DEEL III

Het klagen der vier winden

1

In het Land van gras luisterde Shateh naar het gehuil van wolven in de vroege ochtendkou. Hij kwam overeind en ging in het licht van de opkomende zon staan. Vreemde, wispelturige winden, die nu eens van de ene kant, dan van de andere kant kwamen, verwarden zijn haar en de vacht van zijn mantel.

Hij kneep zijn ogen samen. Als sjamaan wist hij dat de voortekenen ongunstig waren. Als leider wist hij dat een verblijf in dit onbeschermde open kamp waanzin was. Er hing storm en sneeuw in de lucht, er was niets te eten en de kans op een nieuwe overval groeide met de dag. Er moest echter rekening worden gehouden met de gewonden. De rouwperiode voor de recente doden was nog niet voorbij. Nu verder trekken zou de toorn van de krachten der schepping kunnen ontketenen. Maar wat zou er gebeuren als zijn volk hier bleef?

De kaken van Shateh verstrakten. Hij had aan de wetten van de voorouders gehoorzaamd: hij had de doden geëerd en alle hagediseters op één na verbannen. Zielenzuiger kwam zich echter nog steeds te goed doen aan zijn volk. Had Atonashkeh wellicht gelijk wat de vrouw betreft? Hij zuchtte hartgrondig. Nee! Hij wilde daaraan niet toegeven, nog niet! Een tocht van een of twee dagen naar het zuiden zou hen naar een redelijk beschermde plek aan de rivier brengen, waar zijn volk vele malen eerder een kamp had opgeslagen.

'Daar gaan we heen!' sprak hij tot de wind.

Hoewel de kamphonden opkeken en enkele vrouwen die wanhopig rondscharrelden naar mogelijke ingrediënten voor een ochtendmaal hem aanstaarden, had Shateh niet in de gaten dat hij hardop gesproken had.

Met haar hoofd omlaag, haar rug gebogen onder haar reisbepakking, sjokte Ban-ya met de andere vrouwen voort. Door ochtendmisselijkheid voor te wenden had ze een lichtere last gekregen dan de andere vrouwen, uitgezonderd degenen die een kind mee te dragen hadden; maar verder had ze het niet makkelijk. Ze keek naar de gestaag vallende sneeuw en vroeg zich af of die ooit op zou houden. Niemand wilde met haar praten, op Shatehs vrouwen en dochters na, en van hen kwamen alleen beledigingen. Het opperhoofd lette erop dat ze haar niet schopten of sloegen. Hij vergewiste zich ervan dat ze het even warm had en even goed verzorgd werd als zijn overige vrouwen. Aangezien mantels en huiden schaars waren, liet hij haar haar mantel van prairiewolfsvel houden, al kwam dit haar te staan op afgunstige reacties van de andere vrouwen.

Nu en dan wenste Ban-ya dat hij niet zo bezorgd om haar was. Het was niet eenvoudig om een hekel te blijven houden aan een bezorgde meester. Om zich innerlijk te harden zei ze tegen zichzelf dat Dakan-eh zelden zo attent was geweest. Maar de vergelijking was ongelukkig en maakte haar alleen maar kwader op de man die hem uitgelokt had. Bovendien zou ze, als Shateh de andere vrouwen toestond haar te slaan, een excuus hebben om hen bij gelegenheid terug te slaan.

Terwijl ze de mannen naar het nieuwe kampterrein volgden, de voorhoofdsbanden verwijderden die het gewicht van hun rugbepakking hielpen verdelen, en hun bepakking afwierpen, zag Ban-ya Senohnim naar haar toe komen.

'De baby in mijn buik is nu rustig,' fluisterde Senohnim. 'Hij heeft zich in de geboortehouding geplaatst. Weldra zal ik de leider een zoon schenken. Dan zal er in dit kamp geen ruimte meer zijn voor een vrouw die ongeluk brengt. Shateh zal je niet meer willen. Hij zal je uit de stam verbannen en een wisse dood laten sterven!' Ban-ya liet zich niet intimideren. 'Hoe kan mijn aanwezigheid nu als teken van onheil worden beschouwd als jij inderdaad een zoon baart? Tot nog toe heb je slechts dochters gebaard. Toen was ik niet hier om daar de schuld van te krijgen, Senohnim. Als jij je man nog steeds het genoegen moet doen hem een zoon te schenken, is dat niet mijn schuld!'

Het mooie gezicht van Senohnim vertrok van minachting. 'Moge het mormel in jouw buik verschrompelen en sterven, vrouw van de Rode Wereld!'

Op dat moment kwam Atli, de enige nog levende vrouw van Atonashkeh, erbij om de andere vrouwen te helpen. Ze kwam net van haar man, die kreunend van pijn op de driepalige slee lag waarop Nakantahkeh hem kilometerslang had voortgesleept, en had de strekking van Senohnims opmerkingen gehoord. Ze keek Ban-ya vuil aan. 'De overvallers hadden het op jou voorzien toen ze Nani doodden. Jij had moeten sterven. Als de overvallers weer komen, zal ik ze verraden waar je bent!'

Wehakna maakte sussende tonggeluidjes. 'Maak je niet ongerust, zusters. Als zij Shateh een zoon schenkt, zal dat een halve hagediseter zijn. Hij zal nooit door het volk van gras geaccepteerd worden. Shateh zal zich op den duur vanzelf van het mormel en zijn moeder afwenden. Beiden zullen voedsel voor vleeseters worden!' Ban-ya beefde, maar hield zich fier in de dikke vachten van haar mantel, zodat de anderen geen zwakheid bij haar zouden ontdekken. 'Zal ik Shateh even vragen of dat waar is? En zal ik hem alles vertellen wat jullie drieën zojuist hebben gezegd, en hoe innig jullie naar de dood van een kind van het opperhoofd verlangen?' Senohnim keek woest. 'Ik draag ook zijn kind!' 'Ik zou alle woorden die je ten nadele van me zou zeggen ontkennen!' antwoordde de geschokte Atli vinnig.

Wehakna, die ouder en wijzer was, besefte dat ze te ver gegaan was. Ze nam Ban-ya bedachtzaam op. 'Shateh zou dat nooit van mij geloven.'

'Laten we hopen dat hem nooit gevraagd wordt het aan te horen,' antwoordde Ban-ya, in de hoop dat als ze haar mond hield en de vrouwen reden voor dankbaarheid gaf, zij drie vijanden minder in het kamp zou hebben.

Het mocht echter niet zo zijn. De dagen sleepten zich voort. Alleen Shateh sprak tegen Ban-ya. Ze bemoeide zich weinig met de anderen, wat niet moeilijk was. Ze hoefde maar misselijkheid voor te wenden of ongerustheid over het welzijn van het niet-bestaande kind, of Shateh zocht zijn rust en genot bij Wehakna. Ban-ya miste echter de attenties van het opperhoofd, zeker nu zij haar pijnlijke borsten met stroken hertenvel strak ingesnoerd had om de melkproductie tot stilstand te brengen. Vaak lag ze 's nachts wakker, verlangend naar haar afwezige Stoutmoedige Man en naar Piku-neh. Ze hoopte dat het zijn stam beter verging dan die waarin ze nu leefde.

'Kijk eens achterom, Dakan-eh,' drong Pah-la aan. 'De bui is boven het Land van gras en boven de verre bergketens blijven hangen. Hij is ons niet gevolgd naar de bergen die tussen ons en onze geboortegrond in staan. Waarlijk, mijn zoon, nu we naar de Rode Wereld lopen, lachen de krachten der schepping ons opnieuw toe. En kijk daar eens! De jonge Hah-ri heeft onze Kahm-ree gevonden! Ze is dus toch niet in de ochtendwind verdwaald! Ik wist wel dat Hah-ri haar naar ons terug zou brengen!'

Dakan-eh staarde naar de oude vrouw en moest zijn best doen om zijn teleurstelling en walging te verbergen. Hij had haar alleen weg zien dwalen, stompzinnig mummelend dat ze terugging naar haar kleindochter. Hij had haar verder laten lopen tot ze goed uit het zicht was en vervolgens haar sporen uitgewist. Pas toen had hij de stam wakker gemaakt met praatjes van vijanden die hen in de wind volgden. Hij had hen zo vlug op de been gebracht dat hij hoopte dat niemand de afwezigheid van de oude vrouw zou opmerken. Hij had beter moeten weten. Pah-la zou nooit een vriendin in de steek laten. 'Ha, die Kahm-ree! Daar ben je!' 'Heb je mijn Ban-ya gezien?' vroeg ze aan Dakan-eh. 'Nee, oude vrouw. Ik verwacht haar ook nooit meer te zien.' 'Je bent te hardvochtig, mijn zoon,' zei Pah-la bedroefd. 'Ik zou haar wel willen terughalen,' zei de jonge Hah-ri, begerig als een stompzinnige jonge hond die al te zeer klaarstaat om op het gevaar af te snellen als hij denkt dat hij daarom geprezen zal worden. 'Mijn zoon is dapper!' riep Ghree trots uit.

'Je zoon is een dwaas!' zei Dakan-eh tegen haar. Het kon hem niet schelen dat de vrouw en de jongen onder zijn blik in elkaar doken. 'Kijk!' wees hij boos terug naar het pad waarlangs ze gekomen waren. 'We moeten nu verder gaan en profiteren van het omgeslagen weer voordat de wind weer opsteekt en achter ons aan komt!'

Het leven was hard en koud in een kamp zonder hutten. Het volk van Shateh gaf de verbannen hagediseter en zijn vrouw de schuld van hun ongeluk, maar niet hardop, althans niet waar hun opperhoofd bij was. Ze hakten bomen om en takken af, zetten ze boven de hoogwaterlijn tegen de oeverwal, bedekten ze met de schaarse huiden die ze van de cycloon hadden weten te redden en smeerden de binnenkant dicht met leem. Zo woonden ze als bosratten in nesten van stokken. Hun enige meevaller was een kleine kudde gaffelantilopen die ze over een beijsde afgrond hadden weten te drijven en vervolgens geslacht, gevild en opgesmuld hadden. De moeder van Wila jammerde om haar vermiste dochter toen een zoveelste groep spoorzoekers onverrichter zake terugkeerde. 'Dat meisje zien we niet meer terug,' mompelden de vrouwen van de stam.

Ban-ya's bezorgde blik was niet de enige die angstig gericht was op de uitgestrekte bergmassa's waarin de overvallers van het volk van de wakende ster verdwenen waren.

Shateh wees voor elk moment van de nacht en de dag bewakers aan, en de honden werden op de rand van de honger gehouden, zodat ze bij het kleinste geluid of de geringste geur van dreiging zouden reageren.

'Als ze komen, zul jij hen over ons hebben afgeroepen!' luidde Wehakna's beschuldiging toen Shateh even bij zijn vrouwen weg was. Het was de eerste keer in dagen dat ze tegen Ban-ya gesproken had. 'Daarmee zou ik hen toch ook over mezelf afroepen?' protesteerde Ban-ya.

'We hadden je volk niet moeten verbannen,' bracht Senohnim in. 'We hadden ze allemaal moeten doden. Als de gelegenheid zich voordoet, moet dat alsnog gebeuren! We waren een groot volk voordat de hagediseters uit de Rode Wereld kwamen en hun ongeluk en de toorn des hemels op ons neer lieten dalen!' 'Het volk van de wakende ster was jullie vijand, lang voordat jullie wisten dat er een Rode Wereld bestond! Het slechte weer heeft jullie gered, domme vrouw!' antwoordde Ban-ya vinnig. 'Het dreef de overvallers de bergen in en heeft hen daar gehouden, zodat we naar een nieuw kamp konden trekken. Onze sporen zijn ondergesneeuwd, dus kunnen onze vijanden alleen maar raden in welke richting we gegaan zijn!'

Ze zag de haat, de jaloezie en het ongeloof in hun ogen, en ze wist dat haar dodelijkste vijanden vlakbij waren, in haar eigen hut van stokken. Haar leven zou in gevaar zijn zolang de vrouwen hun vijandigheid op haar bleven richten. Ze wist dat ze iets moest doen om hun houding te veranderen, voordat zij erin slaagden ook Shatehs hart ten opzichte van haar te verharden. Wanhopig herinnerde ze zich de woorden die ze tot Dakan-ehs verdediging gesproken had. Nu sprak ze ze uit om zichzelf te verdedigen. 'Toen Shateh ervoor koos om mij als vrouw te nemen, redde hij daarmee zijn volk, net zoals mijn Stoutmoedige Man jullie redde toen hij zijn leven waagde door voor de cycloon uit te rennen. De krachten der schepping lachen mijn volk toe. Mijn gesternte is gelukkig genoeg om jullie te verzekeren dat jullie en jullie hele volk omgekomen zouden zijn als ik niet in het kamp geweest was toen de overvallers kwamen! Ik ben jullie geluk!'

De buitensporigheid van haar bewering schokte haar. Ze wachtte tot de andere vrouwen haar zouden tegenspreken, maar op dat ogenblik slaakte Teikan een kreet. Er was een kleine kudde bizons waargenomen. Onder de mannen van Shatehs stam weerklonk de oproep tot de jacht.

Ban-ya haalde diep adem en verklaarde onbeschaamd: 'Als het volk vanavond feestviert, dan komt dat doordat Ban-ya deze bizons heeft geroepen om haar goede gezindheid jegens de nieuwe stam te bewijzen!'

'En als we geen feest vieren? Of als er mannen gewond raken tijdens de jacht?' vroeg Wehakna.

Wetend dat ze heel weinig te verliezen had, haalde Ban-ya diep adem en sprak dreigend: 'Als er kwade dingen gebeuren, zal dat zijn omdat de vrouwen van deze stam mij beledigd hebben!' Maar terwijl ze het zei, zond ze in stilte, met haar vuisten gespannen achter haar rug, een vurige smeekbede naar de krachten der schepping: Alsjeblieft, laat de jacht vandaag goed verlopen!

En zo gebeurde het.

De vrouwen gingen door met hun achterdochtig gemompel over Ban-ya; maar voor het eerst sinds het bittere, ongekende herfstweer was begonnen, vonden de mannen aanleiding om dankbare woorden tot de weergeesten te spreken. Ondanks de aanwezigheid van Hagedisvrouw in de stam was de jacht beter verlopen dan iemand had durven hopen. Sneeuw en wind hielpen de jagers hun prooi ongemerkt te naderen. Met gebruik van sneeuwlopers - sommige uit het door de storm verwoeste kamp gered, andere nieuw gemaakt van gebogen wilgentwijgen bespannen met een vlechtwerk van pezen - leidde Shateh zijn mannen met betrekkelijk gemak over hopen opgewaaide sneeuw. Nadat ze de kudde benedenwinds waren genaderd, manoeuvreerden de jagers de dieren in een doodlopend, ondiep, volgesneeuwd dal. Daar bleven de bizons al spoedig uitgeput in de modder steken. Tot hun schoften weggezakt in de sneeuw konden de dieren geen kant op, zodat de jagers vanaf de sneeuwhopen, onder luid gejoel, op hun gemak hun speren diep in de harten, longen en middenriffen van de dieren konden slingeren, net zolang tot de hele kudde gedood was.

De vrouwen en kinderen kwamen met hun vleesgereedschap achter de jagers aan. De bizons werden ter plekke gevild en geslacht. Voordat het beste vlees en de beste huiden op haastig in elkaar gezette sleden van bizonbeenderen en huiden naar het kamp aan de rivier werden gesleept, propte het volk van Shateh zich vol met rauwe, vettige hompen vlees en lekkere, malse levers en tongen. De stam kraakte botjes en lepelde merg uit. De kinderen kregen oogbollen om op te zuigen. De 'goede klieren' werden uit de koeien gehaald en onder de vrouwen verdeeld, terwijl de ingewanden blootgelegd en opengesneden werden, zodat iedereen zijn vingers in de scherpe, glibberige, groene inhoud kon dopen.

Nu was iedereen het erover eens dat ze nog steeds hongerig en verstoken van bizonhuiden zouden zijn als het weer niet zo slecht was gebleven. Nakantahkeh had nu genoeg voedsel in zijn buik om aan te dringen op een reis naar het noorden, in de hoop Xiaheh in te halen en hem ervan te overtuigen dat hij zijn krijgers weer naar het zuiden moest brengen voordat het weer opklaarde en de moordenaars in de bergen hun kans schoon zagen en zich uit het ijzige hoogland waagden voor nieuwe overvallen.

'Wanneer Nakantahkeh terugkeert, zal hij de leiders en krijgers van de noordelijke en westelijke stammen meebrengen,' verzekerde Tei- kan. Hij en verscheidene mannen van de stam hadden zich met Shateh in de stokkenhut van Atonashkeh verzameld om de gewonde man met hun gezelschap op te vrolijken. 'Als ze horen dat het in dit gebied weer goed jagen is, zullen ze komen.' 'Zodra het weer opklaart, gaan we samen de bergen in om onze vijanden op te sporen,' voegde Indeh eraan toe. 'Tegen die tijd ben je vast weer gezond en sterk, Atonashkeh!'

'Als het weer opklaart,' zei een norse Atonashkeh lijzig. Van de koorts en de pijn haalde hij nijdig, haperend adem en verslikte zich in de mondvol vlees die Atli hem zojuist op een schotel van bizonbeen had geserveerd. Hij hoestte het schuldige stuk vlees in zijn hand uit en wierp het naar de vrouw die naast hem op haar knieën zat. 'Heb ik niet al genoeg te verduren?' tierde hij zo hard dat het hele kamp het kon horen. 'Wil je me laten stikken met je slecht bereide vlees? Is het een wonder dat mijn wond niet wil genezen? Ga weg! Uit mijn ogen. Je zult me nog eens vermoorden met die rommel die jij eten noemt!'

Ontdaan schuifelde Atli er op haar knieën vandoor. Alle mannen behalve Shateh keken verlegen naar de grond na Atonashkehs uitbarsting.

'Een man van het Land van gras behoort zijn voedsel niet ongekauwd naar binnen te schrokken of te praten voor hij het helemaal heeft doorgeslikt,' zei het opperhoofd effen, maar zichtbaar verstoord. 'Je hebt de eetgewoonten van een hagediseter aangenomen, Atonashkeh. Hoewel... zelfs Stoutmoedige Man van de Rode Wereld bleef na enige tijd in ons midden zijn vlees niet als een hond naar binnen schrokken.'

Niemand verroerde zich. Iedereen hield de adem in. Verpletterd door de kritiek staarde Atonashkeh zijn vader aan en liet zich toen in de beddenvachten terugvallen. 'Hoe kun je zo tegen me spreken? Het is ongepast! Het is niet goed! Het is niet rechtvaardig!'

Shatehs gezicht verstrakte. Hij verdient dat hij stikt, dacht hij, terwijl hij zijn zoon gadesloeg. Toch was het opperhoofd van slag, want hij kon zich niet herinneren wat hij gezegd had. Hij was zich niet eens bewust dat hij gesproken had. Verbijsterd en beschaamd stond hij abrupt op en wandelde naar buiten, de gestaag vallende sneeuw in, en liet de jongere mannen aan hun rusteloos gepraat over.

Atonashkeh keek hem woedend na. 'Ik zeg jullie: hij denkt hardop als een oud wijf de laatste tijd. De hagedisetende vrouw roept boze geesten over hem en over ons af.'

Teikan haalde zijn schouders op. 'Mijn vrouw heeft me gezegd dat Hagedisvrouw beweert dat zij de bizons en de sneeuw heeft geroepen. En ook dat ze de overvallers met de macht van haar wil heeft gedwongen van dit kamp weg te blijven.'

Atonashkeh wilde er niet van weten. 'Laat Hagedisvrouw de macht van haar wil dan maar eens gebruiken om de geesten te dwingen het meisje Wila veilig naar haar volk terug te brengen. Laat haar de geesten bevelen ongedaan te maken wat de overvallers van de wakende ster mij hebben aangedaan!'

Weer haalde Teikan zijn schouders op. 'Die nacht in de sneeuw... we hoorden hun gehoon en voelden hun scherpe speren, maar we zagen hen niet.'

'Waar wil je naartoe?' snauwde Atonashkeh ongeduldig. Teikan begon zachter te praten. 'Dus misschien zijn het geesten en geen levende mensen die ons hebben aangevallen, Atonashkeh. Misschien is het niet Hagedisvrouw die de boze geesten over ons heeft afgeroepen. Misschien stierf de slavin Sheela ergens buiten, in de nacht waarop ze wegliep. Misschien heeft ze zich met de geesten van de vele gedode krijgers van haar volk in de dood herenigd. Misschien heeft zij hen naar de wereld der levenden teruggebracht. Misschien is via haar... Dochter van de Zon herboren.' Doodse stilte heerste onder de verzamelde jagers. Steelse, bevreesde blikken werden uitgewisseld. Vervolgens hieven ze als één man hun handen omhoog, met de handpalmen naar buiten, ter bezwering van boze geesten.

Indeh schudde zijn hoofd en fluisterde: 'We moeten dit zelfs niet denken, Teikan, omwille van de treurende vrouw van Nakantahkeh.'

'Het is juist vanwege de treurende vrouw van Nakantahkeh dat ik het denk!' antwoordde Teikan. 'Waarom zouden ze anders haar dochter meegenomen hebben, en geen andere slavinnen? Wila was jong en moest nog haar tijd van het bloed bereiken en nog door een man gepenetreerd worden!'

Atonashkeh fronste zijn voorhoofd. 'De stank van hun pis was anders echt genoeg! Het waren geen geesten. En als de vrouw Sheela tot de overvallers behoorde, heeft ze het meisje bewust uitgekozen. Dat kind heeft de slavinnen menigmaal uitgescholden en verklikt. Bovendien zou Wila, ondanks haar streken, als een prima buit voor een man beschouwd worden!' 'Of als een willig offer voor de hemelgod van het volk van de wakende ster. Want dat was hun traditie,' bracht Teikan hun op zachte, bezorgde toon in herinnering. 'Door bedrieglijke ruil en vele overvallen maakten zij zich meester van de jonge meisjes van vele stammen en lieten hen in hun midden leven om hun angsten te sussen en hun vertrouwen te winnen, en om hen vervolgens met hun god, met Donder in de Hemel te verenigen, via het offermes. De vrouw Ysuna, Dochter van de Zon, danste in de huid van haar slachtoffers en beweerde dat zij en haar volk alleen door middel van zulk bloed - en uiteindelijk door middel van het bloed van de grote witte mammoettotem - eeuwig zouden leven!' 'Ysuna is dood,' zei Atonashkeh grimmig. 'En de meesten van haar volk met haar. De rest zijn verstrooide groepjes afvalligen. Als Nakantahkeh met de krijgers van Xiaheh terugkeert, zullen we gauw genoeg een einde maken aan de dreiging en Wila weghalen bij degene die het lef heeft zich nu met haar te amuseren!' Teikan staarde naar de beschilderde bizonhuid die als windscherm voor de ingang van Atonashkehs hut was gehangen. De patronen en tekeningen op de huid memoreerden de vele gevechten in de grote oorlog tegen de bloeddorstige Ysuna en haar volk van de wakende ster. 'Ja,' zei Teikan knikkend, 'je hebt gelijk. Ysuna is dood, en dat is goed. Ik zou die dagen van oorlog niet opnieuw willen beleven.'

In het bolwerk van het volk van de wakende ster in de bergen rilde Jhadel in zijn wintermantel van geelbruine berenvacht. Met toegeknepen ogen tuurde hij tegen de vallende sneeuw en de klaaglijke wind in. De hevigheid van de sneeuwstorm verontrustte hem. Vele koude dagen en nachten lang had hij gevoeld dat er iets aan de hand was met de wind. Instinctief voelde hij dat er iets verschrikkelijks was gebeurd. Maar wat? Geërgerd omdat hij zijn gedachten niet op een rijtje kreeg, keerde hij zich van de woedende elementen af en kreeg te maken met de woede van Sheela, die op en neer liep en hardop tegen het weer ketterde.

'De keuze voor deze hoge plek was geen juiste beslissing!' verklaarde ze, ijsberend tussen haar rustende volk. Zittend of liggend in kleine groepjes, familie bij familie, keken ze haar zwijgend aan. 'Ysuna zelf heeft deze plek gekozen!' bracht Tsuna in herinnering, die haar als een met vacht beklede schaduw volgde.

'Wat hebben we aan een plek die bij weer als dit de krijgers van de wakende ster ervan weerhoudt om nieuwe overvallen te plegen?' vroeg ze, nog steeds in beweging, haar gezicht gespannen van concentratie.

'Hij biedt ons de mogelijkheid veilig samen te komen en onze krachten te herwinnen,' sprak Jhadel. Hij kruiste zijn armen over zijn borst en observeerde Sheela bedachtzaam. Ze had een complete gedaanteverwisseling ondergaan, zag er als herboren uit in haar nieuwe rol als opvolgster van Ysuna. Ze had niet de geringste gelijkenis met het gehavende schepsel dat Tsana naar de grot had teruggebracht. Haar gezicht was niet langer gezwollen en grauw. Haar mond en voorhoofd zouden echter levenslang door haar ervaring getekend zijn. Haar hoge, rechte neusbrug was gebroken. Die was nu breder en knikte in het midden naar beneden, wat haar neusvleugels en het puntje van haar neus een platgeslagen indruk gaf. Geen man zou ooit meer haar volmaakte schoonheid roemen, maar op de een of andere manier voegden de kleine misvormingen in Jhadels ogen eerder iets aan haar uiterlijk toe dan dat ze er iets aan afdeden: het waren de littekens van een overwinnares.

'Ik wist niet dat we onze kracht verloren hadden!' snauwde ze. Terwijl ze op en neer liep, tikkelden de benen kralen aan de franje van het versleten kleed van elandvel dat een van de vrouwen haar gegeven had. Het klonk als het klapperend gebit van iemand die bibbert van de kou.

'Er zijn vele soorten kracht, dochter van Sheehanal,' antwoordde Jhadel. 'De minste daarvan is de lichaamskracht.' Ze bleef staan met een strakke, boze blik. 'Spreek op de man af, Jhadel. Als je iets zeggen wilt, zeg het dan rechtstreeks.' 'Ah, ja! Maar alles, zelfs praten, moet gebeuren volgens de wetten van de heilige cirkel, dochter van Sheehanal. Aan de andere kant van die cirkel ligt de geestenwereld... de wereld van de doden... van de Grote die alles schiep in de tijd voorbij het begin.' Hij hief zijn getatoeëerde hoofd omhoog. Hij had nu niet alleen Sheela's aandacht. Zijn volk luisterde mee.

Hij knikte voldaan. Zelfs na de overval en het offer van Neea had hij hen in zijn macht. Ze waren bang voor de vrouw, maar in hem hadden ze vertrouwen. Hij glimlachte. Dat was wat zijn bedoeling was geweest en waar hij op aan had gestuurd, in zijn eigen belang en dat van haar. Eens kon ze leidster van dit volk zijn, maar hij was sjamaan, en zou dat altijd blijven. Als zodanig zou zijn macht even groot, zo niet groter zijn dan de hare. Zelfs als zijn vel en botten oud waren geworden, zou zijn positie in de stam veilig zijn zolang zijn volk magie nodig had. In dit broze, dikwijls raadselachtige gebeuren dat leven genoemd werd, had zijn volk goede redenen om de toekomst te vrezen. Hij had al veel langer geleden geleerd dat een angstig volk evenveel behoefte had aan magie als aan voedsel. Hij knikte. 'Ja, dochter van Sheehanal, vanaf hun geboorte tot hun dood draaien alle levende wezens rond in het web van de eeuwige spin des levens, almaar rond, tot het web gesloten wordt en dat wat jong is oud is, en dat wat dood is opnieuw geboren wordt en...' 'Wat zeg je nu eigenlijk, Jhadel?' vroeg ze, duidelijk geërgerd. 'Ik beweer dat jij niet zo begerig moet zijn om weer een overval te leiden. Prijs de geesten voor het succes van de laatste. Loop niet zo verlangend je dood tegemoet. Die komt voor ons allen, zelfs voor jou, dochter van Sheehanal. Wie van ons kan zeggen wat er zal gebeuren voor de cirkel van ons leven zich sluit en...' 'Ik praat niet over de dood!' onderbrak ze heftig. 'Ik praat over leven! Ik praat over bloed! Over het leven van het volk van de wakende ster! Over het bloed van onze vijanden! Dat zal ons krachtig maken! Met mijn eigen hand benam ik de vrouw Ban-ya het leven. Maar haar man, Dakan-eh, de man die dit in mijn gezicht aanrichtte, is nog steeds in leven.'

Jhadel hief een hand op om haar het zwijgen op te leggen. Zijn zwarte oogjes schoten naar de verste hoek van de grot. Half verborgen onder een warboel van oude, grove vachten die aan het offer hadden toebehoord, had de gevangene met belangstelling opgekeken bij het noemen van de naam van Dakan-eh. Jhadel glimlachte welwillend in de richting van Wila, waarna hij een arm naar Sheela uitstrekte. 'Jij en ik moeten samen eens praten, dochter van Sheehanal,' zei hij. Hoewel haar uitdrukking hem geen aanleiding gaf om te geloven dat ze van harte meeging, volgde ze hem naar dat deel van de grot dat hij tot het zijne had gemaakt, achter hoge houten schermen bekleed met gevlochten stroken huid en lange veren wimpels.

'Als je zou toestaan het meisje te offeren, zou de storm wellicht gaan liggen,' siste ze hem toe, terwijl ze de ceremoniële voorwerpen bekeek die hij achter de schermen verborgen hield. Onder een kleed van ravenveren lag de medicijnbuidel van mensenhand, evenals de huid van het laatste slachtoffer.

Hij klakte met zijn tong. 'Je moet geduld leren oefenen. Spoedig zal alles waarnaar je verlangt in vervulling gaan. Maar je weet evengoed als ik dat er boodschappers voor de sneeuwstorm uit zijn gelopen om overlevenden van ons volk te zoeken die zich nog niet bij hun broeders en zusters op deze heilige plaats gevoegd hebben. Weldra zullen de weinigen velen zijn. Je hebt nog steeds veel te leren voor je klaar bent om het bevel over hen te voeren.'

'Je hebt het zelf gezegd: het bloed van Ysuna zit in mij! Ik ben de enige die geschikt is om in het voetspoor van de Dochter van de Zon te lopen!'

Hij grinnikte toegeeflijk. 'Je bent zo gretig! Genoot je zo erg van de overval en van de smaak van het vlees en bloed van het slachtoffer, van de huid van het dode meisje tegen de jouwe? Ben je zo begerig jezelf aan de dood te verlustigen?'

Haar gezicht had een behoedzame uitdrukking. 'Ik wilde me wreken op de moordenaars van mijn zuster en op de man die dit met mijn gezicht gedaan heeft. Ik kan niet rusten zolang ik hem niet gedood heb. Als de dood van dat meisje dat zal bespoedigen, ja, dan ben ik gretig. Het zal me een groot genoegen zijn haar het geschenk des doods aan te bieden.'

'Je spreekt alleen over je eigen behoeften en over je eigen genoegen. Dat is niet goed. Dat was niet Ysuna's gewoonte. Als je in de voetsporen van Dochter van de Zon wilt treden, mag je niet vergeten dat ze ook Vrouw Die Het Volk Leven Brengt werd genoemd. Waar Ysuna liep, daar liepen ook vele mammoets. Ons volk werd sterk door het vlees van onze totemdieren. Pas toen de mammoets uit dit land begonnen weg te trekken, trokken vijanden tegen ons op. Toen pas werden er offers gebracht, zodat Donder in de Hemel zijn volk minzaam zou toelachen en hen zou verzekeren van de overwinning over hun vijanden en van eeuwigdurend vlees, in ruil voor het vlees dat aan hem geschonken was.' 'Dat weet ik allemaal wel, Jhadel.'

