Hoofdstuk 16
Wolsey was teruggekeerd van zijn bedevaart naar Walsingham en had, nu hij volledig hersteld was, zijn normale bezigheden in Hampton Court Palace weer opgevat. Men had hem medegedeeld dat er een bezoeker was gearriveerd en hij stond op om hem te begroeten. Wolsey knipperde met zijn ogen toen hij de bezoeker zag: een bizar uitziende, oude man met een lange, verwaarloosde baard en een grauwe mantel. Hij schuifelde tergend langzaam vooruit, zwaar leunend op de arm van een jonge priester. Bij elke stap kromp hij ineen van de pijn.
Wolseys secretaris, Gardiner, kondigde hem officieel aan: 'Zijne Eminentie, Kardinaal Campeggio.'
Wolsey keek de man uiterst verbaasd aan. Hij had Campeggio totaal niet herkend. 'Lorenzo, mijn vriend, ga zitten.'
'Vergeeft u mij mijn onvermogen, Uwe Excellentie,' zei Campeggio zodra hij van alle gemakken voorzien was en ze alleen waren. 'God heeft mij als grote beproeving jicht gegeven. Ik probeer niet te veel te klagen.'
'Ik leef met u mee, Eminentie,' zei Wolsey. 'Maar u hebt nog een andere beproeving te doorstaan. Zijne Majesteit is erop gebrand het gerechtshof met pauselijke autoriteit meteen te installeren om een besluit te nemen over de zaak van zijn nietigverklaring. Hij heeft, zoals u ongetwijfeld weet, al aanzienlijke tijd gewacht en wil niets liever dan een snelle beslissing.'
'Zeker, zeker,' beaamde Campeggio. 'Ik heb een geschreven volmacht van de paus om in deze kwestie een vonnis te vellen. En mijn vonnis kan niet aangevochten worden. Maar toch...' Hij keek Wolsey aan en nam een slokje wijn. Wolsey wachtte ongeduldig af.
'Wij zijn oude vrienden, is het niet, Kardinaal Wolsey? En we zijn beiden mannen van de wereld. Ik was ooit getrouwd. Toen mijn echtgenote is gestorven ben ik tot priester gewijd. Ik heb zelfs een zoon die met mij mee is gereisd.'
'En... dus?' Wolsey was ongeduldig; hij wilde dat de oude man ter zake kwam.
'Zijne Heiligheid wil de koning tevredenstellen — hoe moeilijk dat ook zal zijn. Maar in het belang van ons allen... zou het niet beter zijn als u en ik Zijne Majesteit ervan probeerden te overtuigen van zijn echtscheiding af te zien? Deze hartstocht voor dit — dit meisje — zal na verloop van tijd toch zeker afnemen en overgaan, zoals het altijd gaat met dit soort bevliegingen?
Zijne Heiligheid is ervan overtuigd dat een verzoening tussen de Koninklijke Hoogheden veruit de meest bevredigende oplossing van deze kwestie zou zijn.'
Hij wierp Wolsey een slinkse blik toe. 'En hij is bereid daar iets tegenover te stellen wanneer dat nodig zou zijn om het geweten van de koning te sussen.'
Wolseys gezichtsuitdrukking werd onrustig. 'Ik vrees dat Uwe Eminentie wat dit betreft in onwetendheid handelt,' zei hij. 'Laat me u het een en ander duidelijk maken. Als u de koning geen toestemming geeft te scheiden, zal de pauselijke autoriteit in Engeland tenietgedaan worden. Zou u het niet erg vinden als, net nu het grootste deel van Duitsland al vervreemd is geraakt van Rome en het geloof, hetzelfde zal gebeuren met Engeland?'
Met zijn gezicht vlak voor dat van Campeggio vervolgde Wolsey: 'Als niet voldaan wordt aan de wens van de koning kan ik u verzekeren dat de snelle en totale vernietiging van de invloed van de Kerk in het koninkrijk daarvan het gevolg is; kortom, de totale ondergang van het koninkrijk!'
Henry was met Anne Boleyn aan het wandelen in zijn privétuinen. Hij was in een opperbeste stemming.
'Bestaat er enig gevaar dat ze uw huwelijk geldig zullen verklaren?' vroeg Anne hem.
Henry schudde zijn hoofd. 'Wolsey heeft me verzekerd dat de paus al ten gunste van mij heeft geoordeeld. De rechtszaak is gewoon voor de vorm. Een manier om de keizer gerust te stellen.' Hij glimlachte naar Anne.
'Dan... kunnen we plannen gaan maken voor de bruiloft?' vroeg ze.
'Ja. Ja, mijn lief.' Ze omhelsden elkaar, kusten even en liepen toen verder. Na een korte stilte zei Henry: 'En er is voor... voor de vorm nog iets... iets wat ik moet doen.'
Anne begreep niets van zijn gedrag. Hij leek zo onbeholpen — wat helemaal niet bij hem paste.
Henry vervolgde: 'Ik moet een tijdlang weer de tafel met Katherine delen, en soms... haar bed.'
Anne stond stokstijf stil en keek hem aan. 'Haar bed?'
Henry glimlachte en zei op sussende toon: 'Het stelt niets voor! Mijn raadsheren hebben me dat gewoon aangeraden, omdat anders het risico bestaat op een tegenproces. Mijn gedrag zou als strijdig met mijn huwelijksplicht opgevat kunnen worden.'
Anne staarde hem aan. 'U vindt dat het niets is om weer naar bed te gaan met uw echtgenote?'
Henry's gezicht betrok. 'Ja! Het is niets.' Ter verdediging voegde hij eraan toe: 'Wat denkt u dat er zal gebeuren?'
Ze trok gekwetst en boos haar schouders op. 'Wat meestal gebeurt!'
Ze probeerde verder te lopen, maar Henry, die ook gekwetst en beledigd was, pakte haar arm vast. 'Hoe weinig vertrouwen hebt u in mij!'
Ze slikte hoorbaar en zei toen bedeesd: 'Het spijt me. U weet dat ik u vertrouw. Ik houd van u...' Ze probeerde te glimlachen en gaf hem een kus, maar Henry wierp haar een kille blik toe en liep alleen verder. De kardinalen Campeggio en Wolsey werden binnengeleid in het buitenvertrek van de koning. Henry ontving hen in een optimistische stemming. Campeggio zat met een ondoorgrondelijk gezicht in een stoel, maar Wolsey stond en glimlachte om zijn ongerustheid te verbergen.
'Katherine valt in deze zaak niets te verwijten,' vertelde Henry aan Campeggio. 'En mij ook niet. Maar het feit is, Excellentie, dat we Gods wet overtreden hebben en daar bestaat geen dispensatie voor.' Hij wierp de bejaarde kardinaal een oprechte blik toe. 'U begrijpt hoe zwaar deze zaak op mijn geweten drukt - en hoe snel ik wil dat het opgelost wordt?'
'Dat begrijp ik,' zei Campeggio. 'Ik leef met u mee — net als Zijne Heiligheid. Uiteraard... Maar Zijne Heiligheid wil Uwe Majesteit ook een andere... mogelijke oplossing voorstellen.'
Wolsey wierp hem een boze blik toe. 'Ik heb Uwe Eminentie al duidelijk gemaakt dat Zijne Majesteit...'
Campeggio glimlachte en onderbrak hem met een wegwuivend gebaar.
'Nee, nee, nee. Alstublieft. Dit is niet hetzelfde, mijn vriend. Dit is een oplossing die Zijne Majesteit erg veel deugd zou moeten doen.'
Henry en Wolsey keken elkaar aan. 'Welke oplossing?' vroeg Henry.
'Zijne Heiligheid is op de hoogte van de grote vroomheid van de koningin,' begon Campeggio. 'Zij heeft er zelf over gesproken. Haar liefde voor de moeder van God... voor de heiligen...' Hij gebaarde. 'Enzovoort... Dus, hij vraagt zich af of Hare Majesteit er, net als Jeanne de Valois, de voormalige echtgenote van Louis XII, toe over te halen zou zijn afstand te doen van haar huwelijk en zich terug te trekken in een nonnenklooster.'
Er viel een lange, verbaasde stilte. Toen zei Henry: 'U legt dit Katherine voor
Campeggio haalde zijn schouders op. 'Zeker.'
Henry keek Wolsey aan. 'Wat denkt u, Wolsey?'
Wolsey overwoog het voorstel van alle kanten. 'Het zou de zaak zeker bespoedigen. En het zou ons de ellende van een rechtszaak besparen. En aangezien het vrijwillig is, zou het niet beledigend zijn voor haar neef de keizer. Bovendien zou Hare Majesteit zich zo eervol kunnen terugtrekken!'
Henry grinnikte. 'Uitstekend! Vraag het haar meteen!' zei hij tegen Campeggio.
'Zou Uwe Majesteit het voorstel ten minste willen overwegen?' vroeg Campeggio zacht.
Katherine wierp hem een minzame glimlach toe. 'Ik zal u mijn antwoord te zijner tijd geven, nadat ik met de koning, mijn echtgenoot, heb gesproken.' Ze zag ineens Wolsey naderbij komen. Ze wilde niet gedwongen zijn om met hem te praten, vooral niet in het bijzijn van Kardinaal Campeggio, dus ze bood Campeggio snel haar hand en zei: 'Eerwaarde, wilt u mij later de biecht afnemen?'
'Ja, mijn kind.' Campeggio keek haar bezorgd aan.
Katherine, die haar ogen op de naderende Wolsey gericht hield, probeerde te vertrekken. Wolsey, die vastbesloten was haar tegen te houden, liep snel om haar de pas af te snijden. Katherine staarde hem onvriendelijk aan.
'Eminentie.'
Tot haar grote verbazing en gêne viel Wolsey opeens voor haar op zijn knieen en zei: 'Ik smeek Uwe Majesteit toe te geven aan de wens van de koning.'
'En wat is de wens van de koning?' vroeg ze.
'Zoals Zijne Eminentie betuigt,' legde Wolsey uit. 'Dat u intreedt in een religieuze gemeenschap van uw keuze en de geloften van eeuwige kuisheid aflegt.'
Katherine was woedend. 'U spreekt tegen mij over kuisheid? Hebt u niet een maitresse en twee kinderen, Uwe Eminentië!'
'Uwe Majesteit betreedt de derde fase van uw natuurlijke bestaan,' ver-klaarde Wolsey. 'U hebt de eerste twee besteed aan het geven van het goede voorbeeld aan de wereld. Met deze daad zou u al uw goede handelingen bezegelen.' Hij wachtte nederig af. Katherine haalde diep adem en beteugelde haar woede. Met ijskoude stem zei zij: 'Staat u alstublieft op, Uwe Excellentie. Het is voor een man van uw waardigheid onbetamelijk om in het openbaar te moeten smeken — om welke reden dan ook.' Ze maakte zich uit de voeten, waarna Wolsey op pijnlijke wijze weer overeind moest komen.
'Dus,' zei Henry tegen Katherine. 'U hebt met Campeggio gesproken?' Zoals hij Anne verteld had, had Henry weer de gewoonte aangenomen om een tafel met Katherine te delen. Hij zorgde er echter wel voor dat er genoeg mensen aanwezig waren om er een semiopenbare aangelegenheid van te maken.
'Ja,' zei ze. 'Hij heeft tegen mij gesproken.' Ze nam bedaard een hap en zei toen ze die doorgeslikt had: 'Ik heb hem gezegd dat ik hem geen antwoord kon geven zonder Uwe Majesteits toestemming.'
Er kwam een dienaar aan, die hun al knielend een karpergerecht presenteerde. Katherine nam er iets van. Henry keek geërgerd en ongeduldig toe.
'En welk antwoord zult u hem geven?' vroeg Henry zodra de dienaar vertrokken was.
'Ik zal hem de waarheid vertellen.'
Henry bloosde en at een stukje vis. Het smaakte naar as. 'Katherine,' zei hij op lage toon. 'De hele wereld stemt er nu mee in dat uw huwelijk met mij onjuist was. Zelfs u moet dat erkennen!' Hij boog zich voorover en siste in haar oor: 'Dus tenzij u ermee instemt het klooster in te gaan, zal ik u moeten dwingen^
Katherine behield een waardig stilzwijgen; ze knipperde hevig om de tranen tegen te houden. Na een lange stilte zei ze kalm, alsof haar echtgenoot zojuist niet had gedreigd haar voor de rest van haar leven in een klooster op te sluiten: 'Dus ik heb uw toestemming om met Kardinaal Campeggio te spreken?'
Henry nam een teug wijn. Hij was boos en verontwaardigd omdat zij hem in zo'n ongemakkelijke positie had gebracht.
'Ik zal niet met hem praten als u dat niet wilt,' zei Katherine. Henry keek haar aan — hij zat in de val. Hij nam nog meer wijn. Meester Richard Cromwell, de secretaris van de koning, werd de privévertrekken van Anne Boleyn binnen geleid. Anne zat in haar eentje stilletjes bij het raam te naaien.
'Lady Anne,' zei Cromwell zacht.
Annes gezicht klaarde op en ze legde haar naaiwerk opzij. 'Mijnheer Cromwell. Hebt u... hebt u een bericht van de koning?' vroeg ze met een mengeling van aarzeling en gretigheid. Hij schudde zijn hoofd en temperde zijn stem. 'Het spijt me, my lady. Ik ben hier met een ander doel. Een wederzijdse vriend, Mijnheer Simon Fysh, die nu in Holland in ballingschap verblijft, heeft mij een geschenk voor u gezonden.' Uit de vouwen van zijn kleding haalde Cromwell een boek tevoorschijn.
Anne wist ogenblikkelijk dat hij haar een boek van de volgelingen van Martin Luther had gebracht. Gevaarlijke literatuur. Thomas More had boeken als deze verbrand.
'Wat is het, Meester Cromwell?' vroeg ze gespannen.
''The Obedience of the Christian Man, door William Tyndale,' zei hij. 'Het bevat veel goede kritiek op het pausdom en de arrogantie en de wandaden van priesters. U zult het hoogst verhelderend vinden.'
Anne pakte het boek aan. Cromwell ging verder: 'Maar wees er altijd en immer behoedzaam in aan wie u het toont. U weet dat alleen het bezit ervan al als ketterij beschouwd kan worden en Wolsey is nog steeds ijverig genoeg om ketters — zoals wij genoemd worden — te vervolgen voor het omarmen van het ware geloof.'
'Dat zal ik doen, en God zegene u, Meester Cromwell.'
Toen Cromwell zich omdraaide om te vertrekken, schoot Anne iets te binnen. 'Wacht,' droeg ze hem op. Ze zocht even en vond toen een prachtig borduurwerkje. Ze gaf het aan Cromwell en zei: 'Geeft u dit alstublieft aan de koning met mijn... met mijn liefde.'
Cromwell aarzelde, maar nam het toen aan.
'Wat is het dat u wilt opbiechten?' vroeg Campeggio aan Katherine.
'Eerwaarde, ik wil u iets vertellen over mijn eerste huwelijk, met Prins Arthur, de oudere broer van Zijne Majesteit.'
'Ik weet ervan. Ga verder.'
'Hij heeft me nooit gekend! zei Katherine. 'Ik zweer u, onder sacramentele ede, dat ik onaangeraakt ben gebleven door Prins Albert. Ik ben als maagd mijn huwelijk met Koning Henry in gegaan; zoals ik uit de schoot van mijn moeder ben gekomen.'
'Ik wil hier absolute duidelijkheid over,' zei Campeggio tegen haar. 'U zegt dat u als maagd het bed van de koning betreden hebt - onaangeroerd en ongeschonden?'
'Ja, Eerwaarde.' Na een korte pauze zei Katherine: 'Eerwaarde, ik zeg u in alle nederigheid dat ik niet kan instemmen met uw verzoek. Ik ben de ware en wettige echtgenote van de koning, mijn echtgenoot, en uw voorstel is derhalve ondeugdelijk. Wat er ook van moge komen, ik zal leven en sterven in die echtelijke rol waartoe God mij geroepen heeft.'
Campeggio slaakte een zucht. 'Ik begrijp het.'
'Bovendien geef ik u toestemming het biechtgeheim te schenden en de hele wereld kond te doen van wat ik u verteld heb!'
Campeggio knikte vermoeid. Hij wachtte tot de koningin vertrokken was en legde toen zijn hoofd in zijn handen. Zijn oplossing was afgewezen. Noch Henry noch de koningin zou het opgeven. Iedereen zou verliezen.
'Ik moet Kardinaal Campeggio zien,' zei Wolsey tegen Campeggio's zoon. Hij bewoog zich richting het slaapvertrek, maar Campeggio's zoon versperde hem de weg.
'Vergeef me. Mijn vader is onwel,' zei de zoon. 'Hoe dan ook, er is voorlopig verder niets wat hij kan doen. Hij heeft enkele verslagen naar Rome verzonden en moet wachten op het antwoord van Zijne Heiligheid.'
Wolseys gezicht werd rood van woede.
'In de tussentijd heeft mijn arme vader behoefte aan rust en moet hij op krachten komen.' Hij beantwoordde Wolseys gestaar met een koele blik en maakte duidelijk dat hij geen duimbreed zou wijken.
Wolsey, die razend was en op het randje van de wanhoop verkeerde door de positie waarin hij nu gebracht was, hief een gebalde vuist. Even leek het erop dat hij de jongere man ging slaan, maar met zichtbare inspanning vermande hij zich, draaide zich om en stormde naar buiten. Henry hield een bijeenkomst aan het hof. Overal in het paleis brandden toortsen. Binnen klonk muziek en waren schitterend geklede dames en heren aan het dansen, eten, contacten aan het leggen, aan het roddelen en plannen aan het smeden.
Thomas More en Campeggio zaten op een gunstige plek: ze konden de glinsterende verzameling goed bekijken. More wees mensen van aanzien aan. .'Dat is Prinses Margaret, de zuster van de koning,' mompelde hij. 'Onlangs teruggekeerd aan het hof. Ze staat naast de Hertogin van Norfolk.'
'En die opvallend uitziende jonge vrouw?' vroeg Campeggio, terwijl hij wees naar een jonge vrouw die zojuist met verschillende dames was binnengekomen. De jonge vrouw liep meteen naar Boleyn, nu Lord Rochford, die naast de Hertog van Norfolk stond. Hovelingen begonnen in haar richting te neigen. 'Dat moet Vrouwe Boleyn zijn, is het niet?' veronderstelde Campeggio,
'Ja, inderdaad,' zei Thomas More. 'Het meisje voor wie de koning bereid is zijn huwelijk met een uiterst hoffelijke en liefhebbende koningin op te offeren.'
Campeggio zuchtte. 'Ik heb geprobeerd hem dat uit het hoofd te praten, maar ik zweer dat zelfs een uit de hemel neergedaalde engel daar nog niet toe in staat zou zijn.'
Ze zagen Anne Boleyn glimlachen en complimenten in ontvangst nemen. Campeggio boog zich naar More toe. 'Denkt u dat ze het tot de hoogste samenvoeging hebben laten komen?'
Er verscheen een uitdrukking van lichte weerzin op het gezicht van More om aan te geven dat hij deze vraag beneden zijn waardigheid vond. Henry en Wolsey betraden het hof. Henry zag er in zijn gewaad van goudbrokaat afgezet met lynxvacht schitterend uit. Wolsey scheen nu eens een keer niet te genieten van deze theatrale entree. Hij zag er bezorgd uit, een beetje gekrompen en minder arrogant dan normaal.
Campeggio vervolgde: 'Wolsey dreigt dat dit koninkrijk van Rome zal vervreemden wanneer de koning geen voldoening krijgt.'
More knikte. 'Dat is ook mijn grootste angst.'
Campeggio zag dat Anne Boleyn probeerde de aandacht van de koning te trekken in de menigte. Ze leek wanhopig op zoek naar zijn blik. Het viel hem op dat Prinses Margaret met een harde blik en opgetrokken lippen naar Anne stond te staren. Geen vriendinnen, dacht hij.
'Ik heb een verzoekschrift ontvangen van de Hertogen van Sufifolk en Norfolk en van Lord Boleyn,' vertelde Campeggio aan More. 'Daar staat in dat de echtscheiding de overweldigende steun heeft van het Engelse volk.'
More snoof en zei met een woeste ondertoon: 'Als Uwe Eminentie door deze deuren naar buiten gaat en het volk aanschouwt, zult u al snel ontdekken dat dit een pertinente leugen is! Integendeel. Het volk houdt van de koningin - en daar heeft het ook alle reden toe.' Hij staarde Campeggio lang aan, maakte vervolgens een buiging en liep weg. Pratend met Wolsey bewoog Henry zich langzaam door de menigte in de richting van Anne.
'Hare Majesteit heeft het aanbod afgeslagen,' deelde Wolsey hem mee.
'Bent u daar werkelijk verbaasd over?' zei Henry.
'Campeggio zegt dat de paus bereid is te overwegen de kinderen die u eventueel met Vrouwe Boleyn krijgt te wettigen, zelfs als u niet met haar getrouwd bent.'
Henry draaide zich abrupt om en staarde hem aan. 'Bent u gek?' Hij fronste. 'U moet beter kunnen dan dat, Wolsey!' Hij liep naar Brandon, Norfolk en Boleyn. Ze begroetten hem hartelijk. Wolsey keek ontzet toe. De toekijkende Campeggio trok aan de mouw van Mendoza, de keizerlijke ambassadeur. 'Vergeef me, Ambassadeur Mendoza, maar ik ben nieuw aan dit hof.' Hij wees discreet. 'Wie zijn die mannen die met de koning staan te praten?'
'Lord Rochford is de vader van Anne Boleyn en Norfolk is haar oom. Net als de Hertog van Suffolk zijn ze de gezworen vijanden van Wolsey — en iedereen aan het hof weet dat. Niets zou hen ervan weerhouden hem te gronde te richten.'
'En toch houdt de koning van Wolsey?'
'Niet meer zo veel als vroeger, misschien,' bekende Mendoza. 'Maar de kardinaal mag nooit onderschat worden.'
Ze keken toe hoe Henry zich losmaakte van het groepje en in de richting van Anne Boleyn bewoog. Zijn ogen waren gefixeerd op haar en de hare op hem. Het was alsof geen van beiden iemand anders zag.
'Mag ik weten wat u vindt van de zaak van de koning?' vroeg Campeggio zachtjes, terwijl hij bleef kijken.
'Ik ben verbaasd,' antwoordde Mendoza. 'Het lijkt mij dat de koning liefdesdwaas is... en waarvoor? Zij is niet het mooiste meisje op aarde.'
Ze zagen hoe Henry's zuster Margaret voor hem ging staan en een reverence maakte, waardoor ze zijn weg versperde. De zuster van de koning begroette haar broer en Henry leek verder te gaan, toen iets wat zij zei hem boos deed omkeren.
Campeggio sloeg de korte, hevige woordenwisseling gade en wenste dat hij kon horen wat de koning en zijn zuster tegen elkaar zeiden. Hij kon het echter wel raden. Het was duidelijk dat Prinses Margaret haar broeders verliefdheid op Vrouwe Anne Boleyn niet in het minst goedkeurde. Hij wendde zich tot Mendoza. 'En de keizer?'
Mendoza haalde zijn schouders op. 'Het is geen geheim dat de keizer laaiend is over het gedrag van de koning tegenover de koningin, zijn tante. En ik kan u, strikt in vertrouwen, vertellen dat hij ook een brief heeft geschreven aan Zijne Heiligheid om te eisen dat deze kwestie in Rome wordt afgehandeld en niet hier.'
Campeggio knikte. 'Hij zou niet... op een andere manier... tussenbeide willen komen?'
'Op welke manier?'
'Als de koningin bijvoorbeeld afstand zou moeten doen, zou hij dan kunnen overwegen om in haar naam militair in te grijpen?'
