1992
Woendag 1 januari 1992
‘De Wilden’ was gisteravond dicht dus gingen we om half twaalf naar Trafalgar Square om het nieuwe jaar in te luiden. De menigte was als een dronken korenveld dat wuifde en rimpelde in de storm. Meer dan twee uur lang verloor ik mezelf en liet me meevoeren met de stroom. Het was angstaanjagend, maar ook opwindend me in een rij te bevinden die de Conga deed in St. Martin’s Lane. Jammer genoeg had de persoon voor me ontzettend dikke billen. Geen aantrekkelijk gezicht.
Toen de Big Ben twaalf uur sloeg, merkte ik dat ik wildvreemde mensen zoende en gezoend werd door wildvreemde mensen, inclusief buitenlanders. Ik probeerde bij Bianca te komen, maar ze werd omringd door een stel extraverte Australiërs die allemaal langer dan twee meter tien waren. Maar uiteindelijk, om drie minuten over twaalf op 1 januari kusten we elkaar en zwoeren elkaar trouw te blijven. Ik kan niet geloven dat ik zo’n fantastische vrouw heb. Waarom houdt ze van mij? Ik leef in angst en vrees dat ze op een dag wakker wordt en zich dezelfde vraag stelt.
Vandaag zijn we naar de Tower Bridge geweest. Mij liet het koud, maar Bianca was verrukt van de structurele constructie van de brug. Ik moest haar zo ongeveer wegslepen.
Donderdag 2 januari
Om half vier ‘s-morgens opgestaan en me aangesloten bij de rij voor de kledingzaak Next in Oxford Street. De uitverkoop begon om negen uur. Ik raakte in gesprek met een man die een oogje had op een double-breasted, marineblauw pak, afgeprijsd van 225 tot 90 pond. Hij treedt aanstaande zaterdag in het huwelijk met een parachute-inpakster, die Melanie heet.
Met mijn nieuwe zwartleren jasje, witte T-shirt en blauwe spijkerbroek zie ik er net zo uit als alle jonge mannen in Londen, New York en Tokio. Of Leicester, nu ik erover nadenk. Want Leicester is het epicentrum van het Next-imperium.
Bianca wilde vandaag naar de elektriciteitscentrale in Battersea en vroeg of ik meeging, maar ik wees haar erop dat Ziet! een revolutionaire kant uitgaat en dat ik aan hoofdstuk tweeëntwintig moest werken.
Ze verliet de flat zonder een woord te zeggen, maar haar rug zag er heel kwaad uit.
Jake zette de kraag van zijn zwartleren jasje van Next op tegen de gure wind die over de Thames blies. Hij staarde neer op het ebbende water. Het was tijd dat hij iets meer met zijn leven deed dan alleen maar bijdragen aan de bestrijding van de honger in Soedan. Hij wist wat het was. Het was iets waar hij tegen had gevochten – God weet hoe hard hij ertegen had gevochten! Maar de drang werd nu overweldigend. Hij moest het doen. Hij moest een roman schrijven…
Woendag 8 januari
President Bush heeft vanavond op de schoot van de Japanse ambassadeur gekotst tijdens een officieel banket in Tokio. We zagen het op de draagbare televisie in de keuken van ‘De Wilden’. Mevrouw Bush duwde haar man onder tafel en verliet vervolgens de zaal. Ze keek niet erg vrolijk. De televisie vertoonde het hele incident in slow-motion. Je werd er misselijk van. De Japanners keken ontzet. Zij hechten vreselijk aan protocol. De Wilde heeft kleine Carlos ontslagen omdat hij een stickie rookte op het plaatsje achter het restaurant. Daarna dronk De Wilde een halve fles cognac, drie flesjes Mexicaans bier, stal verschillende drankjes van de tafels van de gasten en raakte tenslotte slaags met de palm bij de bar nadat hij hem ervan had beschuldigd een verhouding met zijn vrouw te hebben. Alcohol is bepaald een gevaarlijke drug in de verkeerde handen.
Woendag 15 januari
Jake zat voor zijn high-tech Amstrad en drukte op de glinsterende knopjes. De titel van zijn roman verscheen op het scherm.
SPARG VAN KRONK
Hoofdstuk een: Spargs terugkeer
Sparg stond op de top van de heuvel en keek neer op Kronk, de nederzetting waar hij geboren was. Hij gromde tegen zijn vrouw Barf en zij gromde woordeloos terug, want de woorden waren nog niet uitgevonden. Ze renden de heuvel af. Spargs moeder, Krun, zag haar zoon en zijn vrouw op het vuur af komen. Ze gromde naar Spargs vader, Lunt, en hij kwam in de deuropening van de hut staan. Zijn ogen werden smaller. Hij haatte Sparg.
Krun gooide nog wat wortels op het vuur: ze had geen gasten verwacht voor het avondeten. Typisch haar zoon, dacht ze, om zo onverwacht aan te komen zetten en nog wel met een vrouw met een gezwollen buik. Ze hoopte maar dat er genoeg wortels waren voor allemaal.
Ze was blij dat woorden nog niet waren uitgevonden. Ze had een hekel aan kletspraat. Hier voor haar stond Sparg. Ze snuffelde aan zijn oksel zoals de gewoonte was wanneer een Kronker terugkeerde van een lange reis. Barf hield zich op de achtergrond en keek naar de begroetingsceremonie. Het water liep haar in de mond. De geur van de brandende wortels deed haar honger oplaaien. Omdat woorden nog niet waren uitgevonden, konden moeder en zoon geen nieuwtjes uitwisselen.
Meteen tevreden zucht schoof Jake zijn stoel voor de computerterminal achteruit. Het was goed, dacht hij, verdomd goed. De tijd was rijp voor nog een prehistorische roman zonder dialoog.
Dinsdag 21 januari
Een brief van Bert Baxter. Bijna onleesbaar.
Beste jongen,
Het lijkt lang geleden dat ik je zag. Wanneer kom je in Leicester? Er zijn een paar klusjes die je voor me moet doen. Sorry voor het handschrift. Ik heb de bibberij.
Groeten,
Bertram Baxter
P.S. Breng je teennagelschaartje mee.
Vanavond flinke ruzie met Bianca gehad. Ze beschuldigde me van:
- Nooit willen uitgaan
- Overdreven veel lezen
- Overdreven veel schrijven
- Minachting voor het Britse industriële erfgoed
- Winden laten in bed
Maandag 27 januari
Eindelijk de ruzie bijgelegd en naar het Nationale Filmtheater gegaan. We zagen een film over een Japanse vrouw die de penis van haar minnaar afsnijdt. De rest van de film zat ik met strak over elkaar geslagen benen en wierp zo nu en dan zenuwachtige blikken op Bianca, die glimlachend naar het doek staarde.
Mijn haar is bijna lang genoeg voor een paardestaartje. Volgens het tijdschrift The Face zijn staartjes uit. Maar dit is misschien mijn laatste kans om er een te proberen. Dus ga ik het doen. De Wilde pocht dat hij het zijne al vijf jaar heeft.
Bianca heeft een tweedehands typemachine gekocht en is Ziet! aan het uittypen. Ze heeft al achtenzeventig prachtig ingedeelde pagina’s voor me neergelegd. Het is verbluffend hoe een roman erop vooruitgaat in getypte vorm. Ik had jaren geleden al het advies van meneer John Tydeman ter harte moeten nemen.
Woendag 29 januari
Heteroseksuele aids is in Engeland vorig jaar met vijftig procent toegenomen. Dat deelde ik Bianca mee toen we vroeg in de avond naar ‘De Wilden’ liepen. Ze werd doodstil.
Ik moest vanavond uren wachten voor de badkamer toen ik mijn tanden wilde poetsen. Eindelijk kwam Norman eruit en bood zijn excuses aan voor de verse brandplekken op de lijst van de spiegel. Het is hem uitdrukkelijk verboden daar te oefenen.
Toen ik weer in onze kamer kwam, zat Bianca een pamflet van de Terence Higgins Trust te lezen.
Ik vroeg luchtig: “En wie mag die Terence Higgins dan wel wezen?”
“Hij is dood,” zei ze zachtjes. Het was een pamflet over aids.
Bianca barstte in tranen uit en bekende dat ze in 1990 een relatie had gehad met een man die Brian Boxer heette, die haar op zijn beurt had bekend dat hij in 1979 een relatie had gehad met een biseksuele vrouw, die Diana Tripp heette. Ik zal morgenochtend de Terence Higgins Trust hulptelefoonlijn opbellen en om hulp vragen.
Zaterdag 1 februari
De eerste tweeëntwintig hoofdstukken van Ziet! De vlakke heuvels van mijn thuisland vormen nu een stapeltje van 197 keurig getypte pagina’s. Ik blijf het oppakken en met het stapeltje in mijn armen door de kamer lopen. Ik kan het me niet veroorloven het te laten fotokopiëren, niet voor de prijs van 10 pence per pagina. Wie ken ik in Londen die toegang heeft tot een fotokopieerapparaat?
Flat 6
Brenda’s Patisserie
Old Compton Street
Londen
Beste John,
Ik heb uw raad opgevolgd en heb Ziet! De vlakke heuvels van mijn thuisland gereviseerd. Ik heb ook gebruik gemaakt van de diensten van een professionele typiste en u zult blij zijn te zien dat mijn manuscript nu bestaat uit tweeëntwintig getypte hoofdstukken. Ik ben van mening dat wanneer het af is, Ziet! De vlakke heuvels van mijn thuisland buitengewoon geschikt zal zijn om voorgelezen te worden op de radio, mogelijk in de serie Klassieken.
Zoals u zult zien, heb ik mijn manuscript hierbij ingesloten. Ik vertrouw op uw goede zorgen. Ik zal echter nog wel een paar kleine wijzigingen moeten aanbrengen. Zou het te veel gevraagd zijn deze honderdenzevenennegentig pagina’s te fotokopiëren en mij een kopie toe te zenden op bovenstaand adres?
Bij voorbaat mijn dank.
Uw toegenegen,
Adriaan Mole
Dinsdag 4 februari
Vanmorgen naar Broadcasting House van de BBC gelopen. Terwijl ik worstelde met de grote metalen deuren kwam een stelletje handtekeningenjagers op me afstormen. Ik reikte naar mijn viltstift, maar voor ik die te voorschijn kon halen zag ik dat ze zich verdrongen om Alan Freeman, de bejaarde DJ. Ik drong me tussen hen door en betrad de gewijde ontvangstruimte van de British Broadcasting Corporation, in de gaten gehouden door de streng kijkende veiligheidsdienst. Ik liep naar de balie en ging in de korte rij staan.
Binnen vier minuten zag ik een overvloed van beroemde mensen: Delia Smith, Robert Robinson, Ian Hislop, Bob Geldof, Annie Lennox, Roy Hattersley enz. enz. De meesten van hen werden uitgeleide gedaan door een jonge vrouw die Caroline werd genoemd.
Tenslotte vroeg de blonde receptioniste: “Kan ik u helpen?” En ik zei: “Ja. Kunt u ervoor zorgen dat de heer John Tydeman dit pakje krijgt? Het is heel dringend.”
Ze krabbelde iets op het tasje waar mijn briefen het manuscript van Ziet! De vlakke heuvels van mijn thuisland in zaten, en gooide het in een metalen mandje.
