Hoofdstuk 9
Brandon betrad de passagiershut met de eikenhouten lambrisering van Prinses Margaret aan boord van het schip dat op weg was naar Portugal. De hut, die weelderig gestoffeerd was met fluweel en zijde, leek bijna op een van de kleinere kamers aan het hof. Margaret zat aan een tafeltje patience te spelen. Hij wachtte. Margaret bleef doorspelen. 'Uwe Hoogheid had naar mij gevraagd.'
Ze draaide een kaart om. 'Alleen om te vragen hoe lang we nog moeten varen.'
'Als de wind zo blijft nog twee dagen.'
Margaret reageerde niet. Brandon boog opnieuw en draaide zich om om te vertrekken, maar ze zei: 'Speelt u kaart, Uwe Excellentie?'
'Soms... Uwe Hoogheid.'
Margaret gebaarde dat hij moest gaan zitten. Ze stapelde de kaarten op en keek hem, voor het eerst sinds hij binnen was, aan. 'Welk spel zullen we spelen?' vroeg ze. Hun ogen hielden elkaar vast.
'Kiest u maar,' zei Brandon.
Ze dacht even na en zei toen: 'Introever.'
Ze begonnen te spelen; ze pakten kaarten van de stapel en legden andere terzijde. Geen van beiden was met de aandacht bij het spel. Na een tijdje vroeg Margaret: 'Wijn?'
'Gaarne.'
Ze gebaarde naar een van haar dames, die twee kelken inschonk. Het spel ging verder. 'Uwe Hoogheid zal wel erg uitzien naar uw huwelijk?' zei Brandon.
Margaret wierp hem een dreigende blik toe, maar zei niets. Brandon ging verder: 'Ik heb gehoord dat de koning een groot ruiter was... in zijn tijd. En beroemd om zijn beeldschone maitresses.'
'Plaag me niet. Daar houd ik niet van.'
'Zou u het fijn vinden als een oude man probeert met u de liefde te be-drijven?'
Haar ogen flikkerden. 'Uwe Excellentie gaat te ver. Nu al.'
Brandon haalde zijn schouders op. 'Er staat in het Evangelie dat de waarheid u zal verlossen.'
Ze sprong op achter de tafel en hij ging ook staan. 'Dat is blasfemie!' zei ze.
'Mijn arme dames zouden u niet mogen horen!' Margaret stuurde hen weg; haar dames liepen achter elkaar naar buiten en sloten de deur achter zich. Opeens voelde de hut een stuk kleiner dan daarvoor. Ze stonden daar maar en staarden in eikaars ogen. Margaret ademde zwaar. Brandon slikte. Ineens trok Margaret Brandon naar zich toe en kuste hem hartstochtelijk. Ze staarde in zijn ogen en zei: 'Ik wil dat u vertrekt.' Maar ze liet hem niet los.
'Echt?' vroeg Brandon zachtjes.
Haar ogen schitterden van de wellust. 'Ja. Nu!' Ze begon aan zijn kleren te trekken, hem op zijn gezicht en hals te kussen en haar lichaam tegen het zijne aan te drukken.
Hun kussen werden uitzinnig. De kaarten vielen op de grond.
'Jammer,' grapte Brandon. 'Ik had net zulke goede kaarten.'
Margaret duwde hem weg. 'Verdwijn.' Maar haar daden weerspraken haar woorden.
Ter beantwoording perste hij zijn mond op de hare en drukte haar hard tegen zijn lichaam.
De boot maakte een opgaande beweging en ze wankelden en vielen tegen de wand van de hut. Brandon draaide zich om en klemde Margaret tussen hem en de wand, drukte haar daartegenaan terwijl ze kusten, en kusten, en kusten.
Hun liefkozingen werden koortsachtiger. Hij begon haar rokken op te tillen.
'Nee... nee... nee!' kreunde Margaret, maar haar lippen zaten vast aan de zijne en haar armen trokken hem nog dichterbij, drukten zijn smalle heupen in de kruising tussen haar benen. Brandon ging bij haar naar binnen, net zo hartstochtelijk als hij haar kuste, en ze sloeg haar benen om hem heen, wilde hem, wilde de passie en de bevrijding en de vergetelheid. De avond na het ongeluk op het toernooiveld werd Henry brullend van de pijn wakker. Hij ging rechtop in bed zitten en greep met beide handen naar zijn hoofd. Kamerheren haastten zich het slaapvertrek in.
'Majesteit!'
Henry gromde en begon met zijn hoofd tegen de bedstijl te slaan. Een van de kamerheren probeerde hem tegen te houden. Henry wierp hem van zich af en ging door met rammen.
'Het doet pijn, het doet pijn!' brulde hij.
'Haal een arts!' beval een kamerheer. 'Snel! Schiet op!' De eerste kamerheer rende ervandoor.
Henry bleef kronkelend van de pijn en bonkend met zijn hoofd achter, terwijl drie artsen werden gehaald. Ze stonden om hem heen en bespraken op felle fluistertoon de beste manier waarop hun brullende vorst behandeld kon worden.
Al die tijd bleef de koning - bonk bonk bonk - tegen de bedstijl slaan. Uiteindelijk werd overeenstemming bereikt en kwam een van de artsen timide naderbij. 'Uwe Majesteit, wij zouden graag wat bloed aftappen om de gal die Uwe Majesteit zo veel pijn bezorgt weg te laten lopen.' Hij wachtte even en voegde er toen aan toe: 'Met uw toestemming?'
'Als ik maar van deze pijn afkom!' zei Henry.
De artsen, gadegeslagen door verschillende raadsleden die voor de gelegenheid waren ontboden omdat de gezondheid van de koning een staatszaak was, troffen voorbereidingen voor de aderlating van de koning. Ze rolden Henry's mouw op en bevestigden een tourniquet om zijn arm. Er werd een zilveren schaal onder de arm neergezet. Toen een van de artsen een scherp mes omhoogstak om in het koninklijke vlees te gaan snijden, sloegen de toeschouwers een kruis. De kamer vulde zich met het zachte geprevel van gebeden. Er ontstond een stilzwijgend twistgesprek tussen de artsen: niemand wilde degene zijn die het mes hanteerde. Het mes ging van de een naar de ander totdat een van hen er genoeg van had, het mes greep en het lemmet dwars over de opgezwollen ader van de koning haalde. Bloed spoot naar buiten; het gutste in de zilveren schaal.
Henry zelf leunde achterover tegen een kussen. Zijn gezicht baadde in het zweet, maar het was duidelijk dat hij zich iets beter voelde. De drie artsen tuurden in de schaal om de kleur en de samenstelling van het bloed te bestuderen. Iedereen in de kamer ontspande zich een beetje. De volgende avond was Henry volledig hersteld. Hij kuierde door het paleis met Wolsey. 'Zend een boodschap aan de keizer,' beval Henry. 'Vertel hem hoe verheugd en voldaan wij zijn over zijn grote overwinning in Pavia en zijn gevangenneming van de Franse koning.'
'Ja, Uwe Majesteit.'
'Vraag hem wat hij van plan is met Francis te doen. En of het al dan niet, nu Francis gevangenzit, een goed moment is om te overwegen tegen Frankrijk zelf ten strijde te trekken. Vertel hem dat ons goud, onze mankracht en schepen geheel tot zijn beschikking staan en dat we erop gebrand zijn te strijden en iets van de roem met hem te delen.'
'Dat zal ik doen.' Wolsey trok de aandacht van een jonge man die tussen de hovelingen stond en knikte naar hem. Wolsey zei tegen Henry: 'Ah!
Uwe Majesteit, hier is uw nieuwe secretaris.'
Thomas Cromwell stapte naar voren en boog voor de koning.
'Thomas Cromwell is een ervaren raadsman, een wetenschapper en een ijverig werker,' zei Wolsey. 'Ik hoop dat hij uiterst nuttig voor Uwe Majesteit zal blijken te zijn.'
Henry bekeek Cromwell van top tot teen en knikte: 'Mijnheer Cromwell.'
Henry en Wolsey liepen door en gingen een al net zo druk bevolkte zaal binnen. Aan het andere eind van de zaal zag Henry Katherine op hem wachten. Ze hield de hand vast van hun dochter. Henry knikte naar Katherine en begon haar kant op te lopen. Toen zag Henry Anne Boleyn. Ze droeg zijn geschenk - de parelketting.
'U bent weer terug aan het hof, zie ik.' Hij verlustigde zich even in haar aanblik en zei toen discreet: 'Kan ik u ergens in het geheim ontmoeten?'
Anne stemde toe en ze maakten een afspraak. Toen liep Henry verder om zijn echtgenote en dochter te begroeten. De kleine prinses rende op hem af en hij tilde haar op en zwaaide haar lachend in het rond.
'Lieverd.' Henry kuste haar. Na een kort gesprek kuste hij haar opnieuw en zette haar op de grond. Terwijl hij dat deed trok hij even Annes aandacht. Katherine keek met samengeknepen ogen naar Wolsey en sloot zich toen aan bij Henry, die verder liep door de zaal. 'Waarom opent Wolsey mijn brieven?' wilde Katherine fluisterend weten. 'Ben ik niet de koningin van Engeland?'
'Weet u zeker dat hij dat doet?'
'Ja.'
'Dan zal ik er een einde aan maken,' zei Henry tegen haar. 'Soms is de kardinaal overijverig. Maar het is altijd in ons belang' - hij keek haar even aan 'tenzij u geheimen hebt!'
Ze beantwoordde zijn blik, maar op hetzelfde moment kreeg Henry Anne in het oog. Ze stond te praten en te lachen met een knappe jonge man. De intimiteit straalde ervan af.
Het tafereel schokte Henry, die vergat dat hij midden in een serieus gesprek met zijn vrouw zat.
Katherine keek naar zijn gezicht. Ze zag de afgunst, het verlangen... de liefde. Diep gekwetst sloeg ze haar ogen neer. Ze zei niets. Er viel niets te zeggen.
Henry liet haar arm vallen en wandelde naar het audiëntievertrek, waar Norfolk en andere hovelingen zich al verzameld hadden. Knivert bevond zich onder hen. De wond bij zijn oog was nog steeds goed te zien; de huid eromheen was ernstig gekneusd. 'U had bijna een oog verloren, Anthony,'
zei Henry.
Knivert haalde zijn schouders op. 'Ik gebruik dat oog toch niet veel.'
Henry glimlachte en gebaarde toen naar Norfolk dat hij naar voren moest komen. Met een fluwelen kussen waarop een ceremonieel zwaard lag liep Norfolk naar hem toe. Hij boog en Henry tilde het zwaard op.
'Kniel,' beval hij Knivert.
Henry liet het platte zwaard op elke schouder van de geknielde Knivert neerkomen. 'Sta op, Sir Anthony Knivert.'
Knivert stond op en Henry omhelsde hem. De deuren zwaaiden weer open en de kamerheer verkondigde: 'Mijnheer William Compton.'
Compton kwam binnen. Knivert keek van hem naar de koning en besefte dat Henry het ceremoniële zwaard nog steeds vasthad. Zijn mond viel open.
Henry kon deze uitdrukking ogenblikkelijk plaatsen. Hij vroeg: 'Vanwaar die afkeurende blik, Sir Anthony?'
'Majesteit,' antwoordde Knivert, 'ik ben bijna een oog kwijtgeraakt voor hetzelfde resultaat!'
Henry grinnikte; hij genoot ervan. 'Ah, maar u hebt nooit een boom gedragen!' Hij lachte. 'Kniel, Mijnheer Compton.'
Korte tijd later maakte Henry zich los van zijn hovelingen en haastte zich naar zijn ontmoeting met Anne Boleyn.
Ze wachtte op hem in het privévertrek waar ze hadden afgesproken.
'Ik heb heel lang van dit moment gedroomd,' vertelde hij haar. 'Anne, u moet weten dat ik met heel mijn hart naar u verlang.'
Ze sloeg haar ogen neer. Teder pakte Henry haar kin en tilde haar gezicht op. 'Wie was hij? De jonge man met wie ik u zojuist zag flirten?'
Anne glimlachte. 'Ik denk dat u op mijn broer George doelt.'
Bij die woorden ontspande Henry zich. Hij streelde haar wang en trok haar zachtjes naar zich toe. Omdat het eerder zo lastig was geweest om bij haar in de buurt te komen, had hij enige weerstand verwacht, maar daarvan was totaal geen sprake. Ze gleed in zijn armen alsof ze daar thuishoorde. Henry kuste haar, lang en intens. Eindelijk, eindelijk. Hij staarde in haar prachtige ogen, die op eigen kracht leken te schitteren, zelfs in die donkere doorgang.
'Kus me opnieuw, mijn lief,' zei Henry. Opnieuw kusten ze en het was precies als in zijn dromen; beter nog. Hij sloeg zijn armen om haar heen en kuste haar voor de derde keer, maar er klonken voetstappen in de gang en ze gingen schuldbewust uit elkaar.
'Ik moet gaan,' fluisterde ze. 'Hare Majesteit verwacht me.'
Henry, gek van verliefdheid, knikte glimlachend. 'We zullen elkaar later weer zien, lieveling.'
Anne knikte, maakte snel een reverence en haastte zich weg in de schaduw, net op het moment dat Knivert en Compton de hoek om kwamen. 'Wie was dat, Uwe Majesteit?' vroeg Compton.
'Gewoon een meisje,' zei Henry zacht. 'Gewoon... een meisje.'
In een rustig deel van Londen klopten die avond bezoekers in donkere mantels zachtjes op de deur van een indrukwekkend koopmanshuis. Elke keer ging de deur krakend open en wachtte een bediende op een fluisterend uitgesproken wachtwoord voordat hij de bezoeker binnenliet. Binnen trokken de mannen hun donkere mantels uit. Hun kleding was eenvoudig en voor het merendeel donker, maar uit de kostbare stof bleek dat dit welvarende en belangrijke mannen waren. In de grote kamer van het huis had zich een gezelschap verzameld. De laatkomers namen plaats. Een eenvoudig geklede pastor was al aan het spreken. Hij was Hollands en sprak Engels met een zwaar accent.
'... de paus, verre van een afstammeling van Sint-Petrus, is een zondaar en een hypocriet, een handlanger van de duivel en de levende antichrist op aarde.' Hij keek de kamer rond. 'Dit is wat Luther ons leert, met de bedoeling ons te bevrijden van valse afgoden en valse verering. Zijn publiek luisterde met ernstige aandacht. Ze waren hier niet zomaar uit nieuwsgierigheid gekomen. Ze hadden niet voor niets het risico genomen om een van Luthers volgelingen te horen preken. Iets wat de meesten in het rooms-katholieke Engeland ketterij zouden noemen. Ketters eindigden op de brandstapel.
Onder de toehoorders bevond zich een jonge, dunne man, gekleed in eenvoudige donkere kleren. Thomas Cromwell, de nieuwe secretaris van de koning en Kardinaal Wolseys nieuwste protégé, zat met een onbewogen gezicht samen met de anderen te luisteren. De pastor ging verder: 'Onze boodschap — van hoop, van vrijheid, van waarheid - verspreidt zich al door Europa, van de ene uithoek naar de andere. Hier in Engeland hebben we een zaadje geplant dat, door gebed en daden en wellicht zelfs door offers, op een dag zal uitgroeien tot een grote boom met takken die zich over het hele koninkrijk uitstrekken en de corrupte kloosteroorden van de antichrist zal vernietigen. En deze boom zal de Boom der Vrijheid worden genoemd, en op zijn takken zullen de engelen van de Heer halleluja zingen.'
Prinses Margaret stond in het ochtendduister achter in haar passagiershut naar buiten te staren. Een straal eenzaam maanlicht verlichtte het kielzog van het schip als een zilveren lemmet.
Langzaam vervaagde het maanlicht. Door haar andere raam begonnen de stad en de haven van Lissabon in het zwakke schemerlicht op te doemen. Ze staarde er vol verbittering naar en sloot toen haar ogen. Ze voelde Brandon achter zich. Hij legde zijn handen op haar schouders en keek samen met haar naar buiten. 'Uw nieuwe koninkrijk,' mompelde hij. Ze zei niets; ze keek slechts zwijgend toe hoe het steeds lichter werd.
Brandon vervolgde: 'De koning moet wel.
'Doe dat niet! Ik verbied u daarover te spreken!'
Hij kwam dichter bij haar staan; de warmte van zijn lichaam drong tot het hare door. Ze huiverde. 'Ik zou u moeten haten!'
'Maar dat doet u niet,' zei Brandon. 'Ik weet dat u dat niet doet.'
Er viel een lange stilte. Uiteindelijk draaide Margaret zich om en keek hem aan, haar ogen vol tranen. 'Wat moet ik doen?'
Brandon streelde bedroefd haar wang. Er viel niets te zeggen. De volgende dag wandelde Prinses Margaret het Portugese paleis binnen. Haar pad werd geflankeerd door ernstig kijkende monniken en nonnen die haar zonder enig teken van gastvrijheid aanstaarden. Margaret wandelde met opgeheven hoofd, maar trilde vanbinnen. Ze putte troost uit het feit dat Brandon één stap achter haar liep.
Binnen wachtte een ontvangst van Portugese bisschoppen, aristocraten en officieren met gepluimde helmen. Er waren enkele vrouwen aanwezig, maar het merendeel van het gezelschap bestond uit oudere mannen. Ze bekeken haar met kille ogen en een norse gezichtsuitdrukking. Er werd door niemand gastvrij geglimlacht, er was niet eens een vriendelijke blik. Ze voelde zich een opgeprikt insect.
De koning van Portugal kwam naar voren, langzaam schuifelend met een stok. Er was haar verteld dat hij in de zestig was, maar hij zag er veel ouder uit. Zijn lichaam was uitgemergeld en zijn dunne haar lag boven op een doodskopachtig gezicht. Hij zag er stokoud uit, maar had het — bizar genoeg — voor elkaar gekregen gekleed te gaan als een veel jongere man. Toen zijn verschijning in haar richting schuifelde, deinsde Margaret bijna zichtbaar terug. 'Red mij,' fluisterde ze.
Maar er was geen redden meer aan. De koning boog voor haar en de wellustige ogen in hun knokige kassen gingen langzaam op en neer over haar lichaam.
Met trillende knieën slaagde Margaret erin een reverence te maken.
'Uwe... Majesteit.' Ze slikte en proefde gal.
De koning begon in het Portugees te spreken. 'Margaret, u bent nog mooier dan uw portret. Ik prijs me gelukkig dat u weldra mijn koningin zult zijn. Alles staat hier te uwer beschikking. Ik wil dat u gelukkig bent en dat u mij gelukkig maakt.'
Margaret knipperde met haar ogen. Ze sprak geen Portugees en niemand had eraan gedacht haar te vertellen dat haar nieuwe echtgenoot geen woord Engels sprak. Er kwam iemand naar voren die zachtjes begon te vertalen wat de koning zei — en toen wenste ze dat hij dat niet gedaan had, want wat de koning daarna zei was zelfs nog afschrikwekkender.
'En dan zullen we samen kinderen maken, u en ik,' vervolgde de koning. Zijn reumatische oude ogen klaarden op toen ze weer over haar lichaam bewogen. Hij likte over zijn lippen, die al vochtig waren, en ging verder:
'Veel kinderen... met Gods hulp!'
Margaret wierp Brandon een deerniswekkende blik toe. Hij staarde voor zich uit met een uitdrukkingsloos gezicht. Margarets trouwceremonie begon met een luid gebeier van kerkklokken. De bruid zag er schitterend uit, behalve haar ogen: die waren rood en gezwollen van het huilen. Bij de deur van de kathedraal zwol de muziek aan; de plechtige mars was uiterst geschikt voor een begrafenis, dacht Margaret. Met vierentwintig dames die de zware sleep achter haar droegen begon ze de lange weg naar het altaar af te leggen.
Brandon liep, als vertegenwoordiger van de koning, met haar mee; hij zou de bruid weggeven. Ze klemde zich trillend vast aan zijn arm, maar hield haar hoofd trots omhoog.
Er hing een akelige sfeer. De kathedraal was tot op de laatste plaats bezet met de crème de la crème van de Portugese beau monde en familieleden van de koning, van wie niemand dit huwelijk scheen goed te keuren. Ze staarden haar openlijk vijandig aan en leverden luid mompelend commentaar in het Portugees.
'Daar heb je haar - die Engelse slet van de koning.'
'Daar is dat hebberige kreng!'
'Ik wil haar ogen uitkrabben!'
Margaret wist niet precies wat ze zeiden, maar de strekking ervan was overduidelijk. Zelfs de kinderen maakten vunzige gebaren en staken hun tong naar haar uit. De weg naar het altaar leek eindeloos. Wat Margaret betrof, was ze er veel te snel.
De koning stond te wachten. Toen zij naderde draaide hij zich om en grijnsde naar haar als een menselijk lijk met vieze, afgebroken tanden. Ze stokte, maar Brandon duwde haar stevig vooruit.
'Wat doet u?' siste Margaret hem toe.
'Wat de koning mij bevolen heeft te doen!'
Eindelijk bereikten ze het altaar. De bisschop gebaarde bruid en bruidegom te knielen. Met enige moeite slaagde de koning daarin - hij moest geholpen worden vanwege zijn jicht. In het Latijn begon de aartsbisschop hen in de echt te verbinden. In het Engels begon Margaret te bidden.
De dag kroop voorbij en ten slotte was het moment van Margarets huwelijksnacht aangebroken. Haar dames bereidden haar - als een offerlam voor op het huwelijksbed; ze vlochten parels door haar haar en besprenkelden haar met verschillende parfums. Gedurende dat alles bad een priester voor haar in het Portugees. Hij zegende het bed met wijwater. Margaret werd erin gelegd. Onbedwingbaar trillend wachtte ze. Ze sprong bijna uit haar vel toen opeens muzikanten verschenen, die de koning op zijn weg naar het slaapvertrek vergezelden. Margarets kersverse echtgenoot stond zich te verlustigen aan de jonge prinses, terwijl zijn bedienden zijn kamerjas uittrokken. Daaronder droeg hij een felgestreept nachthemd. De felle kleuren vertoonden een schokkend contrast met zijn waskleurige perkamenten gezicht. Zijn kamerheren verwijderden de pruik die hij tijdens zijn huwelijk gedragen had, om schaarse grijze stoppels te onthullen die de knokige schedel nauwelijks bedekten. Terwijl hij zijn vingertoppen in het wijwater doopte en zichzelf zegende, grijnsde hij als een doodshoofd naar Margaret. Langzaam kroop hij naast haar in het bed. Ze lag daar verstard toen de gordijnen rond het bed uiterst plechtig en langzaam werden gesloten. En de hofhouding wachtte. Het bestijgen van een nieuwe bruid door een koning was een staatszaak waar men getuige van moest zijn.
Margaret lag verstijfd van angst en afschuw in bed. De oude man rook naar parfum en muskus, maar die konden de stank van een niet al te schone, geile oude man niet verhullen.
Ze kromp ineen toen zijn gerimpelde oude handen zich onder haar nachtgewaad wrongen en dat steeds verder omhoogduwden. Ze hield haar ogen stijf gesloten en dwong zichzelf aan iets anders te denken, terwijl hij hijgend en kwijlend haar lichaam verkende en af en toe verrukt gromde. Hij schoof haar benen uit elkaar en ze voelde hem tegen zich aan drukken. Hij probeerde zich - steeds amechtiger hijgend - uit alle macht bij haar naar binnen te stoten, maar er gebeurde niets. Hij graaide rond op haar lichaam, andere standjes uitproberend, en zette zijn vieze oude voeten tegen de bedstijlen om meer druk uit te kunnen oefenen.
De bedgordijnen gingen kort uit elkaar toen zijn voeten erdoorheen glipten; Margaret ving een glimp op van een rij plechtig toekijkende gezichten. Er zat bloed in haar mond; ze had de binnenkant van haar wang stukgebeten in een poging niet te gaan braken. Het bed kraakte, en kraakte opnieuw. Al snel vertoonde het gekraak een onmiskenbaar ritme dat steeds luider werd. Het gehijg kreeg gezelschap van gegrom, gekreun en een vreemd piepend gehinnik van de koning. Het leek eindeloos door te gaan, maar toen huiverde de koning met een soort trillend geluid en kwam hij tot bedaren. Margaret slaakte één enkele kreet om aan te geven dat zij haar rol in deze afschuwelijke schijnvertoning had vervuld.
Toen was het stil, afgezien van het luide gehijg van de koning. Iedereen wachtte, twijfelend over de volgende stap. Toen stapte een kolonel uit het koninklijke leger naar voren en trok het bedgordijn opzij. Daar lag Margaret in een verfrommeld nachtgewaad. De koning lag op zijn rug; hij had een rood gezicht van de inspanning en ademde moeilijk. De kolonel richtte zich tot Margaret. 'Is Zijne Majesteit...?' Hij zweeg discreet. Iedereen wachtte. Margaret knikte. En onmiddellijk begon iedereen in het vertrek te applaudisseren. Terwijl het geroezemoes en het geklap luider werden, keek Margaret naar haar kersverse echtgenoot. De fysieke inspanning van het liefdesspel had hem verschrikkelijk uitgeput. Hij lag daar als een vis op het droge naar adem te happen; aan niets was te merken dat hij zich bewust was van zijn schijnbare triomf. Hij moest vechten voor elke ademtocht, zag ze. Zijn ogen stonden glazig en met een gerimpelde hand greep hij naar zijn borst. Er zou duidelijk niet veel nodig zijn...
Wellicht hoefde ze dit niet zo lang te verduren als ze had gedacht. Anne Boleyn lag in haar nachtgewaad op bed de laatste brief van Henry te lezen.
Ik smeek u, noem een plek waar we elkaar kunnen zien, en waar ik u waarlijk een genegenheid kan tonen die verder gaat dan een gewone bevlieging.
Ze keek naar zijn handtekening.
Geschreven met de hand van uw dienaar, H. R.
Ze glimlachte en stopte de brief onder haar keurslijf. Een geluid deed haar opkijken. Haar vader stond in de deuropening. Hij liep snel naar haar toe en greep de brief. Hij las hem snel door en keek toen duidelijk vergenoegd naar zijn dochter.
'Uitstekend werk, dochter! Nu is hij uw "dienaar". Met wat subtiele aandacht en de verlokking van uw vlees zou hij misschien nog wel iets intiemers kunnen worden.' Hij streek over haar hoofd, blies de kaars uit en wandelde de kamer uit.
Anne lag met open ogen in bed. De glimlach was van haar gezicht verdwenen. Verdriet overspoelde haar. Ze had niet verwacht dat ze zich zo zou voelen, helemaal niet.
Het was een schitterende, zonnige dag, de eerste na een lange periode van regen, en Henry had besloten op valkenjacht te gaan. Met Knivert, Compton en andere leden van zijn intieme entourage ging hij op pad, op korte afstand gevolgd door een verzameling dienaren.
Aan de middaghemel cirkelde loom een buizerd. Henry's gezelschap galoppeerde, uitgesponnen als een processie, over een uitgestrekt veld naar beneden. Toen de eerste ruiters bij een brede, laaggelegen sloot kwamen, hielden ze met een ruk halt. Compton riep naar de anderen: 'Wacht! Wacht!'
Henry draafde naar hem toe. 'Wat is er aan de hand?'
Compton testte rondrijdend de grond. 'De grond is te drassig voor de paarden. We moeten langs die kant gaan.' Hij wees.
Henry fronste. 'Dat is een grote omweg. Waarom kunnen we niet hierlangs?'
'We kunnen niet over die sloot springen,' zei Compton hem. Henry wierp hem een smalende blik toe. 'U bedoelt dat u er niet overheen kunt springen!' Hij sprong van zijn paard en liep naar de sloot. Iedereen wachtte terwijl de koning de sloot inspecteerde en zich vervolgens, tot hun verbijstering, onderzoekend boog over een bosje jonge bomen dat er dichtbij groeide. Hij riep om een bijl en toog aan het werk; hij hakte de takken van een stevig boompje van ongeveer drie meter hoog. De anderen wisselden verbaasde blikken uit. Knivert steeg af. 'Wat bent u aan het doen, Uwe Majesteit?'
Als antwoord hakte Henry het boompje om. 'Waar lijkt het op? Ik ga over deze stomme sloot springen. Ik weiger te accepteren dat die mijn sport in de weg staat.' Iedereen lachte.
'Weet u dit zeker?' vroeg Compton.
Henry grinnikte. 'Kijk, mijn vriend, en zie waartoe de koning van Engeland in staat is.'
Lachend en weddenschappen afsluitend gingen ze bij elkaar staan om te kijken hoe Henry een paar stappen achteruit deed en zijn aanloop uitmat. Eerst testte hij de buigzaamheid van zijn stok en toen rende hij naar de sloot.
Uiterst behendig stak hij de paal in het midden van het water en verliet de grond, om onder luid gejuich en geklap in een magnifieke sprong door de lucht te suizen.
Halverwege knakte de paal en Henry viel met zijn hoofd naar beneden in de zware klei van de sloot.