'Dat heeft hij niet gezegd,' zei Mendoza behoedzaam. Campeggio wierp hem een sluwe blik toe. 'Heeft iemand het hem gevraagd?'
Mendoza keek hem aan. 'Nee... nee, nog niet.'
Campeggio tuurde weer naar de koning toen deze net Anne Boleyn bereikt had. Ze maakte een zedige reverence, maar zelfs een oude man aan de an-dere kant van de ruimte kon zien dat de blik die zij en de koning wisselden... vurig was. Hun ogen waren met elkaar versmolten en alleen hun handen raakten elkaar - ze draaiden op de muziek in een tijdloze verleidingsdans. Hun lichamen kwamen dicht bij elkaar, weken weer uiteen, raakten elkaar, gingen uiteen, en al die tijd speelde de muziek. Anne bevochtigde haar lippen met haar tong. Henry keek alsof hij haar zou verzwelgen. Elke ademtocht van Henry was voor Anne. Elke zucht die zij slaakte was voor hem. Hun lichamen flirtten, streken langs elkaar, raakten elkaar.
Ze dansten alsof ze de enigen in de ruimte waren, zich niet bewust van de starende blikken, de gefluisterde opmerkingen, de speculaties. Campeggio keek de kamer rond en bestudeerde de verschillende blikken die op de koning en Anne Boleyn werden geworpen. Hij zuchtte; hij voelde zich plotseling stokoud. Katherine staarde door het raam naar de tuinen in het vredige grijze ochtendlicht. Alleen aan de manier waarop ze haar hand om de handschoenen had geklemd was haar spanning af te lezen. Ze wachtte op de mannen die haar voor het gerechtshof zouden vertegenwoordigen.
Haar hofdame begeleidde de twee prelaten in hun kerkelijke gewaden naar binnen. 'My lady, de aartsbisschop van Canterbury, Aartsbisschop Warham, en Bisschop Tunstall zijn hier om u te spreken.'
Katherine wist wie ze waren. Ze wist ook welke instructies zij hadden gekregen. Ze schonk hun niettemin een hartelijke glimlach. 'Mijne Excellenties, ik begrijp dat u tot mijn raadsheren voor het pauselijk gerechtshof behoort. Als eerbiedwaardige mannen, als mannen die allereerst verantwoording aan God en uw geweten moeten afleggen, bent u welkom. Heeft de koning u hiernaartoe gezonden?'
Warham schuifelde ongemakkelijk heen en weer. 'Ja, Uwe Majesteit.'
'We dienen uw instructies te bespreken,' zei ze kordaat. 'Ik heb niets tegen Zijne Majesteit — van wie ik met heel mijn wezen houd — alleen tegen zijn raadgevers... en een zekere vrouw wier ambities dit koninkrijk zouden vernietigen.'
'Madame,' zei Warham. 'Wij zijn hier niet om de instructies of iets dergelijks te bespreken.'
'Maar...'
'We zijn gekomen, madame, om u mede te delen dat geruchten de ronde doen over complotten tegen Zijne Majesteits leven, evenals complotten tegen Kardinaal Campeggio. Wanneer een van dergelijke samenzweringen kans van slagen heeft, zou zowel u als uw dochter natuurlijk verdacht worden van betrokkenheid.'
Het was een tactloos en lachwekkend dreigement. Katherine keek ongelo-vig van de ene man naar de andere. 'Ik kan niet geloven dat de koning enige geloofwaardigheid hecht aan dergelijke geruchten, omdat hij weet
— en u weet — dat ik het leven van mijn echtgenoot nog hoger acht dan dat van mijzelf.'
Warham liet zijn hoofd zakken.
Bisschop Tunstall was echter niet zo makkelijk te ontmoedigen. 'Madame, er is nog een andere klacht: dat u oneerbiedig bent en uzelf te vaak aan het volk vertoont. Dat u zich knikkend, glimlachend en wuivend verheugt over de bijval van het gepeupel. Daarom veronderstellen wij dat u de koning haat.'
'Waarom zou u dat veronderstellen?' vroeg Katherine kalm.
'Omdat u niet accepteert dat u al deze tijd in zonde met hem geleefd hebt. En dat u zelfs nu de waarheid aan het licht gekomen is het genadige aanbod van de koning om u terug te trekken in een religieus huis weigert te accepteren.'
Katherine maakte een ongeduldig gebaar. 'Ah, dat weer! Daarvoor heb ik al rekenschap afgelegd. God heeft mij nooit naar het klooster geroepen. Ik ben Zijne Majesteits ware, wettelijke echtgenote.'
'In godsnaam...' begon Warham.
'Ja! In Gods naam!' onderbrak ze hem boos. 'Net als u, aartsbisschop, ooit zelf hebt verklaard! U hebt anderen verteld dat u wist dat mijn zaak op waarheid berustte. Wat heeft u dan van gedachten doen veranderen? Was het Wolsey?' Ze keek hem geringschattend aan. 'Vertel me eens, verkiest u uw plek op deze wereld boven uw plek in de hemel?'
'U hebt niet gereageerd op de aanklachten.'
'Sir, ik vind het al erg genoeg om door mijn eigen raadsheren beschuldigd en aangeklaagd te worden! Welke rechtvaardigheid zit daarin?' Ze keek hen beiden vol verachting aan. 'Ik zal niet meer met u spreken. U zult niet in mijn naam handelen! Dat zal Bisschop Fisher doen, want hij is een man wiens geloof niet te koop is.' En daarmee trok ze zich koninklijk terug in haar slaapvertrek. Haar hofdames sloten de deuren achter haar. In hun huis op het platteland praatten Brandon en zijn echtgenote, Margaret, over het meningsverschil dat zij onlangs met de koning had gehad.
'Zijne Majesteit verzoekt om uw terugkeer aan het hof. U bent tenslotte zijn zuster.' Brandon had gedronken.
Margaret snoof. 'Hoe kan ik terugkeren als hij loopt te pronken met die slet? Ik zou de indruk wekken die belachelijke liaison goed te keuren.' Ze keek toe hoe haar man zichzelf een nieuwe beker wijn inschonk en schoof de hare naar hem toe om die ook te laten vullen.
Hij zei ernstig: 'Margaret, u en ik moeten in de gunst van de koning blijven — anders zijn we niets. Laat hem trouwen met wie hij wil.'
'Dat is altijd uw filosofie geweest, is het niet, Charles? Zo ontzettend cynisch!' Ze nipte van haar wijn. 'Is dat de reden waarom u in het gezelschap blijft verkeren van die duivelse Boleyn?'
'U was anders ooit behoorlijk op hem gesteld, toen hij ons heeft helpen terugkeren aan het hof.' Hij keek haar met samengeknepen ogen aan. 'Of was u toen gewoon cynisch?'
Margaret schudde haar hoofd. 'Ik had toen nog niet in de gaten dat het een spelletje was. Nu wel. En ik veracht hem.'
'Ik ook!' zei hij. 'Maar ik haat Wolsey meer. Het is een verstandshuwelijk.'
Ze lachte bitter. 'Net als het onze?'
'Nee. Ik hield van u,' zei Brandon zacht. Hij boog zich naar haar toe en probeerde zijn hand om haar kin te leggen, maar ze trok zich terug en ontweek hem.
'U weet niet wat dat woord betekent, Charles,' deelde ze hem mee. 'U kunt misschien liefhebben, een jaar lang, of een maand; een dag, of zelfs een uur. En ik geloof zeker dat u in dat uur even hevig en oprecht liefhebt als elke man.' Ze keek hem verdrietig aan. 'Maar als dat uur is afgelopen, hebt u niet lief. U houdt van een ander... en dan weer van een ander... en nog een ander.' Haar ogen glommen. 'Uw liefde is uiterst gul... waar het uiterst pijnlijk is.'
Brandon zag de tranen in haar ogen en probeerde onhandig haar opnieuw te omhelzen.
Margaret hield hem af. 'Niet doen! Doe niet alsof u gek bent, Charles. Dat past niet bij u.' Bijtend op haar lip rende ze de kamer uit. Brandon draaide de wijn rond en staarde er humeurig naar. Hij dronk de beker in één teug leeg en schonk die toen weer vol.
Katherines hofdames waren druk bezig de koningin in gereedheid te brengen voor het bed, toen de geheime deur die haar vertrekken met die van de koning verbond openging en Henry verscheen. In zijn nachtgewaad. De hofdames staarden hem verbaasd aan - het was al zo lang geleden - voordat ze zichzelf tot de orde riepen en een reverence maakten. Hoewel alle hofdames van Katherine jong en knap waren, wierp Henry hun slechts een vluchtige blik toe voordat hij in het bed bij de koningin klom. Na een teken van Katherine liepen de dames achter elkaar aan naar buiten en bleven Henry en Katherine rechtop zittend in bed achter. Er viel een stilte. Na een tijdje zei Henry: 'Katherine, waarom blijft u me steeds gerechtigheid ontzeggen? Waarom?'
Ze zei niets. Hij ging verder: 'U bent zo harteloos. Zo vol haat. Ik kan mezelf er niet langer van overtuigen dat u van me houdt. Ik denk dat u mij moet verachten.'
'Nee! Ik houd wel van u,' vertelde ze hem. 'Ik ben nooit opgehouden u lief te hebben. Dat weet u.'
'Ik weet het niet,' antwoordde hij. 'Ik ben er zeker van dat u me haat. Wel-licht moet u uit de buurt van onze dochter gehouden worden... anders zet u haar tegen mij op.'
'Hoe kunt u deze dingen tegen mij zeggen?' zei Katherine bitter. 'Na al die tijd. Na alles wat we voor elkaar betekend hebben.'
'Ik vraag u slechts redelijk te zijn.'
'Ik ben redelijk. U bent degene die niet redelijk is.'
Ze zaten daar maar naast elkaar zonder elkaar aan te kijken. De volgende dag bracht Henry een bezoek aan Anne. Ze was in een speelse bui; met een gemeen lachje op haar mond probeerde ze hem te belemmeren haar te kussen.
'Ik heb een nieuwe wapenspreuk,' deelde ze hem mee. 'Ik heb hem zelf bedacht.'
Henry was geïntrigeerd. 'Wat is het?'
Anne glimlachte raadselachtig. 'U zult het moeten vinden.'
Henry was nu nog nieuwsgieriger en mompelde: 'Waar is het?'
Anne wierp hem een steelse blik toe. 'Op een stukje lint... dat ergens verborgen is.' Ze keek naar beneden. Glimlachend raakte Henry de zijde op haar schouder aan. 'Zit het hier?'
'Nee.' Ze schonk hem een plagend lachje.
Henry greep haar vast en gluurde in haar keurslijf. 'Hierin?' Hij probeerde zijn hand erin te stoppen. Lachend worstelden ze.
Hij tilde haar rokken op en groef eronder. 'Waar zit het?' Zijn stem werd gedempt door alle lagen stof.
Anne hapte naar lucht toen zijn zoektocht hartstochtelijker werd, maar ze slaagde erin haar aandacht te richten op de problemen die door haar hoofd speelden. 'Maar... er is opnieuw oponthoud! Campeggio is nergens te bekennen!'
'Er zijn gewoon dingen die hij moet doen.'
'Bent u daar zeker van?'
Zijn hoofd dook op vanonder haar rokken; hij was de zoektocht naar de wapenspreuk even vergeten. 'Wat bedoelt u?'
'Stel nu dat iemand opzettelijk de zaak ophoudt. Excuses verzint.'
Hij zweeg even. 'Wie — Campeggio?'
'Nee, iemand anders,' zei ze. 'Iemand die veel dichter bij u staat.'
Hij fronste. Ze pakte zijn hand en begon die verleidelijk langs haar been omhoog te schuiven. Zijn hand stopte. 'Aha! Ik heb het.' Hij glimlachte en trok een stuk lint tevoorschijn waar woorden op waren geborduurd. Hij las de wapenspreuk hardop voor: 'Aldus zal het zijn, morre wie morren wil.'
Er verscheen een lachje op zijn gezicht.
Hij boog voorover om haar te kussen en verder te gaan met het spelletje, maar ze deed met een serieus gezicht een stap achteruit.
'Het is iemand die veel dichter bij u staat,' zei ze. Snel daarna ontbood Henry Wolsey voor een ommetje in zijn privétuinen.
'Ik wil u, in alle openhartigheid, iets vragen over Campeggio,' zei Henry.
'Vertrouwt u hem? Denkt u dat hij op een of andere manier gecompromitteerd is? Wie weet - misschien krijgt hij wel een toelage van de keizer.'
Wolsey schudde zijn hoofd. 'Lorenzo is de minst vooringenomen man die ik ken. En hem is door Charles' soldaten persoonlijk leed aangedaan. Toen zij Rome binnen kwamen, hebben ze zijn huis geplunderd. Ik denk niet dat hij enige genegenheid voor de keizer koestert.'
'Maar waarom stelt hij het proces dan steeds uit?'
'Er zijn wat formele kwesties die opgelost moeten worden, dat is alles. Uwe Majesteit heeft geen reden tot bezorgdheid.'
Henry stopte en draaide zich om. 'Verdoeme. Het is Campeggio helemaal niet. U bent het! U bent degene die alles uitstelt!' Hij staarde Wolsey aan.
'U geeft geen zier om die echtscheiding. Misschien hebt u er zelfs wel nooit in geloofd. Hebt u gewoon tegen me gelogen. Gedaan alsof u aan mijn kant stond.'
Wolsey werd zo wit als een doek. Hij viel op zijn knieën voor Henry. 'Majesteit, ik zweer voor u en voor God op mijn woord van eer dat ik uw meest loyale dienaar ben en dat er niets op deze wereld is waar ik zo mijn zinnen op heb gezet als het steunen van uw echtscheiding. De totstandbrenging daarvan is mijn voortdurende zorg en mijn meest vurige wens, waarvoor ik bereid ben mijn lichaam, mijn leven en mijn bloed te geven, zo helpe mij God.'
Er viel een korte stilte. Henry keek starend op Wolsey neer. Opeens klaarde zijn gezicht op. Hij glimlachte en hielp Wolsey overeind. 'Uwe Excellentie hoeft niet zo ontsteld te zijn. U begrijpt dat ik ongeduldig ben. Maar ik weet dat u het niet bent. Ik ken u al heel lang. Ik vertrouw u.'
Hij pakte Wolseys arm. 'Kom. Laten we over andere dingen praten.'
Achter een bovenraam stonden Norfolk en More het tafereel gade te slaan.
'Godbeware, Meester More,' zei Norfolk. 'Indignatio princeps mors est.'
More vertaalde het Latijn. 'De woede van de vorst betekent de dood.'
Hoofdstuk 17
'U bent dus aan het hof teruggekeerd, Mijnheer Wyatt?' zei Thomas Tallis, toen hij de dichter schrijvend in een afgelegen alkoof had aangetroffen.
'Moeilijk om weg te blijven.' Wyatt zuchtte. 'Nog moeilijker om te blijven.' Twee beeldschone jonge vrouwen liepen langzaam voorbij, stopten even en trokken Wyatts aandacht.
Hij citeerde: '"En nu vrees ik opnieuw hetzelfde / De luchtige woorden, het curieuze spel der ogen / Van plotse verandering verbijsteren mij / Uit angst te vallen sta ik niet vast."'
Hij keek Tallis quasi zielig aan. 'Hoe komt het dat ik, als ik weg ben van het hof, me volstrekt normaal kan gedragen, maar als ik hier ben elke vrouw die ik zie wens te bezitten?'
Tallis glimlachte. 'U had gelijk over uw brunette. Zij heeft de wereld inderdaad doen schaterlachen.'
'Maar het verbaast mij te horen dat de koning het nog steeds zijn "geheime kwestie" noemt!' zei Wyatt. Ze lachten beiden. Tallis zei: 'Ik heb iemand onlangs de mening horen uiten dat de koning, ondanks al zijn wereldlijke ervaring, nog steeds dwaas genoeg blijkt te zijn om zich te laten knechten door zijn hartstocht voor een meisje.'
Wyatt schudde medelevend zijn hoofd. 'Nee. Die man is een dwaas. Niet de koning. Waarom zou hij niet een knecht van de harstocht zijn? Waar leven we anders voor? Waarom ademen we? Om verstandig te leven en dan te sterven? Wanneer u zo naar iemand verlangt dat u er met lichaam en ziel door verteerd wordt en u uw leven zou geven voor een enkele kus, of een aanraking, of het voelen van een zwoele ademtocht langs uw wang — dan, Mijnheer Tallis, en alleen dan, leeft u waarlijk en waarachtig. De rest is allemaal verspilling.'
'Behalve als men het opschrijft!'
Wyatt boog zijn hoofd. 'Of, zoals in uw geval, de eigen loftrompet steekt!'
Opeens kwam de koning als een woedende leeuw de hoek om benen. Hij stopte en keek hen kwaad aan. Wyatt en Tallis gingen gehaast staan en bogen. De koning keek Wyatt met opeengeklemde kaken een tijd lang dreigend aan en wandelde toen verder.
Hij sloeg de hoek om en schreeuwde: 'Mijnheer Cromwell! Mijnheer Cromwell!'
Cromwell kwam rennend naderbij.
'U gaat naar Rome,' gaf Henry hem te kennen. 'U gaat die verdoemde Heiligheid een oordeel afdwingen, zo nodig door hem te vertellen dat als hij mij die verdoemde nietigverklaring niet geeft, Engeland zijn onderwerping aan Rome zal intrekken en ik mijn verdoemde getrouwheid aan hem. En breng hem aan zijn verstand dat dit geen loos dreigement is. Ik meen het!
En ik zal het doen als hij mij geen voldoening schenkt!'
'Majesteit.' Cromwell liep buigend weg.
Henry schreeuwde hem na. 'Stuur de Hertog van Suffolk naar me toe. Ik wil hem zien.' Als een gekooid dier beende hij heen en weer tot Brandon verscheen.
'Ik wil dat u naar Parijs gaat en met Koning Francis praat,' zei Henry.
'Ondervraag hem stevig over wat hij weet over Campeggio. Wat voor soort zaken heeft hij met hem gedaan? Wat voor soort man is het? Is hij oprecht?
Heeft hij de ambitie paus te worden? Of heeft hij geheime banden met de keizer? Gewoon alles wat hij weet!'
Brandon knikte. 'Ik zal meteen vertrekken.' Hij maakte aanstalten om weg te gaan.
'En Charles... vraag hem ook naar Wolsey. Wat hij van Wolsey weet. Begrijpt u? Aan wiens kant staat Wolsey?'
Katherine keek verbaasd op toen Thomas More Bisschop Fisher naar haar privévertrekken in het paleis bracht. 'Sir Thomas?' Ze begroette More behoedzaam. Ze had nooit zeker geweten aan wiens kant hij stond. Hij had de reputatie een principieel man te zijn, maar hij was ook Henry's leermeester geweest en had altijd blijk gegeven van genegenheid jegens hem. More viel voor haar op zijn knieën. 'Hare goedgunstige Majesteit, ik heb Bisschop Fisher hier gebracht om u te zien. Ik denk dat hij u oprechte en toegewijde raad kan geven.'
'Dank u, Sir Thomas.'
More boog en vertrok. Katherine stak haar hand uit naar Fisher. 'Eerwaarde bisschop.' Ze gebaarde in de richting van een aantal stoelen met kussens en zei toen: 'Weet u zeker dat u voor mij wenst te handelen? U moet op de hoogte zijn van de problemen en gevaren waarmee u wellicht geconfronteerd zult worden.' Ze keek de oude man aan en voegde er vriendelijk aan toe: 'Ik zou het begrijpen als u de voorkeur geeft aan rust en stilte.'
Maar hoewel hij oud was, beschikte Fisher zowel lichamelijk als geestelijk over een grote taaiheid. 'Wat hebben rust en stilte voor zin, vriendelijke dame, zonder gerechtigheid en de zegen van God?'
Hij ging verder: 'Ik heb de zaak tegen u zeer zorgvuldig overwogen. Zij zullen ongetwijfeld het feit benadrukken dat de pauselijke dispensatie voor uw huwelijk met de koning formeel gezien onvolkomen — en derhalve ongeldig was. Maar de voor de hand liggende manier om een formeel gebrek op te lossen is niet het huwelijk nietig en van generlei waarde verklaren, maar nieuwe en toepasselijker dispensaties uitvaardigen.'
Hij wierp haar een schrandere blik toe.
'Hoe dan ook, de voortduring van een zo lange tijdspanne heeft het huwelijk rechtschapen gemaakt en het principe van supplet ecclesia — de Kerk vult aan - zou op zichzelf enigerlei fout in de pauselijke dispensatie hebben vergoed.'
Katherine staarde hem geïmponeerd aan. Ze had niet gedacht dat een oudere geestelijke blijk kon geven van de scherpe geest van een raadsheer. Ze zei: 'Maar dan veronderstelt u dat we wellicht kunnen winnen?'
Er viel een lange stilte. 'We zouden de bewijsvoering kunnen winnen, ja,'
zei hij. 'Maar ik kan u niet garanderen dat het ons veel voordeel oplevert.'
Bij het zien van de blik in haar ogen haastte hij zich haar gerust te stellen:
'We zullen het wél proberen. Wees hoopvol, madame, want wij staan aan de kant van de engelen.'
Brandon was op het Franse hof aangekomen en dineerde met Koning Francis en diens geliefde echtgenote, Koningin Claude.
'We hebben de pauselijke legaat ontvangen toen hij op zijn reis naar Engeland door Frankrijk kwam,' vertelde Francis aan Brandon. 'Ik heb persoonlijk met Campeggio gesproken. Hij was zeer behoedzaam. Maar uit de weinige dingen die hij heeft gezegd kon ik toch opmaken dat hij huichelde. En ik heb anderen gesproken die hetzelfde gevoel hadden.'
'In welk opzicht huichelde hij?' vroeg Brandon.
'Ik denk dat hij één gezicht toont en het andere verbergt. Hem is gevraagd een zaak af te handelen die hij heimelijk verafschuwt.'
Francis gebaarde dat Brandons glas bijgevuld moest worden en boog zich toen naar hem toe. 'Ik zou de koning, mijn broeder, aanraden behoedzaam te zijn en niet te veel vertrouwen in welke man dan ook te stellen, voor het geval hij misleid wordt.' Hij leunde achterover, glimlachte en nam een slokje wijn.
'Zegt u hetzelfde over Kardinaal Wolsey?' vroeg Brandon. Francis' gezichtsuitdrukking vertoonde een subtiele verandering. Hij en Claude wisselden een blik van verstandhouding. Behoedzaam zei Francis:
'Ik heb niets tegen Zijne Eminentie.'
'Natuurlijk niet,' stelde Brandon hem gerust. 'Maar hoe vindt u dat hij zich opstelt tegenover de echtscheiding?'
Francis haalde zijn schouders op. 'Voor zover ik weet wil hij de echtscheiding doorzetten. Hij heeft geen genegenheid voor de koningin. Maar... tegelijkertijd...' Hij zweeg peinzend.
'Tegelijkertijd?' hielp Brandon hem op weg.
Francis plaatste zijn gespitste vingers tegen elkaar alsof hij een oordeel van boven velde. 'Ook heb ik de indruk dat hij een wonderbaarlijke verstandhouding met de paus heeft; ze begrijpen elkaar. En ook met Kardinaal Campeggio. En hij weet veel van Rome.' Hij zweeg opnieuw. Brandon fronste, terwijl hij probeerde te begrijpen wat hij bedoelde. Francis vervolgde: 'En als hij dus zo veel begrip voor hen heeft - en zij zelf niet van zins zijn de kwestie van de koning te bevorderen — dan moet ik u in alle openheid zeggen dat ik denk dat de koning zich er zelf meer mee moet bemoeien en het niet moet overlaten aan huichelaars.'
