouden, terwijl Arnaud misschien nog nooit zo vrolijk en lief was geweest en hij behoorlijk verbaasd en geïrriteerd zou hebben gereageerd als hij had geweten wat er in zijn vrouw omging.
Het is waar dat zij zich op deze reis langdurig heeft voorbereid en dat hij er een hekel aan heeft een van tevoren uitgestippelde rol te spelen. Hij heeft Grieks gehad bij de jezuïeten, maar hij heeft zin om van Delos te genieten zonder per se Herodotus te hoeven citeren en om Naxos te bekijken zonder Racine voor te dragen. 'Geen blauwkouserij in de vakantie, alsjeblieft,' heeft hij haar gevraagd voordat ze vertrekken.
Het misverstand begint meteen de eerste dag al door een onnozele kleinigheid, zoals dat zo vaak gebeurt: Louise ontdekt dat ze vanuit de wc van de kamer die ze voor een nacht hebben genomen in een tweederangs hotelletje in Athene, als je op de bril klimt, het Parthenon kunt zien. Ze roept Arnaud opdat hij er getuige van is hoe zij voor het eerst de Acropolis ziet, maar hij weigert dit middelpunt van Griekenland vanuit het bovenraam van het toilet te bekijken: 'Het Parthenon staat daar al vijfentwintig eeuwen, dan kun jij wel even vierentwintig uur wachten! Je hebt precies dezelfde mentaliteit als iemand die met Tourisme et Travail op reis gaat.'
Louise stopt deze belediging weg in haar grievendoos die over niet al te lange tijd wel vol zal zijn. Wie zoekt, zal vinden.
Toch schijnen de goden de cruise gunstig gezind te zijn. De kits die Félicien heeft gehuurd, en die 15 meter lang is, een Griekse kapitein heeft en een matroos die tevens kok is, verlaat Piraeus met de ideale wind om naar kaap Sounion te varen. Na het smerige passagiersschip dat hen naar Brindisi heeft gebracht, is het plotseling luxe, schoonheid, de privileges van de rijkdom die Louise naar haar gevoel niet meer heeft meegemaakt sinds... voor de oorlog. Aan boord schijnt Arnaud eindelijk bevrijd te zijn van zijn reis- en treklust en door de voortdurende aanwezigheid van hun vrienden, en met name het vrouwelijk element, voelt hij zich verplicht te blijven glimlachen en schitteren. Ze worden het erover eens dat de tweepersoonshut voor Claude en Carole, het pasgetrouwde stel, is en dat de Castéja's en de Rey's in het dagverblijf slapen op de brede banken aan stuurboord en bakboord van de lange tafel. Doordat ze zo dicht op elkaar zitten, is er geen kans op intimiteit, maar daar schijnt Arnaud niet mee te zitten en Louise heeft geleerd 'zich te beheersen' op dit gebied. Bovendien is ze blij dat Carole 's avonds in haar hut verdwijnt, want zij behoort tot die vrouwen die als zonnebloemen van richting en kleur veranderen zodra hun zon, een man, verschijnt. Omdat een boot met zijn beperkte ruimte nu eenmaal het voordeel heeft dat de afstand tot een man nooit meer dan een paar meter bedraagt, is Carole de hele tijd omgeven door een aura van wellust die Louise stuitend vindt. Mooi is ze ongetwijfeld, maar haar borsten zijn te veel borst en haar billen te veel bil. Haar weelderige goudbruine haardos zit altijd gemaakt slordig alsof een verliefde hand zojuist haar haren in de war heeft gebracht, haar schouderbandje glijdt per ongeluk van haar goudbruine schouder, haar lippen zijn voortdurend vochtig en gezwollen en vaak strijkt ze er met haar tong langs met een klaaglijke blik. Haar tanden? Die zijn schitterend, dat spreekt vanzelf en ze heeft een doorschijnende huid met een paar sproetjes. En daar zou ze drie weken lang mee opgescheept zitten, met als enige bescherming een Claude die niet in staat leek zoveel vrouwelijkheid en sensualiteit in goede banen te leiden. Carole had de vleiende reputatie dat ze mannen ongelukkig maakte. Ze werden aangelokt als vliegen op plakpapier. Door haar waren er al twee directeuren bij de Radio gescheiden, werd er gezegd. Maar omdat de vrouw van de een zelfmoord had gepleegd, ging het beloofde huwelijk niet door en de ander was veertien dagen voor de bruiloft aan een infarct gestorven. Dat had Claude niet afgeschrikt, integendeel.
Louise, die zich deze vakantie had voorgesteld als een heerlijk besloten samenzijn in een piepkleine hut met Arnaud altijd binnen handbereik, is teleurgesteld dat ze hem moet delen, al was het maar met de Rey's. Daar staat tegenover dat ze nu een partner heeft die voortdurend op de voorgrond treedt en helemaal geen last meer heeft van humeurigheid. Het is de Arnaud van voor zijn huwelijk, de Arnaud van de anderen. Is ze dan nu de enige persoon op de wereld voor wie het niet meer de moeite loont je best te doen?
'Ach, zo'n echtgenoot als jij hebt,' verzucht Carole, 'wat een droom! Altijd in de stemming voor een grapje, ik benijd je,' zegt ze, met ogen die fonkelen van een droom die zich duidelijk onder de gordel afspeelt.
Louise is niet eens zozeer boos op Carole of Viviane als wel op deze nieuwe Arnaud die bezeten is van een verdachte vrolijkheid die zijzelf nooit in staat is op te wekken. Ze wil voor zichzelf nog geen naam geven aan dat onaangename, vernederende gevoel dat zich van haar meester maakt, dat door een dubbelzinnig woord zo kan opvlammen en dat door honderd lieve woordjes nog niet gedoofd wordt. Natuurlijk profiteert ze van de gevolgen: hij heeft haar nog nooit zo liefdevol geplaagd, zo vaak in het voorbijgaan gekust, alsof de zekerheid dat ze niet verder zullen gaan en dat ze niet zijn 'proces kan voorbereiden', zoals hij haar drang om hem beter te leren kennen noemt, hem plotseling lichtzinnig en meegaand maakt.
'Ik weet dat het onvergeeflijk is langs de Cycladen te varen met zulke neerslachtige gedachten,' schrijft ze aan Agnès. 'Wie vertelt me of ik droom? Of Arnaud de twee anderen het hof maakt om me te laten zien dat de huwelijkse staat geen beletsel voor hem is of dat ik misschien maar een smerige, kleingeestige mier ben die alles voor zichzelf wil houden?'
Iedere ochtend gooit ze haar sombere gedachten overboord in het doorschijnende water, als een inktvis zijn inkt, en laat ze zich overspoelen door de vreugde dat de zon schijnt en ze de eilanden aan zich voorbij ziet trekken. Maar in de loop van de dag stapelen de wolken zich weer op. Heeft hij haar die ochtend ook maar één keer aangekeken? En heeft hij niet tijdens de lunch gezegd dat hij het jammer vindt dat Louise geen lange zigeunerinnnejurken draagt zoals Viviane en zich liever in superkorte broekjes kleedt? Het is de eerste keer dat hij kritiek op haar heeft waar anderen bij zijn en als een klein meisje heeft ze er tranen van in haar ogen. Ze durft niet te antwoorden dat de lange rokken van Viviane ten doel hebben haar wielrennerskuiten te verbergen, terwijl een short haar perfecte benen goed laat uitkomen. Perfect, ja. Maar heeft hij ooit tegen haar gezegd dat haar benen mooi zijn? En toen ze hem vanavond voorstelde op de heuvel van Delos de zonsondergang te gaan bewonderen, in de hoop de anderen eindelijk eens van zich af te schudden en een ogenblik met hem alleen te zijn, deed hij toen niet net of hij had begrepen dat de uitnodiging aan allen gericht was zodat hij vrolijk met aan beide kanten zijn arm om een vrouw geslagen die zon ging bewonderen die plotseling volstrekt oninteressant was geworden?
En als de ene nacht na de andere komt zonder dat er ook maar een knipoogje van genegenheid af kan, dat betekent: 'We zijn met z'n zessen maar jij bent degene van wie ik houd', zonder dat ook maar een tersluiks obsceen gebaar haar eraan heeft herinnerd dat hij naar haar verlangt, dan zinkt ze weg in kwellende gevoelens van vernedering die aan haar vreten en de mooiste landschappen nog verduisteren.
In een groep staat de goedgunstigheid altijd aan de kant van degenen van wie gehouden wordt, terwijl degenen die buitengesloten zijn, of dat menen te zijn, door het noodlot achtervolgd worden. Félicien liep een voedselvergiftiging op waardoor hij in een belachelijke positie kwam te verkeren op die boot waarop iedereen kon horen wat zich op een zekere plaats afspeelde en hoe zijn buurman zich ontlastte. Claude, die zich tijdens het onderwatervissen in zijn vinger had gestoken, had fijt gekregen. Louise die te lang met haar gezicht in de zon had gelegen, kreeg zo'n koortsblaar op haar mond waarvan ze vanaf haar kindertijd af en toe last had, en die bij voorkeur de dag voor een belangrijke ontmoeting of een liefdesweekend ontstonden. Arnaud, die het heerlijk vindt als zijn vrouw kwetsbaar is, troost haar liefdevol. Op een avond zo liefdevol dat ze het niet langer uithoudt en tegen zijn borst begint te snikken en hem al haar ellende vertelt, waarbij ze zichzelf maar een rare vindt, want naarmate ze haar vermoedens uitspreekt, komen ze haar steeds belachelijker voor.
'Maar wat verzin je allemaal, m'n Hermione, je bent gek! Mijn intellectuele, mijn geleerde vrouw is in wezen niet meer dan een dwaas en een ateliermeisje, is dat niet lief? Ik vind het niet erg, hoor, daar niet van...'
Ze lacht en drukt zich tegen hem aan. Ze kan maar beter lachen, nietwaar, dan hem erop wijzen dat wanneer een van beide partners zich lauw betoont, de ander algauw seksueel geobsedeerd lijkt! En het is waar dat Arnaud geen enkel probleem schijnt te hebben met deze onthouding waartoe ze door zijn schroom veroordeeld worden in dit land waar zelfs de goden schaamteloos de liefde bedrijven. Félicien en Viviane doen het wel, wanneer ze denken dat hun celgenoten slapen. Louise vindt het leuk om te horen hoe ze heel zachtjes fluisteren en zuchten. Arnaud laat niets merken. Hij heeft een hekel aan vertoningen, laat hij haar nog eens weten op een avond dat ze hem heel zachtjes aanspoort hetzelfde te doen. Toch vindt ze hem hier aantrekkelijker dan ooit, lachend en ontspannen, heel bruin in het roze overhemd dat ze hem heeft gegeven, met zijn topaasgele ogen, zo aandoenlijk omdat ze een vergissing lijken te zijn bij een man uit het Zuiden. Ze mag graag zien hoe hij de bouillabaisse klaarmaakt met de ernst en de concentratie waarmee hij altijd achter het fornuis staat, hoe hij op een heel treurige avond de stemming er weer in brengt, hoe hij alleraardigste Fransen ontdekt achter een zuil op het meest verlaten eiland van de Cycladen, en soupers organiseert om die niet te evenaren nachten aan de Middellandse Zee nog langer te rekken, die nachten waarop je er maar niet toe kunt komen je ogen te sluiten voor zoveel schoonheid. Als de Meltem in de beschutting van een kreek voor anker ligt, blijven ze eindeloos lang aan tafel zitten in de stuurhut onder het zachte schijnsel van een petroleumlamp, terwijl ze de geuren van het struikgewas opsnuiven die zich over de zee verspreidenen zodra het nacht is, en ze steeds weer terugkomen op het onuitputtelijke onderwerp, Griekenland, het Oude Griekenland, dat zij kennen, en dat nog zo aanwezig is, vooral 's avonds wanneer de motoren zwijgen en de Helden weer rondspoken in die grotten en op die eilanden die het centrum en de bron van de beschaafde wereld zijn geweest. Félicien en Louise, die l'Histoire grecque van de oude Marcel Cohen herlezen, komen in botsing met Claude die in Libanon heeft gewoond en bewondering heeft voor oosterse filosofieën. Louise wijst instinctief de islam af, in de eerste plaats omdat ze vindt dat het vernederen van vrouwen in al die landen niet te rechtvaardigen is. Die stomme Carol citeert natuurlijk het Hooglied waarvan ze nog geen drie regels gelezen heeft, om aan te tonen dat oosterlingen het lichaam van de vrouw vereren. En Viviane verkondigt met een steelse blik naar Arnaud en Claude dat ze het haremleven nog zo gek niet vindt. Er is er altijd wel één in een gezelschap die deze onzin uitkraamt. Wat is er trouwens anders aan haar leven dan aan een haremleven? vraagt Louise zich af, die deze gedachte maar niet hardop uitspreekt om te voorkomen dat Claude of Arnaud van de gelegenheid gebruik maken om de haan in het kippenhok uit te hangen: 'Zijn jullie nou klaar met elkaar in de veren te zitten?' zou een van hen zeggen, daarmee vermijdend op het onderwerp in te gaan en de discussie herleidend tot een probleem van 'kippetjes'.
Ze durft nooit tegen de algemene opinie in te gaan, haar standpunten te verdedigen zodra die agressief kunnen lijken of niet in de smaak vallen bij Arnaud. Nu schijnen de meeste van haar basale gedachten niet bij hem in de smaak te vallen. Maakt hij er een spelletje van om haar tegen te spreken? Of meent hij dat de huwelijksband inhoudt dat je je mening moet conformeren aan die van de ander en een discussie dus niet wenselijk meer is? Zoveel is zeker dat ze, sinds ze samen door het leven gaan, nooit meer die grote gedachtenwisselingen hebben waar Louise zoveel van hield en die ze tegenwoordig alleen nog in aanwezigheid van vrienden op touw kan zetten. Zou ze bijvoorbeeld ooit praten over Alexander de Grote als Félicien er niet bij was die naar haar luistert, die belang hecht aan haar meningen en niet van oordeel schijnt te zijn dat citeren een vorm van exhibitionisme is? Juist door middel van Alexander zal ze nu eens kunnen afrekenen met het Oosten, en dan en passant, met haar eruditie, die al te mooie Carole verslaan...
'Nou ja, Claude, al die generaals die uit dat onbehouwen Macedonië kwamen, al die vechtjassen, dat was een pot nat, stuk voor stuk waren ze verwikkeld in kuiperij en het wellustige leventje van de serails!'
'Maar je vergeet de artistieke rijkdom van het Oosten, al die nieuwe ideeën die Griekenland hebben verrijkt,' komt Arnaud tussenbeide, die verbaasd is over de heftigheid van Louise en niet doorheeft dat ze haar persoonlijke rancunes afreageert op het vrouwenhatende Oosten.
'Verrijkt misschien op het gebied van de kunst, maar vernield op het gebied van de mensen zelf. Ik vind het bedroevend dat die mooie utopie van Alexander, die besliste dat twintigduizend van zijn soldaten en officieren ter plaatse uitgehuwelijkt moesten worden aan Perzische vrouwen, waarbij hijzelf trouwde met Roxane, de dochter van een of andere emir, op niets is uitgelopen en binnen twee generaties het Griekse volk te gronde heeft gericht...'
'Maar ben je dan een radste?' zegt Claude.
'Natuurlijk is ze een radste,' onderbreekt Arnaud. 'Ze is tegen alles wat ze niet begrijpt: rugby, detectiveromans, woordspelingen, duizend-en-één-nacht... Louise is de Heilige Justus!'
'In elk geval ben ik tegen iedere beschaving die vrouwen monddood maakt en opsluit, zelfs al is het achter een schitterende architectuur.'
'En Cleopatra dan?' komt die imbeciel van een Carole uit de hoek die de geschiedenis altijd terugvoert tot het bed, 'zij is eerder degene die haar kerels heeft verslonden!'
'O ja, daar zat ik al op te wachten. Ze komen altijd weer met diezelfde drie namen aanzetten. Kun je me één ander voorbeeld noemen uit de Oudheid? Xantippe, Medea, Phaedra, Ariadne... allemaal krengen en misdadigsters of slachtoffers!'
'Toch heeft Louise gelijk,' zegt Félicien die zijn vriendin te hulp schiet. 'Alle dynastieën die afstammen van deze rassenvermenging, de Seleucieden, de Lagiden, de Antigoniden, hebben op alle gebieden gevegeteerd, behalve op het gebied van wreedheid. Niet één van de diadochen die door Alexander waren geïnstalleerd, is in zijn bed gestorven! En praktisch ook niet één van hun afstammelingen gedurende twee eeuwen... Dat is toch onvoorstelbaar! Cohen vertelt daar heel boeiend over.'
'Dat neemt niet weg,' zegt iemand, 'dat Alexander zoiets als Hitler is.'
'Wat?' zegt Louise. 'Hij was opgevoed door Aristoteles en dat hij Griekenland is binnengedrongen was niet om het te verwoesten maar om deel te hebben aan een beschaving en een cultuur die hem fascineerden en hij heeft Azië veroverd met de Ilias op zak.'
'Misschien, maar dat weerhield hem er niet van als een barbaar tekeer te gaan: hij maakt Thebe na een opstand met de grond gelijk.'
'Ja, maar hij laat één huis staan: het huis van Pindarus. Een stad met de grond gelijkmaken was schering en inslag...'
Onder de Griekse hemel, tussen de hoge schrale eilanden die nog hetzelfde profiel hebben, op dat water dat dezelfde smaak en dezelfde helderheid heeft als ten tijde van Pindarus, bestaan de helden van deze verre anekdoten nog een beetje, die paar eeuwen, en enkele tienduizenden mensen, een hoofdstad niet groter dan Bois-Colombes... Ze leven misschien wel voor de laatste keer in de dromen van een hele generatie eindexamenleerlingen die 'alfa' werden genoemd, studenten aan een universiteit of Ecole normale, voor wie Odysseus, Menelaüs of Alcibiades nog even waarachtig en mensen van vlees en bloed zijn als Vincent Auriol of de Gaulle. Wie zal voortaan nog weten dat de marathonloper niet Mimoun of Viren is, behalve een paar intellectuelen in de stilte van hun studeervertrek? Wat een genot om in het maanlicht ruzie te maken over Alexander! En bespottelijk om weer die doornenkroon op je hart te voelen drukken wanneer Arnaud, als hij weer aan boord klimt na zijn nachtelijke duik, roept:
'Wat is het hier toch heerlijk! Dit is het volmaakte geluk, vind je niet?'
Waar de anderen bij zijn, kan ze niet anders dan antwoorden: 'Ja, volmaakt.' Terwijl ze hem wel zou willen toeschreeuwen dat ze nog gelukkiger zou zijn als ze met hem alleen was, op een kaïk waar niemand hen kende. Maar hij stelt dit soort vragen alleen waar de anderen bij zijn. Idioot om je zo verbitterd te voelen om zo'n kleinigheid. Goed, dan is ze maar een idioot en ze heeft meer dan genoeg van deze cruise. Trouwens, ze heeft zin om haar dochters weer te zien, vooral Frédérique, wier droevige blik bij het afscheid haar overal achtervolgt. Dat dicht op elkaar zitten op die boot begint haar zwaar te vallen en die olie in het eten, dat taaie vlees, die eeuwige tomaten. Ze verlangt naar wijngaardslakken, naar kip die niet uitgemergeld is, naar de vochtige wind van de Finistère. Ze bedenkt dat het hier al drie weken niet geregend heeft. Zachte Bretonse regen met je koeien en je melk en je donkergele boter waaruit druppels water komen die maken dat het regent... Ze walgt ook van haar jaloezie als van olijfolie die te sterk is, en die smaak blijft haar bij net als de scherpe smaak van de geresineerde wijn. Ze heeft er meer dan genoeg van Carole weer eens te horen zeggen 'wat fantastisch mooi' of 'wat leuk' zonder ooit een adjectief met meer betekenis te vinden.
Het einde van een cruise is altijd een beetje droefgeestig. De scheeps-wc, met zijn kwetsbare afvoer, is verstopt en iedereen wijt dat aan de poep van een ander of het maandverband van een vriendin. De provisiekast is leeg, de portemonnees ook, de kleren zijn vuil en de handdoeken staan stijf van het zout. Bovendien voelt Louise zich uitgeput. 'Dat komt door de warmte,' zegt Arnaud, 'je bent gewend aan Bretagne in augustus.' Maar Louise vindt warm weer heerlijk en begrijpt niet wat haar overkomt.
Als ze terug zijn, gaat de vermoeidheid niet over. Ze heeft geen kracht meer om op te staan, te praten, te eten. Hermine, die Pauline komt terugbrengen, slaat haar dochter gade met die blik van een entomoloog waarmee ze haar naaste familieleden tot in het diepst van hun ziel doorgrondt en dan komt haar diagnose:
'Ik weet zeker dat je een flinke geelzucht hebt, arme Zizou. Arnaud, heb je het wit van haar ogen niet gezien? (Nee, Arnaud kijkt haar niet in het wit van haar ogen.) Je moet de dokter halen. En ik neem Pauline weer mee. Geelzucht is uitputtend.'
