9
Shateh werd met een schok wakker. Vanuit het noorden was het gaan waaien. En er kwam iets mee met de wind. Het opperhoofd ging overeind zitten om te luisteren. De mannen die aan de rand van het tijdelijke kamp de wacht hielden, hadden geen alarm geslagen. De honden blaften niet. Alert op gevaar tuurde Shateh de duisternis in, maar hij kon naar alle kanten slechts een paar passen ver kijken. Wolken hadden zich als een deken over de aarde gevlijd. De sterren waren verdwenen en de nacht was veranderd in een rivier van mist die griezelig om hem heen bewoog. Ergens ver weg klonk de schrille roep van een nachtzwaluw, of had hij zich het geluid alleen maar ingebeeld, vroeg Shateh zich af. Hij kwam er niet uit. Een van de honden blafte nog eens. Daarna was het stil.
Het opperhoofd trok zijn zware reismantel van berenhuid over zijn hoofd en nestelde zich erin. Er was slecht weer op komst, daar was hij zeker van. De wind droeg onmiskenbaar de geur van ijs met zich mee. Hij ademde een paar keer in en uit en wist nu wat hem uit zijn diepe, droomloze slaap had gewekt: grote witte winter was in het noorden ontwaakt en rukte op over de wereld. Veel te snel, dacht hij. Mijn volk moet de kudde nog vinden, nog jagen, vlees buitmaken, en huiden voor nieuwe hutten. Dit is niet goed! Naast hem kreunde Ban-ya in haar slaap. Ze huiverde onder de bizonhuid die hij haar gegeven had. Hij had spijt dat hij haar gedwongen had afstand te doen van haar mantel van prairiewolfvellen. Dat had haar verdriet gedaan en haar ellende vergroot. Maar wat had hij anders kunnen doen om de giftige tong van Atonashkeh het zwijgen op te leggen en de even giftige vrouwen van zijn zoon te kalmeren? Iedereen was boos en geschokt geweest toen hij met Ban-ya uit het bos was teruggekeerd. Atonashkeh had ongetwijfeid rondverteld dat hij het opperhoofd had aangeraden de nieuwe vrouw te doden.
Zijn zoon had voor het oog van de hele stam nog eens herhaald dat de aanwezigheid van Ban-ya hun misère zou laten voortduren. Shateh had verontrusting en wantrouwen, afgunst en haat op de gezichten van zijn volk gezien. Het opperhoofd besefte meteen dat hij Ban-ya alleen bij zich kon houden door haar een lagere status in de stam te geven. Dus had hij haar een klap gegeven. Daarna had hij zijn twee vrouwen bevolen de haren aan de voorkant van haar hoofd af te snijden. Ze had geprobeerd te ontsnappen, maar hij had haar met haar armen op haar rug vastgehouden. En toen Nani, Atonashkehs zwangere tweede vrouw, hebzuchtig naar Ban-ya's mantel keek en zei dat die veel te goed was voor een slavin, had hij het kledingstuk van Ban-ya afgepakt en het aan de andere vrouw gegeven. Shateh gromde bij de herinnering. De voortdurende uitdagingen van zijn zoon zinden hem niet. Zelfs als het zover kwam dat Ban-ya hem niet meer beviel, dan zou hij haar alleen al in leven houden om Atonashkeh te ergeren en duidelijk te maken wie hier de leiding had. Maar de vrouw was hem geweldig bevallen. Alleen bij de gedachte op haar te liggen, werd zijn mannenbeen al hard en voelde hij zich jong en viriel.
Opnieuw hoorde hij Ban-ya kreunen in haar slaap. Shateh schaamde zich. Hij had zich als een bruut gedragen. Dat lag hem niet, en het zou hem niet weer gebeuren. Dat had hij zichzelf al gezworen. Maar als leider en sjamaan kon hij zich niet vernederen door over die eed te vertellen, niet aan een vrouw en zeker niet aan een hagediseetster.
De hele dag had hij haar geobserveerd terwijl ze hem stoïcijns volgde, een aantal passen achter Wehakna, Senohnim en hun dochters. Ban-ya gehoorzaamde hem en zijn vrouw, maar weigerde op Nani's spotternij te reageren. 'Kijk mijn nieuwe mantel eens, slavin! Had jij niet zo'n mooie mantel willen hebben? Kijk eens hoe goed hij me past? Alsof hij speciaal voor me is gemaakt!'
Toen het duister was ingetreden en vermoeidheid zijn rondtrekkende stam had gedwongen een kamp op te slaan, had Shateh, de woeste blikken van Atonashkeh negerend, Ban-ya van zijn andere vrouwen weggeleid en haar getoond dat hij ook teder kon zijn. Weer had hij melk uit haar gespannen borsten gezogen om de pijn te verzachten die het gedwongen spenen van haar zoon haar bezorgde. Zijn uitgebreide betastingen hadden zelfs de onwilligste partners onveranderlijk in vuur en vlam gezet, maar Ban-ya was niet in vuur en vlam geraakt. Uiteindelijk was ze een passief werktuig van zijn hartstocht geweest.
Het had hem teleurgesteld. Maar ze was ook vermoeid geweest van een hele dag lopen. Bovendien had het verlies van haar haren inderdaad haar levenslust ondermijnd. Hij bracht haar naar het nachtelijke kamp terug. Daarna viel ze na een karig maal en een tweede vrijpartij op haar zij in slaap, naakt onder een zware, verwaaide bizonmantel, haar gezicht van hem afgewend.
Hij fronste zijn voorhoofd. Haar ademhaling was oppervlakkig en onregelmatig. Hij lichtte haar mantel op, trok zijn berenvel over hen beiden heen en ging tegen haar aan liggen. Haar dicht naar zich toe trekkend liet hij zijn hand over de welving van haar zijde en heup glijden, daarna over haar buik naar boven om haar borsten te strelen. Hun volheid en warmte wekten zijn mannelijke behoefte. Totdat Ban-ya zijn aanraking met een diepe, bevende zucht van ellende beantwoordde. 'Dakan-eh... Piku-neh...' kreunde ze.
Shateh zuchtte diep. Zijn begeerte was weg. Hij zuchtte nog eens, sloot zijn ogen en probeerde te slapen. Af en toe hoorde hij het zachte gekreun van Wehakna, die achter hem sliep. Het deed hem pijn. De rouwperiode was voorbij, maar Wehakna had nog steeds verdriet om het verlies van Kalawak, zoals Ban-ya verdriet had omdat ze Piku-neh miste.
Dachten zijn vrouwen dat hij zijn eigen verdriet in het verwoeste dorp aan de rivier had achtergelaten? Geloofden ze dat hij, als man, leider en sjamaan, minder onder het verlies van een zoon, ja, van al zijn omgekomen zonen leed?
Hij probeerde zichzelf te troosten, maar zijn hart was zwaar. De wind vertelde hem dat er sneeuw op komst was. Als het ervan kwam, zou het waarschijnlijk maar een korte bui worden: dunne sneeuw, louter een voorproefje van de verblindende sneeuwstormen die nog zouden volgen. Zijn volk kon het best aan. De zon zou snel genoeg terugkeren en het land verwarmen, zodat zijn stam verder kon trekken, op zoek naar bizons langs de vertrouwde trekroutes van het seizoen. Weldra zouden ze de kudde vinden, het leven zou weer goed zijn. Weldra zou zijn volk weer in veiligheid verkeren, rijk aan vlees, huiden en trots. Als het Volk van gras ten slotte voor de grote herfstjacht samenkwam, waar dat ook zou worden, zou hij zijn mensen trots tussen de vele stammen door leiden. Alle leiders en sjamanen die hem de rug hadden toegekeerd uit angst dat hij de oorzaak was van het verlies van hun gelukkig gesternte, zouden in elkaar krimpen en hun blik beschaamd afwenden. Ze zouden beseffen dat hij hun gelukkige gesternte, hun sterkte en kracht was, net zoals hij dat vanaf zijn jeugd was geweest, toen hij hen voor de eerste keer geïnspireerd had om tegen Ysuna en het volk van de wakende ster op te staan, hun leven als mammoetjagers in een aan mammoet arme landstreek achter zich te laten en zich op bizonvlees te richten. Eindelijk doezelde hij in slaap, een heel prettige slaap. Met een lange, sterke arm hield Shateh zijn nieuwe vrouw dicht tegen zich aan en droomde over zijn jeugd en over een witte mammoet die de opkomende zon tegemoet sjokte.
De overvallers, onzichtbaar genaderd onder dekking van de mist, betraden het kamp toen het begon te sneeuwen. Ze maakten volstrekt geen geluid en waren in de duisternis en de opstekende wind niet te ontdekken. Totdat de gil van een vrouw in stervensnood hun aanwezigheid verried en iedere man en vrouw, elke hond en ieder kind in Shatehs kamp overeind sprong om zich te verdedigen. Maar tegen die tijd was het te laat. Met de wind, de mist en de jachtsneeuw als hun samenzweerders verdwenen de overvallers even snel als ze gekomen waren.
Het kamp van Shateh was een verward toneel van jammerende vrouwen en huilende kinderen terwijl de krijgers zich verzamelden om de verliezen te inventariseren: twee mannen waren gedood, verscheidene anderen waren gewond, en er ontbrak een kind. Ai-jai-jai! Wila, mijn Wila! Heeft iemand mijn Wila gezien?' riep een van de vrouwen van Nakantahkeh. 'Misschien heeft ze zich verstopt?' opperde een andere vrouw. 'Ja! Vooruit, we gaan haar zoeken. We moeten mijn Wila vinden en...'
'Blijf waar je bent!' beval Shateh. 'Niemand mag dit kamp verlaten tot de krijgers van deze stam zich ervan overtuigd hebben dat er geen "wolven" meer in de buurt zijn.' 'O, boze geesten... boze geesten...' kreunde Wila's moeder. Verdoofd riep ze keer op keer de naam van haar dochter, tot Atonashkeh haar zei dat ze haar mond moest houden. Shateh draaide zich om. Er had iets van waanzin doorgeklonken in de stem van zijn zoon. Hij liep langzaam door de wind en de vallende sneeuw tot hij Atonashkeh duidelijk zien kon. Zijn zoon zat geknield bij een besneeuwd bontheuveltje waar een speer doorheen gedreven was. Langzaam trok Atonashkeh met trillende hand de mantel van prairiewolfvel weg, waaronder zijn tweede vrouw lag. De hoogzwangere Nani lag roerloos, opgerold als een foetus, doorspietst, levenloos, met wijdopen mond en starende blik, haar keel van oor tot oor open.
Cha-kwena suisde neer uit de nacht op de vleugels van Uil, afdalend door lange, verticale spiralen van sterren die zijn naam schenen te fluisteren terwijl hij op aarde terugkeerde. Hij had een ijl gevoel in zijn hoofd. Waar was hij? Hij herinnerde zich niet dat hij het kamp verlaten had.
Tot zijn verbazing bevond hij zich op de ruwe, bemoste top van een enorme kei. Een eenzame leeuw brulde in de met grotten bepokte heuvels. De jonge, bijna naakte sjamaan huiverde, zich bewust van zijn kwetsbaarheid. Bang dat hij in de duistere diepte beneden hem zou storten, zette hij zijn sandalen stevig neer. Zijn hoofd begon te bonzen. Hij wreef zijn ogen uit en keek om zich heen. De nachtelijke hemel zei hem dat hij lange tijd van de wereld was geweest tijdens zijn reis tussen de sterren. Weer brulde de leeuw. Hij speurde de nachtelijke heuvels af. Toen bleef zijn blik rusten op zijn twee lievelingssperen en zijn reiszak, die zijn vuursteentjes en klopgereedschap bevatte, en toen op het foedraal met de magische speerpunten. Opgelucht en blij dat hij zijn wapens en reiszak mee had gebracht, ging hij op zijn knieën zitten en maakte de riem van het foedraal los. De drie projectielpunten zaten er nog steeds in, elk afzonderlijk in huid gewikkeld. Hij vroeg zich af waarom hij ze uit het kamp had meegenomen. Hij betastte de talisman om zijn hals en vroeg aan de nacht: 'Hoe ben ik op deze plek terechtgekomen met deze dingen die mij heilig zijn? En waarom?' Langzaam, amper beseffend wat hij deed, legde hij de eerste van de drie speerpunten open en bloot voor zich neer. De bleke, door de sterren beschenen
speerpunt van chalcedoon was zo breed als zijn handpalm en bijna
zo lang als zijn dij. Hij huiverde opnieuw.
'Alleen met deze speerpunten kan de totem gedood worden.'
Wie had die woorden gezegd? Boven hem scheerde een gevleugelde gedaante langs de sterren. 'Uil? Ben jij het, Uil?'
'Degene die de totem het leven, het bloed en het vlees beneemt, wordt de totem... wordt onsterfelijk!'
'Uil?' Hij pakte de magische speerpunt weer in, bond het foedraal dicht, ging staan en tuurde naar de hemel. 'Waar zit je Uil?' 'Bewaar ze veilig, Cha-kwena. Broeder der Dieren, Hoeder van de Totem. Bewaar ze veilig in de hoede van de heilige steen en de voorouders tot het tijdstip dat voorzegd is!' 'Grootvader? Ben jij het, Grootvader?' 'Cha-kwena!'
Ademloos, met bonzend hoofd, tuurde hij omlaag en zag dat Mah-ree vanaf de voet van de grote kei naar hem riep. Vriend en verscheidene andere honden waren bij haar. De dieren gingen liggen, maar zij klauterde naar boven en kwam naast hem zitten. Met een aanbiddelijke glimlach overhandigde ze hem zijn mantel van konijnenvel en een slappe drinkblaas. 'O, sjamaan van me, je was geweldig vannacht! Zoals je danste! Zoals je zong! Hoyeh-tay zou zo trots geweest zijn!' Haar woorden deden hem minder dan de warme mantel en de verwarmende drank. Hij bleef zitten en zonder eraan te denken iets ervan te delen, dronk hij de flacon helemaal leeg. Ze maakte geen bezwaar. 'Ik heb het laatste restje voor jou bewaard,' vertrouwde ze hem toe, terwijl ze de korte cape van konijnenvellen gladstreek, die ze om haar overigens naakte bovenlijf droeg.
'Hoe heb je me gevonden, Mah-ree? Waar ben ik eigenlijk?' Ze haalde haar schouders op. 'Vlak achter het kamp. Toen je wegliep nadat de anderen waren gaan slapen, dacht ik dat je het misschien koud zou hebben, dus heb ik je mantel meegebracht. Je bent lang niet zo ver gegaan als anders. Waarom moet je altijd zulke moeilijk bereikbare hoge plekken uitzoeken om met de geesten te spreken, Cha-kwena?'
'Omdat ik alleen wil zijn. Op een dag zal ik een hoge plek opzoeken die je nooit zult vinden!'
'Haha! Ik zal je altijd weten te vinden. Samen kunnen we ook alleen zijn.'
Hij rolde met zijn ogen, vastbesloten haar te negeren.
Maar ze boog zich dicht naar hem toe en vroeg koket: 'Ben je boos op me omdat ik je achternakwam?'
'Ja.' Cha-kwena besefte dat dat niet waar was. Hij was dankbaar voor de mantel en wist dat hij haar behoorde te bedanken voordat hij haar wegstuurde. Op dat ogenblik trompetterden er mammoets in de duisternis. Hij luisterde opgetogen en probeerde de verschillende dieren uit elkaar te houden.
'Ik hoor Levenschenker,' fluisterde Mah-ree eerbiedig. 'Luister. Anderen van zijn eigen soort nodigen hem uit om met ze door het nieuwe land te lopen, om uit verborgen poelen te drinken, om in mooie, uitgestrekte weiden te lopen, waar de mammoetsoort graast en zijn jongen in vrede en veiligheid ter wereld brengt. Hij antwoordt dat hij heel blij is ze te zien. Nu praten ze tegen hem over alles wat ze gezien en gehoord hebben sinds hij naar ze toe reisde over de lange...'
'Je kunt niet weten wat ze zeggen, Mah-ree!'
'Toch wel! De taal van de dieren met de grote slagtanden is een taal van klanken en zuchten, van aanrakingen en schommelingen, niet van woorden... Maar het is toch een taal, net zo goed als mensen met hun gebaren, met hun ademhaling en met hun blikken met elkaar kunnen praten... Kijk, zo.'
Hij keek haar aan en schrok toen ze dichterbij kwam, was verbaasd toen ze zuchtte, glimlachte en hem met ogen vol sterrenlicht zonder één woord te uiten liet weten dat ze van hem hield. 'Jij houdt ook van mij. Dat weet ik!'
Hij stond op het punt om snauwend te ontkennen. Het geroep van de mammoets hield even plotseling op als het begonnen was. Mah-ree luisterde bezorgd.
'Grootvader van Alles is moe,' fluisterde ze. 'Hij zegt dat hij wil rusten. Wat heb je voor hem en voor ons in de sterren gezien, Cha-kwena?'
Hij keek naar boven. Zijn starende blik volgde de nevelige rivieren van licht waarin hij deze nacht gebaad had. Zijn ogen zochten de heldere lichten die niet zo trilden als de andere. Hoyeh-tay had hem geleerd dat dat de bakens naar de kampen van de voorouders in de wereld voorbij deze wereld waren. Hij fronste. Wat had hij vannacht ook alweer in de sterren gezien? Vreemd... hij kon zich niets van zijn reis herinneren.
'Ah!' riep Mah-ree uit, terwijl ze wees. Zijn adem stokte. Hij had hem ook gezien, een vallende ster, oplichtend in het noordelijke kwadrant van de nacht, en toen nog een. Beide gloeiden op boven de enige ster die een betrekkelijk vaste positie in de hemel innam: de wakende ster. 'Wat betekent dat, Cha-kwena?'
Hij knipperde ongerust met zijn ogen. Als sjamaan behoorde hij het antwoord te weten. Meteoren waren vaak genoeg voorgekomen aan de heldere nachthemel van de verre Rode Wereld. Hoyeh-tay had hem geleerd dat ze een teken van leven of dood voor het volk betekenden, en als gunstig of ongunstig beschouwd moesten worden afhankelijk van de voortekenen die ermee gepaard gingen. Maar vannacht had hij twee sterren zien vallen, vlak na elkaar, als was het er één. Aangezien ze langs de noordelijke hemel waren getrokken, herinnerden ze Cha-kwena aan zijn vijanden, het volk van de wakende ster. Het was een verontrustende gedachte, al wist hij dat ze ver weg waren, in een andere wereld, overwonnen door andere vijanden: door hen die hem eens Vriend hadden genoemd. Met een boze frons dacht hij aan Dakan-eh. 'Wat is er, Cha-kwena?'
Cha-kwena antwoordde niet. Hij bleef de betekenis van de twee opeenvolgende vallende sterren overpeinzen en vroeg zich af of er misschien nergens een vredig gebied te vinden was waar zijn volk voorgoed in harmonie zou kunnen leven. Wellicht bestond er in de hele wereld niet zo'n plek voor de kinderen van Eerste Man en Eerste Vrouw.
Hij herinnerde zich het scheppingsverhaal van de voorouders: hoe Eerste Man en Eerste Vrouw uit het noorden gekomen waren, van de wakende ster, van ver voorbij een zee van ijs, door een magische, verschrikkelijke Gang der stormen, naar een Verboden Land, waar ze monsters gebaard hadden: de tweelinggoden van tweedracht en oorlog, die voorbestemd waren om voor eeuwig onder het volk te verkeren.