Hij zette zijn glas neer. 'Dat is mijn raad.' Hij raakte even de hand van zijn echtgenote aan, stond op en vertrok. Brandon staarde hem peinzend na.
Hij wendde zich weer tot de koningin en zag een zwaarmoedige blik in haar ogen.
'Waar is hij naartoe?' vroeg hij haar.
Ze haalde haar schouders op. 'Ongetwijfeld naar zijn nieuwste maitresse.'
'Waarom zou hij dat doen als hij zo'n mooie echtgenote heeft?' zei Brandon zacht.
'Misschien moet u dat aan hem vragen.'
Brandon zag de glans van niet-geplengde tranen in haar ogen. 'Zou u het hem nooit betaald willen zetten?'
Claude antwoordde opnieuw met een schouderophalen. 'Natuurlijk, altijd. Ik ben een vrouw.'
'Ga dan met mij naar bed,' zei hij.
Lange tijd zei ze niets; ze draaide alleen het wijnglas tussen haar vingers. Toen keek ze hem aan. 'Misschien, als u dat wilt. Maar vertel me eerst... hoe maakt uw knappe echtgenote het?'
'Ze...'
Claude legde hem het zwijgen op. 'Ze is net als ik, is het niet? U hebt verhoudingen en zij negeert dat.'
Hij zei niets. Er verscheen een trieste glimlach op Claudes gezicht en ze zei zacht: 'De liefde bedrijven uit verdriet of wraak — wat is dat? Het kwelt de geest, en de ziel... krimpt. Ja? Begrijpt u, sir? De ziel wordt kleiner... Misschien sterft die zelfs wel.'
Brandon sloeg zijn ogen neer.
Henry en Anne deden een kaartspelletje in Annes vertrekken. Henry leek humeurig en hoewel Anne aan de winnende hand was, was dat slechts ten dele het probleem.
'Wat is er?' vroeg Anne bedeesd.
Na een poosje zei hij: 'Ik heb een bericht van Cromwell gekregen. Na lang wachten kreeg hij toestemming om bij de paus te komen, maar hij heeft in vertwijfeling geschreven.'
Anne speelde een kaart. 'Waarom?'
'Hij gelooft niet dat Clemens iets voor mij zal doen. Hij zei... hij zei over de paus: "Het mag dan in zijn paternoster staan, maar het is niets in zijn geloofsbelij denis"!'
Anne keek op. 'Wat betekent dat?'
'Hij bedoelt dat de paus misschien bidt dat ik mijn problemen oplos, maar hij zal zich er persoonlijk niet op toeleggen er iets aan te doen. Laat zien!'
Anne probeerde haar kaarten ongezien om te draaien. Maar Henry pakte haar hand. 'Laat zien!' eiste hij, en hij draaide haar hand om. Ze had de hartenaas en de hartenkoning.
Hij liet haar hand los en schoof met een kregelig gebaar de rest van zijn geld naar haar toe.
Hun blikken kruisten elkaar. Beiden keken zeer bedroefd. Toen Brandon uit Parijs terugkeerde, wilde hij als eerste een bezoek brengen aan zijn medesamenzweerders: Norfolk, Boleyn en een aantal van hun handlangers. Ze ontmoetten elkaar in een privévertrek van Norfolk binnen het paleis.
'Mijne Excellenties,' zei Brandon. 'Het is nu overduidelijk dat Wolsey heimelijk ten nadele van de koning handelt. Hij is die affiniteit die hij altijd met Zijne Majesteit had kwijt. De koning wantrouwt zijn eerste minister en wij moeten dat wantrouwen aanmoedigen.'
'Het is tijd om hem ten val te brengen,' beaamde Norfolk. Boleyn legde een vel papier op tafel. 'Dat is een schimpschrift. U ziet dat het de dienstperiode van de kardinaal omschrijft als een tijd van zelfgenoegzaamheid, verspilling, onderdrukking en incapabel beleid. Het is klaar om verdeeld te worden.'
'We hebben een plan de campagne gemaakt,' legde Norfolk aan Brandon uit. 'Dat vraagt om de onmiddellijke arrestatie van Wolsey en zijn tussenpersonen, de inbeslagname van hun papieren en een grondig onderzoek van zijn administratie. Zijn corruptie zal openbaar gemaakt worden — zijn verraad gewaarborgd.'
Brandon knikte. 'Ik zal ervoor zorgen dat alle rivierhavens in de gaten worden gehouden, voor het geval Zijne Eminentie - ondanks zijn omvang probeert weg te rennen.'
Ze wisselden meedogenloze blikken van voldoening uit en genoten van het moment waar ze zo lang naar hadden uitgezien. Norfolk wendde zich tot Boleyn. 'Nu hoeft uw dochter alleen nog maar aan de koning te bewijzen dat al zijn achterdocht gerechtvaardigd is.'
'En dan,' zei Brandon opgewekt anticiperend, 'zal de kardinaal blootgesteld worden aan zijn vijanden!'
Wolsey was wanhopig. Hij voelde dat de eerzuchtige wolven hem aan het insluiten waren. Bij toeval zag hij op een dag Campeggio diens uiterst langzame martelgang door een gang maken. Voor het eerst was de afgezant van de paus niet in het gezelschap van zijn zoon, maar slechts van een enkele dienaar. Wolsey greep zijn kans.
Hij pakte de oude man bij zijn arm, sleurde hem een nabijgelegen kamer in en duwde hem tegen een tafel.
'Het proces is aanstaande,' zei hij.
'Inderdaad... Uwe Excellentie,' stamelde Campeggio.
'Ik wil het u nogmaals duidelijk maken,' zei Wolsey, wiens handen in de armen van de oude man knepen. 'Als u weigert de echtscheiding toe te staan, roept u daarmee een golf van antipathie tegen de paus, het pauselijk hof en het pausdom zelf op!'
Campeggio staarde hem met waterige ogen aan, maar hij was vastberaden.
'Ik ben het aan de Heilige Vader verplicht om in deze zaak waarheid en gerechtigheid te zoeken. En dat, Uwe Excellentie, zal ik proberen te doen, zowaar God mijn getuige is.'
Laaiend verstevigde Wolsey zijn greep. 'U schijnt het nog steeds niet te begrijpen. Ik zal het nog een keer voor u op een rijtje zetten: als u niet ten gunste van de koning besluit, zult u niet alleen de koning en de toewijding van zijn koninkrijk aan Rome verliezen - maar vernietigt u mij ook - totaal en voor altijd!
Ze staarden elkaar aan. Er viel een korte stilte.
'Ik begrijp het volkomen,' zei Campeggio ten slotte. 'U moet vertrouwen hebben, Kardinaal Wolsey.'
Wolsey staarde hem vol ongeloof aan. De paus en Campeggio gooiden hem voor de wolven. Hij was machteloos tegenover een dergelijke onverzettelijkheid. Hij verzwakte zijn greep en zag de oude man wankelend naar een stoel lopen.
'God bewaar me,' mompelde Wolsey. Hij draaide zich om en liep weg. De dag van het proces was aangebroken. Buiten de priorij van de Blackfriars Church in Londen gonsde het van de opwinding. Nooit eerder waren een Koning en Koningin van Engeland gesommeerd om samen voor het gerecht te verschijnen.
De mensen duwden en verdrongen elkaar om de verschillende hoofdrol-spelers in dit drama de kerk binnen te zien lopen: Warham, de aartsbisschop van Canterbury, en Bisschop Tunstall met een massa andere priesters. Ook waren er vele vooraanstaande edelen uit het koninkrijk: de Hertog van Norfolk, Brandon, de Graaf van Suffolk, en de Graven van Oxford en Arundel.
De zeventigjarige Bisschop Fisher, de vertegenwoordiger van de koningin, strompelde alleen naar binnen - een eenzame, maar charismatische persoon. De komst van de koning, geflankeerd door Cromwell en Boleyn, veroorzaakte een golf van opwinding. De koning was voor deze gelegenheid schitterend en pompeus gekleed. De burgers, die alles halsreikend gadesloegen, speculeerden hardop over de vraag of de koningin al dan niet zou komen.
Eindelijk verscheen Katherine. Begeleid door Griffith ap Rhys, een loyale man die de koningin al sinds haar komst naar Engeland diende, liep ze in de richting van de kerkdeuren. Ze werd onthaald op een hartelijk en donderend applaus. Ze glimlachte en knikte om haar erkentelijkheid te tonen aan de mensen die zo openlijk blijk gaven van hun liefde en genegenheid voor haar.
Een man in de menigte riep: 'Goede Katherine! Hoe zij zich staande houdt!
Ze geeft geen duimbreed toe!' Het volk juichte en klapte nog harder. Katherine betrad de grote zaal terwijl het applaus nog naklonk in haar oren. De prachtige ruimte was ingericht als een plechtig gerechtshof met tapijten op de vloer en aan de wanden. Voor Henry en Katherine waren er zetels onder koninklijke baldakijnen van goudbrokaat; die van de koningin iets lager dan die van de koning. Ze werden gescheiden door de banken van de toeschouwers.
Tegenover hen, aan het hoofdeinde van de zaal, zaten de geestelijken die als voorzitters optraden in hun scharlakenrode gewaden: Campeggio en Wolsey. De eerste was met veel pijn en moeite in zijn stoel geholpen. Campeggio zegende het gerechtshof en sloeg een kruis met de woorden:
'In nomine Patris et Filü et Spiritus Sancti. Ik verklaar dit gerechtshof met de autoriteit van Zijne Heiligheid Paus Clemens nu voor geopend. Alles wat hier gezegd wordt, wordt gezegd onder ede en in aanwezigheid van God almachtig.'
Hij zweeg en keek naar de koning. 'Ik roep Zijne Majesteit op om als eerste het woord te doen over zijn zaak.'
Iedereen draaide zich om naar de koning.
'Uwe Eminenties,' zei Henry. 'U weet met welke reden ik hier aanwezig ben. Het betreft gewetensbezwaren die ik heb aangaande mijn huwelijk. Deze had ik aanvankelijk niet — tot de Bisschop van Tarbes vraagtekens plaatste bij de wettigheid van mijn dochter Mary. Daarna heb ik alom raad ingewonnen en in Leviticus gelezen dat het tegen Gods wet was, en een zonde, dat ik met de vrouw van mijn broer getrouwd ben.'
Hij pauzeerde. 'Uwe Eminenties, ik sta niet alleen in het ter discussie stellen van de geldigheid van mijn huwelijk. Al mijn bisschoppen delen mijn twijfels en hebben een petitie getekend om deze zaak te betwisten. Plotseling stond Bisschop Fisher op en zei: 'Mijne Excellenties, ik zeg u nu dat ik een dergelijk document nooit ondertekend heb. En als mijn naam er wel onder staat, heeft Aartsbisschop Warham die daar zonder mijn toestemming neergezet!'
Dit veroorzaakte geroezemoes op de tribunes.
Henry maakte een geïrriteerd gebaar. 'Welnu, ik ga nu niet met u in discussie. U bent slechts één man. Wat betreft de hoofdzaak: als mij gevraagd wordt waarom ik zo lang gewacht heb met het voor het gerecht brengen van deze kwestie, dan kan ik oprecht zeggen dat het de grote liefde die ik de koningin toedraag was die mij daarvan heeft weerhouden. Ook heeft Kardinaal Wolsey dit nimmer aan de orde gesteld. Ikzelf ben degene die alle verantwoordelijkheid draagt, en het is mijn eigen geweten dat me kwelt en in verwarring brengt. En derhalve vraag ik dit hof slechts één ding: gerechtigheid.'
Hij keek naar Campeggio, maar de gezichtsuitdrukking van de oude man was ondoorgrondelijk.
Wolsey kondigde aan: 'Zo dadelijk zal het hof Hare Majesteit de Koningin vragen te reageren op de verklaring van Zijne Majesteit.' Hij keek de zaal rond. 'Maar eerst moet ik het hof meedelen dat de koningin via haar raadslieden heeft geprobeerd de bevoegdheid van dit hof inzake het berechten van haar zaak ter discussie te stellen. Daarnaast betwist zij de onpartijdigheid van haar rechters. En ten slotte betoogt ze dat deze zaak reeds in handen is van een hogere autoriteit - namelijk de paus - en derhalve alleen in Rome berecht kan worden.'
Opnieuw nam hij elke man in het hof in zich op. 'Wat betreft het eerste kunnen Kardinaal Campeggio en ik als naar behoren benoemde legaten bevestigen dat we de benodigde autorisatie van Zijne Heiligheid hebben om de zaak hier te berechten. Ten tweede ontken ik krachtig enige partijdigheid van mijn kant. Ik ben simpelweg door de paus benoemd om de waarheid van dit huwelijk te achterhalen. Tot slot: aangezien dit gerechtshof volgens de regels is ingesteld en legaal is, verwerpen wij de bezwaren van de koningin en vervolgen dit proces zoals ons opgedragen is.'
Hij pauzeerde en zei toen: 'Nu roep ik Hare Majesteit Koningin Katherine op om zich tot het hof te richten.'
Katherine stond op. Ze baande zich met enige moeite een weg tussen de toeschouwers door en bereikte Henry's zetel — en wierp zichzelf aan zijn voeten. Het publiek deinsde van schrik achteruit.
Henry, die er gegeneerd uitzag, hielp haar snel en vriendelijk overeind. Bijna onmiddellijk knielde Katherine opnieuw smekend voor hem neer.
'Sir,' zei Katherine, 'ik smeek u namens alle liefde die er tussen ons is geweest: schenk mij gerechtigheid en rechtvaardigheid, schenk me wat medelijden en compassie, want ik ben een arme vrouw en een vreemdelinge, geboren buiten uw rijksdelen. Ik heb hier geen vrienden en weinig begeleiding. Ik verlaat me op u als hoogste rechtgevende macht in dit koninkrijk.'
Ze keek naar hem op. 'Ik roep God en de hele wereld op om te getuigen dat ik voor u een ware, nederige en gehoorzame echtgenote ben geweest, die altijd aan uw wensen en genoegens tegemoet is gekomen. Ik had al degenen lief die u liefhad, om uwentwille, of ik daar nu reden toe had of niet en of ze nu mijn vrienden of mijn vijanden waren.'
Ze zweeg. De mensen in de rechtszaal keken geboeid en muisstil toe. Henry staarde haar aan; hij leek geheel in de ban van haar ogen. Katherine vervolgde: 'Bij mij hebt u vele kinderen gehad, hoewel het God heeft behaagd hen van deze wereld te roepen. Maar toen ik voor het eerst de uwe was — en God is mijn rechter — was ik waarlijk maagd, onaangeraakt door mannen. En of dit de waarheid is of niet laat ik aan uw geweten over.'
Het was doodstil toen Katherine opstond. Ze maakte een diepe reverence voor de koning en liep vervolgens aan de arm van Griffith ap Rhys op een waardige manier naar de uitgang.
Henry, die zich te laat realiseerde wat er was gebeurd, gebaarde snel naar de gerechtsbode. Die haastte zich achter de koningin aan en schreeuwde:
'Katherine, Koningin van Engeland, keer terug naar het hof!'
Katherine liet niet blijken dat ze het gehoord had. Met opgeheven hoofd vervolgde ze haar langzame en gracieuze aftocht.
De gerechtsbode schreeuwde nogmaals en iets luider: 'Katherine, Koningin van Engeland, keer terug naar het hof!'
Er steeg een verbaasd en speculatief geroezemoes op onder de toeschouwers. De gerechtsbode riep haar voor de derde keer op om terug te keren.
'Katherine, Koningin van Engeland, u krijgt het bevel terug te keren naar het hof!'
Katherines begeleider, Griffith ap Rhys, aarzelde. 'Misschien moet Uwe
'Majesteit omkeren! U wordt opnieuw geroepen.'
'Verder, verder,' gaf Katherine hem te kennen. 'Het doet er niet toe, want voor mij heeft dit hof geen betekenis. Daarom zal ik hier niet blijven. Komaan.' Ze bewoog zich statig door de deuren en stapte naar buiten. Haar verschijning werd begroet met een hernieuwde uitbarsting van gejuich en applaus, hetgeen haar deed glimlachen. Binnen kon Henry alle juichkreten voor zijn vrouw horen. Ze vulden de zaal. Hij stond op, wierp een boze, verwijtende blik naar Wolsey en stormde toen door de achterdeur naar buiten. Wolsey, die opstond om voor hem te buigen, verstijfde toen hij de gezichts-uitdrukking van de koning zag.
Hoofdstuk 18
Ondanks de opvallende afwezigheid van de koningin werd de rechtszaak vervolgd. Het was een drukkend hete dag en alle lucht leek uit de rechtszaal verdwenen. Het publiek wuifde zich zo goed als het kon koelte toe. Geflankeerd door Norfolk, Cromwell en Boleyn zat Henry ingespannen te luisteren.
Wolsey richtte zich tot hen. 'Mijne Excellenties, in afwezigheid van de koningin zelf, die door dit tribunaal weerspannig is verklaard omdat ze niet verschijnt als ze daartoe opgeroepen wordt, proberen we vast te stellen of haar eerste huwelijk met Prins Arthur al dan niet is geconsumeerd door vleselijke bekenning. Wij roepen als getuige op: Sir Anthony Willoughby.'
Willoughby, een man van ongeveer Henry's leeftijd, nam plaats voor de legaten.
'Ik heb begrepen dat u tot het gezelschap behoorde dat Prins Arthur naar de echtelijke sponde begeleidde?' vroeg Campeggio.
'Dat is zo, sir,' antwoordde Willoughby. 'Mijn vader was indertijd rentmeester van de huishouding van de koning. Dus ik was aanwezig toen de prins in het bed van Lady Katherine werd gelegd, en ook toen hij de volgende morgen wakker werd.'
'En heeft de prins iets tegen u gezegd toen u hem 's morgens zag?'
'Ja, sir. Hij zei: "Willoughby, ik heb dorst. Breng me een kroes bier. Ik ben vannacht midden in Spanje geweest.'"
Even was het stil op de tribune. En toen kon een man zijn lachen niet meer inhouden. Dat werkte aanstekelijk en de rechtszaal galmde van de lachsalvo's.
De gerechtsbode bonkte met zijn staf op de grond en schreeuwde: 'Stilte!
Stilte in de rechtszaal!' Het gelach verstomde.
'Nog iets anders?' vroeg Campeggio.
Willoughby knikte. 'Ja, sir. Later die dag zei hij tegen ons: "Meesters, het hebben van een echtgenote is een uitstekend tijdverdrijf" Opnieuw werd er gelachen in de rechtszaal.
Wolsey zei: 'Ik geloof dat we wellicht nog beschikken over met bloed bevlekte lakens die het verhaal van deze mijnheer kunnen staven.'
Campeggio keek Wolsey met een uitgestreken gezicht aan. 'Dat zou uiterst bruikbaar zijn, Uwe Eminentie. Uiterst bruikbaar.'
Die avond stonden Wolsey en Cromwell Katherine, die in de kerk zat te bidden, gade te slaan. Wolsey trommelde ongeduldig met zijn vingers. Eindelijk was ze klaar; samen met haar dames begon ze door het gangpad van het altaar weg te lopen. Wolsey en Cromwell stapten in het gangpad en sneden haar de pas af.
Katherine trok haar wenkbrauwen op. 'Heren?'
'Zijne Majesteit vraagt waarom u niet in de rechtszaal verschijnt,' zei Wolsey.
'Daar heb ik u al een antwoord op gegeven.'
Wolsey wierp een blik op haar gevolg van dames, die allen nieuwsgierig meeluisterden. 'Kunnen we ons ergens afzonderen?'
'Waarom?' Katherine keek hem minachtend aan. 'Ik heb niets te verbergen. Mijn dames en de hele wereld mogen horen wat u te zeggen hebt.'
Wolsey probeerde een beleefde uitdrukking op zijn gezicht te toveren. Deze koppige vrouw zou nog eens zijn dood worden. Op zijn voorhoofd parelden zweetdruppels. 'Zijne Majesteit eist dat u deze hele kwestie aan hem overdraagt. Anders zult u door het hof veroordeeld worden.'
Katherine toverde een blik van ontzetting tevoorschijn. 'Het verbaast me een dergelijk verzoek van zo'n nobel en wijs man als u te vernemen. Ik ben slechts een arme vrouw, ik ontbeer zowel wijsheid als scherpzinnigheid. Hoe kan ik reageren op een verzoek dat mij totaal overrompelt?'
Haar sarcasme maakte Wolsey rood van woede. 'U weet maar al te goed wat de koning wenst - en moet hebben.'
Katherine keek kwaad terug. Cromwell sloeg de woordenwisseling onbewogen gade.
'Het enige wat ik weet, Eminentie,' zei Katherine, 'is dat u, in uw eigen belang, dit vuurtje hebt aangewakkerd. Ik heb mij al die tijd, al die jaren, verwonderd over uw hoogmoed en verwaande trots. Ik heb uw weelderige leven verfoeid en totaal geen ontzag gehad voor uw aanmatigende macht en uw tirannie!'
Haar mondhoeken zakten naar beneden van minachting. 'Ik ben eveneens op de hoogte van uw kwaadwilligheid ten opzichte van mijn neef de keizer. U haat hem uit het diepst van uw hart. En waarom? Omdat hij uw ambitie om paus te worden niet wilde bevredigen.'
Ze glimlachte. Wolseys gezicht was vertrokken van woede. Hij moest verschrikkelijk veel moeite doen om zich te beheersen. 'Madame, u maakt een grote fout door te veronderstellen...'
Ze onderbrak hem. 'Mijn enige voldoening haal ik uit het feit dat ik, door u te dwarsbomen, het moment dat u uit de gratie van de koning geraakt bespoedig — een resultaat waar ik ten diepste naar verlang!' En daarmee stevende ze hem voorbij, gevolgd door haar dribbelende dames. Wolsey was laaiend. Hij maakte aanstalten om achter haar aan te gaan, maar Cromwell pakte hem bij de arm. 'Stop, Uwe Eminentie. Op die manier krijgt u uw echtscheiding niet.'
Wolsey staarde hem aan. 'Er is geen andere manier!' Hij schudde Cromwells hand van zich af en stormde naar buiten. Die avond was het aan het hof drukker dan ooit, want iedereen was naar Londen gekomen voor de rechtszaak. Henry schreed naar binnen, schitterend gekleed in goudlaken afgezet met lynxvacht. Aan zijn zijde liep Anne Boleyn. Zij was getooid met oogverblindende juwelen en zag er prachtig uit. Ze liepen tussen de buigende mensen door. Anne was zich bewust van de spottende opmerkingen en de kilte achter de valse glimlachjes van de hovelingen, maar ze weigerde daar aanstoot aan te nemen. Ze gedroeg zich uitdagend en vol trots.
Bij de deuren naar de privévertrekken van de koning - op een ereplaats stonden haar vader en haar oom, de Hertog van Norfolk, alsmede haar broer George. Henry stopte even om hen vriendelijk toe te lachen. Anne kuste hen hartelijk.
Terwijl Anne en Henry naar binnen liepen, zei Norfolk tegen Boleyn:
'Mijn bronnen melden me dat de keizer Wolsey beschuldigt van het aanzetten tot de echtscheiding. Hij denkt dat het volk van Engeland in opstand zal komen en dat creatuur naar het schavot zal brengen.'
'Zijn eind is ongetwijfeld aanstaande,' beaamde Boleyn. 'Waarna Uwe Excellentie de belangrijkste man in de raad zal zijn — zoals dat u ook toekomt.'
Norfolk keek zelfvoldaan en zei: 'In welk geval, Boleyn, ik er alles aan zal doen om de belangen van uw familie te behartigen. Het is waar dat u ver bent gekomen.' Hij glimlachte. 'Maar u zult zelfs nog verder opklimmen!'
