'Nee, niet te geloven,' roept de duena uit, 'zoiets zeg je niet, zelfs niet in een klucht van Camoletti.' 'Juist daarom hou ik van hem, 'zegt George. 'Ik kan met niemand anders op zo'n manier spelen. Dus laat me alsjeblieft met rust.' 'En die kamer,' houdt de duena aan, 'heb je die gezien? Een Hollywood-decor van een B- film: de verleidingsscène tussen een herder en een kasteelvrouwe.' 'Je zou hier op z'n minst cowboy kunnen zeggen, 'onderbreekt George haar. 'Wat maakt het uit?' zegt de duena. 'Hoe dan ook, die scène is alweer afgelopen als ik mijn ogen mag geloven: je herder staat stijf als een dekhengst! Misschien moet ik hier als een neger zeggen! Binnen vijf minuten word je aan het spit geregen, liefje.'
'Het is zo heet dat je niet één borst, maar minstens alle twee zou moeten uitpakken,' koketteert George, ongevoelig voor sarcastische opmerkingen, terwijl Lozerech met zijn ene hand haar magnetisch centrum door haar dunne jurk heen beroert en met zijn andere hand probeert haar beha los te maken.
'Waarom heb je die aan met jouw borsten?'
'Om het langer te laten duren,' hijgt ze.
Ze heeft de rode lamp op hun terras uitgedaan en de jeans van de figuur die ze in het vliegtuig heeft ontmoet, opengemaakt. Hij heeft zulke mooie dijen dat hij er niet eens belachelijk uitziet met zijn broek op de enkels. Hij heeft een gebronsd bovenlichaam sinds hij op de zuidelijke Atlantische Oceaan werkt.
En die plekjes kinderhuid tussen de toefjes bont... er is geen sprake meer van een lelie in welke vallei dan ook, alleen van een zeeanemoon die golft in de stroming. Laat me zien hoe je de liefde bedrijft, mooie vreemdeling, ik ben je na zo lange tijd vergeten. Ja, duena, hij stopt hem in me, dat grappige beige ding met zijn muts op, en op dit moment kan ik me nu eenmaal niets mooiers op aarde voorstellen dan me te openen voor deze man en, als hij diep in me zit, me om hem heen te sluiten. Tot het einde der wereld, trala, tot het einde der wereld.
Ze hebben elkaar nog steeds niet gekust, maar hun ogen kunnen de mond van de ander niet meer loslaten, hun handen niet meer afblijven van de huid van de ander die ze liefkozen met een traagheid die al snel pijnlijk wordt. Dus begeven ze zich verstrengeld naar de slaapkamer waar George in het voorbijgaan de vermaledijde airconditioner afzet. Het grote bed wordt geflankeerd door twee schilderijen met spitsborstige negerinnen, strooien hutten en ananassen, om de bewoners eraan te herinneren dat ze in de tropen zijn.
Gauvain duwt George op dat bed maar hij heeft nog de moed haar niet meteen met zijn lichaam te bedekken. Hij gaat aan haar zijde zitten als bij een instrument dat hij wil gaan bespelen. Ze vindt hem mooi als hij de liefde gaat bedrijven en zijn intense blik wordt gesluierd door een leed dat haar diep treft. Ze wacht. Maar nu niet lang meer. Ze zijn binnengetreden in het domein dat alleen hun samen toebehoort en waarin het gewone leven niet meer bestaat. Hij buigt zijn gezicht naar haar toe en, zonder haar met zijn handen aan te raken, begint hij haar lippen te kussen. Hun tongen bedrijven de liefde voor hen. Dan kruipt een van zijn handen naar een borst terwijl de andere tussen haar benen onderzoekt hoe sterk George naar hem verlangt, zo voorzichtig dat het overweldigender is dan geweld. Maar erg lang kunnen ze niet standhouden met alleen hun monden verenigd en zijn vingers glijdend langs haar dijen, daar waar ze overgaan in lippen, en haar handen rond zijn lid. Als ze het geen van beiden meer kunnen houden, strekt hij zich helemaal op haar uit, spreidt haar benen met de zijne, gaat met zijn voorsteven de haven binnen en dringt er ten slotte eindeloos langzaam in door. 'Eén centimeter per seconde,' zal ze preciseren, aangespoord door de vragen van Ellen, die spottend opmerkt: 'Nog geen kwart knoop per uur! Niet gek voor een zeeman, zeg nou zelf...'
Bijna zonder golven komt het orgasme, ze kunnen het nauwelijks onderscheiden in het geheel, zo hevig is alles; en het klaarkomen duurt lang, misschien komen ze tweemaal, wie zal het zeggen? Zij in ieder geval niet, ze blijven lange tijd onbeweeglijk liggen om de toppen van het genot vast te houden.
'Ik ben blij dat ik deze keer heb kunnen wachten,' fluistert Gauvain voordat ze in elkaar in slaap vallen, terwijl een korte, hevige regenbui de zwarte lucht verfrist.
De volgende dag zijn hun ogen blauwer en hun lichamen losser. George bloeit zienderogen op, gelaafd door het voortdurende verlangen van Gauvain. Net als Alice in Wonderland is ze naar de overzijde van het leven gegaan, waar de wetten van hogerhand niet meer gelden. Voor hem begint het overnieuw: het is de ontkenning van alles waaraan hij wil geloven, maar hij wil er niet tegen vechten. Ze hebben nog negen dagen om hun wederzijdse obsessie te bevredigen en ze bekijken elkaar met een ongelovige herkenning.
George vraagt zich eens te meer af waarom ze niet overgaan op minder simplistisch verkeer. 'Arme kinderen, jullie zijn nog niet verder dan de letters ne van het werkwoord neuken!' zou Ellen zeggen als ze hen zou zien. Maar ze zullen waarschijnlijk nooit lang genoeg bij elkaar zijn. Elke keer beginnen ze de liefde van voren af aan en elke keer, tegen de tijd dat ze zouden kunnen gaan denken aan verfijning, moeten ze elkaar verlaten! Bij Gauvain komt George niet verder dan verliefde vraatzucht en is ze innig tevreden met de meest elementaire liefkozingen. Ze heeft trek in grof brood en robuuste wijn. Geraffineerde Mafjes zijn van later zorg. Is dit wat haar vader nymfomanie noemde, het woord dat zij zo mooi vond en dat hij slechts met een in afschuw vertrokken mond uitsprak? Zij had nymphae, kleine schaamlippen, ja, maar Gauvain was juist de nymfomaan! En tegelijkertijd onbedorven, want hij ontdekte de bekoring van de intimiteit met de vrees de perversiteit uit te vinden.
