12. De busjesjongen
Dus lieten we hem achter in het busje. Nu Rowan voor het eerst een vriendje had gemaakt, lieten we hem bij wijze van experiment bij Tomoo en Michel achter, terwijl Kristin en ik verder reden. Samen. Voor het eerst in heel lange tijd. Want afgezien van de keren dat een van de grootmoeders op bezoek kwam, was er altijd één van ons in Rowans buurt geweest. Niet dat we het niet hadden geprobeerd met een oppas, niet hadden geprobeerd om een eigen leven te leiden. Maar Rowan had gegild, zichzelf geslagen, met zijn hoofd op de vloer gebeukt, zichzelf verwond en elke potentiële oppas die we hadden gevraagd, weggejaagd met zijn aanvallen, zijn incontinentie, zijn vreselijke verdriet, de ontroostbaarheid ervan, het autistische ervan. Om het een beetje vol te houden gingen we om beurten één keer per week met vrienden uit. Maar samen uit eten? Uit eten, naar de film en dansen? Dat hadden we lang geleden al opgegeven.
Maar nu, nu we door de steeds breder wordende vallei reden, terwijl onze paarden het pad midden door het groen namen en het busje over het ruwe pad verderop langs de bergwand reed, vond Rowan het verbazingwekkend genoeg goed dat we weggingen. We namen een walkietalkie met ons mee voor het geval Rowan plotseling een angstaanval kreeg en wilde dat mama bij hem was. Af en toe zette ik hem aan om even te controleren, maar elke keer verzekerde Michel me, terwijl onze paarden over het korte groene gras liepen, met een door statische ruis vervormde stem: ‘Nee, het gaat allemaal goed. Tomoo en hij zijn lekker in het busje aan het spelen. Geen enkel probleem, echt waar.’
Ik keek naar mijn prachtige vrouw, die naast me reed, met haar lange benen en zoals altijd elegant in het zadel. Er stak een briesje op, dat haar lange bruine haar in de war maakte en waardoor het afkoelde tot een heerlijke twintig graden of daaromtrent. Ze keek me aan.
‘Geloof jij het, dat hij ons echt laat gaan?’ vroeg ze.
‘Nee. Ik denk er steeds aan dat Michel ons elk ogenblik kan oproepen en dat een van ons dan snel naar hem terug moet.’
‘Jullie zijn zeker niet vaak met z’n tweeën.’ Tulga, die naast ons reed, had meegeluisterd. ‘Nou,’ – hij gebaarde rond – ‘dit is wel een goede plek om ervan te genieten.’
Dat was het inderdaad. De bergen hier in de buurt waren hoger, puntiger, met scherp afgetekende pieken en bergkammen, en boven op de hellingen waren dichte wouden met naaldbomen en espen. Er was geen nederzetting te zien, geen ger, niet eens een kudde dieren, alleen maar een grote open ruimte. De lucht was net wijn.
‘Denk je dat dit het begin van iets zou kunnen zijn?’ vroeg Kristin. ‘Zoals...’
‘Een oppas.’ Ik maakte de zin voor haar af.
Toen piepte de walkietalkie.
‘Hallo?’ Ik zette hem aan. ‘Hallo Michel? Alles in orde? Over...’
Stilte aan de andere kant. Toen klonk Rowans stem: ‘Ootz-ootz-ootz-ootz...’
Ik barstte in lachen uit. En draaide de volumeknop open, zodat Kristin, Tulga en de anderen die in de buurt reden, het ook konden horen.
‘Scubby?’ vroeg ik. ‘Ootz-ootz-ootz-ootz,’ was het antwoord. Ik hoorde Michel en Tomoo op de achtergrond lachen.
Dus ik begon te zingen, eerst de melodie, daarna de rapteksten van de herkenningstune van Madagascar, en net als eerder rapte Rowan terug, terwijl Michel op de achtergrond ootz-ootz deed om hem te laten doorgaan. ‘Buster komt eraan, Buster komt eraan, Buster komt eraan, Buster komt eraan... ’t Is een Gobi, ’t is een Gobi, ’t is een Gobi, ’t is een Gobi.’
Dat ging heen en weer, en ik probeerde mijn lachen in te houden en bromde tevreden, terwijl we rustig door de groene vallei reden.
Een paar lannervalken fladderden luidruchtig boven onze hoofden; ze krijsten hoog en hard en vlogen snel en doelgericht. Voor ons was een vage blauwgrijze vlek te zien, die toen we dichterbij kwamen een groepje kraanvogels bleek te zijn, even elegant als een groepje fotomodellen op een catwalk in de wildernis. Dichte witte wolken hingen bewegingloos in een hemel van vloeibaar blauw. Het was heerlijk om hier in de wildernis paard te rijden. Om alleen maar te zijn.
Toen piepte de walkietalkie weer. Het was Michel. ‘Eh... Rowan ruikt niet zo fris. Ik denk dat hij net een ongelukje heeft gehad. Ik vroeg of ik zou proberen hem te verschonen, maar hij zei alleen maar: “Mama, papa.” Over.’
‘Deze is voor jou,’ zei Kristin achter me. Dat klopte, we verdeelden de walgelijke klusjes altijd eerlijk.
