3
De Cock en Vledder stonden in de enorme hal van
het groothandelskantoor van de N.V. Van der Bent & Goossens en
keken wat verloren rond.
In het midden van de hal verrees op een zwartgranieten console de
bronzen buste van de oprichter, wijlen de heer Josephus Johannes
Maria Goossens. Aan weerszijden van het beeld liepen monumentale
trappen in een halve cirkel omhoog tot een fraai bordes.
Glinsterende kristallen kroonluchters zakten uit een hoog gewelf en
van de wanden blonk blank marmer. Het was allemaal even mooi en
indrukwekkend.
De Cock klemde zijn lippen op elkaar.
Interieuren die er kennelijk op gericht waren de bezoekers te
imponeren, hadden op De Cock een averechtse uitwerking. Ze maakten
hem niet dee- of ootmoedig, maar wekten onverklaarbare weerstanden
bij hem op.
Hij keek nog eens rond en voelde zijn misnoegen groeien. De
aandacht van de beide rechercheurs werd getrokken door een keurig
in het zwart geklede heer die vanuit een glazen kooi met een kromme
vinger autoritair naar hen wenkte. De Cock had al sinds lang een
hekel aan wenkende heren in glazen kooien. Daarom verzette hij geen
voet, maar wenkte met een kromme vinger terug, beminnelijk, maar
net zolang tot de autoritaire heer in het zwart rood van woede uit
zijn kooi kwam. ‘U moet zich bij mij melden.’ De stem van de heer
klonk opgewonden.
De Cock trok zijn wenkbrauwen op. ‘Waarom?’
De heer in het zwart maakte een weifelend gebaartje. ‘Ik ben de
portier.’
‘Nou en?’
De heer in het zwart slikte iets weg.
‘U moet eerst bij mij zijn.’
De Cock schudde zijn hoofd. ‘Nee,’ zei hij koppig, ‘we moeten
helemaal niet bij een portier zijn. Daar heeft onze commissaris
niets van gezegd. Wij hebben een afspraak met de heer Van der
Bent.’ ‘O.’
‘Ja, hij wacht op ons.’
De heer in het zwart boog.
‘Dan zal ik u beiden even aandienen. Wie zijn de heren?’ De Cock
lichtte beleefd zijn hoed.
‘Mijn naam is De Cock, met ceeooceekaa. En dit is mijn collega
Vledder. Bij de gratie van onze hoofdcommissaris, rechercheurs van
politie.’
De keurige heer in het zwart draaide zich om en liep terug naar
zijn kooi. Vanachter het glas zagen de rechercheurs hem opnieuw
buigen, nu met de hoorn van de telefoon in de hand. Het was een zot
gezicht. Toen het gesprek was beëindigd kwam hij weer naar
buiten.
‘De heer Van der Bent,’ zei hij enigszins geaffecteerd, ‘geeft er
de voorkeur aan het onderhoud met de beide heren niet hier in zijn
kantoor, maar thuis in zijn studeerkamer te hebben. Meneer komt
dadelijk naar beneden en zal de heren voorgaan.’ Vrijwel op
hetzelfde moment kwam met vlugge bewegingen een grote, forsgebouwde
man, van één van de monumentale trappen, een goed geconserveerde
vijftiger die met uitgestoken hand op de rechercheurs
toetrad.
‘U hebt er toch geen bezwaar tegen om met mij mee te gaan? Ik heb
mijn vrouw namelijk beloofd vandaag vroeg thuis te zijn.’ Hij
maakte een komisch gebaar. ‘En de belofte aan een schone vrouw is
wet.’
De Cock keek hem aan.
‘En wat is de belofte ván een schone vrouw?’
De vraag trof Van der Bent zichtbaar. Even flikkerde er iets in het
staalblauw van zijn ogen. ‘De belofte van een schone vrouw,’ zei
hij ernstig en bedachtzaam, ‘is vluchtig als parfum. Vaak niet meer
dan een zoete droom.’