'Weet je, Karedig,' zegt hij op een avond aarzelend, 'misschien vind je het raar... maar ik hou van onze geur na de liefde, sinds jij me hebt geleerd bij je te blijven...'
George verbergt haar neiging om te glimlachen. Ze doet vertederd als een moeder die haar vogeltje aanmoedigt te gaan vliegen: 'Toe maar, aalscholvertje, wees maar niet bang, het is goed zo, ga maar door...'
De tweede dag al ontvluchten ze het strand dat is vergeven van cola- en hotdogverkopers, en dat wordt overspoeld door muziek die vanaf de middag uit de bar schettert, en gaan ze op zoek naar een stukje maagdelijk eiland. Ze vinden het bij Negrin, op de punt van het eiland. Daar is het zand gratis, er wordt hun geen parasol of een strandstoel opgedrongen, en, onder de wortelbomen die hun schaduw op het strand werpen, kunnen ze in loofhutten smullen van de overheerlijke plaatselijke lambissoep die men niet belieft te serveren in serieuze restaurants.
s Avonds koken ze zelf en gaan daarna ergens in de openlucht dansen, terwijl ze denken aan die eerste dans in Ty Chupenn Gwen waar alles is begonnen. Als ze weer thuiskomen, besluiten ze zoals iedere avond niet te vrijen omdat ze dat al om vijf uur hebben gedaan en ze het midden in de nacht weer zullen doen. En natuurlijk doen ze het uiteindelijk toch. En dat zijn de heerlijkste keren. De monotonie van hun reacties vinden ze zalig.
's Morgens blijft George in bed terwijl Gauvain cornflakes en bacon and eggs klaarmaakt. Daarna geven ze zich op voor een of andere excursie: het Typisch Jamaicaanse Dorp of de Wild River Tour, tussen kwebbelende Amerikanen die tegen Gauvain 'your wife' zeggen als ze het over George hebben, wat hij heerlijk vindt, Canadezen die zich vanaf de ochtend lam zuipen aan het bier en Duitsers met korte broek en fototoestel die geen uitleg van de gids missen.
Ze ervaren dit wonderlijke fenomeen: ze hebben zo weinig tijd samen doorgebracht, maar ze voelen zich zo vertrouwd als een oud echtpaar. Met geen enkele man heeft George het gehad over haar menstruatie bijvoorbeeld, over haar toenemende hitsigheid de dagen ervoor, en zelfs tijdens. Haar opvoeding heeft haar aangeleerd dit soort kwesties dood te zwijgen en alle tekenen ervan voor haar mannelijke partners te verdoezelen. Of het nu komt doordat hij zo onvoorwaardelijk van George houdt of doordat hij dicht bij de Natuur leeft, Gauvain lijkt niet de minste afkeer te hebben van wat zich in de buik van de vrouw afspeelt. Hij wil alles van haar weten en zij spreekt met hem zoals ze nooit had durven dromen. Je kunt veel mannen kennen en beminnen zonder ooit aan te meren aan de oevers van deze kalme ongedwongenheid. Aan Gauvain zou ze haar bloed kunnen, zelfs willen laten zien, zo zeker is ze van zijn tedere gevoelens voor elke holte die ze heeft, voor elk haartje, elke gezichtsuitdrukking, elk gebaar, elke tekortkoming. Hij is een van de zeldzame mannen voor 'erna', alsof hij altijd voldoende verlangen overhoudt om te genieten van liefkozingen, kussen, fluisteren. Het is soms ondraaglijk.
'Lozerech, vertel eens, ik vraag me vaak af: denk je dat we om "dat daar" (George drukt met haar wijsvinger op de half opgerolde ansjovisfilet die rust op Gauvains dijbeen) al die plannetjes uitbroeden, al die toeren uithalen om elkaar te ontmoeten? Zou het alleen zijn om te gehoorzamen aan onze laagste driften, aan de verlangens van onze lichamen, kortom aan onze buik?'
'Volgens mij komt 't van verder weg. Zit 't dieper.'
'En wat als we niets diepers hebben dan de buik? Het lichaam weet in ieder geval wat het wil, het is niet vatbaar voor redeneringen, het lichaam is onverbiddelijk. Bevalt die gedachte je niet? Je hebt liever dat het de ziel is, hè?'
Gauvain haalt zijn vingers door zijn ruige ragebol als om zijn gedachten te ordenen. Hij zit altijd aan zijn haar als hij nadenkt.
"k Wil niet geleid worden door iets dat ik niet begrijp, das alles.'
'Denk jij soms dat je het Geloof begrijpt? Of de Liefde, wanneer die je tot dwaasheden brengt?'
'Juist niet, ik begrijp niks. Als ik bij jou ben, is 't altijd goed, dan vraag ik me niks meer af. Maar als ik alleen ben, laat 't me niet met rust. Dan heb ik 't gevoel dat ik niet meer de kapitein ben aan boord.'
'Bij mij is het juist andersom: ik heb het gevoel tot een van de wijsheden des levens te komen. Ons samenzijn is even machtig als een mystieke eenwording. Het is alsof we aan een natuurwet gehoorzamen. En je hoort ze maar zo zelden, de natuurwetten.'
Gauvain luistert, zowel overdonderd als argwanend. George is hem aan het bedotten met haar mooie praatjes. Wat blijft daarvan over als hij 's nachts in zijn kooi ligt te woelen zonder in slaap te komen, en zich afvraagt of hij een slappeling is of een smeerlap, waarschijnlijk allebei, dat hij er niet toe kan komen een streep onder die verhouding te zetten. De verhouding die, hij moet het zichzelf helaas bekennen, het zout van zijn leven is.
'George, schrijf je ons verhaal een keer op?' vraagt Gauvain tot haar grote verbazing enkele dagen later, als ze zitten te keuvelen bij het kunstmatig blauwe zwembad van de club met oranje-bruine Pepsi parasols langs de rand. Maar je moet genieten van die lelijkheid en die kelk tot op de bodem leegdrinken. Het is een verfijnde kunst om te doen wat je vreselijk vindt, zo af en toe.
Gauvain lijkt die avond op een mooie Amerikaan, met zijn polo van roze katoen, een kleur die hij nooit voor zichzelf had durven uitzoeken, en de seersucker broek die zij hem kort ervoor had opgedrongen; en de verzadigde en losse houding die voortkomt uit frequente liefde; en de manier waarop hij Georch' zegt, enigszins slissend en zo Bretons, die haar helemaal week maakt.
'Je schrijft het een keer op, hè?'