'Maar je schijnt te zijn vergeten dat de offers de god vrijwillig moeten naderen, opdat hun aarzelende houding om zijn macht te omheizen hem niet beledigt en zijn toorn zich richt op hen die hem Grote Geest noemen.' 'Ik ben het niet vergeten.'

'Luister dan naar de wind en naar de stem van de storm, want de Grote spreekt. Nu begrijp ik dat hij ons vertelt wat we doen moeten: we moeten wachten tot de overval op het kamp van onze vijanden een lang vergeten droom voor hen lijkt... tot ze niet meer bang voor ons zijn of naar ons zoeken. Vervolgens zullen we, als ze ons het minst verwachten, Zielenzuiger hun kamp binnenbrengen en hun aanleiding geven hun doden te betreuren: een vrouw hier, ginds een kind... eerst een oude, daarna een wachter. Telkens weer, in de loop van vele manen, zullen we hun slagen toebrengen tot de moed traag uit de harten van onze vijanden begint weg te bloeden. Een voor een zullen ze sterven. Dan, als ze wanhopen zoals wij gewanhoopt hebben, wanneer ze het ochtendgloren van elke nieuwe dag vrezen zoals wij die gevreesd hebben, dan en niet eerder zullen we het offer voorbereiden. Wanneer het bloed van de gevangene vergoten is, zal de grote overval aanvangen. Laat Shateh en Dakan-eh de laatsten zijn die sterven, want dan zal je wraak het zoetst zijn, dochter van Sheehanal.' 'Ja! Er spreekt wijsheid uit je woorden, Jhadel!' Hoewel hij haar woorden hoorde, vertelde haar blik hem dat bloeddorstigheid en ongeduld haar zouden blijven voortdrijven. Hij probeerde het nog eens, hopend dat enkele van zijn woorden zouden blijven hangen. 'En laat hierover niet in het bijzijn van de gevangene gesproken worden. Ze moet als een dochter behandeld worden en tot vertrouwen verleid worden tot en met de dag dat ze argeloos en bereidwillig haar dood tegemoet gaat, zonder haar lot ooit te vermoeden.'

Sheela fronste haar voorhoofd. 'Wat moet er met de jongen gebeuren? Wat te doen als hij er met haar over praat?' 'Warakan? De broer van het laatste offer? Ach, die is zo jong! Hij wordt al door Oan bemoederd. Hij begrijpt dat wat zijn zuster overkomen is, niet de dood is, maar een eerbewijs. Hij zal er met de gevangene niet over praten. Sterker nog, sinds het offer heeft hij helemaal niet gepraat. Maar hij behoort tot het volk. Onder leiding van Jhadel en van de dochter van Sheehanal zal hij mettertijd een groot krijger worden.' 'Als het tenminste ooit ophoudt met sneeuwen, zodat de overvallen weer kunnen beginnen,' zei Sheela.

'Het zal ophouden. Aan alles moet een einde komen, dochter van Sheehanal, zodat er voor ons allen weer een nieuw begin kan komen!'

2

Ver weg, aan de andere kant van de wereld, stond een veel jongere sjamaan in een andere grot te peinzen over de toekomst van zijn volk. Bij de opening van de grote grot in de heuvels zag een sombere, bezorgde Cha-kwena uit over het prachtige dal. Dagen geleden was het opgehouden met regenen. De hemel was sindsdien steeds verder opgeklaard. Nu rees de zon boven de oostelijke bergen en baadde de wouden, de graslanden en het uitgestrekte blauwe meer in de zachte kleuren van weer een volmaakte morgen. Overal rondom het dal volgden de grote met ijskappen bedekte bergketens elkaar op naar verten die het licht opvingen en terugkaatsten in schitterende tinten die hem de adem hadden moeten benemen. De kleuren van de nieuwe dag vermochten hem echter niet te raken. Zijn geest bleef in somberheid gedompeld. De totem was niet meer. Hij had hem gedood. Met een bleke, ziekelijke Siwi-ni en een Gah-ti, die er verminkt bij lag en aan verwondingen leed waarvan de genezing vele manen zou vergen, kon hij zich er niet toe brengen zijn volk te vertellen dat het dit land verlaten moest voor het te laat was. Maar te laat waarvoor? Herinneringen aan duistere voortekenen knaagden aan hem, maar hij wist niet wat ze betekenden. Met een dode totem waren zij allemaal verdoemd, ongeacht wat ze deden. Ze konden evengoed blijven en de gebeurtenissen afwachten. Niet voor het eerst sinds hij naar de grot was teruggekeerd, werd hij door vreemde gedachten besprongen: als de grote witte mammoet welbeschouwd alleen maar een mammoet geweest was en geen bovennatuurlijk wezen dat uit de krachten der schepping geboren was om hen te beschermen die hem totem noemden, en als er geen geesten bestonden die zich in de winden bewogen om wolken te vormen en de lotgevallen van mensen te bepalen, dan deed het er misschien niet toe wat het volk deed, waar ze heen gingen of op

welke plaats ze zich vestigden. Ze zouden leven en zoals alle wezens die ademhaalden, uiteindelijk sterven. Het kon evengoed gebeuren op de plek die de mammoets en de grote witte stier als hun laatste rustplaats hadden gekozen. 'Alles zal goed komen!'

De uitroep van U-wa deed hem opschrikken. Hij draaide zich om. Zijn moeder was op. Ze schudde haar beddenvachten op. 'Je moet niet langer tobben, mijn zoon. Nu de leeuw dood is, is gebleken dat deze grot een droge, gerieflijke plek is. Siwi-ni kan weer op krachten komen en Gah-ti kan hier genezen. Vrouwen bloeden altijd nadat ze baby's op de wereld hebben gezet. En met passende zorg zal de arm van Gah-ti weer aangroeien!'

'Dat is niet waarschijnlijk,' zei hij haar. 'Ik weet niet hoe de anderen en jij aan dat idee gekomen zijn!'

Oprecht verbaasd over zijn twijfel sloeg ze haar beddenvachten over haar onderarm en kwam bij hem staan. Diep tevreden de ochtendlucht inademend keek ze met een gelukzalige glimlach over het dal uit. 'Het is goed jagen in die heuvels en laaglanden. In dat meer is het prima vissen. In deze mooie grot is de stam tegen het weer en tegen roofdieren beschermd. Ondanks alles wat er gebeurd is, zijn onze totem en onze sjamaan goede gidsen geweest! Mijn zoon heeft geweldige magie in dit kamp bedreven. Het leven is teruggekeerd in de arm van Gah-ti's vader. Waarom zou het dan niet ook zo met de zoon gebeuren, nu mijn Cha-kwena zo'n goede sjamaan blijkt te zijn?'

Cha-kwena wierp een zijdelingse blik op zijn moeder. Wist ze de waarheid maar! dacht hij. Haar moedertrots was voor hem nu een bron van schaamte. Hij keek rond in hun nieuwe onderkomen. Hij had nooit van grotten gehouden, waarschijnlijk omdat hij de jongenshut van zijn dorp tegen zijn zin had moeten verlaten, nadat hij door zijn vaders dood de enige levende man was geworden die van de sjamaan van het dorp afstamde. Het waren bittere herinneringen. Het was Cha-kwena's plicht geweest zijn grootvaders leer te volgen en Hoyeh-tay's uilennest in de rotswand te delen. Hij had er zich gevangen gevoeld, geïsoleerd van zijn vrienden, beroofd van zijn hoop eens even vermaard en stoutmoedig als Dakan-eh te worden.

Waar was, toen hij hulp nodig had bij zijn poging de totem te redden, de geest van de oude Hoyeh-tay geweest? Afwezig? Onderweg, op een of andere fantastische droomvlucht met Uil? Of bestond hij niet, was hij niet meer dan een verdichtsel van de vruchtbare verbeelding van zijn kleinzoon?

Hij keek omlaag naar zijn medicijnbuideltje. Cha-kwena’s hand dwaalde verstrooid naar de heilige steen, liet hem daarna los alsof hij zich eraan had gebrand. Wat was dit voor een dwaasheid? De steen bevatte geen magische kracht! Hij ontleende er niet langer geruststelling aan, noch zocht hij nog naar visioenen wanneer hij hem aanraakte. Hij was ervan overtuigd dat de gaven die de steen hem ooit mocht hebben verleend, uit dezelfde wereld van verbeelding afkomstig waren als die waartoe de geestverschijningen van Hoyeh-tay en van Uil behoorden.

Hij speurde de binnenkant van de grot af en voelde zich erin gevangen, precies zoals in die van Hoyeh-tay tijdens die lang vervlogen jongensjaren toen de oude sjamaan hem bij de les had gehouden en hem eindeloos lijkende uren in zijn verhalen had verstrikt. Toch had U-wa gelijk wat betreft de geschiktheid ervan voor permanente bewoning, al zou ze Gah-ti daarvoor moeten bedanken of misschien, zo dacht hij ironisch, de leeuw die met zijn gebrul de jongen had uitgedaagd zich te bewijzen. Nu de leeuw dood en gevild was, was het volk hem trouwens toch al dank verschuldigd, want zijn huid was van het vlees ontdaan en lag, vastgemaakt met pennen, op de vloer van de grot te drogen. Bovendien was veel van zijn vlees opgegeten. De rest was in dunne plakken gesneden en gerookt aan droogrekken, die de vrouwen uit onderdelen van de beenderen van de leeuw hadden gemaakt, nadat die waren gebroken en het kostbare merg eruit was geschraapt.

Leeuwenvlees was niet het enige vlees dat in de grot gedroogd werd. Sinds het opgehouden was met regenen, was het volk erop uitgetrokken om te jagen en voedsel te verzamelen. Ze brachten konijnen en hazen, grote vissen en watervogels mee terug. De vrouwen hadden armenvol alsem met grauwe bladeren en geelbruine bloemen verzameld, om het vlees mee te roken. Uit de alsem vielen ook vele prima medicijnen te bereiden. Mah-ree had tot haar verrukking ontdekt dat de regen niet alle gras en zonnebloemzaden vernietigd had. Er vielen nog altijd rozenbottels en wat wilde kersen te plukken om een voorraadje van aan te leggen. De vrouwen groeven eetbare wortels op en waadden in de rietvelden langs de meeroever om rijpe lisdodden te oogsten en om mals riet af te snijden, dat nu in keurige stapels werd opgetast om er later vlechtwerk van te maken.

'De sjamaan zij gegroet op deze nieuwe dag!' zei Mah-ree toen ze van haar slaapplaats opstond. Gewikkeld in haar slaapkleed bloosde ze met een verlegenheid die hij niet van haar gewend was. U-wa gebaarde haar naar voren te komen. Ze bleef voor hem staan. 'Ben je op deze gunstige plek nog altijd ongelukkig?' vroeg ze, reagerend op zijn grimmige gelaatsuitdrukking. 'Gah-ti zal weldra genezen zijn en Siwi-ni zal weer sterk worden! Je zult het zien, Cha-kwena! Of niet soms, U-wa?'

Cha-kwena fronste. Het meisje had gesproken met de overdreven geestdrift van iemand die zichzelf hoopt te overtuigen van iets waar ze niet helemaal in gelooft.

'Weldra, ja. Zo zal het zijn!' antwoordde U-wa. Daarna draaide ze zich om en liet hen alleen.

Mah-ree keek naar Cha-kwena op. Haar blik was zacht en hoopvol. 'Wil je mij geen goedemorgen wensen?'

Hij deed haar dat genoegen niet. Sinds de nacht op de kei was alles tussen hen veranderd. Hij voelde een spanning tussen hen die er niet eerder was geweest. De onmiskenbare terughoudendheid en schuwheid in haar houding en uitdrukking brachten hen in verlegenheid. Die leken iedereen die zag dat ze naar hem keek, te verkondigen: deze man en ik hebben het gedaan! En daarmee hebben we de wetten van de voorouders geschonden. En de toorn van de krachten der schepping over het volk afgeroepen. Zij zijn de oorzaak van het zwak worden en sterven van de totem. Zijn kaken verstrakten. Nee. Hij geloofde hier niet meer in: niet in de wetten van de voorouders, niet in de krachten der schepping, niet in de krachten van een totem die hij met blote handen doden kon. Als hij inderdaad als een man bij dit onrijpe meisje gelegen had, maakte dat voor niemand wat uit, behalve voor haar dan. Ze pakte een mand op en bracht die naar hem. De inhoud ervan rook naar dennen. Ze had haar avonden doorgebracht met het fijnstampen van verse schors uit verscheidene soorten jonge bomen. Daarna had ze de verpulverde schors en stroken hertenvel in een kookzak opgewarmd. Daarna gebruikte ze de met medicijn doordrenkte repen om Gah-ti's wonden schoon te maken. Terwijl de jongen zwakjes maar vol aanbidding tussen de ijlkoortsen door geglimlacht had, zei ze hem hoe vlug hij aan het genezen was en verzekerde hem dat hij hoop op de toekomst moest hebben. Als het gevoel in zijn vaders arm was teruggekeerd, dan had Gah-ti alle reden om te verwachten dat zijn eigen arm weldra weer aan zou groeien, zei ze vol zelfvertrouwen.

Cha-kwena huiverde bij de herinnering. Hij had hier in alle stilte met haar over willen praten. Dat kon net zo goed meteen. Met een hoofdknik naar haar medicijnmand zei hij: 'Je moet niet te veel van je bekwaamheden verwachten, Mah-ree. Misschien wordt Gah-ti door je medicijn genezen, maar zijn arm zal niet weer aangroeien.' 'Waarom niet? Ik heb de staarten van hagedissen weer aan zien groeien, nadat ze er door haviken afgescheurd waren.' 'Gah-ti is geen hagedis.'

Haar kin trilde. 'Hij heeft ons samen gezien, Cha-kwena.' Hij antwoordde niet. De onthulling was niet zo schokkend als die had moeten zijn. Op de een of ander manier had Cha-kwena dit aldoor wel vermoed.

'Hij maakte jacht op de leeuw om zich tegenover mij te bewijzen. Hij was zo dapper. En ik had zo weinig oog voor zijn... gevoelens.' Net als ik voor de jouwe, dacht hij. Hij schrok zo van die onthulling dat hij ineenkromp.

'Hij verdient dat hij zijn arm terugkrijgt, Cha-kwena. Oefen extra magie op hem uit. Jij hebt sterk contact met de beschermende macht van de totem! Jij kunt hem vast...' 'Ik kan niets, Mah-ree!' 'Ik begrijp je niet.'

'Ik verwacht ook niet dat je dat doet. Jouw plaats is niet bij mij. Jij bent Medicijnmeisje. Breng je medicijn naar Gah-ti en daarna naar Siwi-ni. Ze hebben jou nodig. Mij niet.'

Ze kromp ineen. 'Je bent niet meer dezelfde sinds je uit de grot kwam, Cha-kwena!'

'Niets is hetzelfde!' schreeuwde hij.

De anderen waren bezig te ontwaken. De honden rekten zich gapend uit. Aan de borst van de slapende Siwi-ni begon de kleine Doh-teyah te drenzen en te huilen.

Terneergeslagen wendde Mah-ree zich af. Na een paar stappen draaide ze zich om en sprak verontschuldigend: 'Alles zal met ons weer in orde komen, Cha-kwena. Ik weet dat dat gebeuren zal. Vriend en de andere honden komen toch terug, mijn sjamaan?' Cha-kwena verstijfde. Hij had geprobeerd niet aan de honden te denken, want ze vertegenwoordigden een zoveelste desillusie. De dieren waren door zijn volk grootgebracht, en toch waren de honden met prairiewolven meegelopen om de totem te verscheuren en daarmee alles te vernietigen waarin hij ooit geloofd had en wat hij voor heilig had gehouden. Maar zou hij haar dat kunnen vertellen? Of dat ze. in de modder van de verre arm van het meer gestampt waren? 'Vergeet ze,' zei hij somber.

Ze was net zo geschokt als de anderen die zijn woorden hoorden. 'Hoe kun je dat zeggen, Cha-kwena?'

Hij lachte spottend. Zijn hart was zo afschuwelijk bitter dat hij bijna huilde. 'Weet ik niet alles? Kan ik niet alle wonden genezen? Ben ik niet sjamaan?'

3

Nerveuze wachters bewaakten Shatehs kamp aan de rivier terwijl de barenskreten van Senohnim de nacht verscheurden. Achter in de stokkenhut van het opperhoofd kromp Ban-ya ineen. Ze was alleen. Shateh was naar buiten gegaan voor de geboortewake. Wehakna hielp in de geboortehut als een van de vroedvrouwen die Senohnim bijstonden. De dochters van het opperhoofd waren weggestuurd; zij zouden de nacht in de hut van Senohnims vader en haar jongere zusters doorbrengen. Ban-ya luisterde wanhopig van angst naar het aanzwellende en afnemende gegil van Senohnim en naar de diepe, regelmatige trommelslagen die de hartslag van de aarde vertegenwoordigden, van Moeder Beneden, de grote, alwetende vrouwelijke macht, waarvan de kracht en de sympathie nu moesten opstijgen om het hart van de barende moeder binnen te gaan en haar kracht en moed te geven tijdens haar barensnood. Om het beven te stoppen trok Ban-ya haar knieën op tot onder haar kin, sloeg haar armen om haar benen, boog haar hoofd en dwong zichzelf uit alle macht niet aan haar wanhoop toe te geven. Het was zinloos. Ze was ten dode opgeschreven, wat er ook gebeurde. Tranen schrijnden onder haar oogleden. Als Senohnim een dochter baarde, zouden de vrouwen van de stam zeggen dat Shateh door de boze invloed van Hagedisvrouw weer van een zoon beroofd was. Als Senohnim een jongen baarde, zou het opperhoofd geen reden meer hebben om naar een minderwaardige vrouw van de Rode Wereld te kijken als iemand die hem de zonen zou schenken naar wie hij op zijn oude dag zo wanhopig verlangde. Als Senohnim een dood kind baarde of zelf de bevalling niet overleefde, zouden alle blikken zich beschuldigend op Ban-ya richten en zou zelfs Shateh niet opgewassen zijn tegen de velen die zouden eisen dat Hagedisvrouw uit de stam werd gezet om te sterven. Ze zou natuurlijk argumenten tot haar eigen verdediging aanvoeren, zoals ze al zo vaak had gedaan. De stam had zich rondgegeten van het vlees van bizons, bizons die zij beweerde naar de jagers gelokt te hebben. Maar Wehakna zou de stam er ongetwijfeld ook aan herinneren dat Hagedisvrouw tevens beweerd had te hebben gezorgd voor vroege winterstormen; en iedereen wist hoe moeilijk het was huiden, pezen en vet te bereiden wanneer de dagen koud waren. De vingers van de vrouwen werden stijf en konden de naalden of ontvlezers niet soepel hanteren, noch met de schrapers of de priemen werken zonder zich te snijden. Wehakna zou haar bloedende vingers omhooghouden en herinneren aan alles wat er eerder gebeurd was: de wervelwinden, de dood van Kalawak en vele anderen, de overval, het vermiste meisje.

Ban-ya kreunde van ellende. Liefste! Waarom ben je niet gekomen? Als jij hier had gezeten, zou ik sneeuw en wind hebben getrotseerd en je hebben opgehaald voor iemand me had kunnen tegenhouden! Ze dwong zichzelf die gedachten te smoren; ze deden haar Stoutmoedige Man onrecht. Bovendien degradeerden ze haar tot een snotterende zwakkeling vol zelfmedelijden die niet opgewassen was tegen de winden der verandering. Als ze het nu opgaf, zou ze sterven. Haar levensgeest zou voorgoed verloren gaan en ze zou haar kleine Piku-neh nooit meer zien, noch in dit leven, noch in welk ander leven ook.

De trommels zwegen abrupt. Ban-ya keek op en luisterde scherp. Senohnim gilde niet meer. Ademloos wachtte Ban-ya af, vol spanning wat er hierna zou gebeuren en wanneer ze zou weten wat haar dan te doen stond. 'Hei-ja-hee!'

De kreet van een jubelende man... gevolgd door een langdurige, drukkende stilte. 'Ja! Ja!'

De kreet van een vrouw, even jubelend. 'Er is Shateh een zoon geboren!'

'Shateh aanvaardt deze zoon!' Het opperhoofd sprak luid en krachtig. Toch klonk er iets sombers en kouds door in zijn stem. De trommelslagen werden hervat. Fluitklanken stegen op. Mensen zongen en klapten. Ze slikte. Haar mond was droog. Ze slikte nogmaals. De vreugdevolle geluiden uit het kamp aan de rivier drongen helder en duidelijk door tot de hut van het opperhoofd. Ze legde haar hoofd op haar knieën. Senohnim had een mannelijk kind gebaard. Shateh had een zoon. Hij zou haar niet meer willen. Morgen of misschien al eerder zou ze uit de stam gezet worden. Ze vroeg zich af of ze alle warme kleding die ze in de hut kon vinden bijeen moest rapen en nu moest vluchten.

'Nee.' Ze zuchtte in kalme gelatenheid. Dakan-eh was ver weg. Het was onwaarschijnlijk dat ze hem ooit zou kunnen inhalen. De nacht was zo koud. Ze had voor de trommelslagen begonnen, wolven horen huilen. En Sheela en de overvallers van het volk van de wakende ster bevonden zich daar ergens in het duister. 'Ik wil geen voedsel voor de wolven worden, of het volk van de wakende ster tegen het lijf lopen! Ik ben de vrouw van Dakan-eh. Ik zal niet bang zijn. Misschien is mijn Stoutmoedige Man op ditzelfde moment wel onderweg om me te halen. Ik zal wachten. Ik wil en zal leven, voor hem!'

Bij het invallen van de duisternis bevond Dakan-eh zich aan de andere kant van de grote bergpas die het Land van gras van de Rode Wereld scheidde. Zijn gedachten waren niet bij Ban-ya. In plaats daarvan mijmerde hij over de grote afstand die hij met zijn volk had afgelegd. Met hun buik vol geroosterd konijn, eekhoorn en gaai lagen ze te slapen rond een smeulend vuur in een beschuttend bosje van oude jeneverbessen, hoog op de Blauwe Mesas. Deze massieve platte keten van met kloven doorsneden tafelbergen was het laatste obstakel dat hen van de Rode Wereld scheidde. Morgen zouden ze hun drinkblazen vullen in koude smeltwaterbeekjes, hun bezittingen oppakken en met de laatste fase van hun reis beginnen: de lange tocht uit de hooglanden naar beneden, door het grote rode dal naar hun verlaten voorouderlijke dorp aan het Meer van vele zingende vogels. Hij vroeg zich af hoe ze het zouden aantreffen. Nu zat hij alleen, gehurkt, op een kaal, winderig uitzichtpunt uit te kijken over het verdorde oude land van zijn voorouders. Zijn ogen waren aan de duisternis gewend geraakt. Hij kon het terrein beneden zien: de uitgestrekte zoutvlakten, de overgebleven meertjes, waarin hier en daar sterrenschijnsel glinsterend oplichtte, de zich hoog verheffende tafellanden, askegels en langgerekte vulkanische heuvels, die er overdag rood en zwart uitzagen. Hij fronste zijn voorhoofd en zocht vol spanning naar de weidse watervlakte die het Grote Meer werd genoemd. Hij zag slechts een uitgestrekte, duidelijk afgetekende vlakte van onafgebroken grijs. Het Grote Meer was weer drooggevallen, besefte hij. Het land werd nog altijd door droogte beheerst. Hij vloekte, keek omhoog en zag ineens dat K-wok en de andere jagers van zijn stam aan beide kanten naast hem waren komen staan.

'Stoutmoedige Man hoeft zich niet te schamen dat hij uit het Land van gras verbannen is,' zei K-wok. 'Stoutmoedige .Man is niet alleen. We zullen in de dagen die komen pal naast onze hoofdman staan, en het zal allemaal best meevallen.'

'In elk geval komt de wervelwind niet hier om ons volk te verslinden, wat jullie!' voegde Xet er met zijn gebruikelijke optimisme aan toe.

K-wok knikte melancholiek. 'Misschien is het alles bij elkaar genomen ook beter dat we terugkeren naar het land van onze voorouders. De tradities van ons volk zijn ons in elk geval vertrouwd.' Hij zuchtte. 'Maar ik zal de grote jachtpartijen missen, met al die bizons die voor de honden en de jagers uit rennen, en de bewonderende blikken van onze vrouwen wanneer we naar de dorpen terugkeerden met...'

'Als we naar de Rode Wereld terugkeren, zal het niet als vroeger zijn!' onderbrak Dakan-eh keihard. 'Laat niemand beweren dat we verbannen zijn! Uit eigen vrije wil heb ik het ongelukbrengende kamp van Shateh de rug toegekeerd. We hebben te lang op de manier van de mannen van het Land van gras gejaagd. We keren naar het gebied van de voorouders terug, maar nooit meer om er als hagediseters te leven!'

'Hoe moeten we anders leven in de Rode Wereld?' vroeg K-wok. 'Het is lang geleden dat er grote kudden...'

'We zullen als krijgers leven!' beloofde Dakan-eh plechtig. Hij had dagenlang op de beslissing zitten broeden, maar nu kwam die er dan uit.

De jagers wisselden weifelende blikken.

'Tegen wie moet ik dan op krijgstocht, Stoutmoedige Man?' vroeg Atl.

'Tegen iedereen die tegen ons is!' antwoordde Dakan-eh. Weer keken de jagers elkaar aan.

'De grote oorlog tussen de stammen van het noorden en het zuiden is voorbij,' bracht K-wok hem in herinnering. 'En de stammen van de Rode Wereld zijn altijd vreedzaam geweest, Dakan-eh.' Dakan-eh trok een verbeten gezicht. 'Het wordt tijd dat ze nieuwe gewoonten aanleren,' gromde hij.

'Maar we hebben onze vijanden in de grote oorlog verslagen, Stoutmoedige Man. Er is er geen meer over om mee te vechten!' Dakan-eh sprong als door een wesp gestoken overeind en siste met opeengeklemde tanden: 'Er zullen altijd vijanden zijn, K-wok! Denk maar aan de droogte... de stormen... een veranderende wereld die het wild uit de streek verjaagt! Shateh heeft mijn vrouw gestolen, maar hij heeft me doen inzien dat ik, al word ik misschien geen leider in zijn gebied, er wel een in het mijne kan zijn! Een groot leider. Door de methoden en wapens van de bizon- en mammoetjagers van het Land van gras te gebruiken, zal ik binnenkort leider aller leiders worden.'

'Maar met wie gaan we vechten, Stoutmoedige Man?'

Voor de eerste keer in langere tijd dan hij zich herinneren kon, moest Dakan-eh glimlachen. Hij stak zijn hand uit en gaf K-wok een vriendschappelijk duwtje. 'Het belangrijkste punt ontgaat je,

K-wok. Wie in het land van de hagediseters zal nu tegen ons gaan vechten?'

Weer wisselden de jagers niet-begrijpende blikken uit. Dakan-eh klakte met zijn tong om zo weinig voorstellingsvermogen. 'Onze speren en onze wilskracht zullen ervoor zorgen dat wij de beste jachtgronden en drinkplaatsen en vrouwen krijgen. De leiders en de sjamanen zullen als makke hondjes naar ons opkijken en aan ons toegeven. Omdat de mannen van de Rode Wereld bang zijn om te vechten, zullen we krijgen wat we wensen, ongeacht wat we van hen willen.'

Er verschenen rimpels in K-woks voorhoofd. Hij voelde zich duidelijk onbehaaglijk bij deze nieuwe geluiden. 'Ze zullen ons Vijand noemen. Ze zullen ons haten. De vrouwen zullen huilen terwijl we hen nemen. De drinkplaatsen zullen opdrogen en het wild zal niet verschijnen.'

Dakan-eh schudde zijn hoofd. 'De drinkplaatsen zijn al aan het opdrogen en er is allang geen wild meer in overvloed in de Rode Wereld. Ver achter de bergen van zand richt een sjamaan de toorn van de krachten der schepping op ons volk! Cha-kwena is de vijand. Cha-kwena heeft de heilige steen van ons volk gestolen en onze totem voor zich uit gejaagd. Iedereen weet dat. En voor de zekerheid zullen we dat iedereen nog eens goed inprenten wanneer we manschappen verzamelen en hun leren sterke krijgers tegen Cha-kwena te worden. Want eens zullen we hem misschien gaan zoeken. Eens zullen we hem wellicht vinden en doden. Intussen zullen we leven als leiders en krijgers in het land van onze voorouders en...' 'Eens zullen we misschien genoeg krijgers hebben om naar het Land van gras terug te gaan en Shateh te laten boeten voor het feit dat hij ons te schande maakte!' onderbrak een geestdriftige Xet. 'Dan zul je Ban-ya weer hebben en...'

'Ja! Moge dat gebeuren!' viel Dakan-eh de man bij, al deelde hij zijn geestdrift niet. De verwijzing van Xet naar Ban-ya had hem eraan herinnerd dat hij ondanks zijn koene praat over een binnenkort te verwerven status van opperhoofd, nog altijd een verslagen man was, een Stoutmoedige Man die bang was geweest om Shateh vanwege zijn vrouw uit te dagen.

Dakan-eh hurkte neer, legde zijn ellebogen op zijn knieën en staarde, balancerend op de bal van zijn voeten, over het uitgestrekte, weerzinwekkend vertrouwde land dat zich beneden hem uitstrekte. Donder rommelde in de onweerswolken die zich hoog boven de noordelijke horizon hadden opgestapeld; hij hoorde het amper. Hij twijfelde er niet aan of hij stond op het punt zijn levensideaal te verwezenlijken. Morgen zouden de sjamanen en hoofdmannen van de Rode Wereld een blik op zijn speren werpen en als trillende blaadjes in de storm van zijn arrogantie aan elk van zijn grillen gevolg geven. Spoedig zou hij een belangrijk leider zijn, een gevreesd, gerespecteerd leider van zijn volk! Maar de hagediseters van de Rode Wereld waren niet het volk waarover hij werkelijk het bevel wenste te voeren.

Hij kneep zijn ogen tot spleetjes terwijl hij uitkeek over het landschap van zijn jeugd. Het leek leeg zonder Ban-ya. Opeens haatte hij haar. De gedachte aan haar riep veel te veel gebeurtenissen op waarvoor hij zich schaamde. Hoewel hij weldra naar anderen van zijn volk zou terugkeren als Stoutmoedige Man van de Rode Wereld en als Dappere Jager Die Voor de Wervelwind Uit Rent Om Het Volk te Redden, had hij andere bijnamen in het Land van gras gekregen: Zit In Zijn Eigen Kots, Man Die Vader Trapt En Hem Laat Sterven en Angsthaas Die Beste Vrouw Weggeeft! Dakan-eh wilde Ban-ya nooit meer zien of aan haar denken. De kleine Piku-neh droeg zijn genegenheid al over op Rayela en noemde haar mama. Dakan-eh had nu andere vrouwen. Hij zou er weldra meer hebben. Ban-ya betekende niets voor hem! Niets! Hij wenste haar dood in dat verre land dat hij onvrijwillig achter zich had gelaten. Hij wenste hen allemaal dood! Shateh... Atonashkeh... Nakantahkeh... en alle andere dappere mannen die waren wat hij nooit zou kunnen hopen te zijn: jagers en krijgers in het Land van gras.