Op dat moment vecht Louise niet langer, ze stort in, is ziek en laat zich eindelijk gaan. Het is bijna heerlijk een echte ziekte te hebben, en als je dan je moeder vlak bij je hebt, kun je je overgeven, je onverantwoordelijk gedragen en weer kind worden. Hermine doet de gordijnen dicht, zet een fles vichywater op een blad, wrijft haar voorhoofd in met eau de cologne, gaat een roos voor haar kopen die ze in een zwarte vaas op haar nachtkastje zet, allemaal dingen waarnaar Louise verlangde zonder het hardop te durven zeggen.
'Het zal wel van dat zware eten komen dat we drie weken lang hebben gehad,' verklaart ze. 'Alles dreef in de olie aan boord...'
'Dat is heel goed mogelijk, als je dat niet gewend bent,' antwoordt Hermine welwillend. 'Toch verbaast het me bij jou, want je hebt altijd een maag als een struisvogel gehad.' (Tersluikse blik naar Arnaud. Wat heeft hij haar meisje nu weer aangedaan?)
Misschien een maag als een struisvogel, maar een hartje als een madeliefje. Hij houdt van me: een beetje, veel, hartstochtelijk, helemaal niet.
-
EEN BENTLEY IN KERVIGLOUSE
Pasen 1952
Lief zieltje.
Waarom zou ik jou niet ook 'lief zieltje' noemen, terwijl jij, Agnès, zoveel meer ziel bent dan ik? Jij had er nooit in toegestemd de weg op te gaan in die enorme Bentley die Arnaud deze winter voor het bedrag van een frank heeft overgenomen van een bevriende journalist die ik nu vervloek. En gelijk had je. Mijn gedrag getuigt van onverantwoordelijkheid... of van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan je man, wat op hetzelfde neerkomt.
We waren om 7 uur 's ochtends vertrokken (ik schrijf dat woord met de mannelijke uitgang, want we waren met vijf vrouwtjes, maar er waren een mannetjeshamster en een oude hond bij), en we hebben er dertien uur over gedaan om Kerviglouse te bereiken! Ik heb nog nooit zo'n krachtige auto bestuurd en er zo lang over gedaan om 550 kilometer af te leggen. Naast me zaten mevrouw Bignolet, de conciërge, met haar hond Kiki op schoot en haar kleindochtertje Vévette van vier jaar.
Achterin Pauline, Frédérique en de hamster.
Voor iemand die er niets van af weet, lijkt het chic, een Bentley. Voor die paar mensen die er verstand van hebben, is het een ontroerende antiquiteit. Voor zullie die erin rijden, is het paniek!
Ons vertrek was vorstelijk... Arnaud stond ons voor de deur uit te zwaaien, we nestelden ons lekker in de grijze leren stoelen... Maar de euforie was van korte duur. In Varades, klats, de linker voorband lek. Een karweitje van niks om die wagen van zes ton in bedwang te houden en midden in een gevaarlijke bocht tot stilstand te brengen. Een klapband kun je overal krijgen. Het zal je niet verbazen dat je bij een Bentley alle bagage uit de achterbak moet halen voordat je bij de reserveband kunt, aangezien deze auto's zijn ontworpen voor Ladies en Gentlemen met chauffeur. Waar zou je je dan druk over maken?
Omdat mevrouw Bignolet, net als alle conciërges, liever plastic tassen en kartonnen dozen van de Innovation heeft dan koffers, is de berm binnen een oogwenk veranderd in een zigeunerkamp. Terwijl de meisjes opgetogen in de omgeploegde velden gaan rondstappen, kom ik tot de ontdekking dat de reuzecric die bedoeld is om de wagen mee op te vijzelen wel van een Bentley is, maar niet past op de slinger die afkomstig is van een Citroën! Bij een Bentley hoor je in zo'n geval te zeggen: 'Zoek het maar uit, James. Je zult heus daar ergens in een boerderij wel een slinger vinden. Boeren hebben altijd dat soort dingen...'
Daar in het onderhavige geval James en de eigenares van de Bentley een en dezelfde persoon zijn, moest ik liften naar de dichtstbijzijnde garage om een monteur te halen, een man dus! Hij slaagde er pas in mijn band te verwisselen nadat hij in een nabijgelegen boerderij een schroefsleutel had geleend, want de zijne paste niet op de uitzonderlijke bouten van de Bentley. Een bittere gedachte voor het perfide Albion, dat er altijd voor zorgt dat het stopcontacten, schroeven en auto's heeft waarmee de Fransen niet kunnen omgaan.
In de garage zien ze dat er in de luchtkamer een enorm gat zit dat niet gerepareerd kan worden. Dat is geen bezwaar! 'Hé, garagehouder, laat er even een nieuwe luchtkamer in zetten!' Wat een naïeveling! Dit formaat zit er niet bij. Wat de band betreft, wijzen ze me erop dat die geklapt is omdat de vorige eigenaar een grote reparatiepleister aan de binnenkant had geplakt, die verschoven is. Goed. Laten we dan een band kopen!
'U maakt zeker een grapje! 650/16, dat formaat hebben we zelfs nog nooit gehad.'
De enige - slechte - oplossing is er een andere pleister in plakken die er uitstulpt zodra de band wordt opgepompt.
'Dat kun je niet als een reserveband beschouwen,' zegt de garagehouder vriendelijk.
Maar omdat ik toch niet in staat ben mijn wiel eraf te halen als ik weer een lekke band krijg, heb ik geen reserveband nodig. Logisch, beste Watson.
De achterbak wordt weer volgeladen met tassen en kartonnen dozen; de meisjes, druipend van de grenadine en met voeten vol klei, gaan weer zitten met Kiki, die voortdurend aan zijn achterwerk zit te likken, en de hamster die helaas niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om te ontsnappen in de velden. En de rest van de weg leg ik met geknepen billen af, binnensmonds verwensingen uitend aan het adres van dat onuitstaanbare individu, die liefhebber van oude auto's, die dit mirakel heeft verkocht 'omdat hij er in Parijs niets mee kon beginnen', aan een Arnaud die beneveld raakt bij de gedachte dat hij zal behoren tot het gilde van Eigenaars van rasdieren, Daimler, Rolls, Bugatti and Co. Waar het hem om gaat, zoals altijd (en misschien ook met mijzelf) is het bezit en niet het gebruik. Rijden? Wat vulgair! Een kunstwerk is er niet om een gezin in te vervoeren.
Het kunstwerk heeft trouwens ook zo zijn behoeften: het drinkt achttien liter op honderd kilometer, maar het is wel zo dat het twee mahoniehouten schrijfplankjes bevat, een schuifraam om de Ladies en Sirs te vrijwaren van de kwalijke dampen die chauffeurs, kokkinnen en andere bedienden uitwasemen; en dat het voorzien is van een kristallen vaas en een spreekhoorn waardoor je kunt zeggen: 'Zet ons maar af bij Ricordeau, James. Je weet wel, in Loué. Er is een café aan de overkant waar je ondertussen wat kunt gebruiken.'
En ten slotte staan er onder de oneindig lange motorkap van het rasdier x paardenkrachten zwijgend en stijlvol op een rij. Op de misplaatste vraag: 'Hoeveel paardenkracht precies?' schijnt het dat de Britse verkoper verplicht is eenvoudigweg te antwoorden: 'Voldoende.' En het is ook zo dat de koplampen na twintig jaar nog geen spatje roest vertonen, dat de sigarenaansteker werkt en dat de aanblik van de motor nog bewonderend gefluit ontlokt aan oude monteurs die meneer Bugatti nog hebben gekend.
In Deauville met een windhond voor een jury langs rijden (en op voorwaarde dat er een Simca op je staat te wachten die je naar Parijs terugbrengt), schitterend. Maar een gezin met kleine kinderen en een heel dierenpark laten vervoeren door iemand met beperkte technische kennis, is een crime. Want de beproevingen van Bécassine zijn nog niet ten einde, lieve Agnès. Ach, onze vakanties toen we nog jong waren, met een rugzak op, zonder andere zorg dan wijzelf! Nooit meer! Nevermore, zoals die smeerlappen van Engelsen zeggen.
Dus tegen 9 uur 's avonds, in het donker, kwamen al die kindertjes eindelijk in Kerviglouse aan, de Heilige Christoffel zij gedankt. Nee, het regende niet, maar het had geregend. Vévette had veel overgegeven, maar Oma had zakjes meegenomen en de Queen Mary is niet besmeurd geraakt door dit schandaal. Josèphe, die ons tegen 5 uur verwachtte, had een vuur gemaakt dat al uren geleden was uitgegaan. Er heerste een lugubere sfeer. We hebben snel de elektrische dekens aangesloten en ik heb Pauline en Frédé bij me in bed genomen. Maar Kiki snurkt als een oude zeug en daardoor heb ik een hele tijd wakker gelegen.
En toen ik vervolgens bij het ontwaken me net zou overgeven aan het heerlijke gevoel in Bretagne te zijn, kwam Pauline, die eropuit was gegaan om haar territorium weer in bezit te nemen, triomfantelijk terug (kinderen zijn dol op rampen), met de mededeling dat de Queen Mary weer een lekke band had!
Het was onmogelijk, om dezelfde redenen als de vorige dag, om de band eraf te halen (deze keer is het de rechter achterband), en de reserveband erop te zetten, die trouwens geen reserveband is. Het is Paaszaterdag en je hoeft niet te proberen om een band type 650/16 te vinden in Névez, Pont-Aven, Tregunc, en zelfs niet in Quimperlé. Moedeloos denk ik met enige verbittering aan Arnaud die als een prins in onze 4 cv rijdt. Ik heb hem vanuit het postkantoor opgebeld en hij zei: 'Een Bentley moet je waard zijn. Die auto voelt heel goed aan dat jij hem niet mag.'
Dat klopt. Ik ben nog een uur in het postkantoor om ten slotte twee banden van 650/16 op de kop te tikken in Yannes, plus de toezegging van een cric en een sleutel voor tractorbouten. Maar ik zal ze pas over drie dagen kunnen ophalen. Dat doet er niet toe, ik ben bereid om hem te omhelzen, die man met zijn 65 0/16 en hem mezelf cadeau te doen, formaat 85/65/85!
Evenzogoed, zoals Bignolet zegt, staat het huis met het rieten dak er, zoals ieder jaar, verwaarloosd bij. De septic tank is wel uitgegraven maar nog niet in gebruik gesteld en dat modderige gat oefent een onweerstaanbare aantrekkingskracht op de drie meisjes uit. De closetpot en het bouwmateriaal liggen in de tuin opgestapeld: het lijkt wel een krottenwijk. Bignolet is al druk in de weer om van het huisje een Parijse conciërgewoning te maken. Hoe meer er te doen valt, des te meer ze in haar hum is, en ook kleedt ze zich dan maar gedeeltelijk aan, ouwe sloffen, ochtendjas en krulspelden, 'want we zijn toch buiten'.
Ik bespaar je het vervolg, dat is te verschrikkelijk. Hoe ik naar Vannes heb moeten rijden met 30 km per uur en een band die tok-splsh deed iedere keer als het wiel ronddraaide, ten overstaan van lachende boer en die hun werk op het land onderbraken om... te horen hoe ik langsreed, in een auto die niet onopgemerkt voorbijgaat.
'En hebt u die andere twee banden van u gezien?' vroeg de vakman uit Vannes.
'Eh... die zijn in ieder geval niet lek!'
'Nee, maar ze zijn volkomen glad.'
Kortom, deze 'affaire' die ons een frank had gekost, zal algauw zijn gewicht in goud waard zijn.
Het is i o uur in de avond, het uur waarop de kinderen je eindelijk met rust laten. Bignolet die 's ochtends achterop raakt en die achterstand de hele dag niet meer inhaalt, zit in de keuken met Vévette aan de avondmaaltijd. Kerviglouse staat haar beslist niet aan. 'Over een week zijn we weer in Parijs, hoor, Kiki.' Ze vindt het huis vochtig, van de kreeft van Job is haar maag van streek geraakt en de oesters zijn te zout. Bovendien kan Kiki Bignolet niet met Woef Lagadec opschieten en blaft hij als een razende telkens als de ander langskomt. Hij mist de conciërgewoning, schijnt het. Laat hij doodvallen! Zijn haar is vergeeld als de toetsen van een oude piano en hij ligt de hele dag te slapen op een stuk van een Perzisch tapijt met rozen uit Isfahan, dat speciaal uit Parijs is meegenomen opdat hij zich niet ontheemd voelt.
Er zit onweer in de lucht en Frédé is onuitstaanbaar: ze wil niet eten, niet slapen, niet opstaan, niet naar bed. Ik gedraag me betreurenswaardig slap, maar wanneer ik haar probeer te dwingen, wordt het nog erger: vanmiddag om twaalf uur heb ik haar met geweld haar eten naar binnen gepropt en haar een pak voor haar billen gegeven opdat ze naar bed ging. Een kwartier later had ze haar bed kapotgemaakt (de springbak is in drie stukken gebroken) en haar lunch uitgebraakt. Ik heb haar wel uit bed moeten halen, die rotmeid, en ik zal wel overal achter haar aan moeten sjouwen. Binnen tien seconden ben je haar kwijt: dan is ze verdwenen in één van de stallen van de buren en zit ze in de mest tussen de benen van de paarden; of ze klimt op de bank in de keuken, stapt over de vensterbank heen en laat zich aan de andere kant in de brandnetels vallen en dan zie ik haar voor de konijnenhokken heen en weer lopen, met haar handen op haar rug, net als Arnaud.
Schrijf me hier niet meer, Agnès, we gaan zondag weer naar huis. Arnaud komt ons ophalen. De Queen Mary krijgt al hypocriete trekjes... Ze zal zich zondag wel koest houden onder de hand van haar Meester, en al onze brave Franse autootjes spelenderwijs inhalen, zodat Arnaud, als we in recordtijd in Parijs aankomen, wel zal zeggen: 'Je kunt zeggen wat je wilt, maar het is toch wel wat anders dan een 4 cv.'
Maar nee, ik zeg niet wat ik wil. Behalve tegen jou. Zeg je ooit wat je wilt tegen een man?
Je Louise
-
LIEF ZIELTJE
Totdat Louise bijna veertig was, merkte ze niet dat ze jong was, en daarna minder jong; vroeg ze zich niet af of ze echt gelukkig was, wenste ze niet een ander bestaan dan ze had. Misschien is dat de jeugd en duurt die alleen zolang als ze vanzelfsprekend is.
Het gebeurt ook wel dat je meer van iemand houdt om wat je hem geeft dan om wat je van hem krijgt en dat ongerustheid een grotere stimulans is dan zekerheid.
Er waren drie gebeurtenissen die de tijd weer in beweging zetten: de geboorte van een derde kind, het verschijnen van Lief zieltje, geschreven door Louise Morvan en Agnès Deleuze, en de scheiding van Viviane.
Dat derde kind werd verwekt in een ring... 'Ze had een rubberen ring ingebracht, dat had je niet gedacht...' Dat idiote liedje dat Adrien vroeger zong, neuriede ze in gedachten elke keer als ze haar pessarium inbracht, dat een Engelse vriendin haar had gestuurd, die al drie jaar ongestraft neukte, zoals ze zei, dank zij dit apparaat dat 'discreet is en gemakkelijk in te brengen'. Discreet...
ja, dat wel. Gemakkelijk, misschien, maar niemand had Louise verteld hoe ze het moest indoen. Kortom, een half jaar later meenden Arnaud en Louise dat ze zich niet meer zo precies aan de kalender hoefden te houden en was er weer een zwangerschap. Kort daarna hoorden ze dat ze zich in Londen had moeten laten opmeten en dat alleen een ring op maat werkelijke bescherming bood.
Louise begon er genoeg van te krijgen de engeltjesmaakster te spelen en alleen al bij het zien van haar visgerei dat ze in de handschoenenla had verstopt, draaide haar hart om. De laatste zelfbediening was trouwens uitgelopen op een curettage in het ziekenhuis. Eigenlijk zat Gustave er nog steeds aan te komen en de meisjes waren zes en zeven jaar. Ze begon dus zonder spijt aan haar zwangerschap. Op je vijfendertigste waardeer je nog meer dat het wonder van het maken van levende materie met zoveel schijnbaar gemak plaatsheeft. Ze was van plan vlak voor de geboorte bij het Radiojournaal weg te gaan, zowel om gebruik te kunnen maken van een personeelsinkrimping bij de Radio waardoor ze een jaar lang een uitkering zou krijgen, als om te werken aan de plannen voor een boek waarmee Agnès en zij al een tijdje bezig waren. Ze wilden een getuigenis uit de eerste hand schrijven over een soort dat bezig was uit te sterven, het jonge meisje van 1936, dat zo weinig verschilde van het meisje van 1900, dat Francis Jammes, Laforgue en Giraudoux met ironie, tederheid en minachting hadden beschreven, dat kostbare goed dat met kennis van zaken was gevormd in de besloten omgeving van de familiekring en religieuze kostscholen, om later zonder strubbelingen ingepast te worden, als een stukje van een goed uitgedachte puzzel, in de gebiedende structuur van maatschappij en familie. Tegenwoordig is de adolescentie geen toestand meer maar een overgangsperiode, die zo kort duurt dat die je ontgaat als je even niet oplet. Je bent even op reis en als je terugkomt, is het kind dat je rustig had achtergelaten zonder er iets verdachts aan te bespeuren, puber of niet, een 'jongere' geworden, een ras apart, dat je plotseling intimideert met zijn eigen smaak, rechten, muziek en kleren die niet de jouwe zijn.
Die zomer beschikte Louise, die vijf maanden zwanger was, voor het eerst sinds haar lang vervlogen jaren bij het onderwijs, over drie maanden vakantie. Wat een rijkdom. Ze vertrok op 1 juli naar Kerviglouse met haar dochters, een eerste versie van haar boek en dat derde kind dat ze deze keer heel erg naar voren droeg, wat er duidelijk op wees dat het een jongen zou zijn. Viviane en Félicien hadden voor de maand juli een huisje gehuurd in een naburig dorp dat Kerspern heette. 'Op een steenworp afstand...' zei Arnaud... Agnès zou daar in augustus komen werken en de ouders van Louise zouden er ook een week doorbrengen voordat ze met Lou naar 'de echte zon' zouden gaan, zoals Hermine zei.
Arnaud, die massale familiebijeenkomsten zoveel mogelijk meed, vergiste zich deze keer in de timing en was een weekend lang geconfronteerd met een schoonmoeder die steeds openlijker haar misnoegen liet blijken over de succesvolle carrière van haar schoonzoon, die volgens haar ten koste van de carrière van haar dochter ging, die zich in het huwelijk verloor zoals je zegt dat iemand zich in godsvrucht verliest. Ze kon maar slecht wennen aan deze derde zwangerschap.
'Weer iets dat je belemmert in je vrijheid om te creëren,' zei ze.
'Maar mama, ik creëer toch immers niets?'
'Precies, je zorgt nooit voor gunstige omstandigheden. Als ik drie kinderen had gehad en daarbij nog een man voor wie ik de hele tijd had gesidderd van liefde, had ik nooit kunnen schilderen. Je moet een zekere dosis egoïsme voor jezelf bewaren. Nietje hele potentieel aan liefde aan anderen geven. Ze pakken je alles af, die anderen.'
'En ben je dan gelukkiger? Ik hoor je zelden zeggen dat je gelukkig bent, mama.'
Ze waren nu eens een keer alleen, zonder de meisjes die de hele dag met Adrien op stap waren om planten te zoeken, zonder Arnaud die in Saint-Malo een tentoonstelling over Lamennais moest openen. Het was mooi weer in 'Kertartouze', zo'n dag die des te ontroerender is omdat in Bretagne, waar altijd storingen dreigen, zulke dagen wonderbaarlijk lijken.
'Ga nu eindelijk eens even zitten! Houd eens even op met dat eeuwige geren,' zei Hermine. 'Hé, als we nu eens naar het strand gingen? Daar hoef je tenminste geen onkruid uit te rukken of ergens een spijker in te slaan. Jij hebt geen rust.'
Hoeveel jaren waren ze al niet meer samen naar het strand gegaan? In het zand, aan de rand van de zee als aan de rand van de tijd, heb je geen leeftijd meer, vind je een soort onschuld terug. De tijd stroomde door hun aderen, het begin der tijden en het vervolg der tijden en het einde der tijden, met dat kind dat als een Russisch poppetje lag opgerold in de buik van Louise, die zelf weer tegen de buik van haar moeder aan lag... Al die buiken, die vrouwelijke geslachten, waaruit weer andere vrouwelijke geslachten kwamen, die onvermoeibaar weer een nieuw leven begonnen. Hermine legde haar mooie hand met de rode nagels op de buik van haar dochter.