Ik bedankte haar, draaide me om en botste tegen Victor Meldrew op, de mopperpot in One Foot in the Grave. Ik bood mijn excuses aan en hij zei: “Vriendelijk van u.” Hij is veel langer dan hij op de televisie lijkt. Toen ik terug was in onze kamer, vertelde ik Bianca dat ik met Victor Meldrew had staan praten. Volgens mij was ze echt onder de indruk.
Woendag 5 februari
We werden vanmorgen allebei vroeg wakker, maar we vreeën niet met elkaar zoals anders. We douchten en kleedden ons in stilte aan. We gingen naar beneden en dronken cappuccino en aten croissants in Brenda’s Patisserie en luisterden naar roddels over de dood van de Britse filmindustrie. Om kwart voor elf betaalden we de rekening en liepen naar de kliniek in Neal Street. (We waren 1 pond 40 kwijt aan de verschillende bedelaars die we onderweg tegenkwamen.)
We werden afzonderlijk te woord gestaan door een heel empatische raadsvrouw die Judith heette. Ze wees erop dat ook al zou de uitslag van onze test positief zijn, dat nog niet zou hoeven betekenen dat we ook echt aids zouden krijgen. Na Judith gingen we wat drinken in een pub in Carnaby Street om onze opties te bespreken:
a) De test laten uitvoeren en het ergste te weten komen
b) De test niet laten uitvoeren en het ergste vermoeden.
We besloten er een nachtje over te slapen.
Donderdag 6 februari
We hebben allebei besloten de test te laten doen en hebben gezworen voor elkaar te zorgen tot de dag van onze dood. Wat er ook gebeurt.
Zaterdag 8 februari
Meneer Britten, de groenteboer, die ‘De Wilden’ van groente en fruit voorziet, kwam vandaag in de keuken en vertelde ons dat hij volgende week moet sluiten. Hij zei dat De Wilde hem zevenhonderd pond schuldig is. Ik was diep verontwaardigd, maar meneer Britten zei verslagen dat De Wilde er maar één is van zijn vele niet-betalende schuldenaren. Hij zei: “Als de bank me nog twee weken de tijd geeft, zou ik het wel redden, maar dat willen die schoften niet.”
Ik heb hem een kopje thee gegeven en naar hem geluisterd terwijl hij doorjammerde over rentevergoedingen en Norman Lamont. Ik geloof dat hij zich een beetje beter voelde toen hij zijn volgende vrachtje ging afleveren.
Ik belde mijn moeder op om haar te vertellen over mijn gesprek met Victor Meldrew en hoorde dat zij ook bij een raadsman is geweest. Een raadsman voor schuldenaren. Ik vroeg me al een tijdje af hoe ze haar hypotheek betaalde. Nu weet ik het antwoord. Dat deed ze niet. Ze heeft een officiële mededeling gekregen van de Building Society, dat het huis waar ik mijn jeugd heb doorgebracht op 16 maart teruggevorderd zal worden. Ze smeekte me het niet aan de andere leden van de familie te vertellen. Ze hoopt dat er iets zal gebeuren om die ramp te voorkomen.
Ik heb haar niet verteld dat ik elfhonderd en elf pond heb staan op een rekening bij de Market Harborough Building Society. Maar ik zei wel dat Bianca en ik morgen naar Leicester zouden komen. Ze klonk aandoenlijk dankbaar.
Zondag 9 februari
Toen we bij St. Pancras Station kwamen, zei Bianca dat ik omhoog moest kijken. “Je kijkt nu naar een van de grootste ongesteunde boogconstructies van de hele wereld,” zei ze. “Is het niet prachtig?”
“Eerlijk gezegd, Bianca,” zei ik, “zie ik alleen maar een smerig dak vol duivepoep.”
“Stom van mij om je te vragen verder te kijken dan je neus lang is,” zei ze. Ze stormde de trein in en liet onze weekendtassen aan mij over.
Ik vergeet altijd dat Bianca een gediplomeerd ingenieur is. Ze ziet er niet uit als een ingenieur en sinds ik haar ken heeft ze alleen maar baantjes als kioskjuffrouw en serveerster gehad. Ze schrijft op minstens twee ingenieursbanen per week, maar is nog niet eens één keer voor een gesprek uitgenodigd. Ze denkt erover zichzelf ‘Brian Dartington’ te noemen in haar c.v.
De conducteur vergat onze driemaands-retourtjes te knippen dus kostte de reis naar Leicester ons geen cent. Maar elk gevoel van triomf verdween toen we bij het huis kwamen. Mijn moeder hield zich goed, maar ik zag wel dat ze inwendig overstuur was – op een gegeven moment had ze een sigaret in haar mond, een in de asbak en een die op de rand van de vensterbank in de keuken lag te branden. Ik vroeg haar hoe ze zo vreselijk in de schuld had kunnen raken.
Ze fluisterde: “Martin had het geld nodig om zijn opleiding af te maken. Ik heb duizend pond geleend bij een financieringsmaatschappij, tegen een rente van vierentwintig komma zeven procent. Twee weken later raakte ik mijn baan bij Groep Vijf kwijt – iemand verraadde dat ik achtenveertig was.” Ik vroeg haar me te laten zien hoeveel schulden ze precies had. Ze kwam met rekeningen van allerlei soort en kleur aanzetten. Ik drong erop aan dat ze Muffe! hun financiële situatie precies uit de doeken zou doen, maar ze werd bijna hysterisch en zei: “Nee, nee, hij moet zijn ingenieursdiploma halen.”
Ik schijn omringd te zijn door ingenieurs. Bianca vertelde mijn moeder dat zij ook ingenieur was.
Ik zei voor de grap: “Ja, maar ze heeft zelfs nog geen toren van lego gebouwd sinds ze van de universiteit is gekomen.”
Tot mijn verbazing tilde Bianca heel zwaar aan mijn onschadelijke grapje en liep met tranen in de ogen de kamer uit.
Mijn moeder zei: “Tactloze hufter!” en liep achter haar aan de tuin in.
Ik bleef aan de keukentafel zitten, verzamelde moed en schreef drie cheques uit: voor Dikke Eddie’s Lening B.V. (tweehonderd en eenenzeventig pond), voor de Co-op Zuivel (zesendertig pond negenenveertig) en voor Cherry’s Nieuwsagentschap (vierenzeventig pond eenentachtig). Ik weet wel dat dat mijn moeders huisvestingsproblemen niet oplost, maar dan kan ze tenminste haar voordeur opendoen zonder lastig gevallen te worden door plaatselijke schuldeisers.
Toen Martin terugkwam van oma (waar hij haar dubbele stopcontacten vervangt door driedubbele), stelde ik hem aan Bianca voor. Binnen een paar seconden vormden ze één front. Ze praatten aan één stuk door over het St. Pancras Station en ongesteunde boogconstructies. Het is alweer een tijd geleden dat ik Bianca zo geanimeerd zag praten. Ze zaten naast elkaar bij het avondeten en na het eten boden ze aan de afwas te doen.
Ik hielp Rosie met haar huiswerk, een opstel over ‘Een dag in het leven van een dolfijn’. Daarna ging ik naar de keuken en vond Bianca en Muffet die doorzeurden over het St. Pancras Station Hotel en zijn architect, Sir George Gilbert Scott.
Ik viel ze in de rede en zei tegen Bianca dat ik naar bed ging. Ze keek nauwelijks op en mompelde alleen maar: “Oké, ik kom ook zo.”
De logeerkamer stond vol met Rosies walgelijke, lichtgevende My Little Pony-modellen.
Maandag 10 februari
Ik heb geen idee hoe laat Bianca gisteravond naar bed ging. Ze moet bij me in bed gekropen zijn zonder me wakker te maken. Het enige wat ik weet is dat Muffet en mijn moeder niet met elkaar praten en dat ik me doodongelukkig voel.
Half twaalf’s avonds Gewerkt aan Hoofdstuk drieëntwintig: Raadsel.
Jake zat in Alma’s, de patisserie waar de intelligentsia altijd kwam, op zijn A4-blocnote te krabbelen. Dag en nacht werkte hij aan zijn roman. Hij was al bij hoofdstuk vier:
Hoofdstuk vier. Stenen
Sparg kroop door het weelderige struikgewas. Hij wist dat ze er waren. Hij hoorde ze voor hij ze zag. Ze zaten te grommen over hun wederzijdse interesse in gesteenten. Sparg duwde de yuccaplant opzij en daar voor hem zag hij ze: Murf en Barf, badend in het zonlicht, dicht bijeen. Hun ledematen waren op intieme wijze ineengestrengeld.
Sparg onderdrukte een jaloerse grom en kroop terug naar Kronk, de nederzetting waar hij was geboren.
Dinsdag 11 februari
Morgen krijgen we de uitslag. Daar zou ik me heel druk over moeten maken en nadenken over onze sterfelijkheid e.d. Maar het enige waar ik aan kan denken, is de manier waarop Muffet naar Bianca keek en de manier waarop Bianca naar Muffet keek toen ze maandagmorgen afscheid namen op het station van Leicester.
Woendag 12 februari
Judith deelde ons mee dat onze testen negatief waren! We zijn niet seropositief! We gaan niet dood aan aids!
Niettemin heb ik het gevoel dat ik best kan sterven aan een gebroken hart. Bianca heeft voorgesteld nog een dagje naar Leicester te gaan. Ze beweert dat ze op Londen is uitgekeken. Een slap smoesje. Hoe kan iemand nou op Londen uitgekeken zijn? In dat opzicht ben ik het helemaal met dr. Johnson eens.
Donderdag 13 februari
Een brief van de BBC.
Beste Adriaan,
Toen mijn secretaresse mij je brief en je manuscript van Ziet! De vlakke heuvels van mijn thuisland overhandigde, voor de zoveelste keer, dacht ik dat ik aan hallucinaties leed. Je bent brutaler dan een hond, opdringeriger dan een vlo. De BBC is geen gratis fotokopieerdienst. Wat je belachelijke voorstel betreft, jouw roman te laten voorlezen als onderdeel van onze serie Klassieken…De schrijvers van die werken zijn gewoonlijk dood, en hun werk heeft hen overleefd. Ik twijfel er ten zeerste aan of jouw werk jou wel zal overleven. Ik stuur je het manuscript onmiddellijk terug. Door een administratieve vergissing is er inderdaad een kopie van gemaakt. Die stuur ik je erbij, zij het met frisse tegenzin. Je moet me nu echt niet meer lastig vallen.
John Tydeman
Vrijdag 14 februari
VALENTIJNSDAG
Een teleurstellend klein kaartje van Bianca. Mijn kaart voor haar was schitterend. Groot, opgevuld, duur, en in een doos met een strik erop.
De Wilde zit in een kliniek voor alcohol- en drugsverslaafden. Luigi is hem zondag gaan opzoeken en zei dat De Wilde aan het pingpongen was met een vijftien jaar oude crack-verslaafde uit Leeds.
Zaterdag 15 februari
Bianca gaat maandag een dag naar Leicester, naar mijn moeder. Ik wou dat ik met haar mee kon, maar ik maak nu werkdagen van zestien uur, zeven dagen per week. Iemand moet mijn moeder uit de gevangenis houden en ik ben nu de enige van de familie die een echte baan heeft.
Mijn werk bij ‘De Wilden’ bestaat nu ook uit het schoonmaken van de groenten. Het is vervelend werk, dat bemoeilijkt wordt door de obsessieve houding van Roberto, de kok. Hij staat erop dat alle groenten dezelfde lengte en breedte hebben. Ik moet een centimeter in de zak van mijn schort houden.