Henry's hoofd en schouders waren verdwenen onder de modder. Zijn benen schopten komisch heen en weer. Zijn metgezellen hielden hun buik vast en gierden het uit.
Alleen een van de kamerheren, Edmund Mody, zag de ernst van de situatie in. Hij rende naar voren en wierp zichzelf in de sloot; als een bezetene worstelde hij zich door de dikke zwarte modder om bij zijn meester te komen, die levend begraven was. Wanhopig begon hij te graven en aan het lichaam van de koning te sjorren.
Te laat realiseerden de metgezellen van Henry zich dat hun koning bezig was in de modder te verdrinken. Ze sprongen van hun paarden en renden naar de rand van de sloot op het moment dat Mody Henry's gezicht eruit trok.
Dodelijk bevreesd zagen ze hoe de man zijn hand in Henry's mond stopte en er grote klonten modder uit schepte. Nog steeds ademde de koning niet. Opnieuw stopte Mody zijn hand in Henry's mond, om nog meer modder uit zijn luchtpijp te halen.
Knivert en Compton en alle anderen staarden verstijfd van angst naar het tafereel. Toen ademde Henry met een afgrijselijk geluid diep en pijnlijk in en stroomde er weer lucht naar zijn longen.
Zijn kameraden dromden vreselijk geschrokken om hem heen. Ze hadden lachend staan toekijken, terwijl de koning bijna stierf. Die avond zat Henry te kijken naar zijn dansende hovelingen. Hij piekerde. Katherine zat naast hem. Henry kon zichzelf er nauwelijks toe brengen haar aan te kijken.
God had het hem nu duidelijk gemaakt. Hij had Henry en Katherine geen levende zoon geschonken — dat was Henry's straf voor het feit dat hij getrouwd was met zijn broeders echtgenote. God had hem als boodschap een gezonde bastaardzoon gegeven: hij kon wel zonen krijgen, maar niet met de weduwe van zijn broer.
Vervolgens had God Anne Boleyn op zijn pad gebracht en was Henry voor het eerst in zijn leven verliefd geworden. En toen was hij bijna gestorven, op beschamende wijze ondersteboven begraven in de modder. Het betekende allemaal iets. Hij ontbood Wolsey.
'Ik ben bijna gestorven,' vertelde Henry hem.
Wolsey knikte. Hij had het gehoord. 'Ja, Uwe Majesteit.'
Er viel een stilte. 'Nee!' Henry schudde zijn hoofd en beende naar voren om oog in oog met de kardinaal te gaan staan. Hij staarde hem aan; hun gezichten waren slechts centimeters van elkaar vandaan. 'Niet "Ja, Uwe Majesteit". IK BEN BIJNA GESTORVEN! SNAPT U DAT DAN NIET?' schreeuwde hij.
Wolsey zweeg, zeldzaam geïntimideerd.
Henry begon te ijsberen. 'Vanaf dat moment heb ik heel veel nagedacht. Als ik gestorven was, wat had ik dan achtergelaten? Ik heb geen opvolger
- alleen een dochter en een bastaardzoon.' Hij draaide zich plotseling om en keek Wolsey boos aan. 'Begrijpt u dat, Wolsey? De Tudordynastie —
weg! Al mijn vaders werk. Het is allemaal afgelopen. En dat is mijn schuld. Het is mijn schuld.'
Hij hervatte het ijsberen. 'Ik heb te veel voor mijn plezier geleefd. Ik ben getrouwd met de vrouw van mijn broer en God heeft me gestraft. Ik dacht nooit aan de toekomst. Ik ben zo stom geweest.'
Weer viel er een stilte. Langzaam liep Henry terug om voor Wolsey tot stilstand te komen. 'Alles is nu veranderd,' zei Henry. 'Alles. Ik wil een echtscheiding. En u gaat dat voor mij regelen!' Hij wierp Wolsey een felle blik toe en marcheerde toen de kamer uit.
In Portugal werd een bal gehouden ter ere van het koninklijk huwelijk. De jicht van de koning weerhield hem ervan zelf te dansen, dus hij en zijn jonge bruid keken toe hoe de anderen dat deden.
Brandon kwam naderbij en boog diep voor de koning. 'Met Uwe Majesteits permissie, mag ik dansen met uw echtgenote?'
Een hoveling vertaalde wat hij had gezegd en de koning knikte bruusk. Brandon begeleidde Margaret naar de dansvloer en ze begonnen te dansen. Na een tijdje vroeg Margaret hem: 'Wanneer vertrekt u?'
'Morgen.'
Paniekerig keek Margaret hem aan. 'Dat kan niet.'
Brandon lachte vaag. 'Waarom niet? Ik heb me van mijn plicht gekweten. Waarom zou ik blijven? U hebt een eigen leven.'
'Nee!' zei ze heftig.
Ze dansten verder. De koning hield hen scherp in de gaten. Brandon zei: 'Het is vreemd, maar er zijn mannen die lijken te blaken van gezondheid, die nog steeds jong en vol levenslust zijn, en ineens bezwijken en sterven.' Ze bewogen van elkaar af en kwamen weer bij elkaar. Hij vervolgde: 'En tegelijkertijd zijn er oude mannen, wier lichamen versleten lijken, wier levensloop ten einde lijkt te zijn... en die nog jaren voort kunnen... jaren... en jaren.' Hij wachtte even en zei toen: 'Vindt u dat niet vreemd?'
Margaret zweeg en deed er alles aan niets te laten blijken. Ze was zich maar al te bewust van het feit dat het hele koninkrijk naar haar keek, en niet met vriendelijke bedoelingen.
'Plaagt u mij omdat u dat amuseert?' zei ze ten slotte.
'Waarom anders?' zei hij luchtig.
Margaret keek hem aan. 'Omdat u van me houdt.'
Brandon stond ineens met zijn mond vol tanden. Hij staarde in haar ogen en ze dansten zonder na te denken; onbewust onthulden ze zo hun onderlinge vertrouwdheid en verlangen. De koning keek naar hen en werd zichtbaar bozer. 'Wie is die kerel, verdoeme?'
De zon kwam op boven de eeuwenoude stad Londen en sommigen in de stad stonden op. Dat waren echter grotendeels de armen, de bedienden, de bedelaars; zij die zich in een harde wereld staande moesten zien te houden. De meeste aristocraten draaiden zich nog even om.
Maar niet de koning. Hij zat gebogen over een brief en schreef. Misschien begrijpt u het niet. Maar ik kan niet slapen, ik kan nauwelijks ademen door het denken aan u. Uw beeld staat mij elke waakzame secon- de voor ogen. Ik zou misschien zelfs mijn koninkrijk opofferen voor een uur in uw armen...
Margaret staarde uit het raam naar de ochtendschemering boven de stad Lissabon. In de haven lag een Engels schip voor anker, dat Brandon terug naar Engeland zou brengen.
Na een poosje liep ze terug naar het bed. Haar echtgenoot, de koning, lag te slapen maar was onrustig. Hij ademde moeizaam en oppervlakkig. Ze keek uitdrukkingsloos op hem neer. Vooral op het kussen leek zijn gezicht op een doodshoofd. Bijna alsof hij al aan de andere zijde vertoefde. Voorzichtig en stilletjes pakte Margaret een kussen en drukte dat hard op zijn gezicht. Zijn ledematen schudden en schopten. Zijn handen graaiden naar haar lichaam en hij maakte verstikte geluiden.
Het klonk en voelde bijna net zoals toen hij met haar de liefde had bedreven. Ze huiverde bij de herinnering. Nooit weer. Ze bleef op het kussen drukken tot er geen zenuwtrekkingen, geen sidderingen en geen geluiden meer waren.
De koning van Portugal was dood.
Hoofdstuk 10
In het voorjaar verleende Henry aan Sir Thomas Boleyn de titel van Lord Rochford. Ook benoemde hij zijn driejarige zoon bij Bessie Blount tot Hertog van Richmond en Somerset, en Graaf van Nottingham. Het kind was nu hoger in rang dan iedereen in het koninkrijk, met uitzondering van zijn vader. Koningin Katherine was woedend. Ze wist wie hier verantwoordelijk voor was: Wolsey! Ze stuurde hem een boodschap dat hij direct na afloop van de ceremonie bij haar moest komen. Ziedend wachtte ze in haar privévertrekken tot een van haar dames Wolseys komst aankondigde.
'Ik zie dat Zijne Majesteits bastaardzoon tot hertog is benoemd! Betekent dat-' Katherine stokte en probeerde haar woede in te slikken. 'Betekent dit dat hij nu in rang meteen na de koning komt? De eerste in lijn voor de troon? Vóór mijn dochter?'
'Ja,' zei Wolsey. 'Formeel gezien staat hij boven alle anderen, met uitzondering van een wettelijke zoon.'
Razend knipperde Katherine haar tranen weg. 'Zijne Majesteit houdt van onze dochter,' zei ze. 'Daar heeft hij bij vele gelegenheden blijk van gegeven, zowel in het openbaar als privé. Ik kan niet geloven dat het zijn bedoeling is zijn bastaardkind boven haar te plaatsen.'
Wolsey zweeg.
'Ik geloof niet dat Zijne Majesteit persoonlijk verantwoordelijk is voor deze daad. Tenslotte is onze dochter verloofd met de keizer!' Ze wierp hem een uitdagende blik toe.
Wolsey schraapte zijn keel. 'Heeft Uwe Majesteit het dan niet vernomen?'
'Wat vernomen?'
'De keizer is getrouwd met Prinses Isabella van Portugal.'
Katherines mond viel open.
'Blijkbaar heeft hij besloten dat het niet de moeite waard was om te wachten tot uw dochter groter was. En wie zal het zeggen, wellicht is hij beïnvloed door het feit dat de beeldschone Isabella een bruidsschat van een miljoen pond met zich meebracht.' Hij liet het enorme geldbedrag even bezinken. 'Hij heeft zijn belofte verbroken.'
Katherine kon geen woord uitbrengen; ze was zo geschokt, voelde zich zo verraden. Eerst door haar echtgenoot en nu door haar neef. Met stomheid geslagen staarde ze Wolsey aan, alsof hij een of andere weerzinwekkende pad was.
Hij glimlachte sereen terug.
In het huis van de koning in Jericho maakte Lady Blount een reverence voor haar kleine zoon. 'Uwe Excellentie.' Toen lachte ze en spreidde haar armen, waar de kleine jongen in vloog.
Ze kuste hem, veegde een traan weg en keek hem verdrietig aan. Toen zei ze op bemoedigende toon: 'Luister even naar me, Henry: u krijgt nu een eigen huis en veel bedienden om u te helpen en voor u te zorgen.'
Het kind knikte zonder zich bewust te zijn van de implicaties. 'Dat weet ik, mama.'
'U moet beloven een brave jongen te zijn,' zei zijn moeder, die probeerde haar gezicht in de plooi te houden. 'Wees attent en aardig voor de mensen om u heen. U mag dan boven hen geplaatst zijn, maar als ik merk dat u verbeelding krijgt, zal me dat verdrietig en ontevreden stemmen.'
De kleine jongen keek ernstig. 'Ja, mama. Dat beloof ik.'
Met een glimlach zei Lady Blount: 'Goed, en ik beloof dat ik u zo vaak mogelijk kom bezoeken. Ik weet zeker dat uw nieuwe huis geweldig zal zijn!'
Ze dreigde overmand te worden door haar emoties, dus ze pakte hem stevig vast en fluisterde in zijn oor, zodat niemand het kon horen: 'Ik houd van u, mijn lieve jongen. Ik houd van u.'
Henry ijsbeerde geagiteerd heen en weer in zijn vertrekken. Hij klemde een document in zijn vuist. 'Mijn arme zuster!'
'Inderdaad,' mompelde Wolsey. 'Slechts een paar dagen koningin. Het is bijna niet te geloven. Een tragedie.'
Henry knikte. 'Arme Margaret. Wanneer ze terugkeert, moet ze in de watten worden gelegd zolang ze rouwt.'
Henry legde de brief neer en keek Wolsey aan. 'En nu...'
Wolsey wist waar hij op doelde. 'Wat betreft de... de belangrijke kwestie van Uwe Majesteits nietigverklaring: ik heb een kerkelijke rechtbank met Aartsbisschop Warham in het leven geroepen om deze zaak in beraad te nemen en tot een besluit te komen. Deze zal in het geheim bijeenkomen, als Uwe Majesteit daarmee instemt.'
Henry knikte nors. 'Zorg dat ze snel tot de juiste beslissing komen.' Hij begon weer te ijsberen.
Wolsey boog zijn hoofd. 'Ik heb nog meer nieuws,' zei hij. 'Aangaande de keizer.' Hij wachtte. Henry wierp hem een ongeduldige blik toe.
'Hij heeft Koning Francis vrijgelaten,' deelde Wolsey hem mee. Henry stond abrupt stil. ' Wat? 1
'Ik heb het uit betrouwbare bron,' zei Wolsey zacht.
'Op welke voorwaarden?' wilde Henry weten.
'Dat moet ik nog achterhalen.'
Henry sloeg met zijn vuist op tafel. 'Hij had mij moeten raadplegen! We zijn toch bondgenoten! Wat voor spelletje speelt die man? Ik wil zijn am-bassadeur spreken!'
Opeens opende hij zijn vuist en keek bezorgd naar wat erin zat. Maar het zilveren medaillon was nog heel. 'Ik moet de ambassadeur spreken,' zei hij langzaam. 'Maar eerst heb ik nog een afspraak...'
Gehaast reed Henry, vergezeld door twee soldaten van de koninklijke garde, over de aangestampte onverharde weg. De paardenhoeven joegen wolken stof de lucht in. Hij had een afspraak op Hever Castle, met een dame.
Op Hever werd hij naar een kamer met galerijen geleid. Anne wachtte aan de andere kant op hem.
'Anne,' mompelde hij. Hij trilde bijna van de hartstocht. Hij staarde in haar ogen en herhaalde: 'Anne.' Toen drukte hij gretig zijn lippen op de hare.
Hij was bedwelmd. Zijn armen omvatten haar, trokken haar nog dichterbij. 'Anne,' zei hij voor de derde keer. Hij glimlachte liefdevol naar haar; met stralende, zelfvoldane ogen.
'Ik wil u iets zeggen,' vertelde hij haar. 'Als het u behaagt mijn ware, loyale minnares en vriendin te zijn, uzelf met lichaam en ziel aan mij over te geven, dan beloof ik u dat ik u als mijn enige maitresse zal nemen. Ik zal voor niemand anders ook maar enige genegenheid opvatten.'
Hij wachtte tot zij wat zou zeggen, maar zei toen, voor het geval zij het niet had begrepen: 'Als u erin toestemt mijn maitresse en titre te zijn, dan zweer ik alleen u te dienen.' Hij wachtte.
Anne verstijfde. 'Maitresse en titre? Uw officiële maitresse?'
'Ja! En u zult alles krijgen wat u nodig hebt. Alles wat binnen mijn macht ligt u te geven.' Hij streelde haar wang. 'U hoeft het maar te vragen - en het zal van u zijn!'
Anne wendde zich met een terneergeslagen blik van hem af. Henry fronste en greep haar hand, zodat ze naar hem moest kijken. 'Wat is er, lieveling? Wat is er?'
Ze keek hem met een verwijtende blik aan en zei bedroefd: 'Wat heb ik gedaan waardoor u mij zo behandelt?'
Henry was in de war. 'Gedaan? Welke fout heb ik begaan? Vertel het me!'
'Mijn maagdelijkheid is bestemd voor mijn echtgenoot. En wie hij ook is, alleen hij zal het krijgen.'
'Lieve Anne...'
Anne schudde haar hoofd. 'Nee! Want ik weet hoe het anders zal gaan. Mijn zuster wordt door iedereen de geweldige prostituee genoemd.'
Henry keek haar verbijsterd aan. Hij werd door tegenstrijdige gevoelens overmand. Geen enkele vrouw had hem ooit geweigerd, laat staan zijn be-doelingen als een belediging opgevat. Stijfjes zei hij: 'Het spijt me als ik u beledigd heb. Dat was niet mijn bedoeling. Ik heb slechts in alle oprechtheid mijn ware gevoelens met u gedeeld.'
Anne boog opnieuw haar hoofd. 'Majesteit.'
Henry had geen keus: hij draaide zich om en beende weg. Hij struinde met een rood aangelopen gezicht en duidelijk gegeneerd door de lange zaal. Onderweg passeerde hij Thomas Boleyn, die op hem stond te wachten. Boleyn deed een stap naar voren, hij keek verbaasd en bezorgd. Henry gaf hem niet eens een teken van herkenning. Hij stormde het kasteel uit, besteeg zijn paard en galoppeerde weg. Boleyn luisterde naar het wegstervende hoefgetrappel en er verscheen een tevreden glimlachje op zijn gezicht. Hij ging op zoek naar zijn dochter en trof haar in haar eentje in een kleine, donkere ruimte.
'Dat was uitstekend, mooie dochter van me,' vertelde hij haar.
'O ja?' zei Anne stilletjes. Boleyn kwam naar voren en keek verbaasd naar haar gezicht. Ze had gehuild. Ze staarde haar vader even aan.
'O ja?' herhaalde ze bitter, en toen vluchtte ze huilend de kamer uit. Toen hij op Whitehall was teruggekeerd, ontbood Henry de ambassadeur van de Heilige Roomse Keizer op audiëntie. 'Senor Mendoza, ik ben niet blij u te zien,' zei Henry ronduit, voordat de man klaar was met buigen. Mendoza veinsde verbazing. 'Majesteit?'
'Uw meester heeft al zijn beloften verbroken,' zei Henry. 'Hij heeft ons geld aangenomen, maar het tegen onze belangen gebruikt. Hij heeft op eigen houtje vrede gesloten met de Koning van Frankrijk en Zijne Heiligheid de Paus... en ondertussen zijn bondgenoot en vriend genegeerd. Hij heeft zich niet aan zijn woord gehouden!' Hij keek Mendoza woedend aan. 'Charles heeft alleen mooie woorden voor mij! Daden bewaart hij voor anderen!'
Mendoza begon op geruststellende toon: 'De keizer zou Uwe Majesteit nooit verraden. Nooit! Hij beschouwt u als zijn oom. Hij...'
'Zijn verrekte oom! Hoe oud ben ik?' brulde Henry.
Behoedzaam zei Mendoza: 'Welnu, Uwe Majesteit moet niet vergeten dat u zich zelf wellicht ook niet altijd aan uw verplichtingen hebt gehouden. Wij hebben tenslotte maar de helft van de beloofde hoeveelheid goud ontvangen Ziedend stapte Henry de verhoging af en priemde zijn vinger in Mendoza's gezicht. 'Uw beschuldigingen zijn volkomen uit de lucht gegrepen! Onacceptabel! Ik sta in voor mijn eerzame bewindvoering - wie mij dan ook wil tegenspreken!'
Met de koning viel niet te redetwisten. Mendoza liet zijn hoofd hangen en slaagde erin beschaamd te kijken. Een tijdje later werd hij weggestuurd. Korte tijd daarna wandelde Mendoza over het hof en liet zijn ogen heen en weer dwalen, alsof hij iemand zocht. Uiteindelijk zag hij hem. Hij maakte een discreet gebaar en Sir Thomas Boleyn kwam naar hem toe. Mendoza nam hem apart in een stille hoek. 'My Lord Rochford. De keizer zendt u zijn allerhartelijkste felicitaties met uw bevordering,' liet Mendoza hem weten.
Boleyn trok zijn wenkbrauwen op. 'En waarom heeft de keizer belangstelling voor mijn bevordering?'
'Hij wil graag vrienden hebben aan het Engelse hof,' zei Mendoza, en hij voegde daar zachtjes aan toe: 'en hij betaalt voor dat privilege.'
Boleyn wierp hem een gehaaide blik toe. 'En heeft de keizer al veel vrienden hier?'
'Verschillende. Uwe Excellentie kent hen wel.'
'En... wat levert die vriendschap op?'
Mendoza glimlachte. 'Duizend kronen per jaar.'
Boleyn sperde zijn ogen open. Dat was een fortuin. 'Ik zal het ruimhartige aanbod van Zijne Hoogheid zeker overwegen.'
Mendoza lachte en liep weg. Boleyn draaide zich om en zag de Hertog van Norfolk staan kijken. Stond Norfolk ook op de loonlijst van de keizer, vroeg hij zich af. En wie verder nog aan het hof?
Norfolk kwam naar hem toe. 'En hoe staat het met de jonge geliefden?'
vroeg hij stilletjes.
'Hij heeft haar gevraagd zijn officiële maitresse te worden,' deelde Boleyn hem mee.
Norfolk keek geïntrigeerd. 'Maar uiteraard heeft zij...'
Boleyn lachte zelfvoldaan. Norfolk knikte tevreden.
Een tijdje stonden ze zwijgzaam te kijken naar de activiteiten om hen heen. Terloops vroeg Norfolk toen: 'Hoe vond u de keizerlijke ambassadeur?'
'Stimulerend,' antwoordde Boleyn behoedzaam.
'Inderdaad. Ik heb met hem gesproken. Ik vind hem een uiterst... principieel man,' zei Norfolk. Toen liep hij weg.
^
My lady, u hebt mij ontsteld achtergelaten, onkundig van uw ware gevoe- lens. Ik smeek u met heel mijn hart mij een antwoord te schenken -ofu mijn verziek nu inwilligt, dan wel verwerpt!
Anne lag in elkaar gekropen in haar slaapvertrek in Hever Castle Henry's laatste missive te lezen. Verspreid om haar heen lagen andere papieren: verschillende gedichten, een brief van een vriendin uit Frankrijk en een traktaat van Martin Luther dat ze aan het lezen was toen Henry's brief bezorgd werd.
Henry's brief vervolgde: Ik zeg u, ik beloof u plechtig al mijn eerbied, liefde en dienstbaarheid. Ze sloot haar ogen - wat een diepgaand gevoel lag er in die woorden. Ze had nooit gedacht dat ze dit zou voelen voor Henry. Als ze had...
Maar ze had de eerste stap gezet. Haar familie rekende op haar. Er was geen andere keus dan zich er tot aan het eind doorheen te slaan. Plotseling werd de brief uit haar handen gegrist door haar broer George.
'Nee, George! Alstublieft. Geef hem terug!' smeekte Anne hem. George sprong bij haar weg en las hardop voor: "Ik heb u mijn hart gegeven - nu verlang ik. Overstuur deed Anne een nieuwe poging de brief terug te krijgen, maar George ontweek haar.
'Niet doen! Alstublieft!'
George ging verder:'"... nu verlang ik ernaar mijn lichaam aan u te wijden.'" Anne gaf het op en zakte in elkaar; moedeloos hoorde ze George het eind van de brief voorlezen.
'"Geschreven met de hand van hem die in hart, lichaam en wilskracht uw trouwe en meest betrouwbare dienaar is, H.R."' George tuurde naar de briefen grinnikte. 'En kijk nou! Hij heeft een hartje tussen de H en de R
getekend.' Schaterend wees hij ernaar.
Hij keek naar zijn zuster. Annes gezicht was rood. George, die zich kostelijk amuseerde, fluisterde: 'De Koning van Engeland die mijn kleine zusje schrijft - belooft haar dienaar te zullen zijn! Het is ongelooflijk.'
'Geef mij de brief,' zei ze zachtjes.
George negeerde haar. 'Hij is verliefd op u,' kraaide hij.
'Geef die brief aan mij!'
Verbaasd door de hartstochtelijke heftigheid in haar stem, hield George op met lachen. Hij gaf haar de brief terug en keek toe hoe ze die wegstopte. George bestudeerde haar profiel. Uiteindelijk zei hij op bezorgde toon: 'U
bent toch niet verliefd op hem? - Ofwel?'
Anne antwoordde niet.
In een kooi op een oorlogsschip dat op weg was naar Engeland lag de net weduwe geworden Koningin van Portugal in de armen van Brandon, Hertog van Suffolk. Het zachte gekraak van de spanten en de ritmische deining van het schip op een vlakke zee hadden een kalmerend effect op Margaret. Ze wilde dat er nooit een einde aan deze terugreis zou komen.
'Het was een mooie dood,' zei Brandon, en hij kuste haar. 'Sterven na het vervullen van de echtelijke plichten - wat is er mooier? Uw "kleine sterven", en zijn grotere, meer permanente.' Hij glimlachte.
'Denkt u dat ze iets vermoedden?'
Brandon lachte. 'Natuurlijk vermoedden ze iets! Hebt u niet gezien hoe de dienaren naar u keken?' Hij trok een grimas. 'Maar zijn zoon was dol van vreugde! Ik bedoel: Zijne Majesteit was dol van vreugde. Hij had tenslotte vele jaren gewacht op de troon. Daar had de oude man zich onverbiddelijk aan vastgeklampt.'
Margaret huiverde overdreven. 'Herinner me niet aan zijn vastklampende gewoonten! Ik doe mijn best die te vergeten!' Ze lachten zacht, stilletjes, terwijl hun lippen elkaar liefkozend raakten.
Na korte tijd zei Margaret: 'Wat moeten we nu doen?'
'Is dit niet voldoende?'
'Nee! Nou ja, ja.' Ze kuste hem. 'En nee.' Ze zuchtte. 'Uiteindelijk komen we in Engeland aan.'
Ze dachten aan wat hun te wachten zou kunnen staan. Het zou consequenties hebben, dat wisten ze allebei. Brandon draaide haar gezicht naar zich toe en keek in haar ogen. 'Trouw met me,' fluisterde hij.
'Wat?' Ze staarde hem aan.
'U hebt me gehoord. Trouw met me!'
Margaret was verbijsterd door de brutaliteit van deze suggestie. Hij had haar geheime hartenwens onder woorden gebracht. Maar zij was een prinses — nee, een koningin — nog maar kort weduwe, en hij was een burger... onlangs in de adelstand verheven, dat was waar...
Maar als Brandon zonder toestemming van de koning met haar trouwde gold dat, formeel gezien, als verraad.
Compton baande zich een weg door een drukbevolkte Londense taveerne. Waarom wilde Brandon hem in hemelsnaam hier ontmoeten, op deze onsmakelijke plek, terwijl ze makkelijk in het paleis hadden kunnen afspreken? Het was stampvol, lawaaierig, en het stonk naar ongewassen lichamen, bier, wijn en klamme wol. Hij ontdekte Brandon, die zat te wachten en, naar het aantal kruiken en lege kelken op zijn tafel te oordelen, al behoorlijk aangeschoten was. Brandon omhelsde hem hartelijk. 'Mijn beste William. Kom, drink wat.' Hij schonk twee kelken vol en vervolgde: 'Wat fijn om u weer te zien.'
'Ja,' zei Compton. 'Maar waarom hier? Ik begrijp het niet. We hadden u op het paleis verwacht.'
Brandons glimlach verdween. Hij keek onzeker, bezorgd zelfs. 'Hoe maakt de koning het?'
'Hij wil dolgraag zijn zuster zien,' deelde Compton hem mee. 'En haar verdriet delen.'
'Ah... haar verdriet... ja.' Brandon leegde zijn kelk. Hij wierp Compton een berouwvolle, schuldige blik toe. 'We zijn getrouwd.'
Compton was beduusd. 'Wat? Wie?'
Brandon haalde zijn schouders op. 'Zij... en ik! We zijn getrouwd.'
Langzaam begon het tot Compton door te dringen; hij rolde met zijn ogen. 'U en...?'
Brandon knikte. 'Ja. U moet het hem vertellen. U moet het aan de koning vertellen.'
'Ik moet het hem vertellen? Waarom moet ik het hem vertellen?'
'Het is beter als hij het uit uw mond hoort.' Ze zwegen, denkend aan het enorme schokeffect van dit alles. Het zou Brandon de kop kunnen kosten. Compton leegde zijn kelk, keek weer naar zijn oude vriend en begon toen onverwacht te grinniken. 'Wat is er aan de hand, Charles? Durft u het zelf niet?'
Brandon zakte ineen op de bank. 'Het is niet om te lachen.'
'Weet ik,' beaamde Brandon. 'Maar waarom hebt u het gedaan?'
Brandon maakte een ongemakkelijk gebaar. 'U kent me. Ik denk niet altijd na.'
Compton snoof. 'Dat doet u wel! Alleen niet altijd met uw hersens!'
Het was Goede Vrijdag en Koningin Katherine zat in de kerk. Het koor zong het Stabat Mater, terwijl de ceremonie die bekendstond als het Kruipen naar het Kruis plaatshad. Blootsvoets kropen de mannelijke parochianen op handen en knieën naar een offertafel waarop een beeld van de Maagd stond. Zij had een groot
'prachtig delicaat verguld' crucifix vast dat de mannen eerbiedig kusten. Toen de laatste man het kruisbeeld had gekust, tilde een monnik het op en droeg het naar de onderste treden van het koor, waar hij het op een fluwelen kussen legde. De norse, bejaarde Bisschop van Rochester, John Fisher zelf - die de mentor van de jonge Koning Henry was geweest - kroop er blootsvoets naartoe en kuste het. Hij stond op, boog voor Katherine en nodigde haar met een handgebaar uit hem naar buiten te volgen. Toen Katherine verscheen, werd ze door de wachtende menigte begroet met een luid applaus.