‘Oké,’ zei ik in de walkietalkie. ‘Volgens mij rijden jullie een paar kilometer voor ons. Ik kom eraan! Over.’
En dus, nadat ik had gecontroleerd of ik de vochtige doekjes en een schone onderbroek en broek in de zak van mijn jack had, schopte ik mijn hakken tegen Blackie aan en galoppeerde het pad af. Ik spoorde haar aan door met het plastic pak vochtige doekjes tegen haar zij te slaan, en haar hoeven deden de grond trillen toen we naar de poep denderden.
‘Code Bruin!’ riep ik, net alsof er groot gevaar dreigde, terwijl ik inhield naast het busje en met de vochtige doekjes boven mijn hoofd zwaaide. ‘Code Bruin!’
Rowan, die voor het geparkeerde voertuig stond, giechelde. Tomoo stond met dichtgeknepen neus naast hem, en er werd over hen gewaakt door de reus van een bestuurder en een klein meisje en haar graatmagere vader, die boven op een stapel hooi zaten die op een door een jak getrokken kar was geladen, en die waren gestopt om het spektakel te bekijken.
‘Code Bruin!’ riep ik weer, terwijl ik theatraal met de vochtige doekjes door de lucht zwaaide en als een stuntman van Blackie af sprong terwijl ze in volle galop was – waarom ook niet?
‘Het stinkt,’ zei Rowan zakelijk. ‘Het stinkt, jakkes.’
we sloegen ons kamp op naast een nabijgelegen stroompje. In het prachtige, goudkleurige licht trokken Tomoo en Rowan hun kleren uit en speelden in het snelstromende, tintelende water met Rowans dieren. Ik wist dat hij waarschijnlijk een of twee dieren zou kwijtraken, maar ik durfde me er niet mee te bemoeien, zo verdiept waren ze in hun spel.
Ik liet hen alleen. Ik vroeg Jeremy en Kristin of ze een oogje op de jongens konden houden en ging, omdat het nog minstens een uur licht zou blijven, met Blackie de berg op naar de bosrand om eens goed na te denken. Justin reed met me mee, omdat hij een ‘geluid in het wild’ wilde opvangen – dat deed je denken aan een soort onzichtbare, etherische gorilla – van de vogels, de wind. Ik bood aan om op de paarden te passen en hij liep weg met zijn vreemd uitziende apparatuur: de tas voor het mengpaneel en de microfoonhengel, ingepakt in wat wel een enorme pluizige sok leek, net een soort vuilgrijs pekineesje dat op een stok was gespietst. Ik koos twee jonge berken uit om de paarden aan vast te binden, zo ver uit elkaar dat ze niet in elkaars leidsels verstrikt zouden raken, of zouden gaan vechten en elkaar zouden schoppen, zoals sommige paarden doen. Ik ging op een boomstronk zitten. Het licht hier was geweldig: krachtig, fel, maar gefilterd door de bladeren. Er klonk overal vogelgezang. In de verte, uit het kamp beneden, hoorde ik stemmen en het gehinnik van paarden opklinken. Ik klikte mijn pen in om te gaan schrijven en pakte mijn notitieboekje. Er deden zich heel snel ingrijpende veranderingen voor. Sinds we bij de sjamanen waren geweest had Rowan zijn eerste vriendje gemaakt, was hij tijdelijk over zijn angst heen gekomen, had hij ons bewust misleid – daar leek het in elk geval op – had hij spontaan gerapt, zonder protesteren toegestaan dat Kristin en ik weggingen en ging hij elke dag qua spraak vooruit.
En deze dag vol nieuwe ontwikkelingen had nog één verrassing in petto. Die avond, toen we onze gebruikelijke soep van noedels, vlees en vet op hadden (zou een van ons het koken moeten overnemen, vroeg ik me af), koelde het al snel zoveel af dat we allemaal vroeg naar onze tent gingen. Maar Rowan was nog niet moe. Vanaf mijn kant van de tent hoorde ik hem in zichzelf praten – een beetje gebrabbel. Sommige woorden kon ik wel verstaan. Het ging voornamelijk over dieren, wat gebruikelijk was. Kristin zong voor hem en probeerde hem in slaap te krijgen, maar hij leek vanavond een ongebruikelijk veel energie te hebben. Terwijl ik lag te dommelen, hoorde ik dat hij haar telkens weer vroeg om iets te zingen, en het slaapliedje klonk steeds wanhopiger. In een plotselinge opwelling werkte ik me wriemelend uit mijn slaapzak, ik stond op en ritste hun kant van de tent open.
‘Hé Rowan,’ zei ik. ‘Wil je een stukje met papa gaan lopen en naar de sterren kijken?’
‘Met papa gaan lopen!’
‘Graag,’ zei Kristin met verdiende opluchting, terwijl Rowan zich uit haar omhelzing losmaakte en ik in het donker naar zijn voeten tastte zodat ik hem zijn Crocs kon aandoen. Toen pakte ik hem bij zijn handje en we gingen naar buiten, het koude sterrenlicht in.