'Ja, dat is waar, ik zeg niet dat ik gelukkig ben. Dat vind ik dom. En ik ben waarschijnlijk niet wat de meeste vrouwen gelukkig zouden noemen. Maar ik ben beter af. Als je hebt kunnen doen wat je leuk vindt en als dat wat je leuk vindt je bevredigt en je er ook nog van kunt leven, je weet niet wat een geluk dat is... vooral wanneer je ouder wordt. Zorg dat je niet oud wordt zonder dat.'
'Maar, dat verwijt je me vaak genoeg, ik hecht veel belang aan de liefde. Dat is ook een vorm van geluk.'
'In ieder geval is het geen beroep. En jouw geluk, zoals je dat noemt, doet me vaak verdriet. Het wordt door jou helemaal alleen gemaakt; net als dat kind daar in je buik en het slokt al je krachten op. Niet dat ik Arnaud niet mag. Op zich! In een andere situatie! Arnaud-met-jou, die mag ik niet. Hij neutraliseert je, hij schakelt je uit.'
'Maar ik kom best aan mijn trekken, mama. Ik ben best tevreden zo.'
'Dat maakt me zo verdrietig. Als je ongelukkig was, zou ik je helpen. Nu kan ik niets doen... alleen maar toekijken hoe je jaren voorbijgaan en jij blijft zitten als de schone slaapster in het bos.'
'Ik heb toch tweeëneenhalf kind, een niet al te ellendig beroep, een partner...'
'Fffff!' Hermine liet haar meedogenloze spottende lachje horen. 'Hij heeft een partner, ja! Jij bent alleen. En je kunt veel meer dan wat je bij de Radio doet, heel bescheiden, in de schaduw van een echtgenoot en een hoofdredacteur.'
'Niet iedereen kan hoofdredacteur zijn, of een bekend artiest, of schrijver van bestsellers... Wat dacht je van al die anderen, die middelmatig zijn of lauw of niet aan de weg timmeren?'
Hermine zei maar niet dat ze die nu juist niet interessant vond! Kwam het doordat ze haar pantser van elegante kleren had afgelegd, doordat ze languit op het hete zand lag, niet meer dan een lichaam dat zich in niets onderscheidde van andere lichamen behalve dat het nog steeds mooi was ('je Diana-lichaam,' zei Adrien altijd), maar Hermine had er plotseling genoeg van zich als moeder te gedragen. Niets aan te doen, ze zou haar dochter nooit leren op eigen vleugels te vliegen. Misschien had zij die vleugels wel gebroken in haar pogingen ze te laten gebruiken.
'Ik had zo graag gewild dat je alles had. En gemakkelijker dan ik.'
Louise was heel goed bestand tegen beledigingen maar een liefdevol woord kon haar kapotmaken. Een traan liep over haar wang maar ze verdroeg het gekriebel en wachtte tot de traan door de zon zou opdrogen zodat Hermine het niet zou zien.
'Ik ben misschien te veeleisend geweest in mijn liefde voor jou.'
'Hou op!'
'Ik heb de indruk dat je zo hard moet zijn, alleen al om niet vermorzeld te worden. Daarna heb je bijna geen kracht meer over om te leven, om jezelf te worden. Bovendien ben jij goedig, daar schiet je niets mee op bij mannen, in ieder geval niet bij mannen als Arnaud. Ik zou er wel voor zorgen dat hij verliefd werd, als ik zo oud was als jij! Precies het tegendeel van wat jij doet, arme schat.'
'Mama, we beginnen niet weer opnieuw. Je weet best dat ik er niet tegen kan om te manipuleren. En dat ik er niet toe in staat ben.'
'Jammer! Ik zou het best leuk vinden om te zien hoe hij die zekerheid kwijtraakt dat jij van hem bent en dat hij zich helemaal niet meer hoeft in te spannen. Zie je,' zei ze na een lange stilte waarin alleen het ritmische shshsh van de golven was te horen die met nauwelijks waarneembare scheutjes steeds verder over het beige zand kwamen aangerold, 'als je kind is geboren, en je wilt echt graag met Agnès aan je boek werken, dan zou ik iemand in vaste dienst kunnen nemen en dan kun je de baby bij mij laten. Je kunt niet werken met een schreeuwend geval vlak bij je. Zelfs schilderen is dan onmogelijk.'
'Mama! Dat zou een fantastische oplossing zijn...'
'Maar op voorwaarde dat je die tijd voor jezelf gebruikt. Ik ga niet een kindermeisje betalen opdat jij bronstig kan gaan doen met Arnaud!'
Altijd woorden om de liefde belachelijk te maken! Maar alles was zo vreedzaam, zo gelukkig om hen heen dat je niet boos kon worden om een woord. De koeien van de buurman gingen zonder zich te haasten terug naar de stal over de weg met de tamariskstruiken, en hun uiers bungelden als zware klokken heen en weer. De vloed kwam langzaam kruipend op, rimpelloos, en zou algauw het strand verzwelgen. De zee zou straks warm zijn.
'Ik ga het kind baden,' zei Louise terwijl ze opstond, helemaal bevangen van de hitte.
Toch werd ze verrast door de koelte van het water en het kindje schrikte op.
'Het is koud, hè?' zei ze en legde een hand op haar buik om het gerust te stellen. 'Dat is de zee, zie je? Kijk eens hoe lekker het is als ik zwem in plaats van loop...'
Het kindje liet zich gaan in het water van de moederzee en ze beleefden samen een heerlijk ogenblik.
Geluk is misschien niet succes hebben, dacht Louise onder het zwemmen, gewichtloos hangend in het heldere water, en ze liet zich doordringen van de kalme schoonheid van die oceaan, van die brandend hete hemel, van de kust met zijn velden waar nog niet geoogst was en het koren blond werd in de zon. Het hoeft niet per se hartstochtelijke liefde te zijn die volkomen gedeeld wordt. Het is eerder een vaag gevoel van liefde voor het hele leven. Het is het gevoel dat je past in de wereld, dat je de harmonie van een landschap niet verstoort.
Lou kwam die avond met de auto. Ze kwam in Kerviglouse eten voordat ze Hermine en Adrien meenam naar Spanje.
'Hé, ik heb net een brief van je Grote Hond gekregen,' vertelde ze. 'Hij gaat trouwen, die arme kerel.'
Lou sloeg geen gelegenheid over om in aanwezigheid van Arnaud te benadrukken hoe ontroostbaar Werner, die ze ook 'je Werther' noemde, was geweest toen hij Louise kwijtraakte.
'Als hij met zo'n doortrapt Amerikaans kreng is getrouwd, zal hij het niet altijd even leuk hebben,' zegt ze.
'Met wie zou hij anders moeten trouwen daar in Philadelphia?'
'Hij is piloot, hij reist toch over de hele wereld?'
'Hoe dan ook,' besluit Lou, 'naar jou zal hij zijn hele leven terugverlangen, Muis. Ik vind het fantastisch dat je ergens op de wereld een man hebt voor wie jij de Enige bent.'
'Vooral,' onderbreekt Hermine die vindt dat dit onderwerp nog niet geheel uitgemolken is, 'vooral als je leeft met een man voor wie afwisseling een plicht is.'
'Bijna een kwestie van mannelijke waardigheid,' doet Lou er nog een schepje bovenop.
'Trouw is ook nooit jouw sterkste kant geweest, voor zover ik weet, beste Lou,' antwoordt Arnaud glimlachend.
'Bij mij is vrijheid een ziekte, dat is zo. Maar ik trouw tenminste niet, beste Arnaud.'
De twee heilige vrouwen doen onder het eten beurtelings hun best om Louise goed tot haar recht te laten komen en proberen Arnaud ongerust te maken, die er onverstoorbaar bij zit en door de goed zichtbare aanwezigheid van een derde telg Castéja zich volkomen zeker voelt.
Het was dat jaar heel mooi weer in Bretagne, als een stilte voor de storm en allemaal hadden ze er de beste zomer van hun leven, om heel verschillende en zelfs tegengestelde redenen, die alle op zich, als de anderen ze gekend hadden, voldoende waren geweest om hun geluk te vergallen.
Viviane besluit eindelijk maar eens een naam te geven aan die verrukkelijke ziekte die haar al enige tijd verlamt als Arnaud erbij is. Na haar laatste miskraam heeft ze geen hoop meer dat ze nog een kind zal krijgen en het enige dat ze nog wil is haar leven door middel van een nieuwe liefde inhoud geven. Félicien die meent dat zijn vrouw zich bij haar onvruchtbaarheid heeft neergelegd en heeft besloten ondanks alles gelukkig te zijn, loopt te koop met zijn onnozele gelukzaligheid. Arnaud vraagt zich af of hij niet al lang verliefd is op Viviane maar hij denkt - en dat zal hij lange tijd blijven denken - dat dat niets uitmaakt en dat het hem zal lukken in alle rust, zo niet de kwadratuur van de cirkel, dan toch wel de triangulatie van het koppel te bewerkstelligen. En Louise, die weet zeker dat het deze keer een jongen is; ze begint warm te lopen voor haar toekomstige boek en verbeeldt zich, nu ze ziet dat Arnaud zo opgebloeid is, dat hij van Kerviglouse begint te houden en zelfs - alles is mogelijk - van het huwelijksleven.
Aan jaloezie geen gebrek. Sinds ze van Arnaud houdt, leeft ze hoe dan ook in een staat van vage ongerustheid en ze verwijt het zichzelf zozeer dat ze daardoor blind wordt voor symptomen en toevalligheden die zelfs voor een non zo klaar als een klontje zouden zijn geweest. Wanneer Arnaud op zekere dag verklaart dat hij er een beetje genoeg van heeft zijn geld bij de paardenrennen kwijt te raken en dat hij het fijn zou vinden om zijn zondagen buiten met haar en de kinderen door te brengen, bouwen Louise en Félicien zelf opgetogen het decor voor hun toekomstige ongeluk: de Rey's gaan iedere week naar het landgoed van hun ouders vlakbij Rambouillet en ze stellen de Castéja's voor dat die het kleine wachtershuisje mogen gebruiken dat leeg staat. Daarop verheugen ze zich alle vier.
Louise gaat er al zitten tijdens de laatste weken van haar zwangerschap om de honderden brieven die Lief zieltje zullen vormen te bundelen, te censureren en weer in hun historische context te plaatsen. Het is een familieonderneming geworden, want Adrien doorzoekt in de Bibliothèque nationale kranten uit de bezettingsperiode, om alle fouten tegen de geschiedenis te vermijden, Lou neemt Pauline en Gustave onder haar hoede als ze vrij is, terwijl Louise haar helft van het manuscript uittypt, dat Hermine ordent en corrigeert.
In oktober wordt het boek aan een eerste uitgever aangeboden, en onmiddellijk geaccepteerd, terwijl iedereen hun een lange reeks afwijzingen had voorspeld. De twee vriendinnen kunnen het maar niet geloven: het is voor hen een droom die niet ophoudt, hun jongemeisjesdroom uit de tijd dat ze over de boulevard Saint-Michel heen en weer liepen, en een glas bier dronken bij le Capoulade of chocolademelk bij Pons, vervuld van een toekomst die even onduidelijk als opwindend was.
Het kind verschijnt als eerste en de moeder, die bevalt 'zonder pijn' maar niet zonder teleurstelling, begroet het met een luid 'Verdomme!'. Want het is nog steeds Gustave niet. Daarom, de Castéja-clan is immers toch al teleurgesteld, wordt het kind Adrienne genoemd.
Gelukkig komt algauw het boek uit, waardoor men deze derde miskleun vergeet. Op de kaft staan twee gekruiste pennenhouders zoals schoolmeisjes die vroeger in hun kartonnen pennenkokers hadden, in verschillende kleuren gemarmerd, pennenhouders die doen denken aan die staafjes boetseerklei die je na lang aarzelen ten slotte maar allemaal door elkaar mengde en onder je handpalm tot een lange regenworm rolde.
De fascinerende droom gaat maar door: ze hebben meteen succes. De damesbladen zijn geïnteresseerd in hun confidenties, Elle stelt voor ze als feuilleton te laten verschijnen, de beide schrijfsters worden voor de radio uitgenodigd. Het is dus waar dat ze bestaan? Sommige recensenten schrijven dat het boek zo fris, zo authentiek is. Anderen zien er hun jeugd in terug, het dagelijks leven in de bezettingstijd dat men wilde vergeten en dat als onderwerp weer in de mode komt. Er wordt hun gevraagd om artikelen, ze geven hun mening over de manier van leven van de jonge meisjes van tegenwoordig, over maagdelijkheid, trouw en liefde. Ze treden op in 'Rendez-vous a 5 heures'; dat is de bekroning. Hun lieve zieltje wordt met zesduizend exemplaren per dag verkocht.
Arnaud luistert welwillend naar zijn vrouw die praat over oplagen, herdruk en signeer-reisjes. Hij heeft weinig bijgedragen aan het tot stand komen van het boek, want correspondentie, met name van vrouwen, boeit hem niet. Hij had het vooral fijn gevonden dat Louise 'afleiding' had gevonden sinds ze niet meer 'werkte'.
Maar ze gaat met enige bitterheid na hoever ze nog verwijderd is van het schrijverschap. Omdat ze net bevallen is en Agnès vijf kinderen heeft, wordt graag gevraagd of het meer pijn doet om een boek 'op de wereld te zetten' of een baby. Le Figaro schrijft als ondertitel bij de recensie: 'Als vrouwen de pan inruilen voor de pen.' Men vraagt zich af hoe hun vriendschap in elkaar zit: 'Twee vrouwen die elkaar niet in de haren vliegen, dat komt zelden voor...' In Nice-Matin wordt hun boek genoemd, maar in de rubriek 'Pour vous, Mesdames' en niet op de literaire pagina. Daardoor vergeten ze te praten over de stijl, over of het iets voorstelt of niet, over de personages. In het openbaar weten ze zich niet goed te verdedigen. Agnès, die van de zenuwen een falsetstem krijgt, begint te stotteren; Louise laat zich door de geringste kritiek al uit het veld slaan. Wanneer een radiojournalist hun verwijt 'gewoon twee burgerdametjes te zijn die een beetje navelstaren', weet ze niets terug te zeggen en voelt ze zich schuldig over haar afkomst.
'Nou en,' zegt Hermine die geen uitzending overslaat waarin haar dochter voorkomt, 'dat is toch geen schande! De meeste schrijvers waren van burgerlijke afkomst en die journalist van je is vast geen mijnwerkerszoon. Je moet je nooit in een hoek laten drukken, maar een tegenaanval doen.'
'Maar hoe dan?' jammert Louise.
'Ik zou bijvoorbeeld tegen die vent gezegd hebben: "En als we twee arbeidsters waren geweest, in welk opzicht zou u ons boek dan beter hebben gevonden?" Dan breng jij hem in de problemen.'
Louise probeert de les te onthouden maar ze zijn nog maar twee lammetjes die als prooi dienen voor melkmuilen vol zelfvertrouwen, die gewoonlijk maar anderhalve minuut de tijd voor hen hebben en hun, als ze met kloppend hart arriveren, meedelen: 'Ik heb geen tijd gehad om uw boekje te lezen. Even in een paar woorden, waar gaat het over?' of bij het begin van de uitzending verklaren: 'We hebben het vandaag over een alleraardigst boekje voor de vrouw...', wat meteen al iedere vergelijking met de 'echte literatuur' uitsluit.
Louise is meestal degene die hun boek verdedigt. Agnès is gewoonlijk verhinderd. Haar man is erg getroffen door het feit dat een uitgever de ontboezeming van twee wijven serieus genomen heeft. Dat het publiek erop afkomt, dat is heel wat anders; het publiek is stom, dat weet je. Etienne legt het dan ook zo aan dat hij een diner organiseert met de directeur van zijn fabriek op de avond dat Agnès is gevraagd naar Parijs te komen. Hij knipt de recensies uit, bij voorkeur slechte, zoals die in Combat, die in Lief zieltje een 'keurige roman voor de sentimentele pers' ziet. Hij lacht spottend als hij ziet dat het boek op de derde plaats staat van de lijst van best verkochte boeken in Candide, en hij die alleen bestsellers leest (maar dan van het mannelijke soort, de Geschiedenis van de luchtvaart of Het atoomtijdperk), verklaart dat verkooponderzoek wordt betaald door de uitgevers.
Agnès krijgt alleen toestemming om in dichtbijgelegen steden te gaan signeren, in Poitiers, Lyon of Clermont-Ferrand. Daar wordt ze serieus genomen, lezeressen kijken met bewondering naar haar, vragen haar om adviezen, beschouwen haar als een schrijfster. Maar, als ze weer in Saint-Etienne is, wordt ze weer mevrouw Etienne Pichonnier. Men meldt haar, als ware het een reeks tekortkomingen van haar kant, dat haar dochter juist 's nachts stuipen heeft gehad, dat haar zoon aan een stuk door naar haar heeft gevraagd en dat het dienstmeisje net haar ontslag heeft genomen. Niemand vraagt haar of ze tevreden is over haar reis, over haar ontmoeting met boekhandelaren en lezers. Etienne neemt haar weer bevoogdend bij de hand en legt haar vijf of zes problemen voor die dringend moeten worden opgelost, er moeten elleboogstukjes uitgezocht worden voor zijn jagersjasje, er moet een kerstboom komen voor de kinderen van de fabriek, er moet speelgoed gekocht worden dat niet te duur is maar er wel aardig uitziet, hij heeft tegen het comité gezegd dat zijn vrouw dat graag op zich zou nemen; en dan is er nog het maandelijkse diner van de Oudgedienden van de etp*, dat deze maand bij hem thuis gegeven wordt, daar moet ze wel aan denken, en hem een menu voorleggen. Hij zal wel voor de wijn zorgen, want Agnès heeft totaal geen verstand van wijn en dat laat hij zorgvuldig zo. En heimelijk is hij ook dolblij dat ze zo slecht rijdt. Ze zal trouwens nooit vorderingen maken, daar zorgt hij wel voor door haar flink in de war te brengen met raadgevingen en verwijten. In feite is ze te 'zenuwachtig' en laat ze zich door haar kinderen onder de voet lopen.
'Wat zou je moeten beginnen als ik geen dienstmeisje voor je kon betalen?'
En als ze moe thuiskomt van haar reizen met Louise, dan is dat heel gewoon, 'ze neemt te veel hooi op haar vork'.
'Kom, schenk liever eens een lekkere Martini on the rocks voor me in, ik heb een verschrikkelijke dag gehad met al die stakingen. Het is niet te geloven wat daar een energie in gaat zitten, met die lui!'
* École des Travaux Publics
Agnès vraagt zich af of ze er ooit in zal slagen een ander boek te schrijven.
'Het zou niet verstandig zijn, lijkt me, je daarvoor kapot te werken,' zegt haar man. 'Dat is geen beroep voor jou. Je hebt hier al genoeg te doen.'
Alsof ze zichzelf nog een extra reden wil verschaffen om ervan af te zien, wordt ze algauw zwanger van een zesde koter. De Grote Dokter van Saint-Etienne die alle vrouwen van de notabelen bij de bevalling helpt, heeft het een paar weken lang over een fibroom gehad en nu is het te laat om nog enig resultaat te kunnen verwachten van Ovocycline of Lutocycline. Maar deze zwangerschap, zo kort na de vorige, was niet wenselijk in haar gezondheidstoestand:
'Dat meent u niet, mevrouw,' zegt hij op verwijtende toon alsof het hem verdriet doet. 'Ik had u nog zo aangeraden minstens een jaar te wachten.'
Agnès let goed op zijn blik, haar leven hangt af van de willekeur van deze onbekende man die daar achter zijn bureau zit, maar dat is niet zijn probleem: al sterft ze deze keer aan een embolie of knoeit ze met haar eigen lichaam, hij wast zijn handen in onschuld, zijn 'Genootschap' staat hem dat toe. Zijn beroep is kinderen ter wereld brengen, het doet er niet toe in welke staat, onder welke omstandigheden, van welke moeder, al was ze vijftien jaar. De natuur wil het zo. Maar de Grote Dokter is menselijk: hij kan haar geen adres geven, maar patiënten hebben hem verteld dat als je met een stukje slang van een aquarium op een bidet gaat zitten, het dan wel lukt. Visgerei bewees beslist goede diensten.
Etienne is een beetje gekwetst dat ze er geen zin in heeft. 'Wat? Is het zo vervelend om kinderen te krijgen?' Een vijfde dochter zou hij best uit de weg willen ruimen maar hij zou wel een tweede zoon willen hebben. Hij heeft er maar één en helaas is die zachtaardig en gevoelig en bovendien nog invalide.