Zondag 16 februari
Het is nu zeven dagen en nachten geleden dat Bianca en ik de liefde bedreven. Het is niet alleen de seks die ik mis. Het is niet de seks. Het is echt niet alleen de seks. Ik mis het vasthouden, het ruiken aan haar haar, het strelen van haar huid. Ik wou dat ik met haar kon praten over hoe ik me voel. Maar ik kan het niet, ik kan het gewoon niet. Ik kan het echt niet. Ik heb het geprobeerd, maar ik kan het gewoon niet. Vannacht in bed heb ik haar hand vastgehouden, maar dat telde niet. Ze sliep.
Maandag 17 februari
Voor ik om halfzeven ‘s-morgens naar mijn werk ging, schreef ik een briefje dat ik tegen de vaas met hyacinten op tafel aan zette.
Bianca, lieveling,
Praat alsjeblieft met me over onze relatie. Het is me onmogelijk een gesprek daarover te beginnen. Het enige dat ikje kan zeggen, is dat ik van je hou. Ik weet dat er iets mis is tussen ons, maar ik weet niet wat ik eraan kan doen.
Mijn liefde, voor altijd,
Adriaan
Bianca was heel lief tegen me vanavond. Ze verzekerde me dat haar gevoelens ten opzichte van mij niet veranderd zijn. Maar ze zei het door de telefoon vanuit Leices ter. Ze blijft nog een dag om mijn moeder te helpen.
Toen ik om half twaalf van mijn werk kwam, las ik mijn briefje, dat nog steeds op tafel lag, nog een keer over. Toen verscheurde ik het en spoelde het door de wc. Ik moest drie keer doortrekken voor alles weg was.
Dinsdag 18 februari
Ik was vannacht doodmoe, maar ik kon niet slapen, dus stond ik op, kleedde me aan en ging wandelen. Soho slaapt nooit. Het bestaat voor mensen zoals ik: de eenzamen, de gebroken harten, de buitenstaanders. Toen ik thuiskwam heb ik in Dostojevski’s De vernederden en vertrapten zitten lezen.
Woendag 19 februari
De goden zijn onze familie niet echt gunstig gezind. Mevrouw Bellingham heeft mijn vader ontslagen en hem haar bed uit geschopt. Ze was diep geschokt toen ze ontdekte dat mijn vader haar beveiligingslampen in achterbuurtcafés verkocht voor de helft van de prijs. Hij woont nu weer bij oma. Dat weet ik alleen maar omdat oma me op mijn werk opbelde om te klagen dat mijn moeder haar vijftig pond schuldig is sinds afgelopen december. Oma heeft het geld nodig omdat ze in juni naar Egypte gaat met de bejaardenclub en volgende week een aanbetaling moet doen.
Ik wees oma erop dat ze een grote hoeveelheid spaargeld op een hoogrentende rekening had staan. Kon ze daar geen vijftig pond afhalen? Oma wees erop dat de bank bij geldopname een maand van tevoren verwittigd moet worden. Ze zei: “Ik ben niet bereid het renteverlies te dragen.”
Ik vroeg oma terloops of ze nog iets van Bianca had gezien. Zij antwoordde terloops dat ze Bianca en Muffet in bus negenentwintig had gezien op weg naar de stad. Ze voegde er een paar details aan toe. Ze zaten te lachen. Bianca had een bosje fresia’s (haar lievelingsbloemen) in haar hand. En Muffet keek ‘gelukkiger dan ik hem ooit heb gezien’. Er klonk een soort tjing-geluid toen ze achterover leunde in de stoel naast de telefoon en zei: “Je hoeft geen Einstein te zijn om te weten wat dat betekent, hè jongen?”
Bedankt, oma, de rottige miss Marple van Leicester.
Donderdag 20 februari
Ik vrees het ergste. Bianca is nog steeds in Leicester. Ik kreeg vanmorgen een brochure van een organisatie die het Faxos Instituut heet. Ze boden me een holistische vakantie op het Griekse eiland Faxos aan, compleet met cursussen in creatief schrijven, droomworkshops, stemvorming en stressbeheersing. Een foto in de brochure toonde vrolijke, gebruinde vakantiegangers die groene groenten zaten te eten aan lange tafels onder de blauwe hemel. Van dichtbij bezien met een vergrootglas, bleek het voedsel te bestaan uit sla en courgettes met stukjes van iets dat op kaas leek erbij. Er stonden flessen retsina, vazen met bloemen en grofgesneden broden op de tafels.
Op een andere foto stonden een strand en een bosje pijnbomen en de accommodatie bestaande uit bamboehutten die verspreid op een helling stonden. Het zag er echt idyllisch uit. Ik sloeg een bladzijde om en zag dat Angela Hacker, schrijfster van boeken en toneelstukken, bekend van radio en televisie, de schrijfcursus de eerste twee weken van april zal begeleiden. Ik heb haar boeken niet gelezen en haar stukken niet gezien, maar ik heb haar wel in het televisieprogramma Through the Keyhole gezien. Ze heeft bepaald een elegant huis, al herinner ik me wel dat ik getroffen was door de verbazingwekkende hoeveelheid alcohol die daar te zien was. Er stonden overal flessen, in alle kamers. Loyd Grossman maakte daar toen nog een grapje over, iets over nattigheid. Het publiek in de studio lachte zich een ongeluk.
Ik sloeg de brochure met een zucht dicht. Twee weken op Faxos over mijn roman praten met Angela Hacker zou paradijselijk zijn, maar ik kan het me onmogelijk veroorloven. Mijn reserves bij mijn Building Society slinken. Ik ben aan mijn laatste duizendje bezig.
Zaterdag 22 februari
Bianca belde tussen de middag naar het restaurant op en zei dat ze morgenochtend de trein van half acht uit Leicester zal nemen en rond negen uur op St. Pancras zal aankomen. Haar stem klonk vreemd. Ik vroeg haar of ze keelpijn had. Ze antwoordde dat ze heel wat had afgepraat. Alle vezels van mijn lichaam verlangen naar haar, vooral die bij mijn lendenen.
Zondag 23 februari
Ik stond op het perron toen de trein aankwam en ik zag Bianca eruit springen. Ik rende naar haar toe met een bosje narcissen die ik bij een stalletje buiten de ondergrondse op Oxford Street had gekocht. Toen zag ik tot mijn verrassing Martin Muffet uit de trein stappen met twee grote koffers. Hij zette ze op het perron en sloeg zijn arm om Bianca’s smalle schouders.
Bianca zei: “Het spijt me, Adriaan.”
Muffet zei: “Mij ook.”
Eerlijk gezegd wist ik niet wat ik moest zeggen.
Ik draaide me om, liet de twee ingenieurs achter onder de wonderbaarlijke boogconstructie van St. Pancras Station en ging te voet terug naar Old Compton Street. Ik weet niet wat er met de narcissen is gebeurd, maar toen ik thuiskwam, had ik ze niet meer.
Maandag 24 februari
Hoofdstuk vierentwintig: Vergetelheid
Jake bevestigde de slang over de uitlaat en controleerde of hij goed vastzat. Toen duwde hij het andere uiteinde van de slang door het zijraampje van de auto naar binnen. Hij wierp een laatste lange blik op het glorieuze uitzicht over het panorama van het merendistrict dat zich beneden hem uitstrekte. “Wat is het leven toch mooi,” zei hij hardop tegen de wind. Overal om hem heen knikten de narcissen instemmend. Jake haalde zijn snoerloze elektrische scheerapparaat uit zijn toilettasje en begon zich te scheren. Hij was altijd ijdel geweest en hij wilde er ook als lijk goed uitzien. De haartjes vlogen weg in de wind en werden één met de aarde. Jake plensde Obsession, zijn favoriete aftershave, op zijn gezicht. Toen hij klaar was met zijn toilet, stapte hij in de auto en zette de motor aan. Terwijl de dampen het inwendige van de auto vulden, peinsde Jake over zijn leven. Hij had vier continenten bereisd en de mooiste vrouwen van de wereld in zijn bed gehad. Hij had de as terug naar Engeland gebracht. Hij had de Mount Everest achterstevoren beklommen en de definitieve bron van de Nijl ontdekt. Niemand kon zeggen dat zijn leven niet van belang was geweest. Maar zonder Regina, het meisje waar hij van hield, wilde hij niet verder leven. Terwijl Jake wegzonk in vergetelheid, naderde het streepje van de benzinetank de nul. Wat zou het eerste op zijn, Jake’s zuurstofvoorraad of Jake’s benzine…?
Dinsdag 25 februari
Genoeg moed verzameld om mijn moeder op te bellen. Mijn vader nam op. Hij zei dat hij weer bij mijn moeder is ingetrokken – ‘tijdelijk’ tot zij over de grootste schok van de Bianca⁄Muffet-affaire heen is. Ze is kennelijk te ziek om uit bed te komen en voor Rosie te zorgen.
Hij vroeg hoe ik er onder was.
Ik zei: “Met mij gaat het prima,” en meteen rolden dikke tranen over mijn wangen in het elektronische inwendige van de telefoon. Mijn vader bleef zeggen: “Stil maar, stil maarjongen. Stil maar, niet huilen, jongen,” met een tedere stem die ik me niet kan herinneren ooit eerder gehoord te hebben.
Roberto, de kok, kwam naast me staan en veegde mijn tranen af met zijn schort. Tenslotte nam ik afscheid van mijn vader nadat ik beloofd had contact te houden. Jarenlang heb ik hem een slappe sul gevonden, maar ik zie nu in dat ik me in hem vergist heb.
Toen ik weer in de kamer terugkwam, zag ik dat Bianca al haar persoonlijke bezittingen had weggehaald, inclusief de foto van Isambard Kingdom Brunei.
Woendag 26 februari
Ik ben tussen de middag naar een snackbar gegaan die Ed’s Diner heet. Ik nam een hot dog, friet, een Becks bier en een mok filterkofïïe. Ik vroeg om een glas, maar toen zag ik dat de andere mannen van mijn leeftijd zo uit de fles dronken, dus duwde ik mijn glas stiekem opzij en deed hetzelfde. Ik zat op een hoge kruk aan de bar voor een mini-jukebox. Iedere keuze kostte 5 pence. Ik koos maar één plaat, maar die draaide ik wel drie keer.
Vroeger kende ik de woorden van ‘Stand by me’ uit mijn hoofd. Bianca en ik zongen dat altijd mee met Ben E. King wanneer we zondags samen het ontbijt klaarmaakten. Onze drums bestonden uit: een doos lucifers, een spatel en een blikje gedroogde linzen.
In Ed’s Diner probeerde ik de woorden zachtjes mee te zingen, maar ik kon me ze niet herinneren.
Toen het lied was afgelopen, was ik in tranen. Waarom kon ze niet bij mij blijven staan?
De man op de kruk naast me vroeg of hij iets voor me kon doen. Ik probeerde me te vermannen, maar tot mijn grote afschuw begon ik luidkeels ongeremd te snikken. Er waren tranen; er was snot; er waren onwaardige slikgeluiden en schokkende schouders. De onbekende sloeg zijn arm om me heen en vroeg: “Is je relatie misgelopen?”
Ik knikte, en slaagde erin tussen het snikken door te zeggen: “Afgelopen.”