'Maar wat zou ik moeten schrijven? Ze gaan naar bed, ze staan op, ze gaan weer naar bed, hij neukt haar telkens weer, hij maakt haar dolgelukkig, zij laat hem stralen, hij kijkt naar haar met de ogen van een schelvis op het droge...'
'Niet zo raar voor een zeeman!'
'Je hebt alles behalve vissenogen.'
'Een tonijn heeft mooie ogen, weet je, zwart met een zilveren randje. In 't water, bedoel ik. Jij hebt ze nooit levend gezien, jij kan dat niet weten.'
'Misschien, maar ik weet wel dat jij volslagen tuchteloze ogen hebt, niet in het water maar in de lucht! In ieder geval als je bij mij bent. Ik heb voortdurend de neiging uit te roepen: "Ja... wanneer je wilt, waar je wilt, hoe je ook wilt..." Ik ben bang dat het te zien is. Het moet trouwens wel te zien zijn.'
'Nou, dat moet je ook opschrijven. Soms begrijp ik niet hoe je van mij kan blijven houden. Je moet uitleggen hoe dat mogelijk is, zo'n verhaal. Jij kan dat wel.'
'Juist niet! Niets is onmogelijker te vertellen dan een liefdesgeschiedenis. En bovendien ben ik geen romanschrijfster.'
'Je bent geschiedenisschrijfster, dat is hetzelfde, 'k Weet niet waarom, maar ik zou het graag opgeschreven zien in een boek, ons avontuur, om zeker te weten dat het waar is, dat ik het echt heb meegemaakt! Misschien omdat ik er nooit met iemand over heb kunnen praten.'
'Praten lucht inderdaad wel op. Ik heb het erover met Frédérique. En met François, die je wel kent. En Sydney weet ook van je bestaan af.'
'Als mijn vrouw het zou horen, was het huis te klein,' zegt Gauvain plotseling somber. 'Bij jou ben ik helemaal van slag. Altijd als ik m'n sandalen aandoe die jij niet kan uitstaan, is het net of ik m'n huis binnenstap! Als iemand me had gezegd dat ik zo zou kunnen leven, had ik hem nooit geloofd. Nooit van z'n leven!'
'Laten we nog wat bestellen, goed?' George is bang dat Gauvain tranen in zijn ogen krijgt. Huilen is voor hem ondenkbaar, hij verzet zich er met hand en tand tegen.
'Weet je, op dit moment denk ik dat ik liever het loodje leg dan dat ik je nooit meer zou zien. Maar zodra we niet meer samen zijn, zeg ik tegen mezelf dat ik knettergek ben... dat het zo niet door kan gaan.'
Stilte. George glijdt met haar hand over de te brede polsen van Gauvain die haar altijd vertederen. Het gevoel van zijn haartjes geeft haar een verrukkelijke tinteling.
'Ik verlang zo verschrikkelijk naar je, houdt dat dan nooit op?' zegt hij bijna met zachte stem.
Ze zwijgen een ogenblik, genietend van de schemering, hun vrijheid, de luxe die ze zich permitteren. De woorden zijn nog geen kwelling, want ze hebben de nacht voor zich en nog verscheidene dagen en nachten: een hele oceaan van tederheid om leeg te drinken.
'Weet je wat de beste manier zou zijn om er een einde aan te maken?' vraagt George.
Gauvain trekt vragend zijn linker wenkbrauw op.
'Als we samen zouden leven, helemaal. Ik zou je al snel op je zenuwen werken en jij zou driftig worden...'
'Dat zeg je altijd,' antwoordt Gauvain gepikeerd. 'Ik weet absoluut zeker dat ik m'n hele leven van je zou kunnen houden. Anders had ik je al lang weggedaan,' bekent hij met een strak gezicht. 'Ik ben nooit gelukkig, weet je. 'k Ben niet eerlijk tegenover Marie-Josée. Ik kan er niet aan wennen. En ik kan er niks tegen doen. Als 't effe kon, zou ik scheiden.'
George glimlacht: hij zegt altijd 'effe' in plaats van 'even'. Maar is dit wel het juiste moment om hem daarop te wijzen? Ze kan hem niet continu op de vingers tikken, ze heeft al op zoveel dingen commentaar. Ze vindt het vreselijk dat hij niet boek maar leesboek zegt, niet dokter maar witjas, niet gehucht maar gat, niet hond maar keffer, dat hij soms de zee het ruime sop of de grote plas noemt. Maar waarom? vraagt hij. Hij begrijpt niet wat er mis is met witjas\ Dat is het nou net, het drama van de sociale klassen, van de vooroordelen, van de cultuur: het valt niet uit te leggen.
'Trouwens, jij zou van mij de kriebels krijgen,' gaat Gauvain met heel zachte stem verder, "k Weet dat ik niet van jouw niveau ben maar dat maakt me niks uit, gek genoeg. En 'k vind het leuk als je me verbetert, 't Is per slot van rekening je vak. Je hebt me bijvoorbeeld leren reizen, dingen leren zien die ik uit mezelf nooit had opgemerkt. Bij ons nemen we daar de tijd niet voor. We merken niet eens dat we leven!'
'Dat is waar, Lozerech. En nu we het toch over leven hebben... Mag ik je erop wijzen dat we al minstens vijf uur lang niet hebben gevreeën? Je bent toch niet ziek?'
Gauvain barst in een luide schaterlach uit, de te harde lach van een man die met mannen leeft. Het enige tegengif tegen de zekerheid dat ze nooit zullen samenleven, is de lach. En een bepaalde dosis platvloersheid ook. Gauvain houdt ervan dat George soms platvloers is. Daardoor wordt ze menselijker, komt ze dichter bij hem. Ze is soms zo'n vreemde voor hem.
'Kom je dan effe... de tijd nemen om te leven?' Hij kijkt haar aan, lachrimpeltjes rond de ogen, al zeker van haar antwoord.
'Je bent een viespeuk,' zegt George, 'jai hebt het ook altijd op me voorzien, jai, jai...'
'Steek je de draak met mai? En hoe spreek jai het dan uit? Ik dacht dat ik m'n accent al lang kwijt was.'
'Hoe zou je dat willen kwijtraken, je hoort het zelf niet! En je bent voortdurend bij mensen die net zo spreken. Maar ik hou ervan, van je accent. Wie weet welke rol hij speelt in die volstrekt schandelijke aantrekkingskracht die je op me uitoefent?'