Ban-ya sliep. Toen werd ze met een schok wakker. Ze was niet langer alleen in de hut. Hoe lang zat Shateh daar al met gekruiste benen op zijn stapel slaapvachten ernstig in het duister te staren? Zijn lange, sterke vingers streken afwezig door zijn door de wind verwarde lange haren. Zelfs in het duister van de hut kon ze aan zijn gezicht en zijn gebogen schouders zien dat hij uitgeput was. Nog steeds klonk het geluid van trommels en gezang, die harde, vlakke, nasale, atonale klanken die haar eigen stam vreemd waren. Dakan-eh had daar heimelijk de spot mee gedreven, had het vrolijk honend geïmiteerd. Ze had het volk van Shateh echter horen zeggen dat de trommels de hartslag van de wereld waren; en nu, alleen met het opperhoofd in de duisternis van zijn hut, reageerde haar eigen hart op de vermoeidheid van de man en op iets anders: een droefheid... een bijna wanhopige behoefte aan troost. Ver weg, op de achtergrond van zang en trommels, huilden de wolven weer. Ban-ya zag hoe Shateh verstijfde en zijn ogen toekneep bij het geluid.

Een rilling van angst ging door haar heen. Wat waren de wolven aan het eten? Zou haar vlees morgen hun honger stillen? Haar adem stokte van afschuw bij de gedachte dat haar vlees verscheurd werd. Ze hoorde zichzelf al gillen: gegil waar niemand zich om zou bekommeren, maar dat Shatehs vrouwen intens plezier zou doen. Ze zuchtte huiverend en probeerde niet aan haar eigen dood te denken, maar dat lukte niet. Toen voelde ze de blik van het opperhoofd op zich rusten. Haar zucht had zijn aandacht getrokken. Hoewel de hartslag van de trommels aanhield, was Ban-ya ervan overtuigd dat haar eigen hart met kloppen was opgehouden. Deze man was alles wat haar scheidde van de wolven, en toch had ze sinds ze bij hem leefde niets gedaan om zijn genegenheid te winnen. Niets. Het woord ging als een spies door haar heen. Ze had zich tot dusver niet anders gedragen dan als een weerspannige, recalcitrante slavin, had hem zonder enig blijk van genot met haar laten paren, zelfs in haar geveinsde zwangerschap was ze vijandig en gereserveerd gebleven. Dwaze vrouw! wees ze zichzelf terecht. Ze hief haar hoofd op en sprak langzaam, zacht, zodat haar woorden zouden zijn als medicinale rook, vervuld van verlangen om de wonden tussen hen te genezen. 'Shateh heeft een zoon. Is de geboorte goed verlopen?' 'Die is goed verlopen.'

'Dat is een goede zaak. Deze vrouw is daar blij om.' Hij keek haar vorsend aan. 'Omdat je nu denkt dat ik je naar je hagediseter terug zal laten gaan?'

'Hij behoort tot het verleden, ver weg achter de stormen van deze vroege winter. Ik ben van Shateh.'

'Hmm.' Zijn uitdrukking veranderde niet terwijl hij zich afwendde en zijn eigen gedachten volgde.

Ze voelde dat er iets was wat hij haar niet vertelde. Het deed er niet toe, hij was haar opperhoofd. Zij was zijn slavin. Waarom zou hij zijn gedachten met zijn vrouwen delen? Maar er waren andere zaken te delen, belangrijker zaken, die niet gedeeld konden worden met krijgers of andere jagers, en zelfs niet met vrouwen wier lichaam en seksuele reacties in de loop van vele manen voorspelbaar waren geworden.

Terwijl ze nu naar hem keek, wist Ban-ya dat dit delen niet zonder genot zou zijn. Ondanks haar aanvankelijke besluit hem te haten, was ze ontroerd door zijn vermogen om om zijn volk te rouwen en door zijn bereidheid de volle verantwoordelijkheid te nemen voor wat zijn stam overkomen was. Dakan-eh had daartoe nooit in staat geleken.

Traag, zichzelf dwingend niet te beven, greep Ban-ya onder haar mantel en maakte een van de schouderbanden van haar kleed los. Daarna knoopte ze vlug de grote zwachtel los die haar borsten bijeenhield en stopte die onder de bedden vachten. Nu schudde ze met bonzend hart en ademend van achter uit haar keel haar mantel van zich af en schoof op haar knieën naar hem toe. Ze bleef op haar knieën achter hem zitten en verwijderde zachtjes de mantel die hij om zijn schouders had gedrapeerd. 'Laat deze slavin je op je gemak stellen,' fluisterde ze hees. Voor hij kon protesteren begon ze zijn brede, stevige rug en schouders te masseren. Ze besloot hem nu een genot te schenken dat geen andere vrouw hem ooit gegeven had, zich in alle opzichten onmisbaar te maken, hem van haar nabijheid en inschikkelijkheid te laten genieten, ernaar te laten smachten, zodat hij als anderen ten nadele van haar spraken, zou weigeren de woorden aan te horen. Haar handen gingen traag, vaardig te werk. Haar handpalmen en vingers drukten en kneedden zijn spieren tot ze warm en doorbloed raakten, tot ze voelde dat hij zich ontspande en ze hem van genot hoorde zuchten. 'Is het lekker?' fluisterde ze, terwijl ze naar voren boog en haar borsten tegen zijn rug drukte. Intussen gleden haar handen over zijn borst, toen over zijn buik. Onder het strelen, naar boven en weer naar beneden, elke keer lager, leunde ze tegen hem aan en liet hem de zachte druk van haar lichaam tegen zijn rug voelen. Haar vingers dwaalden onder zijn lendendoek en talmden om zijn warm mannelijk deel te liefkozen. Ze streelde hem tot het opzwol, hevig klopte en warm en stijf werd. Plotseling uitte hij een onverwachte grom, greep haar bij een arm en trok haar naar voren. Ze kwam languit op de grond terecht.

'Vrouw. Ga weg van mij. Je draagt leven in je, ik kan geen gemeenschap met je hebben.'

Ze krabbelde overeind tot ze met gebogen hoofd, kruiperig eerbiedig voor hem zat. 'Ban-ya is de slavin van Shateh, niet zijn vrouw. Kijk, mijn haar is afgesneden. Mijn geest is zwak. Vannacht heeft Shatehs vrouw Senohnim hem een zoon geschonken. Het leven dat een slavin in zich draagt is niets, daarmee vergeleken. Maar de blijdschap die deze slavin voor haar opperhoofd voelt is groot. Ze wenst slechts aan zijn blijdschap bij te dragen.'

Voor hij haar weer kon bevelen weg te gaan, stak ze haar handen uit om de strik van het ene bandje dat haar kleed bijeenhield los te maken. Met één ruk was het los. Terwijl het kledingstuk van haar heupen gleed, richtte ze zich op, maakte haar rug hol, stak haar borsten vooruit en kwam langzaam op hem af. Ze omvatte haar grote borsten en bood ze hem op haar handpalmen aan. 'Ze zijn tijdens deze genoeglijke nacht voor Shateh. Waarom zou het opperhoofd het zich ontzeggen om in deze willige slavin genot te vinden?' Ze zag hoe zijn gezicht verstrakte en zijn ademhaling versnelde. Zijn blik verslond hetgeen ze hem aanbood. Ze ging weer op haar hurken zitten, haar knieën wijd uit elkaar. Toen ze traag achterover ging liggen, volgde de man haar voorbeeld door op haar te gaan liggen. Terwijl hij in haar binnendrong, wist ze dat hij van haar was... en dat ze hem moest liefhebben alsof hij Dakan-eh was... alsof het de laatste liefde was die ze ooit aan een man zou bewijzen... een liefde die de spookachtige blik uit de ogen van het opperhoofd zou wegnemen en hem het geloof zou schenken dat hij weer jong was.

Hij nam haar. Met zijn handen over haar polsen en zijn ogen in de hare terwijl hij diep bij haar binnendrong, begon Shateh zich op de kronkelende vrouw naar een climax toe te bewegen, trok zich vlak ervoor terug en bleef roerloos boven haar hangen om het genot uit te stellen. Hij zag Ban-ya's wanhopige blik en begreep dat alles wat ze nu aan hem gaf niet echt voor hem was, maar voor haarzelf: een waanzinnig, wanhopig, hongerig reiken naar leven. Kon hij het haar kwalijk nemen? Alleen een domme vrouw zou de dreiging die de geboorte van Senohnims zoon voor haar vormde zijn ontgaan. Hoewel: het maakte eigenlijk niet uit wat Ban-ya deed of zei in deze stam; Hagedisvrouw zou er altijd een hachelijk leven leiden. Hij kon echter niet toestaan dat haar kwaad overkwam. Senohnims pasgeboren zoon was zo nietig en bleek, wie weet zou hij de ochtend niet halen. Daarom sloegen de trommels en danste, zong en klapte zijn volk van - naar alle uiterlijke tekenen — grote blijdschap. Zielenzuiger moest misleid worden tot de gedachte dat het kind sterk was en geschikt om te overleven. Dan zou de dood vannacht zijn weg vervolgen en zich voeden in het spoor der wolven. Als Zielenzuiger niet voor de gek gehouden werd, zou het kind sterven en zou het volk Ban-ya de schuld geven. Hij twijfelde er niet aan of Wehakna zou zich daar sterk voor maken, evenals Atonashkeh.

Shateh twijfelde er niet aan dat deze vrouw van de Rode Wereld hun haat en beschuldigingen even dapper zou weerstaan als ze tevoren gedaan had. Daarbij nam ze wanhopig en onbeschaamd haar toevlucht tot leugens om zich te beschermen tegen hun verlangen haar dood te zien. Wat een dappere, schitterende vrouw was ze toch! Wat een zonen zou ze hem schenken!

Zijn mond verstrakte. Maar hoe kon hij haar houden? Ze vormde een bron van tweedracht tussen zijn volk en hem. Een schuldgevoel roerde zich in hem dat zijn genot verdoofde. Hij besefte dat hij haar niet van haar man en van haar zoon had moeten afnemen. Hij had moeten voorzien wat haar bij de vrouwen van zijn stam te wachten stond. Ze zouden haar nooit accepteren. Zelfs als Ban-ya hem een zoon schonk die even dapper was als zijzelf, zou het haar kwalijk worden genomen en zou ze erom gehaat worden. Het kind zou nooit geaccepteerd worden, tenzij het van haar borst gehaald werd en het door een ander werd opgevoed. Hij werd ongeduldig. Dit was niet het ogenblik om na te denken. Dit was een moment om te handelen. Hij omvatte haar billen om haar wijder te openen en trok haar heupen daarbij zo hoog op, dat hij op het moment van ejaculatie diep genoeg in haar zou zijn om dat magische plekje in een vrouw aan te raken waaruit alle leven en genot voortsproot. Als antwoord opende haar lichaam zich als een bloem in de zon, ontving hem diep, sloot zich om zijn lid en kneedde het, daarbij zulke heerlijke verrukkingen opwekkend dat ze aan pijn grensden, hem voorgaand in een dans waarin geen enkele vrouw hem ooit meegevoerd had met de volmaaktheid waarmee zij die nu danste. Hij kwam klaar met een woestheid die hem verbijsterde. Met een hijgende kreet voerde ze hem naar het hoogtepunt. Daarna viel ze snikkend met hem neer terwijl hij op haar ineenzeeg, niet als een uitgeputte oude man, maar als een jongen die ontdekt dat hij de potentie heeft om onmiddellijk weer op zoek te gaan naar het genot dat hem zojuist zijn levensvuur ontlokte. Hij rolde op z'n zij en staarde naar haar zoals ze naast hem in het donker lag. Zijn hand volgde de contouren van haar gezicht en lichaam. Hij fronste toen zijn vingers de tranen op haar wangen tegenkwamen en de warme melk uit haar borsten. Tranen kon hij begrijpen, maar de aanwezigheid van melk verwarde hem. Als het leven eenmaal wortel in haar had geschoten, had de melkstroom op moeten houden. 'Nog steeds? Zelfs nu?' Hij boog zijn hoofd om haar tepels af te likken en fluisterde vriendelijk: 'Ik weet dat het wreed van me was om je zoon van je af te nemen, maar een vrouw met een zuigeling aan haar borst neemt geen nieuw leven in haar buik op. En het is leven dat ik van je vraag, een zoon die even sterk en vermetel is als zijn moeder. Een zoon waarop Shateh trots kan zijn! Een zoon om...' Hij zweeg, niet alleen verrast door de plotselinge heftigheid die in zijn stem was gevaren, maar vooral door het feit dat hij zijn gedachten aan een vrouw had toevertrouwd. Had ze in zijn hart gekeken? Had ze geraden dat de nieuwste spruit van Senohnim een ernstige teleurstelling voor zijn vader was?

Ze trilde hevig. Uit angst voor hem of van de kou, hij zou het niet kunnen zeggen. Maar het was inderdaad koud in de hut. Hij ging rechtop zitten, reikte naar zijn mantel, maar bedacht zich en pakte om haar een plezier te doen de mantel van prairiewolfvel, legde die over haar heen en ging naast haar liggen. Terwijl hij toekeek hoe Ban-ya de mantel dicht om zich heen trok, moest hij weer fronsen. 'Die mantel... waarom is die zo belangrijk voor je?' Even zei ze geen woord. Toen fluisterde ze: 'Hij is van mij, iets van mijn eigen volk. Ik heb hem van de mooiste huiden gemaakt die Dakan-eh voor me meenam, huiden, gestroopt van de lichamen van dieren die heilig waren voor een man die onze vijand was. Zolang ik deze mantel draag, kan zijn macht me niet raken.' 'De macht van wie, vrouw?'

Ze ging rechtop zitten en trok de mantel strak om haar schouders. Toen ze naar hem keek, flitsten haar ogen helder op, zelfs in de duisternis. 'Cha-kwena!'

Hij schudde zijn hoofd. 'Geloof je dat werkelijk, Ban-ya? Ik herinner me Cha-kwena uit de tijd dat onze volkeren korte tijd samen in het gebied van jouw voorouders bivakkeerden. Hij was een jongen met een moedig hart. Toen de strijd voorbij was en de volkeren weer elk hun eigen weg gingen, moet het hem moed hebben gekost om Dakan-eh achter te laten en zijn totem voorbij de rand van de wereld te volgen.'

'Waar had hij nog moed voor nodig nadat hij de heilige steen van onze voorouders gestolen had?' vroeg ze verbitterd. 'Hij was sjamaan! Met zijn zwarte magie joeg hij onze totem voor zich uit en liet mijn volk met lege handen achter!' Haar gezicht vertrok van afschuw en van iets anders, iets wat Shateh in het duister niet onderscheiden kon. 'Als Shateh over moed wil spreken, laat hem dan over Dakan-eh spreken. Die durfde zijn volk naar het noorden te leiden terwijl hij geen totem bezat, geen talisman en geen sjamaan om voorspraak voor zijn stam te zijn! Alleen een man met een groot hart zou voor zijn volk de broederschap met Shateh en zijn krijgshaftige stam durven zoeken.'

'Ik ben vannacht niet mijn hut binnengegaan om over Dakan-eh te spreken, Ban-ya. Ik zoek leven, een zoon om niet voor eeuwig te hoeven sterven! Een krachtige, waardige zuigeling via wie ik opnieuw in dit leven herboren kan worden. Schenk me zo'n zoon, en ik zweer bij de vier winden dat ik je naar je volk zal brengen. Met mijn eigen handen zal ik je eerstgeboren jongen weer aan je borst leggen en me afzijdig houden terwijl je naast je dappere, hagedisetende eerste man ligt. Schenk me een zoon, Ban-ya, en deze man zal nooit meer iets van je vragen... en wat jij me de dagen en nachten die komen ook vraagt, zal vervuld worden.' 'Dan vraag ik je om je bij Dakan-eh aan te sluiten om onze echte vijanden voorbij de rand van de wereld te zoeken en Cha-kwena en al zijn volgelingen ter dood te brengen.'

'Zo zal het gebeuren,' beloofde Shateh. 'Schenk me een zoon, en het zal gebeuren.'

4

Tot Cha-kwena’s verbazing bleef het zijn stam redelijk goed gaan. Maar de totem was dood, en de sjamaan had alle vertrouwen in magie verloren. Hij ging niet meer te rade bij de heilige steen voor visioenen. Wanneer hij gezangen aanhief en gewijde rook maakte om de gebeden voor Gah-ti omhoog te zenden naar de krachten der schepping, deed hij dat omdat dit van hem verwacht werd. Zijn hart lag niet meer in zijn woorden, want hij geloofde absoluut niet langer dat er iets of iemand voorbij deze wereld bestond die zijn gebeden kon horen, laat staan ze verhoren.

Niettemin genazen de wonden van Gah-ti - langzaam, maar ze genazen - en Mah-ree hield nog altijd vol dat de arm van de jongen met passende zorg weer zou aangroeien. Siwi-ni verzekerde haar zoon eveneens dat dat zou gebeuren. De kleine vrouw zelf bleef bleek en moe, maar ze had genoeg melk voor haar huilerige baby. De nieuwste aanwinst van de stam was voor de kleine Joh-nee en Tla-nee een bron van verrukking. De twee meisjes brachten hun dagen door met toekijken hoe Siwi-ni luiers verwisselde en de bips van het kind schoonmaakte met middelen die door Ha-xa en U-wa waren bereid naar recepten die via generaties van stammoeders overgeleverd waren en gegarandeerd schrale billetjes voorkwamen. Wanneer Siwi-ni sliep, wiegde Ta-maya de baby, kuste haar als ze onrustig was en joeg de honden weg als die te dichtbij kwamen.

Hoewel Mah-ree haar verloren Vriend en de andere vermiste honden heel vaak riep, keerde niet een van de dieren terug. Schramneus had echter een nest van dertien jonge hondjes geworpen. Vier werden dood geboren en de rest leed zowel aan etterende oogjes als aan diarree. Geen van beide aandoeningen was ongewoon bij jonge honden, en Mah-ree maakte speciale papjes voor hun ogen en verzorgde ze met dezelfde liefde en toewijding die ze de zieken en gewonden onder haar volk betoonde.

De grot bevatte inmiddels bijna alle proviand en voorraden die de stam nodig had om zelfs de strengste winter te kunnen overleven... maar het weer was stabiel geworden, dus genoot de stam van de warme, geurige dagen en de koele, droge herfstavonden. Loofbomen staken in vlammend rood, geel en oranje af tegen het groen van de naaldbomen. Guldenroede schitterde in de moerassige weiden, chrysothamnusstruiken kleurden knalgeel tegen de salievelden, fris gras ruiste in de wind. Grote V-vormige vluchten vogels, die uit het noorden kwamen om zich met rijpe zaden te voeden, streken snaterend, kwakend en fluitend in enorme aantallen op het meer neer. Aan de waterkant stonden nu blauwe reigers en grote kraanvogels met lange halzen en hoge pluimkronen. Op alle uren van de dag en de nacht stegen de geluiden van kwetterende en spetterende vogels naar de grot op.

Sinds Gah-ti gewond was geraakt, was Kosar-eh ernstig en in zichzelf gekeerd. Hij voerde zelden een ontspannen gesprek en met Ta-maya vermeed hij elke persoonlijke uitwisseling. Maar hij oefende zijn rechterarm en -hand net zo lang tot hij, langzaam en niet zonder pijn, in staat was ze in te zetten voor vele taken die hij geleerd had met één hand te verrichten. Hij legde zich erop toe zijn jongste zonen te leren hoe ze uit hout en riet lokvogels moesten maken, een kunst die in onbruik was geraakt toen ze eenmaal de bergen van zand waren gepasseerd en de vele zoutmeren van de Rode Wereld achter zich hadden gelaten. Als ze op bekwame wijze uitgezet waren en door zijn meesterlijke vogelimitaties begeleid werden, lokten de namaakvogels met hun houten koppen en rieten lijven vele onnozele watervogels naar de ondiepe plekken in het meer waar U-wa, Ha-xa en Ta-maya met hun vogelstrikken zaten te wachten.

Op aandrang van Siwi-ni liet Kosar-eh de jongens tot hun schouders het meer in waden om hun het eeuwenoude spel 'meerkoetje vangen' te leren. Vermomd als pollen vegetatie met hoge rieten hoofdbedekkingen overwonnen zij hun watervrees en leerden zwemmen door achter hun vader aan te gaan en zich ongemerkt tussen grote zwermen dobberende zwarte meerkoeten te mengen. Het kostte een paar dagen voor ze het spel meester waren, maar weldra was iedere jongen - Klah-neh, de jongste, uitgezonderd - volledig in staat om te midden van de nietsvermoedende meerkoeten te drijven om dan, op precies het juiste ogenblik, de pootjes vast te grijpen, de vogel onder water te trekken en met zijn vrije hand de nek te breken. Op deze manier kon één jongen wel zes meerkoeten aan een lijn om zijn middel verzamelen voordat hij naar de oever terugzwom en manhaftig naar de grot terugliep. Daar werden de pezige kleine watervogels met hun rode vlees dadelijk door de vrouwen gevild en vervolgens gekookt of geroosterd. En de jongens konden er zeker van zijn dat Siwi-ni hen even uitgebreid voor hun werk zou roemen als hun oudere broer, de leeuwenjager. Watervogels waren niet de enige gevederde prooien die als winterkost gerookt of geroosterd werden. Elke dag zetten de vrouwen strikken en netten uit voor kleine zaad- en insecteneters. Zodra de veren eraf geschroeid waren, vormden de kleine vogels knapperige hapjes voor de kinderen. U-wa instrueerde de vrouwen bij het vlechten van manden om kwartels mee te vangen: lange, smalle, kokervormige vallen die aan één kant dicht waren. Ze werden op het land uitgezet met zaden en bessen als lokaas onderin. Een kwartel die dwaas genoeg was zijn kopje te buigen om in de kokermand een gemakkelijk maaltje te veroveren, ontdekte al snel dat hij niet in staat was zich weer op te richten of zich om te draaien. Gaten die zorgvuldig over de bovenkant van de mand verdeeld waren, spoorden nieuwsgierige kwartels aan hun kopjes naar buiten te steken. Om uit hun hachelijke positie te ontsnappen hoefden ze alleen hun kopjes maar in te trekken en achteruit te lopen, maar daarvoor ontbrak het de vogels aan slimheid. U-wa, Ha-xa en Ta-maya brachten hun manden naar de grot terug, vol onnozele kwartels die ongelukkig door de gaten gluurden, en gebruikten ze als uitgangspunt voor wijze lessen. 'Doe niet als Kwartel!' waarschuwde Ha-xa. 'Wees altijd voorzichtig met voordeeltjes die al te gemakkelijk in je schoot vallen!' 'Kijk goed om je heen, dan zul je je broers niet in moeilijkheden brengen, en onzichtbare gevaren weten te vermijden!' voegde U-wa eraan toe. Daarop keek ze over haar schouder in de hoop dat Gah-ti het niet toevallig gehoord had.

'En als je toch in de problemen raakt, kijk dan beslist dubbel goed om je heen, want als je je koppetje gebruikt, is misschien niet alles verloren!' maakte Ta-maya het nog mooier.

Wat de kwartels betreft, die verloren hun koppetjes. De huidjes met zachte veertjes en de golvende kuifjes werden verwijderd, gedroogd en opzijgelegd om in de toekomst kinderkleding van te naaien. De sappige, vlezige, rozerode lijfjes gingen aan het spit om dadelijk gegeten of langzaam geroosterd te worden. Vervolgens werden ze met salie onder speciale kegelvormige tentjes van huid gerookt om er in de toekomst van te genieten.

Menigmaal gingen Cha-kwena, Kosar-eh en de jongens op pad om op herten en antilopen te jagen. Volgens de methode van hun voorouders zetten de jagers valstrikken uit voor konijnen, eekhoorns en ander kleinwild. Steevast waren ze voor zonsondergang terug met de eet- en bewaarbare delen van hun prooi, 's Avonds zetten de mannen en jongens zich bij het licht van het vuur aan steenbewerking, terwijl de vrouwen huiden prepareerden, vezels tot draad verwerkten en naaiwerk verrichtten. Ze praatten en babbelden, en iedereen leek het erover eens dat Cha-kwena en hun totem hen naar een prima land hadden gebracht... iedereen, op Cha-kwena na. Terwijl de vrouwen en kinderen vrolijk lachten en praatten - en zelfs Gah-ti en de humeurige Kosar-eh het opbrachten om mee te doen met het vrolijke gezang dat nu en dan losbarstte - liet Cha-kwena het afweten; hij was eenzaam, sliep slecht en werd door geheimen gekweld. Hij probeerde te begrijpen waarom hij zich zo rusteloos voelde terwijl alles zo goed ging. Ja, hij had de totem gedood, maar Levenschenker was tenslotte maar een mammoet geweest. Hoewel hij nu in die verborgen uitloper van het meer achter de heuvels lag, leefde het volk in voorspoed. Kennelijk deed zijn dood er niet toe. Grootvader van Alles was slechts een mammoet minder in een wereld waarin mammoets toch al zeldzaam waren. Waarom had hij dan toch voortdurend de neiging om er als een haas vandoor te gaan, zijn volk op te laten breken onder het motto dat ze dit 'prachtige' dal moesten verlaten? Hoe zou hij de woorden uit zijn mond kunnen krijgen, nu Gah-ti en Siwi-ni niet in staat waren om te reizen? Hoe zouden ze reageren als hij vertelde dat hij de grote witte mammoet had gedood en dat hun sjamaan geen sjamaan meer was? Zouden ze hem geloven? En, nog belangrijker: zouden ze het hem ooit vergeven?

Hij reageerde vijandig toen Mah-ree voor de zoveelste keer schuw op hem afkwam en vroeg wat hem dwarszat. Haar vraag of hij de totem gezien of gehoord had, beantwoordde hij met een hatelijke snauw dat hij Levenschenker voortdurend zag en hoorde, maar alleen in zijn dromen. Weldra vermeed zelfs U-wa, die toch gewend was aan zijn humeurigheid, met hem te praten. Dikwijls merkte hij dat Kosar-eh hem van onder peinzend omlaaggetrokken wenkbrauwen observeerde. Zelfs de zachte woorden van de mooie Ta-maya konden geen glimlach op Cha-kwena's gezicht toveren. Vaak deed hij tijdens de jacht geen mond open. Zelfs toen hij samen met de anderen het puin van een oude rotslawine wegruimde om de toegang tot de bron die Gah-ti ontdekt had open te leggen en groter te maken, vond hij geen plezier in zijn arbeid. Wanneer de honden in zijn buurt kwamen, joeg hij ze weg. Telkens wanneer Prairiewolf's nachts zwijgend onder aan de grot kwam zitten, wierp Cha-kwena, die zijn aanwezigheid aanvoelde, stenen naar hem tot hij wegrende.

Vaak bracht hij 's nachts, als de anderen sliepen, de tijd door met het onderzoeken van de verborgen uithoeken van het grottenstelsel. Bij het licht van een stenen olielamp die hij van U-wa leende en met extra pitten, olie en vuursteentjes op zak, waagde hij zich in gang na gang, doodlopende holte na doodlopende holte. Zo kwam hij zelfs in verscheidene tunnels die hem helemaal de grot uit leidden naar het sterrenlicht aan de andere kant van de heuvels; door deze tunnels was de leeuw gekomen en gegaan. Toen hij op een nacht een nauwe, weinig belovende smalle doorgang volgde, die hij eerder over het hoofd had gezien, kwam hij in een ruime, lage zaal die hem de adem benam. Daar, amper zichtbaar op de bleke achterwand, was het silhouet van een mammoet: kolossaal, met geheven kop en met slagtanden die de duisternis in staken. Cha-kwena snakte naar adem en bleef met open mond staan, klaar om zich om te draaien en weg te vluchten indien het beest uit de rots losbrak en op hem af zou rennen. Met een zucht van opluchting besefte hij dat het wezen slechts een speling van het toortslicht was, dat over de ongelijke contouren van de steen flakkerde.

Cha-kwena kwam dichterbij, hield zijn lamp hoog en liet zijn hand over de wand glijden. Herinneringen schoten door hem heen; voor de verandering tedere, geruststellende herinneringen: aan de lang vervlogen avonden uit zijn jongenstijd, toen hij met Hoyeh-tay achter in zijn grootvaders heilige grot had gestaan en had toegekeken hoe de oude man op de wand beelden uit de geschiedenis, de legenden en het dagelijks leven van zijn volk schilderde. Na Hoyeh-tay's dood, toen Cha-kwena sjamaan was geworden en de grot ritueel was gereinigd en door middel van vuur voor hem vernieuwd was, had hij eigen kwasten van hout, lisdodde en dierlijk haar gemaakt en Hoyeh-tay's voorstellingen opgefrist met verse kleuren van gestampte minerale kleurstoffen, gemengd met dierlijk vet en witte, rode en groene klei die hij van de oevers van het Meer van vele zingende vogels had meegebracht. Hij had ook nieuwe voorstellingen geschilderd en al doende zijn geest van de pijn bevrijd die hem na de moord op de oude man gekweld had. Zou het misschien weer zo kunnen gaan? vroeg hij zich af.

Zo kwam het dat Cha-kwena met nieuwe moed naar de hoofdruimte van de grot terugkeerde. Bij het krieken van de dag was hij al buiten in het dal, bezig alles te verzamelen wat hij nodig had om kwasten te maken en eigen lampen te vervaardigen, zodat de grot voldoende verlicht zou zijn bij het werk dat hij ging ondernemen. IJverig zocht hij naar de juiste planten en stenen om te vermalen. Het poeder zou, vermengd met vet en schraapsel van pas gestroopte huiden, smeuïge, rijke pigmenten opleveren, die gemakkelijk op te brengen waren en op een stenen ondergrond niet zouden barsten of schilferen als de verf opdroogde. Langs de oever van het meer verzamelde hij eendenmest en legde dit op een groot stuk huid te drogen op de brede richel voor de ingang van de grot. Later zou hij de mest met water mengen tot een prachtig zomers hemelsblauw. Vervolgens vergaarde hij aanmaakgras en hout voor de vuren die hem warm moesten houden tijdens de lange donkere dagen en nachten die hij van plan was in de grot te blijven. Bovendien kon hij er as en houtskool uit halen als zwarte kleur voor zijn kunstwerk. Zijn volk keek toe. Ze wisten wat hij van plan was en boden hem enthousiast hun hulp aan. Maar hoewel hij olie en pitten van zijn moeder aannam, sloeg hij alle andere hulp af en vertelde zijn volk dat zijn schilderwerk niet voor hun ogen bestemd was. 'De aanschouwing van dit werk is voorbehouden aan de kleinzoon van Hoyeh-tay,' zei hij.

Mah-ree knikte begrijpend. 'Het zal voor de geesten van dit land en voor de krachten der schepping een teken zijn dat onze sjamaan een plek heeft gevonden die heilig en magisch voor hem is. Het zal zijn offer zijn aan de geesten van de voorouders. Een eerbewijs aan de nagedachtenis van Eerste Man en Eerste Vrouw en aan Levenschenker!'

Cha-kwena bekeek haar peinzend. Wat een vertrouwen had ze nog in hem en in alles wat ze van jongs af aan als heilig en boven twijfel verheven had leren beschouwen! Maar ja, welke reden had ze ook om aan hem te twijfelen? Hij was nog altijd sjamaan in haar ogen!