Fisher richtte zich tot hen. 'Beste mensen van Lambeth. Op deze Goede Vrijdag zal Hare Majesteit de Koningin de aalmoezen van de koning verdelen onder deze onfortuinlijke doch ware en loyale onderdanen van de Koninklijke Hoogheden... in de christelijke geest van liefdadigheid en genegenheid.'
Katherine liep naar de eerste magere en haveloze man toe. Trillend viel hij voor haar op zijn knieën. Een van Katherines hofdames gaf haar een gouden muntstuk en zij drukte dat in de hand van de arme man, terwijl ze troostende woorden in zijn oor fluisterde.
Tranen rolden over de wangen van de arme man. Dit was het mooiste moment van zijn leven. Het aangeraakt en geestelijk geheeld worden door de koningin was van veel grotere betekenis dan de waarde van het geld. Het was alsof hij door een heilige was gezegend.
Katherine liep verder langs de rij en deelde de aalmoezen van de koning uit. Ze werd gadegeslagen door een glimlachende, huilende en zich gezegend voelende mensenmassa. Een van de toeschouwers bekeek de ceremonie met duidelijk veel minder vreugde: Mijnheer Cromwell, de secretaris van de koning. Zijn gezicht was uitdrukkingsloos, maar zijn neus was enigszins opgetrokken, alsof hij iets verdorvens rook.
'Hij wil een scheiding!' riep Sir Thomas More ontdaan uit. 'Dat geloof ik niet!' Hij had een dringende oproep van Wolsey ontvangen en was, ondanks het late uur, meteen naar Hampton Court gekomen. Hij staarde Wolsey aan, niet in staat de enorme omvang van de eis van de koning tot zich door te laten dringen.
Wolsey schudde zijn hoofd. 'Het is geen scheiding. Hij wil een nietigverklaring op grond van het feit dat hij in wezen nooit met haar getrouwd is geweest.' Hij zag Mores blik en voegde eraan toe: 'Door met de echtgenote van zijn broer te trouwen, heeft hij zowel de burgerlijke wetten als de wetten van God overtreden. Hij wil dat simpelweg erkend hebben.'
'Maar de paus heeft hem speciale dispensatie verleend om met Katherine te kunnen trouwen!'
Wolsey haalde zijn schouders op. 'Dat is zo. Niemand ontkent dat. Maar de koning voelt zich meer verplicht aan God dan aan de paus. Hij wordt oprecht gekweld door zijn geweten. Hij heeft Gods bevel genegeerd en er is niets wat Zijne Heiligheid kan doen of zeggen om daar verandering in aan te brengen.'
More fronste. 'Maar de paus is de plaatsvervanger van God op aarde. Hij spreekt voor...'
Wolsey gooide zijn ganzenveer neer. 'Kom nou toch, Thomas. Wat pretendeert u nu? Het is heel normaal dat koningen scheiden. En pausen vinden altijd wel een excuus. Ik weet dat u een idealist bent, maar u bent niet gek. Als Henry zijn huwelijk nietig wil laten verklaren, wie zal hem dan tegenhouden?'
More keek Wolsey onderzoekend aan. 'Goed. Laten we realistisch zijn. U
hebt het over feiten. Laat me u een feit noemen: Katherine van Aragón is niet alleen een geweldige koningin en de dochter van vooraanstaande vorsten, ze is ook immens populair in het hele land. God verhoede dat de koning haar verlaat — alleen om zijn geweten te sussen! Ik denk niet dat het Engelse volk hem dat ooit zal vergeven!'
Wolsey leek niet onder de indruk van dit argument.
Na een korte pauze zei More op lage toon: 'Weet zij het al?'
Wolsey gaf geen antwoord.
Hevig bezorgd liep More naar het raam en keek naar buiten. Massa's donkere wolken hadden zich veelbetekenend voor de maan verzameld. Er was storm op komst. Dat was toepasselijk, vond More. God wist wat hiervan zou komen.
'Gevangen!' Prinses Mary sprong vanachter een stoel tevoorschijn en greep haar moeder om haar middel.
'Maar, aha, nu heb ik u gevangen!' Katherine tilde Mary op en draaide het kind in het rond. Het meisje gilde het uit van de pret. Toen Katherine haar weer neerzette, wiebelde ze overdreven duizelig en giechelend op haar benen. Alle hofdames lachten.
Plotseling stierf het gelach weg. Katherine keek op en zag Wolsey bij de deur naar haar staan kijken. Ze verstijfde.
'Kom hier, schat,' zei ze tegen Mary, die, verbaasd door de abrupte stemmingswisseling, haar moeder een bezorgde blik toewierp. Katherine glimlachte geruststellend en gaf haar een kus. 'Ga naar uw kamer,' droeg ze haar op. 'Ik zie u later.'
'Ja, mama,' zei het kind gehoorzaam. Een van de dienaren van de prinses kwam naar voren en leidde haar de kamer uit.
Katherine gebaarde dat al haar hofdames konden vertrekken. Ze keek Wolsey minachtend aan en zei op sarcastische toon: 'Opnieuw een bezoek, Uwe Eminentie? U bent altijd zo... druk.'
'Ik heb goed nieuws,' zei Wolsey minzaam. 'Aangezien Zijne Majesteit de Hertog van Richmond een eigen huishouding heeft geschonken, vindt hij het niet meer dan rechtvaardig en juist dat zijn geliefde Prinses Mary ook de hare krijgt.'
Katherine kneep haar ogen tot spleetjes. 'Wat bedoelt u?'
'Zijne Majesteit is van plan de prinses naar Ludlow Castle te sturen, op de Welsh Marches. Ze zal aan de zorgen van Lady Salisbury, haar gouvernante, worden toevertrouwd. Haar leermeester, Doctor Fetherston, zal haar ook vergezellen, evenals driehonderd leden van de huishouding van de prinses.'
Het duurde even voordat die woorden bezonken waren. 'Ze... ze wordt bij mij weggehaald?'
'Helemaal niet,' zei Wolsey. 'Zijne Majesteit verleent haar de eerbewijzen die een prinses waardig zijn.'
'Dit komt niet van Zijne Majesteit zelf!' zei Katherine op scherpe toon. Wolsey spreidde zijn armen in een hulpeloos gebaar. 'Madame, ik word vaak beschuldigd van dingen die mij niet te verwijten vallen of waar ik niet ver-antwoordelijk voor ben. Sommige mensen zijn altijd geneigd kwaad te spreken en het ergste door te vertellen zonder op de hoogte te zijn van de waar-heid. En wellicht hebben zij Uwe Majesteits mening over mij vergiftigd.'
Vol bitterheid zei Katherine: 'U ontneemt me mijn kind — mijn kind —
mijn enige bron van geluk, de spil van mijn leven.' Haar stem steeg naar een van droefheid doortrokken hoogte. 'U rukt haar bij me weg alsof u haar uit mijn schoot rukt!'
'Ik doe slechts wat de koning mij opdraagt,' deelde Wolsey haar mee. Katherine staarde hem vol minachting aan. 'Mijn vertrekken uit!'
Wolsey boog. 'Majesteit.' Hij vertrok en Katherine staarde hem radeloos en wanhopig na. Maar ze wilde en zou niet huilen. Niet om hem. Katherine hoorde de regen en de donder toen ze voor haar kleine altaar knielde om te bidden. Na enige tijd besefte ze dat de geluiden die ze hoorde niet van buiten kwamen en ze stond op om te kijken wat er was. Haar mond viel open toen ze Henry via de geheime doorgang haar kamer binnen zag komen. Héél even dacht ze dat haar gebeden - na al die jaren verhoord werden, dat Henry zijn echtelijke bezoekjes hervatte. Maar toen zag ze zijn opgelatenheid, de spanning die van hem afstraalde, en haar hoop vervloog.
Ze maakte een diepe reverence en wachtte af.
Henry kon niet stil blijven staan; zenuwachtig liep hij een paar keer op en neer. Toen, met een botheid die niets voor hem was, zei hij: 'Ik moet u iets zeggen, Katherine. Wat mij betreft is ons huwelijk... is ons huwelijk voorbij.' Hij slikte en ging toen over op wat overduidelijk een voorbereid praatje was. 'Feitelijk hoeft iets wat er nooit geweest is niet beëindigd te worden. U en ik zijn nooit werkelijk getrouwd geweest. Er was sprake van een misverstand... een misvatting van de Heilige Schrift, en een... verkeerde toepassing van het kerkrecht door de paus. Katherine hoorde de woorden en haar ogen werden wazig van de tranen. Henry zag ze. Hij ging er een beetje door stotteren, maar hij was vastbesloten zijn verhaal af te maken.
'Het is waar dat ik dit niet eerder wist. Maar nu... nu deze zaken aan het... aan het licht zijn gekomen door gedegen advies.
Er druppelden tranen uit Katherines ogen, die strepen trokken over haar wangen.
Henry wendde zijn blik af en ging stijfjes verder: 'Die drukken op mijn geweten. Ze... ze dwingen mij voor altijd uw tafel en bed te verlaten.'
Hij zweeg; de stilte werd alleen verbroken door de roffelende regendruppels en het gesnotter van de koningin. Henry vervolgde: 'Voor u rest slechts... u rest slechts te kiezen... te kiezen waar u vanaf nu wilt wonen, en... en... u daar zo snel mogelijk terug te trekken.'
Hij wachtte op een reactie, alsof die hem zou kunnen helpen, maar Kathe-rine huilde alleen maar; ze staarde hem met betraande ogen aan. Henry's keel zat dichtgeknepen. Hij haatte dit, dat hij dit moest doen. Hij wilde dat het voorbij was, afgelopen, over. Op vleiende toon zei hij: 'Alstublieft, Katherine, ik smeek u, houd dit geheim. En ik beloof u... ik beloof u dat alles weer goed zal komen.'
Katherine keek hem slechts met een blik van diepe smart en verstokenheid aan, terwijl ze jammerlijk huilde.
Henry, die er niet meer tegen kon, draaide zich abrupt om en liep weg.
'Madame, Lady Salisbury is hier,' deelde een hofdame Katherine mee. Een streng kijkende, aristocratische dame werd Katherines vertrekken binnen geleid.
Met nauwgezette formaliteit maakte Lady Salisbury een reverence voor de koningin. 'Uwe Majesteit. Ik heb uw dochter hier gebracht om u vaarwel te zeggen.' Ze gaf een teken en een andere dame bracht Prinses Mary binnen. De prinses was als een stijve kleine miniatuurvolwassene gekleed in een reiskostuum. Ze rende niet haar moeders armen in, wat ze normaal altijd deed, maar maakte een stijve en plechtige reverence, alsof ze een vreemde tegenover zich had. Dit was haar duidelijk aangeleerd. Het brak Katherines hart. 'Mijn kindje,' mompelde ze gebroken. Lady Salisbury zei met kille stem: 'Uwe Majesteit kunt gerust zijn. Er zal goed voor de prinses gezorgd worden, zoals past bij haar positie. U zult regelmatig verslagen ontvangen met betrekking tot haar gezondheid en prestaties. En uiteraard kunt u haar tijdens de hofreizen van Uwe Majesteit bezoeken.'
Er trok een huivering over Katherines gezicht, maar ze bedwong haar emoties; ze wilde haar smart niet aan een lagergeplaatste tonen - of haar dochter van slag brengen. Op de meest hoffelijke toon die ze kon opbrengen, zei ze: 'Dank u, Lady Salisbury. En zorg ervoor dat ze haar muziek repeteert. Ze heeft...' haar stem brak, maar ze herstelde zich en zei: 'Ze heeft een groot muzikaal gevoel.'
Lady Salisbury boog opnieuw.
Katherine staarde naar haar kleine dochter en ging verder in het Spaans:
'Wees sterk, mijn geliefde dochter. Vergeet niet wie u bent — de nakomeling van Isabella en Ferdinand van Castilië, de enige dochter van de Koning van Engeland. Wees sterk, en wees oprecht, en op een dag...' Ze aarzelde, want haar stem brak opnieuw. 'Op een dag zult u koningin zijn.' Ze kuste Mary liefdevol.
Mary maakte opnieuw een reverence voor haar. 'Ja, mama.' En dat was het. Het kleine meisje werd weggeleid door Lady Salisbury, weg van haar moeder, naar een onbekende toekomst. En Katherine huilde.
Hoofdstuk 11
'Heeft hij er spijt van?' Henry keek Compton, met wie hij in een privégesprek verwikkeld was, kwaad aan. Compton had het nieuws van Brandons huwelijk met de zuster van de koning bekendgemaakt.
'Heeft hij er berouw over?' ging Henry verder. 'Vertel! Smeekt hij mij hem te vergeven?'
Compton voelde zich verschrikkelijk opgelaten onder de starende blik van zijn koning. 'Uwe Majesteit kent Zijne Excellentie,' zei hij ten slotte. Henry staarde hem vol ongeloof aan. 'U bedoelt dat dat niet zo is?' zei hij op onheilspellende toon. Compton deed er het zwijgen toe. Henry maakte een furieus gebaar en balde zijn vuisten. 'Laat mijn zuster hier komen!' snauwde hij.
Compton haastte zich naar buiten.
Henry legde zijn vingers op zijn slapen, alsof hij pijn had aan zijn hoofd. Even later betrad Margaret stilletjes de kamer. Ze maakte een diepe reverence en hield haar ogen naar de grond gericht.
'U draagt geen zwarte kleding!' constateerde Henry kil.
'Nee, Uwe Majesteit.'
'Maar u bent in de rouw. Uw echtgenoot is dood.'
Margaret reageerde niet.
Op dreigende toon zei Henry: 'Ik zei: uw echtgenoot is dood!'
Ze tilde haar hoofd op en keek hem opstandig aan. 'Nee, hij leeft!' zei ze tegen hem. 'Mijn echtgenoot leeft.'
Henry stampte naar haar toe en pakte haar kin in zijn hand. 'Ik heb u geen toestemming gegeven om met Brandon te trouwen — noch zou ik dat ooit doen.'
Margaret trok haar kin uit zijn hand. 'U hebt het me beloofd! Ik was vrij om te kiezen.'
'Ik heb het u nooit beloofd. U vergist zich.' Hij zag de opstandigheid in haar ogen en zei kwaad: 'Waag het niet mij aan te kijken! Ik ben uw heer en meester! Niet uw broer!' Hij wachtte.
Stuurs sloeg Margaret haar ogen neer, alsof ze hem gehoorzaamde. Maar dit gebaar maskeerde nauwelijks haar diepe weerzin.
'De ministerraad eiste zijn hoofd. Dat heb ik hun bijna gegeven - wist u dat?'
Dat wist Margaret. Het was Wolsey, had ze gehoord, die de koning ervan had overtuigd Brandon niet te onthoofden. Nogal ironisch, omdat haar echtgenoot de kardinaal haatte.
Henry stapte weer op de verhoging onder zijn baldakijn. 'U wordt beiden van het hof verbannen,' deelde hij haar mee. 'U doet afstand van uw huizen in Londen. U verdwijnt uit mijn gezichtsveld. Hebt u dat begrepen?'
Hij wachtte; toen brulde hij, aangezien ze geen reactie gaf: 'Hebt u dat be- grepen?'
Margaret zei binnensmonds: 'Ja, Uwe Majesteit.'
Witheet over haar opstandigheid keek hij haar aan. 'En Margaret?'
'Ja, Uwe Majesteit?'
'Ik moet nog beslissen of ik uw nieuwe bedgenoot al dan niet een kopje kleiner zal maken,' zei hij vals.
Margarets oogleden trilden. Ze staarde hem ontsteld aan. Hij zou haar echtgenoot toch niet echt onthoofden, zijn vroegere beste vriend - toch?
In zijn privévertrekken liep Henry als een rusteloze, gefrustreerde leeuw te ijsberen. Er kwam een kamerheer binnen.
'Wat is er?' snauwde Henry.
De kamerheer stak een klein pakketje naar voren.
'Van wie is dat?'
'Lady Anne Boleyn, Uwe Majesteit.'
Henry knikte ongeïnteresseerd, nam het pakketje aan en stuurde de jonge kamerheer weg. Maar zodra de man de kamer verlaten had, vouwde Henry het pakketje met trillende vingers open.
Er zat een zeer verfijnd bijou in: een kleinood in de vorm van een schip, met een piepklein figuurtje van een eenzame vrouw aan boord, en een diamanten hanger. Henry staarde ernaar en draaide het alle kanten op in een poging de geheime betekenis ervan te achterhalen.
'Een schip met een vrouw aan boord,' mompelde hij. 'Wat is een schip?
Wat anders dan een symbool van bescherming, net als de ark die Noach redde?' Hij fronste. 'En de diamant? Wat stond er ook alweer in Roman de la Roset Ja. "Een hart zo hard als een diamant, standvastig... onveranderlijk."'
Hij liep nadenkend heen en weer - toen schoot het hem ineens te binnen.
'Zij is de diamant,' riep hij uit. 'En ik ben het schip.'
Zwaar ademend stond hij stil. Hij zag zichzelf in de spiegel. 'Ze zegt ja!' zei hij tegen zijn spiegelbeeld. Zijn gezicht straalde van vreugde. 'Ze vertrouwt zichzelf toe aan mijn zorgen.'
Kardinaal Wolsey schraapte zijn keel en het onsamenhangende gemom-pel in de kamer stierf weg. 'Uwe Excellenties, ik denk dat u wel weet waarom we hier samengekomen zijn... in alle beslotenheid.' Hij bedoelde in het geheim. Bijna alle kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders waren aanwezig.
'Wij zijn hier op bevel van Zijne Majesteit. Zijne Majesteit heeft verzocht om een onderzoek naar de aard van zijn huwelijk met Katherine van Aragón, ter geruststelling van zijn geweten en zijn zielenrust.' Niemand in de kamer verroerde zich.
Wolsey ging verder: 'Want er staat in Leviticus: "Een man die de vrouw van zijn broeder neemt - bloedschande is het; de schaamte van zijn broeder heeft hij ontbloot, kinderloos zullen zij zijn."'
Wolsey keek naar zijn medeprelaten en probeerde hun eerste reactie in te schatten. Hij stuitte op een massa zorgvuldig halfgesloten ogen.
'Als, Mijne Excellenties,' vervolgde hij, 'wij in staat zijn om onderling tot overeenstemming te komen dat het huwelijk - in feite - nooit legaal is geweest en zowel tegen de burgerlijke als de kerkelijke wetten in is doorgezet
— tot welke overtuiging Zijne Majesteit, tot zijn grote spijt, is gekomen —
dan ben ik van mening dat ik, als pauselijke legaat, zelfde macht en autoriteit heb het te ontbinden en te beëindigen.' Hij zweeg en keek naar Aartsbisschop Warham. 'Uwe Excellentie?'
Warham zei behoedzaam: 'Ik ben geneigd het met Uwe Eminentie eens te zijn... maar ik zal pas uitspraak doen als ik alle meningen gehoord heb.'
'My Lord Fisher?' Wolsey wendde zich tot de bejaarde Bisschop Fisher. Fisher snoof. 'Ik zie geen ontvankelijkheid in de zaak van de koning, op deze wijze betuigd. Geen enkele. Als er enige sprake was van een belemmering voor dit huwelijk, dan is deze ondervangen door de dispensatie van de paus. Het huwelijk was derhalve legaal en, zoals Uwe Eminentie weet, echtscheiding wordt door de Kerk niet toegestaan.' Hij keek Wolsey recht in de ogen en zei resoluut: 'Dat is mijn mening.'
Er klonk een instemmend gemompel.
Wolsey keek bedachtzaam. Hij zag onmiddellijk dat het geen zin had om op zijn strepen te gaan staan. Terwijl hij vorsend naar de gezichten in de kamer keek, besefte hij dat dit absoluut niet zo simpel zou worden als de koning dacht.
Sir Thomas More ging langs bij Bisschop Fisher om de kwestie van het huwelijk van de koning te bespreken. 'Dit is een serieuze zaak,' zei More. 'Het is van belang om te weten welke mening uw medebisschoppen zijn toegedaan... vooral de aartsbisschop.'
Fisher knikte. 'Warham heeft mij in vertrouwen verteld dat hij achter de koningin staat.'
Dat deed More zichtbaar plezier. 'Goed. In dat geval zal het voor Wolsey onmogelijk zijn om verder te gaan. De zaak zal herroepen moeten worden door Rome.'
'Het lijkt mij dat deze zaak een bredere context heeft.'
More knikte. 'Dat weet ik.'
'De koning dreigt de autoriteit van de paus wat betreft de dispensatie voor zijn huwelijk niet te erkennen. Zulke dreigementen komen in Duitsland en op andere plaatsen steeds vaker voor, zoals u ongetwijfeld weet. Er zijn Engelsen die nu in het buitenland verblijven - zoals Tyndale - die de tradities van onze Kerk verachten.'
More knikte opnieuw. 'Dat weet ik ook. Weet u dat William Tyndale mij zelfs zijn Engelse vertaling van het Nieuwe Testament wilde sturen? Alsof ik dergelijke ketterij zou goedkeuren!'
Fisher schudde zijn hoofd. 'Al die mannen zijn net kleine Luthertjes. Uiteindelijk missen ze vertrouwen in de Heilige Kerk. En - God verhoede als hun boodschap ooit aanvaard werd, zou dat zorgen voor de totale vernietiging van het christelijke geloof.'
'Het is waar.' More balde zijn vuisten. 'Ik vind dat slag mannen absoluut verachtelijk. Zo erg zelfs dat ik, tenzij ze weer bij zinnen komen, zo haatdragend mogelijk tegen hen wil zijn.'
De oude ogen van Fisher stonden zorgelijk toen hij hem aankeek. 'Ik hoop en bid, Sir Thomas, dat Zijne Majesteit het altijd met u eens zal zijn.'
'Koning Francis wil graag de betrekkingen met Uwe Majesteit herstellen,' vertelde Wolsey aan Henry. Hij was rechtstreeks van de geheime bijeenkomst met de andere geestelijken naar Henry's privévertrekken in het paleis gekomen. Henry leek nog rustelozer dan anders; nu eens banjerde hij loerend door de kamer, dan weer zakte hij onderuit op een stoel.
Wolsey vervolgde: 'Hij verafschuwt het verraderlijke gedrag van de keizer ten opzichte van Uwe Majesteit. Aangezien hij zelf net zo behandeld is, begrijpt hij het maar al te goed. Hij biedt u daarentegen een oprechte en wederzijdse vriendschap.'
'Het is waar dat de keizer onze verwachtingen heeft geschonden,' zei Henry, terwijl hij verward staarde naar het kleinood dat Anne hem gestuurd had en het liet schommelen in zijn hand.
'Wellicht is hij nooit oprecht geweest,' suggereerde Wolsey. 'Maar ondanks dat heeft hij nog steeds vrienden aan het hof.'
Henry veerde overeind. 'Welke vrienden?'
'Mijn tussenpersonen hebben deze brief onderschept.' Wolsey overhandigde hem aan de koning. 'Het is een brief van de koningin. Ze vraagt waarom de keizer haar niet vaker schrijft. Ze belooft altijd zijn dienaar te blijven.'
Henry las de brief vluchtig door en scheurde die toen woedend in stukken. Wolseys gezicht vertoonde een onuitgesproken flikkering van voldoening.
'Zijn dienaar, niet de mijne!' snauwde Henry. Hij stond op en begon heen en weer te lopen. Na een tijdje zei hij: 'Zeg tegen de Franse ambassadeur dat wij genegen zijn tot een verzoening met Koning Francis. Laat hen afgezanten hiernaartoe sturen. Laat ons bondgenoten zijn tegen de keizer.'
'Ja, Majesteit,' bromde Wolsey tevreden.
'En nu,' zei Henry, starend naar het kleinood in zijn hand, 'heb ik andere verplichtingen.'
'Mijn eigen hart. Mijn leven. Mijn lady.' Henry lag in bed met Anne in zijn armen; hij kuste haar hartstochtelijk en met aanhoudende verwondering. Ze beantwoordde zijn liefkozingen: eerst kuste ze zijn mondhoek en vervolgens sabbelde ze aan zijn onderlip. Ze liet haar vingers door zijn haar glijden en kuste hem terug - opende haar mond voor hem en drukte haar ranke lichaam tegen het zijne.
Hij tilde zijn hoofd op en keek haar smoorverliefd aan. 'Ik maak aanspraak op uw maagdelijkheid,' zei hij teder. Toen kuste hij haar borsten. Anne glimlachte en huiverde van verlangen. 'En ik doe u deze belofte: als wij getrouwd zijn, bezorg ik u een zoon!'
Dat was wat Henry het allerliefste wilde horen. Het wakkerde zijn verlangen zelfs nog meer aan. 'Lieve Anne. O, lieve Anne.'
Hun liefkozingen werden nog vuriger en intiemer. Henry gromde dierlijk en drukte haar tegen zich aan, terwijl zijn handen koortsachtig over haar lichaam gleden. Hier had hij naar gehunkerd, van gedroomd, dag en nacht, Anne... Anne.
Zijn ogen stelden een vraag. De hare gaven toestemming; hij kon haar nu nemen als hij dat wilde. Henry streelde haar nog een keer en rolde toen met een diepe zucht van haar af. 'Nee,' zei hij.
Even begreep Anne het niet. Ze spatte bijna uit elkaar van lust. 'Wat is er?'
hijgde ze.
Henry lag naast haar en deed hevig zijn best zich te beheersen. Ten slotte zei hij: 'Ik zal uw maagdelijkheid eerbiedigen tot we getrouwd zijn. Dat is het minste wat ik voor de liefde kan doen.'
Anne keek hem verwonderd aan. 'O, liefde. Dan zal ik u elke dag opnieuw bewijzen dat u mij zowel liefdevol als vriendelijk jegens u zult vinden.'
Henry leunde achterover en kuste haar - bijna kuis - op de lippen. Toen stond hij op en wandelde stilletjes de kamer uit.
'U zei dat het goed zou komen!' Margaret smeet een bord naar Brandon toe. Hij dook weg en het sloeg tegen de eetkamermuur van hun huis op het platteland. Het was laat in de middag. Eerder die dag was Margaret teruggekeerd van het hof en het gesprek met haar broer. Nee, niet haar broer, haar heer en meester, de koning.
'U zei dat hij u zou vergeven!' krijste Margaret. 'Dat zei u! Dat hebt u beloofd.' Er lagen aardig wat lege wijnkruiken verspreid over de tafel. Ze hadden sinds haar terugkomst zitten drinken en waren allebei behoorlijk aangeschoten. Margaret pakte een lege kruik en wilde die naar hem gooien. 'In godsnaam, vrouw...' begon Brandon.
'Noem me geen vrouw!' snauwde Margaret. 'Ik wil uw vrouw niet zijn. Ik haat u!'
Brandon liep om de tafel heen en probeerde dichter bij haar te komen.
'Nee, dat doet u niet,' sprak hij haar tegen.
Als antwoord gooide ze de kruik naar hem toe. Die miste hem op een haar na. 'Ja, dat doe ik wel!' zei ze. 'Als u er niet was geweest, was ik nu nog koningin van Portugal! En wat ben ik nu?'
'U bent dronken,' vertelde haar liefhebbende echtgenoot haar. 'En u bent dwaas.' Op vleiende toon voegde hij daaraan toe: 'Natuurlijk zal de koning ons vergeven. Daar is hij nu gewoon nog te trots voor. We hebben zijn ijdelheid gekwetst, dat is alles.'
Brandon kreeg haar te pakken en vervolgde: 'Geloof me.'
'Waarom zou ik?'
Brandon trok haar dichter naar zich toe en begon haar te kussen. Eerst probeerde ze zich uit alle macht te verzetten, zich los te rukken, maar geleidelijk verdween haar weerstand. Zijn lichaamswarmte deed haar smelten en ze kuste hem hartstochtelijk terug.
Margaret deed een stap naar achteren en keek haar echtgenoot wanhopig aan. 'Ik weet niet of u nu echt dapper - of gewoon gestoord bent.'
Brandon glimlachte. 'Ik ook niet.' Hij wilde haar weer vastpakken. Schoppend en slaand verzette ze zich, maar hij duwde haar niettemin in de richting van de tafel. Ze trapte en beet hem vol vuur en rukte aan zijn kleren.
Brandon schoof haar op de tafel; kruiken en kelken vlogen alle kanten op toen ze elkaar onstuimig kusten. Hij duwde haar rokken omhoog. Haar benen gingen uit elkaar en sloten zich weer om hem heen. Vol wilde over-gave bedreven ze de liefde. Toen ze het hoogtepunt naderden, trok Brandon zich even terug en keek zijn vrouw aan. 'Ik ben nog steeds slechts een hertog!' zei hij grinnikend. Ze gaf hem een klap en trok hem dichter naar zich toe.