Met de armen om elkaar heen gaan ze terug naar flatje 1718. Het strand is nu verlaten en de pelikanen zijn krijsend aan het vechten. 's Avonds denken de vogels nog dat ze op eigen gebied zijn en vergeten ze het Hilton, de Holiday Inn en andere toeristennestjes. Bij de gedachte aan de winter die ze over een paar dagen weer moet trotseren, krijgt George plotseling zin nog één keer over het strand te rennen. Op dat soort momenten gaat Gauvain op de dijk zitten. Het zou nooit in zijn hoofd opkomen gymnastische toeren uit te halen en dat anderen het wel doen vindt hij kolderiek. Ze holt over het vochtige zand en springt zo nu en dan door de uitlopers van het ruisende water dat guirlandes op het strand tekent, dat opkomt en zich weer terugtrekt, alsof het wordt aangezogen door de open zee en dan weer terugkeert, op het mysterieuze ritme van de golven, zoiets als het ritme van de liefde. 'Dat is echt het enige waar je aan denkt,' zegt de duena. 'Helemaal niet, jij begrijpt niet dat er bevoorrechte ogenblikken bestaan waarin alles liefde is.'
Terwijl ze rent, lichtvoetig, vloeit George samen met het landschap, neemt ze het met haar hele wezen op, genietend van de moeiteloze bewegingen van haar lichaam, van het ritmische doffe geluid van haar hakken en van het gevoel herboren te worden dat ze elke keer ervaart, alsof een verre en vage herinnering opduikt aan het eerste schepsel dat uit de zee kroop om dat wonderlijke droge element dat lucht wordt genoemd in te ademen. En het liefdesverlangen is slechts een van de bestanddelen van die verrukking.
Ze zou wel al die vreugde willen opslaan voor later. Maar liefde is als de zon, daar kun je geen voorraad van aanleggen. Elke keer is uniek en wordt uitgewist als de golven die terugkeren in de schoot van de oceaan.
Gauvain wacht met bungelende benen op de rand van de pier. Een zee zonder boten verveelt hem. Vakantie verveelt hem. George is zijn tijdverdrijf, zijn enige reden om hier te zijn.
'Je bent zo nat als een zeemeermin,' zegt hij als hij haar in zijn armen opvangt. 'Zal ik het zand van je voeten vegen, 'k heb hier de handdoek.'
'Alsjeblieft niet, ik vind het heerlijk om zand te blijven voelen. Dan weet ik zeker dat ik niet in Parijs ben, snap je...'
Wat een ideeën hebben ze toch, die Parisiennes! Gauvain drukt haar tegen zich aan. Alleen in de liefde is niets van haar hem vreemd.
Ze zijn dol op het uur dat voorafgaat aan het slapen. Gauvain gaat het eerst naar bed terwijl George nog wat rondrommelt, zich klaarmaakt, een likje crème op een verbrand plekje doet, controleert of er geen zand is achtergebleven in de leidingen.
'Wanneer hou je nou 's op met dat gedreutel,' roept hij al snel.
Ze duikt boven op hem en het is net of ze een schakelaar omdraaien. Het klikt en alles wordt verlicht en alles vonkt. Ze had over dit soort gevallen gelezen in romans, maar ze had nooit geloofd dat de auteurs gelijk konden hebben. Nu spraken de feiten voor zich: ze hield er alleen maar mee op om Gauvain niet van het leven te beroven en ook om haar slijmvliezen te ontzien.
Ze bleef zich erover verbazen dat Gauvain zo opgewonden raakte van haar lichaam, verzot was op dat schijfje watermeloen dat hij kon dromen, bijna in zwijm viel als hij haar schaamheuvel of haar schaamlippen aanraakte en helemaal buiten zinnen raakte als hij bij het valleitje kwam. Hoe kon die man zo vervoerd raken van haar vagina en zich niet voor Picasso interesseren? Vijfduizend kilometer reizen om met haar naar bed te gaan en geen moeite doen om de Notre-Dame te bezichtigen? 'Hij houdt meer van mijn vagina, dat is alles, 'zegt ze tegen de duena om haar te treiteren. 'Ah! Bemind te worden tot op de bodem!'De duena spuugt.
'Lozerech, lieveling, beschrijf eens wat je daarbinnen aantreft, wil je? Vertel me hoe de andere zijn en wat het verschil is met de mijne.'
Hij beweert dat zij, George, een wondertuin tussen haar benen heeft, een Lunapark, een Disneyland met achtbanen, waterval en vrouw met de baard. Hij zegt dat hij met grote snelheid nieuwe bochten neemt, ineens op een andere plek terechtkomt, dat ze beweegbare scheidingswanden heeft, zwellichamen, kortom dat ze hem gek maakt, kortom dat wat een vrouw niet vaak genoeg kan horen. Ze gaat zelfs de constante erecties van Gauvain toeschrijven aan haar eigen charmes, terwijl ze alleen maar het teken zijn van zijn uitzonderlijke seksuele kwaliteiten. Volgens hem is de hele bedrijvigheid aan George te danken, terwijl zij niet meer dan een vage notie heeft van wat zich in haar kelders afspeelt. Ze heeft trouwens nooit de moeite genomen de raadgevingen van Ellen Price op te volgen 'om ons meer betrokken te voelen bij onze vagina'. Zij schreef gymnastiek voor: 'Begint u met twintig of dertig contracties van de pubococcygeus-spier elke ochtend, of doet u ze zittend bij de kapper bijvoorbeeld, of staand als u op de bus wacht. U zult tot twee- of driehonderd contracties per dag komen terwijl niemand het aan u kan zien. Om te controleren of u een olympische vagina hebt gekregen (aan de verleiding dit uit te proberen had George geen weerstand geboden) tracht u telkens als u uw blaas leegt een paar maal de straal te onderbreken.'
Gauvain gniffelt. Hij staat versteld dat iemand serieus over zulke onderwerpen kan schrijven en het bevestigt zijn overtuiging dat alle intellectuelen niet goed bij hun hoofd zijn.
'Jij hebt dat soort dingen in elk geval niet nodig,' zegt hij met aanbiddelijke overtuiging. Het is wel handig dat hij geen enkel benul heeft van de Vrouwelijke listen'.
Maar als zijn moraliteitsbesef weer komt bovendrijven, maakt hij zich ongerust:
'Is het niet abnormaal dat ik steeds meer geniet van jouw genot? Het doet me bijna net zoveel als bij mezelf.'
'Waarom zou het abnormaal zijn als je graag genot schenkt?'
Hun tanden stoten tegen elkaar bij hun kus.
'Wat een bruut ben jij,' zegt Gauvain. 'Je breekt nog een tweede als je zo doorgaat.'
'Goed, prima, dan houden we op. Ik heb toch kramp in mijn pubococcygeus omdat ik niet genoeg oefen.'