Agnès zendt een sos uit naar Louise. Ze is bang om zich tot een onbekende te wenden zoals Louise bang is het lichaam van een ander aan te raken. Etienne is geschokt, maar omdat hij geen andere oplossing kan bedenken... Alles welbeschouwd, zijn vrouwen gewend aan dat soort dingen. Hij weet niet eens hoe het er daar vanbinnen uitziet. Louise komt dus voor het weekend, met haar gereedschap onder de ene arm en haar derde kind onder de andere. Voor niemand zou ze dit doen. Maar zou het voor Agnès niet een nog groter trauma zijn met een onbekende? En het risico dat je verraden wordt in een klein dorp, het schandaal...
Kortom, ze gaan ervoor zitten, Agnès dwars op de rand van het bed, met haar bedlamp waarvan ze de kap heeft afgenomen tussen haar dijen, en Louise knielend op het karpet.
'Had ik maar een kno-lamp op mijn voorhoofd,' zucht ze.
'Of desnoods een mijnwerkerslamp en een helm... En als je je zaklantaren nu eens in je mond hield?' stelt Agnès voor in een poging om grapjes te maken terwijl Louise in haar begint rond te wroeten met haar idiote gereedschap.
En dan opeens lijkt dit tafereel zo belachelijk, daar in die burgerlijke slaapkamer, tussen de twee portretten van voorouders en de foto's van de kinderen op de commode, dit tafereel dat al zovele duizenden keren is voorgekomen in de geheime geschiedenis van de vrouw, dat ze plotseling in een hysterisch, bevrijdend gelach uitbarsten, Agnès brandt haar dijen met de lamp die ze niet meer recht kan houden van het lachen.
'Als je zo beweegt, lukt het me nooit,' roept Louise.
'Weet je aan wie je me doet denken met je tube vaseline, je slangetje en je naalden? Aan la Voisin! Weet je nog dat ze haar op de place de Grève hebben verbrand voor haar misdaden, la Voisin...'
'Schei uit met je rare verhalen, ik ben aan het werk. En moet je je voorstellen dat ik nog nooit een geslacht van een vrouw had gezien! Dit is mijn eerste! Daar moet op gedronken worden! Heb je tegen Etienne gezegd dat hij de champagne koel moet zetten?'
'Ik geef toe dat ik er niet aan had gedacht,' zegt Agnès die nog harder moet lachen. 'Bovendien is Etienne helemaal overstuur.'
'Maar ik ook, wat denk je? Daarom hebben we juist champagne nodig. Vooral omdat ik het wel voel als ik mezelf pijn doe. Als ik met jou bezig ben, is dat veel indrukwekkender. Geef vooral niemand mijn adres, ik heb absoluut geen zin om engeltjesmaakster te worden.'
Luchtig, opgewonden, liefdevol babbelend om het sinistere karwei te doen vergeten, slaagt Louise er ten slotte in de zaak tot een goed einde te brengen. Agnès is weer vrij, ze hoeft alleen nog maar te doen alsof ze weer een miskraam heeft: een bloeding, bij voorkeur met koorts, een bezoekje aan de Grote Dokter die nu met veel vertoon kan ingrijpen, zorgen dat het aantal bezette bedden in zijn privé-kliniek weer stijgt en een honorarium opstrijken dat hij in alle billijkheid zou moeten delen met Louise. Een Louise die enigszins uitgeput is van emotie, maar die zich voor de zoveelste keer de dea ex machina voelt die het blinde noodlot heeft gekeerd.
Viviane heeft voor de twee meisjes gezorgd terwijl Louise bezig was. De twee paren wonen nu in hetzelfde pand, dat is praktisch en plezierig. De Rey's vangen Louise 's avonds op als ze alleen is; 's zondags, als ze met de kinderen gaat wandelen, komt Félicien met Arnaud schaken. Ieder ogenblik staat Viviane voor de deur om te vragen of ze haar uit de brand willen helpen, ze heeft altijd olie nodig, of peterselie, of een aspirientje. Sinds ze getrouwd zijn, is Louise altijd bang geweest dat Arnaud zich met haar zou vervelen. Iedere keer als ze alleen zijn, slaapt hij, kruipt hij weg achter een verschansing van kranten of kijkt hij naar een wedstrijd op de tv. Hij geeft nooit te kennen dat hij zin heeft haar mee te nemen naar een restaurant of naar het theater. Ze is duidelijk niet voldoende voor hem, terwijl de kleine leefgemeenschap die ze met z'n vieren hebben gevormd alle problemen oplost. Het leven is vrolijk en harmonieus geworden. Arnaud houdt meer van zijn vrouw als ze met z'n vieren zijn dan met z'n tweeën, en ieder heeft waardering voor de drie anderen, als individu en ook als groep. Waarom zou ze dan niet zorgen dat ze elkaar vaker zien?
Ze gaan samen naar Italië, ontdekken de Gorges du Tarn, brengen weekends in de Elzas door, waar Félicien vandaan komt, om de jonge wijn te proeven en het eerste wild. In aanwezigheid van Félicien die haar bewondert, is Louise graag grappig, slaagt ze erin Arnaud aan het lachen te brengen. Viviane is de perfecte vriendin, onverantwoordelijk maar altijd klaar om te helpen; maar ze heeft minder tijd voor haar peetdochter Adrienne sinds ze werkt voor H, een luxe tijdschrift voor mannen, dat Louise Q noemt, dat is eerlijker. Ze is daar secretaresse maar ze noemt het assistente, dat klinkt beter. Arnaud heeft zich door haar en Richard Villedieu, zijn hoofdredacteur, laten overreden er een maandelijkse rubriek voor te schrijven. Louise vindt het maar niks maar wordt door Viviane voor tut-hola uitgemaakt en door Richard voor zuurpruim. Ze kan hen er maar niet van overtuigen dat de schijnheiligheid van het werk haar ergert. Ze zou liever hebben dat Arnaud openlijk een pornografisch verhaal schreef dan dat hij als cultureel excuus wordt gebruikt voor lezers die zin hebben in alle rust een erectie te krijgen bij het zien van borsten en konten, zonder voor oude viespeuk te worden uitgemaakt. Ze heeft wel waardering voor erotische literatuur, zelfs als die pornografisch is, en zou graag eens op een lange zondag in de winter samen met Arnaud Histoire d'0 lezen... Maar ze voelt zich gekrenkt dat hij inbed H doorbladert, terwijl hij naast haar ligt, uiterst serieus, alsof hij alleen geïnteresseerd is in de technische kwaliteit van de foto's.
Maar ja, het is niet anders. Arnaud werkt voortaan met Viviane, en schrijft humoristische of politieke artikelen waarin het nooit gaat over konten, maar wel over keizer Bao Daï of het proces Kravchenko. Dus waarover klaagt ze nu eigenlijk?
Hij werkt trouwens steeds meer en heeft geen tijd meer om naar Bretagne te komen, behalve in de zomer. Ieder jaar heeft hij het erover dat ze het rietdak moeten vervangen door leisteen. 'Je hebt gelijk, we moeten maar eens zien,' zegt Louise, die weet dat als ze er verder niet op ingaat, deze verandering nooit zal plaatshebben. Arnaud zit vol met ideeën, maar de uitvoering verveelt hem. Het huis met het rieten dak zal dus blijven zoals het is: sommige oude mensen moet je niet door elkaar gaan schudden.
Voortaan komt Adrien voor de 'korte vakanties'. Hij is pas drieënzestig maar terwijl Hermine nog steeds vecht en erin slaagt in New York en Londen te exposeren, verschrompelt hij en heeft hij alleen nog plezier als hij in gezelschap van zijn kleindochters is. 'Mijn ideaal zou zijn me terug te trekken in een klooster,' zegt hij vaak. Hij brengt ieder jaar een week in Solesmes door, niet zozeer vanuit het christelijke geloof als wel om door onthechting en stilte al een beetje door te dringen tot de wachtkamer van de dood.
Zijn zaak loopt niet meer en hij heeft geen erfgenaam om die over te nemen. De vitrines raken onder het stof, van zijn vogels, insecten, en verzameling mineralen blijft langzaam maar zeker niets meer over en het magazijn lijkt meer dan ooit op een kerkhof. 'Je zou het moeten verkopen,' raadt zijn vrouw hem van tijd tot tijd aan. Maar hij wil het erfgoed niet verspillen; het laten verpieteren is iets heel anders. Bovendien houdt hij van al die fossielen, hij vindt ze interessanter dan levende wezens. 'Ik ben zelf een fossiel,' zegt hij vaak. Op de markt van Concarneau blijft hij bezig met wetenschappelijk onderwijs en vraagt hij nog steeds om een maïa verrucosa of een gadus merlangus aan de visvrouw, die denkt dat hij een beetje geschift is.
De volgende zomer ging Félicien voor een maand naar de Verenigde Staten. Viviane kwam alleen naar Kerviglouse, om haar vriendin te helpen, want Louise was bezig met een enquête voor het tijdschrift waaraan ze meewerkte en het au pair meisje had een maand vakantie. Maar ze miste Félicien. Het was, buiten haar moeder om, de enige die merkte dat ze soms moe was; ook een van de weinigen die niet zodra het avond was in een fauteuil neerzakte en uitgeput zei: 'Hè, ik heb zin in een flink glas whisky... Ja, met Perrier graag... En ijs.' En hij wist tenminste, als hij een aperitief inschonk, dat het bakje met de ijsblokjes niet in de verwarmingsketel stond, en de kurketrekker niet in de naaidoos lag. Louise vroeg zich af waarom hij had afgezien van zijn sacrosancte vakanties in Bretagne. 'Ik geloof dat Félicien ziek is,' verklaarde Viviane. 'Ik weet niet wat hij heeft, hij is niet meer dezelfde.'
Louise vond inderdaad dat hij somber was sinds een jaar. Zijn goedige zeehondenogen lachten niet meer en een ongelukkige zeehond is tweemaal zo triest als een mens. Maar hij scheen confidenties uit de weg te gaan en bedacht zelfs smoezen om niet meer op die weekends in Rambouillet te verschijnen die hij vroeger zo leek te waarderen.
Buiten de stad was Viviane begonnen met weven en het maken van collages, net als iedereen. Kunstnijverheid was in die jaren erg in trek in de chique voorsteden. Ze appliqueerde grassen op fluweel en dacht dat ze een artieste was. Ook Arnaud had plotseling belangstelling gekregen voor pottenbakken en met z'n tweeën hadden ze een atelier ingericht in de garage. Dat alles betekende dat er een draaischijf aangeschaft moest worden, een pottenbakkersoven, een weefgetouw en talloze strengen wol die puilden uit kostbare, buitengewoon smaakvolle tenen manden, voordat er plaids van werden gemaakt die zo ruw waren als een boetekleed en overal een bokkenlucht verspreidden. Was het omdat ze nog nooit een telegraafpaal had kunnen tekenen? Aan deze terugkeer tot de handwerksnijverheid kon Louise zich behoorlijk ergeren en kribbig nam ze haar toevlucht tot nuttige bezigheden en ging ze de luiken overschilderen, de parketvloeren coaten of 's zomers de oude pinas van Adrien kalefaten. 's Zondagsavonds in Rambouillet organiseerden ze enorme picknicks waarvoor Arnaud Claude en Carole uitnodigde, en Richard natuurlijk, zijn hoofdredacteur, die met zijn mondaine relaties, cynisme en bruisende activiteit indruk maakte op de provinciaal die hij nog steeds was. Vooral omdat Richard dan wat leven in de brouwerij bracht door twee of drie 'prachtvrouwtjes' mee te nemen, naast zijn moedige echtgenote, Marie-Thé, die documentaliste was, maar bij een weekblad zonder ook maar een enkele factor Q, en bij wie hij nooit wegging, want ze trad op als chauffeur en minnemoeder op de avonden dat hij zich bezatte.
Op een zondag in december was Louise in Rambouillet toevallig alleen met Félicien, die zijn zieke vader kwam verzorgen en toen wilde ze eindelijk wel eens weten wat de oorzaak was van zijn zwaarmoedigheid.
'Waarom heb je me niet van tevoren gezegd dat je kwam? Dan hadden we samen kunnen lunchen. Je vertelt me nooit meer iets...'
'O! alsjeblieft,' antwoordde hij op een toon vol toespelingen.
'Maar, Félicien, wat is er?'
'Er is dat ik waarschijnlijk een beetje ouderwets ben. Maar er zijn situaties waar ik niet tegen kan. En ik moet zeggen dat ik het speciaal jou kwalijk neem.'
'Mij?'
'Ja, jou, omdat ik dacht dat je mijn vriendin was. Doe niet zo onschuldig. "Ik weet alles", zoals ze in goedkope kluchten zeggen. Het kon jullie geen moer schelen wat ik ervan dacht en ik vind dat je me tenminste op de hoogte had kunnen brengen.'
Louise ziet er zo oprecht verbijsterd uit dat Félicien langzamerhand begint te twijfelen. Hij vindt het vreselijk haar pijn te doen maar is tegelijkertijd ook opgelucht dat zij van niets weet. Naarmate hij haar een mes in het hart steekt, verdwijnt eindelijk de beklemming om zijn eigen hart. ,
'Je wilt me toch niet vertellen dat je niet op de hoogte was?' zegt hij nog.
Nee, Louise wist van niets maar plotseling weet ze al precies wat hij gaat zeggen. Deze afschuwelijke waarheid die ze zo lang diep in zichzelf had weggestopt komt naar boven.
'En ik was er nog wel van overtuigd dat jullie alle drie aan je trekken kwamen, dat jullie hielden van orgieën, dat jij Arnaud aanmoedigde omdat... Maar ik vind het opeens afschuwelijk dat ik dat heb kunnen denken.'
'Luister eens, je kent me toch? Waarom heb je me nooit iets verteld?'
'Wat had dat voor zin? Je leek zo onbezorgd; zo verliefd op Arnaud; zo verknocht aan Viviane... Jij nodigde haar meestal uit!'
'Dat is zo, dat deed ik.'
'Hoe kon ik dan op het idee komen dat jij blind was? Dat jij niet zag dat ze van elkaar hielden? De enige logische conclusie was dat jij van vrouwen hield en dat...'
'En dat we een driehoeksverhouding hadden zoals in l'Invitée?'
Louise voelde zich langzaam wegzinken maar ze wilde niet instorten waar Félicien bij was. Ze wist dat ze heel traag reageerde. Ze bleef maar doorrennen als een kip zonder kop, niet wetend dat ze dood was, ze bleef maar praten als een onbezorgde vrouw die bemind wordt.
'Louise, dit is misschien niet het goede moment om het te zeggen maar ik kan je niet vertellen hoe blij ik ben. Blij dat ik me vergist heb en jij weer bent zoals ik je graag zag. Ik had alles verloren in deze zaak.'
'Het lijkt me dat ik ook wel het een en ander heb verloren...'
'Minder dan je denkt, dat weet ik zeker. Viviane heeft nooit echt van mij gehouden. Maar ik weet zeker dat Arnaud van jou houdt. Jij bent de vrouw van zijn leven, dat is duidelijk.'
'Goed, maar van welk leven? Hij heeft altijd een heleboel levens gehad.'
'Dat lijkt maar zo... onbelangrijke affaires... waar het om gaat... niets verknoeien...'
Louise hoorde één op de vijf of zes woorden, er waren nog een paar rotsen in de branding en daar greep ze zich aan vast. Ze moest naar Parijs teruggaan, om 6 uur Pauline ophalen bij een vriendinnetje, ze moest er vooral vandoor gaan anders zou ze op de grond vallen, daar, voor de voeten van Félicien, en dan zou ze niet meer kunnen opstaan, autorijden, eruitzien als een normale vrouw. Hij voelde het, die lieve zeehond, en hij keek haar lang aan met zijn bruine, gevoelige ogen.
'Ik ga met je mee/ zei hij, 'ik wil niet dat je alleen naar huis gaat. Ik zie wel hoe ik de auto weer thuis krijg.'
Hij sloeg een arm om haar schouders maar dit liefdevolle gebaar werd haar noodlottig: ze barstte in heftig snikken uit. Hij klopte haar maar een beetje op haar rug:
'Wat ga je doen?'
'Niets, wat zou ik moeten doen? Ik houd van Arnaud tot nader bericht. Hij moet maar zien wat hij wil doen.'
'Ik zeg het je alvast: ik ben van plan te gaan scheiden. Ik walg van deze toestand. Ik kan het je niet uitleggen, het is alsof ik mijn liefde voor Viviane in één klap kwijt ben. Ik had nog kunnen verdragen dat ze me met een willekeurige ander bedroog, maar niet met Arnaud!'
'Arme Félicien! Dat zeg je altijd. Je denkt altijd dat een ander kruis lichter was geweest. Hoe ben je erachter gekomen?'
'Viviane heeft het me verteld. Ze is altijd heel eerlijk geweest tegenover mij. Ze beweert dat ze toch op me gesteld is... nou ja... de bekende praatjes... en dat ze weet dat ze maar op de tweede plaats komt in het leven van Arnaud omdat hij heel erg op jou gesteld is...'
'O, alsjeblieft,' onderbrak Louise hem.
'Ja zeker, heel erg,' hield Félicien vol.
'Dat wil zeggen dat hij met Viviane zal willen vrijen en dat ik veilig diep in zijn hart zit geborgen?'
Hoe dan ook, ze had geen zin meer om te praten, ze weigerde te luisteren naar de belachelijke troostwoorden van Félicien, die maakte dat hij wegkwam en zijn vrouw vrij spel gaf in deze affaire.
'Weet ze dat jij wilt scheiden? Ze heeft ons niets verteld.'
'Nee, ze weet nog niets. Ik wacht tot ik een kamer heb gevonden. Ik wil mijn koffer kunnen pakken op de dag dat ik met haar praat. Ik voel me niet in staat om haar te zien huilen en evenmin om inschikkelijk te zijn. Ik zei je al dat ik ouderwets ben.'
'Ik vind het stom om een dergelijke beslissing in je eentje te nemen, met als voorwendsel dat Viviane een aanval van verliefdheid heeft.'
'Het duurt al langer dan een jaar,' zei Félicien nadrukkelijk. 'Dat is geen aanval maar een chronische ziekte.'
Een golf van zelfmedelijden overspoelde Louise: langer dan een jaar! Verdomme!
'Maar toch, of je houdt van je vrouw, of je houdt niet van haar. Daar gaat het toch om?'
'Ik houd niet meer van haar,' zei Félicien koel.
'Je hebt geluk.'
'Daar ben ik niet zo zeker van. Ongelukkig zijn is ook een vorm van leven. Ik voel me uitgeteld, oud... Jij bent vol hartstocht. Arnaud zou ontzettend stom zijn als hij jou in de steek liet en dat weet hij. Je slaat je er wel doorheen, dat zul je zien.'
'En intussen sla jij op de vlucht! Zeg, weet je nog van mijn geelzucht na Griekenland? Mijn lichaam moet al lang voordat ik het zelf wist, geweten hebben wat er nu gebeurt. Maar met dat achterlijke fatsoen van me...'
'Fatsoen is nooit achterlijk.'
'Wel als je er ongelukkig van wordt. Tenslotte heeft die hele zaak dank zij mij kunnen plaatshebben. Ik ben echt een stomme trut. En het ergste is nog dat ik niet eens zeker weet of ik wel anders kan.'
Félicien keek vertederd naar haar en daardoor voelde ze zich nog verder wegzinken in machteloosheid.
-
ARNAUD, VIVIANE EN LOUISE OF ARNAUD, LOUISE EN VIVIANE
Nederlagen zijn in het leven veel vruchtbaarder dan overwinningen. Ze zetten je aan tot nadenken, evalueren, terwijl geluk vaak een status-quo is.
Maar hoe moet ik nu vertellen over wat ik beschouw als de slechtste periode van mijn leven? De lafste, ontroerendste, onhandigste, nederigste, moedigste en in ieder geval de vreemdste periode, zodat ik me niet in staat voel ik te zeggen als ik het over die vrouw heb. Maar over wie verbaas je je meer dan over jezelf?
Achteraf gezien, zou ik niets kunnen verklaren. Ik begrijp nog steeds niet hoe die vrouw vrolijk kon blijven, vaak lachen, eigenlijk tamelijk gelukkig zijn, haar drie dochters opvoeden, niemand iets vertellen, vooral niet aan Hermine die de vlag zou hebben uitgestoken en aangeraden onmiddellijk uit elkaar te gaan, en zelfs niet aan Agnès. Geen bloemen, geen kransen. Ze had een hekel aan gejammer van vrouwen onderling. Bovendien had ze dan kwaad moeten spreken van Arnaud, dus kwaad denken, en hoe had ze dan verder gemoeten, want ze hield immers nog steeds van hem?
Arnaud stelde niet voor uit elkaar te gaan maar liet de vrijheid, dat wil zeggen de verantwoordelijkheid om te beslissen, aan zijn vrouw over. Het was typerend voor hem dat hij weigerde druk uit te oefenen op een ander, wat hij onbekrompenheid noemde maar wat erop neerkwam dat hij anderen de verantwoordelijkheid op zich liet nemen.