'Ik vraag het u nogmaals,' zei Bisschop Fisher indringend. 'Als de koning zo gekweld wordt door zijn geweten, waarom heeft hij dan zo lang gewacht met het naar voren brengen van deze kwestie?'
Wolsey had de kerkelijk leiders van Engeland weer in het geheim bijeengeroepen.
'Vanwege zijn liefde voor de koningin heeft hij de waarheid niet onder ogen durven zien,' legde Wolsey uit. 'Maar het feit dat zij niet in staat is geweest het leven te schenken aan een gezonde zoon is daarvan het bewijs.'
Aartsbisschop Warham nam het woord. 'Dus hij wil hertrouwen?'
'Als dit huwelijk nietig wordt verklaard, ja, dan weet ik zeker dat hij zal hertrouwen in de hoop een erfgenaam op de wereld te zetten,' zei Wolsey.
'Hij heeft een erfgenaam!' snauwde Fisher.
Wolsey schudde zijn hoofd. 'Ik geloof geen seconde dat het Engelse volk zijn bastaardzoon als een wettige erfgenaam zal beschouwen. En de koning ook niet.'
'Hij heeft een wettige dochter!' gaf Warham aan.
Wolseys liet zijn ogen langs alle mannen in de kamer dwalen; celibataire mannen, mannen van de Kerk. Hij zei: 'Mijne Excellenties, de Engelse geschiedenis is doortrokken van de tragedies van degenen die probeerden hun kroon door te geven aan een dochter.' Hij liet zijn woorden bezinken. Toen Keizerin Matilda in de twaalfde eeuw de troon van haar vader erfde, raakte het land verwikkeld in een rampzalige burgeroorlog. Niemand in de kamer wilde dat dit ooit weer zou gebeuren.
'Maar... heeft hij dan een nieuwe echtgenote in gedachten?' vroeg Fisher.
'Dat is aan de koning zelf om te bepalen, my lord,' zei Wolsey behoedzaam. Fisher schudde zijn hoofd. 'Er zit een luchtje aan!'
Wolsey keek hem aan. 'Ik denk dat u voorzichtig moet zijn.'
'Net als u!' kaatste de oude heer bits terug. 'Een van de grote voordelen van het bezitten van een bibliotheek, Uwe Eminentie, is dat deze vol boeken staat. En sommige van die boeken bevatten kerkelijke wetten. En volgens die boeken beschikt u niet over de autoriteit om over deze kwestie een uitspraak te doen. Dat is alleen aan de paus - of degenen die hij aanwijst.' Hij keek Wolsey schuin aan en zei botweg: 'Het lijkt erop, Uwe Eminentie, dat deze kwestie voor u te hoog gegrepen is!'
Later had Wolsey een ontmoeting met Henry in diens privévertrekken in het paleis. 'Ik heb een Franse delegatie uitgenodigd voor een bezoek aan het hof van Uwe Majesteit om te praten over een nieuw verdrag dat ons in de eventuele confrontatie met de onbuigzaamheid en agressie van de keizer aan elkaar bindt.'
'Goed. Uitstekend,' zei de koning. Zoals gewoonlijk liep hij te ijsberen, maar deze keer was hij in een opperbeste stemming.
Wolsey vervolgde: 'En aangezien de keizer zijn belofte om met uw dochter te trouwen verbroken heeft, zou het misschien verstandig zijn om haar verloving met de dauphin nieuw leven in te blazen. Of, indien de dauphin al toegezegd is, met Francis' jongste zoon, de Hertog van Orléans.'
Henry leek het in zich op te nemen, maar hij was met zijn hoofd bij andere zaken.
'Hoe zit het met uw geheime bijeenkomsten?' vroeg hij. 'Is er al een besluit genomen? Wanneer kan ik de nietigverklaring verwachten?'
Wolsey, die wist dat hij zich op glad ijs begaf, zei: 'Uwe Majesteit hoeft zich geen zorgen te maken, maar we zijn niet in staat geweest om tot een conclusie te komen.'
Henry draaide zich abrupt om en staarde hem aan. 'Niet in staat?
Wolsey trok een berouwvolle grimas. 'De kwestie is nogal gecompliceerd.'
Henry fronste. 'Werkelijk? Waarom?'
'Ik ben van oordeel dat we ons moeten richten tot Zijne Heiligheid Paus Clemens voor een uitspraak over deze kwestie. Ik ben ervan overtuigd dat hij - aangezien hij erg op Uwe Majesteit gesteld is - ten gunste van u zal beslissen.'
Henry keek Wolsey geërgerd aan. Hij was gewend dat Wolsey hem alles bezorgde wat hij wilde. Hij had hem nog nooit teleurgesteld. Henry hield niet van teleurstellingen, vooral niet als het ging om iets wat hem zo na aan het hart lag.
'Ik hoop het,' zei hij op kille toon. 'Ik hoop het echt, Wolsey. Voor uw bestwil.'
Er werd een diner gehouden ter ere van de komst van de Franse gezanten. Het knapenkoor van de Koninklijke Kapel zorgde voor de muzikale omlijsting en Thomas Tallis was de dirigent: het was een van zijn nieuwste composities. Niet iedereen was blij dat de Fransen weer in de gratie waren. Katherine was een van hen. Ze voelde zich eenzamer dan ooit.
Boleyn en Norfolk hadden, om zeer uiteenlopende redenen, hetzelfde gevoel. Ze keken geringschattend naar de Franse gedelegeerden in hun totaal andere, nogal chique kleding.
'Men haalt de Fransen er altijd uit,' zei Boleyn zuur.
'Ja,' beaamde Norfolk. 'Ze zijn verwijfd! En waarschijnlijk lezen ze nog boeken ook!' Het was een van zijn meest grove beledigingen. Ze richtten hun aandacht op Wolsey, die, voor de zoveelste keer, ceremoniemeester was.
'Maar het was wel slim van ze om Wolsey een toelage te geven,' gromde Norfolk. 'Hij heeft hen nooit teleurgesteld.'
Sussend zei Boleyn: 'Dat valt nog te bezien. Als het rad van fortuin zijn hoogste punt heeft bereikt, kan het nog maar één kant op.' Hij wees met zijn ogen naar de plek waar Henry met Anne aan het dansen was. Zelfs voor een blinde was het duidelijk dat die twee verliefd waren. Henry kon zijn ogen niet van Anne afhouden, en andersom gold hetzelfde. Katherine zat de dansers bedroefd gade te slaan. Ze werd op haar wenken bediend, maar niemand zei iets tegen haar.
Plotseling klonk er een luid kabaal buiten het vertrek. De deuren knalden open. Een eenzame ridder, een knappe jongeling met een radeloze blik in zijn ogen, kwam binnen en viel voor de koning op zijn knieën. Henry liet Annes hand vallen en de muziek hield abrupt op.
'Uwe Majesteit, ik breng u afschuwelijk en rampzalig nieuws. Rome is veroverd en beroofd door de Duitse en Spaanse huurlingen van de keizer.' Het publiek hapte vol afschuw naar adem.
De jongeman vervolgde: 'Ze hebben de kerken geplunderd en bezoedeld, de relikwieën en heilige schatten vernietigd, duizenden priesters gemarteld en gedood.'
Ontzet door een dergelijke ongehoorde barbaarsheid in de Heilige Stad, sloegen de mensen een kruis.
'Monsterlijk!' mompelde iemand.
'Erger dan heiligschennis.'
Maar Henry's gedachten waren onmiddellijk bij de kern van de zaak. 'En Zijne Heiligheid?'
De ridder schudde medelijdend zijn hoofd. 'De paus zit opgesloten in het Gastel Sant'Angelo.'
'Hij is een gevangene van de keizer?'
'Ja,' zei de ridder. 'Hij kan met hem doen wat hij wil.'
Henry zag er ontzet uit. Katherine ging rechtop zitten; ook zij was ontzet, maar ze zag er iets minder miserabel uit. De paus was in handen van haar neef.
Nu zou Henry zijn echtscheiding niet zo gemakkelijk krijgen. In de geschrokken stilte begonnen mensen de feestdis te verlaten. Men kon niet eten als er zoiets afschuwelijks was gebeurd. Het was een aanval op alles waarin zij geloofden. Als de paus gevangengenomen kon worden, als de Heilige Stad geplunderd kon worden, als priesters en bisschoppen gemarteld en gedood konden worden, waar moest het dan heen met de wereld? Waar was God?
De Franse gezanten bogen stilletjes voor Henry en wachtten, zodat Kathe-rine en haar hofdames als eersten konden vertrekken. Anne wierp Henry een wanhopige blik toe, want hoe groot was de kans op een scheiding als de paus in handen van de Spanjaarden was?
Henry staarde op zijn beurt naar de vertrekkende Wolsey. Het lag nu allemaal in zijn handen. Lady Blount liep langzaam over de lange stenen passage in Ludlow Castle in Wales. Ze ging gekleed in het zwart en droeg een zwarte sluier voor haar gezicht. Achter haar wandelde een klein gevolg; sommigen van hen droegen brandende toortsen om de weg te verlichten. Ze huiverde. Het was hartje zomer en toch was het kil in het kasteel.
Ze werd een kamer binnen geleid. Er brandden kaarsen rond een staatsbed; een grote kandelaar op elk van de vier hoeken. Naast het bed stonden verschillende artsen en priesters plechtig kijkend op haar te wachten. Op het bed lag een kleine, onbeweeglijke gestalte.
'Hij heeft de zweetziekte opgelopen,' legde een arts uit. 'We konden niets meer doen. 's Morgens zei hij dat hij zich ziek voelde. Tegen de avond was hij in de handen van God.'
Lady Blount hoorde hem nauwelijks. Het enige wat zij wist was dat haar zoon dood was.
Met een door verdriet getekend gezicht bewoog ze langzaam naar het bed waar haar prachtige zoon doodstil lag, alsof hij sliep.
'Zo'n kleine jongen,' fluisterde ze. Ze raakte zijn koude hand aan en boog zich voorover om zijn koude ogen te kussen... en toen, toen pas, brak ze en schreeuwde ze het uit van verdriet.
Ze huilde met grote, hartverscheurende, pijnlijke snikken. Haar dierbare, dierbare kind.
Henry zat alleen in het halfduister van zijn privévertrek. Een enkele kaars brandde op de tafel voor hem. Hij zat ineengezakt, vol vertwijfeling. Zijn ogen stonden dof. De afgelopen dagen had hij twee verschrikkelijke klappen te verwerken gekregen en dat was te zien. Hij staarde naar de twee voorwerpen op de tafel voor hem: een kleine fluwelen staatsmuts en het kroontje van een hertog, klein genoeg voor een kinderhoofd.
Zijn zoon was dood.
Hoofdstuk 12
'Ik vertrek over drie dagen,' vertelde Wolsey de koning. 'Ik ga meteen naar Parijs om Koning Francis te bezoeken en het nieuwe verdrag tussen Uwe Koninklijke Hoogheden te ratificeren. En om de verloving van Prinses Mary met de Hertog van Orléans te regelen.'
'Ja, maar die andere kwestie dan?' Ze bevonden zich in de privévertrekken van de koning, waar Henry door drie van zijn kamerheren werd aangekleed. Een van de kamerheren hield een spiegel omhoog. Henry bekeek zichzelf nauwkeurig.
'Aangezien Zijne Heiligheid nog steeds gevangen wordt gehouden door de keizer, Majesteit, heb ik een conclaaf in Parijs bijeengeroepen. Het zal niet veel moeite kosten om de kardinalen — in afwezigheid van de paus — over te halen mij officieel toestemming en autoriteit te verlenen voor het vellen van een vonnis inzake Uwe Majesteits nietigverklaring.'
Henry stuurde de kamerheren weg. 'Gaat u met onze zegen. En met het vooruitzicht op uw welslagen, Uwe Eminentie. Waar wij vol ongeduld naar uitzien.' Hij keek Wolsey aan. 'Hebt u over deze kwestie al verdere gesprekken met de koningin gevoerd?'
Wolsey keek pijnlijk. 'Ik heb geprobeerd Hare Majesteit ervan te overtuigen dat het voor ons allemaal makkelijker zou zijn als ze zich neerlegt bij Uwe Majesteits beslissing een eind aan uw huwelijk te maken.'
'Wat zei ze?'
'Ik moet bekennen dat ze mijn opmerkingen uiterst gevoelloos opnam.'
Henry slaakte een zucht en stuurde hem weg. Wolsey was al bijna vertrokken, toen de koning zich ineens iets herinnerde. 'O, ik vergat nog iets. Er is iemand die u mee moet nemen: zijn naam is Thomas Wyatt.'
Wolsey keek verbaasd. 'De dichter?'
'Dat beweert hij althans!' zei Henry grimmig. 'Ik heb hem liever niet in mijn buurt. Hij was ooit...' Hij zweeg. 'Hij bezat ooit een sieraad dat ik had willen hebben.'
'Majesteit.' Wolsey boog en vertrok. Toen de kardinaal naar buiten kwam, passeerde hij een groepje mannen - dat stond te wachten om bij de koning geroepen te worden — en één vrouw: Anne Boleyn.
'Lady Anne, wat doet u hier?' vroeg hij haar.
'Ik ga op audiëntie bij Zijne Majesteit.'
Wolsey glimlachte. 'Wat heeft een onnozel meisje als u de koning nu te vertellen?' Hoofdschuddend liep hij weg; een man met belangrijke zaken aan zijn hoofd die het 'onnozele meisje' meteen vergeten was. Terwijl hij uit het zicht verdween, wierpen verscheidene mannen die zijn gesprek met Anne Boleyn hadden opgevangen elkaar verbaasde blikken toe. Was het echt mogelijk dat Wolsey niet wist hoe verliefd de koning op Anne Boleyn was?
Ondertussen werd Anne onmiddellijk de privévertrekken van de koning binnen geleid.
Henry begroette haar enthousiast. 'Anne, lieve Anne.' Hij nam haar in zijn armen en ze kusten elkaar. Lange tijd hield Henry haar - glimlachend - alleen maar stevig vast. Hij kuste teder haar oogleden en streelde haar haar.
'Uwe Majesteit,' mompelde ze.
'Hoe groot is mijn liefde voor u!' zei hij.
Anne zocht zijn ogen. 'Zeg me dat hij erin zal slagen.'
'Wie, liefste?'
'Wolsey. Het lukt hem — toch? Hij krijgt die nietigverklaring?'
'Natuurlijk. Daar moet u niet aan twijfelen.'
Ze glimlachte, maar toen betrok haar gezicht. Liefdevol liet Henry haar los.
'Wat is er?' vroeg hij.
Ze aarzelde, alsof ze probeerde moed te verzamelen. 'Is het niet vreemd?'
zei ze ten slotte.
'Vreemd? Wat is vreemd?'
'Om, om een dergelijke belangrijke kwestie aan slechts één dienaar toe te vertrouwen - wie dan ook - als Uwe Majesteit duizenden dienaren heeft die met alle liefde uw bevelen zouden opvolgen. En wanneer juist uw eigen geluk van deze beslissing afhangt.'
'Zwijg, liefste.' Hij kuste haar. Ze opende haar mond om wat te zeggen, maar hij smoorde haar met een nieuwe kus. 'Daar hoeft u zich geen zorgen over te maken.'
Ze glimlachte lief en berouwvol naar hem. 'Vergeef me. Ik moet niet over deze dingen spreken.'
Henry schudde zijn hoofd en drukte haar hand tegen zijn lippen. 'Nee. Ik schenk u permissie, zodat we altijd vrijelijk met elkaar kunnen praten; oprecht, open en met ons hart. Voor mij is dat de definitie van liefde.'
'Morgen moet ik naar Hever terugkeren,' zei Anne even later. 'Mijn vader heeft daarom verzocht.'
Henry's glimlach vervaagde. 'Goed,' zei hij met tegenzin. 'Ik zou nooit tussen een vader en zijn dochter gaan staan.' Hij keek haar aan. 'Maar kom gauw terug, lieveling. Kom gauw terug.'
In de privévertrekken van de koningin viel de gloed van kaarslicht op een reeks iconen en crucifixen. Katherine knielde om te bidden. Ze hoorde voetstappen en er viel een lange schaduw over haar heen. Ze stond op en zag dat het Mendoza was, de keizerlijke ambassadeur.
'Vergeef me, ambassadeur, dat ik u hier ontvang,' zei ze. Mendoza boog. 'Ik sta geheel tot Uwe Majesteits beschikking.'
Katherine knikte over zijn schouder in de richting van de deur. Ze liep ernaartoe en deed hem zachtjes en discreet dicht. In het Spaans legde ze uit:
'Senor Mendoza, ik heb een boodschap die naar de keizer toe moet. Ik ken geen andere manier. Wolsey opent al mijn brieven. En nu heeft hij een aan-tal van mijn hofdames tot spionnen gemaakt.'
Mendoza was ontzet. 'Lieve God. Hoe kan ik u helpen?'
'De keizer is het hoofd van mijn familie. Ik wil dat hij weet dat de koning probeert van mij te scheiden. Hij wil het geheimhouden — maar hij heeft al van alles in gang gezet.'
'Nee!' riep hij uit, nog geschokter dan daarvoor. 'Dat is onmogelijk! Daar heeft hij toch zeker de toestemming van de paus voor nodig?'
'Dat is zo!' beaamde Katherine. 'Maar de paus is nog steeds de gevangene van de keizer, dus hoe kan hij ooit toestemming geven?'
Mendoza begreep meteen wat ze bedoelde.
Ze vervolgde: 'Senor Mendoza, wilt u in naam van onze Verlosser, Jezus Christus, en in naam van alles wat heilig is, mijn neef vertellen wat mij hier wordt aangedaan!'
Mendoza maakte een eerbiedige buiging voor Katherine. 'Laat het aan mij over. Ik zal een manier vinden om de spionnen van de kardinaal te ontwijken.'
'"Lieve schat, woorden schieten tekort om te zeggen hoezeer ik u mis. Ik wens mezelf— vooral 's avonds — in de armen van mijn lieveling, wier...'" Anne stokte.
'Vooruit,' maande Norfolk haar. 'Ga verder.'
Anne vond het vervelend om de inhoud van zo'n intieme briefte delen met haar vader en oom, maar het was haar opgedragen deze aan hen voor te lezen. Blozend las ze: '"... wier prachtige borsten ik verwacht binnenkort te kussen. Noch de tong, noch de pen kan de pijn beschrijven die uw afwezigheid mij bezorgt. De enige compensatie is de opwinding die het vooruitzicht van ons volgend samenzijn teweegbrengt..."'
Ze bevochtigde haar droge lippen en ging verder: '"Want welke vreugde op deze wereld kan groter zijn dan te verkeren in het gezelschap van haar die het meest dierbaar is."' Ze vouwde de brief op en boog haar hoofd om haar emoties te verbergen.
'De koning is overduidelijk verliefd op u,' zei Norfolk smalend. 'Zoals hij schrijft! Als een of andere verliefde knaap die nog nooit verliefd is geweest en nu overgeleverd is aan zijn kwellingen. Begrijpt u het dan niet, nicht: dat maakt een man - elke man - uiterst kwetsbaar.'
Boleyn glimlachte. 'Hoe bevalt deze opdracht u, lieverd?'
'Ik...' ze aarzelde. 'Ik moet bekennen dat deze me in eerste instantie niet zo beviel. Ik was helemaal niet gesteld op de koning. Maar nu... nu ik...'
Ze bloosde, sloeg haar ogen weer neer en maakte de zin niet af.
'Het is uw plicht deze liefde in ons voordeel aan te wenden,' deelde Norfolk haar botweg mee. 'Door zijn liefdesvuur brandende te houden mag u hopen op den duur, zo God het wil, de koningin te vervangen.'
Anne keek hem angstig aan, maar de twee mannen hadden het zo druk met het uitwisselen van triomfantelijke blikken over het succes van hun snode plannen dat ze het niet zagen.
Boleyn bleef om haar heen cirkelen. 'En ondertussen...'
'Ja, ondertussen moeten we voor het verwezenlijken van al onze ambities doorgaan met het zoeken naar een manier om die trotse prelaat ten val te brengen,' zei Norfolk. 'Het is onuitstaanbaar dat de koning zich verlaat op een slagerszoon.'
Boleyn stond stil voor Anne en richtte zich rechtstreeks tot haar. 'De kardinaal staat tussen ons en alles in. En nu ligt het in uw macht om hem grote schade toe te brengen. En wij verwachten van u dat u dat doet.'
Haar vader en haar oom staarden Anne aan. Ze knikte gehoorzaam. De plicht die ze tegenover haar familie had was duidelijk. Die avond klopte Annes broer, George, zachtjes aan de deur en kwam haar slaapvertrek binnen. Anne zat eenzaam in het duister op haar bed.
'Anne,' vroeg hij, 'waarom zit u in het donker?'
Ze gaf geen antwoord.
George fronste en ging naast haar op bed zitten. 'Wat is er?' vroeg hij. Na een tijdje zei Anne zachtjes: 'Ik moet morgen weer terug naar het paleis.'
'En? Wat is daar mis mee?' Hij tuurde naar haar. 'Ik dacht dat u dat juist fijn vond.'
Ze zuchtte. 'U begrijpt het niet.'
'Natuurlijk wel!' zei George luchtig. 'Ik ben toch uw broer?'
Ze was even stil en schudde toen haar hoofd. 'Was u nog maar zoals vroeger. Ik weet nog dat ik u alles vertelde. Al mijn geheimen.'
George staarde haar nieuwsgierig aan. 'U kunt me nog steeds uw geheimen vertellen.'
'Dat kan ik niet.'
'Waarom niet?'
'Omdat u ze verder zou vertellen,' zei Anne bedroefd. Hij knipperde met zijn ogen, maar ontkende het niet. Wie zwijgt stemt toe. Hij sloeg zijn ogen neer; hij kon haar niet eens aankijken. Ze wendde zich af. 'Ziet u wel?'
Na een lange pauze pakte hij haar hand en kneep erin. 'Bent u bang?'
Ze antwoordde niet.
'Vertelt u eens eerlijk,' vroeg More aan Wolsey. 'Wat hoopt u met deze missie te bereiken?'
Wolsey verzegelde een document voordat hij antwoord gaf. 'Ik hoop veel dingen. Ten eerste: het helen van de wonden die door jaren van Anglo-Franse vijandschap zijn veroorzaakt. En vervolgens hoop ik toe te werken naar een nieuw machtsevenwicht in Europa. Het plunderen van Rome, de gevangenneming van de paus. Deze zaken hebben heel Europa gedestabiliseerd.'
More trok een wenkbrauw op, maar knikte. 'Bewonderenswaardig. En de Kerk?'
'Ook de Kerk heeft behoefte aan bemiddeling,' antwoordde Wolsey. 'Tijdens het speciale conclaaf zullen we plannen maken voor een algemene synode die — bij afwezigheid van de paus — met de dringende kwesties van reformatie en ketterij moet afrekenen.'
'Al even bewonderenswaardig, Uwe Eminentie.' More overwoog de gevolgen. 'En de kwestie van de koning?'
'Die wordt ook behandeld,' zei Wolsey kortaf. 'Maar slechts als een van de vele andere zaken.'
'Juist ja.' More veinsde een paar boeken die op tafel stonden te bestuderen.
'Denkt u dat de kardinalen u de autoriteit verlenen om het af te handelen?'
'Ja.'
Licht glimlachend keek More hem nog een keer aan. 'Dan zult u feitelijk paus zijn.'
Wolsey reageerde niet.
More ging verder: 'En aangezien Zijne Heiligheid wellicht nooit meer vrijkomt, zult u p...'
'Zinloze speculatie!' onderbrak Wolsey hem. 'Wel, als dat alles is; ik heb nog veel te doen voordat ik naar Frankrijk vertrek, Sir Thomas.' En hij richtte zich weer op zijn documenten.
Het Franse hof verwelkomde Kardinaal Wolsey bijna alsof hij een koninklijke gast was. Er werden bloemen voor zijn voeten gestrooid en vooraanstaande Franse edellieden en hun dames bogen en maakten reverences. More, die achter hen aan liep, kon goed zien hoe verrukt Wolsey over zijn ontvangst was; knikkend en lachend zegende hij de mensen om hem heen. Hij had een behoorlijk groot gevolg meegebracht: niet alleen More en de gebruikelijke secretarissen, assistenten en dienaren, maar ook de dichter Thomas Wyatt en de crème de la crème van Engelse musici, onder wie de steeds beroemder wordende Thomas Tallis.
De Koning en Koningin van Frankrijk begroetten Wolsey: 'Wij verwelkomen u, Kardinaal van de Vrede.' Francis omhelsde Wolsey. 'Mijn beste kardinaal, mijn vriend, mijn broeder.'
Koningin Claude bood hem haar hand. 'Eminentie.'
Wolsey kuste haar hand op een bijna sensuele manier. 'Madame, enchanté!'
Hij vervolgde in het Frans: 'U bent zo beeldschoon dat het voor mij moeilijk is u recht in het gezicht te kijken, evenals het kijken in de zon dat is.'
Koningin Claude lachte geamuseerd en ontroerd. 'U bent zeer hoffelijk, Monsieur Cardinal. Als een Fransman.'
'Ziet u wel!' riep Francis uit. 'We behandelen u als een broeder, want dat is wat u bent: een oprechte en trouwe vriend van Frankrijk. We heten u'
- hij maakte een wijds armgebaar om iedereen erbij te betrekken - 'en allen die bij u zijn welkom op ons hof en in ons hart.'
'Uwe Hoogheden bewijzen mij een grote eer. Ik ben diep geraakt,' zei Wolsey. Francis glimlachte. 'Mijn beste kardinaal - dit is niets. Ik ben van plan u te verheffen tot Ridder in de Orde van de Heilige Michaël — de hoogste ridderorde in Frankrijk.'
Wolsey straalde. 'Dan, Majesteit, zal mijn beker overstromen!'
Francis pakte Wolsey bij de arm en leidde hem naar een aantal hoogwaardigheidsbekleders. De leden van het Engelse hof stond het hierop vrij om zich te mengen en te ontspannen.
Thomas Wyatt ging naast Tallis staan. Ze begroetten elkaar. 'Ik heb eens zitten denken,' zei Wyatt. 'Misschien dat u op een dag een gedicht van mij op muziek zou kunnen zetten.'
'Dat zou me een eer zijn,' vertelde Tallis hem. 'Hebt u er al een klaar?'
'Ik ben er met een bezig. Ik heb de eerste regel.'
Tallis glimlachte. 'Dan hebt u al bijna alles!'
Wyatt lachte en baande zich toen een weg door de menigte, terwijl hij een waarderend oog wierp op een aantal knappe Franse dames. Hij liep More tegen het lijf, die nu al nijdig naar het gebeuren stond te kijken. Hij volgde Mores blik naar de plek waar een groepje uitbundig geklede en met edelstenen bezaaide Franse edelen zich met overdreven zwierige gebaren over Wolseys hand stond te buigen. Wolsey genoot met volle teugen.
'Ik heb naar u staan kijken,' mompelde Wyatt. 'U bent niet erg gesteld op de Fransen, is het wel, Sir Thomas?'
Er verscheen een klein lachje op Mores gezicht. 'O, ik heb niets tegen hen, Mijnheer Wyatt. Het is gewoon... wat ze ook doen... op de een of andere manier zijn ze altijd zo... Frans!' Ze schoten beiden in de lach. Koningin Claude praatte met Wolsey. 'Hoe maakt Koningin Katherine het, Uwe Eminentie? Ik ben zo op haar gesteld.'
'Ze is goedgunstig als altijd, Uwe Majesteit,' vertelde Wolsey haar. 'Maar hoewel de koning van haar houdt, legt hij zich neer bij het feit dat hun echtscheiding onvermijdelijk is.'
Koningin Claude keek hem mistroostig aan. 'Het is zeer treurig, vindt u niet?'
Wolsey reageerde niet.
Een paar dagen later was Wyatt in de slaapzaal in Frankrijk waar alle Engelse musici en dienaren sliepen haastig op zoek naar Thomas Tallis. Wyatt tilde zijn kandelaar hoog op en tuurde naar alle slapende figuren.
'Tallis? ... Tallis!' riep hij zachtjes.
'Ik ben hier,' antwoordde Tallis slaperig.
Wyatt kroop naast hem. Tallis knipperde vanwege het kaarslicht en zuchtte. 'Wat is er? Slapen dichters dan nooit?'
'Ik heb de eerste regels geschreven. Mag ik ze u voorlezen?'
Tallis knikte en ging overeind zitten.
Wyatt las vanaf een stukje papier.
'Zij die mij ooit zochten, ontvluchten mij.
Blootsvoets sluipend door mijn kamer:
zag ik hen gedwee, kalm en bedaard,
Die nu wild zijn en niet meer weten,
Dat zij bun leven waagden
Om uit mijn hand te eten: En nu verschillen zij
Druk zoekend naar aanhoudende afwisseling...'
Hij legde het papier neer. 'Meer heb ik nog niet.' Hij keek Tallis verwachtingsvol aan en wachtte,op een reactie. Tallis liet de woorden in stilte op hem inwerken. 'Het is prachtig,' zei hij ten slotte. 'Er zit muziek in. Maar waar gaat het over?'