Het leek alsof hij even wegzakte in herinneringen. Toen lachte hij
weer breed.
‘Rijden de heren mee in mijn wagen?’
De Cock knikte gedwee. ‘Zoals u wilt.’
Hij had er nooit bezwaar tegen om de mensen met wie hij
beroepshalve in het strijdperk trad thuis in hun eigen omgeving te
zien. Het gaf soms een verrassend beeld.
Van der Bent chauffeerde met vaste hand zijn
grote zware Bentley door het woelige stadsverkeer. Onderwijl koutte
hij met Vledder, die naast hem zat, luchtigjes over zijn ervaringen
met auto’s van verschillende typen en merken. Het onderwerp
‘overval’ roerde hij niet aan. Er viel een pijnlijke stilte toen
Vledder argeloos vroeg welke wagen Van der Bent voor het plegen van
een roofoverval het meest geschikt achtte.
De directeur was kennelijk met de vraag verlegen. Zijn verwarring
duurde echter maar kort. Hij had zich onmiddellijk weer in bedwang
en antwoordde lachend dat hij de combinatie autoroofoverval nog
nooit had overwogen. De Cock nam aan de conversatie niet deel. Hij
zat behaaglijk onderuitgezakt op de achterbank en luisterde. Het
was niet het onderwerp dat zijn belangstelling had, maar de klank
van de stemmen, de intonatie van de woorden. Van der Bent, vond
hij, was niet oprecht. De houding van de directeur was geforceerd
opgewekt, te nadrukkelijk nonchalant. Het was een pose.
De Cock vroeg zich af wat hem kwelde. De overval? Het verlies van
de tweeënhalf miljoen?
Het huis van Van der Bent stond aan de linkeroever van de Amstel,
even buiten de stadsrand. Het was een fraaie, ouderwetse villa met
rieten dak, vanaf de weg gedeeltelijk aan het oog onttrokken door
een fijn netwerk van kale twijgen en takken. Behendig stuurde de
directeur zijn lange Bentley de garage in. Vanuit de garage leidde
Van der Bent de beide rechercheurs binnendoor naar een ruim vertrek
met een groot raam, dat een fraai uitzicht bood over de rivier.
Links van het raam, in een hoek, stond een zwaar eiken bureau van
enorme afmetingen. Het was rijk met beeldhouwwerk versierd. De
wanden van het vertrek waren vanaf de vloer tot aan het plafond
bezet met boeken en in het midden stond een viertal leren
fauteuils, gegroepeerd om een ronde tafel met een glanzend blad van
een bijzondere houtsoort. In een van de fauteuils lag opgerold een
grote zwarte kater. Hij richtte zich op en liet zijn blik over de
aanwezigen dwalen. Even maar. Toen legde hij zijn kop weer neer en
gaapte ongegeneerd. De uitdrukking van de kater trof De Cock. Het
leek alsof het dier spottend grijnsde.
Van der Bent gebaarde uitnodigend.
‘Neemt u vast plaats. U moet mij even verontschuldigen. Ik ben zo
weer bij u terug.’
Hij verliet het vertrek. De Cock keek hem na, bewonderde de rechte
rug, de atletische gestalte, de lichte tred, en hij concludeerde
dat directeur Van der Bent, ondanks zijn jaren nog veel aan sport
deed. Roeien, dacht hij, op de Amstel.
Na een paar minuten kwam Van der Bent in de studeerkamer terug. Hij
leek terneergeslagen. Om zijn mond lag een teleurgestelde
trek.
‘Ik had u mijn vrouw willen voorstellen,’ zei hij somber, ‘maar ze
is naar bed gegaan. Ze laat zich excuseren. Ze voelt zich niet zo
goed. Een lichte migraine, denk ik.’
‘Dat spijt ons oprecht,’ zei De Cock meelevend. ‘We hadden graag
kennis met haar gemaakt. Misschien een volgende keer?’ Van der Bent
keek hem aan.
