Hoofdstuk 1
Whitehall Palace, Londen
'Er komt vast oorlog, hebt u het gehoord?'
Thomas Tallis keek op. De man had het tegen hem. 'Nee, dat wist ik niet.'
Hij was in gedachten bezig geweest met het uitwerken van een nieuwe melodie — voor een werk dat nog niet geschreven was.
'De Fransen... Ze hebben de Graaf van Devon vermoord.'
'Ah.' Tallis keek onzeker om zich heen.
'Niet hier, man, in Italië!'
'Ah.' Hij knikte, nog steeds in het duister.
'De Graaf van Devon, de Engelse ambassadeur, Edward Courtenay — de oom van de koning! Vermoord! In koelen bloede en op klaarlichte dag.'
'O ja?' Tallis knikte en lette nu op.
'De koning kan een dergelijke belediging niet onbeantwoord laten. Er moet wel oorlog komen! Wat betekent dat mijn verzoekschrift nooit in behandeling zal worden genomen.'
Tallis grijnsde meelevend. Roddel was alles wat de petitionarissen en klaplopers hadden... kliekjes van het echte hof, waar de echte beslissingen werden genomen.
'Wij arme mensen moeten op zoek naar de uitstraling van grote mannen,'
had een oudere petitionaris tegen hem gezegd toen Tallis net aan het hof was gearriveerd. 'Het is ons lot, net als het het lot van de mot is om op zoek te gaan naar de vlam.' De man had langdurig op zijn arm staan kloppen.
'Maar let goed op de mot, jongeheer Tallis; als we er te dichtbij komen, lopen we het risico onze vleugels te verbranden.'
Tallis had het indertijd zeer wijs gevonden. Maar zijn vleugels vormden nu geen probleem. Wél zijn maag. Het echte voedsel was daar, aan het hof. De klaplopers aten de kliekjes van het hof, alleen was Thomas er niet zo bedreven in zich op tijd naar binnen te werken, dus had hij vaak honger. Noch was hij voldoende bedreven in het trekken van de aandacht van de secretaris van de koning, Mijnheer Pace. Tallis legde een hand op zijn wambuis en voelde de aanbevelingsbrief van de deken kraken. Als er inderdaad oorlog kwam, zouden ze geen tijd hebben om een obscure musicus op te merken, vermoedde hij.
De deur naast hem ging op een kier open, net ver genoeg om Tallis iemand te horen zeggen: 'Zijne Majesteit is voornemens de bijeenkomst van vanmiddag kort te houden. Hij wil gaan tennissen.' Het was Richard Pace, de privésecretaris van de koning. Tallis spitste zijn oren.
'Waar is de koning?'
Mijnheer Pace antwoordde: 'Hij is vertrokken naar zijn huis in Jericho.'
Tallis hoorde een afkeurend gemompel en vervolgens: 'Hoe is het met hem?'
'In verband waarmee... ?'
De oudere man kon zijn ongeduld nauwelijks bedwingen en zei: 'In verband met Italië. Met wat de Fransen in Italië aan het doen zijn. Welk ander verband is er?'
'Zijne Majesteit dringt aan op geduld.'
'Ja, maar u bent zijn secretaris. U ziet hem elke dag.'
'Hij is gek van verdriet. Bijna ontroostbaar.' Het was even stil. 'Het is tenslotte zijn oom die ze vermoord hebben!' De deuren gingen open.
'Daar is hij!' Er ging een haastig gesis door de menigte toen de lange, zelfverzekerde gestalte van Richard Pace, secretaris van Zijne Majesteit Koning Henry VIII, verscheen. Achter hem stond een oudere man in eenvoudige zwarte kleren. Het was de beroemde humanist Thomas More, een van de oudste raadslieden van de koning.
Eén kostbare, hoopvolle seconde slaagde Tallis erin de aandacht van Pace te trekken. Hij hield zijn hand stevig tegen zijn aanbevelingsbrieven gedrukt, maar de schreeuwende menigte petitionarissen drong naar voren en Tallis - én het moment - verdwenen in de massa.
'Sir, sir! Sir!' riepen mannen die zwaaiend met papieren zijn aandacht probeerden te trekken. Maar Richard Pace baande zich moeiteloos een weg door hen heen en liep de privévertrekken van de koning in. De soldaten van de koninklijke garde, gewapend met lange strijdbijlen, sloegen de eiken deuren achter hem dicht. Tallis' maag knorde.
'Mijne Excellenties!' Henry, Koning van Engeland, richtte zich tot een tiental leden van zijn raad in zijn privévertrekken. 'Wij komen bijeen om zaken van groot belang te bespreken.' De raadsleden stonden in een halve cirkel rond de zittende koning. Zij waren de vooraanstaande heren van Engeland, de hoofden van de rijkste en meest adellijke families in het koninkrijk. Naast de koning stond Kardinaal Wolsey, die alles in de gaten hield. Inen formatie was macht. Als afstammeling van een veehandelaar en slager dus niet afkomstig uit een adellijke familie (hoewel niemand dat recht in zijn gezicht durfde te zeggen) - was hij nu een van de rijkste en machtigste mannen in het land, en dat allemaal dankzij zijn eigen inspanningen. De koning vervolgde: 'De koning van Frankrijk heeft de wereld zijn agressie getoond. Zijn legers hebben al vijf of zes stadstaten in Italië veroverd. Hij vormt een bedreiging voor elke christelijke natie in Europa... en toch krijgt hij de paus zover hem tot Verdediger van het Geloof uit te roepen!'
Hij zweeg om zijn woorden te laten bezinken.
'Daar komt nog bij dat hij, om te bewijzen dat niemand hem aankan, onze ambassadeur in Urbino - mijn oom! - in koelen bloede heeft laten vermoorden.'
De groep mannen knikte instemmend.
'Mijne Excellenties, ik persoonlijk vind dat al deze acties een oorlog rechtvaardigen,' besloot Henry. De reactie van zijn gehoor was unaniem. 'Ayef
'Dat doen ze zeker!'
'Voldoende en gerechtvaardigde gronden, Sire!'
De koning wendde zich tot de Hertog van Buckingham, die zich niet bij de rest van het spreekkoor had aangesloten. 'Wat vindt u, Buckingham?'
Als er iemand op de zoon van een slager leek, dacht Wolsey, dan was het Engelands meest vooraanstaande edelman Buckingham wel, met zijn pafferige, rode gezicht. Buckingham, die qua bloedverwantschap meer aanspraak op de troon kon maken dan de koning. Wolsey wierp een blik op Buckinghams opzichtige voorkomen. Het was toch zeker dwaas om kledij te dragen die kostbaarder en met meer edelstenen getooid was dan die van de koning. Henry wilde de beste zijn. In alles. Maar ja, dacht Wolsey, dat wilde Zijne Excellentie de Hertog van Buckingham ook. Eindelijk sprak Buckingham. 'Uwe Majesteit heeft absoluut alle reden om een oorlog uit te roepen. Sterker nog, ik heb u al een jaar geleden gewaarschuwd voor de Franse ambities — maar er was voor Uwe Majesteit blijkbaar een persoonlijke tragedie als deze nodig om mij op mijn woord te geloven!'
Henry fronste bij deze openlijke kritiek. Hij wendde zich tot een andere vertrouweling: de Hertog van Norfolk, het hoofd van de machtige familie Howard. 'Norfolk? Wat vindt u?'
Norfolk knikte vol enthousiasme. 'Ik ben het ermee eens. We moeten Frankrijk met alle beschikbare middelen aanvallen. De koning van Engeland heeft van oudsher recht op de Franse troon, die onrechtmatig in bezit is genomen door de Valois. Het wordt tijd dat we hen eruit schoppen!'
Hierop klonk gelach. Er was meer instemmend hoofdgeknik. Henry, stiekem in zijn nopjes, liet zijn blik langzaam langs zijn raadsleden dwalen. Hij hield stil bij Thomas More, die iets aan het opschrijven was. Of net deed alsof, dacht Wolsey.
Uiteindelijk vroeg de koning: 'Wat vindt u, Wolsey?'
'Ik sluit me aan bij Uwe Majesteit. Het zijn inderdaad gerechtvaardigde gronden.'
De koning glimlachte en sloeg zijn handen ineen. 'Goed! Dat is dan geregeld. Wij zullen ten strijde trekken tegen Frankrijk. Uwe Eminentie zal alle noodzakelijke regelingen treffen.'
Wolsey boog zijn hoofd. 'Majesteit.'
Henry stond op. 'En nu kan ik - eindelijk - naar mijn tenniswedstrijd.' Iedereen boog terwijl de koning zich de kamer uit haastte. Aan zijn huppelende manier van lopen was te zien dat hij in gedachten al bij de wedstrijd was.
Bij het verlaten van de kamer viel het gezelschap uiteen in de gebruikelijke, onderling fluisterende groepjes. Wolsey bewoog zich niet. More verzamelde zijn papieren en wachtte tot iedereen vertrokken was. Toen keek hij Wolsey met een bezorgde blik aan. 'Denkt u echt dat we een oorlog moeten beginnen?'
'Ik denk dat we moeten proberen te doen wat de koning wil dat we doen,'
antwoordde Wolsey.
'Maar als de koning nu niet weet wat voor hem het beste is?'
'Dan moeten we hem helpen een beslissing te nemen.'
'Ha!' De tennisbal sloeg tegen de zwartgeverfde achtermuur en was niet meer te retourneren. Vanaf de drukbevolkte tribune steeg een applaus op. Henry lachte en genoot van het applaus. Hij wist dat hij er goed uitzag als hij tenniste. De dames konden hun ogen nauwelijks van zijn sterke bovenbenen en gespierde armen afhouden. Zoals gebruikelijk was Henry aan de winnende hand; samen met zijn goede vriend Charles Brandon speelde hij een dubbelpartij tegen de kameraden Anthony Knivert en William Compton. Henry had een zwak voor tennis; het was een snel, hard en agressief spel en hij blonk erin uit. Hij had de tennisbaan een paar jaar eerder laten aanleggen, samen met een kegelbaan, een hanenmat en een fazantenveld. Zijn pleziervertrekken, noemde hij ze - perfect voor als het buiten te nat of te koud was om te gaan jagen, voor de valkenjacht of een steekspel.
'En wat bracht u naar uw huis in Jericho gisteravond?' mompelde Brandon toen hij achter Henry positie koos voor de volgende service. 'Moet ik dat eigenlijk wel vragen? Ik neem aan om uw verdriet te verzachten?' Hij sloeg een bal terug en voegde er, bijna een slag missend, aan toe: 'En bevalt Lady Blount?'
'Ze "bevalt" uitstekend, hoewel ze zich opvreet van ergernis.'
'Waarom?'
'Haar man is jaloers. Hij heeft gedreigd haar naar een nonnenklooster te sturen.'
'Een nonnenklooster?' Brandon vloekte binnensmonds. 'Eeuwig zonde!'
'Dat zou het inderdaad zijn — als ik het toestond,' zei de koning. 'Spelen!'
Ze speelden nog een paar punten voordat Henry pauzeerde om met een zakdoek het zweet van zijn voorhoofd te vegen. Hij wierp een vorsende blik op de toeschouwers. 'Dat knappe blondje achter Norfolk,' zei hij tegen Brandon. 'Ik heb haar nog niet eerder gezien.'
Brandon volgde zijn blik. 'Lady Jane Howard. Norfolk heeft haar onlangs aan de hofhouding toegevoegd, als hofdame van Hare Majesteit. Klaar?'
Henry knikte en ze speelden verder. 'Hebt u haar al gehad?' vroeg Henry. Brandon grinnikte. 'Ze heeft de meest prachtige, volle borsten... en ze zucht als je die kust.'
Lachend retourneerde Henry de service met een winnende slag. 'Game voor ons, denk ik, Anthony.'
Knivert maakte een schertsende buiging. 'Uwe Majesteit weet dat we u gewoon laten winnen!'
'Nou, ik doe anders wel mijn uiterste best,' hijgde Compton. Henry grinnikte. 'Spelen!'
'Daar is iemand die ik nou wel eens zou willen proberen,' mompelde Brandon even later. 'Kijk daar: middelste rij, in het blauw. Ziet u haar? Ziet u dat verfijnde, maagdelijke gezichtje?'
Henry knikte. Inderdaad een lekker hapje. 'Wie is zij?'
Brandon gaf een mep tegen de bal — die was niet te retourneren en werd wederom begroet met applaus. Hij grijnsde naar Henry. 'Buckinghams dochter.'
Henry keek even omhoog naar het mooie gezichtje van het meisje dat naast haar trotse en zelfvoldane vader zat en zich er niet van bewust was dat de koning en diens beste vriend over haar praatten. 'Honderd kronen dat het u niet lukt.'
'Afgesproken,' zei Brandon. 'Spelen!'
Een rijtuig reed door de boogvormige poort in het vijf verdiepingen tellende roodstenen poorthuis dat werd geflankeerd door achthoekige torens, en kwam tot stilstand op de enorme binnenplaats. De bezoekers stapten uit en keken geïmponeerd om zich heen. Hampton Court Palace, de woning van Kardinaal Wolsey, was een van de mooiste huizen in Engeland. Met naar verluidt meer dan tweehonderd met zijden behangen bedden, die voortdurend in gereedheid werden gehouden voor gasten, en meer dan vijfhonderd personeelsleden was het een indrukwekkende bezienswaardigheid. De ramen met verticale stijlen glommen in het zonlicht, en de muren met kantelen en torentjes van rode baksteen werden omringd door sierlijke tuinen.
De secretaris van Kardinaal Wolsey ging de gasten voor naar binnen en leidde hen door een doolhof van kamers behangen met kostbare schilderijen en wandtapijten. Wolsey ontving hen in een magnifieke, met boeken gevulde ruimte: een decor van welstand en geraffineerd vertoon. Voor hem niet de ingetogen burgerkledij van Thomas More. Kardinaal Wolsey droeg, zoals altijd, een scharlakenrode soutane van kostbare, zware stof - met zijde gevoerd fluweel vandaag - en om zijn hals zijn zware gouden ambtsketting bezaaid met edelstenen, met daaraan een kruis dat tot halverwege zijn borst reikte.
'Zijne Excellentie de Franse ambassadeur en Bisschop Bonnivet,' kondigde de secretaris aan.
Wolsey verrees vanachter een bureau met stapels zakelijke en officiële papieren. 'Welkom, heren.' Hij stak zijn hand uit en beide voorname gasten kusten die om beurten.
'Hetgeen gebeurd is in Urbino - het afslachten van onze ambassadeur - is uiterst ongelukkig.' Hij zweeg even. 'Vooral voor mij.' Wolsey keek de Franse ambassadeur met een fixerende blik aan. 'Uwe Excellentie is zeer goed op de hoogte van mijn sentimenten aangaande uw land. Ik heb me lang en consequent ingezet voor Franse belangen. Maar hoe ga ik dit nu verklaren?'
De ambassadeur trok een vaag verontschuldigend pruilmondje. 'In alle oprechtheid: het is niet in opdracht van mijn meester geschied. En degenen die deze misdaad hebben begaan zijn al gestraft.'
'Nee. U moet begrijpen dat we dat punt al gepasseerd zijn,' ging Wolsey verder. 'Koning Henry is een jonge man. Hij heeft de strijdlust van een jonge man — getuige zijn liefde voor het steekspel. Hij zou niets liever wil-len dan aan het hoofd van een groot leger het Engelse grondgebied in Frankrijk heroveren. Het zal moeilijk zijn hem tot bedaren te brengen.'
De ambassadeur maakte een zelfvoldaan gebaar. 'Laten we dan inderdaad oorlog voeren.'
Wolsey keek hem aan. 'Met alle respect, Uwe Excellentie, dat meent u niet. U bent al in oorlog met de keizer. Dan zou u nu op twee fronten moeten strijden - terwijl uw koning nu al, in het geheim, klaagt over een tekort aan geld en voorraden.'
De Fransen wisselden een blik van verstandhouding. Dat Wolsey op de hoogte was van dergelijke geheime informatie was een schok voor hen, zag hij, terwijl hij zijn voldoening verborg. Dachten ze nou echt dat hij onnozel was?
Eindelijk nam Bisschop Bonnivet het woord. 'Mag ik Uwe Eminentie vragen waarom u me hier vandaag heeft uitgenodigd? Ik ben tenslotte een man Gods, geen diplomaat.'
Wolsey zei minzaam: 'Maar ook ik ben een man Gods. Ik denk dat geloof diplomatie kan aandrijven. Ik heb u hier uitgenodigd omdat ik uw advies wilde.'
Bonnivet keer verbaasd. Dat mocht ook wel, dacht "Wolsey. De bisschop stamelde terwijl hij de juiste woorden probeerde te vinden. 'Tja... ik vind... ik vind dat alles wat menselijkerwijs mogelijk is gedaan moet worden om een oorlog tussen onze landen te voorkomen.' Hij wierp een snelle blik op de ambassadeur en ging, overtuigder, snel verder. 'Het zou Engeland geen goed doen om betrokken te raken bij onze Europese schermutselingen. Veel beter kan het erboven gaan staan. Waarom zich erin mengen als dat niet nodig is? Ik weet zeker dat Uwe Eminentie manieren kent om de... uw Leeuw tot bedaren te brengen,' besloot hij met een innemende glimlach.
Wolsey boog zijn hoofd. Natuurlijk kon hij dat, maar daar ging het niet om. Waarom zou hij? Dat was de vraag die zij zich moesten stellen. Henry bracht je niet zomaar wat aan zijn verstand. Als hij zich eenmaal iets - wat dan ook — in zijn hoofd had gehaald, was het bijna onmogelijk hem daarvan af te brengen. Een verstandig man, een ambitieus man, zou dat alleen doen als alle middelen waren overwogen. En als Wolsey iets was, dan was het wel verstandig. En zeer ambitieus.
Wolsey kwam ter zake. 'Excellentie, ik ga geen eisen stellen. Hierin staan de hoofdlijnen van een nieuw vredesverdrag.' Wolsey duwde een bundel papieren over de tafel. 'Haal diep adem voordat u het openmaakt.'
De ambassadeur stak zijn hand uit naar de papieren. 'Mag ik?'
Wolsey legde een hand op de zijne en voorkwam daarmee dat hij het document opende. 'Nee. Ik wil dat u vertrekt en het zorgvuldig leest. Ik denk dat dit een nieuw element aan de wereld van de diplomatie toevoegt. Als uw koning dit - in principe - aanvaardt, kan hij zonder enig gezichtsverlies tekenen. Integendeel, hij kan zich verheugen. Mijn meester kan zich verheugen. We kunnen ons allen... verheugen.'
Het was stil in de kamer.
De ambassadeur raakte het document aarzelend aan, alsof het een gifbeker was, en keek toen naar Wolsey. 'Wat wil Uwe Eminentie er in dat geval voor terug?'
'Niets.'
'Niets?'
'Niets van u,' zei Wolsey veelbetekenend. Hij keek naar de bisschop. 'Wat ik wil, Uwe Excellentie... kunt alleen u mij geven.'
'Ik... ik begrijp het niet,' stamelde Bonnivet.
Wolsey glimlachte hem mysterieus toe. 'Ah, maar wanneer u erover na gaat denken, als u bidt... als u het God vraagt... weet ik zeker dat het antwoord u te binnen zal schieten.'
In de privévertrekken van de koning werd het diner geserveerd aan Koning Henry en Koningin Katherine. Elke schaal werd door dienaren binnengebracht, gecontroleerd op vergif door de officiële proever en vervolgens overhandigd aan heren van het geheime kabinet, die hem op hun beurt weer doorgaven aan de edelen die de koning en koningin bedienden. Vandaag had de Hertog van Buckingham de eer de koning te mogen bedienen, terwijl Lady Blount het eten van Koningin Katherine serveerde. De gerechten passeerden de fluiten, blokfluiten, een trombone en een harp, die op de zuilengalerij weerklonken: malse hertenbouten uit het koninklijke hertenpark, rundergebraad, fazant geglaceerd met rozenwater, konijnen van het spit en schotels met groenten, vooral artisjokken, want daar was de koning dol op.
Henry liet het zich zoals altijd goed smaken. Hij had een zeer actieve dag achter de rug. Hij wierp een zijdelingse blik naar zijn koningin. Zij prikte voornamelijk in haar eten en stuurde het meeste weg. Ooit had hij haar de mooiste vrouw van Engeland gevonden; nu zag ze er oud uit, veel ouder dan hij. Dat was nou eenmaal het probleem als een jonge man met een oudere vrouw trouwde. Uiteraard hadden haar miskramen haar uitgeput. Zo veel kinderen, en er leefde er nog maar een.
'Hoe maakt onze dochter het?' vroeg Henry haar.
'Ze maakt het goed.' Hoewel ze al jaren in Engeland woonde, sprak ze nog steeds met een opvallend Spaans accent. Ooit had Henry dit charmant gevonden.
'Haar leraren zeggen dat ze over buitengewone talenten beschikt, vooral voor muziek.' Ze glimlachte naar hem. 'Net als haar vader. Uwe Majesteit mag trots zijn.'
Henry glimlachte terug. 'Dat ben ik ook, lieve. Dat weet u. Mary is de parel van mijn bestaan.' Hij gebaarde naar Buckingham.
'Majesteit.' Buckingham boog en presenteerde een ander gerecht: een hele gebakken tarbot met saffraansaus — Henry's lievelingsgerecht.
'Neemt u ook wat?' vroeg Henry aan zijn vrouw. Ze schudde haar hoofd. Hij sneed door het sappige vlees en at het verfijnd met mes en vingers.
'U hebt de brieven van mijn neef niet beantwoord,' zei Katherine kalm. Henry deed alsof hij haar niet had gehoord.
Ze hield vol: 'Waarom hebt u zijn brieven niet beantwoord?'
'Alleen omdat uw neef de koning van Spanje is; denkt hij dat ik niets beters te doen heb?'
'U weet dat hij u aanraadt een verdrag met de keizer te ondertekenen waarin u Frankrijk als een wederzijdse vijand erkent.'
Henry, die zijn mond vol vis had, antwoordde niet.
'Hij adviseert u tevens geen acht te slaan op alles wat Wolsey u vertelt, omdat Wolsey zo bevooroordeeld is wat betreft de Fransen.'
Henry snoof verontwaardigd. 'Sinds wanneer bent u een diplomaat?'
'Ik ben de dochter van mijn vader!' zei ze met opgeheven hoofd. Henry balde zijn vuist en antwoordde op gedempte toon. 'U bent mijn echtgenote*. U bent niet mijn minister, noch mijn kanselier, maar mijn echtgenote.' Er viel een stilte. Omdat ze beseften dat oren gespitst werden om de zachte, woedende woordenwisseling te horen, glimlachten ze beiden.
Katherine boog zich naar Henry toe en fluisterde: 'En ik zou graag in alle opzichten uw echtgenote zijn. Komt u mijn slaapvertrek niet nog eens bezoeken, zoals vroeger?'
Henry zweeg; zijn eetlust was opeens verdwenen. Een moment lang staarde hij naar het glazige oog van de tarbot.
'Deze vis is niet vers,' riep hij uit, en hij duwde het bord van zich af. Toen Henry later die avond in gereedheid werd gebracht voor het bed, schoten haar woorden hem weer te binnen. Hij tilde zijn armen op, zodat een van de kamerheren zijn nachtgewaad kon dichtknepen. Een ander trok de gordijnen rond het sierlijk bewerkte hemelbed open, terwijl een derde de bedpannen verwijderde.
Een priester hield hem een met edelstenen ingelegd kruis voor. Hij kuste het, prevelde een gebed en sloeg een kruis.
Zijn blik dwaalde naar een dressoir waarop een zilveren schaal met verschillende soorten fruit stond. Een dienaar zag wat de koning wilde, haastte zich de schaal te pakken en bood hem die aan. Henry had niet echt trek, hij was meer... rusteloos, maar hij stak afwezig zijn hand uit en merkte toen dat hij een rijpe granaatappel had uitgekozen.
Hij sneed de vrucht doormidden. Even staarde hij naar het volle, vochtige, robijnrode vruchtvlees dat bol stond van de glimmende pitten...
'Haal mijn kamerjas.'
'Jawel, Uwe Majesteit.'
Terwijl Henry met smaak de vrucht uitzoog, haalden de dienaren een kamerjas. Twee andere dienaren pakten brandende toortsen van de muren en leidden Henry naar een geheime doorgang die zijn privévertrekken verbond met die van Katherine. Hoe lang was het geleden? Henry peinsde terwijl hij met grote passen door de gang liep. Een jaar? Langer? Het deed er niet toe. Hij had een granaatappel gekozen en dat was Katherines embleem. En hij was rijp. Als God hem gewillig was, zou hij vanavond, hoe oud zij ook was, een zoon bij haar verwekken.
Toen Henry de deur opengooide die alleen hij gebruikte, veroorzaakte dat grote opwinding bij de hofdames van de koningin. In één vloeiende beweging maakten ze een diepe reverence. Onder hen was Lady Jane Howard, die hij voor het laatst klappend bij de tenniswedstrijd had gezien. De dames kwamen giechelend en duidelijk van de wijs gebracht weer overeind.
'Uwe Majesteit, we wis...'
'Welkom, Uwe Majesteit. De koningin had niet verwacht...'
'Waar is de koningin?' Henry richtte zich tot Lady Jane. Van dichtbij leek ze zelfs nog jonger en knapper.
'Hare Majesteit is nog steeds in gebed, Uwe Majesteit.'
Henry zweeg. Hij stond haar maar aan te staren. Haar huid was als zijde, stralend, melkwit; haar haar dik en glanzend. Uit het strakke, gladde keurslijfje prangde een stel parmantige borstjes gretig naar buiten. Vers. Jong. Henry haalde diep adem en nam een beslissing. 'Zeg tegen Hare Majesteit dat ik als waarlijk echtgenoot kwam om haar mijn liefde en toewijding aan te bieden.' Hij draaide zich om, maar terwijl hij dat deed, wierp hij een blik naar een van zijn eigen dienaren, die het onmiddellijk begreep. Terwijl Henry terugkeerde via zijn privédoorgang, haastte de man zich naar Lady Jane en fluisterde iets in haar oor.
Even later werd Lady Jane Henry's slaapvertrek binnen geleid. Ze kwam met neergeslagen ogen, licht blozend en zenuwachtig naar hem toe, maakte een diepe reverence en bleef zo zitten. Henry maakte een haastig gebaar en onmiddellijk trokken de dienaren zich terug in de belendende vertrekken. Hij wendde zich tot Lady Jane en tilde haar teder overeind. 'Jane,' zei hij zacht. 'Stemt u toe?'
Haar blos werd vuriger, de melkachtige borsten kleurden prachtig roze. 'Ja, Uwe Majesteit.'
Henry streelde haar wang en trok haar dichter naar zich toe. Hij kuste haar teder, eerst op haar mond, en bewoog toen langzaam naar haar wang en haar hals. Ze boog achterover en hij scheurde de voorkant van haar jurk open. Haar stevige borsten sprongen tevoorschijn, mooi en rond. Hij boog en kuste ze om beurten.
Lady Jane boog, sloot haar ogen en zuchtte.
In de kleine, prachtige Koninginnekapel zat Koningin Katherine moederziel alleen geknield op de harde stenen vloer. Dit deed ze elke dag urenlang, biddend voor een zoon. Overal om haar heen brandden smalle waskaarsen, elk vlammetje was een symbool van hoop, van verlangen. Op het altaar voor haar stond een prachtig beeld, dat door de paus zelf gezegend was, van de Heilige Maagd met het kindje Jezus in haar armen. De koningin staarde naar de Heilige Maagd terwijl haar lippen onhoorbaar en onophoudelijk gebeden prevelden.
In een voorzaal van het paleis bracht Thomas Tallis zichzelf in gereedheid voor de zoveelste nacht van slapeloosheid, honger en ongemak. Hij had slechts een homp droog brood en een harde kaaskorst gegeten, weggespoeld met wat zuur bier. Het lag hem zwaar op de maag.
Gesnurk, winden en dronken gebrabbel vulden de ruimte; de geluiden van mislukkelingen en klaplopers. Sommigen diep gezonken en anderen, zoals Tallis, mannen die aan het hof nooit faam en fortuin zouden vinden, mannen die nu te arm waren om zich een bed of kamer te kunnen veroorloven. Net als Tallis waren ze te trots om te vertrekken, te trots om met de staart tussen de benen terug te keren naar waar ze ook vandaan waren gekomen. Tallis drukte een verlept bosje kruiden tegen zijn neus. Dat had hij van huis meegenomen, in een vlaag van sentimentaliteit op het laatste moment in zijn wambuis gestoken. De geur was zwak, te zwak om de ongezonde lucht in de ruimte te verdringen, maar hij putte er toch troost uit. Hij keek aan de binnenkant van zijn wambuis om te controleren of de kostbare brief daar nog veilig zat, leunde met zijn rug tegen een stenen pilaar, sloot zijn ogen voor de boze buitenwereld en probeerde te slapen.
Hoofdstuk 2
De menigte op het toernooiveld brulde. Twee enorme strijdrossen met ridders in volle wapenrusting — de een in het zwart, de ander in het zilver —
stormden langs twee kanten van een liggende houten paal naar elkaar toe. De grote paarden galoppeerden sneller en sneller. De grond trilde. Beide ridders richtten hun lange houten lans op de borstplaat of helm van de tegenstander. De hovelingen en andere toeschouwers op de publieke tribune moedigden hun favoriet aan. Koningin Katherine sloeg met een aantal van haar dames vanonder een gekleurde luifel het spektakel gade. Krak! De lans van de zwarte ridder spatte uiteen tegen de helm van de zilveren ridder. Houtsplinters vlogen alle kanten op. De zilveren ridder stortte ter aarde.
De toeschouwers hielden hun adem in. Wachtten. De gevallen ridder lag midden op het veld en bewoog niet. Toen zagen ze langzaam bloed door het vizier van zijn helm sijpelen. Een paar mannen renden naar hem toe. Een van hen bukte en tilde het hoofd van de ridder op. Het bloed gutste uit zijn achterhoofd en vormde een plasje in het zand. De zegevierende zwarte ridder zette zijn helm af en er ging opnieuw een gejuich op. Het was de Hertog van Buckingham. Hij boog zijn hoofd hoffelijk in de richting van de tribune en nam het applaus dat hem toekwam in ontvangst.
Er waren drie sterke mannen nodig om de gevallen ridder op te tillen. Hij kreunde toen ze hem verplaatsten. Een stalknecht schopte schoon zand over de bloedvlekken en het steekspel begon opnieuw. Koning Henry en zijn vrienden Brandon, Knivert en Compton stonden te popelen om het strijdperk te betreden. Henry's wapenrustig was magnifiek. Als afstammeling van een lange lijn beroemde strijders was Henry een koning die zijn bloed waardig was. Lachend en grappen makend doodden ze de tijd met het bekritiseren van hun voorgangers en het speculeren over de verschillende dames in het paviljoen van de koningin. Brandon had vooral belangstelling voor de nieuwste hofdame van de koningin. Daar stond tenslotte een weddenschap op.
'Ah, eindelijk is het mijn beurt,' zei Brandon, terwijl hij een blik wierp op het paviljoen van de koningin om te zien wie daar zaten.
'Veel geluk, Charles,' zei Compton.
'Ik heb geen geluk nodig, mijn vriend. Niet zoals u.'
Compton grinnikte. 'Neem het toch maar.'
Knivert lachte en knikte met zijn hoofd in de richting van de dames. 'Hij
"neemt het" hoe dan ook altijd.'
De trompetten van de herauten klonken en Brandon reed naar het podium waarop Katherine en haar dames zaten. Hij boog voor de koningin. 'Uwe Majesteit.' Toen liet hij zijn speurende blik opzettelijk even rusten op Lady Jane, om die vervolgens... vast te pinnen op Anna, de dochter van de Hertog van Buckingham.
'My lady, zou u mij de eer willen gunnen vandaag uw kleuren te mogen dragen?'
Anna knikte verlegen. Ze stond op om Brandon een stukje stof te geven dat in haar kleuren was geverfd. Zonder zijn ogen van haar af te wenden, bond Brandon het lapje om zijn lans. Toen boog hij.
Hij reed terug naar het strijdperk, waar zijn page hem zijn wapenschild en helm overhandigde. Brandon nam zijn plaats in en sloeg zijn vizier dicht. Het spleetje was net groot genoeg om zijn tegenstander te zien. Meer had hij niet nodig. Hij wachtte op het startsignaal.
Brandon voelde Anna's ogen op hem branden. Het signaal klonk. Hij gaf zijn paard de sporen en stormde naar voren.