Voorzichtig liepen we hand in hand de flauwe helling achter de tenten op. We staken het smalle zandpaadje over dat als de plaatselijke snelweg diende, in ongeveer dezelfde richting die ik eerder met Blackie was gegaan. Het is vreemd dat als je in het donker een helling op loopt, je benen erdoor worden verrast, alsof de heuvel tot leven is gekomen en heeft besloten je knieën te overvallen door plotseling omhoog te komen, net als de bulten op een skihelling. Rowan barstte van de energie en dribbelde naast me mee, terwijl hij op zangerige toon in zichzelf praatte: ‘Moet je die sterren zien! Moet je die mooie maan zien. Hoe spel je maan? m-a-a-n. Het is een heuvel. We lopen. Het is een grote heuvel.’
‘Wil je naar het bos daar boven?’ vroeg ik, enigszins retorisch. Het was per slot van rekening vrij ver en afgezien van de maansikkel en de sterren was het helemaal donker.
‘Ja!’
‘Goed ja gezegd, Rowan.’
‘Goed ja gezegd, Rowan,’ echode hij. ‘Dat is een goe-oe-oede ja.’
‘Inderdaad.’
We liepen een tijdje in stilte verder. De heuvel werd steeds steiler en onze adem maakte wolkjes in de koude lucht. Het zou gaan vriezen. We zitten hier heel hoog, dacht ik, terwijl we onze pas vertraagden. Vreemd hoe warm het hier kon worden, en ook hoe koud. Wat verbazingwekkend om hier überhaupt te zijn, met mijn zoon. Hier lopen we dan samen ’s avonds buiten in Mongolië, met zijn handje in mijn hand, omringd door sterren en stilte. We bleven staan om het allemaal in ons op te nemen, want de heuvel was nu te steil geworden.
‘Er was eens een jongetje,’ zei Rowan plotseling, zijn stem lichaamloos in het donker.
‘Een jongetje?’
‘Een heel klein jongetje. Hij ging op avontuur.’
Ik wilde iets zeggen, een opmerking maken zoals Kristin en ik, de therapeuten en leraren, wij allemaal altijd deden, om zijn verbeelding, zijn spraakvermogen te stimuleren... Maar intuïtief besloot ik mijn mond te houden.
‘Een heel klein jongetje op avontuur. Hij ging op avontuur. En...’ Toen volgde er iets onverstaanbaars, waarna hij zei: ‘Sjamanen.’
‘Sjamanen,’ ging Rowan verder, zijn stemmetje klonk als muziek in het donker. ‘Klets, klets, klets op je rug. En toen deed Tomoo...’ Weer iets wat ik niet kon volgen, en toen het woord: ‘vriend’.
‘Een vriend,’ vervolgde Rowan. Tegen wie was hij aan het praten? Tegen de sterren, de avond, zichzelf, mij, God? ‘En het busje en de paarden,’ vervolgde hij. ‘En Rowan was erg van slag. En bergen en arenden.’
Mijn zoon vertelde een verhaal. Het verhaal over zijn eigen ervaringen. Ik was stomverbaasd. Hij viel even stil.
‘Doet Buster ook mee in het avontuur?’ waagde ik uiteindelijk, omdat ik wilde dat hij verderging.
‘Ja, Buster en Rowan en Tomoo. Er was eens een jongetje dat Rowan heette, en hij ging naar Mongolië en bezocht wat sjamanen.’
Hij kwam weer in beweging en trok me met zich mee, terug de heuvel af, naar de snuivende vastgebonden paarden en de vage gloed van het door de maan verlichte stroompje, terwijl hij afwisselend nonsens en echte, passende woorden zei: Tomoo, vriend, piraat, spelen, paard, berg, arenden, sjamanen.
‘Je vertelt me over je avontuur, Rowan. Sjonge jonge.’
Hij giechelde; ik voelde in het donker dat hij glimlachte en hoorde het aan zijn stem: ‘Rowans avontuur,’ zei hij, terwijl hij me aan mijn hand meetrok, de heuvel af. ‘Rowans avontuur.’
In de zonnige, snel warmer wordende ochtend namen we bij de oever van het stroompje afscheid van onze gidsen. Er waren een paar plaatselijke veehoeders komen aanrijden, die ongetwijfeld via het lokale equivalent van de tamtam hadden gehoord dat er vreemdelingen kampeerden in deze uithoek. De uithoek die hun thuis was en voor hen bekend was, maar voor ons heel exotisch en vreemd. Wij vormden uiteraard vermaak. Terwijl we de tenten afbraken en onze rugzakken inpakten, afscheid wilden nemen van de paarden en de gidsen die zo goed voor ons hadden gezorgd, en alles in het busje wilden laden, kwamen er ondanks het vroege uur flessen wodka tevoorschijn. Er kwam nog een andere man bij, niet te paard, maar op een motor, met een grote plastic kan airag. We waren allemaal lichtelijk aangeschoten tegen de tijd dat de eerste thermosfles thee, samen met de onvermijdelijke Mongoolse zandkoekjes (die toepasselijk en grappig genoeg Rain Man-koekjes heetten) op het kamptafeltje verscheen. Rowan en Tomoo plasten rond in het water en zochten naar de speelgoeddieren die de vorige avond in de modder waren achtergebleven, waarvan ze er gelukkig ook een paar vonden.
‘We moeten afscheid nemen van Blackie,’ zei ik tegen Rowan. ‘Kom maar, we gaan haar een kus geven en bedanken dat ze ons heeft gedragen.’
