Rev. 2008(4):CD003160.

Sink KM, Holden KF, Yaffe K. Pharmacological treat-

Patterson C, Feightner JW, Garcia A, et al. Diagnosis

mentimplicaations of neuropsychiatric symptoms

and treatment of dementia: 1. Risk assessment and

of dementia. JAMA. 2005;293:596-608.

primary prevention of Alzheimer disease. CMAJ.

Tariot PN, Farlow MR, Grossberg GT, et al. Meman-

2008;178:548-56.

tine treatment in patients with moderate to severe

Raina P, Santaguida P, Ismaila A, et al. Effectiveness

Alzheimer disease already receiving donepezil: a

of Cholinesterase Inhibitors and Memantine for

randomized controlled trial. JAMA. 2004;291(3):317-

Treating Dementia: Evidence Review for a Clinical

24.

Practice Guideline. Ann Intern Med. 2008;148:

Trinh N, Hoblyn J, Mohanty S, et al. Efficacy of cho-

379-97.

linesterase-inhibitors in the treatment of neuropsy-

Shors TJ. Saving new brain cells. Scientific American.

chiatric symptoms and functional impairment in

2009;200(3):41-8

Alzheimer’s disease: a meta-analysis. JAMA. 2003;

Sofi F, Cesari F, Abbate R, et al. Adherence to Medi-

289:210-6.

terranean diet and health status: meta-analysis.

Verhey FRJ, Heeren TJ, Scheltens P, et al. Cholineste-

BMJ. 2008;337:a1344.

rase remmers bij de ziekte van Alzheimer: voorlo-

Willis SL, Tennstedt SL, Marsiske M, et al. Long-term

pige aanbevelingen voor de toepassing in de prak-

effects of cognitive training on everyday functional

tijk. Ned Tijdschr Geneeskd. 1998;142:2091-6.

outcomes in older adults. JAMA. 2006;296:2805-14.

Visser PJ, Scheltens P, Pelgrim E, et al. Medial Tem-

j

12 Psychosociale interventies

M.E. de Vugt, M. Vernooij-Dassen

Kernpunten

– De persoon met dementie dient gezien te worden in de context van zijn sociale

achtergrond en omgeving.

– De psychologische en gedragsmatige symptomen bij dementie vormen een

belangrijk aangrijpingspunt voor het brede aanbod aan beschikbare psychosociale

interventies.

– De keuze voor een interventie dient optimaal afgestemd te worden op de ken-

merken, behoeften en competenties van de patie¨nt en/of de mantelzorger en

samen met hen te worden gemaakt.

– Het onderzoek naar de effecten van psychosociale interventies laat overwegend

een gunstige invloed zien op vooral het probleemgedrag van de persoon met

dementie en het functioneren van de mantelzorger.

– Er is meer gedegen onderzoek nodig op het gebied van psychosociale interventies

bij dementie, waarbij er tevens een vertaalslag dient plaats te vinden naar richt-

lijnen voor implementatie in de praktijk.

j

12.1

Inleiding

voorhanden met aanbevelingen voor psychosociale

interventies bij dementie. In de CBO-richtlijn

In de behandeling van dementie nemen psychoso-

Diagnostiek en medicamenteuze behandeling van demen-

ciale interventies een belangrijke plaats in. Er is

tie zijn de psychosociale interventies buiten be-

een breed scala aan interventies beschikbaar dat

schouwing gelaten. In de NHG-standaard dementie-

mogelijkheden biedt om ervaren problemen te

wordt wel in beperkte mate aandacht besteed aan

verminderen, vaardigheden in het omgaan met de

psychosociale interventies, evenals in de LESA-

gevolgen van dementie te vergroten en de kwaliteit

richtlijn. Internationaal zijn er richtlijnen ont-

van leven van patie¨nt en familie te verbeteren. Een

wikkeld met speciale aandacht voor psychosociale

belangrijk aangrijpingspunt voor deze interventies

interventies, zoals door de National Institute for

zijn de psychologische en gedragsmatige sympto-

Clinical Exellence (NICE, 2006). Deze ‘evidence

men bij dementie, ook wel gedragsproblemen ge-

based’ richtlijnen van hoge kwaliteit vormen een

noemd. In de behandeling van deze problemen

van de uitgangspunten voor het voorliggend

hebben psychosociale interventies de voorkeur bo-

hoofdstuk, waarin de meest effectieve psychosoci-

ven farmacotherapie vanwege het feit dat er bij

ale interventies en een aantal veelbelovende inter-

medicamenteuze behandeling vaak sprake is van

venties besproken zullen worden.

negatieve bijwerkingen. In Nederland is er echter

tot op heden geen multidisciplinaire richtlijn

138

Handboek dementie

j

12.2

Dementie in context

patie¨nt en de mantelzorger dient er bij beiden een

inventarisatie plaats te vinden van:

Dementie treft niet alleen de persoon zelf maar ook

– achtergrondkenmerken;

zijn omgeving. De persoon met dementie wordt in

– ervaren problemen;

toenemende mate afhankelijk van zijn omgeving.

– competenties;

Vaak is het de partner of een van de kinderen die

– behoeften.

het grootste deel van de zorg in de thuissituatie op

zich neemt. Deze dagelijkse zorg heeft grote in-

Op basis hiervan kunnen er doelen worden gefor-

vloed op verschillende domeinen, zoals de psychi-

muleerd om vervolgens na te gaan welke beschik-

sche en lichamelijke gezondheid van de mantel-

bare interventies hierop aansluiten. De keuze voor

zorger, de kwaliteit van de relatie met de demen-

een interventie dient samen met de patie¨nt en

terende, en het sociaal functioneren.

mantelzorger gemaakt te worden, waarbij alle op-

De persoon met dementie wordt door afne-

ties worden voorgelegd. Patie¨nt en mantelzorger

mende functies en competenties ook toenemend

missen echter vaak het overzicht over de moge-

gevoelig voor invloeden uit de omgeving. Indien

lijkheden, waardoor zij een grote afhankelijkheid

de omgeving hoge eisen stelt waaraan de patie¨nt

van hulpverleners ervaren en zij niet het gevoel

niet kan voldoen, zal dit resulteren in een oneven-

hebben een keuze te kunnen maken. Het is een

wichtige situatie waarin de kans op gedragspro-

belangrijke taak van de hulpverlener om bij

blemen groot is. Bij een optimale afstemming van

patie¨nt en mantelzorger een bewustwording en

de fysieke en sociale omgeving op de achtergrond

betrokkenheid te cree¨ren in het keuzeproces door

en de competenties van de patie¨nt, zal dit een

onder andere tijdig een overzicht te bieden van de

gunstige invloed hebben op het functioneren. De

interventiemogelijkheden.

persoon met dementie dient dan ook in de context

Er kan een keuze gemaakt worden voor inter-

van zijn sociale achtergrond en omgeving be-

venties die zich primair op de persoon met de-

schouwd te worden.

mentie, op de mantelzorger of op de dyade man-

telzorger-patie¨nt richten (figuur 12.1). In het voor-

liggend hoofdstuk zal een aantal specifieke inter-

j

12.3

Kiezen van een interventie

venties aan de hand van deze driedeling besproken

worden.

De sociale context van de dementerende vormt een

In het algemeen kan gesteld worden dat inter-

belangrijk uitgangspunt bij het maken van een

venties bij dementie het meest effectief zijn als ze

keuze uit het brede aanbod van mogelijke psycho-

uit meerdere componenten bestaan, voldoende in-

sociale interventies. Voor een goede afstemming

tensief zijn, aansluiten bij de individuele behoef-

van de interventie op het functioneren van de

ten en gericht zijn op zowel mantelzorger als

patie¨nt.

multisensorische stimulatie

reminiscentie

cognitieve stimulatie

aromatherapie

persoon met dementie

muziektherapie

lichttherapie

ergotherapie

psychomotorische therapie

gedragstherapie

casemanagement

mantelzorger

psycho-educatie

ondersteuningsgroepen

psychotherapie

Figuur 12.1

Interventies die zich richten op de driedeling ’mantelzorger’, ’persoon met dementie’ en de dyade ’mantelzorger-clie

¨nt’.

12 Psychosociale interventies

139

j

12.4

Psychosociale interventies voor de

j

12.4.2

Reminiscentie

persoon met dementie

Reminiscentietherapie kent verschillende vormen,

In de zorg voor mensen met dementie is de afge-

maar in de basis betreft het de uitwisseling van

lopen jaren in toenemende mate de beleving van de

herinneringen aan activiteiten, gebeurtenissen en

dementerende centraal komen te staan. De term

ervaringen met behulp van materiaal, zoals foto’s,

belevingsgerichte zorg omvat een breed scala aan psy-

muziek of bekende voorwerpen. De persoon met

chosociale interventies gericht op de persoon met

dementie wordt gestimuleerd om herinneringen

dementie, zoals sensorische stimulatie, validatie,

uit het verleden op te halen die toegankelijker zijn

en reminiscentie. Belevingsgerichte zorg streeft

dan de meer recente herinneringen. Het doel van

naar het verbeteren van het sociaal en emotioneel

deze therapie kan zijn:

functioneren en de kwaliteit van leven van mensen

– verbeteren van de communicatie;

met dementie, door hen te ondersteunen in het

– versterken van de persoonlijke identiteit;

omgaan met de ziekte en door aan te sluiten bij

– genieten van een sociale activiteit;

hun persoonlijke ervaring. Een belangrijk uit-

– verbeteren van stemming en welzijn;

gangspunt van deze benadering is dat de zorg af-

– stimuleren van herinneringen;

gestemd is op de individuele behoeften en de fase

– het individualiseren van de zorg.

van de ziekte. De interventies die ontwikkeld zijn

op basis van deze benadering verschillen in de

Reminiscentie kan zowel individueel als in een

mate waarin ze onderzocht en effectief gebleken

groepsvorm worden toegepast. In groepsverband is

zijn. We zullen nader ingaan op een aantal inter-

het van belang om voldoende aandacht te hebben

venties die positieve effecten hebben laten zien,

voor de individuele behoeften en voorkeuren en de

namelijk multisensorische stimulatie, reminiscen-

deelnemers te matchen op cognitieve capaciteit.

tie, muziektherapie, aromatherapie, psychomoto-

Soms wordt ook familie in de therapie betrokken.

rische therapie, lichttherapie en cognitieve stimu-

Onderzoek heeft uitgewezen dat zowel de cog-

latie.

nitie als de stemming van de dementerende per-

soon kan verbeteren door reminiscentietherapie.

j

12.4.1

Multisensorische stimulatie

Tevens is er enige indicatie dat het ook een gunstig

effect heeft op het dagelijks functioneren van de

Het doel van multisensorische stimulatie ofwel

patie¨nt.

snoezelen is het verbeteren van het welbevinden

van de dementerende persoon en het bevorderen

j

12.4.3

Muziektherapie

van het contact door middel van het aanbieden van

diverse sensorische stimuli, zoals licht, geluid en

Muziekinterventies kunnen bestaan uit het luiste-

tactiele sensaties. De verwachting dat deze thera-

ren naar muziek uit verschillende genres in een

pie een gunstig effect heeft op het functioneren

aparte activiteitensessie of op bepaalde momenten

van de patie¨nt, is gebaseerd op de assumptie dat

van de dag. Tevens kan muziektherapie bestaan uit

probleemgedrag mede veroorzaakt wordt door

het actief bespelen van instrumenten, het bewegen

sensorische deprivatie. Snoezelen vindt vaak plaats

op muziek en/of het deelnemen aan improvisatie-

in een speciaal hiervoor ingerichte kamer, maar

sessies. De interventies kunnen zowel individueel

kan ook geı¨ntegreerd worden in de dagelijks zorg

als in een groepsvorm worden aangeboden. Be-

en omgeving. Het is bij uitstek geschikt voor toe-

langrijk uitgangspunten bij de inzet van muziek-

passing in de ernstige stadia van dementie, aange-

therapie zijn de voorkeur voor een bepaalde soort

zien het geen beroep doet op intellectuele vermo-

muziek en het hebben van enige affiniteit met

gens.

muziek. Naarmate de keuze van muziek beter

Er is een positieve invloed vastgesteld van snoe-

aansluit op de voorkeuren van de deelnemer, zul-

zelen op probleemgedrag, onder andere apathie, in

len de effecten groter zijn.

de latere stadia van dementie. Deze effecten zijn

De effecten van muziektherapie zijn overwe-

echter vooral te zien gedurende en kort na de the-

gend in kleine onderzoeken bestudeerd, waarvan

rapeutische sessie. De invloed van andere vormen

slechts enkele de opzet hadden van een gerando-

van sensorische stimulatie, zoals therapeutische

miseerde, gecontroleerde trial. Uit deze onderzoe-

aanraking of massage, is tot op heden onvoldoende

ken blijkt vooral dat muziektherapie agitatie kan

aangetoond.

verminderen gedurende en direct na de muziek-

sessies. Er is tot op heden onvoldoende evidentie

140

Handboek dementie

dat het ook op de lange termijn effecten heeft op

tie en stemming na verhoging van de lichtintensi-

probleemgedrag.

teit gedurende vijftien maanden in de huiskamers

van een aantal instellingen. Het voordeel van een

j

12.4.4

Aromatherapie

dergelijke interventie is het feit dat het minder

kostbaar en minder arbeidsintensief is dan de

Aromatherapie kent vele vormen van toepassing.

meeste andere farmacologische en niet-farmacolo-

Er kunnen verschillende olie¨n gebruikt worden die

gische interventies.

verspreidt worden via de lucht, op een kussen

worden aangebracht of, in de meest toegepaste

j

12.4.7

Cognitieve stimulatie

vorm, worden aangebracht door een huidmassage.

Er is geen standaarddosering voor gebruik en de

Cognitieve stimulatie is afgeleid van realiteitsori-

toepassing wordt afgestemd op de clie¨nt.

entatietraining en is gericht op informatieverwer-

De evidentie voor effecten van aromatherapie is

king in plaats van feitelijke kennis. Er wordt ge-

zeer beperkt. Er is weinig gedegen onderzoek ge-

streefd naar een verbetering van het cognitief

daan naar deze vorm van therapie bij dementie.

functioneren van de persoon met dementie door

Een enkele placebogecontroleerde studie laat ech-

middel van impliciet leren in wekelijkse sessies

ter een vermindering van 35% in agitatie zien in

met verschillende thema’s. Vaak wordt deze thera-

een groep ouderen met ernstige dementie. Meer

pie in groepsverband gegeven, waarbij gebruik ge-

onderzoek op dit gebied is nodig om goede aanbe-

maakt wordt van activiteiten en materialen die een

velingen te kunnen doen, waarbij ook nagegaan

beroep doen op de cognitieve vermogens. De na-

dient te worden of verschillende toepassingen van

druk ligt op het beleven van plezier aan de activi-

aromatherapie vergelijkbaar zijn.

teiten in een sociale context.

Cognitieve stimulatie laat (bescheiden) positieve

j

12.4.5

Psychomotorische therapie

effecten zien op het cognitief functioneren van de

persoon met dementie, waarbij er eveneens aan-

Psychomotorische therapie omvat verschillende

wijzingen zijn voor een verbetering in kwaliteit

methoden. In het algemeen kan het bestaan uit

van leven. Er is tevens aangetoond dat deze thera-

bewegingsactiviteiten, bewegingsspel en ontspan-

pie een gunstige invloed heeft op probleemgedrag

ningsoefeningen. Het doel van de therapie is het

tot enkele maanden na de therapie.

stimuleren van het cognitief en psychosociaal

functioneren. De interventie is geschikt voor

patie¨nten met een lichte tot matig ernstige de-

j

12.5

Psychosociale interventies voor de

mentie.

mantelzorger

Er zijn in Nederland enkele studies gedaan naar

het effect van psychomotorische therapie op apa-

Het welzijn van de mantelzorger is essentieel om

thie, depressie en agressie. Op basis van deze on-

de persoon met dementie zo lang mogelijk thuis te

derzoeken is er enige evidentie dat psychomotori-

kunnen laten wonen. Mantelzorgers lopen door de

sche groepstherapie agressie kan reduceren in een

langdurige intensieve zorg een groot risico om

verpleeghuispopulatie met dementie.

overbelast te raken, waardoor ook de kans toe-

neemt dat de persoon met dementie in het ver-

j

12.4.6

Lichttherapie

pleeghuis moet worden opgenomen. Interventies

voor de mantelzorger richten zich dan ook vooral

Verhoging van de lichtintensiteit zou een gunstig

op het geven van informatie, aanleren van vaar-

effect kunnen hebben op de cognitieve achteruit-

digheden en het vergroten van de sociale steun om

gang en het probleemgedrag bij dementie door

het risico van overbelasting te verminderen en

herstel van verstoringen in het circadiane systeem.

mogelijk ook opname van de patie¨nt uit te stellen.

De meest bruikbare toepassing bij dementie lijkt

Echter, de verschillen tussen mantelzorgers in on-

het verhogen van de lichtintensiteit in de woo-

der andere kennisniveau en competenties vragen

nomgeving van patie¨nten met dementie. Mogelij-

om een gedifferentieerde aanpak die is afgestemd

ke andere toepassingen van lichttherapie, zoals het

op de bestaande behoeften. Indien men weinig

plaatsnemen voor een lichtbak, zijn minder ge-

kennis heeft over het ziektebeeld of niet over ade-

schikt voor deze doelgroep vanwege problemen

quate copingvaardigheden beschikt, vraagt dit om

met therapietrouw.

een meer intensieve begeleiding dan wanneer men

Een recente Nederlandse studie laat bescheiden

goed in staat is de problemen te hanteren. Weten-

positieve effecten zien van lichttherapie op cogni-

schappelijke evaluaties van psychosociale inter-

12 Psychosociale interventies

141

venties bij de mantelzorger hebben tot dusver niet

toren (B) en reacties op het probleemgedrag (C) kan

of nauwelijks rekening gehouden met deze ver-

een positieve gedragsverandering (A) bij de per-

schillen, wat mogelijk de soms inconsistente be-

soon met dementie bereikt worden. In de praktijk

vindingen kan verklaren. Toch is er een aantal in-

wordt het aanleren van dergelijke gedragsmana-

terventies met inmiddels goede resultaten. Zie

gementtechnieken vaak gecombineerd met het

voor een bespreking hiervan hoofdstuk 14.

aanleren van copingstrategiee¨n bij de mantelzor-

ger.

Onderzoek heeft aangetoond dat een dergelijke

j

12.6

Psychosociale interventies voor de

interventie effectief is in het verminderen van de-

dyade patie

¨nt en mantelzorger

pressieve klachten bij de mantelzorger. Hierbij is

van belang dat de interventie individueel en in

Interventies die zich richten op zowel de mantel-

voldoende bijeenkomsten (>6 sessies) wordt gege-

zorger als de persoon met dementie blijken suc-

ven. Gedragstherapie blijkt bovendien een van de

cesvoller te zijn dan interventies die zich slechts op

meest effectieve interventies te zijn om de ge-

een van beiden richten. Een belangrijk aangrij-

dragsproblemen bij de patie¨nt te verminderen.

pingspunt voor deze interventies zijn de compe-

tenties van de mantelzorger in het omgaan met de

j

12.6.2

Ergotherapie

patie¨nt en zijn problemen. Het aanleren en ver-

sterken van vaardigheden bij de mantelzorger

Ergotherapie is gericht op het optimaliseren van

heeft een positieve invloed op het functioneren van

betekenisvolle dagelijkse handelingen en het ver-

de persoon met dementie. Een voorbeeld van een

beteren van de participatie in de maatschappij van

dergelijke veel toegepaste interventie is gedrags-

mensen met dementie en hun mantelzorgers. Het

therapie. De tweede interventie die hier besproken

is bij uitstek een interventie die zich richt op zowel

zal worden is ergotherapie, waarbij naast de vaar-

de persoon met dementie als de mantelzorger en

digheden van de mantelzorger ook het functione-

aansluit op de individuele behoefte van beiden. In

ren van de patie¨nt wordt getraind.

de ergotherapie wordt de persoon met dementie

getraind in het uitvoeren van dagelijkse handelin-

j

12.6.1

Gedragstherapie

gen door gebruik te maken van compensatiestra-

tegiee¨n en aanpassingen van de omgeving. De

Gedragsproblemen komen veel voor in alle stadia

therapie richt zich bij de mantelzorger op het trai-

van de dementie. Mantelzorgers ervaren deze pro-

nen van probleemoplossende vaardigheden, het

blemen als meer belastend dan de cognitieve pro-

superviseren van de persoon met dementie bij het

blemen of de hulpbehoevendheid van de patie¨nt.

uitvoeren van dagelijkse activiteiten, en het leren

Ze vormen dan ook een belangrijke risicofactor

omgaan met de cognitieve achteruitgang. In een

voor psychische klachten en overbelasting van de

recent Nederlands onderzoek van Graff en collega’s

mantelzorger en voor opname van de persoon met

werd aangetoond dat ergotherapie een verbetering

dementie in het verpleeghuis. Mantelzorgers zijn

laat zien van de vaardigheden en vermindering van

dan ook gebaat bij het aanleren van technieken om

hulpbehoefte bij de persoon met dementie. Man-

met deze gedragsproblemen om te kunnen gaan en

telzorgers voelden zich beter in staat de zorg op

het probleemgedrag zo mogelijk te verminderen.

zich te nemen. Verder was er sprake van een ver-

Gedragstherapie maakt gebruikt van de in de leer-

betering in kwaliteit van leven, stemming en ge-

theorie ontwikkelde leerprincipes om gedrag te

zondheidstoestand van beiden.

modificeren. Hierbij wordt mantelzorgers geleerd

om volgens het model actie-bewegers-consequen-

ties (ABC-model) op een systematische manier:

j

12.7

Conclusie

– probleemgedrag (A) bij de persoon met dementie

te identificeren en monitoren;

Psychosociale interventies bieden op dit moment

– inzicht te krijgen in de factoren die het gedrag

de beste benadering voor de aanpak van problemen

mogelijk uitlokken (B);

van mensen met dementie en hun mantelzorgers.