'Een meisje,' zei Wyatt. 'Maar bij haar ben ik nog niet.'
'Welk meisje?'
'Laten we haar maar de brunette noemen,' zei Wyatt. 'Ik heb ooit van haar gehouden. En ik dacht dat ze van mij hield. Ze heeft zelfs een keer in mijn boek geschreven: "Ik ben de uwe, daar kunt u zeker van zijn / En dat zal ik zijn zolang ik leef.'"
'Maar nu behoort ze een ander toe?'
Wyatt haalde zijn schouders op. 'Blijkbaar.' Hij boog zich naar Tallis toe en fluisterde in zijn oor: '"Raak me niet aan, want ik ben van Caesar!'" Hij vervolgde: 'Ze mag dan gewoon een meisje zijn, Mijnheer Tallis, maar ik zeg u dit: als zij haar zin krijgt, doet ze heel het land schaterlachen.' Hij maakte aanstalten op te staan.
Tallis greep zijn arm. 'Wyatt - wie is zij, dat ze ons land kan doen schaterlachen?'
Wyatt schudde zijn hoofd. 'Meer dan mijn leven me lief is. Neem dat maar van mij aan.'
Tallis was nieuwsgierig. 'Ja, maar... wie zij ook is: hebt u met haar geslapen — of was het slechts platonisch?'
Er viel een lange stilte. Toen zei Wyatt: 'Welterusten, Thomas Tallis. Slaap goed.' En hij verdween in de schaduwen.
Thomas Cromwell, die nu Henry's secretaris was, deed zijn zet toen Wolsey in Frankrijk was. Hij overhandigde de koning een stapel officiële papieren om te ondertekenen en legde, zodra dat gebeurd was, een grote bundel brieven voor hem neer.
'Brieven van Zijne Eminentie Kardinaal Wolsey,' verklaarde hij. Henry kreunde bijna hardop. Hij slaakte een diepe zucht, schoof ze een beetje opzij en leunde achterover in zijn stoel.
Even deed niemand zijn mond open. Toen zei Cromwell zacht: 'Uwe Majesteit moet weten dat Zijne Heiligheid Paus Clemens is ontsnapt uit Gastel Sant'Angelo.'
Henry keek verbaasd op. 'Hij is ontsnapt?'
'Het schijnt dat hij zich vermomd heeft als een oude blinde man en langs zijn bewaarders naar buiten is gelopen,' vertelde Cromwell hem.
'Waar is hij nu?'
'Volgens mijn informatie in een Italiaanse stad met de naam Orvieto, in het bisschoppelijk paleis aldaar, met de overgebleven leden van zijn hof. Natuurlijk valt hij nog steeds onder de macht van de keizer.'
Henry ging fronsend rechtop zitten. 'En toch is hij vrij? Zou het mogelijk zijn...' Hij keek omhoog naar Cromwell. 'Zou het mogelijk zijn iemand naar hem toe te sturen? Hem een bericht te doen toekomen?'
'Dat zou inderdaad kunnen, mocht daar aanleiding toe zijn.'
Henry nam zijn secretaris, aan wie hij tot op heden geen aandacht had besteed, in ogenschouw. 'Hoe weet u dit soort dingen? Heeft Wolsey...?'
'Nee, Majesteit,' zei Cromwell minzaam. 'Ik heb mijn eigen bronnen.'
Henry stond op uit zijn stoel en begon, steeds geagiteerder, heen en weer te benen. 'Stel, ik wil een boodschap bij Zijne Heiligheid bezorgen.' Hij keek Cromwell aan. 'Is er iemand voor wie u kunt instaan? Met uw leven?'
Cromwell knikte. 'Mijn bron, Doctor Knight. Hij is een vriend, een diplomaat.' Hij keek de koning aan. 'Hij is een man Gods. En een waarachtig Engelsman.'
Henry overwoog de aanbeveling en zei toen gedecideerd: 'Breng hem bij me.'
Cromwell knikte en haalde Doctor Knight uit een buitenvertrek. Knight was een onopvallend, geleerd uitziend persoon. Hij boog diep voor de koning. Cromwell en Knight keken toe hoe Henry twee aparte vellen perkament verzegelde en die Doctor Knight toestak. 'Hier! Wij rekenen erop, Doctor Knight, dat u deze twee bullen aflevert bij Zijn Heiligheid in Orvieto. Ze zijn geschreven met onze eigen hand.'
'Majesteit.' Doctor Knight boog en werd naar buiten geleid. Cromwell was niet de enige die de afwezigheid van Wolsey benutte. In zijn privéstudeerkamer in het paleis was Sir Thomas Boleyn, nu schatbewaarder van de koninklijke huishouding, verdiept in inventarissen, lijsten en handelsboeken. Ijverig bestudeerde hij nauwkeurig lange lijsten betalingen en afschrijvingen, voor het merendeel ten gunste van religieuze instellingen. Vaak ging het daarbij om zeer grote sommen. De schatbewaarder van de koning was vooral geïnteresseerd in alles wat verband hield met de naam Wolsey. Boleyn fronste toen hem iets opviel op de lijst. Hij controleerde het, vergeleek het vervolgens met een andere lijst en controleerde het, met groeiende opwinding, opnieuw.
Hij haalde meer documenten tevoorschijn en legde betalingen aan Cardinal College in Oxford naast afschrijvingen, terwijl hij in de marge sommetjes maakte. En plotseling viel de puzzel in elkaar. Hij glimlachte, leunde achterover en staarde voldaan naar al die cijfers.
'Dus zo doet hij het!'
Henry verveelde zich. Hij deed een kaartspelletje met Compton en was zwaar aan de verliezende hand. Slechtgemanierd wierp Henry hem wat munten toe en duwde de kaarten weg. 'Ik haat kaartspelletjes! Ik haat het hof.' Hij stond op en begon te ijsberen. 'Ik haat de tijd zelf.'
'Uwe Majesteit,' zei Compton. 'Mag ik misschien een suggestie doen? Vergeet het hof. Laten we gaan jagen - zoals we het vroeger altijd deden.'
Henry stond stil en wierp hem een dwingende blik toe. 'Ja!' Hij kneep zijn ogen samen, wetende dat Compton nog iets anders suggereerde. 'Maar zonder Brandon.'
'Maar Charles is...' begon Compton.
'Ik zei nee!' onderbrak Henry hem. 'Ik heb Lord Suffolk niet vergeven. Ik kan hem niet vergeven. Hij heeft mij nooit toestemming gevraagd om met mijn zuster te trouwen. Een daad van onuitstaanbare en kwetsende arrogantie van zijn kant.'
Hij keek Compton verongelijkt aan. 'Wat had hij dan verwacht? Ik zeg niet dat hij voor altijd verbannen is - slechts zolang hij ademhaalt!' Hij lachte kil. 'Maar verder mag het gaan zoals vroeger.'
Even later reden Henry en Compton langzaam over een pad. Er waren honden bij en achter hen liepen dienaren die geweren droegen. Maar Henry reed niet alleen. Anne zat achter hem op het met fluweel bedekte zadel. Haar handen lagen losjes om Henry's middel. Er hing een boog over haar schouder en een koker met pijlen. Af en toe legde ze haar hoofd tegen Henry's rug.
Henry draaide zich half om en keek haar stralend en vreugdevol glimlachend aan. Hij keek achter zich naar de eenzame figuur van Compton en gebaarde hem naar voren te komen en hen gezelschap te houden. Henry lachte plagend naar hem. 'U ziet, William: niets kan ooit nog zijn zoals het was!' Toen gaf hij zijn paard de sporen en galoppeerde met Anne vooruit. Ze hadden een heerlijke dag. Ze doodden een jong mannetjeshert en later zaten de jagers onder een baldakijn van sterren en genoten van een warme en vredige avond.
Er werd een hertenbout geroosterd boven een groot open vuur en de geur daarvan wakkerde de reeds bestaande eetlust nog verder aan. Dienaren sneden en serveerden het vlees. Een luitspeler maakte zachte muziek. Lantarens verspreidden een zachtgouden gloed. Het vuur knetterde, de vlammen dansten en lieten de schaduwen met zich meedansen. Henry had alleen maar oog voor Anne. Ze zaten dicht bij elkaar en namen slokjes wijn uit de beker van de ander, terwijl ze zacht murmelden en intieme grapjes deelden. Compton zat in zijn eentje een flink eind verder en staarde humeurig naar het stel. Een dienaar overhandigde hem zijn eten. Compton nam het aan en mompelde: 'Volgens mij is onze Harry verliefd.' De dienaar ging verder en Compton voegde eraan toe: 'Arme Harry.'
Henry en Anne aten het hertenvlees met hun handen. Henry boog zich voorover en duwde een mals stukje tussen haar lippen. Vervolgens deed Anne hetzelfde bij hem.
Ze staarden in eikaars ogen en voerden elkaar de warme, malse stukjes vlees; ze kusten, sabbelden en likten elkaar met vingers en monden die dropen van de sappen.
Henry likte Annes vingers schoon. Zij likte zijn mond en kuste hem toen langdurig. Geen van beiden had — al dan niet bewust — oog voor wie er eventueel toekeken. Het was alsof ze helemaal alleen waren. Intiemer konden ze nauwelijks zijn - zelfs niet als ze naakt op bed de liefde aan het bedrijven waren geweest. Maar ze lagen niet naakt in bed en Henry mompelde vol verlangen en uiterste frustratie telkens opnieuw: 'O, god... O, god... O, god.'
Compton keek toe; alleen, eenzaam... en bezorgd.
Een bediende opende de deur van een kamer en bracht zijn meester op de hoogte van het bezoek. 'Lord Rochford.'
Brandon keek verbaasd op. Slechts weinig mensen brachten een bezoek aan zijn verbanningsoord op het platteland, maar Thomas Boleyn - onlangs begiftigd met de titel Lord Rochford - was wel de laatste persoon van wie hij zich kon voorstellen dat hij de lange reis hiernaartoe zou ondernemen.
'My lord?' begroette hij Boleyn.
'Uwe Excellentie.'
'Waaraan dank ik dit... genoegen?' vroeg Brandon.
Boleyns blik ging snel de kamer door. 'Kan ik vrijuit spreken?'
Brandon knikte en stuurde de bedienden weg. Hij schonk twee kelken wijn in en overhandigde er een aan Boleyn. 'Op uw gezondheid, my lord.'
'En de uwe.' Boleyn nam een slok en ging toen zitten. 'Norfolk heeft mij gestuurd,' deelde hij Brandon mee.
Brandon fronste; hij was nu nog verbaasder. 'Maar Norfolk haat mij. Ik ben tenslotte een nieuwe man. En hij is veel te belangrijk voor mij.'
Boleyn haalde op innemende wijze zijn schouders op. 'Ik vermoed dat hij ons allen om die reden veracht; en toch is hij gebaat bij bescherming en belangenbehartiging, net als wij allemaal. Hij moet ons voor zijn zaken nemen zoals we zijn.' Hij nam nog een slokje wijn en keek Brandon over de rand van de kelk aan. 'En er is tenslotte iemand die hij nog meer haat.'
Brandon wist wie hij bedoelde. 'De kardinaal.'
Boleyn boog zijn hoofd. 'Uiteraard.'
'Maar wat heeft dat met mij te maken?'
Boleyn leunde achterover, sloeg zijn benen over elkaar en tuurde uit het raam. Toen vroeg hij schijnbaar onverschillig: 'Mist u het hof, Uwe Excellentie? Misschien niet. Hier, in deze groene omgeving, geniet u vast van allerhande ontspannende bezigheden. Zo veel liederlijk vermaak.' Hij zweeg.
'Maar ik heb sommigen wel eens horen zeggen,' ging hij even later verder,
'dat de aanwezigheid van de koning als de zon is... en als men daarvan verwijderd is er slechts eeuwigdurende duisternis heerst.' Hij bestudeerde zijn wijn; hij draaide de kelk rond en bewonderde de mooie kleur. Er verscheen een glimlachje op Brandons gezicht. 'U bent erg slim, Boleyn. Mensen zeggen dat over u. Ze zeggen dat u charmant bent... en slim. Maar ik vermoed dat u zelfs nog slimmer bent.' Hij leegde zijn kelk en vroeg op zachte toon: 'Wat wil Norfolk?'
'Hij wil dat u ons helpt Wolsey te gronde te richten,' vertelde Boleyn hem.
'En in ruil daarvoor zal hij de koning overhalen u te vergeven en weer te verwelkomen aan het hof.'
Brandon dacht na over het voorstel. 'Dank u, my lord,' zei hij zonder verder commentaar. Boleyn boog en vertrok.
Meteen ging er een andere deur open en betrad Margaret de kamer. 'Wat hebt u gehoord?' vroeg Brandon haar.
'Alles,' antwoordde Margaret. 'Wat gaat u doen?'
Brandon keek haar aan. 'Wat moet ik doen?'
'U hebt me ooit verteld dat Wolsey wel eens vriendelijk voor u is geweest.'
Hij keek haar verbaasd aan. 'Echt?' zei hij. 'Dat was ik helemaal vergeten.'
Ze glimlachten allebei.
Hoofdstuk 13
Het gebonden verdrag tussen Engeland en Frankrijk lag opengeslagen klaar om ondertekend te worden. Wolsey kwam naar voren om het verdrag namens Koning Henry te tekenen. Vervolgens tekende Koning Francis. Terwijl hij dat deed, fluisterde Wolsey: 'Het zou voor Europa goed zijn als wij ook vrede konden sluiten met de keizer.'
Francis wierp hem een blik toe en toen de twee mannen elkaar ten behoeve van het applaudisserende publiek omhelsden, snauwde hij in Wolseys oor:
'Hoe kunt u dat zeggen? Hij heeft mij gevangengenomen! Hij heeft me in mijn eer aangetast! Ik heb hem miljoenen als losgeld moeten betalen. En mijn oudste zoon is nog steeds zijn gevangene.'
De twee mannen gingen uiteen en glimlachten naar de toeschouwers. Vanuit zijn mondhoek ging Francis verder: 'Hoe kan ik vrede sluiten met die duivel? Die hypocriet! Dat stuk vuil!'
Het applaus ter ere van het tekenen van het verdrag laaide op: het teken dat de festiviteiten konden beginnen. Het keukenpersoneel ging gebukt onder grote schalen met eten, terwijl de dienaren af en aan renden met wijn en bierpullen. Er klonk muziek en er werd gelachen en gedanst. Men had voor een verscheidenheid aan vertier gezorgd: van acrobaten, goochelaars, jongleurs, narren en vuurvreters tot maskerades en schouwspelen. De festiviteiten duurden de hele dag en gingen tot diep in de nacht door.
More betastte de ridderorde van de heilige Michaël die aan een lint om Wolseys nek hing. 'Uwe Eminentie is vast tevreden over de vorderingen die u tot nu toe geboekt hebt.'
'Dat ben ik,' beaamde Wolsey. 'Hoewel ik het zwaar vind om mijn oude, gebrekkige lichaam van land naar land te slepen.'
'U zou liever thuis zijn?'
Wolsey schudde zijn hoofd. 'Soms vrees ik dat de koning tijdens mijn afwezigheid door anderen beïnvloed wordt.'
More keek hem aan. 'Denkt u dat hij zo makkelijk te beïnvloeden is?'
'Ik denk dat hij nog steeds begeleiding nodig heeft. Het is mijn ervaring dat alle mannen verleid kunnen worden door kwaadwilligheid, net als vrouwen door beloften.'
Sussend zei More: 'Na het conclaaf hoeft u zich geen zorgen meer te maken. Dan beschikt u over de macht hem te plezieren.'
Even was het stil. Toen zei Wolsey zacht: 'Onze koning plezieren is als het spelen met tamme leeuwen. Meestal is dat onschadelijk. Maar er is altijd angst voor letsel.' Hij wierp More een doordringende blik toe. 'En dan kan het fataal zijn.'
In een ander deel van de feestzaal las Wyatt, enigszins aangeschoten, zijn gedicht aan Tallis voor.
'Het fortuin zij gedankt, het is anders geweest
Twintig keer beter; maar ooit in het bijzonder
Met lichte opsmuk, na aangenaam voorkomen,
Toen haar losse gewaad van haar schouders gleed, En zij mij in haar lange, smalle armen sloot,
Me daarenboven o zo lieflijk kuste,
en zachtjes zei: "Lief hart, hoe bevalt u dit?'" Wyatt, die bijna overmand werd door emoties, zweeg en legde zijn papier neer.
Even later zei Tallis zacht: 'Volgens mij hield u echt van haar.'
'Ja. Het is waar, ik hield van haar,' zei Wyatt somber. Hij zuchtte en zei toen op een andere toon: 'Maar denkt u zich eens in. Over een paar jaar is ze oud en lelijk. En dan is ze dood en vergeten. Maar als u dit gedicht op muziek zet, zou dat eeuwig kunnen voortleven.' Hij trok een wenkbrauw op naar Tallis. 'Dan wordt dus niet zij, maar ik herinnerd. En dan heb ik mij gewroken.'
'De koning!' verkondigde een heraut. Vergezeld door zijn gebruikelijke gevolg wandelde Henry over het hof. Anne zag hem naderen. Zijn blik was op haar gevestigd, ook al beantwoordde hij de buigingen links en rechts van hem. Voor hen beiden was het alsof er niemand anders bestond.
De hovelingen zagen Henry stilhouden voor Anne. Ook Koningin Katherine keek toe.
'Mijn lieve lieveling,' mompelde Henry.
Anne glimlachte en maakte toen aanstalten zich terug te trekken.
'Nee, wacht! Wacht! Nog even. Blijf!' zei Henry. Ze stopte. Hij keek naar haar en zei het eerste wat in hem opkwam: 'Ik soupeer vanavond met uw vader en oom.'
'Mijn vader zegt dat het allemaal meer is dan hij verdient,' zei Anne zachtjes'Nee,' zei Henry. 'Want als ik bij hen ben, ben ik ook dicht bij u.'
Hij ging dichter bij haar staan. 'Hier. Nog een bewijs van mijn genegenheid. Neem het aan. Van uw nederige dienaar.' Hij liet een klein pakketje in haar hand glijden, staarde naar haar hals en zuchtte: 'Uw hals. Ah. Ik bemin uw hals.'
Abrupt liep hij verder en Anne zonk in een reverence. Na het passeren van de koning brak er geroezemoes uit; sommige dingen die gezegd werden bereikten onbedoeld Annes oren. De koning was altijd discreet geweest wat betreft zijn amoureuze avonturen - tot Anne. Het gonsde aan het hof over het nieuwe, onbeschaamde gedrag van Henry en zijn maitresse.
Terwijl Anne zich door de menigte bewoog, werd ze doorboord met onderzoekende, beschuldigende blikken. Met enige opluchting zag ze haar broer George naderbij komen.
'Ik heb iets voor u,' zei hij met een grijns. Hij haalde een stukje papier uit zijn zak en vouwde het open. Het was een prachtige tekening van een roofvogel die in een granaatappel pikte.
'Snapt u het?' vervolgde hij. 'De valk is uw wapen en' - hij wierp een blik naar Katherine - 'de granaatappel is van haar!' Hij lachte. Anne graaide het stuk papier uit zijn handen en verfrommelde het. 'U begrijpt het nog steeds niet, is het wel? Het is geen spelletje, George! Het is gevaarlijk!' Ze staarde hem aan in een poging het aan zijn verstand te brengen, maar zag toen dat Mijnheer Cromwell dichterbij kwam en ging een stukje bij haar broer vandaan staan.
'Vrouwe Boleyn,' zei Cromwell buigend.
'Mijnheer Cromwell.' Hij kwam dichter bij haar staan en fluisterde: 'Ik heb nieuws. De koning heeft een goede man, Doctor Knight, naar de paus gezonden met brieven over de echtscheiding.'
Anne glimlachte. 'Ik ken Doctor Knight. Hij was mijn leermeester.'
Cromwell boog zijn hoofd en zei raadselachtig: 'Inderdaad. Alles hangt samen.' Hij boog opnieuw en liep verder.
Anne vervolgde haar weg. Ze sloeg een hoek om en was eindelijk even alleen. Met snelle, gretige vingers maakte ze het pakketje open en ontdekte een schitterend halssnoer, bezet met saffieren en diamanten. Ze glimlachte en pakte het weer in.
Henry wandelde verder naar zijn privévertrekken en merkte dat Katherine hem vooruit was gegaan. Hij hield even stil en wandelde toen naar haar toe om haar op de wang te kussen. 'Lieverd.'
Katherine bestudeerde zijn gezicht. 'U hebt me gezegd dat het allemaal goed zou komen. U zegt dat u van me houdt. Maar u toont het nooit.'
Henry trok een pijnlijke grimas en keek in het rond, alsof hij hoopte dat er iemand binnen zou komen. 'Er is nog niets beslist,' zei hij onbeholpen. Katherine keek hem aan. 'Wat betekent dat?'
Henry staarde haar aan, niet in staat of van zins het uit te leggen. Die avond zat Katherine in haar eigen vertrekken stilletjes in haar bijbel te lezen, terwijl Anne en twee andere hofdames bezig waren haar kamers op te ruimen en schoon bedlinnen en een kan water binnenbrachten. Ondanks de gang van zaken tussen de koning, de koningin en Anne Boleyn, was Anne niet ontheven van haar taken als hofdame van de koningin. Anne verrichte haar werkzaamheden stilletjes en ingetogen, maar had ervoor gekozen het prachtige nieuwe halssnoer te dragen dat de koning haar eerder die dag geschonken had; iets wat, zoals zij wist, ongetwijfeld de aandacht zou trekken. Katherine las alsof ze volledig in beslag werd genomen door haar bijbel, maar af en toe sloeg ze haar ogen op om te kijken naar het jonge meisje dat het linnen aan het vouwen was, en naar het prachtige halssnoer dat zij droeg. Haar dames wensten Katherine goedenacht en begonnen zich terug te trekken, maar ze gaf Anne een teken nog even te blijven. Zodra ze alleen waren, zei Katherine: 'Dat halssnoer. Wie heeft u dat geschonken?'
Anne stond met neergeslagen ogen en zei niets.
'Antwoord mij!' beval Katherine.
Annes oogleden trilden; langzaam richtte ze haar blik op en staarde Katherine met die opmerkelijke ogen van haar recht aan. 'Zijne Majesteit,' zei ze. Het ingetogen meisje van zo-even was geheel verdwenen. Katherine snoof. 'U bent zeker duur... een dure hoer! Ze gebruikte het Spaanse woord ervoor, maar Anne snapte haar maar al te goed. Annes ogen schoten vuur. 'Ik ben geen hoer... Uwe Majesteit. Ik houd van Zijne Majesteit. Ik denk dat hij van mij houdt.'
Katherine maakte een wegwuivend gebaar. 'Hij is verblind door u, zoals man-nen dat vaak zijn door nieuwe dingen. Hij zal snel in de gaten krijgen hoe u werkelijk bent. En dan heeft hij genoeg van u... net als van al die anderen!'
Anne staarde de oudere dame zelfverzekerd aan. 'En als dat niet zo is?'
'Ik heb u niet gevraagd te spreken!' gaf Katherine haar woedend te kennen.
'U bent een bediende! Ga nu! Ga!' Door alle emoties sprak ze met een nog zwaarder Spaans accent.
Anne maakte een reverence en vertrok. Zodra de deur achter haar sloot, liet Katherine zich achterover in haar stoel zakken. Eindelijk alleen; eindelijk onbespied - het trotse, waardige gezicht betrok. Ze was zo moe, zo uitgeput. Maar ze mocht het niet opgeven. Ze zou het Henry en zo'n onbeduidend meisje niet toestaan haar leven - haar liefde - in een leugen te veranderen. Maar o, ze was zo moe...
'Mijne Excellenties, laten we drinken op de oplossing van de kwestie die ons allen het meest bezighoudt.' Henry hief zijn kelk. Hij dineerde met de Hertog van Norfolk en Thomas Boleyn. Ze proostten met hem.
'Binnen zeer korte tijd zullen wij een antwoord hebben,' deelde Henry hun mee.
'Ik zou het liever uit de mond van Doctor Knight vernemen dan uit die van Kardinaal Wolsey,' zei Norfolk.
Even was het stil. Henry wierp hem een scherpe blik toe. 'Waarom zegt u dat?'
Norfolk zei: 'Ik vrees dat de kardinaal geen belang heeft bij het welslagen hiervan.'
Henry kneep zijn ogen samen. 'Maar zijn belang en het mijne zijn dezelfde
- toch? Wolsey is mijn dienaar.'
Opnieuw deed niemand zijn mond open.
Toen zei Boleyn behoedzaam: 'Zijne Excellentie bedoelt dat de kardinaal enige vooroordelen tegen mijn dochter heeft.'
Henry dacht daarover na en knikte toen. 'Dat weet ik. Hij noemde haar een onnozel meisje. Dat heeft ze me verteld.'
Norfolk en Boleyn wisselden een blik van verstandhouding. Norfolk zei:
'Er is... nog een andere kwestie. Iets waarvan u op de hoogte moet worden gebracht. Lord Boleyn wilde het u niet vertellen. Maar ik heb erop aangedrongen.'
Henry zette zijn kelk neer en keek Boleyn aan. 'Nou?'
Boleyn haalde diep adem. 'Majesteit, door uw grote vrijgevigheid ben ik benoemd tot schatbewaarder van Uwe Majesteits huishouden.'
Henry boog zijn hoofd ter erkenning van Boleyns dankbaarheid. Boleyn vervolgde: 'En in die hoedanigheid heb ik... heb ik ontdekt dat wanneer corrupte religieuze instellingen worden gesloten, niet alle activa naar uw schatkist gaan, zoals zou moeten... maar in plaats daarvan vaak een andere bestemming krijgen.'
Henry fronste. 'Een andere bestemming? Welke andere bestemming?'
'Wolseys privéfondsen,' vertelde Boleyn hem. 'Voor de oprichting van zijn universiteit in Oxford.'
Er viel een korte, ongelovige stilte. Toen riep Henry uit: 'Hij steeltvzn mij?'
Stilzwijgend bevestigde Boleyn dat.
Met een zorgelijk gezicht gebaarde Henry een dienaar zijn kelk bij te vullen. 'Uw mededeling schokt me,' zei Henry. 'Het kwetst mij. Evenals mijn kanselier. Wolsey is altijd mijn vriend geweest.'
'Op deze wereld, Majesteit, is een trouwe - en loyale - vriend het grootste geschenk dat een man kan hebben,' zei Boleyn. 'Want in al het andere geldt een vreemde gewoonte van verloochening.'
Ze zwegen weer. Henry had moeite het aan te nemen.
Na een tijdje nam Norfolk weer het woord, maar hij leek op een ander onderwerp over te stappen. 'De Hertog van Suffolk is mij komen bezoeken.'
'Brandon?' Henry keek op.
'Hij zei dat hij op handen en voeten zou kruipen om u om vergiffenis te smeken,' zei Norfolk. 'Hij houdt van u.'
Henry reageerde niet.
De koets slingerde en schommelde zich een weg door het beboste Franse landschap. In de koets zat Doctor Knight te soezen. Hij had al een groot stuk afgelegd - er lag nog een lange weg voor hem. Ze waren op weg naar Orvieto in Italië.
Hij werd gewekt door kreten. En een schot.
'Hooo!... Hooo maar!'
De koets maakte een plotselinge slingerbeweging. Doctor Knight werd bijna op de grond geworpen toen de koetsier de paarden met een ruk inhield. Knight hervond zijn waardigheid en gluurde uit het raam om te kijken wat er aan de hand was. Verscheidende gewapende ruiters stonden om de koets heen. Bandieten? Heimelijk tastte hij naar zijn wapens, maar voor hij iets kon doen was een van de mannen al in de koets geklommen. Tot Doctor Knights verbazing sprak de man hem in het Engels aan. 'Doctor Knight? Vergeef ons, sir. Wij moeten u vragen uw reis voor een dag of twee te onderbreken.'
Doctor Knight staarde hem aan. 'Onmogelijk! Ik heb een opdracht van de koning.'
'Ja, sir, dat weten we,' zei de ruiter. 'Daarom moet u met ons meekomen.'
Verbijsterd, maar zonder ook maar iets in te brengen te hebben, liet Doctor Knight zich achterovervallen in de koets, die onder begeleiding van een ge-wapende escorte een andere richting op werd geleid. Hij werd naar het Franse hof gebracht en na talloze vruchteloze vragen aan zijn escorte en nog meer frustratie vanwege het duimendraaien in afwachting van wie-weet-wat, werd hij uiteindelijk naar Kardinaal Wolsey toe geleid. Hij knipperde met zijn ogen en stond stomverbaasd stil toen hij de kardinaal zag, die achter zijn bureau papieren zat door te bladeren. Wolsey keek op. 'Ah, Doctor Knight. Kom binnen.'