‘Ja, ja,’ zei hij verward, ‘een volgende keer.’
Hij liet zich vermoeid in één van de grote leren fauteuils zakken.
Hij leek ineens een ander mens. Ouder. Meer vergrijsd. ‘Laten we
terzake komen,’ zei hij. Ook zijn toon was veranderd, was scherper
geworden. ‘Ik neem aan dat de tijd van de heren beperkt
is?’
Vledder grinnikte.
‘Inderdaad, de voorsprong van de overvallers wordt steeds groter.’
Van der Bent knikte.
‘Dat besef ik terdege. Elke minuut is nu kostbaar. Toch wil ik
graag dat de heren zich even de tijd gunnen om naar mij te
luisteren.’
Hij verschoof iets in zijn fauteuil en bracht zijn handen naar
voren tot de vingertoppen tegen elkaar rustten. ‘Ik weet uiteraard
niet,’ ging hij verder, ‘in welke richting u de daders van de
roofoverval zoekt, maar ik wil u wel zeggen dat mijn personeel van
hoog tot laag volkomen betrouwbaar is en dat u elke gedachte aan
een mogelijk lek in de N.V. bij voorbaat kunt laten varen.’ Vledder
keek de directeur verwonderd aan. ‘En,’ vroeg hij met licht
sarcasme, ‘is dat alles wat u ons te zeggen heeft?’ Langs de
mondhoeken van directeur Van der Bent trilde een
zenuwtrek.
‘Ja,’ zei hij aarzelend, ‘dat is het wel, dacht ik.’
Vledder maakte een driftig gebaar. ‘En voor die... eh, die bepaald
opzienbarende mededeling verspilt u onze kostbare tijd en sleept u
ons helemaal vanaf de Keizersgracht naar uw huis aan de
Amstel?’
Van der Bent knikte.
‘Ja,’ zei hij fel en nadrukkelijk, ‘voor die bepaald
opzienbarende...’
De Cock onderbrak hem beminnelijk. ‘Mijn jonge collega bedoelt dat
uw mededeling in feite overbodig is. U had ons dit niet hoeven
zeggen. Wij hebben namelijk geen moment aan de betrouwbaarheid van
uw personeel getwijfeld. De N.V. Van der Bent & Goossens
geniet, ook bij ons, een faam van onaantastbare
degelijkheid.’
Van der Bent keek De Cock argwanend aan en wist kennelijk niet hoe
hij moest reageren.
‘Dank u,’ zei hij.
Op dat moment kwam de zwarte kater lui overeind, strekte zich met
een hoge rug en wipte van de fauteuil op de vloer. Even stond het
dier besluiteloos, toen sprong het op de knieën van Vledder,
draaide zich rustig om en nestelde zich behaaglijk op zijn schoot.
Vledder aaide de kater zachtjes over de kop. Het dier begon te
spinnen.
Van der Bent keek naar het tafereeltje. Het vertederde hem
zichtbaar en deed hem de situatie van het moment even vergeten.
‘Het is vreemd,’ merkte hij vriendelijk op, ‘maar als iemand juist
in die fauteuil zit, springt hij op zijn schoot. Het is mij al
dikwijls opgevallen. Het is een vervelende gewoonte van het dier.
Niet alle mensen houden van katten.’
De Cock kuchte.
‘In verband met de roofoverval wilden wij u toch een paar vragen
stellen.’ Hij glimlachte verontschuldigend. ‘Routinevragen,
begrijpt u.’
Van der Bent wuifde met een slanke hand. ‘Gaat uw gang.’ ‘Wat,’
begon De Cock, ‘bepaalt de grootte van het te verzenden
geldbedrag?’
‘De behoefte, de behoefte van onze bijkantoren.’
De Cock knikte. ‘En wie kent die behoefte?’
Van der Bent zuchtte. ‘Uiteraard de directeuren van de betreffende
bijkantoren. Zij doen de opgave.’