– zich bewust te worden en het aanpassen van hun

Nederlandse richtlijnen besteden hier nog te wei-

eigen in stand houdende of versterkende reacties

nig aandacht aan. De selectie van de juiste inter-

op het gedrag van de patie¨nt (C).

ventie voor mensen met dementie en hun mantel-

zorgers is voor veel hulpverleners een probleem.

Door het vervolgens consequent toepassen van

De implementatie van effectieve psychosociale in-

soms kleine veranderingen in de uitlokkende fac-

terventies verdient nog veel aandacht.

142

Handboek dementie

Literatuur

ment of neuropsychiatric symptoms of dementia.

Am J Psychiatry. 2005;162(11):1996-2021.

Akkerman RL, Ostwald SK. Reducing anxiety in Alz-

Logsdon RG, McCurry SM, Teri L. Evidence-based

heimer’s disease family caregivers: the effectiveness

psychological treatments for disruptive behaviors in

of a nine-week cognitive-behavioral intervention.

individuals with dementia. Psychol Aging. 2007;

Am J Alzheimers Dis Other Demen. 2004;19(2):

22(1):28-36.

117-23.

NICE Dementia. Supporting people with dementia

Ballard CG, O’Brien JT, Reichelt K, et al. Aromathe-

and their carers in health and social care. 2006.

rapy as a safe and effective treatment for the mana-

Pinquart M, Sorensen S. Helping caregivers of per-

gement of agitation in severe dementia: the results

sons with dementia: which interventions work and

of a double-blind, placebo-controlled trial with

how large are their effects? Int Psychogeriatr. 2006;

Melissa. J Clin Psychiatry. 2002;63(7):553-8.

18(4):577-95.

Brodaty H, Green A, Koschera A. Meta-analysis of

Riemersma-van der Lek RF, Swaab DF, Twisk J, et al.

psychosocial interventions for caregivers of people

Effect of bright light and melatonin on cognitive

with dementia. J Am Geriatr Soc. 2003;51(5):657-64.

and noncognitive function in elderly residents of

CBO. Diagnostiek en medicamenteuze behandeling

group care facilities: a randomized controlled trial.

van dementie. Nederlandse Vereniging voor Klini-

JAMA. 2008;299(22):2642-55.

sche Geriatrie; 2005.

Searson R, Hendry AM, Ramachandran R, et al. Acti-

Finnema E, Droes RM, Ettema T, et al. The effect of

vities enjoyed by patients with dementia together

integrated emotion-oriented care versus usual care

with their spouses and psychological morbidity in

on elderly persons with dementia in the nursing

carers. Aging Ment Health. 2008;12(2):276-82.

home and on nursing assistants: a randomized

Selwood A, Johnston K, Katona C, et al. Systematic

clinical trial. Int J Geriatr Psychiatry. 2005;20(4):

review of the effect of psychological interventions

330-43.

on family caregivers of people with dementia. J

Gerdner LA. Effects of individualized versus classical

Affect Disord. 2007;101(1-3):75-89.

‘relaxation’ music on the frequency of agitation in

Sorensen S, Duberstein P, Gill D, et al. Dementia care:

elderly persons with Alzheimer’s disease and related

mental health effects, intervention strategies, and

disorders. Int Psychogeriatr. 2000;12(1):49-65.

clinical implications. Lancet Neurol. 2006;5(11):

Graff MJ, Vernooij-Dassen MJ, Thijssen M, et al.

961-73.

Community based occupational therapy for patients

Teri L, Logsdon RG, Uomoto J, et al. Behavioral

with dementia and their care givers: randomised

treatment of depression in dementia patients: a

controlled trial. BMJ. 2006;333(7580):1196.

controlled clinical trial. J Gerontol B Psychol Sci Soc

Graff MJ, Vernooij-Dassen MJ, Thijssen M, et al.

Sci. 1997;52(4):P159-66.

Effects of community occupational therapy on qua-

Teri L. Behavioral treatment of depression in patients

lity of life, mood, and health status in dementia

with dementia. Alzheimer Dis Assoc Disord. 1994;8:

patients and their caregivers: a randomized con-

66-74.

trolled trial. J Gerontol A Biol Sci Med Sci. 2007;

Thorgrimsen L, Spector A, Wiles A, et al. Aroma

62(9):1002-9.

therapy for dementia. Cochrane Database Syst Rev.

Graham C, Ballard C, Sham P. Carers’ knowledge of

2003;3:CD003150.

dementia, their coping strategies and morbidity. Int

Verkaik R, Weert JC van, Francke AL. The effects of

J Geriatr Psychiatry, 1997;12(9):931-6.

psychosocial methods on depressed, aggressive and

Hopman-Rock M, Staats PG, Tak EC, et al. The effects

apathetic behaviors of people with dementia: a sys-

of a psychomotor activation programme for use in

tematic review. Int J Geriatr Psychiatry. 2005;20(4):

groups of cognitively impaired people in homes for

301-14.

the elderly. Int J Geriatr Psychiatry. 1999;14(8):

Woods B, Spector A, Jones C, et al. Reminiscence

633-42.

therapy for dementia. Cochrane Database Syst Rev.

Livingston G, Johnston K, Katona C, et al. Systematic

2005;2: CD001120.

review of psychological approaches to the manage-

j

13 Farmacologische behandeling van

gedragsproblemen

W. van Zelst, F. Verhey

Kernpunten

– Medicatie voor gedragsproblemen bij ouderen is betrekkelijk weinig effectief.

– Men dient zich in een observatieperiode vooraf te vergewissen van eventuele

comorbiditeit.

– Het gebruik van meetschalen (bijvoorbeeld de NPI) wordt aanbevolen om baseli-

negegevens vast te leggen en het effect van de behandeling adequaat te evalueren.

– Indien men al medicatie voorschrijft, dient dit nauwkeurig vervolgd en gee

¨valueerd

te worden.

– Symptoomgerichte of, bij voorkeur, subsyndromaalgerichte medicatie is bij agres-

sie en psychose (haloperidol of risperidon 1 mg) en het affectieve cluster (SSRI’s)

het minst omstreden.

– Ernstige bijwerkingen, zoals beroerte en verhoogde sterfte bij (alle) antipsychotica,

moeten zorgvuldig worden afgewogen tegen de voordelen van medicatie.

j

13.1

Inleiding

symptomen, ook wel aangeduid als Behavioural and

Psychological Symptoms of Dementia (BPSD). Daarmee

Gedragsveranderingen werden lange tijd gezien

worden alle psychiatrische verschijnselen aange-

als secundaire verschijnselen bij dementie, en cog-

duid, zoals depressie, apathie, prikkelbaarheid,

nitieve en functionele problemen als de voor-

angst, agitatie, agressie, wanen, hallucinaties, mo-

naamste kenmerken voor de diagnose. Deze op-

torische onrust, ontremming, eetproblemen en

vatting is onterecht en verouderd. Gedragsproble-

nachtelijke onrust. Vanuit de psychologische lite-

men blijken in belangrijke mate het functioneren,

ratuur is herhaaldelijk bezwaar gemaakt tegen een

de snelheid van cognitief verval en kwaliteit van

teéenzijdige visie vanuit een medisch model. Re-

leven te bepalen. Zij leiden tot veel leed en onrust

den om in plaats van gedragsstoornissen liever van

voor de patie¨nt en de mantelzorger. Zij zijn de´ be-

‘challenging behaviour’ of ontregelend gedrag te

langrijkste reden voor opname in een verpleeghuis.

spreken. Met deze terminologie wordt een meer

De kosten voor de gezondheidszorg hangen direct

integrale benadering beoogd dan enkel farmaco-

samen met gedragsproblemen die voorkomen bij

therapie. De auteurs van dit hoofdstuk benadruk-

mensen met dementie.

ken het belang van deze brede benadering, waarin

psychosociale interventies of veranderingen in het

j

13.1.1

Terminologie

therapeutisch milieu – waaronder de bejegening

van mantelzorgers en/of professionele verzorgers –

In de Engelstalige literatuur worden gedragspro-

als eerste behandeloptie dienen te worden toege-

blemen geschaard onder de neuropsychiatrische

past. Deze aspecten zullen in de hoofdstukken 12

144

Handboek dementie

en 14 uitgebreid worden besproken. In dit hoofd-

gebruik van psychofarmaca en fysieke restrictie-

stuk worden de medicamenteuze mogelijkheden

middelen. Psychosociale factoren zijn daarin zeer

om probleemgedrag te beı¨nvloeden besproken, in

belangrijk. Nagenoeg alle richtlijnen adviseren

het besef dat de arts wat dit betreft met betrekke-

daarom eerst een aanpak op maat, waarin aandacht

lijk lege handen staat.

is voor alle lichamelijke, psychologische, sociale en

omgevingsfactoren die tot het gedrag hebben ge-

leid (zie ook richtlijn dementie www.cbo.nl, http://

j

13.2

Voorkomen en beloop

www.nice.org.uk/nicemedia/pdf/CG042NICEGui-

probleemgedrag

deline.pdf). Een functionele gedragsanalyse vol-

gens het Antecedents Behaviour Consequences (A-B-C)-

Gedragsproblemen komen veel voor bij patie¨nten

schema is daarbij onontbeerlijk om alle sympto-

met dementie. In het Nederlandse onderzoek

men in hun samenhang te begrijpen. Een volledig

Maastricht study of behaviour in dementia (MAASBED)

en adequaat psychiatrisch onderzoek is daarbij van

werden 200 ambulante patie¨nten met dementie 2

groot belang.

jaar lang gevolgd. Uit dit onderzoek bleek dat

apathie, depressie en bewegingsonrust op alle

j

13.2.2

Farmacologische behandeling

tijdstippen de meest voorkomende gedragssymp-

tomen waren. Apathie en agitatie namen sterk toe

Farmacologische behandeling van probleemgedrag

in de beginstadia van de ziekte en waren daarna

is in weerwil van voorgaande (paragraaf 13.2.1) nog

blijvend aanwezig. Depressie daarentegen liet een

vaak de meest toegepaste. Dat hangt samen met de

afname in zowel prevalentie als ernst zien gedu-

grote druk om in te grijpen bij probleemgedrag.

rende het beloop van de dementie. Psychotische

symptomen kwamen juist het meest voor in de

Debat

voorlaatste stadia van de ziekte. Op enig moment

in het ziektebeloop had 60% verschijnselen van

Het toepassen van medicatie is onderwerp van een

agitatie, zoals prikkelbaarheid, motorische onrust

nog lang niet afgesloten debat over werkzaamheid,

of agressie. Bijna alle patie¨nten (95%) hadden op

toepasbaarheid, veiligheid en kosteneffectiviteit.

enig moment in het ziektebeloop een of meer ge-

Men dient zich te realiseren dat praktisch alle me-

dragssymptomen. In de Nijmeegse vervolgstudie

dicatie bij deze problematiek nog steeds ‘off label’

Waal Behaviour in Dementia (WAALBED) onder be-

wordt voorgeschreven, omdat noch de FDA, noch

woners van verpleeghuizen, bleek maar liefst 85%

de Europese autoriteiten de indicatie gedragspro-

van de onderzochte patie¨nten een of meer ver-

blemen bij dementie hebben toegevoegd aan be-

schijnselen van agitatie te vertonen. Dat betrof

staande medicatie. Alleen risperidon is in een lage

vooral rusteloosheid (44%), maar ook verbale uit-

dosering geregistreerd voor de indicatie ‘ernstige

ingen, zoals vloeken, voortdurend aandacht vra-

agressie’ in een vergevorderd stadium van demen-

gen, klagen en roepen, kwamen vaak voor. Fysiek

tie. Niettemin stelt het College ter Beoordeling van

agressief gedrag, zoals slaan, trappen en bijten,

geneesmiddelen (www. cbg-meb.nl/CBG/nl; klik:

deed zich bij 13% voor.

geneesmiddelen, klik: off label use):

Uit een recent onderzoek van Aalten en collega’s,

die gebruik maakten van grote databases, bleken

Het kan de plicht van een arts zijn om een geneesmiddel

de afzonderlijke verschijnselen voor te komen in

off-label voor te schrijven, want voor sommige patie¨nten is

clusters of gedragssyndromen, te weten hyperacti-

geen alternatief voorhanden. De arts moet kiezen voor het

viteit, psychose, depressie en apathie. Dat patroon

off-label voorschrijven van een geneesmiddel, als dit de

lijkt voor de verschillende soorten dementie het-

best mogelijke behandeling is voor die patie¨nt. De arts

zelfde te zijn. Dit kan consequenties hebben voor

moet de patie¨nt wel vertellen dat het om een off-label

de behandeling.

geneesmiddel gaat en uitleggen wat de voor- en nadelen

van de behandeling zijn.

j

13.2.1

Psychosociale aspecten

In de praktijk krijgt de patie¨nt waarschijnlijk nog

Gedragsproblemen zijn altijd zowel biologisch als

in onvoldoende mate te horen dat het om een off-

psychologisch bepaald. De gedragsstoornissen

label geneesmiddel gaat. Internationale richtlijnen

kunnen ook een gevolg zijn van behoeften die niet

waarschuwen voor verkeerd gebruik van veel psy-

meer kunnen worden geuit en niet worden her-

chofarmaca, dat wil zeggen voor:

kend. Er is een verband met het stadium waarin de

– de verkeerde indicatie (bijvoorbeeld antipsycho-

dementie verkeert, met het type dementie, met het

tica voor depressie);

13 Farmacologische behandeling van gedragsproblemen

145

– onnodige combinaties (twee middelen tegelijk);

telkens opnieuw worden vastgesteld. Een over-

– onnodig hoge doseringen;

zicht van psychofarmaca bij gedragesproblemen

– te langdurig gebruik.

bij dementie is opgenomen in de bijlage bij dit

hoofstuk.

Probleemanalyse

Er dient een ruime observatieperiode vooraf te

j

13.3

Behandeling meest voorkomende

gaan aan het voorschrijven van psychofarmaca.

vormen van probleemgedrag

Doel is om het problematische gedrag te observe-

ren en nauwkeurig te beschrijven. Daarbij worden

j

13.3.1

Agressie en agitatie

ook frequentie en ernst vastgelegd en eventuele

behandelbare oorzaken, zoals comorbiditeit of

Agressie is de meest extreme vorm van agitatie.

medicatiebijwerkingen, opgespoord.

Het is ook de meest bedreigende gedragsstoornis

Een goede behandeling begint dus met een

voor patie¨nten en verzorgers, omdat het snel kan

goede probleemanalyse. Daarbij dient men na te

leiden tot uitputting van het verzorgend systeem,

gaan of de gedragsproblemen het gevolg zijn van

gevoelens van tegenoverdracht, wederkerige

een delier, of als bijwerking van medicatie optre-

agressie of andere repercussies op de patie¨nt. Mo-

den. Bij een delier ontstaan de gedragsproblemen

torische agressieve gedragingen, zoals slaan,

in de regel vrij plotseling. Meestal, maar lang niet

schoppen, trappen en spugen, zijn gericht op an-

altijd, zijn er onderliggende lichamelijke factoren

dere personen of op objecten en komen doorgaans

te vinden die het delier kunnen verklaren:

in de latere stadia van dementie voor. Agressieve

– een ontsteking;

patie¨nten vertonen meestal ernstiger cognitieve

– pijn;

stoornissen dan niet-agressieve patie¨nten. De

– sensorische deprivatie;

agressie doet zich vaak op momenten voor dat an-

– metabole ontregeling;

deren iets van de patie¨nt willen, zoals wassen en

– intoxicaties;

aankleden, hetgeen het belang van de omgeving

– onttrekking van middelen.

illustreert. Verbaal/vocaal agressieve gedragingen

zijn bijvoorbeeld schelden, roepen, dreigen, vloe-

Het kwetsbare brein van een dementerende is ge-

ken en beschuldigen. Deze treden meestal op in

voeliger voor verstoringen van het interne milieu

een laat stadium van de ziekte van Alzheimer. De

en reageert sneller met het optreden van een delier.

ernst van agressie is voor sommige richtlijnen de

Deze onderliggende factoren dienen uiteraard

enige reden om over te gaan op de omstreden

eerst gereguleerd te worden, waarna de patie¨nt

antipsychotica. Agitatie wordt vaak in een adem

vaak opknapt. Volgens de Nederlandse richtlijnen

genoemd met agressie, maar kan ook geı¨soleerd

kan daarbij ter ondersteuning 1 of 2 mg haloperi-

voorkomen in de vorm van motorische, niet-agres-

dol voor de nacht worden gegeven om de sympto-

sieve gedragingen, zoals rondzwerven, ijsberen,

men van onrust en bijkomende psychotische ver-

trappelen en rammelen aan de bedrails en verbaal/

schijnselen te bestrijden. Voorbeelden van medica-

vocaal niet-agressieve geagiteerde gedragingen,

tie die gedragstoornissen veroorzaken zijn anti-

zoals repetitief gillen, of het herhaaldelijk roepen

cholinerg werkende medicatie, zoals sommige

van woorden (‘Zu

śter..!’) of klanken (hummen).

antidepressiva, antipsychotica en paradoxaal wer-

kende benzodiazepinen.

Antipsychotica

Omdat gedragsstoornissen een emotionele reac-

tie kunnen oproepen bij de verzorgers, kan er bias

Antipsychotica zijn het meest werkzaam bij agres-

ontstaan over de frequentie en ernst van de stoor-

sie, agitatie en psychotische verschijnselen. Klas-

nissen. Ook is vaak de context waarin de gedrags-

sieke en de atypische antipsychotica zijn grosso

problemen optraden niet duidelijk. Verzorgers die

modo onderling vergelijkbaar in werkzaamheid;

zich zwaar belast voelen rapporteren doorgaans

keuzecriteria hangen daarom vooral samen met

meer stoornissen. Het verdient daarom aanbeve-

hun bijwerkingenprofiel. Er is hooguit een iets

ling gebruik te maken van meetschalen voor ge-

gunstiger werking van risperidon ten opzichte van

dragsstoornissen en niet te behandelen op grond

haloperidol. Helaas gaat gebruik van antipsycho-

van eenmalige incidenten. Ook is het aan te beve-

tica gepaard met relatief veel bijwerkingen, zodat

len de indicatie steeds te evalueren, bijvoorbeeld

de voordelen nauwelijks tegen de nadelen opwe-

iedere drie maanden. In de medicatievrije periode

gen. De meest voorkomende bijwerkingen betref-

kan door observatie de noodzaak van behandeling

fen extrapiramidale verschijnselen. Het is voor

146

Handboek dementie

sommige richtlijnen eerste keus, anderen zien veel

Werkzaamheid antipsychotica

nadelen. Specifiek voor het gebruik bij agressie

zijn met haloperidol, maar ook met de atypische

Er is geen reden om aan te nemen dat het ene

middelen verschillende gerandomiseerd gecontro-

middel beter is dan het andere, behalve dat que-

leerde studies uitgevoerd. Haloperidol, risperidon

tiapine in een vergelijkend onderzoek met rivas-

en olanzapine bleken in zeven van de tien onder-

tigmine en placebo niet effectief was, en zelfs ge-

zoeken werkzamer voor agressie (en psychose) dan

paard ging met een verminderd cognitief functio-

placebo. Bij onderlinge vergelijking van klassieke

neren. De resultaten van de recente studie van

en atypische antipsychotica was er geen statistisch

Schneider en collega’s, de Clinical Antipsychotic Trials

significant verschil. De meest voorkomende bij-

of Intervention Effectiveness – Alzheimer Disease (CA-

werkingen waren extrapiramidale symptomen en

TIE-AD), bij ambulante dementerende patie¨nten

sufheid. Bijwerkingen op korte termijn zijn par-

waarbij na twaalf weken de klinische verbetering

kinsonistische verschijnselen, zoals rigiditeit, se-

op agressie, agitatie en psychose met olanzapine,

datie, valneiging. Deze verschijnselen kunnen al

risperidon, quetiapine en placebo werd gemeten,

na enkele dagen tot weken optreden. Verschijnse-

gaven aan dat deze middelen niet significant beter

len op langere termijn zijn loopdwang (acathisie)

waren dan placebo. De voordelen van deze midde-

en tardieve dyskinesie. De prognose van deze late

len wogen in deze studie niet op tegen de nadelen.

bijwerkingen is slecht, ook na staken van de anti-

Uit een andere meta-analyse van Schneider en col-

psychotica. Haloperidol en quetiapine gaven in een

lega’s bleek dat de verschillende atypische midde-

recente gerandomiseerd gecontroleerde studie van

len, zoals aripiprazole, clozapine, olanzapine,

Zuidema en collega’s een versnelde achteruitgang

quetiapine, risperidon en ziprasidone, allemaal

in cognitie.

een licht verhoogd risico gaven dat niet verschilde

voor de verschillende middelen onderling.