'Jij bent mijn leven, dat ben ik me bewust en ik hoop dat ik je niet kwijtraak. Maar ik ben gelukkig... Ik vind zelfs dat we sinds een of twee jaar het samen bijzonder goed kunnen vinden. Het is dus jouw probleem. Jij moet maar beslissen. Ik zal doen wat jij wilt.'
Dat was helaas wat je tegen haar moest zeggen om te maken dat ze het beste van zichzelf gaf.
Veel vrouwen, in de stijl van de verschrikkelijke Blanche de Castille, zien hun man liever dood dan dat hij van een ander is. Louise wilde een man die gelukkig was, het liefst met haar, en zelfs ook met haar. Ze was vooral bang een verminkte Arnaud terug te krijgen. Dan zou ze moeten zorgen dat hij Viviane vergat, ze zou nog meer sex-appeal moeten hebben en stralen van geluk, dat zou toch wel het minste zijn nadat ze zo'n offer had geëist... Wat een afschuwelijk programma!
Ze moest ook rekening houden met Viviane, die helemaal op drift was geraakt sinds Félicien een echtscheidingsprocedure was begonnen, die ze, vreemd genoeg, nooit had verwacht. Ze is net geopereerd, haar laatste hoop op een kind is vervlogen en ze heeft zich hartstochtelijk gehecht aan Adrienne. In alle oprechtheid verklaart ze dat ze bereid is te delen en zelfs alleen maar te nemen - wat een goedheid - wat Louise voor haar over wil laten, zonder dat ze beseft dat Louise degene is die deelt en niet zij! Maar ze kan toch niet alleen de baas blijven op haar terrein, voor de ramen van haar ongelukkige rivale langs lopen, die in de steek gelaten is en onvruchtbaar, terwijl zij de wagen met Adrienne voortduwt, geflankeerd door Pauline en Frédérique en met Arnaud aan een halsband achter haar aan? Als dat het huwelijk was...
Er wordt haar eigenlijk alleen maar gevraagd een klein stukje van haar leven af te staan, een paar pond van haar vlees, maar met een glimlach, omdat ze het zal hebben aanvaard in het volle besef van wat ze deed.
'Er zal tussen ons niets veranderen, weet je. We leefden al praktisch samen met z'n drieën. En heb ik je ooit een avond alleen gelaten om met Viviane te gaan eten? Heb ik je ook maar één keer de indruk gegeven dat ik liever bij haar was dan bij jou? Je had trouwens niets gemerkt.'
Nee... Ja... Nee. Wat moest ze antwoorden?
'De ene liefde neemt niets af van de andere.'
'Integendeel,' antwoordt Louise.
'Ik weet... we zijn het nooit eens geweest over wat jij mijn dilettantisme noemt. Toch een van de mooiste woorden van onze taal. Maar ook zonder het eens te zijn, kunnen we ons als beschaafde volwassenen gedragen.'
'Maar als ik nu eens een onbeschaafde jaloezie voel? Wat moet ik daar dan mee?'
'Als het je krachten te boven gaat om me te verdragen zoals ik ben...'
Zoals hij is, ja, want hij zal niet veranderen, zijn eerste zorg is trouw te zijn aan zichzelf, zichzelf niet te verloochenen, alsof zichzelf zijn een hele toer was en coherent gedrag een onmogelijke opgave. Waar was de coherentie in haar gedrag? In het accepteren van een andere wet? Arnaud heeft altijd gestreden voor het recht op verscheidenheid, zowel voor de vrouw als voor de man, verduidelijkt hij, des te oprechter wat de theorie aangaat omdat de praktijk alleen op hem slaat, in een nabije toekomst althans. Verscheidenheid voor haar? Het komt zelfs niet in haar op en het schijnt ten opzichte van haar ook bij geen van haar vrienden op te komen. Beschikbaarheid van een vrouw is iets dat mannen ruiken. Trouw ruikt nergens naar.
Ze benijdt de mensen die het vanzelfsprekend vinden dat men hun het hof maakt, hen aanbidt. Het lijkt haar vanzelfsprekend dat men minder van haar houdt. Ze bedenkt vaak dat ze niet verliefd op zichzelf zou zijn geweest als zij een man was geweest en dat Arnaud veel gelukkiger zou zijn met Viviane. Een kolibrievrouwtje zou beter bij hem passen. Waarom is hij aan haar gehecht terwijl zij hem in zoveel opzichten irriteert? Maar getrouwde mannen zijn ongelooflijk! Félicien klaagde vaak over de afhankelijkheid en de onverantwoordelijkheid van Viviane. Hij had zich aangetrokken gevoeld tot een allerliefst kindvrouwtje dat niet werkte, maar hij had tegelijkertijd willen genieten van een begrijpende, intelligente en moederlijke partner! En zoekt Louise niet ook het onmogelijke? Een man die zo vaak een raadsel voor haar is dat ze verliefd op hem blijft, ook al lijdt ze iedere keer als hij een raadsel voor haar is... een man over wie ze graag de baas wil spelen terwijl ze intussen bang is dat het haar zal lukken, zoals Hermine dat met Adrien had gedaan... Moet je zo'n tegenstrijdigheid maar niet accepteren?
'Ik zou heel ongelukkig zijn als je bij me wegging, schat, en bij mij is er geen sprake van dat ik aarzel tussen Viviane en jou, ik wil dat je dat eens en voor altijd weet.'
Alsof die woorden eens en voor altijd gelden... Maar het is waar dat Arnaud meer van haar houdt sinds hij van Viviane houdt, alsof de vrijheid om een tweede vrouw te bezitten, hem ontremt ten opzichte van de eerste. Hij zegt nu gemakkelijk 'schat' tegen haar en schijnt haar intelligentie te waarderen sinds hij zich te goed doet aan de opgeruimde onontwikkeldheid van Viviane en de onvoorwaardelijke bewondering die ze voor hem voelt.
'Wie zegt me dat je van Viviane op den duur niet meer zal houden dan van mij?'
'Dat zeg ik. Ik houd ook van haar, wat iets heel anders is. En ik zal alles doen opdat jij er zo min mogelijk onder lijdt. Dat ik het je niet eerder heb verteld - en dat was fout van me - komt omdat ik ervan overtuigd was dat je het wist en dat je ook wist dat er niets essentieels tussen ons was veranderd.'
Kortom, het staat vast: niemand breekt met niemand. 'Ieder- een houdt alles/ zoals Arnaud zegt, die er een handje van heeft de mensen aan wie hij offers vraagt, ervan te overtuigen dat ze die zelf gekozen hebben.
De beslissing wordt niet zonder tranen genomen. Twintig jaar later lees ik ongelovig de verontschuldigende woorden die Louise aan haar man schreef om het hem minder moeilijk te maken zo integer mogelijk van twee vrouwen tegelijk te houden:
'Gisteren heb ik briljant en onverschrokken gereden. Nee, het is geen chantage, maar alles laat me enigszins koud sinds datgene waaraan ik het meest gehecht was, me koud moet laten. Je weet in ieder geval dat Kerviglouse me altijd helpt te genezen, zelfs als het steenkoud is. Adrien houdt in huis zijn jas aan en zijn hoed op en we hebben de butagaskachel en de petroleumkachel in de keuken gezet. Hier heb ik de tijd en vooral de nodige afstand om aan ons te denken. Ik weet dat je genoeg hebt van mijn tranen, lieverd, van dat verdriet dat je niet kunt begrijpen of toelaten. Ik weet dat je vindt dat het mijn schuld is en dat het idioot is dat ik ongelukkig ben en ik heb ook een hekel aan mezelf in die rol. Waarom ga je niet een tijdje in een hotel wonen, ver van mijn lelijke smoel, totdat ik lichamelijk gewend ben aan een situatie die ik verstandelijk al aanvaard?
Ik vind het niet jammer dat Félicien met me heeft gepraat. Ik weet hoezeer ik op je gesteld ben. Zozeer dat ik mezelf niet meer ben. Ik kan me dat veroorloven. Jij niet, dat weet ik. Ik heb dat evenwicht dat we met z'n drieën hadden en dat jou zo gelukkig scheen te maken, enigszins verstoord maar dat is jouw schuld: als jij de moeite nam meer met me te praten, als mijn brieven en mijn vragen niet altijd in een bodemloos gat vielen... Denk niet van tevoren dat ik alles doorheb met die beroemde vrouwelijke intuïtie die me nog nooit het geringste signaal heeft gegeven. Ik begrijp maar één ding, dat is dat ik genoeg van je houd om meer belang te hechten aan jouw geluk dan aan het mijne.'
Hoogachtend, lieve man, je slappe flensje. Net als vijftien jaar eerder aan mijn moeder. Maar welke vrouw heeft niet op een of ander moment in haar leven haar identiteit opgegeven?
De eerste maanden lijdt Louise niet, trots als ze is bij dit drietal de heldenrol te spelen, die niet de prettigste rol is (o nee, verre van dat). Behalve 's nachts. Ze wordt vaak in tranen wakker en heeft voortdurend dezelfde verbazingwekkend banale droom: ze betrapt hen terwijl ze ineengestrengeld liggen. Arnaud penetreert Viviane die het uitschreeuwt van wellust en ondanks haar aanwezigheid gaan ze gewoon door zonder dat ze haar zelfs maar schijnen op te merken. Ofwel ze zoekt Arnaud in een hele rij kamers waar alle genodigden op elkaar zitten te rijden, en tekeergaan als varkens, met z'n tweeën, drieën of vieren. Zij is de enige die alleen is in die menigte, en wat nog erger is: ze is doorzichtig.
Als de frisse ochtend dan weer is gekomen en ze ziet Arnaud glimlachen, en hij neemt haar plotseling in zijn armen als hij voelt waaraan ze denkt, en ze stuurt haar drie vrolijke meiden naar school, en voelt hun zachte huidje, dan leest ze zichzelf de les. Geldt ten slotte niet voor iedereen dat je moet leven met het vreugdevolle besef dat je bestaat en het afschuwelijke besef dat er een eind aan komt, die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden? Ze moet accepteren dat er in haar leven voortaan twee werkelijkheden naast elkaar bestaan die allebei even levend zijn en waarvan, wie weet? de ene misschien de waarborg is voor de andere.
Overdag lukt het haar zich door de rede te laten leiden en 's nachts neemt ze, om aan haar nachtmerries te ontkomen, Oblivon, waarvan de afschuwelijke knoflooklucht voor haar het synoniem van verdriet zal blijven. Arnaud en zij praten steeds minder, 'woorden kunnen dodelijk zijn', beweert hij. Ze voelen zich alleen op hun gemak als er vrienden bij zijn of als ze uitgaan. Hij heeft erin toegestemd de toneelrecensies voor een televisiegids te zullen schrijven en ze gaan twee avonden per week naar de schouwburg. Ze zien het echtpaar Weiss veel. Hij is boeiend omdat hij alle politici kent en Carole doet het goed bij diners, waar ze de juiste hoeveelheid fris vlees vertegenwoordigt die onontbeerlijk is voor een geslaagde avond. Helaas, zodra ze Richard Villedieu uitnodigen, de verdoemde schrijver die in die jaren in de mode is, wordt de hoeveelheid overdreven groot want Richard zou het beneden zijn waardigheid achten om niet met zijn laatste ontdekkingen te pronken, absoluut weergaloze Zweedse mannequins, Duitse walkuren of Vietnamese miniatuurtjes. Dan krijgt de avond een andere wending. Honderdtachtig kilo vlees dat opgetut, geparfumeerd en geverfd is met als enig doel die ondeugende rakker in de pantalon overeind te krijgen, dat leidt de gesprekken in één bepaalde richting en ze komen niet meer boven het peil uit van de typisch Parijse anekdote, die de heerlijk wulpse geest van ons geliefde Franse volk goed doet uitkomen.
Louise is niet gevoelig voor de enigszins duivelse charme van Richard, voor zijn mooie magere, verbrande gezicht zoals zowel asceten als losbollen hebben; ze heeft een hekel aan zijn cynisme en de minachting die hij tentoonspreidt voor grootse ideeën en mensen die daarin geloven. Louise zou Arnaud willen uitleggen hoe ze zich vernederd voelt wanneer hij aan komt zetten met de meest recente staaltjes van het Q-vee, alsof andere vrouwen van nul en gener waarde zijn.
'Ik voel me vernederd als jouw vrouw, vernederd om Marie- Thé en ook vernederd omdat ik deel uitmaak van een sekse die op deze manier wordt gebruikt.'
'Die zich daartoe leent, bedoel je,' corrigeert hij. 'Maar ik weiger met jou zo'n soort discussie aan te gaan. Straks stel je mij nog verantwoordelijk voor de prostitutie en de slavernij, zoals gewoonlijk!'
Ja, misschien, maar is het niet af en toe noodzakelijk dat je je zo afreageert? Louise voelt de drukkende last van al die welgekozen antwoorden, aantijgingen en beledigende opmerkingen die ze niet naar het onverstoorbare hoofd van Arnaud durft te slingeren en waarvan al het venijn zwaar op haar hart drukt. Het komt nog zo ver dat ze met verlangen terugdenkt aan de hevige ruzies van haar ouders, waarna de tegenstanders uitgeput waren, verlost van hun spanningen, bevrijd van hun rancunes, plotseling helemaal slap en week.
Viviane is bij alle diners aanwezig, of ze nu intiem zijn of voor een groter gezelschap, en telkens als Richard een nieuwe vriendin in de kring introduceert, heeft Louise ten opzichte van haar dat gevoel van solidariteit dat Echtgenote i en 2 moeten hebben als hun sultan een uitverkorene meeneemt. Vreemd genoeg voelt ze zich het best op haar gemak als ze met z'n drieën zijn. Gedurende die tijd weet ze wat ze doen of liever gezegd niet doen. En ze voelt bijna een opwelling van sympathie voor Viviane wanneer Arnaud met een onthutsende ongedwongenheid te kennen geeft dat hij moe is en naar huis wil. 'Kom je, Louise? we gaan'. Kun jij ook eens zien, arm schatje, dat de liefde van Arnaud niet alle dagen standhoudt.
Viviane heeft de gewoonte aangenomen de dag na deze avonden op te bellen om haar commentaar te geven. Daarna begint ze langzaam maar zeker vaste voet aan de grond te krijgen en belt ze iedere ochtend. Louise heeft weer alleen dat lichaam naast zich dat, net als in de tijd van inf en de telefonische onderonsjes, die trouwens pas waren opgehouden toen de ptt erin geslaagd was de verbinding met de abonnees te verbreken. Nogmaals blijft in het huwelijksbed alleen een leeg omhulsel achter waarvan de ziel helemaal opgezogen schijnt te worden in het toestel... en dan die onbestemde blik, dat gelach om woorden die zij nooit hoort.
'Waarover heeft ze het vanochtend?'
'Niets bijzonders,' zei Arnaud dan terwijl hij de hoorn op de haak legde.
Nou ja! Waarom had het dan vijfentwintig minuten geduurd? Maar, alles welbeschouwd, was het uit een soort eerlijkheid dat ze elkaar opbelden waar zij bij was. Hij had Viviane ook vanuit zijn bureau kunnen bellen.
Gelukkig heeft ze door haar nieuwe boek niet al te veel tijd om na te denken. Ze werkt met haar moeder aan een ambitieus, meeslepend project: een geschiedenis van bekende en onbekende schilderessen waaruit in werkelijkheid een andere geschiedenis aan het licht zal komen: de geschiedenis van alle dochters, vrouwen en zusters van kunstenaars, schilders of beeldhouwers, die, net als de zuster van Shakespeare die Virginia Woolf had verzonnen, zichzelf hebben moeten verloochenen, zelfmoord hebben gepleegd of gek zijn geworden omdat ze hun roeping niet konden volgen. Als bewijs van bewondering voor Virginia, die Hermine in Londen heeft leren kennen, zal het boek gaan heten Een eigen atelier.
Hermine is van mening dat ze zich lang genoeg heeft beperkt tot de schilderkunst en dat ze het publiek moet zien te treffen met iets nieuws als ze wil blijven bestaan. Niet als 'vrouw die schildert', die term kan haar razend maken, want daardoor wordt de indruk gewekt dat ze over een kam geschoren wordt met die 'gehandicapte kunstenaars die met hun mond of voet schilderen', en die met Kerst hun ansichtkaarten te koop aanbieden, maar gewoon als schilderes of schrijfster, waarom niet?
Lou, die een doek van Rosa Bonheur bezit, beweert dat die in Europa en de Verenigde Staten zoveel succes heeft gehad omdat ze wist te ontkomen aan het huwelijk en vijftig jaar met een vriendin samenleefde. Dacht Hermine aan haar leven met Lou tijdens de oorlog, waardoor haar talent kon ontluiken, dacht ze terug aan die eigenaardige driehoeksverhouding die ze toen met Adrien hadden? Voor het eerst zinspeelt ze erop, terwijl ze in het atelier aan het werk zijn, in die dikke terpentijnlucht die voor Louise altijd de geur van een moeder zal zijn.
Al twee jaar lang heeft ze in Europa en de Verenigde Staten onderzoek gedaan, om in de archieven of in de kasten met verboden boeken van musea het werk terug te vinden van die vrouwen die in hun tijd vaak heel beroemd waren, maar die bijna allemaal vergeten zijn in de kunstgeschiedenisboeken, of wier familie hun belette hun carrière voort te zetten, zoals Marietta Tintoretta, de dochter van Tintoretto, wier reputatie tot aan de hoven van Oostenrijk en Spanje was doorgedrongen, maar die nooit toestemming kreeg het atelier van haar vader te verlaten, of zoals Margarethe Van Eyck die erin berustte zichzelf weg te cijferen om haar leven lang te werken in de schaduw van een beroemde broer, voor wie ze ook nog de huishouding deed, terwijl ze zelf afzag van huwelijk en roem.
Louise werkt elke dag met haar moeder en raakt enthousiast voor deze geschiedenis van de verschoppelingen van de kunst, maar ze gaat bijtijds weer naar huis want meestal is Arnaud er dan, als om er nadrukkelijk op te wijzen dat hij niet stelselmatig naar Viviane gaat als hij van zijn werk komt. Hij is geen man die na zijn werk ergens blijft hangen. Maar elke keer als ze naar Kerviglouse gaat daarentegen, trekt hij beneden, bij Viviane in. Louise zou toch niet willen dat hij in z'n eentje twee biscuitjes als avondeten had? Op zulke momenten rijst voor de zoveelste keer de kwellende vraag: kun je beter titulair of interimair zijn? Als ze om zich heen kijkt naar andere stellen, het echtpaar Weiss, de Pichonniers, de Villedieus, of zelfs haar ouders, vraagt ze zich af of de meeste huwelijken wel iets anders zijn dan gecamoufleerde mislukkingen, en of een zekere sfeer van hartstocht, of zelfs van drama, niet waardevoller is dan de saaie vlakten van vriendelijke onverschilligheid.
Maar op andere momenten lijkt het haar een onoverkomelijk probleem om met z'n drieën te moeten leven in een periode die het mooiste deel van haar leven als vrouw zal omvatten, het meest hartstochtelijke van haar liefdesleven. Ze neemt die zware taak op zich maar kan er niet aan wennen en haar jaloezie blijft steeds even heftig. Ze zal pas wijzer worden als de liefde dood is en ze heeft er geen vrede mee daarnaar te verlangen.
In die twee jaar lukt het haar toch om stand te houden en alles meester te blijven behalve haar dromen en het trillen van haar handen zodra de naam Viviane wordt uitgesproken. Ze verbergt die handen opdat ze niet in tegenspraak zijn met de vrolijke toon die ze uit alle macht probeert te handhaven. Viviane blijft perfect: zo discreet dat ze nooit betrapt wordt op een woord of gebaar van intimiteit met Arnaud, altijd bereid op de meisjes te passen als Louise een weekend weggaat met haar man en ze schijnt niet meer te verwachten dan ze bezit: de tweede plaats. Kortom, een heilige Theresia van Lisieux die haar regen van rozen over de familie uitstrooit en de afwezigheid van haar Heer accepteert.
Louise aarzelt eerder tussen Martha of Maria, want beurtelings probeert ze de fantastische huisvrouw te spelen (Viviane kan niet koken en leeft in een zwijnenstal) en zich onmisbaar te maken in haar werk, waarbij ze de artikelen van Arnaud doorleest, en soms in zijn plaats de toneelrecensies verzorgt. Maar ze houdt niet van de berekeningen en de bijgedachten die nu in haar hoofd zitten.