In de privévertrekken van de koning zaten Henry en Anne te eten - Anne zat op Katherines stoel. Kamerheren en dienaren zwermden om hen heen; ze brachten eten en schonken wijn in. Henry gaf een teken en de musici begonnen een ballade ten gehore te brengen die Henry zelf voor Anne had gecomponeerd.
Henry kon zijn ogen niet van Anne afhouden. 'Hebt u het gezien? ledereen keek naar u. Dat verheugt me. Ik wil dat ze naar u kijken. Ik wil dat ze afgunstig zijn. Ik wil dat ze weten hoeveel ik van u houd.'
'Dan ben ik, zoals mijn familiespreuk luidt, "het meest gelukkig".' Ze glimlachte en legde haar met edelstenen bezaaide hand op de zijne. 'Hoe is het vandaag bij de rechtszaak gegaan?'
Henry's gezicht verstrakte. 'Wel goed.'
'En toch weigert Katherine nog steeds te verschijnen?'
'Het zal geen verschil maken,' zei Henry kortaf. 'Wolsey belooft me dat ik tegen de zomer mijn echtscheiding zal hebben.'
Anne keek neer op haar bord. 'Beloften zijn gemakkelijk.'
Henry wierp haar een waarschuwende blik toe. Ze negeerde die en zei: 'En als Wolseys belofte nu vals blijkt te zijn?'
In een Londense taveerne aan de haven, die vol zat met gezellen, zeelui en hoeren, werd over niets anders gepraat en gelachen dan de rechtszaak. Een man sloeg op de bar en vroeg luidkeels om de aandacht van de waard.
'Vriend! Geef me iets te drinken! Ik heb dorst! Als u net zo vaak in Spanje was geweest als ik afgelopen nacht zou u ook een verdomde dorst hebben!
Naar binnen en naar buiten, naar binnen en naar buiten, naar binnen en naar buiten...'
Iedereen brulde van de lach om die grap.
Toen hief een stoer uitziende zeeman zijn kroes. 'Een toost, zeg ik! Een toost op Koningin Katherine, de Koningin van Engeland - die geen duimbreed wijkt! — God zegene haar!'
Als één man stonden ze allemaal op en herhaalden de toost: 'Op de Koningin van Engeland — God zegene haar!' En ze dronken hun bier. Brandon werd midden in de nacht wakker. Margaret was het bed uit gegaan en stond in haar nachtgewaad, met haar armen om zich heen geslagen, uit het raam van hun woning op het platteland te staren.
'Margaret?' zei hij. 'Wat is er?'
'Ik kon niet slapen.'
'Het is koud. Kom weer in bed.'
Ze schudde haar hoofd. 'Nog niet.'
Hij keek een poosje naar haar en zei toen: 'Ik ga morgen naar het hof. Komt u ook? Uw broer heeft wederom om uw aanwezigheid verzocht.'
Weer schudde Margaret haar hoofd. 'Dat heb ik u al gezegd. Niet zolang hij in het openbaar de liefde bedrijft met dat meisje Boleyn. Het is aanstootgevend en hij zet zichzelf voor gek. Iedereen ziet hoe voldaan en inhalig de Boleyns zijn. Waarom hij dan niet?'
'Maar als de koning het u nu beveelt?'
'Dat doet hij niet. Maar gaat u gerust naar het hof als u zich er zorgen over maakt. Ik weet dat u het mist.'
'En als ik nu mijn vrouw mis?'
Ze liep langzaam naar het bed en schonk hem een warme glimlach. Ze boog voorover en streelde zijn gezicht.
Brandon trok zijn wenkbrauwen op van verbazing. 'Wat is dit?'
'Gewoon een echtgenote en haar man,' zei ze zachtjes. Ze boog zich over hem heen en kuste hem teder op de lippen. 'Ga nu slapen, mijn lieveling. Mijn lieve Charles. Ik bid je, ga slapen.' Ze legde haar vingertoppen op zijn oogleden... en zijn ogen gingen dicht.
Margaret verliet het slaapvertrek en begon, terwijl ze een kandelaar hoog hield, de trap af te lopen. Halverwege begon ze te hoesten; ze drukte een zakdoek tegen haar mond.
Toen de hoestbui over was, opende ze haar linnen zakdoek en keek in het kaarslicht naar de bloedvlekken die levendig afstaken tegen het schone doek.
Het gerechtshof in Blackfriars kwam weer bijeen. 'In afwezigheid van de koningin,' kondigde Campeggio aan, 'zal haar raadsheer, Bisschop Fisher, een verklaring afleggen aan dit hof.'
Fisher kwam langzaam overeind. Hij zag er zeer fragiel uit en hoewel zijn stem zacht was, klonk die des te krachtiger en dwingender omdat hij uit zo'n iel lichaam kwam. Hij wendde zich tot het hof: 'Uwe Edelachtbaren, u bent gevraagd een vonnis te vellen over de geldigheid van het koninklijk huwelijk. Heren, het is mijn overtuiging dat dit huwelijk van de koning en de koningin door geen enkele macht, menselijk noch goddelijk, kan worden ontbonden.'
Hij liet een theatrale stilte vallen. Het publiek roerde zich in afwachting van nog heviger zaken. Het gezelschap van de koning wisselde verontruste blikken uit.
Fisher vervolgde: 'Laat ik u, als u mij toestaat, een Bijbelse parallel geven. U herinnert zich ongetwijfeld de viervorst Herodes Antipas, die zich ontdeed van zijn echtgenote om de vrouw van zijn broer te trouwen. En die Johannes de Doper vervolgens liet onthoofden toen deze het koninklijke echtpaar durfde te bekritiseren.'
Deze vergelijking van de koning met een beroemde Bijbelse tiran ontlokte ongelovige kreten aan het publiek.
Fisher ging verder: 'Maar net als Johannes de Doper zeg ik, in alle nederigheid, vandaag tegen u allen dat ik bereid ben mijn leven op te geven om het sacrament van het huwelijk te verdedigen en overspel te veroordelen!'
Hierop brak er een pandemonium uit in de rechtszaal. Henry was furieus. Fisher werd gedwongen weer te gaan zitten.
Bisschop Tunstall, die achter de koning stond, sprong overeind en schreeuwde boven het tumult uit: 'Edelachtbaren, ik beschuldig Bisschop Fisher van aanmatiging, vermetelheid en trouweloosheid! Ik eis dat u elk verachtelijk woord negeert!'
Maar het leed was al geschied. Buiten zichzelf van woede verliet Henry met zijn entourage de rechtszaal. Alleen Cromwell bleef achter - een berekenende beslissing van hem. Wolsey stond het tumult ontzet gade te slaan.
Sir Thomas More werd 's avonds het vertrek van Wolsey binnen geleid. Wolsey keek op van zijn bureau, dat, zoals gebruikelijk, kreunde onder stapels officiële documenten en verslagen.
'Ah, Thomas. Kom binnen! Iets drinken?'
More schudde zijn hoofd. 'Niet voor mij, dank u.'
Wolsey schonk zichzelf iets te drinken in. Zijn hand trilde tijdens het schenken. 'Ik heb een missie voor u.' Hij dronk. 'De Fransen en de strijdkrachten van de keizer hebben hun aanvallen gestaakt. Er komt een soort overleg in Frankrijk, in een plaats die Cambrai heet, tussen hun onderhandelaars en vertegenwoordigers van de paus.'
Hij dronk nog wat wijn. 'Ik heb geprobeerd Zijne Majesteit over te halen mij toe te staan dat overleg bij te wonen... maar Zijne Majesteit staat erop dat mijn aanwezigheid hier noodzakelijk is.'
More boog zijn hoofd ter erkenning van een voor de hand liggende waarheid. Wolsey transpireerde, hoewel de avond niet opvallend warm was.
'Waar het om gaat, Thomas, is dat er geen akkoord tussen de twee andere partijen mag komen. Ik heb van de Koning van Frankrijk - die per slot van rekening onze bondgenoot is - persoonlijk de verzekering gekregen dat hij nooit, onder geen enkele omstandigheid, vrede zal sluiten met de keizer. Evenzo mag er geen sprake zijn van toenadering tussen de keizer en de Heilige Vader. U moet begrijpen dat het in dat geval voor de paus onmogelijk zou zijn om aan de wens van de koning te voldoen.'
'Dat begrijp ik,' zei More.
'U hebt principes; dat begrijp ik ook. Maar uit naam van de genegenheid die wij de koning beiden toedragen, is het uw taak om in Cambrai zo obstructief mogelijk te zijn. Zorg dat Francis zijn belofte aan ons niet breekt
- en laat de paus niet vergeten dat het de strijdkrachten van Charles waren die Rome zijn binnengevallen en hebben geplunderd!'
Wolsey zweeg en nam weer een slok; zijn hand trilde. 'En er is nog één ander ding. Probeer er op een subtiele manier via zijn tussenpersonen ach-ter te komen of de keizer van plan is geweld te gebruiken om zijn tante te steunen.'
More fronste. 'Denkt u dat hij Engeland zal binnenvallen ter ondersteuning van de koningin?'
Wolsey zwaaide met zijn hand. 'Ik denk niets. Maar ik kan me van alles voorstellen.'
Campeggio was zo verzwakt dat hij door dienaren in een draagstoel naar het hof vervoerd moest worden. Ze zetten de draagstoel buiten het paleis neer en de oude man moest zich vreselijk inspannen om eruit te klimmen. Het regende; een jonge man die de worsteling van de oude man zag haastte zich naar hem toe en hielp hem naar de ingang.
'Dank u, vriendelijke heer,' zei Campeggio.
Geen enkele omstander had in de gaten dat de jonge man een briefin de zak van de kardinaal liet glijden, terwijl hij fluisterde: 'Van Zijne Heiligheid.'
Op een droog plekje had Campeggio even tijd om de brief snel door te lezen; toen stopte hij die weer in zijn zak. Vervolgens schuifelde hij door de deuren het paleis binnen.
Op hetzelfde moment betraden de koning en Knivert de ruimte via een andere deur. Ze zagen dat Campeggio in een stoel naast de open haard werd geholpen.
'Kijk! Hij moet altijd op iemand leunen,' merkte Henry op.
'Misschien zou iemand eens op hem moeten leunen,' zei Knivert.
'Misschien.' Henry liep naar Campeggio toe, die met zeer veel pijn overeind kwam. 'Eminentie.'
'Uwe Majesteit.'
Henry keek hem strak aan. 'Ik reken erop dat u weldra tot een uitspraak zult komen.'
'Inderdaad,' antwoordde Campeggio, zonder iets te beloven. Op koele toon zei Henry: 'Wij betreuren de berichten over de gebeurtenissen in Duitsland. Over de vernieling van kerken.'
Campeggio schudde zijn hoofd. 'Treurig stemmende gebeurtenissen, Majesteit.'
'Maar waarom gebeurt dat?' zei Henry betekenisvol.
'Majesteit?'
'Dat zal ik u zeggen. De lutheranen uiten hun agressie op wat zij zien als de verdorvenheid van Rome. Ze zeggen dat de ontaarden worden beloond, maar de getrouwen in de steek worden gelaten en een slechte behandeling krijgen.' Hij liet zijn woorden bezinken. 'Ik ben een gelovig man, Eminentie. God verhoede dat de Heilige Vader mij zijn rug toe zou keren!' Hij draaide zich om en schreed weg.
Henry dineerde nog een keer met Katherine om aan te tonen dat hij haar tafel deelde. Dienaren en kamerheren renden heen en weer. Er klonk muziek. De koning at. Het diner werd onderbroken door lange stiltes. Na een van die stiltes zei Katherine: 'Hebt u niets vriendelijks te zeggen?'
'Vriendelijk?' zei Henry.
'Tegen uw echtgenote. De moeder van uw kind. U behandelt me zo onaardig. En negeert mij in het openbaar.'
Henry was gepikeerd. 'Katherine, u moet zich neerleggen bij het onvermijdelijke. Het grootste deel van de academische opvattingen weegt in ons nadeel. Wij zijn nooit wettelijk man en vrouw geweest. Het hof zal in mijn voordeel beslissen.' Hij veegde zijn mond af. 'En als dat niet gebeurt, zal ik de paus uitmaken voor ketter en trouwen met wie ik wil.'
'Dat is geen wettelijk argument,' zei Katherine. 'Louter een bewering.'
'Natuurlijk is het wettelijk! Ik heb alle bestaande boeken over canoniek recht gelezen.'
'Uw hele zaak berust op mijn maagdelijkheid. En ik zweer u dat ik een maagd was toen ik met u trouwde.'
Henry was opnieuw niet op zijn gemak. Hij zei niets.
'Lieveling,' zei Katherine zacht, 'ik zweer u bij alle engelen dat ik onaangeroerd was toen ik in uw bed kwam.'
Dat was de laatste druppel. Henry's woede ontvlamde. Hij stond abrupt op. 'Goed! Dan was u een verdoemde maagd. Daar gaat het niet om!' En hij liep bij haar weg.
Hij zette regelrecht koers naar de vertrekken van Anne Boleyn om soelaas te zoeken. Hij vertelde haar over de ruzie met Katherine, maar voor het eerst toonde Anne niet veel medeleven.
'Ik heb u toch gezegd dat als u met Katherine redetwistte, zij ongetwijfeld de bovenhand zou hebben?'
'Ja, maar...' Hij probeerde haar te omhelzen, maar ze wilde er niets van weten. Ze liep zichtbaar overstuur bij hem vandaan. 'Ik zie nu in dat u op een dag zult bezwijken voor haar argumenten en mij afdankt.'
'Wat? Wat bedoelt u? Natuurlijk doe ik dat niet!' Hij probeerde opnieuw haar te omhelzen. 'Ik houd van u, Anne!'
'Laat me los,' zei ze furieus. 'Laat me los!' De tranen sprongen haar in de ogen. Ze worstelde zich los en zei met stemverheffing: 'Ziet u het dan niet?
Begrijpt u het dan niet? Ik wacht al zo lang. En waarop?'
Ze spreidde uitzinnig haar armen. 'Ik had allang een gunstig huwelijk kunnen sluiten en zoons kunnen baren - hetgeen voor een vrouw de grootste levensvertroosting is. Maar nu besef ik dat ik mijn tijd en mijn jeugd heb verspild. Zinloos. Voor niets!' Ze was bijna hysterisch. Henry had geen idee wat hij moest doen. 'Anne, alstublieft. Alstublieft! U
zult mijn zonen baren!'
Anne duwde hem van zich af. 'Nee! Het is te laat. Uw echtgenote laat u niet gaan. Dat had ik me moeten realiseren.'
Hij staarde haar verward en verbaasd aan, terwijl zij door de kamer rende en haar spullen verzamelde.
'Waar gaat u heen?' vroeg Henry toen zij in de richting van de deur liep.
'Naar huis!'
'Nee, blijf. Ik smeek het u. Blijf. Ik houd van u. Ik ben. Anne vertrok.
'... de Koning van Engeland,' maakte Henry zijn zin af. Maar Anne was weg. De dag van het vonnis was aangebroken. Henry zat, geflankeerd door Norfolk, Brandon en Boleyn, gespannen te wachten. De rechtszaal was afgeladen; de mensen zaten stil af te wachten. Alle ogen waren gericht op de twee gestalten in hun rode kardinaalsgewaden.
Het duurde en duurde maar. Campeggio verroerde zich nog steeds niet.
'Dit is niet uit te houden,' mompelde Brandon.
Henry hoorde hem. 'Zwijg!'
De procureur van de koning baande zich een weg naar de twee kardinalen en boog. 'Eminenties, overeenkomstig de wetten en regels van dit tribunaal, en de wensen van Zijne Majesteit, vraag ik u officieel uw oordeel uit te spreken.'
Hij boog opnieuw en trok zich terug. Iedereen wachtte. Langzaam en pijnlijk leunend op een stok ging Campeggio rechtop staan. Er viel een lange stilte en toen zei hij ten slotte: 'Uwe Majesteit... Mijne Excellenties... na uitvoerig overleg is besloten dat deze voorname kwestie te belangrijk is om er hier, zonder consultatie van de curie in Rome, een vonnis over te vellen.'
Hij bevochtigde zijn droge lippen... en voelde een kwaadwillende stemming om zich heen ontstaan. 'Helaas is de curie momenteel met zomerreces. Derhalve is er geen enkele andere mogelijkheid dan dit tribunaal te verdagen tot l oktober. Dat is onze uitspraak.'
Het duurde een paar tellen voor de betekenis van zijn woorden was doorgedrongen. Toen barstte er een luid gejoel los. Een wanhopige Wolsey vloekte tegen Campeggio.
Henry staarde ongelovig voor zich uit. Hij was bedrogen! Hij had verloren!
Met een van woede vertrokken gezicht stond hij op en beende naar buiten. Norfolk liep achter hem aan.
Ook Wolsey probeerde ervandoor te gaan, maar Brandon greep hem vast en zei met luide stem: 'Weet u nog, het goede oude Engeland in de tijd dat er nog kardinalen onder ons waren!'
Wolsey draaide zich laaiend naar hem toe. 'Bent u zo dom om te denken dat ik hierachter zit?' Hij keek Brandon misprijzend aan en voegde eraan toe: 'En van alle mannen in dit koninkrijk hebt u wel de minste reden om boos te zijn op kardinalen! Want als ik, een eenvoudige kardinaal, er niet was geweest, zou u geen hoofd meer op uw schouders hebben!' Wolsey duwde Brandon woedend opzij en verliet de rechtszaal. Achter hem brak een pandemonium los.
Hoofdstuk 19
Koningin Katherine glimlachte toen de Spaanse ambassadeur, Senor Mendoza, haar hand kuste. 'Een gelukkige dag, Majesteit,' zei hij in het Spaans, want hoewel er slechts een paar hofdames van Katherine aanwezig waren, spioneerde minstens één van hen voor Wolsey.
'Dat is het zeker, Senor Mendoza. Ik was zeer verrast — en verheugd — aangaande het vonnis.'
Fluisterend vertelde hij haar: 'Campeggio heeft van Zijne Heiligheid geheime instructies ontvangen om de zaak naar Rome te halen.'
Katherine glimlachte weer. 'Dus ik ben niet in de steek gelaten.'
'De keizer heeft zich onvermoeibaar voor uw zaak ingespannen,' verzekerde hij haar. Katherine stapte over op het Engels. 'Is het waar dat u vertrekt?'
'Ja, Majesteit. Ambassadeur Chapuys zal mij vervangen.'
'Ik ken hem.'
'Hij is een zeer betrouwbaar iemand en hij zal uw verdediging met alle mogelijke loyaliteit en ijver op zich nemen.'
'Zoals u hebt gedaan, Senor Mendoza. Neem dit, ter herinnering aan mij.'
Ze haalde een grote edelsteen van haar keurslijf en gaf die aan hem. Mendoza, die geraakt was door het gebaar, boog opnieuw diep en kuste haar hand. 'Majesteit.'
Ondanks de precaire positie waarin hij verkeerde, bleef Wolsey doorwerken. Hij ploegde zich achter zijn bureau door een berg papierwerk alsof er niets was veranderd. De recente gebeurtenissen hadden echter een fysieke tol van hem geëist. Hij zag er gespannen uit, was afgevallen en er zaten donkere kringen onder zijn ogen. Hij had al heel lang niet goed geslapen. Hij ondertekende een document en bezegelde het net met het kanselierszegel, toen de deur openging en een dienaar de komst van Wolseys voormalige protégé en thans de secretaris van de koning, Mijnheer Thomas Cromwell, aankondigde.
Wolsey keek hoopvol op naar Cromwell. 'Thomas, hoe maakt de koning het?'
'Zijne Majesteit heeft besloten een hofreis te maken. Onmiddellijk.'
Cromwell ging zitten en voegde er toen aan toe: 'Hij gaat met Lady Anne.'
Wolseys gezicht betrok door dit slechte nieuws. Hij wist dat Anne Boleyn de tijd zou gebruiken om Henry nog meer tegen hem in het harnas te jagen. In gedachten ging hij koortsachtig op zoek naar iets waarmee hij de genade van de koning kon terugwinnen.
'Zeg tegen Zijne Majesteit dat ik hem nu de baten van het bisdom Durham in handen geef,' zei hij. 'Het is een van de rijkste in Engeland.'
Cromwell boog zijn hoofd.
'En vertel Zijne Majesteit dat ik zal blijven werken aan zijn voorname zaak,' ging Wolsey verder. 'Zeg hem dat zowel Zijne Eminentie Kardinaal Campeggio als ik zijn wettelijke wens gaarne zal volvoeren.'
'Ik zal het hem zeggen.'
'En Thomas...' Wolsey zweeg. Hij ademde zwaar en veegde wat zweet rond zijn mond weg. 'Thomas, zeg me dat ik erop kan vertrouwen dat u mijn belangen bij Zijne Majesteit behartigt.' Hij hield Thomas' aandacht vast met een bezorgde blik.
'Dat mag u, Uwe Eminentie,' verzekerde Cromwell hem. 'Want zonder u zou ik nog steeds een eenvoudige klerk zijn, nutteloos en zonder toekomst. Ik ben u mijn leven schuldig.'
Die woorden van Cromwell toverden een klein glimlachje op Wolseys gezicht. Henry was gewend regelmatig hofreizen te maken door zijn koninkrijk. Het diende verschillende doelen: het stelde hem in staat contact te houden met zijn onderdanen, het zorgde ervoor dat de kosten van het levensonderhoud van het grote aantal mensen aan het hof werden uitgesmeerd, het maakte het leven interessanter en het was een voorzorgsmaatregel tegen de opstapeling van viezigheid en ziekte.
Het feit dat hij deze keer met Anne reisde bezorgde Henry een nieuw soort opwinding. Hij en Anne reden voor de rest van het gezelschap uit; ze galoppeerden snel over het landschap en genoten van een gevoel van vrijheid. Toen ze een heuvel beklommen, werd de wind harder en feller en kleurde de lucht voor hen donker. Henry's stemming veranderde abrupt. Hij trok de teugels aan en zei bitter: 'Ik ben ontboden in Rome. Ik moet verschijnen voor de paus om verantwoording af te leggen!' Hij maakte een gebaar van onderdrukte woede. 'Kunt u het zich voorstellen? Ik! De Koning van Engeland! Die geen enkele superieur erkent behalve God!'
'Zoals het hoort,' beaamde Anne zacht. 'Geen superieur, behalve God!'
'Wolsey had deze zaak al maanden geleden moeten regelen.'
'Misschien plaatst Wolsey zijn paus voor zijn koning.'
Hij staarde haar aan en kreeg een harde uitdrukking op zijn gezicht. 'Dan is hij vervloekt! Hel en verdoemenis!' Hij draafde in een cirkel om Anne heen en hield zijn ogen geen moment van haar af. Toen vertraagde hij, legde zijn hand onder haar hoofd en duwde haar mond tegen de zijne voor een hartstochtelijke, langdurige kus.
Na een paar minuten reden ze langzaam weer verder. De rest van het gezelschap was nog steeds in geen velden of wegen te bekennen.
'Mag ik vrijuit spreken?' zei Anne na een poosje.
'Natuurlijk, mijn lief. Zeg wat u wilt. Alles wat van uw lippen komt is zoet voor mij.'
'Er zijn mensen die, op gezaghebbende gronden, niet veel op hebben met pausen.' Ze wierp hem een snelle zijdelingse blik toe en ging verder. 'Die schrijvers zeggen dat de koning zowel keizer als absoluut paus is in zijn eigen koninkrijk.'
Henry wierp haar een scherpe blik toe. Dit was gevaarlijk terrein — ketterij — en dat wisten ze beiden. Maar Henry had de grenzen van zijn geduld met pausen bereikt. Als er inderdaad een andere manier was om zijn echtscheiding te krijgen, zonder afhankelijk te zijn van de paus, dan zou hij die overwegen.