'Uwe Eminentie, ik...' Knight wist niet wat hij moest zeggen. Wolsey keek hem doordringend aan. 'Ik reken het tot mijn taken op de hoogte te zijn van de zaken van de koning. Dacht u dat u naar Orvieto kon gaan zonder dat ik daarvan op de hoogte zou zijn?'
Doctor Knight sloeg zijn ogen neer, wetende dat hij verslagen was. Wolsey gebaarde naar de papieren voor hem. 'U moest deze bullen naar Zijne Heiligheid brengen?'
>'
'Het zijn nogal bijzondere documenten,' zei Wolsey. 'Weet u wat erin staat?'
Doctor Knight knikte. 'Een beetje. Ja.'
Wolsey trok zijn wenkbrauwen op. 'En toch hebt u ingestemd ze mee te nemen?'
Doctor Knight zei niets.
Wolsey raadpleegde de papieren nogmaals. 'Het eerste document,' begon hij, 'verzoekt Zijne Heiligheid uit naam van Henry, Koning van Engeland, hem toe te staan om — eenmaal gescheiden van Koningin Katherine — te trouwen met de vrouw van zijn keuze; ook wanneer dat zou gaan om iemand die normaliter verboden is vanwege een eerdere relatie met een van haar familieleden! Dit is door de koning zelf geschreven.' Wolsey keek Knight strak aan en zei: 'Ik begrijp het niet. Over welke vrouw heeft hij het?'
Knight wierp hem een ongelovige blik toe. Probeerde Wolsey hem voor de gek te houden? Zou de man die op de hoogte was van alles wat zich in Engeland afspeelde dit echt niet weten? Blijkbaar niet.
'Vrouwe Anne Boleyn,' vertelde hij Wolsey.
Wolsey kon het maar moeilijk geloven. 'Anne Boleyn? De koning... houdt van Anne Boleyn?'
Ja, sir.
Wolsey wees naar het document. 'En dit... wettelijke voorbehoud: over een eerdere relatie? Waardoor zijn nieuwe huwelijk hem verboden zou kunnen worden?'
Doctor Knight sprak meer uit bezorgdheid dan uit woede. 'Uwe Eminen-tie is ongetwijfeld op de hoogte van het feit dat Zijne Majesteit vleselijke gemeenschap heeft gehad met Annes oudere zuster, Mary. Wellicht ook met hun moeder. Althans volgens de geruchten.' Hij voegde er ernstig aan toe: 'Ik hecht geen geloof aan dat feit... voor zover het de moeder betreft.'
Lange tijd was het stil. Wolsey had zich nooit de moeite getroost om op de hoogte te blijven van de vele maitresses van de koning - de vrouwen kwamen en gingen en hadden geen invloed op de staatszaken. Nu realiseerde hij zich de gevolgen van zijn eigen onnozelheid. Hij had een ernstige beoordelingsfout gemaakt. Hij richtte zijn blik op een ander document en huiverde. 'Deze tweede bul. Hebt u die gelezen, Doctor Knight?'
'Nee, sir.'
'U hebt geluk,' deelde Wolsey hem mee. 'Ik zou niet graag in de schoenen staan van iemand die dit aan de opvolger van Sint-Petrus moest overhandigen.'
Doctor Knight staarde naar het document, maar zei niets. Wolsey verloste hem uit zijn lijden. 'Het vraagt dit: als er geen manier gevonden kan worden om het huwelijk van de koning met Katherine illegaal of ongeldig te verklaren... dan moet de paus er eenvoudigweg mee instemmen dat het hem toegestaan is een tweede vrouw te trouwen.' Hij zweeg om zijn woorden te laten bezinken. Knights gezicht vertoonde geen tekenen van verandering. Wolsey zei: 'Begrijpt u dat? Het vraagt de paus bigamie te sanctioneren!'
Knight slikte. Kordaat rolde Wolsey de twee documenten op en gaf ze terug. 'Aangezien de koning het bevolen heeft, moet u op weg gaan, Doctor Knight... Maar niet met hoop op succes, noch op ontzag.'
Hij gebaarde dat Doctor Knight kon vertrekken en richtte zich weer op zijn werk.
Nadat Doctor Knight zich uit de voeten had gemaakt, ging Wolsey op zoek naar Thomas More. Hij vond hem op een stalerf en vertelde hem wat hij gehoord had. 'Wat had ik moeten doen?' vroeg Wolsey.
'Ik weet het niet,' zei More. 'Maar ik ben het met u eens. Het is onaanvaardbaar en onbehouwen. Ik ben teleurgesteld in Zijne Majesteit.'
'Zult u zich neerleggen bij de uitspraak van de kardinalen?'
More haalde zijn schouders op. 'Wat maakt dat uit? De paus is nu vrij. Een conclaaf is niet langer noodzakelijk.'
'Integendeel. De noodzaak is groter dan ooit. De paus is nog steeds in de macht van de keizer en niet in staat zijn gezag over de Kerk uit te oefenen. Dus iemand anders moet dat doen - en ik vraag u opnieuw: zult u zich neerleggen bij de uitspraak van de kardinalen?'
More zweeg.
Wolsey keek hem aan. 'U wilt uw handen er niet aan vuil maken,' zei hij.
'Dat begrijp ik. Maar u hebt helaas geen keus. De hand van de schilder is altijd bezoedeld door het element waar hij mee werkt.'
Ze wandelden verder. En nog steeds zei More niets.
Wolsey ging verder: 'More, als u nu niet voor mij bent, bent u tegen mij. Er staat veel meer op het spel. Mijnheer Cromwell vertelde me dat de koning momenteel dineert met Norfolk en Boleyn.'
More trok zijn wenkbrauwen op.
'Zij zijn mijn gezworen vijanden,' legde Wolsey uit. 'Zij zijn voortdurend uit op mijn ondergang. En als u mij niet helpt, helpt u hen.'
More zei niets, maar Wolsey wist dat hij geconfronteerd zou worden met een crisis en liet al zijn gebruikelijke wellevendheid varen. 'Wij kennen elkaar nu al heel lang, Thomas. Ik weet heel goed dat u vaak geklaagd hebt over mijn methoden, mijn manier van zakendoen. Maar ik denk dat wij, ondanks dat alles, nog steeds veel gemeen hebben. We zijn nog steeds humanisten, hoewel de wereld onze overtuigingen aanvalt en onze daden in opspraak brengt.'
En toen nam hij zijn toevlucht tot een atypische grofheid: 'En bovendien hebt u alles wat u op deze wereld bereikt hebt aan mij te danken.'
More keek hem aan. 'Niets - geen enkel aards wezen - zelfs geen vorst, zal mijn daden ooit in opspraak brengen.' Hij draaide zich om, doopte zijn handen in een paardentrog en schepte er wat water uit. Hij vervolgde: 'Dit is mijn element. Het spirituele element. Het hogere element.'
Ze keken beiden toe hoe het water uit zijn handen terug in de trog liep. Vervolgens toonde hij zijn handen aan Wolsey. 'Zeg me: ben ik erdoor bezoedeld?'
Wolsey zei niets. In zijn karmozijnrode gewaad, dat als een bloedspat afstak tegen de grijze keien van het stalerf, stond hij zich af te vragen in welke mate hij bezoedeld was door zijn professie.
Henry staarde in zijn privévertrekken meedogenloos naar iets op de grond. Het was Brandon, die met gebogen hoofd nederig voor hem op zijn knieën zat.
Henry spotte: 'Ik heb gehoord dat u hier helemaal naartoe bent komen kruipen!'
Brandon reageerde stekelig en sloeg zijn ogen op. 'Zoiets.'
Henry staarde woedend terug en dwong Brandon zijn ogen weer neer te slaan. 'Let op uw woorden!' snauwde Henry. 'U praat altijd te veel.'
'Ja, Uwe Majesteit.'
'Bent u gekomen om mij om vergiffenis te smeken?'
'Ja, Uwe Majesteit.'
Henry stond op en liep langzaam naar de voorovergebogen gestalte.
'Smeek er dan om,' beval hij Brandon.
'Met heel mijn hart, met heel mijn ziel, met elke vezel van mijn lichaam. Mijn koning, mijn vorst, mijn gevreesde heer, ik smeek u uw armzalige dienaar, uw nederige, waardeloze, roekeloze dienaar, die zo weinig verdiende en door uw vrijgevigheid en genade zo veel heeft gekregen, te vergeven. Ondankbare stakker die ik ben. Uwe Majesteits liefde onwaardig.'
Na een paar tellen zei Henry: 'Kom hier!'
Brandon keek op. Henry, wiens gezicht nog steeds op onweer stond, was aan een kleine tafel gaan zitten. Hij zette er zijn elleboog op alsof hij armpje wilde worstelen. Brandon knipperde met zijn ogen; hij begreep het niet helemaal.
'Als u me kunt verslaan,' deelde Henry hem mee, 'kunt u terugkomen aan het hof.'
Was het een bedreiging — of een belofte? Brandon kwam overeind en ging tegenover de koning zitten. Hij zette zijn eigen elleboog op de tafel en greep Henry's hand.
Zijn hoofd tolde. Wat moest hij doen? Wilde Henry echt dat hij zou proberen te winnen? Wilde Henry echt verliezen? Hij haatte verliezen. Als Brandon won, zou hij dan winnen - of verliezen?
'Klaar?' ging Henry verder. Zijn gezicht verraadde niets. Hij begon kracht uit te oefenen en drukte Brandons arm nogal makkelijk in de richting van de tafel. Maar toen reageerde Brandon: hij spande zijn spieren en duwde Henry's arm langzaam weer omhoog. De armen van de twee mannen trilden van de inspanning.
De spanning was voelbaar. Brandon had geen idee wat hij het beste kon doen: winnen of zich door de koning laten verslaan. Zijn hele toekomst hing af van het maken van de juiste keuze. Maar wat was de juiste keuze?
Henry's gezicht gaf hem geen enkele aanwijzing: dat was star, vijandig. Zijn ogen straalden vurige vastbeslotenheid uit. Hij begon weer te duwen. Harder. Harder. Hij dwong Brandons arm naar beneden. Steeds verder. Opnieuw voelde Brandon een golf van verzet en hij vocht terug. De spieren op de armen van beide mannen bolden op, spanden zich; hun gezichten waren vertrokken van de inspanning. Geen moment haalde Henry zijn ogen van die van Brandon af. Hij staarde in Brandons ogen met duistere vastberadenheid.
Ze hijgden beiden van de inspanning. Henry begon, met een pijnlijk gegrom, Brandons arm weer omhoog te duwen. Als hij wilde, kon Brandon nu zonder al te veel gezichtsverlies de handdoek in de ring gooien. Hij moest nu beslissen.
Met een slikbeweging nam hij de beslissing. Hij duwde uit alle macht terug en bracht Henry's arm tot vlak boven het oppervlak van de tafel. De laatste centimeters waren voor beide mannen een verschrikkelijke kwelling: hun armen, en bijna hun hele lichaam, trilden spastisch. Plotseling gaf Henry het op en sloeg Brandon zijn arm met een klap op tafel. Hij had gewonnen.
Of niet?
Hij wachtte met een klomp in zijn maag van angst af, terwijl Henry zijn hand boos bevrijdde en Brandon kwaadaardig aanstaarde. Hij stond op, keerde Brandon zijn rug toe en begon weg te lopen.
Doodsangst flikkerde over Brandons gezicht. O god, hij had de verkeerde keuze gemaakt.
Henry was bijna bij de deur. Brandon stond stijf van de angst. Toen stopte Henry opeens, wachtte even, draaide zich om en zei met een brede grijns:
'Welkom terug.'
In Parijs werd Wolsey voor het eerst in zijn leven geconfronteerd met jammerlijk falen. Hij liet hiervan niets blijken toen zijn dienaar hem hielp zijn buitenste gewaden uit te trekken.
Koning Francis werd binnengeleid. 'Mijn beste kardinaal,' riep hij uit.
'Wat had ik moeten doen? Uwe Eminentie weet dat ik mijn kardinalen niet de wet kan voorschrijven. Ze nemen alleen bevelen aan van Zijne Heiligheid.'
Wolsey beaamde de woorden van de koning met een nauwelijks waarneembare buiging. Francis keek hem aan, aarzelde en vertrok toen. Wolsey liet zich zwaarmoedig op een stoel zakken en staarde uit het raam. Hij zag de dag overgaan in de nacht. Het was symbolisch, eigenlijk. Een dienaar keek naar binnen, zag de kardinaal in het duister zitten en begon kaarsen aan te steken. Wolsey wuifde hem weg.
Zo trof Thomas More hem aan toen hij na het vernemen van de uitkomst van de bijeenkomst van kardinalen naar hem toe was gegaan. Hij staarde naar de onbeweeglijke Wolsey. 'Wat gaat u zeggen?'
Wolsey gaf geen antwoord. Dat had geen enkele zin. Er waren geen woorden om zijn jammerlijke en volslagen falen te verklaren — niet aan Henry.
'We vertrekken morgenochtend naar Londen,' deelde More hem mee voor hij vertrok.
Wolsey verroerde zich niet.
Wolsey baande zich een weg naar de privévertrekken van de koning. Cromwell kreeg hem in het oog en boog, waardoor hij hem de weg versperde.
'Mijnheer Cromwell,' zei Wolsey bits.
'Uwe Eminentie, de koning verwacht u, maar...'
'Maar wat?' snauwde Wolsey.
Verontschuldigend zei Cromwell: 'Hij is niet alleen.'
Wolsey fronste en wierp Cromwell een nijdige blik toe. Zijn audiënties bij de koning waren altijd besloten. 'Niet alleen?' Zijn vraag bleef in de lucht hangen, onbeantwoord.
Cromwell opende de deuren naar de privévertrekken. Wolsey liep naar binnen en stond abrupt stil toen hij merkte dat Henry op hem wachtte - met Anne Boleyn. Zij stond - zeer ontspannen - naast de grote open haard. Wolsey boog en kon opeens geen woord meer uitbrengen. Hij had geen idee wat hij in het bijzijn van dit meisje tegen de koning moest zeggen. Hij was van zijn stuk gebracht door het zichtbare bewijs van wat er tijdens zijn afwezigheid allemaal veranderd was. Het zou toch zeker niet de bedoeling van de koning zijn om dit — dit meisje— te laten delen in belangrijke staatszaken?
'En?' hielp Henry hem op weg.
'Uwe Majesteit, ik hoopte eigenlijk...' Hij zweeg en zijn blik dwaalde naar Anne.
'U kunt tegenover Vrouwe Boleyn vrijuit spreken,' zei Henry. 'Zij weet alles.'
Wolsey keek naar Anne en zag een vage blik van triomf in haar ogen. Een meisje, dacht hij. Gewoon een meisje. En toch...
Een tijd lang zei Wolsey niets.
De koning gaf Wolsey de opening waar hij zo tegen op had gezien. 'Welnu!
U bent terug uit Parijs! Vertel ons over uw triomfen!' Hij glimlachte.
'Breng ons op de hoogte van al uw nieuws. We zijn erg nieuwsgierig.' Hij wachtte af.
Wolsey slikte.
Ongeduldig riep Henry uit: 'In godsnaam, krijg ik mijn echtscheiding?'
Hoofdstuk 14
Sir William Compton lag te slapen in zijn herenhuis op Compton Wynates. Hoewel het geen warme nacht was en er geen vuur in zijn slaapvertrek brandde, parelde er zweet op zijn voorhoofd. Ook boven zijn lippen had zich een dun vochtig laagje gevormd.
De geluiden van de vroege morgen sijpelden zijn verduisterde vertrek binnen: zingende vogels, paardenhoeven op de keien van het erf, het rumoer van bedienden die zich van hun taken kweten.
In de boomgaard opende een imker een bijenkorf. Achter hem liet een stalknecht een paard uit de wei binnen. De wereld maakte zich klaar voor een nieuwe dag. De imker stopte even met zijn bezigheden; het leek wel of hij iets vreemds had gehoord. Toen keek hij in de richting van het grote huis. Bijen vlogen verstoord om zijn hoofd.
De dienaren binnen, die ter voorbereiding van de dag poetsend door het huis snelden, stonden stil toen uit het slaapvertrek kreunende en grommende geluiden klonken. Ze keken elkaar aan: de meester was alleen naar bed gegaan. Ten slotte betraden twee dienaren het vertrek. Het gegrom was veel luider geworden. Gealarmeerd rende een van hen naar het bed om de gordijnen opzij te trekken, zodat ze konden zien wat er aan de hand was. Toen het zonlicht in Comptons ogen stak, greep hij schreeuwend met twee handen naar zijn hoofd.
De bedienden waren doodsbenauwd. 'Jezus christus!' riep de eerste uit.
'Sir William!' gilde de tweede, 'Sir William! Wat is er?'
Maar Compton was te ver heen om iets te zeggen. Zijn lichaam bleef zich maar samentrekken; hij lag opgevouwen door inwendige pijnscheuten. Hij klappertandde en rilde hevig, alsof hij tot op het bot verkleumd was. Zijn ogen waren dichtgeknepen en hij rolde over het bed, terwijl hij nu eens zijn hoofd en dan weer zijn buik vastgreep, alsof hij op allebei die plekken gekweld werd door hevige pijn. De dienaren staarden naar hem en vervolgens - in toenemende paniek naar elkaar. 'Ga een arts halen!' riep de eerste naar degenen die zich bij de deur hadden verzameld.
De bedienden stonden zwijgend en vol afgrijzen in de deuropening naar hun gekwelde meester te gapen. Niemand bewoog.
'Ik zei: ga een arts halen!' schreeuwde de dienaar. 'NU!'
Ze stoven rennend uiteen.
Tegen de tijd dat de plaatselijke arts arriveerde, was Compton er slecht aan toe. Hij was, gesloopt door het rillen, bijna buiten bewustzijn. Zijn lichaam baadde in het zweet. Al het beddengoed was nat. De arts kwam met een hand over zijn neus tegen de stank van het zweet naderbij. Hij raakte het lichaam aan en deinsde terug door de koortsachtige hitte. Hij wendde zich tot de dichtstbijzijnde dienaar: 'Goede god, man! Waarom heeft niemand hem gewekt? Weet u niet dat in deze gevallen slapen bijna altijd fataal is?'
De bedienden van Compton verdrongen zich voor de deuropening in een poging te zien wat er gebeurde.
'Ga weg! Ga weg, dwazen!' schreeuwde de arts hun toe. 'Uw meester heeft de zweetziekte!'
Meteen gingen ze ervandoor, maar de arts hield twee van hen tegen. 'U
tweeën! Blijf! We moeten proberen hem te behandelen... die arme kerel. Draai hem om!'
Angstig en walgend kwamen de dienaren met de grootste weerzin naar de arts toe, terwijl ze hun neus en mond probeerden te bedekken tegen de verschrikkelijke stank. De arts opende zijn tas en haalde er een operatiemes uit. Hij snauwde tegen de ineengekrompen dienaren: 'In godsnaam, schiet een beetje op! We kunnen hem misschien nog redden, hoewel...' Hij stokte toen de mannen het zwetende, gladde lichaam op de buik keerden.
'Wat gaat u doen?' vroeg een van de dienaren. De arts scheurde de achterkant van Comptons drijfnatte nachthemd open.
'In zijn rug snijden,' antwoordde hij bruusk. 'Ik heb gehoord dat dat soms werkt, omdat een deel van de giftige stoffen dan wegloopt. Houd vast!' De arts trok het mes over Comptons rug.
Er stroomde bloed tussen Comptons schouderbladen.
Voor de derde keer controleerde Wolsey zijn kledij en hij streek zijn haar naar achteren. Opnieuw inspecteerde hij zijn privéontvangstkamer in Hampton Court Palace om te kijken of alles zo was als hij opgedragen had. Hij was het niet gewend om nerveus te zijn. Het was niet een gevoel waarvan hij genoot, maar sinds zijn terugkeer uit Frankrijk had hij het gevoel dat alles op scherp stond...
Eindelijk hoorde hij zijn bezoekers arriveren. Een geluid achter hem deed hem omdraaien. Hij staarde naar Joan, zijn maitresse, die haar mooiste kleren droeg.
'Wat doet u?' vroeg hij ontsteld.
Joan keek ontzet. 'Mag ik de koning niet ontmoeten?'
'Nee, natuurlijk niet!' riep de kardinaal uit. 'Ga! Ga!' Verwoed gebaarde hij haar te verdwijnen en net toen de deur zich zachtjes achter haar sloot, gingen de hoofddeuren open en schreed Henry binnen, gevolgd door Anne Boleyn.
Wolsey begroette hen hartelijk: 'Uwe Majesteit. Vrouwe Anne. U bent beiden hartelijk welkom.'
Ze gingen zitten om te dineren. Wolsey had zich zeer veel moeite getroost om hen koninklijk te onthalen: met geroosterde fazant, een complete karper aangekleed met garnalen, en allerhande andere delicatessen. Hij was een attente gastheer; hij zorgde ervoor dat de vele bedienden die langs de wanden van de kamer posteerden de kelken van zijn gasten gevuld hielden met de mooiste wijnen, en hun borden beladen met de meest uitgelezen hapjes. Tijdens het diner wisselden Henry en Anne voortdurend intieme blikken uit - als geliefden in hun eigen wereld.
Op een bepaald moment glimlachte Anne naar Wolsey en zei: 'Ik moet Uwe Eminentie bedanken voor de prachtige broche die u me hebt gestuurd.'
Wolsey knikte hoffelijk. 'Ik ben zeer verheugd dat hij u bevalt. Het is Italiaans en ik vond het vakmanschap voortreffelijk.'
Maar Anne luisterde niet. Ze staarde voor de zoveelste keer in Henry's ogen. Wolsey aarzelde en ging toen verder: 'Uwe Majesteit zal meer dan verheugd zijn met de geschenken die de Koning van Frankrijk gezonden heeft. Een gouden kelk! Goudzijden altaardoeken! En wandkleden ter waarde van dertigduizend dukaten!'
Henry rukte zijn ogen los van Anne en keek Wolsey aan. 'Dus we zijn opnieuw bondgenoten van Frankrijk?'
'Ja. En we zijn beiden officieel in staat van oorlog met de keizer.'
'Goed. Dat doet me deugd,' zei Henry. Toen betrok zijn gezicht. 'Net zoals het de keizer deugd deed de wereld kond te doen van de geboorte van zijn zoon! Bij de prinses voor wie hij mijn dochter heeft afgewezen!'
Hij staarde peinzend naar de tafel en ving toen Annes blik. Haar lippen vormden geluidloos de woorden: 'Ook u zult een zoon krijgen.' En zijn woede smolt weg.
Wolsey, die de uitwisseling had gezien, schraapte zijn keel. 'Nog wat garnalen, Lady Anne?' Hij wist dat ze daar veel van hield. Anne glimlachte. 'Dank u, Uwe Eminentie. Genoeg. U bent te genereus in alles.'
Wolsey, die van mening was dat je nooit te genereus kon zijn, boog bescheiden glimlachend zijn hoofd. Na een tijdje vroeg Henry: 'En hoe staat het met... onze persoonlijke kwestie?'
'Majesteit, ik heb geregeld dat twee collega's van mij — twee jonge raadsheren, Stephen Gardiner, mijn secretaris, en Edward Foxe — de paus gaan bezoeken in Orvieto, in de buurt van Rome, waar hij nog steeds verblijf houdt.' Terloops voegde hij daaraan toe: 'Schijnbaar in beklagenswaardige omstandigheden.'
Henry en Anne gingen rechtop zitten; ze waren opeens een en al oor.
'Wat laat u deze raadsheren doen?' vroeg Anne hem.
Wolsey was beledigd omdat hij door een vrouw werd ondervraagd, maar liet daar niets van merken. Met een glimlach zei hij: 'My lady, zij zullen bij Zijne Heiligheid met alle beschikbare middelen aandringen op de nood-zaak van zijn medewerking. Hij moet, zowel met betrekking tot de kerkelijke als de burgerlijke wetten, de ongeldigheid van Uwe Majesteits huwelijk erkennen.'
'En wat dat betreft bestaat er niet de geringste twijfel,' verklaarde Henry.
'Ik heb talloze boeken gelezen over deze kwestie; soms tot diep in de nacht, waardoor ik mezelf verschrikkelijke hoofdpijn bezorgde.'
Hij pauzeerde en lachte even. 'Maar ik ben meer dan ooit overtuigd van de wettelijke en geestelijke gerechtigheid van mijn zaak. Mijn geweten is zuiver!' De laatste woorden sprak hij met nadruk uit, terwijl zijn blik zich in die van Wolsey boorde.
'En zo hoort het ook,' zei Wolsey gladjes. 'En Uwe Majesteit mag erop vertrouwen dat deze twee heren, deze twee nijvere raadsheren, Orvieto pas zullen verlaten als ze tevreden zijn.'
De avond viel in schaduwen over het huis Compton Wynates. Een knappe, jonge vrouw met een lief en aardig gezicht kwam langzaam Comptons slaapvertrek binnen. Het was Ann Hastings, de vrouw met wie Compton volgens het gewoonterecht was getrouwd.
Op elke hoek van het bed brandden dunne kaarsen; die moesten de kamer reinigen van kwade sappen. Doctor Linacre, de privéarts van de koning, boog voor haar. 'Vrouwe Hastings.'
Ann was verbaasd hem hier te zien. 'Doctor Linacre?'
'Zodra hij het nieuws vernam, heeft de koning me hierheen gestuurd,'
legde de dokter uit. 'Helaas... tevergeefs.'
'Ik... ik ben gekomen om hem te zien,' zei Ann, die probeerde langs de dokter te kijken.
'Natuurlijk,' zei Doctor Linacre. 'Maar, ook als ik bij machte was dat te doen, zou ik het u toch niet toestaan.' Hij ging vastberaden tussen haar en Compton in staan en ontnam haar opzettelijk het zicht op het bed. Bedroefd zei Ann: 'Ik hield van hem.'
Doctor Linacres blik werd milder. 'Dat verbaast me niet. Hij was in alle opzichten een zeer lieve en liefdevolle man. Zijne Majesteit zal zijn kameraadschap node missen.'
'Laat me hem zien,' smeekte ze.
Doctor Linacre fronste en keek bezorgd. 'Er bestaat een groot risico op infectie - waarover wij nog zo weinig weten.'
'Alstublieft.' Ann keek hem treurig aan. Met een zucht liet de arts zich vermurwen en deed een stap opzij. Ann liep naar het bed en staarde naar het lichaam van haar minnaar. Compton was dood. Zijn huid was lijkbleek en werd ontsierd door afgrijselijke blauwe plekken. En hoewel zijn ogen gesloten waren, stond zijn mond nog open in een zwijgende, bevroren doodskreet. Haar ogen vulden zich met tranen. Ze sloeg een kruis. 'Mijn arme, lieve schat,' mompelde ze gebroken.
Comptons handen lagen al gevouwen op zijn borst. Ann haalde een zilveren kruisje uit haar borststuk en legde dat behoedzaam tussen zijn vingers. Ze begon te bidden.
'Vergeef me,' onderbrak Doctor Linacre haar geprevel. 'U moet al zijn beddengoed en kleding verbranden. Hij moet zo snel mogelijk de grond in.'
Anne knikte bedroefd. 'Ik had gedacht mijn hele leven met hem te delen. Gun me dan ten minste deze enkele minuten.'
Doctor Linacre knikte vol mededogen en verliet de kamer. Anne liet haar tranen nu de vrije loop en kuste en streelde het lichaam van haar dode minnaar. 'Vaarwel, mijn lief... Moge God u zegenen en over u hoeden tot we elkaar weerzien...'
'Heren,' zei Wolsey, 'ik heb hier een persoonlijke brief van de koning, waarin hij Zijne Heiligheid bij voorbaat dankt voor het zo welwillend honoreren van zijn verzoek.' Wolsey had de fijne kneepjes van hun taak uitgelegd aan de twee raadsheren die hij had uitgekozen om de zaak van de koning voor te leggen aan de paus in Orvieto.
De raadsheren, Gardiner en Foxe, wisselden een blik van verstandhouding.
'Hoe denkt u dat Zijne Heiligheid zal reageren?' vroeg Gardiner.
'Eerlijk gezegd, Mijnheer Gardiner, ben ik daar niet helemaal zeker van,'
vertelde Wolsey hem. 'De paus is een van zijn eer beroofde gevangene van de huurlingen van de keizer geweest. En ook al schijnt de keizer hem toegestaan te hebben naar Orvieto te ontsnappen, hij is er nog steeds niet veel beter aan toe.'
Wolsey vervolgde: 'Volgens alle reizigers die hem daar bezocht hebben leidt hij er een zeer treurig bestaan, opgesloten in een geruïneerd paleis. En dus'
- hij ging op het puntje van zijn stoel zitten - 'kan men zich afvragen waarom hij de keizer, die hem niets dan ellende heeft bezorgd, gunstiger gezind zou zijn dan de Koning van Engeland, die hem nog nooit kwaad heeft gedaan.'
Foxe zei onbewogen: 'Het probleem is, Uwe Eminentie, dat de zwaarden van de Koning van Engeland veel verder weg zijn dan de zwaarden van de keizer. Diplomatie wordt bijna altijd bepaald door een dergelijke nabijheid.'