“De mijne ook,” zei hij. Daarna: “Ik heet Alan.” Alan vertelde me dat hij ‘helemaal overstuur’ was omdat zijn partner, Christopher, verliefd was geworden op een andere man. Ik bestelde nog twee biertjes en vertelde Alan toen het hele verhaal over Bianca en Martin Muffet. Alan bekende dat hij geschokt was en was zo voorkomend te informeren naar mijn moeders gevoelens. Ik vertelde hem dat ik haar de avond tevoren had opgebeld en dat ze tegen me had gezegd dat haar leven voorbij was.
Alan en ik hebben afgesproken vanavond om 8 uur iets met elkaar te gaan drinken. Ben ik nu, net als Blanche Dubois, afhankelijk van de vriendelijkheid van onbekenden?
Middernacht Alan kwam niet opdagen. Ik heb meer dan een uur in de ‘Coach and Horses’ op hem zitten wachten. Misschien heeft hij een andere onbekende ontmoet met een origineler tragisch verhaal.
Ik mis haar. Ik mis haar. Ik mis haar.
Donderdag 27 februari
Roberto kwam vanavond bij me staan en zorgde ervoor dat ik een bord tagliatelle met hazepeper at. Hij zei: “Een vrouw izze een vrouw, maar eten izze eten.”
Misschien is het veelzeggender in het oorspronkelijke Italiaans.
Jake overhandigde de envelop met het geld aan de sinistere man.
“Vlug en netjes,” zei hij. “Ze moeten niet weten wat ze overkomt.”
De man gromde en verliet het dranklokaal in Soho. Jake keek om zich heen naar de opgedirkte, beschilderde meiden en naar de barbaarse gezichten van de late nachtdrinkers. Was het nog pas gisteren dat hij zelfmoord wilde plegen in het merendistrict? Toen hij opstond probeerde een jonge prostituee hem te versieren. Hij duwde haar geïrriteerd weg met de woorden: “Maak dat je wegkomt, baby, ik heb de enige vrouw die ik ooit zal begeren, gekend en verloren.”
Hij stapte naar buiten het opwindende Soho in. Zijn cowboylaarzen tikten vreemd op het donkere asfalt. Ik moet ze morgen laten verzolen, dacht hij. Toen hij door Old Compton Street liep, keek hij op naar het raam van de kamers boven Alma’s Patisserie. Het licht brandde nog, maar hij wist dat onderhand elke vonk van menselijk leven was gedoofd. Hij was een indirecte moordenaar. Tranen stroomden in zijn hart, maar zijn gezicht was als altijd hard, zonder enige vergiffenis en zonder Gods zegen.
Zaterdag 29 februari
Ik heb meneer Andropolosis, de huiseigenaar, meegedeeld dat ik de huurovereenkomst heb overgenomen en hem een maand huur vooruitbetaald, dus nu is de kamer van mij. Goddank is de maand afgelopen. Dit moet echt de rotste maand sinds het begin der tijden zijn geweest.
Om de lijst van rampen die onze familie heeft getroffen, compleet te maken, is oma vanmorgen vroeg met buikpijn in het ziekenhuis opgenomen. Ik heb vanmiddag het ziekenhuis opgebeld en hoorde van de afdelingszuster dat het goed gaat met oma. Als dat zo is, is zij de enige van de hele familie – de rest is doodongelukkig.
Zondag 1 maart
Ik heb mij vanmiddag bij mijn moeder, mijn vader en Rosie rond oma’s ziekenhuisbed gevoegd. Het was de eerste keer dat ik oma zonder haar tanden zag. Ik was geschokt te zien hoe oud ze eruitzag.
Mijn moeder is magerder geworden en haar ogen waren rood alsof ze aan één stuk door heeft gehuild sinds Muffet weg is. Toen we na het bezoekuur met zijn allen de zaal uit liepen, zei mijn moeder bitter: “Ze zitten in Hounslow, ze logeren bij zijn broer, Andrew.”
Ik zei: “Ik wil er niet over horen, mam.”
Mijn vader zei: “Hou erover op, Pauline.”
Rosie zei: “Ik ben blij dat hij weg is. Ik hoop dat hij nooit meer terugkomt.” Ze stak haar hand uit en mijn vader pakte hem vast en stuurde haar door de grote dubbele deuren aan het einde van de zaal. Toen we langs de toren van het ziekenhuis liepen, wervelde het afval om onze voeten en had ik een voorgevoel van naderend onheil.
Ik wilde me bijna omdraaien om nog eens goed afscheid te nemen van oma, maar ik wilde de anderen niet laten wachten op het parkeerterrein met al die gaten in het asfalt, dus deed ik het niet. In plaats daarvan gingen we naar huis en aten we allemaal een kant-en-klaarmaaltijd met rosbief van Marks and Spencer. De mijne smaakte best lekker, maar haalde het toch niet bij de rosbief van oma. Toen ik het vuile aluminium in de pedaalemmer perste, ging de telefoon. Het was het ziekenhuis met de mededeling dat ‘Mevrouw Edna Mole om 15 uur 15 is heengegaan’.
Ik probeerde me te herinneren waar ik om precies 15 uur 15 was. Ik berekende dat ik bij een BP-benzinepomp was en mijn vader hielp met het controleren van de bandenspanning.
Ik heb nog geen traan om haar gelaten. Ik ben helemaal opgedroogd van binnen. Mijn hart voelt aan als een perzikpit.
Maandag 2 maart
Het is een bekend feit dat mijn oma en mijn moeder niet met elkaar op konden schieten, dus was niemand voorbereid op de bijna mediterrane uitbarsting van verdriet die mijn moeder tentoonspreidde bij de dood van haar schoonmoeder: een vloed van tranen, op de borst trommelen, enz. Vanmorgen jammerde ze aan één stuk door: “Ze krijgt nog vijftig pond van mij.”
Mijn vader blijft me verbazen met zijn volwassen gedrag. Hij heeft al het papierwerk dat bij de dood hoort, afgewerkt en met prijzenswaardige doelmatigheid gepingeld over de kosten van de begrafenis.
Dinsdag 3 maart
Om 10 uur ‘s-avonds belde ik ‘De Wilden’ op om ze te vertellen dat ik in Leicester blijf voor de begrafenis op vrijdag. Roberto zei: “Ik ben blij dat je belt, Adriaan. Je kamer is bezocht door inbrekers.” Het klonk alsof inbrekers op de thee kwamen met een bosje bloemen en een kaartje hadden achtergelaten. Vanavond kan ik niets meer doen. De politie heeft een nieuw slot op de deur laten maken. De nieuwe sleutel is bij ‘De Wilden’. Ik voel me vreemd kalm.
Woendag 4 maart
In de trein naar Leicester,8 uur 40 ‘s-avonds
Ze hebben alles meegenomen, behalve mijn boeken, mijn boxer shorts en een oude polyester broek. Hoe ze het bed de trap afhebben gekregen, zal altijd wel een raadsel blijven. De politieman die ik aan de telefoon had, zei in antwoord op mijn vraag over de kans de daders te vinden: “Je weet hoeveel kans een sneeuwbal in de hel heeft? Nou, halveer die. En halveer de uitkomst dan nog eens.” Hij vroeg of ik verzekerd was.
Ik lachte honend en zei: “Nee, natuurlijk niet. Dit is Adriaan Mole, met wie u spreekt.”
Donderdag 5 maart
Ik ben vanmorgen naar oma’s huis gegaan. Alles zag er net zo uit als altijd. Mijn diploma’s hingen nog steeds ingelijst aan de muur. De foto van mijn dode opa Albert stond op de schoorsteenmantel. De klok tikte nog steeds. Boven lag het linnengoed opgevouwen in de kast en in de tuin drongen de bollen zich door de aarde heen naar boven. De koektrommel zat nog vol vijgekoekjes en haar op één na beste pantoffels stonden naast haar bed. In een keukenkastje vond ik haar Yorkshire-puddingvorm. Die had ze veertig jaar lang gebruikt. Stom om te huilen om een puddingvorm, maar dat deed ik. Daarna veegde ik hem droog en zette hem weer in de kast, zoals zij gewild zou hebben.
Vrijdag 6 maart
OMA’S BEGRAFENIS
Mijn vader en moeder, Rosie en ik hebben vandaag als team samengewerkt en zijn erin geslaagd oma een goede begrafenis te geven. Er waren aardig wat mensen in de kerk, wat me verbaasde, omdat oma bezoek niet echt aanmoedigde. Ze was meer gesteld op het gezelschap van Radio 4. Van haar is bekend dat ze mensen de deur uitgooide als ze zo tactloos waren langs te komen wanneer net het middaghoorspel begon.
De gezangen waren ‘Amazing Grace’ en ‘Onward Christian Soldiers’. Bert Baxter zong boven de andere kerkgangers uit. Voor een atheïst heeft hij wel een beetje erg veel plezier in kerkgezangen. Terwijl ik naar hem zat te kijken, moest ik de hele tijd denken dat hij het had moeten zijn die stierfin plaats van oma. De dominee zei een heleboel ongelooflijk stomme dingen over dat oma in zonde geboren was en in zonde gestorven.
Iedereen die oma kende, wist dat zij niet tot zonde in staat was. Ze kon nog geen leugen vertellen. Toen ik haar een keer vroeg of mijn pukkels minder werden (ik zal een jaar of vijftien zijn geweest) antwoordde ze: “Nee, je hebt nog steeds een gezicht als de kont van een lieveheersbeestje.” Zo nu en dan zei ze wel eens van zulke niet helemaal damesachtige dingen, maar een zondares was ze zeker niet.
Ik vind het niet prettig eraan te denken hoe ze daar nu onder de grond ligt, alleen en koud. Nou, er is tenminste nooit bij haar ingebroken en haar tasje is nooit uit haar hand gerukt. Daar hoeft ze niet bang meer voor te zijn.
Het condoléancebezoek was bij ons thuis. Mijn moeder was de halve nacht opgebleven om schoon te maken, te poetsen en te proberen de vlekken uit het vloerkleed te krijgen.
Mijn vader zette nieuwe lampen in en repareerde de wc, zodat je nu weer gewoon kunt doortrekken.
Tania Braithwaite kwam langs om te condoleren en bood aan een paar vegetarische quiches te ontdooien die ze in haar vrieskist had zitten. Ze vertelde ons dat Pandora een college had afgezegd en van plan was te komen condoleren met zes flessen champagne van Marks and Spencer.
Ze zei: “Pandora gelooft dat de dood gevierd moet worden. Ze ziet hem meer als een nieuw avontuur na een nogal vervelend einde.”
Bert Baxter had opgebeld om te vragen hoe laat de dienst begon en dat herinnerde mijn moeder eraan dat ze geen bieten in huis had. Dus kreeg Rosie een persoonlijk veiligheidsalarm mee en werd naar de winkel op de hoek gestuurd om een potje te kopen bij meneer Patel.
Om middernacht zag ik mijn ouders een wit tafellaken uitspreiden over de eettafel, die verlengd was met alle tussenstukken. Terwijl zij het laken openklapten en rechttrokken aan weerszijden van de tafel, had ik ineens het gevoel dat ik deel uitmaakte van een familie.
Rosie had narcissen en fresia’s in een vaas gerangschikt en kreeg van iedereen complimentjes. Toen we eindelijk naar bed gingen, zag het huis er volmaakt uit. Alles stond op zijn plaats en wij Moles konden het hoofd fier omhoog houden. Oma zou trots op ons zijn geweest.
Na de dienst renden Rosie en ik vooruit om het plastic folie van de sandwiches en de worstebroodjes af te halen.