Nieuwe (verontrustende) gegevens antipsychotica

Antipsychotische medicatie moet vermeden

worden bij gedragsproblemen bij mensen met

Een aantal jaar geleden is uit gepoolde analyses

Lewy-body-dementie (DLB) in verband met de twee

bekend geworden dat het gebruik van antipsycho-

tot drie keer verhoogde kans op overlijden.

tica gepaard gaat met een toegenomen kans op

In meer casuı¨stische literatuur is quetiapine

cerebrovasculaire aandoeningen en de verhoogde

waardevol gebleken bij de ziekte van Huntington,

mortaliteit. Aanvankelijk leek dat vooral de atypi-

die bekend staat om de psychopathie die tijdens

sche antipsychotica te betreffen, maar uit latere

het dementeringsproces optreedt.

analyses bleek dat dit ook geldt voor de klassieke

De serotonineheropnameremmers (SSRI’s) zijn,

middelen. Samengevat zullen van iedere 100

ook zonder dat er sprake is van depressie, werk-

patie¨nten die met antipsychotische middelen wor-

zaam gebleken bij opwindingstoestanden met

den behandeld, er ongeveer 9-25 baat bij hebben.

agressie, agitatie en psychose. Citalopram, opge-

Maar 4 tot 10 patie¨nten ontwikkelen extrapirami-

bouwd tot een dosering tot 20 mg, gaf op de korte

dale verschijnselen, 2 tot 3 krijgen een beroerte en

termijn zelfs betere effecten op agressie/agitatie

1 komt te overlijden. Deze nieuwe verontrustende

dan perfenazine (gemiddeld 6,5 mg/dag) zonder

gegevens hebben enorme gevolgen gehad voor de

dat de bijwerkingen toenamen. Ook in vergelij-

behandeling van agitatie. Olanzapine wordt daar-

king met risperidon werkt het op zijn minst even

om door de fabrikant niet meer aanbevolen voor

effectief, maar met minder bijwerkingen. In het

gebruik bij personen met dementie. Risperidon

licht van de huidige wetenschap van de ernstige

wordt ontraden voor demente patie¨nten met een

nadelen van antipsychotica is citalopram een mo-

CVA/TIA, hypertensie of diabetes in de anamnese.

gelijk alternatief, vooral bij de noodzaak van lan-

Deze ontwikkelingen hebben duidelijk gemaakt

ger gebruik en hoge doseringen, maar meer on-

dat de nadelen van antipsychotica zorgvuldig af-

derzoek is gewenst. Het antidepressivum trazodon

gewogen dienen te worden tegenover de voordelen.

is niet werkzaam gebleken bij agressie.

Daarom is ook het van groot belang dat de midde-

Benzodiazepinen kunnen, mits beperkt toege-

len niet langer dan strikt noodzakelijk worden ge-

past, passende interventies zijn bij ontregelende

bruikt en herhaaldelijk wordt geprobeerd of stop-

opwindingstoestanden die (sub)acuut zijn ont-

pen mogelijk is. Recent onderzoek van Ballard en

staan. Hun toepassing wordt beperkt doordat ge-

collega’s (DART-AD) liet zien dat, met uitzonde-

wenning en afhankelijkheid kunnen optreden.

ring van ernstige agitatie, staken na 3 maanden

Het voorschrijven mag daarom maar kort (dagen

meestal zonder problemen verliep.

tot hooguit enkele weken) en onder zorgvuldige

registratie van bijwerkingen als sedatie, valpartij-

13 Farmacologische behandeling van gedragsproblemen

147

en en verminderde cognitie. Agitatie kan zelfs als

lijk geregistreerd voor de indicatie matig ernstige

een paradoxaal effect voorkomen bij ouderen die

en ernstige dementie van het alzheimertype

benzodiazepinen krijgen. Op den duur kan ook

(MMSE <14). Het middel heeft weinig zin in de

depressie optreden. De voorkeur gaat uit naar kort

acute aanpak van een geagiteerde demente patie¨nt,

tot middellang werkende middelen om het risico

maar uit post hoc analyses lijkt zich een gunstig

van stapeling te vermijden. Een positief effect van

effect op het ontstaan van agitatie voor te doen.

lorazepam op agitatie is in een gerandomiseerd

Echter, tot dusver is er geen prospectieve gerando-

gecontroleerde studie van Meehan en collega’s

miseerd gecontroleerde studie met agitatie als pri-

aangetoond en is net zo gunstig als dat van olan-

maire uitkomstmaat, waardoor de betekenis van

zapine met even weinig bijwerkingen. De Neder-

dit middel voor de behandeling van agitatie niet

landse richtlijn van het CBO adviseert indien acute

vast staat. Het wordt goed verdragen.

behandeling nodig is 1 mg lorazepam intraveneus

Bètablokkers blijken bij agitatie maar beperkte

(www.cbo.nl). Oudere studies vertonen meer me-

voordelen te hebben bij marginale effecten. De ra-

thodologische problemen, evenals onderzoeken

tionale voor het gebruik van bètablokkers bij agi-

met oxazepam en diazepam. Samenvattend laten

tatie is de veronderstelde blokkering van noradre-

deze studies geen verschillen zien tussen alprazo-

nerge activering. Het verminderen van de bij zich-

lam (gemiddeld 1 mg) bij plotselinge gedrags-

zelf waargenomen verschijnselen van opwinding

stoornissen en haloperidol (gemiddeld 0,64 mg) en

(hartkloppingen, trillen) zou ook een kalmerende

blijken alprazolam (gemiddeld 1,5 mg) versus lo-

invloed kunnen hebben. De bètablokker pindolol

razepam (gemiddeld 3,1 mg) ook niet te verschillen.

had in twee onderzoeken enig voordeel op de ver-

bale component van de Overt Agression Scale. Er

Overige middelen bij agressie en agitatie

zijn echter veel contra-indicaties, waaronder de

toch vaak voorkomende comorbide aandoeningen

In de literatuur wordt ook een aantal andere mid-

als diabetes mellitus, hart- of longziekten. Ook

delen genoemd voor de indicatie agressie bij de-

zijn er veel geneesmiddelen die interactie hebben

mentie, maar zij worden in eerste instantie niet

met bètablokkers, wat tot ongewenste effecten kan

aangeraden voor deze indicatie. Van carbamazepi-

leiden.

ne zijn beperkt gunstige effecten beschreven, maar

het middel gaat gepaard met ernstige geneesmid-

j

13.3.2

Wanen en hallucinaties

deleninteracties en potentieel ernstige bijwerkin-

gen (waaronder levensbedreigende huidreacties bij

Wanen en hallucinaties hebben bij dementie vaak

Aziaten). Valproaat is teleurstellend gebleken in

een ander ontstaansmechanisme dan bij bijvoor-

vijf gerandomiseerd gecontroleerde studies op de

beeld schizofrenie. Bij schizofrenie is een overge-

primaire uitkomstmaten, waaronder agitatie. Van

voeligheid van de dopaminerge receptoren verant-

de overige middelen, zoals lamotrigine, topiramaat

woordelijk voor de gestoorde realiteitszin, terwijl

en gabapentine, zijn geen gerandomiseerd gecon-

bij neurodegeneratieve aandoeningen eerder op

troleerde studies bekend en zij worden daarom

grond van verminderde cognitieve functies een

ontraden voor deze indicatie. Van cholinesterase-

beperkte realiteitstoetsing mogelijk is. Niet altijd

remmers werden uit open studies aanvankelijk nog

is behandeling noodzakelijk of mogelijk. De effec-

gunstige resultaten gesuggereerd bij gedrags-

ten van medicamenteuze therapie bij bijvoorbeeld

stoornissen. Alleen de rivastigmine (Exelon) en

het syndroom van Charles Bonnet is notoir gering.

galantamine (Reminyl) zijn in Nederland verkrijg-

Antipsychotica zijn bij psychotische verschijnselen

baar. Voor de indicatie agitatie bij mild tot matige

tot nu toe middel van eerste keus, als men het

dementie is in een recente en belangrijke gerando-

symptoom al wil behandelen. Vooral wanneer het

miseerd gecontroleerde studie van Howard en col-

gepaard gaat met agressie of ernstige agitatie is

lega’s, de Trial of Cholinesterase Inhibitor and Atypical

medicamenteus ingrijpen gerechtvaardigd. Zowel

Neuroleptic in de Management of Agitation in Alzhei-

de typische als atypische middelen zijn voor deze

mer’s Disease (CALM-AD), geen overtuigend voor-

indicatie onderzocht en haloperidol, risperidon en

deel van donezepil ten opzichte van placebo ge-

olanzapine zijn (vergelijkbaar) werkzamer dan

vonden. Eerdere meta-analyses met verschillende

placebo, waarbij risperidon in lage dosering min-

cholinesteraseremmers lieten al tegenstrijdige re-

der extrapiramidale bijwerkingen heeft.

sultaten zien in effecten op agressie en agitatie.

Er zijn theoretisch aanwijzingen dat cholineste-

Memantine is een N-Methyl-D-Aspartate recep-

raseremmers effectief kunnen zijn bij de aan-

torantagonist, ingrijpend op de glutamaat geme-

dachtsgerelateerde psychiatrische verschijnselen,

dieerde neurotransmissie. Het middel is recente-

zoals hallucinaties bij DLB. De resultaten van ge-

148

Handboek dementie

randomiseerd gecontroleerde studies hebben de

toornissen het geval is. Overigens zijn bij deze in-

effecten die in de praktijk met dit soort medicatie

dicatie alle antidepressiva wel werkzaam.

worden gezien niet bevestigd. Een al eerder ge-

noemd opvallend effect van citalopram op psycho-

j

13.3.6

Prikkelbaarheid

tische verschijnselen maakt dit middel het over-

wegen waard bij langdurig voorschrijven voor de

Als er bij prikkelbaarheid een onderliggende de-

combinatie agitatie en psychose.

pressie wordt vermoed, zijn de SSRI’s middel van

eerste keus. Zonder dat er sprake is van een de-

j

13.3.3

Apathie

pressie geeft trazodon bij frontotemporale demen-

tie ook een verbetering van prikkelbaarheid. Alleen

Hoewel er weinig specifiek onderzoek is gedaan

haloperidol en het atypische antipsychoticum tia-

naar apathie, is in een enkel onderzoek gevonden

pride zijn specifiek voor prikkelbaarheid onder-

dat cholinesteraseremmers (vooral donezepil) een

zocht en beter dan placebo, maar de risico’s van

verbetering geven op het symptoom apathie. Bij-

bijwerkingen zijn te groot in verhouding tot de

werkingen als diaree, braken en misselijkheid, die

ernst van het symptoom.

bij een kwart van de gebruikers voorkomen, maken

het middel evenwel al snel erger dan de kwaal.

j

13.3.7

Angst

Hoewel niet speciaal onderzocht bij de ziekte

van Alzheimer, is apathie ook bij dementie wel

Bij gedragsproblemen met een overduidelijke

gevoelig voor een kleine dosis methylfenidaat. Dit

angstcomponent past een benzodiazepine als lora-

middel wordt eveneens bij een bijkomend deliri-

zepam 1 mg, mits kortdurend voorgeschreven om

um, alleen tijdelijk, toegepast om een impasse te

een bepaalde situatie te doorbreken. Nauwkeurige

doorbreken die adequate verzorging belemmert,

observatie naar bijkomende depressieve verschijn-

zoals bij niet drinken en voedselweigering of drei-

selen blijft nodig, omdat deze affectieve sympto-

gende contracturen. Meer onderzoek naar deze

men vaak geclusterd zijn. In dat geval kan men

toepassing is momenteel gaande.

beter een SSRI geven. Citalopram 10-20 mg en ser-

traline 50-100 mg worden bij ouderen veel ge-

j

13.3.4

Depressie

bruikt.

De effectiviteit van antidepressiva voor de behan-

j

13.3.8

Eetstoornissen

deling van depressie bij dementie is overtuigend

aangetoond. Zowel de SSRI’s, tricyclische antide-

Voor zover dit niet een onderdeel is van een bij-

pressiva (TCA’s: clomipramine, imipramine), als

komende depressie, die dan toch al met een SSRI

reversibele MAO-remmers (moclobamide) zijn in

wordt behandeld, kan men een proefbehandeling

trials werkzaam gebleken. Alle antidepressiva

met mirtazapine (een presynaptische a2-adrenerge

zouden even effectief zijn bij milde tot matige de-

receptorblokker) starten, die veelal de eetlust aan-

pressies. Ook de atypische middelen als trazodon

zet.

en mirtazapine worden nog al eens bij comorbide

Een kleine cross-overstudie van Lebert en colle-

slaapproblemen toegepast. De TCA’s zijn effectie-

ga’s met SSRI’s bij frontale lob dementie gaf een

ver bij ernstige depressies, maar relatief in het na-

trend voor verbetering van eetstoornissen. Ook

deel omdat deze middelen een afname van de cog-

memantine gaf verbetering van de eetlust in een

nitieve functies geven. Daarom gaat de voorkeur

enkel onderzoek van Cummings en collega’s.

uit naar de SSRI’s citalopram en sertraline voor de

behandeling van depressie bij dementie. Fluoxeti-

j

13.3.9

Dwangmatigheid

ne wordt niet aanbevolen vanwege de lange half-

waardetijd.

De SSRI’s zijn werkzaam gebleken voor compulsief

gedrag, zoals die voorkomt bij frontotemporale

j

13.3.5

Emotionele labiliteit

dementie en vermoedelijk ook andere typen de-

mentie.

Voor emotionele labiliteit zijn de SSRI’s eveneens

werkzaam gebleken. Het symptoom is vaak on-

j

13.3.10

Slaapstoornissen/nachtelijke onrust

derdeel van een affectief cluster. Opvallend is dat

de werkzaamheid bij het neurologisch verschijnsel

Trazodon kan vooral bij de combinatie met agitatie

dwanghuilen (een pathologisch verhoogde neiging

uitkomst bieden. De dosering is meestal 50-100 mg

om te huilen) sneller intreedt dan bij stemmings-

die voor de nacht wordt gegeven. Mirtazapine in

13 Farmacologische behandeling van gedragsproblemen

149

lage doseringen (tot 30 mg) is eveneens door zijn

Al met al is vooral de laatste jaren duidelijk ge-

bijwerking slaperigheid een goed alternatief.

worden dat de effecten van medicamenteuze the-

Benzodiazepinen hebben per 2009 nauwelijks

rapie bij gedragsproblemen bij dementie, met

meer plaats, zeker niet als onderhoudsmedicatie

name agitatie en agressie, beperkt zijn en teniet-

voor slaapstoornissen. De aangescherpte richtlij-

gedaan worden door ernstige bijwerkingen. Deze

nen erkennen alleen de indicatie bij complexe

bevindingen onderstrepen andermaal dat deze

psychiatrische patie¨nten. Indien al een benzodia-

problemen niet in eerste instantie medicamenteus

zepine wordt gegeven voor bijkomende agitatie

behandeld dienen te worden, maar met psychoso-

heeft temazepam 10 mg de voorkeur.

ciale interventies of aanpassingen aan de omgeving

Melatonine is een in ons lichaam voorkomende

van de patie¨nt.

stof die het slaap-waakritme gunstig kan beı¨n-

vloeden. In de Nederlandse en meeste andere

richtlijnen heeft ze nog geen plaats. Er zijn wel

Literatuur

drie onderzoeken geweest waarvan er eéń verbete-

ring liet zien op het slaap-waakritme, gemeten met

Aalten P, et al. Consistency of neuropsychiatric syn-

een bewegingsmeter (polsactigraaf). Er zijn weinig

dromes across dementias: results from the Euro-

bijwerkingen.

pean Alzheimer Disease Consortium. Part II.

Dement Geriatr Cogn Disord. 2008;25:1-8.

j

13.3.11

Ontremming

Asayama K, et al. Double blind study of melatonin

effects on the sleep-wake rhythm, cognitive and

Vooral seksuele ontremming is een groot probleem

non-cognitive functions in Alzheimer type demen-

bij een aanzienlijk deel (7-25%) van de manlijke

tia. J Nippon Med Sch. 2003;70:334-41.

demente patie¨nten. Hoewel er net richtlijnonder-

Ballard C, Howard R. Neuroleptic drugs in dementia:

zoek op gang komt en er ook voor dit probleem off-

benefits and harm. Nat Rev Neurosci. 2006;7:492-

label moet worden voorgeschreven, worden in de

500.

praktijk antiandrogenen als medroxyprogestero-

Ballard C, et al. The dementia antipsychotic withdra-

nacetaat en cyproteronacetaat voorgeschreven. De

wal trial (DART-AD): long-term follow-up of a

dosering varieert van 100 mg i.m./maand tot 500

randomised placebo-controlled trial. Lancet Neurol.

mg oraal/week. Ook finasteride wordt wel toege-

2009;8:151-7.

past, een remmer van het enzym 5-alpha-reductase

Cummings JL, Mackell J, Kaufer D. Behavioral effects

(5 mg/dag). Het voorkomt de omzetting van tes-

of current Alzheimer’s disease treatments: a

tosteron naar een potenter dihydrotestosteron.

descriptive review. Alzheimers Dement. 2008;4:

49-60.

Deyn PP de, et al. A randomized trial of risperidone,

j

13.4

Slotbeschouwing

placebo, and haloperidol for behavioral symptoms

of dementia. Neurology. 1999;53:946-55.

Ondanks het zeer frequent voorkomen van ge-

Herrmann N, Lanctot KL, Eryavec G, et al. Noradre-

dragsproblemen bij dementie en de vele onderzoe-

nergic activity is associated with response to pindo-

ken naar werkzame medicatie, hebben maar een

lol in aggressive Alzheimer’s disease patients. J

paar middelen een enigszins duidelijke plaats ge-

Psychopharmacol. 2004;18:215-20.

kregen voor deze indicatie. Na zorgvuldig uitslui-

Howard RJ, et al. Donepezil for the treatment of agi-

ten van comorbiditeit en medicatiebijwerkingen

tation in Alzheimer’s disease. N Engl J Med. 2007;

en een goed beschreven observatieperiode, kan

357:1382-92.

voor de indicatie agressie een lage dosering rispe-

Howard R, Ballard C, O’Brien J, et al. Guidelines for

ridon of haloperidol voorgeschreven worden. Men

the management of agitation in dementia. Int J

moet zich vergewissen dat de noodzaak daartoe

Geriatr Psychiatry. 2001;16:714-7.

zwaarder weegt dan de nadelen van verhoogde

Lanctot KL, et al. Efficacy and safety of neuroleptics

morbiditeit. Voor de indicatie depressie bij de-

in behavioral disorders associated with dementia.

mentie is een SSRI een goede keus en zouden ook

J Clin Psychiatry. 1998;59:550-61.

andere gedragsstoornissen als psychose en dwang-

Lebert F, Stekke W, Hasenbroekx C, et al. Fronto-

verschijnselen kunnen verbeteren. Het effect van

temporal dementia: a randomised, controlled trial

de cholinesteraseremmers op gedragproblemen is

with trazodone. Dement Geriatr Cogn Disord. 2004;

niet aangetoond, memantine werkt mogelijk het

17:355-9.

ontstaan van agressie tegen. Voor andere medicatie

Lonergan E, Luxenberg J, Colford J. Haloperidol for

is zelden een indicatie en weinig bewijs.