Een tijd lang zei hij niets; toen vroeg hij behoedzaam: 'Welke... schrijvers?'
'Ik heb een boek dat ik aan u kan tonen — met uw toestemming.'
Hij dacht even na en knikte toen. 'Goed, laat het me zien.'
Net toen het begon te donderen en de regen neerkletterde, bereikten ze Grafton House. Ze haastten zich lachend om hun ontsnapping naar binnen, terwijl de bedienden heen en weer renden om hun bezittingen uit te pakken.
Later die middag bracht Anne het beloofde boek naar Henry. Het was een klein, dun boekje - het boek dat Cromwell haar had gegeven: een radicale, Lutherse geloofsbelijdenis.
Henry pakte het behoedzaam aan, maar sloeg het niet meteen open. Het openslaan, een boek lezen waarvan hij wist dat het ketters was, was een enorme stap. Nog niet zo lang geleden had hij Luther en zijn geloof openlijk in een pamflet veroordeeld. Hij zou zoiets niet eens moeten overwegen. De paus - en Wolsey - hadden hem hiertoe gedreven.
Maar als hij eenmaal het boek opensloeg, eenmaal het besef overwoog dat de paus misschien niet zijn meester was... dan zou alles mogelijk kunnen zijn. Dan zou de wereld voor altijd veranderen.
Hij legde het boek op een klein tafeltje en begon rusteloos heen en weer te lopen. De onweersbui schudde en geselde het huis. Hoewel het niet laat was, was de duisternis door het weer al vroeg ingevallen en waren er kaarsen aangestoken. Henry ijsbeerde peinzend door de kamer. Hij passeerde de tafel en stond opeens stil, omdat zijn aandacht werd gevangen. De kamer was vol donke-re schaduwen, maar het boek baadde in een poel van gouden kaarslicht. Hij staarde er een tijd lang naar - toen sloeg hij het open en begon te lezen. In Brandons huis op het platteland zat Margaret in een kamer op de bovenverdieping. Ze droeg alleen een nachtgewaad; dat hing vormeloos om haar inmiddels uitgemergelde en door de tering geschonden lichaam. Ze staarde verdrietig naar een brief van haar echtgenoot en bewoog zich toen pijnlijk traag naar een tafel. Haar ademhaling was schurend en zwoegend. Ze haalde een vel papier tevoorschijn, doopte een ganzenveer in de inkt en begon te schrijven.
Nee, Charles, ik kom niet terug aan het hof. Niet terwijl mijn broer zich vermaakt met die vrouw — zoals u zich ongetwijfeld vermaakt met de mooie, jonge sletjes die u zo makkelijk voor zich winnen. Ze pakte een kleine spiegel en staarde naar haar spiegelbeeld. Ooit werd ze beschouwd als een schoonheid; nu kon ze niet eens aantrekkelijk meer genoemd worden. Ze was een en al botten en had een fletse, asgrauwe teint. Haar enorme ogen lagen diep in hun kassen en waren roodomrand. Ze leek op een oude heks - of de geest daarvan.
Ze liet een bitter lachje ontsnappen, waar ze zich in verslikte; ze hoestte bloed op in haar toch al bloederige zakdoek. Het zou niet lang meer duren voor ze een geest was. Maar hij mocht haar niet zo zien. Ze wilde dat hij zich haar herinnerde als jong en prachtig en hartstochtelijk. Ze sloot heel kort haar ogen, alsof ze pijn had, en dwong ze toen weer open om verder te schrijven.
Ga gerust uw gang met die vrouwen. Ik heb geen behoefte aan uw aanwe- zigheid hier — ik heb belangrijker zaken om mezelf mee bezig te houden. Ze tilde haar zware oogleden op en keek door het raam naar het kerkhof op de heuvel.
Ze strooide zand over haar brief, vouwde die dicht en verzegelde hem met rode zegelwas. De gesmolten was druppelde als helder, dik bloed op het papier. Opnieuw ontsnapte haar een wrange lach — een lach die veranderde in een snik en toen een hoestaanval werd. Zodra de acute aanval over was, pakte ze de brief op en hield die teder tegen haar wang.
'Vaarwel, mijn liefste,' fluisterde ze. Ze kuste het heldere, bloedkleurige zegel. 'Rouw niet om mij.'
Ze belde een dienaar. 'Laat deze onmiddellijk naar mijn echtgenoot brengen,' zei ze, terwijl ze hem de brief overhandigde. De man vertrok. Margaret zag de bode door het raam weggalopperen. Ze wachtte tot hij achter de heuvel verdwenen was en stond toen op, terwijl ze haar tranen wegveegde.
Ze liep traag en moeizaam naar de bovenkant van de trap. Haar lichaam schokte en ze sperde haar ogen open toen haar mond zich plotseling met bloed vulde. Ze staarde - alsof het iemand anders overkwam - naar het bloed dat uit haar mond op haar nachtgewaad spoot en op de stenen vloer spatte. Het druppelde op haar bleke, smalle voeten en liep tussen haar tenen door. Opeens zakte ze in elkaar en wankelde voorover.
'Vrouwe!' schreeuwde een dienstmeid. Ze rende naar haar toe omdat ze zag dat ze ging vallen, maar toen ze de stromen bloed ontwaarde, begon ze te krijsen.
'Thomas! U hebt helemaal geen voorbode gestuurd om te vertellen dat u teruggekeerd was uit Italië,' riep Wolsey uit. 'Kom, kom! Vertel me wat er gebeurd is! Ik neem aan dat u op tijd voor de onderhandelingen in Cambrai was?'
More trok een gezicht. 'Niet echt. We waren een week te laat.'
'Een week?' Wolsey keek ontzet. 'Hoe hebt u dan kunnen bijdragen aan de wezenlijk belangrijke debatten?'
More haalde zijn schouders op. 'Dat konden we niet. We hebben niet deelgenomen aan de belangrijkste gesprekken. We waren slechts in staat een rol te spelen bij ondergeschikte onderhandelingen met de belangrijkste partijen.'
Wolsey staarde hem aan. Het woord 'ondergeschikte' leek in de lucht te blijven hangen. Wolsey haalde een verfrommelde zakdoek tevoorschijn en depte zijn voorhoofd. Het was geen warme dag. 'Welke onderhandelingen?'
'Het doet mij deugd u te melden dat we een terugkeer naar wederzijds gunstige handelsbetrekkingen tussen onszelf en de Lage Landen veilig hebben kunnen stellen. We hebben bovendien garanties verkregen met betrekking tot oude betalingen die de keizer de koning schuldig is.'
'Maar de belangrijkste geschillen, Thomas. Wat is er gebeurd? Heeft de Koning van Frankrijk geweigerd vrede te sluiten?'
'Integendeel. Hij heeft al zijn geschillen met de keizer bijgelegd - en ze hebben allebei hun geschillen met Zijne Heiligheid Paus Clemens bijgelegd,' vertelde More hem, schijnbaar verheugd over het nieuws. Wolsey slikte. Als de keizer, de paus en de Koning van Frankrijk hun krachten hadden gebundeld, was de kans op een scheiding voor Henry verkeken. En Wolsey wist maar al te goed wie Henry daarvan de schuld zou geven. 'Met andere woorden, we zijn met opzet aan de kant gezet.'
More haalde schijnbaar onbezorgd zijn schouders op. 'Als u het zo wilt stellen.'
'Nu is er geen enkele kans meer dat de paus instemt met een echtscheiding.'
More boog zijn hoofd en zweeg diplomatiek.
Zijn reactie maakte Wolsey woedend. 'Zeg me eens, Thomas: wat denkt u nu precies bereikt te hebben in Cambrai waardoor u er zo zelfvoldaan uitziet?'
'Voor het merendeel was het niet aan mij om iets te bereiken - en toch beschouw ik deze diplomatie als geslaagd.'
Wolsey keek hem vol ongeloof aan.
More vervolgde: 'Er is weer vrede in Europa — iets waarover elke humanist zich zou moeten verheugen. Engeland heeft weer een goede verstandhouding met de keizer, maar nog belangrijker is dat de autoriteit van de paus is hersteld en wordt erkend. Dat is waar ik in geloof.'
Wolsey stond op; hij was in toenemende mate geagiteerd geraakt door de bodemloze afgrond die hij voor zijn ogen zag groeien. 'Francis heeft me verraden.'
More schudde zijn hoofd. 'Nee. Hij zag de nutteloosheid van oorlog in. Hij erkende de behoefte aan overlevering.'
'Thomas,' zei Wolsey, 'u hebt mij kapotgemaakt.'
More keek zonder met zijn ogen te knipperen naar hem terug. 'Dat was niet mijn intentie,' zei hij langzaam. 'Onze doelen verschillen.'
Het hof had zich nu verzameld in Henry's huis in Grafton in Northamptonshire: een bescheiden huishouding, maar favoriet bij Henry vanwege de uitstekende jachtmogelijkheden die het bood.
Henry zat een raadsvergadering voor toen Brandon onaangekondigd binnen kwam stormen. Hij zag er radeloos uit.
'Uwe Excellentie?' Henry wendde zich met kille afkeuring tot hem.
'Majesteit... vergeef me.' Brandon zweeg en keek in het rond; het leek alsof hij zijn tekst kwijt was.
Uiteindelijk ging hij voor de koning staan en zei botweg: 'Margaret is dood.'
Er viel een geschrokken stilte.
'Hoe?' vroeg Henry na een tijdje.
'Ze...' Brandon keek naar de grond en wierp toen een gekwelde blik op Henry. 'Ze was... ziek.'
Henry beantwoordde zijn blik. Lange tijd was het stil en toen zei Henry op barse toon: 'En u hebt er nooit één moment aan gedacht mij te vertellen dat ze ziek was?'
Brandon liet zijn hoofd hangen; hij was niet in staat het uit te leggen. Hoe kon hij toegeven dat hij het zelf niet had geweten, dat het zo lang geleden was dat hij zijn echtgenote had gezien?
Een tijd lang zei Henry niets. Toen stond hij op en schreed zonder een woord te zeggen de kamer uit.
De deur sloot zich achter hem. Ongezien liet Henry zich tegen de muur naar beneden zakken. Zijn gezicht verschrompelde. 'Mijn kleine zusje,'
mompelde hij gebroken, terwijl hij zijn gezicht met zijn handen bedekte. De regen viel koud en meedogenloos met bakken uit de hemel op de dag van Margarets begrafenis. In een plechtige processie werd haar kist over een pad tussen de tarwevelden en een stuk heidegrond, langs de eeuwenoude plataan gedragen. Door de bewerkte ijzeren hekken betrad de stoet het kerkhof met stenen graftombes en middeleeuwse kruizen. De Hertog van Norfolk leidde, als vertegenwoordiger van de koning, de processie. Het saaie zwart van zijn begrafeniskleding deed geen afbreuk aan de kostbaarheid ervan. Brandon volgde hem met een ernstig en emotieloos gezicht. Achter hem liepen vele anderen: vertegenwoordigers van de meeste adellijke families uit het koninkrijk, onder wie Knivert en Boleyn, Derby en More.
Dorpelingen en bedienden stonden langs de route; de mannen blootshoofds ondanks de regen. Veel vrouwen huilden. Een kleine jongen stond naast zijn plechtig toekijkende vader. 'Als die mevrouw de zuster van de koning was, waarom is de koning er dan niet?'
vroeg hij.
'De koning mag niet naar begrafenissen toe,' vertelde zijn vader hem met gedempte stem.
'Waarom niet?'
'Omdat het niemand is toegestaan om tegelijkertijd aan de dood en aan de koning te denken,' legde de vader uit. 'Alleen al denken aan de dood van de koning is verraad, dus zwijg nu, geen woord meer.'
De versierde kist werd naar de grafkelder van de Brandons gedragen. Brandons gezicht was uitdrukkingsloos; ook toen de kist naar binnen werd gedragen, leek de dood van zijn echtgenote hem niet te raken. De aartsbisschop van Canterbury ging de plechtigheid voor. Koorknapen zongen Latijnse psalmen en de kist werd op een marmeren plaat gezet. Vervolgens werd het deksel verwijderd waardoor Margarets lichaam, gekleed in een eenvoudige hemdjurk, zichtbaar werd. De huid van haar gezicht was bleek en wasachtig, haar lange, smalle handen waren gevouwen alsof ze bad. In een laatste gebed werd haar ziel in de handen van God overgedragen. Toen vertrok iedereen en bleef Brandon alleen achter bij het ontzielde lichaam van zijn echtgenote. De laatste voetstappen stierven weg, de laatste gefluisterde gesprekken vervaagden en ten slotte was er alleen nog het trommelende geluid van de gestaag neervallende regendruppels. Brandon staarde naar het lichaam van de vrouw die hij zo achteloos had behandeld. Margaret, van wie hij zo hartstochtelijk had gehouden — hartstochtelijk genoeg om zijn nek voor haar te wagen - en die hij... op de een of andere manier... was kwijtgeraakt, zonder te begrijpen waarom... of zich dat zelfs te realiseren.
Daar, op die plek, drong het verlies met volle kracht tot hem door; zijn keel werd verstikt door onuitgesproken woorden en hij begon met lange, gierende en pijnlijke uithalen te huilen. Het was op dat moment dat hij de woorden sprak die hij niet over zijn lippen had gekregen toen ze leefde, de woorden van liefde en afscheid, spijt en woede. Terwijl hij haar koude lippen kuste en haar wassen oogleden sloot, vroeg hij haar ten slotte om vergiffenis. Campeggio en Wolsey waren ontboden bij de koning in Grafton. Ze arriveerden gezamenlijk: Campeggio in een door paarden getrokken draagstoel en Wolsey te paard. Ze werden op het erf ontvangen door de kamerheren en bedienden van de koning - een opzettelijke belediging, zoals Wolsey opmerkte, want er was niet één voorname heer om hen te begroeten. Toen Wolsey en Campeggio afstegen, liep een van de kamerheren - nogal nadrukkelijk - naar Campeggio, boog voor hem en zei: 'Deze kant op, Excellentie.' Hij leidde de oude man het huis binnen. Wolsey, die niet begroet en zelfs door geen enkele kamerheer aangekeken werd, volgde hen terwijl hij zijn best deed geen blijk te geven van het onrustige gevoel dat een dergelijk schaamteloos gebrek aan respect bij hem opriep.
De kamerheer bracht Campeggio naar een kamer. 'De kamer van Uwe Eerwaarde,' zei hij. Toen Campeggio naar binnen ging, draaide de kamerheer zich om om te vertrekken.
'Wacht!' Wolsey wilde hem tegenhouden. 'Waar is mijn kamer?'
'Er is voor u geen kamer in gereedheid gebracht, Uwe Eminentie,' zei de man op verveelde toon.
'Maar ik moet mij omkleden,' zei Wolsey. 'Ik heb mijn rijkleren nog aan.'
De man haalde zijn schouders op. 'Dan kunt u dat maar beter ergens anders vragen.' Met een barse, zelfvoldane uitdrukking liep hij weg. Verdwaasd door de manier waarop hij door een ondergeschikte behandeld was strompelde Wolsey door een duistere gang op zoek naar een plek waar hij zich kon verkleden en tot zichzelf kon komen.
'Uwe Eminentie,' sprak een zachte, respectvolle stem achter hem. Wolsey draaide zich om en tuurde in de slecht verlichte gang. Het was een oude bediende; een man die hij al behoorlijk lang niet meer gezien had.
'Mijnheer Norris?'
Norris knikte. 'Ja, Uwe Eminentie. Hier, u kunt mijn kamer gebruiken. Het is niet veel, maar...' Hij wierp Wolsey een spijtige blik toe en liet hem een kleine, benauwde kamer binnen: de kamer van een bediende, niet van een belangrijk iemand. 'Ik zal uw kist laten halen, Eminentie. Als u zich omgekleed hebt, kunt u naar het audiëntievertrek gaan.'
Met enige moeite zei Wolsey: 'Ik ben u dankbaar, Norris.'
Het vriendelijke gezicht van de man werd week. 'Sir, veel mensen hier heb-ben reden om u dankbaar te zijn. Alleen laten ze het helaas niet zien.'
Even later begeleidde Norris Wolsey naar het audiëntievertrek — dat simpelweg zo genoemd werd omdat de koning er audiëntie hield. Hij en Campeggio wachtten. Er was geen stoel neergezet, zelfs niet voor de oude, zwakke Italiaan.
Na lang wachten werden ze toegelaten. Het was een kleine kamer die, voor deze gelegenheid, afgeladen vol was. Een groot deel van de adellijken uit het koninkrijk was aanwezig - voor het merendeel degenen die Wolsey verachtten. Wolsey begreep in één oogopslag wat er aan de hand was: zijn vijanden waren hier gekomen om zich te verkneukelen over zijn ondergang. Ze waren gekomen om getuige te zijn van zijn vernedering. Hij keek in de richting van de koning, die onder een baldakijn van goudlaken zat. Henry stond op en kwam naar hem toe; hij zag er zeer onbuigzaam uit. Zowel Campeggio als Wolsey viel op de knieën. Henry stond met opgetrokken wenkbrauwen op hen neer te kijken, toen zijn gezicht opeens opklaarde. Hij boog en tilde Wolsey overeind, pakte hem bij de arm en leidde hem door de kamer naar een raam. Wolsey was op zijn hoede; hij wist niet zeker wat er ging gebeuren. Maar toen ving hij de verraste en verwarde blikken van Boleyn en zijn dochter, en die op Brandons gezicht op. Dat gaf hem moed.
Brandon keek Boleyn beschuldigend aan toen de koning Wolsey met onmiskenbare hartelijkheid omhelsde.
'Waar is hij in godsnaam mee bezig?' mompelde Brandon. 'Hoe kan hij hem vergeven?'
Boleyn schudde vertwijfeld zijn hoofd. 'Ik tast net zozeer in het duister als Uwe Excellentie. Ik had nooit gedacht...'
Wolsey zag hun verbijstering en onmiskenbare ontsteltenis, en koesterde zich in de warme aandacht van de koning, ook al vermoedde hij dat die van tijdelijke aard was. Hij had nog een kans.
'Men vertelt mij dat u onwel bent geweest,' zei Henry, die bezorgd klonk.
'Is dat waar?'
'Majesteit, wanneer ben ik ooit onwel genoeg geweest om u te dienen?'
Henry knikte hevig. 'Dat dacht ik al! Mensen vertellen me zulke leugens. Wie kan ik vertrouwen?' Hij lachte en sloeg Wolsey op zijn rug. 'Wij hebben samen heel veel meegemaakt, Wolsey, is het niet zo? Denkt u dat ik dat ooit zou kunnen vergeten?'
Wolsey was erg geroerd en het kon hem niet schelen wie dat zag. Met verstikte stem zei hij: 'En er is nog steeds veel meer te doen.'
Henry glimlachte, maar toen hij de Italiaanse kardinaal in het oog kreeg, raakte hij afgeleid. 'Dat weet ik, dat weet ik. Maar kijk eens naar Campeggio! Dat is pas een man die ziek is! Hoe krijgt men jicht? Misschien haalt hij het einde van de reis wel niet! Ik veronderstel dat ik met hem moet praten.' Hij fronste geërgerd, keek toen weer naar Wolsey en verlaagde zijn stem. 'Vrees niet. Morgen zullen we een behoorlijk gesprek voeren.'
Vervuld van genegenheid en dankbaarheid knikte Wolsey. Maar toen de koning wegliep, zag hij dat Boleyn hem boosaardig aanstaarde. Toen boog hij zich voorover en fluisterde iets in het oor van zijn dochter. Anne keek op en staarde recht door de kamer heen naar Wolsey. Ze knikte langzaam en Wolseys bloed bevroor in zijn aderen.
Die avond dineerde Henry met Anne. Henry at met veel smaak en hij was duidelijk in een opperbeste stemming.
'Hoe kunt u zo vriendelijk zijn tegen Wolsey?' vroeg Anne. 'Nadat hij u zo teleurgesteld heeft.'
Henry kauwde nadenkend. 'Het is niet allemaal zijn schuld.'
'Hij is uw eerste minister. Hij heeft alle touwtjes in handen - u weet dat dat zo is. Maar Wolsey is de kardinaal van een Kerk die u nooit zal bevrijden, een Kerk die u in de tang houdt.'
'Wolsey zet zich onvermoeibaar in voor mijn belangen,' gaf Henry haar te kennen. 'Ik ken hem beter dan ik u ken.'
Anne zuchtte. 'Dan bent u verblind door genegenheid. Als hij werkelijk had gewild dat u vrij zou zijn van Katherine, denkt u dan dat hem dat niet gelukt zou zijn?' Ze legde haar hand op de zijne en zei: 'U weet — diep vanbinnen — wiens fout het is dat u niet kunt scheiden.'
Henry keek haar aan en fronste.
Later die avond liep hij te ijsberen in zijn kamer en piekerde over wat Anne had gezegd. Wolsey had inderdaad alle touwtjes in handen. En hoewel hij Henry altijd goed had gediend, had hij in dit geval de paus op de eerste plaats gezet. Henry wist het zeker. Verder was Wolsey altijd in staat geweest alles te doen wat hij van hem had gevraagd. Hij liep naar het raam; een beweging deed hem naar beneden turen. Wolsey stond daar met een kluitje mensen rustig te praten bij het licht van een brandende toorts.
Henry staarde neer op de vriend en kanselier die hij al zo lang kende en piekerde. Ooit was Wolsey als een vader voor hem geweest. Maar de tijden waren veranderd. De ochtend erop zouden ze naar het volgende huis op zijn hofreis gaan. De volgende morgen hing er mist boven het huis en het erf. Anne, Henry en zijn gezelschap waren al gekleed en bestegen hun paarden toen Wolsey en Campeggio uit hun logementen kwamen. Er had zich een kleine menigte verzameld om de vertrekkende koning toe te juichen. Wolsey probeerde zich een weg te banen over het volle erf om de koning te begroeten. Op een teken van Norfolk duwden soldaten hem naar achteren, weg van de vorst, alsof Wolsey iemand van het gewone volk was. Henry leek het niet te merken. Wolsey zwaaide en probeerde de aandacht van de koning te trekken. Henry, die geflankeerd werd door Norfolk en Boleyn, keek niet eens zijn richting uit. Anne Boleyn wierp Wolsey een zelfvoldane blik toe en de kardinaal besefte dat de koning met opzet vermeed zijn kant op te kijken. Er was niemand die de feitelijke en symbolische betekenis van het niet toegelaten worden in de omgeving van de koning beter begreep dan Wolsey. Het was van wezenlijk belang dat hij het contact herstelde, de koning eraan herinnerde dat Wolsey diens oude vriend en trouwe dienaar was. Hij probeerde zich langs de soldaten te wringen. Ze hielden hem tegen.
'Majesteit! Uwe Majesteit!' riep hij.
De soldaten duwden hem terug, maar hij kreeg een sprankje hoop toen hij merkte dat Henry zijn wanhoopskreet had gehoord. Wolsey zag dat de koning aarzelde en omkeek. Zijn hart zonk in zijn schoenen toen hij de korte worsteling op Henry's gezicht zag.
Toen verhardde het gezicht van de koning en draaide hij Wolsey zijn rug toe. Met Anne aan zijn zijde reed hij weg.
Het gebruikelijke groepje pottenkijkers dat rondhing bij de hekken van Whitehall week zenuwachtig uiteen toen Brandon en de Hertog van Norfolk het terrein op kwamen rijden. Ze keken zo grimmig dat het leek of ze waren gekomen om een moord te plegen. Ze stegen af, betraden samen het paleis en beenden dreigend over het hof.
