26 Het monster van de Bocht
Den Haag was in de winter van 1872 in de ban van het bloeddorstige ‘monster’ dat een brute roofmoord had gepleegd op de welgestelde weduwe W.Th. van der Kouwen-Ten Cate en haar dienstbode ‘Leentje’ Beeloo. Stadsbewoners stelden massaal huisbewakers aan en slotenmakers kwamen om in het werk terwijl de gruwelijke dader die de moord had gepleegd, vrij rondliep. Maar eens moest de waarheid toch aan het licht komen...
Bocht van Guinea, 13 december 1872, Suzanne Brink – Het politierapport spreekt van een ‘werkelijk bloedbad’ dat op 13 december werd aangericht in de woning van de 63-jarige weduwe Van Kouwen-Ten Cate aan de Bocht van Guinea. Niet alleen de weduwe zelf, maar ook haar dienstbode, Helena Beeloo, was op hardhandige wijze om het leven gebracht, waarna er uit de woning gestolen was. Over het hele lichaam waren zware verwondingen aangebracht. Het motief voor de moorden was zonneklaar: pure hebzucht. Het slot van de secretaire was opengebroken, alle meubels waren omvergehaald en de dieven hadden tal van juwelen, waardepapieren en geld meegenomen. De vrouwen waren uit voorzorg vermoord.
Den Haag kon tot op dat moment bogen op de reputatie een van de veiligste steden van Nederland te zijn, maar dat gevoel was onmiddellijk weg. Het ergste was dat de daders niet gevonden werden. De Hagenezen verwachtten elk moment een nieuwe onheilstijding zolang de moordenaars vrij rondliepen.
Drie lange jaren bleef de zaak onopgelost tot Hendrik Jacobus Jut en Christina Goedvolk in 1875 werden gearresteerd. De aanleiding was een anonieme brief. Vermoedelijk had Hendrik zijn mond voorbij gepraat. Toen de politie hem eenmaal op het spoor kwam, viel alles op zijn plaats. Een bekentenis bleef niet lang uit. Het misdaadjournalistieke blad Geïllustreerd Politienieuws schreef: ‘Jut heeft een volledige bekentenis afgelegd. Dit is van groot gewicht. De bekentenis volgde eerst drie jaren na het feit, geheel vrijwillig, zonder dwang. En als men ooit een uitvoerige en omstandige bekentenis heeft gezien, dan is het hier.’
Den Haag herademde. Naar nu bleek had de stad in de jaren daarvoor weinig van het echtpaar hoeven vrezen. Vlak na de moord waren de rusteloze Jut en zijn vrouw namelijk getrouwd en binnen een paar maanden uit Den Haag vertrokken. Als ze gebleven waren, zou het maar in het oog gesprongen zijn dat ze ineens geld te besteden hadden.
In eerste instantie wilde Jut alle schuld op zich nemen, maar zijn hartstochtelijke smeekbede ‘Moeder, denk aan je kind en betuig dat je onschuldig bent!’ kwam te laat. Zijn vrouw Christina had haar eigen bekentenis al afgelegd en die klopte te goed met de feiten om terzijde te leggen.
De verklaring van Hendrik Jut kwam, wat details over de moorden betreft, volledig overeen met de aangetroffen scheur in het jak van Helena Beeloo, op de plaats waar de wond zou zijn toegebracht, met de wonden op het lijk van de weduwe en de verwonding aan de handen van Jut. Maar dat hij niet alleen gehandeld kon hebben, was wel duidelijk. Een tweede moest het water voor hem uit de lampetkan hebben gegoten zodat hij zijn handen kon wassen. Er zat immers geen bloed aan de kan. Met ‘reine handen’ en beladen met de buit verlieten de twee de woning. Juts vrouw had een tijdje als hulp bij de weduwe Van der Kouwen-Ten Cate gewerkt en had ervoor gezorgd dat Jut het huis binnen kon komen en de moorden kon begaan, eerst op de onschuldige meid, toen op de vriendelijke oude vrouw. Ze belde op zaterdagavond aan met de smoes dat ze een paar schoenen had laten staan en zij zorgde er ook voor dat de weduwe naar beneden ging om zich door Jut te laten slachten. Ze had de sleutels gegeven, de kasten geopend en ten slotte de gestolen goederen bewaard. Dat ging verder dan medeplichtig, oordeelde de rechtbank. Ze was mededader.