‘Afscheid nemen van Blackie,’ papegaaide Rowan automatisch, niet erg geïnteresseerd, maar hij begon hard te gillen toen ik hem optilde om het echt te doen.
‘Klaar met paarden!’ gilde hij, schoppend met zijn benen.
‘Ja, klaar met paarden,’ bevestigde ik. ‘We geven haar alleen maar een kusje om afscheid te nemen!’
Hij ontspande zich en liet toe dat ik hem naar de grazende Blackie bracht. Plichtsgetrouw sloeg hij zijn armen om haar nek en gaf haar een kus op haar zachte zwarte neus, en daarna rende hij terug naar de rivieroever en naar Tomoo. Ik keek hem na en was verdrietig, ondanks de magie van de avond ervoor. En wederom bezorgd dat hij, als het tijd werd om Siberië in te trekken om het rendiervolk te zoeken, niet meer wilde paardrijden. Wat de enige manier was om daar te komen. Om maar niet te spreken van de knagende bezorgdheid dat ik hem voorgoed een afkeer van paarden had bezorgd, omdat ik zo graag wilde dat hij een soort wonderkind met paarden was. Wanneer ik erg gestrest ben, komt dat soms lichamelijk tot uiting door een koortslip. Ik voelde het prikken en zei een schietgebedje dat dit geen grote blaas zou worden.
Er tikte iemand op mijn schouder. De jongste en langste gids probeerde me iets duidelijk te maken. Hij wees eerst naar Rowan en toen naar Blackie. Ik sprak geen Mongools en begreep er niets van, maar ik onderscheidde wel wat woorden: kuni en boli, ‘paard’ en ‘jongen’. Kristin liep naar me toe, net als de andere gidsen en de plaatselijke bevolking, die zich hier had verzameld. Er kwam ergens een wodkafles vandaan. Ik nam een slok voor bij het ontbijt. ‘Noemt hij Rowan een paardenjongen?’ vroeg ik, en ik probeerde de blijkbaar nogal belangrijke boodschap te begrijpen. ‘We hebben Tulga nodig. Tulga!’ Ik moest een paar keer roepen voordat Tulga uit de wc-tent kwam, zwaaiend met zijn hand alsof hij wilde zeggen: ‘Ik kom al, ik kom al.’ De arme man kreeg ook geen minuut rust.
Hij kwam naar ons toe, luisterde naar wat de jonge gids te zeggen had en glimlachte toen van oor tot oor. ‘O, moet je horen, Rupert, dit is een enorme eer. Ze geven Rowan het paard.’
‘Geven ze hem Blackie?’
‘Ja, Rupert, Kristin, jullie moeten gaan zitten. Hier hoort een... een soort ceremonie bij. Het is heel’ – hij zocht naar het juiste woord – ‘ongewoon, nee, uitzonderlijk dat iemand zo’n paard krijgt. Dit is iets heel speciaals. Ga zitten. Ik zal wel tolken. Wauw, ik moet zeggen dat ik hier heel verbaasd over ben.’ Hij lachte en keek blij, verbaasd.
Dus gingen we naast elkaar op het warme, korte gras zitten, terwijl het vrolijke geklets van Rowan en Tomoo vanaf de rivieroever naar ons toe dreef. Er kwamen twee blauwe zijden sjaals tevoorschijn, hetzelfde soort dat we in de lariksen hadden zien hangen bij de sjamanen buiten Ulaanbaatar, en daarna ook aan diverse ovoos, heilige cairns, langs de weg. Elke sjaal vertegenwoordigde een paard, want ze gaven Rowan niet alleen Blackie, maar ook een jongere goudvos die, zo zeiden ze, een renpaard was dat al veel van de medailles had gewonnen die ik op de ochtend van ons vertrek in de ger van de grootvader had zien hangen.
‘Ze zeggen,’ vertaalde Tulga, ‘dat ze zeker weten dat Rowan beter wordt. En dat hij de volgende keer dat hij naar Mongolië komt zelf zal rijden, en wel zo goed dat hij aan wedstrijden kan meedoen, net als de Mongoolse jongens. Dus ze zeggen dat Blackie en het renpaard voor hem worden bewaard totdat hij terugkomt; de paarden zijn van hem. Ze zeggen dat jullie je geen zorgen hoeven te maken, dat het met Rowan helemaal goed komt. Ze hebben goed naar hem gekeken, en ze zien hoe hij met dieren is, met de natuur, en ze vinden dat jij en Kristin er goed aan hebben gedaan hem mee hiernaartoe te nemen. Hij zal beter worden en hij zal terugkomen naar Mongolië. En wanneer hij dat doet, dan zal hij zelf rijden, als een kind van de steppe.’
Ik voelde dat de tranen begonnen te stromen. Voelde dat ik iets moest zeggen, sprak klungelig mijn dank uit, zei dat ik me erg vereerd voelde, en vroeg me af wat ik in vredesnaam in ruil hiervoor terug kon geven. Ik dacht aan Betsy, die in Texas op Rowan wachtte, het paard dat ons hier had gebracht, naar dit punt, zowel voor een groot deel lichamelijk als moreel. Toen kreeg ik een idee. ‘Wil je tegen hen zeggen dat ik hun ook een paard wil geven? Zouden ze het leuk vinden als ik, wanneer ik terug ben in Amerika, een goede dekhengst voor hen zou zoeken, van hetzelfde ras als Rowans paard thuis, en hun dan het sperma zou opsturen voor een van hun beste merries? Zou dat een goed idee zijn?’