Ze neemt een boek en hij valt in een van zijn eigenzinnige hazenslaapjes, de bijna driftige manier van slapen van een kind. Van een zeeman ook, die door het minste of geringste weer wakker wordt. Als een plotseling geluid hem wekt, staat Lozerech in een mum van tijd op de brug, en hij beperkt zich er niet toe een oog te openen, hij zit recht overeind, klaarwakker: 'Wat is er aan de hand?' George sust hem met hetzelfde tedere gebaar waarmee ze Loïc suste als hij wakker werd van een nachtmerrie: 'Ga maar lekker slapen, schat, alles is in orde, er is niets aan de hand.' Hij antwoordde dan altijd: 'Er is wel wat aan de hand: jij bent er!'
's Nachts, tijdens de uren dat een mens zich laat gaan, begint hij over zichzelf te praten. Ze luistert naar zijn plotselinge spraakzaamheid, het jongetje uit haar kindertijd, de verliefde knaap uit haar puberteit, die de moedige en duistere kapitein is geworden van een wereld die niet is beschreven door een Le Roy Ladurie. Hij vertelt haar over de grote momenten van zijn leven op zee, die momenten die alleen een zeeman kan kennen; en ook over de grappige momenten. De vorige zomer was zijn bemanning per vliegtuig uit Afrika teruggekeerd voor het verlof. Het was voor het eerst dat zeelieden op deze manier naar huis gingen, de meesten hadden nog nooit in een vliegtuig gezeten.
'Je had ze moeten zien in dat supergevaarte... een paniek! Ze waren banger in die machine dan tijdens de ergste storm op hun trawler! Afijn, bij aankomst was 't hele zootje ladderzat! Maar je luistert niet meer... Ik verveel je, hè?'
'Ik luister best naar je, ladderzat zei je.'
'Ik Weet niet waarom ik je dat allemaal vertel. Dat doet me eraan denken, 'k heb het nooit gehad over die keer dat...'
Al pratend streelt hij zachtjes, en ook zij kuiert langs de geliefde paadjes. Ze hebben het licht uitgedaan om zich dichter bij elkaar te voelen. Ze staan samen op wacht, op de brug van een schip dat in de zwarte nacht door de golven ploegt, op weg naar het einde van de wereld.
Als je in Florida bent, kun je onmogelijk om Disneyland heen, alle Amerikanen die ze hadden ontmoet waren het daarover eens en zij die er waren geweest waren enthousiast. En voor één keer had Gauvain er nu eens erg veel zin in. Het was het enige monument in de hele Verenigde Staten waarover hij ooit had gehoord! En omdat ze hoe dan ook over Miami moesten reizen, besloten ze hun verblijf te bekorten om niet in Europa terug te keren zonder de uitgestrekte moerassen van de Everglades te hebben gezien en één of twee musea, en niet te vergeten de roemruchte 'Cloisters' van het Sint-Bernardklooster, dat in 1141 in Segovia was gebouwd en 'steen voor steen naar de Verenigde Staten gebracht door Randolph Hearst', preciseerde de reisagent vol respect alsof die ontmanteling iets van onschatbare waarde aan het meesterwerk had toegevoegd.
Dezelfde Tour Operator raadde hun ook aan minstens zesendertig uur in de Wondere Wereld van Walt Disney door te brengen en hij regelde alles met een verdachte gretigheid. Maar pas op het vliegveld van Miami, toen ze zich installeerden in een limousine die zo groot was als een flatje in Parijs, met airconditioning, getinte ramen, zorgvuldig geconstrueerd om er volledig afgesloten van de buitenwereld in rond te rijden, afgesneden van het landschap, van de wind, van de geuren, van de echte kleur van de hemel, pas toen sloeg George de schrik om het hart. Aangezien Gauvain geen woord Engels sprak, moest zij dat hermetisch gesloten ruimteschip door een nachtmerrieachtig universum loodsen waar geen levende ziel op het trottoir te bekennen viel om de weg aan te vragen, tussen die wirwar van gigantische hangbruggen, reusachtige verkeerspleinen die door een krankzinnige tekenaar waren ontworpen en achtbaans snelwegen waar duizenden gelijksoortige limousines met een constante snelheid reden, die natuurlijk nergens naar toe gingen en alleen maar met vijfig mijl per uur rondreden om net te doen of ze bestonden. Want waarom zouden ze van de ene stad naar de andere gaan als die steden allemaal hetzelfde waren, of ze nu Tampa, Clearwater, Bonita Springs, Naples of Vanderbilt Beach heetten?
Iemand moet gek zijn, dacht George verpletterd door die surrealistische omgeving: ofwel de bewoners van de dorpen in Europa, domweg gegroepeerd rond de kerktoren, met hun kruidenierszaak annex café, hun zatlap op de stoep, de geur van warm brood voor de bakkerij en de oude 'verfhandelaar' in zijn grijze stofjas; ofwel de mutanten van hier die elkaar eindeloos kruisen op dat monsterlijke wegennet dat doet denken aan circuits van elektrische treinen, langs de kant duizenden Shopping Centres ter grootte van deTaj Mahal met hun marmeren fonteinen, hun glazen overkappingen en hun bioscopen die allemaal dezelfde films vertonen, en daarna de woonwijken die eruitzien of ze de vorige dag zijn opgeleverd, zo keurig en kaal zijn ze, geplaatst op gazons die kunstmatiger zijn dan vloerbedekking, en dan de binnensteden waar mausolea van dertig verdiepingen onderdak bieden aan duizenden gepensioneerde echtparen die in luxe op de dood wachten, omringd door losstaande villa's met als voornaamste ornament de geteerde driveway die naar de driedubbele garage aan de voorgevel leidt, zodat men in de auto kan stappen zonder zelfs maar door de tuin te gaan; de tuin is trouwens de werktekening nooit ontstegen, zonder één bloem of tuinstoel of omgevallen kinderfiets, alleen een groene vlakte die door een onzichtbare pijpleiding tweemaal per dag wordt besproeid, ook als het regent, want het programma is afgesteld voor het hele seizoen. Heel af en toe een ontroerend stukje braakliggend terrein, ingeklemd tussen twee wolkenkrabbers, dat je er met zijn braamstruiken en zijn wilde haver aan herinnert dat de natuur heeft bestaan en dat het gras niet in gemaaide staat uit de grond komt.