Pandora zat voor het huis te wachten in haar auto. We lieten het bad vollopen met koud water en legden de flessen champagne erin om koud te worden.
Pandora zag er prachtig streng uit in haar zwarte getailleerde mantelpakje. Maar ik kijk niet meer zo tegen haar op, dus konden we als vrienden en gelijken met elkaar praten. Ze complimenteerde me met mijn uiterlijk en prees zelfs mijn kleren. Ze voelde even aan de revers van mijn marineblauwe effen Next-pak en zei: “Welkom in de jaren negentig.”
Het huis vulde zich al snel met gasten en ik had het druk met rondgaan met glazen champagne op een dienblad. Eerst stonden ze allemaal onwennig in het rond, zonder te weten wat ze moesten zeggen, een beetje nerveus om zich te amuseren uit angst dat het van gebrek aan respect voor de dode zou getuigen. Toen brak Pandora het ijs door een toost uit te brengen op oma.
“Op Edna Mole,” zei ze met haar glas in de lucht, “een vrouw met de allerhoogste principes.”
Iedereen klonk en sloeg de champagne achterover. En het duurde niet lang of er werd vrolijk gelachen en ik moest de flessen een voor een uit het bad vissen.
Mijn moeder rommelde in een kast en haalde de fotoalbums te voorschijn. Ik was verbaasd een foto van mijn oma op vieren-twintigjarige leeftijd te zien. Ze zag er heel zwierig uit met donker haar en een prachtig figuur, en duwde lachend een fiets de heuvel op. Naast haar was een man met een platte pet op. Hij had een grote snor en kneep zijn ogen dicht tegen de zon. Het was mijn opa. Iedereen zei dat ik precies op hem leek.
Mijn vader haalde de foto uit het album, liep de tuin in en ging ermee op Rosies schommel zitten. Na een poosje ging ik hem achterna naar buiten. Hij overhandigde mij de foto en zei: “Ik ben wees, jongen.”
Ik legde mijn hand op zijn schouder en ging weer naar binnen om te ontdekken dat het condoléancebezoek op een feestje was uitgelopen. De mensen lachten als gekken om de foto’s in het album. Ik die op het strand van een ezeltje afviel. Ik in een tweedehands welpenuniform, drie maten te groot. Ik twee dagen oud, met mijn grijnzende, jong uitziende ouders in de kraamkliniek. Achterop stond in mijn moeders handschrift: “Onze allerliefste baby, twee dagen oud.”
Er was een foto die ik me niet herinnerde ooit eerder gezien te hebben. Hij was van mijn moeder en vader en mijn opa en oma. Ze zaten op ligstoelen en keken naar mij, een jaar of drie oud, die in het zand speelde. Achterop stond: “Yarmouth, Pasen.”
Rosie vroeg: “Waarom sta ik er niet op?”
Bert Baxter zei: “Omdat je verdomme nog niet eens geboren was, daarom.”
Om zeven uur bood Iwan Braithwaite aan een paar van oma’s bejaarde buren terug te brengen naar hun aanleunwoninkjes nu zij en hij nog konden lopen.
Wij die achterbleven, gingen nog tot elf uur door. Tania Braithwaite, die negen jaar lang vegetariër was geweest, bezweek en at een worstebroodje en toen nog een.
Mijn vader en moeder dansten met elkaar op ‘You’ve lost that loving feeling’. Je had er nog geen liniaal tussen kunnen krijgen.
Pandora en ik keken toe. Ze zei: “Dus die zijn weer bij elkaar?”
“Ik hoop het,” zei ik met een blik op Rosie. Zoals ik al zei, het was een mooie begrafenis.
Maandag 9 maart
Old Compton Street
Ik ben weer terug in mijn kamer met als enig gezelschap mijn boeken en mijn boxer shorts. Ik heb de broek weggegeven aan een jonge man die The Big Issue verkocht. Ik heb een kussen gemaakt van mijn ondergoed en op de vloer geslapen. Ik heb me vaak afgevraagd hoe het zou zijn een celibataire monnik in een kale kloostercel te zijn. Nu, dankzij inbraak en verlating, weet ik het.
Ik ben naar ‘De Wilden’ gegaan om te helpen met het schoonmaken van de keuken. De Wilde was er zelf, vrijgelaten uit de kliniek voor alcoholisten. Hij zag er gezond en fit uit en nipte aan een glaasje bronwater. Hij beklaagde me om alles wat ik kwijt was geraakt, en zei dat er nog wel wat meubilair op de zolder boven het restaurant stond dat ik mocht hebben.
“Je pakt maar, jongen,” zei hij.
Ik kan maar niet wennen aan deze nieuwe filantropische De Wilde. Ik blijf denken dat het zijn lang verloren tweelingbroer moet zijn die onlangs teruggekeerd is van een missionarispost in het Amazonegebied.
Mijn kamer is nu gemeubileerd met rococobankjes en namaak-marmeren tafeltjes vol schroeivlekken. Spullen die kennelijk op zolder gezet zijn toen De Wilde het restaurant overnam. Ik slaap nu op twee tegen elkaar aangeschoven bankjes. Ik heb engeltjes aan mijn hoofdeinde en cherubijntjes bij mijn voeten. Roberto gaf me bestek, serviesgoed en keukengerei. De meeste van mijn collega’s brachten vanmorgen iets mee voor het Adriaan Mole Rampenfonds. Ik kook op een kampeergasje en lees bij het licht van een namaakkroonluchter, allebei giften van Luigi.
Woendag 11 maart
Vanmorgen naar huis gebeld. Mijn vader is er nog steeds, hij leeft in zonde met mijn moeder. Mijn moeder vertelde me dat Bianca en Muffet van plan zijn een ingenieursbureau genaamd ‘Dartington and Muffet’ op te zetten.
Ik kan de gedachte aan Muffets vingers op Bianca’s prachtige bleke huid niet verdragen.
Ik kan het niet verdragen.
Donderdag 12 maart
Hoofdstuk vijfentwintig: Herrijzenis
Jake zat aan het namaak-marmeren tafeltje en begon aan het volgende hoofdstuk van zijn roman Sparg van Krank.
Hoofdstuk vijf: Groene loten
Sparg miste zijn vrouw Barf. Een deel van hem zou nooit verzoend raken met het verlies van haar. Het was lente. Groene loten kwamen op. Sparg verliet zijn hut en ging naar buiten. Hij was blij dat hij buiten was, want de hut was vochtig en het vocht kwam steeds hoger. Sparg had een vrouw nodig, maar de enige vrouw die hij zag was Krun, zijn moeder. Al was haar gezicht gerimpeld, haar dijen zagen er uitnodigend uit. Maar het was volgens Kronkiaanse wetten verboden je eigen moeder te nemen, zelfs als ze ermee instemde. Sparg liep doelloos een heuveltje op en liep daarna weer even doelloos naar beneden. Hij verveelde zich. Er moest hout gesprokkeld worden, maar hij had genoeg van hout sprokkelen. Dat was geen uitdaging voor zijn intelligentie. Hij gromde in wanhoop en wenste dat het mogelijk was met zijn medekronkers te communiceren. Net iets voor hem om in de prehistorie geboren te worden. Bestond taal maar, kreunde Sparg inwendig…
Wordt vervolgd.
Jake leunde achterover. Hij had zo intens zitten schrijven dat hij helemaal leeg en bleek was. Hij verliet zijn kamer en wandelde naar ‘De Woesten’, zijn favoriete restaurant, waar hij begroet werd door Mario. “Lank niet kesien, meneer Westmorland.”
“Hallo, Mario. Mijn gewone tafel, alsjeblieft, en mijn gewone fles, goed gekoeld, en ik wil mijn gewone voorgerecht, gewone hoofdgerecht en mijn gewone dessert.”
“En wilt u een aperitiefje, meneer Westmorland?” zoemde Mario. “Het gewone,” blafte Jake.
Ik moet Ziet! De vlakke heuvels van mijn thuisland gauw afmaken, maar dat gaat niet voor Jake zijn Sparg van Kronk af heeft. Ik wou dat hij een beetje opschoot.
Vrijdag 13 maar t
Steeds meer zaken om ons heen gaan dicht. Elke dag worden wel planken getimmerd voor het raam van een winkel of een restaurant. Elke nacht bid ik dat ‘De Wilden’ financieel gezond blijft. Ik heb mijn baan nodig. Ik ben me er heus wel van bewust dat ik uitgebuit word, maar nu heb ik tenminste een reden om ‘s-morgens mijn bed uit te komen, in tegenstelling tot drie-en-een-half miljoen medeburgers.
Oma heeft mijn vader drieduizend en negentig pond nagelaten in haar testament, dus nemen ze mijn moeder het huis niet af. Dit is echt vreugdevol nieuws. Het betekent dat ik mijn spaargeld bij de Building Society niet hoef aan te spreken. Ik had nooit kunnen aanzien hoe ze op straat gezet werd. Ik denk tenminste van niet.
Zaterdag 14 maart
Toen ik vanmorgen op mijn werk kwam kreeg ik de volgende boodschap. Geschreven op de achterkant van een papieren servetje. “Vergeten. O. 500 aan jou.” Niemand wist wat het betekent of wie de boodschap in ontvangst heeft genomen.
Maandag 16 maart
Nog een brochure van het Faxos Instituut gekregen. Waarom sturen ze me steeds die dingen toe? Wie heeft hen op mijn spoor gezet? Ik ken geen holistische types. Ik ben zelfs geen vegetariër en ik zweer bij paracetamol.
Vandaag naar de National Gallery gegaan, maar het riep pijnlijke herinneringen aan B. bij me op, dus ben ik teruggegaan naar Soho en heb twee pond betaald om een dikke meid met pukkels haar beha en slipje te zien uittrekken door een kijkgaatje. Ik keek naar haar door het kijkgaatje. Ze trok haar ondergoed niet uit door een kijkgaatje.
Vraag: Is er een avondschool voor grammatica?
Dinsdag 17 maart
Gisteravond was het wc-papier op, dus pakte ik de Faxos-brochure om me uit de nood te helpen, maar iets in Angela Hackers gezicht hield me tegen. Het leek te zeggen: “Kom bij me, Adriaan.” Haar gezicht is niet om over naar huis te schrijven, in feite is het niet om over waar dan ook naartoe te schrijven.
Ik legde de brochure opzij en pakte in plaats daarvan de Evening Standard. Die heeft een veel groter absorptievermogen.
Kwart voor twaalf Kon niet in slaap komen van de St. Patricksdag-vierders, dus vulde ik voor de grap het boekingsformulier van het Faxos Instituut in Griekenland in voor de twee eerste weken van april.
Donderdag 19 maart
Voor de grap een cheque uitgeschreven voor het Faxos Instituut, maar alleen om mijn nieuwe pen uit te proberen. Ik kan me onmogelijk permitteren zo lang vrij te nemen en zo veel geld uit te geven.
10 uur ‘s-avonds De volledige boodschap luidde: “Vergeten je te vertellen dat oma aan jou vijfhonderd pond heeft nagelaten, liefs, pappa.” Luigi, die een tijdje weg was geweest vanwege voedselvergiftiging, kwam vandaag terug en feliciteerde me met ‘al dat keld’. Natuurlijk keek ik hem niet-begrijpend aan. Enige ogenblikken heerste er verwarring en toen drong het glorieuze nieuws tot me door, en vierden we het met een fles Frascati die naar kurk smaakte.