Lagen de tweelingmonsters wellicht voortdurend op de loer aan de nachtelijke hemel, waar het volk ook ging? Wachtend op een kans om neer te dalen en te knagen aan de banden die de stam bijeenhielden? Huiverend schudde hij de gedachte van zich af. Hij wilde het niet geloven, vannacht niet.
Naast hem had Mah-ree haar eigen gedachten gevolgd. 'Zag je het, Cha-kwena? De baan die de twee sterren volgden, wees in zuidoostelijke richting. Het moet beslist een teken van de voorouders zijn, een voorteken dat de juistheid van het pad bevestigt waarlangs de totem en jij het volk geleid hebben. Eindelijk zal het ons goed gaan. Daar ben ik zeker van!'
Toen deed hij, bedwelmd door haar geestdrift en dankbaar voor haar optimisme, iets heel vreemds. Hij nam haar knappe gezichtje in zijn handen en kuste haar: de kus van een man, stevig op de mond.
Zonder ook maar een moment te aarzelen sloeg ze haar armen om zijn nek en beantwoordde zijn kus: zoals een vrouw dat doet, hartstochtelijk. Daarna keek ze hem aan: 'Ik zal een goede vrouw voor je zijn, Cha-kwena! Let maar op!'
Hij was helemaal beduusd. De pijn in zijn hoofd was nu verdwenen, maar de sterren straalden nog in Mah-rees ogen. De olie-essence van paarsrode salie die ze door haar haren had gekamd, bedwelmde hem. Had ze altijd zo zoet geroken en er zo mooi uitgezien? Ze had helemaal niets van een klein meisje. Integendeel, ze leek zoveel op haar zuster dat het bijna was alsof hij de mooie Ta-maya in zijn armen had. Hij schudde zijn hoofd om het beeld kwijt te raken; het lukte niet. Zijn lichaam reageerde. 'Wat lijk je vannacht op je zuster, een beetje te veel, misschien. Je kunt maar beter teruggaan naar het kamp, Muskietje.'
'Je hebt me beloofd me niet meer zo te noemen, Cha-kwena!' 'Ja, dat klopt. Lang geleden.'
'Zo lastig ben ik toch ook niet, of wel? Ben je blij met de warme mantel en de warme drank?'
'Ja... met de warme mantel en de warme drank.'
'En ook niet al te treurig dat je me ziet, denk ik! O, Cha-kwena, ik ben voor jou bestemd. Je weet dat ik dat ben!'
'Gah-ti denkt er anders over.'
'Gah-ti kan me niets schelen! Hij is een onervaren jongen, die zal moeten wachten tot Joh-nee en Tla-nee opgroeien. Waarom zou ik me met hem bezighouden? Ben je vergeten dat jij ooit een leeuw voor mij probeerde te doden en je leven waagde om het mijne te redden en...'
'Dat ben ik niet vergeten. Maar dat was lang geleden. Bovendien was de leeuw oud en misschien niet van vlees en bloed.'
'Je was dapper en geweldig,' hield ze vol. Ze vlijde zich tegen hem aan en drukte haar lippen opnieuw op de zijne.
Hij liet het toe, ook al zei hij tegen zichzelf dat hij de kus behoorde af te breken. Maar haar mond was even zoet als haar haren, even vochtig, open en uitnodigend als...
Hun kus werd onderbroken toen het plotselinge geblaf van een van de honden hen deed opschrikken. Terwijl Mah-ree zich aan Cha-kwena vastklemde, luisterden ze gespannen toe, bedacht op de mogelijkheid dat er vanuit de duisternis roofdieren op hen af slopen. Toen de hond niet opnieuw blafte, ontspande Cha-kwena zich, en hij verzekerde Mah-ree dat ze veilig waren op de kei. 'Ik heb mijn speren bij me.'
Ze knikte, met grote ogen, nog steeds van slag. 'Zal Grootvader van Alles veilig zijn in dit nieuwe land, Cha-kwena? Hij klonk vannacht zo vermoeid. Zullen beesten die niet weten dat hij totem is hem als vlees beschouwen?'
De vraag zweefde als rook door Cha-kwena's gedachten. Verstrooid en in de ban van het meisje, gaf hij geen antwoord; zijn ogen waren weer in de hare opgegaan. Haar gelijkenis met Ta-maya was verbijsterend. Misschien was ze Ta-maya? De veronderstelling was dwaas, en dat wist hij, maar hij was te bedwelmd om zich daarom te bekommeren. Na een paar ogenblikken ontspande ze zich in zijn armen. Volledig in de ban van elkaars betovering kusten ze elkaar opnieuw, gingen samen op de steen liggen en waren weldra één onder de sterren.
De mammoets zwegen. De leeuw in de heuvels was allang opgehouden met brullen. De honden hielden aan de voet van de kei de wacht tegen roofdieren...
In het kamp van de stam sliepen de vrouwen, de kinderen en Siwi-ni met haar nieuwe dochter. Kosar-eh, die zijn oudste zoon Gah-ti de eer had verleend om in zijn eentje de wacht te houden, gaf zich over aan de meest hoopvolle dromen die hij sinds jaren gekend had.
Met Mah-ree dromend in zijn armen gleed Cha-kwena glimlachend in slaap. De noordenwind speelde zachtjes door de vacht van zijn mantel. Hoewel hij de kou amper voelde, trok hij het kledingstuk over hen heen. Hij vertrouwde erop dat de krachten der schepping hem vannacht toelachten, want na zoveel lange, bittere manen was hij beslist in een goed land, met de mooie Ta-maya in zijn armen, eindelijk veilig voor zijn vijanden.
Verscholen tussen roodbastige heesters, niet ver van de voet van de kei, zat Gah-ti gehurkt bij de honden. Hij had alles gezien wat er tussen Mah-ree en Cha-kwena gebeurd was. Gah-ti omklemde het heft van zijn speer tot zijn knokkels wit werden. Tranen van teleurstelling en machteloze woede welden op in zijn ogen. Maar hij wilde ze niet de vrije loop laten. Hij stond op, draaide zich om en liep terug richting kamp.
Als dit is wat ze wil, laat haar dan maar, ze mag hem hebben! Wat ik niet op het spel zette door achter haar aan te gaan om haar tegen roofdieren te beschermen! Nooit weer! Nooit! Als de leeuw die in de heuvels brulde achter haar aan komt, laat Cha-kwena hem dan maar doden! Als je haar mag geloven, is hij ook Leeuwendoder, en niet alleen sjamaan!
Helemaal in de ban van dit nieuwe gezichtspunt draaide hij zich snel om en keek omhoog. Niet naar de kei, maar naar de donkere heuveltop erachter, waar hij de leeuw eerder had gehoord. Hij had het geluid al gelokaliseerd. Omdat hij er zeker van was geweest dat het dier te ver af was om voor hem of de stam een reële bedreiging te vormen, had hij zijn rol van bewaker gelaten voor wat die was. In plaats daarvan had Gah-ti zich op een andere, in zijn ogen veel belangrijkere taak gestort.
Met zijn blik naar de hemel herinnerde hij zich nu de twee vallende sterren. Hoop laaide in hem op, en die verdreef zijn angst. 'Mah-ree zal toch de mijne worden,' beloofde hij plechtig aan de sterren. 'Nooit zal ik haar meer Onervaren Jongen tegen me horen zeggen! Nooit meer zal ze durven beweren dat Gah-ti geen man is! Cha-kwena mag sjamaan zijn, de eerstgeboren zoon van Kosar-eh zal een Leeuwendoder zijn!'
In de winderige, besneeuwde duisternis keek Sheela haar krijgers woedend en uitdagend aan. 'Ik heb de vrouw Ban-ya eigenhandig gedood,' sprak ze. 'Maar dat is niet voldoende. Ik wilde haar gevangennemen, maar ik kon niet riskeren dat ze ging gillen. Dat zou de anderen wakker gemaakt hebben. Ik zeg jullie nu dat ik niet naar ons bolwerk terugkeer voordat ook Dakan-eh dood is!' Tsana schudde zijn hoofd. 'We zijn niet gekleed op al deze sneeuw en kou. Wees dankbaar voor het succes van de nachtelijke overval. Ik ben in elk geval tevreden dat het...'
'Succes?' barstte ze uit. 'Pas als ik hem die mij te schande zette en de dood van Rikiree veroorzaakte, heb gedood, zal ik tevreden zijn. Pas dan zal ik onze overval een succes noemen!'
De andere mannen bleven zwijgen. Hun jeugdige gevangene stond tussen hen in. Ze liet haar hoofd hangen en rilde van kou, uitputting en angst.
Tsana redeneerde kalm. 'We zijn zonder doden of gewonden uit deze aanval weggekomen. Jhadel zal zeggen dat de krachten der schepping inderdaad op de hand van de dochter van Sheehanal zijn. Donder in de Hemel heeft zijn volk beschermd. De aanwezigheid van de gevangene zal het bewijs vormen. Echt, we hebben vannacht goed werk verricht.'
Sheela keek op Wila neer. Haar gezicht was asgrauw en verwrongen van haat jegens het meisje. 'Waarom zo rustig, dochter van Nakantahkeh? Anders aarzelde je nooit om me te bespotten en over me te klikken. Praat! Toon me hoe dapper je bent nu jij het bent die in slavernij verkeert!'
Het meisje barstte in tranen uit. 'Mijn vader is een groot krijger! Hij zal me komen halen. Als hij jou te pakken krijgt, mag je van geluk spreken als slavernij het enige is waarover je te klagen hebt!' 'Is dat zo?' schimpte Sheela, terwijl ze zich vooroverboog en het meisje dwong om haar aan te kijken. 'Ik zal jou eens vertellen wat er gaat gebeuren, dochter van Nakantahkeh. De komende dagen zullen wij jouw volk, waar het ook gaat, volgen en tergen en op hen jagen. Steeds als ze ons het minst verwachten, zullen we tevoorschijn komen. Ze zullen leren om in angst voor ons te leven, net als zij ons gedwongen hebben in angst voor hen te leven. We zullen ze met plezier doden - allemaal - en jij mag toekijken. Ja, Wila. Ik zal ervoor zorgen dat je ze ziet sterven: je moeder, je vader en je zuster... Net zoals ik mijn familie heb zien sterven. En als dit gebied is gezuiverd, zal het volk van de wakende ster naar het zuiden trekken om andere vijanden te zoeken. We zullen ze vinden, die lui die onze totem voorbij de rand van de wereld verdreven hebben. We zullen het visioen van Ysuna, Dochter van de Zon, in vervulling laten gaan. We zullen op de grote witte mammoet jagen en hem doden, ons aan zijn vlees te goed doen en ons aan zijn bloed bedrinken. Zijn macht zal de onze worden. We zullen onsterfelijk, onoverwinnelijk worden. Iedereen die tegen ons zal proberen op te staan, zal sterven.'
Wila beefde hevig toen Sheela was uitgesproken. De vrouw richtte zich op in haar volle lengte en vestigde, omstuwd door sluiers van jachtsneeuw die het zicht in het gierende donker bemoeilijkten, haar aandacht weer op de krijgers.
'Luister!' De zware stem van Tsana kwam boven de wind uit. Sheela verstijfde. Naast haar begonnen de honden te grommen. 'Ja, ik luister.'
'Onze vijanden komen achter ons aan,' bevestigde Ston met een grimmige knik van zijn hoofd.
Wila gilde. 'Nakantahkeh! Hier ben ik! Ik ben hier!'
Ston tilde het meisje op en wierp haar over zijn brede schouder.
'Vooruit! Snel!' drong Sheela aan.
Terwijl de groep het op een lopen zette, gilde Wila opnieuw: 'Nakantahkeh! Ik ben hier, help me asjeblieft!'
Het duurde een tijdje voor het krijgshaftige gezelschap halt hield. Sheela liep op Wila af toen het meisje van Stons schouder op de grond getild werd. 'Heb je je niet afgevraagd waarom niemand moeite deed je geschreeuw te stoppen?' vroeg de vrouw met een zoetsappige glimlach. 'Nee? Dom kind, we gebruikten je geroep om jouw "redders" in de val te lokken.'
'Atonashkeh! Wacht!'
Maar de zoon van het opperhoofd wachtte niet. Shateh was er boos maar niet verbaasd om. Het kon niet anders of Atonashkeh was half verblind door de sneeuwstorm en roekeloos van pure razernij. Zwaaiend met zijn speren, Nakantahkeh en de anderen aansporend om met hun honden te volgen, rende hij de storm in. 'Vanwege hen die gestorven zijn! Vanwege mijn gedode Nani en vanwege Wila zullen we niet van wraak afgebracht worden, zelfs niet door de macht van grote witte winter!'
Onstuimige, onbezonnen woorden, dacht Shateh, kokend van woede. Hij betwijfelde of zelfs Stoutmoedige Man van de Rode Wereld zo onvoorzichtig met zijn medejagers of met zijn eigen leven zou zijn omgesprongen. Slechts een handvol oudere krijgers en hun honden bleven bij het opperhoofd achter. Hij kende de mannen goed genoeg om te weten dat ze waren gebleven uit respect voor de wijsheid van hun leider, niet omdat ze bang waren. Hun bloed kookte evengoed.
'Ik kan het meisje niet meer horen schreeuwen,' zei Teikan, de oudste van de getrouwen.
'Ze dragen haar mee in hun voorhoede, beste vriend.' Shateh omklemde de schacht van zijn speer vaster. 'Ze lokken ons mee door nu eens naar links, dan weer naar rechts, dan weer terug of naar voren te rennen. Ze proberen ons in verwarring te brengen, zodat wij niet weten waar ze heen gaan. Ik kan door de sneeuw het rijzen en dalen van vertrouwde heuvels en valleien niet meer zien, maar mijn benen en voeten kennen het rijzen en dalen van deze aarde, die mijn moeder is. Onze vijanden lopen in westelijke richting, naar het woeste heuvelgebied met zijn verraderlijke hellingen die abrupt afbreken tot steile afgronden. In onze jeugd hebben jij en ik daar vaak paarden en antilopen opgejaagd en de dood in gedreven om onze snelheid en durf te testen, Teikan!'
Teikan verstijfde. 'Dan vragen zij die achter hen aan gaan erom te sterven! De gebroken heuvels vormen het beste gebied van het hele Land van gras voor een hinderlaag!' Hij zweeg, schudde zijn hoofd en ademde uit tussen zijn tanden door. 'Jouw zoon voert de anderen omwille van een onvolwassen meisje die heuvels in, Shateh!' 'Mijn zoon is een halsstarrige, ongehoorzame dwaas!' snauwde het opperhoofd en vervloekte inwendig de dag waarop Atonashkeh geboren was. Meteen erop vloekte hij op zichzelf, omdat hij er dergelijke gedachten op na hield. 'Maar hij is mijn zoon, mijn enige zoon. Ik zal achter hem aan gaan.'
'Deze man is niet bang!' sprak Teikan, hoewel zijn houding zijn dappere woorden weersprak.
'Nee, ik ga alleen,' zei Shateh tegen hem en de anderen. 'Mocht ik niet terugkeren, neem dan het volk mee naar het noorden en vraag gastvrijheid in de hutten van Xiaheh. Zeg hem boodschappers naar alle leiders te sturen, zodat zij weten dat de zwarte maan inderdaad
een teken des doods was, dat onze vijanden op de een of andere manier herboren zijn en tegen ons optrekken. Zeg hem dat hij gelijk had: dit gebied heeft zich inderdaad tegen Shateh gekeerd, een man die tegen die tijd geen leider en sjamaan zal zijn.' 'Jij komt terug!' zei Teikan met nadruk. 'Moge dat gebeuren!' antwoordde Shateh.
Nu sprak Indeh, een van de andere krijgers, aarzelend: 'En als dat niet gebeurt, Shateh, wat moeten we dan met de hagediseetster? Xiaheh zal je vrouwen met trots en ere ontvangen, maar Ban-ya zal bij de noordelijke stammen niet welkom zijn.' 'Je hebt gelijk. Ze zal als een ongelukbrengster beschouwd worden,' gaf Shateh toe.
Opnieuw had hij spijt dat hij haar van haar volk gescheiden had. Zonder zijn bescherming zou ze sterven. Als hij haar mantel niet van haar afgenomen had en aan Nani geschonken had, zou ze nu al dood zijn. Hij fronste zijn wenkbrauwen en voelde het trekken van de verse littekens in zijn gezicht. Hij voelde echter geen pijn, want hij kreeg zojuist een idee dat hem deed duizelen. Zou Atonashkeh gelijk hebben gehad wat haar en haar soort betrof? Riepen de hagediseters de dood op? Eerst die wervelwinden, toen sneeuwstormen, en nu vijanden die mannen en vrouwen vermoordden om de kinderen van zijn volk te stelen en hen aan het schrikken te maken. 'Shateh...?' Indeh wilde een antwoord op zijn vraag. Het opperhoofd gaf het: 'Als ik niet terugkeer, moet jij haar doden. Als ik terugkeer, zal ik het doen.'
'Dakan-eh...' De stem van Kahm-ree raspte door de duisternis. Stoutmoedige Man ging verliggen onder zijn slaapvacht en keek, steunend op een elleboog, langs de oude vrouw de nacht in. Hoge, ijle wolken versluierden de sterren; af en toe verlichtte een bliksemflits een massief wolkenfront. Knipperend snoof hij de krachtige noordenwind op. De geur beviel hem niets. Veel te koud voor deze tijd van het jaar.
'Donder in de Hemel komt ons halen,' zei de jonge weduwe van Na-sei.
Gealarmeerd door deze opmerking draaide hij zich om en zag Leha-na naar hem staren. Ze zat ingepakt in haar reismantel naast de slapende moeder van haar dode echtgenoot. Hij wist dat het meisje haar familie miste en niet bij zijn volk wenste te zijn. Haar gevorderde zwangerschap had echter over haar lot beslist. Aangezien ze het kind van een hagediseter droeg, had haar vader Nakantahkeh haar de rug toegekeerd. Hoewel haar moeder gehuild had en haar jongere zuster Wila haar tegen zich aangedrukt had alsof ze haar nooit zou laten gaan, had haar vader voet bij stuk gehouden. Dakan-eh keek boos. Nakantahkeh was een harde, eerzuchtige kerel. Door zijn oudste dochter te loochenen vanwege haar band met de hagediseters, had hij de goedkeuring van Atonashkeh verkregen, die eens leider zou zijn. Stoutmoedige Man perste zijn lippen op elkaar. Hij wenste de man een vroege dood toe, wenste ze allemaal een vroege, pijnlijke, afschuwelijke dood toe, als straf voor de krenking van een stoutmoedig man.
'Het is niet te laat om Ban-ya terug te gaan halen,' fluisterde Kahm-ree.
Met een woedende blik in zijn ogen beval Stoutmoedige Man de oude vrouw haar mond te houden. Waarom moest ze hem voortdurend als een schaduw volgen om hem te herinneren aan iemand die hij zo goed mogelijk probeerde te vergeten? Hij kwam overeind met zijn slaapvacht om zich heen, staarde in de wind en schudde zijn hoofd. Hij was niet gerust op de ophanden zijnde storm. 'We kunnen niet in het open veld blijven. Als we snel zijn, zullen we kunnen schuilen in de beboste heuvels die de bergen tussen het Land van gras en de Rode Wereld flankeren. Er zal daar genoeg wild zijn om ons door het zware weer heen te helpen tot we in warmer gebied verder kunnen trekken.'