Maar Florida vergeet niet dat het in de eerste plaats een pretpark is. Om de vijf of zes kilometer wordt de automobilist door een dreigend bord gelast zijn snelheid te verlagen om toch vooral niet de meest intelligente zeehonden ter wereld te missen, de meest woeste tijgers, de meest Indiaanse Indianen. Inderdaad duikt dan al snel een Latijnsamerikaanse poort op die toegang geeft tot een Aztekentempel of een neogotische vesting, dat hangt ervan af, waar kaartjes voor de Natuur worden verkocht: Jungle Gardens, Wild Animals Park of Alligator Farm. En woorden die elkaar bijten berusten erin op het fluorescerende aanplakbiljet naast elkaar te staan, hoewel alleen het idee al in de buurt te komen van een junglepark, een boerderijkrokodil of een tuintijger ieder weldenkend wezen op de vlucht zou moeten jagen. Te beginnen met de tijger.
En het is pas honderdvijftig jaar geleden dat Spanje dit immense moerassige schiereiland heeft afgestaan aan de Verenigde Staten! George tracht haar ontreddering met Gauvain te delen, maar Lozerech junior is gefascineerd door het vertoon van zoveel weelde.
Ze stoppen om het eenvoudige optrekje van Mr. Harkness Flagler te bezoeken, de medeoprichter van Standard Oil, net zoals je het hebt over de auteur van de Divina Commedia. 'Het Flagler Museum is sinds 1906 in dezelfde staat gehouden,' merkt de gids eerbiedig op alsof hij het heeft over ettelijke eeuwen geleden. De salon is uit een hertogelijk paleis in Mantova gehakt, het plafond bij de Giudecca van Venetië weggegrist, de muren zijn prerafaëlitisch en de badkamers komen uit Pompei'. Het mozaïek is echt, de schilderijen zijn originelen, maar hun ziel is onderweg teloorgegaan. Alles is onecht of absurd geworden.
'Kijk eens naar de gids, je zou zeggen...,' maar George stokt. Hoe kun je iemand die nooit het stuk heeft gezien, de kop en de stem van Dufilho beschrijven? Gauvain is ook nooit in Venetië geweest, of Mantova, of Pompeï, hoe zou hij gechoqueerd kunnen zijn? Voor één keer komen de antieke voorwerpen, waarvan hij altijd had gedacht dat ze per definitie stoffig en vervallen waren, hem gloednieuw voor met hun verguldsel en hun beeldhouwwerk waaraan geen voluut, geen teen ontbreekt. Hij stelt zijn oordeel bij: antiek, dat kan fantastisch zijn!
Hoe heeft ze het trouwens in haar hoofd gehaald dit alles met Lozerech te bezoeken! Ze vergeet dat hij alleen maar goed is om de liefde te bedrijven. Ze had in de buurt van een bed moeten blijven.
Ze vervolgen hun weg. George heeft maar twee of drie musea kunnen opsporen die een bezoek waard zijn, maar ze zijn van elkaar gescheiden door tientallen mijlen saaie wegen. Samen met Sydney zou het leuk zijn geweest. Met zijn destructieve geest zou hij Florida van de kaart der geciviliseerde Staten hebben geveegd. Gauvain merkt niets bijzonders op, voor hem is een landschap een landschap en in algemene ideeën is hij niet sterk. Dus probeert hij de stilte te verbreken en George aan het lachen te maken:
'Hoor 's, ik weet een goeie: weet je waarom het bier dat je drinkt zo snel naar beneden zakt en er weer uitkomt?'
Nee, dat weet George niet.
'Nou, omdat het onderweg niet van kleur hoeft te veranderen,' zegt hij opgetogen en wacht met ongeduld op haar reactie.
Ze gunt hem geen flauw glimlachje, om hem voor eens en altijd goed duidelijk te maken dat dit soort geintjes die bij de zuipschuiten van de Basse Bretagne getapt zijn, in de verste verte absoluut niet interessant zijn. Maar ze weet dat hij het alleen aan haar gebrek aan humor zal wijten. Zou ze hem op een goede dag kunnen uitleggen dat humor niet is... dat humor is... Dat zou geen enkele zin hebben. Mensen die geen gevoel voor humor hebben zijn het gevoeligst op dat gebied.
'Hé, daar rechts zijn ze een nieuw huis aan het bouwen,' wijst hij even verder, om van onderwerp te veranderen.
'Het gebeurt niet vaak dat er oude huizen worden gebouwd,' laat George zich ontvallen.
'Precies,' zegt Gauvain koeltjes en hult zich daarna in zwijgen.
Hun eetlust komt hen op het juiste moment te hulp. Aangelokt door de herhaalde aankondiging van RealFresh Seafood (wat impliceert dat er ook false fresh seafood kan bestaan) stoppen ze bij een Fisherman's Lodge, als het niet een Pirate's Grotto of een Sailor's Cove is. Hoe dan ook, de laatste real fresh fisherman is lang geleden uit dit oord verdreven en de grotten hebben gebouwen van twintig verdiepingen op hun rug. Ze zien overigens tijdens de reis niet één vissershaven, alleen maar 'parkeerplaatsen voor jachten' zoals Gauvain zegt; en ze kunnen geen viswinkel ontdekken die herkenbare vissen uitstalt, met kop en staart, maar alleen kleurloos gefileerd vlees in plastic zakjes, keurig in het gelid in de koelbakken van de supermarkten.
Ze nemen een lunch van smakeloze, vette oesters zonder schaal, waarvan het zeewater zorgvuldig is afgewassen, en strandgapers die zo vlezig zijn dat je je schuldig voelt erop te kauwen. Dan gaan ze zwemmen op een ondefinieerbare plaats van het uitgestrekte strand dat honderden kilometers lang de kust vormt van de oostkant van Florida, waar het overal onveranderlijk bezaaid is met oude mannetjes en vrouwtjes, zittend op vouwstoelen en gekleed in snoepkleurige stoffen. Dan haasten ze zich weer de weg op want George wil voor de avond de 'Cloisters' zien, die uit Spanje zijn geplukt en hier weer zijn opgebouwd op een lap grond die bewaard is gebleven tussen moderne flats. Het St. Bernard's real Monastery lijkt evenveel op een cisterciënzer klooster als een robot op een mens. Overigens, als je hier het woord 'real' tegenkomt, moetje op je hoede zijn! De stenen zijn beslist Spaans, maar de tegels zijn Mexicaans en op de vloer van de kapel ligt linoleum met tegeltjesmotief.
'Zijn hier vroeger monniken geweest?' vraagt Gauvain als ze door het klooster slenteren dat er op onverklaarbare wijze in is geslaagd een vleugje gewijdheid te behouden.
'Nee, want dit klooster is van a tot z nep. Het is een gril van een miljardair, Randolph Hearst. Heb je Citizen Kane gezien?'
'Nee, dat zegt me niks.'