Het stel baande zich een weg naar Wolseys privévertrekken. Wolsey was zojuist naar binnen gegaan. Hij deed net de deur achter zich dicht, toen Norfolk die weer openduwde. Hij en Brandon stapten naar binnen en lieten de deur openstaan. Meteen verzamelde zich buiten een menigte, die nieuwsgierig naar binnen gluurde. Wolsey keerde zijn gezicht naar zijn vijanden.
'Kardinaal Wolsey,' zei Norfolk. 'U wordt hierbij beschuldigd van prae- munire; dat wil zeggen het uitoefenen van uw macht als pauselijk legaat in het rijk van de koning, en derhalve het inbreuk maken op het wettelijk gezag van de koning.'
'U wordt ontheven van al uw functies en al uw goederen zullen overgaan in de handen van de koning,' voegde Brandon eraan toe. Er viel een beladen stilte. 'Hebt u het schriftelijke bevel en het zegel van de koning om dit te doen?' vroeg Wolsey, ook al wist hij dat ze niet zo in het openbaar gehandeld zouden hebben als dat niet zo was. Met een grijns van voldoening haalde Norfolk het bevelschrift tevoorschijn en hield het omhoog, zodat Wolsey en de toekijkende menigte konden zien dat het zegel van de koning erop stond.
'U wordt opgedragen uw ambtsketen terug te geven,' zei Norfolk. Langzaam maakte Wolsey de zware ketting om zijn nek los. Hij hield hem in zijn handen en aarzelde - hij wilde hem niet overhandigen. Brandon boog voorover en trok hem uit zijn handen.
Wolsey slikte. 'Waar ga ik heen?'
'Naar het huis van de koning in Jericho,' deelde Norfolk hem mee. 'In afwachting van het vonnis van de rechtbank.' Hij gebaarde Wolsey te vertrekken. Wolsey haalde diep adem. Het was dus afgelopen. Hij probeerde zijn waardigheid bijeen te rapen en stapte toen zijn kamer uit. Inmiddels had zich een grote menigte verzameld om getuige te zijn van zijn vernedering. Een man schreeuwde spottend: 'Maak plaats voor Zijne Excellentie! Maak plaats! Maak plaats!' De mensen lachten. Met opgetrokken schouders tegen hun vijandigheid baande Wolsey zich een weg tussen de jouwende mensenmassa door. Iemand gooide een sinaasappel naar hem. Hij gaf geen teken dat hij het gemerkt had. Verdoofd van ellende legde hij de tocht naar Jericho af, maar zijn vruchtbare brein kwam met een schok in actie toen hij een kleine, donkere kamer in werd geduwd. 'Schrijfbenodigdheden en een kandelaar,' verzocht hij met een echo van zijn oude autoriteit. En door een of ander wonder kreeg hij die ook.
Wolsey ging zitten om een brief te schrijven.
Mijn eeuwig toegenegen Cromwell, ik smeek u, omdat u mij liefhebt en al- tijd alles voor mij zult doen, vandaag hier te komen zodra uw werk vol- tooid is en al het andere te vergeten...
Cromwell keek op van Wolseys pathetische brief omdat hij werd afgeleid door het licht van toortsen. Hij tuurde uit het raam. De koning keerde terug in het paleis. Cromwell richtte zich weer op de brief.
... want ik zou u niet alleen dingen overbrengen voor mijn eigen troost en opluchting, maar ik zou ook uw goede, treurige en discrete advies en raad willen hebben.
Gehaast deze zaterdag geschreven met de slordige hand en het bedroefde hart van uw overtuigde vriend en voormalig patroon, Wolsey, die u lief- heeft.
Cromwell keek lange tijd naar de brief en scheurde die toen langzaam en vastberaden in stukken.
Wolseys rechtszaak was voorbij en Henry wandelde in zijn privétuinen met Thomas More. Het was een prachtige dag en Henry was in een goed humeur.
'U weet dat Wolsey schuld heeft bekend wat betreft het hem ten laste gelegde,' vertelde Henry aan More.
'Dat heb ik gehoord. En hij is veroordeeld tot gevangenisstraf.'
Ze kuierden een tijdje verder. 'Ik heb de straf herroepen,' deelde Henry hem mee. 'Ik sta hem zelfs toe het bisschopsambt van York te behouden, met een toelage van drieduizend nobelen.'
More keek hem verbaasd aan. Een nobel was een gouden munt ter waarde van tien shilling — het was een zeer gulle toelage. Henry lachte en sloeg More op de schouder. 'Ziet u nu wat voor monster ik ben?'
More glimlachte, maar gaf geen commentaar. Ze liepen een tijdje zwijgend verder. Toen werd Henry weer serieus. 'Ik moet een nieuwe kanselier benoemen, Thomas. Iemand die ik echt kan vertrouwen.' Hij keek More veelbetekenend aan.
Maar More zei nog steeds niets.
Henry ging verder: 'U bent opgeleid als raadsheer en in koninklijke dienst geweest. U geniet internationale erkenning. De vriend van Erasmus, de grootste humanist in Engeland. U beschikt over een goede, gewiekste geest.'
More wierp hem een scherpe blik toe. 'Nee.'
Henry stond abrupt stil. 'Nee... wat?'
'Nee... Uwe Majesteit,' zei More. 'Ik wil geen kanselier worden.'
Henry's gezicht werd langzaam rood van woede. 'U zult doen wat ik u opdraag!'
Ze staarden elkaar aan; allebei niet van plan te wijken. Toen begon Henry opeens te lachen en hij sloeg een arm om Mores schouder. Hij trok hem vooruit om verder te wandelen. 'Luister,' zei hij. 'Ik weet dat u bedenkingen hebt wat betreft de Grote Kwestie. Dus ik zweer u dat die alleen behandeld zal worden door degenen die zich dat voor hun geweten kunnen veroorloven.'
Hij wierp More een snelle blik toe. More keek gepijnigd en weerspannig. Ze wandelden verder.
'Ik beloof dat ik u voor andere zaken zal gebruiken en nooit zal toestaan dat die Kwestie uw geweten zal belasten,' vervolgde Henry. Hij keek More doordringend aan. 'Torn, ik zeg u dit. Ik wil dat u - nee, ik beveel dat u! in alle dingen die u doet eerst naar God kijkt en pas dan naar mij.' Hij wachtte op Mores antwoord.
Na een lange stilte zei More, die wist dat hij wat dit betreft weinig keuze had: 'Goed dan. Ik aanvaard het, Uwe Majesteit.'
Hoofdstuk 20
'Mijne Excellenties en raadsleden, er staat ons veel te doen,' sprak Henry de raadsvergadering toe. 'In het verleden hebben degenen die de teugels van de regering in handen hadden' - hij keek even naar Wolseys lege stoel 'mij bedrogen. Veel is zonder mijn medeweten of mijn goedkeuring geschied. Maar dergelijke procedures zal in de toekomst een halt toegeroepen worden.' Hij keek rond naar hen allen, naar zijn nieuwe kanselier Sir Thomas More, naar de Hertog van Norfolk, naar Brandon, Derby en de andere edelen van het koninkrijk.
Zijn blik bleef rusten op Norfolk en hij zei: 'Uwe Excellentie wordt hierbij benoemd tot voorzitter van de raad. Tevreden glimlachend boog Norfolk zijn hoofd, tot Henry eraan toevoegde: 'Gezamenlijk met de Hertog van Suffolk.' Norfolk kon een zweem van ergernis niet verbloemen. Brandon grinnikte.
Henry vervolgde: 'Wij zullen op korte termijn weer samenkomen om de zaken die ons dierbaar blijven te bespreken.' Hij stond op en vertrok. In kleine, ongeorganiseerde groepjes liepen de raadsleden terug naar het hof, terwijl ze met zachte stem de gebeurtenissen bespraken. Norfolk onderschepte Brandon door een hand op diens arm te leggen. Hij wachtte tot de andere raadsleden vertrokken waren en zei toen: 'Hoewel het me zeer veel deugd doet dat Wolsey niet langer onder ons is, veroorzaakt hij bij mij zelfs in zijn afwezigheid ongerustheid.'
Brandon lachte een beetje. 'Waarom?'
'Lach niet! Hij is nooit voor verraad ter dood veroordeeld. Dus hij leeft nog. En zolang hij leeft, blijft hij een gevaar voor ons beiden en voor dit koninkrijk.'
Brandon fronste. 'Maar... hij is ver weg, in York. Hij is in ongenade gevallen. Ik denk dat u het gevaar overdrijft.'
'En ik denk dat u het niet begrijpt!' Norfolk tuurde de kamer rond om te kijken of er geen luistervinken waren en vervolgde: 'De koning kan makkelijk van gedachten veranderen. En als hij dat doet, en als Wolsey ooit terugkomt aan het hof... dan hebben wij beiden meer dan genoeg redenen om zijn wraak te vrezen.'
Henry beende op en neer in zijn privévertrekken, terwijl hij op opgewonden toon hardop voorlas uit het kleine boekje dat Anne hem had gegeven.
'"Die overtuiging... dat de paus en de clerus een aparte macht en autoriteit bezitten, is tegengesteld aan de Schrift. De koning is de vertegenwoordiger van God op aarde en zijn wet is Gods wet! De heerser is alleen aan God rekenschap verschuldigd en de gehoorzaamheid van zijn onderdanen is een gehoorzaamheid vereist door God!"'
Hij stond stil en grijnsde naar Anne. Met kalme overtuiging las hij het laatste stuk. '"Want dat de Kerk en de paus heersen over de vorsten van Europa is niet alleen een zonde die boven alle zonden verheven is — maar ook een omkering van de goddelijke orde. Eén koning en één wet in Gods naam in elk koninkrijk.'" Hij sloeg het boek voldaan dicht. 'Dit boek is een boek voor mij en voor alle koningen.'
Anne glimlachte; ze was verrukt over zijn voldoening en denkrichting. 'En er zijn vergelijkbare andere boeken,' gaf ze hem te kennen. 'Boeken waarin het machtsmisbruik, de privileges en de hebzucht van de clerus in Uwe Majesteits koninkrijk tot in de details worden beschreven. Boeken die Wolsey opzettelijk voor u verborgen heeft gehouden.'
'Ja,' zei Henry, 'hij zou die als ketters hebben betiteld.'
'Sinds wanneer is de waarheid ketters?' zei Anne.
Hij keek haar bedachtzaam aan en knikte toen. 'Ik zou ze graag willen lezen, maar ik zou niet graag willen dat gewone mensen ze te pakken kunnen krijgen. Ik betwijfel of zij het zouden begrijpen.'
Hij zweeg korte tijd, in gedachten verzonken. Anne wachtte; ze zei niets terwijl hij door de kamer ijsbeerde. Even later ging Henry verder. 'Wolsey heeft mijn koninkrijk achtergelaten in wanorde. Ik had geen idee. Maar nu heb ik de macht in eigen handen genomen en zal ik zo nodig dag en nacht werken om dingen op te lossen.' Hij draaide zich om en keek haar aan. 'Waaronder mijn nietigverklaring. Wolsey was niet sterk genoeg om dat voor elkaar te krijgen. Hij dreigde met maatregelen tegen Rome — maar het was nooit zijn bedoeling die ook te treffen! Ik zweer u dat nu alles anders zal worden.'
Zijn ogen hielden die van Anne vast. Ze haalde halfslachtig haar schouders op ter bevestiging van zijn woorden, maar keek de andere kant op. Het was duidelijk dat zij niet langer geloofde dat het zou gebeuren. Henry vond het verschrikkelijk om die blik in haar ogen te zien. 'Wilt u mij kussen?'
Ze aarzelde, maar leunde toen naar hem toe en kuste hem vluchtig op zijn wang. Dat was niet de kus van een geliefde. Het was een plichtsgetrouwe kus. Henry's wanhoop groeide. Als hij niet snel met haar trouwde, zou hij haar verliezen!
In Wolseys oude vertrekken in het paleis bezegelde Thomas More een document met het speciale kanselierszegel. Thomas Cromwell keek toe. De kamer oogde een stuk minder kostbaar en weelderig dan in Wolseys tijd. Het was er nu sober, ascetisch zelfs.
Thomas Cromwell zei: 'Ik zie dat u zichzelf geen enkele van de versierselen die bij uw ambt horen toestaat, Sir Thomas.'
More haalde zijn schouders op. 'Ik zal die ambtsketen alleen tijdens officiële gelegenheden dragen. Ik ben niet ijdel genoeg om met de macht ervan te koop te lopen, Mijnheer Cromwell. Maar ik ben wel van plan die te gebruiken.'
'Mag ik vragen met welk doel?' vroeg Cromwell terloops. Het was hem niet eenvoudigweg te doen om een beleefde conversatie. Als lezer en verspreider van door Luther geïnspireerde teksten maakte Cromwell zich zorgen. Sir Thomas More stond alom bekend om zijn opvattingen over ketterij. In het verleden had hij een fel beleid van boekverbrandingen gevoerd, en nu bekleedde hij een positie waarin hij veel meer macht had. Boeken waren wellicht niet meer het enige wat hij verbrandde... More pakte een papier van zijn bureau. 'Hier is een verslag van een preek die onlangs gegeven is in Cambridge door een zekere Hugh Latimer - een vooraanstaand lid van die universiteit.'
Hij las uit het papier voor: '"Mijnheer Latimer zei dat de Heilige Schrift in de Engelse taal van alle christenen gelezen zou moeten worden, of zij nu priesters of leken zijn"!' More schudde woedend zijn hoofd. 'Hij is ook tekeergegaan tegen het verfraaien van beelden, het maken van bedevaarttochten en bijgelovige devotie! Hij zei dat alle mensen priesters zijn - en dat wij op aarde geen behoefte hebben aan priesters of pausen!'
Hij liet het verslag vol afschuw vallen. 'De tijden zijn veranderd, Mijnheer Cromwell. Ooit was het zonder twijfel goed om religieus extremisme te tolereren, klerikaal misbruik te erkennen en de theologisch naïeven aan te moedigen. Maar nu zie ik duidelijk welke risico's en gevaren er verbonden zijn aan een tolerant beleid ten aanzien van die nieuwe, gevaarlijk dwalende sektes. Wolsey was veel te mild voor hen. Ik ben van plan dat niet te zijn.'
'U zult alle hervormers als ketters veroordelen?'
'Ik zal al diegenen beschermen die niet opzettelijk de waarheid in de steek laten... maar verleid zijn door de bekoringen van slimme kerels.'
'En die slimme kerels?' vroeg Cromwell. 'Gaat u hen verbranden?'
More stak zijn hand uit naar een ander document. De vraag bleef onbeantwoord in de lucht hangen. De ijzige regen van Yorkshire kletterde gestaag neer. In het parochiehuis dat aan de verbannen Wolsey was toegewezen lekte het regenwater door het dak en druppelde in de talloze pannetjes die Wolseys maïtresse Joan strategisch door het huis had geplaatst. De kille wind rammelde aan het oude huis en kwam door scheuren en onder deuren door naar binnen. Vergeleken met de weelde van Wolseys voormalige woningen was dit huis uiterst erbarmelijk — koud, kleurloos en vochtig. Ontdaan van zijn pracht en praal zat Wolsey ineengedoken aan een tafel bij het vuur een brief te schrijven.
'Dit is onverdraaglijk.' Joan zette weer een pan neer om de druppels uit een nieuw lek op te vangen. 'We moeten het dak laten repareren.'
'Waarmee?' vroeg Wolsey haar. 'En door wie? We hebben geen geld en de meesten van onze bedienden zijn vertrokken.'
Joan wierp hem een wanhopige blik toe. 'Het kon toch zeker niet de bedoeling van de koning zijn dat u in zulke armoedige omstandigheden leeft?
U bent tenslotte nog steeds de aartsbisschop van York!'
'Misschien is het niet de schuld van de koning,' zei hij. Hij keek op van zijn brief. 'Ik heb redenen gehad om me een oude profetie te herinneren: wanneer de koe de stier berijde, dan, priester, kijk uit voor uw schedel.'
'U doelt op die koe, Anne Boleyn?'
Wolsey glimlachte. 'Inderdaad... en daarom schrijf ik haar deze brief.'
'Wat?' Joan was ontzet. 'Maar zij is de oorzaak van al uw ellende.'
'Dat weet ik. Maar omdat zij de oorzaak is, kan zij ook de remedie zijn. Als ik haar er alleen maar van zou kunnen overtuigen dat ik niet haar vijand maar haar vriend ben.' Hij klopte op een in leer gebonden documentenmap. 'Ik heb nog steeds de brief waarin ze belooft mij te belonen voor al mijn inspanningen om harentwille, voor als zij gekroond zou worden.'
Joan zei wrang: 'Ik kan me herinneren dat u haar beloften indertijd nogal amusant vond.'
'Dat zou kunnen,' gaf Wolsey toe. 'Maar inmiddels ben ik mijn gevoel voor humor kwijtgeraakt.' Hij wijdde zich weer aan de brief.
'De koning!' kondigde de kamerheer van het paleis met luide stem aan. Henry betrad het hof, gevolgd door Cromwell, die zijn armen vol papieren had. Hovelingen bogen en maakten reverences toen de koning voorbijkwam. Henry was op weg naar zijn privévertrekken toen hij Chapuys, de keizerlijke ambassadeur, opmerkte, die onderling beraad hield met de Graven van Derby en Arundel. Het zag er bijna samenzweerderig uit. Henry wenkte Chapuys. 'Ambassadeur Chapuys, wij hebben niet veel met elkaar gesproken sinds uw benoeming. Spijtig. Ik hoor dat u een zeer kundig en intelligent diplomaat bent.'
Chapuys boog zijn hoofd voor dit compliment.
Henry vervolgde: 'Net als ik bent u ongetwijfeld op de hoogte van alle nieuwe religieuze controverses.'
Behoedzaam antwoordde Chapuys: 'Ik weet van enkele nieuwe dwaalleren die hier en daar opgekomen zijn, zeker.'
Plagend zei Henry: 'Als de paus en zijn kardinalen nu maar gewoon dat verwaande prachtvertoon aan de kant konden zetten en volgens de voorschriften van het Evangelie en de aartsvaderen gingen leven. Op die manier hadden ze een groot deel van de schandalen, tweedracht en ketterij kunnen vermijden. Vindt u ook niet?'
Chapuys probeerde diplomatiek te zijn. 'Ik ben mij er terdege van bewust dat Uwe Majesteit zich midden in een twist met Zijne Heiligheid bevindt.'
Henry haalde zijn schouders op. 'O, ik heb het niet over mijzelf.' Hij keek Chapuys onderzoekend aan. 'Ziet u, Excellentie, toen Luther de onvolkomenheden en corruptie van de clerus aanviel, had hij gelijk. En als hij het daarbij had gehouden en niet verder was gegaan met het vernietigen van de sacramenten enzovoort, dan had ik gaarne de pen opgepakt om hem te verdedigen in plaats van hem aan te vallen.'
Chapuys keek onzeker. 'Ik...'
'Het is waar, Luthers boeken bevatten een grote hoeveelheid ketterij.'
'Zeker!' beaamde Chapuys.
'Maar aan de andere kant,' zei Henry, 'zou dat niet de vele waarheden die hij aan het licht heeft gebracht mogen overschaduwen. De noodzaak om de Kerk te hervormen is manifest. De keizer heeft de plicht dat te bevorde-ren. En ik dien hetzelfde te doen in mijn eigen rijk.'
Chapuys staarde de koning aan; hij wist niet hoe hij moest antwoorden of reageren.
Henry glimlachte. Hij was zich maar al te bewust van het dilemma van de ambassadeur. 'Het verheugt me dat we even de gelegenheid hebben gehad om meningen uit te wisselen,' zei hij.
Chapuys boog toen Henry verder liep naar zijn privévertrekken. Even later betrad Anne Boleyn in een prachtige purperkleurige robe het hof. Van schrik hield iedereen de adem in en daarna gonsde het van de speculaties.
'Wat is er aan de hand?' vroeg Chapuys aan iemand die naast hem stond.
'Wat heeft ze gedaan?'
'Ze draagt purper. Purper is de kleur die exclusief is voorbehouden aan leden van het koninklijk huis!'
Het hele hof keek toe hoe Anne zich koninklijk voortbewoog door het hof. Ze liep langs twee van Koningin Katherines Spaanse hofdames, die buiten de privévertrekken van de koningin stonden. De mensen drongen zich naar voren en gingen op hun tenen staan, omdat ze de confrontatie niet wilden missen.
Ze werden niet teleurgesteld. De dames spraken — duidelijk geringschattend over Anne — in het Spaans en weigerden haar een teken van erkenning te geven.
Anne stopte toen ze voor hen stond en wierp hun een verachtelijke blik toe. Met heldere stem zei ze tegen haar metgezel: 'Weet u, soms wens ik dat alle Spanjaarden op de wereld de verdrinkingsdood konden sterven in zee!'
De monden van Katherines adellijke dames vielen open van ontzetting en woede over een dergelijke grove en onbeschaamde aanval.
'Vrouwe Boleyn,' zei een van hen. 'U zou de eer van de koningin niet met zulke woorden mogen bezoedelen.'
Anne tilde minachtend een wenkbrauw op. 'Ik geef niets om Katherine. Sterker nog: ik zou haar liever zien hangen dan dat ik haar als mijn meesteres zou erkennen!'
Er ging een golf van afschuw door de menigte. Anne had een onuitgesproken grens overschreden. De koningin was tenslotte nog steeds de koningin. En hoewel Anne dan overwegende invloed mocht hebben, verdiende Katherine nog steeds respect. Anne liep met opgeheven hoofd weg, maar haar hart ging als een razende tekeer. Ze was vastbesloten een eind aan deze eindeloze impasse te maken. Ze was de uitdaging aangegaan.
Chapuys, die met de koningin te doen had, verzocht om een audiëntie bij haar. Hij hoopte dat haar niet verteld was wat Anne Boleyn had gezegd; hoopte dat haar dames voor haar bestwil hun discretie hadden bewaard om haar verdere ellende te besparen.
Toen hij bij haar werd toegelaten, schrok hij van de veranderingen in haar verschijning. Ze zag er ouder uit. Bleek en onwel. Ze had een flets en pafferig gelaat en onder haar ogen zaten diepe, donkere wallen. Chapuys boog om haar hand te kussen. 'Lieve madame, hoe maakt u het?'
Vermoeid probeerde Katherine een glimlach op haar gezicht te toveren. 'U
moet het mij vergeven dat ik u niet vaker zie. Ik ben ziek geweest en erg zwak. Ik heb koortsaanvallen gehad en de artsen hebben mij te vaak bloed afgetapt.'
Chapuys bekeek haar met tederheid en bezorgdheid. 'Maar zeg me, zeg me alstublieft dat u de hoop niet verliest.'
Er viel een lange stilte en toen zei Katherine: 'Het is waar. Ik... ik heb altijd gedacht dat de koning, nadat hij zich enige tijd voor zijn zaak had ingezet, zou omslaan, zou zwichten voor zijn geweten.' Ze wierp Chapuys een hulpeloze blik toe. 'Dat heeft hij hiervoor al zo vaak gedaan, ziet u. Hij is... hij is niet zo standvastig in zijn... voorkeuren. Ik was er met heel mijn hart van overtuigd dat hij weer bij zinnen zou komen. Maar nu...' Haar stem brak en ze keerde haar gezicht van hem af om haar verdriet te verbergen.
'Madame, ik smeek u, geef het niet op.'
Ze haalde diep adem. 'Nee, Excellentie,' zei ze met vastere stem. 'Ik zal het nooit opgeven. Ik zal hun nooit toestaan om van mijn geliefde dochter een bastaard te maken!' Ze keek hem met een stalen blik aan. Haar dunne, aristocratische neusvleugels trilden toen ze eraan toevoegde: 'En ik zal nooit wijken voor die vrouwl'
Henry leunde achterover achter zijn bureau en kermde. Het was al laat en hij was het grootste deel van de dag bezig geweest met staatszaken. Sinds Wolsey uit de gratie was, leek het werk zich verdubbeld te hebben. Verdrievoudigd. Hij wreef in zijn vermoeide ogen, zuchtte en pakte het volgende document. Vermoeid las hij het door en ondertekende het toen. Zijn secretaris, Cromwell, pakte het document op. Hij aarzelde, opende zijn mond en deed die toen weer dicht.