Ver van het rumoer van het toernooiveld zat Kardinaal Wolsey te werken aan zijn bureau. Daarop lagen hoge stapels documenten. Staatszaken konden niet wachten tot sportwedstrijden en toernooien afgelopen waren. Niet dat Wolsey van zulke dingen hield. Het steekspel was iets voor de adel.
Wolsey had hard moeten werken om te komen waar hij nu was, en hoe hoger hij klom, hoe meer werk er te doen was. Soms werd hij al voor zonsopgang wakker, om vier of vijf uur, en hij werkte dan de hele dag tot
's avonds laat door. Dat wist de koning ook, en hij waardeerde het. Zijn secretaris klopte. 'Eminentie, Lady Blount is hier.'
Wolseys eerste reactie was irritatie. Hij had geen tijd om zich bezig te houden met de luimen van de maitresse van de koning. Hij aarzelde. Bessie Blount was niet gek. 'Heel goed, laat haar binnenkomen.'
Lady Blount betrad de kamer en maakte een diepe reverence.
'Uwe Eminentie.'
'Wat kan ik voor u doen, Lady Blount?'
Ze aarzelde, draaide aan een ring aan haar hand. 'Ik... draag een kind, Uwe Eminentie.'
'En? Dat is geen ongebruikelijke toestand voor een vrouw.' Wolsey pakte zijn ganzenveer op.
'Het is... het is het kind van Zijne Majesteit.'
Wolsey legde de ganzenveer neer. Hij keek haar onderzoekend aan. 'Weet u dat heel zeker?'
Wolsey dacht even na. 'Hebt u het al aan de koning verteld?'
Ze schudde haar hoofd.
'Goed. Ik zal Zijne Majesteit te zijner tijd op de hoogte brengen. Maar voorlopig zegt u niemand iets - op straffe van de dood' Hij keek haar streng aan. 'Begrijpt u dat?'
Ze knikte.
'Wanneer u uw toestand niet langer verborgen kunt houden, zult u overgebracht worden naar een afgezonderde plek voor uw kraambed. Daar kunt u uw bastaard ter wereld brengen.'
Hij pakte de ganzenveer weer op. De audiëntie was ten einde. 'Dank u, Eminentie.'
Wolsey gaf geen antwoord. Hij werd weer geheel in beslag genomen door zijn correspondentie.
Lady Blount verliet stilletjes de kamer; toen de deur achter haar sloot, slaakte ze een zucht van verlichting. Ze had er verstandig aan gedaan om Wolseys hulp in te schakelen. Ze had iemand nodig om de belangen van haar kind te helpen beschermen. De koning had alle belangstelling voor haar verloren, en haar echtgenoot had het er alleen maar over dat hij haar ging opsluiten in een nonnenklooster.
Het was de moeite waard geweest, zei ze tegen zichzelf, ook al had het de koningin ontstemd dat ze niet naar het toernooi kwam. Een andere ridder stortte ter aarde en weer brulde de menigte. Luid applaus weerklonk toen de man overeind werd geholpen en spottend buigend zelf het strijdperk verliet.
Henry en zijn vrienden waren bezweet, stoffig en zaten onder de korsten, maar hun bloeddorst brandde en ze wilden meer.
'Wie is de volgende?' vroeg Compton reikhalzend.
'De zwarte ridder — Buckingham,' zei Brandon.
'Wat?' riep Knivert uit. 'Hij heeft al tien wedstrijden gewonnen! Wat probeert hij te bewijzen?'
'Laat mij het tegen hem opnemen," smeekte Compton.
'Nee,' zei Brandon. 'Dat doe ik. Ik wil de onuitstaanbare trots van die man maar wat graag krenken.'
'Uit de weg!' beval Henry, en Brandon trok zich terug om de koning het strijdperk te laten betreden.
De menigte verstomde. Dat gebeurde altijd: alleen al de verschijning van de koning van Engeland - te paard, in levenden lijve - ontlokte een hoorbare golf van opwinding. Terwijl hij naar het podium reed, boog Compton zich naar Brandon. 'Wat is er toch tussen die twee?'
Brandon keek om zich heen of niemand hen kon afluisteren voordat hij antwoord gaf. 'Buckingham kan meer aanspraak maken op de troon dan Henry. En dat weten ze allebei.'
Henry knikte hoofs naar de koningin. 'My lady.'
Katherine glimlachte en bond haar kleuren aan zijn lans. Ondertussen ving Henry de blik van Lady Jane en zij bloosde. Hij gaf geen krimp, maar boog nogmaals voor Katherine en galoppeerde terug naar de rand van het strijdperk. Zijn helm werd zorgvuldig op zijn hoofd geplaatst. Een dienaar overhandigde hem zijn schild. Hij sloot zijn vizier en door de twee smalle kijkgaten zag hij ineens zijn doelwit, Buckingham; een klein figuurtje in de verte. Henry's vechtersbloed ging sneller stromen.
De aanspraak van de Tudors op het koningschap was niet gebaseerd op bloedverwantschap, maar op bloedvergieten. Zijn vader had de troon veroverd op het slagveld - Bosworth Field - die in bezit genomen en vastgehouden, en zo een Tudordynastie gesticht die eeuwig zou voortbestaan. Als Buckingham dat vergeten was, zou hij het vandaag weer leren. En Henry Tudor, zoon van de overwinnaar van Bosworth Field, zou hem dat lesje bijbrengen. Henry's paard, dat ook speciaal voor oorlogen was gefokt, voelde zijn stemming aan en snoof en steigerde ongedurig. Op het signaal gaf Henry het de sporen. Met donderend hoefgetrappel won het paard aan snelheid, sneller, sneller. De menigte brulde. Het toernooiveld vervaagde in de snelheid. Henry had al zijn aandacht gericht op dat kleine lichtvlekje waarin zijn prooi zich bevond.
Hij bewoog de punt van de lans, die mijlenver weg leek, naar beneden. Richten was moeilijk vanwege zijn lengte en gewicht, en door de bewegingen van het paard. Hij spande zijn spieren, waardoor de lans onbeweeglijk recht op zijn vijand wees.
Buckinghams paard stormde zijn kant op, door de nauwe spleetjes van de helm werd het groter en groter. Henry tuurde langs de lans naar voren en zette zich schrap.
KRAK! Er volgde een geluidsexplosie. Een ziekmakend geluid van hout dat botste op metaal. Henry slingerde. Zijn helm galmde. Hij wankelde, bracht zichzelf weer in evenwicht en verzamelde zijn krachten. Zijn lans was versplinterd. Henry gooide hem aan de kant. Hij keerde zijn paard om te zien wat er was gebeurd. Buckingham lag languit op de grond, smadelijk verslagen. Het volk juichte van uitzinnige vreugde. Henry was hun koning. Door God verkozen om over Engeland te heersen. Opnieuw was een Tudor zegevierend uit de strijd gekomen. Henry reed terug en keek onbewogen toe hoe Buckinghams pages diens helm verwijderden. Er was geen bloed. Kreunend van de inspanning slaagden ze erin hem rechtop te laten zitten. Door het stof heen keek Bucking-ham Henry boos aan, met stomheid geslagen door koppige woede en vernedering. De koning wierp hem een kille, waarschuwende blik toe, keerde toen zijn paard en reed weg om te genieten van zijn triomf.
Henry leunde achterover in de koninklijke sloep en zag Engeland, zijn Engeland, aan zich voorbijtrekken. Hij zou gaan dineren met Thomas More en diens familie in Mores huis in Chelsea. Hij reisde veel liever per sloep dan dat hij de vieze en verstopte Londense straten trotseerde. Thomas More en zijn familie stonden op hun steiger om de koning te begroeten. Henry sprong aan land en omhelsde More. 'Thomas.' Hij was gesteld op zijn oude leermeester. Terwijl ze in de zon kuierden, vroeg Henry: 'Waarom komt u niet aan het hof wonen, Thomas?'
'U weet heel goed waarom ik dat niet wil: het is niets voor mij. Mijn juridische werk en mijn leven zijn hier. Het hof is voor mensen die ambitieuzer zijn.'
'U hebt niet veel gezegd tijdens de raadsvergadering.'
'Waarover?'
'Over de oorlog tegen Frankrijk.'
Na een korte stilte zei More: 'Als humanist verafschuw ik oorlog. Het is een bezigheid die alleen geschikt is voor beesten, maar toch door geen enkele diersoort met zo veel regelmaat wordt gepraktiseerd als door de mensheid.'
Henry fronste. 'Als humanist deel ik uw mening. Als koning ben ik gedwongen het niet met u eens te zijn.'
Er verscheen een flauw glimlachje op Mores lippen. 'Gesproken als een jurist.'
Henry lachte. 'U kunt het weten. U hebt het me geleerd!'
'Blijkbaar niet goed genoeg.'
Speels greep Henry More bij de nek. 'Bent u klaar?' Lachend bekende More dat dat zo was. Henry liet hem los en liep voor hem uit.
'Harry!' riep More, en hij haastte zich om hem in te halen. 'Nee, ik ben niet klaar. Ik vind dat u de rampzalige hoeveelheden geld die u aan oorlog uitgeeft beter aan het welzijn van uw volk kunt besteden.'
Henry keek hem aan. 'Thomas, ik zweer u, ik wil een rechtvaardig heerser zijn. Maar vertel me eens: welke glorie valt er te behalen met onderwijs en welzijn? Waarom kent iedereen Henry V nog? Omdat hij universiteiten begiftigde en armengestichten voor de behoeftigen liet bouwen?'
Henry maakte een krachtig gebaar. 'Nee! Omdat hij de slag bij Azincourt heeft gewonnen. Drieduizend Engelse boogschutters tegen zestigduizend Fransen! De crème de la crème van de Franse ridderstand in slechts vier uur vernietigd!' Hij keek More aan. 'Die overwinning maakte hem beroemd, Thomas. Die maakte hem onsterfelijk?
Het was druk op het hof en het werd met de minuut luidruchtiger. Ze hadden zich het feestmaal goed laten smaken en de drank nog beter. De Hertogen van Buckingham en Norfolk stonden het geheel vanaf de zijkant gade te slaan. Buckingham leegde een bokaal en stak hem naar voren om bijgeschonken te worden. 'Hij heeft op niets van dit alles ook maar enig recht,' zei hij met licht lallende stem tegen Norfolk. 'Zijn vader heeft op het slagveld de kroon gegrepen; hij kon er niet echt aanspraak op maken, alleen via een bastaard van moederszijde.'
Norfolk zei op sussende toon: 'De familie van Uwe Excellentie gaat veel verder terug.'
Buckingham knikte hevig. 'Dat is zo. Ik ben een directe afstammeling van Edward II. Het is mijn kroon, en dit is mijn hof. Niet zijn kroon omzijn hof.'
Verschrikt keek Norfolk om zich heen. 'Praat wat zachter! Dat is verraad, Uwe Excellentie.'
'Maar het is toch waar, Norfolk? Het is de waarheid. En op een dag zullen we zorgen dat die uitkomt.' Hij keek naar Norfolk.
Norfolk zei niets.
Buckingham liep weg, met in zijn kielzog een kleine entourage volgelingen. Terwijl ze door het hof wandelden, maakten buigende hovelingen de weg voor hen vrij. Een enkeling boog zelfs voorover om Buckinghams hand te kussen. Hij was een indrukwekkende verschijning, het toonbeeld van een koning in spe.
Toen hij de deur van zijn privévertrekken opende, hoorde hij in de aangrenzende kamer de zeer luide, onmiskenbare geluiden van een stel dat met het liefdesspel bezig was.
Hij beende naar de deur en gooide die open. Daar, op zijn bed, was dat zwijn, die kameraad van lage komaf van de koning, Brandon, naakt Buckinghams eigen dochter Anna aan het rammen. Met een kreet van woede trok Buckingham zijn zwaard. Brandon rolde van Anna af en bevroor toen de punt van het zwaard zijn keel raakte.
'Wat heeft dit te betekenen?' snauwde Buckingham.
'Waar het op lijkt, Uwe Excellentie,' antwoordde Brandon droog. Buckingham duwde de punt wat dieper. 'U hebt mijn dochter geschonden.'
'Nee. Nee, ze smeekte erom.' Brandon wierp hem een arrogante blik toe.
'U hebt haar onteerd!'
'Ik zweer u dat dat niet zo is, Uwe Excellentie. Iemand anders is mij voor geweest.' Er klonk gesmoord gegiechel uit het bed.
Buckingham ontplofte bijna van woede. 'Hoerenzoon!'
Brandon zei onverschillig: 'Ja, dat is waar, Uwe Excellentie.'
Gefrustreerd liet Buckingham zijn zwaard zakken. 'Eruit!'
Brandon vertrok. Buckingham liep naar het bed. Anna zat daar lijkbleek en doodsbang in elkaar gedoken te wachten; ze wist wat er zou volgen.
'Kijk me aan,' snauwde hij.
Anna keek op. Haar vader staarde haar lang, heel lang aan en sloeg haar toen zo hard hij kon in haar gezicht. Bloed spoot uit haar neus. Met een met specerijen en kruiden doorstoken sinaasappel tegen zijn neus om zich te beschermen tegen de stank van het gepeupel, bewoog Kardinaal Wolsey zich door het paleis. Petitionarissen zwermden om hem heen. Zijn dienaren duwden hen achteruit.
Zijn kamerheer liep voor hem uit en riep: 'Maak plaats voor Zijne Excellentie. Maak plaats!'
De petitionarissen riepen: 'Eminentie, ik smeek u, lees mijn petitie!'
Staande tussen de petitionarissen keek een uitgehongerde en zich nogal ziek voelende Thomas Tallis zonder hoop toe hoe de kardinaal even stopte om te praten met Mijnheer Pace, de secretaris van de koning.
'Kan ik erop vertrouwen dat u mijn belangen goed in de gaten houdt, Mijnheer Pace?' zei Wolsey.
'Uiteraard, Uwe Eminentie. Als een adelaar.'
Wolsey trok een wenkbrauw op. 'Ik heb geen behoefte aan een adelaar, Mijnheer Pace. Die kunnen veel te hoog zweven.' Met een vinnige blik voegde hij eraan toe: 'Wees een duif; schijt op alles!'
Een snelle glimlach verscheen op Pace' gezicht. 'Ja, Eminentie.'
Wolsey liep verder. 'Waar is de koning?'
'Aan het jagen.'
'Goed. Dat houdt hem goedgehumeurd. Laat het weten als hij terugkeert.'
'Ja, Eminentie.' Pace boog en Wolsey liep weg. De petitionarissen bleven roepen. Pace' blik dwaalde emotieloos over de mannen die naar hem riepen en bleef toen hangen. Zijn blik werd beantwoord door een dunne, afgetobde, bleke jongeman. Tallis voelde zijn hart in zijn borstkas stokken. Mijnheer Pace staarde hem recht in de ogen. Alsof hij hem herkende. Hij keek zwijgend terug toen de secretaris van de koning zijn hand ophief en wenkte. Tallis strompelde naar voren.
Mijnheer Pace bekeek hem van top tot teen. 'U bent hier al heel lang. Wat is het dat u wilt?'
Tallis taste in zijn hemd. 'Ik... ik heb aanbevelingsbrieven, sir. Ik...' Hij haalde ze tevoorschijn en overhandigde ze.
Mijnheer Pace wierp er een blik op, fronste en bekeek ze toen van dichterbij. Hij keek op. 'Maar... deze zijn van de Deken van Canterbury Cathedral!'
Ja, sir.
Pace bekeek hem even en schudde toen zijn hoofd. 'Volg mij.' Zonder acht te slaan op de smekende kreten van de petitionarissen leidde hij Tallis naar de Koninklijke Kapel, waar een groep koorknapen onder leiding van een grijze oudere man aan het repeteren was. Pace stootte Tallis aan. 'Dat is de koorleider, Mijnheer William Cornish.'
Tallis knikte. De muziek was subliem; de harmonie van pure, perfecte klanken vulde de doodstille kapel met luister. Balsem voor Tallis' gekwetste ziel. Een paar minuten stonden ze te luisteren. Opeens schraapte Mijnheer Pace tot afschuw van Tallis luid zijn keel.
Geïrriteerd keek William Cornish om zich heen. Toen hij de secretaris van de koning zag, legde hij de repetitie stil en kwam naar hen toe.
'Mijnheer Pace, wat kan ik voor u doen?'
'Deze jongeman heeft aanbevelingsbrieven. Van de Deken van Canterbury Cathedral.'
William Cornish pakte de brieven en bestudeerde die. Terwijl hij las, trok hij zijn wenkbrauwen op. Ten slotte keek hij boven de brieven uit naar Tallis. 'Thomas Tallis.'
'Ja, sir.'
'En u bespeelt, staat hier, het orgel en de fluit, en kunt bovengemiddeld goed zingen.'
Tallis knikte en voelde dat hij bloosde.
'Nog iets anders?' vroeg William Cornish.
Thomas slikte. 'Ja, sir. Ik... ik componeer een beetje.'
Cornish' wenkbrauwen gingen opnieuw omhoog. 'Is dat zo? Welnu, als de deken uw talenten aanbeveelt — dan moesten we maar eens kijken. De maan kwam op boven Londen en zette de stad in een zilveren gloed vol schaduwen. In een aan de buitenmuur grenzend privévertrek had Henry afgesproken met Kardinaal Wolsey en Thomas More om de voorbereidingen op de oorlog te bespreken. Zelfs na een dag met zo veel lichaamsbeweging had Henry nog energie over. Kauwend op een appel struinde hij door de kamer.
'Ik neem aan dat Uwe Majesteit vandaag genoten heeft van een goede jachtpartij?' zei Wolsey.
Henry knikte vriendelijk. 'Hoe staat het met de voorbereidingen?'
'Zeer goed. Zowel uw strijdkrachten ter land als die ter zee zijn zich aan het groeperen. Voorraden en goederen worden opgeslagen. Binnen een paar weken kunt u ten strijde trekken.'
'Uitstekend! Ik wist dat ik op u kon rekenen. Wanneer hebt u me ooit in de steek gelaten?'
Wolsey boog zijn hoofd. 'Ik ben Uwe Majesteit zeer erkentelijk. Maar er is wel...' Enigszins bezorgd brak hij zijn zin af.
De koning stond stil. 'Wat is er?'
Met de houding van iemand die schoorvoetend de waarheid moet vertellen, zei Wolsey: 'Oorlogen zijn kostbaar, Uwe Majesteit. Om die te bekostigen, moet u de belastingen verhogen. Dat is niet altijd populair.'
Er viel een stilte, waarin de namen van Richard Empson en Edmund Dudley onuitgesproken in de lucht hingen. Henry's vader had een gehavend koninkrijk tot een staat van voorspoed gebracht door een programma van rigoureuze belastingen. Empson en Dudley waren de ministers die dit programma ten uitvoer hadden gebracht. Ze werden gehaat door het volk. Een van Henry's eerste daden toen hij zijn vader op achttienjarige leeftijd opvolgde was het laten executeren van Empson en Dudley. Hij was vergeten op grond waarvan. Het had hem immens populair gemaakt.
Wolsey ging verder: 'Maar wat nu als Uwe Majesteit meer aanzien en prestige zou kunnen verwerven met andere middelen?'
Henry wierp hem een venijnige blik toe. 'Andere middelen?'
'Vreedzame middelen.'
Henry's gezicht betrok. 'Wat? Geen veldslagen? Geen overwinningen?'
'Ik denk dat Uwe Majesteit even naar hem moet luisteren,' zei More. Weifelend liet Henry zich op een stoel neervallen. 'Goed, gaat u verder.'
Wolsey zette het uiteen. 'Ik heb de afgelopen weken uit naam van Uwe Majesteit een aantal intensieve diplomatieke gesprekken gevoerd. Niet alleen met de Franse ambassadeur, maar ook met vertegenwoordigers van de keizer, en afgezanten van de Italiaanse staten, Portugal, Denemarken...'
'Waarom?'
'Om een verdrag tot stand te brengen.'
'Wat voor verdrag?' vroeg Henry hem allesbehalve blij. More kwam tussenbeide. 'Een nieuw soort verdrag. Iets wat nog nooit is overwogen.'
Henry trok zijn wenkbrauwen op. 'En dat is?'
Wolsey haalde diep adem. 'Een Verdrag van Universele en Eeuwigdurende Vrede.'
Ondanks alles was Henry geïntrigeerd. 'Een Verdrag van Universele en Eeuwigdurende Vrede.' Hij stond op en begon weer te ijsberen. 'En hoe moet zoiets geëffectueerd worden?'
Wolsey antwoordde. 'In verschillende stadia. Allereerst zal er een ontmoeting plaatshebben tussen de koningen van Frankrijk en Engeland. Tijdens die bijeenkomst zal Uwe Majesteits dochter zich officieel verloven met de Franse dauphin. Na afloop ervan zult u beiden het verdrag tekenen.'
More voegde eraan toe: 'Het verdrag zal iets totaal nieuws zijn in de geschiedenis van Europa. Het verplicht alle ondertekenaars zich te houden aan het principe van collectieve veiligheid en universele vrede.'
Henry's snelle geest tolde. 'Maar hoe zou het bekrachtigd worden?'
Wolsey antwoordde: 'Zodra een van de ondertekenende landen aangevallen wordt, eisen alle anderen dat de agressor zich terugtrekt. Als deze dit weigert, zal de rest binnen een maand openlijk stelling tegen hem nemen en dat blijven doen tot de vrede hersteld is.'
'Het verdrag voorziet ook in het creëren van pan-Europese instituten,' zei More.
Henry ging sneller lopen. 'Op de een of andere manier staat dit me wel aan! Ik weet wat het is. Ik herken het...' Hij keek More aan. 'En u ook, Thomas.'
More knikte. 'Ja, Henry. Het is het toepassen van humanistische principes op internationale zaken.'
Henry wendde zich tot Wolsey. 'Uwe Eminentie verdient een felicitatie.'
Wolsey spreidde zijn armen in een gebaar van nederigheid. 'Ik zoek geen lof. Uwe Majesteit zal gezien worden als de architect van een nieuwe en moderne wereld. Voor mij is dat lonend genoeg.'
Henry omhelsde hem. 'Wees altijd, altijd, verzekerd van onze liefde.'
Wolsey glimlachte. Henry sloeg More vrolijk op diens rug, toen een zenuwachtige kamerheer binnenkwam.
'Ja?' vroeg Henry, ontstemd door de interruptie.
'De Hertog van Buckingham staat op een onmiddellijke audiëntie, Uwe Majesteit.'
Henry's gezicht betrok; toen gaf hij met tegenzin zijn toestemming. Wolsey boog licht en begon zich terug te trekken, maar Buckingham, die niet bereid was te wachten, duwde hem ruw aan de kant en beende de kamer in. Hij wierp Wolsey een minachtende blik toe, alsof hij oud vuil was, en richtte zich toen de kardinaal vertrokken was tot de koning.
'Uwe Excellentie,' zei Henry gereserveerd.
'Uwe Majesteit moet ervan op de hoogte worden gebracht dat ik de heer Charles Brandon in flagrante delicto heb aangetroffen met mijn dochter!'
Henry trok een wenkbrauw op. 'En u bent tussenbeide gekomen?'
Er viel een geschrokken stilte. Het gezicht van de hertog verkrampte en werd paarsbruin van ingehouden razernij. 'Mijnheer Brandon heeft schande gebracht over mijn familie. Ik eis dat Uwe Majesteit hem uit het hof verbant — met welke andere straf Uwe Majesteit dan ook geschikt acht.' Hij stond boven op de lip van de koning en keek hem strijdlustig aan. Op kille toon zei de koning: 'Er komt geen bestraffing. Tenzij uw dochter de heer Brandon ervan beschuldigt haar te hebben verkracht.' Hij wierp de hertog een sluwe blik toe. 'Beweert zij dat?'
Er kwam geen antwoord. Buckingham worstelde zichtbaar met zijn woede. Henry herhaalde op strenge toon: 'Beweert zij dat de heer Brandon haar tegen haar wil heeft verkracht?'
'Dat hoeft ze niet! Het is een misdrijf tegen mij en mijn familie!'
Henry haalde zijn schouders op. 'Zover ik weet, is er geen misdrijf begaan. Er is derhalve geen noodzaak tot welke straf dan ook.'
Buckinghams ademhaling was hoorbaar. Hij leek op het punt van ontploffen te staan, maar slaagde erin zichzelf voldoende onder controle te krijgen om een korte, spastische buiging te maken. 'Majesteit,' gromde hij tussen zijn tanden door. Daarop verliet hij op hoge poten het vertrek. Henry keek hem met een vage glimlach op zijn gezicht na. Thomas More dook op uit de schaduw. 'Kijk uit voor Buckingham, Harry,' zei hij vertrouwelijk. 'Hij mag dan stom zijn, maar hij is rijker dan u en hij kan een beroep doen op een privéleger. Zelfs uw vader heeft hem nooit gedwarsboomd.'
Henry draaide zich om en wierp hem een lange, ondoorgrondelijke blik toe.
In het gezelschap van Bisschop Bonnivet wandelde Wolsey later die avond door de met toortsen verlichte gangen van het paleis, waar ze niet gehoord of gezien konden worden. Ze spraken zacht met elkaar.
'Het doet me veel deugd dat de Koning van Frankrijk heeft ingestemd het verdrag te ondertekenen en de ontmoeting wil organiseren,' vertelde Wolsey de bisschop. Bonnivet spreidde zijn handen in een zelfvoldaan gebaar. 'Zijne Majesteit is opgetogen dat er geen oorlog komt. Wij allemaal.'
'En hoe staat het met de andere kwestie die we besproken hebben?'
Na een korte pauze antwoordde Bonnivet: 'Welke "andere kwestie", Uwe Eminentie?'
De evidente achterbaksheid! Met twee handen greep Wolsey de bisschop bij zijn nek en sloeg hem als een insect tegen de muur. De bisschop snakte naar adem, zijn ogen puilden uit van de schrik.
Wolsey siste in zijn oor: 'Ik heb het hachje van uw meester gered. Ik wil mijn beloning. En u kunt dat regelen. Begrepen?' Hij sloeg de bisschop nogmaals tegen de muur.
De bisschop knikte, niet in staat om te spreken.
Op hetzelfde moment beantwoordde de Engelse ambassadeur aan het Franse hof, Sir Thomas Boleyn, de invitatie een bezoek te brengen aan de Hertog van Buckingham in diens privévertrekken binnen het paleis. Hij wandelde door de zeer luxueuze kamers van de hertog, de ene nog weelderiger en opzichtiger versierd dan de andere, begeleid door een van Buckinghams bedienden, een man met de naam Hopkins. Boleyn zag het vertoon van vorstelijke rijkdom. En dus: macht.
In een van de kamers zat een knap meisje met een bandage over haar neus een boek te lezen. Buckinghams dochter, dacht Boleyn, maar wat was er met haar gezicht gebeurd? Bij het zien van zijn starende blik draaide ze zich om. Hopkins wenkte Boleyn en liet hem een kamer binnen.
'Sir Thomas Boleyn, Uwe Excellentie.'
Schitterend gekleed in een geborduurd wambuis van zijde en fluweel, en van top tot teen behangen met edelstenen, begroette Buckingham hem met een loom gebaar. 'Sir Thomas, ik hoop dat u mijn invitatie niet aanmatigend vond. Ik hoorde dat u uit Frankrijk was teruggeroepen.'
'Ik ben hier voor een korte periode, Uwe Excellentie,' zei Boleyn.
'Mij is verteld dat u een uitstekende ambassadeur bent.'
'Door, wie het ook zijn, erg vriendelijke mensen.'
Buckingham stuurde zijn bedienden weg. Toen de deur achter hen dichtging, zei hij: 'U stamt uit een oud geslacht.'
Boleyn accepteerde het compliment. 'Inderdaad. Hoewel lang niet zo oud, of zo voornaam, als dat van Uwe Excellentie.'
Duidelijk ingenomen wuifde Buckingham het compliment weg. 'Desalniettemin hebben we veel gemeen. Ik heb begrepen...' Hij liet een betekenisvolle stilte vallen. 'Ik heb begrepen dat u net zo'n hekel hebt aan omhooggevallen arrivisten als ik.'
Boleyn wist op wie Buckingham doelde. Hij antwoordde behoedzaam:
'Ik... ik vermoed dat ik weet over wie Uwe Excellentie het heeft.'
Buckingham knikte. 'De koning verkiest het zichzelf te omringen met gewone burgers, betekenisloze mannen, nieuwe mannen, zonder stamboom of titels. Wat draagt dat nu bij aan het prestige van zijn kroon?'
Boleyn bevond zich op glad ijs. En de muren hadden oren. 'Uwe Excellentie, ik...'
Buckingham maakte een smalend gebaar. 'Zijn vader heeft de kroon met geweld verkregen - niet met recht!'
Behoedzaam zei Boleyn: 'Niemand wil terug naar de verschrikkelijke tijden van burgeroorlog, Uwe Excellentie. Gebeurd is gebeurd. De koning is de koning.'
Buckingham keek Boleyn lange tijd onderzoekend aan. Toen knikte hij vaag. 'En Wolsey is zijn dienstmaagd! De zoon van een slager! Een geestelijke met een maitresse en twee kinderen! Zeg me eens, Boleyn, bent u gesteld op die kerel?'
Boleyn was opgelucht dat hij was ontsnapt. Over openlijk verraad spreken was één ding, Kardinaal Wolsey bekritiseren iets anders. 'Helemaal niet,'
zei hij.
Buckingham glimlachte en wreef in zijn handen. 'Dan zullen we hem samen kapotmaken!'
Hoofdstuk 3
De regelingen voor het Verdrag van Universele en Eeuwigdurende Vrede verliepen voorspoedig. En Henry vond het tijd worden om zijn cousin Francis, Koning van Frankrijk, persoonlijk te schrijven. Terwijl de barbier hem in zijn privévertrekken aan het scheren was, dicteerde hij een brief aan zijn secretaris Richard Pace.
'Mijn beste koninklijke cousin... Nee. Maak daar Mijn geliefde cousin van. Wij sturen u onze genegenheid. We houden zo veel van u, dat het onmogelijk zou zijn nog meer van u te houden.' Hij keek naar Pace en zag hem vaag glimlachen.
'Laten we alle noodzakelijke maatregelen treffen om elkaar persoonlijk te ontmoeten. Niets ligt mij momenteel nader aan het hart dan dit Verdrag van Universele en Eeuwigdurende Vrede.'
Henry stopte even en boog zijn hoofd naar achteren, zodat de barbier onder zijn kin kon scheren. 'Als teken van mijn goede wil, mijn engagement met dit verdrag en mijn liefde voor Uwe Majesteit, heb ik besloten...'
De koning streek over zijn gladgeschoren kaak, dacht even na, en dicteerde: '... heb ik besloten mij niet meer te laten scheren tot wij elkander zien. Mijn baard zal een teken van universele vriendschap, van onze onderlinge liefde zijn.' Hij keek nogmaals naar Pace en lachte. Bisschop Bonnivet arriveerde op Hampton Court Palace, de woning van Kardinaal Wolsey, vol van het nieuws dat hij kwam brengen. Hij kwam direct ter zake. 'Ik heb nieuws voor Uwe Eminentie. Zijne Heiligheid Paus Alexander is ernstig ziek. Het zal niet lang duren voordat hij naar Gods Huis geroepen wordt.'
'Hoe tragisch,' zei Wolsey minzaam, en hij sloeg een kruis. 'Laat ons bidden.' Hij boog even zijn hoofd en keek, toen hij klaar was, Bonnivet aan.
De bisschop, die zich voelde als een muis die werd aangestaard door een uil, zei gehaast: 'Met het oog op de vermaarde piëteit van Uwe Eminentie, én op uw grootse onderwijzende en diplomatieke vaardigheden, kan ik Uwe Eminentie verzekeren van de steun van de Franse kardinalen bij het conclaaf voor het kiezen van een opvolger.'
Wolsey wendde een uitdrukking van vage, voldane verrassing voor. Bonnivet besloot: 'Samen met de stemmen van uw eigen kardinalen — en als God het wil - zult u tot paus worden gekozen. De Bisschop van Rome en onze nieuwe Heilige Vader.'
De spieren in Wolseys gezicht bewogen nauwelijks, maar op de een of andere manier straalde hij totale voldoening uit. Hij sloeg nogmaals devoot een kruis en zei: 'Dank u, Uwe Excellentie. U geeft me waarlijk een gevoel van nederigheid.'