150

Handboek dementie

agitation in dementia. Cochrane Database Syst Rev.

its treatment. Curr Treat Options Neurol. 2007;9:

2002;CD002852.

363-70.

Mast RC van der, Huyse FJ, Rosier PF. Guideline

Schneider LS, et al. Effectiveness of atypical antipsy-

‘Delirium’. Ned Tijdschr Geneeskd. 2005;149:

chotic drugs in patients with Alzheimer’s disease. N

1027-32.

Engl J Med. 2006;355:1525-38.

McKeith I, Cummings J. Behavioural changes and

Schneider LS, Dagerman KS, Insel P. Risk of death

psychological symptoms in dementia disorders.

with atypical antipsychotic drug treatment for

Lancet Neurol. 2005;4:735-42.

dementia: meta-analysis of randomized placebo-

Meehan KM, et al. Comparison of rapidly acting

controlled trials. JAMA. 2005;294:1934-43.

intramuscular olanzapine, lorazepam, and placebo:

Verhey FR. Pharmacotherapy for Alzheimer’s disease.

a double-blind, randomized study in acutely agita-

Tijdschr Psychiatr. 2006;48:17-26.

ted patients with dementia. Neuropsychopharma-

Verhey FR, Verkaaik M, Lousberg R. Olanzapine ver-

cology. 2002;26:494-504.

sus haloperidol in the treatment of agitation in

Opie J, Doyle C, O’Connor DW. Challenging behavi-

elderly patients with dementia: results of a rand-

ours in nursing home residents with dementia: a

omized controlled double-blind trial. Dement

randomized controlled trial of multidisciplinary

Geriatr Cogn Disord. 2006;21:1-8.

interventions. Int J Geriatr Psychiatry. 2002;17:6-13.

Waldemar G, et al. Recommendations for the dia-

Pollock BG, et al. A double-blind comparison of cita-

gnosis and management of Alzheimer’s disease and

lopram and risperidone for the treatment of beha-

other disorders associated with dementia: EFNS

vioral and psychotic symptoms associated with

guideline. Eur J Neurol. 2007;14:e1-26.

dementia. Am J Geriatr Psychiatry. 2007;15:942-52.

Warner J, Butler R, Wuntakal B. Dementia. Clin Evid.

Pollock BG, et al. Comparison of citalopram, perphe-

2005;1198-1220.

nazine, and placebo for the acute treatment of psy-

Zuidema SU, Iersel MB van, Koopmans RT, et al.

chosis and behavioral disturbances in hospitalized,

Efficacy and adverse reactions of antipsychotics for

demented patients. Am J Psychiatry. 2002;159:

neuropsychiatric symptoms in dementia: a syste-

460-5.

matic review. Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:

Roth RM, Flashman LA, McAllister TW. Apathy and

1565-73.

Bijlage

j

Bijlage 13.1

Psychofarmaca bij gedragsproblemen bij dementie.

Psychofarmaca bij gedragsproblemen bij dementie.

type stoor-

type medicatie

meest geschikt

dosering/dag

bijwerking

opmerkingen

nis

agitatie/

antipsychotica

– risperidon

– 0,25-1 mg

– CVA

– alleen in lage

agressie

– clozapine

risperidon

– metabool

dosering

(olanzapine)

– 12,5 mg

syndroom

(starten)

– haloperidol

clozapine

– EPS

– haldol alleen

(quetiapine)

– 2,5-5 mg

geven bij

– tardieve dys-

olanzapine

agressie

kinesie

– 0,25-1 mg

– niet geven bij

– cardiale bijw.

haloperidol

DLB

– sufheid

– 12,5-50 mg

– wekelijks leu-

– vallen

quetiapine

co’s controle

– hypotensie

bij clozapine

SSRI

citalopram

10-20 mg

– hyponatrie

¨-

effectiever dan

mie

risperidon

– vallen

benzodiazepi-

– oxazepam

– 10-20 mg

– vallen

– eenmalig/zo

nes

– lorazepam

oxazepam

– sedatie

nodig

(alprazolam)

– 1-2 mg

– cognitief ver-

– niet geven

lorazepam

val

volgens richt-

lijn.

– beperkt per

2009

wanen/

antipsychotica

– risperidon

1-2 mg

als bij agitatie

als bij agitatie

hallucina-

– haloperidol

ties

SSRI

citalopram

10-20 mg

– hyponatrie

¨-

even effectief als

mie

risperidon

– vallen

152

Handboek dementie

type stoor-

type medicatie

meest geschikt

dosering/dag

bijwerking

opmerkingen

nis

depressie/

SSRI

– citalopram

– 10-20 mg

– hyponatrie

¨-

– zelden bloe-

dysforie/

– sertraline

citalopram

mie

ding

emotione-

– 50-150 mg

– vallen

– EPs

sertraline

le labiliteit

apathie/

psychostimu-

methylfenidaat

10-30 mg

– psychose

– bij voedings-

onverschil-

lantia

– nervositeit

problemen

ligheid

– anorexie

– onderzoek is

gaande

ontrem-

benzodiazepi-

– oxazepam

– 10-20 mg

– vallen

– eenmalig/‘zo

ming (op-

nen

– lorazepam

oxazepam

– sedatie

nodig’

windings-

– alprazolam

– 1-2 mg

– cognitief ver-

– niet geven

lorazepam

volgens richt-

toestand)

val

– 0,5-1,5 mg

lijn.

– ademhalings-

alprazolam

depressie

– cave para-

doxale reactie

ontrem-

antiandrogenen

– cyproteron

– 2 6 25 mg

– hepatotoxisc

– eenmalig/‘zo

ming (sek-

– medroxy-

cyproteron

– thrombo-

nodig’

sueel)

progesteron

– 100 mg

embolie

– niet geven

– finasteride

i.m./mnd

volgens richt-

medroxy-

lijn.

progeste-

– cave para-

ron

doxale reactie

– 5 mg/dag

finasteride

angst

SSRI

– citalopram

– 10-20 mg

– hyponatrie

¨-

bij paniek, in be-

– sertraline

citalopram

mie

gin samen met

– 50-150 mg

– vallen

benzo’s

sertraline

antipsychoti-

– risperidon

0,25-1 mg

– CVA

bij hevige (psy-

cum

– haloperidol

– EPs

chotische) angst

– TD

– hypotensie

motori-

geen

– non-farma-

sche on-

cologisch

rust

– uitsluiten

acathisie door

medicatie

prikkel-

antipsychotica

risperidon (hal-

0,25-1 mg

weinig onder-

baarheid

dol)

zoek

13 Farmacologische behandeling van gedragsproblemen

153

type stoor-

type medicatie

meest geschikt

dosering/dag

bijwerking

opmerkingen

nis

SSRI

– citalopram

– 10-20 mg

nog weinig on-

– sertraline

citalopram

derzoek

– 50-150 mg

sertraline

nachtelijke

melatonine

1-3 mg

weinig onder-

onrust

zoek

euforie

geen

geen onderzoek

eetstoor-

antidepressivum

trazodon

50-300 mg

trazodon bij FTD

nissen

dwangma-

SSRI

– citalopram

– 10-20 mg

weinig onder-

tigheid

– sertraline

citalopram

zoek

– 50-150 mg

sertraline

CVA: cerebro vasculair accident; EPs: evoked potentials; DLB: Lewy-body-dementie; SSRI: serotonineheropnameremmer; TD: Tardieve dyskinesie; FTD: frontotemporale dementie.

j

14 Mantelzorger

A.M. Pot

Kernpunten

– Het begeleiden van mantelzorgers is belangrijk, om hen beter toe te rusten voor

hun rol als verzorger, (een toename van) hun eigen gezondheidsklachten zo veel

mogelijk te voorkomen, en de zorg in de thuissituatie stand te laten houden zolang

dit wenselijk wordt geacht.

– In een behandel- of zorgplan voor een persoon met dementie dienen ook de

problemen, behoeften en mogelijkheden van familieleden in relatie met de patie¨nt

of de zorg te zijn betrokken. Dit geldt ook na opname in een zorginstelling.

– Het geven van voorlichting of psycho-educatie aan mantelzorgers is met regel-

maat geboden gedurende het hele dementieproces, niet alleen in crisissituaties.

– Wanneer een mantelzorger psychische klachten (zoals depressieve of angstklach-

ten) heeft, is het bieden van voorlichting of psycho-educatie alleen onvoldoende.

Een combinatie met psychotherapie en/of respijtzorg is dan aangewezen.

– De noodzaak tot familiebegeleiding stopt niet na opname van de persoon met

dementie in een zorginstelling.

j

14.1

Inleiding

tingen en administratieve taken). Mantelzorg is

cruciaal, want daardoor kunnen mensen met de-

Slechts een klein percentage van de mensen met

mentie zich vaak lange tijd thuis handhaven. In

dementie woont in een verzorgings- of verpleeg-

een tijd met een toenemend tekort aan verpleeg-

huis. Het overgrote deel woont thuis en ontvangt

huisplaatsen en een toenemende voorkeur van ou-

zorg van een of meer personen uit de naaste om-

deren zelf voor extramurale zorg, is het dan ook

geving, de mantelzorgers. Als de persoon met de-

van groot belang om mantelzorgers zo veel moge-

mentie nog een partner heeft, is deze meestal de-

lijk te ondersteunen bij de uitvoering van deze rol.

gene die de meeste zorg biedt, als deze ontbreekt

nemen kinderen en in mindere mate andere fami-

lieleden, vrienden of buren de rol van mantelzor-

j

14.2

Noodzaak begeleiding

ger op zich. Mantelzorg kan varie¨ren van huis-

mantelzorgers

houdelijke hulp (zoals boodschappen doen en

schoonmaken), persoonlijke verzorging (zoals

Het begeleiden van mantelzorgers is noodzakelijk,

wassen en aankleden) of emotionele steun (zoals

omdat de zorg vaak nadelige gevolgen voor man-

gezelschap houden, luisteren en troosten) tot ver-

telzorgers zelf met zich meebrengt. Zo ervaren veel

vangende regie over het dagelijks leven (zoals de

mantelzorgers een belasting door de zorg, bijvoor-

organisatie van zorg, het nakomen van verplich-

beeld door een ervaren tekort aan tijd of door pro-

156

Handboek dementie

blemen die ontstaan met het regelen van het huis-

j

14.4

Vroegtijdige ondersteuning

houden. Soms kan dit ernstige vormen aannemen,

mantelzorgers

waarbij zich conflicten thuis of op het werk voor-

doen. Daarnaast kan de zorg ook nadelige gevol-

Een belangrijk aandachtspunt bij mantelzorgon-

gen voor het eigen psychisch functioneren en wel-

dersteuning is dat het tijdig plaatsvindt. Dit kan

zijn van de mantelzorgers hebben. Naast meer

latere problemen voorkomen en opname in een

psychische klachten in het algemeen, komen de-

zorginstelling uitstellen. Nog te vaak vormt een

pressieve en angststoornissen veel voor bij man-

crisissituatie, bijvoorbeeld door gedragsproblemen

telzorgers vergeleken met de algemene bevolking.

van de patie¨nt waar de verzorger geen raad meer

Ook is het gebruik van psychofarmaca hoger. In

mee weet, een aanleiding om medicijnen voor te

onderzoek is bovendien een achteruitgang in fysi-

schrijven of om respijtzorg te regelen, terwijl van

ologisch functioneren (immuunfunctie en wond-

preventief beleid veel minder sprake is. Vroeg-

herstel) van mantelzorgers geconstateerd en werd

diagnostiek is dan ook niet alleen voor de persoon

in een Amerikaanse studie bovendien een ver-

met dementie van belang, maar zeker ook voor

hoogd sterfterisico gevonden. De omvang en ernst

diens mantelzorger. Een simpel voorbeeld maakt

van deze gevolgen hangen onder andere samen

duidelijk wat de gevolgen kunnen zijn wanneer

met het langdurige karakter van de zorg voor een

vroegdiagnostiek en vroegtijdige ondersteuning

persoon met dementie en de enorme hoeveelheid

achterwege blijven. Familie van een persoon met

tijd die het kan vergen. In dit verband wordt ook

dementie die niet weet wat er aan de hand is, zal

wel gesproken van ‘een dag van 36 uur’.

gedragsveranderingen van de patie¨nt verkeerd in-

terpreteren. Zo kunnen initiatiefloosheid en het

kwijtraken van spullen worden geweten aan lui-

j

14.3

Doel begeleiding mantelzorgers

heid en nonchalance van de patie¨nt. Dit gedrag zal

de nodige ergernis en het wantrouwen van de fa-

Het doel van mantelzorgbegeleiding is om man-

milie wekken, hetgeen de relatie tussen patie¨nt en

telzorgers beter toe te rusten voor hun rol als ver-

familie niet ten goede zal komen. Eenmaal op de

zorger, (een toename van) gezondheidsklachten

hoogte gesteld, kan de familie met schuldgevoe-

van verzorgers zo veel mogelijk te voorkomen en/

lens te kampen krijgen. Was de diagnose dementie

of de zorg in de thuissituatie in stand te houden,

in dit voorbeeld in een eerder stadium gesteld, dan

althans zolang dit wenselijk is. Geen behandel- of

had dat een hoop narigheid gescheeld. De familie

zorgplan is compleet zonder dat daar de proble-

was dan voorgelicht over mogelijke gedragsveran-

men, behoeften en mogelijkheden van de familie,

deringen die met de ziekte gepaard gaan en gead-

naast die van de patie¨nt, in zijn betrokken. Infor-

viseerd over de wijze hoe hiermee om te gaan.

matie over het psychisch functioneren van de

Er zijn verschillende manieren om mantelzor-

mantelzorger kan worden verzameld in een ge-

gers te begeleiden, varie¨rend van psycho-educatie

sprek of door de verzorger te vragen een dagboek

en psychotherapie, tot respijtzorg en interventies

bij te houden, maar daarnaast wordt aanbevolen

die uit meerdere componenten bestaan. Hierna

om op gezette tijden gebruik te maken van ge-

komen deze verschillende vormen aan bod.

standaardiseerde vragenlijsten. Een gesprek levert

niet altijd de gewenste informatie op: een verzor-

ger kan gewend zijn om problemen voor zichzelf te

j

14.5

Voorlichting en psycho-educatie

houden. Behalve vragenlijsten om gedragsproble-

men van degene met dementie in kaart te brengen,

j

14.5.1

Voorlichting door behandelaar

zijn er algemene vragenlijsten beschikbaar voor

het meten van psychische klachten van verzorgers,

Al jaren geleden toonde onderzoek aan dat part-

en is er een speciaal voor verzorgers van demente-

ners die door hun arts beter geı¨nformeerd waren

rende patie¨nten ontworpen vragenlijst Ervaren

over dementie en de mogelijke gevolgen ervan,

Druk door Informele Zorg (EDIZ). Het van tijd tot

minder moeite hadden met de dagelijkse zorg voor

tijd systematisch in kaart brengen van het functi-

de patie¨nt. Toch geeft anno 2007 nog steeds twee-

oneren van de dementerende en de verzorger geeft

derde van de mantelzorgers aan dat zij behoefte

bovendien de mogelijkheid om veranderingen te

hebben aan meer adviezen en informatie over de

registreren. In hoofdstuk 7 wordt nader ingegaan

ziekte en algemene tips over hoe hiermee om te

op deze vragenlijsten en de bruikbaarheid ervan.

gaan dan zij krijgen. Hierbij valt te denken aan

informatie over het omgaan met gedragsproble-

men van degene die men verzorgt of informatie

14 Mantelzorger

157

over het zorgaanbod in de regio. Voorlichting dient

j

14.5.2

Alzheimercafeín een vroeg stadium te worden gestart, in feite al

als er bij arts, familie of patie¨nt vermoedens van

Het Alzheimercafeís oorspronkelijk ontwikkeld

dementie zijn ontstaan. Het dient gedurende het

door Miesen, geı¨nspireerd door het Zweedse cafe´

hele ziekteproces van de patie¨nt te worden gecon-

’84 waar mensen met een oorlogstrauma, hun fa-

tinueerd, soms zelfs tot na het overlijden en niet te

milieleden en hulpverleners in een informele om-

worden beperkt tot crisissituaties.

geving ervaringen met elkaar deelden. Het Alzhei-

Het is belangrijk om de informatie die gegeven

mercafe´ beoogt een veilige, laagdrempelige en ge-

wordt zo veel mogelijk te laten aansluiten bij de

zellige omgeving voor mensen met dementie en

vragen die bij de familie leven. Hierbij moet reke-

hun familie, vrienden of buren, biedt informatie en

ning gehouden worden met het feit dat familie niet

steun en werkt aan meer openheid over dementie.

altijd de vragen stelt die zij heeft en ook niet altijd

Doorgaans wordt begonnen met een korte inlei-

aangeeft wanneer zij iets niet begrepen heeft.

ding door een deskundige, waarna de bezoekers –

Aanmoediging en checken of de familie datgene

mensen met dementie, partners, familieleden,

wat verteld is begrepen heeft, is geboden. Ook zijn

hulpverleners en andere belangstellenden – ide-

de vragen die familieleden stellen niet altijd de

ee¨n, informatie en ervaringen uitwisselen. De bij-

vragen waar ze werkelijk mee zitten. Doorvragen is

eenkomsten vinden doorgaans eéń keer per maand

daarom belangrijk. Daarnaast is het van belang om

plaats en duren twee à tweee¨nhalf uur. Alzheimer-

aandacht te hebben voor misvattingen die bij fa-

cafeś mogen zich verheugen in een grote popula-

milieleden leven. Wanneer een partner bijvoor-

riteit. Het eerste Alzheimercafe´ vond plaats op 15

beeld denkt dat dementie veroorzaakt wordt door

september 1997 en in tien jaar tijd hebben 145

inactiviteit, is het van belang dit te weerleggen

Alzheimercafeś verspreid over het hele land hun

door de juiste informatie te verstrekken.

deuren geopend. Om de kwaliteit van Alzheimer-

De behoefte van familie aan voorlichting veran-

cafeś te garanderen, organiseert Alzheimer Neder-

dert naarmate de dementie voortschrijdt. De erva-

land sinds enkele jaren trainingen voor gespreks-

ring leert dat familie over het algemeen in de pe-

leiders en heeft zij kwaliteitscriteria opgesteld. De

riode rond diagnostiek behoefte heeft aan infor-

effecten van Alzheimercafeś voor mantelzorgers

matie over oorzaak en aard van het ziektebeeld,

zijn nog niet wetenschappelijk onderzocht. Gezien

diagnostiek, mogelijke behandeling en de rol van

de populariteit mogen we aannemen dat de onge-

erfelijkheid. In een later stadium ontstaat er meer

dwongen uitwisseling van informatie en ervarin-

vraag naar advies en informatie over het omgaan

gen, beantwoordt aan een informatiebehoefte en

met de dementerende, mogelijkheden voor prakti-

tot herkenning van bezoekers leidt. Inmiddels zijn

sche hulp en ondersteuning en juridische aspecten,

ook in het buitenland, waaronder Belgie¨, Engeland

bijvoorbeeld ten aanzien van autorijden of het op-

en Griekenland, Alzheimercafeś naar Nederlands

stellen van een testament. En ten slotte ontstaat

concept opgericht.

behoefte aan informatie over de mogelijkheden

voor tijdelijke en permanente opname.

j

14.5.3

Gespreksgroep

Voorlichting is pas doeltreffend als het bij her-

haling wordt aangeboden. Het is van cruciaal be-

Nederland kent een breed aanbod aan psycho-edu-

lang om mondelinge informatie te ondersteunen

catieve groepen die beter bekend staan als ge-

met schriftelijk of audiovisueel materiaal. Het

spreksgroepen, ondersteuningsgroepen of voor-

aanbod aan schriftelijk voorlichtingsmateriaal bij

lichtingscursussen. Zij vinden plaats onder leiding

dementie is groot. Er zijn veel folders en boeken

van een getrainde gespreksleider, waarbij infor-

beschikbaar en ook is schriftelijke informatie via

matieoverdracht en training plaatsvinden door

internet te verkrijgen. Naast schriftelijk voorlich-

middel van presentaties, groepsdiscussies en

tingsmateriaal zijn er ook films en documentaires

schriftelijk voorlichtingsmateriaal. De groepen va-

gemaakt over dementie. Een aantal is niet alleen

rie¨ren qua invulling en accent. Informatie over de

voor het algemeen publiek maar ook voor naaste

ziekte, de gevolgen ervan en training hoe met deze

familie zeer geschikt. Alzheimer Nederland heeft

gevolgen om te gaan, kunnen onderdeel zijn van

steeds actuele informatie over voorlichtingsmate-

een psycho-educatieve groep, maar ook informatie

riaal beschikbaar (zie www.alzheimer-neder-

over de beschikbare voorzieningen en vormen van

land.nl).

hulp, en het uitwisselen van sociale steun.