Zijn mensen kwamen op de been. Hij spoorde hen aan zich meteen gereed te maken om verder te trekken.
De oude Kahm-ree liet met een zucht haar schouders hangen. Daarna sjokte ze mopperend weg. 'Mijn arme kleindochter... Zal ik Ban-ya ooit weerzien?'
Dakan-eh kon geen medelijden opbrengen voor de oude vrouw. Fronsend zag hij hoe Pah-la naar Kahm-ree toe liep en een bizonhuid om haar schouders legde. Hij wist dat zijn moeder de extra huid van zijn vaders lijkkleden gepakt moest hebben. Een steek in zijn voorhoofd herinnerde hem aan de wond die hij zichzelf daar had toegebracht. Waarvoor diende de wond nu? vroeg hij zich verbitterd af. In de Rode Wereld verminkten de mensen zichzelf niet als teken van smart. In het land van zijn voorouders zou het litteken slechts één doel hebben: Dakan-eh eraan te herinneren dat zijn poging om krijger en leider in het Land van gras te worden mislukt was.
'Mijn zoon.' Pah-la sprak met warme genegenheid toen ze bij hem kwam staan. 'Ik dank de stormgoden die ons uit dit land verdrijven. Denk vooruit aan de warme, gastvrije dalen van de Rode Wereld. Ik weet dat de levensgeesten van je vader en Na-sei zich verheugen bij elke stap die hen dichter bij ons dorp bij het Meer van vele zingende vogels brengt.' 'Ik verheug me niet,' snauwde hij.
Vlakbij hielp Hah-ri, zoon van Ma-nuk, zijn moeder en bloedverwanten. Hij keek naar Dakan-eh en memoreerde: 'Cha-kwena waarschuwde ons om ons niet bij het volk van het Land van gras aan te sluiten. Hij vertelde ons dat het niet onze gewoonte was op bizons te jagen of mammoets te doden en van het vlees van onze totem te eten. Misschien had je naar hem moeten luisteren, Dakan- eh. Misschien had je niet met de tradities van de voorouders moeten breken en...'
Dakan-eh bulderde: 'Waag het niet ooit nog zoiets te zeggen! Ik wil de naam Cha-kwena nooit meer horen! Iedereen weet dat je traag van begrip bent, maar hoe kun je zo stom zijn dat je niet begrijpt dat het door de vervloeking van de kleinzoon van Hoyeh-tay komt dat de vier winden zich tegen mij hebben gekeerd?' Beschaamd liet Hah-ri zijn hoofd hangen.
Dakan-eh voelde de ogen van iedereen in de stam op zich gericht. Het kon hem niet schelen. Zijn uitbarsting had een kalmerende werking op zijn humeur. 'Vooruit,' beval hij zijn volk effen. 'Laat Donder in de Hemel Shateh en hen die de wijsheid van onze tradities niet inzien, maar te grazen nemen. We gaan verder de Rode Wereld in om nooit meer om te kijken!' 'Maar wat moet er van mijn Ban-ya worden?' Hij draaide zich bij Kahm-rees vraag snel om. Als de oude vrouw binnen zijn bereik was geweest, zou hij haar vermoord hebben. 'Troost je met de zoon die ze me gebaard heeft, een zoon die deze Stoutmoedige Man dapper uit het Land van gras heeft gered! Ja! Zo is het gegaan! Laat iedereen dit goed tot zich door laten dringen! Shateh dacht dat hij Piku-neh uit vrije wil bij Stoutmoedige Man liet. Terwijl hij het in feite deed omdat Stoutmoedige Man hem daar met wijsheid en list naartoe gemanoeuvreerd had! Ja! Zo gebeurde het!' Met open mond keek de oude vrouw hem aan. 'Als Stoutmoedige Man zo "wijs" en "listig" is, waarom maakte hij Shateh dan niet ook Ban-ya afhandig?'
Op dat ogenblik besloot Dakan-eh dat de oude Kahm-ree niet bij zijn stam zou zijn, als hij naar het land van de voorouders terugkeerde. Hij nam haar vol minachting en afschuw op, terwijl hij kil antwoordde: 'Omdat Stoutmoedige Man wijs en listig genoeg was om Shateh ertoe te krijgen om hem nieuwe vrouwen, meer vrouwen, betere vrouwen te geven! Ban-ya is voor mij en voor haar volk dood, Kahm-ree. Spreek haar naam niet meer uit!' Na deze woorden draaide hij zich om en liep verder. Zijn nieuwe vrouwen zouden hem met zijn bezittingen volgen, precies zoals hij hun gezegd had te doen. Maar diep in zijn hart wist hij dat niet één van hen Ban-ya zou vervangen... dat niet één van hen de pijn en de machteloosheid uit zijn geest zou kunnen bannen. De gedachte aan zijn moedige, trouwe, rondborstige Ban-ya in Shatehs armen vervulde hem met schaamte en woede. Ondanks zijn grote woorden wist hij maar al te goed dat als er één man slim was geweest, het Shateh was. Shateh, die Stoutmoedige Mans eigen woorden had gebruikt om Ban-ya af te pakken van een levensgezel die te bang was geweest om voor haar te vechten.
Dakan-eh haalde diep adem. Nee! vergoelijkte hij. Als ik voor haar had gevochten, zou ik het niet overleefd hebben. Ze is tenslotte maar een vrouw! Hij wilde nu niet aan Ban-ya denken. Wat haar lot ook zou zijn, hij achtte zichzelf er niet verantwoordelijk voor.
In zijn eentje in de gebroken heuvels had Shateh van één ding spijt: hij had geen tijd gehad om zijn lichaam en geest te reinigen, terwijl dit heel goed zijn laatste gevecht zou kunnen worden. Later besefte hij - en dat was sneller dan hij had durven hopen - dat het belangrijkste gevecht dat met zijn eigen schaamte zou zijn, om maar te zwijgen over de droefheid die hij gedwongen was te voelen toen Nakantahkeh en de anderen uit de vallende sneeuw opdoken. De mannen droegen een bewusteloze, ernstig gewonde Atonashkeh en maakten melding van vier andere krijgers, en evenveel honden, die ze aan de stormgeesten verloren hadden.
'We hebben de vijanden geen moment te zien gekregen. We hoorden ze alleen van alle kanten boven ons lachen terwijl ze hun dodelijke speren en stenen naar ons toe wierpen.' Nakantahkeh trok een gepijnigd gezicht. 'Ze pisten op ons! Ze zetten ons te schande! Ze pochten dat mijn kind de hemelgod zou laten glimlachen. Ik riep naar mijn Wila, maar als ze nog bij hen was - en als ze nog leefde - ik hoorde geen woord. Ik had verder willen gaan, ging achter ze aan, probeerde haar terug te halen, maar we bleken in een doodlopend dal te zitten en...' Hij zweeg en liet vol schaamte zijn hoofd hangen.
'Tegen die tijd was ze allang weg,' vermoedde Shateh, terwijl hij grimmig de regen en sneeuw in tuurde. 'Alleen de nachtelijke stormgeesten weten waar ze haar naartoe gebracht hebben. We kunnen ze bij dit zware weer niet achtervolgen.' 'Ze zeiden tegen ons dat we hen terug zouden zien als we dat het minst verwachten en dat we tot die tijd het vlees van onze vrouwen en dochters maar goed moesten onderhouden met goed voedsel en zoete olie, zodat zij lekkere hapjes zouden vormen wanneer ze als slavinnen werden meegevoerd.'
'Het was een hinderlaag,' zei Shateh somber. Hij ging op zijn knieën zitten om de verwondingen van zijn zoon te onderzoeken: een diepe maar kleine schouderwond en een veel ernstiger kwetsuur aan zijn onderlichaam, een die de hand van de oudere man deed beven toen hij de haastig vervaardigde omslagen en het verband wegtrok. Ondanks zichzelf schreeuwde het opperhoofd het uit, verbijsterd door de groteske amputatie die hem onder ogen kwam. 'Hij is sterk, hij is jong. Als hij goed verzorgd wordt, zal hij blijven leven,' zei Nakantahkeh.
'Ik wil niet blijven leven,' zei Atonashkeh met schorre stem. 'Je moet!' moedigde Nakantahkeh aan. 'Al is het maar om degenen die jou dit aangedaan hebben te zien sterven!' Atonashkeh begon te snikken als een vrouw. 'Mijn vrouw en ongeboren kind zijn vermoord!' riep hij. 'En zelf heb ik, omdat de wetten van mijn volk dat eisen, mijn eerstgeboren zoon gewurgd, toen die tijdens een rouwperiode op de wereld kwam! Nu zal ik nooit meer zonen kunnen maken, op welke vrouw dan ook!' Bij Atonashkehs woorden keken de andere mannen diep geraakt door zijn verdriet en vernedering een andere kant op. Shateh nam
zijn zoon in zijn armen en hield hem vast alsof hij een jongen was, alsof zijn omhelzing de wrede straf die de krachten der schepping zijn enige zoon hadden opgelegd teniet kon doen. De penis van Atonashkeh was door één krachtige speerworp recht afgesneden. Nooit zou hij meer een kind in de buik van zijn vrouwen stoppen en zijn oude vader hoop geven op wedergeboorte in een kleinzoon en naamgenoot. Die kans was verkeken. Als Shateh nu zou sterven, zou hij voor eeuwig sterven.
Shateh beefde van een innerlijke wanhoop die koud en donker als de nacht was. Toen gloeide er een klein maar helder vlammetje hoop in hem op. Senohnim kon hem nog een zoon baren. Ze had nog geen jongetje gekregen. Haar tijd zou weldra komen. Misschien zou ze hem dit keer niet teleurstellen.
'Het is allemaal haar schuld!' Atonashkehs woorden waren één hoge gil van razernij. 'Ze moet sterven, vader! Ban-ya en alle hagediseters moeten sterven! Het is die koppige, arrogante Dakan-eh die... dit veroorzaakt heeft!'
Hij zweeg, niet in staat de omvang van zijn verlies te beschrijven, verborg zijn gezicht in Shatehs borst en begon opnieuw hartverscheurend te snikken.
De mondhoeken van het opperhoofd gingen omlaag. De krachten der schepping, zo overwoog hij, wisten wat ze deden toen ze Atonashkeh beroofden van zijn vermogen om zich voort te planten: hoe groot zijn verlies ook was, het gedrag van zijn zoon was onvergeeflijk geweest. Krachtig duwde hij zijn zoon van zich af en ging staan. Vervolgens keek hij met walging op Atonashkeh neer. 'Je mannenbeen is afgesneden omdat je het bevel van Shateh voor de zoveelste maal hebt genegeerd! Door jouw schuld liepen anderen in een hinderlaag in de gebroken heuvels, Atonashkeh! Door jouw ongehoorzaamheid zijn er mannen dood, zijn hun lichamen aan de wind en de storm prijsgegeven! Hoezo ben jij minder arrogant dan Stoutmoedige Man? Hoezo minder koppig? Ha! Als jij was blijven staan toen ik je dat beval, zou je al je mannelijke delen nog hebben! Maar verminkt of niet, je bent nog altijd een man. Gedraag je daar ook naar. Of ben je mijn zoon niet meer?'
Atonashkeh veegde met de rug van zijn hand de tranen uit zijn ogen en keek ontnuchterd omhoog. Toen sloeg de paniek toe. 'Jij moet een toekomstige zoon naar me noemen, zodat als ik sterf, mijn levensgeest niet voor eeuwig in de wind zal lopen!' Shateh kreeg een bittere smaak in de mond. Zelfs nu waagde Atonashkeh het zijn opperhoofd te commanderen! Wat stelde zijn zoon hem teleur! Hij voelde sympathie noch medeleven voor hem, al moest hij met enige wrangheid toegeven dat hij nu, behalve de banden des bloeds, zowaar nog iets gemeen had met de onstuimige, al te eerzuchtige Atonashkeh: zonder zonen waren beiden gedoemd voor eeuwig te sterven.
Het idee voor eeuwig met Atonashkeh in de wind te moeten lopen, was geen aangenaam vooruitzicht. Het opperhoofd fronste diep. Natuurlijk zouden Kalawak en zijn andere zonen ook bij hem zijn, ja, al zijn knappe sterke zonen die dood waren zonder zelf zonen verwekt te hebben. Ook de moedigste twee zouden weer bij hem zijn. 'Maliwal, mijn Wolf... Masau, Mystiek Krijger... wachten jullie tot ik op de wind naar jullie wordt gedragen? Zullen jullie mijn vijanden zijn in de wereld voorbij deze wereld, net als tijdens dit leven? Zullen jullie mijn geest trachten te doden, zoals jullie mij ooit het leven probeerden te benemen? Zullen we voor eeuwig op voet van oorlog verkeren in de wereld voorbij deze wereld?' 'Maliwal? Masau?' Atonashkeh was een en al ongeloof. 'Naar hen ga je toch geen zonen noemen? Ga je de levensgeesten van die moordzuchtige plunderaars in de wereld van de levenden uitnodigen, terwijl ik, Atonashkeh, alle hoop verloren heb op...' Met een snauw en een opgeheven hand legde Shateh hem het zwijgen op. Hij stond stram, maar was diep geschokt. Hij had niet de bedoeling gehad hardop te spreken. Hij had zichzelf niet in de hand gehad, begreep hij nu.
Atonashkeh strekte zijn armen uit naar Nakantahkeh en werd overeind geholpen. Terwijl hij dubbelgeslagen tegen de pijn vocht, verklaarde hij: 'Ik ben de zoon van Shateh! Ik ben nog steeds een man, een krijger van het Land van gras! Zodra het weer opklaart, zullen we de overvallers zoeken! We zullen Wila vinden! Maar eerst zullen we de hagediseters achternagaan. Ze zullen het feit dat ze de krachten der schepping tegen ons opzetten met de dood bekopen! Terug in ons kamp zal ik Ban-ya de keel afsnijden. Zij heeft de toorn van de vier winden over ons afgeroepen en...'
'Die vrouw is van mij,' bracht Shateh hem boos in herinnering. 'Vanwege jouw ongehoorzaamheid vannacht ben jij zodanig verminkt dat je nooit leider zult worden, Atonashkeh! Dus hou je mond en vergeet je plaats niet, als je niet ook je tong wilt verliezen! Ik, Shateh, bepaal wat we wel of niet tegen onze vijanden zullen ondernemen.'
Na deze woorden draaide hij zich om en liep de storm in, terug naar het kamp. Hij had Atonashkeh, noch enig andere man nodig om hem te vertellen dat Ban-ya sterven moest. Nu.
10
Nog voor het ochtendgloren had Gah-ti zich op de leeuwenjacht gestort. De leeuw, op zijn beurt, had Gah-ti de hele ochtend in de gaten gehouden.
'Ik weet dat je er bent,' zei de jongen tegen het onzichtbare dier. 'Ik voel je blik. Maar ik ben heus niet bang!'
Die laatste woorden waren twijfelachtig, te meer daar Gah-ti ze op zijn weg door de heuvels onafgebroken had herhaald. Weldra hadden ze zijn twijfels overstemd en zijn geest gekalmeerd. Terwijl hij zijn best deed als een leeuw te denken om de schuilplaats van zijn prooi te kunnen vinden, was hij doodlopende ondiepe dalen in en uit gelopen en besintelde heuvelruggen over gewandeld, om ten slotte over een veelbelovende kreekbedding door dicht bos en omhoog via een hellende geul uit te komen op een breed talud. En omdat hij zojuist voor de eerste keer op leeuwensporen gestuit was en nu een goed begaanbaar pad naar de grotten boven hem ontdekte, geloofde hij helemaal dat hij moedig was. Zijn doel lag voor hem en hij was niet bang! De kreet die hem daarbij ontsnapte, drukte gerechtvaardigde triomf uit. 'Gah-ti komt je halen, Leeuw! Mah-ree zal spijt krijgen dat ze zich aan Cha-kwena gegeven heeft, terwijl zo'n dappere, slimme jager als deze eerstgeboren zoon van Kosar-eh de eerste plaats bij haar had kunnen innemen! Luister je, Leeuw?'
Van ergens diep beneden, op aanzienlijke afstand, riep een ongeruste stem naar Gah-ti. De jongen meesmuilde. Sinds de dageraad had Kosar-eh zijn zoon staan roepen. Gah-ti was niet van plan om antwoord te geven.
Laat hem maar ongerust zijn. Laat hem zich maar afvragen waar ik ben. Hij behandelt me als een baby! Hij zet me te schande! Spoedig zullen Kosar-eh en Mah-ree verbaasd staan dat ik met het kadaver van een leeuw terugkeer!
Een lichte kramp in zijn buik herinnerde hem eraan dat de taak die hij zich gesteld had niet eenvoudig zou zijn. Toch was hij niet van zins om terug te keren. Het wolkendek werd korte tijd dunner en brak open. De jongen gluurde omhoog naar de met grotten bepokte steile wanden: bleke, kale, sterk gelaagde, zonovergoten rots. De schittering ervan deed pijn aan zijn ogen. Weer riep Kosar-eh, ongeruster dan tevoren, en ditmaal riepen Ka-neh en Kiu-neh met hun vader mee. Gah-ti keek achterom. Noch Kosar-eh, noch zijn twee oudste broers waren te zien. Mooi.
Hij wendde zich weer naar de grotten, rekte zijn hals uit om ze allemaal te kunnen zien. Sommige waren niet meer dan scheuren en kleine holtes in de steile rotswanden. Verscheidene waren groot en diep genoeg om als schuilplaats voor grote zoogdieren te kunnen dienen. Eén was een kolossale spelonk, groot genoeg om een kudde mammoets te bevatten. De grotten leken uit de uitgestrekte, grauwe, gestreepte rotswanden naar hem terug te staren. Gah-ti slikte. De leeuw zit in een van die grotten. Hij kreeg een droge keel. Een krachtige angstkramp in zijn buik dreef de spot met zijn eerdere gepoch.
Zijn ogen vernauwden zich bij het zien van witachtige lagen in het voornaamste deel van de rotswand. Die zagen er veelbelovend uit: hij zou Kosar-ehs geoefende oog nodig hebben om zijn inschatting bevestigd te krijgen, maar ze zagen eruit als steen van het soort waaruit speerpunten, schrapers en dolken gemaakt konden worden. 'Hei-ja!' riep hij opgewonden uit, want de ontdekking van een kant-en-klare bron van bruikbare steen zou voor zijn volk zelfs nog waardevoller zijn dan het doden van een leeuw! 'Gah-ti zal vandaag twee geschenken uit deze heuvels meebrengen!' Hij kreeg een krachtig, dapper gevoel bij de gedachte. Maar toen brulde de leeuw ergens boven hem. Het effect was ontnuchterend. Hij tilde zijn speren op, zijn beste wapens, en keek er lang en geconcentreerd naar. Onder het strenge oog van zijn vader had hij de schachten vervaardigd van jonge stammetjes hardhout die hij had gekapt tijdens de vorige winter, toen het sap dun was. Na lang en rustig beroken boven een zacht vuurtje om alle insecten eruit te verdrijven, was het hout bewerkt. Gah-ti had het ingesmeerd met vet dat hij zelf had fijngestampt. Vervolgens had hij de stammetjes van uitsteeksels ontdaan en rechtgebogen met behulp van zijn spanner van elandgewei. Daarna was het hout opnieuw berookt, verhit en gehard boven een zorgvuldig getemperd vuur. Na nauwgezet polijsten mét korrelige rode steen, door Kosar-eh meegebracht van de andere kant van de bergen van zand, waren de schachten ten slotte zo glad als het buikvel van een padhagedis.