Henry had het gemerkt. 'Zit u ergens mee, Mijnheer Cromwell?'
Cromwell keek opgelaten. 'Uwe Majesteit, ik... ik...'
'Gooi het eruit, Mijnheer Cromwell!'
'Ik had onlangs reden, tijdens een bezoek aan Waltham Abbey, om te praten met een geleerde vriend daar, Thomas Cranmer,' vertelde Cromwell hem. 'We spraken... over de Grote Kwestie van Uwe Majesteit.' Cromwell wierp de koning een blik toe, alsof hij een reprimande verwachtte. Maar Henry keek geïnteresseerd en boog zich alleen een stukje dichter naar hem toe.
Cromwell vervolgde: 'We... we kwamen tot de conclusie dat de raadslieden van Uwe Majesteit de Kwestie... wellicht... niet op de meest geschikte manier benaderd hebben om hem op te lossen.'
Geïntrigeerd zei Henry: 'U bedoelt via een rechtszaak?'
'Ja. We weten allemaal hoe rechtszaken verlopen - al die langdradige processen en het voortdurende uitstel! En uiteindelijk ontbreekt vaak een beslissing.'
Henry knikte. 'Dat is waar. Maar als de Kwestie niet volgens de wet geregeld wordt...'
'Wat is de wet?' zei Cromwell. 'Zoals Uwe Majesteit ongetwijfeld weet, zijn koningen boven de wet geplaatst. Ze zijn alleen verantwoording schuldig aan God, die hen gezalfd heeft.'
Hij wierp een blik op het gezicht van de koning en ging toen, aangemoedigd door diens uitdrukking, verder. 'Dus het lijkt ons dat de kwestie geen wettelijke is - en ook nooit is geweest - maar een theologische.'
Henry was zeer getroffen door dit argument. 'Wie zou er in dat geval een vonnis over moeten vellen?'
Cromwell maakte een wijds armgebaar. 'Wij zouden voorstellen dat Uwe Majesteit de meningen peilt van theologen op universiteiten in heel Europa. Zij zouden al snel uitspraak doen en die zou met weinig inspanningen in de praktijk gebracht kunnen worden. Maar ik ga ervan uit dat door die eenvoudige werkwijze het getroebleerde geweten van Uwe Majesteit wel tot rust zou kunnen komen.'
'Kunt u deze argumenten voor mij op papier zetten?'
Cromwell boog. 'Als Uwe Majesteit mij dat toevertrouwt.'
'Nee, ik beveel u dat te doen,' zei Henry met hernieuwde energie. 'En vervolgens beveel ik dat u als koninklijk gezant naar Europa gaat. Een bezoek brengt aan de universiteiten. Ik zou de mening van hun theologische faculteiten graag zo snel mogelijk hebben!'
Aangemoedigd door deze nieuwe golf van hoop gaf Henry een buitensporig feest met muziek, eten, drinken en dansen. De koningin was er niet bij. De Norfolks, Brandon, More, Chapuys en anderen keken toe hoe Henry Anne naar de hoge tafel begeleidde en haar uitnodigde op de lege stoel van de koningin plaats te nemen. Anne glinsterde van de juwelen en zag er stralend uit. De musici speelde een van de liederen die Henry voor Anne had geschreven.
Thomas Boleyn was uitgenodigd om aan de andere zijde van de koning plaats te nemen. De tafelschikking was voor verschillende mensen reden tot afgunst: zowel Boleyn als diens dochter was boven alle andere verheven
— boven de Hertog van Norfolk, die het hoofd van hun familiegeslacht was, boven diens echtgenote en boven de zwager en goede vriend van de koning, Brandon.
Henry kuste Annes hand. Tegen Boleyn zei hij: 'Ik heb u iets te vertellen. Ik heb besloten om u en uw familie in de adelstand te verheffen. U wordt benoemd tot Graaf van Wiltshire en Ormonde, en ik benoem u tevens tot Lord Zegelbewaarder. George wordt Lord Rochford en zal deel gaan uitmaken van de raad.'
Boleyn slaagde erin verbaasd te kijken. 'Uwe Majesteit. Ik heb hier geen woorden voor. Uw vrijgevigheid is onophoudelijk.'
Henry glimlachte en zei stilletjes: 'Wij verwachten veel van Mijnheer Cromwell.'
'Dat doet me zeer veel deugd,' zei Boleyn. 'Hij is een vriend van de familie.'
'U kent zijn thesis,' zei Henry. 'Ik wil dat u de keizer en de paus in Bologna bezoekt en hun onze nieuwe zaak voorlegt.'
Boleyn boog gehoorzaam zijn hoofd. Henry, die van nog meer hoop vervuld was, wendde zich tot Anne en vergat de rest van het gezelschap totaal. Ze staarden in eikaars ogen.
'Wel, wel, ik zie dat de geruchten kloppen,' zei de Hertogin van Norfolk, die nieuw aan het hof was, tegen haar man. 'Zij is de hoer van de koning en de vader van dat kreng is boven iedereen verheven!'
'Laat hen maar feesten en zichzelf volvreten,' zei Norfolk op bittere toon tegen haar. 'Want op een dag krijgen ze wat ze verdienen.' Hij zag Boleyns kruiperige gedrag tegenover de koning. De Boleyns waren niet langer obscure verwanten die afhankelijk waren van Norfolks welwillendheid — en dat stak.
Brandon nam Norfolk met een glimlach even apart. 'Alles lijkt zich in uw voordeel te ontwikkelen, Uwe Excellentie,' mompelde hij ironisch. Norfolk wierp hem een kille blik toe. 'Ik heb slecht nieuws. Ik weet toevallig dat de koning Wolsey een gegraveerd portret van zichzelf heeft gestuurd.'
Brandon zei even niets en haalde toen zijn schouders op. 'Dus?'
Norfolk rolde met zijn ogen. 'Het is een teken van welwillendheid,' legde hij uit. 'Het kan een voorbode zijn van verzoening.'
Brandon wuifde dit weg. 'Een klein geschenk om het geweten van de koning te sussen is nu niet direct een teken dat de Bisschop van York in zijn vroegere eer hersteld zal worden. U moet het zo zien: is satan, nadat hij uit de hemel was gevallen, daar ooit weer uitgenodigd?'
'Van satan weet ik het niet,' zei Norfolk, 'maar van u wel.'
Brandon keek hem scherp aan, lachte toen als een boer die kiespijn heeft en liep weg.
Chapuys en More, die dicht bij elkaar zaten, keken ook toe hoe de koning en Anne Boleyn iets deden wat neerkwam op publiekelijk de liefde bedrijven.
'Alles draait nu om Lady Anne!' merkte Chapuys op. 'Doet u dit niet denken aan een huwelijksfeest, Sir Thomas? Het lijkt me dat het enige wat nog ontbreekt de priester is die de trouwringen overhandigt en de zegen uitspreekt.'
'God verhoede dat het ooit zover zal komen,' zei More. 'Maar ik heb er niets mee te maken. Mijn taak als kanselier is het uitroeien van de nieuwe valse sektes. Ik zal mijn uiterste best doen om te strijden voor de belangen van het christendom.'
Chapuys keek naar Henry aan de overkant, vervolgens naar Boleyn en toen weer naar More. 'Misschien heeft Zijne Majesteit de Koning meer met de hervormers dan u denkt.'
'Dat denk ik niet. Ik ken hem beter dan u, Excellentie,' zei Thomas More op zijn gemak. 'De koning bezit een diepgewortelde neiging tot traditie en trouw. Hij mag dan dreigen met Rome te breken, maar ik kan niet geloven dat hij dat ooit zal doen.'
Chapuys fronste; hij was niet overtuigd. 'Ik hoop het. Ik hoop het werkelijk,' mompelde hij. 'De gevolgen zouden... onvoorstelbaar zijn.'
Aan de hoge tafel voerde Henry Anne teder stukjes vlees. 'Dank u voor wat u voor mijn vader hebt gedaan — voor mijn hele familie,' zei ze tegen hem.
'Er is meer, mijn lief. Ik heb opdracht gegeven om veranderingen aan te brengen in Wolseys oude paleis in York Place.' Henry zag tot zijn vreugde dat ze verbaasd was en legde uit: 'U vertelde me immers hoe mooi u het vond, dus ik schenk het u.'
Anne was verrukt, maar sloeg toen overweldigd haar ogen neer. Henry legde een hand op de hare. 'Wat is er, mijn lief? Heb ik u ongelukkig gemaakt?'
Ze tilde haar hoofd op en keek hem liefdevol aan. 'Nee. Ik zou alleen ongelukkig zijn als u niet meer van mij hield.'
'Dan zou Londen eerst moeten smelten in de Theems,' zei hij tegen haar. En voor de ogen van alle hovelingen boog hij zich voorover en kuste haar op de lippen.
Aan een tafel die een stuk verder weg stond, zaten Tallis en zijn vriend, de dichter Thomas Wyatt, het tafereel gade te slaan. 'Ik heb gehoord dat u het patronaat van Mijnheer Cromwell hebt geaccepteerd, Mijnheer Wyatt.'
'Hoe uiterst doorzichtig is de wereld toch!' Wyatt lachte wrang. 'Maar heb ik daar verkeerd aan gedaan, Mijnheer Tallis?'
'Ik... ik denk het wel, ja,' zei Tallis ernstig. 'U zou op eigen benen moeten staan.'
Wyatt snoof. 'Doe niet zo dwaas, Tallis. Zonder de steun van een machtig man overleeft men niet zo lang in deze onbetrouwbare wereld.'
Tallis trok zijn wenkbrauwen op. 'Vindt u Mijnheer Cromwell een machtig man?'
Wyatt knipoogde en zei op vertrouwelijke toon: 'Ik vind hem een veelbelovend man! Let op mijn woorden.'
Tallis rimpelde zijn voorhoofd. 'Toen ik net aan het hof was, gaf iemand mij een advies dat ik zeer wijs vond.'
'Is dat zo? En hoe luidde dat dan?'
'Hij zei tegen me: "Wij arme mensen moeten op zoek naar de uitstraling van grote mannen, zoals de mot op zoek gaat naar de vlam.'"
'Ja, en daarom...'
'Ik ben nog niet klaar,' onderbrak Tallis hem. 'Vervolgens zei hij: "Maar let goed op de mot, want als we te dicht bij de vlam komen, lopen we het risico onze vleugels te verbranden.'" Wyatt haalde zijn schouders op. 'Ik ben geen mot.' Ze keken allebei weer naar Henry en Anne, die elkaar in het openbaar liefkoosden. Wyatt boog zich dichter naar Tallis toe en fluisterde in zijn oor: 'En voor wat het waard is, ik heb haar inderdaad geneukt!'
Tallis wierp hem een waarschuwende blik toe. 'Dat zou ik maar voor me houden als ik u was.'
Sir Thomas More vervulde zijn plicht als de kanselier van de koning naar eer en geweten: hij bestreed de verspreiding van de dwaalleer die hij zo verafschuwde en die dreigde de fundamenten van de samenleving te vernielen; hij probeerde de onschuldige slachtoffers van de 'slimme kerels' te scheiden.
Hij ondervroeg een magere, gewoontjes uitziende voormalige raadsheer van middelbare leeftijd met de naam Simon Fysh. Fysh zat aan een eenvoudige houten tafel. Voor hem lagen verschillende radicale traktaten en boeken.
'U bent in ballingschap geweest, Mijnheer Fysh?'
'Ja, sir. Het heeft Kardinaal Wolsey behaagd mij in Holland te houden, uit angst dat ik misschien de waarheid zou verkondigen.'
More trok een wenkbrauw op. 'Maar waarom bent u dan teruggekeerd?'
'Ik dacht, sir, dat nu de kardinaal uit zijn ambt ontheven en weggestuurd is, de omstandigheden in dit land wellicht verbeterd zouden zijn.' Hij keek More met heldere ogen aan. 'Ik had verwacht dat de mensen in Engeland toleranter zouden zijn. Ik heb uw boek Utopia gelezen.'
More reageerde niet. 'Hebt u vrienden in dit land, Mijnheer Fysh?'
Fysh fronste. 'Natuurlijk, sir, ik ben een Engelsman.'
'Aan het hof?'
Fysh zei niets.
More herhaalde: 'Hebt u vrienden aan het hof?'
Fysh keek een andere kant op — hij weigerde te antwoorden. Even later pakte More een pamflet van de tafel. 'Ontkent u dat u de schrijver bent van dit werk: A Supplication for the Beggars?
'Nee, sir, dat ontken ik niet. Het is een oproep aan Zijne Majesteit om een groot deel van de verschrikkelijke en schandalige misstanden in de Kerk te herstellen.'
More sloeg het pamflet open. 'U noemt de leiders van de Kerk dieven! Ze zijn "roofzuchtig, wreed en onverzadigbaar" — vanwege het verzamelen van de tienden die hun toekomen!' Hij keek de zwijgende Fysh aan. More vervolgde: 'U veronderstelt dat de Kerk in feite uit is op het grijpen van de macht, de heerschappij van de lords, de gehoorzaamheid aan en de waardigheid van de koning. U gaat zelfs nog verder en beweert dat de Kerk ongehoorzaamheid en rebellie tegen de koning aanmoedigt!' Hij boog zich voorover en zei recht in het gezicht van Mijnheer Fysh: 'Dat is toch zo, Mijnheer Fysh?'
Nog steeds deed Fysh er het zwijgen toe.
More begon, kijkend in het pamflet, langzaam rondjes om de tafel te lopen. 'En hier, Mijnheer Fysh... als ik zo vrij mag zijn, zegt u dat de vorderingen die het volk worden afgenomen niet gegeven worden aan een vriendelijke, tijdelijke vorst, maar aan "een wrede, duivelse bloedzuiger; dronken van het bloed van de heiligen en martelaren van Christus".'
Hij ging met zijn vinger langs de bladzijden van het pamflet. 'U moest zich schamen, Mijnheer Fysh! En wie zijn die wrede, duivelse bloedzuigers anders dan de gezalfde priesters van onze Heilige Kerk, die ons de weg naar de hemel wijzen!'
Fysh reageerde niet.
More ging dichter bij hem staan. 'Maar ja, dat gelooft u ook niet, is het wel, Mijnheer Fysh?' Hij drukte zijn gezicht tegen dat van Fysh aan en vroeg:
'Wie bent u, Mijnheer Fysh?'
Eindelijk tilde Fysh zijn hoofd op. 'Het antwoord op die vraag luidt: ik ben een christen, het kind van altijddurende vreugde, dankzij de verdiensten van het bittere martelaarschap van Christus. Dat is het vreugdevolle antwoord.'
Er viel een korte stilte en toen zei More op kille toon: 'Het is ook ketterij.'
Thomas More besloot om van de terechtstelling van Simon Fysh geen openbaar spektakel te maken. In het verleden hadden dergelijke voorvallen te vaak ordinaire massa's getrokken, alsof het verbranden van een ketter een soort publiekelijk vermaak was.
Omdat de ceremonie van vandaag plechtig en officieel was, stemde hij erin toe alle versierselen te dragen die bij zijn ambt hoorden en niet zijn gebruikelijk eenvoudige robe aan te trekken. Bisschop Fisher en begeleiden-de geestelijken waren allen in vol ornaat aanwezig. De beulen bonden Simon Fysh vast aan de paal. Hij stond er bleek maar kalm bij toen ze sprokkelhout rond zijn voeten opstapelden. Een brandend komfoor stond vlakbij.
More keek vol medeleven naar Fysh, die slechts een eenvoudig jak droeg.
'Er is nog steeds tijd om uw dwaling openlijk te erkennen, Mijnheer Fysh. U hoeft slechts te erkennen dat uw standpunten misplaatst en duivels zijn en tegen Gods wet indruisen... dan zullen u de verschrikkelijke pijnen die u anders zou moeten verduren bespaard blijven.'
Fysh draaide zijn hoofd om en keek More aan. Hij zei echter niets. Een van de beulen pakte een brandend stuk hout op en hield dat dicht bij de stapels sprokkelhout.
'Ik smeek u, Mijnheer Fysh,' zei More. 'Erken uw zonden, dan zal God u weer bij Zijn kudde verwelkomen. Erken uw dwaling! U hebt nog steeds tijd.'
Hij wachtte. Fysh staarde hem aan en begon toen Psalm 23 op te zeggen
- opzettelijk in de verboden Engelse vertaling. '"De Heer is mijn herder, mij ontbreekt niets. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden, en voert mij naar rustige wateren..."'
Bisschop Fisher probeerde Fysh' ketterse daad te overstemmen door luidkeels in het Latijn te bidden. More gaf een teken en het sprokkelhout vatte vlam.
Rond Fysh' voeten begon het vuur te knetteren. Fysh ging harder praten.
'"Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij."'
Toen de vlammen ineens omhoogschoten, kon More het niet meer aanzien. Hij draaide zich af van het tafereel en wenste dat hij het afschuwelijke geluid van de brullende vlammen en de brandende man die zijn ketterse gebed uitschreeuwde kon overstemmen.
'"Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven, ik zal in het huis des Heren verblijven tot in lengte van dagen!'" Het laatste woord eindigde in een afschuwelijke schreeuw toen Fysh' aderen met een knappend geluid openbarstten. Het vuur brulde.
Ten slotte draaide More zich weer om en dwong zichzelf te kijken. Wat ooit Fysh was geweest, was nu slechts een vormeloze gestalte die als een geblakerde pop danste en kronkelde in de vlammen.
Hoofdstuk 21
Henry was in een slecht humeur. De bijeengekomen leden van zijn raad zaten ongemakkelijk heen en weer te schuiven en wachtten tot hij ging spreken.
'Mijne Excellenties, elke dag moet ik opnieuw verslagen lezen over onvrede, wanorde en belemmeringen in mijn koninkrijk. Ik hoor dat mijn schatkist leeg is en dat we geld lenen tegen woekerrente!'
Hij keek Brandon en Norfolk boos aan. 'Uwe Excellenties zijn de voorzitters van deze raad. Toch hoor ik niets van u over deze zaken — noch over enige andere zaak.'
Brandon schraapte zijn keel. 'Uwe Majesteit moet mij vergeven. Ik...'
Henry onderbrak hem. 'Ik weet het! Ik moet u altijd vergeven, Uwe Excellentie!' zei hij sarcastisch. 'Maar ik ben het beu. Ik heb u alles gegeven — zelfs het recht om uzelf vorst te noemen!' Hij keek Brandon bars aan.
'Maar wat krijg ik ervoor terug?'
Brandon sloeg zijn ogen neer.
Henry ging verder. 'Ik vond Kardinaal Wolsey altijd een ijdel, hebzuchtig iemand die handelde uit eigenbelang - precies zoals u mij allen hebt verteld! Nu begrijp ik welke last hij moest dragen. Zonder te klagen!'
Brandon en Norfolk wisselden een blik van verstandhouding. Norfolk haastte zich te zeggen: 'Uwe Majesteit moet niet vergeten dat hij ook van u gestolen heeft — en de belangen van de Fransen beter diende dan die van Engeland.'
Henry keek naar Sir Thomas More. 'Denkt u er ook zo over, Thomas?'
More koos zijn woorden zorgvuldig. 'Het is waar dat de kardinaal mateloos verwaand was. En dat was een zeer grote zonde. Het heeft hem geschaad en het heeft hem ertoe gebracht de vele grote gaven die hij van God heeft gekregen te misbruiken.'
Veel raadsleden knikten. Henry zei lange tijd niets. Toen sloeg hij opeens met zijn vuist op tafel en schreeuwde: 'En toch was hij beter in het regelen van de zaken van dit koninkrijk dan eenieder van u!' Hij stormde de kamer uit.
De raadsleden keken elkaar vol verwarring aan. Het was alom bekend dat de koning de laatste tijd slecht gehumeurd was - dat kreeg een man nu eenmaal van langdurige seksuele onthouding - maar dit was ernstig! Uiteenvallend in serieus discussiërende groepjes verlieten ze de kamer. Norfolk ontdekte Brandon. 'Ik heb u toch gewaarschuwd! Ik zal met de koning praten.'
'Ja, ja, dat moet u doen!' beaamde Brandon toen Norfolk vertrok. De persoonlijke aanval van de koning had hem zeer aangegrepen. Wolsey kon de slaap niet vatten. Nadat hij een tijdje had liggen woelen, ging hij rechtop in bed zitten. Dat stoorde zijn maitresse Joan, die ook probeerde te slapen. Ze draaide zich om en keek naar hem. 'Wat is er, Thomas? Is het die brief die u hebt ontvangen?'
Wolsey zuchtte. 'Ja, ze heeft mijn brief beantwoord.'
'Vrouwe Boleyn? Wat schreef ze?'
'Dat ze niet wilde beloven een goed woordje voor mij bij de koning te doen.'
Even was het stil. 'Dan... is onze hoop vervlogen,' zei Joan. Ze leunde zwijgend en troost zoekend tegen hem aan.
Wolsey keek op haar neer en zijn blik werd milder. 'Nee,' zei hij peinzend.
'Dat hoeft niet. Er is nog iemand anders die ik kan schrijven; een dame die in elk opzicht veel hoogstaander is dan die bedrieglijke hoer — en eerder geneigd is vriendelijk te zijn.
'Ik heb een brief voor Uwe Majesteit.' Ambassadeur Chapuys haalde een brief uit de plooien van zijn kleding tevoorschijn. Opnieuw had Katherine ervoor gekozen hem in de beslotenheid van haar vertrek te ontvangen. Katherines ogen lichtten op. 'Van de keizer?'
Chapuys keek verontschuldigend. 'Nee. Van Kardinaal Wolsey.'
'Van Kardinaal Wolsey?' herhaalde ze verbijsterd. Ze opende de briefen las hem snel door. 'Dit is... wel zeer vreemd,' riep ze uit toen ze klaar was met lezen. 'Weet u wat erin staat?'
Chapuys boog zijn hoofd. 'De kardinaal biedt aan een verzoening te regelen tussen u en hem, de keizer en Rome. De machtsgreep zou aangekondigd worden met de komst van een pauselijk edict waarin Henry het bevel krijgt Anne Boleyn te verlaten en terug te keren naar zijn huwelijk. De keizer zou zijn financiële en morele steun aanbieden en erop staan dat Wolsey weer wordt geïnstalleerd als kanselier.'
Het was even stil. Toen zei Katherine: 'Denkt u dat het zou lukken?'
'De kardinaal is in ieder geval uitermate vindingrijk,' zei Chapuys neutraal.
'En ik hoor overal geruchten dat de koning hoe dan ook van plan is hem in ere te herstellen.'
'O, mijn hart gaat zo tekeer,' riep Katherine in het Spaans uit. 'Kunnen we samen bidden, Excellentie?'
Samen knielden ze voor haar eigen altaar en richtten hun gebeden tot de Maagd.
'Ik wil dat je een nieuw parlement bijeenroept,' instrueerde Henry Sir Thomas More. Hij had More laten komen voor een wandeling in zijn privétuinen. 'Er moeten belangrijke dingen gedaan worden. Zo is mijn schatkist leeg, om maar iets te noemen.'
More knikte. 'Ik zal doen wat Uwe Majesteit mij opdraagt. Maar ik moet u waarschuwen dat u het nieuwe parlement wellicht niet zo... inschikkelijk vindt als de vorige.'
Henry fronste. 'Hoe bedoelt u?'