Koningin Katherine verkeerde in een vreemde, sombere stemming. Ze stond in haar vertrekken en werd uitgekleed door twee van haar dames, Lady Blount en Lady Jane. Omdat de koningin altijd als eerste diende te spreken en ze vanavond niet sprak, kleedden ze haar in stilte uit. De twee dames waren opgelucht door het zwijgen van de koningin; ze hadden beiden met de koning geslapen. De vraag was: wist Katherine dat?
Eerst verwijderden ze de afneembare overmouwen van rijkelijk geborduurd brokaat en vervolgens de ondermouwen van geschakeerd fluweel. Lady Jane maakte de veters van het keurslijf los, waarop Lady Blount dat uittrok. Toen de koningin uit haar fluwelen overrok stapte, legde ze haar hand lichtjes op Lady Janes schouder om haar evenwicht te bewaren. Lady Jane knielde om de rok op te tillen; Katherine staarde naar de blakende jonge boezem en wendde toen haar ogen af.
Lady Blount maakte de veters van Katherines strakke korset los en liet het van haar lichaam glijden. Ze boog om de muiltjes van de koningin uit te doen en rolde vervolgens haar kousen af.
Lady Jane wachtte tot de koningin haar armen omhoogstak en trok haar nachtgewaad aan. Ze had de uitdrukking in de ogen van de koningin gezien toen ze naar Lady Blount keek. De koningin wierp haar een scherpe blik toe en Lady Jane bloosde.
De twee dames raapten de petticoats op en begonnen die op te vouwen. Opeens snakte Lady Blount naar adem en legde haar hand op haar buik. Een onverwachte kramp.
Katherine zag het. 'Bent u onwel, Lady Blount?'
'Nee, Uwe Majesteit. Zal ik deze maar naar de wasserij sturen?' Ze maakte aanstalten om te vertrekken.
'Nee, blijf,' zei de koningin.
Lady Blount bevroor.
'Kniel naast me neer, Lady Blount. U mag vertrekken, Lady Jane.' Lady Blount knielde naast de koningin en wachtte.
Na wat een eeuwigheid leek, slaakte Katherine een diepe zucht. 'Ik heb al heel lang met niemand kunnen praten, Lady Blount. Kardinaal Wolsey heeft mijn Spaanse biechtvader en de meesten van mijn Spaanse hofdames weggestuurd, voor het geval zij spionnen waren. En mijn Engelse biechtvader kan ik niet vertrouwen.'
Ze friemelde aan haar rozenkrans. 'Maar u kan ik wel vertrouwen, is het niet, Lady Blount?'
'Ja, madame.'
Katherine zuchtte opnieuw. 'Weet u, als ik moest kiezen tussen twee uitersten, zou ik altijd extreem verdriet boven extreme blijdschap verkiezen. Schrikt u daarvan?'
Dat was zo, maar Lady Blount zweeg.
'Wat is mijn droefheid, zult u zich afvragen?' vervolgde de koningin. 'Het is dit: dat ik de koning geen levende zoon kan schenken. Dat is mijn betreurenswaardige lot. Dat is mijn lijden.'
Lady Blount slikte.
De koningin ging verder. 'Ooit heb ik het leven geschonken aan een jongetje, een lief jongetje, dat in mijn armen stierf na slechts vier weken te hebben geleefd.' Haar stem brak. 'De koning verwijt het me, dat weet ik. Hij weet niet hoezeer ik lijd, hoeveel ik bid...' Ze keek neer op Lady Blount, haar gezicht glom van de tranen. 'En nu komt hij niet in mijn bed. Een heel jaar al niet! Hij komt niet omdat hij me afstotelijk vindt!'
De ogen van Lady Blount vulden zich met tranen van meelij.
'Kijk naar me! Ben ik niet oud? Ben ik niet dik en afstotelijk?' fulmineerde Katherine vol zelfverachting.
'Nee, beminnelijke madame,' zei Lady Blount zacht.
En toen brak Katherine; ze huilde bittere, verzengende tranen. Lady Blount kon het niet aanzien. Maar ze kon niet eens haar armen om de koningin heen slaan. Dat was niet gepast. En haar eigen schuldgevoel knaagde.
Ze sloeg haar ogen neer en zei niets meer. De koningin snikte. Ze zaten beiden gevangen, waren allebei machteloos. Zo was het altijd voor vrouwen.
'Mijn zoon, mijn dochters, bent u klaar met lezen?' Thomas More had veel maatschappelijke ophef veroorzaakt door zijn dochters dezelfde opleiding te geven als zijn zoon - hij leerde hun zelfs lezen en schrijven in het Grieks en Latijn.
'Ja, vader.' Mores al wat oudere kinderen - vier van zijn eerste vrouw en één stiefdochter — kwamen naar voren om hun vader goedenacht te wensen. Glimlachend omhelsde hij hen allen om beurten. 'Mogen God en Zijn engelen u zegenen en vannacht, en altijd, over u waken.'
Alice maakte een reverence voor haar echtgenoot en leidde de kinderen de kamer uit. Ze kwam aarzelend terug.
'Moge God met u zijn, Alice. Welterusten,' zei hij, waarop zij de kamer verliet. Vervolgens ging More zijn eigen vertrek binnen. De kleine ruimte leek meer op een Spartaanse monnikencel dan op een slaapkamer. Er stonden een ijzeren veldbed, een houten tafel en een wastafel. Verder niets. Een groot zilveren kruisbeeld dat glansde in het kaarslicht domineerde het vertrek. Hij trok zijn jasje, wambuis en batisten hemd uit. Daaronder droeg hij een haren boetekleed. Dat trok hij alleen uit als hij zichzelf geselde. Het haren kleed was vies en zat vol luizen. De gehavende, ruwe huid eromheen vertoonde etterende wonden. Maar het vlees was zwak en moest in het belang van de ziel getuchtigd worden. More knielde om te bidden. Ook Koning Henry was in gebed verzonken. In zijn privékapel in het paleis zat hij ineengedoken in de kleine, donkere biechtstoel. Hij zag er bezorgd uit. De priester wachtte achter het bewerkte houten scherm tot hij ging spreken. Eindelijk sprak Henry. 'Ik heb zitten denken aan mijn broer Arthur. Hij is gestorven. Aan de koorts. Hij was slechts zes maanden getrouwd.'
Hij zweeg lange tijd. In de kapel siste een kaars.
'Mijn broer was getrouwd met mijn vrouw! Toen hij stierf, werd besloten dat ik met haar zou trouwen. Ik denk dat mijn vader de bruidsschat niet wilde verliezen. Of het prestige van een Spaans huwelijk.'
Hij friemelde aan de kralen van zijn rozenkrans. 'Hoe dan ook, Katherine zwoer dat haar huwelijk met Arthur nooit geconsumeerd is, dat hij daarvoor te zwak en te ziek was. Daarom is ons pauselijke dispensatie verleend en kregen we toestemming om te trouwen.'
In de duisternis kon Henry de zachte, nabije ademhaling van de priester horen.
'Dus ik trouwde haar. En sinds die tijd heeft zij vijf dode kinderen gebaard, een jongen die slechts zesentwintig dagen heeft geleefd en één enkele levende dochter.' Hij boog voorover en greep zijn hoofd alsof hij pijn had. De priester wachtte.
'Wat als zij gelogen heeft? Wat als hun huwelijk wel geconsumeerd was?'
Zijn stem klonk gekweld.
De priester zei: 'Ze heeft voor God gezworen dat het niet zo was.'
'Maar ik heb zojuist een ander verhaal gehoord. Van een dienaar van Arthur, die erbij was! Hij zegt dat mijn broer de slaapkamer de volgende morgen goedgeluimd verliet. Hij zei: "Ik heb een borrel nodig. Ik ben vannacht midden in Spanje geweest!'"
Zijn woorden leken in de stilte te blijven hangen. De priester zei niets, maar schoof ongemakkelijk heen en weer.
'Wat staat er in het Evangelie? Als een man zijn broeders vrouw trouwt. Henry sloeg met zijn hand op het hout van de biechtstoel, waardoor de priester opsprong. 'Zeg het me!'
'In Leviticus staat: "Een man die de vrouw van zijn broeder neemt - bloedschande is het; de schaamte van zijn broeder heeft hij ontbloot, kinderloos zullen zij zijn."'
Henry balde zijn vuisten. De priester vervolgde: 'Maar u hebt een kind.'
'Maar geen zoon\ Geen zoon. Ziet u dan niet dat dit goddelijke gerechtigheid is voor mijn misdaad tegenover God!' Ontmoedigd leunde hij met zijn hoofd tegen het houten scherm. Toen bonkte hij er uit frustratie tegenaan. In gezelschap van kwebbelende hovelingen en bedienden beende Henry over de binnenplaats. De deuren van de privévertrekken van de koningin gingen open en er verscheen een knap, donkerharig meisje van een jaar of zes met haar gouvernante. Henry's ogen lichtten op.
Zowel het kind als de gouvernante maakte een formele reverence, maar met een enorme vreugdekreet tilde hij het kind in zijn armen omhoog en hij draaide haar lachend en vol trots in het rond.
'Dit is mijn dochter, Mary! Is ze niet prachtig? Zeg me! Is ze niet on-geloof-lijk prach-tig?' Hij kuste haar bij elke lettergreep.
'Papa! Papa!' Mary lachte en kuste hem enthousiast terug, tot groot genoegen van iedereen. Katherine verscheen bij Henry's elleboog. 'Kunnen we praten?'
Henry overhandigde zijn dochter weer aan haar gouvernante. 'Gegroet, liefste. Gedraag je. Doe alles wat je opgedragen wordt.' Hij volgde Katherine naar haar privévertrekken. Zij stak meteen van wal. 'Het bevalt me niet, Henry.'
Hij fronste. 'Wat bevalt u niet?'
'Uw baard.'
Hij grinnikte berouwvol en wreef met zijn handen over zijn stoppelige kin: het resultaat van een paar dagen niet scheren.
Met geknepen stem voegde Katherine eraan toe: 'Noch bevalt me de betekenis ervan.'
'Katherine toch!' waarschuwde Henry haar. Alle vrolijkheid was van zijn gezicht verdwenen.
'U geeft mijn dochter weg aan de dauphin en aan Frankrijk! U hebt mij niet eens geraadpleegd. De Valois zijn de gezworen vijanden van mijn familie!'
Henry verstijfde. 'Het is aan mij om met haar te doen wat ik passend acht. Het is een geweldig huwelijk.'
'Dat is het nieA Ze trouwt in een poel des verderfs! Ik zie Wolseys hand hierin!' Met moeite toomde ze haar woede in en ze zei met lage, trillende stem: 'Hoewel ik van Uwe Majesteit houd en in elk opzicht loyaal aan u ben, kan ik mijn leed en droefenis niet verbergen.'
Henry keek haar ijzig aan. 'Ik ben bang dat u wel zult moeten.'
De plannen voor de bijeenkomst in Frankrijk vorderden gestaag. Het zou een enorme onderneming worden. Beide landen hoopten elkaar in pracht en praal te overtreffen.
In zijn privévertrekken speelde Henry een schaakpartij met Sir Thomas Boleyn, zijn ambassadeur in Frankrijk. Het spel was al een eind op weg. Henry verzette zijn loper om Boleyns koningin te bedreigen en zakte toen achterover in zijn favoriete, zwaar bewerkte houten stoel. 'Vertel me over Koning Francis, Sir Thomas.'
'Hij is drieëntwintig jaar oud, Majesteit,' antwoordde Boleyn. Henry trok zijn wenkbrauwen op. 'Hij is jonger dan ik.'
Boleyn glimlachte. 'Maar dat zou Uwe Majesteit niet zeggen als u hem zag.'
Henry keek voldaan. Hij wierp een blik op het bord en verplaatste een van zijn paarden.
'Aha...' Boleyn knikte. Dat was een goede zet. Hij leunde over het bord en overdacht zijn opties.
Henry vervolgde: 'Is hij lang?'
'Ja.' Boleyns hand zweefde boven een schaakstuk. 'Maar slecht geproportioneerd.' Hij verzette een pion.
'En zijn benen? Heeft hij sterke kuiten, zoals ik?'
Boleyn keek op. 'Niemand heeft zulke kuiten als u, Majesteit!'
Henry lachte en tilde zijn koningin op. 'Schaak! Is hij knap?'
Boleyn bracht zijn koning in veiligheid. 'Sommige mensen vinden wellicht van wel. Hijzelf is er in ieder geval van overtuigd.'
'Dus hij is ijdel?' wilde Henry gretig weten.
Boleyn keek hem droog aan. 'Uwe Majesteit... hij is Fransl' Ze lachten beiden. Henry viel aan met zijn loper en vroeg: 'En zijn hof?'
Boleyn tuitte zijn lippen. 'Dat staat bekend om de losse zeden en losbandigheid, waaraan de koning, gezien zijn eigen gedrag, niets ter beteugeling doet.' Hij viel Henry's loper aan met een agressieve tegenzet met zijn eigen koningin.
'Goede zet! Zeer goed! U bedoelt dat Francis dergelijk gedrag zelf aanmoedigt?'
'Majesteit, er wordt openlijk over gesproken dat Francis er zulke lichtzinnige opvattingen op na houdt dat hij graag de vruchten van anderen plukt en, eh, zich laaft aan de wateren van vele fonteinen.'
Henry wierp hem een blik toe en pakte toen Boleyns toren. 'U hebt twee dochters. Hoe beschermt u hen?'
'Ik houd hen goed in de gaten. Maar ik heb ook vertrouwen in hun welwillendheid en deugdzaamheid.' Hij verplaatste een pion om de loper te blokkeren.
'U zult onmiddellijk terugkeren naar Parijs,' gaf Henry hem te kennen. 'Ik vertrouw u alle diplomatieke onderhandelingen voor de ontmoeting toe.'
Boleyn boog zijn hoofd. 'Dank u, Majesteit.'
Henry verzette zijn paard. 'Schaakmat, Sir Thomas.'
Boleyn wierp zijn handen in de lucht. 'U bent een veel te vaardig speler voor mij! Een uitstekende partij, Majesteit.'
'U hebt verzocht mij te spreken, Eminentie,' begroette Thomas More Kardinaal Wolsey in Hampton Court Palace.
'Inderdaad. Om te praten over de bijeenkomst in Frankrijk. Kom, laten we samen wandelen.' Hij en More kuierden door de prachtig versierde kamers. 'En aangezien u bent benoemd tot hoofdsecretaris van de koning tijdens uw beider verblijf in Frankrijk...'
More boog zijn hoofd. 'Ik denk dat ik Uwe Eminentie moet bedanken voor mijn benoeming.'
Wolsey nam zijn dank aan, maar haastte zich verder. Er was nog heel veel te doen. 'Het is van wezenlijk belang dat Zijne Majesteit doet wat hem verteld wordt. Ik heb regels opgesteld waaraan alle zaken van traditie en etiquette onderworpen zijn. Die dienen te allen tijde nageleefd te worden.'
More knikte.
Wolsey vervolgde: 'Ook is overeengekomen dat om de eer van beide naties te behouden, geen van beide koningen deel zal nemen aan welk steekspel of gevecht dan ook.'
More trok een zuur gezicht. Daar zou de koning niet erg blij mee zijn. 'Ik snap het. Dus wat mag de koning doen?'
Wolsey stak een waarschuwende vinger op. 'Zeg dat nooit. U moet de koning altijd vertellen wat hij zou moeten doen, niet wat hij mag doen.'
Het was even stil. Wolsey bleef staan en fixeerde More met een dodelijk serieuze blik. 'Weet u, Thomas, als de Leeuw ooit zijn ware kracht ontdekt, zal niemand in staat zijn hem in toom te houden.'
De Engelse ambassadeur, Sir Thomas Boleyn, was zojuist teruggekeerd in zijn Parijse woning. Hij riep zijn dochters, Mary en Anne, bij zich. Ze stonden te popelen om iets over zijn reis te horen.
'Ik heb opwindend nieuws,' vertelde hij hun. 'Er komt een ontmoeting tussen Koning Francis en Koning Henry in de buurt van Calais.' Hij pauzeerde en zei toen: 'En ik mag dat organiseren.'
De meisjes klapten enthousiast in hun handen. 'Dat is geweldig, papa!'
'Dat betekent dat u beiden de kans krijgt om... de koning van Engeland te ontmoeten!' Boleyn bekeek zijn dochters zo objectief mogelijk. Mary, de oudste, was verreweg de knapste. Anne was iets minder mooi, maar wat zij miste aan schoonheid, maakte ze meer dan goed met schranderheid. Zijn ogen sprongen van de een naar de ander, beoordelend... gissend. Zij zouden elk op een eigen wijze een rol spelen bij de verdere begunstiging van de familie. Waar waren dochters anders voor?
Hij schonk wat wijn voor hen in en hief zijn kelk naar zijn knapste dochter. 'Mary.'
Hij wierp haar een lange, betekenisvolle blik toe en voegde er toen aan toe:
'En Anne.' Hij lachte veelbetekenend en bracht de kelk naar zijn lippen.
'Salut!'
In Londen was Henry bezig met het selecteren van een nieuwe garderobe die speciaal voor de ontmoeting met de Franse koning gemaakt zou worden. In zijn privévertrekken wemelde het van de kleermakers en hun assistenten, naast de gebruikelijke massa hovelingen. Gretig werkte Henry zich een weg door stapels kledij en accessoires. Hij had de reputatie van best geklede heerser in Europa en deed er alles aan om die te behouden. De stoffen waren prachtig, kostbaar en bont gekleurd. Er waren wambuizen, jasjes, robes, overjassen, capes en mantels van zijde, satijn en diep ingesneden fluweel. Ze waren geborduurd met goud-en zilverdraad, en afgewerkt met bontsoorten als sabel en hermelijn. Een groot deel was versierd met echte edelstenen; sommige waren zo druk bezet met goud, diamanten, amethisten en robijnen dat de stof eronder nauwelijks zichtbaar was. Te midden van de chaos kondigde een dienaar aan: 'Zijne Eminentie Kardinaal Wolsey.'
Wolsey betrad de kamer en boog. 'Majesteit.'
'Goed! Ik wil uw mening.' Henry wenkte hem naderbij. 'Vindt u deze stof mooi?' Hij haalde een prachtig pak van goud-en zilverlaken tevoorschijn uit een stapel stoffen en hield dat voor.
Wolsey, een man van wie bekend was dat hij smaak had, bestudeerde het effect door zijn samengeknepen ogen. 'Het staat Uwe Majesteit goed. Mag ik voorstellen dat u daarbij deze draagt?' Hij koos zorgvuldig een aantal accessoires uit: handschoenen, schoenen, een keten en een overjas gevoerd met zwart bont.
'Uitstekend!' zei Henry tevreden. 'Denkt u dat Francis ook zoiets verfijnds heeft?'
'Alleen als hij het steelt.'
Henry lachte en sloeg Wolsey op zijn rug. 'Kom. Laten we samen eten. Dan kunnen we praten.' Ze liepen de kamer uit; alle hovelingen en dienaren bogen toen ze passeerden. In de aangrenzende, grotere kamer, waar de tafel was gedekt en het eten klaarstond om opgediend te worden, bevonden zich zelfs nog meer mensen. De Hertog van Buckingham stond te wachten, zijn gezicht een masker van kille hardvochtigheid. Het was zijn taak de zilveren schaal vast te houden waarin de koning zijn handen kon wassen. Henry, wiens gedachten nog geheel in beslag werden genomen door de nieuwe kleren, doopte afwezig zijn vingers in de schaal en draaide zich om om ze te drogen. Buckingham wilde net de schaal wegbrengen, toen Wolsey 'Wacht even' zei en zijn eigen vingers in de schaal stopte.
Buckinghams gezicht werd vuurrood terwijl hij zwol van woede. Het was al erg genoeg dat hij, als afstammeling van een van de oudste en meest adellijke geslachten in het land, de man die rechtens aanspraak maakte op de troon, Henry Tudor als een knecht moest bedienen, maar om dan ook nog de schaal vast te houden voor de zoon van een slager!
Hij kieperde de hele schaal leeg over de schoenen van Wolsey. Iedereen bevroor. Er hing een geschrokken stilte in de kamer.
'Uwe Excellentie zal zich verontschuldigen,' zei de koning. Buckingham verroerde zich niet.
De koning herhaalde met harde stem: 'Ik zei: u zult zich verontschuldigen.'
De stilte werd ondraaglijk. Geen enkele ziel in de kamer scheen te bewegen of te ademen. Buckinghams gezicht was verkrampt, bijna paars. De aderen in zijn hals puilden uit door de fysieke inspanning die hij moest verrichten om zijn woede te beheersen. Uiteindelijk slaagde hij erin tussen zijn tanden door te sissen: 'Ik... ik bied mijn verontschuldigingen aan als ik Uwe Majesteit heb beledigd.'
Er volgde wederom een gespannen stilte; toen gaf de koning een knikje en slaakte de hele kamer een zucht van opluchting.
'Uwe Excellentie mag ons verlaten,' zei Henry op kille toon. Buckingham boog stijfjes en trok zich terug.
Henry keek een van zijn kamerheren aan en knipte met zijn vingers. 'Haal een paar schoenen voor de kanselier!' De kamerheer rende weg. Ze gingen aan tafel zitten, de wijn werd ingeschonken en het eten opgediend. Henry, die net deed alsof het incident nooit was voorgevallen, was in een opperbest humeur. Hij wendde zich tot Wolsey. 'Vertel me eens, Kanselier, hoe staat het met de voorbereidingen op mijn ontmoeting met Koning Francis?'
'Alles is gereed, Majesteit. Het zal plaatshebben binnen de grenzen van Calais - hetgeen, zoals u weet, Engels territorium is - in een vallei die bekendstaat als de Val d'Or - de Gouden Vallei.'
Henry knikte, kauwend op een fazantenpoot.
Wolsey ging verder. 'Talloze handarbeiders hebben er een paleis voor Uwe Majesteit gebouwd. Ze hebben dat het Paleis der Illusies genoemd. Volgens sommigen is het het achtste wereldwonder!'
Hij richtte zich op zijn eten; aan de rest van de tafel gonsde het van dit nieuws, er werd geroddeld en gespeculeerd. Gouden Vallei! Paleis der Illusies! Het achtste wereldwonder - wat opwindend!
Wolsey boog zich naar de koning toe en zei, onhoorbaar voor anderen door het geroezemoes: 'Lady Blount is in gezegende omstandigheden.'
Henry fronste en keek hem scherp aan. 'Lady Blount?'
Wolsey knikte. 'Ze kwam me opzoeken. Ze draagt Uwe Majesteits kind.'
Henry pakte zijn kelk op en dronk eruit.
'Als u wilt dat ze het kind houdt,' ging Wolsey met zachte stem verder, 'zal ik regelen dat ze naar het huis in Jericho wordt verplaatst. Ik zal de zaak ook afhandelen met haar echtgenoot.'
De koning zei niets, hetgeen duidde op stilzwijgende toestemming. Lady Blount was afgehandeld; Henry ging verder. 'Ik kan niet wachten tot het zover is; die ontmoeting zal de wereld voor altijd veranderen.'
'Dat is mijn grootste hoop. Mijn ultieme overtuiging.'
Henry knikte. 'Niets zal ooit nog hetzelfde zijn. U en ik zullen onsterfelijk worden.'
Wolsey liet nederig zijn hoofd hangen.
Buckingham stormde zijn privévertrekken binnen en knalde de deur achter zich dicht. Zijn woede was alleen maar groter geworden. Zijn vernedering door Henry Tudor en die slagerszoon was de laatste druppel!
'Hopkins!' schreeuwde hij.
Zijn dienaar, Hopkins, haastte zich naar hem toe. 'Uw gasten zijn er, Uwe Excellentie,' zei hij, wijzend naar een binnenkamer. Buckingham knikte, haalde diep adem, overwon zijn woede en stapte toen de kamer binnen. De Hertog van Norfolk, Sir Thomas Boleyn en twee andere raadsleden wachtten hem op. Buckingham beantwoordde de starende blik van ieder van hen. 'De tijd is rijp,' deelde hij mee.
Hij wendde zich tot Hopkins. 'Luister! U gaat al het goud-en zilverlaken kopen dat u kunt vinden. Dat is veel beter om de wachters mee om te kopen.'
'Ja, Uwe Excellentie.'
'Dan wil ik dat u naar onze buitenverblijven reist en doet wat we besproken hebben: gewoon een beetje in het rond strooien dat we alleen wat manschappen op de been brengen om onszelf te verdedigen.'
'Ja, Uwe Excellentie.'
Buckingham pakte een slanke dolk van zijn tafel en staarde ernaar. Na een lange pauze zei hij: 'Mijn vader heeft me ooit verteld op welke manier hij Richard III ging vermoorden.'
Opeens pakte hij Hopkins ruw vast. Hij staarde hem kwaadwillig aan, alsof Hopkins was veranderd in Richard III.
Op zachte, wrede toon vervolgde Buckingham: 'Hij zou met een mes verstopt op zijn lichaam voor hem verschijnen.'
Ineens liet hij zich voor Hopkins op zijn knieën vallen. De dolk zat nu verstopt tussen de plooien van zijn kleding.
'Uwe Majesteit!' zei Buckingham poeslief.
Hopkins probeerde dapper zijn rol in de schertsvertoning mee te spelen en gaf een teken dat Buckingham mocht opstaan, maar zijn ogen vertoonden tekenen van echte angst. Norfolk, Boleyn en de twee raadsleden schoven ongemakkelijk heen en weer en keken met toenemende ongerustheid toe. Toen stond Buckingham met een abrupte, woeste beweging op en stak de dolk in Hopkins' borst!
Boleyn slaakte een schrille kreet. De anderen hapten naar adem. Lange tijd bewoog niemand zich.
Buckingham opende zijn hand. Die was leeg. Hij schudde met zijn mouw en de dolk viel eruit. Buckingham grijnsde maniakaal in het geschrokken gezicht van Hopkins, tilde de dolk op — en stak hem in de tafel.
Hoofdstuk 4
Val d'Or (de Gouden Vallei) in het door de Engelsen bezette Calais,Frankrijk
Henry's paard beklom de met gras begroeide heuvel als eerste. Geflankeerd door de soldaten van de koninklijke garde en onder het vaandel van de Klimmende Leeuw werd hij gevolgd door zijn hovelingen en voorname adellijken, geleid door Buckingham, Boleyn en Norfolk. Beneden in het dal zagen ze iets wat alle fantasie te boven ging: verspreid over de grasgroene vallei lag een droombeeld; een stad van helder gekleurde tenten - kleine tenten in de kleuren groen, blauw of rood, afgezet met goud; paviljoenen en markiezen versierd met de ordetekenen van de koning of beschilderd met heraldische beesten. Wimpels en prachtig gekleurde vaandels wapperden in een briesje. Midden op dit terrein, dat vanwege de immense hoeveelheid gebruikt goudlaken het Veld van het Laken van Goud werd genoemd, stond een sprookjeskasteel: het Paleis der Illusies. Wolsey en zijn assistenten hadden overal voor gezorgd: het had de zesduizend werk-en ambachtslieden drie maanden gekost om dit voor elkaar te krijgen.
Er waren kooktenten en eettenten — Henry's eigen eetzaal was een enorme tent van goudlaken waarin zich zijn geheime keuken bevond. Er waren gigantische broodovens en speciale keukens - een wafelbakkerij, een pasteibakkerij, enorme kookketels en draaispitten. Reusachtige hoeveelheden voedsel waren hiernaartoe getransporteerd — meer dan tweeduizend schapen, een duizendtal kippen, kalveren, herten, rundvee, een tiental reigers, dertien zwanen, duizenden vissoorten en paling, ladingen specerijen, bergen suiker en liters room, om het maar niet te hebben over de gigantische hoeveelheden wijn en bier. Het was allemaal nodig — meer dan vijfduizend mensen vergezelden de koning van Engeland.
Er waren kapellen, een toernooiveld zelfs, en tuinen en paden met standbeelden en fonteinen. En in het midden, met vaandels die wapperden in de wind, stond het pièce de résistance: het Paleis der Illusies, een groot paleis van canvas dat enkel en alleen voor deze belangrijke ontmoeting was gebouwd.
'De Gouden Vallei,' verkondigde Henry.
De Fransen hadden niet half zoiets prachtigs; zij waren gehuisvest in een kampement van vierhonderd, eveneens van goudlaken vervaardigde, kleine tenten en een paar grote paviljoens.
Henry bekeek het tafereel met voldoening. Alles was gereed voor zijn historische triomf. Terwijl ze stonden te kijken, verschenen ruiters op de heuvel tegenover hen. De Franse lelie wapperde boven hen uit. Compton wees.
'Kijk, Uwe Majesteit! De Fransen.'
Aan kop van een gezelschap bestaande uit Zwitserse gardisten en zijn eigen hovelingen reed Francis, Koning van Frankrijk: lang, jong, donker en knap, ondanks de befaamde lange neus.
De twee groepen tuurden behoedzaam naar elkaar. De echo van een generaties lange vijandschap hing tussen hen in.
'Wat is het plan?' vroeg Compton.
'Ik moet alleen naar beneden rijden om Francis te begroeten.'
De Fransen begonnen in rijen tussen de bomen door af te dalen.
'Maar als het nou een val is?' zei Knivert zachtjes. 'Als het de bedoeling is u naar beneden te lokken en daar te doden?'
Henry's vaandel klapperde luidruchtig in de wind. Henry negeerde Kniverts veronderstelling en staarde naar Francis aan de overkant. Toen gaf hij zijn paard de sporen. 'Blijf hier! U allen!' schreeuwde hij. 'Op straffe van de dood! Blijf!'
Hij reed in zijn eentje weg toen Francis en diens gardisten tussen de bomen opdoken.
De metgezellen van de koning keken gespannen toe, maar slaakten een zucht van verlichting toen Francis bij zijn gardisten weggaloppeerde en Henry in zijn eentje voor de ingang van het schitterende Franse paviljoen begroette. Buckingham klemde met nauwelijks verholen teleurstelling zijn kaken op elkaar.
De eerste officiële ontvangst begon die middag in het Franse kamp, dat op enige afstand van het Engelse was gelegen. Het was een glansrijk gebeuren. De binnenkant van het paviljoen was bekleed met blauw fluweel waarop Franse lelies waren geborduurd. De Fransen zaten aan de ene kant, de Engelsen aan de andere. Ze droegen allen hun meest verfijnde en kostbare kleding, en toonden hun meest opzichtige juwelen: een oorlog van een andere soort. Niemand imponeerde meer dan de twee koningen. Henry, gekleed in schitterend geborduurd goudlaken en glanzend van de kostbare edelstenen, zat recht tegenover Francis, die met goud-en zilverdraad geborduurd blauw fluweel droeg en ook beladen was met edelstenen. Naast Henry zaten Koningin Katherine, Wolsey, More en andere leden van de Engelse adel. Francis zat naast zijn knappe jonge vrouw, Koningin Claude, en verschillende hertogen en kerkvorsten.
Er klonk trompetgeschal. Een Engelse heraut verkondigde: 'Hearye! Hear ye! Ik, Henry, bij de gratie van God Koning van Engeland, Ierland en Frankrijk, heet hierbij...'
'Halt!' zei Henry luidkeels. Hij keek Francis aan. 'Ik kan dat niet zijn in uw aanwezigheid, want dan zou ik een leugenaar zijn. Dus tijdens deze ontmoeting ben ik gewoon Henry, Koning van Engeland.' Hij glimlachte en er golfde een applaus door het paviljoen.
'En ik ben gewoon Francis, Koning van Frankrijk — en Bourgondië,' zei Francis onmiddellijk. Het gehoor applaudisseerde en de twee koningen wisselden, als twee om elkaar heen cirkelende schermers, een glimlach uit. Kardinaal Wolsey kwam naar voren. 'Uwe Hoogheden, mag ik u vragen ieder een hand op deze heilige bijbel te leggen en voor het aangezicht van God en de vorsten en excellenties hier verzameld te zweren dat u elkaar oprecht, deugdzaam en liefdevol zult bejegenen.' Hij hield hun een grote, met goud bewerkte bijbel voor. Henry en Francis legden er tegelijkertijd hun handen op.
'Ik zweer het,' verklaarde Henry.
'O, ik zweer het ook. Natuurlijk,' zei zijn cousin. De toehoorders applaudisseerden; de twee koningen glimlachten en omhelsden elkaar opnieuw. Wolsey zei: 'En nu Hare Koninklijke Hoogheden.'
Katherine en Claude kwamen naderbij, maar aarzelden toen. Katherine fluisterde: 'Het is de bedoeling dat we de bijbel kussen. Maar wie van ons doet dat als eerste?'
De Franse koningin fluisterde terug: 'Doet u het maar. Ik vind het niet erg.'