De speerpunten waren Gah-ti's grootste trots, want hoewel hij graag het tegendeel beweerde, ging het afschilferen hem niet gemakkelijk af. Vele stukken vuursteen hadden het moeten ontgelden voor hij erin geslaagd was de gegroefde punten te maken die nu aan de schachten waren bevestigd. Hij liet zijn linkerduim langs de snijrand van een van de speerpunten glijden. Bij de geringste druk verscheen er al bloed. Hij knikte tevreden.
Hij keek omlaag om te controleren of zijn speerwerper - dat eenvoudige maar dodelijke instrument dat de kracht en actieradius van de speerworp vergrootte - wel aan zijn polsriem vastzat. In een mum van tijd zou hij hem paraat hebben. Zijn gereedschapsbuidel hield hij aan zijn gordel. Daarin zaten extra speerpunten, een rol pees voor de bindingen en een reeks priemen en graveerstiften, noodzakelijk voor herstel van schachten en verwisseling van speerpunten. In een aparte draagzak zaten zijn vuurboor en aanmaakmos en, in een leren schede die Siwi-ni voor hem gemaakt had, zijn benen mes. Een derde zak bevatte restjes van het feestmaal van de vorige avond.
Hij greep in de voedseltas, diepte een geschroeid voorpootje van een eekhoorn op en stopte dat in zijn mond. Het kraken van de botjes gaf hem een apart genoegen. Omdat zijn honger nog niet over was, haalde hij een restje konijn tevoorschijn en haalde de ribbetjes één voor één tussen zijn tanden door om het vlees eraf te stropen. Hij was blij dat hij, na de parende Cha-kwena en Mah-ree op de grote kei te hebben achtergelaten, naar het kamp was teruggegaan. Een man kon niet met een lege maag en een speer als enig wapen op leeuwen jagen. Zijn vuurgereedschap had hij meegenomen omdat hij van plan was dat als zijn belangrijkste troef tegen zijn prooi in te zetten. Met vuur als bondgenoot zou hij de leeuw uit zijn hol kunnen roken, het beest met een speer doorsteken en het doden eer het doorhad dat de geweldige jager Gah-ti daarachter zat. Het leek een uitstekend plan.
Hij verschikte de last op zijn rug: een bundel droog gras en takken, dorre en groene, aan een stuk riem dat hij tot een dubbele schouderdraagband had geknoopt. Wat een mooi, warm, rokerig vuurtje zou hij bij de ingang van de leeuwengrot aanleggen... als hij die tenminste vond.
Van ver uit de diepte, tussen de bomen, hoorde hij Kosar-eh boos naar hem roepen. 'Gah-ti! Wacht! Zelfs een man kan niet in zijn eentje op een leeuw jagen!'
Zelfs een man niet. Verontwaardigd volhardde Gah-ti in zijn besluit. 'Ik ben een man! Je gelooft het nog steeds niet, hè? Maar vandaag zal ik het bewijzen!'
Toen keerde hij zich om en richtte zijn blik op zijn doel. Het geschreeuw van zijn vader en broers liet hij verder voor wat het was, hoewel hij nu in het koor van roependen tot zijn verrassing ook de kreet van een vrouw beluisterde. 'Gah-ti! Kom alsjeblieft naar ons terug!'
'Ta-maya?' mompelde hij. Wat deed zij bij de mannen? Tegelijk was hij teleurgesteld. Waarom was Mah-ree niet gekomen? Was ze nog steeds bij Cha-kwena? Het sterkte Gah-ti nog eens extra in zijn besluit. Het pad naar de grotten was gemakkelijk te bereiken vanaf de plek waar hij stond; een paar grote stappen, en hij zou er zijn. Zijn hart bonsde. Hij had nog steeds een droge mond. In welke grot zou hij de leeuw aantreffen?
Er was maar één manier om erachter te komen. 'Levenschenker! Grootvader van Alles! Grote witte mammoet, totem van mijn volk sinds het begin der tijden, moge jouw geest mij nu bijstaan!' smeekte Gah-ti. Toen vervolgde hij met opgeheven speren en zonder achterom te kijken zijn weg.
Bij het eerste zachtroze schijnsel van een bewolkt ochtendgloren werd Cha-kwena gewekt door het verre getrompetter van mammoets en het hoge, waanzinnige gekef van prairiewolven. Hij trok een pijnlijke grimas. Zijn hoofd voelde aan alsof er een kudde mammoets overheen gelopen was.
Verbrokkelde herinneringen aan dromen verergerden het bonzen in zijn hoofd terwijl hij rechtop ging zitten en om zich heen keek. Wat deed hij boven op een grote kei midden in onbekend terrein? En wat deed Mah-ree daar, klaarwakker en op haar knieën naast hem? 'Luister, Cha-kwena,' fluisterde ze gebiedend.
'Ik luister,' antwoordde hij geprikkeld. 'Mammoets en prairiewolven.'
'Nee!' verbeterde ze hem scherp. 'Het is wat je niet hoort wat me ongerust maakt.'
'Nou, wat is het dan wat ik niet hoor?'
'Levenschenker! Ik hoor prairiewolven en andere mammoets - koeien, kalveren en een paar jonge stieren, geloof ik - maar ik heb onze totem niet meer gehoord sinds zijn getrompetter me wekte. Het was toen nog donker, maar hij klonk zo vreemd: eerst verschrikt en toen bang.'
Bij het laatste woord gingen Cha-kwena's haren overeind staan. 'Wat ben jij onnozel, Mah-ree. Hij is totem! Wat zou hem nu bang kunnen maken?'
'Ik weet het niet, maar een poosje geleden ging Vriend er met de meeste andere honden ineens vandoor, ver het land in. Het leek wel alsof iets of iemand ze geroepen had! Ik riep ze terug, maar ze wilden niet luisteren. En afgelopen nacht klonk Levenschenker zo vermoeid, toen hij met de andere mammoets sprak... Zou alles wel in orde zijn met Grootvader van Alles, Cha-kwena? Hij is zo oud dat...' Ze hield even stil, duidelijk zenuwachtig en aarzelend om haar mening te zeggen.
Haar woorden ergerden Cha-kwena. 'Levenschenker was oud in de tijd voorbij het begin. Hij was oud toen Eerste Man en Eerste Vrouw de wakende ster de rug toekeerden en uit het noorden nieuwe werelden binnenkwamen. Hij was oud toen hun kinderen over de platte bergen de Rode Wereld binnenwandelden. Toen was hij oud, nu is hij oud. Val me nou niet lastig met kletspraat! Daarvoor heb ik te veel pijn in mijn hoofd.'
Met wijd opengesperde ogen en zachte stem stortte ze haar hart uit: 'Vele, lange manen lang koester ik een geheime angst om Grootvader van Alles, Cha-kwena. Ik heb pas een vreselijke droom gehad, waarin de Grote ons niet naar nieuwe, betere jachtgronden leidde, maar op zoek was naar die plek waarover de Ouden spraken: het land waar mammoets naartoe gaan om te sterven. Wat als onze totem zijn oude botten nu eens te ruste ging leggen om de eeuwige slaap te slapen?'
Cha-kwena wist niet wat hij hoorde. 'Hij is onsterfelijk!' 'Eerste Man en Eerste Vrouw stierven. Hun kinderen die voor de
eerste keer over de bergen de Rode Wereld binnenwandelden, stierven. Misschien sterven uiteindelijk alle dingen, Cha-kwena. Misschien was dat de boodschap die de vallende sterren ons gisternacht brachten. Misschien waren ze aan het sterven, zoals wij allemaal eens moeten sterven, zelfs onze totem.'
'Zwijg, dwaas meisje! Noordenwind zou je woorden naar de krachten der schepping kunnen dragen! Als ze op de een of andere manier de levensgeest van Grootvader van Alles zouden meenemen, zou het volk voorgoed sterven!'
Het meisje liet haar hoofd hangen. 'Ik bedoel het niet kwaad. Maar het maakt me ongerust dat ik onze totem niet gehoord heb sinds...' Ze wachtte even, keek hem schuw aan, sloeg haar blik neer en vertrouwde hem zachtjes toe: 'Sinds we samen één waren.' 'Sinds we wat waren? Jij en ik? Sjamaan en Muskietje? Ha!' Ze keek hem strak aan. 'We waren samen, Cha-kwena,' hield ze vol. 'Hoe kun je dat nou vergeten zijn!'
Hij voelde iets samentrekken in zijn borst en buik. Het wekte herinneringen op aan de droom van afgelopen nacht. Maar die gingen over Ta-maya, hartstochtelijke, warme, meegaande Ta-maya. Hij zette grote, ronde ogen op. Kon de droom meer dan een droom zijn geweest? Met bonzende slapen en pijn in het hoofd keek hij naar Mah-ree. 'Dat kan gewoon niet. En zeker niet met jou!' Ze keek gekwetst. 'Met wie anders?'
'Je gaat te ver in je pogingen om mijn genegenheid te winnen, Mah-ree. Hoe kunnen wij nou "samen" zijn geweest? Je moet nog vrouw worden!' 'Nou en?'
'Nou en?' herhaalde hij ongelovig. 'Heeft je moeder je niets over zulke dingen geleerd?'
Mah-ree keek naar hem alsof hij een idioot was. 'Te oordelen naar hoe het was tussen ons, zou ik gedacht hebben dat je mijn moeder zou willen gelukwensen met alles wat ze me geleerd heeft omtrent het schenken van genot aan een man!'
'Een man kan zich niet verenigen met een meisje dat haar eerste maanbloeding nog moet krijgen, Mah-ree! Met een meisje - een kind nog - is dat verboden! De wetten van de voorouders zijn daar heel duidelijk over!'
Mah-ree hield haar hoofd scheef. 'Ik herinner me niet dat Ha-xa me ooit zoiets verteld heeft.' Ze dacht een ogenblik na, haalde kort haar schouders op en zei: 'Als het waar is wat je zegt, ben ik bang dat we de wetten van de voorouders overtreden hebben, Cha-kwena.' Hij staarde haar ongelovig aan. 'Zoiets zou ik nooit doen! En zeker niet met jou! Als sjamaan heb ik gezworen mij aan de tradities van de voorouders te houden! Je hoort hier niet te komen, Mah-ree. Je moet eens leren ophouden me te volgen. Ik wil je niet bij me hebben!'
Ze liet haar hoofd weer hangen. 'Ik zal altijd achter je aan komen. Ik ben nu je vrouw.'
Hij was sprakeloos. Tijdens de stilte werd hij zich ervan bewust dat de prairiewolven en mammoets nu ook zwegen. Ergens in de met grotten bepokte heuvels aan de andere kant van het kamp brulde een leeuw. Vanuit het kamp zelf schreeuwde Kosar-eh Gah-ti's naam.
Mah-ree kwam overeind. 'Er is iets niet in orde! Hoor eens hoe zijn stem klinkt, Cha-kwena.'
Cha-kwena luisterde. De clown klonk woedend. Nu riep hij Mah- ree, daarna Cha-kwena.
'We zijn te lang van het kamp weg geweest,' zei Mah-ree. 'We moeten terug.'
'Jij had er beter niet weg kunnen gaan!' zei Cha-kwena er hatelijk overheen. 'Roep je honden en ga. Ik volg in mijn eigen tempo. Ik wil je niet langer zien!'
Mah-rees ogen vulden zich met tranen. 'Ik zweer je, Cha-kwena, als het verboden was dat wij de liefde bedreven, heeft Ha-xa daar niets van tegen me gezegd.'
'De liefde bedrijven? Haha. In je dromen zul je bedoelen!' Mah-ree antwoordde stijfjes: 'Er zit anders wel bloed aan mijn dijen, Cha-kwena. Het bloed van een ontmaagding. Kijk, je kunt...' 'Nee!' schreeuwde hij.
Maar ze trok de gevlochten strengen van haar knielange rieten rokje opzij en bewees hem de waarheid van haar woorden. Hij wilde het echter niet zien, wilde het niet geloven. 'Ga uit mijn ogen!' tierde hij.
Tranen liepen Mah-ree over haar gezicht. Met opgeheven hoofd gehoorzaamde ze.
Cha-kwena keek haar na. Wat was ze klein! Wat zag ze er sierlijk en lichtvoetig uit! En zo aandoenlijk neerslachtig... hij kreeg bijna medelijden met haar. Toen ze de voet van de kei bereikte en door de kwispelstaartende Schramneus en Eenoor werd verwelkomd, aaide Mah-ree de honden niet over hun kop en zei ook niets ter begroeting. Met haar hoofd omlaag en hangende schouders verdween ze tussen de bomen en het struikgewas.
Cha-kwena fronste zijn wenkbrauwen. Had hij afgelopen nacht bij haar gelegen? Ja, dat moest wel gebeurd zijn, redeneerde hij. Mah- ree zou niet liegen. Hij kon zich niet herinneren dat ze zich verenigd hadden, maar hij wist in zijn hart dat zijn dromen van afgelopen nacht meer dan dromen geweest waren: hij had in zijn dronkenschap de wetten van de voorouders overtreden. 'Het was niet mijn bedoeling,' zei hij vergoelijkend, maar toen hij overeind kwam, wist hij dat bedoelingen er hier niet toe deden. Wat gedaan was, was gedaan.
Hij had het koud. Hij boog zich voorover naar zijn mantel en sloeg die om zich heen. Daarop bleef hij, met beide handen om zijn medicijnbuideltje, in de wind staan. Tussen zijn handpalmen werd de heilige steen warm in het leren zakje. De jonge sjamaan stond stil als was hij betoverd. Hij herinnerde zich de nacht op de berg, toen de grote witte mammoet vanaf de andere zijde van de bergpas naar hem toe gekomen was, hem met zijn slurf had omhelsd, zijn vochtig warme, stinkende adem in zijn gezicht had geblazen. Die had niet de geur van nevels en mist gehad, of van het mystieke geestelijk voedsel waarmee de totem geacht werd zich te voeden. In plaats daarvan had hij de stank geroken van een oud, ziek dier - een stervend dier? - een stank waarvan Cha-kwena bijna over zijn nek was gegaan.
'De totem kan niet sterven!' Hij schreeuwde de ontkenning naar de opkomende zon, de wind en welke geesten er ook maar meeluisterden. Toen stokte zijn adem. Een eenzame prairiewolf kwam langzaam tussen de bomen door en bleef stilstaan aan de voet van de kei.
'Vooruit, Cha-kwena! Kom met me mee, dan zal de totem niet sterven,' zei Prairiewolf.
Bij het onnatuurlijke geluid rezen Cha-kwena de haren te berge. Hij schrok van het bloed op Prairiewolfs snuit en een langgerekte, gapende wond op zijn flank. 'Kleine Gele Wolf, spreek je tot mij bij daglicht?'
'Zie je dan niet wie ik ben, Cha-kwena? Ach, dat komt wel... als je me wilt volgen!' Daarop draaide het dier zich in een oogwenk om en was verdwenen.
Wat volgde was een vlaag noordenwind die zo krachtig was dat hij Cha-kwena bijna van de kei veegde. Hij wierp zich plat op zijn buik. Hij zocht in de wind naar het keffen van een prairiewolf, maar hoorde een brullende leeuw en daarna de hoge, uitdagende kreet van een jongen.
Cha-kwena klom overeind en luisterde gespannen. Maar de leeuw brulde niet meer, en de jongen schreeuwde niet meer. Vanuit het kamp riep U-wa zijn naam.
'Cha-kwena! Waar zit je, Cha-kwena? We hebben je nodig! Vlug!' 'De totem heeft je harder nodig, sjamaan!'
Verschrikt keek Cha-kwena omlaag en zag dat Prairiewolf terug was bij de voet van de kei.
'Kom!' drong Kleine Gele Wolf grimmig aan. 'Er is niet veel tijd meer.'
'Tijd waarvoor?' vroeg Cha-kwena, omdat de toon hiervan hem niet aanstond. 'Mijn volk roept me. Ik moet naar ze toe.' 'Als ze hun pad ooit nog naar de totem willen richten, doe het dan niet! Je moet met mij meelopen. Nu!'
Cha-kwena volgde Prairiewolf door de afwisselend heldere en sombere ochtend, de opkomende zon tegemoet. Raaf en zijn familie vlogen in cirkels voor hen uit, recht boven de lage keten van beboste heuvels waar Prairiewolf hem doorheen leidde. Toen andere aaseters zich bij hen voegden, hield Cha-kwena verontrust halt. In de verte klonk het geblaf van honden en het trompetteren van mammoets.
Prairiewolf keek achterom. 'Kom, Cha-kwena!' 'Waar breng je me naartoe, Geestesbroeder?' 'Dat zul je wel zien!' verklaarde Prairiewolf, en rende verder. Cha-kwena draafde voort met een krachtige noordenwind in zijn rug. Hij huiverde onder het lopen. De voortekenen waren duister, zo duister! Korte tijd dacht hij aan Mah-ree en aan de manier waarop hij zijn moeders dwingende geboden genegeerd had. Er was iets vreemds aan de hand met dit kamp. Hij wist het, voelde het, en popelde om terug te keren om uit te zoeken wat het was. Maar hij kon Prairiewolf nu niet de rug toekeren. Hij was sjamaan en de geesten waren zijn gidsen.
Verder, steeds verder volgde hij Prairiewolf, tot hij eindelijk een kort, diep ravijn binnenging en aan de andere kant van de heuvels uitkwam. In een beukende noordenwind bleef hij staan op een rotspunt vanwaar zich een adembenemend uitzicht ontvouwde. De kleine gele wolf draafde een lichte helling af, naar een deel van het dal dat Cha-kwena niet eerder gezien had... en nu wenste helemaal nooit gezien te hebben. Onder de nevelige zon, onder de schaduwen van rondcirkelende raven, gieren en witkoparenden, en in een van de schitterendste landschappen die een sjamaan zich maar voorstellen kon, was de aarde bezaaid met ontelbare mammoetskeletten, een enorme wirwar van witte beenderen, schedels en slagtanden.
Cha-kwena snakte naar adem. Dit was de plek die Mah-ree in haar droom had gezien, het legendarische land waarover de Ouden gesproken hadden, de plek waar mammoets naartoe kwamen om te sterven, het land van de doden waar de totem hem al die tijd naartoe geleid had!
'Dit kan niet waar zijn!' schreeuwde hij.
'Dat is het toch!' fluisterde Noordenwind. 'Eens probeerde ik je hiervan af te brengen, maar je wilde er niet van afgebracht worden. Je wilde de totem volgen!'