Toen Cha-kwena klaar was met het verzamelen en vervoeren van alles wat hij nodig had, ging hij de eeuwige duisternis van de grot binnen. Hij had zijn bezittingen al overgebracht en U-wa had voldoende voedsel voor hem klaargemaakt om het vele dagen uit te houden. Lange tijd bleef hij in de zachte, schemerige, oranje gloed van de enige lamp die zijn pad had bijgelicht, naar de wand en de vreemde vorm die eruit opdoemde staan staren. De mammoet was er nog. Wanneer Cha-kwena de lamp heen en weer bewoog, leek de gedaante het licht te volgen, zijn massieve ledematen en slagtanden op te tillen, zich zuchtend tegen de rots af te zetten alsof...

Plotseling vlamde, vergezeld van een rauwe zucht van Cha-kwena, hoop in zijn geest op. Hij raakte zijn medicijnbuideltje aan. Opnieuw werd de heilige steen warm in zijn handpalm, zoals al veel te lang niet gebeurd was. Hij sloot zijn ogen. Was het mogelijk? Was de totem op de een of andere manier nog in leven? Was hij hier in de grot, gevangen in de wand? Was hij nog steeds op de een of andere manier sjamaan? En was er nog altijd hoop dat de macht van de totem zich zou kunnen manifesteren, zodat die zijn volk kon dienen? Bevend plaatste hij zijn lamp op de grond en maakte zich gereed om het uit te zoeken.

Cha-kwena wist niet hoe lang hij aan het werk was. Verscheidene dagen gunde hij zich geen tijd om te eten. Hij was zich er niet van bewust dat hij een vuur aanlegde en het brandend hield tot zijn voorraad brandhout opraakte. Hij vulde de olie in zijn lampen vele malen bij, ook al herinnerde hij zich niet dat hij ze bijvulde. Hij wist alleen dat hij zijn werk met één enkele afbeelding aanving: de afdruk van zijn eigen hand op de steen, eerst in wit, als merkteken van een sjamaan, vervolgens overdekt met kostbare rode oker om de menselijkheid van de kunstenaar die het teken aanbracht te bevestigen. Daarna ging zijn geest op in het werk en had hij nergens meer besef van, totdat hij uitgeput uit zijn roes kwam en in verwonderd stilzwijgen voor een eens lege wand stond, die nu volledig getransformeerd was.

Wat hij zag, was een sprankelende veelheid van kleuren en vormen: een enorme, gedetailleerde verbeelding van de overlevering van het volk. Het was er allemaal, alles wat hem over de voorouders verteld was; op de een of andere manier zelfs méér. Midden op de wand, in duidelijk reliëf en levensgroot, bevond zich de grote witte mammoet: de aanwezige contouren waren met krachtige witte lijnen aangezet. Binnen het lichaam van de totem werd de overlevering verteld. Cha-kwena herkende Eerste Man en Eerste Vrouw terwijl ze hun kinderen op hun wonderlijke tocht uit het noorden begeleidden. De vele kinderen van Eerste Man en Eerste Vrouw werden getoond tijdens hun voettocht over de bergtoppen naar de Rode Wereld. Vervolgens ving het verhaal van Cha-kwena’s stam aan, met als hoogtepunt de komst van het volk van het Land van gras en de splitsing van de vele stammen. Hij fronste zijn voorhoofd, terwijl hij het bloederige verhaal bekeek van de grote oorlog en de moord op vele mammoets en mensen. Hij zag Dakan-eh weglopen en zijn plaats onder de vreemde stammen innemen. Daarna keek hij naar de saga van zijn eigen vlucht over de bergen van zand, over de rand van de wereld naar het prachtige dal.

Zijn adem versnelde. Daar was de geschilderde weergave van de zwarte maan, de vroege regen, het opsteken van de noordenwind, de rondcirkelende arenden en de naderende raven. Hij zag de geboorte van Doh-teyah, Gah-ti's jacht op de leeuw en Kosar-ehs wonderbaarlijke confrontatie met het beest en hoe hij het doodde. Hij zag zich met Mah-ree verstrengeld op de grote kei onder het ijlende licht van vallende sterren. Hij zag Prairiewolf de honden aanvoeren bij het verscheuren van de mammoet. Ook zag hij zichzelf de totem in het meer doden.

Opeens stond hij op onverklaarbare wijze op zijn benen te trillen en werd hij licht in het hoofd. Toen kreeg hij een ingeving die het bloed sneller door zijn aderen deed stromen. Als alles wat zich had voorgedaan op de wand stond, kon hij dan ook niet schilderen wat er zou kunnen gebeuren? Het verleden kon niet ongedaan gemaakt worden, maar hoe stond het met de toekomst? Kon je daar invloed op uitoefenen?

Met de paar kleurstoffen die over waren werkte hij als een bezetene. Hij schilderde Gah-ti met een herstelde arm. Hij schilderde Siwi-ni dansend. Hij schilderde de grote witte mammoet die herboren oprees uit het meer. Hij schilderde de totem ongeschonden, zonder littekens, in het bezit van al zijn kracht en macht. Toen de schildering af was, zonk hij op zijn knieën, greep de heilige steen Vast en fluisterde tot de krachten der schepping. 'Laat het zo zijn!' smeekte hij vurig. 'Geef me de moed om weer sjamaan te zijn!' Hij kwam uit de grot en trof zijn volk slapend aan. De grot baadde in maanlicht. Zijn blik dwaalde naar de plek waar Siwi-ni tegen haar ruggesteun ingedut was, met haar vertrouwde begeleidster Ta-maya vlak bij haar in slaap. De oude vrouw leek gemakkelijker te ademen dan gewoonlijk. Hoop ontwaakte in Cha-kwena toen hij zijn blik richtte op de plek waar Gah-ti lag. De sjamaan was er echter niet zeker van of de arm van de jongen wel of niet uit zijn stompje sproot. Misschien! dacht hij. Misschien is hij op ditzelfde moment bezig weer aan te groeien!

Ver weg klonk het getrompetter van mammoets over het land. Zijn hart maakte een sprongetje. De honden hieven hun koppen op toen hij, in absoluut stilzwijgen, een speer opnam en aan een plechtige, nachtelijke pelgrimstocht begon, terug naar de plek waar de mammoets naartoe gaan om te sterven.

Ta-maya steunde op een elleboog en zag hem weggaan. De maan was zo helder, zo prachtig. Ze zuchtte. Teleurstelling verdrong de blijdschap die haar wegebbende dromen haar gebracht hadden. Haar enige liefde was in haar dromen weer bij haar geweest. 'Masau...' Ze fluisterde zijn naam hunkerend en met onpeilbare droefheid. Maar het was Cha-kwena geweest die door de grot voorbijging, niet de schim van Masau naar wie ze zo verlangde. Ze voelde de aanwezigheid van Mystiek Krijger zelfs overdag om zich heen. Zijn veelvuldige verschijnen in haar dromen schonk haar de moed om elke nieuwe dag opgewekt tegemoet te treden. Ze sloot haar ogen. Sinds haar warme beantwoording van Kosar-ehs kus waren haar dromen verwarrend geweest. De geest van Masau kwam niet langer dichtbij om haar in zijn armen te sluiten, haar zijn liefde te betuigen en haar via de wind met zijn adem te beroeren, zodat ze wist dat hij bij haar was, wachtend op het ogenblik dat ze naar hem toe zou komen. Ze wist dat ze hem beledigd had. Nu bleef hij steeds aan de rand van haar dromen. Zijn lange, krachtige armen waren uitgestrekt en zijn gezicht was gespannen van pijn, wanneer hij haar van over de benevelde verten tussen de werelden van de levenden en de doden toeriep en haar smeekte hem niet te vergeten. 'Masau... Masau... je weet toch dat ik naar je toe zou komen als ik kon.' Ze ging zuchtend liggen en probeerde opnieuw te slapen in de hoop hem in haar dromen terug te vinden, haar armen naar hem uit te strekken en op de een of andere manier een brug te zoeken die het gewicht van haar geest zou aanvaarden, haar zou toestaan de begrenzing van haar lichaam te verlaten en zich bij hem te voegen in de wereld der geesten.

Een scherp duwtje in haar rug bracht haar weer overeind. 'Wat is er Siwi-ni?' fluisterde Ta-maya. 'Wil je water of...'

'Wat ik wil is dat je ophoudt met het uitspreken van de naam van de doden in de nacht!' fluisterde de oude vrouw. Ze zag er bleek en schichtig uit in het maanlicht. Haar lippen waren blauw en haar ogen stonden hol.

'Maar zijn geest is bij me.'

Siwi-ni schudde haar hoofd, richtte haar blik hemelwaarts en zei woorden die Ta-maya's ogen groot maakten van ontzetting: 'Als je mij kunt horen, Masau, Mystiek Krijger, zoon van Shateh, oorlogszuchtig priester van het volk van de wakende ster, vergeet niet dat je Ta-maya eens voldoende liefhad om voor haar je leven te geven! Laat nu je dood bent haar geest vrij, als je haar nog liefhebt! Laat haar niet vergeten dat het leven heerlijk is en veel te kort, dat er velen zijn die haar hier nodig hebben en dat er een andere man is die zowel haar dagen als haar nachten van liefde zou willen vervullen.' 'Hou op, Siwi-ni!' Ta-maya sprak het bevel even zacht als nadrukkelijk uit. 'Ik ben de vrouw van Masau! Ik ben in de rouw. Ik wil nooit meer een andere man!'

'Hmm.' Siwi-ni gebaarde zwakjes naar de plek naast Gah-ti waar Kosar-eh lag. 'Er is hier iemand die jou wil. En er is iemand die niet langer een vrouw kan zijn voor de beste, dapperste van alle mannen.'

Het gezicht van Ta-maya vlamde op in het maanlicht. 'Nee, Siwi-ni! Jij bent de vrouw van Kosar-eh, voor eeuwig en altijd! Je zult spoedig weer gezond en sterk voor je man zijn. Dat zul je!' 'Iemand moet sterk voor hem zijn! Hij lijdt erg onder het ongeluk van de arme Gah-ti. Kosar-eh doet erg z'n best om net te doen of hetgeen hij voor me voelt een man-vrouwliefde is, maar ik weet dat het nooit zo is geweest. Ik was alles wat een eenarmige clown kon verwachten als vrouw. Hij heeft genoeg van me gehouden om me vele kinderen te schenken en mijn vriend te zijn geweest.' 'Siwi-ni, zo moet je niet praten! Jij...'

'Wie zal met zoveel liefde in de behoeften van mijn man kunnen voorzien als jij in de mijne, lieve? Masau is allang dood. Eens, in een andere wereld, zullen jullie geesten samen in de wind lopen. Maar nu ben je jong en levendig. Als je om deze oude vrouw geeft, beloof je haar dat je zult zorgen voor haar man als Zielenzuiger haar wegneemt.'

'Ga weer slapen, Siwi-ni!'

'Ik ga niet slapen voor je het belooft!'

Ta-maya kuste de vrouw op haar voorhoofd. Siwi-ni's bazigheid leek een zeker teken dat ze spoedig weer de oude zou zijn. 'Ga dan slapen. Ik beloof je voor je man te zorgen. Maar ik zeg je, vrouw van Kosar-eh, je bent halsstarrig genoeg om dwars in de keel van Zielenzuiger te blijven steken. Als hij je ooit komt halen, zal hij je uitspuwen en zul je voor eeuwig leven!'

'Je bent een goede vriendin voor me geweest, Ta-maya,' zei de oudere vrouw. Tevreden vlijde ze zich nu in haar beddenvachten, kuste de kruin van het hoofdje van haar nieuwe dochter, sloot haar ogen en zei niets meer.

Cha-kwena liep met lichte tred over het stille land. De heilige steen was warm in het medicijnbuideltje in zijn hand. Hij voelde zich even alert als nerveus. Nu en dan dacht hij dat hij de schaduwen van een met vacht beklede oude man en een prairiewolf voor zich uit zag lopen, maar kreeg er geen zekerheid over. Eindelijk was hij de verre heuvels door en liep hij te midden van maanbeschenen skeletten van ontelbare mammoets. Toen hij de oever van het meer bereikte waarin hij Levenschenker had gedood, hurkte Cha-kwena neer, teleurgesteld dat het lichaam van zijn totem daar nog lag.

Vlakbij graasde de kudde mammoets langs de oever, als hielden ze nog steeds de wacht over het lichaam. De grote gespikkelde koe zag hem, lichtte haar slurf op en bewoog zenuwachtig haar oren. Ze schudde haar kop en trompetterde een waarschuwing... of een welkomstgroet.

Leegte vervulde de geest van Cha-kwena. Onder het koude, meedogenloze gelaat van de volle maan was zijn hoop even dood als de totem. Langzaam stond hij op en nam uitgeput de heilige steen van zijn hals. Als in een droom slingerde hij de talisman hoog over het meer, in een laatste daad van opperste zinloosheid. 'Er bestaat geen magie!' schreeuwde hij. 'Er is hier niets voor mij! Of voor mijn volk! Niets!'

De talisman stond op het punt het water te raken en te zinken. Maar plotseling vloog vanuit het niets een uil in het licht van de toekijkende maan, die hem greep en ermee wegvloog. 'Volg me, Cha-kwena!' riep de vogel. 'Neem het volk mee! Volg me nu de opkomende zon tegemoet! Het is niet te laat!' 'Het wordt winter,' riep Cha-kwena terug. 'Mijn volk is ziek. Ik kan ze niet vragen deze plek te verlaten. En al kon ik het, waar zou ik ze heen moeten leiden?' Hij verwenste zich dat hij zo'n dwaas was. 'Jij bestaat niet echt, vogel! Niets wat ik ooit gezocht heb, is echt!' 'Levenschenker zal je de weg wijzen, sjamaan!' 'Ik ben geen sjamaan! Er bestaat geen magie. Er bestaan geen geesten. Levenschenker is dood! Ik heb hem gedood en hij zal niet weer opstaan!'

Plotseling was de nacht ondraaglijk koud. De wind kwam in harde vlagen vanuit het noorden opzetten en in een oogwenk verdween Uil de maan tegemoet. Cha-kwena keek de vogel boos na. 'Jij bent niet echt!' riep hij, nog neerslachtiger dan tevoren. 'Verdwijn! Vlieg naar een plek waar je me niet meer lastig zult vallen!' Hij draaide zich om en sleepte zich terug naar de grot.

Zielenzuiger was hem voor. Tijdens Cha-kwena’s afwezigheid was de dood gekomen om de levensgeest van Siwi-ni naar de wereld voorbij deze wereld te brengen. Vier dagen en nachten betreurde de stam het verlies van het prikkelbare vrouwtje. Cha-kwena vastte en bad, zoals van de sjamaan verwacht werd. Hoewel hij de verplichte rituele handelingen aanvankelijk zonder overtuiging uitvoerde, volbracht hij ze in zijn woede, bitterheid en teleurstelling gaandeweg steeds fanatieker. Zij die toekeken, verbaasden zich over zijn geëmotioneerdheid, waarop U-wa haar hoofd schudde en zei dat ze niet wist dat haar zoon zoveel op had gehad met Siwi-ni. Volgens de traditie van de voorouders van het volk van de Rode Wereld reinigden de vrouwen het lichaam en zalfden het met olie die met kostbare rode oker gekleurd was, zodat het bloed van de levende aarde met Siwi-ni zou zijn in de wereld voorbij deze wereld. Ze kamden haar grijzende haar en tooiden het met veren die haar geest hoog naar de wereld voorbij deze wereld zouden dragen. Ze sierden haar met haar favoriete halssnoer en neusring en met bijpassende polsarmbanden, enkelringen van zoetwaterschelpjes en benen kralen die lichtblauw geverfd waren. Ze trokken haar haar lievelingssandalen aan en haar rok van geknoopte vezels. Daarna sloegen ze haar mantel van konijnenvel om haar schouders, zodat ze het warm zou hebben en presentabel zou zijn als ze voor haar voorouders verscheen. Ten slotte wikkelden ze haar lichaam in een gevlochten lijkwade van riet en droegen het naar de brandstapel die de mannen en de jongens bij de ingang van de grot hadden gemaakt.

Het was geen eenvoudige taak geweest om het dode hout uit het woud omhoog te brengen, maar zelfs de kleine Klah-neh had zijn last zonder klagen gedragen. Iedereen wilde dat het lichaam van Siwi-ni een uitbundig vuur kreeg, zodat het wezen van haar levende gedaante snel op zou stijgen om zich met haar geest in de andere wereld te verenigen.

Uiteindelijk werd het lichaam in het eerste schijnsel van de vierde dageraad in zittende houding op de brandstapel gezet, leunend tegen de prachtige ruggensteun die Kosar-eh voor haar gemaakt had. Haar eigendommen werden naast haar neergelegd en geschenken aan voedsel werden in mandjes gebracht en om haar lichaam opgesteld, samen met snoeren met veren en kralen, een pak prachtig gedroogde konijnenvellen, rollen mooi vezeldraad en een ganzenpennenschacht, gevuld met dunne benen naainaalden, zodat ze prachtige, nieuwe kleren in de geestenwereld voor zichzelf kon maken. Bij elke offerande werd een afscheidsgroet uitgesproken, samen met een 'waak over me vanuit de geestenwereld, Siwi-ni, vrouw van Kosar-eh, want ik zal je niet vergeten tot Zielenzuiger me komt halen en ik me bij jou voeg in de wereld voorbij deze wereld'. Toen dat allemaal gedaan was, knielde Cha-kwena voor de brandstapel. Hij draaide zijn vuurboor snel tussen zijn handpalmen en wekte het vuur uit het droge aanmaakgras op. In enkele ogenblikken stond de brandstapel in vuur en vlam. De stam stond er in een halve cirkel omheen, met de gezichten naar de opkomende zon, terwijl hun sjamaan zijn armen ophief, zijn hoofd achteroverwierp en het traditionele lied zong dat een beroep deed op de vier winden om de geest van hun zuster Siwi-ni te komen halen om voor eeuwig bij de voorouders te wonen.

Toen het lied uit was en het volk zich had omgedraaid en bedrukt in de grot was gaan zitten, kwam Mah-ree naar Cha-kwena toe, raakte hem vriendelijk aan en vroeg hem waarom hij zijn medicijnbuidel niet omhad.

Hij keek woedend. 'De steen is waar die thuishoort!' 'Waar, Cha-kwena?' Haar uitdrukking zei hem dat hij met een betere verklaring zou moeten komen.

Hij fronste zijn voorhoofd. Hij zou haar nooit de waarheid kunnen vertellen, maar hij zou iets moeten zeggen om de vragende blik uit haar ogen te verjagen. 'In de Rode Wereld bewaarde Hoyeh-tay de heilige steen achter in zijn grot, niet? Moet ik niet hetzelfde doen, nu ik mijn volk in dit "prachtige" dal heb gebracht?' 'Maar hoe zullen de geesten van de voorouders jouw lied herkennen als jij de heilige steen niet ophoudt naar de zon en zijn kracht met de jouwe laat meetrillen?'

'Gaat Medicijnmeisje nu sjamaan vertellen op welke tijden hij de heilige steen moet dragen, terwijl zij geen medicijn kan maken om een zieke oude vrouw beter te maken?'

De adem stokte Mah-ree in de keel, ze liet haar hoofd hangen en wendde zich beschaamd af.

Later, toen de as van Siwi-ni's brandstapel was afgekoeld en het volk in slaap was, hurkte Kosar-eh voor de verbrande overblijfselen van zijn vrouw. De volgende dag, als de zon opkwam, zou het volk de as in de wind verstrooien en zou alle fysieke getuigenis van Siwi-ni's leven verdwenen zijn.

'Ze zal in haar zonen en dochter voortleven, Kosar-eh,' zei Ta-maya zachtjes, terwijl ze op haar knieën bij hem kwam zitten. 'Keer nu terug naar je vuurkring. Klah-neh kan niet slapen en zou gerustgesteld zijn als zijn vader bij hem was.'

'Jij hoeft: je niet te bekommeren om mijn jongens, Ta-maya. Ka-neh zal zijn broer geruststellen tot ik...'

'Ik ben nu de vrouw van je vuurkring, Kosar-eh. Ik bekommer me graag om je zonen of je dochter. Voor Siwi-ni's geest in de wind ging lopen, vereerde ze me met het verzoek haar plaats aan jouw vuur in te nemen. Om haar hart gerust te stellen beloofde ik haar plechtig dat dit zo gebeuren zou. Nu kom ik die belofte na. Ik zal voor jou en voor je kinderen zorgen alsof zij en jij de mijnen zijn.' Te verbluft om een woord te zeggen keek hij haar met grote ogen aan.

Omdat ze de manier waarop hij met open mond stond te zwijgen verkeerd opvatte, sloeg ze haar blik neer en vertrouwde hem fluisterend toe: 'Ik weet dat ik nooit voor jou kan betekenen wat Siwi-ni al deze jaren is geweest. Ik weet dat je een diepe liefde voor haar koestert. Ik weet dat je nu, terwijl je om haar treurt, verlangt om bij haar in de geestenwereld te zijn, net als ik vurig naar mijn eigen omgekomen geliefde verlang. Tot we beiden in de wind lopen en met onze geliefden verenigd zijn, Kosar-eh, moet echter iemand een vrouw voor je zijn en een moeder voor je kinderen. Ik zal je vuur bewaken en je eten koken. Ik zal je kleding naaien en je kinderen verzorgen. Ik zal voor je gaan liggen wanneer je je mannelijke behoefte wilt bevredigen. Als we kinderen krijgen, zal mijn hart zich over hun geboorte verheugen. Ik zal je in alles gehoorzamen, Broeder van Mijn Hart. Ik wil mijn gelofte aan een stervende vrouw niet verbreken. Ik ben Siwi-ni's laatste geschenk aan Kosar-eh. Beste Vriend, ik wil je vrouw zijn.' Broeder. Beste Vriend. De woorden kwetsten Kosar-ehs trots. Hij was sprakeloos, verpletterd van emotie. Was er ooit een tijd geweest dat hij Ta-maya niet gewild had, niet naar haar verlangd had, niet pijnlijk naar haar gehunkerd had, haar niet begeerd had, ja, zelfs zo sterk dat hij zijn eigen vrouw dood gewenst had? Nu, met de stank van de brandstapel van zijn vrouw in zijn neus, had Kosar-eh dus zijn zin. Siwi-ni was dood. Ta-maya was van hem. Ze wilde hem echter niet als Man. Hij was Broeder. Hij was Beste Vriend. Hij hoefde alleen zijn hand uit te strekken of ze zou hem, gebonden aan de belofte die ze gedaan had aan iemand die hij dood had gewenst, tot de hare maken!

Een diepe rilling doorvoer hem. Verward door schuldgevoel en onrust keerde hij zich af van de vrouw die hij altijd gewild had en nog altijd liefhad: 'Dien me dan door me te gehoorzamen,' zei hij. 'Laat me alleen. Ik kan je aanblik nu niet verdragen.'

5

Drie keer had Shateh zijn kamp nu verplaatst naar een zuidelijker plek aan de rivier. Nieuwe overvallen waren uitgebleven... tot vandaag.

Gewekt door het gerommel van verre donder en gealarmeerd door de kreten van zijn volk rende het opperhoofd zijn hut uit en liep er Teikan tegen het lijf. Deze vertelde hem dat er die nacht een vrouw door wolven was aangevallen en gedood.

'Wolven op twee benen,' voegde Indeh er even later somber aan toe, terwijl het volk zich in grimmig stilzwijgen om het verminkte lijk schaarde. 'Ik vond haar toen ik afging op het gegrom van etende dieren. Maar als je het mij vraagt, was deze vrouw van Nakantahkeh al dood voordat de wolven haar vonden. Natuurlijk heb ik ze verjaagd, maar veel is er niet van haar overgebleven. Die snee in haar keel is trouwens veel te netjes om het werk van wolven te kunnen zijn. Volgens mij is hij afkomstig van de dolk van een man.' Shateh wierp een blik op de verscheurde resten van de vrouw. Toen schudde hij zijn hoofd. 'De moeder van Wila liet 's nachts wel vaker haar slaapvachten in de steek. Dan dwaalde ze in haar eentje rond het kamp om te treuren en weeklagen over het gemis van haar kinderen. Je zei toch dat je haar bebloede vilmes bij haar vond? Misschien heeft ze in haar verdriet zichzelf de keel opengesneden. Dat is al eens eerder bij ons volk voorgekomen. In tijden van droefheid, oorlog en dood worden de vrouwelijke levensgeesten zwakker.' 'Ik zeg je dat dit het werk van mannen is, Shateh. Mannen met dolken,' zei Teikan met ingehouden woede. 'Nakantahkeh heeft nu meer reden dan ooit om de anderen ervan te overtuigen dat zij met ons tegen onze vijanden moeten optrekken! Als hij met Xiaheh en de andere leiders en krijgers terugkeert, zal hij weer reden voor rouw hebben.'

Shateh knielde om de wonden te inspecteren en knikte instemmend. Hij gaf Teikan opdracht met een kleine groep mannen naar sporen van de overvallers te gaan zoeken. 'Ik wil weten uit welke richting ze gekomen zijn. Zie dat je erachter komt en keer dan terug. Zodra Nakantahkeh met Xiaheh en de anderen uit het noorden terugkomt, zullen we voorgoed een eind aan deze overvallen maken!'

'Als Nakantahkeh terugkomt,' snauwde Atonashkeh, terwijl hij een koortsige blik op Ban-ya vestigde. 'Bezaten al onze vrouwen maar zulke sterke levensgeesten als die van Shatehs slavin. Dan konden zij hun die dit Nakantahkehs vrouw hebben aangedaan hun haat toezenden, met dezelfde dodelijke gevolgen als de haat van hagediseetster aanricht onder het volk van het Land van gras!' Van verschillende kanten schoten vijandige blikken richting Ban-ya. Ze ging snel dicht bij Shateh staan in de hoop dat hij haar zou verdedigen.

Hij stelde haar niet teleur. 'Deze slavin draagt een zoon van Shateh!' bracht hij hun fel in herinnering.

'Misschien... misschien niet,' teemde Atonashkeh met een zure grijns op zijn bleke gelaat. Hij sloeg zich op de borst. 'Hier is de zoon van Shateh! En daar, in de armen van de vrouw Senohnim, nog een. Waarom zou Shateh zich bekommeren om wat er groeit in de buik van een hagediseetster?'

Het gezicht van het opperhoofd verstrakte. 'Senohnims zoon is zwak en nietig! De levensgeest van Shateh kan niet herboren worden via zo'n kind. Ik heb die zoon mijn naam niet gegeven! In plaats daarvan zal hij Atonashkeh heten, als welverdiend geschenk aan iemand die zijn opperhoofd al te vaak heeft uitgedaagd en die als gevolg daarvan uit de gunst van de krachten der schepping is geraakt en nu nooit meer zonen kan maken!' Senohnim liet beschaamd haar hoofd hangen. Atonashkeh, die leunde op een hardhouten stok, wankelde alsof een stormwind hem omver probeerde te blazen. 'Dit is de zoveelste keer dat je me zonder enige grond te schande maakt, vader!' 'Zonder enige grond?' Shatehs hoofd ging woedend omhoog. 'Dus je bent nog wel mans genoeg om me te dreigen, Atonashkeh? Dat is mooi. Ik begon al te geloven dat je alleen nog maar genoeg moed had om kwaad te spreken van weerloze slavinnen. Ik heb genoeg van de giftige taal die je uitslaat tegen mij en de mijnen. Deze slavin Ban-ya heeft de bizons naar dit volk geroepen! Deze slavin is Shatehs slavin! Spreek geen kwaad van haar! Niemand van jullie! Laat nu de spoorzoekers op pad gaan! En laat de rest van mijn volk de voorgeschreven rouwrituelen voorbereiden, wederom!'

Shateh voelde zich verscheurd. Na de verplichte rituelen te hebben volbracht, zat hij de hele dag in zijn eentje te piekeren terwijl zijn volk over de dood van de vrouw van Nakantahkeh treurde. Ban-ya observeerde hem van een afstandje. Ze had geen bovennatuurlijke gaven nodig om te weten wat hem bezighield. Tot vandaag had het ernaar uitgezien dat alles eindelijk de goede kant op ging voor zijn stam. De overvallers hadden echter opnieuw toegeslagen, en Atonashkeh had, geheel volgens verwachting, haar de schuld gegeven van hun komst. Het volk van Shateh was onrustig, en de dood van een slavin zou heel wat kunnen doen om hun angsten te bezweren, zelfs als het opperhoofd niet langer geloofde dat zij de bron van hun ongeluk was. Terwijl ze naar hem toe ging, besefte Ban-ya maar al te goed dat haar leven nog altijd in gevaar was. Als hij niet in haar zwangerschap geloofde, zou het opperhoofd haar met zijn eigen handen doden of haar uit de stam zetten, waarna ze in de winterstormen zou sterven of een gemakkelijke prooi van vleeseters zou worden.

'De zoon van Shateh is hier,' zei ze, terwijl ze zijn hand pakte en die op haar buik legde. 'Ik voel hem. Hij groeit krachtig. Hij zal weldra zo brutaal in mijn buik opspringen dat Shateh hem tegen zijn handpalm voelt bewegen. Daar moet mijn opperhoofd aan denken in plaats van zijn geest met droefheid te bezwaren.' Shateh keek haar met vermoeide ogen aan. 'Ik ben moe van de dood, Ban-ya. Deze dagen van vroege sneeuw en droefheid maken dat ik naar de zon verlang.'

Haar hart ging sneller kloppen. 'Breng je volk dan naar het zuiden! Laat hen in de Rode Wereld overwinteren! De afgelopen twee winters heb je dat ook gedaan. Dakan-eh heeft je welkom geheten en zal je weer welkom heten, ondanks de harde woorden die tussen jullie zijn gevallen. Jouw volk zal bijkomen en van zijn wonden kunnen genezen in de zachte winter van het land van mijn voorouders. Het volk van de Rode Wereld zal jubelen van vreugde als ze de mooie stukken rundvlees en mantels zien die Shateh voor hen uit het noorden zou meebrengen.'

'En Ban-ya zou zich vol vreugde met haar Stoutmoedige Man en haar eerstgeborene herenigen.' Hij schudde zijn hoofd. 'Nee. Pas als je me dat schenkt wat ik van je wil. Pas als ik mijn zoon heb - een sterke zoon, een moedige zoon, een jongen in wie de geest en naam van deze man weer met ere en trots na zijn dood kunnen voortleven.' Wat verlangde hij naar een zoon! En wat kende hij haar goed, althans dat deel van haar dat naar Piku-neh en haar geboorteland verlangde. Maar hoe goed ken ik mezelf eigenlijk? vroeg Ban-ya zich af. Want terwijl ze het opperhoofd opnam, bespeurde ze in haar hart een vreemde, ongewone mildheid jegens hem. Zijn verweerde gelaatstrekken hadden zoveel weg van het land waar hij geboren was: open, eerlijk en edel, getekend door weer en wind, vaak ook hard en onverzoenlijk. Soms echter, zoals nu, ontroerde zijn gezicht haar evenzeer als de vriendelijker glooiingen van zijn land. Hij was zowel oud als knap. Wanneer hij als sjamaan en als leider de bittere winden van zijn verantwoordelijkheden tegemoet trad, was het echter alsof hij de wereld op zijn rug droeg en kon hij genadeloos zijn. Niet omdat hij wreed was, maar omdat hij wist dat alleen hij sterk genoeg was om de last te dragen.