Katherine schudde haar hoofd. 'Nee, dat kan ik niet. Waarom kust u niet als eerste?'
'Dat wil ik niet.' De twee koninginnen staarden elkaar aan. 'Wat zullen we doen?'
'Elkaar kussen!' stelde Katherine ten langen leste voor, en opgelucht kusten de koninginnen elkaar op de wang. Hard lachend om te verhullen dat ze beseften dat er een incident was afgewend, barstten de toeschouwers in applaus uit. Henry en Francis deden ook een duit in het zakje en het teken voor het ronddelen van de drank werd gegeven.
Even later keerde Kardinaal Wolsey terug in het gezelschap van de dochter van Katherine en Henry, de zesjarige Prinses Mary. Vanuit een andere ingang bracht Kardinaal Lorenzo Campeggio de achtjarige dauphin van Frankrijk binnen.
'Prinses Mary, mag ik u voorstellen aan Prins Henry Philip, uw toekomstige echtgenoot,' zei Wolsey. De menigte klapte en glimlachte naar de twee knappe kinderen, die gehuld waren in verfijnde volwassen kledij. De kleine prinses bekeek met oprechte nieuwsgierigheid haar toekomstige echtgenoot van top tot teen. 'Bent u de dauphin van Frankrijk? Als dat waar is, wil ik u kussen.'
Haar aankondiging werd met een golf van hartelijk gelach begroet. Mary probeerde de kleine jongen te kussen. Maar die was doodsbang en deed er alles aan om aan haar greep te ontsnappen. Hij gilde: 'Mama! Mama!'
Mary walgde van zijn optreden en gaf hem een zet: de erfgenaam van de Franse troon lag languit op de grond. De geamuseerdheid van de menigte veranderde in afschuw. Francis vloekte. De huilende dauphin werd afgevoerd door adorerende hovelingen.
'Mary, Mary,' mompelde Henry ten teken van afkeuring, terwijl hij een glimlach van voldoening probeerde te verbergen.
Daarna was het de beurt aan Engeland om een ontvangst te organiseren. Die werd gehouden in het Paleis der Illusies. Een grandioos paleis in Italiaanse stijl dat men betrad via een sierlijke poort met een geschulpt timpaan, twee grote Tudorrozen en een gouden standbeeld van Cupido. Uit een romaans aandoende fontein spoot iets wat wel wijn leek. Aan de fontein waren zilveren drinkbekers vastgeketend. Vol trots aanschouwde Henry het tafereel. Hij keek om zich heen naar zijn metgezellen en zei: 'Wat vindt u ervan?'
Thomas More schudde zijn hoofd. 'Het is... het is ongelooflijk. Het ziet er zo echt uit,' zei hij, terwijl hij wees naar de stenen muur achter Henry. Henry lachte, legde zijn hand tegen de solide uitziende muur en schudde eraan! 'Geschilderd canvas, meer niet.'
Brandon liep naar de fontein. Hij maakte een kommetje van zijn handen en dronk wat van het vrijelijk stromende vocht. 'Maar de wijn is wel echt!'
Iedereen lachte en drong zich naar voren om de wijn te proeven. Witte wijn, malvasia en bordeaux waren gedurende de bijeenkomst dag en nacht voor iedereen gratis beschikbaar.
Binnen in het paleis had de hal een plafond van groene zijde bezaaid met gouden rozen, waren de wanden versierd met schitterende wandtapijten en was de grond voorzien van een tapijt van tarzijde. In de centrale hal zaten de twee koningen, hun koninginnen en de belangrijkste edellieden aan lange eettafels. De hovelingen stonden achter hen. In de ruimte die de tafels scheidde, demonstreerden Engelse en Franse soldaten hun vechtlust met zwaarden en speren.
Regelmatige lachsalvo's konden de felle competitieve ondertoon niet verhullen. Toen de strijd beëindigd was, trok Henry Francis' aandacht, hief zijn beker naar hem en stond op uit zijn stoel.
'Broeder, ik heb een geschenk voor u.' Op zijn teken droeg Norfolk het geschenk naar Francis toe en overhandigde het met een buiging. Francis zei, in het Frans: 'Weet u, ik vrees de Engelsen, zelfs als ze geschenken brengen!' Zijn hovelingen lachten. Hij opende de doos en onthulde een prachtig collier van robijnen. Francis glimlachte hoffelijk naar Henry. 'Dank u, broeder. En nu heb ik een geschenk voor u.'
Henry opende zijn doos: een schitterende armband van diamanten — veel kostbaarder dan Henry's geschenk. Henry slaagde erin minzaam te glimlachen. 'U brengt mij in verlegenheid, broeder. Uw geschenk is veel imposanter. En alles wat ik u in ruil daarvoor kan bieden is - deze pastei.' Hij maakte een gebaar en zijn chef-kok bracht een grote bruine pastei naar Francis toe. De korst had de vorm van een jonge haan. Een pastei! Een aantal van de Franse hovelingen gniffelde hoorbaar. De chef-kok boog, zette de pastei voor de Franse koning neer en bood hem toen een scherp jachtmes aan.
Geamuseerd, verward en ietwat op zijn hoede pakte Francis het mes aan en stak het in de met zorg bereide pastei. De korst brak open, helderwitte vleugels klapperden: een tiental kleine ortolanen barstte uit de pastei en vloog door de tent. Het paviljoen galmde van het gelach en het applaus voor Henry's kleine truc.
'Zeer amusant!' zei Francis, die allesbehalve geamuseerd klonk. De wijn bleef rijkelijk vloeien en de aandacht van de jonge mannen verplaatste zich naar de jonge vrouwen. De Franse dames oogden jonger en knapper. De Franse mode was in ieder geval onthullender. Toen Brandon, Compton en Knivert hun oog op de Franse dames lieten vallen, leunde Francis op Henry's schouder en zei zachtjes: 'Hebt u die jonge vrouw daar gezien? Gekleed in rood en goud?'
Henry zag het meisje dat hij bedoelde en knikte.
Francis vervolgde: 'Haar naam is Mary Boleyn en ze is de dochter van uw ambassadeur. Ik noem haar mijn Engelse merrie omdat ik haar zo vaak berijd.' Hij lachte zachtjes en liep, nu hij een punt gescoord had, weer weg.
Sir Thomas Boleyn baande zich een weg door de kolkende menigte in het enorme Franse paviljoen. Het was avond en in de uithoeken van het met kaarsen verlichte paviljoen was de sfeer rustiger, minder onstuimig... verleidelijker. Mensen speelden kaart, dronken, lachten, betastten elkaar en fluisterden. Er werden lange, verlangende blikken uitgewisseld. Hij liet zijn ogen rusten op een beeldschone jonge vrouw die het middelpunt van de aandacht vormde van drie knappe hengsten. Boleyn glimlachte en trok haar uit de kring van mannen. Ze kuste hem. 'Papa.'
'Koning Henry heeft u vandaag opgemerkt,' fluisterde Boleyn. 'Hij wil u zien.' Hij begon haar door de menigte te trekken.
'Wacht!' riep ze. 'Dat moet ik aan Anne vertellen.' Ze verdween in de massa en zocht tot ze uiteindelijk haar jongere zuster Anne ontwaarde, die omringd werd door bewonderende Fransen, van wie er een haar hals kuste.
'Anne,' riep Mary. Ze fluisterde het opwindende nieuws in haar oor. Anne glimlachte.
Boleyn bracht zijn dochter naar Charles Brandon en ging toen op zoek naar Kardinaal Wolsey.
Hij liep hem tegen het lijfin een afgezonderd vertrek. 'Hij is in mijn aanwezigheid uitgevaren tegen Uwe Eminentie, noemde u een dodenbezweerder, een souteneur, beschuldigde u ervan duivelse manieren te hanteren om uw invloed op de koning te behouden,' vertelde Boleyn aan Wolsey.
'Ga verder,' zei Wolsey.
'Hij liet er geen twijfel over bestaan dat de zaken van Engeland beter behartigd zouden worden als hij, en niet u, Zijne Majesteits rechterhand was.
'En wat zei Lord Buckingham over de koning?' vroeg Wolsey.
'Hij vertelde me dat hij meer aanspraak maakt op de troon en dat aangezien Zijne Majesteit geen erfgenamen heeft en er geen zal hebben, hij, Buckingham, de koning zal opvolgen.' Boleyn aarzelde even en ging toen verder: 'Maar hij heeft me ook ooit verteld dat hij had overwogen die eventualiteit wat sneller naar voren te halen.'
Wolsey leunde naar voren. 'Op welke manier?'
'Door Zijne Majesteit te vermoorden.'
De woorden bleven even in de lucht hangen en toen knikte Wolsey. 'U
hebt er goed aan gedaan naar mij toe te komen.' Hij stak zijn hand uit en Boleyn kuste die. 'Vertel niemand hierover,' voegde Wolsey eraan toe. In de vertrekken van de koning klonk a capella een pure, schitterende stem. Thomas Tallis zong voor de koning terwijl die zijn symbolische baard liet afscheren en wachtte op de komst van Charles Brandon. Tallis' lied was afgelopen. De koning beloonde hem met een gouden pondstuk en hij vertrok in het gezelschap van een kamerheer. Tallis hield de munt vol ontzag stevig vast. Sinds hij een hongerige jongeman was die wachtte om de secretaris van de koning te spreken te krijgen, had hij een lange weg afgelegd.
Henry bestudeerde zijn spiegelbeeld in een handspiegel nu de zo verafschuwde baard verdwenen was. Zijn aandacht werd gevangen door een beweging en hij draaide zich om. Brandon, eindelijk. Hij bracht een jonge vrouw in een cape, waarvan de kap opgetrokken was om haar gezicht te verbergen.
Brandon knikte in antwoord op de onuitgesproken vraag van de koning, glimlachte en trok zich terug om hen alleen te laten. 'Kom naderbij,' zei hijDe vrouw schoof naar voren en knielde. De koning duwde voorzichtig de kap naar achteren. 'Lady Mary.'
'Uwe Majesteit,' zei Mary Boleyn zacht.
Hij streelde haar mooie gezicht met de achterkant van zijn hand en liet die naar beneden dwalen. 'Ik heb veel over u gehoord, Lady Mary. U verkeert al twee jaar aan het Franse hof. Zeg me eens, welke Franse deugden hebt u geleerd?'
Ze keek hem een moment lang aan. 'Als Uwe Majesteit mij toestaat?' zei ze, terwijl ze op haar knieën zonk. Tot Henry's verbazing maakte ze zijn broekklep los, verwijderde die en bracht haar mond naar hem toe. Henry was geschrokken en enigszins afkerig, maar ook opgetogen. Hij sloot zijn ogen en kreunde van genot.
Tijdens het feestmaal die avond werden de aristocratische gasten en toeschouwers onthaald op worstelwedstrijden tussen Engelse soldaten van de koninklijke garde en Franse Bretons. Onder invloed van de wijn verdween geleidelijk de stemming van camaraderie. Oude gewoonten van wantrouwen en verdachtmaking begonnen aan het oppervlak te komen en de menigte was in twee aparte groepen uiteengevallen: Fransen en Engelsen. Een gigantische Breton, vanaf zijn middel naakt, wierp een gespierde Engelsman als een stropop de ring uit. Koning Francis kraaide verrukt: 'Zag u dat, broeder? De waarheid is dat, in de meeste dingen, wij Fransen u overtreffen. Waarom dat ontkennen?
Wij hebben de grootste schilders, de grootste musici, de grootste dichters, de mooiste vrouwen.' Hij wierp Henry een sluwe zijdelingse blik toe. 'Zelfs onze worstelaars zijn beter dan de uwe!'
Henry verstijfde. 'Weet u dat zeker?' vroeg hij ruziezoekend. More leunde voorover. 'Ik smeek Uwe Majesteit te overwegen. Henry negeerde hem. 'Weet u zeker dat al uw worstelaars beter dan de mijne zijn? Wilt u dat bewijzen?' Hij stond op, er viel een stilte en alle ogen richtten zich op de koning.
'Wat stelt u voor?' vroeg Francis.
'Ik stel voor - ik daag u uit tot een worstelpartij. U en ik, broeder;' zei Henry met een sneer.
Francis' raadslieden drongen hoofdschuddend om hem heen; ze smeekten hem in een zacht, doordringend Frans er niet op in te gaan.
'Harry - in godsnaam!' probeerde More.
Maar Henry was niet meer over te halen. 'U bent een lafaard!' beschuldigde hij Francis.
Francis vloekte en sprong op. 'Ik neem de uitdaging aan. Laten we het nu doen.'
De twee koningen beenden naar de ring. De menigte keek ongelovig toe hoe hun dienaren hen ontdeden van hun schitterende kledij. Beide mannen straalden fysieke kracht uit — en wisten dat. Het werd doodstil in het paviljoen toen de Franse en Engelse koning, bijna naakt, in de ring rondstapten en tegenover elkaar gingen staan. Een nerveuze heraut verkondigde: 'Uwe Koninklijke Hoogheden... heren... de regels van het spel zijn als volgt: de eerste man die zijn tegenstander op de grond gooit zal uitgeroepen worden tot winnaar. Bent u er klaar voor?'
Ze knikten.
'Laat het gevecht dan beginnen!'
Terwijl de twee koningen behoedzaam om elkaar heen begonnen te cirkelen, brak er een hels kabaal los in het paviljoen. Alle decorum werd aan de kant geschoven, de Engelsen en Fransen brulden en loeiden ter aanmoediging van hun koning.
'Kom op,' zei Knivert. 'Op wie wedt u?'
Brandon moest schreeuwen om boven het lawaai uit te komen. 'Zijne Majesteit gaat winnen.'
Thomas More hoorde hem en schudde zijn hoofd. 'Wat de uitslag van deze wedstrijd ook wordt, Koning Henry zal niet winnen.'
De twee koningen maakten schijnbewegingen, worstelden hijgend en met samengeknepen ogen om grip op elkaar te krijgen. Hun lichamen glommen van het zweet. Contact! Ze klemden elkaar vast; spieren spanden zich. De menigte juichte.
De twee koninginnen keken met een bleek gezicht toe; onbewust hadden ze eikaars hand gegrepen. Boleyn trok de aandacht van zijn jongste dochter aan de andere kant van de ring en glimlachte betekenisvol naar haar. Wolsey hield Buckinghams gezicht als een havik in de gaten. Francis had meer moeite met de aanvallen. Henry, die de winst rook, sloot hem in en pakte de Franse koning in een dodelijke greep. De menigte schreeuwde. De wedstrijd leek afgelopen, maar net op het moment dat Francis op de grond geworpen leek te worden, wierp hij zijn bovenlichaam met een allerlaatste krachtsinspanning omhoog.
Henry was hierdoor uit zijn evenwicht gebracht en verloor zijn grip op Francis' gladde huid. Ze wankelden, zwoegend en grommend, en toen stortte Henry neer.
De Engelse toeschouwers staarden ontsteld en vol ongeloof. De Fransen werden gek van vreugde.
Terwijl de kamerheren en dienaren van beide koningen hen omringden, kwam Henry furieus overeind. 'Revanche! Ik wil revanche!' Hij probeerde zich door de menigte een weg naar Francis te banen, terwijl hij schreeuwde: 'Hoort u mij? Ik wil een revanchewedstrijd. Of bent u bang?'
'Waar zou ik bang voor moeten zijn?' Trots strekte Francis zijn rug en hij bekeek Henry met de minachting van een overwinnaar die zijn tegenstander flink had afgestraft.
'Dan komt er een revanchewedstrijd,' verkondigde Henry. Een lange Fransman kwam tussen hen in staan. 'Non. Als Zijne Majesteits arts verbied ik dat ten strengste.' Hij stak een gebiedende hand op. 'Het zou onverstandig zijn om Zijne Majesteit in naam van de sport aan verdere risico's op blessures bloot te stellen.'
Henry kookte van woede toen Francis haastig door zijn gevolg werd meegetrokken onder luid gejuich van zijn aanhangers. Hij wendde zich tot More. 'Ik wil dat verdrag niet tekenen!'
'Dat is begrijpelijk,' begon More. 'Maar toch...'
'Nee, ik teken het niet. Ga het hun maar vertellen.'
More keek hem strak aan en zei op lage toon: 'Als dat is wat u wilt. Maar misschien zou Uwe Majesteit...'
Henry verhief boos zijn stem. 'Ik zei dat u het hun moest gaan vertellen.'
More keek hem zwijgend aan en knikte toen. 'Goed dan.' Hij bleef zijn koning strak aankijken en zei op een toon die alleen Henry kon horen: 'Als u de wereld wilt laten geloven dat de koning van Engeland makkelijk van gedachten verandert, oppervlakkig is, ongebreideld en niet in staat zijn woord te houden... ja, uiteraard, dan zal ik het hun gaan vertellen. Ik ben tenslotte louter Uwe Majesteits dienaar.'
Henry wierp hem een boze, gefrustreerde blik toe, draaide zich plotseling om en beende de kamer uit.
Vier dagen lang dreigde de vrede te mislukken. Toen begaf Koning Francis zich, tegen alle adviezen in, naar Henry's slaapvertrek terwijl deze lag te slapen. Toen Henry ontwaakte, bood Francis aan hem te helpen bij het wassen en aankleden: een teken van tespect dat Henry enigszins tot bedaren bracht en hem in staat stelde het verdrag te tekenen met iets wat doorging voor goedertierenheid. Henry keek toe toen Wolsey de Koning van Frankrijk vroeg naar voren te komen en het verdrag te tekenen. Henry zag Thomas More aan de overkant van de kamer en zijn blik verstrakte. Hij mocht dan in staat zijn geweest de Franse beledigingen te slikken, More had hij nog niet vergeven.
'En nu vraag ik Zijne Koninklijke Hoogheid, de Koning van Engeland, in goed vertrouwen, om eveneens het Verdrag van Universele en Eeuwigdurende Vrede te ondertekenen,' zei Kardinaal Wolsey. Henry tekende het verdrag en werd onder applaus door een glimlachende Francis omhelsd. Wolsey overhandigde beide mannen kleine, in fluweel gebonden kopieën van het Evangelie met goud op snee en omhelsde hen beiden terwijl het applaus aanzwol. Het was gebeurd. Het verdrag was getekend. Universele en Eeuwigdurende Vrede was een feit. Koning Henry stond in zijn eentje in zijn prachtige vertrek in het Paleis der Illusies. Hij staarde naar het in fluweel gebonden evangelie in zijn hand en zijn gezicht betrok. Hij smeet het kostbare boek door de kamer, en het sloeg de spiegel aan diggelen.
Hij greep een sierbijl van de wand en begon doelbewust en als een bezetene zijn vertrek te vernielen. In blinde woede sloeg hij alles kort en klein; met elke slag van de bijl werd de puinhoop groter. Kamerheren en bedienden stormden op het geluid van de vernielingen af, maar de koning hakte zo roekeloos in op alles wat hem voor ogen kwam dat niemand hem durfde te benaderen.
Hij stopte pas toen alles kapot was.
De bomen waren bijna kaal en de kou van de naderende winter kroop door Whitehall Palace. Henry liep naar een glas-in-loodraam en staarde somber naar buiten. Wolsey keek toe en was zich goed bewust van hetgeen de koning dwarszat: Charles van Spanje, de neef van de koningin, was tot keizer van het Heilige Roomse Rijk gekroond.
'Nu is hij voortaan niet alleen Charles V, Koning van Spanje, maar ook de Heilige Roomse Keizer. Zijn heerschappij is onmetelijk, zijn rijkdom extra-vagant.' Henry draaide zich om. 'En hij is pas twintig jaar oud!'
Hij keek Wolsey aan. 'U treft regelingen voor een bezoek aan hem in Aken. Persoonlijk. Wellicht hebben wij er meer aan om zaken met hem te doen dan met de Fransen. Vindt u ook niet?'
Henry's starende blik daagde Wolsey uit tot een weerwoord, maar de kardinaal gaf geen krimp, ook al wist hij dat een verbond met Spanje het Verdrag van Universele en Eeuwigdurende Vrede zou vernietigen. Het zou Wolsey ook de cruciale Franse stem in de pausverkiezingen kosten. En derhalve zijn hartenwens.
De kardinaal liet er niets van merken. 'Ja, Majesteit.'
Henry begon opnieuw te ijsberen. Op een wat vertrouwelijker toon zei hij:
'Wat hebt u hier ontdekt?'
'De Hertog van Buckingham is een leger aan het vormen. Hij bazuint rond dat hij dat doet om zichzelf te beschermen tijdens zijn reis langs zijn buitenverblijven in Wales, waar hij niet erg geliefd is. Maar,' zei hij veelbetekenend, 'hij heeft ook grote sommen geld geleend.'
Henry liet de informatie bezinken. 'Nodig hem uit op het hof, voor het nieuwe jaar. Maar zeg niets wat hem zou kunnen alarmeren.'
Het heiligdom van Onze-Lieve-Vrouwe van Walsingham in Norfolk was al vóór de komst van Willem de Veroveraar een bedevaartplaats. Het was nu het beroemdste heiligdom in het koninkrijk. Rijk of arm, edelgeboren of van lage komaf; iedereen kwam er om te bidden, gezegend te worden of getuige te zijn van een wonder. Ongeveer een halve mijl van de kleine Slipper Chapel, gelegen aan de laatste wegkruising van de pelgrimsroute naar Walsingham, kwam een rijtuig tot stilstand. Het was een trieste dag. De regen viel met bakken naar beneden. De koetsier klapte de treden uit en een dame daalde af naar de weg. Ze trok haar schoenen uit en begon, blootsvoets en blootshoofds, door de ijzige regen de halve mijl naar de kleine kapel af te leggen. Katherine, Koningin van Engeland, was gekomen om - voor de zoveelste keer — te bidden voor een zoon.
Tegen de tijd dat ze de kapel had bereikt, was ze doorweekt en zaten haar bevroren voeten onder de schrammen. Maar dat kon haar niets schelen. De ontberingen zouden haar gebeden kracht bijzetten.
Ze sloeg een kruis en knielde neer op de stenen vloer, terwijl ze omhoogstaarde naar het barmhartige gezicht van Maria, die haar zoon, het kindje Jezus, in haar armen hield. Tranen stroomden over Katherines wangen terwijl ze bad: 'Heilige Maria, vol van genade, ik bid u... ik smeek u... in alle nederigheid... met de liefde die ik u en uw zoon, Jezus Christus, toedraag. .. ik bid u... geef me een kind. Een zoon die mijn lege schoot vult. Ik smeek het u...'
Huilend drukte ze haar gezicht tegen het koude, meedogenloze gesteente. Honderd mijl zuidelijker, in het paleis in Westminster, lag Katherines echtgenoot, de koning, diep in gedachten verzonken op bed. Naakt.
'Majesteit,' fluisterde zijn metgezel.
De koning negeerde haar.
Mary Boleyn zette een pruillipje op en liet haar vingernagels zachtjes en plagend over Henry's borst naar beneden glijden...
Henry's gezicht betrok. Hoewel hij een viriel man was, gaf hij bij het liefdesspel de voorkeur aan zowel discretie als eenvoud, en hij vond Mary's Fransige gewoonten ongepast. 'Ga heen,' beval hij. In de privéwoning van de koning in Jericho, buiten Londen, had Kardinaal Wolsey Lady Blount, die daar een paar maanden eerder was gehuisvest, bij zich geroepen. Het grote stenen huis, afgeschermd door hoge bakstenen muren en omringd door een gracht, werd door Henry al tijden gebruikt voor geheime afspraakjes en privéontmoetingen. De gracht stond in verbinding met de rivier de Cam en was dus per boot makkelijk bereikbaar.
'Uwe Eminentie,' begroette Lady Blount de kardinaal. Wolseys ogen daalden af naar haar buik. 'U maakt het goed?' Ze droeg duidelijk een kind.
'Naar omstandigheden wel. Hebt u een boodschap van Zijne Majesteit?'
'Nee,' zei Wolsey. 'Maar ik heb wel een boodschap van uw echtgenoot.'
Ze verstijfde. 'Mijn echtgenoot?'
'Ik heb hem gesproken. Hij zegt dat hij zich heeft neergelegd bij uw toestand.'
Ze sloot even haar ogen. 'Dus hij stuurt me niet naar een nonnenklooster?'
Wolsey schudde zijn hoofd. 'Hij wordt benoemd tot graaf en krijgt buitenverblijven.'
'En mijn kind?'
'Die beslissing is aan de koning - of hij het al dan niet zal erkennen. Ik kan u verder niets ter bemoediging zeggen.'
Wolsey ontbood Thomas More. 'U moet weten dat mij een ontmoeting met de nieuwe keizer is opgedragen. De koning heeft me gevraagd een nieuw verdrag op te stellen, waarin we ons verenigen tegen de Fransen.'
'U zult wel zeer droevig zijn,' zei More.
Wolsey schudde zijn hoofd. 'Ik ben zeer realistisch.'
'Dan ben ik bedroefd.'
'Onze dromen waren onrealistisch,' zei Wolsey tegen hem. 'Net als uw Utopia.'
'Misschien. En toch zal ik blijven dromen, ook al sta ik alleen daarin.' Na een korte pauze zei More: 'Ik vrees dat Zijne Majesteit mij niet meer het vertrouwen en de genegenheid van weleer schenkt. Zijn liefde is ietwat bekoeld.'
'Thomas, laat me u een goede raad geven,' zei Wolsey. 'Wanneer u de liefde van een vorst wilt behouden, dan is dit wat u dient te doen: u moet hem iets schenken wat u op de hele wereld het meest dierbaar is.'
Thomas overwoog het idee. 'Maar wat mij het dierbaarst is... is mijn integriteit.' Hij keek "Wolsey aan. 'En wat is u het meest dierbaar ter wereld, Uwe Eminentie?'
Wolsey veranderde van onderwerp. 'Houd een oogje op Henry tijdens mijn afwezigheid. Buckingham zamelt strijdkrachten bij elkaar. Hij wil de koning vermoorden.'
Hoofdstuk 5
Het was Nieuwjaar; het moment waarop elk lid van de koninklijke familie, elke hoveling en zelfs de dienaren de koning een geschenk gaven. Op zijn beurt gaf Henry hun een geschenk, meestal een vergulde of verzilverde beker of schaal, gegraveerd met het koninklijke monogram en naar rang gewogen.
Henry stond met Koningin Katherine onder een baldakijn van goudlaken in het audiëntievertrek van Whitehall Palace en ontving de edellieden van het koninkrijk. Ze presenteerden om beurten hun geschenken; ieder streefde ernaar de ander te overtreffen, de koning te imponeren en zijn gunsten te verwerven. Elk geschenk werd getoond en vervolgens door de kamerheer van het paleis verwijderd en - ter vergelijking - op een tafel naast de andere gezet.
Het was niet gebruikelijk dat de koning zo van nabij geflankeerd werd door zijn vrienden, maar bij deze gelegenheid stonden Brandon, Compton en Knivert dicht bij hem. Toen Buckingham in het gezelschap van Hopkins de ruimte betrad, verstijfden ze.
Thomas More wierp een blik op Wolsey. Wblsey maakte een klein, discreet gebaar, waarop de wachters net buiten de deuren geruisloos en onopvallend hun positie innamen. Het overhandigen van geschenken ging verder. Buckingham was de laatste. Toen Buckingham op zijn knieën zakte, schoven Brandon, Knivert en Compton met haviksogen dichter naar de koning toe.
'Let op zijn handen,' siste Brandon.
'Uwe Majesteit.' Buckinghams hand bewoog. Iedereen spande zijn spieren, klaar om toe te springen, maar hij maakte slechts een gebaar naar Hopkins, die een vergulde klok in een met edelstenen ingelegd kistje toonde. Henry was dol op klokken. Ze behoorden tot zijn meest kostbare bezittingen. Klokken waren een luxe die maar weinigen zich konden veroorloven.
'Er staat iets in gegraveerd,' vertelde Buckingham hem. Henry las de inscriptie hardop voor: 'UIT EEN NEDERIG, WAARACHTIG
HART'. Hij keek omlaag naar Buckingham. 'Uwe Excellentie overweldigt me. Uw woorden zijn het grootste geschenk, groter dan welke kostbaarheden ook.'
Buckingham stond op. Henry's mannen zetten zich schrap om in actie te komen. Brandon deed zelfs een stap naar voren, maar Henry schudde nauwelijks waarneembaar zijn hoofd en Brandon stond stil. Buckingham boog en voegde zich bij zijn vriend Norfolk. De ceremonie was afgelopen.
Een paar uur later reden Buckingham en zijn grote groep volgelingen in de ijskoude schemering de paleispoort uit. Buckingham hield even stil en staarde naar de in het halfduister gehulde torens van het paleis achter hem. Hij keek Hopkins aan. 'Het duurt nu niet lang meer, Hopkins. Niet lang.'
Hij gaf zijn paard de sporen en reed ervandoor; zijn grote gevolg waaierde achter hem uit.
Ze reden door een weidelandschap met eeuwenoude eiken. Alleen het kraken van leer, het doffe hoefgetrappel op de bevroren aarde en het incidentele gerinkel van metaal tegen metaal waren te horen. Zonder waarschuwing verscheen tussen de bomen een andere groep ruiters, die snel galoppeerde om hun de pas af te snijden. Ze droegen de kleuren van de koning. Knivert en Compton reden op kop. Buckingham maakte zich geen zorgen. Hij beschikte over meer manschappen en hij was hoger in rang dan Knivert en Compton. 'Wat wilt u?' vroeg hij toen zijn gezelschap werd omsingeld.
'Uwe Excellentie wordt gearresteerd op verdenking van verraad,' deelde Compton hem mee. 'Ik heb bevel van de Koninklijke Hoogheid om u naar de Tower te brengen.'
'Laat ons passeren,' zei Buckingham. Zijn mannen trokken hun zwaard.
'U zult niet verder gaan,' zei Knivert beheerst. 'En als een van uw mannen een van Zijne Majesteits dienaren uit hoofde van zijn plicht aanvalt, geldt dat ook als verraad - zoals Uwe Excellentie weet.'
Met weerzin gebaarde Buckingham zijn mannen hun zwaard weer terug te stoppen. Op neerbuigende toon zei hij: 'U bent niet geschoold in de manieren van de adel. U weet niets. Als ik word beschuldigd van verraad, moet ik berecht worden door een jury van mijn gelijken - niet door de honden van slagers! Hij wierp hun een arrogante blik toe. 'Er is in Engeland geen edelman die zich ooit tegen mij zal verzetten.'
'Ik heb een Hof van Hoge Ambtenaren benoemd om een vonnis te vellen in Buckinghams rechtszaak,' vertelde Henry aan Wolsey. Ze waren in Henry's privévertrekken samengekomen. 'Er zullen twintig edelen worden aan-gewezen voor het hof. De Hertog van Norfolk zal de jury voorzitten.' Hij tekende een document, verzegelde het met het koninklijke zegel en overhandigde het aan Wolsey. Wolsey pakte het papier aan. 'Majesteit...'
Ja?
'Het zou gevaarlijk zijn om de hertog schuldig te bevinden aan verraad.'
Henry trok een wenkbrauw op. 'Ook als hij dat is?'
'Ja. Zelfs als hij dat is.' Wolsey koos zijn woorden zorgvuldig. 'Hij zou schuldig bevonden kunnen worden aan een minder zware overtreding, een zware boete opgelegd kunnen krijgen en van het hof verbannen kunnen worden. Op die manier zou hij in ongenade vallen, maar zouden zijn bondgenoten en vrienden geen reden hebben om tegen u in opstand te komen.'
'En dat zou de beste uitkomst zijn?' vroeg Henry.
'Dat denk ik wel.'
'En u kunt ervoor zorgen dat het hof tot die uitspraak komt?'
Wolsey boog zijn hoofd. 'Ik heb er alle vertrouwen in.'
'Net zoals ik heb in Uwe Eminentie.' Maar toen Wolsey vertrok, verhardden Henry's gelaatstrekken zich. Hij ontbood Brandon.
'Wolsey zal het hof samenstellen,' deelde hij Brandon mee. 'Norfolk zal het voorzitten. Herinner Norfolk aan zijn verantwoordelijkheden.'
Brandon boog. 'Dat zal ik doen, Majesteit.'
De volgende dag trof Brandon Norfolk aan toen deze in het gezelschap van verschillende bedienden zijn jonge zoon het paleis liet zien. Brandon naderde het gezelschap en boog. 'Uwe Excellentie.'
Het goede humeur smolt van Norfolks gezicht. 'Wat wilt u?'
'Ik wil u slechts de genegenheid van Zijne Majesteit overbrengen,' zei Brandon. 'Zijne Majesteit apprecieert de rol die u tijdens Lord Buckinghams proces zult spelen en alle bekommernis die u hebt om Zijne Majesteits welbevinden.'