'Dat moest hij!' bevestigde Prairiewolf, die omkeek over een geelbruine schouder. De kleine gele wolf rende heuvelafwaarts, over en langs stapels beenderen, op weg naar een uitgestrekte, moerassige arm van het meer dat deze uithoek van het dal bijna geheel vulde. Het volgende ogenblik was Cha-kwena in de greep van een gruwel die hem zo ontstelde dat hij die niet geheel bevatten kon. De grote witte mammoet lag midden in het meer, weggezakt in de modder. Verscheurd door roofdieren lag de totem, opengereten en bebloed, op zijn zij, omgeven door een kudde vrouwtjes en jongen. Een verschrikkelijke verlatenheid en wanhoop maakten zich meester van de sjamaan toen hij de lage, droeve klanken van de dieren vanuit het meer tot zich liet doordringen. Hij was niet eens verbaasd dat hij hun taal begreep.
'We laten je niet in de steek, Grote!'
'We hebben de roofdieren verdreven die jou dit hebben aangedaan.' 'Rust maar... rust... we zullen zorgen dat ze niet bij je kunnen komen.'
'Hier, in de ondiepe wateren van dit meer, zal je geest vredig overgaan van deze wereld naar de volgende, want je bent veilig tegen de klauwen en tanden van roofdieren. Zij die jou wilden verscheuren, zullen zolang wij bij je zijn niet naar je toe zwemmen.' 'Wij zullen bij je blijven, Grote... tot het einde.' 'Nee!' krijste Cha-kwena. 'Dit kan niet waar zijn! Zolang ik de heilige steen en de speerpunten in mijn bezit heb, kan de totem niet sterven!' Hij zag vanuit de verte Prairiewolf met de neus in de wind langs de oever stappen te midden van de verbrijzelde karkassen van diverse vleeseters; prairiewolven, wolven of honden, hij zou het van hieraf niet kunnen zeggen. Het kon hem ook niet schelen. Maar ineens herinnerde hij zich dat Mah-ree hem verteld had dat Vriend en verscheidene honden voor het ochtendgloren het dal in waren gerend. Nee, dacht hij, zij kunnen hier niet aan meegedaan hebben. Ze behoren tot de stam, tot het volk. Hoewel... We kregen ze ooit van onze vijanden, van hen die achter de grote witte mammoet aan zaten om hem te doden, zijn bloed en vlees te verorberen en zijn kracht in zich op te nemen.
Zijn afgrijzen werd zo groot dat hij krijsend naar het meer snelde. Als een bezetene vloog hij over mammoetbeenderen, slagtanden en schedels en joeg in het voorbijgaan een groep gieren op, die waren neergestreken naast de lange slagtanden van een mammoetskelet dat half in de modderige oever begraven lag. Onverschillig om zijn eigen veiligheid wierp Cha-kwena zijn speren en foedraal af en stortte zich voorbereid op flinke kou het meer in. Het water bleek verrassend warm. En het werd steeds warmer naarmate hij de kudde naderde die als een bastion om de totem stond. Hij zwom als een bezetene, wanhopig, zonder zich om zijn eigen welzijn te bekommeren. Hij weigerde eraan te denken dat hij geen groot zwemmer was. Trappend met zijn benen en maaiend met zijn armen alsof hij de ene armvol water na de andere naar zich toe haalde, zwom hij met ingehouden adem, zijn gezicht naar beneden, door het water, totdat hij bijna stikte en opkeek: de grootste der koeien had zich omgedraaid. Ze zag hem komen. Met haar buik diep in het water hief ze haar indrukwekkende, bruine, gespikkelde kop om hem te waarschuwen terug te gaan. Cha-kwena bleef doorzwemmen. Hij wist niet zeker wanneer hij precies besloot te duiken: hoofd omlaag, de billen als een jagende eend omhoog, de benen naar achteren wegtrappend. Hij was het behoorlijk diepe water dankbaar dat het hem toestond om de massieve poten van de beesten heen te sturen. Hij bewoog op de tast, want het water was zo troebel en modderig dat hij weinig meer dan een hand voor ogen kon zien.
Hoyeh-tay... Grootvader... ik weet dat je helpende diergeest een uil was, en geen kikker of een vis. Maar als je me ooit bijgestaan hebt, doet dat dan nu ook!
Hij zwom verder. Zijn longen brandden. Grote gedaanten drongen op. Water deinde. Geroep van mammoets weerklonk, griezelig hol en vervormd. Als de geest van zijn grootvader in de nabijheid was, dan liet Hoyeh-tay zich niet zien. Dat gebeurde pas toen Cha-kwena hopeloos in de roerige diepten verdwaald was. De sjamaan had durven zweren dat de gestalte van de oude man uit het niets kwam aanzwemmen en hem de weg wees langs kolossale bewegende poten die het water beroerden. Cha-kwena volgde. Hij kwam pas boven toen hij geen greintje lucht meer had.
Happend naar adem keek hij omhoog. Een kring van mammoets staarde op hem neer. Hij was ingesloten, maar was te bang om te gillen. Hij dook weer onder, op zoek naar een doorgang naar het midden van het meer. Maar de mammoets drongen op en Cha-kwena kon in de bruine, troebele diepte geen opening vinden om ze te passeren.
'Hoyeh-tay, help me!' riep hij. De klanken borrelden als luchtbellen uit zijn mond. Toen hij in een reflex weer inademde, drong een branderige vloeistof zijn longen en voorhoofdsholten binnen. Pijn en lichtflitsen schoten door zijn hoofd. Hij ademde weer uit. Het licht en de pijn ebden weg. Toch was het verkeerd geweest om uit te ademen: zijn laatste ademreserves bubbelden naar de oppervlakte. Het leek of zijn longen zouden barsten, of zijn hoofd zou ontploffen. Ervan overtuigd dat hij aan het verdrinken was, werkte hij zich als een waanzinnige naar het oppervlak, waar hij zijn hoofd net lang genoeg boven water hield om zijn longen vol te zuigen. Hij dook onmiddellijk weer onder om aan de tastende slurven en heen en weer maaiende dodelijke slagtanden te ontkomen.
Slurven en slagtanden doken diep onder om naar hem te zoeken. Vechtend voor zijn leven zwom Cha-kwena naar de bodem en probeerde wederom op de tast een weg langs de mammoets te vinden. Het had geen nut. Het was alsof hij zijn weg zocht door een woud van wandelende bomen die hun wortels uit de aarde trokken om op hem neer te komen en het leven uit hem te stampen. In blinde wanhoop zwom hij nu eens hierheen, dan weer daarheen tot hij besefte wat een otter moet voelen als met spiesen gewapende jagers hem insluiten.
Plotseling kwam er iets hards onder hem omhoog. Het sloeg tegen zijn buik en perste de resterende lucht uit zijn longen. Zijn lijf, verdoofd door de klap, verslapte en zoog instinctief nog lucht binnen, waarop zijn neusgaten en longen zich met vloeistof vulden. Terwijl hij verdronk, besefte hij geschokt dat Zielenzuiger hem gevonden had. Door zwakte en duisternis overmand stak hij zijn handen uit en voelde iets glads en hards naast zich, iets wat groot en gebogen was en uitstak in het stille, duistere niemandsland voor en achter hem. Was deze gladde vorm de dood? Of was het de slagtand van een mammoet? Maakte het nog wat uit? Het was hoe dan ook met hem gedaan...
'Gah-ti is daarheen.' Ka-neh wees naar een donkere gedaante op de steile rots.
Kosar-eh keek omhoog en zag Gah-ti een grot uit komen en meteen in een andere verdwijnen. 'We moeten hem achternagaan.' Hij wendde zich tot Ta-maya. 'Ga terug naar het kamp. Kiu-neh zal met je meegaan. Je had niet moeten komen.' 'Een jongen van deze stam is in zijn eentje op leeuwenjacht, en de sjamaan van deze stam wordt vermist,' bracht Ta-maya hem koeltjes in herinnering. 'Een man van deze stam die geen speren mag dragen is naar ze op zoek. De twee jongens die hem vergezellen dragen de korte jongenssperen. Als ze het bevel krijgen hun wapens te gebruiken, weet ik dat ze dat dapper zullen doen. Ze zijn echter geen ervaren jagers. Dus heb ik mijn mes meegebracht, en mijn knuppel, en mijn werpslinger met voldoende stenen om die vele malen te laden. Ik heb geen baby's of kinderen die me zullen missen als ik Zielenzuiger tegenkom, noch een man die me kan verbieden te doen wat ik doen moet. Ik ga met Kosar-eh mee.'
De twee jongens keken verbijsterd. 'Ik verbied het je, Ta-maya!' sprak Kosar-eh beslist. 'Jij bent mijn man niet!' Haar antwoord was even kordaat. 'Als er geen man is om namens jou te spreken, moet iemand tussenbeide komen!' hield hij vol.
Ze hield voet bij stuk. 'Mijn man loopt met de geesten in de wereld voorbij deze wereld, Kosar-eh. Op de dag dat hij stierf ging mijn geest met hem mee op de wind. Mijn vlees, botten, bloed en adem leven misschien voort, maar ik verlang naar het moment dat mijn geest wordt bevrijd om voorgoed met hem op de wind te rijden. Mijn leven is me niets waard. Niets!' 'Ik sta niet toe dat je je in gevaar begeeft, Ta-maya.' Kosar-eh week geen duimbreed.
'En ik sta niet toe dat Broeder van Mijn Hart ongewapend de grot van een leeuw binnengaat.'
'Ik ben niet ongewapend. Ik heb mijn dolk. En mijn knuppel hangt hier aan mijn gordel. Ik moet Gah-ti vinden en hem veilig naar zijn volk brengen. Daarvan laat ik me niet afhouden.' 'Evenmin kun je mij ervan afhouden mee te gaan met Beste Vriend, die eens zijn leven waagde om het mijne te redden. Ik zal alle mogelijke hulp bieden aan Man Die In Het Gezicht Van Vijanden Spuwt.' 'Je helpt me door met Kiu-neh naar het kamp terug te keren.' 'Als Gah-ti de leeuw uit die grotten jaagt, zul je de speren van Kiu-neh en Ka-neh hard nodig hebben. Net als het mes, de werpslinger en de vele stenen van deze vrouw. Anders riskeer je dat jij noch hij, ja, misschien wel niemand van ons het overleeft.' "We zullen goed oppassen, Vader,' verzekerde Ka-neh, die trappelde van ongeduld om zich te bewijzen.
'Waar is de sjamaan?' vroeg Kiu-neh, de jongste jongen. 'We zouden zijn speerarm nu goed kunnen gebruiken!' De ogen van Kosar-eh vernauwden zich bedachtzaam. 'Hij trekt er wel vaker alleen op uit. Misschien communiceert hij met zijn totem. Misschien...'
Ze hoorden het luide, vervaarlijke gebrul van een leeuw. Het leek uit alle grotten tegelijk te komen. Toen klonk uit de grote, gapende muil van de grootste grot de gil van een jongen. Kosar-eh verstijfde. 'Snel! Gah-ti is in moeilijkheden! Ta-maya, blijf bij me en ga achter me staan als ik je dat beveel.'
'Ik zal gehoorzamen.'
'Zolang de sjamaan in de hoede van de totem loopt, zal ons echt niets overkomen, Vader!' Ka-neh sprak dappere woorden, maar zijn grote ogen en bleke lippen spraken een andere taal. Kosar-eh legde een krachtige hand op de schouder van zijn zoon en zei precies het juiste: 'Zolang de grote witte mammoet leeft, zal hij ons kracht geven en behoeden! Vooruit nu, jullie alle drie. Gah-ti en de leeuw hebben geroepen!'
Het ene moment was Cha-kwena nog aan het verdrinken, het volgende werd hij uit het meer getild en omhooggezwaaid. Sputterend en naar adem snakkend verrees hij druipend en beduusd uit de zwarte, peilloze diepte van het onderbewustzijn. Met zijn hoofd omlaag en bengelende armen en voeten hing hij over de naar binnen gebogen slagtand van een mammoet. Hij opende zijn ogen en herkende de kolossale gespikkelde koe onder hem. Hij begreep onmiddellijk dat zij de matriarch was, de leidster van de kudde, de beschermster van de kleinere vrouwtjes en de bewaakster van de jongen en ouden.
Hoewel Cha-kwena wist dat hij kalm moest blijven, maakte zijn positie dat niet gemakkelijk. De mammoet had hem zo hoog opgetild dat de andere mammoets en de gewonde Levenschenker hem klein toeschenen. En nu schudde ze hem zo wild heen en weer dat het ernaar uitzag dat hij spoedig zou worden weggeslingerd en een wisse dood zou vinden. Met zijn ontmoeting met Zielenzuiger nog vers in het geheugen klemde Cha-kwena zich met alle macht vast en schreeuwde in een aanval van furieuze wanhoop een bevel. Het kwam er sputterend en proestend uit.
'Slinger me niet de hemel in, Moeder van Mammoets! Ik wil jullie geen kwaad doen, je soortgenoten noch de Grote die mijn totem is! Zet me neer, en doe het zachtjes!'
Cha-kwena besefte dat zijn bevel even bespottelijk als vermetel was. Maar net als bij een eerdere gelegenheid, toen hij het gewaagd had de zon te gebieden, gaven de krachten der schepping er gehoor aan. Langzaam liet de grote koe haar kop zakken, keerde zich om, liep naar voren en zette de half verdronken sjamaan precies op de plaats waar hij wenste te zijn: op de schouder van zijn liggende totem. Cha-kwena knielde en legde beide handen op de ruige, bloederig toegetakelde huid van zijn totem. De grote witte mammoet kreunde en trilde van pijn. 'Grootvader van Alles,' zei hij zachtjes en beslist, 'je kunt niet sterven. Je moet sterk zijn. Je bent onsterfelijk! Sta op! Ik zal met je naar het kamp van mijn volk lopen. De geesten van de voorouders zullen ons beiden tegen vleeseters beschermen. Mah-ree zal je wonden met zalf en goede medicijnen verzorgen! Ze zal je weer sterk en beter maken!'
De mammoet blies, hief zijn grote kop en verminkte slurf en probeerde overeind te komen. Hij slaagde er alleen in om zijn gewicht enigszins te verplaatsen, waarbij zijn massieve bovenlichaam hoog genoeg uit het water kwam om Cha-kwena een glimp op de wonden te gunnen die tevoren niet zichtbaar waren geweest. Hij wist niet wat hij zag en viel bijna flauw. Mah-ree had geen medicijnen om deze schade te herstellen. De buik van de grote witte mammoet was gedeeltelijk opengereten. De ingewanden lagen bloot en zijn enorme, dikke rozeachtige darmen dreven los op het vieze water.
'Nee!' gilde Cha-kwena. Hij liet zich terugglijden in het meer en ging als een razende in de weer om de organen van het dier bijeen te rapen, ze terug te duwen, de wonden met zijn blote handen te dichten; zocht binnen al zijn vermogens naar een magie om te herstellen wat de vleeseters zijn totem hadden aangedaan. Maar er was geen magie te vinden, niet in de man, niet voor een ramp als deze.
Uiteindelijk eiste de uitputting zijn tol. Moeizaam hees hij zich op de zijkant van het stervende dier. Snikkend en trillend bleef hij languit liggen op de schouder van de grote witte mammoet. Zo, voorover, met zijn linkerarm om de nek van het beest en zijn medicijnbuideltje in zijn rechterhand, smeekte Cha-kwena de krachten der schepping, de geesten van de voorouders en alle krachten in deze wereld en de volgende om zijn totem in leven te laten. 'Luister naar me, Grootvader van Alles!' smeekte hij de totem. 'Jij bent meer dan een mammoet, meer dan vlees, beenderen en bloed! Jij bent Levenschenker, Grote Geest, de bron waaruit mijn volk geboren is! Leef! Je moet eeuwig leven! Als jij sterft, zal het volk met jou sterven!'
Maar de mammoet was aan het sterven. Cha-kwena voelde de levenskracht van het dier wegebben. Met de heilige steen nog steeds in zijn greep sloot hij zijn ogen. Een enorme rust daalde over hem neer. Hij herinnerde zich vallende sterren en een jong meisje dat zacht en vol overgave in zijn armen lag.
Door bij Mah-ree te liggen vóór haar eerste maanbloeding had hij de wetten van de voorouders geschonden.
'Ik ben sjamaan. Ik heb gezworen de tradities te zullen onderhouden,' herinnerde hij zich zuchtend. 'Als ik dat niet doe, stelt de macht van de steen niets voor, stelt de macht van de totem...' Hij hield op, opende zijn ogen, staarde pal in de zon en smeekte: 'Neem mij! Ik ben sjamaan! Maak van mijn vlees, mijn bloed, mijn botten en mijn adem nieuw vlees, nieuwe botten en nieuw bloed voor de totem! Voor het volk! Voor allen die me vertrouwd hebben en me gevolgd zijn! Neem mij in zijn plaats!'
Gah-ti had niet willen gillen, maar het was dan ook niet zijn plan geweest om onverhoeds tegen de leeuw aan te lopen. Daar zat ie, in de diepe schaduwen achter in de grot: kolossaal, klaar om toe te springen, hem recht aanstarend, de kop naar voren, de oren naar achteren. Zo te zien was hij tweemaal zo groot als een poema of een springende kat, groter ook dan welke leeuw die Gah-ti ooit eerder gezien had.
Met bonkend hart en angst in de benen bracht de jongen snel twee van zijn speren over naar zijn linkerhand en slingerde de derde met zijn rechter. Er was geen gelegenheid om zijn speerwerper te gebruiken, die de speer met dodelijke snelheid en kracht naar voren zou hebben geschoten.
Zelfs zonder hulp van zijn speerwerper vloog Gah-ti's wapen recht op zijn prooi af. De jongen slaakte een kreetje van trots - en opluchting - en slingerde er meteen een tweede speer achteraan. De leeuw hield stand. De eerste speer trof doel; met een heldere tik kwam de stenen punt aan en sloeg stuk op hetzelfde moment dat de tweede speer op de leeuw af zoefde. Gah-ti deinsde verschrikt achteruit toen de speer van de schouder van de leeuw afketste. De projectielpunt spatte in stukjes uiteen toen het wapen de grond raakte; de schacht brak in tweeën.
De jongen verstijfde van schrik en aarzelde om zijn laatste wapen te werpen. Wat voor soort leeuw was dit? Allebei de speren hadden diep in het lichaam door moeten dringen, recht naar het hart moeten gaan en een dodelijke wond veroorzaken. Waren de speren minder goed dan hij dacht? Onmogelijk!
Gah-ti's blik boorde zich door de schaduwen achter in de grot. Nu zag hij dat de roerloze leeuw helemaal geen leeuw was, maar een speling van het licht op een donkere hoop stenen. Met een schampere lach liet Gah-ti zijn speerarm zakken. 'Twee speren kapot, en dat alles om een leeuw van steen te doden!' Vermanend schudde hij zijn hoofd en liep naar voren om zijn speren terug te halen. Toen hij eenmaal dichter bij de hoop stenen was, zag hij dat die niets weg had van een leeuw. Hij voelde zich een dwaas. Hij had in paniek en met de onervarenheid van een jongen gereageerd. Gelukkig hoefde niemand het ooit te weten te komen. 'Het zal niet weer gebeuren,' nam hij zich voor. Hij knielde en onderzocht de speren. De stenen punten waren onherstelbaar beschadigd.
'Nou ja,' troostte hij zich, 'ik ben zo verstandig geweest om extra speerpunten en gereedschap mee te nemen. Ik kan de gebroken schacht inkorten en herstellen.'