Zaterdag 21 maart
De nieuwe goedertieren De Wilde heeft me twee weken vrijaf gegeven (onbetaald). Ik heb mijn aanmeldingsformulier vanmorgen gepost en vanmiddag een zwembroek gekocht bij een winkel in Charing Cross die werd opgeheven. Ik kan haast niet wachten de warme Egeïsche Zee op mijn lijf te voelen. Aan Ziet! gewerkt met Angela Hacker in het achterhoofd.
Jake sloeg zijn manuscript open. Het ivoorkleurige handgeschepte papier zag er uitnodigend uit. Hij nam de Mont Blanc-pen in de hand en begon te schrijven. “Het spijt me, lieveling,” zei hij tegen het glorieuze toonbeeld van Engelse vrouwelijkheid dat zich voor hem uitstrekte en haar slipje toonde, “maar de Muze spreekt.” Toen boog hij zijn knappe hoofd en bevond zich terstond in Kronk, het land van zijn held, Sparg.
Sparg gromde toen hij de gehate gestalte van zijn vader in het duister ontwaarde. Zijn vader gromde terug. Sparg wierp een kiezel van de ene hand naar de andere. Waarom was er niets uitgevonden om de donkere uren voor het slapengaan door te komen, vroeg hij zich af. Iets in de trant van een kaartspel of zo, vroeg hij zich af. Hij ging terug naar zijn hut en duwde de dierevellen op zijn bed doelloos rond. Het was koud ‘s nachts zonder vrouw. Hij besloot de volgende dag vroeg op te staan, er een te zoeken en mee terug naar Kronk te nemen.
Donderdag 26 maart
Ik heb een bloes met korte mouwen en een bermuda gekocht bij een kraampje op de Berwick Street-markt. Ik heb geen short meer gedragen sinds ik volwassen ben.
Een nieuwe Adriaan Mole herrijst uit de as.
De Wilde verscheen stomdronken en handtastelijk in het restaurant en ontsloeg Luigi, Roberto en het voltallige keukenpersoneel behalve mij. Hij zei: “Jij mag blijven, Adriaan. Jij bent net zo’n mislukkeling als ik.”
Hij heeft me bevorderd tot gerant, een positie die ik niet wens en niet kan vervullen.
Luigi en Roberto zaten in de keuken te roken en Italiaans te praten. Het leek ze niet veel te doen. Intussen was ik met Luigi’s pak aan gedwongen tegen de klanten te slijmen, hen naar hun tafel te brengen en net te doen alsof ik geïnteresseerd was in hun verlangens. De Wilde zat aan de bar en brulde de biografische gegevens van zijn klanten door de zaak. Toen een keurig uitziend paar van middelbare leeftijd binnenkwam, riep hij: “Nee maar, als dat meneer en mevrouw Wellington niet zijn! Hij draagt een toupetje en zij heeft drieduizend pond betaald voor die jolige tietjes van haar.”
In plaats van ogenblikkelijk de zaak uit te lopen of hem op zijn dronken kop te slaan, grijnsden meneer en mevrouw Wellington alleen maar en stonden mij toe hen naar tafel nummer zes te begeleiden. Misschien zijn ze trots op hun namaak-onderdelen. Zoals mijn onlangs gestorven oma altijd zei: “Er is niets zo vreemd als mensen, vooral mensen uit Londen.”
Arme oma. Ze is nooit van haar leven in Londen geweest.
De laatste vier dagen heb ik geen woord kunnen schrijven. De gedachte dat Angela Hacker mijn manuscript leest, remt me volledig. Niettemin kwam vanavond een doorbraak.
Hij was totaal geblokkeerd. Meer dan vijf uur lang zat hij gebogen over de spottend lege bladzijde. Om het uur belde zijn uitgever op. De drukpersen stonden te wachten, maar nog kon hij zijn boek niet afmaken. Jake staarde uit het raam in de hoop daar inspiratie op te doen. De skyline van New York strekte zich uit tot in de oneindigheid.
“Oneindigheid!” schreeuwde Jake opgewonden en begon te werken aan zijn roman Sparg van Kronk.
Sparg was ver van Kronk afgedwaald. Hij stond nu op een hoge klip en keek verwonderd uit over de vreemde waterige massa en de blauwe lijn voor zich. Zonder het te weten (omdat taal nog niet bestond) verbaasde Sparg zich over de zee en de verre horizon. Sparg gromde en daalde van de klip af naar beneden. Hij zou naar die verre blauwe lijn toe lopen, dacht hij. Dan had hij tenminste iets te doen. Dit dacht Sparg omdat in die tijd zwemmen nog niet was uitgevonden…
Een bevestiging van het Faxos Instituut ontvangen dat ik ben ingeschreven bij de schrijverscursus. Ik sta doodsangsten uit.
Vrijdag 27 maart
Luigi heeft zijn plaats weer ingenomen en ik ben veilig terug in de keuken, goddank. Roberto heeft me toestemming gegeven toe te kijken wanneer hij aan het werk is. Het grootste deel van mijn leven heb ik onderricht in voedselbereiding moeten ontberen. Van mijn moeder viel niets te leren, ze hield op met echte maaltijden koken zodra ze De vrouw als eunuch had gelezen. Al staat de schrijfster van dat oorspronkelijke werk, mevrouw Germaine Greer, ironisch genoeg, bekend om haar kookkunst en haar dineetjes.
Dankzij Roberto’s vriendelijke houding kan ik nu pasta al dente koken en een eenvoudige cake bakken en ik kan al bijna waterkerssoep maken. Ik spring tegenwoordig ‘s-morgens kwiek van mijn dubbele bankjes op om aan het werk te gaan.
Vliegtickets kwamen vandaag.
Vanavond is een nieuw meisje bij ‘De Wilden’ begonnen. Ze heet Jojo en ze komt uit Nigeria. Ze studeert aan de kunstacademie St. Martins. Ze is langer dan iedereen in het restaurant. Ze draagt haar haar in vlechtjes met honderden kleine kraaltjes. Ze rinkelt bij het lopen. Haar moeder is iets belangrijks bij de Nigeriaanse tractorindustrie.
Zaterdag 28 maart
Vandaag een toren van profiteroles gemaakt. Roberto zei: “Gefeliciteerd, Adriana! Et chocoladeklazuur issa perfekto.”
Jojo proefde de eerste en verklaarde dat hij ‘zalig’ was. Luigi had toevallig zijn polaroid-camera bij zich, dus maakte hij een foto van mij met de toren en Jojo. Ik heb de foto op mijn muur geprikt. Ik zie er bepaald knap op uit.
Zondag 29 maart
Ik lag nog in bed om twaalf uur toen er op mijn deur werd geklopt. Ik krijg nooit bezoek dus schrok ik nogal. Ik hield mijn oor bij de deur, maar het enige wat ik hoorde was een eigenaardig gerinkel. Tenslotte deed ik de deur open maar liet de veiligheidsketting vastzitten. Tot mijn plezier zag ik Jojo door de kier.
Ze glimlachte en zei dat ze op weg was naar de Tate Gallery.
“Heb je zin om mee te gaan?” vroeg ze.
Ik maakte de ketting los en nodigde haar uit binnen te komen. Ze liep door de kamer en merkte op hoe netjes hij was. Ze bleef bij de tafel staan waar mijn manuscript op lag in een doorzichtig hoesje en zei: “Dus dit is je boek.”
Ze raakte het even eerbiedig aan. “Ik zou het graag een keer willen lezen.”
“Wanneer het af is,” zei ik.
Ik maakte een kopje Nescafé voor haar en daarna verontschuldigde ik me en ging naar de badkamer om me te wassen en aan te kleden.
Ik bekeek mezelf in de wastafelspiegel. Er was iets met mijn gezicht gebeurd. Ik lijk niet meer op John Major.
Jojo wandelt graag, dus liepen we naar de Tate. Ik was er trots op met zo’n prachtige vrouw gezien te worden. Ik vroeg haar naar Nigeria en ze praatte er met zichtbare liefde over. Ze is een Yoruba en komt uit Abeokuta.
Ze vroeg me naar mijn familie en ik vertelde haar over het warrige web van relaties, de scheidingen en de verzoeningen.
Ze lachte en zei: “Om de relaties in mijn familie te begrijpen, zou je een bijzonder geavanceerde computer nodig hebben.”
Ik was nog nooit in de Tate geweest, maar Jojo kende hem goed. Ze leidde me rond en liet me een paar van haar lievelingsschilderijen zien – allemaal van mensen, zag ik. We bekeken de schilderijen van Paula Rego, Vanessa Bell en Matisse, en een soort beeld van Ghisha Koenig dat ‘The Machine Minders’ heette, en toen stond ze erop dat we weggingen voor het begon te vervelen en onze voeten pijn gingen doen.
Toen we de trap afliepen vroegjo Jo of ik zin had in haar flat in Battersea thee te komen drinken.
Ik zei: “Ja, leuk.” We staken de straat over naar de bushalte, maar toen ineens, impulsief, hield ik een taxi aan en dus reden we in stijl naar haar flat.
Ze woont op de bovenste verdieping van een chic flatgebouw. Alle kamers staan vol met haar schilderijen. De meeste zijn zelfportretten, waar ze naakt op staat in bonte kleuren zoals groen, roze, paars, blauw en geel.
Ik vroeg haar of ze daarmee iets wilde zeggen over haar kleur. “Nee,” zei ze lachend. “Ik vind het gewoon saai om alleen maar zwart en bruin te gebruiken.”
We aten scones, dronken Earl Grey en praatten aan één stuk door: over ‘De Wilden’, Nigeriaanse politiek, katten, een van haar leraressen die gek aan het worden is, Cecil Parkinson, de prijs van verfkwasten, Vivaldi, onze sterrenbeelden – zij is een Leeuw (maar op het randje van Kreeft), en over de meisjeskostschool in Surrey, waar ze gezeten heeft van haar elfde tot ze er op haar zestiende is afgegooid toen ze op het dak van de kapel klom om te protesteren tegen het smerige eten.
Bij een glas goedkope wijn discussieerden we over bomen, Matisse, Moskou, Russische politiek, onze lievelingskoekjes, het gebruik van paraplu’s, kool en de koninklijke familie. Ze is een republikein, zei ze.
Bij een laatste glaasje wijn en een bordje brood met kaas vertelde ik haar over mijn grootmoeder, mijn moeder, Pandora, Sharon, Megan, Leonora, Cassandra en Bianca. “Jij sleept heel wat ballast met je mee,” zei Jojo.
We namen om half elf afscheid met een vriendschappelijke handdruk.
Voor ze de deur dichtdeed vroeg ik hoe oud ze was.
“Vierentwintig,” zei ze. “Welterusten.”
Maandag 30 maart
In mijn koffiepauze rende ik ‘De Wilden’ uit om Ambre Solaire (factor 8) te kopen, espadrilles, mouwloze shirts, nog drie korte broeken en zestienduizend drachmes.
Tot diep in de nacht aan het boek gewerkt. Ik maak me zorgen over Angela Hackers mening. Ik voegde nog een paar beschrijvende bijvoeglijke naamwoorden aan Ziet! De vlakke heuvels van mijn thuisland toe en streepte nog een paar bijvoeglijke naamwoorden in Sparg van Kronk door.