Norfolk keek hem met samengeknepen ogen aan.
'Ook stuurt hij u dit.' Brandon overhandigde Norfolk een klein kistje. Norfolk opende het — en bevroor toen hij zag dat er een grote gouden ring met een robijnen zegel in zat. Hij wierp een blik op zijn zoon en trok toen Brandon terzijde. 'Dit was de ring van mijn vader,' zei Norfolk. 'Hij is onthoofd — door Zijne Majesteits vader.'
Brandon keek hem minzaam aan. 'Zijne Majesteit dacht dat u hem wellicht graag wilde dragen.' Hij keek naar de plek waar de jongen stond te wachten. 'Is dat uw zoon?'
'Ja,' antwoordde Norfolk met geknepen stem. 'Hij gaat zo op audiëntie bij zijn peetvader, de koning.'
'Uwe Excellentie dient behoedzaam om te gaan met zijn erfenis,' zei Brandon zacht. 'Het zou bijvoorbeeld verschrikkelijk zijn als een of andere handelswijze van u hem zou beroven van een vader, een titel... en een ring.' Hij liet zijn woorden bezinken — en boog. 'Uwe Excellentie,' zei hij. Toen liep hij weg.
Norfolk staarde hem na, terwijl Brandons woorden nog nagalmden in zijn oren. Hij keek naar zijn jonge zoon, die met een heldere, enthousiaste blik zijn ogen uitkeek in het hof. Zijn hand sloot zich krampachtig om de ring van zijn dode vader.
De dag van Buckinghams berechting was aangebroken. De aanklacht was ingediend. De belangrijke edellieden van Engeland, met Norfolk in hun midden, hadden een aantal getuigenverklaringen gehoord. Het meest belastend waren die van een paar van Buckinghams eigen officieren, die wrok tegen hem koesterden. Het vonnis kon elk moment bekendgemaakt worden. Buckingham werd binnengebracht. Hij liep naar zijn gelijken toe en zag er zelfverzekerd en goedgemutst uit toen hij ging zitten. Hij keek om naar de tribune, zag Wolsey kijken en trok zijn lip op.
Hij richtte zijn blik weer op Norfolk en schonk deze, vooruitlopend op Wolseys nederlaag, een vage glimlach. Norfolk vermeed zijn blik. Buckinghams wenkbrauwen trokken samen. Nerveus verklaarde Norfolk, de voorzitter van de Jury van Gelijken: 'Uwe Excellentie wordt beschuldigd van verraad, en van het bedenken en beramen van de dood van de Koninklijke Hoogheid.' Hij zweeg, keek naar beneden en bladerde wat door zijn papieren. Er rolde een traan over zijn wang. Buckingham ging rechtop zitten. Hij probeerde de aandacht van zijn andere gelijken te trekken. Geen van hen keek hem aan. Norfolk ging verder: 'Dit, dit Hof van Hoge Ambtenaren, verklaart na het beschouwen van alle bewijs tegen Uwe Excellentie... verklaart Uwe Excellentie schuldig aan het u ten laste gelegde.' Er biggelden meer tranen over Norfolks wangen.
'Nee!' zei Buckingham naar lucht happend.
Norfolk vervolgde: 'En... en... veroordeelt u derhalve naar believen van Zijne Majesteit tot de dood.' Hij barstte in tranen uit, terwijl er een hels lawaai losbrak.
Lijkwit van schrik en woede sprong Buckingham overeind en wees naar Wolsey. 'Hier zit u achter! Slagersgebroed! Het is allemaal uw schuld!'
Wolsey schudde zijn hoofd. Soldaten van de koninklijke garde kwamen naar voren en voerden de nog steeds protesterende Buckingham af. Ze brachten hem naar een kleine, donkere cel in de Tower van Londen en duwden hem ruw de deur door.
Het was allemaal in een mum van tijd geschied. Geschokt en vol ongeloof hoorde Buckingham de sleutel knarsen in het slot. Het kon niet waar zijn
— dat kon gewoon niet! Maar hun voetstappen vervaagden onverbiddelijk en lieten hem alleen.
Hoe kon de hoogste edelman in het land zo in het ongeluk gestort zijn door de zoon van een slager? Hoe?
Na een tijdje werd Buckingham zich bewust van een zwak getik. Een klok?
Hier? Hij ging op het geluid af en vond hem in het halfduister van de cel. Hij tilde hem op om er van dichtbij naar te kijken.
Dit was niet zomaar een klok... Dit was de klok die hij aan de koning had geschonken. Hij had de inscriptie die hij had gekozen zo geslepen, zo subtiel ironisch gevonden: UIT EEN NEDERIG, WAARACHTIG HART. Op de dag van Buckinghams onthoofding vertrok de koning naar Jericho. Gekleed in het geel, de kleur van de vreugde, galoppeerde Henry weg op een prachtig uitgedoste merrie.
In de sombere cel, diep in de Tower van Londen, knielde Buckingham om te bidden. Hij probeerde zijn trillende ledematen onder controle te krijgen, terwijl een priester hardop voor hem bad in het Latijn. Buiten draaide de sleutel in het slot. De zware gevangenisdeur zwaaide open. 'Het is tijd, Uwe Excellentie,' riep de konstabel van de Tower. Buckingham draaide zich naar hem om met een grauw, van angst vertrokken gezicht. Hij kon nog steeds niet geloven dat hij de dood van een verrader zou sterven. De soldaten van de toren negeerden zijn verwoede geprevel. Ze tilden hem overeind en voerden hem half duwend, half dragend de Tower uit, naar Tower Green.
Een kleine groep mensen was gekomen om naar de onthoofding te kijken. Zonder acht op hen te slaan strompelde Buckingham langs de toekijkers. Vóór hem was het verhoogde platform waar een zwartgekapte beul, de bisschop en een aantal priesters op hem stonden te wachten. Hij was niet klaar voor de dood.
Hij sleepte met zijn voeten, maar werd vooruitgetrokken. Hevig trillend en hangend aan de armen van de soldaten werd hij het platform op gebracht. Hij stond op het punt in te storten.
Zonlicht weerkaatste op de bijl van de beul toen deze voor Buckingham knielde en vroeg: 'Vergeeft u mij?'
Buckinghams mond ging open, maar er kwamen geen woorden uit. Hij had het koud en was bang. Zijn ogen stonden vol tranen; ze gingen van de beul naar de gezichten van de mensen die waren gekomen om hem te zien sterven. Hij vond zijn dochter, Anna. Ze huilde. Hun blikken kruisten elkaar.
Buckingham kon het niet verdragen. Hij keek weg.
Achter hem beëindigde de priester zijn gebeden en fluisterde toen, na een korte pauze: 'Uwe Excellentie moet knielen.'
Buckingham kermde, maar verroerde zich niet. Ze moesten hem dwingen te knielen en zijn hoofd op het hakblok te leggen.
De beul zei tegen hem: 'Als u uw armen spreidt, zal ik toeslaan!' Hij tilde zijn bijl omhoog.
Buckingham kon zichzelf er niet toe zetten zijn armen te bewegen. Het moment leek eindeloos te duren. Uiteindelijk stapte Knivert binnensmonds vloekend naar voren, greep Buckinghams handen en duwde ze uiteen. De bijl zwaaide naar beneden en de Hertog van Buckingham bestond niet meer.
In Jericho betrad Koning Henry het slaapvertrek waar twee vroedvrouwen naast een houten wieg bekleed met fluweel stonden.
Ze zonken op hun knieën, maar de koning zag hen niet. Hij had alleen maar oog voor het wiegje. Hij staarde uitdrukkingsloos naar de pasgeboren baby en maakte toen langzaam het gebaar van een kruisteken. 'Ik heb een zoon,' zei hij. Hij tilde het naakte kind op uit de wieg en onderzocht het. Alles zat erop en eraan, het kind blaakte van gezondheid en was prachtig. Luider en uitbundiger zei Henry: 'Ik heb een zoon!'
De koning was zo in de wolken door de geboorte van een gezonde zoon
— ook al was het een bastaard — dat hij een publiek festijn verordonneerde. Vrolijke muziek vulde het hof en de meest verfijnde gerechten werden aangerukt voor een groot feestmaal. De wijn vloeide rijkelijk terwijl mensen praatten, aten, dansten en vrolijk spelletjes speelden. Suikergoed en munten werden verdeeld onder de armen en op de binnenplaats traden jongleurs, acrobaten en vuurvreters op. Buiten het paleis verzamelde zich een menigte om te kijken naar de adellijke heren en hun prachtige dames in schitterende gewaden die in groten getale het hof betraden. In het donker waren de oohs en aahs niet van de lucht toen vuurwerk boven het paleis uiteenspatte. Henry dronk en lachte uit volle borst; hij was zeer tevreden met alles. Al zijn vrienden en alle vooraanstaande mannen van het koninkrijk waren hier om zijn triomfen te delen. Het was een groots gebeuren. Wolsey zocht met zijn ogen de menigte af. Lady Blount was nergens te bekennen. Hij baande zich een weg naar de koning en boog. Henry begroette hem joviaal.
'Mijn welgemeende felicitaties bij deze blijde gebeurtenis, Uwe Majesteit,'
zei Wolsey.
'Dank u, Uwe Eminentie.' De koning leegde zijn beker. 'U vindt de dame boven.' Hij zwaaide met een hand in de richting van een zuilengalerij. Toen Wolsey wegliep, draaide hij zich weer om en sloeg Brandon op zijn rugGrinnikend zei Henry: 'Nou? Een zoon! Eindelijk!'
'Gefeliciteerd, Majesteit.'
'Ik heb altijd geweten dat het niet aan mij lag.'
'Nee,' stemde Brandon in. Opeens verstomde het feestgedruis. Koningin Katherine had in het gezelschap van twee van haar dames de ruimte aan de andere kant van de galerij betreden. Ze maakten een reverence. Katherines ogen straalden tragiek uit, maar ze was koninklijk tot op het bot. Terwijl alle ogen op haar gericht waren, pakte ze een beker wijn, tilde die op in de richting van Henry en bracht een toost uit. Ze nam een slokje, zette de beker terug en vertrok.
Wolsey vond Lady Blount in een duister privévertrek; ze zat kaarsrecht en met gevouwen handen op een stoel - alleen, zonder bedienden - te wachten. Wolsey zei: 'Zijne Majesteit heeft besloten zijn zoon te erkennen. Hij zal vooralsnog de naam Henry Fitzroy dragen en de beschikking krijgen over zijn eigen huishouden in Durham House met een kapelaan, een officiële functionaris en een gevolg dat past bij zijn status.'
Lady Blounts gezicht trilde van emotie. 'Dank u, Uwe Eminentie.'
'U dient Zijne Majesteit schriftelijk te bedanken,' zei Wolsey. 'Ik voer slechts zijn bevelen uit.' Hij verliet haar — eenzaam en in het halfduister luisterde ze naar de festiviteiten ter ere van de geboorte van haar zoon. De festiviteiten duurden voort. De wijn bleef vloeien en de stemming werd ruwer. Henry brulde eenvoudigweg dat er meer drank en eten geserveerd diende te worden.
Ondertussen was het gedrang van de menigte buiten — zichtbaar en hoorbaar - groter geworden. Gezichten werden tegen de ramen gedrukt en de wachters hadden de grootste moeite om mensen bij de deuren en gasten vandaan te houden. De talloze toeschouwers stonden zo opeengepakt en waren zo opgewonden, dat gasten die de ruimte uit of in wilden nauwelijks konden passeren. Plotseling schreeuwde de koning: 'Laat hen binnen! Dit is een feest voor iedereen!'
De wachters aarzelden. Zoiets was ongehoord - edellieden die zich mengden met het gepeupel.
'Ik zei: laat hen binnen!' bulderde Henry. 'Kom binnen! Kom binnen!' Hij wuifde naar de burgers.
De wachters stapten opzij en de mensen stroomden naar binnen. In eerste instantie veroorzaakte dit veel hilariteit: edelen die schouder aan schouder stonden met gewone mensen. Sommige edellieden — Norfolk bijvoorbeeld —
waren echter ontsteld door deze schending van het decorum. Ook Thomas More greep de gelegenheid aan om weg te glippen.
Maar niets kon de koning tegenhouden. Hij was geliefd bij zijn volk, dat wist hij. Hij zag dat ze hun ogen uitkeken en schreeuwde toen opeens:
'Neem iets! Iedereen moet iets pakken. Ter herinnering aan de geboorte van mijn zoon. Om het te vieren.'
De gewone mensen keken elkaar twijfelend aan. Zou de koning zoiets echt kunnen menen? Er was hier meer weelde dan ze hun hele leven zouden zien.
Henry schreeuwde opnieuw: 'Toe maar! Pak wat u wilt!'
Wolsey mompelde waarschuwend: 'Majesteit, ik...'
'Zwijg! Zwijg!' gaf Henry hem op luide toon te verstaan. 'Dit zijn mijn onderdanen!' De toekijkende edelen en hovelingen barstten in lachen uit toen de menigte zich over de galerij begon te verspreiden en alles greep wat binnen handbereik kwam. Binnen een paar minuten was de kamer volledig onttakeld. De burgers verkeerden door deze ongekende kans echter in een roes en waren niet meer te houden.
Eerst begon er een aan een zilveren knoop te trekken, vervolgens greep een ander een baret. En toen begonnen ze opeens allemaal te rukken aan de kleren van de edele heren en dames. De dames gilden van angst en probeerden te ontsnappen, maar Henry en zijn vrienden, die het grootste deel van de dag aan het drinken waren geweest, brulden van het lachen. Ze bekeken het schouwspel waarbij het gewone volk steeds schaamtelozer de edelen de kleren van het lijf rukte. Het leek wel een menselijke sprinkhanenplaag. Alleen de koning en Kardinaal Wolsey, die enigszins terzijde stond, werden niet belaagd. De koning en de Kerk - onaangeraakt en onaanraakbaar. Wolsey was met afschuw vervuld. 'Uwe Majesteit! U moet hier een eind aan maken!'
Maar Henry keek alleen maar. Het was een gekkenhuis. Edelen schreeuwden en gilden terwijl ze door bezeten, begerige handen van al hun kleren werden beroofd. Knivert, die al helemaal niets meer aanhad, klom in een paal om te ontsnappen aan het gegraai van zweethanden. Een naakte jonge vrouw gilde de longen uit haar lijf toen het gepeupel haar betastte. Wolsey riep uit: 'Uwe Majesteit! In godsnaam!'
Henry sprong op, alsof hij wakker werd. Hij schreeuwde: 'Wachters!
Wachters! Waar bent u, verdoeme? Wachters!'
De wachters stroomden naar binnen, dreven de herrieschoppers uiteen en verjoegen hen uit het paleis. Het hof bleef geschokt en duizelig achter. In het Vaticaan ontving Paus Alexander de laatste sacramenten. In het bijzijn van kardinalen en bisschoppen lag hij met een gouden crucifix tussen zijn gevouwen handen op een bed waar op elke hoek een grote kaars brandde.
Terwijl de priester de gebeden prevelde, fluisterde Kardinaal Campeggio tegen Bisschop Bonnivet: 'Wat had u Wolsey beloofd?'
'De Franse stem — in ruil voor het feit dat Engeland niet ten strijde zou trekken tegen Frankrijk,' fluisterde Bonnivet terug.
'Feit is dat Wolsey naar Aken is gegaan om de nieuwe keizer te ontmoeten,'
zei Campeggio. 'Het is duidelijk dat hij het verdrag met uw koning wil schenden.'
De priester die de laatste sacramenten toediende wendde zich tot Campeggio met een hostie. 'Wil Uwe Eminentie deze hostie, die het lichaam van Christus is, zegenen?'
Campeggio fronste geïrriteerd en zei snel wat woorden in het Latijn, sloeg een kruis en gaf de hostie terug.
'In dat geval,' vervolgde Bonnivet, 'zijn wij niet langer verplicht om ons aan ons deel van de overeenkomst te houden.'
Campeggio knikte. Ondertussen legde de priester de hostie op de tong van de paus. De paus bewoog niet.
'Uwe Heiligheid moet hem doorslikken. Alstublieft,' smeekte de priester. Als de hostie niet werd doorgeslikt, zou de ziel van de paus gevaar lopen. De paus probeerde het, maar was te zwak. De priester begon te huilen.
'Hoe dan ook, we willen geen Engelse paus!' verklaarde Campeggio. 'We hebben er ooit een gehad. Hij was krankzinnig! Dat nooit meer. De paus moet een Italiaan zijn. Dat is Gods wil.'
Hij keek naar de priester die openlijk stond te snotteren en te smeken bij de stervende man. 'Alstublieft, Heilige Vader. Alstublieft.'
'Duw hem naar binnen!' snauwde Campeggio.
De priester was geschokt, maar duwde omdat hij zo wanhopig was de hostie in het keelgat van de paus. Alexanders mond vertrok, hij maakte een zacht geluid en stierf.
Campeggio en Bonnivet namen hun bonnet af, sloegen een kruis en knielden heel devoot naast het lichaam neer. Buiten begon de doodsklok te luiden. Thomas More wandelde over de binnenplaats van Whitehall Palace, toen hij Lady Blount zag naderen. Hij stond op het punt een buiging te maken, toen er een deur openging en de kamerheer verkondigde: 'De koningin!'
Koningin Katherine was, in gezelschap van verscheidene van haar hofdames, op weg naar de kapel. More zag dat de vrouwen elkaar tegelijkertijd in het oog kregen en onmiddellijk verstijfden. In Katherines ogen zag hij een verschrikkelijk verdriet, alsmede grote bitterheid. Lady Blount maakte een diepe reverence. 'Hoogheid.'
Zonder te reageren stevende de koningin haar met een koninklijk opgeheven hoofd voorbij. Lady Blount stond op; ook haar ogen weerspiegelden verdriet en bitterheid.
More zuchtte en vervolgde zijn weg. Hij moest Wolsey spreken. Toen hij Wolseys kamer binnen kwam, stopte hij even. Hij was verbaasd de kardinaal staand met zijn rug naar de deur, starend uit het raam aan te treffen, aangezien Wolsey meestal achter zijn bureau zat.
Zonder zijn hoofd om te draaien zei Wolsey: 'Er is al een geval van zweetziekte in de stad. U weet hoe bevreesd de koning is om besmet te raken.'
'Ja,' beaamde More. Henry had een afkeer van viezigheid en was doodsbang voor ziektes, vooral voor de zweetziekte. Met al die mensen in het paleis raakten de beerputten snel vol en moest de hele hofhouding verhuizen.
'Het stinkt hier!' zei Wolsey. 'Binnen een paar weken zal het hof dit paleis verlaten en naar Hampton Court verhuizen.'
'Dat heb ik gehoord,' zei More. Wolsey had een fortuin uitgegeven om zijn huis in gereedheid te brengen voor het bezoek van de koning. De kardinaal had zich nog steeds niet omgedraaid. More vroeg: 'Hoe is het met de koning?'
Wolsey draaide zich om en nam zijn plek achter het bureau weer in. Zijn ogen waren roodbetraand. More begreep onmiddellijk de oorzaak daarvan. Het nieuws uit Rome.
Hij herinnerde zich Wolseys woorden van zo veel maanden geleden. Wan- neer u de liefde van een vorst wilt behouden, dan is dit wat u dient te doen: u moet hem iets schenken wat u op de hele wereld het meest dierbaar is.
'Het spijt me zo dat Kardinaal Orsini tot paus is verkozen,' zei More.
'U hebt altijd en eeuwig spijt, More,' zei Wolsey tegen hem.
'Dit is niet simpelweg een kwestie van beleefdheid.'
Wolsey rommelde tussen zijn papieren. 'Echt niet?'
'Nee. Zolang er binnen de Kerk zo overduidelijk sprake van corruptie is, krijgt die ketterse Luther steeds meer aanhangers.' More voegde eraan toe:
'Als Uwe Eminentie tot paus verkozen zou zijn, had u zich eindeloze moeite getroost om een bezem door de Kerk te halen en deze te bevrijden van alle duivelse praktijken.' Hij haalde zijn schouders op. 'Het is hetzelfde als het schoonspoelen van de paleizen van Zijne Majesteit wanneer die vol stront zitten.'
Wolsey keek op. 'Misschien hebt u een te hoge dunk van mij, Thomas.' Hij zweeg even. 'Misschien hebt u, op de een of andere manier, een te hoge dunk van de gehele mensheid.'
Op een binnenplaats in het paleis hadden Norfolk en Boleyn een discrete en geheime ontmoeting. Er kwam een slanke, donkerharige vrouw naar hen toe, die voor Norfolk op haar knieën viel: Anne Boleyn, net teruggekeerd uit Frankrijk, achttien en in de bloei van haar jeugdige schoonheid. Ze begroette haar oom, die even later vertrok.
Boleyn wendde zich tot zijn dochter. 'Weet u waarom u hier bent?'
'Nee, papa. In Parijs heeft niemand me iets verteld.'
'Goed,' zei Boleyn. 'Dat is ook het beste.'
Ze wierp haar hoofd naar achteren en keek hem nieuwsgierig aan. 'Wat is er gebeurd?'
Boleyn schudde zijn hoofd. 'Zijne Majesteit heeft genoeg van zijn Franse bondgenootschap.' Hij zweeg even. 'Het schijnt dat hij ook genoeg heeft van uw zuster. Hij noodt haar niet langer in zijn bed.'
'Arme Mary.' Anne probeerde meelevend te klinken, maar kon nauwelijks een grijns onderdrukken.
Boleyn riep haar streng tot de orde. 'Arme wijl Toen zij zijn maitresse was, hebben wij fortuin gemaakt. Nu zal dat naar alle waarschijnlijkheid snel slinken.' Hij zweeg en keek zijn dochter aan. 'Tenzij...' Hij staarde in haar ernstige, intelligente bruine ogen.
Anne begreep het onmiddellijk. 'Als hij me al zou willen,' zei ze langzaam,
'wie zegt dan dat hij me ook houdt? Het ligt niet alleen aan Mary. Ze zeggen dat al zijn liaisons van korte duur zijn. Dat hij erg veranderlijk is.'
Boleyn glimlachte. Anne was altijd al de slimste dochter geweest. Hij zei:
'Wellicht dat u een manier kunt verzinnen om zijn belangstelling wat... te rekken? Ik mag toch hopen dat u in Frankrijk dingen hebt geleerd? Hoe u zijn lusten moet bespelen?' Hij raakte zijn dochters wang aan. 'U hebt iets ondoorgrondelijks en gevaarlijks, Anne. Die ogen van u zijn valstrikken voor de ziel.'
Hij zweeg even om zijn woorden te laten bezinken en zei toen op zachte, genadeloze toon: 'Zorg dat hij toehapt.'
Het hof ging verhuizen. Opeens was het paleis volledig en spookachtig leeg, want niet alleen de honderden mensen vertrokken, maar ook een groot deel van het meubilair verhuisde mee. Het was een gigantische klus, waarop werd toegezien door de kwartiermaker.
Bedden werden ontmanteld en ingepakt, Henry's troon en andere staatszetels, evenals andere meubelstukken, werden getransporteerd. Tapijten, wandtapijten en draperieën werden neergehaald, kleding en bedlinnen gewassen. Alles werd verpakt in kisten en omwikkeld met canvas, en alles wat niet meegenomen werd verdween achter slot en grendel. De enigen die in Whitehall Palace achterbleven waren de groepen dienaren onder supervisie van de Bewaarder en de Huishoudelijke Dienst. Want het paleis moest worden schoongemaakt. Bijna overmand door de stank sleepten dienaren met emmers water om het notoire 'gemakshuis' met zijn lange banken met zitgaten, waarop velen tegelijkertijd hun darmen konden legen, schoon te spoelen.
In de zalen en publieke ruimtes, waar de jonge Thomas Tallis ooit had staan wachten in de hoop opgemerkt te worden, werden de smerige biezen die stonken naar menselijke en dierlijke urine, stukjes rottend voedsel en allerlei soorten afval met rieken van de grond getild; net als in de stallen de mest werd opgehoopt. Buiten voerden rijtuigen al het doordrenkte stro en de mest af.
En tot slot werden de vloeren, de wandpanelen en zelfs de plafonds schoongeboend.
Ver weg van dit alles reed Henry; hij zat met Wolsey in het voorste rijtuig.
'Hoe was uw bijeenkomst met de keizer?' vroeg hij hem.
'Goed. Constructief.' Wolsey strekte zijn vingers. 'Hij doet geen moeite zijn antipathie voor de Fransen te verbergen. Hij wil tegen hen ten strijde trekken en is wanhopig op zoek naar een bondgenootschap met Uwe Majesteit.'
Henry knikte bedachtzaam. 'En in ruil voor ons bondgenootschap?'
'Er zal een gezamenlijke invasie van Frankrijk komen om Koning Francis ten val te brengen.'
De val van Koning Francis! Henry herinnerde zich hoe hij tijdens de worstelwedstrijd met Francis ten val was gebracht. Die herinnering knaagde aan hem.
'En dan zal ik de troon opeisen,' zei Henry. 'En opnieuw waarlijk Koning van Engeland, Ierland en Frankrijk zijn, zoals mijn voorvaderen!' Terwijl hij sprak doemde aan het eind van de laan Hampton Court op. Zonlicht weerspiegelde op alle ramen van het prachtige huis. Het zag er schitterend uit.
Henry bekeek het peinzend. 'U hebt hier een wel zeer prachtig huis laten neerzetten, Uwe Eminentie.'
Wolsey glimlachte. 'Dank u, Uwe Majesteit.'
'Het is waarschijnlijk het mooiste paleis in Engeland.' Henry slaakte een luide zucht. 'Ik heb niets wat ermee te vergelijken is. Ik kan niets tonen wat schoner is.'
Wolseys glimlach vervaagde. Henry glimlachte vriendelijk naar Wolsey en wachtte.
Wolsey staarde nog een laatste maal naar zijn prachtige en geliefde huis, viel toen op zijn knieën in het rijtuig en zei: 'Majesteit, het is van u.'
'Gemeubileerd?' vroeg Henry meteen.
Wolsey begon onderdrukt te lachen en Henry deed met hem mee, terwijl het rijtuig verder rolde in de richting van het nieuwste huis van de koning, het schitterende Hampton Court Palace.
Hoofdstuk 6
Dover Road was bezaaid met kuilen en het rijtuig dat eroverheen rolde slingerde en stuiterde. Binnenin klampten drie mannen zich vast aan de lussen die aan het dak en de zijkanten van de koets hingen: Thomas More en twee afgezanten van Keizer Charles V, de neef van Koningin Katherine.
'We zijn u zeer erkentelijk voor het feit dat u ons persoonlijk verwelkomt, Mijnheer More,' zei Mendoza, de wat kleinere gezant. Hij was kort, had pientere, donkere ogen en gedroeg zich enorm deftig.
'Nee, het is mij een eer,' zei More. 'Zijne Majesteit beschouwt uw bezoek als een hoogtepunt.'
'Wanneer kunnen we op audiëntie bij Zijne Majesteit?' vroeg de tweede afgezant, Chapuys. Hij was lang, knap en bebaard.
'Nadat u op audiëntie bij zijn kanselier bent geweest,' vertelde More hem.
'Laat mij Uwe Excellenties in ieder geval wat dit betreft een goede raad geven: er is slechts één manier om het oor van de koning te bereiken, en dat is via de goede diensten van Kardinaal Wolsey.'
De gezanten keken elkaar aan en richtten hun blik vervolgens weer op More. Mendoza zei zachtjes: 'We hebben geruchten vernomen, Mijnheer More. De kardinaal zou Franse belangen verdedigen.'
More keek hem aan. 'Alleen als hij vindt dat het ook in ons belang is.'
De koets hobbelde voort. Het voorbijglijdende Engelse landschap was voornamelijk bebost en vertoonde schaarse tekenen van menselijke bewoning of zelfs landbouw. Ogenschijnlijk om de tijd te verdrijven, maar ook omdat het een favoriet onderwerp van hem was, informeerde More: 'Zeg me eens, hoe staat de keizer tegenover de verspreiding van de Lutherse dwaalleer in sommige van zijn gebieden? Mijn vriend Erasmus vertelt me dat die zich in Duitsland als een lopend vuur verspreidt!'
Mendoza spreidde zijn handen. 'Zijne Hoogheid doet alles wat in zijn macht ligt om het te onderdrukken. Maar zoals u weet is Luther zelfde gast van een van de Duitse vorsten en daar heeft hij helaas geen zeggenschap over.'
More knikte. 'Mijn koning is bezig met het schrijven van een pamflet waarin hij Luthers argumenten met de grond gelijkmaakt en het pausdom en ons geloof verdedigt.'
De gezanten wisselden een verbaasde blik. Chapuys boog zich voorover.
'U bedoelt toch niet... dat hij het zelf schrijft... met zijn eigen hand?!'
Slechts enkele koningen waren meer dan fundamenteel geletterd — dergelijke huishoudelijke taken werden meestal overgelaten aan hun ondergeschikten. More stond zichzelf een glimlach toe. 'Ah, Excellentie, er zijn heel veel dingen waar mijn koning goed in is!'
Uiteindelijk arriveerden de vermoeide reizigers op Hampton Court Palace. Kardinaal Wolsey wachtte hen op, schitterend gekleed en omringd door bedienden.
'Uwe Excellenties,' begroette hij hen. Hij schonk hun een warme glimlach toen ze zijn hand kusten. Hij vervolgde: 'Dit is waarlijk een mooie dag. We hebben veel festiviteiten gepland ter ere van dit uiterst welkome bezoek. En het is mijn vurige hoop dat wij, tezamen, de laatste hand kunnen leggen aan de details van het verdrag dat uw meester en de mijne in eeuwigdurende vriendschap zal verbinden.'
Chapuys knikte hoffelijk. 'Dat is al net zozeer onze hoop, Uwe Eminentie.'
Wolsey glimlachte en gebaarde dat ze met hem mee moesten komen naar een zijvertrek. Thomas More maakte aanstalten hen te volgen, maar Wolsey stak zijn hand op en zei zachtjes: 'U niet, Thomas.' Hij sloot de deur voor Mores gezicht.
Er werd wijn ingeschonken en de dienaren werden weggestuurd - mét hen verdween Wolseys hoffelijke gedrag. 'Ik wil mijn kostbare tijd niet verspillen, noch de uwe,' zei hij. 'Vertel me voordat we gaan drinken of de keizer oprecht is wat betreft dit verdrag.' Hij keek hun recht in de ogen, op een manier die hen nerveus maakte.
Chapuys beantwoordde zijn blik. 'Dat is hij.'
Wolsey knikte. 'Dan stel ik voor dat we, om het te bestendigen, tevens de verloving van de keizer met Prinses Mary, de dochter van de koning, aankondigen.'
De gezanten wisselden een waakzame blik. Mendoza zei behoedzaam: 'Wij hadden begrepen dat zij al verloofd is met de dauphin.'
'Maar nu zal ze zich verloven met Charles,' gaf Wolsey hem te kennen.
'Tenzij u nog een ander bezwaar heeft?'
Mendoza staarde naar zijn collega en zei toen: 'Integendeel.'
'Goed, dan zijn we het eens.'
Chapuys schraapte zijn keel en zei toen uiterst zacht: 'De keizer heeft ons opgedragen Uwe Excellentie er persoonlijk van op de hoogte te brengen dat hij van zins is u een zeer genereuze toelage te verlenen. Tevens zal hij uw ambities om paus te worden volledig steunen.'
Wolsey liet niet merken dat hij het gehoord had. Hij hief zijn kelk. 'Laat ons drinken op het welslagen van het bezoek van Uwe Excellenties.'
'Met alle genoegen,' stemde Chapuys in, terwijl hij zijn kelk hief.
'Welnu, Uwe Eminentie,' zei Mendoza toen ze hun kelk geleegd hadden,
'wanneer ontmoeten we de koning?'
'U zult hem ontmoeten,' zei Wolsey raadselachtig. Met een vage glimlach ging hij verder: 'Morgen wordt ter ere van u een schouwspel opgevoerd. Het is getiteld Le Chiïteau Vert, het Groene Kasteel. Bedacht, geschreven en geleid door Meester William Cornish, een achtenswaardig heer van de Koninklijke Kapel. Ik geloof dat een deel van de muziek is gecomponeerd door jongeheer Thomas Tallis. Maar William Cornish heeft het allemaal in elkaar gezet. De man is een genie. Hebt u van hem gehoord?'