Tulga vertaalde. Er klonk gebrul van instemming en de wodka kwam weer langs. Kristin fluisterde fel: ‘Weet je wel zeker dat dat kan, Ru?’
‘Ja, volgens mij wel. Mijn opa in Zimbabwe importeerde altijd stierensperma vanuit Texas voor zijn brangusrunderen. Het wordt in stikstof vervoerd. Tulga, doen mensen dat hier weleens?’
‘Ja, volgens mij wel. Ik heb gehoord dat de afdeling Veeartsenij van de universiteit van Ulaanbaatar dat soort dingen doet. Ik denk dat het wel geregeld kan worden.’
Dus daar dronken we op, ik haalde Rowan op zodat er wat foto’s gemaakt konden worden, waar hij met tegenzin voor poseerde. Gelukkig leken de gidsen zijn gebrek aan sociale vaardigheden niet erg te vinden. Toen kwam er nog meer wodka, en iedereen omhelsde elkaar. God, wat waren ze allemaal sterk, een en al spieren. Geen wonder dat ze op hun taaie kleine paarden de wereld hadden veroverd. En toen de strijd hadden vervangen door het boeddhisme. Je moest wel bewondering hebben voor deze mensen. Hoeveel volken hebben een leven van moordend rondtrekken achter zich gelaten en hebben zich daarna zo gericht op het bereiken van verlichting?
Toen zei de oudste van de mannen die waren verschenen om ons uit te wuiven, iets tegen Tulga, waardoor diens wenkbrauwen van verrassing even omhooggingen. Er was een bron, zei hij, een genezende bron, dicht bij het Shargameer, die erom bekendstond dat hij goed voor de hersenen was. En daarbij kwam dat op weg naar het meer een man woonde, een traditioneel genezer, die was gespecialiseerd in genezing via het doorgeven van qi, of chi, het Oosterse woord voor energie. Tulga vroeg of we hem wilden bezoeken. Ik keek naar Kristin. Hij deed eigenlijk alleen maar aan handoplegging, vervolgde Tulga, en het huis van de man lag op de route. Ik knikte. Het kon geen kwaad, leek me. En die bron, vroeg ik, terwijl we over de slechte weg hobbelden. Was die makkelijk te vinden?
‘De oude man zei dat we hem zo zouden vinden, geen probleem.’ Tulga, die op de voorstoel zat met Tomoo ontspannen en rustig op schoot, draaide zich om. ‘De bron ligt misschien tien of twintig kilometer van het meer af, maar is eenvoudig te vinden. Misschien nog iets minder. We hoeven het alleen maar iemand in de buurt daar te vragen, zegt hij. De bron is beroemd.’
‘Zo beroemd dat jij er nog nooit van had gehoord?’
Tulga grinnikte. ‘Tja, ik ben een stadsjongen.’
De genezer woonde in een dorpje vol blokhutten, die misplaatst op een kluitje op de steppe stonden, als latere toevoegingen van de beschaving. ‘De Russen hebben deze dorpen gebouwd zodat ze ons makkelijker in bedwang konden houden,’ zei Tulga terwijl we een paar uur lang hobbel-de-bobbel over de afschuwelijke weg vol kuilen naar het dorpje waren gereden. En we waren inderdaad langs stukken steppe gekomen waar Tulga ons erop had gewezen dat het gras in rechte lijnen groeide, met geultjes ter afscheiding. ‘Daar hebben ze geprobeerd te ploegen. Eén tractor per dorp. Dat lukte niet, het gras is er nu overheen gegroeid, maar ze wilden van de steppe één groot tarweveld maken. Dit dorp heeft zelfs een spoorlijn. Had een spoorlijn. Om het graan op te halen.’
En jawel: er stond een oude graanopslag, die op instorten stond, aan een kort stuk rails, dat van nergens naar nergens liep: een eerbetoon aan de mislukking van de Sovjetdroom en de overwinning van het vrije leven op de steppe. Maar dorpen zijn vreemde dingen: als je ze bouwt, blijven mensen erin wonen, hoe vies, bezaaid met afval en vervallen ze ook zijn, zelfs als eromheen maagdelijk land ligt. Dat was hier net zo. We reden erdoorheen en ontweken honden, jaks, koeien, schapen, geiten en dolende paarden. In de blokhutten woonden best veel mensen, die door deuren en ramen tuurden. ‘Wat doen ze hier voor werk?’ vroeg Jeremy. Tulga haalde zijn schouders op.
We hadden Rowan voorbereid op deze ontmoeting, omdat we vreesden dat hij bang zou zijn, na het grootse drama van de sjamanenceremonie in ub. Maar we waren nog niet gestopt bij de grote, groen geschilderde houten deuren van het erf waarvan Tulga en de chauffeur dachten dat dat bij het juiste huis hoorde, of Rowan was het busje al uit en zei: ‘Kom op, we gaan naar de oudeman-genezer.’