Dinsdag 31 maart
Het personeel organiseerde een klein bon voyage-feestje in de keuken toen het restaurant dichtging tussen de middag. Ik was geroerd. Roberto maakte kebabs en een authentieke Griekse salade te mijner ere. Jo Jo had eerder die dag twee flessen retsina gekocht en we klonken allemaal en zwoeren eeuwigdurende vriendschap. Toen kwam De Wilde binnen en klaagde dat Luigi had vergeten BTW bij iemands rekening te tellen en dat was het einde van het feestje. Jojo is goed in inpakken, zei ze. Ze bood aan me te komen helpen.
Ik legde mijn kleren, mijn toilettasje en manuscript op het bed klaar en besefte toen dat de inbrekers mijn koffer hadden meegenomen.
Jo Jo rende naar de Berwick Street-markt en kocht een van die gestreepte, handgemaakte fibertassen voor me, van die dingen die vluchtelingen op het journaal altijd bij zich hebben. Zodra alles ingepakt was, debatteerde ik met Jo Jo of ik een warme jas mee zou nemen. Zij zei van wel, maar ik besloot het niet te doen. In plaats daarvan sloeg ik een katoenen trui om mijn schouders. Iedereen zegt dat het warm is in april in Griekenland. Mijn benen zien er erg wit uit onder mijn korte broek, maar tegen de tijd dat ik terugkom zullen ze prachtig bruin zijn.
Donderdag 2 april
Hotel Adelphi Athene
donderdag 2 april
9.30 ‘s-morgens
Lieve Jojo,
Voor het eerst van mijn leven is er niemand die me feliciteert met mijn verjaardag. Ik ben nu vijfentwintig jaar oud. Dat is toch een mijlpaal in ieders leven. Kan ik nog steeds ‘een jonge Engelse romanschrijver’ worden genoemd? Ik hoop van wel.
Andere deelnemers van de cursus van het Faxos Instituut drentelen beneden in de lobby van het hotel rond en babbelen ontspannen met elkaar. Ik ben meteen de lift weer in gevlucht toen ik ze zag, en naar het dakterras opgestegen. Maar daar zat Angela Hacker een sigaret te roken en somber naar de Acropolis in de verte te staren. Ze is heel mager en in het wit gekleed. Ze ging gebukt onder een heleboel etnische zilveren sieraden.
Ik weet niet wanneer die foto van haar in de brochure is genomen, maar in het echt lijkt ze minstens achtenveertig. Ze is kennelijk te oud, zowel seksueel als artistiek. Ik heb je nog niet echt bedankt voor die middag in de Tate. Ik moet steeds aan die schilderijen denken. Ik vond vooral die van die Portugese vrouw, Paula dinges, heel mooi.
Met de beste wensen,
Adriaan
Veerboot
vrijdag 3 april
Lieve mamma en pappa,
Ik schrijf dit op de eerste veerboot, die ons vervoert naar de plek waar we de tweede veerboot naar Faxos moeten halen. Angela Hacker en het grootste deel van de twaalf leden van de schrijversgroep zitten al in de bar. Het grootste deel van hen rookt. Jij zou waarschijnlijk prima met ze op kunnen schieten, mam. De andere, meer holistische vakantiegangers hangen over de reling van het schip, nemen foto’s of wisselen aromatherapie-recepten uit. Ik hou me wat afzijdig. Ik wil mezelf niet opzadelen met een haastig gemaakte ‘vriend(in)’ waar ik de volgende twee weken weer vanaf moet zien te komen. Het begint net te regenen. Ik moet ophouden en naar binnen.
Liefs van jullie zoon,
Adriaan
Veerboot
vrijdag 3 april
4 uur ‘s middags
Lieve Jojo,
De hele overtocht van drie uur heeft het gestortregend. Ik heb mijn katoenen trui aan en ik heb het nog koud. Ik wou dat ik jouw raad had opgevolgd en een jas had meegenomen.
Angela Hacker is een paar keer gevallen in de bar. De zee is ook nogal onstuimig, maar volgens mij is haar gebrek aan evenwicht meer het gevolg van de overvloedige hoeveelheden retsina die ze achteroversloeg. Mijn mede-schrijvers hebben aan één stuk door gelachen vanaf het moment dat ze aan boord kwamen. Zeker een of ander privé-grapje. Ik heb me nog niet aan hen voorgesteld.
Bamboehut nummer zes
8 uur ‘s-avonds
De wind fluit door de schrootjes van mijn hut. Buiten is de lucht grijs en bezaaid met onweerswolken. Het avondmaal werd opgediend in de buitenlucht, onder een ‘dak’ van palmbladeren. Het wekte dan ook geen verbazing dat de ratatouille koud was.
Ik kan Angela Hacker hier horen hoesten, al staat haar hut minstens tweehonderd meter verderop op de rotshelling. Om acht uur was er een bijeenkomst waarbij de permanente staf en de begeleiders zichzelf en hun werk voorstelden. De bijeenkomst werd gehouden in wat ze hier de ‘tovercirkel’ noemen, die boven op de heuvel ligt. De tovercirkel is een cementen vloer, omgeven door een laag muurtje, overdekt met het gebruikelijke afdak van bamboe en palmbladeren. Er is niets betoverends aan af te zien. Ik was ontsteld juffrouw Hacker haar cursus te horen beschrijven als ‘schrijven voor je plezier’. Ik schrijf niet voor mijn plezier. Schrijven is een serieuze zaak, net als schilderen.
Er is hier een man die net zulk haar heeft als jij. Ik zag hem op het vasteland naar de zee staan kijken. In de verte leek hij sprekend op jou. Mijn hart maakte een luchtsprong. Mijn hut is naast het kippenhok. Een geit heeft zojuist zijn kop in mijn hut gestoken en ergens tussen de pijnbomen balkt een ezel. Het zou me niets verbazen als de ark van Noach hier ergens was aangespoeld.
De beste wensen,
Adriaan
Faxos
Zondag 5 april
Lieve Pan,
Je vroeg me je te laten weten hoe de Faxos-cursus is, dus zal ik je over de eerste dag vertellen.
De schrijvers verzamelden zich om kwart over elf ‘s-morgens op het terras. Ik zat aan de kant waar de wind vandaan kwam, vanwege de sigaretterook. Om half twaalf was Angela Hacker nog niet op komen dagen, dus werd een man die Clive heet en zeven steenpuisten in zijn nek heeft, naar haar hut gestuurd. Om twaalf uur verscheen ze eindelijk en bood haar excuses aan omdat ze zich had verslapen. Daarna ging ze een uur en een kwartier door over ‘waarheid’ en ‘verhaallijn’ en ‘het ontwikkelen van een oorspronkelijk geluid’.
Om kwart over een sprong ze op en zei: “Oké, dat is het voor vandaag. Schrijf een gedicht waar het woord ‘Griekenland’ in voorkomt. Sta klaar om dat morgenochtend om kwart over elf hardop voor te lezen.” Daarna stevende ze op de bamboebar af, waar ze het grootste deel van de dag bleef. Toen ik mijn gedicht af had, ging ik een kopje thee halen en hoorde haar over jouw college in Oxford praten.
Ik vroeg haar of ze je kende en ze zei dat ze je een paar keer bij Jack Cavendish thuis had ontmoet ‘voor hij zijn derde vrouw verliet’, zei ze.
Ik zei: “Wat is de wereld toch klein.”
“Probeer geen clichés te gebruiken, schat,” zei ze.
Het is een merkwaardige vrouw.
Hartelijke groeten,
Adriaan
Faxos
Maandag 6 april
Lieve Rosie,
Ik hoop dat je deze kaart van het vrolijke ezeltje leuk vindt. Er zit iets in zijn idiote uitdrukking dat me aan de hond doet denken.
Ik stuur je een gedicht dat ik over Griekenland moest schrijven. Het wordt tijd dat je je voor cultuur gaat interesseren. Het leven heeft meer te bieden dan alleen Nintendo-spelletjes.
Liefs van je broer,
Adriaan
O Griekenland, cultureel en antiek
Je omwikkelt mijn hart Als elastiek.
Je heksen van bejaarde vrouwen,
Zwarte schimmen bij de zee,
Weten zij wel wat ze missen
Aan tafeltje-dekje en aow?
Zijn ze tevreden met een ezel
Om hun lasten te vervoeren?
Willen ze geen auto hebben
Om het land mee rond te toeren?
Faxos
Dinsdag 7 april
Beste Baz,
Ik zit hier op Faxos met Angela Hacker, die jij goed schijnt te kennen. Zij en ik konden het meteen uitstekend met elkaar vinden en ze heeft me uitgenodigd in haar huis in Gloucestershire te komen logeren wanneer we terug zijn. Ik kan misschien wel een enkel weekend, maar ik doe op het ogenblik research voor mijn volgende boek, Het hakmes, in de keuken van een restaurant in Soho, dus kan ik onmogelijk een paar weken bij haar blijven, zoals ze graag wil.
De reden dat ik je schrijf is om je te zeggen dat ik hoop dat je niet kwaad meer bent over de affaire Sharon Bott, omdat het er naar uitziet dat we ons binnenkort in dezelfde kringen zullen bewegen en ik het prettig zou vinden als er dan geen vijandige gevoelens tussen ons in staan. Gefeliciteerd met je eerste plaats!
Adios, Je oude vriend,
Adriaan Mole
Faxos
Woendag 8 april
Beste John Tydeman,
Zoals u niet zal zijn ontgaan, als u het poststempel hebt gezien, zit ik op het Griekse eiland Faxos. Ik neem deel aan een schrijfcursus onder begeleiding van Angela Hacker (ik moet u de groeten van haar doen). Ze heeft me gevraagd de eerste scène van een hoorspel te schrijven, iets wat ik nooit eerder heb geprobeerd. Ik dacht dat het u misschien zou interesseren te zien wat ik heb geschreven. Ik wil het met alle plezier afmaken, als u denkt dat er wat in zit.
Ik zal op 15 april om 3 uur ‘s middags in Londen terug zijn, als u er graag persoonlijk met mij over wilt spreken. Bij nader inzien komt 16 april me beter uit. Ik zal waarschijnlijk wel wat rust nodig hebben na de reis. Zo begint het hoorspel:
De Komkommersandwich
Een radiohoorspel door Adriaan Mole
Een kamer in een landhuis. Een spelletje tennis is te horen door de openslaande deuren. Thee wordt ingeschonken. Een lepeltje rinkelt in een kopje.
LADY ELEANOR: Een komkommersandwich, Edwin?
EDWIN:Probeer me niet om de tuin te leiden met je bourgeois ideeën van goede manieren. Ik ken de waarheid!
LADY ELEANOR (naar adem snakkend): Neen! Neen toch zeker! Je kunt toch niet het geheim kennen dat ik veertig jaar heb weten te bewaren!
EDWIN (minachtend): Ja zeker. Het dienstmeisje, Millie, heeft het me verteld.
Een bel rinkelt.
MILLIE: Heb u gebeld, mevrouw? Neem me niet kwalijk dat ik u liet wachten, maar ik hielp de kok met de verjaardagstaart voor jongeheer Edwins eenentwintigste verjaardag.
LADYE LEANOR: Je bent ontslagen, Millie. Je hebt mijn geheim eruit geflapt.
MILLIE: Welk geheim? O, u bedoelt dat van dat u als man geboren bent? Wordt vervolgd
Ik wil u op geen enkele manier beïnvloeden, maar toen ik deze tekst had voorgelezen, viel een verblufte stilte onder mijn collega-schrijvers. Angela’s enige commentaar was: “Je had het geheim moeten bewaren tot de laatste scène van het stuk.” Goed advies, vind ik.