De gezanten schudden hun hoofd; verbijsterd vroegen ze zich af waarom zij een verhaal over een bedenker van vermakelijkheden - hoe getalenteerd ook — te horen kregen, terwijl ze hadden geïnformeerd naar een ontmoeting met de koning.
'Nee? Wij achten hem zeer hoog. Zijne Majesteit zal bij het schouwspel aanwezig zijn.'
En daarmee moesten de afgezanten het doen.
'Arme Buckingham.' Norfolk schudde vol erbarmen zijn hoofd. 'Ik heb hem gewaarschuwd. Ik heb hem verteld dat zelfs degenen die zijn aanspraak erkenden niet hun handen voor hem in het vuur zouden steken.' De ochtendzon glinsterde op het vochtige gras rond Norfolks landhuis, waar hij met zijn bloedverwant, Sir Thomas Boleyn, overheen struinde. Vóór hen volgde een stel honden van Norfolk enthousiast snuffelend het spoor van een haas of wellicht een vos. Boleyn knikte.
Norfolk ging verder: 'Zijn fout was dat hij geen genoegen nam met zijn titel - Buckingham moest koning zijn! Maar voor wie is de titel van hertog nu niet voldoende? Hij keek naar het uitgestrekte landgoed dat hem omringde en spreidde zijn armen in een groots gebaar. Norfolk was duidelijk tevreden met het feit Norfolk te zijn.
Ze wandelden verder, peinzend over ambities, hoe de familie vooruit kon komen en het drijfzand van de koninklijke gunst, waarvan het allemaal afhing. Na een tijdje zei Norfolk: 'Dus u vindt wel een manier om mijn nicht onder de aandacht van de koning te brengen?'
Boleyn knikte. 'Jawel, Uwe Excellentie. Het is al geregeld. Een zeer ingenieuze en intrigerende regeling, als ik zo vrij mag zijn.'
'Goed.' Norfolk knipte met zijn vingers naar de honden. 'Als ze eenmaal haar benen voor hem geopend heeft, kan ze haar mond openen en Wolsey hekelen.' Hij keek naar Boleyn en lachte. 'Ze zeggen tenslotte dat het scherpste lemmet in de zachtste schede wordt gestoken.'
'Stilte! Stilte! Ga op uw plekken staan,' riep William Cornish zachtjes. De schouwspelers namen snel hun posities in op een toneel, waar een speciaal vervaardigd groen kasteel met drie torens stond.
In de grote zaal waren rijen banken boven elkaar geplaatst. Ze zaten vol met hoogwaardigheidsbekleders, hovelingen en edelen. Er hing een verwachtingsvolle spanning in de lucht. Terwijl Chapuys en Mendoza naar hun ereplaatsen werden geleid, zochten ze met hun ogen tevergeefs naar de koning. 'U hebt gezegd dat de koning hier zou zijn,' zei Mendoza.
Wolsey glimlachte geheimzinnig. 'U zult hem weldra zien.'
De gezanten wisselden een blik van verstandhouding. Het was bekend dat Henry zich graag vermomde om mee te doen aan schouwspelen en maskerades. Zijn afwezigheid op de tribune kon maar één ding betekenen. Muzikanten begonnen te spelen en alle aandacht richtte zich op het toneel. Er werd een allegorie opgevoerd: acht jonge dames in witsatijnen gewaden werden gevangengehouden in de torens van een kasteel.
'Zij zijn de Gratiën,' legde More de menigte uit. 'Ze hebben namen als Vriendelijkheid, Kuisheid, Getrouwheid, Genade en Medelijden. Ze zijn gevangenen in het kasteel.' Hij wees. 'Die lange, schone dame is Zijne Majesteits zuster, Prinses Margaret, die weldra zal trouwen met de koning van Portugal.'
De Gratiën werden gevangengehouden door dames in het zwart, die zaken vertegenwoordigden als Gevaar, Afgunst, Onvriendelijkheid, Misprijzen en Minachting. Het publiek floot hen met genoegen uit. William Cornish, gekleed als Brandende Liefde, leidde acht edellieden naar het kasteel.
'Jeugd, Devotie, Trouw, Genot, Vrijheid en anderen!' Henry was een van die mannen, maar het publiek kon niet zien welke, omdat hun gezichten verborgen waren. De edelen eisten dat de Donkere Dames hun schone gevangenen lieten gaan. Ze weigerden en er volgde een schijnslag. Op het geluid van geweervuur en trommels, en met opkomende rook en krijgsmuziek, poogden de Donkere Dames de galante ridders terug te drijven door rozenwater en suikergoed naar hen te gooien. Het publiek schudde van het lachen. Op hun beurt gooiden de heren dadels, sinaasappels en vruchten naar de Donkere Dames. Het publiek moedigde hen aan en applaudisseerde toen de Donkere Dames werden verslagen en vluchtten.
'Komaan! Laat ons de Gratiën bevrijden!' schreeuwde Henry, en hij beklom de treden naar een van de torens. Bovenaan kwam hij oog in oog te staan met zijn noodlot: een zeer mooie jongedame met donker haar. Hij stond stil met een scherpe ademtocht, alsof er een pijl door zijn hart ging, en staarde.
Met donkere, expressieve ogen staarde ze naar hem terug. Net als alle Gratiën was ze gekleed in lagen gaasachtig wit met een met gouddraad geborduurde borstlap. Ze droeg een piepklein goud met wit hoofddeksel waarop haar naam in goud geborduurd stond. 'Volharding?'
Ja, sir.
'U bent nu mijn gevangene,' zei Henry tegen haar.
Lady Volharding sloeg bescheiden haar ogen neer toen Henry haar hand pakte. Terwijl hij haar de trap afleidde, vulde de ruimte zich met een ander soort muziek: subliem... ontroerend.
Thomas Tallis had het voor deze gelegenheid gecomponeerd. Hij dirigeerde, terwijl de edellieden hun gevangen dames terug naar de begane grond leidden, waar ze zichzelf ontmaskerden en werden onthaald op een opgetogen applaus. De koning leek zich echter niet bewust van het applaus. Hij staarde naar Lady Volharding alsof hij plotseling sprakeloos was geworden. Toen zetten de muzikanten een statige pavane in en begonnen de dames en heren in vaste patronen te dansen, waarbij ze steeds van partner wisselden. Henry kon zijn ogen nauwelijks van Lady Volharding afhouden, maar zijn zuster Margaret drong zijn afgeschermde wereldje binnen: 'Ik moet met u praten!' zei ze dringend.
'Ik neem aan dat u al uw zaken hier afgehandeld hebt, Margaret?'
Ze antwoordde gefrustreerd: 'Ja, maar...'
Snel zei Henry: 'De koning heeft geschreven over zijn liefde voor u, zijn hevige verlangen u in levenden lijve te aanschouwen nu hij uw portret heeft gezien.' De dans dwong hen uit elkaar te gaan en Henry keek wanhopig rond, op zoek naar Lady Volharding. Zij vermeed zijn blik. De dans bracht zijn zuster terug, dus Henry vervolgde: 'Hij heeft u een prachtig geschenk gestuurd.'
'Ik ben dankbaar. Ik zou alleen graag willen.
Henry schudde zijn hoofd toen ze opnieuw uit elkaar werden gehaald. Zodra ze weer bij elkaar waren, zei Margaret: 'Ik smeek u, ik bid u, als uw zuster - dwing me niet met hem te trouwen. Hij is een oude man!'
'Genoeg! Ik wil er niets meer over horen!' Henry wendde zich opzettelijk af van haar smartelijke gezicht. Zijn zoekende blik vond Lady Volharding weer, bevallig en gracieus in zwevend wit gaas. Hij bekeek haar met haviksogen, terwijl ze verleidelijk dichtbij danste - en weer van hem af dwaalde. Eindelijk was ze zo dichtbij dat hij kon fluisteren: 'Wie bent u?'
Ze schonk hem een vage glimlach, danste verder, zweefde toen terug en fluisterde: 'Lady Anne Boleyn.'
Toen was ze verdwenen en kwam er een eind aan de dans. De menigte klapte de handen stuk. Het was een laaiend succes. Achter het Groene Kasteel zat William Cornish in een donker hoekje rustig van een drankje te genieten. Een donkere gedaante schoof naast hem: Sir Thomas Boleyn. Hij keek Cornish aan, glimlachte en liet een kleine geldbuidel in zijn hand vallen.
'Dank u, Meester Cornish. Ik ben u zeer erkentelijk.'
Eindelijk mochten de Spaanse afgezanten op audiëntie bij Koning Henry. Toen Richard Pace, de secretaris van de koning, hen langs de privévertrekken van de koningin leidde, kwam Katherine naar buiten.
'Ik weet dat u op audiëntie gaat bij de koning,' zei Katherine in het Spaans.
'Ik kon u gewoon niet laten passeren zonder u te zien.' Pace fronste, maar was onmachtig om tussenbeide te komen.
'Majesteit,' antwoordde Mendoza. 'Uw neef de keizer zendt u zijn genegenheid en filiale achting. Immer.'
'Zeg hem dat hij, als hij mij zo toegenegen is, me wat vaker moet schrijven!' zei Katherine. 'Maar het verheugt mij uit de grond van mijn hart dat u hier bent en dat er een verdrag komt.' Ze wierp een blik op de luisterende Pace, boog voorover en fluisterde: 'Hoed u alleen voor de kardinaal.'
De deuren naar de vertrekken van de koning gingen open en de kamerheer zei: 'Zijne Majesteit zal u nu ontvangen.'
Chapuys boog voor de koningin. 'Madame.'
De gezanten volgden de kamerheer langs de zwaargewapende soldaten van de koninklijke garde en betraden het audiëntievertrek, waar Henry en een aantal van zijn adellijke raadsleden, onder wie Norfolk en Derby, zaten te wachten.
Henry zat op een staatszetel onder een baldakijn van goudlaken. Weelderig gekleed, pracht en praal uitstralend, rijzig en zelfverzekerd was hij het toonbeeld van een geducht en ontzagwekkend heerser. 'Heren, ik heet u welkom in mijn koninkrijk,' zei Henry. 'Ik ben ervan overtuigd dat uw onderhandelingspogingen zullen resulteren in een succesvol verdrag. U
kunt vertrouwen hebben in alles wat Kardinaal Wolsey zegt; hij spreekt over alle kwesties rechtstreeks namens mij.'
Hij vervolgde: 'Ik zou op mijn beurt de keizer gaarne uitnodigen voor een bezoek hier, zodra dat geregeld kan worden. Dat zal zowel mij als mijn koningin een groot genoegen zijn.' Henry glimlachte ten teken dat de audiëntie ten einde was. De afgezanten stonden op en verlieten buigend en achterwaarts lopend de ruimte.
De deuren sloten zich achter hen en Henry stond energiek op. 'Goed, ik ga op valkenjacht. Laat Brandon zich bij me voegen.' Hij beende de kamer uit. In het park zagen Henry en Brandon met samengeknepen ogen tegen het zonlicht een duif door de lucht vliegen. Toen stortte Henry's valk zich met een snelle, meedogenloze aanval op zijn prooi. De ongelukkige vogel stortte levenloos op de grond. Een jachthond werd losgelaten om hem op te halen. Henry floot en luid klapwiekend keerde de valk terug op de handschoen van zijn meester. Henry aaide hem vol trots. 'Een juweel van een vogel,' zei hij.
'Snel, krachtig, zonder mededogen.' Hij gaf de vogel terug aan zijn valke-nier, die een kap over zijn kop deed. Toen reden Henry en Brandon verder. Henry zei tegen Brandon: 'U moet iets voor me doen, Charles.'
'Zoals u wenst, Uwe Majesteit.'
'Mijn zuster gaat trouwen met de koning van Portugal. Ik wil dat u haar en haar bruidsschat naar Lissabon vergezelt en haar in mijn naam weggeeft.'
Er viel een korte, stomverbaasde stilte. 'Waarom ik?'
'Ik moet haar daarheen sturen met iemand die ik kan vertrouwen.'
Brandon grinnikte: 'U vertrouwt mij in het gezelschap van een schone dame?'
Henry trok abrupt aan de teugels en wierp hem een hautaine blik toe. 'Met mijn zuster, ja! Natuurlijk vertrouw ik u. Waarom zou ik dat niet doen?'
Hij keek Brandon boos aan en die sloeg nogal beschaamd zijn ogen neer. Henry reed verder. Hij vervolgde: 'Hoe dan ook, u bent toch al verloofd met...? Wie was het ook alweer? Het is nauwelijks bij te houden.'
'Elizabeth Grey,' zei Brandon. 'Zij is een nicht van de Markies van Dorset.'
'Precies.'
Na een korte pauze zei Brandon: 'Ik ben vereerd door het vertrouwen dat Uwe Majesteit in mij stelt, maar er is toch nog een probleem. Ik ben niet belangrijk genoeg om de zuster van de koning - en dan ook nog de koning van Engeland — weg te geven.'
Henry glimlachte en legde een hand op zijn schouder. 'Daarom benoem ik u ook tot hertog.'
Brandons mond viel open. 'Een... een hertog
Henry genoot van de verbazing van zijn vriend. 'Ja, Uwe Excellentie! Hertog van Suffolk. Hoe klinkt u dat in de oren?' Zonder een antwoord af te wachten, galoppeerde hij lachend weg.
Brandon ging meteen Prinses Margaret zoeken. Hij hoorde dat ze met haar hofdames in de tuinen was en brood voerde aan de vissen in de vijver. Hij ontwaarde een van haar jonge bedienden die met haar rug naar hem toe bij de ingang van de tuinen stond. Hij besloop haar van achteren en streek over haar wang. Ze sprong op en bloosde toen ze zag wie het was.
'Mag ik uw meesteres zien?' vroeg Brandon met een flirtende glimlach.
'Ja, sir. Deze kant op.' Al even opgewonden als afgunstig leidde ze Brandon naar de jongere zuster van de koning, Prinses Margaret. Met een kille uitdrukking op haar gezicht zag Margaret, die gracieus was en even rijzig als haar broer, en roodkoper haar had, Brandon naderbij komen. Ze was nog steeds furieus over dat huwelijk en nergens mee te plezieren. Zeker niet met de man die haar broer had aangewezen als zijn vertegenwoordiger. Brandon boog.
'Mijnheer Brandon. U bent nog niet benoemd tot hertog, meen ik?' Haar stem droop van sarcasme.
'Nee, madame, ik...'
Ze onderbrak hem. 'Ik zal een gezelschap van tweehonderd personen meenemen naar Portugal. Daartoe behoren mijn kamerheer, mijn kapelaan, mijn wasvrouw en al mijn hofdames.'
'Ja, madame. Ik...'
'Als er iets is wat u wilt bespreken, doet u dat dan met mijn kamerheer.'
'Ja, madame.'
Margaret wierp Brandon een laatdunkende blik toe en snoof. 'Het verbaast me dat mijn broer een man zonder blauw bloed heeft gevraagd hem te vertegenwoordigen. Zelfs Norfolk zou beter geweest zijn.'
'Ja, madame.'
Ze keek hem scherp aan. Brandons gezicht was uitdrukkingsloos. Ze snoof opnieuw.
De afgezanten hadden hun zaken afgehandeld en waren teruggekeerd naar Spanje. De publieke evenementen waren voorlopig voorbij en vanavond dineerden Katherine en Henry samen in een van de kleinere vertrekken; in een intiemere omgeving dan ze de laatste tijd gewend waren geweest. Zonder de afleiding van tafelgasten was de sfeer akelig. Katherine was opgeleefd, vrolijker nu er een verdrag met haar neef tot stand was gekomen, en ze verheugde zich op het bezoek van de keizer.
Ze deed erg haar best. Te zeer haar best. Henry walgde ervan. Het diner werd onderbroken door lange, ongemakkelijke stiltes.
'Zijn de afgezanten goedgeluimd vertrokken?' vroeg Katherine hem.
'Ze waren in een uitstekend humeur.'
'En komt mijn neef? We zullen wachten op berichten.'
'Wolsey zal ernaar informeren.'
Weer viel er een lange stilte. Henry kon haar nauwelijks aankijken. Katherine boog zich naar hem toe en zei: 'Ik heb een droom gehad. En in mijn droom kwam u weer naar me toe, en ik hield u in mijn armen, en u fluisterde dat alles goed zou komen. Dat alles goed zou komen en allerlei dingen goed zouden komen.'
Henry deed net of hij het niet gehoord had.
Katherines donkere wimpers glinsterden van de tranen. Ze kende zijn twijfels. Zijn twijfels na al die huwelijksjaren.
'Henry. Lieveling. Echtgenoot...'
Hij zei niets, verroerde zich niet en zat met zijn gezicht van haar afgekeerd. Ze legde haar hand op de zijne. 'U moet me geloven. Ik heb uw broer nooit op die manier gekend. Hij was zo jong. En hij was ziek. Hij was al ziek toen we trouwden.'
Er kwam geen reactie. Ze ging verder: 'Ik was nog steeds maagd toen ik met u trouwde. Ik heb geen andere man gekend, noch ooit gewild. Ik ben de uwe, zoals u de mijne bent. Kijk, op deze bekers staat het symbool van onze verbintenis!' Ze bracht een van de bekers bij zijn ogen, zodat hij de verstrengelde letters H en K kon zien.
'Liefste echtgenoot, ik houd van u.'
Henry zei geen woord. Zodra het diner afgelopen was, struinde hij de kamer uit. Hij liep als een gekooide en woedende leeuw door de gangen van het paleis, gevolgd door zijn dienaren. Hovelingen bogen voor hem, dames maakten reverences. Zijn ogen flikkerden onverschillig, peinzend, en gingen rusteloos van de een naar de ander.
Hij kreeg een groepje jonge vrouwen in de gaten die met elkaar stonden te praten. Zijn ogen bleven hangen bij de knapste van hen, en van haar ging zijn blik naar een van zijn volgelingen. De man wist precies waar hij op doelde. Terwijl Henry verder schreed naar zijn privévertrekken, wandelde de dienaar naar de jonge vrouw en fluisterde iets in haar oor. Binnengekomen trok Henry zijn mantel uit, nam ongeduldig een paar grote teugen wijn en liep vervolgens naar zijn door kaarsen verlichte slaapvertrek. Hij wierp zichzelf op een staatszetel en staarde peinzend de duisternis in.
Even later doemde de jonge vrouw in de gloed van het kaarslicht op. Ze droeg slechts een dun niemendalletje. Toen ze dat losmaakte, gleed het van haar schouders op de grond.
'Wat kan ik doen om u te behagen, Majesteit?' fluisterde ze. De tuinen van het paleis galmden van de explosies. Henry experimenteerde met buskruit. Hij laadde een haakbus, een groot geweer, terwijl zijn wapenmeester bezorgd toekeek. Wolsey stond erbij, duidelijk niet geïnteresseerd in het wapen.
'En wanneer komt hij?' vroeg Henry.
'Aan het eind van de maand,' antwoordde Wolsey.
'Zo snel?' Henry liet dit bericht even tot zich doordringen. 'Als hij bondgenoten nodig heeft voor zijn aanval op de Fransen, kan dat alleen maar betekenen dat hij van plan is op korte termijn aan te vallen.'
'Inderdaad,' beaamde Wolsey. 'De afgezanten hebben me in vertrouwen verteld dat de keizer eerst ten strijde trekt tegen de Franse bezetters in Italië. Hij maakt aanspraak op het hertogdom van Milaan.'
'En dan?' Henry tilde het zware wapen op en staarde door de loop naar het doelwit.
Wolsey vervolgde: 'En dan, wanneer hij hen uit Italië verdreven heeft, zal hij - met uw hulp - Frankrijk zelf binnenvallen.'
Henry ging er steeds opgetogener uitzien. 'U zult al onze strijdkrachten voorbereiden op een gezamenlijke invasie.' Hij richtte en vuurde, en wankelde toen achteruit door de terugslag. De knal doorboorde de stilte. Wolsey wachtte tot de rook was opgetrokken. 'Ja, Uwe Majesteit.'
'En ik wil een nieuw oorlogsschip.' Henry overhandigde het gebruikte geweer aan zijn wapenmeester en stak zijn hand uit voor een ander. Wolsey aarzelde. 'We hebben nog maar net de Victory te water gelaten, Majesteit.'
'Dan bestelt u er nog een. Een nog grotere. Wat we aan mankracht ontberen, kunnen we meer dan goedmaken met schepen. We zijn een eilandnatie. Ik wed dat wij de beste en dapperste zeelieden ter wereld hebben — en dat ik de beste vloot heb!'
'Schepen zijn duur,' waarschuwde Wolsey.
Henry liet zijn stem dalen. 'Mijn vader was een behoedzaam man. Een sluw man. Een zakenman. Hij heeft me een grote hoeveelheid geld nagelaten, Uwe Eminentie. En ik ben van plan dat te spenderen!' Hij vulde het volgende geweer met buskruit, vuurde naar een boogschuttersdoelwit en knalde dat aan stukken.
Wolsey vertrok en passeerde onderweg Sir Thomas Boleyn.
'Majesteit?' zei Sir Thomas op vragende toon. De koning had hem ontboden. Boleyn wist heel goed waarom, maar hij was niet van plan dat te laten merken.
'Ik... ik vind dat ik nalatig ben geweest,' zei de koning tegen hem. 'Ik heb u nooit mijn erkentelijkheid getoond voor al uw diplomatieke pogingen te mijnen behoeve.'
'Dat had Uwe Majesteit ook niet hoeven doen. Ik haal simpelweg voldoening uit het feit dat ik u mag dienen, in welke hoedanigheid ik me dan ook nuttig kan maken.'
Henry glimlachte, niet geheel met zijn gebruikelijke zelfvertrouwen. Hij ging op de tast verder. 'Niettemin ben ik van plan u te belonen. Het doet me deugd u te bevorderen tot Ridder in de Orde van de Kouseband. En ik benoem u tevens tot schatbewaarder van de koninklijke huishouding.'
Boleyn slaagde erin zich gepast verbaasd, zelfs deemoedig te tonen, alsof hij geen idee had waarom hem deze eer ten deel viel.
'Ik denk dat Uwe Majesteit mijn talenten hoger acht dan ik zelf.'
'Dat is aan mij om te beoordelen.' Henry friemelde aan het wapen, alsof hij niet zeker wist wat hij nu moest zeggen. Toen zei hij: 'We zullen later verder praten.' Het was een niet mis te verstaan bevel om te gaan. Boleyn boog en liep weg. Hij was al bijna verdwenen, toen Henry hem terugriep. 'O, dat was ik nog vergeten. Uw dochter. Degene die heeft opgetreden in onze maskerade.'
'Anne?'
'Ja. Eh...' Er viel een lange stilte.
Boleyn maakte daar op diplomatieke wijze een eind aan. 'Het toeval wil dat zij binnenkort aan het hof zal komen, als hofdame van Hare Majesteit.'
Henry knikte en boog zich weer over zijn geweer, alsof het bericht hem niet interesseerde. Boleyn vertrok en Henry hief het wapen, keek door de loop en schoot op het doelwit.
Toen hij de tuinen verliet, ving Boleyn Norfolks blik op. Norfolk trok een wenkbrauw op. Boleyn glimlachte.
Zodra hij alleen was, legde de koning het wapen neer. Hij sloot zijn ogen.
'Anne,' zuchtte hij, en dat ene woord gaf uitdrukking aan al zijn opgekropte verlangen en smachten.
'En zult gij mij aldus achterlaten?
Zegt nee, zegt nee, uit beschaamdheid.
Om u te sparen van de schuld, van al mijn verdriet en gramschap?
En zult u me zo achterlaten?
Zegt nee, zegt nee.'
Thomas Wyatt, lang en knap en met donkere krullen, keek wanhopig naar het beeldschone zwartharige meisje. Ze bevonden zich in de prachtige ommuurde tuin van Hever Castle in Kent, het familiehuis van de Boleyns. De oude fruitbomen waren getooid met bloesems.
Hij lag voorover op een grote tak en ging verder met het voordragen van zijn gedicht.
'En zult gij mij aldus achterlaten
Die u zijn hart heeft geschonken
Nooit heen te gaan
Noch van pijn noch van smart
En zult u me zo verlaten?
Zegt nee, zegt nee.'
Hij keek neer op Anne, die languit op het gras lag, om het effect van zijn vers op haar te zien. Zij kauwde bedachtzaam op een zoete stengel, schijnbaar onbewogen. Wyatt reciteerde het laatste couplet:
'En zult gij mij aldus verlaten?
En geen meelij meer hebben.
Met hem die u liefheeft?
Helaas, uw wreedheid!
En zult u me zo verlaten?
Zegt nee, zegt nee.'
Hij zweeg even. 'En... bevalt het u?' Hij sprong van de tak af en knielde naast haar neer.
Ze keek glimlachend op naar zijn gezicht. 'Moet ik iets mooi vinden wat mij van wreedheid beschuldigt?'
'U bent wreed, Vrouwe Anne.'
'Echt?' Haar ogen en lippen waren zo uitnodigend. Langzaam boog Wyatt zijn gezicht naar het hare toe... maar Anne draaide op het laatste moment haar hoofd weg met een klein lachje.
'U kunt geen aanspraak op mij maken, Meester Wyatt.'
'Ik heb hetzelfde recht als elke andere minnaar aan wie een vrouwenhart vrijelijk geschonken is.'
Luchtig zei ze: 'U bent een dichter. Ik ben een vrouw. Dichters en vrouwen zijn altijd vrij van hart, is het niet?'
Wyatt kreeg een ernstige uitdrukking op zijn gezicht. 'Anne.' Hij stak zijn hand uit om haar haar te strelen.
Ze trilde licht, schudde toen haar hoofd en ging rechtop zitten. 'Doe dat niet. Laat dat, Torn!'
Hij keek haar aan. 'Dus ik had gelijk?' zei hij. 'U gaat mij verlaten?'
Ze gaf hem geen antwoord, maar stond op en veegde het gras van haar rokken.
'Waarom antwoordt u me niet?'
Anne keek hem aan. 'U bent getrouwd.'
Hij rolde met zijn ogen. 'U weet dat ik ga scheiden.' Hij wierp haar een smekende blik toe.
Na een korte stilte zei Anne: 'U moet nooit meer vragen mij te zien. Belooft u dat?'
'Waarom zou ik dat doen? Als ik net ontdekt heb wat beloften waard zijn!'
Ze wendde zich van hem af.
'Is er een ander?' vroeg hij. 'Is dat het? Houdt u van een ander?'
Anne beantwoordde zijn blik. Haar prachtige ogen waren halfgesloten en gevaarlijk, als die van een valk. Haar stem was koud en hard toen ze zei:
'Vraag nooit naar mij. En spreek, als uw leven u lief is, nooit met anderen over mij. Hebt u dat begrepen?' Ze wachtte.
Wyatt was met stomheid geslagen.
'Nooit,' herhaalde ze uiterst beslist. Toen keerde ze hem de rug toe en wandelde met rechte rug het pad af.
'Kent u dan geen mededogen, lady?' riep Wyatt haar achterna. Ze liet niet blijken dat ze het gehoord had en liep door het hek zijn blikveld uit.
Hoofdstuk 7
's Avonds laat werd er een brief bij Kardinaal Wolseys vertrekken bezorgd. Zijn secretaris bracht die naar hem toe. De kardinaal zat nog achter zijn bureau; hij werkte, zoals hij gewoon was, tot in de kleine uurtjes. Wolsey keek verstoord op.
'Uit Frankrijk,' zei zijn secretaris.
Wolsey pakte de brief aan. Hij verwarmde het zegel boven de vlam van een kaars tot de lak zacht werd en verbrak het toen vaardig en onzichtbaar. Terwijl hij de brief las, vertrok zijn gezicht van woede.
'Koning Francis is al op de hoogte van onze toenadering tot de keizer. Hij voelt zich verraden en woedend en uit dreigementen.'
Zijn secretaris fronste. 'Wie heeft het hem verteld?'
De vraag bleef in de lucht hangen.
'"Welk serpent is ooit zo boosaardig geweest om de Heilige Stad Rome
'Babyion' te noemen en de autoriteit van de paus 'Tirannie', en om de naam van onze Heilige Vader te veranderen in de 'antichrist'?'" Thomas More las hardop voor uit Henry's manuscript waar de Spaanse afgezanten zo van onder de indruk waren geweest en waarin hij de ketterse Martin Luther hekelde. 'Het is erg goed. Krachtige bewoordingen - maar goed.'
Henry straalde. 'Echt?'
'U zou kunnen overwegen de polemiek te temperen, een beetje maar. Hier, bijvoorbeeld, omschrijft u Luther als "dit onkruid, dit beduimelde, zieke en kwaadaardige schaap".'
Henry fronste. 'Het afzwakken?'
'Om... diplomatieke redenen. Ik denk dat u wat minder vaak... moet verwijzen naar de autoriteit van de paus, want de paus is — net als u — een vorst. Er kan in de toekomst een moment komen waarop u het niet meer zo met hem eens bent.'
Henry schudde krachtig zijn hoofd. 'Nee, nooit. Ik zweer u dat geen taal krachtig genoeg is om Luther te veroordelen, of hoffelijk genoeg om Zijne Heiligheid te prijzen.' Zijn woorden brachten hem op een idee. 'Sterker nog, ik zal een duplicaat voor de paus laten maken dat u naar Rome mag brengen.'
More keek verbaasd. Hij legde het manuscript op de tafel in Henry's studeerkamer. 'Waarom ik?'
'Als er iets goeds of waars in staat, is dat aan u te danken,' gaf Henry hem te verstaan. 'Ik had dit, of wat dan ook, nooit kunnen schrijven, Sir Tho-mas, zonder uw begeleiding en onfeilbare oprechtheid.'
More was geraakt door dit eerbetoon. Hij was ook in de war. Hij zei: 'Waarom noemde u me zo? Sir Thomas?'
De koning glimlachte. 'Een ridderschap is wel het minste wat ik voor u kan doen.'
'Maar heel wat meer dan ik verdien.'
Henry wierp hem een korzelige blik toe. 'Doe nu niet zo overdreven bescheiden, Thomas. U bent geen heilige.' Hij lachte en sloeg More op zijn rug. Toen vervolgde hij: 'Ik wil dat u nog iets anders voor me doet. Zorg dat u alle kopieën van Luthers werk te pakken krijgt - en verbrand die dan.'
In mei werd Henry's boek ter verdediging van de Kerk tegen de aanvallen van Martin Luther tentoongesteld in Paul's Cross. Niet ver daarvandaan had een grote boekverbranding plaats. De werken van Luther en duizenden door hem geïnspireerde manuscripten en boeken werden vernietigd, waaronder Tyndales ketterse vertaling van de Bijbel in het Engels. Het gebeuren werd geleid door Sir Thomas More, vergezeld door een verzameling bisschoppen en priesters. Terwijl More de boeken en manuscripten op een hoog oplaaiend vuur smeet, declameerde een prachtig geklede bisschop met een hoog geheven gouden kruis Latijnse gebeden boven de vlammen uit. Een grote menigte keek toe hoe het vuur de ketterse werken verslond. Vonken en asvlokken dwarrelden omhoog in de avondhemel. Na maanden van gesprekken en voorbereidingen begon de Spaanse koning, keizer van het Heilige Roomse Rijk, Charles V, aan zijn staatsbezoek aan Engeland.
De hemel boven de haven van Dover schitterde van het vuurwerk, dat lichtgevende sporen van goud en zilver over de fluweelduistere lucht en het glinsterende water trok. Enorme kanonnen in Dover Castle lieten een bulderend welkomstsalvo in de haven klinken. Kardinaal Wolsey wachtte als de vertegenwoordiger van de koning op de kade, samen met de secretaris van de koning, Richard Pace, de Hertog van Norfolk en andere raadsleden. Boven hun hoofden wapperden rijk geborduurde vaandels in de wind: de Zwarte Adelaar van de keizer en de Klimmende Leeuw van Engeland. De officiële ontvangst zou gehouden worden in de grote zaal van het kasteel. Rijen hovelingen wachtten vol ongeduld op hun eerste glimp van de keizer en staarden reikhalzend naar de open deuren en de duisternis buiten. Toen Charles V in het volle licht stapte, ontlokte dat een golf van verrassing. Gezien zijn slechts eenentwintig lentes was hij klein en totaal niet indrukwekkend om te zien, vooral niet voor een bevolking die gewend was aan haar eigen rijzige en schitterende Henry. Zelfs de Franse Koning Francis was lang, knap en goedgebouwd. Charles zag er daarentegen nogal slun-gelig uit, met de prominente, misvormde kaaklijn van de Habsburgers, die hij met een zwart sikje had laten begroeien. Zijn ogen waren flets en troebel, en zijn huid was lijkbleek. Toch was hij de machtigste man ter wereld, dus toen hij glimlachend en naar alle kanten buigend tussen de rijen mensen door liep, klonk er een luid applaus. Wolsey, die genoot van deze gebeurtenis, de vrucht van al zijn noeste arbeid en voorbereiding, begeleidde de keizer in de richting van de hoge tafel, die schitterend was gedekt met gouden tafelgerei en kunstzinnig vervaardigde gouden bekers. Plotseling kwam Richard Pace voor Wolsey staan. 'Moment, Uwe Eminentie!'