En daar liep hij al in z’n eentje over het betonpaadje door de tuin, waar een paar schapen en geiten graasden, het huis in. We liepen achter hem aan – Tulga een beetje gegeneerd – en toen we binnenkwamen, zagen we dat Rowan naar de oude man en zijn vrouw zat te kijken, die aan een oude tafel zaten onder een groot wandtapijt waarop rennende paarden waren afgebeeld. Hij zei niet ter zake doend: ‘Olifanten komen uit Afrika en India’, en wierp hun zijn breedste, charmantste glimlach toe.
‘Inderdaad,’ zei ik, en ik pakte hem op en plofte samen met hem neer op de oude bank uit de jaren zeventig, waar het glimlachende stel, dat eerder geamuseerd dan geïrriteerd leek door Rowan, naar gebaarde, terwijl Tulga onze plotselinge aankomst uitlegde. De oude man had een groot gezicht, met geprononceerde jukbeenderen en grove trekken, alsof het met een stompe bijl uit een boomstronk ergens in een bos was uitgehakt en daarna door een of andere bostovenaar tot leven was gewekt, met twee intelligente zwarte ogen, die vanonder zijn vooruitstekende voorhoofd de wereld in keken.
Als de man, die halverwege de zestig leek te zijn, op de een of andere manier was gestoord nu we zo uit het niets opdoken, dan wist hij dat goed te verbergen. Hij luisterde naar Tulga, die Rowans aandoening beschreef, en stelde vragen, alsof we deze afspraak weken van tevoren hadden gemaakt. Tot mijn schrik verliet zijn vrouw het vertrek en kwam even later terug met een schaal vol gedroogde schapenwrongel. Ik pakte een stukje en probeerde er overtuigend op te knabbelen, net als Kristin, die er net bij was gekomen. Gelukkig koos de oude man net dat moment om me via Tulga vragen te stellen over Rowans geschiedenis.
Ik legde het zo goed als ik kon uit en op verzoek van de oude man vertelde ik een aantal dingen over Rowans geboorte: dat hij in een stuit lag, een maand te vroeg was en via een keizersnee was geboren. Hij knikte, nam deze informatie in zich op en legde toen – weer via Tulga – uit wat hij wilde doen.
‘Hij zegt dat hij Rowans schedel moet voelen, om te kijken of daar een energieblokkade zit. Denk je dat Rowan dat zal toelaten?’
Ik verwachtte dat Rowan tekeer zou gaan en zich zou verzetten als de oude man zijn handen op zijn hoofd zou leggen, en dus vroeg ik via Tulga – deels om mijn zoon gerust te stellen, deels om te controleren of het inderdaad geen pijn zou doen – of de oude man zijn vingers eerst op mijn schedel wilde leggen.
Rowan keek geïnteresseerd toe toen ik op de vloer voor de genezer zat en hij zijn sterke, ervaren vingers over mijn hoofd liet gaan. Het deed niet alleen helemaal geen pijn, het was zelfs prettig, iets dat het midden hield tussen een hoofdmassage en, tja... een healing denk ik. Er stroomde onmiskenbaar een gevoel van welbevinden door me heen, vanaf mijn hoofd naar beneden. Ik sloot mijn ogen en probeerde mijn aandacht erbij te houden en me niet helemaal te laten overspoelen door het heerlijke gevoel, terwijl de oude man praatte en Tulga tolkte.
‘Hij zegt dat je een energieblokkade hebt, hier rechts onder aan je schedel. Hij wil weten of je daar weleens hoofdpijn hebt.’
Dat had ik. De vingers van de oude man gingen aan de rechterkant van mijn schedel omhoog, en daarmee verspreidde hij glimlachjes over mijn hoofd. Ik wilde dat er geen einde aan zou komen.
‘Hij zegt dat dit soort dingen vaak in de familie zit. Rowan heeft misschien hetzelfde probleem,’ vertaalde Tulga, terwijl de handen van de oude man stilvielen. Ik zuchtte en boog voorover om Rowan op te tillen, die het allemaal redelijk geïnteresseerd had zitten bekijken.
Hij gilde niet. Tot mijn verbazing bleef hij rustig zitten, tevreden, en hij stond toe dat de oude man zijn vingers over zijn hoofd liet gaan. De genezer bevestigde via Tulga dat Rowan inderdaad dezelfde energieblokkade had als ik.
‘Hij zegt dat je hem zo moet masseren, langs de ader die over de zijkant van de schedel loopt,’ zei Tulga. Ik keek toe. ‘Hoofdkriebels,’ zei Rowan. Normaal gesproken zou hij zich nu wel aan de greep van de man hebben ontworsteld, want hij vond het vreselijk als iemand aan hem zat, helemaal als dat een onbekende was.