Je zou eigenlijk verwachten dat, naarmate er maanden en jaren verstrijken, kalmte en berusting komen, maar soms ontstaat er plotseling verzet. Want het drama van overspel is, dat het op den duur alles aantast, zelfs de mooiste momenten. Bovendien lijkt het alsof Louise op den duur die absolute geheimhouding van Arnaud wat zijn andere leven betreft, dat waterdichte schot dat hij heeft aangebracht en dat geen enkele informatie doorlaat, niet meer kan verdragen. Hij komt weer eens thuis na een week in Venetië, argeloos en blij zoals gewoonlijk, en hoopt zich er vanaf te maken met een 'Ja hoor, prima reis gehad, schat', wanneer ze merkt dat ze dit stilzwijgen niet langer verdraagt.
'Vertel me tenminste hoe het er was, over de restaurants, de mensen die je hebt ontmoet, ik vraag je niet om een reportage over wat je 's nachts hebt gedaan...'
'Ik vind het niet prettig om met jou over die periodes te praten.'
'Denk je soms dat het voor mij prettiger is eraan te denken? En kun je niet eens iets doen dat je niet prettig vindt?'
Nee, dat kan hij niet. Hij kan haar ook niet schrijven als hij met de heilige Theresia is. Dat zou van slechte smaak getuigen. Maar getuigt het niet van slechte smaak als ze, wanneer hij uit Griekenland of Algerije terugkomt en haar een Kretenzische of Berberse halsketting cadeau geeft, ook een Berberse of Kretenzische armband aan de arm van Viviane ziet?
'En je veertigste verjaardag? Heb je die twee keer gevierd? Je bent dus tachtig, nee maar!'
Dan ga je toch vanzelf rottig doen?
Arnaud begint dan met een stem vol verlangen over de 'geslaagde' relatie van een of ander beroemd echtpaar waarvan hij de man heeft geïnterviewd toen zijn laatste film uitkwam, en die man is niet tevreden met het feit dat hij getrouwd is met een vrouw die twintig jaar jonger is dan hij, maar hij bezit ook nog een heel jonge minnares die waarschijnlijk ook de minnares van zijn vrouw is.
'Wat een teken van beschaving!' zegt hij.
'Ik kan me niet voorstellen dat zijn vrouw gelukkig is.'
'Je hebt haar toch gezien. Ze ziet er volmaakt stralend uit. Niet alle vrouwen zijn tijgerinnen...'
'Ik zou dat wel eens van dichterbij willen zien. Zijn vrouw brengt toch maar zijn pakken naar de stomerij, stopt zijn slipjes in de wasmachine en koopt een laxeermiddel voor hem. Dat "privilege" heeft ze nog.'
Arnaud trekt zijn pijnlijk verraste gezicht, Louise brengt alles terug tot materiële kleinigheden. Dit soort gesprekken wordt meestal afgestraft door een periode van koelte. Totdat ze zo ver is dat ze minder van hem houdt, wat hij interpreteert als: beter begrijpt.
Een of twee keer per jaar is ze weer wolkeloos gelukkig, zonder de huiswolvin, als ze op wintersport gaan, want Viviane heeft een hekel aan de bergen. Ze maken samen enorme tochten waar de sneeuw hoog ligt. Ze wordt mooi zonder de wolvin. Als twee goden dalen ze de maagdelijke hellingen af. Ze lunchen ergens op de top, doodmoe en gelukkig. Arnaud houdt haar handen vast en zegt dat hij het fijn vindt met haar. Wat wil een mens nog meer?
Maar de avond voor ze teruggaan, komt de wolvin weer tevoorschijn. En als Arnaud op nieuwjaarsavond tegen haar fluistert: 'Mijn beste wensen, schat. Je weet dat ik van je houd', glimlacht ze ongelovig. Van jullie houd zou beter kloppen. En zijn beste wensen zijn niet de hare. Zij wenst dat hij niet meer van Viviane houdt. Hij wenst dat ze niet al te zichtbaar lijdt. Een beetje, daar kan hij wel tegen.
Iedere keer komt ze vol goede moed terug, vastbesloten 'modern' te zijn.
'Je vindt het toch niet erg als ik morgen met Viviane naar de schouwburg ga? Ze heeft twee kaartjes en we zouden er toch niet samen naar toe kunnen, Ingrid heeft haar vrije avond. Als je het vervelend vindt, ga ik niet, maar het is een stuk dat me wel interessant lijkt...'
En wat voor interessants moet Louise daartegenover stellen? Terwijl, als ze zegt: 'Natuurlijk, schat, ga maar', hij meteen na afloop thuis zal komen om haar te laten zien dat... Heeft ze dan een keuze?
Wanneer bepaalde situaties, ook al leken ze nog zo goed in elkaar te zitten, hun breekpunt hebben bereikt, dan hoeft er maar een kleinigheid te gebeuren of alles verandert en vaak komt het door iets heel onnozels. Op de dag van het begin van het einde maakte Arnaud zich klaar om naar Luxemburg te gaan om daar het commentaar op te nemen bij een documentaire die hij net had geschreven. Hij leek sinds enige tijd depressief en sliep in de salon onder het voorwendsel dat hij slecht kon slapen, maar Louise was gewend aan zijn cyclothymische karakter. Ze hadden geluncht bij Richard en Marie-Thé, waar de auto van Radio-Luxemburg hem was komen ophalen. Ze kwam thuis, en misschien was het door de demoraliserende praatjes van Richard: 'Mensen zijn allemaal stommelingen en smeerlappen, zeg maar wat je liever bent', maar plotseling had ze geen zin meer een stommeling te zijn en was ze liever een smeerlap, en ze belde Viviane op, waar het Spaanse dienstmeisje meedeelde dat Mevrouw op reis was tot maandagmiddag. En wat dan nog? Ze wist heel goed dat de reisjes die Arnaud voor zijn werk maakte een gelegenheid waren om Viviane te zien zonder dat de gewone gang van zaken daardoor werd beïnvloed.
Er was nog een ander ongelukkig toeval waardoor de subtiele machinerie die ze alle drie met zorg in stand hielden, vastliep. Toen Louise naar het nieuws luisterde, hoorde ze dat de filmtechnici in Luxemburg aan het staken waren en dat alle producties stillagen. Ze waren dus niet in Luxemburg. Eigenlijk veranderde dat niets aan de situatie. Maar het huishouden stond haar dat weekend bijzonder tegen. Voor het eerst wilde ze dat ze Arnaud het leven zuur kon maken, of dat ze niet meer van hem hield. Als hij thuiskwam, zou ze heel openhartig met hem praten:
'Als je ook maar enigszins aarzelt, kies dan alsjeblieft voor Viviane. Als je weggaat, weet ik zeker dat ik van je kan genezen. Je iedere dag zien, daar ga ik aan kapot. Mijn voorraad begrip is op. Zo zit het.'
Zo zat het. Ze voelde zich vastbesloten. Maar eerst moest ze weten wat hij zou verzinnen voor Luxemburg.
Als hij maandagavond thuiskomt, lijkt hij heel erg blij te zijn dat hij zijn huis, zijn dochters, zijn gemakkelijke stoel, zijn gewoontes en zelfs zijn vrouw weer ziet.
'Fijn weekend gehad?'
'Prima, dank je.'
Ze wacht een paar minuten, maar omdat er niets komt:
'Lekker gewerkt? Ging het goed in Luxemburg?'
'Ik... ik ben er uiteindelijk niet geweest,' antwoordt hij met een toonloze stem. 'Iedereen van het vak staakte, dat zou verspilde tijd zijn geweest.'
Arnaud rekent erop dat het door de gebruikelijke discretie van zijn vrouw daarbij blijft. Maar vandaag is alles anders:
'En waarom ben je toen niet naar huis gekomen? Was je met Viviane?'
'Ja, en omdat nu eenmaal toch al besloten was dat we zouden gaan, hebben we twee dagen in Dieppe doorgebracht.'
In Dieppe? Nee maar, dat was het toppunt! Aan zee! Maar de zee was van haar, voor haar. Hij mocht naar Blois, naar Londen, zelfs naar Rome gaan, maar niet naar Dieppe. En trouwens ook niet naar Honfleur, Cancale, Saint-Malo, Ouessant of Groix... dat was allemaal haar gebied, op zijn minst tot aan het eiland Yeu.
Een heel klein detail zoals dit zou een emmer vol ontrouw doen overlopen.
'Maar luister nou eens,' pleit Arnaud, 'kun je me zeggen wat er nieuw is aan onze situatie sinds drie dagen? Had je liever gehad dat ik je van tevoren de details vertelde?'
'Ik had liever gehad dat je zin had om mij nu eens een keer mee te nemen. Uitstapjes, lekker uit eten, dat gebeurt met Viviane en als je thuiskomt, is dat om groentebouillon te drinken en bij te komen van de uitspattingen waar je je met anderen aan hebt overgegeven.'
'Dus je hebt de indruk dat ik uit gewoonte bij jou blijf? Vanwege het gemak? Pas op, je antwoord is belangrijk voor me,' zegt hij met een klankloze stem.
'Ik heb de indruk dat ik al een tijdlang van jou alleen het alledaagse krijg. En dat is niet bepaald vrolijk.'
'Wat bedoel je daarmee?'
Louise begint de draad kwijt te raken. Het is een tactiek van Arnaud altijd met een vraag te antwoorden als hij in het nauw wordt gedreven en ten slotte de ander aan de tand te voelen. Nooit zal ze hem durven te verwijten dat hij niet 'op dreef' is bij haar, en ook durft ze hem niet te vragen of hij meer 'op dreef' is bij Viviane en of hij haar laat profiteren van al dat lekkere slapen dat hij hier op de bank in de salon doet. Hermine zou er niet voor terugdeinzen om smerig te zijn, om smerig te praten over een smerige situatie waar ze smerig onder leed. Maar Louise kan dat niet. Hij kijkt haar aan, hij verwacht met die kop als van een onverstoorbare rechter dat zij een getuigenis aflegt, dat ze een nadere verklaring geeft van 'wat ze daarmee bedoelt'. Want zij is de verdachte, nietwaar, daar zijn we het toch over eens?
'Ga weg,' schreeuwt ze plotseling fel. 'Ga weg. Ik kan niet meer met je leven,' en ze valt snikkend op het bed neer. Arnaud die nog nooit heeft meegemaakt dat ze haar zelfbeheersing verloor, is erg geschrokken. Hij buigt zich over haar heen en weet niet wat hij moet doen en volstaat ermee onhandig met zijn wijsvinger over haar hand te strijken. Als zij instort, zij die zo sterk, zo betrouwbaar, zo absoluut, zo standvastig is, zo'n bolwerk, zo'n toevlucht, dan blijft er niets meer over. Zelfs Viviane niet. Zonder Louise stelt Viviane ook niets meer voor. Maar hoe moet hij haar dat uitleggen? Heeft ze dat dan niet begrepen, die stommeling? Hij buigt zich voorover en legt zijn hoofd op haar rug, strijkt met een hand over haar haren, maar ze blijft koppig met haar gezicht in het kussen liggen. Als je veertig bent, word je er met tranen niet mooier op.
'Denk je wel eens aan mij als je zo weggaat? Heb je wel eens een vaag gevoel van wroeging?' stamelt ze later met een klein stemmetje dat door het kussen wordt gesmoord.
'Ik denk er zo min mogelijk aan. Maar ik denk er wel aan, ja.'
En omdat ze als een klein meisje blijft huilen, voegt hij eraan toe:
'Ik kan er niet mee doorgaan jou dit aan te doen. Ik kan niet aanzien dat je zo'n verdriet hebt.'
'Wist je dat niet?'
'Nee. Je lijkt altijd zo dapper. Maar als jij ook instort...'
'Ik ook? Hoezo ik ook?'
Arnaud steunt met zijn hoofd in zijn handen, hij zit er volslagen moedeloos bij.
'Zoals iemand die schuldig is en zich daarvoor schaamt, wat ik verafschuw, zou ik willen zeggen: ik heb niet gewild wat er nu gebeurt.'
'En ik dan!'
'Ik wou dat ik oud was en dat dit allemaal afgelopen was. Ik walg ervan om voor jullie beiden voor beul door te gaan... Geen van jullie gelukkig te maken. Ik laat die hele affaire schieten.'
Als ze hem zo wanhopig ziet, heeft ze zin om te roepen: 'Houd haar maar, toe maar, ik red me wel.' Maar ze zegt niets. Ze bedenkt dat Viviane enkele tientallen meters verderop misschien ook zit te huilen, om dezelfde redenen.
'Ik heb er nog nooit een dag naar verlangd om te scheiden, wil je dat geloven?' zegt Arnaud nog eens zonder te zien dat die scheiding haar niks kan schelen en dat ze andere woorden zou willen horen.
Woorden die hij niet kan zeggen, dat weet ze. Ze is hem dankbaar dat hij nooit zomaar wat zegt, zelfs niet in geval van levensgevaar.
'Je zou nog niet "ik hou van je" zeggen, al lag je met je hoofd op het blok, hè?' zegt ze hardop denkend. 'Dat bevalt me trouwens wel.'
'Dat is wel de laatste plaats om zoiets te zeggen,' antwoordt hij met een zwak glimlachje.
Maar met humor komen ze er niet meer. Ze zitten in de puree, vooral Arnaud. Het leven staat hem tegen. Zijn leven staat hem tegen. Bovendien heeft hij beloofd voor H een humoristisch stukje te schrijven dat 'Lofrede op de veertigjarige' moet heten en het onderwerp komt hem zijn neus uit. Door dat alles heeft hij nog maar één uitweg: ziek worden. Daar stort hij zich op. Binnen de kortste keren heeft hij een schijn-angina met daarbij nog een neus-keelholteontsteking die Louise om hem te plagen hersenverkoudheid noemt, en als extraatje nog aambeien. Hij scheert zich niet meer, weigert voor alle zekerheid zijn temperatuur op te nemen (hij beweert dat het vanwege zijn aambeien is) en ligt uitgestrekt in zijn ongezonde dampen met een hoofd als een Calabrische bandiet die door de maffia is verraden. Zij moet voor hem naar H bellen om het artikel af te zeggen, en naar Viviane om de vrijerij af te zeggen... Ze heeft een rare stem, Viviane. Louise vermoedt dat daar ook een hevige scène met hem is gemaakt en eigenlijk zit ze inwendig te gniffelen bij de gedachte dat hij, die het haat om uitleg te moeten geven, gesommeerd wordt dat naar twee kanten te doen!
Voorlopig zeggen ze niets meer maar 's nachts drukt ze zich tegen hem aan, klampt ze zich als een napslak vast aan zijn rug. Hij is lief, en is zo goed als rots voor haar te fungeren.
Als hij op de verjaardag van Adrienne langzamerhand weer opstaat, brengen ze nog een avond met z'n drieën door, met de meisjes, en Viviane komt beladen met cadeaus voor haar peetdochter, zo als gewoonlijk in een jurk voor het volgende seizoen, van banaankleurige crêpe, aan de onderkant dichtgenaaid als een zak met twee openingen voor de voeten, en wit papieren confetti op het lijfje. Louise, die altijd aarzelt tussen een diep decolleté of een nogal strakke lange broek, vindt dat ze er belachelijk uitziet, maar mannen schijnen heel welwillend te zijn als je je voor hen belachelijk maakt. Is er een nog mooier bewijs van afhankelijkheid denkbaar?
Maar de sfeer in huis is veranderd, zelfs de meisjes voelen het. Pauline slaat hen nieuwsgierig gade. Die gelukkige bigamie kunnen ze verder wel vergeten! Het is alsof je de laatste bocht doorgaat als je de veertig bent gepasseerd. Zal ze ooit met spijt terugdenken aan de tijd van de hartstocht, de tijd waarin Arnaud gelukkig was? Natuurlijk, hij houdt nog van Louise. Helaas! Zoals je zegt: 'Victor Hugo, helaas!'
'Ik veronderstel,' zegt hij een paar dagen later, 'dat jij niet meer zin hebt dan ik om de Kerst in Parijs door te brengen, vooral nu Pauline en Frédé naar de bergen gaan. Daarom stel ik je iets voor: we brengen Adrienne naar mijn moeder en gaan dan door naar de Weiss in Maridor. Daar zijn Richard en Marie-Thé, die gaan daar ieder jaar heen, en een heleboel andere vrienden. Wat vind je ervan?'
'Het is goed,' is het enige dat Louise antwoordt. 'Heel goed. We hebben al zoveel over Maridor gehoord...'
Het is inderdaad een opluchting niet op de puinhopen van vier jaar leven de feestdagen door te brengen. Niemand was als winnaar uit de strijd gekomen, maar Louise was al dolblij dat ze weer kon ademhalen, als een drenkeling die langzaam naar de oppervlakte komt en lucht inademt die plotseling nergens pijn doet.
In Maridor is het schitterend, de zee is schitterend, het dorp is schitterend, alleen de mensen zijn vertwijfeld. Dat is erg chic in die jaren.
Men staat laat op: de dagen beginnen om n uur met twee Alka-Seltzers. Om 3 uur wordt er geluncht. Dan gaat men weer naar bed voor de siësta en als men weer opstaat, is het al nacht. Louise heeft de indruk dat het in Maridor altijd nacht is! Nachten die niet eindigen voordat het dag is, omdat men als oude vermoeide vliegen blijft samendrommen, vastgekleefd aan de cafétafeltjes, en tien keer zegt: 'Nou goed dan, maar dit is de laatste!'
Er wordt gepokerd, versierd, men doet alsof men intelligent converseert, briljant in ieder geval, en intussen wordt er gevraagd om ijsblokjes en spuitwater voor in de whisky die aan een stuk door wordt besteld, elke keer als men een bar binnengaat, op een ander terras plaatsneemt, bij x of y binnenkomt, in een ander café of een andere groep komt, elke keer als er weer een nieuwkomer arriveert, steeds dezelfde want 's middags heb je al wat bij hem gedronken en die avond zal hij ook weer wat komen drinken.
Is Louise misantroop geworden? Het wereldje van Maridor geeft naar haar idee alle nuances weer van de ellende die de liefde met zich meebrengt: oude echtparen die niet meer de moeite nemen naar elkaar te luisteren en een nieuw publiek zoeken, afgeleefde kerels met piepjonge hoertjes, meisjes alleen die dat niet lang zullen blijven; een enkele vrouw van Louises leeftijd is in gezelschap van een jong mannelijk hoertje, maar iedereen doet alsof hij te beklagen is dat hij met 'een oude taart' neukt.
Er lopen veel chic geklede mensen rond in Maridor: een zangeres, een beroemde toneelspeelster, de fantastische cineast Arturo, schrijvers, journalisten en ook flink wat parasieten die hun whisky, een paar nieuwtjes en vaak ook kost en inwoning verdienen door als claque op te treden en de rol van het onontbeerlijke publiek te spelen. En verder natuurlijk vrouwen; in voldoende hoeveelheid, zoals apothekers zeggen.
In Maridor wordt gepraat over politiek of over neuken. Liefde is voor achterlijke types. Iedereen gelooft alleen maar in erotiek. En politiek is een smerig zootje. Ze zijn links maar 'Mollet is een trut (ze zeggen niet klootzak, dat zou afgezaagd zijn); d'Astier is gewoon een hoer en de communistische partij om van te kotsen. Trouwens, Frankrijk verkeert in een staat van verval. De mensen denken alleen nog maar aan vreten. Ze moeten het eten 'desacraliseren'.
Daarna hebben ze het over de rol van de pers: 'Te veel vrouwen bij de weekbladen, het zijn stomme wijven...' zegt Richard. 'Bij de televisie hebben ze er presentatrices van gemaakt, dat is beter. Ze durven ze toch niet het Journaal te laten doen!' Een niet al te jonge vrouw protesteert. 'Als je feministe wordt, heb je verschrompelde eileiders,' laat Richard zich ontvallen. De jonge vrouwen die in het bezit zijn van eileiders lachen slaafs en degenen die ervan verdacht kunnen worden verschrompelde eileiders in hun buik te hebben, houden hun mond. Je kunt ook moeilijk bewijzen dat je eileiders minder verschrompeld zijn dan hun prostaat!
'In ieder geval neuk ik al lang alleen nog maar meisjes van twintig,' zegt Richard waar Marie-Thé bij is, die wel wat gewend is, maar toch.
En naast hem zit de oude playboy van het gezelschap, die denkt dat hij Curd Jurgens is, heel mooi maar door en door rot en bijna tot stof vergaan, en die hier elk jaar met een nieuwe meid komt, en hij stemt er heel serieus mee in, waarbij hij Gladys tot getuige neemt die uit' 61 dateert en zich beperkt tot glimlachen met mond en borsten. Louise rilt bij de gedachte dat een van haar dochters deel uit zou kunnen maken van deze veestapel.
Een intellectueel die zich schrijver noemt maar van wie niemand ook maar een titel kan noemen, een vijftiger met vette haren die te dun zijn om ze lang te dragen, maar die toch lang haar heeft, verkondigt dat naar zijn mening Beauvoir niet neukbaar is. Duras trouwens evenmin. Als je hem zo hoort, zou je denken dat ze hem allebei gesmeekt hebben of hij hem er alsjeblieft in wilde steken. 'Bovendien heeft Beauvoir absoluut geen talent, dat arme mens!' Men schatert het uit. Je kan haar toch niet als een schrijfster beschouwen! En die filosofie van haar, laat me niet lachen. Zonder Sartre, wat denk je...