Maar hoe lang nog? Het was een verontrustende vraag. Wat zou er met haar gebeuren als Atonashkeh erin slaagde het gezag van Shateh te ondermijnen? Het antwoord was duidelijk genoeg: Shateh was de enige beschutting tegen de vijandigheid van zijn volk. Een koude rilling liep over haar rug. De afgelopen dagen - sinds de jacht en de geboorte van Senohnims zoontje - was de vijandigheid van de stam jegens haar wat minder uitgesproken geweest. Ze had zich uitgesloofd om zich nuttig te maken en iedereen van dienst te zijn en naar de mond te praten, Atonashkeh incluis. Haar inspanningen hadden haar bij deze en gene een onwillig knikje of wat instemmend gebrom opgeleverd. Het gif in de blik van de zoon van het opperhoofd was er echter geen spatje minder op geworden, hoe respectvol ze zich ook gedroeg. Evenmin hadden haar vriendelijke woorden of zorgen iets van Senohnims afgunst verminderd. De haat van de vrouw jegens haar, en jegens het opperhoofd, was overduidelijk sinds Shateh in een grootmoedig gebaar dat sterk naar minachting riekte, het ziekelijke kind naar Atonashkeh had genoemd. En dat Shatehs genegenheid en bezorgdheid voor zijn slavin groeide, was eveneens overduidelijk.

Ban-ya beefde. Het opperhoofd was de vele dagen en nachten die achter haar lagen zo goed voor haar geweest dat het steeds moeilijker werd om hem te haten. Toch haatte ze hem, want ondanks zijn huidige welwillendheid had hij haar met geweld weggerukt van de man die ze liefhad en van de zoon die ze adoreerde. Hij had haar verkracht toen ze geweigerd had zich aan hem te geven. Haar geliefde Dakan-eh moest inmiddels wel ziek van verlangen zijn, en de arme Piku-neh had vast krampjes en was vast ziekelijk nu hij aan de borst van een vreemde werd gevoed. Als het haar niet lukte bij Shateh in de gunst te blijven, zou ze geen van beiden ooit terugzien. En als de zaken er voor deze stam niet snel beter uit zouden gaan zien, zou Atonashkeh er best eens in kunnen slagen om Shateh te laten geloven dat zij de oorzaak van zijn ongeluk was. Wat zou er dan met haar gebeuren?

Ban-ya voelde zich plotseling licht in het hoofd. Als ze nu eens verbannen werd en in handen viel van de overvallers van het volk van de wakende ster? Sheela bevond zich onder hen! Ineens zag ze weef voor zich wat ze met Nani en de vrouw van Nakantahkeh hadden gedaan. Haar knieën knikten bij de herinnering. Haar handen dwaalden omhoog langs de zachte vacht van haar mantel van prairiewolfvel. Zolang de overvallers een bedreiging bleven vormen, kon ze hem maar beter in haar reisbundel verborgen houden. Sheela zou de mantel herkennen en uitkijken naar de vrouw die hem droeg. Ban-ya wist maar al te goed wat haar lot zou zijn als ze ooit in handen van haar voormalige slavin zou vallen! Al met al betreurde ze het dat ze Sheela zo onvriendelijk had bejegend. Vervolgens wenste ze haar dood.

De angst gaf Ban-ya moed. Ze liet haar armen om Shatehs middel glijden, drukte zich tegen hem aan en legde haar hoofd tegen zijn borst. Als ze niet gauw zwanger werd van deze man, zou hij haar bedrog ontdekken. Dan zou ze door zijn hand of die van zijn vijanden sterven en dan zou ze nooit de dag zien waarop hij haar aan haar beminden teruggaf... als ze hem een zoon schonk. De zoon is belangrijk, meer dan de vrouw, meer dan de stam. Een sterke, moedige zoon moet je maken, want deze man is bovenal bang dat hij op het moment van zijn dood voorgoed zal sterven!

Ze begon een web van veiligheid voor zichzelf te spinnen en wie weet een fijne draad van woorden waarmee ze Shatehs vermoeide geest op een spoor zou kunnen zetten dat hun beider doel zou dienen. 'Ik ben blij dat je me nog steeds Slavin noemt in plaats van Vrouw,' fluisterde ze. 'Het is zo koud in het Land van gras de laatste tijd. Ik zou de nachten niet in mijn eentje onder mijn slaapvachten willen doorbrengen, met enkel een ongeboren jongen om mijn buik te warmen terwijl Shateh in de buurt is... Mijn Shateh, die nu niet op een zwangere vrouw mag liggen, maar welkom is diep tussen de dijen van een slavin.'

Hij pakte haar bij de schouders en hield haar op een armlengte afstand om haar gezicht te kunnen peilen. 'Dat is verboden tijdens de rouw. En ook daarna zou ik deze zoon die je me zult baren geen schade willen berokkenen.'

'Hij verwelkomt je in het warme holletje waarin hij groeit met evenveel geestdrift als deze slavin.'

Haar woorden deden hem huiveren. 'Je geeft me het gevoel dat ik weer jong ben, Ban-ya van de Rode Wereld.'

'Shateh is jong!' zei ze tegen hem, om zijn trots op te vijzelen en daarmee haar eigen hoop op overleven. 'Als je me in je armen houdt, vraag ik me wel eens af of Shateh soms in zijn dromen de bergen van zand en de rand van de wereld is overgetrokken om de grote witte mammoet te zoeken... om op hem te jagen, om zijn vlees te eten en zijn bloed te drinken, om de legende van onze vijanden te vervullen die vertelt dat de man die dat doet voor eeuwig jong zal zijn.' Hij lachte snaaks. 'Dan zou ik geen zonen nodig hebben of een slavin om die voor me te maken.' Terwijl hij haar in zijn armen nam, voegde hij er zachtjes aan toe: 'Ik heb vele malen van eeuwig leven en eeuwige jeugd gedroomd, Ban-ya. Met Ban-ya als mijn vrouw zou het een mooi ding zijn - nog beter dan een zoon die mijn naam aanneemt als mijn geest in de wind loopt - om voor eeuwig een moedige vrouw naast me te hebben.'

Ze kreeg het op slag koud. Ze was te ver gegaan in haar pogingen zijn gunst te winnen! Hij zou haar vast nooit opgeven! In paniek zei ze zonder nadenken: 'Shateh heeft beloofd om me als beloning voor de zoon die ik hem ga schenken aan mijn volk terug te geven!' Zijn wenkbrauwen gingen omhoog. 'Hebben we het niet fijn samen, Ban-ya?' vroeg hij kalm.

'Ja!' bevestigde ze, terwijl de paniek als een angstige vogel in haar borst opfladderde. Ze besefte dat ze deze man niet alleen een zoon moest schenken, maar dat ze daar onmiddellijk werk van moest maken. Anders zou het geboortetijdstip haar wel eens kunnen verraden en hem een excuus bieden om zijn erewoord te breken en haar voorgoed als zijn slavin in het Land van gras te houden. 'Heel fijn,' verzekerde ze hem, terwijl ze zich weer tegen hem aan drukte en haar borsten en heupen uitnodigend tegen hem aan wreef. 'Laten de dagen en nachten van rouw snel voorbijgaan, zodat deze slavin weer onder haar man kan gaan liggen en zich voor hem openen!'

'Ja, moge dat snel gebeuren,' zei hij.

De dagen en nachten gingen echter maar langzaam voorbij voor hen beiden. Het weer verslechterde, verbeterde even en verslechterde toen opnieuw. De sneeuw ging over in regen, en aan het eind van de ochtend van de tweede dag keerde het groepje spoorzoekers doorweekt, uitgeput en teleurgesteld terug. Ze hadden geen spoor van de overvallers gevonden. Het bleef wisselend bewolkt en het regende af en aan tot de dageraad van de zesde dag. Toen had de oostelijke horizon weer de veelbelovende kleur van een opklarende hemel.

In de klamme nevels van een koele ochtend kroop Shateh bij Ban-ya. Ze liet zich door hem bestijgen en nam hem diep in zich op. 'Het is fijn tussen ons,' fluisterde hij.

'Ja, heel fijn,' zei ze. Haar lichaam gloeide onder zijn aanraking. Maar inwendig stikte ze van haat jegens de jonge sjamaan Cha-kwena. Door zijn volk te verlaten had hij het verstrooid op de vier winden.

Op die zesde dag, onder de eerste volslagen heldere hemel sinds weken, ging Shateh met een aantal mannen op jacht. Ban-ya werd naar buiten geroepen om de andere vrouwen te helpen met het prepareren van pezen en fijnstampen van het vet van de vorige jacht. Ze genoot van de welkome warmte van de zon en aanmerkelijk minder van het werk. Door haar onervarenheid met de handelingen van de vrouwen uit het noorden was ze de laatste die haar taken afhad. De rook steeg al op uit de luchtkleppen van de hutten. Wehakna riep ongeduldig haar naam door het kamp: of ze maar even wilde helpen de bizonpens op te tillen waarin het avondmaal van het opperhoofd moest sudderen.

Ban-ya zuchtte. Er was geen reden waarom Wehakna en Senohnim de pens niet zelf konden optillen samen met de meisjes. Maar met een slavin in hun midden - zelfs al was het een favoriet van het opperhoofd - deden ze dat alleen wanneer Shateh in de buurt was. Ban-ya kwam overeind, raapte haar deel van het werk van die dag bij elkaar en liep zonder zich iets van Wehakna aan te trekken weg om zich te ontlasten. Zelfs een jaloerse eerste vrouw kon de slavin van haar man dit recht niet ontzeggen. Met uitzondering van de kleinste kinderen, zieken en ouderen, was het niemand toegestaan te plassen of te poepen op een plek waar anderen erin konden trappen.

En dus zonderde Ban-ya zich af op de beschutte hurkplek van de vrouwen. Toen ze er zeker van was dat er niemand in de buurt was, controleerde ze het zachte eindje hertenvel dat ze tussen haar dijen droeg. Ze was even beducht dat haar menstruatie zou beginnen als dat die zou uitblijven. Maanbloed zou haar tot leugenares bestempelen, maar zolang ze niet gebloed had, kon ze niet zwanger worden. Of wel? In elk geval was het hindenvelletje nu schoon. Teleurgesteld plaatste ze het voorzichtig terug en streek haar jurk weer glad. Ondanks haar veelvuldige gemeenschap met het opperhoofd waren er geen tekenen van zwangerschap. Haar borsten bleven gevoelig en er lekte minder melk uit. Ze was echter niet zeker wat ze hieruit kon opmaken. Het opperhoofd zocht zo vaak zijn genot bij haar en vond het zo verrukkelijk om haar te bevoelen - vaak ruw wanneer zijn hartstocht eenmaal was gewekt - dat haar borsten alleen daardoor al gevoelig waren. Wat de melk aangaat, zou het daarmee anders zijn als ze weer zwanger was? Had ze maar zekerheid! Was haar grootmoeder maar bij haar! Kahm-ree zou het weten. ' Hagedisvrouw!'

Ban-ya verstijfde. Het beledigende gebrul van Wehakna betekende dat Shateh nog niet terug was van de jacht. Ze tilde de huid op die haar werk van die dag bevatte en liep naar de hut van nieuwe, haastig gelooide bizonhuiden van het opperhoofd. Halverwege werd ze plotseling tot staan gebracht door boosaardige woorden van Atonashkeh.

'Op een dag keert mijn vader misschien niet terug. Dan zal ik leider zijn en zal Hagedisvrouw vlees voor wolven en leeuwen worden.' 'Jij zult nooit leider worden, Atonashkeh!' kaatste ze kalmpjes terug. Het was een lange dag geweest. Ze was moe. En ze was het opeens spuugzat om hem naar de mond te praten zonder dat het ook maar iets hielp. De zoon van het opperhoofd en zij bevonden zich tussen de hutten. Niemand zou hun woorden verstaan, tenzij ze hun stemmen verhieven, dus zei ze met openlijke minachting: 'Jouw tong is zo giftig dat je beter Slang had kunnen heten! Toen Shateh Dakan-eh en mijn volk verwelkomde, zag je de macht van mijn man. Je wist dat Shateh zou zien dat Dakan-eh een veel betere man was dan jij ooit kon hopen te zijn. Daarom begon je met je gespleten tong mijn man te belasteren! En nu mijn Stoutmoedige Man ver weg is, ben je bang voor mij - voor een vrouw — en voor het kind dat ik voor je vader zal baren. Nou, mijn kind zal voor hem de zoon zijn die jij niet was en...'

Ze onderbrak zichzelf. Ondanks haar vermoeidheid en haar behoefte haar gal over hem uit te storten zoals hij bij haar had gedaan, zag ze aan zijn uitdrukking dat dat een vergissing was geweest. 'Jij draagt geen kind,' zei hij beschuldigend. 'Mijn Atli heeft me verteld dat je niet alleen nadat mijn vader je benen spreidde de vrouwenhut van het maanbloed niet bezocht, maar ook daarvoor al niet. En kijk eens naar de vlekken op je kleed. Hoe kan een vrouw met tepels waar nog steeds melk uit komt, leven hebben opgenomen, terwijl je buik zich niet heeft voorbereid op het voeden van nieuw leven?' 'Toch is het zo!'

'Misschien dat Shateh dat gelooft, maar hij is oud! Hij ziet wat een oude man wil zien! Maar de tijd zal gauw genoeg leren dat jij een leugenares bent, Hagedisvrouw. Tot het zover is, kun je beter oppassen, want voor jou zal ik inderdaad Slang zijn. En ik zal je treffen, wees daar zeker van. Hoe dan ook: door mijn hand of op mijn aansporing, vlees worden zul je!'

Verbijsterd keek ze hem na terwijl hij zich omdraaide om naar zijn hut terug te keren. Over het golvende, doorweekte land klonken de fluitjes van de terugkerende jagers. Honden blaften. Vrouwen en kinderen renden hun hutten uit om hun terugkerende mannen, vaders en broers te begroeten. De mannen van de stam liepen op een draf vooruit om te helpen bij het binnenhalen van de met vlees beladen sleden, die de jagers triomfantelijk naar hun volk zeulden. 'Vanavond smullen we van lekker rood paardenvlees!' riep Shateh op een jubelende toon die Ban-ya zelden van hem had gehoord. 'Veel paardenvlees! En merrievlees en mals veulen! Vanavond prijzen we de krachten der schepping! De jacht is goed geweest!' Ban-ya kreeg ineens een idee dat haar deed beven. Ze staarde met toegeknepen ogen naar de stapel bouten, hoeven en organen, en fluisterde: 'Ik zal jou voeden met het vlees van mijn haat, Atonashkeh. Je zult er spoedig aan sterven, niet als een slang, maar als een gulzige wolf. Jij zult zelf je dood naar binnen schrokken en nooit weten door wiens hand hij is bereid!' Ze haastte zich weg om voorbereidingen te treffen.

Na alle dagen en nachten van sneeuw en regen was er weinig droog hout voor een vreugdevuur in het kamp van Shateh. Het merendeel van het vlees werd rauw gegeten, dat wil zeggen, nadat de vrouwen het geslacht hadden, in eetbare brokken hadden gesneden en op afzonderlijke schotels hadden verdeeld.

Onder een heldere nachtelijke hemel kwamen de jagers in een feestelijke kring bijeen om de jachtverhalen te vertellen, terwijl hun vrouwen hen bedienden. Goed bewapende mannen met volle magen hielden met hun honden de wacht. Als de overvallers van de wakende ster vanavond kwamen, zou het volk van het Land van gras er klaar voor zijn.

Niemand zag hoe Ban-ya heimelijk drie stukken vlees toevoegde aan de schotel die Atli klaargemaakt had en nu aan Atonashkeh voorzette. De mannen aten en vertelden over de jacht. De vrouwen en kinderen riepen 'o' en 'ah'. Zoals altijd schrokte Atonashkeh zijn vlees naar binnen, om vervolgens de benen schotel naar zijn mond te brengen, het overgebleven sap met veel kabaal op te slurpen en het bord uitgebreid schoon te likken. Tevreden over het maal liet hij een serie boeren, net als vele andere mannen, trouwens. Niet één man, vrouw of kind in het gezelschap was echter zo tevreden als Ban-ya. Niemand zou vermoeden dat ze zijn vlees van dodelijk aas voorzien had. Sommigen zouden dit zoveelste ongeluk wellicht op haar invloed schuiven, maar dan hoefde ze hen slechts te herinneren aan het beterende weer en aan het recente jachtsucces. En ze zou eraan toevoegen dat de overvallers die het op hen voorzien hadden, vijanden uit een grijs verleden waren. Vijanden uit een tijd van oorlog waar zij niets mee te maken had. Bovendien had iedereen gehoord hoe het opperhoofd Atonashkeh herhaaldelijk had gewaarschuwd dat hij zijn voedsel niet zo naar binnen moest schrokken. Toen iedereen bediend was, hurkte ze een beetje apart van de vrouwen en at haar portie op met een geestdrift die ze niet meer had gekend sinds ze van haar volk was gescheiden.

Later, in de hut van het opperhoofd, schonk ze hem haar lichaam met extra toewijding. En toen ze uitgevreeën waren, masseerde ze hem in slaap. Ze besefte dat hij uitgerust moest zijn voor de beproeving die hem wachtte als zijn zoon op haar geheime doodsgeschenk begon te reageren: drie kleine zorgvuldig vervaardigde rolletjes in gal gedrenkte botsplinters, die ze verwerkt had in de kraakbeenachtige delen van het vlees dat ze op zijn schotel had gelegd. Het ingenieuze aas, dat gewoonlijk werd gebruikt om wolven of andere grote vleeseters die het kamp te dicht naderden te doden, was zowel in de Rode Wereld als in het Land van gras een bekend wapen. Zacht gemaakte botsplinters waren in natte toestand makkelijk stevig op te rollen. Daarna werden ze met stukjes pees omwikkeld om ze bijeen te houden tot ze opdroogden. Eenmaal droog behielden de splinters hun vorm wanneer de pezen verwijderd werden. Ze werden bewaard in vochtvrije zakken, klaar om te verwerken in vlees dat als aas gebruikt werd. Na een paar uur in de buik van een beest maakten de maagsappen de botsplinters zacht, waarna ze als veren opensprongen en de darmen van elk dier doorstaken dat zo ongelukkig was ze te hebben opgegeten.

Die nacht droomde Ban-ya over een man met geperforeerde ingewanden die huilend als een wolf een dagenlange doodsstrijd doormaakte. Ze droomde over Atonashkeh en dat ze weldra een vijand minder in het Land van gras zou hebben.

Voor de dag aanbrak werd ze wakker. Shateh zuchtte in zijn slaap en trok haar dicht tegen zich aan, sloeg zijn sterke armen om haar heen en legde beschermend een hand op haar buik, en op de zoon die hij daar dacht.

Dwaas, dacht ze. Jij denkt dat je mij beschermt, terwijl ik het ben die jou beschermt! Tegen een gecastreerde slang die tegen je opstaat en ons beiden in gevaar brengt door je gezag aan te tasten waar je bij staat! Ze sloot haar ogen en slaakte een zucht. Ze vroeg zich af hoe diep

Shatehs verdriet over het verlies van zijn minderwaardige zoon zou zijn, maar besefte toen dat het haar niet uitmaakte. Wat gebeurd was, was gebeurd, en ze was er blij om. Ze voelde zich warm en op haar gemak in de omhelzing van het opperhoofd. Ban-ya wachtte glimlachend tot het gillen van zijn zoon zou beginnen. Ze hoopte dat het maar gauw zou zijn. Ze hoopte dat Atonashkeh een langzame dood zou sterven. En ze wenste dat Dakan-eh hier was. Hij zou vast veel waardering hebben voor de manier waarop zijn vrouw een van zijn vijanden de dood in had gejaagd.

Drie dagen lang scheen de zon. Hij scheen nog steeds helder op de dag dat Atonashkeh stierf. Toen Shateh naar de gouden schijf omhoogstaarde, zag hij niet het welwillende oog van Vader Boven, maar het spottende oog van een boosaardige, mensenetende geest, die door de blauwe mantel van de dag naar hem gluurde. De krachten der schepping tartten hem. Hij had gesmeekt om licht en warmte en eindelijk waren die gekomen. Maar nog reed Zielenzuiger op de wind en nog een zoon van Shateh was dood. Alweer moest er gerouwd worden. Niet in staat zijn verdriet te dragen ging het opperhoofd zijn hut in om alleen te zijn. Hij liet Atli en Wehak-na weeklagend en krijsend achter boven het lichaam van Atonashkeh, terwijl zijn dochters ernaast stonden en zijn volk hem nastaarde.

In het duistere inwendige van de hut staarde hij met een lege blik voor zich uit. Ik moet hierover nadenken, zei hij tegen zichzelf. Maar denken kon hij niet en wilde hij eigenlijk ook niet. Toch wist hij dat hij denken moest, want hij had nooit een man zien sterven zoals zijn zoon zojuist gestorven was. Aanvankelijk had Atonashkeh rillend en met bezweet voorhoofd door het kamp op en neer gelopen, zoals mensen soms doen als ze de buikpijn van een slecht verteerd maal eruit moeten lopen. Een poosje had hij nog wel kunnen verdragen dat zijn makkers grapjes maakten over zijn wolfachtige eetgewoonten. Maar al spoedig liep hij grauw van ellende rond, hijgend, happend naar adem en het uitschreeuwend van de pijn. In een poging de geesten van Atonashkeh’s pijn te bezweren had het opperhoofd in zijn hoedanigheid van sjamaan de vrouwen opdracht gegeven medicijndrankjes en kompressen te maken. Hij had een beroep gedaan op alle geneeskunst die hem ooit geleerd was.

Hij was zelfs zover gegaan de gevaarlijkste en meest onbaatzuchtige magie van al te beproeven: het opzuigen van de boze pijngeesten uit Atonashkeh’s navel met behulp van een speciale buis, gemaakt uit het holle vleugelbot van een adelaar. Het was een heldhaftige onderneming geweest die zijn eigen dood had kunnen betekenen als het gelukt was... maar het was niet gelukt. Niets was gelukt. Ten slotte hadden Atonashkeh’s kreten plaats gemaakt voor stuiptrekkingen. Kwijlend, bloedend uit mond en anus had hij erom gesmeekt uit zijn lijden verlost te worden. Een huivering voer door het opperhoofd heen. Wat had hij anders kunnen doen? Behalve bij wolven die van verborgen aas gegeten hadden, had hij een dergelijke dood alleen bij de honden van de stam gezien, wanneer de dieren per ongeluk stukjes bot inslikten. Als de darm van een dier eenmaal doorboord was, viel er niets meer te doen, behalve het dier de keel doorsnijden. Maar Atonashkeh was een mens! Hij was geen hond of wolf, ook al at hij dan vaak als een wolf! Na drie dagen was Shateh evenwel gedwongen om voor zijn zoon te doen wat hij ook voor een hond of voor een wolf gedaan zou hebben. Had hij voor een zoon minder kunnen doen? Zijn voorhoofd rimpelde zich. Atonashkeh had hem teleurgesteld, maar hij had hem niet dood gewenst. Wat moet ik doen om de angsten van mijn volk te sussen, nu Zielenzuiger weer op bezoek is geweest? Hij zuchtte van ellende. Er viel niets anders te doen dan de doden betreuren en de hagediseetster de stam uitzetten. Het besef van het laatste bleek zo schokkend dat hij ineenkromp. 'Nee! Dat kan ik niet! Dat wil ik niet! Ze bevalt me! Met haar ben ik weer jong, weer sterk! En ze draagt mijn kind... misschien de zoon naar wie ik verlang!' 'Ik ben bang.'

Opgeschrikt door Ban-ya's stem tuurde Shateh door het duister en zag haar helemaal achter in de hut op haar knieën zitten. Hij was vergeten dat ze zich daar had teruggetrokken toen duidelijk werd dat de toestand van Atonashkeh kritiek was. Hij had haar ten behoeve van zijn zoon de krachten der schepping horen aanroepen met een hoog, klaaglijk gehuil dat zelfs een steen nog medelijden zou hebben ontlokt. Iedereen had haar gehoord, behalve de krachten der schepping.

'Je volk zal mij de schuld geven,' zei Ban-ya nu tegen hem.

'Er is geen reden waarom ze jou de schuld zouden geven,' zei Shateh vriendelijk.

'Ze hebben geen reden nodig. Ze zullen zeggen dat Zielenzuiger op uitnodiging van Hagedisvrouw is gekomen. Ik ben bang, Shateh, niet om mezelf, maar om onze zoon.'

Zijn ogen versmalden zich. Zijn droefheid was zo koud en zwaar als gletsjerijs dat zich over een grote berg beweegt. Hij zag zijn vele dode zonen erin opgesloten en toen met stokkende adem zichzelf erin begraven samen met hen.

Ban-ya stond op. Op blote voeten kwam ze over de met huiden bedekte vloer naar hem toe. Ze liet haar armen over zijn onderrug glijden en drukte zich dicht tegen hem aan. Zachtjes zei ze: 'Je had Atonashkeh niet kunnen redden. Shateh is een machtig leider en een groot sjamaan, maar Shateh staat niet langer in de kracht en de hoede van de heilige stenen en de witte mammoet. Als het opperhoofd zich van de spookachtige overvallers van het volk van de wakende ster en van de rondspokende Zielenzuiger wil bevrijden, dient hij zich eerst van de vloek van Cha-kwena te bevrijden. Cha-kwena bezit een steen en de bescherming van de totem.' Hij hield haar van zich af. 'Mijn geest bloedt, Ban-ya. Dit is niet het moment om me te bewerken met je woorden van...' 'Zal je geest voor mij en onze zoon bloeden wanneer je stam zich tegen ons uitspreekt en we verstoten een wisse dood tegemoet gaan?' Haar stonden groot, bedroefd, argeloos. 'De geesten lachten je volk toe toen je ervoor koos om me bij je te houden, maar niemand wil dit inzien. Ik heb er niet om gevraagd hier te zijn. Ik heb zelfs geprobeerd weg te lopen. Omdat ik niet naar mijn eigen stam kon terugkeren, ben ik gehoorzaam geweest en heb getracht goede dingen te sturen naar de mensen met wie ik nu mijn leven deel: sneeuw om hen die op ons jagen te laten verdwalen, zonnewarmte wanneer we moe en koud waren, lekker rood bizon- en paardenvlees wanneer we hongerig waren, en de geboorte van een zoon voor Senohnim en Shateh! Maar nu verdienen ik en mijn zoon in de ogen van je volk de dood. Ze zullen beweren dat Hagedisvrouw de boze geesten in Atonashkeh’s buik riep omdat hij in zijn hart geen mildheid voelde voor een slavin die niet een van hen was. Het zal er niet toe doen dat het Atli was die Atonashkeh bij het feestmaal bediende. Niemand zal het kunnen schelen dat het Atli was die heimelijk met kille blik naar

Atonashkeh keek sinds hij haar pasgeboren zoon wurgde onder een maan van rouw. Atli is geen hagediseetster. Niemand zal mij geloven als ik hun vertel dat ik dit tijdens de avond van het eten van paard aantrof bij Atli's vleesgereedschap.' Ban-ya hief haar rechterhand op, spreidde haar vingers uit en toonde haar handpalm. 'In de Rode Wereld worden deze rolletjes van been door onze jagers gebruikt om als aas voor wolven te dienen en die daarmee te doden. Heeft Atli ze in het Land van gras misschien voor een ander doel gebruikt?' Shateh greep haar pols en hield haar hand open. Een ogenblik lang staarde hij naar het wolvenaas en nam het toen in zijn eigen hand. 'Vond je dit bij de plek waar Atli het feestmaal bereidde?' Ban-ya sloeg haar blik neer en gaf geen antwoord. Het opperhoofd blies van amper bedwongen woede en pakte haar kin om haar aan te kijken. 'Bij de vier winden, Ban-ya, mijn volk zal geen aanleiding hebben om hierna kwaad van jou te spreken!' Ze keek hem onderdanig aan. 'Ik zou niet graag willen dat bekend werd dat ik ten nadele van iemand van jouw volk gesproken heb.' 'Ik zal jouw naam hierbij niet noemen! Ik zal spreken! Laat Atli ontkennen wat Shateh ontdekt heeft!'

Atli kon het niet ontkennen. Evenmin kon ze het verklaren. Net zomin als zij zich tegen Wehakna kon verdedigen toen de diepbedroefde vrouw krijsend op haar afvloog en als een raaf aan haar begon te rukken. Verbluft, in de war en ontsteld als ze was door Shatehs beschuldigingen slaagde Atli er niet in de stam ervan te overtuigen dat ze Atonashkehs vlees niet van dodelijk aas had voorzien. Als weduwe, zonder man om haar te verdedigen, had ze alleen het opperhoofd tot wie ze zich kon wenden. Toen hij haar de rug toekeerde, was haar lot bezegeld. Iedere man in de stam, de een na de ander, deed hetzelfde, waarna Atli volledig overweldigd in snikken uitbarstte en zich aan de voeten van Lahontay, Oudste Jager, wierp. 'Oude Vader, spreek woorden van wijsheid en heb medelijden, want ik heb niets verkeerds gedaan. Vertel Shateh dat wat hij ontdekt heeft onmogelijk is! Ik heb nooit... zou nooit...' Het voorhoofd van Lahontay rimpelde tot het als een vierkant stuk diep gegroefd pijnboomschors op zijn schedel lag. 'Lahontay spreekt Shateh nog niet tegen omwille van een man. Des te minder voor een vrouw.'

Atli kromp ineen.

'De kinderen van Atli zullen in de hut van Shateh wonen,' kondigde het opperhoofd aan. 'Zij zullen hun vaders naam met trots uitspreken. De naam Atli zal niet meer uitgesproken worden.'

'Hoor je? Weer klinken er klaagliederen!' Sheela stond aan de grond genageld, terwijl ze naar het weeklagen in de wind luisterde. 'Ik heb niet het bevel gegeven om aan te vallen,' zei ze woedend. 'Wie van ons is met Zielenzuiger als bondgenoot naar onze vijanden gegaan?' Ook Jhadel was furieus. Hij gaf Tsana de volle laag. 'Het is veel te kort na de laatste overval. Na alle dagen van regen en zon heb je je sporen in de modder nooit uit kunnen wissen! Wil je onze vijanden dood zien of ons? Kon je niet wachten? Kijk eens omhoog! Hoge, ijle wolken, die zeggen dat het spoedig opnieuw gaat sneeuwen!' De tirade van de oude man werd in stilte aangehoord. Het volk van de wakende ster wisselde vluchtige blikken. Wila was zo bang geworden door de uitdrukking op het gezicht van de sjamaan dat ze zich in de schaduw terugtrok.

Tsana antwoordde kortaf: 'Wij mogen dan misschien niet de wijsheid der sjamanen bezitten, Jhadel. Maar wij, krijgers van de wakende ster, zijn geen dwazen. We zijn uitgetrokken om de vele verstrooide stammen van ons volk te verzamelen en hen hierheen te halen. We hebben geen nieuwe overvallen op Shatehs reizende kamp gepleegd. Als daar iemand dood is, is Zielenzuiger daarvoor verantwoordelijk... al zou ik de dood graag mijn speren als hulp hebben aangeboden.'

Jhadel was het sarcasme in Tsana's kille antwoord niet ontgaan. 'Wacht gewoon tot het sneeuwt, Tsana. Ga dan alleen, wat mij betreft. Lever jezelf uit aan het komende weer of aan je vijanden; voor mij zul je geen verlies betekenen!' Hij snoof, wendde zich af en verdween zonder iets te zeggen achter zijn gevlochten, met veren bedekte schermen.