'Dat is een film van Orson Welles over het leven van deze Hearst, een krantenmagnaat die... Dat vertel ik je vanavond wel.'
George zucht al bij de gedachte aan wat ze allemaal moet uitleggen. Als ze het goed wil doen, moet ze beginnen bij de Mayflower, teruggaan tot de Conquistadores, de volkerenmoord op de Indianen aanroeren, en elk verhaal roept weer een ander op... Kortom een hoorcollege of beter nog tien schooljaren, tien jaar lessen geschiedenis, literatuur, geografie. Wat is het soms een woestenij, het leven van een Lozerech! Wat ziet hij van een land als hij alleen maar het zichtbare in verband kan brengen met andere zichtbare tekens?
Tegen de avond heeft ze een rotbui. Ze neemt het zichzelf kwalijk dat ze het hem kwalijk neemt. Bovendien hebben ze om geld uit te sparen hun toevlucht moeten nemen tot een Howard Johnson, het absolute nulpunt in fast food.
Voor de nacht hebben ze een motel besproken 'met uitzicht op zee'. Het heet Sea-View om de klant nog verder om de tuin te leiden, maar de afbeelding op de folder is zo genomen dat het niet opvalt dat het van opzij is gefotografeerd en dat je alleen door de twee ramen aan de smalle zijde de oceaan kunt zien. Hun raam kijkt uit op de parkeerplaats. Maar het kan niet open want het is vastgezet! En hun kamer grenst aan de ijsmachine die dag en nacht ijsblokjes maakt en vermaalt. De airconditioning, die de heerlijke zeelucht buitensluit, slaagt er wel min of meer in het geronk van de ijsvermaler te overheersen, vooral als hij wordt afgelost door het gegrom van de bulldozer die het strand, iedere avond weer, aanharkt en egaliseert.
Hun lits-jumeaux worden door een onwrikbaar nachtkastje gescheiden. Men slaapt niet samen in dit land en 's middags de liefde bedrijven wordt ook niet gedaan: er is geen bidet! Je moet ofwel voor en na een douche nemen... niet handig! Ofwel de wastafel gebruiken die zich in een nis zonder gordijn bevindt en van alle kanten zichtbaar is... niet fraai! Weten de Amerikaanse vrouwen wel dat niets zo lelijk is als een vrouw die staand haar achterste wast, met gebogen knieën en gespreide benen? En de wc staat naast het bad, zoals in alle badkamers van de Nieuwe Wereld, opdat de bader kan meegenieten van elk muf luchtje dat uit de pot opstijgt. George begrijpt niets van de sanitaire topografie in dit land.
'Zelfs in Bretagne is het beter dan dit,' merkt Gauvain op. 'De wc's staan achter in de tuin! De Amerikanen "doen het" zeker meteen in zo'n plastic zakje, zoals ze voor hun gefileerde vis gebruiken of voor 't glas bij de wastafel, kijk!'
Aangezien scatologie een van de beste manieren is om weer kind te worden, begint George ook te lachen en wil ze deze avond het gebrek aan ontwikkeling van Gauvain vergeten. Ze staat hem zelfs toe met haar te vrijen.
En om vergiffenis te krijgen voor haar kwade gedachten slikt ze zelfs als een soort boetedoening enkele slokjes van hem door.
Maar nee, dat is beslist niet om over naar huis te schrijven. Als je echt verliefd bent, hoor je sperma lekker te vinden, denkt ze ontstemd en ze holt nog net niet weg om haar mond te gaan spoelen. 'Vrouwen houden nooit van de smaak van sperma,'stelt de duena haar gerust. 'Ze houden van de smaak van het mannelijk genot. Een subtiel verschil!'
Bovendien is opgedroogd sperma onaangenaam. George laat het toe op haar dijen, niet als het op haar kin plakt. En wellicht hebben vrouwen er iets op tegen die miljoenen kindertjes te verslinden, ook al zijn het slechts halve porties, die als kikkervisjes in hun maag blijven spartelen. George was niet in de stemming om mensen te eten. Ze was zelfs in geen enkele stemming, die nacht.
Een korte nacht, want de volgende ochtend zijn ze al om zes uur aan dek, klaar voor Excursie nr. 4, twee dagen naar Disneyworld, in gezelschap van een heel bataljon ouders die ontsnapt zijn aan de toren van Babel als je afgaat op het aantal naties dat is vertegenwoordigd, en met een overdaad aan kinderen van wie het grootste deel al is verkleed als Mickey of als Donald. Boven op de wagonnetjes van een namaak echt stoomtreintje krijgt Groep nr. 4 ('Houdt u de speld op uw kleren, folks!' gelast de gids) het roze-witte neogotische middeleeuwse kasteel in zicht dat met zijn torentjes met machicoulis uitsteekt boven Main Street, waarlangs huizen staan waar alles namaak is behalve de winkeltjes die voor echte dollars echte rotzooi verkopen.
Tour nr. 4 geeft: recht op vrij entree bij alle attracties van de Wondere Wereld: interstellaire reis in een authentieke raket, met versnellingseffect en het optische bedrog dat de aardbol zich verwijdert: drie minuut dertig. Landing op de planeet Mars: twee minuten. Twintigduizend mijlen onder zee: zes minuut vijftien, tussen zeemonsters die zo onecht zijn dat zelfs iemand die bijziend is dat op tien meter afstand zou kunnen zien. En dan de culturele en patriottische hoofdschotel, de Animatronic van de Presidenten der Verenigde Staten, korte impressies op een reuzenscherm en levensgrote automaten. Waaronder een wassen Lincoln die een lang, moraliserend betoog houdt, maar er wordt niet bij verteld dat hij uiteindelijk is vermoord om het jonge publiek niet te traumatiseren. Ten slotte herinneren de vijftig Amerikaanse Presidenten, met op de achtergrond de nationale vlag, eraan dat je braaf moet zijn in dit mooie land dat de vrijheid heeft uitgevonden.