Hij slaakte inderdaad een kreet toen de vingers van de oude man harder begonnen te drukken, in een poging de energieblokkade op te heffen, zoals hij zei. Maar dat was maar even, want de oude man liet Rowan los voordat hij in een crisis raakte en zei tegen ons dat als we de komende dag verschil zagen – minder driftbuien, een gelijkmatiger humeur – we zouden kunnen overwegen zoiets ook thuis te laten doen. Zo niet... Hij haalde bescheiden zijn schouders op; hij kon niet iedereen genezen. Maar hij voelde wel dat de energie nu makkelijker stroomde. Toen we hem, terwijl we onze spullen bij elkaar zochten, vroegen of hij een bezoekje aan de bron waar we net over hadden gehoord en het heilige meer zou aanbevelen, haalde hij zijn schouders op. ‘Dat zou ik niet weten,’ zei hij eerlijk. ‘Maar het kan in elk geval geen kwaad.’
En toen kwam er een jong stel timide de kamer binnen, met een baby met een raar bol hoofd. Het was tijd voor zijn volgende patiënt, zei de oude man verontschuldigend, terwijl hij gebaarde dat we moesten gaan. Hij boog, terwijl we via Tulga onze dank overbrachten. Achter hem op de muur zag ik een foto van hem hangen, jaren jonger, in een communistisch uitziend uniform, overladen met medailles. Was hij ouder dan hij eruitzag? Misschien was hij een veteraan van het Mongoolse front in de Tweede Wereldoorlog, toen de Russen tegen de Chinezen hadden gestreden en ze soldaten van de steppe als kanonnenvoer hadden gebruikt. Of had hij in een latere oorlog in het leger gezeten? Zijn vriendelijke ogen weerspraken wrede gedragingen in het verleden. Maar de foto was een herinnering aan de Sovjettirannie die ooit over dit land en deze mensen was uitgeoefend.
Toen we het dorpje uit reden, over de slechte weg vol plotselinge scheuren en bochten waardoor we door elkaar geschud werden, vroeg ik Tulga: ‘Denk je dat hij in het Sovjetleger heeft gediend?’
‘O ja,’ zei Tulga glimlachend. ‘Iedereen zat in dat leger. Dat moest wel – een tijdje in elk geval. Of ze het nou leuk vonden of niet. Dat kwam door het communisme.’
‘En het sjamanisme? Was dat toegestaan onder het communisme?’
‘Absoluut niet! Als er een trommel of gewaad van een sjamaan werd aangetroffen in iemands ger of huis, dan ging diegene naar de gevangenis. Idem dito voor zijn soort genezingen. Als iemand tegen de autoriteiten zei: “Dat is een genezer of een sjamaan”, hielden ze hem aan. Zelfs deze reis met jullie – tien jaar geleden zou de kgb ons gevolgd hebben en mij naderhand hebben ondervraagd. Dan hadden we dit waarschijnlijk niet kunnen doen. We hadden zeker niet naar sjamanen kunnen gaan.’
‘Hoe is de traditie dan voortgezet?’
‘Van vader op kind. En op verafgelegen plekken, zoals Siberië, waar we naartoe gaan, was niet zoveel controle. Het komt nu weer terug.’
We kwamen langs twee staande stenen, waarin afbeeldingen van grote rendieren met gedraaide hoorns waren uitgehouwen, een bewijs van het koudere klimaat van duizenden jaren geleden. Toen, niet lang na de laatste ijstijd, waren er zelfs rendierhoeders in Spanje geweest. Het rendier was getemd vóór de koe, het paard en de ezel. En toen het ijs zich naar het noorden had teruggetrokken, waren de veehoeders meegetrokken. Nu was Mongolië de zuidelijkste plek waar je rendierculturen aantrof.
Het land hier was droog en onvruchtbaarder dan de groene hooglanden waar we de vorige avond ons kamp hadden opgeslagen. We waren blijkbaar een aardig eind afgedaald. Het werd warm. Onaangenaam warm. Nadat we ongeveer een uur hadden gereden liet Tulga iedereen halt houden voor de lunch in een bosje iepen dat langs een brede rivier stond, de Orkhon, die ondiep was en misschien zo’n vijftig meter vóór ons snel stroomde. Op een paar uur rijden hiervandaan, zei hij, terwijl de pooierbak schokkend maar genadig tot stilstand kwam en we er kreunend en ons uitrekkend uit stapten, lag een ander, groter stadje, dat Bulgan heette. Daar konden we definitief beslissen of we verder zouden gaan naar het Shargameer, zoals het plan was, of dat we al naar het noorden zouden gaan, naar het rendiervolk. Kristin was er nog steeds niet van overtuigd dat we überhaupt naar het meer moesten gaan, omdat het een vreselijke rit zou zijn, die waarschijnlijk geen concreet resultaat zou opleveren.
Het was een prachtige plek, deze rivieroever met iepen erlangs. Of dat zou het zijn geweest, als het er niet bezaaid had gelegen met kapotte wodka- en bierflessen, plastic zakken, snoeppapiertjes, luiers, tampons en condooms. Toen we dichter bij de stad kwamen en de weg breder was geworden, hadden we gezien dat de hoeveelheid afval van niets naar een heleboel was toegenomen en zelfs – op wat een prachtige plek had moeten zijn – tot hele bergen.