Opgelucht zag Wila de oude man weglopen. De magere sjamaan met zijn scherpe blik en donkere hoofd was altijd vriendelijk voor haar, maar zijn uiterlijk was verontrustend. Ze had zich nooit op haar gemak gevoeld in de buurt van Jhadel of andere oude mensen. Ze was blij dat zich niet meer dan een handvol grijsaards bevonden onder de groeiende menigte mannen, vrouwen en kinderen die, ondanks het wisselvallige weer, van overal uit het Land van gras en de bergen in de omgeving naar het bolwerk bleven komen. In haar eigen kleine hoekje van de grote grot keek Wila om zich heen. Ze wist wie deze mensen waren: het waren de vijanden. Toch behandelde niet één van hen haar vijandig. Ze waren allen hartelijk, soms zelfs vriendschappelijk. Ze wist dat ze hen behoorde te haten. Wanneer ze niet op jacht waren of zochten naar de overlevende stammen van hun volk, maakten ze geen geheim van hun activiteiten. Ze gaven toe dat ze haar volk tergden, nerveus maakten en vernederden als straf voor wreedheden die tijdens de grote oorlog begaan waren. Ze was te jong om zich deze voorvallen te herinneren of ze te begrijpen. Wila schaamde zich voor de pijn en het lijden die haar volk had veroorzaakt. De sjamaan had haar verteld dat ze gestolen was om haar volk op dezelfde manier te laten treuren als zijn eigen volk getreurd had over de vele dochters die haar stam van de zijne had weggeroofd. Wila besefte echter dat ze veel beter werd behandeld, tot op het eerbiedige af, dan de slavinnen bij Shatehs en Dakan-eh’s volk.

Wila was niet verkracht. Ze was niet geslagen. Haar haren waren niet afgeknipt om haar geest te verzwakken. Zeker, toen ze de krijgers gesmeekt had het kamp van haar volk met rust te laten, hadden ze haar uitgelachen. Sheela had haar echter apart genomen en haar tot Wila’s verbazing bemoedigend over de schouders gewreven en een aai over haar hoofd gegeven alsof ze haar lievelingszuster was. Sheela had Wila vriendelijk gevraagd om de mensen in haar stam te beschrijven die ze het meest liefhad. Dan konden de krijgers van de wakende ster hen tijdens toekomstige overvallen beter herkennen en een voorkeursbehandeling geven. Wila had tranen van dankbaarheid vergoten. Ze had eerst haar moeder genoemd, vervolgens haar vader en verder bijna iedereen. Behalve de oude Lahontay - die Wila net even te vaak berispt had om haar scherpe tongetje - en Wehakna en sommige andere oude vrouwen, die haar altijd zeiden wat ze doen moest. Als het volk van de wakende ster hen wilde doden, kon dat Wila niet schelen. Bovendien kon ze er weinig aan veranderen. Wila was blij dat ze Sheela nooit verteld had dat zij door de vrouw in de mantel van prairiewolfvel te doorsteken niet Ban-ya gedood had. Dat zou Dochter van de Zon maar verdrietig maken. Evenmin had Wila gezegd dat als Sheela Dakan-eh wilde doden, haar krijgers en zij het verkeerde kamp hadden overvallen, want Stoutmoedige Man en zijn kleine stam waren uit het Land van gras verbannen. En Lehana was bij hen! Het hart van het meisje ging van blijdschap sneller kloppen, want Lehana was met haar nieuwe volk beslist ver genoeg weg naar het zuiden. Haar zou geen kwaad kunnen overkomen. Wie weet, had Lehana haar baby al gekregen. Wila keek op. Sheela had haar naam geroepen. De vrouw kwam met een hoorn bouillon op haar toe. Wila kon de sterke geur van salie en merg ruiken. Toen Sheela voor haar neerknielde en de hoorn aanbood, nam het meisje hem gretig aan. 'Je mag blij zijn dat we je wegnamen van hen die de toorn van de krachten der schepping hebben ontketend. Shateh waagde veel door samen te gaan met moordzuchtige, bedrieglijke hagediseters uit de Rode Wereld. Hier, bij mijn volk, zul je zolang als je leeft in bescherming worden genomen en door de geesten van de voorouders begunstigd worden. Wat zie je er goed uit, Wila. Je huid wordt glad.'

Wila dronk de laatste druppels bouillon op, veegde met de rug van haar hand haar lippen af en gaf de hoorn aan Sheela terug. 'Waarom ben je zo vriendelijk tegen mij, Sheela? Ik was niet aardig tegen je toen jij slavin bij mijn volk was.'

'Je moet niet omzien, Wila,' antwoordde Sheela. 'Het wordt nooit meer zoals vroeger.'

'Mijn vader komt me vast een keer halen. Mijn moeder zal niet toelaten dat hij me vergeet. Hij zal krijgers meebrengen en me naar mijn volk terugbrengen.'

Een vreemde, holle blik verscheen in Sheela's ogen terwijl ze haar blik door de grot liet gaan. Vervolgens wees ze op de vele krijgers en vrouwen, die aan wapens zaten te werken en huiden prepareerden. 'Zou je willen dat je vader je nu kwam halen, meisje? Wij zijn met velen en spoedig zullen de verstrooide stammen één zijn. Zo.' Ze maakte een vuist. 'Weldra zal ik Dakan-eh en Shateh doden. Dan zullen we deze grot verlaten en de totem zoeken. Zijn wij nu niet jouw volk, Wila? Kun je niet met ons tevreden zijn?' Wila zuchtte schuldbewust terwijl Sheela opstond om weg te lopen. Het meisje realiseerde zich dat ze inderdaad tevreden was. Naarmate de dagen en nachten voorbijgingen, miste ze haar familie steeds minder. Ze zou zich helemaal op haar gemak voelen als Warakan, die sombere, zwijgende jongen die zo dikwijls 's nachts gillend wakker werd, zou ophouden haar de hele tijd aan te staren. Ze draaide haar hoofd. Daar zat hij, ineengedoken op een richel halverwege de zijwand van de grot, zijn ogen strak op haar gevestigd. Ze stak haar tong tegen hem uit. 'Heb je nooit eerder een meisje gezien?' Binnen gehoorsafstand stond de stoer uitziende man die Ston heette Wila bedachtzaam op te nemen. 'Ik denk dat je hem aan zijn zuster herinnert.'

Wila fronste haar voorhoofd. 'Nou en? Laat hem dan naar haar kijken en niet naar mij!' 'Ze is dood,' antwoordde Ston.

Wila's frons werd nog dieper. Ze voelde een steek van medelijden met de jongen. 'In de oorlog? Was het een verschrikkelijke dood?' Het gezicht van Ston bleef uitdrukkingsloos: 'Nee, het was niet in de oorlog. En ja, haar dood was verschrikkelijk.'

Het volk begon aan zijn vijf dagen van rouw om Atonashkeh. Op de eerste dag draaide de wind. Op de tweede dag verborgen sneeuwwolken de zon. Laat op de derde dag keerde een geschokte Nakantahkeh terug: alleen. Xiaheh en de andere leiders hadden geweigerd hem naar het zuiden te vergezellen. Op de terugweg naar de rivier was Nakantahkeh overvallen. Hij was amper aan de dood ontsnapt. Shateh hoorde dit teleurstellende verslag stoïcijns aan, bracht toen zijn eigen droeve nieuws aan Nakantahkeh over. Verbijsterd en geschokt zakte de man ineen. Op de vierde dag sloot hij zich aan bij de andere rouwenden. Nakantahkeh had nu niet alleen twee verdwenen dochters te betreuren, maar ook een gedode vrouw en een vermoorde jachtbroeder.

Op de vijfde dag gilde de vrouw Atli nog steeds, al was het zwakjes en bij tussenpozen. Na bijna vijf dagen van smeken om een genadige dood was ze gek van de pijn.

'Let niet op het gehuil van de wolvin die van het aas at, kleintjes,' zei Wehakna in de hut van het opperhoofd, toen de rouwtijd voorbij was. Ze trok haar kleinkinderen dicht tegen zich aan. 'Zoals Atli jullie vader de dood in heeft gejaagd, zo zal ze ook zelf sterven.' De dochters van Atli begroeven hun hoofden in de boezem van hun grootmoeder. Op haar beddenvachten zoogde Senohnim haar miezerige jongen. De aanhoudende jammerklachten van het opperhoofd werden door koude, bulderende winden en sneeuwvlagen meegedragen. Diep in het duister van Shatehs hut zat Ban-ya in haar eentje terug te denken aan de dag dat Atli naar haar toe was gekomen en haar dood had gewenst en gedreigd had haar aan de overvallers te verraden als ze ooit weer kwamen.

Nu zul je niemand verraden, dacht Ban-ya voldaan. Ze moest een glimlach bedwingen toen ze dacht aan de waarschuwing van de Ouden, die de stamoudsten van haar volk vaak tegen de zonen en dochters van de verre Rode Wereld hadden herhaald: spreek van niemand kwaad, opdat de hulpgeesten van degene over wie je kwaad gesproken hebt je woorden niet horen en ze in plaats daarvan tegen jou keren. Hoog boven haar, waar de pas gehakte hutpalen elkaar kruisten en door de rookklep omhoogstaken, speelde de wind doelloos met de met veren versierde losse uiteinden van de riemverbindingen. 'De geesten zijn rusteloos,' merkte Senohnim angstig op, terwijl ze haar baby dicht tegen zich aan hield.

'Wees gerust, zuster van mijn vuurkring.' Wehakna's stem klonk zwaar en vlak van verdriet. Met een brok in haar stem verzekerde ze: 'Het is enkel de geest van mijn Atonashkeh die uit de wereld voorbij deze wereld komt om toe te zien op het welzijn van het nieuwe leven dat zijn naam heeft aangenomen.'

'En om pijn en lijden te brengen naar degene die hem gedood heeft!' voegde de kleine Oni met haar spichtige gezichtje eraan toe. Ban-ya sperde haar ogen opeens wijd open van angst en keek omhoog. Ze vroeg zich af of de schim van Atonashkeh het op haar voorzien had. En dan Atli. Ze was nog niet dood, maar dat zou niet lang meer duren! Volgens de woorden van de Ouden keerde Atli de geesten tegen zichzelf, toen ze kwaad over me sprak! sprak Ban-ya zichzelf moed in. En voor Atonashkeh geldt hetzelfde. Ik wilde hem niet doden, niet echt. Zijn bedreigingen dwongen me om aan de wil van de geesten te gehoorzamen. Wat had ik anders kunnen doen om mezelf te redden?

Ze haalde pas na wat een eeuwigheid leek opnieuw adem, pas toen ze zichzelf verzekerd had dat ze niet bang hoefde te zijn. Atonashkeh’s geest mocht dan misschien tot leven komen in Senohnims zoon, maar voorlopig was dat kind een zuigeling die tot spreken noch dreigen in staat was. Wat Atli betreft, die stierf een langzame dood en Ban-ya was ervan overtuigd dat het vele manen zou duren voor een vrouw van deze stam een kind naar haar zou noemen. Tegen de tijd dat Atli herboren kon zijn, zou Shateh zijn belofte om met Ban-ya naar de Rode Wereld te reizen hebben ingelost. De wind roerde zich nog altijd rond de nokpalen. Ver weg klonk in het wegstervende daglicht het gehuil van een prairiewolf over het land. Ban-ya rilde even. De geest van Atonashkeh was misschien niet de enige die op de wind werd meegevoerd. Ze kreeg de koude rillingen bij de gedachte aan de vele keren dat ze kwaad had gesproken over Cha-kwena. Was hij nu daarbuiten, zoals Dakan-eh zo vaak beweerd had, een onzichtbare kracht die op de rug van de vier winden reed... een wraakgierige geest die het voorzien had op hen die geweigerd hadden hem voorbij de rand van de wereld te volgen? Bracht hij kwade zaken en bespioneerde hij iemand die hem eens sjamaan had genoemd? Belette hij haar zwanger te worden van een kind van Shateh en hinderde hij haar om ooit naar haar man en dierbare kleine Piku-neh terug te keren?

Buiten adem ging Ban-ya op haar knieën zitten, greep onder de slaapvachten van het opperhoofd en trok haar mantel van prairiewolfvel onder de andere huiden en vellen vandaan. Ze klopte hem uit en sloeg hem om zich heen. Terwijl ze deed of ze de afkeurende blikken van Wehakna, Senohnim en de meisjes niet zag, wist ze dat ze hem voor het ogenblik veilig kon dragen. De overvallers zouden Shatehs kamp niet binnenkomen terwijl zovele mannen en honden de wacht hielden. Alleen geesten konden bij zulk mooi, helder weer ongezien over het land reizen. In deze mantel van de velletjes en staarten van de helpende diergeesten van Cha-kwena kon de macht van de sjamaan en van Gele Wolf haar geen kwaad doen. Op dat moment kwam Shateh de hut binnen. Zijn ogen zochten Ban-ya in het schaduwrijke interieur van de hut. 'Heb je de stem van Kleine Gele Wolf gehoord?' 'Die heb ik gehoord.' 'Hij roept bij daglicht!' riep Shateh uit.

Wehakna keek boos naar de opgetogen uitdrukking op het uitgeputte gezicht van haar man. 'Het is laat,' herinnerde ze hem. 'De zon zal weldra ondergaan en het duister zal invallen. Het is normaal dat er prairiewolven en andere lijkeneters afkomen op de treurliederen van mannen en het gegil van vrouwen. Het is dagenlang slecht weer geweest. De beesten zullen honger hebben.'

Het kille gevoel in Ban-ya bevroor, maar niet tot ijzige angst. Het was het ijs van intense hoop. Ze verstijfde ter plekke. Met bonzend hart en licht in het hoofd negeerde ze de logica van Wehakna en vond de moed om het opperhoofd opnieuw met woorden aan het lijntje te houden. 'Kleine Gele Wolf is gekomen om de spot met Shateh te drijven vanwege de dood van zijn zoon, vanwege de dood van alle zonen van Shateh. Kijk... zie de mantel die deze vrouw draagt. Hij is gemaakt van vellen die Dakan-eh in verre gebieden buitgemaakt heeft. Met elk gestroopt vel van de helpende diergeest van de sjamaan Cha-kwena verminderde diens macht. Dakan-eh zat Cha-kwena na tot over de bergen van zand en de rand van de wereld. Maar hoe had Stoutmoedige Man nu kunnen slagen! Hij was toen geen man van het Land van gras, en de mannen die hem vergezelden waren hagediseters. Als Shateh bij hem was geweest, zou de zoektocht van Stoutmoedige Man naar onze vijanden niet mislukt zijn. Als Shateh en de krijgers van het Land van gras aan Dakan-eh’s kant hadden gestaan, zou Cha-kwena nu dood zijn. Dan zou de heilige steen nu om Shatehs hals hangen. De totem zou weer bij het volk lopen. En de vele leiders en sjamanen van het Land van gras zouden Shateh niet in de steek hebben gelaten!' Haar woorden vonden een aandachtig gehoor. Shateh keek Ban-ya met een diepe, peilende blik aan. Toen sprak hij, na een lange stilte, kalm maar plechtig: 'We gaan de zon in de Rode Wereld zoeken. We zullen opnieuw bij de hagediseters overwinteren. Op de dag dat ik Dakan-eh terugstuurde naar het land van zijn voorouders, zei ik dat we zouden afwachten achter wie van ons beiden Zielenzuiger aan zou gaan, en dat we daaraan zouden herkennen wie van ons in de gunst van de vier winden liep. Eén ding is me nu wel duidelijk: Zielenzuiger eet van mijn volk. Ik blijf niet langer in dit gebied.'

6

Dakan-eh nam de tijd om door de Rode Wereld terug te reizen naar zijn voorouderlijk dorp aan het Meer van vele zingende vogels. Overal waar hij kwam, ontmoette hij hetzelfde beeld: verlaten dorpen van armzalige stokkenhutten, drooggevallen meren, eilandjes van stoffige, kwijnende vegetatie, groepjes mensen die schichtig opdoken van achter grote keien, en brakke poelen die meren waren geweest toen hij ze voor het laatst had gezien. Hij bekeek het allemaal met een minachtend oog. De achterblijvers zagen er zo mogelijk nog slechter uit dan toen hij vertrokken was. Na de vele manen die hij op de grote noordelijke vlakten had doorgebracht, jagend op mammoets en langhoornige bizons, voelde hij zich een volslagen buitenstaander. Maar dat hij en zijn mannen indruk maakten met hun grote speren, vreemde kleding en hun gezichten vol littekens - zo beschilderd dat ze eruitzagen alsof ze tot het volk van het Land van gras behoorden — bleek wel uit de behoedzame blikken waarmee het volk hem aanstaarde: blikken als van een prooi die onverwacht de schaduw van roofdieren over zich heen voelt vallen. Met een minzaam lachje om de lippen staarde Dakan-eh terug. Hij genoot van zijn superioriteit. Pah-la echter begaf zich tussen de angstige toeschouwers, sprak ze aan bij hun naam en vroeg of ze hun oude vrienden niet herkenden. 'Ah, vrouw van Owa-neh! Zonder je gouden neusring zou ik je niet herkend hebben!' klonk het dan steevast. Daarna volgden vele omhelzingen en tranen van droefheid en geluk. Bijna iedereen kende Owa-nehs vrouw van grote stambijeenkomsten. Haar vriendelijke, open houding had haar tot een van de meest geliefde stammoeders gemaakt en de reputatie van haar moedige zoon had haar groot prestige gegeven. Ook nu, onderweg naar huis met Dakan-eh en zijn gevolg, wenkte Pah-la naar mensen aan de kant en nodigde hen uit om Stoutmoedige Man en haar te vergezellen naar de grote rouwceremonie die in het verlaten dorp van haar stam gehouden zou worden.

'Owa-neh en Na-sei zijn ver van hun geboortegrond omgekomen, maar we brengen hun lichamen naar huis, zodat hun geesten voorgoed onder vrienden kunnen voortleven!' vertelde Pah-la hun. Het nieuws verspreidde zich. Bij elk dorp werden de reizigers welkom geheten. Bij elk dorp werd hun gezelschap groter naarmate zich steeds meer bezoekers voor de rouwplechtigheid bij hen voegden. Aanvankelijk maakte hij zich zorgen hoe hij hun allemaal te eten zou moeten geven wanneer ze zijn dorp bereikten. Maar na een poosje verdween die zorg. Hij herinnerde zich dat hij weer in het land van de hagediseters was. Zijn volk at alles. Zo trok Dakan-eh onder zich samenpakkende wolken waaruit af en toe een regenbui viel, van het ene enthousiaste dorp naar het andere.

'Dakan-eh is teruggekeerd!' riepen de oude mannen, jagers en jonge knapen die zich naar buiten haastten om hem te begroeten. 'Kijk! Hij brengt regen mee!' schreeuwden de vrouwen en meisjes, terwijl ze hem bewonderend aankeken, precies zoals ze altijd gedaan hadden. Dochters van huwbare leeftijd werden naar voren geduwd.

'Ja, zo is het!' bevestigde Dakan-eh en monsterde de meisjes met het oog op toekomstige pleziertjes. Aangezien hij niet iemand was die een gelegenheid voorbij liet gaan om zichzelf aan te prijzen, voegde hij er heel plechtig aan toe: Aanschouw Stoutmoedige Man van de Rode Wereld, die naar zijn volk terugkeert! Aanschouw Moedige Jager, die vele bizons en vele vijanden in het Land van gras heeft gedood! Aanschouw de Man Die de Wervelwind Durfde te Verjagen om het Volk te Redden! Aanschouw Dakan-eh! Hij komt met een groot geschenk! Noem hem Man Die Regen Brengt!' Overal was het hetzelfde: karig voedsel, edelmoedige gastvrijheid en veel nieuwsgierigheid naar de nieuwkomers uit het Land van gras. Aangezien Na-seis weduwe, Lehana, op weg naar de Rode Wereld een zoon had gebaard, wilden de vrouwen de baby zien. Groot was steeds de verbazing dat uit de vereniging van een man uit de Rode Wereld en een vrouw uit het Land van gras een kind kon ontstaan dat er net zo uitzag als andere. Nadat de baby door allen bewonderd was, raakten Lehana en de andere vrouwen uit het Land van gras steeds meer op hun gemak. De vrouwen vroegen hen eindeloos uit over hun kleding, hun haarlengte, hun lievelingsrecepten voor kookzak of braadspit, of hoe ze een man verleidden, of over het tanden krijgen van een peuter, over de geboorteweeën en de maanbloedingen. De oude Kahm-ree mompelde over haar verloren kleindochter, maar niemand had daar oor voor: in de ogen van de meeste vrouwen van de Rode Wereld was Ban-ya maar een brutaal, egoïstisch en wellustig persoontje. Omdat ze haar allen hadden benijd om haar buitengewone figuur en de prachtige man die ze had veroverd, liet niemand een traan over het feit dat Dakan-eh haar zoon had gehouden en de vrouw zelf had ingeruild, niet voor één, maar voor twee nieuwe vrouwen! 'Dus nu heeft hij vier vrouwen!' 'Stel je voor! Vier!'

'Vertel ons, Cheelapat, Ghree, Ili-na en Rayela: is hij mans genoeg voor jullie allemaal?'

'Dat is hij zeker!' riep Ghree trots uit, want ze had de Rode Wereld als de vrouw van een gewone jager verlaten en keerde er terug als de vrouw van een leider.

Ili-na keek haar moeder van onder halfgeloken oogleden aan. 'Hij is walgelijk. Hij staat er altijd klaar voor.'

Ghree schudde haar hoofd naar haar dochter. Toen zei ze: 'Ze is jong. Ze weet niet half hoe gelukkig ze is dat ze zo'n man heeft!' Rayela trok suggestief één wenkbrauw op. 'Hij vind de jongste het lekkerst. Voor ons een geluk, anders zouden we nooit een oog dichtdoen!'

Bij de mannen ging het er vrijwel hetzelfde aan toe: ze praatten over betere dagen - vroeger en hopelijk in de toekomst opnieuw - over de droogte, over de jacht, over vrouwen - waarbij ze hoog opgaven over hun vrijpartijen en dappere daden.

'Dakan-eh kon altijd de meisjes zover krijgen dat ze hun benen voor hem spreidden! Maar je hebt die knappe nooit gevonden, hè? Je weet wel, die ene, die alle mannen wel wilden? Tlana-quahs oudste dochter. Ta-maya heette ze, toch? Die vrouw die werd meegetroond door die moordenaars en die Kosar-eh tijdens de oorlog bevrijdde?'

De vraag overrompelde Dakan-eh. Het horen van Ta-maya's naam kwetste hem onverwachts. Hij herinnerde zich hoe hij ooit de spot had gedreven met de oude mannen die zeiden dat een man nooit over zijn eerste liefde heen kwam. Het leek erop dat ze gelijk hadden.

'Ze was toch aan jou beloofd? Voor ze met de sjamaan wegliep, bedoel ik. Een meisje als zij... hmm... om je vingers bij af te likken.' Dakan-eh’s stemming ging er niet op vooruit. 'Ze stelde niets voor. Ik liet haar weglopen, maar pas nadat ik haar vele malen bezeten had,' loog hij. 'Geloof me, ze stelde niets voor. Ik heb na haar veel betere vrouwen gehad.'

Het gesprek ging een andere kant op, draaide om andere vrouwen, andere vrijpartijen, andere staaltjes van mannelijk uithoudingsvermogen; maar in dorp na dorp herinnerden alle mannen zich de mooie Ta-maya, oudste dochter van het opperhoofd van het dorp aan het Meer van vele zingende vogels. Niemand was vergeten hoe ze de legendarische Stoutmoedige Man versmaad had en was weggelopen met een jonge sjamaan die zijn volk lang geleden, in de nadagen van de grote oorlog, verlaten had. 'Denk je dat ze nog steeds in leven is?'

'Ja,' antwoordde Dakan-eh. 'Ze is bij hem, bij Cha-kwena. Die sjamaan heeft de regenwolken, het wild en de totem voor zich uit gejaagd, over de rand van de wereld. Cha-kwena heeft de krachten der schepping tegen het volk van de Rode Wereld opgezet. Hoewel Dakan-ehs stam geen sjamaan heeft, is Stoutmoedige Man na vele grote jachtpartijen en vele grote overwinningen uit het Land van gras teruggekeerd om met zijn volk herenigd te worden. Dakan-eh heeft de regen teruggestolen van degene die onze vijand is!'

Ver naar het zuiden, achter de bergen van zand en over de rand van de wereld, trompetterden mammoets in het prachtige dal. In de duisternis van de grot liep een ongeruste Mah-ree Cha-kwena als een schaduw achterna terwijl hij zich gereedmaakte om het binnenste van de grot in te gaan.

'Waar ga jij naartoe?' vroeg hij verstoord, maar zachtjes, om de andere leden van de stam niet wakker te maken. 'Mee met jou. Elke nacht ga je de heuvel in. Elke nacht ben je daar alleen. Het is niet goed om zoveel alleen te zijn, Cha-kwena. Het is...

'Hoe vaak moet ik je nog vertellen dat het binnenste van de grot verboden gebied en heilig is? Alleen sjamaan mag er binnen!' Ze bleef waar ze was en luisterde met gefronst voorhoofd naar de mammoets. 'Ze zijn bedroefd. Ze huilen precies zoals Siwi-ni's baby om haar gestorven moeder heeft gehuild. De mammoets hebben gehuild sinds Siwi-ni's geest in de wind ging lopen. Ik heb het idee dat ze ons vertellen dat we deze plek moeten verlaten, Cha-kwena.'

'Het duurt niet lang meer of de winter ligt op het land. Gah-ti is niet in staat om te reizen. Doh-teyah heeft al even koortsige en tranende oogjes als de jonge hondjes die nog leven. De grot is ruim bevoorraad. Waarom zouden we weggaan? We moet rusten en aansterken. Tegen de lente is Gah-ti weer beter en met behulp van de krachten der schepping en jouw medicijnen zal ook de baby weer gezond zijn.'

Mah-ree keek om zich heen om zich ervan te overtuigen dat niemand meeluisterde. Toen zei ze: 'Ik heb geluisterd en geluisterd, maar ik heb Levenschenker niet gehoord sinds de nacht dat wij samen waren onder de vallende sterren, Cha-kwena. Ik denk dat hij ons vooruit is gegaan. Ik denk dat mijn lieve oude hond Vriend hem gevolgd is. Wij moeten hem ook volgen! Hier waren ziekte en dood rond, ik kan het voelen. En Cha-kwena... waarom draag je de heilige steen niet meer?'

Hij keek boos. 'Dat heb ik je al eerder verteld: hij is precies waar hij thuishoort. Wil jij behalve medicijnmeisje ook nog sjamaan zijn, Mah-ree? Denk je dat je het ene beter zou doen dan het andere? Slechter kun je het in elk geval niet doen!'

Zijn woede werd nog groter toen hij haar kin zag trillen. Hoe zou hij haar kunnen vertellen dat Levenschenker hen nooit meer ergens heen zou leiden? Hoe kon hij haar vertellen dat hij de heilige steen van hun voorouders had weggegooid? Zijn hand dwaalde naar het medicijnbuideltje aan zijn hals waar hij de talisman altijd in had bewaard. Even verontrustte het hem dat de steen daar niet meer was, daarna voelde hij niets meer. De kracht van de steen was gestorven samen met de grote witte mammoet. Het deed er niet meer toe waar hij was: op de bodem van het meer of in een uilennest. Zelfs als hij de talisman nog steeds zou hebben, ja, zelfs als de totem nog zou leven, dan nog zou Cha-kwena, nu zijn stam zo zwak was, niet overwegen zijn volk van dit hooggelegen, droge, warme toevluchtsoord weg te voeren,

'Als we er samen op uit zouden trekken, zouden we misschien kunnen uitvinden waar Grootvader van Alles naartoe is gegaan. Als ik hem zou kunnen zien, zou...' "... je niet meer aan mijn woord twijfelen?'

Ze knipperde met haar ogen en schudde haar hoofd. 'Ik... Nee, Cha-kwena. Maar...'

'Als je geen vertrouwen meer hebt in mijn beslissingen, neem dan de honden mee en leid het volk naar de Rode Wereld terug!' 'Dat meen je niet! Niet nadat we als man en vrouw samen zijn geweest...'

'Ik heb het je eerder gezegd, Mah-ree. Wat er ook tussen ons is gebeurd, het was een vergissing. Denk er niet meer aan. Het is voorgoed voorbij.' Na deze woorden draaide Cha-kwena zich om en verdween met een stenen olielamp in de hand in de diepten van de grot.

Mah-ree beet op haar onderlip. 'Hoe kan ik het vergeten?' fluisterde ze tegen zichzelf. 'Mijn sjamaan heeft bij het licht van vallende sterren een vrouw van dit meisje gemaakt. Niets kan daar verandering in brengen. Zelfs sjamaan kan me niet dwingen te zeggen dat het voorbij is!'

Ze zuchtte. Ze hield zoveel van hem! Waarom kon hij haar niet ook liefhebben? Ze voelde zich opeens uitgeput. Ze had zich de laatste tijd niet gezond gevoeld. Als ze hem dat had toevertrouwd, zou hij misschien geluisterd hebben. Nog een tegenslag zou zijn gedachten over deze plek wellicht veranderd hebben. Maar hij had natuurlijk gelijk: zolang Siwi-ni's baby ziek was en Gah-ti niet in staat om te reizen, zou de grot een verstandig toevluchtsoord zijn als de grote witte winter kwam. Denk je echt?

Wie sprak daar? Ze kende de stem niet. Ze draaide zich om en keek om zich heen. Ta-maya zat rechtop in haar slaapvachten de klaaglijk huilende baby te wiegen. Opnieuw zuchtte Mah-ree. Het was laat. Ze moest vermoeider zijn dan ze dacht als ze zich inbeeldde dat er vreemdelingen vanuit het duister tegen haar spraken, terwijl het enige wat ze gehoord had haar zuster was die zachtjes tegen Doh-teyah kirde.

'Dwaas meisje,' berispte Mah-ree zichzelf, terwijl ze naar haar slaapplaats terugging. Zachtjes duwde ze met haar voeten de drie hondjes opzij die tijdens haar afwezigheid haar plek hadden ingenomen. Nadat ze was gaan liggen, aaide ze ze over hun kopjes terwijl ze een plekje naast haar zochten. 'Kom maar, Janker en Kwispel, natuurlijk zijn jullie welkom. Schaam je, Schramneus, dat je je jonge hondjes zomaar wegstuurt! Wat ben je voor een moeder? En waarom grom je zo naar me?'

Ze duwde de oude hond weg, wees het donker in en zag het dier traag gehoorzamen aan haar onuitgesproken bevel om naar haar plek terug te gaan. Schramneus gedroeg zich de laatste tijd vreemd en haar neus was al dagenlang droog. Mah-ree besloot morgen wilgenolie door haar vlees te mengen. Dat zou wel helpen om de koortsgeesten te bedwingen. Ze nestelde zich in haar warme beddenvachten en sloot haar ogen om te gaan slapen. Ze hoorde nog hoe Schramneus haar plekje vond, hoe Ta-maya zachtjes neuriede en hoe een uil ergens buiten de grot oehoe-de in de nacht. Ze glimlachte zuchtend en gaf zich over aan geruststellende dromen... Ze droomde van lang vervlogen dagen, toen de oude sjamaan Hoyeh-tay - met zijn immer ruiende, humeurige oude uil boven op zijn kale hoofd - Medicijnmeisje had vereerd met de uitnodiging zijn heilige grot te betreden en er samen met Cha-kwena over magie en genezing te leren, en over de geschiedenis en legenden van hun volk. Mah-ree zuchtte en rolde zich op haar zij. Janker was dichterbij gekropen. Mah-ree legde een arm om de nek van de hond, vlijde zich dicht tegen hem aan en stelde niet zozeer de hond, als wel zichzelf fluisterend gerust. 'De oude Hoyeh-tay heeft ons goed onderwezen. Ik moet ophouden een dwaas meisje te zijn, dat vergeet dat zijn kennis en magie op Cha-kwena zijn overgegaan... niet op mij. Cha-kwena staat krachtig in de beschermende macht van onze totem. Zolang hij hoeder van de heilige steen van onze voorouders is, zal hij zijn volk beschermen. Ik weet dat hij dat doen zal! Dat heeft hij toch altijd gedaan?'