Terwijl in de ene groep het accent vooral ligt op

informatieoverdracht, wordt in de andere groep

meer aandacht besteed aan het uitwisselen van er-

158

Handboek dementie

varingen en emoties. De duur van psycho-educa-

j

14.6

Psychotherapie of counseling

tieve groepen en het aantal deelnemers verschillen.

Er zijn gesloten groepen (tijdens de groep komen

Psychotherapie of counseling heeft niet alleen een

er geen nieuwe deelnemers bij) waarbij de deelne-

gunstig effect op de kennis en vaardigheden en de

mers wekelijks gedurende twee uur bij elkaar ko-

ervaren belasting van mantelzorgers, maar ook op

men, acht weken lang. Er zijn echter ook groepen

depressieve klachten. Bovendien neemt door psy-

die een veel langere looptijd kennen, waarbij men

chotherapie ook het welbevinden van mantelzor-

doorgaans minder frequent bij elkaar komt en

gers toe en is er sprake van een vermindering in

waarbij deelnemers kunnen komen en gaan. Ook

symptomen van degene die zorg ontvangt. Deze

vinden gespreksgroepen in het verpleeghuis plaats

laatste bevinding is opmerkelijk, omdat de psy-

voor familieleden van nieuw opgenomen bewo-

chotherapie aan de mantelzorger aangeboden is.

ners.

Dit effect zou veroorzaakt kunnen zijn doordat

Psycho-educatieve groepen hebben vooral een

mantelzorgers effectiever met gedragsproblemen

gunstig effect op de kennis en vaardigheden van

en eigen emoties hebben leren omgaan, ook al is

mantelzorgers en hun gevoelens van belasting. Als

het niet uit te sluiten dat dit te maken heeft met

het doel is om psychische klachten van mantelzor-

het feit dat de symptomen van de ouderen via de

gers te verminderen kunnen psycho-educatieve

mantelzorgers in kaart zijn gebracht.

groepen beter niet geı¨soleerd worden aangeboden,

De meeste psychotherapeutische interventies die

maar in combinatie met een of meerdere andere

tot nu toe op effectiviteit zijn onderzocht, zijn ge-

interventies, waaronder psychotherapie.

richt op het verbeteren van de wijze waarop man-

telzorgers met probleemgedrag of andere stress-

j

14.5.4

E-ondersteuning

situaties in de zorg omgaan, of op het bevorderen

van de onderlinge communicatie en steun tussen

Elektronische ondersteuning, waaronder internet-

familieleden. Hierbij wordt vooral gebruik ge-

voorlichting, neemt de laatste jaren een vlucht. Er

maakt van gedragstherapeutische technieken,

komen steeds meer websites waar mantelzorgers

waaronder het leren monitoren van het eigen ge-

informatie kunnen vinden op het gebied van de-

drag en de eigen cognities en emoties, het uitdagen

mentie, informele zorg en professionele onder-

van negatieve gedachten en assumpties, het verbe-

steuning, zoals de website van Alzheimer Neder-

teren van het probleemoplossend vermogen door

land, de patie¨ntenvereniging voor mensen met de-

het aanleren van tijdsmanagement en vaardighe-

mentie, en Mezzo, een landelijke vereniging voor

den om emotionele reacties en overbelasting beter

mantelzorgers en vrijwilligers, maar ook de web-

onder controle te houden, en het leren om plezie-

sites van geheugenpoliklinieken en ggz-instellin-

rige activiteiten te ondernemen en positieve erva-

gen. Ook kan er soms per e-mail persoonlijk advies

ringen op te doen ter compensatie van de stress die

aan een expert worden gevraagd en worden gechat

de zorg met zich meebrengt. Meer informatie over

met lotgenoten. Er zijn nog geen criteria ontwik-

psychotherapie of counseling voor mantelzorgers

keld die de kwaliteit van de verschillende websites

en over gedragstherapeutische technieken staat in

waarborgen.

het Handboek Ouderenpsychologie van Pot en collega’s.

Ook per telefoon kan informatie en advies wor-

den ingewonnen. In geval van nood of bij drin-

gende behoefte aan informatie, kunnen familiele-

j

14.7

Respijtzorg

den gebruik maken van de telefonische hulpdienst

van de Alzheimer Nederland waar getrainde vrij-

Naarmate de dementie voortschrijdt, wordt de

willigers permanent bereikbaar zijn. Hierbij valt te

verzorger in toenemende mate aan huis gebonden,

denken aan een plotseling optredend gedragspro-

omdat degene met dementie steeds minder alleen

bleem of dringende vragen door een bericht in de

gelaten kan worden. Er zijn verschillende manie-

krant over geneesmiddelen of erfelijkheid. Als zich

ren waarop voor kortere of langere tijd de zorg van

een probleem aandient dat niet in een telefoonge-

de verzorger kan worden overgenomen: bezoek-

sprek is op te lossen, wordt verwezen naar een

diensten, dagbehandeling of dagopvang en vakan-

deskundige. Met het oog op continue beschik-

tieopname. Deze interventies richten zich welis-

baarheid van informatie en steun, is het belang-

waar op degene met dementie, maar ontlasten ook

rijke om familieleden op de telefonische hulp-

de mantelzorger. Dit wordt ook wel respijtzorg

dienst te attenderen. Ook sommige ggz-instellin-

genoemd. Hoewel respijtzorg een gunstig effect op

gen experimenteren met coaching van mantelzor-

het psychisch functioneren van mantelzorgers lijkt

gers per telefoon.

14 Mantelzorger

159

te hebben, is dit nog onvoldoende met de juiste

maakt duidelijk dat psychische klachten van man-

methoden onderzocht.

telzorgers niet eenvoudigweg tot opname leiden.

Bezoekdiensten, die in het hele land actief zijn,

Aan de beslissing tot opname ligt een ingewik-

zijn opgezet door vrijwilligers van onder andere

keld samenspel van factoren ten grondslag. Uiter-

Alzheimer Nederland en vrijwilligerscentrales.

aard spelen karakteristieken van de patie¨nt en de

Het doel van een bezoekdienst is niet alleen om de

verzorger hierbij een rol, maar ook andere factoren,

mantelzorger zorg uit handen te nemen, maar ook

waaronder het regionale zorgaanbod, maatschap-

om een isolement van de mantelzorger te voorko-

pelijke normen en waarden, en normen en waar-

men en te bevorderen dat degene met dementie zo

den van hulpverlenende instanties en individuele

lang en plezierig mogelijk thuis kan blijven wo-

hulpverleners. Voor veel mantelzorgers is opname

nen. Een andere breed verspreide vorm van res-

een moeilijke stap. Zij verleggen nogal eens hun

pijtzorg betreft dagopvang of dagbehandeling in

grenzen en continueren de zorg in de thuissituatie,

een verzorgings- of verpleeghuis. Hiervan kan

ook al gaat dit ten koste van hun eigen gezond-

twee tot vijf dagen per week gebruik gemaakt

heid. Sommige mantelzorgers zullen de beslissing

worden. Ook kan een korte opname in een ver-

tot opname helemaal niet zelf kunnen nemen,

pleeghuis georganiseerd worden, zodat de mantel-

maar aangewezen zijn op de expliciete ‘toestem-

zorger tot rust kan komen. Ten slotte worden door

ming’ van een arts of andere hulpverlener. In dat

Alzheimer Nederland vakantieweken voor mensen

geval speelt mee of een arts, andere hulpverlener of

met dementie en hun partners georganiseerd, be-

indicatiesteller een opname bespreekbaar maakt,

geleid door een team van ervaren vrijwilligers.

de wijze en het moment waarop dit gebeurt, hoe

Deze vakantieweken lijken vooral geschikt voor

opname in een verzorgings- of verpleeghuis ge-

partners voor wie een vakantie zonder de demen-

presenteerd wordt, en de mate waarin men zich

terende geen optie is.

passief dan wel actief opstelt bij het organiseren

van een opname. Het bespreken van een eventuele

opname dient niet pas in een crisissituatie, maar in

j

14.8

Gecombineerde interventies

een eerder stadium plaats te vinden. Voorts is het

belangrijk dat een reeël beeld wordt geschetst van

Gecombineerde interventies spelen vermoedelijk

het wonen in een verzorgings- of verpleeghuis op

beter in op de behoeften van mantelzorgers, door-

grond van kennis van zaken.

dat zij gericht zijn op meerdere functionele do-

Ook na opname blijft het begeleiden van fami-

meinen. Om ervaren belasting en depressieve

lieleden belangrijk. Hun rol is niet uitgespeeld, zij

klachten van mantelzorgers te verminderen, wordt

blijven belangrijk voor de zorg voor degene met

daarom ten minste een combinatie van psycho-

dementie. Zij bieden nog steeds emotionele steun,

educatie en psychotherapie of counseling aanbe-

maar zijn soms ook betrokken bij de persoonlijke

volen, eventueel aangevuld met een vorm van res-

verzorging. Hoewel problemen in de thuissituatie

pijtzorg (zoals dagopvang). Interventies richten

wegvallen, komen er doorgaans andere voor in de

zich vaak niet alleen op mantelzorgers, maar ook

plaats. Deze hangen samen met de scheiding tus-

op degenen met dementie zelf. Dergelijke gecom-

sen mantelzorger en hulpbehoevende, zeker wan-

bineerde interventies en de effecten ervan komen

neer zij voor de opname samenwoonden, en met de

in hoofdstuk 11 nader aan de orde.

nieuwe woonomgeving. Er kunnen bijvoorbeeld

problemen ontstaan in de relatie met professionele

verzorgenden, omdat zij op een andere manier

j

14.9

Opname in een zorginstelling

zorg bieden dan de mantelzorger zou wensen of

omdat mantelzorgers het gevoel krijgen nauwe-

Wanneer komt opname in een verzorgings- of ver-

lijks nog iets te kunnen betekenen voor de zorg-

pleeghuis in zicht? Het Centrum Indicatiestelling

behoevende. Daarnaast kunnen problemen ont-

Zorg (CIZ) moet voor deze AWBZ-zorg een indica-

staan met familieleden van andere bewoners of met

tiestelling afgeven. Het CIZ gaat er hierbij vanuit

de zorgbehoevende zelf die zich, evenals de man-

dat eerst goedkopere vormen van zorg worden be-

telzorger, aan de nieuwe situatie moet aanpassen.

nut en dat de naaste omgeving mantelzorg biedt.

Onderzoek maakt aannemelijk dat eenvoudige in-

Pas als dit ontoereikend is om aan de zorgbehoefte

terventies na opname ertoe kunnen bijdragen dat

van de persoon met dementie tegemoet te komen,

mantelzorgers beter met hun familielid communi-

zal een opname in een zorginstelling worden

ceren, maar ook dat de communicatie tussen pro-

geı¨ndiceerd. Maar wanneer is mantelzorg ontoe-

fessionele verzorgenden en mantelzorgers kan

reikend en hoe wordt dat bepaald? Onderzoek

verbeteren. Daarom is het ook voor degenen die in

160

Handboek dementie

een verzorgings- of verpleeghuis wonen van belang

sons with dementia: which interventions work and

dat de problemen, behoeften en mogelijkheden

how large are their effects? Int Psychogeriatr. 2007;

van familieleden ten aanzien van de zorg voor de-

18:577-95.

gene met dementie expliciet in het behandel- of

Pot AM, Deeg DJH, Dyck R van. Psychological well-

zorgplan worden betrokken.

being of informal caregivers of elderly people with

dementia: changes over time. Aging Ment Health.

1997;1:261-8.

Literatuur

Pot AM, Deeg DJH, Knipscheer CPM. Institutionali-

zation of demented elderly: The role of caregiver

Commissaris CJAM, Verhey FRJ, Ponds RWHM, et al.

characteristics.

Publieksvoorlichting over normale vergeetachtig-

Pot AM, Dyck R van, Deeg DJH. Ervaren druk door

heid en dementie. Belang en effecten. Tijdschr Soc

informele zorg: constructie van een schaal. Tijdschr

Gezondheidsz. 1993;71:32-6.

Gerontol Geriatr. 1995;26:214-9.

Cooper C, et al. A systematic review of intervention

Pot AM, Kuin, Vink, redactie. Handboek Ouderenp-

studies about anxiety in caregivers of people with

sychologie. Utrecht: De Tijdstroom; 2007.

dementia. Int J Geriatr Psychiatry. 2007;22:181-8.

Robison J, Curry L, Gruman C, et al. Partners in

Cuijpers, P. Depressive disorders in caregivers of

Caregiving in a Special Care Environment: Coope-

dementia patients: a systematic review. Aging Ment

rative Communication Between Staff and Families

Health. 2005;9:325-30.

on Dementia Units. The Gerontologist. 2007;47:

Fortinsky RH, Hathaway TJ. Information and service

504-15.

needs among active and former family caregivers of

Schulz R, Beach SR. Caregiving as a risk factor for

persons with Alzheimer’s disease. Gerontologist.

mortality: the Caregiver Health Effects Study.

1990;5:604-9.

JAMA. 1999;282, 2215-9.

Gallagher-Thompson D, Coon DW. Evidence-based

Schulz R, Martire LM. Family Caregiving of Persons

psychological treatments for distress in family

With Dementia: Prevalence, Health Effects, and

caregivers of older adults. Psychol Aging. 2007;22:

Support Strategies. Am J Geriat Psych. 2004;12:

37-51.

240-9.

Gaugler JE, Kane RL, Kane RA, et al. Early commu-

Schulz R, O’Brien A, Czaja S, et al. Dementia caregi-

nity-based service utilization and its effects on

ver intervention research: in search of clinical sig-

institutionalization in dementia caregiving. Geron-

nificance. Gerontologist. 2002;42:589-602.

tologist. 2005;45:177-85.

Schulz R, O’Brien AT, Bookwala J, et al. Psychiatric

Hellema H. Begeleiding dementiepatie¨nten vraagt

and physical morbidity effects of dementia caregi-

om crisispreventie. Interview met dr. AW Wind,

ving: prevalence, correlates, and causes. Gerontolo-

huisarts. Modern Med. 1999;7:568-70.

gist. 1995;35:771-85.

Hertogh CPCM. Functionele geriatrie. Probleemge-

Selwood A, et al. Systematic review of the effect of

richte zorg voor chronisch zieke ouderen. Maarssen:

psychological interventions on family caregivers of

Elsevier/De Tijdstroom; 1997.

people with dementia. J Affect Disord. 2007;101:

Lee H, Cameron M. Respite care for people with

75-89.

dementia and their carers. Cochrane database Syst

Smith-van Rietshoten W, Knoppert-van der Klein

Rev. 2004;2:CD004396.

EAM. Patie¨ntenvoorlichting en therapietrouw bij

McCallion P, Toseland RW, Freeman K. An evaluation

depressies. In: Nolen WA, Hoogduin CAL, redactie.

of a family Visit Education Program. J Am Ger Soc.

Behandelingsstrategiee¨n bij depressie. Houten:

1999;47:203-14.

Bohn Stafleu van Loghum; 1998.

Miesen B. Voorwoord. In: Blom M, Reubsaet R. Leven

So¨rensen S, Pinquart M, Duberstein P. How effective

met dementie. Hilversum: Teleac/NOT; 1999.

are interventions with caregivers? An updated meta-

Peters J, Francke A, Beek S van, et al. Factsheet: Welke

analysis. Gerontologist. 2002;42:356-72.

groepen mantelzorgers van mensen met dementie

Timmermans JM, redactie. Mantelzorg. Over hulp

ervaren de meeste belasting? Resultaten van de

van en aan mantelzorgers. Den Haag: Sociaal Cul-

monitor van het Landelijk Dementieprogramma.

tureel Planbureau; 2003.

Utrecht: Nivel; 2007.

Pinquart M, So¨rensen S. Helping caregivers of per-

j

15 Ethische vragen

C.M.P.M. Hertogh

Kernpunten

– Het geleidelijke beloop van dementie brengt met zich mee dat steeds opnieuw

gezocht moet worden naar een evenwichtige balans tussen ondersteuning van

autonomie en zorg voor goede vertegenwoordiging.

– Waar mogelijk moet gestreefd worden naar gezamenlijke besluitvorming met

patie

¨nt en diens naasten over (toekomstig) medisch beleid en (toekomstige) zorg.

– Uitspraken over wilsbekwaamheid behelzen een normatief oordeel en dienen

gereserveerd te blijven tot uitzonderingssituaties.

– Schriftelijke wilsverklaringen kunnen de vertegenwoordiger van een wilsonbe-

kwame patie

¨nt ondersteunen bij zijn taak, maar de inhoud ervan vraagt steeds om

interpretatie door hulpverlener en vertegenwoordiger.

– Levensbee

ïndigend handelen bij dementie is moreel alleen aanvaardbaar als door

de arts aan alle zorgvuldigheidsvoorwaarden voor euthanasie/hulp bij zelfdoding

kan worden voldaan; een schriftelijke euthanasieverklaring volstaat daartoe niet.

– Het ‘palliatieve zorg’-concept biedt een moreel richtsnoer voor de omgang met

schriftelijke wilsverklaringen van patie

¨nten met dementie.

j

15.1

Inleiding

dige afhankelijkheid van anderen. In de laatste

fase is daarom vaak (>70%) opname in een ver-

Het optreden van geheugenproblemen is traditio-

pleeghuis nodig.

neel het meest prominente cognitieve verschijnsel

Op grond van deze summiere karakteristiek

van dementie en lange tijd is deze aandoening ook

kunnen de uitgangspunten voor een ook in moreel

benaderd als een ziekte van het geheugen. Echter

opzicht ‘goed’ zorgbeleid bij dementie als volgt

de kern van het ziektebeeld en de reden dat velen

worden geschetst:

er bevreesd voor zijn ligt niet in de vermindering

1 Door het geleidelijk beloop van het proces blijft

van de geheugenfuncties, maar in de betekenis die

de patie¨nt met dementie ondanks cognitieve be-

door de etymologie van het woord ‘de-mentia’

perkingen tot ver in het ziekteproces actief bij

wordt aangereikt: dementie is eerst en vooral een

zijn situatie betrokken. Hij zal ook actief pro-

verlies van ‘zelf’ en bijgevolg van ‘zelfbepaling’. De

beren zich aan de gevolgen van de ziekte aan te

betrokkene raakt geleidelijk aan de greep over het

passen, onder meer door het bijstellen van ver-

eigen innerlijk en de controle over zijn leven kwijt.

wachtingen en een veranderde waardering van

In samenhang daarmee gaat de ziekte gepaard met

zijn kwaliteit van leven, zoals dat ook te zien is

een verlies van alle aangeleerde vaardigheden, re-

bij andere chronische aandoeningen. Het bieden

sulterend in een toenemende en uiteindelijk volle-

van ondersteuning in dit proces van adaptatie is

162

Handboek dementie

daarom van groot belang. Het vraagt om een

sluit met een beschouwing van de ethische vragen

nadere uitwerking en precisering van het ethi-

rond het levenseinde.

sche principe van ‘respect voor autonomie’.