George heeft vanaf de ochtend lopen schelden. Niets vindt genade in haar ogen en de fascinatie van Gauvain al helemaal niet. Hij loopt met net zulke grote ogen en open mond rond als de jongetjes uit alle landen van de wereld, verenigd in hetzelfde vuur, die vergeten zich vol te proppen met popcorn en hun giftig gekleurde ijsjes over hun jasjes laten lekken. Maar als je eenmaal in het raderwerk zit, kun je er onmogelijk meer uit. De bezoekers, die in pakken van honderd worden rondgeleid, getimed, ontroerd volgens een programma waaraan niet kan worden getornd, worden vriendelijk doch dringend naar de gangen met eenrichtingsverkeer geloodst waaruit je met geen mogelijkheid kunt ontsnappen, aangespoord door de alomtegenwoordige stem van een Big Brother wiens raadgevingen orders zijn, op weg naar rustplaatsen die zijn afgestemd op de gemiddelde loper, rest-rooms op de gemiddelde blaas en Candy-Stores die zo zijn opgesteld dat het meest kippige kind ze nog kan vinden en waar de ouder zich geconfronteerd ziet met een jengelende koter die met een plakkerige wijsvinger wijst naar andere koters die al zijn volgepropt, onder de chocoladevlekken zitten en kleverig zijn van het namaakfruitsap, en die verlangt dat ook hij toegang krijgt tot hetzelfde zoete paradijs.
Geen sprake van dat je kunt ontsnappen aan het Spookhuis, of aan het Hol van de Caribische Piraten, griezelig namaak-echt: geplunderde steden vol dronken automaten die je met hun klapbus bedreigen en je zorgvuldig gekuiste obscene liederen toezingen, bouwvallige grotten vol schatten, lijkbleke drenkelingen die aan de rotsen hangen, skeletten waar nog enkele flarden van een uniform om hangen, plastic alligators die hun automatische kaken laten klakken als de wagonnetjes met toeristen voorbijkomen... Een verpletterende technische perfectie ten dienste van primitieve emoties. Niets dan het moment heeft betekenis; je voelt je van de ene scène naar de andere geloodst en door de angstvallige precisie gepaard aan de opeenstapeling van details en het gebrek aan een rustig moment, is het niet mogelijk om zelfs maar de kleinste gedachte te vormen.
Het meest irritante is dat George kennelijk de enige is die dit alles deprimerend vindt! De Amerikaanse ouders lijken opgetogen en als ze vertrekken zijn ze ervan overtuigd dat ze voortaan alles weten over het leven in Polynesië, de jungle, de interstellaire raketten en dat ze de authentieke nakomelingen van de Caribiërs in de ogen hebben gekeken. En er is niemand die hen eraan herinnert dat de laatste Caribiërs, in het nauw gedreven op hun laatste eiland, ervoor hebben gekozen zich vanaf een klif in de zee te storten om niet onder de invloed te komen van onze fraaie westerse beschaving.
'Kijk toch eens naar ze... Wat een zuiver geweten... Zo zelfingenomen omdat ze Amerikanen zijn, de besten, de meest rechtvaardigen. Ze zijn zo trots op Disneyworld alsof ze de kathedraal van Chartres hadden gebouwd!'
'Nou en? Heb je er last van dat ze 't naar hun zin hebben? In jouw ogen zijn mensen hufters als ze zich voor iets anders interesseren dan jij,' merkt Gauvain op alsof hij eindelijk de kloof ontdekt die hen scheidt. 'Ik heb nog nooit zoiets gezien en ik vind 't fantastisch, 'k Heb een plezier als een jochie dat niks anders heeft gezien dan de dierentuin van Guidel en het circus Martinez dat elke zomer de stranden van Finistère afging!'
Inderdaad, zegt George nog net niet, jij hebt ook niets gezien. Erger nog, je hebt nooit naar iets gekeken. Ze neemt hem heel Disneyland kwalijk, al die gelukzalige gezichten, zijn kinderogen, en zelfs de volgende dag want de excursie die ze hebben uitgezocht dompelt hen zesendertig uur lang onder in die ellende! Vooralsnog wacht hun een van de twaalfhonderd kamers in het Contemporary World Resort. Gauvain zal het prachtig vinden, want er loopt dwars door het hotel een monorail, een soort hangende luchtmetro die elke acht minuten de Hal en de Grote Zaal aandoet en zijn lading geïnfantiliseerde gezinnen meezeult die zich met dezelfde toewijding gaan amuseren als men zich aan het werk zet.
'Neem me niet kwalijk, maar het gaat me boven mijn krachten om morgen terug te gaan naar de Wondere Wereld van Mr. Disney. Ik moet kotsen als ik eraan denk nog een Mickey te zien. Zonder mij heb je veel meer plezier als je naar het World Circus en het Marineland gaat. Ik wil wedden dat ze de potvissen Mickey-oren hebben opgezet!'
Voor het eerst merkt Gauvain dat George onuitstaanbaar kan zijn. Van zijn stuk gebracht probeert hij haar tot rede te brengen, maar dat is een register waaraan hij zich maar beter niet kan wagen.
'Je kijkt wel erg snel neer op mensen die anders zijn dan jij. Je vergeet,' voegt hij er op schoolmeesterachtige toon aan toe, 'dat over smaak niet valt te twisten.'
'Je meent het!'
Gauvain knijpt zijn lippen op elkaar bij die sneer. Hij moet net zo'n geborneerd proletengezicht hebben wanneer zijn reder hem vernedert en hij hem niet van repliek durft te dienen. Morgenochtend, dat is afgesproken, gaat hij alleen op stap. Hij heeft zijn kaartje toch al betaald!
'Het zou zonde zijn om het geld over de balk te gooien,' zegt George.
Hij vraagt zich af of dat een stoot onder de gordel is. Wat geld betreft houden ze er een andere mening op na en hij weet nooit wanneer ze een grapje maakt, dat is een van zijn problemen.
Die avond voelen ze zich stoffig en zwaar van vermoeidheid. Disneyland is slopend, daar zijn ze het tenminste over eens.
'Zal ik een lekker warm bad voor je laten vollopen?' stelt Gauvain lief voor als ze weer op hun kamer komen.
'Nee, ik heb liever een naar koud bad,' flapt George eruit.
'Waarom doe je soms toch zo rottig?'
'Je kunt ook zulke voor de hand liggende dingen zeggen... Dat werkt op mijn zenuwen.'
'Ik werk meestal op je zenuwen. Je dacht toch niet dat ik 't niet doorhad...'
'We werken elkaar allebei op de zenuwen, om de beurt, dat is onvermijdelijk. En dan die afmattende dag. Ik ben kapot vanavond.'
Ze verzwijgt dat ze zojuist een harde en pijnlijke knobbel op haar vulva heeft ontdekt. Ze is bang dat het een abces is. 'Welnee, het is je klier van Bartholin die opspeelt,' zegt de duena die in de veronderstelling verkeert dat ze Medicijnen heeft gestudeerd. 'Te veel verkeer veroorzaakt verstopping. Jouw potjes van bil gaan zijn wel leuk, maar je moet het even rustig aan doen, dame! Heb je trouwens je mond gezien? Je wordt altijd daar gestraft waar je hebt gezondigd.'