Bij het ochtendgloren bleek het opnieuw licht te sneeuwen in het Land van gras. Shateh had zijn volk vroeg op de been. Maar ze waren nog niet onderweg of Nakantahkeh zei dat hij niet verder mee wilde.

Shateh bleef abrupt staan bij Nakantahkehs weigering. 'Vooruit. We zullen en moeten verder,' zei het opperhoofd. 'Wanneer het weer beter wordt en de overvallers uit de bergen afdalen, zullen ze verlaten kampplaatsen aantreffen. Ze zullen niet in staat zijn ons op te sporen, want de sneeuw zal al onze sporen hebben uitgewist.' 'Het Land van gras verlaten betekent onze doden en mijn ontvoerde dochter de rug toekeren. Hoe kan Shateh verwachten ergens zijn geluk te vinden, zolang die ongelukbrengster van een Hagedisvrouw met zijn volk meeloopt?'

'We hebben dit in de vergadering besproken, Nakantahkeh. De beslissing is gevallen. We zullen Stoutmoedige Man en zijn volk naar het zuiden volgen en in de Rode Wereld overwinteren. Zielenzuiger heeft niet Dakan-eh gevolgd, maar is naar ons toe gekomen, precies zoals hij voorspelde.'

'Alleen vanwege haar!' Nakantahkeh wierp een woeste blik op Ban-ya, terwijl hij met Shateh sprak. 'Weet je wat Xiaheh en de andere leiders zeiden toen ik hun vroeg naar het zuiden te komen om zich bij je aan te sluiten? Ze zeiden: "Het is beter om je bij het volk van de wakende ster aan te sluiten dan bij iemand die niet eens vijanden onder zijn volk kan herkennen." Ze beweren dat Stoutmoedige Man jou bedrogen heeft! Als wraak voor de harde woorden die tussen Dakan-eh en jou gevallen zijn, heeft hij deze vrouw hier achtergelaten, zodat ze Zielenzuiger 's nachts kan aanroepen. Ze lokt hem aan en laat hem zien hoe hij zich het best te goed kan doen aan het volk van Shateh!'

'Dakan-eh heeft haar niet achtergelaten. Ik nam haar van hem af! Doordat zij bij ons is, hebben we vlees gevonden, heeft Senohnim een zoon gebaard en spannen de winterstormen met ons samen tegen onze vijanden.'

'En is Atonashkeh dood! Is mijn vrouw vermoord! Is mijn jonge dochter door overvallers ontvoerd en heeft mijn opperhoofd de moed verloren om tegen hen te vechten, ook al heb ik je verteld dat ik weet waar ze zijn! Ik heb hun sporen in de zachte modder van de doorwaadbare plaats in de rivier gezien toen ik terugkwam uit het noorden!'

Shatehs gezicht noch stem verried zijn gevoelens. 'En je hebt ons ook verteld dat je dekking zocht toen er 's nachts een stoet mannen, vrouwen en kinderen aan je voorbijtrok. Vele mannen, zei je. Allemaal gewapend, zei je. Ik heb die woorden goed tot me door laten dringen. Ja, Nakantahkeh. Ik heb de moed tot vechten verloren. Ik ben moe van de dood. Ik ben moe van treurliederen. Dat heb ik ook tijdens de raadsvergadering gezegd. Jij - en iedere andere man hier - bent vrij om bij me te blijven of weg te gaan. Zij die me hun leider en sjamaan hebben genoemd, hebben altijd krachtig in de gunst van de vier winden gelopen. Tot op heden. En dus zeg ik dat het tijd wordt dat ik mijn totem ga zoeken en erachter kom waarom hij en zijn soortgenoten niet meer in het land van mijn voorouders lopen. Het wordt tijd dat ik de winterstormen de rug toekeer en deze vrouw van de Rode Wereld terugbreng naar het land waar de krachten der schepping haar volk toelachen, want in dit land lachen ze mij en de mijnen beslist niet meer toe!'

'Dit is anders niet de eerste keer dat het vroeg winter wordt in het Land van gras!' constateerde Nakantahkeh woedend. 'Dit is al het land van de voorouders van het Bizonvolk sinds de tijd voorbij het begin! We kunnen het niet verlaten.'

'Nog niet zo lang geleden jaagden we in dit land op mammoets. Pas toen de mammoets verdwenen, gingen we op bizons jagen. In de tijd voorbij het begin liepen de voorouders onder de wakende ster in een land van ijs en vuur. Toen er uit de hemel monsters afdaalden om zich met hen te voeden, leerden ze van Eerste Man en Eerste Vrouw dat mensen in veranderende tijden nieuwe gewoonten moeten leren of moeten sterven.' Zwijgend tuurde hij een poosje naar de in sneeuw en wolken gehulde bergen. Nadat hij had gezinspeeld op de overvallers van het volk van de wakende ster, vroeg hij zich hardop af of monsters niet soms in de huid van mensen liepen. 'Voor we samenkwamen voor de grote jacht van de Maan van het droge gras, zou ik gezworen hebben dat we ze allemaal gedood hadden. Ze leven nu echter weer, worden sterk en vallen ons aan onder dekking van nacht en sneeuw, terwijl we winter hebben in een tijd dat we van de laatste warmte van de herfst behoorden te genieten en op bizons behoorden te jagen die door het zomergras vet geworden zijn.' Hij schudde zijn hoofd. 'We leven in veranderende tijden. In mijn dromen hebben de voorouders mij toegesproken. Ze vertellen me dat het tijd wordt om mijn volk van onze vijanden weg te leiden. In de traditie van Eerste Man en Eerste Vrouw zullen we de opkomende zon tegemoet lopen, het Land van gras uit, voordat de koude maan opkomt en de grote witte winter het leven in dit land vernietigt.'

'En als de grote witte winter je nu eens achternakomt? Als jouw vijanden je nu eens achternakomen en vinden?' 'Dan zal ik me herinneren dat de vrouw Ban-ya over een andere vijand, een sjamaan, heeft gesproken. Met Dakan-eh om me de weg over de bergen van zand te wijzen, zal ik de grote witte mammoet vinden en jacht maken op die Cha-kwena. Als hij niet in de schaduw van Shateh wil lopen, zal ik zijn heilige steen afpakken en zal hij weldra helemaal geen schaduw meer werpen. Krachtig en beschermd door de macht van de totem zal ik weer moed bezitten om te vechten en zullen zij die ervoor hebben gekozen mij met Zielenzuiger als hun bondgenoot te achtervolgen, de dag betreuren dat ze Shateh ooit Vijand genoemd hebben!'

'Ik wil niet leven in het gebied van hagediseters!' verklaarde Nakantahkeh.

'Blijf dan in het land van bizon- en mammoetjagers van het Land van gras en sterf daar. Ik zal je niet tegenhouden.'

Nakantahkeh zag toe hoe het opperhoofd de stam de vallende sneeuw in leidde. Hij was niet alleen. 'Laat Shateh zijn eigen bestemming volgen,' zei hij tegen die krijgers die jachtbroeders van Atonashkeh waren geweest en met hun families uit de stam van Shateh waren gestapt. 'Ik wil niet bij hem blijven. Xiaheh had gelijk. De hagedisetende vrouw heeft zijn wil voor haar eigen doeleinden ingezet.'

'Maar wat moeten wij, Nakantahkeh, met de naderende grote witte winter en overvallers in de bergen?' vroeg Indeh bezorgd. 'We zullen over het Land van gras terugreizen om ons aan te sluiten bij Xiaheh, Ylanal en bij diegenen van ons volk die zwakheid in Shateh hebben ontwaard en hem wijselijk afvallig zijn geworden. Misschien hebben onze vijanden er niet verkeerd aan gedaan om oorlog te voeren tegen iemand die een bondgenootschap met hagediseters aan wilde gaan. Er is een tijd geweest dat het volk van het Land van gras en het volk van de wakende ster één waren. Er ontstond pas strijd nadat Shateh zich op het jagen op bizons had toegelegd, de tradities van onze ouden had versmaad en Ysuna en de mammoetzoekers tot vijanden had gemaakt.'

Een ongerust gemompel ging op onder de verzamelde mensen. 'Het was niet enkel een strijd over het soort vlees waarop we wilden jagen, Nakantahkeh,' bracht Indeh hem in herinnering. 'Het was een botsing van inzichten over hoe Donder in de Hemel ertoe kon worden gebracht zijn welwillendheid jegens het volk te hernieuwen. Shateh was niet bereid de dochters van de stam te offeren in ruil voor het vlees van de mammoetkinderen van de god. Dan liever bizonvlees eten. Dan liever in andere delen van het Land van gras jagen en oorlog voeren met hen die onze dochters wilden stelen, zoals zij jouw Wila gestolen hebben.'

Er verscheen een bittere trek om Nakantahkehs mond. Met een hoofdknik stemde hij in met de aanvulling. In plaats van er direct op in te gaan zei hij traag: 'De mammoet is uit het Land van gras verdwenen. Nu volgt de bizon. En daarmee de macht van het Volk. Misschien heeft Shateh meer gelijk dan hij beseft. In tijden van verandering moeten we nieuwe gewoonten aannemen... of terugkeren naar de oude. Alles was goed in het Land van gras toen het volk van de wakende ster onder Ysuna's leiding offers bracht aan Donder in de Hemel.'

De vrouwen van het gezelschap hapten naar adem en trokken hun dochters dichter naar zich toe.

Nakantahkeh wierp hun een ongeduldige blik toe. 'Als we het volk van de wakende ster trouw waren gebleven, zou mijn kind nu in leven zijn. Dochters van bondgenoten werden niet geofferd!' Hij zweeg, richtte toen zijn blik weer op de krijgers. 'Ik zal naar Xiaheh teruggaan. Ik zal hem dit voorstel doen: misschien wordt het tijd dat de stammen weer één worden. Misschien wordt het zelfs tijd dat oude vijanden zich verenigen tegen een grotere vijand. Het is het volk van de Rode Wereld - niet het volk van de wakende ster - dat onze totem heeft gestolen en buiten ons bereik heeft gebracht door hem over de rand van de wereld te drijven.' 'En Shateh wil hem terugvinden,' hielp Indeh herinneren. 'Ja,' zei Nakantahkeh, 'maar Shateh gaat samen met hagediseters naar hem op zoek. Met zulke bondgenoten kan hij niet winnen. Samen met het volk van de wakende ster zullen de verenigde stammen van het Land van gras dat wel!'

7

De zachte, warme dagen in het prachtige dal waren voorbij. Nu de grot bevoorraad was, was er weinig te doen voor een jager of een sjamaan. Nu en dan zocht Cha-kwena de eenzaamheid, veelal door lange voettochten naar de plek waar Levenschenker dood in het meer lag.

De kudde had de bewaking van de stoffelijke resten van de grote witte mammoet inmiddels opgegeven. De beenderen van de totem waren door vleeseters kaal gevreten, 's Ochtends lag er ijs vlak bij de oever op het water, maar waar het meer diep was en verwarmd werd door hete bronnen, steeg er damp op van het wateroppervlak. De beenderen van Grootvader van Alles staken erbovenuit als de takken van kale oude bomen door een hardnekkige mistbank. Het was een onherbergzame plek, maar hij paste bij Cha-kwena's stemming. Hij vond er rust. Misschien dat hij in een klein, kwetsbaar, amper waarneembaar plekje van zijn hart nog steeds zoveel vertrouwen in de krachten der schepping had dat hij geloofde dat de beenderen eens in beweging zouden komen, zich zouden verheffen en in een levend skelet veranderen. Ja, dat het geraamte zich als door een mirakel weer met vlees zou bekleden en zijn kop zou oprichten om naar de hemel te trompetteren. Maar dat gebeurde natuurlijk niet. Cha-kwena wachtte, en keek. Ten slotte zei hij spottend tegen zichzelf dat hij een dwaas was.

Ook vandaag was Cha-kwena bij het meer. Hij zat op zijn hurken op de oever en staarde, steunend op zijn speer, somber door de nevel naar de roerloze beenderen. Ten slotte wendde hij met een diepe zucht zijn blik af en zag een paar witkoparenden voor de zon cirkelen. Na een poosje sloot Raaf zich bij hen aan, om vervolgens naar beneden te duiken en neer te strijken op de punt van een van de slagtanden van de dode mammoet. Cha-kwena gooide stenen naar de vogel, al wist hij dat alleen een sjamaan van zo'n afstand raak zou kunnen gooien.

Cha-kwena bleef Raaf gadeslaan tot de vogel wegvloog. De lucht was fris aan de waterkant, dus sloeg hij zijn mantel van konijnenvel om zijn schouders. Slaperig ging hij er wat gemakkelijker bij zitten. Zo bleef hij triest luisteren naar de hoge roep van de arenden, het snateren en plassen van watervogels, het geklots van de golven tegen de oever en naar de wind die in het riet ruiste. Hij hield zijn hoofd scheef: de wind blies wispelturig nu eens uit deze, dan weer uit die richting. Hij rechtte zijn hals, sloot zijn ogen en peinsde dromerig: vier winden, heilige winden, jullie zijn de adem van de krachten der schepping. Jullie gefluister komt tot mij vanuit de verste hoeken van aarde en hemel. Toch ben ik alleen en mijn hart is leeg, want ik weet dat jullie uiteindelijk slechts wind zijn.

Langzaam gingen zijn gedachten over in gemijmer, zonken toen naar een diepere laag waarin alle dieren die hij ooit Geestesbroeder had genoemd voor hem verschenen en bij hem op de oever kwamen zitten.

Een eenzame prairiewolf doemde op. 'Kom, loop met me mee de opkomende zon tegemoet, Cha-kwena.'

'Het is dag, de zon is al op. En ik wil nooit meer met jou meelopen. Je hebt me verraden.'

'Nee, ik heb je de weg naar de waarheid gewezen.' 'Leugenaar. Samen met Wolf en Hond heb jij het vlees verscheurd en gegeten van het dier dat heilig was voor mij en mijn volk.' 'In dit land waren boze geesten rond onder mijn soort. Ook jouw volk en je honden blijven niet onberoerd. Maar nu stroomt het bloed van de grote witte mammoet door ons en door jou, Cha-kwena. We zullen overleven. En zolang jij je volk voorgaat in zijn naam, zal Grootvader van Alles eeuwig leven.'

'Ik zal niet eeuwig leven! Ik zal oud worden. Als ik door ouderdom zwak en half blind ben, zoals Levenschenker was, zul jij dan naar mij toe komen, jij en de vleeseters van deze wereld? Wie van jullie zal mij dan opeten, zoals jij hem opat? Of zullen jullie allemaal aan het feestmaal deelnemen?'

'Leven eet leven, Cha-kwena,' antwoordde Prairiewolf wijs. 'Niets sterft echter voor altijd.'

Daarop draaide het dier zich om en rende het riet in om Cha-kwena's woedend geslingerde speer te ontwijken. Cha-kwena schrok wakker en knipperde met zijn ogen. De speer lag in zijn hand, maar links van hem bewoog het riet nog op de plek waar Prairiewolf verdwenen was.

Cha-kwena stond op en liep behoedzaam naderbij. Geknakte rietstengels wezen erop dat er een dier langs was gegaan. Hij volgde het, maar na een poosje bleef hij staan en wendde zich af. Hij wist dat hij niets zou vinden. Huiverend in de warrelende windvlagen keek hij omhoog. De zon was verduisterd door hoge wolken en rondom omgeven door een enorme regenboog. Hij hoefde geen sjamaan te zijn om te weten dat er slecht weer op komst was. Cha-kwena liep verder.

Bij het horen van het hoge gekras van raven die om voedsel vochten, bleef hij staan en draaide zich om. Raaf en zijn familie waren neergestreken in het gedeelte van het riet waar hij zojuist vandaan kwam. Door nieuwsgierigheid gedreven besloot hij te gaan kijken wat de raven aan het eten waren. Ongeduldig om zich heen slaand met zijn speer om zich een weg te banen door het riet en de steeds koudere wind, liep hij met grote passen terug. Ineens begon zijn hart sneller te kloppen en een vreselijke angst maakte zich van hem meester, al kon hij niet zeggen waarom. Vlak voor hem vlogen de raven op uit het riet, en met een kreet van schrik kwam Cha-kwena uit op een kleine, geplette open plek en zag... 'Kleine Gele Wolf!' Hij snelde toe, knielde en stak toen aarzelend een onderzoekende hand uit naar het half opgevreten lijk van een prairiewolf. 'Hoe is dit mogelijk?' vroeg hij zich hardop af. Een paar ogenblikken geleden was de gele wolf nog een springlevend deel van zijn dromen, zijn verbeelding geweest. Toch was er iets geweest wat het riet had bewogen en hem naar het pad had geleid waarlangs zojuist een levend dier moest zijn gelopen.

'Ik begrijp het niet.' Afgaande op de uitgedroogde overblijfselen was dit dier al meer dan een maan lang dood. Zo te ruiken was hij vele lange dagen ziek geweest. Met een schok herinnerde hij zich de zieke honden, de stervende pups, de ongedurige baby, de prairiewolf op de berg met zijn schonkige schouders, de staart tussen de poten en de vreemde strakke blik in de gele ogen. In dit land waren boze geesten rond onder mijn soort.

De woorden van het droomdier schoten Cha-kwena weer te binnen. Was er een verband tussen de zieke prairiewolf, de zieke honden en de ongedurige baby? Hij sprong overeind. Mah-ree had gelijk! Er heersten ziekte en dood in dit land. Mammoets waren niet de enige dieren die hier stierven. Prairiewolven stierven hier, en honden. En in de harten van de mensen stierf hier de magie, tegelijk met het geloof in geesten. Als hij nog sjamaan was geweest, zou hij naar de voortekenen hebben geluisterd en zijn volk van een dergelijke plek hebben weggeleid. Hij was nu echter gewoon een mens als ieder ander. Kijkend naar het lichaam van de prairiewolf zag hij alleen een dood dier, geen voortekenen. Maar met het innerlijk oog van zijn mensenverstand zag hij veel meer.

Cha-kwena’s gedachten gingen terug. Toen hij de prairiewolf voor het eerst gezien had, was het dier ziek geweest. De honden waren achter hem aan gerend. Spoedig na haar terugkeer naar de grot was Schramneus ziek geworden en had een nest doodgeboren ziekelijke jonge hondjes geworpen. Kleine Doh-teyah, die vaak door Schramneus en de andere honden gelikt was, leed aan etterende oogjes, net als de pups. En Mah-ree bereidde hetzelfde medicijn voor allemaal en ze gebruikte dezelfde repen hertenvel om de oogjes van de jonge honden en de zuigeling schoon te maken. Was het mogelijk dat de prairiewolf zijn ziekte aan de honden had doorgegeven en de honden weer aan de baby? En hoe zat het met Mah-ree? Hield het meisje de ziekte op de een of andere manier in stand door de lappen hertenvel in haar medicijn te dopen en ze dan keer op keer te gebruiken om de ogen van de jonge hondjes en de baby schoon te wassen? Of was het mogelijk dat de honden zelf de wortel van het probleem vormden? Ze waren tenslotte een geschenk van een vijand geweest. Was het misschien niet goed dat mensen en dieren samenleefden?

Er was maar één manier om erachter te komen. Hij voelde zich al een stuk beter nu hij enkele aanknopingspunten had. Cha-kwena stond met zijn gezicht naar de noordenwind onder een zon die steeds verder door de wolken werd verduisterd. Hij kon ruiken dat er sneeuw in de lucht zat. Er was inderdaad slecht weer op komst. De grote witte winter bewoog zich in zuidelijke richting. De jonge man had zijn vertrouwen in magie en in de geesten verloren, maar niet in zichzelf. 'Ik ga niet voor je op de loop, Noordenwind. Ik ga mijn volk niet de winterstormen in sturen. We blijven in de grot en zullen de toekomst onbevreesd tegemoet zien.'

Ver naar het noorden bracht de grote witte winter opnieuw sneeuw naar het Land van gras. Ook Jhadel vond nu dat het tijd werd dat Sheela, Tsana en een handjevol mannen het bolwerk verlieten voor een nieuwe overval op het volk van Shateh. Maar bij het laatste kamp werd er geen spoor van het opperhoofd en zijn stam gevonden. De sneeuw die hun eigen sporen naar het bolwerk had uitgewist, had dat ook gedaan met alle sporen van het vertrek van Shateh en zijn stam.

Sheela tuurde grimmig tegen de wind in. 'Als het weer is opgeklaard, zullen we vanaf ons bolwerk hun vuren kunnen zien. Dan zullen we weten waar we hem moeten zoeken.' Ston liet zijn blik over de verlaten kampplaats gaan. 'Het was hier goed jagen. Uit de beenderen die zijn achtergelaten, maak ik op dat er veel paardenvlees gegeten is. Waarom zou Shateh een plek hebben verlaten waar geen honger heerste?'

Sheela siste naar Tsana: 'Omdat een zeker iemand Jhadels waarschuwing in de wind sloeg en in zijn eentje een overval uitvoerde die Shateh zenuwachtig maakte.'

Tsana vloekte en schopte naar de sneeuw. 'We hadden hem en die vrouwenmishandelaar Dakan-eh allang kunnen hebben! Ais ik de laatste keer niet alleen was geweest, had ik er veel meer de keel af kunnen snijden dan één oude vrouw!'

Nakantahkeh wist niet precies waarom hij Indeh bevel gaf de anderen naar het gebied van Xiaheh te leiden, terwijl hij in zijn eentje de bergen in ging om te zoeken naar het volk van de wakende ster. Misschien was het de hoop van een vader om zijn dochter levend terug te vinden, of een zelfzuchtig verlangen om de mogelijkheid van een gedurfd nieuw bondgenootschap te onderzoeken. Zijn jachtbroeders hadden hem ongelovig aangekeken en gezegd dat boze geesten hun tenten in zijn hoofd opsloegen en rook lieten opstijgen om zijn oordeelsvermogen te benevelen. Waarschijnlijk hadden ze gelijk.

Hoe dan ook, hier stond hij dan, weggedoken in zijn zware winterreismantel, roerloos op de uitkijk in de vallende sneeuw terwijl de overvallers zijn richting uit kwamen; waarschijnlijk waren ze op de terugtocht van een aanval op een kamp dat niet langer bestond. Het kwam bij hem op dat als hij zichzelf in veiligheid wilde brengen, dit het ogenblik was om het te doen. Maar de clou was nu juist dat hij zich niet in veiligheid wilde brengen. Toen de groep overvallers de berg op kwam, sprong hij dan ook met zijn speer in de aanslag van achter de rotsen tevoorschijn. 'Hei-ja! Blijf staan! Ik, Nakantahkeh, ben gekomen om te beraadslagen en een bondgenootschap te sluiten met de leiders van het volk van de wakende ster!' Door bont omlijste vijandige gezichten staarden door de vallende sneeuw naar hem omhoog. Een spottende vrouwenstem riep: 'Ah, Nakantahkeh. Hebben we jou nog niet gedood?' Hij herkende de stem van Sheela. Zijn maag trok samen. Dus ze was nog in leven! Dat kwam hem niet goed uit. Hij had haar gebruikt. Op verzoek van Dakan-eh hadden ze haar allemaal gebruikt. Het delen van zijn slavin was een van de vele manieren van Zit In Zijn Eigen Kots geweest om in de gunst van de grootwildjagers van het noorden te komen, alsof een hagediseter ooit iets anders dan verachting kon opwekken.

Nakantahkeh stak zijn kin uitdagend naar voren. 'Jullie hebben mijn vrouw gedood. Maar misschien is ze zo wel beter af. Ze was niet jong meer. Ze miste Wila en Lehana erg. Ik zal het pas weten wanneer mijn geest samen met haar in de wind loopt. Maar voorlopig leef ik nog. Ik kom voor iets wat bij me hoort: mijn dochter Wila, die jullie bij mijn volk hebben weggehaald.' De stem van Sheela dreef als rook op de wind naar hem toe. 'En als ze dood is?'

'Ik heb al om haar gerouwd.'

De overvallers keken elkaar aan en mompelden zachtjes. Zijn stoïcijnse houding maakte indruk.

'Wat zoek je bij ons, man van het Land van gras?' vroeg een van de grootste krijgers. 'Wil je je wreken voor de dood van je vrouw en kind?'

Opnieuw trok de maag van Nakantahkeh zich samen. Dus Wila leefde niet meer. Hij had zich erop voorbereid. Bovendien had hij nooit veel opgehad met zijn kinderen van het vrouwelijk geslacht. Maar de onherroepelijkheid van het feit raakte hem wel; nu zijn twee jongens dood waren en Lehana weggestuurd was, had hij geen kinderen meer over. Ook zijn vrouw was dood. Het was wonderlijk genoeg een bevrijdend besef.

Hij zette zijn speer rechtop in de sneeuw, zodat hij niet langer een directe bedreiging betekende voor hen die beneden stonden. Hij rechtte zijn rug. Hij had nu meer dan een dochter om aan te denken. Hij had nu met zijn mannelijke trots en de toekomst van zijn volk te rekenen. Hij wist dat wat hij nu zei zou bepalen of hij zou leven of sterven. 'Zoals ik gezegd heb, kom ik om te beraadslagen met het volk van de wakende ster. Ik ben alleen gekomen. Maar ik spreek namens velen: Xiaheh, Ylanal, alsmede de vele stammen van mijn volk die nu een verbond willen sluiten met hen die in de gunst van de vier winden lopen.'

'Waarom zou je dat doen?' vroeg Sheela achterdochtig. 'Omdat we niet meer bij Shateh willen horen. Hij is oud. Hij is moe. Hij heeft gezegd dat hij het vechten moe is. Hij heeft het Land van gras verlaten. Tegen de wil van zijn stam in heeft hij de vrouw van de leider van de hagediseters meegenomen om zonen op haar te maken. Nu heeft hij het vertrouwen van de voorouders geschonden door zijn volk toe te staan gescheiden wegen te gaan en door zelf de hagediseters naar de Rode Wereld te volgen. Hij wil ons aller totem zoeken. En wie zal het zeggen, als hij zich de macht van de grote witte mammoet heeft toegeëigend, blijkt wellicht dat de legende waar is. Misschien wordt hij inderdaad opnieuw jong en sterk en komt hij terug om zijn vijanden te verdrijven.' 'Waarom ging je dan niet met hem mee om te zien of dat inderdaad zal gebeuren?' vroeg Tsana hatelijk, terwijl hij de man met onverholen argwaan opnam.

Nakantahkeh schudde zijn hoofd. 'Als Shateh op de totem jaagt, als hij zijn vlees eet en zijn bloed drinkt, zal de grote witte mammoet ontheiligd worden. Degene die in zijn beschermende macht zal lopen, zal hagedisgebroed zijn en niet langer opperhoofd van het Land van gras!'

Sheela stond verstijfd. Haar kaak ging dreigend omlaag en van onder haar wenkbrauwen keek ze hem aan met de blik van een in het nauw gedreven dier. 'Jij zegt dat hij een vrouw van de hagedisleider heeft meegenomen?'

Nakantahkeh grijnsde minachtend. 'Haar borsten zijn groot genoeg om een mammoet te zogen.'

'Ik heb die vrouw vermoord!' zei Sheela tegen hem. 'Je liegt.' Nakantahkeh fronste zijn voorhoofd. 'Nee, iemand die haar mantel van prairiewolfvellen had afgepakt werd vermoord. Ban-ya is in leven. Ze draagt Shatehs leven in haar buik.'

Sheela ramde haar speer in de grond. Ze blies van woede en frustratie. De lucht bleef als bevroren mist voor haar ogen hangen. 'En degene die zichzelf Stoutmoedige Man noemt?' 'Hij heeft zijn volk naar de Rode Wereld geleid en het gelukkige gesternte van het Volk van het Land van gras met zich meegenomen. Ik weet welke route onze vijanden gekozen hebben. Ik zou jullie ernaartoe kunnen leiden. Samen zouden we een strijdmacht vormen waar geen stam of volk tegenop zou kunnen! We zouden jacht op onze vijanden kunnen maken en ze kunnen vermoorden, onze totem terughalen en vervolgens naar het Land van gras terugkeren. De mammoet en bizon zullen volgen. Het leven zal weer goed zijn.' 'Is dat echt zo?' drong Sheela wantrouwend aan. 'Zou je tegen je eigen volk willen optrekken?'

'Alles was goed in dit land toen er onder Ysuna, Dochter van de Zon, nog offers werden gebracht aan Donder in de Hemel. Shateh verzette zich hiertegen. Omdat ik in zijn stam geboren werd, behoorde ik tot zijn kamp. Nu mijn kinderen en mijn vrouw dood zijn, wil ik me aansluiten bij jullie, tegen wie ik ten onrechte oorlog heb gevoerd.'

Tsana zag niets in Nakantahkehs verklaringen. 'Hij is van Shatehs kamp! Hij zou nooit iemand van ons kunnen zijn!' 'Ik wil leven zoals jullie, jagen zoals jullie en me aan elke proef onderwerpen om te bewijzen dat mijn woorden waar zijn en dat mijn hart trouw is,' zei Nakantahkeh zonder met zijn ogen te knipperen. Toen wierp hij met een gebaar dat zowel uitdagend als onderdanig was zijn speer in de sneeuw. 'Nu sta ik ongewapend voor het volk van de wakende ster. Nu zal ik mijn eer verdedigen of sterven. Ik ben onbevreesd!'

'Dat zullen we zien,' zei Sheela na een korte stilte. 'Dat zullen we gauw genoeg zien.'

Met grimmige beslistheid volgde Nakantahkeh de overvallers. Hij verwachtte niet anders dan dat hij aan fysieke kwellingen onderworpen zou worden. Als krijger en jager op grootwild was hij al eerder beproefd. Hij had alle vertrouwen dat hij het ook nu zou redden. Fier liep hij met de overvallers door de doolhofachtige heuvels. Toen de mannen hem door de engten van een hem onbekend diep ravijn voerden, ontwaarde hij in bont geklede schildwachten op de mistige heuveltoppen. Hij besefte dat hij naar het bolwerk van het volk van de wakende ster gebracht werd. Hij wist dat hij hun vertrouwen moest winnen of moest sterven. Iemand die ze als een vijand beschouwden, zou nooit toestemming krijgen het bolwerk levend te verlaten. Ze trokken zwijgend verder, terwijl een van de overvallers vooruitging.