Want dit ‘respect’ vergt hier dat hulpverleners

zich actief verdiepen in het patie¨ntenperspectief

j

15.2

Respect voor autonomie

en in de actuele belevingswereld van mensen

met dementie. Een dilemma dat zich hierbij

De tijd waarin de arts voor en over de patie¨nt be-

voor kan doen is dat de patie¨nt in het heden

sliste ligt ver achter ons. Voor een dergelijk ‘pater-

verlangens en wensen communiceert die op ge-

nalisme’ is in de huidige gezondheidsethiek nog

spannen voet staan met eerdere opvattingen

maar een zeer beperkte plaats weggelegd. Het be-

over een leven met dementie, bijvoorbeeld zoals

ginsel van ‘respect voor autonomie’ kan be-

die beschreven kunnen zijn in een schriftelijke

schouwd worden als tegenhanger van dit paterna-

wilsverklaring, opgesteld voorafgaand aan het

lisme en geldt als een onvervreemdbare verwor-

optreden van de dementie.

venheid van de moderne ethiek. Het dankt deze

2 Dementie resulteert niettemin in toenemende

status aan het proces van democratisering en pa-

wilsonbekwaamheid. Dit houdt in dat steeds

tie¨ntenemancipatie, dat sinds de jaren zeventig

meer beslissingen (varie¨rend van financie¨le za-

van de vorige eeuw aan de gezondheidszorg een

ken tot behandelbeslissingen en uiteindelijk ook

geheel ander aanzien heeft gegeven. De belang-

de keuzen aangaande de inrichting van de da-

rijkste uitwerking van respect voor autonomie

gelijkse zorg) door anderen moeten worden

binnen de medische ethiek is het principe van ge-

overgenomen. Een goede balans tussen onder-

informeerde toestemming of ‘informed consent’,

steuning van resterende mogelijkheden tot zelf-

dat sinds 1995 ook een juridische verankering heeft

beschikking en – waar dit niet meer mogelijk is

gekregen in de Wet op de Geneeskundige Behandelings-

– zorg voor goede vertegenwoordiging, is van

overeenkomst (WGBO). Informed consent behelst dat

groot belang in alle fasen van dementie.

medisch handelen niet geoorloofd is zonder de

3 Dementie is een ongeneeslijke ziekte met weinig

voorafgaande toestemming van de patie¨nt op basis

behandelmogelijkheden. Veel meer dan verlich-

van door de hulpverlener verstrekte en voor de

ting van symptomen en mogelijk het in lichte

voorliggende beslissing toereikende informatie.

mate afremmen of vertragen van de progressie is

De arts die zonder toestemming handelt, schendt

vooralsnog niet mogelijk. Wat veel artsen (en

de persoonlijke integriteit van de patie¨nt. Derge-

naasten!) zich echter onvoldoende realiseren is

lijk handelen is niet alleen moreel laakbaar, maar

dat dementie daarmee ook een terminale aan-

kan ook juridisch strafbaar zijn. Natuurlijk zijn er

doening is en resulteert in een relevante bekor-

omstandigheden waarin van het toestemmings-

ting van de levensverwachting. Dit prognosti-

vereiste mag – en soms zelfs moet – worden afge-

sche gegeven rechtvaardigt in het zorgbeleid

zien; voorbeelden daarvan zijn acute noodsitua-

(eigenlijk al vanaf het moment van diagnose-

ties, zoals een hartstilstand, of ernstig gevaar voor

stelling!) een benadering vanuit de principes en

de patie¨nt of anderen (bijvoorbeeld bij een psy-

doelstellingen van palliatieve zorg.

chotische decompensatie). Dit zijn echter uitzon-

derlijke situaties die steeds rechtvaardiging be-

Hierna zal een aantal (zeker niet alle!) ethische en

hoeven.

juridische vragen in de zorg voor mensen met de-

Teneinde wat duidelijker voor ogen te krijgen

mentie nader worden belicht tegen de achtergrond

wat ‘respect betonen’ nog meer behelst dan het

van deze drie uitgangspunten voor goede zorg.

verstrekken van informatie is het hier van belang

Achtereenvolgens gaan we in op de betekenis van

om te wijzen op de gelaagde betekenis van het

(respect voor) autonomie als ethisch beginsel en op

begrip ‘autonomie’. Daaraan kunnen namelijk

de complexe ethische problematiek rond het be-

minstens twee betekenisaspecten worden onder-

grip wilsbekwaamheid en de rol van de vertegen-

scheiden die wel zijn aangeduid als uitdrukking

woordiger. Een bespreking van de juridische rege-

van twee verwante, maar niettemin te onderschei-

lingen inzake wilsbekwaamheid en vertegenwoor-

den ethische grondhoudingen. De eerste kan wor-

diging valt buiten het kader van dit hoofdstuk,

den omschreven als een defensieve houding – tot

maar komt aan bod in hoofdstuk 16. In dat verband

uitdrukking komend in de wens om gevrijwaard te

bespreken we ook de plaats van schriftelijke wils-

blijven van bemoeienis door anderen. Men spreekt

verklaringen in de inrichting van de zorg voor

ook wel van het principe van ‘niet-inmenging’ of

mensen met dementie, waarna dit hoofdstuk af-

‘non-interferentie’. De tweede grondhouding kan

worden aangeduid als een affirmatieve houding en

15 Ethische vragen

163

vertolkt als het ware de wens om het leven op eigen

of vertegenwoordiger. In het verleden was dit

wijze en naar eigen normen gestalte te geven. In de

nogal eens de omweg waarlangs beslissingen aan-

wettelijke regelingen aangaande informed consent

gaande de zorg en behandeling van mensen met

ligt het accent op de eerstgenoemde betekenis van

dementie tot stand kwamen, maar tegenwoordig is

autonomie en wordt de hulpverlener geacht aan de

die benadering niet langer vanzelfsprekend: de

tweede in voldoende mate tegemoet te komen door

patie¨ntenemancipatie die er eerder toe heeft bijge-

het verstrekken van toereikende informatie. Dat is

dragen dat de somatisch zieke patie¨nt een vol-

in ethisch opzicht echter wel een erg magere op-

waardige gesprekspartner werd van zijn hulpver-

vatting van respect voor autonomie, die bovendien

lener, heeft thans ook de groep van mensen met

niet altijd in overeenstemming is met wat patie¨n-

dementie bereikt. Dit is vooral het gevolg van een

ten van een arts verwachten. Want behalve infor-

groeiende belangstelling voor hun belevingsper-

matie willen zij ook graag advies. Soms hebben zij

spectief.

zelfs behoefte aan enige discussie over de te nemen

Nam men in het verleden vaak aan dat mensen

beslissing en niet zelden ook aan actieve onder-

met dementie geen ziekte-inzicht zouden hebben

steuning, zeker als er veel op het spel staat. ‘Res-

(nog een reden om hen wilsonbekwaam te achten),

pect’ voor autonomie legitimeert dan ook niet een

de afgelopen decennia is steeds duidelijker gewor-

vrijblijvende houding, maar vraagt van hulpverle-

den dat dit een te simpele voorstelling van zaken

ners om actief te bevorderen dat patie¨nten keuzes

is. In Nederland vroeg Ilse Warners begin jaren

maken waarmee zij zich kunnen identificeren, zo-

tachtig van de vorige eeuw al aandacht voor het feit

danig dat het hun ‘eigen’ keuze wordt. Dat is meer

dat mensen met dementie wel degelijk besef heb-

dan het respecteren van rechten of het eerbiedigen

ben van wat hun overkomt en dat zij met alle

van wensen en voorkeuren. Juist in zorg- en be-

macht proberen om het hoofd te bieden aan de ge-

handelrelaties wordt de relevantie duidelijk van de

volgen van wat zich in hun hoofd voltrekt. Zonder

tweede hier genoemde betekenis van autonomie.

hulp en tegemoetkomendheid vanuit hun omge-

Autonomie als ‘leven naar eigen normen’ betekent

ving kunnen zij daar echter niet in slagen. Daarom

immers niet dat mensen met een vaste set normen,

heeft Tom Kitwood, een van de eerste voorvechters

afgesloten van de wereld en de wisselvalligheden

van de emancipatie van mensen met dementie, een

van het lot, hun leven leiden. Integendeel: auto-

krachtig pleidooi gehouden voor een communica-

nomie in deze zin is een contextueel en dynamisch

tieve en interactionele ethiek. Hij wijst er in dit

begrip dat duidt op de menselijke opgave zich

verband op hoe de overwegend negatieve bejege-

steeds weer opnieuw te identificeren met verande-

ning die mensen met dementie in onze ‘hypercog-

rende levensomstandigheden, zoals ziekte en an-

nitieve’ samenleving ten deel valt hun zelfbeeld en

dere ingrijpende levensgebeurtenissen.

gevoel van eigenwaarde kan ondermijnen en aldus

De relevantie van deze gelaagde betekenis van

kan resulteren in ‘excess disability’. Goede zorg

respect voor autonomie is evident waar het gaat om

voor mensen met dementie staat of valt met het

de zorg voor mensen met cognitieve beperkingen,

serieus nemen van hun subjectieve ervaring en met

zoals die optreden bij (diverse vormen van) de-

het zoeken van aansluiting bij hun mogelijkheden

mentie. Hier is een actieve opstelling van de hulp-

tot communicatie en interactie. Hierdoor kan vaak

verlener bij het nemen van zorg- en behandelbe-

een vertrouwensrelatie tot stand komen waarin

slissingen immers van meet af aan onontbeerlijk.

veel meer beslissingen over zorg en behandeling

Goed hulpverlenerschap behelst in dit kader onder

gedeeld kunnen worden dan menig hulpverlener

meer de competentie om informatie zorgvuldig af

in het verleden voor mogelijk hield. In het ver-

te stemmen op het bevattingsvermogen van de

lengde van deze zogenaamde ‘belevingsgerichte

patie¨nt, om aandachtig rekening te houden met

orie¨ntatie’ in de zorg is het geleidelijk ook veel

diens werk- en denktempo, om waar nodig te be-

gebruikelijker geworden om open over de diagnose

vorderen dat de patie¨nt zich laat bijstaan door ie-

en de betekenis van dementie te communiceren.

mand die hij vertrouwt, alsmede de bereidheid om

Het is daarbij overigens van groot belang om al

in voorkomende situaties een vervolggesprek aan

in een vroeg stadium aan te sturen op ‘shared de-

te bieden – of daar zelfs actief op aan te sturen,

cision-making’ door waar mogelijk naasten en fa-

teneinde de patie¨nt in de gelegenheid te stellen de

milieleden te betrekken. Dat is allereerst relevant

zaken nog eens goed te overdenken. In elk geval

omdat het delen van informatie en beslissingen

mag de hulpverlener er niet te snel van uitgaan dat

aan de basis ligt van psycho-educatie en mantel-

de patie¨nt niet (meer) wilsbekwaam is voor de aan

zorgondersteuning. Dementie mag immers niet

de orde zijnde beslissing, om vervolgens zijn toe-

worden versmald tot een hersenaandoening met

vlucht te nemen tot een overleg met diens familie

een individu als drager: het is een aandoening die

164

Handboek dementie

zich afpeelt in een sociale omgeving en die mensen

meerde beslissingen te nemen op basis van inzich-

raakt in hun meest intieme relaties. Het zijn niet

telijke afwegingen. Eigenlijk gaat het dus eerder

alleen de patie¨nten die de greep op wie zij zijn

om ‘beslisvaardigheid’ of ‘beslissingsbekwaam-

dreigen te verliezen; ook hun partners ervaren

heid’. De WGBO en de Wet Bijzondere opnemingen in

veelvuldig een aantasting van hun zelfbeeld als

psychiatrische ziekenhuizen (Wet bopz) spreken in dit

gevolg van de ontmanteling van hun relatie. Van-

verband over het in staat zijn tot een ‘redelijke

uit dit perspectief is het woord ‘mantelzorger’, ze-

waardering (door de patie¨nt) van zijn belangen ter

ker waar het gaat om levenspartners, eigenlijk

zake’. Dat is echter een formulering die meer vra-

volstrekt verkeerd gekozen.

gen oproept dan beantwoord. Want wat verstaan

Het vroegtijdig betrekken van naasten is echter

we onder ‘een redelijke waardering’? Wat betekent

ook van belang om een basis te leggen van gedeeld

‘redelijkheid’ in dit verband en wat zijn ‘belangen

inzicht voor toekomstige beslissingen en het plan-

ter zake’?

nen van zorg, ook wel aangeduid als ‘advance care

Dit zijn belangrijke vragen, want de centrale

planning’. Naarmate het proces vordert zal de rol

positie van het beginsel van respect voor autono-

van anderen dan de patie¨nt immers steeds groter

mie brengt met zich mee dat men niet zomaar aan

worden waar het gaat om de besluitvorming inza-

de wensen en opvattingen van de patie¨nt voorbij

ke doelen en grenzen van zorg en medische be-

kan gaan. Een te lichtvaardige twijfel aan diens

handeling. Sommige ethici, vooral zij die bevreesd

wilsbekwaamheid kan resulteren in een onge-

zijn voor paternalisme, zijn van mening dat dit

rechtvaardigde inperking van iemands zelfbe-

vroegtijdig betrekken van anderen een schending

schikking. Anderzijds kan een te rigoureus vast-

van de privacy van de patie¨nt en van diens auto-

houden aan bekwaamheid tot gevolg hebben dat

nomie kan behelzen. Het komt in praktijk ook

de patie¨nt in een positie komt te verkeren waarin

zeker voor dat patie¨nten op geheimhouding en

hij onvoldoende beschermd is.

vertrouwelijkheid aandringen, en soms rest de

In ethisch opzicht staat wilsbekwaamheid dus

hulpverlener geen andere mogelijkheid dan dit te

ergens tussen de principes van autonomie en wel-

respecteren. Hier staat echter tegenover dat naas-

doen in, en spelen afwegingen inzake wilsbe-

ten bij toekomstige beslissingen beter in de geest

kwaamheid een rol in het zoeken naar een juiste

van de patie¨nt kunnen handelen, als daar al vanaf

balans tussen beide principes.

vroeg in het proces gezamenlijk over is gesproken.

Mede in dit licht is het echter opmerkelijk dat

Anders gezegd: gedeeld beslissen nu legt de basis

artsen wel het belang van het begrip onderkennen,

voor vervangend beslissen later. Hiermee komen

maar dat zij in de praktijk maar zelden expliciet de

we toe aan het begrip wilsbekwaamheid.

wilsbekwaamheid van mensen met dementie be-

oordelen. Dat is deels het gevolg van onjuiste

vooronderstellingen over de bekwaamheid van

j

15.3

Wilsbekwaamheid

mensen met dementie; het heeft echter ook te ma-

ken met de complexiteit van het begrip zelf. Zoals

Respect voor autonomie in de medische praktijk

Berghmans treffend heeft verwoord, komt de vraag

realiseert zich zoals aangegeven vooral in de be-

naar de wilsbekwaamheid in de klinische praktijk

trokkenheid van patie¨nten bij beslissingen over

vooral op in situaties waarin de hulpverlener zich

behandeling en zorg. Daartoe moet voldaan zijn

geconfronteerd weet met de vraag: ‘is deze beslis-

aan twee condities, een externe en een interne. De

sing van de patie¨nt wel goed genoeg om te respec-

eerste betreft de kwaliteit en toereikendheid van de

teren?’ De vraag naar de wilsbekwaamheid is dus

informatie. De tweede betreft het beslissingsver-

primair een vraag naar wat nu eigenlijk ‘goede’

mogen zelf. Een patie¨nt kan geen goede beslissin-

beslissingen zijn. Daarmee wordt duidelijk dat we

gen nemen als hij niet beschikt over de ter zake

hier niet te maken hebben met een klinisch pro-

relevante informatie. Hij is daartoe echter evenmin

bleem, maar met een normatief ethisch vraagstuk,

in staat als hij wel de informatie heeft, maar niet

waarbij de arts ultiem voor de verantwoordelijk-

over het verstandelijke vermogen beschikt om op

heid geplaatst wordt het zelfbeschikkingsrecht van

basis daarvan tot een oordeel te komen. Dat ver-

de patie¨nt inzake diens beslissing al dan niet naast

mogen wordt doorgaans aangeduid als wilsbe-

zich neer te leggen – niet meer en niet minder.

kwaamheid. Een wat lastig woord, omdat het lijkt

Voor deze verantwoordelijkheid schrikt menigeen

te verwijzen naar de faculteit van de wil en naar het

terug en dit leidt tot een sterke behoefte onder

willen of streven, terwijl het daar helemaal niet om

artsen aan meer houvast en concrete handreikin-

gaat. Met wilsbekwaamheid bedoelen we de ver-

gen voor het omgaan met vraagstukken inzake

worven vaardigheid van mensen om geı¨nfor-

wilsbekwaamheid en de beoordeling daarvan.

15 Ethische vragen

165

In de afgelopen jaren zijn tal van ethische en juri-

Zoals aangegeven vloeit uit de risicoafhankelijk-

dische studies gewijd geweest aan deze onderwer-

heid van wilsbekwaamheid voort dat de drempel

pen. Daarin is ook gepoogd het begrip beter te

voor wilsbekwaamheid hoger komt te liggen naar-

operationaliseren. Inmiddels bestaat er een rede-

mate het gevolg van de beslissing ingrijpender is.

lijke consensus dat wilsbekwaamheid niet een ei-

Dit roept de vraag op naar geschikte criteria voor

genschap is van personen (met een bepaalde diag-

de beoordeling van (voldoende) wilsbekwaamheid.

nose), maar een waardering gekoppeld aan de

Daarnaast betekent risicoafhankelijkheid ook dat

kwaliteit van een beslissing of keuze in een speci-

er een adequate inschatting moet worden gemaakt

fieke context. Dat is de reden waarom de wet

van de aard van de risico’s die een formele beoor-

spreekt over een ‘redelijke waardering ter zake’. De

deling van wilsbekwaamheid rechtvaardigen. De

ene beslissing is immers de andere niet en voor

eerste vraag betreft het ‘hoe’ van de beoordeling, de

complexe beslissingen zijn meer en andere vaar-

tweede het ‘wanneer’.

digheden nodig dan voor meer eenvoudige. In de

praktijk gaat het echter niet alleen om de com-

j

15.3.1

Criteria voor wilsbekwaamheid

plexiteit van de beslissing, maar vooral om het

praktisch gevolg. Als een uiterst complexe beslis-

Er zijn in het recente verleden diverse criteria

sing zonder gevolg blijft, is er voor hulpverleners

voorgesteld aan de hand waarvan een oordeel of

immers geen enkele reden om de vraag naar de

uitspraak over de wilsbekwaamheid gerechtvaar-

wilsbekwaamheid te stellen. Naarmate de gevol-

digd zou kunnen worden. Het Implementatiepro-

gen van het respecteren van een beslissing ingrij-

gramma WGBO noemt – samenvattend uit de lite-

pender zijn, zullen hulpverleners wel aan die vraag

ratuur – de volgende vier, min of meer hie¨rarchisch

toekomen. Zij zullen aan de beslisvaardigheid ei-

geordende criteria:

sen willen stellen die hoger zijn naarmate er meer

1 het kenbaar maken van een keuze;

op het spel staat. Men spreekt in dit verband over

2 het begrijpen van relevante informatie;

de zogenaamde risicoafhankelijkheid van wilsbe-

3 het beseffen en waarderen van de betekenis van

kwaamheid. Als een patie¨nt bijvoorbeeld weigert

de informatie voor de eigen situatie;

zijn instemming te verlenen aan een weinig belas-

4 het logisch redeneren en het betrekken van de

tende, mogelijk levensreddende behandeling (bij-

informatie in het overwegen van behandelopties

voorbeeld antibiotica bij een fikse longontsteking),

(zie http://knmg.artsennet.nl).

zullen hogere eisen aan zijn beslisvaardigheid

worden gesteld dan wanneer het gaat om een be-

De laagste graad van wilsbekwaamheid wordt

handeling waarvan het weigeren niet tot ernstige

weergegeven door het eerste criterium: de patie¨nt

gevolgen leidt. Een tweede aspect van de risicoaf-

komt niet verder dan het kenbaar maken van een

hankelijkheid is de daarmee geı¨mpliceerde asym-

keuze. Het vierde criterium geeft de hoogste graad

metrie van wilsbekwaamheid: het instemmen met

van wilsbekwaamheid weer en legt de lat het

een medisch geı¨ndiceerde behandeling wordt an-

hoogst. Dit criterium zal men willen aanhouden

ders gewogen dan het weigeren daarvan en ook dit

als het gaat om een beslissing waarbij zeer veel op

geldt des te sterker naarmate er meer op het spel

het spel staat, zoals een verzoek om euthanasie. In

staat. Op grond van die redenering zouden artsen

de praktijk ligt het accent doorgaans echter op de

bij het wensen van, of instemmen met een levens-

eerste drie criteria, waarbij vooral het element van

reddende behandeling eerder van bekwaamheid

waarderen hier nog enige toelichting vraagt. Hier-

mogen uitgaan dan bij het weigeren daarvan. In de

mee wordt bedoeld dat de patie¨nt de voor de be-

ethische literatuur is een discussie gaande over de

slissing relevante informatie niet alleen begrijpt

asymmetrie van wilsbekwaamheid. Tegenstanders

(criterium 2), maar ook op zijn eigen situatie van

daarvan voeren namelijk aan dat het bij wilsbe-

toepassing acht. Het eerste (begrip van de infor-

kwaamheid gaat om de psychologische functies

matie) impliceert namelijk niet automatisch het

van een patie¨nt. Of die functies toereikend zijn, zo

tweede (waardering van de informatie). Zo kan het

stellen zij, wordt mogelijk wel beı¨nvloed door het

voorkomen dat een CVA-patie¨nt met een linkszij-

type beslissing, maar niet door van de uitkomst

dige verlamming perfect begrijpt wat hem over het

daarvan. In theorie is daar zeker wat voor te zeg-

ziektebeeld en de gevolgen daarvan is verteld. Hij

gen, maar in de praktijk van de hulpverlening

is zelfs in staat die informatie te herhalen. Maar

heeft men wel te maken met de gevolgen van de

vervolgens probeert hij toch uit bed op te staan,

beslissingen die mensen nemen en daarbij moeten

omdat hij door gebrek aan ziekte-inzicht (anosog-

hulpverleners soms ingrijpen om te voorkomen

nosie) en neglect deze informatie niet op zichzelf

dat patie¨nten zichzelf schade berokkenen.