Terwijl hij opstond, meende hij een geluid te horen. Het was voorbij voor hij het kon plaatsen of thuisbrengen. Zijn nek en schouders prikten. Hield de leeuw zich ergens in de schaduwen schuil? De jongen liet zijn kapotte speren vallen en bracht de intacte derde op werphoogte. Hij hield zijn adem in. Gespitst op het geringste geluidje wachtte hij af, op alles voorbereid.
Maar er gebeurde niets. Geleidelijk ebde zijn angst weg. Omdat hij zich opnieuw dwaas voelde, herinnerde Gah-ti zichzelf eraan dat hij zich plechtig had voorgenomen om niet aan paniek ten prooi te vallen. Hij ademde diep en bewust in. Terwijl hij rondkeek in de grot, trof hem de schoonheid van de doolhofachtige ruimte. Aan het plafond hingen bizarre rotsformaties; ze deden de jongen denken aan reusachtige tanden. Door de lucht vlug op te snuiven en de grond af te speuren kreeg hij zekerheid dat er geen leeuw in de buurt was - tenminste niet in de uithoeken van deze grot - hoewel hij sporen van een leeuw vond in twee van de drie kleinere, schachtachtige holten die hij onderzocht, voorzover het ochtendlicht hem dat toeliet.
Met een veiliger gevoel, maar behoorlijk vermoeid, legde Gah-ti zijn speer neer, gooide zijn bundel takken en gras af en rekte zich uit. Terwijl hij zijn blik liet ronddwalen, leek de grot hem mogelijkheden te bieden als permanent verblijf voor zijn volk. Hij was ruim, droog en diep, lag op het zuidwesten, zodat de lage winterzon ver naar binnen zou kunnen schijnen, terwijl het er s zomers koel zou zijn. En dat getik... was dat water, dat hij ergens in de duisternis achter in de grot hoorde? Ja! Hij hoorde duidelijk het gespat van vallende druppels.
'Een bron!' riep hij uit. Hij besefte dat hij verzuimd had een drinkblaas mee te nemen. Hij had erge dorst. 'Deze zoon van Kosar-eh bedankt de leeuw en de geesten van de voorouders dat zij hem de weg gewezen hebben naar een grot als deze! Cha-kwena moest zich schamen dat hij hem niet als eerste gevonden heeft! Hij is niet de enige die kracht ontleent aan de beschermende macht van de totem! Als het water dat ik hoor drinkbaar is, dan is deze grot zelfs nog voortreffelijker dan hij eruitziet!'
Met een dapper gevoel en zowel door dorst als door nieuwsgierigheid gedreven waagde Gah-ti zich over de met keien bezaaide vloer dieper de grot in. Met zijn speer in de hand bereikte hij het achterste deel van de eerste van vele vertrekken. Van de plek waar hij stond leidden verscheidene vochtige lage openingen naar lange gewelfde gangen, die zich tot in het hart van de heuvel uitstrekten en zo donker waren dat hij er niet verder in durfde te gaan. Gah-ti hield zijn hoofd schuin: Kosar-eh was naar hem aan het roepen. De jongen gaf echter geen antwoord. Hij moest een waterbron ontdekken en een leeuw doden voor hij zijn vader weer onder ogen kwam.
Hij ging op zijn knieën zitten, schuifelde naar voren om te horen waar het gedruppel vandaan kwam, eerst bij de ene opening, toen bij de andere. Totdat hij plotseling gegrom hoorde. Hij draaide zich om.
'De leeuw,' gilde hij met wijdopen ogen van afgrijzen. Het beest deed een uitval. Een grote poot klauwde over Gah-ti's hoofd, schouder en arm. De jongen maakte zich klein en slaagde erin weg te krabbelen door het eerste het beste donkere gat, zo diep mogelijk de heuvel in.
Met bonkend hart, zijn gezicht onder het bloed en zijn rechterarm uitgeschakeld, wroette Gah-ti zich als een mol steeds dieper in de kleine opening waardoor geen leeuw hem volgen kon.
'Het komt wel goed... het komt wel goed.' Hij snikte en praatte hardop om zijn angst te bezweren. De grote kat brulde machteloos achter hem. 'Zolang de stam in de beschermende macht van de totem loopt, zal er niets gebeuren. Kan er niets gebeuren!'
Er was geen leeuw te bekennen toen Kosar-eh, Ta-maya en de jongens naar de grot klommen en naar binnen tuurden. 'Blijf achter mij, alle drie,' zei Kosar-eh tegen hen. Daarna riep hij Gah-ti.
Geen antwoord.
'Kijk daar eens, Vader! Takken en gras en...'
'Dat zijn Gah-ti's spullen!' onderbrak Ka-neh zijn jongere broer en hij zou de grot in gedoken zijn als de uitgestrekte, goede arm van Kosar-eh hem niet tegengehouden had.
'Jullie gehoorzamen, allebei! Of het wordt regelrecht terug naar het kamp! Aan jullie de keus, nu! Wij hebben iets te volbrengen waarbij ongehoorzaamheid wel eens de toorn van de krachten der schepping over ons allemaal zou kunnen afroepen! Begrepen?' De twee jongens knikten verbeten. 'Ze zullen gehoorzaam zijn,' verzekerde Ta-maya. Kosar-eh keek haar ontevreden aan. 'Was jij dat ook maar! Ik wilde dat je naar het kamp...'
Gah-ti's diepe kreunen legde Kosar-eh het zwijgen op. Met zijn ijzerhouten knuppel in zijn goede hand sloop de clown door de grot, zich richtend op de gekwelde geluiden van Gah-ti, die ergens uit het duister kwamen. Een sterke geur van bloed leidde Kosar-eh naar de holte waar de jongen in gekropen was. Bij de ingang zag hij vers bloed op de rotsen.
'Gah-ti... kom uit je schuilplaats, jongen!' zei Kosar-eh. 'En zeg me alsjeblieft dat dit het bloed van een leeuw en niet dat van jou is!' 'Niet van een jongen... van een man,' klonk het zwakke antwoord. 'Kan me niet bewegen... bloed... doet pijn... erge pijn!' Kosar-eh beval Ka-neh en Kiu-neh hem rugdekking te geven; dan zou hij achter Gah-ti naar binnen klimmen. Het lukte niet. Hij was te breed om zich door de opening te persen. Met zijn goede arm uitgestrekt spande hij zich in om Gah-ti te pakken, smeekte hem een poging te doen achteruit te kruipen. 'Als ik je been kan pakken, kan ik je eruit trekken!'
Ka-neh stond er met zijn neus bovenop, begerig om zich te bewijzen. 'Laat mij het proberen, vader!' 'Nee! Ik ga wel!' zei Kiu-neh.
'Iemand moet gaan, en vlug,' merkte Ta-maya streng op. 'Er is me hier veel te veel bloed. Gah-ti's wonden moeten meteen verzorgd worden.'
Kosar-eh trok zijn hoofd terug uit de holte en ging rechtop zitten. Even vervloekte hij Cha-kwena omdat die verstek liet gaan. De magere, maar krachtige jonge sjamaan zou geen moeite hebben gehad om Gah-ti uit de flank van de heuvel te trekken. In plaats daarvan had Kosar-eh de beschikking over een elfjarige jongen, een achtjarige jongen en een vrouw om hem te helpen zijn zoon te redden en een gevaarlijke leeuw te weerstaan!
Hij nam een beslissing. 'Ka-neh, jij bent de sterkste. Ga je broer achterna.'
Zonder te aarzelen legde Ka-neh zijn speren neer en gehoorzaamde. Kosar-eh kwam overeind.
'Mag ik dan een andere keer?' vroeg Kiu-neh verontwaardigd. Kosar-eh had schoon genoeg van snoevende jonge knapen met lange tenen. 'Een andere keer,' beet hij Kiu-neh toe, 'als die nog komt!' 'Kosar-eh! Kijk!' Ta-maya had hooguit gefluisterd. Toch was het op een of andere manier een gil geweest.
Kosar-eh draaide zijn hoofd om. De leeuw was uit een van de zijgangen tevoorschijn gekomen en bevond zich nu tussen hen en de ingang van de grot.
Het werd Kosar-eh koud om het hart. De leeuw gromde en liet zijn kop dreigend zakken. Het was een reusachtig dier met zwarte manen, even taankleurig als het Land van gras in de herfst. Met melkkleurige ogen staarde het beest hem aan. De man fronste zijn wenkbrauwen. Een dier met melkkleurige ogen was een blind of bijna blind dier! Hij bekeek het beest scherper. Ja! Deze leeuw was oud, uitgezakt en bijna blind! Hoop vlamde op, maar stierf snel weg toen het beest zijn kop ophief, zijn enorme kaken opende en brullend zijn ontblote tanden liet zien. Die waren scherp genoeg om de schedel van een man te doorboren en hem van keel tot kruis open te scheuren. Als dit het dier was dat zijn zoon had aangevallen, dan mocht Gah-ti van geluk spreken dat hij in leven was. 'Ta-maya, Kiu-neh... kom heel langzaam achter me staan,' drong hij zachtjes aan, terwijl hij traag, heel traag zijn knuppel neerlegde en Ka-nehs korte speren en de lange speer die Gah-ti opzij had gelegd oppakte.
'Vader, dat mag je niet van de krachten der schepping,' bracht Kiu-neh hem in herinnering.
'Wel tegen onze doodsvijanden,' wierp Kosar-eh tegen. 'Zo'n doodsvijand staat nu voor ons, Kiu-neh, en zonder een speer is mijn kans op de overwinning verkeken. De krachten der schepping zullen een oogje dichtknijpen.'
Terwijl hij Ka-nehs lichtgewicht speren onder zijn slechte arm stopte, hield hij Gah-ti's wapen met zijn goede arm vast en gebruikte hem om de leeuw te tergen en naar zich toe te lokken. Terwijl hij schijnbewegingen maakte, gaf hij Ta-maya met zachte, vlakke stem een reeks instructies, want het was zijn bedoeling het dier in een positie te manoeuvreren die een vluchtweg zou creëren waarlangs zij zich met Kiu-neh in veiligheid kon brengen. Hij hoopte dat hij dit spelletje zou overleven, hoewel hij wist dat er weinig kans op was.
'Doe zoals ik je zeg, Ta-maya. Wanneer de leeuw met zijn rug naar je toe staat, ren dan met Kiu-neh naar het kamp. Haal Cha-kwena en de vrouwen. En mocht ik niet meer in staat zijn om je te helpen, probeer dan Ka-neh en Gah-ti te redden.'
Ta-maya antwoordde niet. Met toegeknepen ogen zag ze Kosar-eh tegen de grote kat praten in een poging hem van haar weg te lokken. Met een doortastendheid die Kiu-neh verblufte, pakte ze de jongen plotseling zijn speren af, duwde hem omlaag en beval hem door het gat in de rots naar zijn broer toe te kruipen. 'Blijf daar tot het veilig genoeg is om eruit te komen! Als je vader en ik deze strijd niet winnen, gebruik deze dan om jezelf te redden!' Twee van de speren vielen kletterend op de grond. De derde stopte ze onder haar linkerarm om haar steenslinger van haar gordel af te kunnen halen.
'Ta-maya, waar ben je mee bezig?' Kosar-eh was razend. Terwijl de leeuw hem naderde en naar zijn speer uithaalde, zag hij vanuit een ooghoek dat zij bleef waar ze was en zonder zich te bekommeren om haar eigen leven kalm haar bola laadde. Kiu-neh had geen vin verroerd.
Ta-maya hief het wapen omhoog en slingerde het bedreven boven haar hoofd. Hij hoorde de riempjes fluiten en hoorde haar toen, tot zijn afgrijzen, het beest uitdagen. 'Hé! Leeuw! Kijk eens deze kant uit!' Het beest draaide zich om.
'Kijk eens wat deze vrouw voor je heeft!' hoonde Ta-maya, terwijl ze met een soepele polsbeweging de stenen projectielen uit haar slinger liet losschieten.
Twee van de stenen troffen de brede brug van zijn snuit, reten de huid ervan open en braken het bot, terwijl de derde zich in het rechteroog boorde. De leeuw loeide en verhief zich op zijn achterpoten om met zijn voorpoten langs zijn snuit te vegen. Kosar-eh keek ademloos van verbazing toe hoe de leeuw als een waanzinnige ronddraaide, over de grond rolde en toen brullend overeind kwam, al zijn razernij en pijn geconcentreerd in zijn overgebleven, versluierde oog. Toen stormde hij recht op Ta-maya af. Kosar-eh ging achter hem aan, wierp een speer, en nog een, en nog een. Toen trok hij zijn dolk. De leeuw ging vlak voor Ta-maya en Kiu-neh neer. Omdat ze geen tijd had om haar slinger opnieuw te bewapenen, had de vrouw zich in een fiere houding opgesteld om de aanval van het beest af te wachten. Ze hield Kiu-nehs korte speer met beide handen gereed en trilde niet. Maar Ta-maya mocht nog zo dapper zijn, bedacht Kosar-eh, als de leeuw weer overeind kwam, zou hij haar en de jongen doden. Gillend sprong hij op de rug van het beest en dreef de dolk recht tussen de ribben diep naar binnen. Daarna trok hij hem eruit om hem opnieuw, en opnieuw, en opnieuw diep naar binnen te steken tot... 'Kosar-eh!' schreeuwde Ta-maya. 'Vader!' riep Kiu-neh uit.
Hij keek omhoog, verbluft, geschokt, in verwarring, en zag zijn zoon en de vrouw van zijn hart ieder aan een kant van hem staan, terwijl hij schrijlings op het bewegingloze beest zat. Ze waren veel te dichtbij. 'Ga weg!' riep hij. In een mum van tijd zou de leeuw weer opstaan, opnieuw op hen afkomen. Met één hand trok hij een van Kiu-nehs korte speren uit het lichaam van het beest los en duwde zich met de andere omhoog. Ze verroerden zich niet.
'Lopen!' beval hij, met zijn blik strak op de leeuw, klaar voor het moment waarop die uit zijn tijdelijke verdoving overeind zou komen. Hij plaatste zich tussen hen en het gevaar, met de speer in de ene hand, de dolk in de andere. Ze renden niet weg.
'Wat is er met jullie aan de hand? Lopen, zeg ik!' 'De leeuw is dood, Kosar-eh!' zei Ta-maya. Ze liet haar wapens vallen, huiverde en sloeg met een kreet haar handen voor haar gezicht. 'Je hebt hem gedood, Vader!' riep Kiu-neh uit. Kosar-eh staarde omlaag. In groeiend ongeloof zag hij dat ze de waarheid spraken. De leeuw was in elkaar gezakt, met zijn kop naar voren, de tong uit de bek, de voorpoten onzichtbaar onder zijn borst. Het dier was overdekt met wonden en verloor bloed en urine. Tegen alle verwachtingen in had deze eenarmige clown hem gedood! Een golf van opluchting en trots sloeg door hem heen. Ta-maya lachte en huilde tegelijk, en Kiu-neh gaapte zijn vader aan. 'Wat is er?' vroeg Kosar-eh, opeens beledigd. 'Wat is er met jullie aan de hand? Deze man was ooit een jager, de beste van de jagers. Waarom zijn jullie zo verbaasd dat dat opnieuw zo is?' 'Dat is het niet, beste vriend!' lachte Ta-maya door haar tranen heen.
'Wat dan?' snauwde Kosar-eh, diep geraakt door haar spot. 'Ik heb zojuist een leeuw gedood! Zie je nog steeds alleen een clown in me?' Nu ze zag hoeveel pijn hij had, snelde ze op hem af, omhelsde hem en kuste hem op de mond. Daarna deed ze een stap achteruit en liet haar handen langs zijn armen glijden. 'Kosar-eh, ik lach je niet uit, ik lach van vreugde!'
Hij begreep er niets van. Hij zag op haar neer, niet in staat iets te zeggen, te denken, zelfs geen adem te halen. Haar kus, haar nabijheid en haar aanraking hadden hem volledig betoverd. 'Vader...' fluisterde Kiu-neh. 'Je hebt twee wapens vast: een speer in je rechterhand en een dolk in je linkerhand! Je hebt beide wapens gebruikt om deze prooi te doden!'
Kosar-eh keek omlaag en was zo verbluft door wat hij zag, dat hij beide wapens liet vallen. Het was waar! Voor de eerste keer sinds het jachtongeluk dat hem verminkt had, had hij zijn rechterarm helemaal uitgestrekt. De bleke, uitgeteerde spieren spanden zich onder Ta-maya's bewegende hand. Hij kon haar aanraking voelen! Er was geen twijfel aan! Bijna te bang om dat te doen dwong hij zijn arm zich op te heffen, zijn hand zich te bewegen, zijn vingers zich te buigen... en ze gehoorzaamden; stijfjes, onzeker, maar ze gehoorzaamden. 'Is het mogelijk?' fluisterde hij.
'Dat is het!' bevestigde Ta-maya. Opgetogen riep ze uit: 'Cha-kwena heeft altijd wel gelijk gehad! De krachten der schepping lachen onze stam inderdaad toe, de totem geeft ons inderdaad kracht en bescherming!'
Helemaal in de ban van het moment nam Kosar-eh Ta-maya in zijn armen. Hij zwierde haar in het rond, en al die tijd was zijn mond op de hare. Hij kuste haar zoals hij haar zo vaak in zijn dromen had gekust, of wanneer hij op zijn oude Siwi-ni lag en stiekem verlangde zijn liefde en leven aan Ta-maya te geven. Krachtig en hartstochtelijk kuste hij haar, nam haar adem en hartenklop volledig in zich op. Daarna schonk hij die terug met een kracht die haar de adem benam. Ze aanvaardde zijn kus met een vuur dat hem met een schier ondraaglijke vreugde vervulde.
Inderdaad, dacht hij, de krachten der schepping lachen me zowaar weer toe! De tijd van onvolwaardigheid was voorbij! Hij kon weer jagen! Hij kon in de ogen van zijn volk weer een man zijn en hoopvol de dag afwachten dat hij Ta-maya tot vrouw zou nemen! Spoedig! Laat het spoedig zijn! smachtte hij. Mijn Siwi-ni kan niet eeuwig leven!
De laatste gedachte verknoeide alles, want juist toen die bij Kosar-eh opkwam, bracht de stem van Ka-neh hem tot bezinning. 'Komt iemand me nog helpen met Gah-ti?' vroeg de jongen. Bebloed en druipend van het zweet kwam hij uit de wand van de grot tevoorschijn.
Een ogenblik later lag Kosar-eh op zijn zij met zijn handen in de opening, pakte Gah-ti's voet vast en trok de bewusteloze jongen uit het duister het nevelige licht van de grot in. Wat hij zag, was zo schokkend dat hij bijna flauwviel. Ta-maya, op haar beurt, snakte naar adem. Kiu-neh moest overgeven.
'Het zal de krachten der schepping vereisen om dat te genezen!' zei Ka-neh vol afkeer.