In elk geval hoop ik dat u De Komkommersandwich met plezier zult lezen.
Met de beste wensen,
Adriaan Mole
Faxos
Donderdag 9 april
Lieve Jojo,
De zon schijnt nu al twee dagen en heeft van Faxos een paradijs gemaakt. De kleuren zijn adembenemend: de zee is pauwblauw, het gras is mintgroen en de helling is bezaaid met wilde bloemen als levende confetti. Er is iets gebeurd met mijn lichaam. Het voelt losser, alsof het zich van een last bevrijd heeft en zweeft. Ik ben naar de droomworkshops om 7 uur ‘s-morgens geweest. De begeleidster is een aardige Amerikaanse droom-therapeute die Clara heet. Ik heb haar verteld over een droom die steeds terugkomt, dat ik het laatste erwtje op mijn bord wil opprikken met mijn vork. Hoe ik het ook probeer, ik kan de tanden van de vork niet in het erwtje krijgen.
Jarenlang ben ik gefrustreerd en hongerig wakker geworden na mijn erwtedroom.
Clara raadde me aan de droom te bezien vanuit het standpunt van het erwtje. Daar heb ik veel moeite voor gedaan en door er daarna met Clara over te praten heb ik begrepen dat ik, Adriaan Mole, het erwtje ben en de vork staat voor de DOOD.
Clara zei dat mijn erwtedroom toont dat ik bang ben voor de dood.
Maar wie verheugt zich nou op zijn dood? Ik ken niemand die staat te springen bij het vooruitzicht. Clara verklaarde dat ik een morbide angst heb voor de dood. Hoe denk jij over de dood, Jojo?
Ik ben bevriend geraakt met de jongen die hetzelfde soort vlechtjes met kralen heeft als jij. Hij heet Sean Washington. Zijn moeder is Iers en zijn vader komt van St. Kitts. Hij is hier voor de cursus stressbeheersing, maar hij zit altijd bij de schrijversgroep op het barterras. We hadden vandaag samen groentecorvee en ik kreeg een compliment van hem en de anderen over hoe handig ik daar in was. Ik denk dat ik graag kok zou willen worden. Misschien vraag ik De Wilde wel me op proef te nemen wanneer ik terugkom.
Angela Hacker heeft haar schrijfgroep verboden clichés te gebruiken, maar deze brief leest ze toch niet, dus besluit ik met de woorden:
Was jij maar hier,
Adriaan
Zaterdag 11 april
Mijn eerste fax! Hij was geadresseerd aan ‘Adriaan Mole, Faxos Instituut’ en kwam aan bij de winkel van het reisbureau in het stadje. Hij werd naar het Faxos Instituut gebracht door het bestelwagentje van de groenteboer en mij overhandigd op het barterras door Julian, de knappe, kale administrateur. Hij veroorzaakte een sensatie.
Lieve Adriaan,
Bedankt voor je brieven. Ik wou dat ik daar bij je was. Het klinkt idyllisch.
Ik ben blij dat je je ontspannen voelt. Toen ik je voor het eerst zag in de keuken van ‘De Wilden’, dacht ik: die man lijdt pijn. Ik had je ter plekke willen aanraken en troosten, maar mensen doen zulke dingen niet – tenminste niet in Engeland.
Ik denk dat je alle kans hebt een gelukkig mens te worden, wanneer je het verleden maar los kunt laten. Waarom probeer je niet in het heden te leven en al die ballast achter te laten op Faxos wanneer je terugkomt? Ik kon niet wachten je te vertellen dat ik een aanbod heb gekregen mee te doen aan een tentoonstelling van ‘Jonge tijdgenoten’ in september. Kom je op de opening? Zeg alsjeblieft dat je dat zult doen.
Roberto klaagt dat de man die De Wilde heeft gehuurd om jouw werk over te nemen, de groenten vermoordt en hij heeft er nu spijt van dat hij je op vakantie heeft laten gaan. Iedereen bij ‘De Wilden’ doet je de groeten. Roberto vraagt of je een fles ouzo voor hem meebrengt. Ik mis je.
Jij ook de beste wensen,
Jojo
Hut nummer zes
Faxos Instituut
Faxos
zondag 12 april
Lieve Jojo,
Wat een fantastisch nieuws over die tentoonstelling! Natuurlijk kom ik op de opening. Alleen lijkt september nog ver weg. De lente hier is prachtig. Ik heb nog nooit zoveel kleuren gezien.
Op de bijeenkomst van gisterochtend vroeg Angela Hacker de groep de eerste bladzijde van een roman te schrijven.
Ik wilde onmiddellijk de heuvel op rennen naar mijn hut en haar het manuscript van Ziet! De vlakke heuvels van mijn thuisland overhandigen, maar ik hield me in. Het boek was op een oor na gevild. Waarom op de zaak vooruitlopen? (Sinds het me verboden is clichés te gebruiken, doe ik niet anders meer.)
Ik heb de hele dag en het grootste deel van de nacht aan Ziet! gewerkt en nu denk ik dat het af is. Zo eindigt het:
Jake stond op van zijn computerterminal en ijsbeerde door zijn studeerkamer. Hij rechtte het schilderij van een rijzige Afrikaanse vrouw, dat hij onlangs op een tentoonstelling had gekocht.
Daarna staarde hij somber uit het raam en keek naar een kind dat een tak over de grond sleepte. Jake verlangde er wanhopig naar Sparg van Kronk af te maken. Hij hoorde de drukker al op de deur bonzen, schreeuwend om het voltooide manuscript. Zijn uitgever was de avond tevoren met een zenuwtoeval in het ziekenhuis opgenomen, maar nog steeds bleef het einde van zijn boek hem ontgaan.
Het kind voor het raam stond stil en kraste met zijn tak in de droge aarde van het uitgedroogde Londen. “Hebbes!” schreeuwde Jake. Hij sprong op zijn state-of-the-art kantoorstoel en begon aan het einde van zijn boek.
Sparg worstelde met Krun, zijn vader, om het bezit van de stok. Hij vroeg zich af waarom ze eigenlijk vochten om deze ene stok. Er lagen nog genoeg andere stokken in het rond.
Hij keek naar zijn vaders oude gezicht, nu vertrokken van woede, en dacht: waarom doen we dit? Hij liet de stok los en stond toe dat zijn vader ermee wegliep.
Sparg zat op de gebarsten aarde en dacht: als er een taal was dan zouden we niet zo verdomd lichamelijk hoeven zijn.
Hij duwde zijn vinger in de aarde. Hij bewoog hem heen en weer. In een paar minuten had hij allerlei tekens en symbolen gemaakt.
Voor de zon onderging had hij de eerste bladzijde van zijn roman geschreven. Hij hoopte dat het ‘s nachts niet zou gaan regenen en zijn werk zou wegspoelen. Morgen zou hij verdergaan in een grot, bedacht hij. Hoe zou hij zijn boek noemen? Hij gromde tegen zichzelf en probeerde verschillende titels. Tenslotte nam hij een beslissing en rende haastig de grote grot in om hem op de muur te schrijven voor hij hem vergat: EEN BOEK ZONDER TAAL
Ja, dat was het. Hij pakte een stok op en begon een punt aan het uiteinde te knagen.
Jake kon haast niet wachten tot de elektronische printer de getypte bladzijde uitspuwde.
“Eindelijk,” jubelde hij. “Eindelijk heb ik Sparg van Kronk voltooid!”
Laat me alsjeblieft weten wat je er van denkt, Jo Jo. Ik hecht veel waarde aan jouw mening. Vanmorgen heb ik het voltooide manuscript aan Angela Hacker gegeven. Ze pakte het van me aan en kreunde: “Goeie genade. Ik vroeg om maar één bladzijde!” Daarna stopte ze het in de grote blauwe raffia tas die ze altijd bij zich heeft, en vervolgde haar conversatie met Clara over een droom die ze had gehad, waarin ze achtervolgd werd door een reuzenkakkerlak.
Om 11 uur ‘s-avonds, na de avond samen met mijn vrienden zingend op het barterras te hebben doorgebracht, kwam ik terug in mijn hut en vond het onderstaande briefje dat onder mijn deur was doorgeschoven:
Adriaan,
Ik heb Ziet! De vlakke heuvels van mijn thuisland vluchtig doorgelezen. Ik zal geen blad voor de mond nemen. Het is typisch puberaal en van nul en gener waarde. Sparg van Kronk is al een miljoen keer eerder gedaan, beste jongen. Maar Een boek zonder taal – Spargs roman – is een waarlijk briljante vondst. Kom maar een keer bij me wanneer we in Londen terug zijn. Dan zal ik je voorstellen aan mijn agent, Sir Gordon Giles. Ik denk dat jouw originaliteit hem zal bevallen. Gefeliciteerd! Je bent een schrijver. Angela Hacker
Ik mag dan een schrijver zijn, Jo Jo, maar ik kan geen woorden vinden om mijn geluk tot uitdrukking te brengen. Mijn vliegtuig landt woensdag om 3 uur ‘s middags op Gatwick.
Veel liefs van Adriaan
Dinsdag 14 april
Angela Hacker kondigde vanmorgen aan dat de laatste bijeenkomst van de schrijversgroep op het ‘blote-billenstrand’ zal worden gehouden. Mijn penis verschrompelde bij de gedachte. Ik heb me nog nooit naakt in het openbaar vertoond. Het ‘blote-billenstrand’ is de plek waar de extroverten en de sterke persoonlijkheden onder ons zich vermaken. Dat kan ik mezelf niet noemen. Maar na drie glazen retsina bij de lunch merkte ik dat ik over de rotsen in de richting van het naaktstrand glibberde.
Ik stond er versteld van hoe belachelijk blauw de zee was. De rotsen waren stralend roze terwijl ik naar het strand strompelde dat de kleur van vanillevla had. Het leek de allergewoonste zaak van de wereld mijn short te laten zakken en me op het zand neer te vlijen. Twaalf lange jaren heb ik me zorgen gemaakt over de lengte van mijn penis. Nu eindelijk zag ik bij mijn mannelijke collega-schrijvers dat ik net zo geschapen ben als andere mannen. Ik val ruimschoots binnen de normale gemiddelden.
Om halfzeven ‘s-avonds draaide ik me om en stelde mezelf bloot aan de zon. Er gebeurde niets vreselijks. Geen donderslag uit heldere hemel. Mannen en vrouwen renden niet gillend weg voor mijn naakte voorkant.
Ik liep de zee in en zwom naar de bloedrode zonsondergang toe. Ik liet me drijven en dobberen. Het was bijna donker toen ik naar het strand terugzwom. Ik gebruikte mijn handdoek niet.
Ik liet me gewoon opdrogen.
Ik liep in het bleke maanlicht terug naar het instituut. Ik nam een kortere weg door het bos. De grond was bedekt met gevallen dennenaalden, iedere voetstap was een knerpende aromatische verrukking.
Ik waadde enkeldiep door een klein dal vol zacht gras en wilde bloemen. Toen rook ik kamperfoelie en voelde een takje over mijn gezicht strelen. Toen ik de klip bereikte, bleef ik even op het instituut staan neerkijken. De keukendeur stond open. Uit de deuropening kwam helder licht, gelach en de heerlijke geur van geroosterd vlees.
Woendag 15 april
10 uur ‘s-morgens Achter het hek zag ik Jojo staan wachten. Ik liet al mijn bagage op de grond vallen en holde op haar af.
EINDE