Wat had ze bezield? Hoe was dit echtpaar tot het moorden gekomen?
Hendrik Jut, die kelner van beroep was, getuigde dat het grote ongeluk in zijn leven was dat hij een onechte zoon was en hij wilde er alles aan doen, toen zijn Christina zwanger bleek, om zijn kind voor dezelfde schande te bewaren. Dus wilde hij trouwen, maar dan moest hij wel eerst geld hebben. Die bewering zou nog enig mededogen kunnen oproepen, maar zijn vrouw verklaarde dat hij al veel langer van plan was de weduwe Van der Kouwen-Ten Cate te beroven.
Een paar dagen voor de moord had hij geen cent meer op zak. Om een dolk, het latere moordwapen, te kopen moest hij van zijn moeder tien gulden lenen.
Het geld dat hij bij de weduwe had buitgemaakt, was kennelijk niet eens bedoeld om zijn vrouw en kind te onderhouden, want het werd roekeloos verkwist. Van de vele duizenden die hij had gestolen was bij zijn arrestatie nog weinig over.
Nog voor hij ook maar een voet op Amerikaanse bodem had gezet, had Jut al drie bankbiljetten van duizend gulden uitgegeven, een aan de Amsterdamsche Bank, onder de naam Van der Linden; de tweede bij Bahlmann voor de trouwjapon; de derde bij Hudig en Blokhuyzen voor het passagebiljet naar New-York.
Op 8 maart 1873 vertrok het pasgehuwde stel naar die grote stad aan de andere kant van de oceaan met wat er nog over was van de geroofde schatten, maar hun verblijf was van korte duur. Na een week in New York keerden ze terug naar Europa en leefden een tijd in Engeland. Vervolgens beviel Juts vrouw in de gemeente Vugth van een dochter. De gelden werden weer ingewisseld met groot verlies en deels vernietigd en na een tijdje was alle gestolen waar schoon op.
Maar hadden ze toen rust? Misdadigers vinden nooit rust. Dus togen ze in 1874 naar Afrika om daar ‘vrijer’ te zijn, maar ook daar konden ze het geluk niet vinden, zodat ze in 1875 in Rotterdam gearresteerd konden worden.
Tijdens de rechtszaak zaten Hendrik Jacobus Jut en zijn eega Christina Goedvolk er kalmpjes bij, volgens het misdaadjournalistieke weekblad Geïllustreerd Politienieuws . Het blad kwam ter gelegenheid van het proces met extra edities waarin voor het eerst tekeningen uit de rechtszaal werden afgedrukt. De media-aandacht voor de zaak Jut was ongekend. Kranten schilderden Jut af als een bloeddorstig monster en de advocaat van Jut, de latere premier Cort van der Linden, beklaagde zich er zelfs over dat het onbegonnen werk was de beeldvorming bij te stellen. De straffen waren dan ook niet mals.
Hendrik werd veroordeeld tot levenslang tuchthuis. In zijn geval was dat kort. Twee jaar later, nog maar zesentwintig jaar oud, legde hij het loodje. Christina kreeg twaalf jaar. Het in grote getalen toegestroomde publiek in de rechtszaal was opgetogen over de opgelegde straffen. Het was een grote opluchting voor de inwoners van Den Haag dat van de koelbloedige moordenaar Jut en zijn vrouw niet meer te duchten viel. Een slimme kermisexploitant maakte bovendien gebruik van de grote publieke aandacht door een van zijn attracties te hernoemen. Op de Kop van Jut kan iedereen tot op de dag van vandaag zijn woede over de brute moord botvieren.
Tot 1873 heette de straat waar de moord is gepleegd de Bocht van Guinea. Na de roofmoord op mevrouw Van der Kouwen door Hendrik Jut werd de straatnaam op verzoek van de bewoners gewijzigd in Huijgenspark.