Van zijn stuk gebracht en geërgerd stond Wolsey stil en keek achterom. Er klonk geroezemoes achter in de zaal, toen een luid en opgetogen rumoer en het geluid van mensen die snel aan de kant gingen. De menigte week uiteen en ineens was daar Henry, die breed glimlachend en met grote stappen op hen af kwam lopen.
'Ik kon niet langer wachten,' vertelde Henry de keizer. 'Ik wilde meteen naar Dover komen om u te ontmoeten.'
'In dat geval ben ik oprecht zeer vereerd.' De twee vorsten omhelsden en kusten elkaar, terwijl er opnieuw een langdurig applaus weerklonk. Henry zei: 'Vanavond zullen we eten en dansen. Morgen zult u mijn schepen zien. Kom!' Hij wuifde. 'Muziek! Laten we feesten!'
Op de zuilengalerij begonnen minstrelen te spelen. Henry liep arm in arm met de keizer naar hun zetels aan de hoge tafel, gevolgd door de andere gasten. Toen Richard Pace aanstalten maakte om te gaan zitten, kwam er een soldaat voor hem staan. 'Deze kant op.'
Perplex liep Pace met de garde de trap naar de galerij op. Daar bemerkte hij Wolsey, die, met verscheidene andere soldaten, op hem stond te wachten. Wolsey zei: 'Mijnheer Pace, u was - ongetwijfeld - op de hoogte van dit verrassingsbezoekje van Zijne Majesteit?'
'Ja. Als zijn secretaris ben ik logischerwijze...'
Wolsey onderbrak hem. 'En u wist uiteraard van de - geheime - komst van de keizerlijke gezanten om een verdrag te sluiten met Zijne Majesteit. U
spreekt tenslotte Spaans, Mijnheer Pace. Bijna net zo goed als u Frans spreekt.'
Pace fronste verward. 'Ja. Ik... ik begrijp het niet, Uwe Eminentie.'
'Ik denk dat u dat wel doet, Mijnheer Pace. Dat denk ik echt. Omdat ik denk dat u niet alleen spioneert voor mij - maar ook voor de Fransen!'
Pace werd bleek. 'Nee! Dat is niet waar!'
'U wordt ontheven van al uw functies.'
'Nee, wacht! Ik zweer u... ik zweer bij alles wat me heilig is, het is niet waar! Zijne Majesteit...'
'Het is verraad om samen te zweren tegen Zijne Majesteit,' zei Wolsey op strenge toon.
Pace zag er opeens zeer angstig uit. 'Wat zegt u?'
Maar Wolsey had alles gezegd wat hij wilde zeggen. Hij gaf een teken aan de soldaten, die Pace bij zijn armen grepen. Te verbijsterd om weerstand te bieden, werd hij via een privédeur de kamer uit geleid. Richard Pace betrad de Tower van Londen via de Traitor's Gate op een donkere en troosteloze dag. Hij zat ineengedoken en verdoofd in een boot. Hij kon nog steeds niet geloven wat er gebeurd was. Het was een droom, vast en zeker — een nachtmerrie.
Een stem schreeuwde: 'Gevangene naar de trap! Gevangene naar de trap!'
Rauwe stemmen schreeuwden bevelen. Ruwe handen trokken hem uit de boot. Hij struikelde toen hij door zijn ketenen vooruit werd getrokken. Hij staarde de konstabel van de Tower aan. 'Ik ben een onschuldig man. Ik weet niet waarom ik hierheen ben gebracht.'
Dat had de konstabel al zo vaak gehoord. Hij knikte in de richting van de trap en Pace werd de treden naar de Tower op gesleept. Pace draaide zijn hoofd om en schreeuwde: 'Ik ben onschuldig!'
Onaangedaan spuugde de konstabel in de rivier. 'Doe die uit,' zei hij, en met een sissend geluid werden de brandende toortsen gedoofd in het vieze water van de Theems.
Pace werd in een bedompte, donkere cel geworpen. De deur sloeg achter hem dicht. Hij hoorde de wachters wegmarcheren. Hij was alleen — zo alleen als hij nog nooit in zijn leven was geweest. Uitgeput liet hij zich tegen de muur neervallen. Die was vochtig. Hij bevond zich zo dicht bij het water dat hij het tegen de muur buiten hoorde klotsen.
Hij keek om zich heen. Er was slechts een kaarsstompje; lang zou dat niet meer branden. Er was nauwelijks meubilair, alleen een knoestige bank en wat smerig stro op de vloer.
Onder zijn van afschuw vervulde ogen begon die vloer te bewegen. Voorzichtig duwde hij met zijn voet tegen het stro en toen barstte er een rattennest open. Overal renden ratten: over zijn voeten, omhoog over zijn benen.
Hij krijste van afgrijzen en walging - hij verfoeide ratten. Hij rende naar de deur en begon er uit alle macht op te bonken. 'Het was Wolsey! Niet ik!
Het was Wolsey!'
Piepende ratten krioelden om hem heen. Hij zette alles op alles en trommelde met beide vuisten op de deur, schreeuwend: 'Luister naar me! Wolsey is degene die een toelage van de Fransen krijgt! Vraag het hem! Vraag het hem! Ik niet! Ik heb niets gedaan! Ik ben onschuldig! Het was Wolsey!'
Hij beukte op de deur tot zijn handen bloedden en nog steeds ging hij door, kon hij niet stoppen. 'Het was Wolsey! Wolsey. Wolsey,' snikte hij.
'Hij heeft het hun verteld! Wolsey heeft het verteld. Luister naar me! Het was Wolsey...'
Zijn doodsbange stem dreef weg over het koude, stille water van de rivier... en werd niet gehoord.
'Kom op, wat staat u hier nou?' Een jonge hoveling greep Thomas Tallis opgewonden bij diens arm. Andere jonge mannen haastten zich langs hen heen. 'De nieuwe hofdames van de koningin zijn gearriveerd. Kom mee!'
De jonge hoveling trok Tallis met zich mee en ze voegden zich bij het op hol geslagen groepje jongemannen dat door de gangen in de richting van de privévertrekken van de koningin trok.
Ze waren net op tijd om een glimp op te vangen van ongeveer twintig jongedames die onder begeleiding van de ontzagwekkend ogende Sir Ashley Gross op weg waren naar de vertrekken van Koningin Katherine. Eén blik vanonder Sir Ashleys borstelige wenkbrauwen was genoeg om de jongemannen aan de grond vast te nagelen. Zijn angstaanjagende uiterlijk weerhield hen er echter niet van te proberen de blikken van de jongedames te vangen — een of twee brutale kerels maakten zelfs vulgaire gebaren naar hen. Tallis was in verlegenheid gebracht door het hele gebeuren. Toen viel zijn oog op een jongedame die hij al eens eerder had gezien, een donkerharige dame met donkere ogen. Fronsend probeerde hij haar thuis te brengen. Het kostte hem enige tijd om zich te herinneren waar het was, maar uiteindelijk schoot het hem te binnen: hij had haar voor het eerst gezien in Frankrijk, in het Paleis der Illusies. Haar zuster was een tijdje de maitresse van de koning geweest. En onlangs nog had ze een rol gespeeld in het stuk voor de Spaanse ambassadeurs waaraan hij had gewerkt. Lady Minachting?
Nee, Lady Volharding.
Eindelijk schoot de naam hem te binnen: Vrouwe Anne Boleyn.
'Welnu, Charles, hebt u ooit zo'n monster gezien?' Koning Henry leidde Keizer Charles V naar een grote, lege ruimte in het paleis. Ze waren net gearriveerd in Londen en Charles moest zijn tante, Koningin Katherine, nog begroeten, maar Henry wilde zó graag dat de keizer eerst zijn wonder zag dat hij een omweg had gemaakt.
Charles staarde met open mond en zei toen zachtjes in het Spaans: 'Mijn God!' Hij kwam naderbij. 'Wat is dat?'
Henry glom van plezier omdat de keizer zo onder de indruk was. 'Het is een Cannon-Royal met een kaliber van 215 mm, dat kogels van zeventig pond kan afvuren. Er is op de hele wereld geen kanon dat hiermee te vergelijken is.' Hij legde een hand op de massieve loop. 'Ik laat eenennegentig van deze kanonnen op mijn vlaggenschip, de Mary Rose, zetten. Het wordt momenteel herbouwd, waardoor het gewicht wordt vergroot van vijfhonderd naar zevenhonderd ton.'
Charles schudde vol verbazing zijn hoofd. 'Ik ben een keizer, maar ik... ik heb zoiets niet.'
'U hebt enorme legers!' zei Henry. 'Samen zullen we onoverwinnelijk zijn. Hoe zouden de Fransen ons het hoofd kunnen bieden?'
Charles knikte bedachtzaam. Hij had al een rondleiding gehad langs de Engelse oorlogsvloot in Dover en het goed uitgeruste oorlogsschip de Henry Grd.ce a Dieu geïnspecteerd. En nu weer zo'n oorlogsschip gewapend met eenennegentig van dit soort kanonnen. Hij zei tegen Henry: 'Met u aan mijn zijde is er geen grenslijn of grensgebied of wereld die we niet zouden kunnen veroveren.'
'Die is er inderdaad niet,' beaamde Henry.
'Weet u, u en ik zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden,' merkte Charles op. 'Aangezien u bent getrouwd met mijn moeders zuster, bent u in feite mijn oom.'
'Het is een verwantschap die mij plezier en genoegen schenkt, neef,' antwoordde Henry. Ze lachten en toen de deuren naar Katherines privévertrekken voor hen opengingen, wandelden ze een lieftallige menigte in: de nieuwste hofdames van de koningin, die zich verzameld hadden in haar zijvertrekken.
Henry's ogen schoten heen en weer over de dames, die allen in een diepe reverence verzonken zaten. Hij zag Anne Boleyn niet, hoewel hij wist dat ze erbij moest zijn. Hij had haar naam op de lijst zien staan. Hij gebaarde naar Charles. 'Gaat u verder, Uwe Hoogheid: uw tante wacht op u!'
Charles boog en liep verder door de deuren. Henry's ogen keerden terug naar de hofdames, op zoek naar slechts één gezicht. Hij ontdekte Anne vlak voor ze zich omdraaide om samen met de anderen Charles naar binnen te volgen.
Charles zag dat zijn tante, de koningin, op hem stond te wachten. Hoewel ze ietwat mollig en matroneachtig was, zag ze er, gekleed in goud afgezet met hermelijn en met parelsnoeren om haar hals, nog steeds stralend uit. Glimlachend liep de Heilige Roomse Keizer naar haar toe, viel zonder waarschuwing voor haar neer op zijn knieën en zei: 'Majesteit, ik vraag om uw zegen, als een neef aan een tante.'
Katherine, bij wie de tranen in de ogen waren gesprongen vanwege dit eerbetoon, stak hem haar hand toe zodat hij die kon kussen, tilde hem vervolgens zachtjes overeind en kuste hem op de wangen. 'Ik schenk u volmondig mijn zegen, mijn lieve Charles, net zoals ik u mijn genegenheid schenk.'
'Uwe Hoogheid,' zei Katherine, 'staat u mij toe u voor te stellen aan mijn dochter Mary, uw toekomstige bruid.' De negenjarige Mary Tudor kwam naar voren en maakte een prachtige reverence.
'Bravo.' Charles klapte in zijn handen. 'Kom!' Hij wenkte haar naderbij. Hij knielde voor haar neer, kuste haar op de wangen en keek haar plechtig aan. 'Wij moeten wachten. Met trouwen, bedoel ik. Denkt u dat u daarvoor het geduld kunt opbrengen?'
Mary knikte ijverig. 'Ik heb een geschenk voor Uwe Hoogheid. Wilt u het zien?'
'Ik ben dol op geschenken,' zei Charles tegen haar. 'Laat maar zien!'
Mary pakte zijn hand, trok hem mee naar het raam en wees. 'Daar!' zei ze.
'Kijk daar!'
Charles keek op de binnenplaats en zag zes prachtige paarden paraderen.
'Zijn die voor mij?' vroeg hij.
Mary knikte. 'En ik heb ook nog een paar haviken voor u,' vertrouwde ze hem toe. 'Bent u blij met mijn geschenken?'
'Het zijn de mooiste geschenken die ik ooit heb gekregen! Dank u, Uwe Hoogheid.' Hij glimlachte naar het meisje, dat tevreden straalde. Er werd een ontvangst gehouden met muziek, een feestmaal en, later op de avond, een bal. De tafels kreunden onder het gewicht van al het kunstzinnig vervaardigde gouden tafelgerei en de enorme schalen met eten. Kaarslicht weerspiegelde op de vele juwelen en de met goud-en zilverdraad geborduurde kleding van de dames en heren en de weelderige wandtapijten. Op de zuilengalerij bespeelden musici blokfluit en luit, trompet en trombone, virginaal en harp. Veel van de stukken die ze speelden had Henry gecomponeerd.
Henry en Charles zaten met Katherine en Prinses Mary aan de hoge tafel, waar ze de meest verfijnde delicatessen kregen voorgeschoteld door een knielende Hertog van Norfolk en andere vooraanstaande edellieden.
'Zodra het mogelijk is, moet u beiden een bezoek aan mij komen brengen,'
zei Charles tegen Henry en Katherine. 'Ik wil u vooral de schatten van Montezuma, de koning van de Inca's, laten zien die Generaal Cortes onlangs in Mexico heeft gevonden.'
'Dat zouden we geweldig vinden,' zei Henry tegen hem. 'We hebben nog maar weinig gehoord over dat gebied aan de andere kant van de zee dat Indië wordt genoemd.'
'Ik zeg u, daar ligt de toekomst,' zei Charles. 'Zo veel onontdekt land. Een schat aan goud en zilver, zout en mineralen.'
Charles vertelde over een aantal wonderen uit deze nieuwe wereld en Henry luisterde gefascineerd naar zijn beschrijvingen. Toen hij terloops opkeek, zag hij Anne Boleyn; ze stond maar een paar meter van hem vandaan met haar vader te praten en besteedde geen enkele aandacht aan Henry. Zijn hart stokte. Een paar seconden lang zag hij niets anders dan haar. Katherine, die een blik op haar echtgenoot wierp, zag zijn gezichtsuitdrukking. Ze zag hem kijken terwijl Anne in antwoord op iets wat haar vader gezegd had knikte en vervolgens gracieus wegliep. Pas toen ze tussen een groepje vrouwen was verdwenen, kwam Henry weer tot zichzelf. Henry zag Katherine naar hem staren en Charles vorsend voor zich uit kijken. Hij glimlachte en legde zijn hand op die van Katherine. 'Lieveling,'
mompelde hij. Ze probeerde haar hand weg te trekken, maar hij hield hem stevig vast en ging glimlachend over op een ander gespreksonderwerp: de oorlog. 'Hoe staat het met uw voorbereidingen?' vroeg hij aan Charles.
'We zijn meer Duitse huursoldaten aan het rekruteren. Maar alles gaat goed. Tegen het komende voorjaar zal ik Milaan innemen.'
'En dan?' vroeg Henry, terwijl hij de hand van zijn echtgenote losliet.
'En dan,' zei Charles, 'zullen we samen Frankrijk binnenvallen en een eind maken aan de avonturen van die losbandige monarch, Koning Francis.'
Henry grinnikte. 'Dat zal me erg veel deugd doen.'
'Het zal u ook koning van Frankrijk maken!' zei Charles tegen hem. Henry genoot van de gedachte.
De muzikanten begonnen dansmuziek te spelen. Charles glimlachte even naar Prinses Mary en vroeg aan haar: 'Wilt u dansen, Uwe Hoogheid?' En hij voegde eraan toe, tegen Henry: 'Als Uwe Majesteit het toestaat?'
Henry wuifde hoffelijk. Onder luid applaus leidde de keizer zijn kleine toekomstige bruid naar de dansvloer. Al snel volgde Henry hem met zijn zuster, Prinses Margaret, die de gelegenheid te baat nam om haar ongenoegen over het huwelijk dat hij voor haar geregeld had bij haar broer te spuien.
'Ik heb gehoord dat hij ook jicht heeft,' siste ze toen ze samenkwamen tijdens de dans. 'Ze zeggen dat zijn ruggengraat vergroeid is. Hij loopt als een krab.'
Maar net als tijdens de nacht van het schouwspel was Henry niet geïnteresseerd in zijn zusters zielenroerselen. Hij kon alleen maar aan Arme Boleyn denken. Zijn ogen dwaalden over de dansvloer, op zoek naar een glimp van de ongrijpbare Vrouwe Boleyn.
Margaret vatte zijn verstrooidheid op als een koppige weigering naar haar te luisteren. 'Goed,' zei ze ten slotte. 'Beloof me iets. Ik stem erin toe met hem te trouwen... maar op één voorwaarde: dat ik na zijn dood - die niet lang op zich zal laten wachten - mag trouwen met wie ik wil!'
Henry, die geïrriteerd was, knikte en Margaret was tevreden. Ze dansten verder.
Katherine zat aan de hoge tafel te kijken hoe haar kleine dochter met Charles danste — een hilarisch, maar toch ontroerend gezicht. Na afloop van de dans verscheen Anne Boleyn naast haar; ze maakte een reverence toen ze het laatste gerecht van tafel haalde. 'Madame.'
Een moment lang staarde Katherine haar aan; ze bekeek de knappe jonge vrouw met een soort oneindige droefheid. Toen wuifde ze haar weg. Anne koos opzettelijk een terugweg die geblokkeerd werd door Henry. Terwijl ze zedig haar ogen neersloeg, maakte ze opnieuw een reverence.
'Lady Anne?' zei Henry.
'Ja, Uwe Majesteit.'
Hij staarde haar alleen maar aan en zei niets. Ze keek omhoog en ontmoette zijn blik. Zijn ogen verloren zich in de hare. Na een lange stilte mompelde Henry 'Vergeef me', en hij stapte opzij om haar te laten passeren. Thomas Boleyn had de korte ontmoeting met voldoening gadegeslagen. Koningin Katherine had het ook gezien — vol bittere smart. Ooit had de koning haar op die manier aangestaard. Ze boog zich naar haar neef Charles en zei zacht: 'Het verheugt mij zo u te zien. Het is hier vaak zo eenzaam.'
Charles keek haar verbaasd aan. 'Eenzaam?'
Katherine zei: 'Het gaat niet zo goed tussen Zijne Majesteit en mij.'
Charles fronste. 'Maar ik heb met eigen ogen gezien hoe voorkomend hij naar u toe is. Hij keek u met zo veel devotie aan, het leek zo liefdevol.'
'Ik vrees dat hij dat voor u deed. Henry is een goede toneelspeler.' Zwijgend probeerde ze vervolgens haar emoties de baas te worden. Uiteindelijk zei ze: 'Soms ben ik bang dat hij om een echtscheiding zal vragen.'
'Een echtscheiding?' riep Charles uit. 'Nee, dat is onmogelijk!'
'Is dat zo?' zei Katherine droevig. 'Hij heeft nog steeds de troonopvolger niet naar wie hij zo vurig verlangt, maar toch heeft hij al bijna twee jaar mijn bed niet bezocht.'
Geschokt staarde Charles haar aan.
Die nacht droomde Henry van Anne... Hij achtervolgde haar, joeg haar achterna door de kamers en duistere gangen van het paleis, terwijl hij af en toe een glimp opving van een bleke huid en donker haar, of de beweging van een om een hoek verdwijnende rok. Zijn bloed suisde terwijl hij achter haar aan beende. Hij was de jager; Anne was zijn prooi; zijn verrukkelijke, donkerharige konijntje.
Eindelijk was ze in een hoek van een duistere kamer gedreven. Hijgend liet ze zich onderdanig op de vloer zakken, haar bleke nek blootgesteld aan zijn starende ogen. Hij boog voorover en tilde haar zachtjes op. Ze was zo dichtbij dat hij de geur van haar huid kon opsnuiven, haar zachte warme adem kon voelen, de roze lippen die ze zenuwachtig met haar tong bevochtigde bijna kon proeven.
'Bent u bereid?' vroeg hij.
Ze glimlachte, maar schudde haar hoofd. 'Nee,' zei ze, en haar stem was zacht en zoet, als wilde honing. 'Niet op deze manier.'
'Hoe dan?' vroeg Henry haar.
'Verleid me... schrijf brieven aan me. En gedichten. Betover me met uw woorden. Verleid me.' En toen was ze verdwenen. Henry slaakte een gekwelde kreet en zat rechtop in bed. Hij wekte zelfs de kamerheer die aan het voeteneinde van zijn bed sliep. Die sprong op en greep naar zijn zwaard. 'Majesteit! Wat is er?'
'Het was maar een droom,' zei Henry hem. Maar hij wist nu wat hij moest doen.
Het moment was gekomen om het nieuwe verdrag tussen Spanje en Engeland te ondertekenen in het bijzijn van getuigen. De vooraanstaande edellieden van het koninkrijk hadden zich verzameld om de gelegenheid bij te wonen. Brandon zat bij zijn vrienden en Boleyn bij de zijne. Op een verhoging zaten de twee koningen, Koningin Katherine en Prinses Mary. Wolsey toonde het nieuwe verdrag aan de Hooglieden met de woorden: 'Het is aan Uwe Majesteiten dit verdrag van uw onderlinge eeuwigdurende vriendschap en eendracht te tekenen, en in het bijzijn van deze getuigen de verloving van Charles, de Heilige Roomse Keizer, met Hare Hoogheid Prinses Mary, wanneer zij de leeftijd van twaalf jaren bereikt, te bezegelen.'
Hij zweeg even en vervolgde toen: 'Ik zeg u opnieuw, als pauselijk gezant en kanselier van Engeland, dat u dit verdrag van vriendschap over en weer moet tekenen en nooit verbreken, zo helpe u God.'
Henry en Charles tekenden het document en brachten hun zegels erop aan. Toen omhelsden ze elkaar onder luid applaus.
Naderhand boog Charles voor Katherine en kuste haar hand. Hij fluisterde: 'Ik beloof u mijn eer en mijn trouw. U moet mij altijd vertrouwen. Altijd.' Hij keek haar recht in de ogen. Terwijl het gezelschap uit elkaar viel, keek Henry ietwat onzeker om zich heen en nam toen Wolsey apart. 'Waar is Mijnheer Pace?' vroeg hij aan Wolsey. 'Hij had hier moeten zijn.'
'Majesteit, ik heb helaas ontdekt dat Mijnheer Pace het vertrouwen van Uwe Majesteit beschaamd heeft. Dus ik heb hem ontheven uit zijn functie.'
Henry wierp hem een verbaasde blik toe. 'Bent u daar zeker van?'
'De Fransen betaalden hem een toelage.'
Henry keek ontzet. 'Juist ja.' Even later zei hij: 'Ik vertrouw erop dat u een geschikte vervanger voor me zult vinden.'
Wolsey boog en Henry liep weg. Hij passeerde de Hertog van Norfolk, die wachtte tot de koning hem voorbij was voordat hij Thomas Boleyn apart nam. Hij mompelde tegen Boleyn: 'En? Hoe staat het met onze zaken?'
'Die verlopen zeer voorspoedig, Uwe Excellentie,' deelde Boleyn hem mee.
'De koning toont geen openlijke belangstelling... maar het valt te bespeuren in de manier waarop hij naar haar kijkt — alsof hij haar, in gedachten, naakt kan zien.'
Norfolk knikte. Hij staarde naar Wolsey, die iets verderop stond. 'Maar wanneer kunnen we ons ontdoen van die ondraaglijke prelaat?'
Boleyn volgde zijn blik. 'Alles op zijn tijd. Het een volgt op het ander.' Hij aarzelde, knikte in de richting van Brandon en suggereerde toen zachtjes:
'Misschien is het een goed idee om de Hertog van Suffolk bij onze plannen te betrekken.'
Norfolk was ontsteld. 'Hertog? Hij is nauwelijks een heer.'
'Hij is de beste vriend van de koning,' bracht Boleyn zijn verwant in herinnering. 'En ik geloof dat hij Wolsey net zo haat als wij. Hij zou een natuurlijke bondgenoot zijn... tenminste voor een tijdje!' Hij glimlachte. Na het ondertekenen van het verdrag was er een steekspel, dat 's avonds werd gevolgd door vuurwerk en schouwspelen, een feestmaaltijd en een bal. De koning, vermoeid maar uitbundig na een succesvolle dag op het toernooiveld, stond lachend en pratend bij zijn vrienden, terwijl de muzikanten hun vrolijkste deuntjes speelden en mensen dansten, en zich het eten en de drank goed lieten smaken.
Te midden van al het rumoer en gekrioel merkte Henry opeens een man op die rustig stond te wachten tot Henry hem in het oog zou krijgen. Henry liep enthousiast naar hem toe en dirigeerde hem vervolgens naar een voorkamer. 'En, goudsmid,' zei hij toen ze alleen waren. 'Hebt u die stukken waar ik om gevraagd heb?'
De goudsmid boog. 'Ja, Uwe Majesteit.' Heel voorzichtig haalde hij een stuk fluweel tevoorschijn en vouwde dat op een tafel open. Daar lagen vier prachtige gouden broches. De eerste was van Venus met cupidootjes. De tweede was van een dame die een hart in haar handen droeg. De derde broche verbeeldde een edelman die op de schoot van een dame lag. En de laatste een dame die een kroon in haar handen hield.
Hoofdstuk 8
'Zijne Heiligheid uitte zijn verbazing over het feit dat u tijd had gevonden het pamflet te schrijven. Hij kent geen andere koning die zoiets zou doen, of zelfs zou kunnen doen.' Sir Thomas More was zojuist teruggekeerd van zijn reis naar Rome en had zich meteen naar de privévertrekken van de koning begeven om hem op de hoogte te brengen van al het nieuws.
Henry was verrukt. 'Is dat echt zo?'
More knikte. 'Inderdaad. En dat is niet alles. Om blijk te geven van zijn erkentelijkheid jegens u, heeft de paus besloten u een nieuwe titel te schenken. Sterker nog, hij geeft u drie keuzes: Zeereerwaarde Rechtgelovige, Angeliek of Defensor fidei.'
'Defensor fidei bevalt me wel: Verdediger van het Geloof. Het is een eer.'
Henry was duidelijk geraakt.
'Het zal u per pauselijke bul worden uitgereikt. Eh... Uwe Majesteit moet weten dat Martin Luther ook gereageerd heeft op uw werk.'
Henry's ogen versmalden zich. 'Wat heeft hij gezegd?'
'Hij beschuldigde u van tekeergaan "als een lichtekooi in een vlaag van razernij."
Henry keek ontzet. 'Wat? Heeft hij dat gezegd, over mijl'
'Ik weet het. Luister naar wat hij nog meer zegt.' More haalde Luthers pamflet tevoorschijn en las eruit voor. '"Als de Koning van Engeland zichzelf het recht toe-eigent om onwaarheden te spuien, geeft hij mij het recht die weer terug in zijn strot te duwen.'" Hij zweeg. 'En zo gaat hij nog wel even door.'
'Hoe durft hij! Dus ik spui onwaarheden? Als een lichtekooi in een vlaag van razernij?' Henry pakte een groot bord op en smeet het door de kamer. Toen het in honderden stukjes brak, schreeuwde hij: 'Hij zou verbrand moeten worden! Verbrand?
Henry zat erg in zijn maag met de kwestie Anne Boleyn. Nog nooit had een vrouw hem zo geraakt — het leek wel of hij niet eens bij haar in de buurt kon komen. Als een van de hofdames van de koningin zou ze in de buurt en bij de hand moeten zijn, maar in plaats daarvan was ze op een vreemde manier ongrijpbaar.
Zelfs in de kerk, waar ze als dienares van de koningin naartoe kwam, kon of wilde ze niet naar hem kijken. Na weken van gestolen blikken, opgevangen glimpen en één of twee woorden in het openbaar stond Henry op springen.
Hij had haar de broches gestuurd. Hij had haar die eerst een voor een willen sturen, als een zich ontrollend relaas. Verleid me, had ze in de droom gezegd.
Maar hij was ongeduldig geworden en had ze allemaal tegelijk gestuurd, prachtig verpakt in goudlaken en met de instructies aan zijn dienaar ze discreet te overhandigen aan de dame wanneer zij alleen was. En nog steeds had hij niets van haar gehoord. Tot dusver geen woord, geen teken dat ze blij was met het geschenk.
Hij kon zich nergens toe zetten. Zelfs de jacht boeide hem niet meer. Anne Boleyn: hij ijsbeerde door zijn privévertrekken als een gekooide leeuw, niet in staat aan iets anders te denken of iets anders te doen. De deur ging open en de kamerheer verscheen. 'Uwe Majesteit, Lady Anne...'
Henry draaide zich snel om, zijn hart sloeg over.
'Lady Anne Clifford,' maakte de kamerheer zijn zin af. Een jonge vrouw met rode konen kwam binnen en maakte een reverence. Ze droeg een pakketje van gevouwen goudlaken.
'Wat is dat?' vroeg Henry fronsend.
'Uwe Majesteit.' Verlegen overhandigde ze de koning het pakketje, sloeg toen haar ogen neer en zweeg.
Met een nors gebaar zond Henry haar weg. Hij vouwde de stof open in de wetenschap wat hij zou aantreffen: de vier gouden broches die hij had laten maken voor Anne.
Er zat ook een briefin. Hij scheurde hem open en liep naar het raam om hem beter te kunnen lezen.
Uwe Koninklijke Hoogheid,
Het doet mij veel pijn en verdriet de geschenken die u mij heeft gegeven terug te sturen. Helaas, ze zijn te mooi, en ik ben onwaardig ze te ontvangen. Ik denk dat ik Uwe Majesteit nooit reden heb gegeven ze mij te schenken, aangezien ik niets ben en u alles zijt. Geef ze, bid ik u, aan een dame die de genegenheid van Uwe Majesteit meer verdient.
Henry's hand trilde licht tijdens het lezen.
Ik vertrek nu naar het huis van mijn familie in Hever. Ik zal tijdens de reis erheen aan u denken.
Uw liefhebbende dienares, Anne Boleyn.
Henry las het laatste stuk opnieuw, hardop: '"Uw liefhebbende dienares, Anne Boleyn.'" Hij staarde naar haar handschrift en streek met zijn vingertop zachtjes over haar naam. Toen haalde hij zijn schrijfgerei tevoorschijn. Verleid me met uw woorden, had ze in zijn droom gezegd.
Anne Boleyn zat in een gezellig hoekje in de keukens van Hever Castle. Het was het warmste plekje in het huis; er brandde een enorme open haard en rijen ovens straalden warmte uit.
Ze las de brief hardop voor aan haar broer George: '"Het stemde me droef dat u mijn broches niet wilde accepteren. Ze waren voor u vervaardigd, niet voor een ander. En waarom bent u onwaardig als ik u wel zo acht? Het moet u nu ongetwijfeld duidelijk zijn dat ik verlang naar een plek in uw hart.
'Wacht! Geef hem aan mij!' George, die een paar jaar ouder was dan Anne, probeerde de brief te pakken te krijgen.
Anne trok hem met een ruk buiten zijn bereik, maar liet zich toen lachend vermurwen en gaf hem de brief.
George las verder: '"... een plek in uw hart en uw diepgaande genegenheid."' Hij keek op naar Anne. '"Diepgaande genegenheid"?'
Hij floot waarderend en ging verder met lezen: '"Zeg me dan ten minste dat we elkaar in het geheim kunnen ontmoeten. Ik doel op niets meer dan een kans om met u te praten.'" Vals trok hij een wenkbrauw op. '"Ik smeek u, kom terug naar het paleis. Snel. En neem nu alvast dit nieuwe geschenk aan... en draag het, voor mij."'
Hij keek weer naar Anne. 'Welk geschenk? En waar is het?'
Met een gracieus handgebaar wees Anne naar haar hals. Daar hing een dubbel parelsnoer met een klein massief gouden kruisje ingelegd met een diamant.
George Boleyn staarde ernaar. 'Allejezus!'
In de haven van Dover waren stoere zeelui en paleisbedienden in livrei bezig de zware eiken kisten met koperbeslag waarin de kleding van Prinses Margaret en haar bruidsschat verpakt zaten op het schip te laden dat haar naar Portugal zou brengen.