‘Let op Rowan als hij het water in wil gaan,’ waarschuwde Tulga ons, want Rowan en Tomoo trokken in de drukkende hitte hun kleren al uit en liepen naar het sprankelende ondiepe water. ‘Mensen gooien er wodkaflessen in als ze dronken worden. Hij kan het best zijn schoenen aanhouden.’ Hij schreeuwde iets in het Mongools naar Tomoo, die knikte en prompt Rowan ervan weerhield zijn Crocs uit te schoppen. Tot mijn verbazing gilde Rowan niet, wat hij gedaan zou hebben als Kristin of ik hem had tegengehouden, maar gehoorzaamde hij zonder tegensputteren.
‘Jeremy, kun jij op zijn speelgoed letten?’ vroeg ik. ‘Hij wil er natuurlijk mee in het water.’ En ja hoor, Rowan liep al terug naar het busje en vroeg: ‘Waar is Simba?’
Ik besloot een wandelingetje langs de rivieroever te maken, om te zien of ik in contact kon komen met mijn intuïtie. Moesten we een vreselijke rit maken naar een meer waar zelfs de plaatselijke genezer een vrij dubbele mening over had? Of zouden we ons die tijd en moeite besparen en direct naar het noorden gaan, zodat we meer tijd zouden hebben om het rendiervolk te zoeken, meer tijd om bij hen door te brengen als het ons lukte hun kamp te vinden, en meer tijd om een sjamaan te zoeken, als dat moest? De keus leek voor de hand te liggen. Waarom had ik dan toch die aandrang om op een zinloze zoektocht te gaan naar een plek waarover ik drie jaar geleden iets op internet had gelezen? Er was geen enkele zinnige reden om te gaan. Ik had alleen een vreemd onderbuikgevoel, en de gedachte dat ik me altijd zou blijven afvragen...
Een grote reiger steeg flapperend op uit het riet. Ik stapte voorzichtig om een keurig hoopje gedroogde menselijke uitwerpselen heen; het wc-papier lag een paar meter verderop verdroogd in de semiwoestijnlucht. Een vlucht wilde eenden – een soort talingen, aan de blauwgroene strepen op hun vleugels te zien – zwom snaterend in het water. Een stern, die zich op duizenden kilometers van de zee bevond, vloog boven ons en krijste als een zeemeeuw. Nestelde hij hier of kwam hij hier alleen maar langs op weg naar de ver weg gelegen Noordelijke IJszee, waar, hoe ongelooflijk het ook leek, deze rivier uiteindelijk in uit moest komen? Ik liep terug naar de busjes, waarnaast onder de iepen een tafel was neergezet. Tulga vouwde de kaart uit.
‘Het is echt ver,’ hoorde ik Kristin weifelend zeggen.
‘Ja,’ stemde Tulga zachtjes in, terwijl hij naar de kaart keek. ‘Ja, dat is zo.’
Dus de voors en tegens gingen nogmaals over de geïmproviseerde kamptafel heen en weer. Het gezonde verstand zei: laat dat meer maar zitten, ga naar het noorden. De irrationele – of liever gezegd: niet-rationele – stem zei: Ga, zoek uit wat er met dat meer is. Midden in onze beraadslagingen kwam Rowan vanaf de rivieroever naar ons toe om zijn spek te halen.
‘Oké,’ zei ik in een plotselinge opwelling, ‘zullen we Rowan laten beslissen?’
Iedereen mompelde instemmend. Dus ik probeerde het. ‘Hé, Rowan! Wat vind jij ervan? Zullen we eerst naar het meer en daarna naar het rendiervolk gaan, of...’
Hij was al weggedribbeld en negeerde me straal. Als ik antwoord wilde, dan moest ik me op hetzelfde niveau als hij begeven. Ik stond op, liep naar de plek waar hij zijn dieren in het zand had opgesteld, en boog voorover.
‘Papa! Papa!’ zei hij. Hij had het niet tegen mij, maar sprak voor de dieren. Hij speelde een scène uit De Leeuwenkoning na: de meest dramatische scène, waarin de vaderleeuw aan het klif hangt en het leeuwenwelpje Simba, zijn zoon, hem probeert te bereiken, probeert te voorkomen dat hij naar beneden valt en onder de hoeven van de voortdenderende gnoes beneden in de kloof terechtkomt.
‘Papa! Papa!’ Dat roept het welpje als zijn vader naar beneden valt en door de hoeven vertrappeld wordt. Ik was verbaasd dat Rowan het welpje nog niet was kwijtgeraakt.
‘Wat heb je gedaan?’ Nu was Scar, de kwaadaardige oom aan het woord, de leeuw die het jonge welpje zo manipuleert dat hij zal denken dat hij zijn vader per ongeluk heeft gedood. Ik zag dat een speelgoedtijger de leeuw verving die Rowan normaal gesproken voor Scar gebruikte. Vreemd dat ik hem niet had horen gillen dat hij hem kwijt was. Die lag ongetwijfeld ergens in de rivier onder de door sterren verlichte berg. ‘Wat heb je gedaan?’
‘Hé Rowan, wil je naar het rendiervolk?’
‘Ja.’
‘Nee, wacht even. Wil je meteen naar het rendiervolk? Of wil je eerst naar het meer en dan naar het rendiervolk?’
‘Eerst naar het meer en dan naar het rendiervolk,’ zei hij, zonder op te kijken.
‘Oké, dat gaan we doen. Hé mensen, de beslissing is genomen. Hij zegt: eerst het meer, dan het rendiervolk.’