Verdwaasd schudde Kosar-eh zijn hoofd. 'Nee... nee...' Ta-maya haalde diep adem en trad handelend op. 'Ka-neh, pak je wapens en ga terug naar het kamp. Vertel mijn moeder en Mah-ree wat hier gebeurd is. Laat hen zo vlug mogelijk alle mogelijke medicijnen brengen! Kiu-neh, hou op met kokhalzen. Pak je broers tas met aanmaakspullen en vuurboor. Leg met die bundel takken en gras een vuur aan. Zijn wonden moeten gestelpt worden. Vooruit, jongens! Doe wat ik zeg! Kosar-eh, help me om het bloeden van je zoon te stoppen voor Zielenzuiger de levenskracht uit hem haalt!' Kosar-eh keek naar haar op. De hoop was in hem gestorven. De krachten der schepping hadden in een wrede parodie van vriendelijkheid opnieuw een clown van hem gemaakt. Ze hadden hem het gebruik van zijn arm en zijn hand teruggegeven, maar ze hadden dat gebruik niet geschonken: ze hadden een ruil gedaan, een bizarre, afschuwelijke ruil. Bijna overstelpt door machteloosheid nam hij de toegetakelde, bijna gescalpeerde Gah-ti in zijn armen en kneep met zijn rechterhand de gapende stomp dicht die alles was wat er over was van de rechterarm van zijn oudste zoon. 'Het is geen eerlijke ruil,' snikte hij. 'Geen vader zou die ooit...' Gah-ti's ogen gingen knipperend open. 'Heeft... de leeuw... me gedood?'
Kosar-eh sprak bevend: 'De speer van Gah-ti heeft de leeuw gedood!'
'Is... dat waar?' Een flauw, beverig glimlachje verscheen rond de lippen van de jongen.
'Dat is waar!' verzekerde Ta-maya. 'Er is meer dan een leeuw voor nodig om de eerstgeboren zoon van Kosar-eh van zijn levensgeest te beroven!'
'Zal Mah-ree nu inzien dat ik een man ben?' 'Dat zal ze zeker!' zei Ta-maya, terwijl ze haar tranen wegknipperde. 'Dan zal ik geen kwaad spreken over Cha-kwena en haar.' Gah-ti zuchtte. 'Ik... zal hun ge... heim... bewaren.'
De jongen sloot zijn ogen. Hij schokte van de pijn en raakte weer buiten bewustzijn.
Kosar-eh en Ta-maya keken elkaar aan toen Gah-ti slap werd in zijn vaders armen.
Ta-maya's gezicht vertrok van smart. 'Slaap neemt de pijn weg. Dat is een goed ding. Misschien komt Cha-kwena gauw. We kunnen zijn magie nu goed gebruiken. Hij zal wel bij de totem zijn. Zolang de grote witte mammoet voor ons uit loopt in dit goede land...' 'Magie?' viel Kosar-eh haar bitter in de rede. 'Daar zeg je wat! Er zal heel wat magie nodig zijn om deze eerstgeboren zoon van Kosar-eh weer ongeschonden en sterk te maken in dit "goede" land waar sjamaan en onze totem het volk naartoe geleid hebben. De krachten der schepping hebben ons uiteindelijk toch toegelachen: onder het licht van de zwarte maan, vanuit de muil van een mensenetende leeuw! Vertel mij eens, Ta-maya, welke andere goede dingen staan ons nog te wachten met de totem als gids en met Cha-kwena om de voortekenen te duiden?'
Ze keek verslagen. De droefheid was terug in haar blik. 'Alleen de vier winden en de krachten der schepping kunnen je dit vertellen, Broeder van Mijn Hart,' zei ze zacht, waarna ze zich afwendde. Voor ze dat deed, kon hij haar tranen zien.
11
De hele ochtend na haar ontsnapping liep Ban-ya over het met sneeuw bedekte land in de hoop Dakan-eh te vinden. Ze was uitgeput en voelde zich ellendig, maar ze zette door. Sneeuw ging over in regen, regen in natte sneeuw, en die weer in dikke sneeuwvlokken. De wind, die nog altijd uit het noorden waaide, reet het wolkendek aan flarden en bood haar af en toe een plagerig, o zo verleidelijk glimpje van de zon. Uit zijn stand maakte ze op dat het bijna middag was. Het landschap vertelde haar echter dat ze waarschijnlijk in kringetjes had gelopen sinds ze na de overval uit het kamp was weggerend. Wat erger was, het vertelde haar ook dat ze niet langer alleen was: Shateh en een groepje hardlopers zaten haar op de hielen, en ze hadden hun honden bij zich. Ze had moeten weten dat ze achter haar aan zouden komen wanneer ze gemist werd. Ze begon te rennen. Terwijl ze voorwaarts struikelde op haar halfbevroren voeten wist ze zeker dat het opperhoofd haar de schuld zou geven van de aanval op zijn volk; daar zou Atonashkeh wel voor zorgen. Het land strekte zich in eindeloze golven voor haar uit. Ze hield vol, glibberend en plassend door hoge grassen tot de zoom van haar kleed en haar mocassins doorweekt waren. Alleen haar mantel van prairiewolfvel, die ze toen niemand keek van Nani's lichaam had weggegrist, bleef waterdicht en hield haar bovenlichaam warm. Ze hield de voorpootstrik dicht tegen haar keel en dwong zichzelf te denken aan de man die de vachten voor haar had meegebracht. Wat verlangde ze naar hem!
'Dakan-eh!' riep Ban-ya en smeekte de wind om zijn naam naar haar man te dragen. Misschien hielp het. Wie zou het zeggen? Ze had niets te verliezen. Hij moest ergens in de verte zijn, net als haar dierbare kleine Piku-neh en haar lieve oude grootmoeder. Ongetwijfeld treurden ze om haar. Ongetwijfeld huilde haar jongetje om
haar: hij was oud genoeg om haar te missen en te jong om te begrijpen waarom ze hem had verlaten. Op ditzelfde moment zon Dakan-eh ongetwijfeld op een middel om haar te bevrijden. 'Vrouw van de Rode Wereld! Blijf staan!'
Ban-ya herkende Shatehs stem, maar ze gehoorzaamde niet. Ze versnelde haar pas, totdat ze ineens, op de top van de helling vlak voor haar, een groepje mannen en honden zag opduiken. Haar hart maakte een sprongetje. 'Stoutmoedige Man!' schreeuwde ze zo hard ze kon. Maar haar hoop vervloog onmiddellijk toen ze zich herinnerde dat Dakan-eh geen honden uit het kamp had meegenomen. De mannen waren jagers van Shateh en ze kwamen op haar af. Ze bleef staan en draaide zich om. Haar vlucht naar de vrijheid was voorbij. Het deed er niet toe. Buiten adem veranderde ze van richting, weg van de mannen voor en achter haar. Maar al spoedig werd ze ingehaald door de honden. Ze sprongen tegen haar op en beten naar haar mocassins terwijl ze bleef rennen. Toen voelde ze de hete adem van een man in haar nek. Ze werd van achteren vastgegrepen en met een ruk omlaaggetrokken. 'Dood haar!'
De stem van Nakantahkeh... Ban-ya wilde opkijken, maar de onbekende die haar mantel vasthad, hield de strik zo strak om haar keel dat ze bijna stikte. In een moedige poging om niet over te geven liet ze haar hoofd hangen en hield kokhalzend haar opdringende maaginhoud tegen. Als ze moest sterven, zou ze sterven als de vrouw van Stoutmoedige Man, niet als een kaalgeschoren slavin! Eindelijk liet hij haar los. Ban-ya wreef over de striemen aan haar keel. Een man nam het woord. 'Net voorbij de helling vonden we vrij verse sporen van een rustkamp van de hagediseters. Niets wijst erop dat de overvallers hun pad gekruist hebben. Het weer belette ons om te zien welke kant de hagediseters op zijn.' Nu keek Ban-ya omhoog. Het was Teikan die had gesproken. Uit zijn woorden bleek dat zijn mannen en hij niet naar haar gezocht hadden. Ze waren op zoek geweest naar Dakan-eh. Ze keek hem aan door de steeds dichter neervallende sneeuw. Daarop keerde ze zich om en ontdekte Shateh tussen het groepje mannen om haar heen. Hij keek boos op haar neer. Ze haatte het opperhoofd zelfs meer dan ze hem vreesde. Door zijn toedoen zou ze haar kind nooit meer zien of trots aan Dakan-ehs zijde staan. Door zijn toedoen zou ze weldra dood zijn, veroordeeld om in de geestenwereld te lopen, in een gebied ver van het land van haar voorouders, voorgoed gescheiden van hen die ze liefhad.
Ervan overtuigd dat alles voor haar afgelopen was, antwoordde ze het opperhoofd smalend. 'De overvallers kunnen mijn Dakan-eh niets doen. Jij en je mannen en honden zullen hem nooit vinden. Hij wandelt in de gunst van de vier winden, precies zoals hij je vertelde. Je had hem moeten geloven. Nu lijdt en sterft jouw volk, niet het zijne. Is dat de reden waarom je hem opspoort in plaats van je echte vijanden? Zodat je zijn kracht en de gunst van de geesten kunt stelen, net zoals je zijn vrouw stal?'
'Leg haar het zwijgen op, Shateh!' Het gezicht van Nakantahkeh stond vertrokken van walging binnen de bontrand van zijn capuchon. 'Zij is degene die de overvallers over ons heeft afgeroepen!' Ban-ya beantwoordde zijn blik met evenveel walging. Ze was zo zeker dat ze zou sterven dat ze alleen nog maar bang was voor het verlies van haar trots. 'Sinds wanneer ben jij stekeblind, Nakantahkeh? En sinds wanneer stokdoof? Zijn jou de merktekens ontgaan op de speren die de overvallers achterlieten? En heb jij niet gehoord dat er in het kamp werd verteld dat de vijand de beschildering van het volk van de wakende ster droeg? Het was volk van Sheela, niet mijn stam!'
'Sheela was de slavin van jouw man, vrouw van de Rode Wereld,' herinnerde Shateh haar kalm. 'Als ze ontsnapte om anderen van haar stam tegen ons aan te voeren, was dat zijn fout.' 'En wanneer we jouw hagedisetende man vinden, zal hij daarvoor boeten met zijn leven en met de levens van zijn stam!' verzekerde Nakantahkeh.
Teikan keek peinzend. 'Als de sneeuwstorm voorbij is, zou deze vrouw ons het pad kunnen tonen waarlangs haar volk naar het Land van gras kwam. Dat zou ons heel wat speurwerk besparen.' De ogen van Ban-ya werden smalle spleetjes. 'Dwazen! denken jullie nu echt dat ik jullie naar mijn volk zou leiden, zodat jullie hen zouden kunnen doden? Kunnen jullie niet zien wat er gebeurd is? Zien jullie niet dat het geluk op mijn hand was en op dat van mijn volk? Sheela haat niet alleen jullie. Ze haat Stoutmoedige Man zeker zo erg. Ze overviel jullie kamp om te zoeken naar hen die haar tot slavin maakten. Ze hebben degenen die ze zochten niet gevonden omdat Shateh mijn volk wegstuurde. De vrouwen hebben gezegd dat een overvaller mijn naam zei toen hij zijn speer in Nani dreef. Als Shateh haar mijn mantel niet gegeven had, zou die vrouw nu nog in leven zijn en ik zou dood zijn. Op ditzelfde moment loopt Dakan-eh krachtig en wel in de beschermende macht van de vier winden. De geesten van de sneeuwstorm wissen zijn sporen uit zodat zijn achtervolgers hem geen kwaad kunnen doen. Als je in de gunst van de krachten der schepping wilt komen, Shateh, hoef je alleen maar met Dakan-eh als je broeder, en niet als je vijand, de opkomende zon tegemoet te lopen.'
Nakantahkeh stond te trappelen van ongeloof en ongeduld. 'Maak haar af, Shateh, voordat haar woorden ons verleiden en in verwarring brengen en we vergeten wat we vandaag zijn komen doen!' Ban-ya antwoordde honend: 'Mooi gesproken, hoor Nakantahkeh! Ik was bijna gaan geloven dat je geen eigen gedachten had en altijd wacht tot Atonashkeh zijn zegje gedaan heeft en je zijn echo laat zijn.'
De reactie op haar belediging was onmiddellijk, maar kwam niet van Nakantahkeh. Shatehs hand schoot uit, greep Ban-ya bij de halsstrik van haar mantel en trok haar zo hoog op dat haar voeten van de grond kwamen en ze op ooghoogte met het opperhoofd kwam.
'Mijn enige overgebleven zoon is ernstig gewond, als beloning voor het dapper najagen van onze vijanden, vrouw van de Rode Wereld! Spreek zijn naam niet uit. Drijf niet de spot met hem!' Ban-ya bungelde in de greep van het opperhoofd. Zijn hand drukte zo hard tegen haar keel dat ze geen adem kon halen, laat staan protesteren vanwege de pijn die hij haar deed.
'De wind neemt toe, Shateh,' zei Teikan met een blik op de donker wordende hemel. 'Er zal nog veel sneeuw vallen voor de bui over is. Als we nu niet naar het kamp terugkeren, kunnen we de weg misschien niet terugvinden.'
'Laten we dan teruggaan,' gromde Nakantahkeh, 'en deze vrouw hier als dood vlees achterlaten voor de aaseters die achter de storm aan komen.'
Ban-ya, nog steeds neus aan neus met Shateh, begon zwak te worden. Haar zicht werd wazig. Maar wat zag ze daar in zijn ogen? Haat? Ja. Wantrouwen? Ja. Maar bespeurde ze daar ook geen medelijden, spijt en een diepe, verwrongen bewondering? Ja! dacht ze, beseffend dat deze man haar niet wenste te doden.
'Maak haar af, zeg ik!' drong Nakantahkeh opnieuw aan. 'Laten we naar ons volk terugkeren voor de storm het reizen onmogelijk maakt!'
'Jij bent inderdaad de echo van Atonashkeh, Nakantahkeh!' bulderde het opperhoofd. 'Wilde jij het wagen mij te bevelen? Heb je vandaag nog niet genoeg van moord en doodslag?' Met een onverwachte grom liet Shateh Ban-ya's mantel los.
Ze hapte met een schurend geluid naar lucht, kon weer ademhalen. Ondanks haar inspanningen om te blijven staan, knikten haar knieën. Ze viel naar voren, tegen het opperhoofd aan. Een grote, sterke arm omvatte haar ter ondersteuning.
'Teikan heeft gelijk!' verklaarde Shateh. 'Het zou niet goed zijn om deze vrouw te doden. Ze kan ons de bergpas wijzen waardoor de hagediseters getrokken zijn. Misschien lopen Stoutmoedige Man en zijn stam in de gunst van de vier winden! Misschien sprak Dakan-eh de waarheid toen hij ons vertelde dat onze vijand zich niet in dit gebied bevindt. Misschien wordt het tijd dat we ophouden met het jagen op bizons en de grote witte mammoet gaan zoeken, de totem van onze voorouders, zodat we weer, krachtig door zijn beschermende macht, tegen hen kunnen vechten die het nodig hebben geacht om die tegen ons te gebruiken.' Nakantahkeh werd doodsbleek. 'Eén vijand bevindt zich hier in jouw armen, Shateh, en de andere verstopt zich in de heuvels. Luister niet naar deze vrouw! Ze brengt ongeluk! De overvallers kunnen nooit met velen zijn! Nu we weten dat ze nog altijd een dreiging vormen, zullen we ons sterk maken tegen hen! We kunnen naar Xiaheh en de andere leiders gaan en samen met hen jacht maken op het volk van de wakende ster. Samen kunnen we ervoor zorgen dat onze vijanden spijt krijgen van hun besluit ons aan te vallen! De tijd van de mammoetjagers is voorbij. Wij zijn krijgers en bizonvleeseters in het Land van gras, waar niet langer voldoende mammoets zijn om het volk te voeden! Shateh was zelf de eerste die de hongerige stammen als bizonjagers weer krachtig maakte en tot eenheid bracht! Nu is de bizon onze totem! Daarom is de grote witte mammoet over de bergen van zand en voorbij de rand van de wereld gegaan! Mensen kunnen hem daar niet volgen!' 'Cha-kwena en zijn volk zijn hem anders wel gevolgd,' zei Ban-ya. Toen ze opkeek in Shatehs gezicht, zag ze zijn ouderdom en vermoeidheid. In een flits van inzicht en hoop voegde ze er zachtjes aan toe: 'Cha-kwena is de echte vijand van het volk van het Land van gras. Met Stoutmoedige Man en Shateh bij zich zouden deze vrouw en de zoon die ze nu in haar buik draagt, niet bang zijn om de totem voorbij de rand van de wereld te zoeken of wraak te nemen op hen die...'
Shateh verschoot van kleur en keek vervolgens ongelovig op haar neer. 'Wat zei je? Het is te vroeg om te weten of je zwanger bent en van wat!'
'Een echte vrouw weet die dingen meteen,' sprak ze met rustige autoriteit, alsof ze het geloofde.
Nakantahkeh snoof en lachte spottend. 'Ze liegt! Haar woorden zijn trucs waarmee ze haar leven hoopt te redden!' 'Dood me dan en snij me open, Nakantahkeh,' sprak Ban-ya uitdagend. 'Dan zul je de waarheid van mijn woorden zien aan mijn dikkere ingewanden. Laat Shateh toekijken terwijl er weer een zoon sterft, ditmaal door jouw hand!'
De gehandschoende hand van Nakantahkeh klemde zich vaster om zijn speer. Hij keek naar Shateh met een hoopvolle blik terwijl hij wachtte op het bevel van het opperhoofd om op Ban-ya's uitdaging in te gaan.
In plaats daarvan schudde Shateh zijn witbesneeuwde hoofd. 'We moeten naar het kamp teruggaan om de wacht af te lossen. Andermaal hebben we doden te betreuren en gewonden te verzorgen. Deze vrouw gaat met ons mee. De tijd zal leren of ze de waarheid sprak.'
Ban-ya beefde van opluchting. Ze zou vandaag niet sterven! Haar hart juichte. Misschien kon ze Shateh er nu van overtuigen dat zijn geluk bij Dakan-eh lag. Als dit haar lukte, zou ze haar man en Piku- neh misschien weerzien. Tegen die tijd was Shateh haar wellicht moe en liet hij haar gaan. Het was een zoete gedachte, die echter snel bitter werd. Als ze erin slaagde om zwanger te worden en Shateh een zoon te geven, zou hij haar alleen maar meer begeren. En hoe lang zou ze het leven kunnen houden met vijanden als Nakantahkeh en Atonashkeh in Shatehs kamp?
Zo liep Ban-ya piekerend verder, met Shatehs arm stevig om haar schouders. Wat was hij sterk! Wat een lange, zekere passen nam hij! Was het niet dwaas te geloven dat ze hem kon manipuleren? Zelfs de harde Nakantahkeh met zijn strenge ogen kon het opperhoofd niet van zijn gedachten afbrengen. En wat zou er gebeuren als een van zijn vrouwen hem vertelde dat het onwaarschijnlijk was dat een zogende vrouw zwanger werd?
De moed begaf haar. Ze had zo'n onwaarheid niet moeten riskeren. Om de melkstroom te stoppen zou ze nu over een manier moeten nadenken om Shateh ervan te weerhouden haar borsten te betasten en begerig leeg te zuigen. Het was noodzakelijk dat ze haar periodieke bloedingen weer kreeg, zonder dat iemand dat merkte. Nadat ze gereinigd was en weer gereed om leven te maken, moest ze zwanger worden, en wel gauw!