'Welnu, hoewel ik moet bekennen dat ik tot degenen behoorde die ooit riepen om meer tolerantie en vrije meningsuiting, vrees ik dat de vrijheid die door Uwe Majesteits goedheid is toegekend nu openlijk wordt misbruikt. Er klinken vele andersdenkende stemmen in Uwe Majesteits koninkrijk — vooral wat betreft religieuze kwesties.' Hij wierp een vluchtige blik op de koning. 'Er wordt alom geroepen om reformatie.'
Henry wandelde knikkend verder, maar stond toen ineens stil. 'Hoeveel hebt u er verbrand, Thomas?'
'Zes. Het was wettig, noodzakelijk en is goed gedaan.'
Henry staarde hem aan. 'Goed gedaan?'
More beantwoordde zijn blik. 'Ja, Uwe Majesteit.'
Anne Boleyn liep door een gang toen ze een van de persoonlijke kamerheren van de koning in de richting van de privévertrekken van de koningin zag gaan. Hij droeg verschillende gevouwen lappen stof— het leek wel nieuw wit linnen.
'Wacht even!' riep ze naar de dienaar. Ze bekeek het linnen. Het was van een eersteklas kwaliteit.
'Waar brengt u dit heen?' vroeg ze aan de kamerheer.
'Naar Hare Majesteit de Koningin, Lady Anne.'
'Met welk doel?'
'De koningin maakt er hemden voor Zijne Majesteit van, my lady,' zei hij.
'Zij heeft die altijd gemaakt, my lady,' voegde hij er ongevraagd aan toe. Anne staarde hem met open mond aan.
De kamerheer wierp haar een vragende blik toe. 'Lady Anne?'
Ze wuifde hem ongeduldig weg en zag dat hij werd toegelaten tot de privévertrekken van de koningin. Anne draaide zich plotseling om en ging op zoek naar Henry.
'Maakt zij nog steeds uw hemden?' vroeg ze woest.
Henry knipperde met zijn ogen. 'Ja. Ja, ze maakt nog steeds mijn hemden.'
Hij was van zijn stuk gebracht door haar schijnbare woede.
'Ik kan het niet geloven!'
Henry keek haar onderzoekend aan om te achterhalen waar die woede vandaan kwam. 'Wat kunt u niet geloven?'
Anne keek hem boos aan. 'U hebt me verteld - u hebt me verteld dat er niets intiems meer tussen u en haar was!'
Henry probeerde dichter bij haar te komen. 'Lieveling, het zijn gewoon hemden.'
Kwaad sloeg Anne zijn handen van haar weg. 'Nee, het zijn niet gewoon hemden! Ze zijn u en ik\ Ze zijn u en zijV
'Ik...'
'Heeft niemand u verteld dat ik ook een goede naaister ben?' Ze beet op haar lip; ze stond op het punt in tranen uit te barsten. Lange tijd staarden ze elkaar aan.
Henry maakte een hulpeloos gebaar. 'Het spijt me. Het was onnadenkend van me.'
Die woorden brachten Anne aan het huilen. 'Nee, nee, nee, nee... het spijt mij. Het spijt me echt,' mompelde ze, terwijl ze haar ogen voor hem verborg. 'Het spijt me. Het spijt me.'
'Lieveling.' Hij trok haar in zijn armen, tilde toen haar met tranen doorlopen gezicht op en kuste haar. 'Ik houd van u.'
'Het zal Uwe Majesteit deugd doen te horen dat de universiteit van Parijs
- de grootste - zich in uw voordeel heeft uitgesproken.' Cromwell en Boleyn waren teruggekeerd van hun rondreis langs de grote universiteiten van Europa, waar ze opinies over de theologische basis van Henry's echtscheiding hadden verzameld. Henry had hen in het paleis ontvangen en luisterde in zijn privévertrekken naar hun verslag.
'En Italië?' vroeg Henry.
'Ik moet bekennen dat de universiteiten daar verdeeld zijn,' zei Cromwell,
'maar Padua, Florence en Venetië hebben zich allemaal voor Uwe Majesteit uitgesproken.'
'En Spanje?'
'Spanje is tegen,' deelde Cromwell hem mee.
Henry glimlachte wrang. 'Wat een verrassing!' Hij wendde zich tot Boleyn.
'En u, Mijne Excellentie, hebt u de keizer en de paus ontmoet? Hoe maakten zij het?'
Boleyn schoof ongemakkelijk heen en weer. Hij had tot nu toe weinig aan de conversatie bijgedragen. Hij slikte en gaf toe: 'De keizer heeft geweigerd me te ontvangen, Uwe Majesteit.'
Henry fronste. 'En Zijne Heiligheid?'
Boleyn slikte opnieuw. 'De paus heeft me slechts dit edict voor Uwe Majesteit meegegeven.' Hij haalde een rol perkament met het pauselijke zegel tevoorschijn en overhandigde dat na enige aarzeling aan Cromwell.
'Wat staat erin?' wilde Henry weten.
Cromwell verbrak het zegel en opende de rol. Hij begon de inhoud snel door te lezen, stopte toen en keek boos van Henry naar Boleyn en toen weer naar Henry. Het was duidelijk geen goed nieuws.
'Vertel het me!' eiste Henry ongeduldig.
'Het edict draagt Uwe Majesteit op Anne Boleyn te bevelen uw hof te verlaten,' vertelde Cromwell hem. 'Het - het weigert Uwe Majesteit toe te staan te hertrouwen zolang de curie Uwe Majesteits zaak nog in beraad heeft.'
Er viel een lange stilte. Henry zag er bars, furieus en zeer zorgelijk uit. Zonder een woord te zeggen, stormde hij de kamer uit. Boleyn en Cromwell liepen achter hem de kamer uit en zagen hem door de gangen naar de uitgang benen. Ze keken elkaar aan. 'Ik zal Anne gaan vertellen wat er gebeurd is,' zei Boleyn zacht, en hij liep in de richting van zijn dochters vertrekken.
Toen hij een hoek om sloeg, werd hij plots onderschept door Ambassadeur Chapuys, die voor hem boog.
'Uwe Excellentie,' zei Boleyn, terwijl hij zijn ongeduld probeerde te onderdrukken. 'Wat kan ik voor u doen?'
'Ik zou u om een zeer grote gunst willen vragen, my lord.' Chapuys keek Boleyn bezorgd aan. 'We leven in een kommervolle tijd. Het is mij gebleken dat hier in bepaalde streken een openlijke en onbeschaamde vijandigheid tegen onze Heilige Kerk bestaat. En zoals we in Duitsland hebben ontdekt, heeft dit...'
Bruusk onderbrak Boleyn hem. 'Wat verwacht u dat ik eraan kan doen?'
'U bent een hoogstaand man, een man met veel invloed in Engeland,' vertelde Chapuys hem. 'Ik smeek u om de grote invloed die u hier aan het hof hebt aan te wenden om Engeland van de rand van de afgrond te trekken
- uit naam van de liefde die wij Christus en Zijn apostelen allen toedragen.'
Boleyn bekeek Chapuys met een vage minachting voor diens naïviteit. Hij perste zijn lippen op elkaar. 'Welke apostelen?' zei Boleyn toen hardvochtig.
'Ik dacht niet dat Christus apostelen had — zelfs Sint-Petrus niet! Die mannen waren leugenaars en charlatans die pretendeerden Christus te volgen en in Zijn naam te spreken. En ze hebben op hun leugens een kerk gebouwd!'
Hij liep weg; achter hem sloeg Chapuys ontzet en verbijsterd een kruis. Boleyn was niet de enige die na de audiëntie bij Henry werd belaagd. Cromwell had nog geen vijftig passen gezet toen de dichter Thomas Wyatt hem de weg versperde en boog.
Ongeduldig zei Cromwell: 'Nu niet, Mijnheer Wyatt. Ik heb het druk.'
'Er is iemand die u volgens mij graag zou zien,' zei Wyatt op een lage, samenzweerderige toon.
'Ik zei: nu niet, Mijnheer Wyatt!' Cromwell liep door.
'Het gaat om de kardinaal,' deelde Wyatt hem mee.
Cromwell bleef abrupt staan en draaide zich om. 'Goed dan.'
'Deze kant op,' zei Wyatt. Hij leidde Cromwell naar een uithoek van het paleis.
Wyatt bracht Cromwell naar een kamer waar een kalende, zenuwachtige man van middelbare leeftijd stond te wachten. Toen Cromwell binnenkwam, sprong de man overeind en boog een paar keer diep. 'Edelachtbare, Edelachtbare... zo dankbaar...'
Hij was nou niet bepaald een inspirerend creatuur. Cromwell keek vragend naar Wyatt.
Wyatt zei: 'Sir, dit is Augustine de Agostini. Ik ken hem uit de tijd dat hij arts was van de familie Boleyn.' Op zijige toon ging hij verder: 'Doctor Agostini is kortgeleden opgetreden als privéarts van Thomas Wolsey, de aartsbisschop van York.'
Cromwell was opeens een en al oor en wendde zich weer tot Agostini.
'Wat weet u van Wolsey?'
Agostini stotterde: 'Sir, ik w-w-weet dat W-Wolsey de h-h-hulp heeft ingeroepen van de keizer en de p-p-p.
'De paus?' zei Cromwell.
Agostini knikte heftig. 'Ja, Edelachtbare. Zijne H-H-Heiligheid. De ppaus. T-1-tegen Zijne M-Ma-Majesteit.'
Cromwell boog zich voorover. 'Hebben ze contact gehad?'
t-ja.'
'En met wie heeft Wolsey nog meer contact gehad?'
'W-Wolsey s-s-s-spande s-s-s-samen met Koningin K-K-Katherine, sir... omdat hij zei d-d-dat dat de enige m-m-manier...'
'Het was de enige manier waarop hij de macht terug zou kunnen krijgen.'
Cromwell maakte de zin ongeduldig af.
Agostini knikte opnieuw. 'Zij gaven d-d-de t-t-toon aan en hij z-z-zong.'
'We moeten het de koning vertellen,' besloot Cromwell. Toen Cromwell vertrok, gluurde Agostini angstig naar Wyatt, die hem een goedkeurend knikje gaf.
De soldaten van de koninklijke garde ramden de deur van Church House in York in. Een stel jonge bedienden schreeuwde.
'Halt! U daarbinnen! Stop in naam van de koning!' schreeuwde een soldaat. Ze waren bewapend en verwachtten verzet. Wolsey stond in het midden van de kamer te wachten. Met uitzondering van zijn maïtresse Joan was hij helemaal alleen. Toen de soldaten zwaaiend met hun wapens binnenstormden, rende ze naar hem toe en sloeg haar armen beschermend om hem heen.
De soldaten herkenden Wolsey bijna niet. Hij was nu een oude man, onge-schoren en gekleed in vale en tot op de draad versleten kleren. Hij was verschrikkelijk afgevallen en zag er met zijn asgrauwe huid en zijn dunne, ongekamde haar verwilderd uit. De renaissancevorst van de Kerk was nog slechts een vage herinnering. Alleen zijn heldere, intelligente ogen herinnerden aan de oude Wolsey. Brandon betrad de kamer na de soldaten. Hij bekeek Wolsey uiterst voldaan. 'Thomas Wolsey, u wordt op bevel van de koning gearresteerd op beschuldiging van hoogverraad. U wordt van hier naar Londen gebracht, waar u berecht zult worden.'
Joan barstte in tranen uit en klampte zich aan Wolsey vast.
'Kom, kom, Joan,' zei Wolsey vriendelijk tegen haar. 'Geen tranen om mij, bid ik u.' Met een glimlach maakte hij behoedzaam haar armen los. Hij legde teder een hand om haar wang en zei: 'Vergeef me dat u niet veel hebt om mij te herinneren.'
'Nee,' zei ze, terwijl de tranen over haar gezicht stroomden. 'Ik heb een leven en alles wat daarbij hoort dat me aan u herinnert.' Ze negeerde de soldaten en kuste hem.
Toen duwde Wolsey haar waardig aan de kant en liep naar Brandon toe.
'Als ik God net zo ijverig had gediend als de koning, had Hij me niet met grijze haren overgeleverd,' zei hij.
'Breng hem naar buiten,' zei Brandon bars.
Buiten stond een vieze boerenkar te wachten; het soort dat gebruikt werd om vee te vervoeren. Brandon keek licht ongemakkelijk toe hoe de soldaten Wolsey er ruw in duwden. De kar was niet eens schoongeveegd; het was een opzettelijke vernedering.
Wolsey deed alsof hij het niet merkte. Joan stond huilend op de stoep toe te kijken hoe Brandon en de bewapende escorte hun paarden bestegen en de kar langzaam wegreed.
Toen Wolsey achteromkeek om — dat wist hij — voor het laatst vaarwel te zeggen, zakte Joan opeens in elkaar.
'Joan! Joan!' riep hij naar haar. Hij zag een bediende naar haar toe rennen, maar de kar rolde meedogenloos verder. Hij kon niets doen. Het gezelschap dat Wolsey voor zijn rechtszaak naar Londen begeleidde bereikte tegen de avond Leicester en bleef daar overnachten in een klooster. Een monnik leidde Wolsey en Brandon bij het licht van een kandelaar naar een kloostercel.
'U zult hier vannacht verblijven,' zei Brandon tegen Wolsey. 'Er zal voortdurend een soldaat voor de deur staan.' Hij wuifde in de richting van een tafel waar eten en water waren neergezet. 'Er staat daar eten voor u. Het is ongetwijfeld eenvoudiger dan u gewend bent, maar er is tenminste vlees — en brood. Wees dankbaar dat u gevoed wordt.'
Wolsey wierp een blik op de maaltijd en knikte langzaam. De monnik zette de kandelaar neer en zonder verdere plichtplegingen trokken hij en Brandon zich terug. De deur werd achter hen gesloten; Wolsey hoorde het geluid van een grendel die werd verschoven. Hij keek rond in zijn kleine koninkrijk. Afgezien van de ruwhouten tafel en een stoel stonden er een ijzeren bed en, op een stenen plank, een groot houten kruisbeeld. Wolsey knielde en keek op naar het beeld van de lijdende Christus.
'Wij hebben nooit zo lang of zo vaak met elkaar gesproken, Heer, als had gemoeten,' zei hij zacht. 'Ik ben vaak bezig geweest met andere zaken. Als ik vergiffenis wilde, zou ik erom moeten vragen... maar voor alles wat ik gedaan heb, en nog ga doen, bestaat geen vergiffenis.' Er liep een rilling over zijn gezicht en hij moest moeite doen om zich te beheersen.
'En toch ben ik - denk ik - geen slecht mens, want slechte mensen bidden luider en doen boete en wanen zichzelf altijd dichter bij de hemel dan ik. Ik zal de poorten ervan niet zien, noch Uw zoete woorden van verlossing en vreugde horen, Heer. Ik zweer dat ik de eeuwigheid heb gezien, doch slechts in een droom, en in de morgen was het allemaal verdwenen.'
Hij zweeg een tijdje. 'Ik ken mezelf voor wie ik ben. Ik lever mijn arme ziel over aan Uw genade — en toch weet ik dat ik uit Uw liefhebbende handen niets verdien te ontvangen, o Heer.'
Hij maakte een kruisteken en stond toen langzaam op. Hij liep naar de tafel. Hij keek naar het kleine bord, waarop een stuk gekookt vlees lag. Een homp droog brood en een beker wijn completeerden de maaltijd, maar Wolsey had slechts oog voor één ding — iets wat hij had gezien op het moment dat hij de cel was binnengekomen: een klein, goed geslepen mes dat ze voor hem hadden neergelegd om zijn vlees te snijden. De onschuldige, wereldvreemde monniken zouden nooit op het idee komen een mes ergens anders voor te gebruiken. Noch kon een priester een dergelijke goddeloze daad plegen.
Wolsey pakte het mes op, stak het lemmet in zijn keel en trok het de andere kant op... Een monnik die een kom havermoutpap naar de gevangene kwam brengen was de volgende morgen degene die het lijk ontdekte. Er ging een golf van consternatie en ontsteltenis door het klooster.
Brandon baande zich duwend een weg door het kleine groepje monniken en soldaten. Hij keek omlaag naar de gestalte die dood onder het kruisbeeld lag, in een grote plas geronnen bloed. Woedend omdat zijn triomf verijdeld was, gaf hij het lichaam een verachtelijke trap. 'Verdoeme! Verdoemd bent u, Wolsey!'
Het nieuws bereikte Henry toen deze op de schietbaan bij het paleis aan het oefenen was met pijl en boog. Hij en Knivert schoten om beurten. Cromwell kwam naderbij.
'Mijnheer Cromwell? Wat is er?' zei Henry ongeduldig. Cromwell boog. 'Uwe Majesteit, Kardinaal Wolsey is dood.'
'Het spijt me dat te horen,' zei Henry na een ogenblik. 'Ik wens dat hij nog geleefd had.' Hij keek weg in de richting van de schietschijf. 'Hoe is hij gestorven?'
Cromwell keek ongemakkelijk. 'Hij...' Cromwell boog naar Henry toe en fluisterde in zijn oor.
Henry staarde hem ontzet aan. 'Niemand mag dat ooit weten,' beval hij op kalme, krachtige toon. 'Begrijpt u? Niemand. Ooit!' Zelfmoord was een doodzonde. Iemand die zelfmoord had gepleegd moest in ongewijde grond begraven worden.
Cromwell knikte en toen zei Henry: 'Ik maak mijn wedstrijd af en dan zal ik met u praten.'
Cromwell boog en liep weg. Knivert stopte een pijl in zijn boog en bereidde zich voor om te schieten. 'Ga!' zei Henry onverwacht tegen hem.
'Laat me alleen!'
Knivert boog en vertrok. Vechtend om zijn zelfbeheersing niet te verliezen liep Henry langzaam naar de schietschijf, tot hij uit het zicht van de soldaten en hovelingen was. In afzondering huilde hij toen in stilte om Wolsey; bittere, oprechte tranen van genegenheid en wroeging — en van verlies. Want Henry wist dat hij niet alleen om Wolsey huilde, maar ook om zichzelf en zijn toekomst...
'Hebt u het gehoord?' Bisschop Fisher stormde opgewonden de kamer van Sir Thomas More binnen. De kamer was donker en More had in gedachten verzonken bij het raam gestaan.
'Ik heb het net zelf gehoord!' zei Fisher. 'Op bevel van Zijne Majesteit zijn vijftien vooraanstaande geestelijken gearresteerd vanwege het aanvaarden van Wolseys autoriteit als pauselijk legaat!'
More bleef nog even uit het raam staren en draaide zich toen om. 'Ik weet het.' Zijn gezicht was vertrokken van verdriet en woede. 'Er is ook een decreet uitgevaardigd dat erkent dat de koning in alle zaken, seculier en spiritueel, boven de wet staat en alleen aan God rekenschap verschuldigd is!'
Fishers mond viel open. Hij kon de omvang ervan niet bevatten. More sloeg met zijn vuist tegen de lambrisering.
'Wat kunnen we eraan doen?' riep Fisher uit.
Lang was het stil. More, die zijn best deed zijn kalmte de bewaren, schud-de zijn hoofd. 'Ik herinner me dat Kardinaal Wolsey eens tegen me heeft gezegd dat ik de koning altijd moet vertellen wat hij zou moeten doen, niet wat hij zou mogen doen. Hij zei: "Want als de Leeuw ooit zijn ware kracht ontdekt, zal niemand in staat zijn hem in toom te houden.'" Hij staarde Fisher even aan, draaide zich toen van hem af en keek bars naar een beeld van de Heilige Maagd.
'Ik vrees dat Wolseys voorspelling is uitgekomen,' zei hij rustig. 'Ik denk dat wij aan de rand van de afgrond staan... en God mag weten wat er van ons zal worden!'
In het paleis waren de hervormers in groten getale aanwezig om een speciaal vervaardigde uitvoering te bekijken. Norfolk, Brandon, Thomas en George Boleyn, Cromwell, Cranmer, Gardiner, Foxe en anderen zaten drinkend en lachend toe te kijken hoe, op de galerij boven hen, een uitgesproken zwaarlijvige en belachelijk uitziende acteur die Kardinaal Wolsey speelde kwijlend het kruis kuste, geld in zijn zakken propte en lonkte naar halfnaakte vrouwen.
Met een opgewonden gebrul sprong de gevleugelde figuur van de dood op het podium en sneed met een dramatisch gebaar zijn keel door met een zeis. Nepbloed in de vorm van linten spoot uit zijn keel en met veel misbaar stierf de kardinaal. Twee gehoornde duivels grepen Wolsey en begonnen hem in de richting van de trap te trekken. Wolsey probeerde hen tevergeefs van zich af te slaan. Het verrukte publiek jouwde, juichte en klapte toen de gordijnen opzijgingen en onder de trap een wereld vol met vuur en bijtende rook onthulden. De naakte lichamen van de vervloekten kronkelden in een eeuwigdurende marteling. Duivels martelden de vervloekten op alle demonische manieren: met vuur, sikkels en messen. Een doodsbange Wolsey deinsde terug en vocht kwijlend van angst om aan zijn lot te ontsnappen. Het publiek was laaiend enthousiast; het jouwde hem uit en schreeuwde aanmoedigingskreten naar de duivels. Toen Wolsey zich ten slotte, in een ijdele poging aan zijn lot te ontsnappen, tot het gebed wendde, waren de lachsalvo's en het applaus van de toeschouwers - Norfolk, Brandon, Cromwell, de Boleyns en de rest - niet van de lucht. Ze brulden goedkeurend toen Wolsey brandde.
Twee leden van het hof waren er niet om het schouwspel te bekijken: Henry en Anne waren in de zwoele warmte van de zomeravond gaan paardrijden. Ze reden langzaam tussen de bomen door. Henry kon zijn ogen niet van Anne afhouden. Hij brandde vanbinnen. Ze staarde naar hem terug, wetende dat ze op het punt stonden... Zonder iets te zeggen, hield Henry plotseling zijn paard in en steeg af. Hij liep rusteloos tussen de bomen door zonder zijn ogen van haar af te halen; gespannen als een veer en bijna gek van verlangen.
De tijd was gekomen; ze wist het, voelde het ook, een onweerstaanbare kracht. Ze gleed van haar paard en liep langzaam naar hem toe.
'Ik wil u,' zei hij. 'En ik duld geen weigering.'
'Ik zal u niets weigeren, mijn lief,' zei zij. Zijn mond perste zich op de hare en hun passie, die zo lang vervloekt was geweest, barstte naar buiten. Henry's handen rukten uitzinnig aan Annes kleren; hij knoopte, scheurde en trok ze scheef en uit elkaar om bij haar, zijn Anne, te komen. Al even vurig trok Anne aan zijn wambuis, hemd en broekklep; ze klauwde aan veters en knopen en strikken om zijn huid voor haar te ontbloten. En bij de eerste aanraking, het eerste proeven, de eerste blik van blote huid, vielen ze op elkaar, want hun behoefte was te groot om te wachten. Half naakt rolden ze over de bladeren van de zachte bosgrond; eindelijk voelen, kussen, mond-op-mond en huid-op-huid, zoekende en strelende, ontdekkende en wetende handen, de liefde bedrijven als geliefden door de eeuwen heen.
Het regende zacht en bladeren plakten aan hun natte, glimmende huid, maar Henry en Anne kleefden en rolden en kronkelden en kromden terwijl ze de liefde bedreven, zich niet bewust van de regen boven, of de grond onder hen, bronstig als beesten, zwevend als engelen. Het was een vleselijke liefde... maar ook prachtig, met een overweldigende hartstocht. Al even wreed als teder. Wereldlijk en geestelijk. Vlees en bloed verheerlijkt. En bij het naderen van het hoogtepunt schreeuwden ze luidkeels tot de goden der liefde en werden de twee eindelijk een. En hun wereld veranderde voor altijd.
~~~