Wolsey glimlachte. 'Gesproken als een ware rechtsgeleerde! Maar ook dit dient u niet te vergeten: de paus is boven tijdelijke vorsten gesteld — want anders is hij niets! Zijn uitspraken horen niet zo opportuun en cynisch te zijn als die van wereldlijke heersers.'
Er viel een korte stilte en de raadsheren beseften dat hun audiëntie bij de kardinaal ten einde was.
Ze bogen en maakten aanstalten te vertrekken toen Wolsey er, op een onverwacht zeer nadrukkelijke toon, aan toevoegde: 'Ja, speel daarop in. Maar als al het andere faalt - gebruik dan dreigementen!'
Ze knipperden met hun ogen.
Wolsey ging verder: 'Zeg tegen Zijne Heiligheid dat wanneer de koning geen voldoening krijgt van het pauselijke hof... hij manieren zal vinden om zijn geweten te sussen en zichzelf te ontdoen van zijn huidige echtgenote.' Hij keek van de een naar de ander. 'Ben ik duidelijk?'
Ze knikten. 'Ja, Uwe Eminentie,' zei Foxe. 'We begrijpen het.'
Wolsey stuurde hen met een nors gebaar weg. Ze haastten zich de kamer uit.
'Dit heeft die arme Compton me nagelaten,' vertelde Henry bedroefd aan Brandon en Knivert. Hij stopte de sleutel in het slot van een ivoren kistje en opende het. De kleine lade daarin was gevuld met edelstenen, een schaakbord en een backgammonspel.
Henry was ontroerd toen hij dit zag en schudde zijn hoofd. 'Arme William!
Is dit alles wat er rest van een heel leven?' Hij zuchtte. 'We moeten de edelstenen teruggeven aan zijn onfortuinlijke lady.'
Brandon leunde over zijn schouder en gluurde in het kistje. 'Backgammon!' riep hij uit. 'Zullen we een potje spelen?'
Henry en Knivert staarden hem ontsteld aan.
Haastig zei Brandon: 'Ter... ter herinnering aan hem, bedoel ik. Vanzelfsprekend.'
De anderen zeiden niets. Henry liep naar een grote kast. 'William is gestorven in zijn huis in Warwickshire — een heel eind hiervandaan. God verhoede dat de ziekte zich verspreidt. Maar we dienen er ons in elk geval tegen te wapenen.' Hij opende de deur van de kast en onthulde planken vol glazen potjes, kruiden, specerijen, pillen, lotions, smeerseltjes, suikers en allerlei plantensoorten: een ware farmacie.
'U bent beiden op de hoogte van mijn belangstelling voor medicijnen,' vervolgde Henry. 'Hier staan een paar van mijn nieuwste remedies.' Een voor een pakte hij voorwerpen uit de kast en gaf zijn vrienden uitleg over het gebruik en de werking ervan. 'Dit zijn pleisters om zweren te genezen. Dit is een zalf die verkoelend werkt bij ontstekingen en jeuk bestrijdt. En dit zijn smeerseltjes die goed zijn voor de spijsvertering en een droge huid kalmeren.' Hij knipoogde. 'Ik heb er zelfs een gemaakt die je lid verlichting geeft als dat pijnlijk is.'
Glimlachend gaf Henry Knivert er een potje van. Toen haalde hij wat pillen tevoorschijn. 'Dit zijn zogenoemde pillen van Rhazes, naar de Arabier die ze heeft uitgevonden. Er wordt gezegd dat ze goed werken tegen zweetziekte. Maar dit aftreksel is nog beter.'
Hij schonk wat van een smerig gekleurd goedje in een beker. Knivert keek er zorgelijk naar. 'Wat... is het?'
'Een mengsel van goudsbloem, manus Christi, zuring, veldbloem, lijnzaadazijn, ivoorschraapsel en dat alles gezoet met suiker,' legde Henry uit. Hij keek Knivert aan. 'Neem wat.'
Knivert deinsde aarzelend achteruit. 'Weet u... zeker dat het niet vies smaakt?'
'Vertrouw me,' deelde zijn koning hem mee.
Knivert sloot zijn ogen, slikte het aftreksel door en huiverde.
'Het is de bedoeling dat men er misselijk van wordt,' zei Henry. Knivert keek hem wanhopig aan. 'Dat is zo,' zei hij kokhalzend. Brandon lachte, maar Henry wendde zich tot hem en zei ernstig: 'U mag dan wel lachen, maar dat mengsel is heel wat beter dan de ziekte die het voorkomt!'
Brandon keek onmiddellijk ernstig.
In het verafgelegen Compton Wynates stonden de dienstmeiden van Ann Hasting te huilen en te jammeren. Ann lag op haar bed, onbeweeglijk en badend in het zweet. Maar ze ademde niet en het zweet was koud. Een bediende wond het laatste stukje van de lijkwade over haar arme, mooie gezicht. Haar twee dienstmeiden huilden van droefenis - en van doodsangst; ze drukten doeken tegen hun neus en mond toen hun arme meesteres werd weggedragen om naast haar geliefde William in de grond gelegd te worden.
'Majesteit, er heerst een ernstig graantekort,' deelde Wolsey Henry mee.
'Als daar niets aan wordt gedaan, zullen ontelbare arme onderdanen van Uwe Majesteit verhongeren.'
Henry was bezorgd door dit bericht. 'Wat moeten we doen?'
'Er zijn te veel afwezige landheren in uw koninkrijk,' verklaarde Wolsey.
'Deze nobele mannen vinden het belangrijker om aan Uwe Majesteits hof te vertoeven dan op hun eigen landgoederen, waar ze toezicht kunnen houden op de oogst en uw burgers kunnen voeden.'
Henry fronste. 'Op welke nobele mannen doelt u?'
Wolsey vertelde het hem. Later baande hij zich met een tevreden gezicht een weg door het hof. Hij zag Norfolk, die te midden van een kluitje bewonderaars stond, en liep naar hem toe. 'Uwe Excellentie.'
'Wat wilt u?' reageerde Norfolk, die geen moeite deed zijn antipathie te verbergen.
'Een gesprek met Uwe Excellentie,' zei Wolsey uiterst beleefd. 'Als u me toestaat. Onder vier ogen.'
Norfolk keek hem wantrouwend aan. 'Goed dan.'
Wolsey leidde hem naar een rustige plek.
'En?' wilde Norfolk weten. Hij vouwde zijn armen en zette zijn voeten wijd uit elkaar.
'U krijgt het bevel onmiddellijk terug te keren naar uw landgoederen in East Anglia, Uwe Excellentie,' informeerde Wolsey hem. Norfolk was verbijsterd. Zijn nek werd rood van ingehouden woede.
'Bevel?' zei hij strijdlustig. 'Van wie?'
'Een bevel, ja,' zei Wolsey zacht. 'Van Zijne Majesteit. Uiteraard.'
Hij haalde uit de vouwen van zijn kardinaalsmantel een brief tevoorschijn en voegde er zoetsappig aan toe: 'Door Zijne Majesteit eigenhandig geschreven.'
Norfolk graaide de brief uit zijn handen. 'Waarom?'
'Zijne Majesteit wil dat u toezicht houdt op de graanproductie - en de Noordzeehandel.'
Norfolk ontplofte. 'Handel? Handel? Waar ziet u mij voor aan, een slagerszoon?'
Wolsey reageerde niet op deze schimpscheut. 'Zoals u ziet, Uwe Excellentie, zijn het niet mijn bevelen,' maakte hij duidelijk. Vol frustratie staarde Norfolk hem aan. Toen stormde hij naar buiten. Met nauwelijks verborgen triomf keek Wolsey hem na.
In de bosrijke omgeving van het paleis waren dienaren bezig alles in gereedheid te brengen voor een picknick voor Henry en zijn gezelschap. De kamerheer van het paleis kwam naderbij, vergezeld door een opgedirkte Fransman van middelbare leeftijd en diens lakeien.
'Uwe Majesteit,' zei de kamerheer, 'mag ik u voorstellen aan Zijne Hoogheid Jean de Bellay, Bisschop van Bayenne, de nieuwe Franse ambassadeur.'
Henry wuifde Bellay dichterbij te komen. 'Bienvenu, monsieur,'zei hij. Bellay kuste de hand van de koning. 'Majesté.' Hij ging verder in het Engels. 'Majesteit, het verheugt mij u mijn geloofsbrieven te overhandigen.'
Hij bood een verzegelde rol perkament aan, die werd aangenomen door een van Henry's dienaren.
'En het verheugt mij wederom de vriend en bondgenoot van uw meester te zijn en ik dank hem voor al zijn kostbare geschenken,' antwoordde Henry.
'Het genoegen was geheel aan de koning,' verzekerde Bellay hem. Henry pakte Bellay bij de arm en nam hem even apart. 'Vertel me, Uwe Hoogheid, hoe vordert de oorlog tegen de keizer?'
'Uwe Majesteit heeft geen reden tot bezorgdheid,' zei Bellay. 'Een Frans leger en een vloot van onze bondgenoten — de Genuezen — hebben de soldaten van de keizer in Napels hopeloos in de tang. Vroeg of laat zal Charles zich moeten overgeven en goedbeschouwd Italië moeten verlaten.'
Henry lachte. 'Dat is werkelijk geweldig nieuws.'
Ze vielen even stil en Henry tuurde om zich heen, duidelijk op zoek naar iemand. 'Ah!' riep hij uit, toen hij een groepje zijn richting op zag komen. Het waren Anne Boleyn, haar broer George en een klein gevolg. Henry kon zijn vreugde over het weerzien met haar nauwelijks verbergen. Hij haastte zich naar voren om haar te begroeten; hij slaagde er nog maar net in niet te rennen. Hij bood haar zijn arm en leidde haar naar de ambassadeur.
'Uwe Hoogheid, staat u me toe u...'
Bellay was hem voor. 'Dit moet Lady Anne zijn! Enchanté, mademoiselle!'
Hij vervolgde in het Frans: 'Zijne Eminentie, Kardinaal Wolsey, heeft me alles over u verteld. Maar hij vergat me te vertellen hoe beeldschoon u bent.' Hij schudde op een komische manier zijn hoofd. 'Voor een Fransman is dat bijna een misdaad.'
Anne lachte en antwoordde, eveneens in het Frans: 'Maar Franse mannen zeggen tegen elke vrouw dat ze beeldschoon is. Is dat niet ook een misdaad?'
Zowel Henry als Bellay lachte. Anne gebaarde haar broer dichterbij te komen. 'Ik heb een geschenk voor u,' vertelde ze de ambassadeur. George Boleyn stapte naar voren; hij had een prachtige windhond bij zich.
'Voor mij? Nee toch!' riep Bellay uit.
'Voor u, monsieur, jawel! Absoluut. Het is een zeer snelle - en buitengewoon formidabele — hond.'
Bellay bewonderde het dier waarderend. 'Wat is zijn naam?' vroeg hij. Er viel een korte stilte en toen verscheen er een ondeugend lachje op Annes gezicht. 'Wij noemen hem Wolsey.' Iedereen lachte.
Henry pakte Annes hand. 'Lieveling, het zal u goeddoen te vernemen dat Zijne Hoogheid mij verteld heeft dat de keizer weldra verslagen en uit Italië verdreven zal zijn. Daardoor zal hij niet langer in staat zijn ons geluk in de weg te staan.'
'God is goed,' zei Anne stilletjes, terwijl ze hem in de ogen keek.
'Dat is Hij inderdaad,' antwoordde Henry. Ze stonden liefdevol naar elkaar te glimlachen, toen er opeens, vanuit het woud, een luide, woedende stem klonk.
'Ga terug naar uw vrouw!' schreeuwde een man. Zijn woorden echoden even na.
Boos gaf Henry een teken aan zijn soldaten en zij renden naar het woud om jacht te maken op de man die de koning had durven beledigen. Het woud was enorm groot en de kans dat de boosdoener gevonden werd erg klein.
Boos en gegeneerd keek Henry Anne aan, die eveneens van streek was. 'Het spijt me,' zei hij zachtjes tegen haar.
Ze beantwoordde zijn blik.
Bellay deed alsof hij er niets van begreep. 'Wat was dat? Riep iemand iets?
Ik heb niets gehoord.' Maar zijn poging diplomatiek te zijn mislukte. Het incident had Henry's humeur volledig verpest. Woedend en met gebalde vuisten staarde hij naar de bomen. Tegen de tijd dat het gezelschap terugkeerde, was de duisternis ingetreden. Maar bij het paleis was alles veranderd. Overal brandden vuren en de lucht was gevuld met rook. Ook waren in het hele paleis toortsen aangestoken. Geschrokken hielden ze halt en staarden naar de silhouetten die gehaast heen en weer renden.
Bellay snoof en moest bijna kokhalzen. 'Wat is dat voor... voor smerige stank?'
Somber zei Henry: 'Rook en azijn, Uwe Hoogheid. Rook en azijn!' Hij was erg bleek geworden.
De kamerheer van het paleis kwam naar Henry toe rennen. 'Wat is' er gebeurd?' wilde Henry weten, hoewel hij wel een vermoeden had. De kamerheer bevestigde zijn grootste angst. 'Er is een uitbraak van de zweetziekte in de stad. Alleen vandaag al driehonderd doden.'
Henry sloot een paar tellen zijn ogen. 'Haal Doctor Linacre,' beval hij. 'En snel!'
'Majesteit.' De kamerheer snelde weg.
Bellay keek ontsteld. 'Mijn god, mijn god, wat zal er van ons worden?'
De lakeien vervielen in een snel, angstig Frans en zeiden: 'Ze hebben de pest hier! We hadden niet moeten komen!'
'We gaan sterven! Iedereen zal sterven.'
'Verdoeme!'
Er kwamen meer mensen met bezorgde en beschermende blikken naar de koning toe rennen. Hij had nog net genoeg tijd om tegen Anne te zeggen:
'Vreest niet. Ik zie u snel,' voordat hij werd meegesleept naar het paleis. Anne had niet eens tijd om te antwoorden. Ze zag hem in het paleis verdwijnen. Ze stond daar tussen de vuren en de rook en het gevoel van dreigingZodra Henry in zijn privévertrekken kwam, liep hij regelrecht naar zijn medicijnenkast. Hij haalde de stop van een pot, schudde er verschillende pillen van Rhazes uit, slikte die door en spoelde ze weg met wijn. Toen schonk hij voor zichzelf wat van het aftreksel in waarvan Knivert zo misselijk was geworden. Hij slikte het door. Ook hij ging ervan kokhalzen, maar hij beheerste zich. Hij schreed naar het raam en ging naar buiten staan kijken.
De wereld werd verlicht door de rode gloed van de vuren en de zwarte schaduwen van de rook. Het was alsof hij naar de poorten van de hel stond te staren.
Dienaren droegen langzaam een walmend komfoor, dat bevestigd was aan een lange paal, door de gangen van het paleis. Door het komfoor te laten slingeren, vulden ze de kamers en gangen met de brandende kruiden die de kwade sappen gebracht door pest en ziekte vernietigden. Dat allemaal om de zweetziekte op afstand te houden.
In de privévertrekken van de koning besprak Henry de uitbraak met de beste arts van het land, de zeergeleerde Doctor Linacre. Hij was een lange, licht voorovergebogen man met een gerimpeld gezicht en een wijze, vriendelijke uitstraling. Henry kende de dokter al zijn hele leven en vertrouwde hem volledig.
'Ik heb uit ervaring geleerd, Uwe Majesteit,' zei Doctor Linacre, 'dat de slachtoffers in heel veel gevallen een fase van curieuze geestelijke verwarring doormaken, voordat de eigenlijke fysieke symptomen zich voordoen
- een plotseling opkomend gevoel van angst en ongerustheid, een voorbode van pijn en dood.'
Henry liep ijsberend te luisteren. Af en toe drukte hij een bezorgde hand tegen zijn voorhoofd, alleen maar om er zeker van te zijn dat hij niet zweette.
Doctor Linacre vervolgde: 'Ik ben inderdaad tot de slotsom gekomen dat die angst een vorm van geestelijke vervuiling is die de gezonden met geweld tot ziekte dwingt.' Doctor Linacre was zelf zo enthousiast over dit onderwerp dat hij vergat dat hij sprak tegen iemand die al meer dan ongerust was. Henry had altijd al een morbide fascinatie gehad voor juist datgene waar hij bang voor was. Het doodde met een verbazingwekkende snelheid. Eerst klaagde het slachtoffer over hoofdpijn, of pijn op de borst, of buikpijn, koude rillingen en soms huiduitslag, maar het eindigde altijd met een abrupt hevig zweten, en binnen een paar uur waren de meeste mensen dood. Een man kon 'vrolijk tijdens het diner en dood tegen het souper zijn'. Doctor Linacre vervolgde zijn verhaal. 'Opgezweept door de tijdgeest piekeren mensen over de onontkoombaarheid van de infectie, zelfs als ze zichzelf opsluiten en er alles aan doen om die te vermijden. Van elk gerucht raken ze gealarmeerd; sterker nog, een gerucht kan op zich duizenden zweetgevallen veroorzaken.' Hij schudde droevig zijn hoofd. 'Dus duizenden mensen, die feitelijk niet hoeven zweten - zeker niet als ze gezond eten raken uit angst met de ziekte besmet.'
Henry keek op. 'Gezond eten? Is dat uw beste remedie, Doctor Linacre?
Geen... geen aftreksels?'
Doctor Linacre glimlachte. 'Ik hoop dat Uwe Majesteit mij gelooft als ik u vertel dat er ontelbare remedies tegen het zweet bestaan, die volgens mij medisch gezien bijna allemaal nutteloos zijn.'
'Ook niet om het op afstand te houden?'
Doctor Linacre dacht serieus over die vraag na. 'Tja, er is mij een interessante theorie ter ore gekomen. Een jonge heer uit mijn kennissenkring zweert dat hij de ziekte rechtstreeks bestrijdt door zich elke nacht door lichaamsbeweging letterlijk in het zweet te werken.'
Hij streek bedachtzaam over zijn kaak. 'Het is waar dat hij tot dusverre twee aanvallen heeft overleefd. Maar aan de andere kant heeft Zijne Eminentie Kardinaal Wolsey er al vier overleefd, terwijl hij slechts zijn toevlucht neemt tot pelgrimages naar Onze-Lieve-Vrouwe van Walsingham.'
Doctor Linacre schudde zijn hoofd en haalde zijn schouders op. 'Wat ik wél weet is dat als een patiënt de eerste volle dag en nacht van de ziekte kan overleven, hij een veel grotere kans heeft op genezing, hoewel er zelfs dan een groot risico bestaat op verdere complicaties.'
Een poosje dacht hij zwijgend na over het probleem. Toen riep hij zichzelf tot de orde en zei: 'Ooit zullen we ongetwijfeld de ware oorzaak en remedie vinden. Ikzelf zou de zaak graag verder willen onderzoeken - tenminste, als de ziekte me zo lang spaart!' Hij grinnikte — volgens Henry een geval van galgenhumor.
In een kleine, bijna donkere kamer bedreven Brandon en een jonge vrouw zo hevig de liefde dat het hele bed schudde en kraakte. Het hoofdeinde sloeg ritmisch tegen de muur, waardoor kleine stukjes pleisterwerk losraakten. De vrouw kreunde als een bezetene; ze hijgde en kronkelde terwijl Brandon haar bereed alsof hij nooit moe zou worden of zou stoppen. Voor de tweede keer bereikte ze een hoogtepunt, toen een derde maal, en toen schreeuwde hij het plotseling, klaarkomend, uit... en zeeg naast haar neer. Hevig hijgend lagen ze daar. Na een poosje trok hij het gordijn een stukje opzij om het laatste beetje licht binnen te laten.
Brandon grinnikte. 'Zeg me eens. Is dit niet de beste manier om u eens goed in het zweet te werken?'
Ze glimlachte. 'Jawel, Uwe Excellentie.'
'Hoe meer men van nature zweet, hoe kleiner de kans dat men...' Hij maakte zijn zin niet af. Dat hoefde hij ook niet te doen. Ze wist wat hij dacht.
Sommigen stelden hun vertrouwen in het gebed, anderen in apothekersdrankjes en de raad van artsen. Wat Brandon betrof bestreed je vuur met vuur, en zweet met zweet.
'Breng uw doden buiten! Breng uw doden buiten!'
Door de donkere straten van de stad Londen klonk een sombere bel, die de burgers hun huis uit riep. Een kar, getrokken door een oud paard, rolde vergezeld door drie donkere gestalten langzaam over straat. De bel luidde meedogenloos.
'Breng uw doden buiten!'
Hier en daar ging een deur open en werd een strook licht zichtbaar. Huilend brachten de levenden de in lakens gewikkelde dode lichamen van hun dierbaren naar buiten en gooiden die boven op de lichamen die al op de kar lagen. Sommige bundels waren erg klein: de lichamen van kinderen. Aangezien de ramp zich zo snel en op zo'n grote schaal voltrok, was er geen tijd voor plechtigheden: slechts wat snelle kruistekens en een paar verstikte snikken in de duisternis. De kar ging verder en de jammerkreten van een wanhopig bedroefde vrouw doorboorden de nacht. Anderen hielden haar vast toen haar drie kleine kinderen op de kar werden geworpen. Een klein mager armpje stak onder een bindsel uit. De moeder jankte het uit van verdriet. De bel luidde. De kar rolde verder.
Hoofdstuk 15
Niet wetende wat het anders moest doen tegen de pest zocht het koninkrijk zijn toevlucht tot gebed. Henry voegde zich bij Katherine tijdens haar dagelijkse privémis.
Thomas More bad elke dag met zijn familie en hield hen thuis, weg van de nog ernstiger besmetting van Londen.
Zijn woorden gaven uitdrukking aan de angst van velen: 'Deze plaag die over ons is gekomen is een straf van God. We zijn allen zondaars en God is ons onwelgevallig. Of wij leven of sterven ligt volledig in Zijn handen. Het enige wat we kunnen doen is bidden.'
Henry was in gesprek met Wolsey toen er een bericht van Anne arriveerde. Mijn arme meid is vandaag bevangen door de zweetziekte en gestorven. Ik smeek Uwe Majesteit, wat moet ik doen? Henry keek Wolsey aan. 'Ik wil haar zien.'
Wolsey, die er zelfverre van gezond uitzag, schudde zijn hoofd. 'Ik zou elk contact met besmette personen, of degenen die contact hebben gehad met hen, afraden. U bent de Koning van Engeland.'
Henry wist dat hij gelijk had en wierp hem een getourmenteerde blik toe.
'Ja, maar stel nou? Stel nou dat zij... sterft?' Hij ijsbeerde door de kamer en probeerde zichzelf te kalmeren. 'Goed dan,' zei hij even later. 'Zeg tegen haar dat ze het paleis moet verlaten, met haar vader terug moet keren naar Hever — en zichzelf daar in elk geval moet opsluiten! Ik zal haar aftreksels sturen waarmee ze zich kan wapenen - en ik zal haar schrijven.'
'En Hare Majesteit?' vroeg Wolsey.
'De koningin dient zich bij onze dochter in Ludlow te voegen. Bid God dat zij in Wales veilig genoeg zullen zijn.'
'En u, Uwe Majesteit?'
Henry dacht even na. 'Ik zal mezelf hier opsluiten,' besloot hij, 'en het zweet met alle beschikbare middelen op afstand houden.'
'Als ik Uwe Majesteit dan een goede raad mag geven: houd zo weinig mogelijk mensen bij u, want op die manier kunt u het besmettingsgevaar verkleinen,' zei Wolsey. Henry fronste. Wolsey zag er helemaal niet goed uit. Katherine keek met een bleek gezicht toe hoe haar dames heen en weer snelden om haar eigendommen in te pakken voor haar verblijf in Wales. Henry kwam om haar vaarwel te zeggen.
'Verheugt het u mij weg te sturen?' zei ze met kalme bitterheid.
'Wilt u onze dochter dan niet zien?'
'Stuurt u mij weg om bij haar te kunnen zijn?'
'Nee, zij...' Hij stokte. 'Bedoelt u Anne Boleyn?'
Katherine haalde haar neus op voor zijn achterbaksheid. 'Natuurlijk bedoel ik Lady Anne Boleyn. U maakt geen geheim van haar.'
'Zij gaat terug naar Hever. Een van haar dienstmeiden is gestorven door het zweet.'
'En uw angst voor het zweet is groter dan uw liefde voor uw maitresse.'
Met ingehouden bitterheid zei Henry: 'Katherine... zij is niet mijn maitresse. Ik... ik slaap niet met haar. Niet zolang u en ik nog steeds getrouwd zijn.'
'Zegt u tegen haar dat u van haar houdt? Doet u haar beloften? Doet zij u beloften?' Katherine keek hem met heldere ogen aan. 'Wilt u het mij niet zeggen omdat ik - zoals u zegt - nog steeds uw vrouw ben?'
Er viel een pijnlijke stilte. Ten slotte zei Henry: 'Ik wens... ik wens, met heel mijn... mijn hart, dat u aanvaardt dat ons huwelijk was gebaseerd op een leugen.'
Ze keek hem alleen maar aan.
'Toch houd ik nog steeds genoeg van u om uw leven te willen redden. Daarom beveel ik u naar Wales te vertrekken.'
Katherine zag in zijn ogen dat hij zich werkelijk zorgen over haar maakte. Ze stak een hand naar hem uit. 'Als u zo spreekt, mijn lief. Maar Henry deed snel een stap achteruit, alsof alleen haar aanraking hem al zou kunnen beschadigen, en de schellen vielen haar opnieuw van de ogen. 'U gedraagt zich alsof ik de pest heb,' vertelde ze hem zacht. Alsof de liefde zelf als de pest is.'
Henry deed net of hij haar niet hoorde. 'Ik zal u schrijven,' zei hij. 'Zeg tegen Mary dat de koning, haar vader, haar zijn beste wensen... en tedere toewijding stuurt.' En daarmee vertrok hij.
'Hoe voelt u zich, Anne?' vroeg Thomas Boleyn aan zijn dochter. Ze zaten in hun koets en reden naar Hever Castle. Anne ging er steeds vermoeider en bleker uitzien.
'Ik... ik voel me goed, papa.'
Boleyn fronste. 'Bent u daar zeker van?'
Anne keek hem aan. 'Wat wilt u zeggen? Dat ik vanwege mijn dienstmeid zeker besmet zal zijn?'
'Natuurlijk niet!' zei Boleyn met niet-overtuigende hartelijkheid. Anne wendde haar blik af; ze staarde uit het raam en probeerde niet in paniek te raken. Ze voelde zich inderdaad niet goed en was er tot haar afgrijzen van overtuigd dat ze de zweetziekte had. Hoe meer ze eraan dacht, des te overtuigder ze ervan werd, en hoe meer geagiteerd ze raakte. Haar ademhaling werd moeizaam.
'Wat is er?' vroeg haar vader.
'Ik kan niet ademen!' zei ze verstikt. 'Stop alstublieft! Ik kan niet ademen!
Stop alstublieft de koets, ik...' Ze begon als een bezetene aan haar kleren te rukken.
Met een stok bonkte Boleyn tegen het dak en schreeuwde: 'Halt!'
Het rijtuig vertraagde, maar voordat het tot stilstand kon komen, gooide Anne de deur open en sprong eruit.
Boleyn zag hoe ze diepe teugen lucht nam en probeerde zichzelf te beheersen. Toen begon ze te lopen. Nerveus riep Boleyn vanuit de koets: 'Gaat het goed?' Maar Anne antwoordde niet; ze bleef met een strakke blik voor zich uit doorlopen. Boleyn bonkte opnieuw op het dak van de koets met zijn stok. 'Verder!'
Het rijtuig rolde langzaam verder en hield gelijke tred met het wandelende meisje. Ze liet niet blijken dat ze zich ervan bewust was. Tranen stroomden over haar wangen. Of was het zweet?
Binnen een dag was het paleis nagenoeg verlaten. Henry liep van de ene naar de andere kamer; hij werd slechts vergezeld door twee gewapende soldaten die een flink stuk achter hem aan liepen. De leegte was angstaanjagend, verwarrend. Rook van fumigerende komforen zweefde door de schaduwrijke stiltes; alles was doordrongen van de geur ervan. Overal waar Henry keek, zag hij tekenen van een overhaast vertrek: open-geslagen boeken, verspreide kleren, deels opgegeten maaltijden. Zijn voetstappen echoden. Hij bereikte zijn eigen vertrekken, waar een enkele dienaar en een jonge page waren achtergebleven om hem te dienen.
Henry voelde zich gevangen, machteloos. Het probleem met het zweet was dat er niets was wat men kon doen! Hij at zijn avondmaal in eenzaamheid en piekerde...