Ze balde haar vuisten. Dakan-eh, mijn Stoutmoedige Man, waarom ben je me niet komen halen? Ach, wat ben ik toch een zelfzuchtige vrouw! Ik weet dat je dat vanwege de stam en vanwege mijn kleine Piku-neh niet kunt. Jij moet ons volk naar huis leiden. Dan zul je komen. Ja! Met strijders uit de Rode Wereld zul je me komen halen! Diep in Ban-ya's geheugen werd een herinnering wakker aan een schaamteloze jongeling op wie ze hopeloos verliefd was geworden, ondanks zijn egocentrische natuur. Die had ze hem niet kwalijk kunnen nemen. Waarom zou Dakan-eh niet aan zichzelf denken? Juist door zijn superioriteit bezat hij dat recht meer dan wie ook. Wat was ze blij geweest toen ze hem eindelijk zover gekregen had dat hij naar haar glimlachte, en toen hij een voedselgeschenk van haar had aanvaard hoewel hij zich al had uitgesproken ten gunste van de dochter van de stamleider. Ta-maya was niet de juiste vrouw voor hem geweest. Ban-ya had dat beseft. En zij had hem ook tot dat besef willen brengen, en had dat gedaan door hem haar lichaam aan te bieden, hem uit te nodigen haar aan te raken, hem als eerste tussen haar benen toe te laten. Hij had haar niet geweigerd. Hij had het geschenk van haar genegenheid even begerig aangenomen als zij het geschonken had. Ze had toen geweten dat ze voor hem wilde leven, zelfs voor hem sterven, als dat nodig was. Maar zonder hem leven? Die gedachte was ondraaglijk.
Ergens ver weg in het zuidoosten liep de grote witte mammoet met hen die zij afgevallen was toen ze Dakan-eh naar het Land van gras was gevolgd. Stoutmoedige Man mocht gelijk hebben gehad toen hij beweerde dat Cha-kwena het geluk van zijn volk gestolen had. Maar de mammoet was nog altijd totem voor Ban-yas volk, en ze schreef hem grote macht toe.
Ze bad in stilte. Noordenwind, neem dit gebed mee door de lucht, opdat Grootvader van Alles het hart en de behoeften van deze vrouw van de Rode Wereld moge kennen! Wees krachtig in je macht, Levenschenker, en waar je ook bent en wat je ook doet, schenk mij de kracht om nieuw leven te maken. Laat me lang genoeg leven om hier te zijn als Stoutmoedige Man me eindelijk komt halen!
Raaf en zijn familie verzamelden zich op de oever. De grote witte mammoet hief zijn kop en slagtanden naar de hemel en trompetterde alsof hij een verre roep beantwoordde.
Cha-kwena, die nog altijd languit op de schouder van de totem lag, kwam overeind uit een uitgeputte verdoving. De mammoets die als een kring van bewakers om de totem heen hadden gedraaid, hadden zich in twee groepjes verdeeld, waardoor de jonge sjamaan de gelegenheid kreeg over het open water naar de raven op de oever te kijken, vervolgens omhoog naar een paar rondcirkelende arenden. Zijn mond vertrok van bitterheid. Hij was er nog wel zo zeker van geweest dat de visarenden hem een nieuw, beter leven zouden wijzen. De duistere voortekenen die hij bewust had genegeerd, waren dus wel degelijk welsprekend geweest: de arenden hadden hem niet naar de lang verwachte jachtgronden gewenkt, ze hadden hem hierheen... naar de dood van zijn totem ontboden.
Onder hem huiverde de grote mammoet terwijl hij zijn kop liet zakken. Het dier hijgde van uitputting en pijn. Cha-kwena’s hart bloedde bij het lijden van zijn totem. De heilige steen zat nog steeds om zijn hals. Vanaf het moment dat hij op de schouder van de totem geklommen was, had hij tot de vier winden en tot de krachten der schepping gezongen en gebeden. Ze verhoorden hem niet. De mammoet was stervende en hij kon niets doen. Hij had in ruil zijn leven aangeboden, maar hoeveel was dat waard? Inderdaad, hij was Cha-kwena, kleinzoon van Hoyeh-tay, de laatste in een reeks van heilige mannen die terugging tot de tijd voorbij het begin en tot de kinderen van Eerste Man en Eerste Vrouw. Hij was echter een onervaren jongen die nooit een sjamaan had willen zijn. Nu hij dat was, was hij op zijn best ondoeltreffend en op zijn minst een belediging voor de voorouders.
Hij sloot zijn ogen. Dakan-eh! Stoutmoedige Man van de Rode Wereld, je waarschuwde me de oude tradities los te laten en de nieuwe te aanvaarden. Als je zou kunnen zien wat mij nu overkomen is, zou zelfs jij medelijden met mij hebben. De schaduwen van de rondcirkelende vogels trokken zijn blik weer naar boven. Hij fronste zijn voorhoofd. Spoedig zou de zon op zijn hoogste punt staan. De oude Hoyeh-tay had hem geleerd dat het middaguur een mystieke tijd was: de ochtend was dan dood, de namiddag nog niet geboren. En voorbij de rand van de wereld wachtte de nacht om de zon te verslinden en bij dageraad weer tot leven te brengen. Dan kon de cyclus van licht en leven opnieuw beginnen.
Cha-kwena tuurde door zijn dikke wimpers naar de zon. Hoyeh-tay had hem ook geleerd dat de zon het wakende oog van Vader Boven was.
'Ben jij daarboven achter de wolken blind geworden? Heb je geen oren om het zingen te horen van hen die jou Vader noemen? Ik doe mijn best om sjamaan te zijn! Goed, misschien niet genoeg! Misschien heb ik fouten gemaakt! Soms denk ik niet na voor ik iets doe. Het is niet mijn fout dat Zielenzuiger Hoyeh-tay van deze wereld wegnam voor ik alles had geleerd wat hij me te leren had! Help me dus! Grote sjamanen hebben beweerd dat zolang ik beschermer van de heilige steen ben, alleen de magische speerpunten een eind aan het leven van de totem kunnen maken. Maar moet je hem nu eens zien! Kun je niet zien dat hij stervende is? Als jij echt een van de krachten der schepping bent, als jij een grote, machtige geest bent, schenk de grote witte mammoet dan zijn leven terug! Hij is totem! Hij mag niet sterven!'
Het bleef stil. Het oog van de zon bleef zonder te knipperen meedogenloos naar beneden staren, blind voor de hachelijke toestand van de jongeman en zijn mammoet.
Toen kwamen langs de hele zonovergoten oever de gedaanten van andere roofdieren tevoorschijn van achter de skeletten van de vele mammoets die naar deze plek waren gekomen om te sterven. Verschrikt vroeg Cha-kwena zich af of zijn ogen hem bedrogen. Beer? Poema? Wolf? Springende kat? Leeuw? Dit waren de spookachtige wezens die hij op de berg ontmoet had. De roofdieren sloten nu zwijgend hun gelederen, net als tijdens de nacht dat hij ze als schimmen in de duisternis had bespeurd, hem aankijkend met ogen die hem leken te verschroeien.
Ze kunnen niet echt zijn, zei hij tegen zichzelf en sloot zijn ogen. Onder zijn oogleden flitsten en zweefden kleuren, de kleuren van verblinding door de zon: trillend rood, geel en wit, met schitterende flakkeringen blauw en purper, die vormen aannamen en als arrogante poema's achter herten aan sprongen. Hij kneep zijn ogen samen. De lichtstralen kromden zich en kronkelden, tot poema's leeuwen werden, daarna springende katten, vervolgens beren en wolven. Ten slotte ploften ze uiteen in talloze onherkenbare patronen en waren verdwenen.
Cha-kwena beefde van angst en durfde zijn ogen niet te openen. Waren de kleuren het visioen van een sjamaan geweest, of de vloek van Vader Boven, als straf voor zijn onbezonnen woorden tot de zon en zijn onbeschaamd staren naar diens wakend oog? Wanneer hij het waagde om zijn ogen op te slaan, zou hij dan het meer zien en die lange, smalle, verschrikkelijke arm van het dal, of zou hij een blind man zijn?
Hij moest verscheidene keren diep ademhalen voor hij de proef op de som durfde te nemen. Langzaam opende hij zijn ogen. Licht en vormen stroomden naar binnen. Opgelucht haalde hij adem. Hij zag nog steeds zo helder als tevoren, hoewel een vreemd, zwart bolletje onbeweeglijk in het midden van zijn gezichtsveld bleef hangen, als een donkere vogel die voor de zon zweefde. De roofdieren die hij langs de oever had zien sluipen, waren verdwenen. Een eenzame prairiewolf was voor ze in de plaats gekomen. Terwijl hij over het water naar hem keek, ging de kleine gele wolf naast een enorme mammoetschedel zitten. Een eenzame raaf streek boven op de schedel neer en pikte aan iets wat hij onder zijn klauwen vasthield.
Cha-kwena's hart sloeg over. Was dat het foedraal met de magische speerpunten? Ja! Hij was die helemaal vergeten. En zijn speren, waar waren zijn speren? Daar op het strand waren ze, waar hij ze opzij geworpen had.
De grote witte mammoet verplaatste opeens zijn gewicht en deed kreunend een poging om op te staan. Het lukte hem niet en hij viel hard op zijn zij terug. Een heftige pijnscheut trok door huid en spieren, waardoor Cha-kwena in het meer gleed. Happend naar adem ging hij onder, kreeg water en allerlei rommel binnen en kwam hoestend boven. Terwijl hij zijn hoofd trappelend boven water hield, water dat onnatuurlijk warm, rood en vervuild was door de mammoet, spuugde hij de troep uit zijn mond. Opeens had het afgrijzen hem weer in zijn greep. Dit was geen water, hij zwom in wat een meer van bloed en dierlijke resten was geworden. Hij had het vlees en bloed van zijn totem binnengekregen. Gillend van ontzetting en walging dook hij naar voren, graaide wanhopig naar houvast en werkte zich op de zijkant van de mammoet. Verdoofd bleef hij liggen op de zwoegende flank van de totem.
Cha-kwena was tot in zijn ziel geschokt door twee verschrikkelijke openbaringen: de grote witte mammoet was dus toch niet meer dan een gewone mammoet; en hij, kleinzoon van Hoyeh-tay, had als sjamaan gefaald, niet omdat de geesten doof voor zijn dringende verzoeken waren, maar omdat er geen geesten bestonden. Een grote troosteloosheid beving hem. 'Het zijn allemaal leugens geweest,' murmelde hij. Hij voelde zich verraden. 'Noch in deze wereld, noch in de volgende bestaat er magie. Vlees, bloed en dood, meer is er niet, voor welk levend wezen dan ook!'
De mammoet huiverde, slaakte een zucht en kwijlde. Er ging een lichte schok door het enorme lijf. Toen hij de pijn van het dier bemerkte, keek Cha-kwena naar de oever. De prairiewolf was verdwenen. Zelfs Raaf en zijn familie waren hemelwaarts gevlogen en hadden zich bij de rondcirkelende arenden gevoegd. Er verschenen rimpels op het voorhoofd van de jongeman terwijl hij naar het foedraal staarde. Hij wist wat hem te doen stond... Levenschenker was slechts van vlees en bloed, maar hij had het Volk moed en hoop geschonken. Cha-kwena kon het dier niet langer laten lijden. In een vage roes, dof van geest en lichaam, zwom hij naar de oever. De mammoets lieten hem passeren. Hij klauterde op het droge en bleef staan voor de mammoetschedel waarop de raaf had gezeten. Hij keek om zich heen en zag de verminkte resten van verscheidene prairiewolven en twee van Mah-rees weggelopen honden. Nu kwam het beeld terug van de bebloede snuit van de prairiewolf die hem naar deze plaats had geleid. Het vertelde hem dat de dieren de totem hadden aangevallen toen die zich vermoeid en ziek op de modderige oever had neergevlijd. Ze hadden hem de buik opengereten voor hij de kracht vond om op te staan en ze in de grond stampte. Pas daarna was hij het meer in gelopen, in elkaar gezakt en aan zijn doodsstrijd begonnen.
Diepbedroefd opende Cha-kwena het toegetakelde foedraal. Onder een zon die leek te spotten met zijn akelige, zwaarmoedige stemming, maakte hij de riempjes los die de speerpunten erin beschermden. Hij bekeek ze met nieuwe aandacht. Wat waren ze prachtig! Cha-kwena schudde zijn hoofd bij de bittere ironie van het geval. Nu zou Levenschenker werkelijk door de legendarische speerpunten sterven, maar niet door de hand van iemand die hem zijn macht probeerde te ontroven. Hij zou gedood worden door de hand van iemand die gezworen had zijn beschermer te zijn. Hij nam een van de drie speerpunten op. Hij lag zwaar in zijn hand en voelde scherp aan tegen zijn handpalm terwijl hij naar de mammoet terugkeerde en opnieuw naar de plek onder zijn schouder klom. 'Nu zal ik jou dus toch beschermen, beste vriend, tegen pijn en tegen dieren die je levend aan stukken willen scheuren.' De mammoet tilde zijn slurf op en zuchtte op een manier die maakte dat Cha-kwena zich afvroeg of hij begreep wat hij gezegd had.
'Vergeef me, beste vriend,' fluisterde hij.
Terwijl hij de rusteloze bewegingen van de bewakende mammoets negeerde, nam hij de lange, massieve speerpunt in beide handen en deed wat gedaan moest worden. Cha-kwena dreef de uiterst scherpe dolk van chalcedoon diep naar binnen.
De mammoet slaakte een hoge, korte zucht toen de grote halsslagader geraakt werd. Het bloed spoot hoog op. Het lemmet viel de sjamaan uit handen. Terwijl de zon voorbij zijn hoogste punt gleed, ontspande Levenschenker zich in de dood en blies met een dankbare zucht zijn laatste adem uit.
'Het is voorbij,' zei Cha-kwena met gebogen hoofd. Hij wenste dat hij met de totem gestorven was.
Eén lang moment heerste er een absolute, oorverdovende stilte. Toen trompetterden de mammoets, Prairiewolf huilde en Noordenwind trok een gordijn van wolken voor de zon. Badend in het bloed van zijn totem keek Cha-kwena omhoog. De tranen voorbij, verpletterd door schuld en smart, hoorde hij hoe de schimmen der Ouden zich in zijn geest verhieven en beloftes herhaalden die hij niet langer geloofde: op de dag dat Levenschenker sterft, zal het volk ook sterven, behalve de man die hem doodt. De man die zijn vlees eet en zijn bloed drinkt, zal zijn wijsheid en macht in zich opnemen en onsterfelijk worden. 'Nee.' Cha-kwena schudde zijn hoofd. 'Ik geloof jullie niet.' Ineens zo zwak als een baby liet hij zich op zijn knieën vallen en sprak zich uit tegen de wind en de zon achter de wolken. 'Niets leeft voor eeuwig! Niets! Ik, Cha-kwena, kleinzoon van Hoyeh-tay, heb de witte mammoet gedood. Grote Geest, Grootvader van Alles, de totem van mijn voorouders, is dood, en ik heb zijn vlees en bloed in mijn eigen lichaam opgenomen!' Hij beefde. Een wild snikken verscheurde zijn ziel, nee, zijn hele wezen. 'Ik ben geen sjamaan! Ik wil niet eeuwig leven! Ik wil helemaal niet meer leven!' Cha-kwena wist niet hoe lang hij geknield zat op het roerloze lichaam van de totem, of wanneer hij de mammoetbewakers de gevallen reus zag insluiten. Toen hij de blik van de grote gespikkelde koe ontmoette, was hij er zeker van dat zij en haar soortgenoten hem gingen doden. Op datzelfde ogenblik dook hij in het meer en zwom voor zijn leven, onder water. De mammoets probeerden hem niet tegen te houden en hij was te opgelucht om zich af te vragen waarom.
Toen hij de oever bereikte, zag hij dat de eenzame prairiewolf teruggekeerd was. Het dier was bij de mammoetschedel gaan liggen. Toen Kleine Gele Wolf overeind kwam en naar hem keek, wist Cha-kwena niet wat hem overkwam, want het was de man die gromde, niet het dier.
'Ga weg!' beval hij. Vervolgens gebaarde hij in de richting van de dode prairiewolven en de verpletterde honden. 'Met elkaar zijn jullie door bloed verbonden, niet met mij! Jullie hebben op mijn totem gejaagd en ik vertel jullie nu dat jullie vandaag meer dan een mammoet gedood hebben. Jullie hebben ook een sjamaan gedood!' Nadat hij deze woorden had uitgesproken, sprong hij langs de prairiewolf, pakte een van de speerpunten uit het foedraal en slingerde hem naar de kleine gele wolf.
De speerpunt schampte af op bot en viel terug in het meer. De prairiewolf jankte, tolde in het rond en rende weg. Bevend zag Cha-kwena hem gaan. 'Jij en ik, wij zijn geen geestesbroeders meer!' Grimmig pakte hij zijn foedraal en de overgebleven speerpunt op en slingerde ze beide in het water. 'Het is voorbij,' verklaarde hij. Zijn hand ging omhoog om het medicijnbuideltje met de heilige steen van zijn hals los te rukken. Maar op dat moment hield de wind zijn hand tegen door zijn blik naar de zon achter de wolken te trekken. De grote witte winter ontwaakte in het noorden. Hij wist dat hij en zijn volk dit vervloekte land moesten verlaten voor het te laat was.
Het was duidelijk dat de stam in de dagen en nachten die in het vooruitzicht lagen, vertrouwen in magie en in de geesten nodig zou hebben, wilde het volk de tocht door het onbekende gebied overleven. Hij kon hun niet vertellen wat hij gedaan had, net zomin als dat de sjamaan op wie ze waren gaan vertrouwen in hem gestorven was toen hij de grote witte mammoet het leven benam.
Neerslachtig nam hij zijn speren op en keerde naar zijn stam terug. Het was vrijwel helemaal donker. Hij trof het kamp verlaten aan en wist niet wat hij hiervan moest denken tot hij een flakkerend vuurbaken in de heuvels zag branden. Hij ging erop af tot hij bij de grot kwam.
De regen stroomde neer toen hij de uitgestrekte, kiezelachtige bergflank beklom. De jonge sjamaan was vastbesloten zijn volk niet over de dood van de totem te vertellen, maar in plaats daarvan te zeggen dat zijn eerste intuïtie over dit nieuwe gebied juist was en dat zij zich moesten voorbereiden op het vertrek. Hij werd begroet door een huilende Mah-ree.
'O, Cha-kwena!' schreide ze, terwijl ze naar hem toe rende. Ze sloeg haar armen om zijn middel en trok hem dicht tegen zich aan. 'Waar heb je gezeten? Gah-ti is gewond! En op weg naar de grot begon Siwi-ni te bloeden en, en, en...' Ze zweeg, zocht naar adem en flapte er vervolgens alles uit wat er in zijn afwezigheid was gebeurd. 'Maar alles komt goed nu jij terug bent! De magie van mijn sjamaan zal helpen waar mijn medicijn dat niet kan! O, Cha-kwena, zeg me dat je de totem gevonden hebt en dat alles met Grootvader van Alles in orde is!'
'Ja, ik heb de totem gevonden,' was zijn ontwijkende antwoord, en hij volgde haar de grot in. Verbijsterd door Gah-ti's verwondingen en Siwi-ni's dodelijke bleekheid besefte Cha-kwena dat het vele manen zou duren voor zijn volk zou kunnen vertrekken uit dit vervloekte land waar hij hen naartoe had gebracht en dat door de mammoet en de totem als laatste rustplaats was uitverkoren.