en zijn persoonlijke situatie toepast. Soortgelijks

166

Handboek dementie

kan geschieden bij een patie¨nt met dementie die

vaststelling van het behandelplan ook de wilsbe-

zijn problemen ontkent of bagatelliseert en een

kwaamheid van de patie¨nt moet worden beoor-

dringend advies om zijn auto te laten staan in de

deeld. De rigoureuze toepassing van dit artikel in

wind slaat.

de intramurale psychogeriatrie is vanwege het

Ondanks de consensus over deze criteria, zijn

progressieve beloop van dementie echter weinig

deze ook aan kritiek onderhevig. Wat bijvoorbeeld

zinvol en onnodig belastend voor de patie¨nt met

opvalt is dat zij sterk cognitief gericht zijn en wei-

dementie. Door dit beloop van de ziekte moeten

nig ruimte laten voor andere aspecten, waaronder

zorgdoelen immers steeds ‘naar beneden toe’ wor-

de rol van emoties bij belangrijke beslissingen. Dat

den bijgesteld en is er sprake van een toenemende

is opmerkelijk, omdat juist onze emoties belang-

wilsonbekwaamheid. Van meer belang is dat zorg-

rijke motiverende en richtende factoren zijn bij het

verleners alert blijven op de mogelijkheden die de

maken van keuzen en het nemen van beslissingen.

patie¨nt desondanks nog gegeven zijn om met

Daarnaast is duidelijk dat, gegeven wat gezegd is

juiste ondersteuning op onderdelen van de zorg

over de contextafhankelijkheid van wilsbekwaam-

zelf keuzes te maken.

heid, een beoordeling die zich uitsluitend richt op

In algemene zin (dus los van artikel 38 lid 2 Wet

criteria tamelijk grofmazig en willekeurig is. Om

Bopz, dat alleen geldt voor patie¨nten met een

dezelfde reden is ook de waarde van klinimetrische

Bopz-status) kan ten aanzien van het antwoord op

instrumenten gering. Een meetinstrument kan

de vraag wanneer een formele beoordeling van de

immers nooit vervangend zijn voor een normatief

wilsbekwaamheid is aangewezen de volgende ge-

oordeel. Het is dan ook onjuist om wils(on)be-

draglijn worden gevolgd:

kwaamheid af te leiden uit de prestaties van de

1 Uitgangspunt moet steeds zijn dat de hulpver-

patie¨nt op de MMSE of een vergelijkbaar cognitief

lener in zijn contacten met patie¨nten uitgaat van

screeningsinstrument. Dergelijk hulponderzoek

wilsbekwaamheid en dat het besluit tot een for-

biedt hooguit ondersteuning bij de beoordeling,

mele beoordeling niet lichtvaardig genomen

maar vervangt die niet.

wordt. Zoals eerder geschetst in dit hoofdstuk is

Een hulpmiddel dat specifiek voor de beoorde-

het daarbij van groot belang dat hulpverleners

ling van wilsbekwaamheid is ontwikkeld is de zo-

rekening houden met het belevingsperspectief

genaamde vignetmethode. Hierbij vormt de on-

en het bevattingsvermogen van de patie¨nt, on-

derzoeker zich een oordeel over de wilsbekwaam-

der meer door zich te bedienen van begrijpelijke

heid van de patie¨nt op basis van diens antwoorden

taal. Aan deze insteek van het vereenvoudigen

op een aan hem voorgelegde hypothetische behan-

en doseren van informatie zijn uiteraard wel

del- of onderzoekssituatie (vignet). Een bezwaar

grenzen gesteld. Dit wordt bedoeld met ‘toerei-

tegen deze methode is dat ze uitgaat van een

kende’ informatie: minimaal moeten daarin de

denkbeeldige, niet existentieel beleefde werkelijk-

aard, het doel en de gevolgen van (het nalaten

heid. Dat vertekent de antwoorden en de waarde

van) het voorgenomen handelen aan bod komen.

daarvan voor de aan de orde zijnde wilsbekwaam-

Als aan dit minimum niet (meer) voldaan kan

heidsvraag. Een tweede bezwaar is dat ook de vig-

worden, dan kan dit leiden tot twijfel aangaande

netmethode voorbijgaat aan de contextafhanke-

de wilsbekwaamheid van de patie¨nt. Of die

lijkheid van wilsbekwaamheid en het oordeel

twijfel ook een formele beoordeling rechtvaar-

daarover. Voor de praktijk is deze methodiek dan

digt is afhankelijk van het volgende.

ook van zeer beperkte waarde.

2 Voor een formele beoordeling moet steeds een

In situaties waarin een formele wilsbekwaam-

‘duidelijke aanleiding’ bestaan en de bewijslast

heidsbeoordeling onvermijdelijk lijkt kan men

ter zake berust bij de hulpverlener. Twijfel van

zich in de praktijk nog het best verlaten op het

de zijde van de hulpverlener aan de wilsbe-

‘Stappenplan bij de beoordeling van wilsbe-

kwaamheid van de patie¨nt is daarvoor op zich

kwaamheid’ uit het Implementatieprogramma WGBO

niet voldoende: er moet ook een relatie gelegd

(http://knmg.artsennet.nl).

worden met de gevolgen van de beslissing die de

patie¨nt neemt of voornemens is te nemen. Al-

j

15.3.2

Wanneer is een beoordeling van de

leen als er sprake is van een gedrag of een besluit

wilsbekwaamheid aangewezen?

met ‘ernstig gevolg’ is een formele beoordeling

van wilsbekwaamheid gerechtvaardigd.

Maar wanneer is een beoordeling van de wilsbe-

kwaamheid nu aangewezen en onvermijdelijk? De

In veel beslissituaties zonder ‘ernstig gevolg’ kan

wet zegt hierover niet veel, behalve in artikel 38 lid

men de patie¨nt dus ‘vrijlaten’ in zijn keuze, ook al

2 van de Wet Bopz, waarin gesteld wordt dat bij de

is er soms gerede twijfel aan de bekwaamheid

15 Ethische vragen

167

daarvan. Het voordeel van deze benadering is dat

rige uiteenzetting over die regeling is te vinden in

de patie¨nt zijn wilsbekwaamheid niet bij elke

de KNMG-nota’s over de implementatie van de

keuze als het ware opnieuw moet verdienen. Som-

WGBO in de praktijk (zie http://knmg.artsen-

migen hebben er ook kritiek op, omdat het uitein-

net.nl). Op deze plaats zij volstaan met enkele

delijk de hulpverlener is die bepaalt wat een ‘ern-

korte opmerkingen over de rol en bevoegdheid van

stig gevolg’ is, zodat hier op de achtergrond toch

de vertegenwoordiger.

sprake zou zijn van een min of meer paternalisti-

Ten eerste moet dan worden gezegd dat de ver-

sche benadering. De gedachtegang als zodanig

tegenwoordiger niet alle rechten van de vertegen-

sluit echter goed aan bij opvattingen omtrent

woordigde over kan nemen. Beslissingen met een

goede zorg zoals die in de praktijk leven. En wat

sterk persoonlijk karakter zijn ook in geval van

uit die praktijk vooral duidelijk blijkt, is dat for-

volledige wilsonbekwaamheid niet overdraagbaar.

mele toetsen van wilsbekwaamheid eigenlijk

Zo kan een vertegenwoordiger niet om euthanasie

hoofdzakelijk aan de orde zijn in grenssituaties,

verzoeken van degene die hij vertegenwoordigt

wanneer er een spanning of een onoverbrugbare

(zie echter paragraaf 15.4.1). De opvatting van de

kloof bestaat tussen het perspectief van de hulp-

vertegenwoordiger is ook minder sterk dan die van

verlener en dat van de patie¨nt. Er is dan ook heel

de patie¨nt, omdat de arts deze naast zich neer kan

veel voor te zeggen om, waar dit maar enigszins

leggen, indien hij het volgen daarvan strijdig acht

mogelijk is, niet aan te sturen op een formele be-

met het belang van de patie¨nt en met goed hulp-

kwaamheidstoets maar te kiezen voor ‘shared de-

verlenerschap. De plaatsvervangende weigering

cision-making’. Deze benadering biedt de moge-

door een vertegenwoordiger van een medisch ge-

lijkheid om naast contextuele factoren ook de

indiceerde behandeling wordt dan ook anders ge-

waarden van de patie¨nt, zijn levensgeschiedenis en

wogen dan de directe weigering van een wilsbe-

zijn gevoelswereld te laten meewegen in de te ne-

kwame patie¨nt.

men beslissing. Het blijkt dan vaak helemaal niet

Ten tweede moet de vertegenwoordiger zich in

nodig om vast te stellen of iemand bekwaam is

de uitoefening van zijn taak richten naar de nor-

voor de onderhavige beslissing, hetgeen niet alleen

men en opvattingen van de patie¨nt, voor zover die

veel procedures scheelt, maar ook voorkomt dat de

bekend zijn, dan wel op grond van eerdere uitla-

patie¨nt op een meer of minder ingrijpende wijze

tingen gereconstrueerd kunnen worden. Hij mag

buiten spel wordt gezet. Goede zorg is immers

zich met andere woorden niet laten leiden door

dialogisch van aard en past niet goed bij een be-

zijn eigen opvatting omtrent wat wenselijk en ge-

nadering welke de zorgrelatie in contractuele ter-

boden is.

men van potentieel conflicterende belangen defi-

Op dit punt kan een schriftelijke wilsverklaring

nieert.

ondersteunend zijn bij het achterhalen van de

Samenvattend: hoewel er zeker veel goeds zit in

vroegere opvatting van de wilsonbekwaam gewor-

een notie als wilsbekwaamheid, dienen formele

den patie¨nt. Een dergelijk document is wettelijk

bekwaamheidsbeoordelingen gereserveerd te blij-

gezien het sterkste instrument waarmee een

ven voor grens- en conflictsituaties waarin men er

patie¨nt controle kan trachten te houden over

soms – gedwongen – op moet teruggrijpen als al-

zorgsituaties en behandelbeslissingen in het geval

ternatieven ontbreken en ‘shared decision-making’

van verworven wilsonbekwaamheid.

faalt of niet mogelijk blijkt. Hoe men zo’n beoor-

De zaak lijkt eigenlijk heel simpel: zolang de

deling ook vormgeeft of onderbouwt, in laatste

patie¨nt wilsbekwaam is stemt de arts zijn zorg

instantie gaat het hier steeds om een normatief-

rechtstreeks met hem af; is de patie¨nt niet meer in

ethisch oordeel en niet om een meetbaar of an-

staat zijn wil kenbaar te maken, dan wordt de

derszins vaststelbaar feit.

schriftelijke wilsverklaring geacht diens ‘eigenlij-

ke’ opvatting te vertolken. In combinatie met een

goede regeling van de vertegenwoordiging lijken

j

15.4

Schriftelijke wilsverklaringen en de

de rechten van de wilsonbekwame patie¨nt zo af-

rol van de vertegenwoordiger

doende gewaarborgd te zijn. Toch roept deze juri-

dische regeling in de praktijk van de zorg heel wat

In situaties waarin mensen niet meer zelf betrok-

ethische problemen op. Voor een deel hangen die

ken kunnen worden bij beslissingen over hun zorg

samen met het fenomeen van de wilsverklaring als

en behandeling, treedt iemand anders plaatsver-

zodanig, voor een deel zijn deze specifiek voor de

vangend voor hen op als vertegenwoordiger. Wie

bijzondere situatie van mensen met dementie. Op

dat kunnen zijn en hoe die vertegenwoordiging

enkele van deze problemen wordt hierna nader

vorm kan krijgen is bij wet geregeld. Een uitvoe-

ingegaan.

168

Handboek dementie

j

15.4.1

Negatieve wilsverklaringen en palliatieve

uit en de hiervoor genoemde aandoeningen resul-

zorg

teren onbehandeld ook niet in een relevante of

acceptabele levensbekorting. En dat laatste is in de

Wilsverklaringen dienen te worden onderscheiden

meeste gevallen wel wat de patie¨nt beoogde toen

in negatieve verklaringen, waarin een patie¨nt me-

hij zijn wilsverklaring ondertekende. Velen reali-

disch handelen of onderdelen daarvan weigert, en

seren zich daarbij onvoldoende dat een zachte

positieve verklaringen, waarin de arts verzocht

dood niet het vanzelfsprekend gevolg is van het

wordt een bepaald handelen toe te passen. Posi-

afzien van medisch ingrijpen. Vandaar dat ook bij

tieve verklaringen hebben de status van een niet-

negatieve wilsverklaringen altijd interpretatie en

bindend verzoek, want de wens van de patie¨nt is op

overleg met de vertegenwoordiger is aangewezen.

zichzelf nog geen grond voor het handelen van

Hierin worden de diverse consequenties van het

artsen; er dient immers ook een medische indicatie

behandelverbod besproken in het licht van de be-

voor dit handelen aanwezig te zijn. Voor de meest

doeling die de patie¨nt met het tekenen van zijn

voorkomende positieve wilsverklaring, namelijk

wilsverklaring heeft gehad. In de praktijk blijkt

de euthanasieverklaring, geldt bovendien dat

die de bedoeling vrijwel altijd in overeenstemming

hierin gevraagd wordt om een handelen dat niet

te brengen met de doelen van palliatieve zorg (zie

tot de professionele medische standaard behoort,

paragraaf 15.6).

hetgeen de status van dit type wilsverklaring nog

verder verzwakt. Negatieve of weigeringsverkla-

j

15.4.2

Vroegere versus huidige opvattingen

ringen hebben daarentegen een veel sterkere gel-

ding. De arts is in beginsel gehouden een derge-

Een principie¨ler probleem dat schriftelijke wils-

lijke verklaring te volgen, tenzij hij gegronde re-

verklaringen van mensen die naderhand aan de-

den heeft hiervan af te wijken. De vraag daarbij is

mentie zijn gaan lijden oproept, betreft het di-

wel hoe letterlijk zo’n verklaring gelezen moet

lemma van de discrepantie tussen de actuele wens

worden en of deze niet altijd om interpretatie

en de in de wilsverklaring beschreven opvatting

vraagt in het licht van wat de patie¨nt ten tijde van

over een leven met dementie. Het is een algemeen

het opstellen daarvan voor ogen stond. Bezien we

bekend feit dat het oordeel van mensen over be-

bijvoorbeeld de meest voorkomende negatieve

paalde toekomstige situaties verandert wanneer

wilsverklaring, te weten het zogenaamde ‘behan-

deze situatie zich vervolgens inderdaad voordoet.

delverbod’ dat door de Nederlandse Vereniging

Iemands opvatting over ziekte staat immers niet

voor een Vrijwillig Levenseinde (NVVE) wordt uit-

voor eens en voor altijd onomstotelijk vast, inte-

gegeven, dan wordt meteen duidelijk dat het naar

gendeel. Wie leven moet met een chronische ziekte

de letter opvolgen daarvan goede palliatieve zorg

past zich doorgaans aan die veranderende be-

in de weg kan staan. In het behandelverbod wijst

staanscondities aan en verlegt zijn grenzen. In

de opsteller namelijk elke medische behandeling

kwaliteit-van-levenonderzoek spreekt men in dit

of verrichting af, behoudens het verlichten van

verband van ‘response shift’: ondanks de voort-

pijn, benauwdheid of andere ongemak, onder in de

schrijding van hun aandoening blijven mensen een

verklaring nader omschreven omstandigheden

positieve waardering uitspreken inzake hun erva-

(waar dementie er doorgaans een van is). Niet zel-

ren kwaliteit van leven. Paradoxalerwijs gaan hun

den is zo’n behandelverbod eéń geheel met een

scores op beoordelingsschalen van kwaliteit van

euthanasieverklaring, zodat de arts die niet bereid

leven soms zelfs omhoog naarmate de ziekte vor-

is om tot levensbeeïndiging over te gaan altijd nog

dert! Zoals hiervoor al is aangegeven doet dit fe-

is gebonden aan de behandelweigering. Naar de

nomeen zich ook voor bij dementie. Mensen wor-

letter geı¨nterpreteerd behelst zo’n weigering ech-

den immers niet van het ene op het andere mo-

ter ook dat zelfs toestemming wordt onthouden

ment dement. Dementie is typisch een aandoening

voor behandeling van relatief onschuldige, maar

met een geleidelijk beloop; ‘sluipend’, zegt men

wel vervelende aandoeningen, zoals huid- en

ook wel. Juist daardoor biedt de ziekte mensen

urineweginfecties. Ook roept zo’n behandelverbod

ruimschoots de mogelijkheid om zich aan hun si-

dilemma’s op bij de demente, maar overigens in

tuatie en hun verminderd cognitief functioneren

een goede lichamelijke conditie verkerende

aan te passen. Indien zij echter in het bezit zijn van

patie¨nt, die door een val zijn heup breekt. Hier

een schriftelijke wilsverklaring, kan zich de situ-

dreigt de opsteller van de verklaring zichzelf door

atie voordoen dat hun in het heden geuite levens-

zijn voorafgaande verbod in een situatie van on-

houding of opvatting strijdig raakt met de inhoud

voldoende zorg te manoeuvreren, want met alleen

van de vroegere wilsverklaring. En omdat hulp-

pijn- en symptoombestrijding komt men hier niet

verleners geacht worden zo veel mogelijk uit te

15 Ethische vragen

169

gaan van de wilsbekwaamheid, ontstaat hier het

wing aan de in discussies over schriftelijke wils-

dilemma hoe zij die vroegere opvatting af moeten

verklaringen bij dementie sterk verwaarloosde

wegen tegen de huidige en welke betekenis zij

ethische vraag, hoever mensen eigenlijk kunnen of

kunnen toekennen aan uitlatingen van de patie¨nt

mogen gaan in wat zij van anderen verlangen met

waarin deze zich van zijn vroegere verklaring dis-

het oog op hun eigen zelfbeschikking.

tantieert. De oplossing die de standaard wilsver-

klaring van de NVVE voor dit dilemma kiest be-

staat uit een zogenaamde ‘risicoaanvaarding’. De

j

15.5

Levensbee

ïndigend handelen bij

ondertekenaar van de verklaring verklaart hierin

dementie

dat alleen de wilsverklaring zijn ‘ware opvatting’

vertolkt, ongeacht wat hij of zij later – eenmaal

Er zijn echter nog andere morele bezwaren die in

dement geworden – als wens of opvatting zou uit-

de weg staan aan de uitvoering van euthanasie bij

en. Door deze vorm van zelfbinding of ‘zelfpater-

mensen met (gevorderde) dementie en een schrif-

nalisme’ verlangt de opsteller van de wilsverkla-

telijke euthanasieverklaring.

ring van hulpverleners dat zij de stem van de per-

Teneinde die te verduidelijken vatten we kort de

soon met dementie negeren, tenzij diens uitlatin-

kern van de wettelijke regeling inzake euthanasie

gen overeenstemmen met de wilsverklaring. Dat is

en hulp bij zelfdoding samen. Deze wet formuleert

een uiterst problematisch verzoek, zeker als de be-

de voorwaarden waaronder een arts die euthanasie

treffende wilsverklaring een wens tot euthanasie

toepast of hulp bij zelfdoding verleent straffeloos

betreft!

kan blijven. Dat zijn er zes in getal:

Dit probleem maakt duidelijk dat het instru-

1 De arts heeft zich er van overtuigd dat er sprake

ment van de schriftelijke wilsverklaring gefun-

is van een vrijwillig, weloverwogen en duur-

deerd is in een tweetal aanvechtbare vooronder-

zaam verzoek.

stellingen. De eerste is dat er een scherpe cesuur

2 De arts heeft zich ervan overtuigd dat er voor de

zou bestaan tussen wilsbekwaamheid en -onbe-

patie¨nt sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk

kwaamheid, hetgeen strijdig is met de contextaf-

lijden.

hankelijkheid van dit begrip. De tweede is dat een

3 De arts heeft de patie¨nt uitvoerig voorgelicht

wilsonbekwaam persoon geen moreel subject meer

over zijn situatie en vooruitzichten.

zou zijn, en derhalve niet meer respectwaardig

4 De arts is samen met de patie¨nt tot de overtui-

voor en door anderen. Het respect dat de hulpver-

ging gekomen dat er voor de situatie waarin de

lener betuigt door niet (meer) te behandelen of

patie¨nt is komen te verkeren geen redelijke an-

zelfs door actief te doden, geldt de opsteller van de

dere oplossing is.

wilsverklaring en niet degene die hij is geworden.