Toen ze eindelijk door de kloof heen waren en aan de klim naar een grote grot begonnen, was de hele verzameling van de eens verstrooide stam daar aanwezig om hen te begroeten. Nakantahkeh keek omhoog naar de door strijd getekende magere mannen, vrouwen en kinderen. Hij had er geen idee van dat er nog zoveel in leven waren! Met behoedzame wolvenogen staarden ze hem aan. Zelfs de vrouwen en kinderen zagen er vervaarlijk uit, vooral één jongen met een woest gezicht, die op zijn hurken zat en klaar leek te zitten om toe te springen. Voor het eerst had de man bedenkingen bij zijn besluit om in zijn eentje naar deze woeste heuvels te komen en met gevaar voor eigen leven te proberen een verbond te sluiten met dit volk, dat hem krachtiger toescheen dan zijn eigen volk. Nakantahkeh speurde de menigte af en probeerde zich te herinneren aan hoeveel overvallen hij tegen dit volk had deelgenomen en hoevelen van hen hij gedood had. En zij, hoevelen van zijn stam- en familieleden hadden zij in de grote oorlog gedood? Hij zorgde dat zijn gezicht niets verried. Het deed er nu niet toe. Een afzichtelijke oude man met een donker hoofd met veren en een met oker beschilderd lichaam dook op uit de menigte. Wila liep voor hem uit.

Het grootste deel van de dag vergaderden de krijgers van het volk van de wakende ster met Sheela en de vreemdeling, terwijl Jhadel alles in plechtige bespiegeling aanhoorde, knikte en met zijn tong langs zijn gele tandstompjes likte.

'In de tijd voorbij het begin was het volk één,' zei de oude sjamaan ten slotte. 'Als dat weer zo zou worden, zou Donder in de Hemel zich misschien in zijn mantel van onweerswolken wikkelen, zijn bliksemsperen neerleggen en zich tevreden met de wervelwind te ruste leggen.'

'De vele krijgers van onze gezamenlijke stammen zouden over het land kunnen trekken en als een stormvloed uit de bergen omlaag kunnen stromen,' zei Sheela helemaal in de ban van haar wraakvisioenen. 'Samen zouden we niet heimelijk tegen onze vijanden hoeven op te trekken. Samen zouden we hen die ons te schande hebben gezet kunnen overspoelen en doden!'

Tsana was doodsbleek. 'Deze Nakantahkeh heeft oorlog tegen ons gevoerd! Hij heeft onze dorpen overvallen! Hij heeft onze vrouwen en dochters verkracht en...'

'Genoeg!' Sheela legde hem het zwijgen op, omdat ze wist dat Tsana sprak vanuit angst voor een mogelijke mededinger naar de macht in de stam. Daarop keek ze Nakantahkeh met een kille, peinzende blik aan. 'Kun jij ons de weg wijzen die Shateh met zijn stam en zijn hagedisvrouw heeft gekozen?'

'Ik kan en zal jullie die weg wijzen,' verzekerde Nakantahkeh haar. De vrouw keek hem door haar oogharen kritisch aan en moest toegeven: 'Je moet een dapper hart en een moedige geest hebben om hierheen te komen.'

'Ik ben vele keren de heuvels in getrokken om mijn dochter te zoeken,' vertelde Nakantahkeh haar. 'Welke vader zou zijn leven niet wagen voor zijn dochter? En welke krijger zou niet hetzelfde doen voor zijn nieuwe volk?'

Met een traag, bedachtzaam knikken van zijn gevederde donkere hoofd gaf Jhadel blijk van zijn instemming: 'Misschien sluit de kring van ons leven zich in dit bolwerk en moeten we beraadslagen met hen met wie we te lang oorlog gevoerd hebben. Misschien wordt het tijd dat het volk van het Land van gras weer één wordt en hen die ons weerstaan doet sidderen.'

'Hoe kun je dat beweren?' vroeg Tsana, die vergeefs zijn best deed om zijn jaloezie jegens de vreemdeling te beheersen. 'Deze man is niet te vertrouwen! Hij zal nooit een van ons zijn! Zijn soortgenoten en hij hebben geen respect voor de behoeften van Donder in de Hemel.'

Er viel een stilte in de raadsvergadering.

Nakantahkeh keek ernstig naar de verzamelde krijgers, naar de sjamaan en daarna naar Sheela. 'Hoe kan ik bewijzen dat dit niet zo is?'

De ogen van Sheela bleven op zijn gezicht gericht toen ze effen antwoordde: 'Onderwerp je aan pijn: het branden of openrijten van je vlees... of aan een branden of openrijten van je ziel. Aan jou de keus.'

Nakantahkeh fronste zijn voorhoofd. Zijn blik ontmoette de hare en liet die niet los. Toen ze nog een slavin was, had hij haar niet ontzien. Hier, in het bolwerk van haar volk, was ze op de een of andere manier de centrale kracht. Hij besefte dat zij hem evenmin zou ontzien.

Ze glimlachte. Het was de glimlach van een wurgslang die genoeglijk dommelt op een door de zon verhitte steen, terwijl zijn pas ingeslikte prooi een doodsstrijd doormaakt in de kronkels van het geschubde lijf. 'De keuze is aan jou,' herhaalde ze. 'De pijn van het vlees of van de ziel?'

Nakantahkeh verbaasde zich over haar wijsheid. Wat hij nu ook koos, hij zou later niet kunnen beweren dat zij, of wie uit haar volk ook, hem ertoe gedwongen had. En toch, ondanks al haar schranderheid maakten haar hartstochtelijke aard en vermogen tot liefhebben - hij had gezien hoe gehecht ze was aan haar jongere zuster - dat ze hem onderschatte. 'Ik kies voor het branden en openrijten van mijn ziel,' zei hij tegen haar.

De krijgers hapten naar adem. Allen beseften dat ze zelf nooit zo dapper als deze man zouden zijn.

Sheela nam hem peinzend op. 'Besef je waarvoor je kiest, Nakantahkeh?'

'Ik kies voor de meeste pijn,' bevestigde hij.

De blik van Jhadel was even scherp geworden als een speerpunt van obsidiaan. 'En ben je bereid jezelf deze pijn met eigen hand toe te brengen?'

'Ja,' zei Nakantahkeh. 'Laat het mij zelf doen. Ik zal Donder in de Hemel eren op de wijze van jullie volk. Maar laat niemand beweren dat ik niet een van jullie ben, als het voorbij is!'

Met het invallen van de duisternis werd er een vreugdevuur aangelegd. Er werd gedanst en gezongen en er werden verhalen gereciteerd uit voorbije tijden, toen de mammoets even overvloedig in het Land van gras voorkwamen als het gras zelf. De hele tijd zat de dochter van Nakantahkeh trots naast haar vader. Wie het maar horen wilde, werd er door haar aan herinnerd dat ze wel gezegd had dat hij naar haar toe zou komen.

Warakan keek angstig toe vanaf het richeltje dat hij zich had toegeëigend. Nu en dan ging er een schok door zijn lijf. De grot was zo vol vuur, kleur en geluid dat zijn zintuigen er pijn van deden. Hij herkende de liederen, de dansen, de wervelende patronen waarmee het volk van de wakende ster hun lichamen versierd had. Hij wist maar al te goed hoe deze nacht zou aflopen.

'Hier, jongen, een paar puntjes vet en een hazenbout! Waarom schuif je niet aan?' zei Oan uitnodigend, terwijl zij het vlees aanreikte. 'Sheela zegt dat we vannacht een nieuwe levenscirkel zullen openen volgens de traditie van onze voorouders. Jhadel heeft bevestigd dat dit het juiste tijdstip is. Vooruit! We gaan nu paddestoelen eten. Onze sjamaan zal ons het pad der dromen op leiden.' Warakan nam de houten schotel aan, zette hem bij zich neer, pakte de bout en staarde in Oans brede, ernstige gezicht terwijl hij aan het vlees knaagde. Ze was aardig voor hem. Hij had geen hekel aan haar, maar ze was een van 'hen', dus had hij sinds de nacht dat zijn zuster aan de stormgod geofferd was niet tegen haar gesproken. Warakan bleef stil zitten. Hij bleef naar Oan staren tot ze zich ongemakkelijk zou gaan voelen. Dan zou ze vanzelf weggaan. 'Je kunt het krijgen zoals je het hebben wilt,' kijfde Oan. 'Maar ik breng je geen paddestoel. Je zult het genoegen van het droompad niet beleven. En daarna, als het voorbij is, breng ik je geen vlees. De kracht van de Grote zal aan je voorbijgaan!'

Warakan beefde. Hij legde de bout neer. Zijn eetlust was opeens weg. Laat de Grote Ene maar voorbijgaan! dacht hij verbitterd. Hij wilde niet meer van dat vlees eten! Deze keer zou Oan hem niet zover krijgen! Hij wist dat ze het goed bedoelde, maar hij zou haar hand afbijten als ze het probeerde!

Hij bleef waar hij was, observerend, luisterend, terwijl de vrouw wegliep. Het gevreesde gebeuren zou nog lang niet plaatsvinden. Eerst zou het meisje dansen, zich vrolijk maken en door iedereen aangeraakt worden. Daarna zou ze voorbereid worden op haar reis naar de morgenster, waar de grote kannibaal Donder in de Hemel op haar wachtte.

Hij gluurde door de dichtbevolkte grot. De weerschermen waren omlaag, omdat het gesneeuwd had. Als de hemel niet opklaarde, zouden de leiders misschien van gedachten veranderen en gaan slapen. Dan zou het meisje als het dag werd nog steeds in leven zijn en zou Sheela niet met haar huid om zich heen de ochtend begroeten. Warakan dacht hier lange tijd over na. Hij sloot zijn ogen en wenste dat het leven van het meisje gered kon worden. Daarop viel hij uitgeput van emotie in slaap.

Toen hij wakker werd, liep het feest naar zijn onvermijdelijke climax. De grote vierpersoonstrommels dreunden. Hij voelde zich misselijk. De trommelvellen waren niet goed gedroogd. De klank was dik, zo zwaar als zijn hart. Opeens zag hij Wila vlakbij aan komen stampen. Met een sprong als van een jonge geit wipte hij van de richel en greep haar handen, terwijl hij met haar begon te dansen.

'Ga ervandoor!' fluisterde hij gebiedend. 'Je moet hier weg!' Verbaasd dat ze hem hoorde praten hield Wila op met dansen en keek op hem neer. 'Je kunt praten!'

'Ja, ik kan praten! En jij moet luisteren naar wat ik zeg!' Maar al terwijl hij het zei, zag Warakan aan haar ogen dat er weinig kans was dat hij haar zou overtuigen. De poppetjes van haar ogen waren enorme zwarte poelen die vrijwel al het lichtbruin van haar irissen hadden opgezogen. De paddestoelen hadden haar al stevig op het droompad gezet. 'Wila!' zei hij en trok haar weg van de anderen. 'Je moet weglopen!'

'Waarom? Mijn vader is gekomen om me te redden. Hij vindt het hier zo fijn dat hij besloten heeft om te blijven!' 'Hij zal je doden, Wila!'

Ze knipperde met haar ogen en barstte toen in lachen uit. 'Hij heeft zijn leven gewaagd om naar me toe te komen!'

'En hij zal bij het aanbreken van de dag je leven offeren om een plaats bij mijn volk te krijgen.'

Ze lachte hem uit. 'Ga weg.'

'Ik ga pas weg als je me gelooft. Hij houdt niet van je, Wila. Ik kan het aan zijn gezicht zien als hij naar je kijkt.'

Ze rukte zich los en gaf hem een harde klap in het gezicht. 'Zolang mijn vader bij me is, ben ik veilig. Het volk van de wakende ster is nu mijn volk! Ik ben blij dat Nakantahkeh erin toegestemd heeft lid van hun stam te worden! Shateh was oud en zwak! Ik hoop dat hij sterft! Ik hoop dat jij ook sterft!' 'Dat zal hij,' verzekerde Sheela, die uit het niets was verschenen. 'Nu hij zijn tong teruggevonden heeft, wordt die beslist zijn dood!' Warakan gaf een gil van schrik, want tegelijk met haar dreigement had Sheela hem bij de haren gegrepen en ruw opzij geslingerd. 'Vooruit, Wila.' Sheela legde een arm om het meisje en leidde haar terug naar de kring van dansers.

Warakan wreef beduusd over zijn pijnlijke hoofd toen de dochter van Sheehanal naar hem omkeek. In haar ogen spiegelde zich de dood die hem boven het hoofd hing. De jongen slikte, trok zich toen terug in de schaduw en zocht de eenzaamheid van zijn richel. Hij was doodsbang, en niet alleen om het meisje. Lange tijd zat hij stil, door vrees verlamd. Hij vroeg zich af wat hij doen moest. Hij luisterde naar de trommels, naar het zingen. Na een poosje, toen de bewegingen, het geluid en de vuurgloed een hoogtepunt bereikten, wist hij het antwoord: hij kon niet blijven. Hij wilde en zou niet blijven. Hij wou niet opnieuw getuige zijn van een offer. Hij zou niet toekijken hoe Sheela in Wila's huid danste, zoals ze in de huid van zijn zuster gedanst had. Misselijk van afschuw bij de herinneringen aan de moord en het rituele opeten van de dode, die naar zijn gevoel nu opnieuw werkelijkheid zouden worden, raapte Warakan zijn schaarse bezittingen bijeen: een stenen mes, een kleine priem om leer te doorboren en een rolletje pees om strikken te maken. Hij wikkelde ze in zijn versleten slaapvacht, samen met de stukken vet en de hazenbout. Hij trok vlug zijn winterjak en -broek en zijn jachtmocassins met driedubbele zolen aan, sloeg toen zijn jachtwanten aan hun koord over zijn nek. Ten slotte nam hij zijn twee speren op, klom van de richel af, greep een paar sneeuwlopers en een wintermantel - geen van beide van hem - en verliet de grot. Zelfs de honden zagen hem niet vertrekken.

Een harde wind joeg sneeuw op vanuit het noorden. Hij trok zijn wanten en de mantel aan - een kledingstuk van wolfsvellen met een capuchon dat aan een ruziezoekerige oudere jongen had toebehoord - en bond de sneeuwlopers met hun riemen aan elkaar vast, wierp ze over zijn schouder en haastte zich door de kloof. Het vereiste behoedzaam manoeuvreren om ongezien de schildwachten te passeren, maar aangezien elke stap die hij nam vergezeld ging van een vlaag van sneeuw, bereikte hij weldra het open grasland en rende voor zijn leven. De wind droeg vanuit de grot opzwepende klanken van gezang, dreunende trommels en hoge gillende fluitjes naar hem toe terwijl hij zijn sneeuwlopers vastreeg en toen weer verder holde. Hij voelde zich lekker warm en uiterst tevreden met de reiskleding en de sneeuwlopers die hij gestolen had. De jongen van wie ze geweest waren, zou groen en geel zien van ergernis, zeker als hij zich realiseerde dat dezelfde Warakan die hij zo vaak gepest en bang gemaakt had het lef had gehad ze weg te pakken. Maar na een poosje ebde de voldoening weg. De mantel was zwaar en de sneeuwlopers waren te groot voor hem. Hij moest herhaaldelijk halt houden om de riemen te verstellen. Hij hurkte in de wind om te luisteren en realiseerde zich dat hij de geluiden uit de grot niet langer kon horen. De jongen bleef staan en draaide zich langzaam een hele slag om. Hij hoorde enkel de wind en het geluid van striemende sneeuw. De contouren van het landschap waren vaag zichtbaar en onbekend. Hij was al een flink eind weg. Voor de eerste keer voelde de jongen de drukkende eenzaamheid en vroeg zich af hoe lang hij het zou overleven.

Langer dan als je in de grot gebleven was, bracht hij zich in herinnering. Je bezit vlees en vet. Je hebt speren, pees en een mes. Je kunt vuur maken. Je kunt je warm houden.

De wind sloeg met vlagen in zijn gezicht. Naar de geur te oordelen was het de noordenwind. Hij keerde zijn rug ernaartoe en zette koers naar het zuiden. Het opperhoofd met de naam Shateh moest daar ergens, de wildsporen volgend, in de richting van de Rode Wereld trekken. Hij was oud, zeiden ze, en moe van oorlog en dood. Misschien zou hij een kleine jongen welkom heten die hem wilde waarschuwen dat iemand die eens naast hem gelopen had hem aan zijn vijanden verraden had, en dat terwijl hij zijn volk zuidwaarts leidde om in vrede te leven, de enkelen zich zelfs tot velen aan het formeren waren, zodat ze tegen hem oorlog konden gaan voeren. Maar hoe moest hij hem vinden?

Warakan ademde de nacht diep in. 'Noordenwind, zet me op het juiste pad. Toon me de weg naar de Rode Wereld. Help me deze man Shateh te vinden.'

Hoog boven het Meer van vele zingende vogels werd Han-da, sjamaan van het volk van de blauwe hemel, met een schok wakker. Hij had onder een rietscherm geslapen dat voor hem was opgericht op de rand van de heuvelgrot die hij zich had toegeëigend. De hooggelegen grot had eens aan zijn oude vriend Hoyeh-tay toebehoord. Han-da dacht dat de geest van zijn reeds lang overleden oude vriend het vast niet erg zou vinden dat het volk van de blauwe hemel het dorp had overgenomen nadat Dakan-eh het verlaten had om naar het Land van gras te reizen. Han-da had besloten om met zijn stam naar Dakan-ehs dorp te verhuizen toen de wateren van zijn eigen meerdorp naar de zon waren opgestegen. Han-da keek omhoog. Er vielen waterdruppels op zijn hoofd. Het regende! besefte hij jubelend. Iemand riep zijn naam. 'Han-da! Han-da! Sta op. Dakan-eh komt eraan! Stoutmoedige Man keert terug met regen! Hij slaapt nu al bij het volk van Iman-atl in het dorp van veel riet. Morgen komt hij hierheen! Zal hij ons allemaal vermoorden omdat we zijn dorp hebben overgenomen? Ai-jai! Wat moeten we doen?'

Han-da krabbelde overeind en greep naar zijn rammelaar van antilopescrotum. Omlaagkijkend naar de boodschapper die op hem afkwam, begon de sjamaan de rammelaar heftig te schudden. De handeling maakte hem rustig, ook al zou die hem niet behoeden voor de toorn van Dakan-eh, de hoofdman van dit dorp. Toch bleef Han-da het instrument naar de hemel schudden terwijl de regen hem doornat maakte. Het geluid van de tikkelende botjes en vogelsnaveltjes leidde hem af. Misschien leek zijn rituele daad op het peuteren aan een kleine wond om de angst voor een veel grotere wond niet te voelen.

Het was dan ook meer van angst dan door de koude regen dat Handa's nekharen overeind stonden toen de boodschapper eindelijk naar de grot was geklauterd en druipnat voor hem bleef staan. 'Zullen we de stam wakker maken, Han-da? Zullen we op de loop gaan voor hem die als een woeste krijger uit het Land van gras naar ons toe komt? Het volk beweert dat hij regen brengt, Han-da! Ze beweren dat zijn kracht groot is en dat zijn speren geducht zijn! Aijai! Jij was geen vriend van Dakan-eh. Toen hij de mannen en de sjamanen opriep om zich op de Blauwe Mesas te weer te stellen tegen de vijand, ging jij ervandoor. Je ontdeed je van de heilige steen van onze voorouders en...'

'Genoeg! Jij bent geen sjamaan! Ik heb niemand nodig om mij de geschiedenis van mijn volk te vertellen! Ik schaam me niet! Ik heb er geen spijt van dat ik mijn volk wegvoerde! Uiteindelijk was ik niet de enige sjamaan die zich liever van zijn heilige steen ontdeed dan te strijden met lieden die de macht ervan wilden misbruiken! Nu zijn de stenen weg! En de vijanden zijn vertrokken om elkaar in hun eigen wereld te bestrijden! Heb je gehoord waarom Dakan-eh terugkeert?'

De boodschapper knikte. 'Om weer een man van de Rode Wereld te zijn. En om de levensgeesten van zijn vader en van Na-sei prijs te geven aan de winden die over het land van onze voorouders waaien.'

'Owa-neh is dood?'

'Gedood tijdens een grote jacht! Na-sei ook! Ah, de verhalen die de ronde doen in de dorpen! Ai-jai-jai! Dakan-eh keert vol eerbewijzen naar ons terug!'

Han-da fronste zijn voorhoofd. Hij had Dakan-eh nooit gemogen of vertrouwd, maar het vooruitzicht gedwongen te worden zijn volk terug te brengen naar hun armzalige dorpje aan de oever van wat ooit het meer van de rode hoogten was, was nog veel minder aanlokkelijk. Velen, de hoofdman incluis, waren gestorven nadat het meer een zoutpan was geworden. De frons van Han-da werd nog dieper. De rammelaar zweeg. 'Beweer jij dat Dakan-eh de regen heeft gebracht?' 'Dat beweert Dakan-eh!' 'Heeft hij een sjamaan bij zich?'

'Nee, maar in plaats van één vrouw heeft hij er nu vier en hij heeft...'

'Een hoofdman zonder sjamaan zal niet lang respect afdwingen in de Rode Wereld.' Han-da's ogen vernauwden zich tot spleetjes, hij schudde zijn rammelaar en zei: 'In een land zonder totem is het voor een sjamaan zonder hoofdman moeilijk om beslissingen te nemen die een stam in leven houden... Andersom zal zelfs een stoutmoedige hoofdman als Dakan-eh een sjamaan nodig hebben nu hij naar het land van zijn voorouders is teruggekeerd.' 'Hij heeft regen gebracht, Han-da! Welke sjamaan is daartoe in staat geweest?'

'Jij beweert dat hij zijn doden naar het land van zijn voorouders terugbrengt! Zonder een sjamaan om voor hem te spreken kan het volk zich afvragen of hij de regen heeft gebracht of dat die hem smartelijk volgt. Wie kan zeggen of het een gunstig of ongunstig voorteken is? Een sjamaan zou hun kunnen vertellen... wat Dakan-eh wil dat zij horen.'

'Ga je ons volk dan niet vertellen dat ze weg moeten lopen?' 'Nee. We zullen blijven en de thuiskomers een welkom bereiden. Het is me nu duidelijk dat de vier winden ons niet hierheen gebracht hebben om ons een dorp toe te eigenen, maar om de komst af te wachten van iemand die nu hoofdman van onze stam zal zijn.'

Eindelijk hielden Dakan-eh en zijn grote groep volgelingen halt bij het Meer van vele zingende vogels. Beleefd maar met strenge blik aanvaardde hij het welkom van Han-da. Het was Stoutmoedige Man duidelijk waar de kruiperige sjamaan op uit was. Dakan-eh liet zich niet bedotten. Bovendien zag hij mogelijkheden om de situatie tot zijn eigen voordeel te gebruiken. Als de zaken voor hem niet goed uitpakten, zou hij zijn nieuwe sjamaan de schuld kunnen geven. Hij mocht de man niet. Hij was aanmerkelijk meer gecharmeerd van het uiterlijk van enkele jonge vrouwen van Han-da's stam. Maar het meeste plezier ontleende Stoutmoedige Man aan het besef dat hij opeens opperhoofd van een enorme aanhang was, een groot hoofdman in een dunbevolkt land.

De verantwoordelijkheden van die positie stemden hem ernstig. Het regende niet meer, en de aanblik die het Meer van vele zingende vogels bood, wierp een schaduw over Dakan-ehs geest. De recente regenbui was een welkome aanvulling met zoet water geweest voor de blauwe wateren die zich ooit kilometers hadden uitgestrekt. In zijn afwezigheid waren de oevers echter veranderd in een moeras van rottend, smerig riekend riet. Bruine delen van het oppervlak wezen op ondiepe plaatsen waar ooit diep, helder water een milde, weldadige hemel had weerkaatst. Weldra zou de koude maan boven de Rode Wereld opkomen. Zou die de regen brengen waar zo'n behoefte aan was? Of enkel dunne, droge sneeuw of door de wind opgejaagd stof? Zou uiteindelijk ook dit meer naar de zon opstijgen, zodat zijn volk en hij hier niet meer konden leven? De mensen verzamelden zich om hem heen. Ze vroegen naar wetenswaardigheden uit het Land van gras. Hij was dankbaar voor de afleiding. Hij vertelde hun wat ze wilden horen: zijn medejagers en hij waren roemruchte krijgers op die wonderlijke plek geweest. Nu verlangden ze echter naar het gezelschap van hun eigen volk en naar het land van hun voorouders. Toen Cheelapat en Rayela hem met ongelovige ogen aankeken, waarschuwde hij hen met zijn ogen: ze moesten zwijgen en hun plaats kennen. En toen Kahm-ree mopperde dat Ban-ya aan vreemdelingen was weggegeven, schudde hij zijn hoofd en zei heel vriendelijk: 'Je kunt merken dat de jaren beginnen te tellen voor deze vrouw. Ik heb mijn Ban-ya aan een groot leider geschonken! Een vrouw uit de Rode Wereld zal fier in het Land van gras rondlopen, net zoals de vrouwen die de leider mij in ruil heeft geschonken hier fier zullen rondlopen.' Gevleid door het compliment deden de voormalige vrouwen van Shateh er het zwijgen toe. Toen Ghree gevraagd werd naar de verblijfplaats van Ma-nuk, vertelde ze dat haar vroegere man ervoor gekozen had achter te blijven. 'Maar mijn kinderen en ik hebben ervoor gekozen om met Dakan-eh te lopen. En hij heeft voor ons gekozen! Wij behoren nu tot de vuurkring van de hoofdman!' Een jonge vrouw van een van de stammen die Stoutmoedige Man gevolgd hadden sinds zijn komst naar de Rode Wereld, had vol ontzag geluisterd en slaakte een diepe zucht van bewondering. 'Werkelijk, Dakan-eh is een man die de geesten toelachen! Sinds hij bij ons wegging, heeft het niet geregend. En kijk, nu hij naar de Rode Wereld terugkeert, zijn er wolken aan de verre horizon.' 'Ja, aanschouw de wolken,' zei Han-da. 'Wanneer komen ze naar ons toe, Man Die Regen Brengt?'

Dakan-eh, die de valstrik doorzag, antwoordde hatelijk: 'Jij bent sjamaan, Han-da. Het ligt op jouw weg en op die van je heilige vrienden om te zeggen wanneer het zal gaan regenen. Ik kan alleen regen oproepen en hopen dat die zal volgen.' Stoutmoedige Man richtte zijn blik naar het noorden. Het lichte regenfront dat over de Rode Wereld was getrokken, was niets vergeleken bij de enorme wolken boven het land waar hij vandaan was gekomen. Zijn voorhoofd rimpelde zich. Het litteken trok. Hij herinnerde zich andere tijden en andere stormen, en wenste dat Shateh zou sterven in welke bui er ook maar boven zijn hoofd hing.

In de dagen die volgden zou het volk van Shateh nog vaak terugdenken aan de sneeuwstorm die hen dwong om tijdelijk van hun zuidelijke koers af te wijken en beschutting te zoeken onder aan steile rotsen in de luwte van de oude bizonpoelen. Daar hadden ze in betere tijden vaak gejaagd en veel vlees buitgemaakt. De harde wind en de ziedende sneeuw hadden het reizen ondoenlijk gemaakt, zodat iedereen blij was even te kunnen uitrusten. Sleden werden leeggemaakt, windschermen opgezet en allen installeerden zich om het barre weer uit te zitten. In een nacht en een dag was de sneeuwstorm voorbij.

Naderhand klaagde de jonge moeder over bloedverlies. De kinderen waren prikkelbaar, de oude Lahontay was merkbaar vermoeid. De eeltkussentjes onder de hondenpoten hadden aandacht nodig. 'We zullen in dit kamp blijven,' deelde Shateh hun mee, terwijl hij rusteloos de hemel afspeurde. 'Maar op z'n hoogst twee dagen. Dan trekken we verder.'

Het bleek een goed kamp te zijn. Er werden herten gevangen. Zowel mensen als honden aten er goed van. Omwille van de nieuwe moeder Senohnim werd er nog een derde dag gerust. 'Morgen bij zonsopkomst gaan we verder,' vertelde Shateh hun. Maar bij zonsopkomst kwam er een wolf het kamp binnenstrompelen. De honden renden er blaffend en grommend op af. De wolf krijste. Voor Shateh en zijn volk zou nooit meer iets hetzelfde zijn. De wolf had gekrijst met de stem van een jongen. 'Vort! Af! Ga weg!'

'Overvallers?' Lahontay kwam overeind en greep naar zijn speer terwijl Shatehs stamleden van alle kanten kwamen aanrennen. Wat ze zagen, was een jongen in een wolfachtige mantel, die een paar speren vasthield om zich de honden van het lijf te houden. Shateh waadde tussen de honden door en joeg ze terug. Hij stak hoog boven de jongen uit. 'Overvallers?' Hij grinnikte naar Lahontay: Als dit het formaat was van de overvallers die in het verleden tegen ons zijn opgetrokken, zouden ze allemaal door de wind zijn weggeblazen!' Hij zag op het kind neer. 'Wie is het die onuitgenodigd het kamp van Shateh binnenkomt?'

Wankelend op zijn grote sneeuwlopers slaakte de nieuwkomer een zucht van uitputting. 'Het is Warakan die onuitgenodigd dit kamp binnenkomt! Warakan, die van het volk van de wakende ster is weggelopen! Hij komt als vriend om aan Shateh vertellen dat degene die de naam Nakantahkeh draagt, jou aan mijn volk verraden heeft.

Tegen deze tijd heeft hij zijn eigen dochter aan Donder in de Hemel geofferd om zijn trouw aan hen te bewijzen. Tegen deze tijd is hij een man van het volk van de wakende ster. Samen met Tsana, Jhadel en Sheela wil hij een groot bondgenootschap sluiten met de stammen die Shateh eens Broeder noemden. Ze zullen naar je toe komen. Ze willen je opsporen en doden. Daarna gaan ze de totem zoeken en degene die Stoutmoedige Man van de Rode Wereld genoemd wordt, ter dood brengen!'

Ban-ya, die niet ver van de andere vrouwen stond, snakte naar adem.

Haar reactie ontging Shateh niet.

'Ze zullen komen als de wervelwind,' zei Warakan. Niet langer in staat om te blijven staan, liet de jongen zich op zijn knieën zakken. 'Ze zullen Shateh wegvagen, tenzij je voor hen wegrent. Laat Warakan met je mee rennen, Shateh! Ook ik ben moe van de dood!' De ogen van het opperhoofd vernauwden zich. Het duurde enkele ogenblikken voor hij sprak: 'Het volk van de wakende ster zal tijd nodig hebben om dit bondgenootschap te sluiten waarover jij spreekt. En vervolgens zal het hun tijd kosten om Shateh op te sporen. Shateh zal dan inmiddels de Rode Wereld hebben bereikt en een eigen bondgenootschap gesloten hebben.'

'Met hagediseters?' vroeg Wehakna, terwijl ze weifelend haar hoofd schudde.

'Met Dakan-eh Die in de Gunst van de Vier Winden Loopt!' antwoordde Shateh resoluut.

'Met Stoutmoedige Man Die De Wervelwind Verjaagt!' voegde Ban-ya er trots aan toe.

Haar toon beviel Shateh niet. Er viel een doodse stilte onder het volk.

'Vooruit,' zei het opperhoofd. 'We moeten het kamp opbreken en verder trekken.'

'Gaat Warakan ook mee?' De vraag van de jongen klonk zo hoopvol dat iedereen bleef staan.

'Laat hem achter, Shateh. Hij behoort tot de vijand!' waarschuwde Lahontay. 'Misschien komt er een tijd dat de man die hem Zoon noemt...'

'Geen man noemt mij Zoon.' Warakan stortte zijn hart uit. 'Geen vrouw antwoordt als ik Moeder roep. Mijn zuster is aan Donder in de Hemel geschonken. Als ik niet met Shateh mee mag, zal ik in de wind lopen. Ik wil niet meer bij het volk van de wakende ster horen!'

Weer viel er een stilte onder het volk.

Toen stak Shateh zijn hand naar Warakan uit. 'Kom, jongen. Jij blijft bij ons.'