De oogleden van de prinses waren gezwollen van het huilen. Ze had haar broer Henry in Londen vaarwel gezegd en hem herinnerd aan zijn belofte dat ze, de volgende keer dat ze trouwde, zelf haar echtgenoot mocht kiezen. Hij had het niet bevestigd; hij had haar slechts gemaand haar plicht te vervullen en haar nieuwe echtgenoot te beminnen. Alleen de ontmoeting met hem zag ze al met angst en beven tegemoet. Ze was nog steeds boos op Henry.
Ze was ook boos op Brandon. Hij had de koning beloofd voor Margaret te zorgen alsof ze zijn eigen zuster was.
Brandon bood haar zijn arm om haar het schip op te vergezellen. Ze accepteerde die met arrogante minachtig.
'Hier is uw passagiershut,' zei hij tegen haar. 'Ik hoop dat die de goedkeuring van Uwe Hoogheid kan wegdragen.'
Hij was groot voor een scheepshut en had een prachtige houten lambrisering en mooi meubilair, dat weelderig was versierd. Margaret bekeek hem oppervlakkig. 'Hij voldoet,' zei ze onverschillig.
'De bedden zijn smal, maar adequaat,' zei Brandon. 'En als we tot actie moeten overgaan, zullen al die panelen verwijderd worden.'
Ze keek hem aan. 'Actie?'
'Als we worden aangevallen,' zei hij nuchter.
'Wie zal ons aanvallen?'
'Piraten,' deelde Brandon haar met onbewogen gezicht mee. Opeens had de prinses zijn spelletje door. Bits zei ze: 'Mij lijkt het dat we meer te vrezen hebben van een aantal piraten dat al aan boord is, Uwe Excellentie!' Ze keerde hem haar rug toe en begon haar dames bevelen te geven.
Hij drentelde weg; een lichte glimlach op zijn lippen. Die nacht lag Margaret in de smalle kooi naast haar hut, die vaag verlicht werd door een schommelende lantaarn. Ze had moeite de slaap te vatten. Het schip stampte en rolde langzaam op de deining en het gekraak van de houten latten was uiterst storend.
Door het dunne tussenschot dat haar passagiershut scheidde van de kapiteinshut hoorde ze mannenstemmen, gelach en het klinken van kroezen: een andere wereld. Ze lag in haar kooi en luisterde. Ze kon de kapitein, twee van diens officieren en Brandon horen. Vooral Brandons stem was zeer duidelijk. De mannen speelden kaart, gokkend en drinkend en lachend.
Margaret luisterde, terwijl ze wezenloos naar de betimmerde wand staarde die hen scheidde en het allemaal in gedachten voor zich zag. Opeens ontdekte ze een klein gaatje in de houten wand. Misschien kon ze erdoor kijken? Haar nieuwsgierigheid won het. Ze staarde door het gat. Ze kon niet de hele ruimte zien, maar wel Brandon en de kapitein die zaten te spelen.
De kapitein gooide een kaart op. 'Alstublieft, Uwe Excellentie. Mijn koning heeft uw koningin.'
Het was even stil. Toen haalde Brandon zijn schouders op en zei: 'Ik hoopte eerlijk gezegd dat de boer de koningin zou krijgen, kapitein.'
De mannen lachten, maar Brandon tilde zijn hoofd op en keek recht naar de wand, alsof hij op de een of andere manier wist dat Margaret hem van de andere kant bekeek.
Ze sprong achteruit; haar wangen waren rood van schaamte. Kardinaal Wolsey peinsde over de vraag wie Richard Pace moest vervangen. Zijn oog viel op een klerk die ijverig achter zijn bureau aan het werken was en cijferlijsten schreef.
Thomas Cromwell. Wolsey had hem enige tijd geleden al in dienst genomen. Hard werkend, zacht sprekend, jong - in de dertig - en zowel intelligent als subtiel scherpzinnig; hij zou wel eens de man kunnen zijn naar wie Wolsey op zoek was.
'Mijnheer Cromwell!' zei Wolsey.
Cromwell keek op van zijn werk. 'Eminentie?'
'Mij zijn uw talenten voor het werk en uw ijver bij het uitvoeren van mijn zaken al enige tijd opgevallen... evenals uw discretie.'
Nederig zei Cromwell: 'Ik ben Uwe Eminentie erkentelijk.'
'U stamt uit een onopvallend geslacht,' zei Wolsey, 'maar goed, dat geldt ook voor mij. Dat zou men u niet mogen aanrekenen.' Hij pauzeerde en maakte een afweging. 'Ik ga u wellicht een voorstel doen.'
'Dank u, Uwe Eminentie.'
Wolsey keek op zijn klok. 'De koning wacht op mij. We zullen er later over praten.' Hij vertrok, zich bewust van Cromwells ogen in zijn rug.
'Naar de regels van het verdrag met de keizer zijn wij verplicht zijn oorlogspoging financieel te steunen. Momenteel strijden zijn legers tegen de Fransen in Italië. In de buurt van Milaan.' Wolsey wierp een blik op de koning, die door de kamer ijsbeerde en geen belangstelling toonde. 'Helaas heb ik berekend dat wij, om aan die verplichtingen te voldoen, genoodzaakt zijn de belastingen te verhogen.'
Belastingen waren altijd al een gevoelig onderwerp voor Henry geweest, maar hij reageerde nog steeds niet. Wolsey ging verder: 'Bij de volgende zitting van het parlement zal een wetsvoorstel worden ingediend.'
Henry knikte afwezig. 'Goed. Goed.'
'Ik vertrouw erop dat het wetsvoorstel wordt aangenomen.'
Henry zei: 'Ik weet zeker, Uwe Eminentie, dat dit met uw leidende hand zal gebeuren.'
'Ons bondgenootschap met de keizer is in ieder geval populair. Soms vraag ik me af waarom dat zo is.'
Henry keek hem aan. 'Omdat hij niet Frans is!' Henry lachte niet eens om zijn eigen grap. Hij zette zich weer rusteloos in beweging. Wolsey gooide het over een andere boeg. 'Het nieuwe oorlogsschip wordt vervaardigd in Portsmouth.' Maar zelfs dit kon de koning niet boeien. Hij beende verveeld en geërgerd door de kamer. Wolsey dacht even na.
'Ik heb Uwe Majesteit iets vergeten te vertellen: we hebben een nieuwe gast aan het hof, Prinses Marguerrite van Navarra. Ik heb haar gisteren ontvangen en vond haar voorwaar een zeer schone jonge vrouw, met een groot
- en toegeeflijk - gemoed.' Hij vernam een zwakke vlaag van belangstelling in Henry's houding en voegde eraan toe: 'Ze bekende een zeer grote bewondering voor Uwe Majesteit te hebben.'
Hij observeerde het profiel van de koning. Hij leek in ieder geval half te luisteren. Subtiel zei Wolsey: 'Zal ik maatregelen treffen...?'
'Ja. Doet u dat!' zei Henry ongeduldig. 'Anders nog iets?'
'Ik ben van plan om, met Uwe Majesteits permissie, een nieuwe secretaris te benoemen, in plaats van Mijnheer Pace.'
Henry knikte ongeïnteresseerd.
De konstabel van de Tower haalde de deur van Richard Pace' cel van het slot en liep naar binnen. Er brandde één zwak vlammetje, dat de uitgemergelde figuur daarbinnen vaag verlichtte. Zijn hofkleding was vuil en tot op de draad versleten, maar ondanks het voorbij glijden van eindeloos veel maanden gedroeg de man zich nog steeds als een heer.
'Mijnheer Pace,' begroette de konstabel hem.
Pace boog. 'Tot uw dienst, heer.'
'U wordt vrijgelaten.' Hij wachtte op een reactie.
'Ik weet niets,' zei Pace. Hij plukte aan zijn kleren; zijn handen waren voortdurend in beweging.
De konstabel fronste. 'Wat zegt u? Ik zei dat u vrijgelaten wordt.'
Pace ging verder alsof hij niets gezegd had: 'Ik heb het mijn vrouw verteld. Ik heb tegen haar gezegd: ik weet niets. Helemaal niets.' Zijn hoofd wiebelde op en neer, terwijl zijn vieze lange vingers zijn kleding niet met rust lieten.
'U... hebt het tegen uw vrouw gezegd, Mijnheer Pace? Wanneer?'
Pace knikte. 'Ja, heer, ssst. Ze ligt daar... Ze slaapt.' Hij lachte zacht. 'We praten samen. Ik dacht dat ze gestorven was bij de geboorte van onze zoon. Ik wist zeker dat ik op haar begrafenis ben geweest en gehuild heb. Maar nu zie ik dat ze leeft en het net zo goed maakt als ik.' Hij aarzelde en zijn vingers stopten met hun zenuwachtige bewegingen. 'Kunt u...' Zijn gezicht verkrampte. 'Kunt u haar niet zien?'
Verontrust bracht de konstabel zijn kandelaar bij het gezicht van Pace. Diens ogen staarden hem nietszeggend aan. Richard Pace, voormalig secretaris van de koning, was krankzinnig geworden. De konstabel zette de kandelaar neer en zei rustig: 'Ja, Mijnheer Pace. Ik zie haar.'
Pace, gerustgesteld, glimlachte breed. Zijn handen begonnen weer met plukken.
'Uwe Majesteit,' zei Wolsey, 'mag ik u voorstellen aan Prinses Marguerrite van Navarra.'
'Madame,' begroette Henry haar.
De prinses maakte een reverence; haar jurk was zo laag uitgesneden dat Henry haar zeer grote boezem wel moest taxeren.
Hij hielp haar teder overeind. Zij fixeerde hem met een blik die bijna dierlijk was. l Majesté,' zei ze.
'U bent hier op bezoek?' vroeg Henry haar.
'Ja, Majesté, de graaf, mijn echtgenoot, moest in Frankrijk blijven,' - ze gluurde vanonder haar wimpers naar hem - 'helaas.'
Henry trok een wenkbrauw op. 'Werkelijk? Zeer spijtig, madame. Maar daar moet u voor gecompenseerd worden. U moet genieten van wat... leuke dingen tijdens u verblijf hier.'
De prinses glimlachte.
Norfolk bekeek het tafereel vanaf een afstandje met een zure blik. Thomas Boleyn voegde zich stilletjes bij hem, terwijl hij mompelde: 'Ik heb een nieuwtje dat Uwe Excellentie wellicht zal interesseren.'
Norfolk keek om zich heen en knikte toen naar Boleyn ten teken dat hij verder kon gaan. 'Als de nieuwe schatbewaarder van de koning,' vertelde Boleyn, 'heb ik wat, laten we zeggen, curieuze feiten ontdekt wat betreft de financiële handel en wandel van een bepaalde prelaat.' Hun beider blik verplaatste zich naar de plek waar Wolsey stond. Norfolk boog naar hem toe. 'Vertel!'
'Het blijkt dat hij geld van de koning heeft gebruikt om te investeren in zijn nieuwe universiteit in Oxford, via zijn privéfonds.'
'Wat?'
Boleyn verklaarde: 'Hij sluit de slechtste kloosters, haalt daar alle waardevolle bezittingen uit - wat hij verondersteld wordt te doen - maar in plaats van alle opbrengsten over te brengen naar de civiele lijst, laat hij die verdwijnen.'
Norfolks mond viel open. 'Ongelooflijk! Hoeveel rijker wil die man nog worden?'
'Dat is nog niet alles,' zei Boleyn tegen hem. 'De Bisschop van Winchester is een halfjaar geleden gestorven. Winchester is de rijkste parochie in Engeland. Het is aan Wolsey om zijn vervanger te benoemen.' Hij pauzeerde even voor het effect. 'En dat heeft hij zojuist gedaan. Hij heeft zichzelf benoemd.'
Norfolk siste van woede. 'Dat moet u aan de koning vertellen! Nu meteen!
Vertel het hem! Wolsey zal kapotgemaakt worden.'
'Nee,' zei Boleyn. 'Het spijt me, Uwe Excellentie, maar we moeten het juiste moment afwachten! Wolsey heeft de koning zo in zijn greep dat die
- hoe groot het bewijs tegen de kardinaal ook is - het nooit zal geloven. Hij zal Wolsey vragen hem de waarheid te vertellen; en hij zal Wolseys leugens geloven. Maar' — hij stak een vinger op en keek Norfolk sluw aan — 'er zal een moment komen. Het juiste moment. Wanneer het vertrouwen van de koning in zijn minister in de waagschaal gesteld zal worden. En dan, Uwe Excellentie, zullen wij onze waarheid in die schaal gooien. En dan zal de balans doorslaan.'
Aan een tafel verderop zat Thomas Tallis samen met de bedienden om, in plaats van zich bezig te houden met de voorbereidingen van het muzikale amusement, eens een keer deel te nemen aan de maaltijd. Zijn eten stond er echter onaangeroerd bij, omdat hij notities maakte op een vel muziekpapier. Zijn gedachten waren, zoals gebruikelijk, mijlenver weg van de hofintriges. Twee jonge hofdames, een tweeling, stonden naar hem te kijken. Ze fluisterden en giechelden zoals jonge meisjes dat doen. 'Thomas? ... Thomas Tallis?'
Verstoord keek Tallis op. 'Ja?'
De tweelingmeisjes, die erg knap waren, schonken hem een warme glimlach. 'Hoe maakt u het, Thomas?'
'Goed.'
De eerste zuster zei: 'We wilden u alleen maar vertellen hoeveel we van uw muziek houden, Thomas.'
Tallis keek naar beneden en mompelde: 'Dank u.'
De meisjes gleden over de bank steeds dichterbij, tot hun soepele jonge lichamen licht tegen het zijne aan drukten. De tweede zuster zei zachtjes:
'Wij delen een kamer. Wilt u met ons mee, Thomas?'
Er viel een stilte. Tallis keek van de een naar de ander. Ze glimlachten terug, zeer lieftallig, zeer zelfverzekerd.
'Nee, dank u,' zei hij ernstig. 'Ik wil dit lied afmaken.'
Ze pruilden. 'Dat kunt u morgen doen.'
Tallis schudde zijn hoofd. 'Nee, dan ben ik het vergeten.'
'U vergeet ons ook, is het niet?' zei de tweede zuster. Tallis lachte verontschuldigend. De meisjes maakten zich uit de voeten en Thomas boog zich, zonder er ook maar even bij stil te staan, weer over zijn muzieknotaties.
Er viel een schaduw op het papier en hij keek op, in de veronderstelling dat de meisjes waren teruggekeerd. Zijn ogen werden groter toen hij zag wie het was: William Compton, een van de beste vrienden van de koning, stond slechts enkele centimeters bij hem vandaan en keek op hem neer. Compton knikte en liep toen, zonder iets te zeggen, verder om zich bij de koning te voegen.
Tallis staarde hem na — even was hij zijn lied vergeten. Hij schudde zijn hoofd en richtte zich weer op zijn muziek.
Compton zag meteen dat Henry en Knivert al flink wat gedronken hadden. Henry was in een vreemde bui: ogenschijnlijk joviaal, maar met een geïrriteerd randje. 'Wat vindt u van Prinses Marguerrite van Navarra?'
vroeg hij.
Knivert en Compton monsterden haar. 'Ze is goed gebouwd,' zei Compton. 'Maar haar bovendek ziet er een beetje zwaar uit.' Ze lachten.
'Ze is de zuster van Koning Francis,' zei Henry. 'Dat weet ik toevallig.' Hij knipoogde en ze barstten opnieuw in lachen uit.
Henry ontdekte Sir Thomas More, die zich een weg baande door de menigte. Hij stond op en omhelsde More hartelijk. Hij leek behoorlijk aangeschoten.
'Mijn beste Thomas!'
'Majesteit.'
'Toe, blijf in het paleis. Ik heb u nodig. Ik geef u uitstekende kamers. Compton heeft uitstekende kamers. U mag de zijne hebben!' Hij lachte. More glimlachte. 'Hoeveel genegenheid ik ook voor Uwe Majesteit voel, ik heb graag dat mijn familie zich in mijn kamers bevindt.'
Henry glimlachte en werd toen opnieuw abrupt afgeleid, omdat hij een jongeman met donker krullend haar zag arriveren. Hij liep regelrecht op de man af.
Knivert zei tegen More: 'Ik wed dat Zijne Majesteit u boven alles liefheeft, Mijnheer More.' Compton knikte instemmend.
More trok een grijns. 'Dat mag dan misschien waar zijn, heren, maar toch, als mijn hoofd hem een kasteel in Spanje zou kunnen opleveren, weet ik zeker dat hij dat eraf zou hakken.' Met een raadselachtige glimlach liep hij verder.
De man die Henry in de menigte had opgemerkt was de dichter Thomas Wyatt. 'Mijnheer Wyatt,' riep hij. 'U bent dichter.'
Wyatt boog. 'Ik schrijf gedichten, Majesteit. Ik weet niet of ik mezelf dichter mag noemen.'
'Ik heb een aantal van uw gedichten gelezen,' vertelde de koning hem. 'Ze bevallen me.'
Wyatt sloeg zijn ogen neer. 'Ik weet niet wat ik moet zeggen.'
Er viel een lange stilte. Toen zei Henry opeens: "Was u verliefd op Anne Boleyn?' Ineens werd duidelijk dat de koning helemaal niet dronken was. Wyatt, die overrompeld was, aarzelde: 'Ik eh...'
'Wolsey vertelde me dat u bijna verloofd was.'
Wyatt schudde zijn hoofd. 'Nee! Dat is niet waar.'
Henry staarde hem doordringend aan. 'Hield u van haar?'
Wyatt woog zijn woorden zorgvuldig af. 'Lady Anne is zo beeldschoon dat het de plicht van iedere man is van haar te houden. Natuurlijk hield ik van haar — maar van een afstand.' Hij voegde eraan toe: 'Ik heb een vrouw.'
Er viel een gespannen stilte en toen maakte Henry een berustend gebaar.
'Heel goed,' zei hij, Wyatts uitleg blijkbaar accepterend. Hij leegde zijn beker wijn. 'Ik ga naar bed,' zei hij, terwijl hij een blik op Knivert wierp. Knivert knikte discreet.
De kamerheren en bedienden van de koning zaten in de zijkamer van diens slaapvertrek. Ze keken elkaar niet aan en probeerden hun gezicht onbewogen en strak in de plooi te houden. Elk geluidje uit het bed van de koning was te horen. De grote houten koninklijke sponde schudde hevig en de prinses was erg vocaal en ongegeneerd wat betreft de genoegens die ze ontving.
'Oui, Henri... C'est fa, Henri... Oui, Henri... Ooh... C'est fa... Mon Dieu!'
De toehoorders konden zich nauwelijks inhouden; ze beten op de binnenkant van hun wangen om kriebelende lachsalvo's binnen te houden. Het bed schudde nog heftiger. 'Mon Dieu, Henri... ou... ou... Mon Dieu... ah, oui... ah, oui... Henri...'
Een van de luistervinken kon zich niet meer bedwingen. Dit stak de anderen aan. Met zachte stem begon een van de kamerheren haar na te doen: 'Ah, oui... Henri.' Ze proestten het allemaal uit, maar deden hun best het stil te houden.
Een tweede kamerheer deed een duit in het zakje: 'C'est fa... oh... ah...'
De stem van de prinses steeg nu luidkeels op uit de andere kamer en de eerste kamerheer zei, wiebelend met zijn wenkbrauwen: 'Mon Dieu, Henri!'
Ze hoorden een laatste kreet en toen werd het stil.
De tweede kamerheer verbrak de stilte door zachtjes te zeggen: 'C'estfini!'
De ruimte vulde zich met het geluid van besmuikt gelach. In de passagiershut van het schip dat op weg was naar Portugal hoorde Prinses Margaret Brandon aan de andere kant van het tussenschot ronddrentelen. Ze had haar nachtgewaad al aan. Hij maakte zich klaar om te gaan slapen. Ze staarde naar het gaatje in het hout en wendde toen haar blik af. Ze ging op haar bed liggen, maar na een tijdje kon ze zich niet meer inhouden.
Ze klom omhoog en legde haar oog tegen het kijkgat. Ze zag hem zijn hemd uittrekken en op bed gaan liggen, vlak onder haar ogen. Zijn naakte bovenlichaam was zo dichtbij dat ze het bijna aan kon raken. Hij was sterk, jong, mooi gespierd. Ze staarde met droge mond, verlustigde zich in de aanblik van hem en duwde haar oog dichter tegen het gaatje.
'Een bode van de keizer, Uwe Majesteit,' kondigde Knivert aan. Hij liet een ruiter binnen. De man, die van top tot teen onder de modder zat, zag er uitgeput uit toen hij voor de koning op zijn knieën viel.
'Ja,' zei Henry ongeduldig. 'Wat is er?'
'De keizer heeft een grote overwinning behaald op de Fransen,' vertelde de bode.
Henry's ogen lichtten op; hij kon zijn oren nauwelijks geloven. 'Wat zegt u?'
De man, die nu hij zijn missie bijna volbracht had weer wat op krachten kwam, dreunde op: 'Bij de slag van Pavia, vijf dagen geleden, hebben de strijdkrachten van de keizer die van de Fransen volledig onder de voet gelopen. Het Franse leger werd in de pan gehakt.'
'Mijn god! Is dit waar?' Henry keek grinnikend rond naar de toehoorders.
'Niet alleen dat!' zei de bode, wiens ogen triomferend oplichtten. 'Ook de Franse koning zelf is op het slagveld overmeesterd.'
Het duurde even voordat zijn woorden tot Henry doordrongen. 'Francis?'
riep hij ongelovig uit. 'Overmeesterd!'
'Ja, Uwe Majesteit. Hij is nu de gevangene van de keizer.'
Zonder acht te slaan op de bemodderde toestand van de man boog Henry zich voorover en omhelsde hem. De koning was in de wolken, bijna schaterlachend. Hij zei tegen de bode: 'U bent hier zo welkom als ware u de engel Gabriël!'
Hij wendde zich tot Knivert en de anderen in de ruimte. 'Welk een heuglijk nieuws is ons vandaag gebracht! Er moet gegeten en gedanst worden
— ter viering van deze uiterst voortreffelijke gebeurtenis!'
Bij het feestmaal en het bal hoorde — onvermijdelijk — een steekspel: het theatrale oorlogsvoeren. Het toernooiveld leek een grote kermis. Wimpels wapperden in de wind en iedereen kwam in zijn mooiste kleren. In het koninklijke paviljoen sloeg Koningin Katherine onder een koninklijk baldakijn van goudlaken, geborduurd met de Tudorroos, Katherines symbool de granaatappel en de verstrengelde initialen van haar en Henry, het schouwspel gade. Naast haar, op een ereplaats, zat de bode die het goede nieuws aan de koning had verkondigd.
Een grote menigte juichte en klapte toen Knivert en een andere ridder naar elkaar toe stormden en hun lansen versplinterden. Op zijn weg terug passeerde Knivert Compton, die zich voorbereidde om het strijdperk te betreden.
'Goed gedaan,' riep Compton.
Grimmig zei Knivert: 'Ik zeg u, William, ik zal nog voor deze dag voorbij is tot ridder geslagen worden, of anders nooit.' Knivert en Compton waren allebei jaloers op Brandons titel.
Wolsey en More behoorden tot degenen die toekeken toen Henry het toernooiveld op reed. Er brak een luid applaus los, want het was bijzonder om getuige te zijn van de koning van Engeland die ten strijde trok. Henry naderde het koninklijke paviljoen en het gejuich werd oorverdovend toen Katherine opstond en haar kleuren aan zijn lans bond om aan te geven dat hij haar kampioen was.
Wolsey sloeg de ceremonie met een zuur gezicht gade. Sinds de Franse nederlaag was hij niet meer zijn sympathieke zelf. Hij boog voorover naar More en zei geringschattend: 'Moet u zien hoe populair zij is bij het volk!
Terwijl ze niet eens Hampton Court goed kan uitspreken. Ze noemt het nog steeds "Antoncort"!' Hij snoof. 'Maar ondanks dat hebben de mensen haar in hun hart gesloten.'
More antwoordde: 'Ze is de dochter van Isabella en Ferdinand, Eminentie, dus wellicht denken ze dat zij is zoals een koningin moet zijn.'
Ze draaiden zich verstoord om toen de massa onrustig werd en het begon te gonzen van de speculaties. Op aanwijzingen van Compton droegen twee dienaren een lange boomstam het strijdperk op. Het waren stevige kerels, maar toch wankelden ze onder het gewicht van de boomstam. Geïntrigeerd tilde de koning zijn vizier op en liep op een drafje naar Compton. 'Wat is dit?'
Compton grinnikte. 'Gewoon een trucje! Kijk!' Hij overhandigde zijn lans aan zijn page. De twee dienaren tilden de zware stam over het zadel, zodat Compton het uiteinde kon vasthouden alsof het een lans was. Deze was echter een stuk langer en woog heel wat zwaarder.
De toekijkende menigte werd steeds nieuwsgieriger - en vervolgens verbaasd. Nieuwigheden, van welke aard dan ook, waren altijd welkom en krachttoeren heel gewoon, maar dit was echt iets nieuws!
Ze keken met open mond toe toen Compton een teken gaf en het hele gewicht van de stam overnam. Met een verkrampt gezicht van de inspanning en gezwollen aderen in zijn nek reed hij langzaam het strijdperk op. De menigte hapte naar adem. Alle ogen waren gericht op Compton en de massieve boomstam.
Katherine koos dit moment, waarop alle ogen gericht waren op het strijdtoneel, om zachtjes te spreken tegen de Spaanse bode die naast haar zat.
'Kijk me niet aan,' zei ze op een lage, indringende toon. 'Maar ik vraag u in vertrouwen om iets voor me te doen. Breng deze brief naar de keizer.'
Ze schoof de brief met een discreet gebaar naar hem toe en deze verdween, al net zo discreet, onder zijn kleding.
'Zult u dit voor mij doen - en hem aan niemand anders laten zien?'
fluisterde ze tegen hem. 'Noch er met iemand een woord over spreken?'
Hij knikte nauwelijks waarneembaar.
Boleyn en Norfolk zaten naast elkaar en sloegen Compton emotieloos gade.
'Wanneer brengt u mijn nicht terug naar het hof?' vroeg Norfolk zacht.
'Snel, denk ik,' zei Boleyn. 'Nu hij lekker is gemaakt.' Ze wisselden een glimlach uit.
Het applaus zwol aan toen Compton het andere eind van het strijdperk naderde. Zijn gezicht was vertrokken van de pijn en de aderen in zijn nek stonden op springen. Zijn spieren begonnen te trillen. De spanning was zichtbaar voor het publiek, dat enthousiast toekeek hoe hij worstelde om zijn arm stevig om de stam te houden. Hij kreunde van de pijn, maar de mensen juichten hem nu toe en duwden hem in gedachten vooruit. En hij haalde het!
Toen hij zijn doel bereikt had, liet Compton de stam opgelucht vallen. Met zijn helm in zijn hand en een brede grijns op zijn gezicht nam hij het eer-betoon van de menigte in ontvangst, terwijl hij triomfantelijk rondreed. Hij passeerde Henry, die klaarstond om het strijdperk weer te betreden. De koning grinnikte en knikte naar hem.
Henry zette zijn helm op, pakte zijn schild en lans van de page aan en reed onder luid gejuich en applaus naar voren.
Aan de andere kant nam zijn tegenstander, Knivert, zijn plek in. Henry gaf zijn paard de sporen.
Plotseling begon het publiek op een andere toon te schreeuwen. Er was iets mis.
'Kijk!' wees Boleyn. 'De koning is vergeten zijn vizier neer te laten!'
'Wacht! Wacht! WACHT!' schreeuwde de menigte. 'De koning! DE KONING! WACHT!'
Maar door het tumult en het daverende hoefgetrappel kon Henry de kreten niet verstaan... en Knivert, die zijn vizier wel had neergeslagen, zag het niet. Ze stormden op elkaar af. Dichterbij, dichterbij. Hun paarden naderden elkaar in volle vaart. Iedereen hield zijn adem in. Krak! Kniverts lans sloeg tegen de voorkant van de helm van de koning, waardoor zijn hoofd met een misselijkmakend geluid achteroverklapte. Vol afschuw hapte de menigte naar adem.
De lans was verbrijzeld. Henry bracht zijn hand naar zijn gezicht en zakte voorover in elkaar. Er viel een abrupte, geschrokken stilte, die alleen doorbroken werd door het geflapper van de wimpels en het gesnuif en gestamp van de paarden.
Katherine stond ongerust op en ineens was het strijdperk een en al bedrijvigheid: kamerheren, dienaren en bijna elke edelman van het land snelden naar de getroffen koning.
Voorname handen tilden Henry van zijn paard. De doodsbange Knivert steeg van het zijne en gooide zijn helm aan de kant. Voorzichtig verwijderden ze Henry's helm. Zijn gezicht was bloederig, de huid doorboord met splinters. Uiterst zorgvuldig verwijderde Boleyn de ongeveer zeven splinters die nog uit het vlees van wangen en voorhoofd staken.
'Ik ben niet gewond. Geef me een doek!' beval Henry versuft. Hij kreeg er een. Hij veegde zelf het bloed weg en grijnsde toen naar hun verschrikte gezichten.
'Ziet u wel?' zei hij. 'Geen ernstige schade.'
Knivert, bij wie de tranen in de ogen stonden, boog zijn hoofd. 'Zal Uwe Majesteit mij ooit kunnen vergeven?' zei hij met gebroken stem.
'Het was allemaal mijn eigen schuld,' stelde de koning hem gerust. 'En om u - en de mensen hier - te bewijzen dat mij niets mankeert, zal ik nogmaals strijden.'
Iedereen keek hem stomverbaasd aan.
'Kom, Anthony!' drong Henry aan. 'Strijd tegen mij!'
Zijn metgezellen waren verbijsterd, maar hij was de koning en mocht niet tegengesproken worden. Henry liep enigszins opgepept in de richting van de verhoging naar Katherine, die nog steeds in een shocktoestand verkeerde.
'Madame, vrees niet voor mij,' gaf Henry haar te kennen. 'Het was een ongeluk en ik ben van plan u en allen hier te tonen dat ik perfect in orde en onbeschadigd ben.'
'Als u daarop staat - maar ik zou veel liever hebben dat u het niet deed. Ik bid God dat u geen ander letsel zal overkomen, mijn geliefde echtgenoot.'
Henry's mond vertrok van afkeer. Hij forceerde een glimlach en liep terug naar zijn paard.
Langzaamaan begonnen de mensen door te krijgen wat hij van plan was en een traag en bezorgd gemompel groeide aan tot een wild gejuich. Henry, die het erg naar zijn zin had, riep naar Knivert aan de andere kant: 'Kom, Anthony! Bewapen jezelf,' en reed naar het uiteinde van het strijdperk.
Knivert, nog steeds van slag door hetgeen waaraan hij zojuist op het nippertje ontsnapt was, reed naar het andere uiteinde. Ze namen elk een nieuwe lans en maakten zich klaar om te gaan rijden. De menigte viel stil. Er hing nu een totaal andere sfeer: hun koning was zo-even bijna gestorven. Het had iedereen eraan herinnerd dat dit niet louter een spel was - het ging om leven en dood. Henry en Knivert stormden op elkaar af. Krak! Hun lansen schampten af op hun schilden.
Ze draaiden zich weer om. Opnieuw nam het volume toe, want de mensen kregen er meer vertrouwen in. Hun Godgegeven koning was onkwetsbaar. Weer deden ze een uitval. Henry's lans knalde tegen Kniverts schild. Kniverts lans miste volkomen. Zelfs voor het publiek was te zien dat hij dat opzettelijk deed. Vanaf het uiteinde van het strijdperk sloeg Henry zijn vizier omhoog en schreeuwde: 'Een eerlijke aanval, Anthony. Geen angst. Geen gunsten.'
Knivert leek te knikken. Henry kreeg een nieuwe lans - en stormde weer vooruit. Ze galoppeerden naar elkaar toe en hun wapens knalden met luid kabaal tegen elkaar aan.
Kniverts lans schampte zonder schade aan te richten van Henry's schild af
- wederom een opzettelijke misstoot - maar Henry's lans raakte Kniverts helm. Daarbinnen spoot het bloed alle kanten op.
Verblind en niet in staat zijn paard onder controle te houden, zwaaide Knivert op een weerzinwekkende manier heen en weer op zijn zadel.
'Help!' schreeuwde Henry. 'Help hem! Help hem!' Mensen haastten zich in de richting van Knivert. Hij viel voorover op zijn zadel terwijl het bloed uit zijn helm stroomde, langs de flank van het paard.