Hij had zijn drankjes ingenomen — niet dat Linacre dacht dat dat enige zin had. Sommigen zeiden dat sinaasappels een sleutelrol speelden bij de preventie. Henry had er zo veel gegeten als hij kon. Ook had hij 's morgens, 's middags en 's avonds gebeden voor zichzelf en zijn dierbaren om gevrijwaard te blijven van deze afschuwelijke pest, en om zijn land ervan te bevrijden. Hij ging vroeg naar bed... maar in zijn slaap werd hij geplaagd door verschrikkelijke dromen. Piekerend lag hij in het halfduister van zijn slaapkamer. Wat had Linacre ook alweer gezegd over lichaamsbeweging? Dat iemand uit zijn kennissenkring probeerde de ziekte te bestrijden door zich elke nacht in het zweet te werken.
Dat was in ieder geval iets actiefs, dacht Henry. Beter dan dit eindeloze afwachten. Hij klom uit bed en begon zich vol vuur op te drukken. De page die aan zijn voeteneind sliep werd wakker en keek enigszins verbaasd naar zijn meester. Henry trainde met woeste vastberadenheid, hij werkte zichzelf in het natuurlijke, gezonde — en, hoopte hij — gezondmakende zweet. Na een rusteloze nacht, onderbroken door angstige dromen en vlagen van lichaamsbeweging, ging Henry de volgende morgen biechten. Zittend in het kleine, donkere hokje van de biechtstoel zei hij: 'Eerwaarde, het is alom bekend dat ziekte een beproeving van God en een straf voor zonden is. Maar waarom is juist mijn land uitgekozen voor deze ongenade?'
Hij wachtte, maar de priester gaf geen antwoord.
'Wat hebben wij gedaan dat de almachtige God ons zo onwelgevallig is dat zo velen geveld zijn?' Opnieuw zei de priester niets. Henry schoof ongemakkelijk heen en weer. Hij wilde — moest — de garantie krijgen, bij voorkeur goddelijke, dat het niets met hem te maken had. Of zijn familie.
De zweetziekte had Engeland sinds de eerste epidemie in de zomer van 1485 geteisterd, dezelfde zomer waarin de eerste Henry Tudor de Engelse kroon had bemachtigd na de slag van Bosworth, waardoor er een eind was gekomen aan de Rozenoorlogen.
Er werd beweerd - nooit in het gezicht van Henry, maar het gefluister moest hem wel ter ore komen — dat God Engeland met de gevreesde ziekte strafte omdat het land een Tudor had toegestaan de troon onrechtmatig in bezit te nemen.
'Ik ben bij mijn eigen geweten te rade gegaan. Is het mijn fout dat de Heer zich gewroken heeft op Engeland met de pest? Maar Eerwaarde, ik zeg dit in het aangezicht van God, mijn geweten is zuiver...'
Niets verroerde zich aan de andere kant van het scherm. Misschien geloofde de priester inderdaad dat het de veroordeling van een Tudor was en wilde hij dat niet hardop zeggen. Henry zei: 'Eerwaarde, ik vraag toch om vergiffenis, ook voor onbekende zonden. En ik vraag om uw zegen, Eerwaarde. Niet als een koning — maar als een man.' Hij wachtte. 'Alstublieft, Eerwaarde.'
Er was nog steeds niets te horen aan de andere kant van het scherm. Henry stapte de biechtstoel uit en schoof heel voorzichtig het donkere gordijn opzij aan de kant waar de priester zat.
Hij zat er wel. Maar hij zweeg en grijnsde naar Henry — met een dodenmasker; zijn gezicht was wasbleek en koud, zijn opengesperde ogen staarden Henry aan. Henry deinsde terug. Hij sloeg een kruis, prevelde haastig een gebed en vluchtte weg.
Orvieto, Italië
De twee Engelse raadsheren, Gardiner en Foxe, keken achterdochtig naar het zogenoemde Bisschopspaleis in Orvieto. Een puinhoop — het zag er erbarmelijk uit en stonk. Het dak was deels ingestort en een groot deel van het interieur was blootgesteld aan de elementen.
Ze werden door een jonge priester een kamer binnen geleid. Gardiner en Foxe wisselden tijdens het wachten verschrikte blikken uit. Het 'pauselijke hof' leek te bestaan uit een paar armzalige functionarissen en klaplopers, en een stelletje dunne, schurftige honden.
Uiteindelijk verscheen er een broodmagere priester in een smerig ambtsgewaad. Hij begroette hen in het Italiaans. 'Bent u de Engelse afgezanten?
Deze kant op.' Hij leidde hen de volgende kamer binnen, die in een iets betere toestand verkeerde en waar wat meer meubels stonden. De paus, Clemens VII, voorheen Giulio de Medici, was een kleine, intelligent uitziende man. Hij werd vergezeld door verscheidene kardinalen, die er ook wat sjofel en armoedig uitzagen.
De paus begroette de afgezanten, terwijl hij tranen wegveegde. 'Ziet u hoe ik gedwongen ben te leven? Kunt u zich uw vaders ellende voorstellen? De Spanjaarden staan praktisch op mijn drempel! Ik ben aan de honden overgeleverd!' Hij schudde wanhopig zijn hoofd. Gardiner en Foxe fronsten. Ze wisten niet goed hoe ze daarop moesten reageren, niet in de minste plaats vanwege hun eigen verwarde - en tegenstrijdige - gevoelens tegenover de paus. Foxe kwam meteen ter zake. 'Uwe Heiligheid weet waarom wij hier zijn. We brengen u een brief van Zijne Majesteit Koning Henry, de meest plichtsgetrouwe en katholieke koning van Engeland, Ierland en Frankrijk.' Hij bood Clemens de brief aan. Clemens keek ernaar alsof Foxe hem een levende slang overhandigde. Hij pakte hem niet aan.
Gardiner kwam naar voren om het uit te leggen. 'Zijne Majesteit dankt Uwe Heiligheid bij voorbaat voor uw steun inzake zijn nietigverklaring. Hij weet dat hij en heel zijn koninkrijk Uwe Heiligheid voor eeuwig verplicht zijn voor wat u doet. Hij weet dat u, Heilige Vader, geen bezwaar zult maken tegen ons verzoekschrift.' De twee rechtsgeleerden keken de paus ingespannen aan.
Het was lang stil. Ten slotte pakte de paus de brief aan en legde die, ongeopend, op een zijtafel.
'Ik zou uw meester met heel mijn hart tevreden willen stellen en plezieren,'
gaf hij hun te kennen. 'Maar ik moet u in alle oprechtheid zeggen - als een oprecht man, en met God als mijn getuige — dat ik gehoord heb dat deze zaak enkel en alleen voortkomt uit de ijdele affectie en ongepaste liefde van de koning voor die vrouw, Anne Boleyn.' Zijn kardinalen knikten beiden instemmend alsof ze zijn woorden bevestigden.
De paus vervolgde: 'Er is mij verteld dat de Koning van Engeland zijn echtscheiding alleen om persoonlijke redenen wenst en dat de vrouw die hij liefheeft ver onder hem staat, niet alleen qua rang' - hij keek de gezanten in de ogen - 'maar ook qua deugd.'
'Heiligheid,' zei Gardiner. 'Wie heeft u deze dingen verteld?'
Clemens haalde zijn schouders op en wierp opnieuw een blik in de richting van zijn kardinalen. 'Er doen geruchten de ronde.'
'Welke geruchten?' wilde Foxe weten.
'Welnu, men zegt dat Anne reeds in verwachting is, en dat de koning haar kind zo snel mogelijk tot zijn opvolger van de troon wil maken.' Clemens keek hen ernstig aan.
De gezanten glimlachten, alsof deze nonsens amusant was. 'Uwe Heiligheid is zeer slecht geïnformeerd - in elk opzicht!' vertelde Foxe hem. 'Lady Anne is een toonbeeld van kuisheid.'
'Hoewel zeer geschikt om nageslacht voort te brengen - wanneer de tijd daar is,' voegde Gardiner eraan toe.
Clemens bleef hen aankijken met een uitdrukking van beleefde belangstelling. Zijn donkere, intelligente ogen hadden alles in de gaten. Foxe ging verder: 'Heilige Vader, Lady Anne imponeert iedereen die haar ziet of kent door haar onschuldige levenswijze, haar standvastige maagdelijkheid, haar eenvoud, bescheidenheid, nederigheid, wijsheid... haar maagdelijke en vrouwelijke deugden.'
'Ze stamt uit een vooraanstaand, zeer nobel en onvervalst koninklijk geslacht,' zei Gardiner. 'Van alle vrouwen in Engeland is zij waarlijk het meest geschikt om koningin te worden.'
Clemens keek bedachtzaam. 'Maar Koningin Katherine dan?' zei hij ten slotte.
'Zijne Majesteit staat erop dat zij met alle mogelijke manieren van vriendelijkheid wordt behandeld, als een zuster,' deelde Foxe hem mee, 'als zij haar oppositie tegen de rechtszaak van de koning intrekt en de ongeldigheid van haar huwelijk erkent.'
'Zijne Majesteit hoopt dat Uwe Heiligheid, wanneer u kennis hebt genomen van de wettelijke argumenten die wij meegenomen hebben, de koningin zult schrijven om aan te dringen op haar volgzaamheid,' zei Gardiner, wiens toon merkbaar onverzettelijker was geworden. De kardinalen schoven ongemakkelijk heen en weer.
Gardiner keek hen kwaad aan. Tenslotte vertegenwoordigde hij een zeer machtige, verheven koning en was deze paus, hoewel hoofd van de Kerk, slechts een klein, sjofel schepsel dat niet eens een dak boven zijn hoofd had. Clemens leek het niet in de gaten te hebben. 'Uiteraard. Maar dan zal ik eerst kennis moeten nemen van de argumenten, is het niet? Voordat ik tot een oordeel kom.'
Hij leek op het punt te staan hen weg te sturen, dus Foxe besloot er nog een schepje bovenop te doen. 'Zijne Majesteit heeft ons ook duidelijk te kennen gegeven dat, als u hem geen voldoening kunt schenken, hij gedwongen is elders op zoek te gaan naar een vonnis.' Hij zweeg even om het dreigement te laten bezinken. 'Wellicht dat hij zich dan gedwongen voelt los van de wetten van de Heilige Kerk en van het gezag van Uwe Heiligheid te leven.'
Ineens was de spanning in de kamer om te snijden. Alle huichelarij was aan de kant geschoven. Foxe had zijn masker afgegooid.
Het was een overduidelijk een rechtstreeks dreigement aan de paus als hoogste gezagsdrager van de Kerk waaraan alle christenen trouw verschuldigd waren. Een beslissend moment. De hele kamer wachtte af. Maar Clemens was niet voor niets een Medici. Geruggensteund door generaties van diplomatie en gekonkel, beantwoordde hij de dreigementen van de Engelse gezanten met een ongekunstelde glimlach.
Hij omhelsde de Engelse gezanten hartelijk; hij kuste hen, op Italiaanse wijze, tweemaal op de wangen. 'Mijn zonen, ik zal deze zaak verder overwegen voordat ik een beslissing neem,' zei hij. Zijn toon en handelwijze hadden de autoriteit van generaties Medici's en pausen. Met een koninklijk gebaar stak hij de hand met de heilige pauselijke ring naar voren en opeens zagen de gezanten hem niet meer als een kleine, sjofele, op de proef gestelde Italiaanse priester. Hij was de paus.
Ze vielen op hun knieën voor hem in vanzelfsprekende obediëntie. 'Dank u, Heilige Vader,' prevelden ze.
Gardiner en Foxe hadden voor hun gevoel eindeloos duimendraaiend zitten wachten, wachten en nog eens wachten op het antwoord van de paus. Elke dag sjokten ze van het vervallen huis waar ze onderdak hadden gevonden naar het 'paleis' — alleen maar om weer terug te sjokken zonder iets bereikt te hebben. ledere keer weer was er sprake van uitstel, afleidingsacties en valse hoop. Ten langen leste werden ze wederom ontboden in de sjofele, vervallen kamer waar ze op de eerste audiëntie bij de paus hadden zitten wachten. Eindelijk verscheen hij, een en al glimlach, en stak zijn hand uit zodat ze die konden kussen. Naast hem schuifelde een oudere man in kardinaalskleren. Gardiner herkende hem. 'Dat is Kardinaal Campeggio,' fluisterde hij tegen Foxe. 'Hij was erbij op het Veld van het Laken van Goud. Hij is een zeer heilig man.'
Ze begroetten de paus en Kardinaal Campeggio en wachtten nieuwsgierig op de reactie van de paus.
'Mijn zonen,' begon Clemens. 'Ik vrees dat u teleurgesteld zult zijn door mijn antwoord. Ik ben niet in staat om, hier en nu, tot een oordeel te komen wat betreft de zaak van de koning.'
Gardiner en Foxe trokken een lang gezicht. Kwaad maakten ze aanstalten om op te staan. Hadden ze hier al die tijd in die janboel op zitten wachten?
Clemens zag hun woede en stak sussend een hand op. 'Wacht! Ik heb u niet gezegd dat de zaak hiermee afgedaan is.'
De gezanten gingen weer zitten; ze keken wantrouwend. Als dit weer een of andere vertragingstactiek was...
De paus vervolgde: 'Ik ben ervan overtuigd dat dit zo snel mogelijk geregeld dient te worden... maar niet hier. U ziet hoe ik er hier aan toe ben!'
Hij gebaarde naar zijn vervallen omgeving. 'En ik ben te ver van Engeland om een juist en eerlijk oordeel te kunnen vellen.'
De gezanten fronsten opnieuw. De paus maakte een haastig gebaar in de richting van Campeggio en zei: 'Om die redenen benoem ik Kardinaal Campeggio als mijn officiële legaat. Zodra de ziekte in uw land over is, zal hij naar Engeland reizen en, samen met Kardinaal Wolsey, een gerechtshof aanstellen dat deze zaak op zijn merites zal aanhoren en beoordelen.'
Hij wierp hun een scherpzinnige blik toe en zei: 'Als uw koning inderdaad zo overtuigd is van zijn gelijk als u beweert, kan hij deze gerechtelijke actie alleen maar toejuichen. Deze kan de vervulling van zijn wensen immers alleen maar versnellen.'
Hij glimlachte. Gardiner en Foxe wisselden een gefrustreerde blik uit en maakten toen met tegenzin een buiging. De oude vos was hun te slim af geweest; hij had weer een uitvlucht en had het zoveelste uitstel opgelegd. Maar wat konden ze ertegen inbrengen?
Mijn lieveling... Ik heb u veel remedies gestuurd tegen het zweet. Drink alstublieft azijn vermengd met water. Ik...
Henry hoorde een geluid en keek op van de brief die hij aan het schrijven was. Een jonge page wankelde en bonkte met zijn hoofd tegen de muur. Hij liep langzaam en onvast naar de koning toe. Zijn gezicht was onnatuurlijk bleek en glom van het vocht. Hij liep alsof hij in trance was.
'Jongen...' zei Henry waarschuwend.
De jongen kwam steeds dichterbij; zijn starende ogen waren leeg. Hij was besmet met het zweet.
Henry duwde zijn stoel achteruit, maar toen de jongen zijn bureau bereikte, viel hij en knalde er met zijn hoofd tegenaan. Hij lag onbeweeglijk op de grond.
Henry staarde naar hem — doodsbang.
Binnen een uur had Henry het paleis verlaten. Gevolgd door slechts een paar dienaren reed hij vliegensvlug om aan de stank en de dreiging van de dood te ontsnappen.
Ze reden en reden, over velden en door wouden, en bewogen zich steeds verder weg van de beschaving en het verderf en de stank van de dood. Eindelijk zagen ze een eenzame toren, afgetekend tegen de horizon. Henry reed ernaartoe. Hier zou hij blijven tot de epidemie van het zweet voorbij was.
Het regeren van het land kon echter niet beëindigd worden en Henry's isolatie was dan ook niet volledig. Er werden voorzorgsmaatregelen tegen het zweet genomen. Brieven werden ontsmet door ze door de rook van kruiden te halen voordat ze aan de koning werden gegeven. Doctor Linacre hield toezicht. Een bediende droeg ze door de gang, liet ze achter op een bureau waar de koning ze kon pakken, klopte op de deur en vertrok. Henry bleef zo veel mogelijk alleen.
Dat voelde bijzonder vreemd voor hem. Hij was zijn leven lang omringd geweest met mensen; als hij sliep, als hij wakker werd, als hij baadde —
voortdurend. Nu was hij bijna voortdurend alleen en communiceerde hij grotendeels via brieven.
Wolseys brieven droegen niet alleen de geur van de rook waar ze zojuist doorheen waren gehaald, maar ook het vage aroma van sinaasappels. Al vanaf het moment dat de eerste berichten over de zweetziekte hem bereikt hadden, had Wolsey een grote schaal met Spaanse sinaasappels — die volgens sommigen effectief waren tegen de pest - op zijn bureau staan. Hij had zich aangewend om, als hij zijn correspondentie deed, een sinaasappel open te snijden en het vruchtvlees eruit te zuigen.
Ook Henry at Spaanse sinaasappels. In Wolseys laatste brief stond: Uwe Majesteit moet weten dat Zijne Excellentie, de Hertog van Norfolk, besmet is met de zweetziekte en toestemming heeft gevraagd terug te keren naar Londen, ogenschijnlijk om een arts te visiteren. Henry fronste en las verder.
Ik heb deze toestemming uit naam van Uwe Majesteit geweigerd. Henry knikte goedkeurend.
Drie van Uwe Majesteits apothekers zijn eveneens geveld door de ziekte en drie van uw kamerheren zijn gestorven. Uw steenhouwer, Redman, is ook dood. Er zijn geen tekenen dat de ziekte afneemt. Er zijn nu alleen in Lon- den al 40.000 gevallen. Lady Anne Boleyn is ook ziek — maar heeft het tot nu toe overleefd.
Henry bevroor. Hij staarde naar de brief en las de zin opnieuw. Lady Anne Boleyn is ook ziek. Henry was als door de bliksem getroffen. Hij sprong overeind en gooide zijn zware stoel achterover. 'Doctor Linacre!' schreeuwde hij. Linacre haastte zich naar binnen.
'Anne is ziek!' schreeuwde Henry. 'Lady Anne Boleyn! Ga onmiddellijk naar Hever. Nu!' Hij pakte de dokter bij diens schouders. 'In godsnaam, red haar!'
Linacre wierp hem een bedenkelijke blik toe. 'Majesteit, als zij al ziek is, is er...' Hij stokte. De koning was zo ver heen dat hij echt niet naar zijn mening zou luisteren. 'Ik ga direct,' zei de arts. Henry keek hem radeloos na. Hij keek rond, op zoek naar iemand met wie hij zijn zorgen kon delen. 'Waar is Wolsey in hemelsnaam als je hem nodig hebt?' snauwde hij. Hij was vergeten dat hij Wolsey naar huis had gestuurd. Wolseys bureau in Hampton Court Palace was een puinhoop. Zijn papieren lagen verspreid door elkaar, zijn inktpot was omgevallen en zijn stapel boeken ook. Overal op de vloer lagen sinaasappels.
Tussen de sinaasappels lag Wolsey. Hij klappertandde van de kou, hoewel zijn gezicht baadde in het zweet. Hij schokte toen er een messcherpe pijn door zijn buik ging. Zijn ogen rolden naar achteren. Thomas Boleyn en zijn zoon, George, stonden angstig buiten Annes kamer te wachten. De deur ging open en Doctor Linacre kwam met een ernstig gezicht naar buiten. Hij keek hen aan en schudde zijn hoofd. 'Ik ben van mening dat er geen hoop rest. De belangrijkste levenstekenen zijn zwak en nemen af.'
George barstte in tranen uit.
'Er moet nu een priester naar haar toe; het is tijd voor de laatste sacramenten. Het spijt me zeer,' zei de dokter. Toen vertrok hij. Op een veld buiten Londen brandden de vuren onophoudelijk. Kar na kar trok het veld op, waar een immense greppel was gegraven. De naakte lichamen van de doden werden zonder enige ceremonie van de karren getild en in de greppel gegooid. Mannen langs de kant gooiden kalkaarde over de lichamen om de stank terug te dringen. Die was desondanks onbeschrijflijk. Achter de greppel lagen al even lange hopen net omgespitte aarde: de restanten van andere greppels die nog duizenden lichamen bevatten. Het was een nachtmerrie. De hel op aarde.
Thomas More zat in zijn huis in Chelsea samen met zijn zeventienjarige dochter over boeken gebogen. Buiten hoorden ze het geluid van een luidende bel steeds dichterbij komen. Het was het geluid van de dodenkarren die door de buurt reden en doden ophaalden.
More werkte door, ongevoelig voor het macabere geluid. Zijn dochter legde haar boek neer en keek naar haar vader.
'Bent u niet bang, papa?'
More stopte met lezen en keek haar aan. 'Van de dood? Nee. Waarom zou ik? Ik heb mijn leven in Gods handen gelegd en ik weet absoluut zeker dat, als ik sterf, ik naar een veel betere plek ga dan deze.'
De bel klonk steeds luider naarmate de kar dichterbij kwam. Zijn dochter huiverde en sloeg een kruis.
More zei: 'Wat u om u heen ziet, lieve, is niet de angst voor de dood, maar voor iets wat er voor zondaars zeker op volgt: het vagevuur.' Hij sloeg zijn boeken dicht, liep langzaam naar het raam en keek naar buiten.
'In feite,' zei hij, 'is er een andere ziekte die ik veel meer vrees dan het zweet. Zelfs op dit moment verspreidt die zich overal en raken duizenden ermee besmet.'
'Waar hebt u het over, papa?'
'Er waart een spook door Europa. Het spook van het lutheranisme. Het verspreidt zich onder de armen, degenen die de Kerk beschouwen als rijk en corrupt en decadent.' Hij draaide zich om en zei: 'Het heeft al geleid tot een boerenopstand in Duitsland, waardoor honderdduizenden mensen zijn gedood. Nu heeft de besmettelijke ziekte Salzburg en Bourgondië en Montpellier en Nantes bereikt. Elke dag komen er nieuwe berichten over de kwaadaardigheid van deze vervloekte ketterij.'
'Maar hier zal het toch zeker niet komen?' zei zijn dochter. More schudde zijn hoofd. 'Het is al hier. We weten dat er geheime bijeenkomsten worden gehouden in de City van Londen, waar katholieke priesters en de Heilige Vader worden bespot en belachelijk gemaakt. Waar de Kerk wordt aangevallen en infame boeken worden verspreid.'
Zijn dochter, die ontsteld was door dergelijke schokkende dwalingen, sloeg opnieuw een kruis. 'Wat kan eraan gedaan worden?'
'Laat me u dit vragen,' zei More. 'Wat doet men met een huis dat is besmet met ziekte?'
Ze dacht even na. 'Dat zuivert men met vuur.'
Hij knikte goedkeurend. 'Ja. En dus moet de ziekte in het huis van ons geloof op dezelfde manier met vuur gezuiverd worden. Persoonlijk ben ik tegen geweld, zoals u heel goed weet. Maar ik vind dat Luther en diens volgelingen - nu meteen - gegrepen en verbrand moeten worden!'
Zijn dochter staarde hem aan. Ze was een beetje geschrokken door de heftige uitbarsting van haar anders zo milde vader. Het geluid van rennende voeten echode in de gangen van Hever Castle.
'Papa!' schreeuwde George Boleyn. 'Papa, kom snel!'
Thomas Boleyn volgde zijn zoon Annes slaapvertrek binnen. Ze zat rechtop in bed tegen kussens gepropt. Ze zag er mager en bleek uit, met diepe wallen onder haar ogen, die daardoor groter leken dan ooit. Boleyn staarde haar aan. 'U... leeft!'
Er trok een bibberig lachje over haar gezicht. 'Ja, papa.'
'Godzijdank!' Boleyn viel naast het bed op zijn knieën en greep een van haar handen. 'Weet u wat u gedaan hebt, mijn kind? U bent opgestaan uit de dood.'
Bijna schaterend van vreugde kuste hij haar hand. 'Nu kunt u de koning weer zien,' riep hij blij uit. 'Het kan net zoals vroeger worden!'
Anne staarde hem even vol ongeloof aan. Toen boog ze snel haar hoofd en verborg het verdriet dat zijn woorden hadden veroorzaakt. Ze zonk terug in de kussens en sloot haar ogen.
Naarmate het duidelijker werd dat de pestepidemie voorbij was, begonnen in heel het koninkrijk steeds meer klokken te luiden. Het naargeestige, lusteloze geluid van de doodsbellen werd vervangen door een vrolijk gegalm, ter viering van het einde van de pest en de triomf van overleving. Getekend door verdriet en kapot door het verlies zegden de levenden dank voor het feit dat ze gespaard waren en begonnen ze langzaam aan de taak hun leven weer op te bouwen.
Henry, die dolgelukkig was door Annes miraculeuze herstel en opgelucht door het verdwijnen van de gevreesde ziekte, trof voorbereidingen om samen met Doctor Linacre en zijn kleine gevolg van personeel de toren te verlaten. Henry had aan Anne geschreven:
God zij gedankt, mijn lieve liefste, u bent gered... en de pest is beëindigd. De legaat die wij zo vurig wensen is zondag of maandag laatstleden in Pa- rijs gearriveerd. Ik vertrouw erop volgende maandag te horen over zijn aan- komst in Calais; en dan vertrouw ik erop binnen korte tijd te genieten van datgene waarnaar ik zo verlangd heb, voor Gods welbehagen en dat van ons. Niet meer voor u nu, mijn liefste, wegens gebrek aan tijd, dan dat ik wilde dat u in mijn armen lag, of ik in de uwe, want ik vind het langge- leden dat ik u gekust heb.
Henry besteeg zijn paard en keek nog een keer omhoog naar het kleine raam boven in de toren - zijn toevluchtsoord en zijn gevangenis. Hij begroef zijn hielen in de flanken van het paard en begon aan de lange terugrit naar Londen. Ook Wolsey had op wonderbaarlijke wijze de zweetziekte overleefd. Hij zat, nog verzwakt door de tol die de ziekte had geëist, met een kleed over zijn benen in een stoel in Hampton Court Palace.
Zijn maitresse, Joan, kwam binnen en zei: 'U hebt een brief— van Lady Anne Boleyn.'
'Lees hem voor,' zei Wolsey zwakjes.
Ze verbrak het zegel en las: '"My lord, het verheugt me zeer te horen dat u aan het zweet ontsnapt bent. Alle dagen van mijn leven ben ik het meest vastbesloten om van alle schepselen, naast de goedertierenheid van de koning, de goedertierenheid van u lief te hebben en te dienen; ik bid u er nooit aan te twijfelen dat mijn mening over u ooit zal veranderen zolang er lucht door mijn lichaam stroomt. Uw nederige dienaar, Anne Boleyn.'" Er viel een korte stilte toen ze klaar was. Wolsey snoof zwakjes. 'Wel, ze heeft in ieder geval gevoel voor humor.'
Hij keek Joan aan. 'Tref regelingen voor mijn pelgrimstocht naar Walsingham. Ik moet Onze Vrouwe dankzeggen.'
Het knapenkoor van de Koninklijke Kapel bracht een requiem ten gehore dat was gecomponeerd en werd gedirigeerd door Thomas Tallis. Hij had het geschreven voor zijn vriend William Compton.
Het opnieuw samengekomen hof zat te luisteren naar de schitterende, spirituele muziek. Henry zat bij Brandon en Knivert. Koningin Katherine was samen met haar dochter Mary teruggekeerd. Zij zaten naast de koning. Wolsey was nog steeds op pelgrimstocht en ook Norfolk was er niet. Die had nog geen toestemming gekregen om aan het hof terug te keren. Veel stoelen in de kerk waren leeg. Op elke lege stoel lag een spoor die ooit had toebehoord aan een dode man. Op sommige stoelen waren bij de spoor kleine dingen neergelegd: een zakdoek, een handschoen, een piepklein paar schoenen - die vertegenwoordigden de familieleden van de spooreigenaar die met hem waren gestorven.
De prachtige muziek zwol aan en vulde de kerk en toehoorders met emoties. Thomas Tallis dirigeerde met wangen die nat waren van de tranen. Slechts enkele ogen in de congregatie waren droog.
Henry huilde om zijn vriend Compton en om zijn eigen sterfelijkheid. Katherine draaide haar gesluierde gezicht naar hem toe en legde teder haar hand op de zijne. Hij trok zijn hand niet weg.
Kort nadat het requiem was afgelopen, kwam er van buiten de kerk een bode naar Henry toe, die hem iets in het oor fluisterde. Gealarmeerd haastte Henry zich meteen naar buiten. Anne Boleyn stond op hem te wachten. Henry begon te rennen en nam haar in zijn armen. Hij zwaaide haar in het rond, uitgelaten van liefde, opluchting en verlangen. 'Anne!' riep hij uit. 'Mijn lieve Anne!'
Hij bedolf haar onder de kussen, hij kuste haar mond, haar oogleden, haar hals, haar lippen. 'Anne!' mompelde hij na elke kus. 'Anne... Anne.' Hij drukte haar tegen zich aan, kuste haar duizendmaal en kon niets anders uitbrengen dan Anne...'