Bij de zoveelste whisky zakt het peil van de conversatie nog een graadje lager. Richard merkt op, met een mond vertrokken van afkeer, dat 'je zelfs van jonge meisjes genoeg krijgt als je die steeds maar moet opgeilen'.
'Wilde je je eigen impotentie tot norm verheffen?' vraagt zijn vrouw die het opeens zat is.
'Jij hebt er, zoals gewoonlijk, weer niks van gesnapt. Als ik niet meer neuk, is dat omdat niemand het meer doet. Neuken is afgelopen, over, niks meer. Er wordt niet meer geneukt.'
'Door jou wordt niet meer geneukt,' corrigeert zijn vrouw zachtjes.
'Jij bent een zielige trut. Je hebt er al twintig jaar lang nooit iets van begrepen. Ik ga trouwens scheiden.'
Dat zegt hij elke avond na het tiende glas. En bij het twaalfde kijkt hij naar de kont van Gladys die net aan de arm van haar oude Mickey het café heeft verlaten, en zegt:
'Die meid ken ik goed. Die weet niet wat neuken is.'
De avonden eindigen meestal in een van de twee dancings van het dorp. Terwijl de mannen de bebop dansen met de dochters van hun vrienden, gaan een paar van de vrouwen bij elkaar zitten om elkaar te beschrijven wat een marteling het is om met Richard, Jeröme of Jean-Michel te leven. Maar ze rennen weg om sigaretten of aspirine voor hen te gaan halen zodra ze hun wenkbrauwen fronsen.
Louise vraagt zich af waarom die sukkels bij hun beulen blijven. Zij zou het bijvoorbeeld nog geen drie dagen uithouden met Richard! Maar hoevelen zullen zich niet ook afvragen waarom zij nog niet bij Arnaud is weggegaan, terwijl je hem al jaren overal met Viviane tegenkomt? Je begrijpt nooit waarom anderen bij elkaar blijven. O, als ik haar was... Maar je vergeet altijd het filtrum. Filtrum, dat toverdrank betekent, maar niet altijd in gunstige zin.
Arnaud heeft niets tegen deze omgeving. Die past bij zijn huidige gemoedstoestand. Hij houdt wel van dit briljante onsamenhangende gepraat, die dronkemansparadoxen, die avonden waarop je zeker weet dat de meest serieuze problemen het niveau van borrelpraat niet zullen overtreffen. Louise ziet niet in wanneer en hoe ze deel zou moeten nemen aan die gesprekken en wordt allergisch voor de humor. Ze voelt heel duidelijk dat ze hier alleen als aanhangsel van haar man zit. Voor deze mannen bestaat ze niet, noch als jong mokkel, noch als intellectuele. Haar boek met Agnès? Een onnozele correspondentie. Mme de Sévigné was toch ook geen schrijfster! Soms trekt ze de conclusie dat ze zich in gezelschap niet kan vermaken en dat Arnaud zich zonder haar veel beter zou vermaken, wat waarschijnlijk zo is. Dan hult ze zich in een vijandig zwijgen of wordt ze agressief en verwijt hij haar als ze naar huis gaan dat ze weer eens tegen hem is ingegaan waar anderen bij waren.
Voor haar is het enige voordeel van Maridor dat ze hierdoor nog eens goed ziet hoe vreselijk ze dit soort vakanties vindt en, aan de andere kant, waarom ze houdt van Bretagne met z'n onschuldige ochtenden. Ze vindt het afschuwelijk om het licht te zien worden als je naar bed gaat. Al die nachtbrakers raken hier het ritme van de aarde kwijt. Gelukkig is Claude er nog, die zich een jaar heeft teruggetrokken om zijn memoires te schrijven in een klein wit huisje in het dorp, met een binnenplaats en een vijgenboom. Hij is te oud, zegt hij, om laat naar bed te gaan en zo'n leven te leiden waar geen lijn in zit. Louise en hij gaan vaak 's ochtends vissen en dan laten ze Arnaud en Carole slapen. Het schijnt hem nu niet te kunnen schelen dat ze langs elkaar heen leven. Hij raakt nooit een bord aan... Zij stelt hem nooit vragen over zijn werk. Ze leven zonder elkaar te zien. Zij zou zelfs wel willen dat ze helemaal niets van zijn aanwezigheid zou merken. Ze kan niet tegen zijn as in de asbakken, die ze meteen demonstratief leeggooit, en niet tegen zijn luidruchtige gegaap, en zelfs niet tegen de aanblik van zijn bed dat ze heeft verbannen naar een hoek van de bibliotheek achter een gordijn. Hij denkt alleen nog maar aan zijn boek dat hem moet verlossen van de smart oud te worden zonder dat iemand van je houdt.
Soms leent Louise 's middags het roeibootje van Claude en gaat ze met Arnaud de kreken bekijken die hen aan Griekenland doen denken. Roeien doet haar goed en daardoor komt alles in haar leven weer op zijn plaats terecht.
Ze heeft tijdens deze vakantie bijna niet aan Viviane gedacht en als ze weer in Parijs zijn, is ze heel verbaasd als ze op de stapel brieven die bij de deur op haar ligt te wachten, het maar al te bekende handschrift ziet op de beruchte paarse enveloppen, en dan een bekende pijn voelt, zo'n scherpe snee, het gewone gevoel dat ze toch was vergeten... Maar dan had ze dus twee weken geen verdriet meer gehad? Die eigenaardige toestand die geen blijdschap was, was misschien een vorm van teruggevonden geluk. Ze denkt aan Viviane met een vreemd gevoel van medelijden, bijna genegenheid, alsof ze dezelfde oorlog hebben gevoerd en dezelfde verwondingen hebben opgelopen. Dan maakt ze enigszins zenuwachtig de brief open die aan haar is gericht.
Ik wilde je zeggen, Louise, dat ik zojuist vrede met je heb gesloten. Ook met mezelf, met moeite. Arnaud zal het je wel vertellen. Ik heb er een paar grijze haren en rimpels aan overgehouden. Ik heb ze jou ook bezorgd. Gelijkspel.
Ik heb van je man Arnaud gehouden op de buitensporige manier die je wel van me kent. Ik heb in een jaar tijd twee keer met hem gebroken. De eerste keer was de tijd er, laten we zeggen, nog niet rijp voor. Ik geloof dat het deze keer voorgoed is. En Arnaud is er zeker door opgelucht.
Uiteindelijk ben jij je vent er niet door kwijtgeraakt en hoefje me niet meer als een vijand te beschouwen: ik neem je niets meer af. En ik zal niet meer het onverdraaglijke schuldgevoel hebben waarvan ik al jaren last heb. Ik zag jullie laatst op een avond samen in de schouwburg; jullie zagen er allebei goed uit en jullie leken het samen goed te kunnen vinden, en dat helpt me tegen al die gevoelens van schaamte die zich hebben opgehoopt. Je zult wel zeggen dat ik jarenlang geen enkele moeite heb gehad met die gevoelens. Maar wat moest ik beginnen? Een nog sterker gevoel overtrof al het andere. En ik moet je zeggen dat er een zekere moed voor nodig was om de min of meer openlijke kritiek van onze gezamenlijke vrienden te trotseren. Maar het kon me allemaal niets schelen.
Ik heb Arnaud niet om advies gevraagd voordat ik je schreef. Wat zal hij ervan vinden? Ik weet er niets van. Hetzelfde als altijd, denk ik.
Een kus, als je het goedvindt.
V.
Lieve Viviane,
Ik heb je niet meteen teruggeschreven omdat ik ook na lange jaren mijn gemoedsrust weer heb teruggevonden, en die gemoedsrust heeft gedeeltelijk te maken met jouw breuk maar ook, geloof ik, met vermoeidheid en een gelukzalig egoïsme, die pas later bij me zijn opgekomen. Wat zou ik die gevoelens een paar jaar geleden graag hebben gehad! Dat zou iedereen heel wat problemen hebben bespaard. Maar ook ik ben er niet in geslaagd mijn gevoelens te beheersen. Jij zult wel weten wat dat is.
Ik zou me nooit met geweld tussen jullie tweeën hebben opgesteld, als Arnaud niet mijn schaal van de balans juist hoog genoeg had weten te houden om me te beletten harde beslissingen te nemen die heel wat beter bij mijn temperament hadden gepast. Ik heb nu de indruk - wat romantisch! - dat ik vier jaar met een dolk in mijn rug heb geleefd. Jij schreef me poeslief dat je een evenwicht had gevonden waardoor je volmaakt gelukkig was. Dan waren er tenminste twee gelukkig. Ikzelf heb dat evenwicht nooit kunnen vinden. Daarom kijk ik ervan op als jij grootmoedig concludeert: gelijkspel. Ik heb die wedstrijd niet uitgelokt en ik wilde die niet spelen. Die is mij opgedrongen en ik heb zelfs niet forfait kunnen verklaren en weggaan. Als je een relatie met iemand hebt, neem je niet in je eentje een beslissing. Natuurlijk heb ik er nu geen spijt van. Maar dat is een ander verhaal. Ik ben niet meer dezelfde. Arnaud ook niet. En we weten nog niet in hoeverre dat geldt.
Jij meent dat ik gewonnen heb in deze affaire. Als Arnaud een cadeau is, wel. Maar ik ben mijn enthousiasme en mijn vertrouwen kwijtgeraakt. Ik zal nooit meer zoveel van iemand houden, misschien is dat goed en ik geloof dat ik nooit zoveel verdriet meer zal hebben.
Ik heb kunnen constateren, zeg je, dat mijn man aan me gehecht was. Ja, hij is zo trouw als een dog, maar hij is iemand die, als het maar lang genoeg duurt, zich wel hecht. Hij is meer aan ons verleden gehecht dan aan mij.
Ik veronderstel dat ik je dankbaar moet zijn dat je me geschreven hebt, dat het moedig en loyaal van je was. Ik wist dat je loyaal was, hoewel het merkwaardig lijkt dat in onze situatie te zeggen. Ik zal je missen. Ik zal je altijd blijven missen. Maar je draagt nog te veel het gezicht van mijn ongeluk dan dat ik zin heb om je weer te zien.
En ik hoop dat je eens gelukkig zult zijn, en dat meen ik des te oprechter omdat het niet meer ten koste van mij zal zijn...
Je vriendin Louise
-
EEN EIGEN ATELIER
'Het is niet erg mooi weer,' zegt Arnaud.
'Wat voor weer dan? Regen? Wind? Mist?'
Sommige mensen hebben nooit goed kunnen beschrijven wat voor weer het is.
'Bah... motregen. Op het ogenblik ziet het er niet naar uit dat het echt regent.'
Louise hoopt dat het vreselijk weer wordt: ze gaan vlak bij Port- Manech naar een huis kijken dat ze misschien zullen kopen. In Kerviglouse zou alles opgeknapt moeten worden: het rietdak, het gebinte, de ramen die niet meer goed sluiten, de muren waarop iedere winter zwartige vochtplekken ontstaan. Er zou echte verwarming moeten worden aangelegd en telefoon en de dichtstbijzijnde aansluiting zit op twee kilometer afstand...
'Dan kost het je net zoveel als een comfortabel huis,' merkt Arnaud volkomen terecht op, 'en dan heb je nog steeds een te kleine tuin, geen garage, maar één kamer voor de meisjes, geen logeerkamer...'
Louise kent de onverbeterlijke gebreken van haar huis wel, en ze wist daartegen altijd maar twee argumenten aan te voeren: ik houd van het huis en ik voel me er thuis. Maar sinds de dood van Josèphe is ze minder onvermurwbaar, want het is alsof met haar dood de aardigheid van het dorp eraf is. Haar huisje is gekocht door een gepensioneerde ptt-er uit Quimperlé en zijn vrouw, die er een fleurig villaatje van hebben gemaakt met ramen met kleine ruitjes, een grindpad en perken afgezet met witgeschilderde jakobsschelpen. De Gepensioneerde brengt zijn dagen door met schoffelen tussen zijn reuzendahlia's, de meest afzichtelijke soort uit de catalogus, en met het verspreiden van napalm over de paden omdat hij bang is dat een brutaal grassprietje hem eraan zal herinneren dat hij op het platteland is. Hij haat alles wat kruipt, klimt, zich verspreidt, woekert, kamperfoelie, klimop en winde, die zijn spiksplinternieuwe afrastering aan het oog zouden kunnen onttrekken. Vanuit hun respectieve tuinen die aan elkaar grenzen en waarvan elk denkt dat die een constante belediging is voor de ander, kijken Louise en de Gepensioneerde met evenveel minachting naar elkaar.
Josèphe, die ze een beetje als haar Bretonse grootmoeder beschouwde, had al verscheidene beroertes gehad en was niet goed hersteld van de laatste waar ze blijvend blauwe lippen aan over had gehouden. Maar syncope of niet, ze was niet van plan rust te gaan houden. Een vrouw gaat niet met pensioen want die heeft geen beroep! Een zeeman wel. Die heeft het recht verworven om niets te doen. Het bewijs daarvoor was trouwens dat de Staat dat betaalde. Als in deze streek de vissers niet meer kunnen varen, gaan ze aan de haven zitten en kijken ze de hele dag naar de zee en de boten van anderen, hoe die manoeuvreren, wat ze meebrengen, en soms helpen ze een handje, dat is het enige waar ze nog plezier in hebben. Ze zijn al zo lang geen landbewoners meer... ze hebben minachting voor moestuintjes, voor tuinieren en bloemen. Ze gaan zonder overgang van de zee over naar de dood.
Josèphe komt nooit bij de haven, die maakt geen deel uit van haar territorium. Maar er is ook geen sprake van dat ze in de tuin zou gaan zitten om uit te rusten, zelfs niet wanneer ze uit het ziekenhuis komt na twee dagen in coma te hebben gelegen. Alleen om boontjes schoon te maken of haar zwarte wollen kousen te stoppen, gaat ze in de deuropening zitten, op een wrakke stoel die ze uit de keuken heeft gehaald. Louise heeft haar een chaise-longue cadeau gedaan, maar die heeft ze in de mooie kamer neergezet voor gasten of familie die haar soms op zondag komen opzoeken. Ze zou zich schamen die te gebruiken. Ze is meteen weer haar moestuin gaan verzorgen en gaan helpen op de boerderij van haar schoonzuster, waar ze altijd met z'n veertienen aan tafel zitten, die allemaal bediend moeten worden, want de mannen staan niet op onder het eten. Ziek of niet ziek, zo is het. Doodgaan moet je toch, daarvoor gaan ze hun leven niet veranderen. Niemand hier denkt daarover na, zelfs de overgrootvader niet die, sinds hij zelfs de koeien niet meer naar de wei kan brengen, in een hoekje van de stal slaapt en weigert de dokter te raadplegen, om maar sneller dood te gaan nu hij toch niet nuttig meer is. Hij voelt zich beter als hij vlak bij de koeien is, met de bekende lucht en het getrappel en gekauw van zijn oude makkers om zich heen, dan in een witte ziekenhuiszaal met verpleegsters die altijd haast hebben, en overal buisjes om hem in leven te houden, terwijl hij nu juist niemand meer tot last wil zijn.
Josèphe is gestorven zoals het hoort, plotseling, terwijl ze de varkens hun voer bracht. 'Een mooie dood!' zeiden de buren.
De dochter heeft het huisje met het rieten dak heel snel verkocht met alles wat erin stond behalve de grote kast met koperen beslag en de formica keukentafel, die ze haar moeder had gegeven toen ze haar kolenfornuis verving door een butagaskomfoor, dat Josèphe echter nooit gebruikte, want liever maakte ze haar flensjesbeslag klaar en at ze aan de lange houten tafel naast het bed, die helemaal uitgehold was door het gebruik, maar die zo stevig en vooral zo gewoon was. De hemelsblauwe formica tafel heeft er altijd gestaan als een Parisienne die op bezoek was bij boerenkinkels. Ze staat niet eens stevig op de lemen vloer met haar stalen spinnepoten die al beginnen te roesten. De andere tafel en de vloer waren al zo lang bij elkaar dat ze hun houding aan elkaar hadden aangepast zoals twee oude echtelieden in een bed.
De Gepensioneerde zal die oude rommel niet bewaren. Hij heeft een cementen vloer aangelegd en mooi balatum gelegd dat eruitziet als groen marmer. Niet van die rotzooi die tegen de gevel opklimt, en die 's winters vocht en 's zomers bijen aantrekt. De vroegere toiletemmer, rechts van de ingang, die jaren geleden tot bak voor de aronskelken is gepromoveerd en die langzamerhand door de invloed van weer en wind er niet meer uitziet als een sanitair voorwerp maar bijna mooi is geworden: weg ermee. De aronskelken die hielden van de toiletemmer weigeren zich aan te passen aan de ruw houten plastic bak en gaan ook maar dood. De oude onbeschrijflijke rozestruik boven de deur die altijd voor een oneindige hoeveelheid grote dikke rozen zorgde waardoor de hele omgeving lekker rook: weggehaald ten gunste van een magere omlijsting van paarsachtige tuberozen, een van de zeldzame plantensoorten waar Louise een hekel aan had. De oranjerode salie ontbrak er nog maar aan! En ja hoor, die kwam in de perken met de rand van jakobsschelpen. De maat was vol. Het dorpje Kerviglouse, dat zo kwetsbaar was met zijn huisjes die dichtbij elkaar langs één straat stonden en tuintjes die aan elkaar grensden, zou geen voorstadswoning verdragen. Louise kon nu wel weggaan.
Hermine vond het dorp meer 'truttebollig' dan ooit en vroeg zich af waarom haar dochter dat besluit niet eerder had genomen. En Adrien, die sinds hij met pensioen was, zich van de aardse goederen onthechtte, had eigenlijk uit vermoeidheid zijn zegen gegeven.
Het idee dat hij binnenkort verlost zou zijn van de talloze zorgen van Kerviglouse maakte dat Arnaud een zekere toegeeflijkheid aan de dag legde voor dat oude schilderachtige dorp, dat hij graag liet zien aan zijn luxueuze Parijse vrienden die het weekend in de Oude Priorij of op het Kasteeltje van Locquénolé doorbrachten, maar 's middags graag in een rok van Hermès en een foulard van Cardin, of omgekeerd, opgetogen kwamen kijken naar de mestkar die getrokken werd door een paard zoals je nergens meer ziet, of naar het dorsen op het erf van een naburige boerderij, in het blonde stof van de zemelen:
'Wat heerlijk om dat nog eens te zien! Dat is toch het ware leven! En geen telefoon die je het leven zuur maakt,' zeiden dan mensen die nog geen dag zonder konden of ze stortten in.
Ze waren dol op vissen. Ze werden gevraagd mee te gaan vissen. Maar ze roeiden allemaal als houten klazen; om over wrikken nog maar te zwijgen. Ze waren niet in staat een makreel stevig vast te pakken wanneer het ze toevallig was gelukt er een op te halen en de vislijn veranderde tussen hun voeten in een dramatische warboel onder de stuiptrekkingen van het mooie strakke glanzende beest. Zodra ze het over zeelui of zeedieren hadden, waren ze in hun domheid in staat zeewier te eten en stelden ze alleen maar achterlijke vragen.
'Welnee, een schakelnet kun je niet zomaar ergens uitwerpen... Ja hoor, er zit zeewolf in de Atlantische Oceaan, hier noemen ze het zeebaars... Ja hoor, dat zijn dezelfde beesten.'
Wat had het voor zin hun te leren een lijn te ontwarren, een zwemkrab uit het schakelnet los te maken, ze zouden immers toch nooit meer terugkomen? De volgende zomer zouden ze naar de kust van Joegoslavië of naar Kreta gaan. Het ergste was als ze 's middags tegen twaalven aan kwamen zetten.
'Zie je, als we nou telefoon hadden,' zei Arnaud.
Maar Louise kende dit soort mensen: ze vervelen zich zo in Bretagne dat ze je in alle hoeken en gaten weten op te sporen. Bovendien kon Arnaud het niet laten 's winters iedereen uit te nodigen: 'Jullie moeten absoluut bij ons langs komen als je in de Finistère bent, we wonen op een heel bijzonder punt, dat zul je zien...' En Louise voegde er dan met haar meest afschrikwekkende smoel aan toe: 'Ja hoor, dat zouden we erg leuk vinden.' En daar kwamen ze, die schoften, met z'n vieren of vijven, vergezeld van kinderen of honden die niet wisten hoe gauw ze de meest zeldzame bloembollen moesten opgraven of hun behoefte doen tussen de lavendel. En dat kwam dan languit op het grasveld liggen dat plotseling niet groter dan een zakdoek leek of drong, als het regende, de woonkeuken binnen die smerig werd gemaakt. Louise voelde zich net een man die van een niet al te knappe vrouw houdt, dat weet hij best, maar die haar gebreken pas echt ziet als hij merkt hoe een vreemde naar haar kijkt.