5 De arts heeft ten minste eéń andere, onafhanke-

lijke arts geraadpleegd die de patie¨nt heeft ge-

j

15.4.3

De morele verantwoordelijkheid van

zien en schriftelijke zijn oordeel heeft gegeven

derden

over de vorige vier zorgvuldigheidsvoorwaar-

den.

Een direct met het voorgaande samenhangend en

6 De arts heeft de levensbeeïndiging of hulp bij

evenzeer problematisch gevolg van de schriftelijke

zelfdoding medisch zorgvuldig uitgevoerd.

euthanasieverklaring is dat de opsteller daarvan

anderen, meer bepaald zijn arts en zijn vertegen-

Geen zorgvuldigheidsvoorwaarde, maar wel on-

woordiger, belast met de verantwoordelijkheid

derdeel van de procedure, is dat de arts naderhand

voor zowel de beslissing als de uitvoering van de

de verleende hulp bij levensbeeïndiging meldt bij

levensbeeïndiging. Immers: een wilsverklaring

de regionale Toetsingscommissie die beoordeelt of

voert niet zichzelf uit; dat moeten anderen voor de

aan de bovengenoemde voorwaarden is voldaan.

patie¨nt doen. Onderzoek laat zien dat hulpverle-

Binnen deze zorgvuldigheidsvoorwaarden kan

ners en vertegenwoordigers doorgaans terug-

vervolgens nog een onderscheid worden gemaakt

schrikken voor die verantwoordelijkheid en zich

tussen de meer procedurele voorwaarden (5 en 6)

over het algemeen vooral richten op het belang van

en de inhoudelijke voorwaarden (1 t/m 4) die de

de patie¨nt en niet op diens wilsverklaring. De

eigenlijke morele kern van de regeling bevatten.

meeste naasten geven bovendien expliciet aan geen

Daarbij gaat het om twee zaken: het verzoek (voor-

uitvoering van de euthanasieverklaring te wensen,

waarde 1 en 3) en het lijden (voorwaarde 2 en 4).

ook niet als de patie¨nt zich in de situatie bevindt

Van oorsprong was euthanasie min of meer

waarvoor hij die verklaring bedoeld had. Dit soort

voorbehouden aan wilsbekwame patie¨nten, want

bevindingen verschaft een empirische onderbou-

alleen zij konden een vrijwillig en weloverwogen

170

Handboek dementie

verzoek doen. Een nieuw element in de euthana-

vensbeeïndiging bij mensen met dementie plaats-

siewet uit 2002 (en in tegenstelling tot vrijwel alle

vindt, gaat het steeds om (wilsbekwame) patie¨nten

overige bepalingen daarvan niet gefundeerd in

in relatief vroege stadia. Zij zijn met andere woor-

voorafgaande jurisprudentie) is dat een schriftelij-

den nog goed in staat om een weloverwogen ver-

ke euthanasieverklaring in de plaats kan treden

zoek te doen en – wat belangrijker is – kunnen met

van het mondelinge verzoek. Wel blijven de overi-

hun arts nog een proces van gezamenlijk afwegen

ge zorgvuldigheidsvoorwaarden ‘van overeenkom-

en beslissen aangaan.

stige toepassing’, aldus de wettekst. Wat met deze

cryptische formulering exact is bedoeld wordt in

de Memorie van Toelichting, noch elders toege-

j

15.6

Palliatieve zorg

licht, maar in theorie is met deze regeling voor

artsen de mogelijkheid geopend om ook bij wils-

De zogenaamde ‘non cancer palliative care’ staat

onbekwame patie¨nten euthanasie toe te passen. In

tegenwoordig volop in de belangstelling. Vanuit de

theorie, want in de praktijk blijft als groot pro-

Nederlandse verpleeghuisgeneeskunde is echter al

bleem overeind dat het vrijwel onmogelijk is om

in 1997 voorgesteld om de zorg voor mensen met

bij een ernstig demente patie¨nt te toetsen of deze

dementie te kaderen vanuit het palliatieve zorg-

zijn situatie ervaart als uitzichtloos en ondraaglijk

concept. Daarvoor bestaan goede redenen.

lijden. Ook is het niet meer mogelijk om samen

Dementie is immers een ongeneeslijke en uit-

met de patie¨nt na te gaan of er nog alternatieven

eindelijk dodelijk verlopende ziekte. Een causale,

zijn voor levensbeeïndiging. Kortom, de voor eu-

ziektegerichte therapie is vooralsnog niet beschik-

thanasie zo zeer vereiste gezamenlijkheid in afwe-

baar. Het medisch handelen beperkt zich dan ook

ging en besluitvorming (zie voorwaarde 4!) ont-

tot verlichting van de (gevolg)symptomen van de

breekt hier ten ene male, terwijl daar volgens de

dementie en levensverlenging komt vooral voor

verantwoordelijke ministers de essentie van de

rekening van interventies op het niveau van co-

hele regeling in gelegen is. In de Memorie van

morbiditeit en intercurrente aandoeningen. In de

Toelichting benadrukken zij: ‘Juist waar het gaat

loop van het ziekteproces doen zich steeds vaker

om de overtuiging of aan de voorwaarden is vol-

vragen voor naar de doeleinden en begrenzing van

daan waaronder euthanasie mogelijk is, in het bij-

medische interventies, waarbij steeds gezocht moet

zonder of er geen andere uitweg meer is, achten wij

worden naar het juiste midden tussen over- en on-

de samenspraak tussen arts en patie¨nt van groot

derbehandeling. Het is gezien dit beloop van de

belang.’

aandoening van groot belang om hierover voor

Deze samenspraak en gezamenlijkheid in afweging,

elke patie¨nt duidelijke en geı¨ndividualiseerde af-

besluitvorming en uitvoering is niet alleen een ju-

spraken te maken als onderdeel van ‘advance care

ridische zorgvuldigheidseis, maar vertolkt ook een

planning’. Dit medisch beleid, waarin ook een

fundamentelere ethische mogelijkheidsvoor-

eventueel aanwezige schriftelijke wilsverklaring

waarde. Elke arts die ooit met euthanasie te maken

wordt betrokken, dient vervolgens periodiek

heeft gehad zal beamen dat deze ultieme vorm van

gee¨valueerd en zo nodig bijgesteld te worden op

lijdensverlichting alleen mogelijk en uitvoerbaar is

geleide van het ziektebeloop en belangrijke ont-

in het kader van een wederkerige vertrouwensre-

wikkelingen daarin. Zo mogelijk geschiedt dat sa-

latie met de patie¨nt. Naast het verzoek en het lij-

men met de patie¨nt, maar in meer gevorderde fasen

den is dit eigenlijk de derde ethische voorwaarde

van de ziekte – dus bij de meerderheid van de in

voor medische hulp bij levensbeeïndiging. Waar

het verpleeghuis opgenomen patie¨nten met de-

die ontbreekt is de weg naar levensbeeïndiging

mentie – wordt dit beleidsgesprek met de verte-

onbegaanbaar. Een schriftelijke wilsverklaring,

genwoordiger gevoerd. Het palliatieve zorgconcept

hoe gedetailleerd ook uitgewerkt, kan die vertrou-

biedt een kader waarbinnen dit overleg over doel-

wensrelatie nooit vervangen. Ook het aanvullen

einden en grenzen van medische zorg kan plaats-

van de criteria voor ondraaglijk lijden met andere,

vinden en waarbinnen ook de ethische vragen en

bijvoorbeeld verlies van persoonlijke waardigheid

behandeldilemma’s die zich voordoen nader be-

zoals door de NVVE wordt bepleit, lost het pro-

schouwd en beantwoord kunnen worden.

bleem niet op.

In de verpleeghuisgeneeskunde wordt daarbij

Het is om die reden dat euthanasie bij gevor-

uitgegaan van de brede, uit 1990 daterende defini-

derde dementie op grond van een schriftelijke

tie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

wilsverklaring in de praktijk eigenlijk niet voor-

komt, ook al opent de Euthanasiewet daartoe in

theorie de mogelijkheid. Voor zover hulp bij le-

15 Ethische vragen

171

Palliatieve zorg is integrale, multidisciplinaire zorg voor

j

15.6.1

Kwaliteit van leven

patie¨nten wier ziekte niet (meer) reageert op curatieve be-

handeling. Behandeling van lichamelijke ongemakken,

Achter de term ‘kwaliteit van leven’ gaan uiteen-

van pijn en andere symptomen, verlichting van functio-

lopende betekenissen schuil. In de politieke theo-

nele beperkingen, bestrijding van psychologische en sociale

rie bedoelt men daarmee doorgaans heel wat an-

problemen en aandacht voor zingevingsvraagstukken zijn

ders dan in de gezondheidszorg, waar het immers

van cruciaal belang. Het doel van palliatieve zorg is het

gaat om de aan gezondheid gerelateerde kwaliteit

bereiken van de best mogelijke kwaliteit van leven voor de

van leven. Een heldere conceptuele definitie van

patie¨nt.’

kwaliteit van leven ontbreekt echter. Voorhanden

Palliatieve zorg is dus al vroegtijdig in het ziekteproces

zijn alleen operationele definities die in wezen

aangewezen en zij omvat tevens de zorg voor patie¨nten die

neerkomen op: kwaliteit van leven is wat deze

weliswaar ongeneeslijk ziek zijn, maar nog niet in de

schaal of dit instrument meet. Wel is duidelijk dat

terminale fase van hun ziekte verkeren. Op deze algemene

het hier geen van buitenaf te beschrijven objectieve

omschrijving volgen nog de volgende concretiseringen.

entiteit betreft, maar een subjectieve waardering

Palliatieve zorg:

van de patie¨nt van voor hem relevante gezond-

– beschouwt het sterven als een proces inherent aan het

heidsaspecten. Ook voor dementie zijn dit soort

leven;

zelfbeoordelingsschalen ontwikkeld, soms geba-

– is niet gericht op uitstel of versnelling van de dood;

seerd op voorafgaand kwalitatief onderzoek onder

– is gericht op verlichting van belastende fysieke symp-

mensen met dementie of hun verzorgers. Het is

tomen;

hier niet de plaats om uitvoerig in te gaan op de

– biedt ondersteunende zorg aan patie¨nten gericht op een

methodologische aspecten van dit soort instru-

zo actief mogelijk bestaan;

menten. Belangrijk is wel om vast te stellen dat zij

– biedt ondersteunende zorg aan familieleden in hun

niet meer bruikbaar zijn bij gevorderde dementie.

verwerking van en omgang met de ziekte van de

De vraag is zelfs of het kwaliteit-van-levenconcept

patie¨nt.

als zodanig hier nog wel passend is, omdat een

Naar WHO, 1990.

directe subjectieve waardering van en door de

patie¨nt bij gevorderde dementie niet meer tot de

mogelijkheden behoort. Het enige wat hier nog

In deze opvatting is palliatieve zorg niet uitslui-

rest als indirecte maat zijn gedragsobservaties. Op

tend geassocieerd met zorg nabij het levenseinde;

basis daarvan zijn observatieschalen voor kwaliteit

zij omvat tevens de zorg voor patie¨nten die welis-

van leven bij gevorderde dementie ontwikkeld,

waar ongeneeslijk ziek zijn, maar nog niet in de

zoals bijvoorbeeld de QUALIDEM. Achter het vol-

terminale fase van hun ziekte verkeren. Bovendien

gehouden gebruik van het begrip kwaliteit van le-

is palliatieve zorg in de WHO-definitie niet be-

ven gaat hier echter wel een ander construct schuil

perkt tot patie¨nten met een infauste prognose,

en een dergelijke schaal heeft ook normatief een

zoals oncologische patie¨nten, zij is ook aangewe-

andere status dan een zelfbeoordelingschaal. Al-

zen bij patie¨nten met chronische ziekten bij wie

leen waar het oordeel over kwaliteit van leven op

langdurige beheersing of onderdrukking van

de subjectieve waardering van de patie¨nt is terug te

ziekte niet (meer) tot de mogelijkheden behoort.

voeren, mag het als (afgeleide van) het patie¨nten-

Het type zorg dat in het verpleeghuis geboden

perspectief in de besluitvorming worden gewogen.

wordt aan patie¨nten met dementie is in wezen

Instrumenten waarvan de score berust op oordelen

palliatief van inhoud en orie¨ntatie, in de hier be-

door derden, komen die positie niet toe en hebben

doelde brede zin. Ook de algemene doelstelling en

geen andere status dan die van een gedragsobser-

intentie van het medisch behandelbeleid vinden in

vatie-instrument.

dit palliatieve zorgconcept een goede verwoording.

De conclusie moet dan ook zijn dat de term

Dat handelen beoogt de best mogelijke kwaliteit

kwaliteit van leven in de zorg voor mensen met

van leven, waarbij levensverlenging nooit een doel

gevorderde stadia van dementie, met de nodige

op zich kan en mag zijn.

terughoudendheid gebruikt moet worden. In de

Dat is een intuı¨tief duidelijke doelstelling, maar

praktijk zullen zorg en behandeling vooral geo-

de vertaling daarvan naar de praktijk is toch niet

rie¨nteerd zijn op het (on)welbevinden van de

altijd evident, want hoe bruikbaar en betekenisvol

patie¨nt, een duidelijk subjectieve term, maar een

is een notie als ‘kwaliteit van leven’ en wat bete-

die kernachtig aangeeft waar het feitelijk om gaat.

kent het nu precies dat levensverlenging geen doel

Van welbevinden en onwelbevinden kunnen hulp-

op zich is?

verleners zich een indruk verwerven door commu-

nicatie met de patie¨nt, afgestemd op diens cogni-

172

Handboek dementie

tieve vaardigheden, door het uitwisselen van in-

des te klemmender in het licht van het groeiende

drukken met naasten en familieleden en ook door

aantal patie¨nten dat in het bezit is van een schrif-

gerichte observatie van non-verbale uitingen en li-

telijke wilsverklaring waarin zij expliciet medische

chaamstaal.

behandeling weigeren en/of verzoeken om levens-

beeïndiging in het geval van dementie.

j

15.6.2

Levensverlenging

Volgens een oude Hippocratische stelregel dient

de arts terug te treden in die omstandigheden

Wanneer gesproken wordt over levensverlengend

‘waarin de zieke door zijn ziekte wordt overwel-

medisch handelen is het van belang om onder-

digt en de ’natuur’ zich de meerdere toont van de

scheid te maken tussen de intentie en het effect van

’kunst’. In zo’n situatie is elke vorm van levens-

geneeskundig handelen. Levensverlenging is wel-

verlenging medisch zinloos en ongepast geworden.

iswaar geen intentie of doel van medisch handelen

Voor de moderne arts is die situatie niet pas in de

in het kader van palliatieve zorg, maar daarmee is

eindfase van de dementie aan de orde; hij moet ook

niet gezegd dat palliatieve medische behandelin-

weten terug te treden wanneer een bijkomende

gen niet als neveneffect in levensverlenging zou-

aandoening of complicatie uitzicht biedt op een –

den kunnen of mogen resulteren. Het is zeer wel

uit palliatief oogpunt – aanvaardbaar stervenssce-

mogelijk dat de patie¨nt langer leeft als gevolg van

nario. Doet die gelegenheid zich voor, dan is strikt

een behandeling die primair tot doel heeft zijn

symptomatisch handelen, dat wil zeggen handelen

welbevinden te behouden of te verbeteren. De on-

dat levensverlenging niet meer als neveneffect ac-

cologische patie¨nt, voor wie zinvolle levensverlen-

cepteert, aangewezen. Een en ander impliceert

ging door ziektegerichte behandeling een illusie is

echter dat op de arts – samen met de familie/ver-

geworden, maar die nog niet in het terminale sta-

tegenwoordiger – een bijzondere verantwoorde-

dium van zijn ziekte verkeert, mag zeker nog aan-

lijkheid rust. Want meer dan op andere terreinen

spraak maken op antibiotische behandeling van

van palliatieve zorg zijn zij het die hier de regie

een longontsteking of een urineweginfectie. Ook

voeren over de feitelijke vormgeving van het le-

zal bij hem, indien hij diabeticus is, niet worden

venseinde. Zoals eerder in dit hoofdstuk aangege-

afgezien van regelmatige controle en adequate re-

ven zijn zij daartoe beter in staat naarmate er eer-

geling van de bloedsuikerspiegel. Het doel daarvan

der in het ziekteproces een gezamenlijk begin is

is niet om de patie¨nt zo lang mogelijk in leven te

gemaakt met ‘advance care planning’.

houden, maar om de laatste levensfase zo min

mogelijk te belasten met in principe goed behan-

delbare fysieke ongemakken en gevoelens van on-

j

15.7

Tot besluit

welbevinden, ook al hebben de daartoe te gebrui-

ken middelen potentieel een levensverlengend ne-

In dit hoofdstuk zijn enkele van de ethische vragen

veneffect.

besproken die zich voordoen in de zorg voor men-

In beginsel is er geen reden om bij iemand die

sen met dementie. De aard van deze progressieve

lijdt aan een ongeneeslijke en progressieve de-

aandoening en de gevolgen daarvan voor de per-

mentie anders te handelen. Toch zijn er enkele be-

soon die erdoor getroffen wordt en zijn omgeving

langrijke verschillen in vergelijking met de situatie

vragen om specifieke ethische afwegingen. De

van de oncologische patie¨nt. De wortel daarvan ligt

gangbare gezondheidsethiek en het patie¨ntenrecht

in het probleem van de afnemende communicatie-

bieden hier niet altijd de meest passende aankno-

mogelijkheden en de toenemende wilsonbe-

pingspunten en cree¨ren soms zelfs nieuwe ethische

kwaamheid van de patie¨nt met dementie. In ge-

problemen. Naast nuancering van gangbare op-

vorderde en eindstadia van de ziekte kunnen teke-

vattingen over autonomie en individuele zelfbe-

nen van (on)welbevinden zelfs alleen nog maar aan

schikking is hier aanvulling nodig vanuit een be-

observaties ontleend worden. Daarnaast komt met

levingsgerichte zorgethiek en vanuit een meer re-

het voortschrijden van de ziekte steeds vaker de

lationele benadering van relevante beslissingen

vraag aan de orde of levensverlengende nevenef-

over (actuele en toekomstige) zorg en behandeling.

fecten van palliatief georie¨nteerd handelen moreel

nog aanvaardbaar zijn. Immers, elke geslaagde be-

handeling van een longontsteking of andere po-

Literatuur

tentieel levensbedreigende verwikkeling stelt de

patie¨nt bloot aan een verdere progressie van zijn

Agich GJ. Dependence and autonomy in old age.

dementie, met alles wat daarbij hoort aan geeste-

Cambridge: Cambridge University Press; 2003.

lijke en lichamelijke achteruitgang. Deze vraag is

Berghmans RLP. Bekwaam genoeg? Wils(on)be-

15 Ethische vragen

173

kwaamheid in de geneeskunde, gezondheidsrecht

Kitwood, T. Toward a theory of dementia care: ethics

en gezondheidsethiek. Preadvies Nederlandse Ver-

and interaction. J Clinical Ethics. 1998;9:23-34.

eniging voor Bio-ethiek. Utrecht: NVBE; 2000.

Manschot H. Levenskunst of lijfsbehoud? Een huma-

Boer ME de, Hertogh CMPM, Droës RM, et al. Suffe-

nistische kritiek op het beginsel van autonomie in

ring from dementia: the patient’s perspective. Int

de gezondheidszorg. Inaugurele rede. Utrecht:Uni-

Psychoger. 2007;19(6):1021-39.

versiteit voor Humanistiek; 1992.

Delden JJM van, Hertogh CMPM, Manschot HAM,

NVVA Commissie Besluitvorming bij Dementerende

redactie. Morele problemen in de ouderenzorg.

Patie¨nten Medische zorg met beleid. Handreiking

Assen: Van Gorcum; 1999:66-7.

voor de besluitvorming over verpleeghuisgenees-

Dillmann RFM, Legemaate J. Ethiek, recht en

kundig handelen bij dementerende patie¨nten.

dementia. Maandblad Geestelijke Volksgezond-

Utrecht: Nederlandse Vereniging van Verpleeghuis-

heid. 1992;47:827-46.