Dan probeerde ze met haar dochters naar het strand te vluchten om niet te hoeven keuvelen met de cineast Arturo of met Patricia Pat, zijn laatste idool, die het huis zo sympathiek vond.
'Je wilt maar niet begrijpen dat Kerviglouse alleen geschikt is voor oude vrienden. Als we een villa hebben... en dan ook nog iemand die we permanent in huis kunnen nemen, tegen wie je kunt roepen: "Gertrude, zijn we vanavond met z'n tienen? Gevulde krab voor iedereen, en snel!" '
'Je wilt me toch niet vertellen dat het een drama is om zes eieren meer bij een omelet te doen? En morgen komt de buurvrouw toch de afwas doen...'
Tja, Louise begint te vinden dat het wel een drama is om zes eieren meer bij een omelet te doen en vier couverts extra neer te leggen, als je in de regel al met z'n vijven aan tafel zit. Na 7 uur 's avonds en zo rond een uur of twaalf 's middags is het alsof de mensen voor haar alleen nog maar monden zijn, monden die gevoed moeten worden, open monden die wachten, monden die op hun achterste zitten en zeggen: 'Ik zou wel een glaasje cider lusten!' of 'Een whisky, maar dan een kleintje...' alsof het, of het nu een grote of een kleine is, niet altijd dezelfde componenten bevat, de glazen, de ijsblokjes, de kurketrekker, de Perrier, de flessenopener, het dienblad, zoutjes en nog een paar ijsblokjes graag, schat. En als Patricia Pat zo vriendelijk is om op te staan en te helpen, meent Arturo, omdat hij een man is, en nog Zuid-Amerikaan ook, dat zij, omdat ze borsten heeft, hem moet bedienen terwijl hij enthousiast zit te praten met Arnaud die zo intelligent is en die Colombia kent. Natuurlijk, hij heeft de tijd om intelligent te zijn omdat hij niet de ijsblokjes hoeft te halen, extra couverts hoeft neer te leggen en zes eieren bij de omelet hoeft te doen! En zelfs als een chirurg haar beide borsten zou wegnemen, en haar baarmoeder, eierstokken en eileiders, dan nog zou zij degene zijn die de sla moest wassen, van tafel opstaan om de mosterd te halen, de kaas, water voor Patricia die alleen maar water drinkt, en ten slotte alles weer af te ruimen, terwijl Arnaud zijn reputatie van intelligente man nog eens oppoetst door met Arturo over de Derde Wereld te praten onder het genot van een kopje koffie. (Kopjes, schoteltjes, lepeltjes, dienblad, koffiepot, filter, kokend water, suikerklontjes.)
Haar vrijheid begint 's nachts als de asbakken zijn geleegd, de vuilnisbakken buiten staan, al die aardige mensen in bed liggen, vol eten en drinken, als niemand meer ergens om vraagt en er niets meer vuilgemaakt wordt. Volgend jaar, als ze Kerviglouse verkopen, zullen ze een dienstmeisje voor hele dagen nemen, dat staat vast. Dienstmeisje, dat zegje niet meer, pas op, je zegt hulp in de huishouding. Om de tien jaar moet je de benaming veranderen in een poging het huishoudelijke werk van zijn giftige inhoud te ontdoen. In de tijd van Hermine zeiden ze 'de dienstbode', ook dat woord mag je niet meer gebruiken. Maar hoe dan ook en wanneer dan ook, het is altijd de redding voor een vrouw geweest een andere vrouw te gebruiken! Rosa Bonheur had gelijk, denkt Louise, en ik lijk wel een nikkervrouw die opgelucht de tiende echtgenote ziet arriveren...
Ondertussen wil ze niet hebben dat iemand lelijke dingen zegt over Kerviglouse. Als Arnaud hun vrienden uitlegt dat ze die modderlucht bij eb niet langer kunnen verdragen en dat ze op bepaalde tijden niet met de boot weg kunnen, vraagt ze zich af met welk recht hij kritiek levert op de eb, hij die uit het Zuiden komt! Geeft zij soms af op de ijskoude wind van Montpellier? Ja... maar dat is geen reden.
Gelukkig komen er die laatste zomer ook veel echte vrienden.
Ze huren zoals gewoonlijk het huis in Kerspern. De Weiss zitten er veertien dagen. Carole die er nog steeds even onuitstaanbaar vlezig uitziet, werpt de mannen die het woord tot haar richten zulke gefascineerde blikken toe dat je je afvraagt wat ze nog meer doet als ze een orgasme heeft. Maar Claude is haar handlanger op zee, altijd bereid op een verboden plekje een schakelnet uit te zetten, voor dag en dauw in de boot te stappen om het net op te halen voordat de vissers het vinden, bereid de zestig vishaken van de bao vast te maken, naar spiering te vissen... om daarmee naar zeebaars te vissen. Ze praten niet over hun leven, over de problemen die Claude heeft met de twee grote zoons die hij bij een eerste vrouw heeft gehad en die praktisch net zo oud zijn als de tweede, maar over de Sea-Gull die zeewier in zijn schroef krijgt, wat jammer, het is zo'n betrouwbare, sympathieke motor, over het oude schakelnet met lood dat nog steeds niet vervangen is omdat de zeelui zeggen dat je daar meer mee vangt dan met die nieuwe, waarvan de met lood verzwaarde lijn minder goed het reliëf van de bodem volgt. Ze praten over wat ze vangen, wat ze niet hebben gevangen, wat ze morgen zullen vangen, raken in vervoering over de ochtendschemering, of die nu grijs of blauw is, en krijgen er nooit genoeg van tegen elkaar te zeggen dat er geen mooier moment is dan het moment waarop je de haven uitvaart, de slapende zee op, en de boot het kalme water doorklieft als twee ski's vlak naast elkaar die zich een weg banen door de pasgevallen sneeuw. Arnaud gaat met hen mee, als hij niet lang is blijven praten en drinken met zijn vrienden. Hij is een avondmens.
De familie 'Cherubijn' met drie zoons komt na de Weiss; de Cherubijn wordt mooi oud, zoals grote egoïsten dat kunnen, en hij verdeelt zijn tijd tussen het ziekenhuis, de muziek en lange- afstands-skitochten, zodat er zo weinig mogelijk overblijft voor zijn vrouw, die zonder morren de service verleent waarvoor ze is geprogrammeerd: een huishouding voeren, een paar kinderen op de wereld zetten, bij voorkeur van het mannelijk geslacht, de collega's van haar man ontvangen, als chauffeur voor hem fungeren, als verpleegster of als secretaresse, al naar gelang de vraag, en ten slotte en vooral naar hem luisteren. Of doen alsof, want hij verwacht geen antwoord. Daar is hij zelfs bang voor, want dat zou hem kunnen storen in zijn betoog.
Dat hij dit jaar naar Kerviglouse is gekomen, is enkel en alleen om over zijn favoriete onderwerp te praten, zijn jeugd, die sinds de dood van de Schurken een heldendicht is geworden waarmee hij zijn naaste omgeving onvermoeibaar blijft lastig vallen. Met een vertederde blik, zijn haar in de war en met zijn hele persoon zijn jeugd uitstralend, haalt hij herinneringen op aan die tijd van onbeschaamdheid, van meisjes die hij had veroverd en achter zijn zegewagen had meegevoerd, van de dolle uitspattingnachten. Hij kan je altijd wel een of ander niet gepubliceerd gedicht van Jean-Marie laten zien, een foto van Hugo, een aandenken dat weer tevoorschijn is gekomen. 'En jij, hoe staat het met jou?' vraagt hij soms even, maar dan, zonder het antwoord te horen, gaat hij verder met zijn vorige zin, daar waar hij gebleven was.
Louise is elke keer geroerd als ze hem weer ziet: hij is de enige getuige van een verleden dat zij als gelukkig beschouwt. De Cherubijn is een heel charmant monster, hij kan goed vertellen, hij is mooi, hoewel zijn engelenhaar dunner wordt, en hij ziet er nog steeds uit als de eeuwige student, ondanks zijn hoge functie. Wat geeft het dat hij niets van haar weet, ze heeft ontzettend veel begrip voor hem, dat waarschijnlijk alleen maar heimwee naar een verloren jeugd is.
Ja, verloren. Vier jaar van constante pogingen om niet toe te geven dat je ongelukkig bent, dat laat wel zijn sporen na. Het jonge meisje dat ze was, is ergens aan de kant van de weg achtergebleven.
Ze voelt zich tamelijk gelukkig maar geestelijk uitgeput. Vrolijk lijken zou wat al te triomfantelijk zijn maar treuren om Viviane, zoals Arnaud, dat in geen geval. Treuren om haarzelf misschien. Ze vrijen niet meer sinds de breuk, want het lukt hem niet weer zin in het leven te krijgen. 'Iedereen houdt alles,' had hij in het begin gezegd, en hij geloofde dat oprecht. Nu had niemand meer iets en Arnaud nam het zijn beide vrouwen kwalijk.
'Ben je ons dan helemaal niet dankbaar voor al die pogingen die we hebben gedaan om de situatie zo te laten zijn als jou het beste uitkwam?'
'Nee. Ik voel wrok. Tegen jullie beiden. Ik dacht dat jullie uiteindelijk gelukkig zouden zijn, het zouden begrijpen.'
'Maar wat verwijt je ons nu precies?'
'Je hoeft iemand niet iets te verwijten om toch boos op hem te zijn.'
'In ieder geval, ook al doet het je op het ogenblik niet speciaal plezier, kan ik je zeggen dat ik niet ongelukkig meer ben. Dat is toch al iets, niet? En denk maar niet dat ik mezelf als overwinnaar beschouw in deze affaire. Ik geloof dat iedereen uiteindelijk verslagen uit de strijd komt. Maar misschien vinden we wat later een manier om gelukkig te zijn.'
Arnaud buigt zich over de tafel en slaat zijn armen om Louises schouders:
'Eigenlijk ben ik kwaad op mezelf. Dat ik me zo zwaar heb vergist. Jullie waren ongelukkig en ik zit nog steeds in de put!'
Hij komt veel nader tot de meisjes sinds deze tegenslag hem sentimenteel heeft gemaakt. De echte opvoedingsproblemen beginnen zich nu voor te doen. Pauline is bijna vijftien en steelt voor de eerste keer een trui, net als haar vriendin Christiane of Valérie, die al gesnapt is bij le Printemps.
'Ik ga nu naar le Bon Marché,' verklaart ze onverstoorbaar.
'Valérie pakt het verkeerd aan,' beweert Pauline. 'Kijk maar naar Christiane, die heeft prachtige kleren. Je denkt toch niet dat haar moeder dat allemaal voor haar koopt!'
Het geweten? Daar durf je niet over te praten! Dan wordt er spottend gelachen. Een anti-geweten komt ervoor in de plaats. Je kunt alleen nog maar rekenen op de neiging tot het goede in de mens, want op school leren ze alleen maar slechte gewoontes. Spieken bij een proefwerk is geen reden tot minachting, of schaamte, of een of andere vorm van veroordeling. 'Dat wordt overal gedaan, mama! We zijn niet meer bij die nonnen van jou!'
Louise denkt met vertedering terug aan haar vroegere panische angsten... alleen uitzonderlijke persoonlijkheden durfden in haar tijd te spieken of kritiek te leveren op een leraar. Trouwens, hun werk is ook niet 'om over naar huis te schrijven ', zoals Arnaud zegt. Behalve bij Adrienne die ervoor heeft gekozen goed in wiskunde te zijn om niet met haar zussen te wedijveren die beslag hebben gelegd op de talen. Alle anderen, de kinderen van hun vrienden, de zoons van Claude Weiss, de kinderen van Marie- Thé, vegeteren en trekken zich nergens wat van aan. Bollebozen zijn net zo zeldzaam geworden als waternoten, die waterkastanjes waarover na George Sand en Colette niemand het ooit meer heeft gehad.
Ze worden flink aangemoedigd niets uit hun hoofd te leren. 8 keer 9? Ze kijken wel even op de omslag van hun schrift. De departementen, de hoofdsteden? Die is gek! Er zijn toch woordenboeken? De basisregels van de spelling? Om een trauma van te krijgen. Fataal voor de creativiteit van de jongere. Hoeveel creatieve mensen houd je daar aan over, en ten koste van hoeveel slechte leerlingen? Luiheid, kwaadwilligheid en agressiviteit zijn geen strafbare gebreken meer maar aanpassingsproblemen die behandeld moeten worden met calcium, wintersportvakanties of bezoek aan een schoolpsycholoog, die vooral geen verwijten zal maken. Alleen ouders en leraren hebben tegenwoordig gebreken, die dan streng bestraft moeten worden.
Frédérique heeft in haar hoofd gehaald dat ze stopt met Latijn. Ze heeft in de krant gelezen dat scholieren te hard werken. Met die bezorgdheid zullen ze wel ver komen, die smerige scholieren. Ze eist dat er een kat in huis komt en hamsters om ervaring op te doen met samenwonen. De schoolpsychologe vindt dat het een uitstekend idee is, want Parijse gezinnen leven veel te veel gescheiden van de natuur. Zij hoeft niet het stro van de hamsters te verschonen en het zaagsel voor de kat naar vijf hoog te brengen.
'Maar laat u haar toch zelf haar gang gaan, beste mevrouw. Op die manier krijgt ze verantwoordelijkheidsgevoel. U bemoedert haar te veel!'
Een van de hamsters wordt al heel snel opgevreten, bij gebrek aan bemoedering. Daarom leidt de andere het leven van een banneling in een kooi met een allegaartje van slijmachtige confetti op de bodem. Bovendien merken we dat de kat een poes is op de dag dat het dier begint te krijsen van verlangen terwijl het met zijn achterlijf over het tapijt schuift onder de stomverbaasde blik van Adrienne die kennismaakt met een kant van de vrouwelijkheid die ze choquerend vindt.
'Dat is de natuur,' zegt Frédérique lichtelijk ontroerd.
'In de vrije natuur zou ze een kater vinden en dan al snel tot bedaren komen,' merkt Pauline op, die altijd goed op de hoogte is van dingen die met seks te maken hebben.
We moeten met de operatie wachten tot de krolsheid voorbij is om het beest te helpen, heeft de dierenarts gezegd.
'Jij neemt haar wel mee, hè mama? Ik wil dat niet zien!'
Mama, die ziet hoe haar dagelijkse werk steeds gevarieerder wordt, heeft, ondanks de verwachtingen van de psychologe, niet de indruk dat het verantwoordelijkheidsgevoel van haar dochter er met sprongen op vooruitgegaan is.
Pauline leeft buiten het gezin. Eet alleen 's nachts. Komt niet aan tafel, met de smoes dat ze aan de lijn doet, maar de garnalen verdwijnen op mysterieuze wijze van de eieren met mayonaise, en van de slagroomversiering op de saint-honorétaart is nog maar een heel dun laagje over als de taart op tafel komt. Zelfs als ze op heterdaad betrapt wordt, protesteert ze: 'Ik eet niet, ik neem een enkel hapje!'
Louise vraagt zich steeds vaker af of ze de voorrang moet geven aan haar beroep (de journalistiek), aan haar grote wens (een roman schrijven), of aan de opvoeding van haar kinderen, of alle drie afraffelen, waar het meestal op neerkomt. Adrienne, die het heerlijk vindt om beslag op haar te leggen, de veldslagen van Frans I tegen Karel V overhoren, terwijl ze intussen de drukproeven van Een eigen atelier corrigeert, met een adstringerend masker op haar gezicht, omdat ze die avond met Arnaud naar een première gaat en tweeënveertig is, wat niet vanzelfsprekend is, wordt door haar ervaren als een voortdurende krachttoer die haar steeds minder gemakkelijk afgaat.
Hermine rekent erop dat het boek dat zij samen met haar dochter signeert, een artistiek, literair evenement voor Parijs wordt. Het is een mooi boek met heel veel platen, en op de omslag een schilderij van Mary Cassatt, het Bad, uit 1891, met als legende de beroemde zin die Degas over haar schreef: 'Nooit zal ik toegeven dat een vrouw in staat is zo goed te tekenen!' Het boek wordt opgedragen aan Virginia Woolf, als bewijs van bewondering voor A room of one's own, in 1929 geschreven, maar pas tweeëntwintig jaar later door Clara Malraux in het Frans vertaald.
Hermine was nooit wat je noemt een feministe geweest. Van haar stemrecht maakte ze geen gebruik. Ze zag niet in waarom ze na haar zestigste iets zou accepteren waarvoor hetzelfde gezelschap mannen haar op haar eenentwintigste geen toestemming had gegeven! Rechten, die nam ze of ze deed alsof ze die onbelangrijk vond. Ze wilde niets cadeau krijgen, zelfs niet van de grote Charles, de enige politicus die ze bewonderde. Verder had ze carrière gemaakt door hindernissen met geweld te nemen, met inbegrip van de regels van het fatsoen, waarbij ze de ironie of de neerbuigendheid van de critici had beantwoord met onbeschaamde, ja zelfs met obscene uitspraken die altijd succes hebben als ze van een vrouw afkomstig zijn. In de bladen werden haar geestigheden geciteerd, haar gevatte antwoorden aan hen die, in plaats van een oordeel te geven over haar schilderijen, vroegen: 'Wat vindt uw man ervan dat zijn vrouw beroemder is dan hij?' of die wilden weten of ze liever met 'palet en penseel' of met 'stoffer en blik' bezig was. 'Met pijl en boog', antwoordde ze dan.
Ze had altijd geweigerd zich te laten fotograferen in haar keuken (waar ze trouwens nooit kwam) of met haar dochter op schoot.
'Ik wil niet dat ik het stempel krijg van een huismoeder die schildert, maar van een schilderes die toevallig een man en een kind heeft, zoals andere mensen uit het vak een minnares of een houten been hebben!'
Op de vraag: 'Hebt u kinderen?' antwoordde ze altijd: 'En u, meneer?' totdat de interviewer terugkeerde tot het onderwerp, de schilderkunst.
Het was in Frankrijk het eerste boek over dit probleem en het zou al heel snel succes hebben, zowel vanwege de inhoud als vanwege de persoon van de eerste auteur. Op haar vijfenzestigste was Hermine, met haar brutale blauwe ogen, haar slanke kwieke gestalte, haar korte, altijd onberispelijke blonde golvende haar, typisch iemand die er ouderwets maar tegelijkertijd ook zo tijdloos uitzag dat men vergat aan haar leeftijd te denken.
Algauw besluit ze, als ze ergens gaat signeren of exposeren, voordrachten te houden waaraan ze een provocerende naam geeft, zodat er een gechoqueerd publiek op afkomt, wat ze heerlijk vindt: 'Moet je lelijk, ongetrouwd, weduwe, gescheiden of homoseksueel zijn om succes te hebben?' Ze beperkt zich natuurlijk niet tot de schilderkunst, want de literatuur biedt haar vermaarde en overtuigende voorbeelden, van Christine de Pisan tot Gertrude Stein of Marguerite Yourcenar, via de dames de Sévigné, de Lafayette of de Staël, George Sand, de zusters Brontë, Flora Tristan en zovele anderen, met behulp van wie ze kan aantonen dat talent, en genialiteit helemaal, alleen tot uiting komen als je geen man hebt. Enige recente uitzonderingen daargelaten.
Adrien gaat met haar mee maar vaker nog Lou, die net opgehouden is met werken en alleen nog modellen maakt voor een paar rijke, trouwe klanten die niet van plan zijn te sterven in een jurk die niet van Lou is.
'Nu moet jij eindelijk ook eens besluiten alléén te gaan schrijven,' zegt Hermine nogmaals tegen haar dochter. 'Maar alsjeblieft geen confidenties van een bedrogen echtgenote en droefgeestig gezwijmel. Schrijf een sterk boek, een vrolijk boek. Vrouwen hebben al genoeg gejammerd in de literatuur.'
Maar Louise voelt dat ze nog niet rijp is om sterk en vrolijk te schrijven en ze is te zeer ondergedompeld in haar eigenbelevenissen om van fantasie blijk te kunnen geven, ze wordt te zeer opgeëist door haar dochters, gesommeerd om wat van haarzelf weg te schenken opdat zij volwassen worden, te zeer bezig zich te ontdoen van de versleten kleren, de reflexen en complexen van de bedrogen echtgenote. Ze heeft een man, kinderen, een beroep, een goede gezondheid, alles om gelukkig te zijn zoals altijd domweg wordt gezegd. Maar hebben stelt niets voor als je niet zelf iets bent.
Maar ze voelt dat ze op de goede weg is. Later misschien. Later, zeker.
'Pas op,' zegt de onverbiddelijke Hermine. 'Je hebt al een paar grijze haren.'