De Cock glimlachte. ‘Dat begrijp ik. Elke directeur kent het
benodigde bedrag van zijn eigen bijkantoor. Maar kent hij ook het
totale bedrag?’
Van der Bent schudde zijn hoofd. ‘Dat bedrag is op het hoofdkantoor
aan de Keizersgracht alleen aan een paar topfunctionarissen bekend.
Zelfs het personeel dat het transport verzorgt, kent het bedrag
niet. Wij willen de mensen niet in verleiding brengen.’ ‘Dat het
geldbedrag nu zo uitzonderlijk hoog was, had voor het personeel van
de transportwagen dus geen enkele betekenis?’ Van der Bent maakte
een wrevelig gebaar. ‘Nee, geen enkele. Zoals ik al zei: zij
vervoeren geld. Dat het bedrag deze keer zo hoog was, is een... een
ongelukkige bijkomstigheid.’ De Cock lachte luid. ‘Het is maar
vanuit welk standpunt men het bekijkt. Ik denk dat de mensen die de
overval pleegden, aangenaam verrast waren.’ Hij pauzeerde even en
keek naar de directeur. ‘Tenzij... tenzij het voor hen géén
verrassing was.’ ‘U bedoelt?’
De Cock haalde nonchalant zijn schouders op. ‘Net wat ik zeg.
Misschien wisten zij dat...’
Van der Bent sprong op. Zijn mond vormde een strakke lijn en in
zijn staalgrijze ogen blonk een vervaarlijk vuur. ‘U insinueert...’
schreeuwde hij, ‘u insinueert dat onze maatschappij de hand zou
hebben in... in...’ Hij stotterde van woede. De Cock keek vanuit
zijn fauteuil om hoog. Van der Bent stond daa r in al zijn kracht,
briesend. De Cock besefte ineens hoe gevaarlijk deze man kon zijn,
vooral wanneer een wilde drift hem dreef. ‘Gaat u weer rustig
zitten,’ zei hij kalmerend. ‘Er is geen reden om u op te winden. U
haalde uit mijn woorden meer dan ik zeggen wilde.’
Hij pauzeerde even en registreerde de reactie.
‘Apropos Van der Bent, de geroofde geldzending was toch
verzekerd?’
Het was een tweede aanval op de zelfbeheersing van Van der Bent.
Hij doorstond hem niet.
‘Ja!’ brulde hij wild gebarend, ‘de zending was verzekerd en de
verzekering zal ons uitbetalen.’ Hij boog zich voorover naar De
Cock. ‘Is dit misschien een nieuwe reden voor u om ons te
verdenken? Ik heb de clausules door onze rechtskundige laten
onderzoeken. Onze maatschappij lijdt door de overval geen enkele
schade.’
De Cock schudde zijn hoofd en zuchtte. ‘Daarover,’ zei hij gelaten,
‘heb ik mij ook geen moment zorgen gemaakt.’ Hij stond op en wenkte
Vledder.
‘Kom Dick, het wordt tijd dat wij gaan. Het zou onbeleefd zijn nog
langer van de gastvrijheid van de heer Van der Bent gebruik te
maken.’
Vledder tilde de kat van zijn schoot en gaf het dier aan de
woedende directeur.
‘Mocht u nog iets te binnen schieten,’ zei de jonge rechercheur
beleefd, ‘dat in ons onderzoek naar de daders van belang zou kunnen
zijn, we houden ons aanbevolen.’
Van der Bent gebaarde heftig. ‘U kunt... u kunt...’
‘Wat, meneer de directeur?’
De Cock kwam tussenbeide. Hij voelde weinig voor een onherstelbare
breuk. Hij hield de deur graag open. ‘Ik begrijp,’ zei hij
vriendelijk, ‘dat de belangen van uw maatschappij u ter harte gaan.
Wij willen slechts de daders van de overval. Onze vragen zijn
alleen daarop gericht. Wij hebben geenszins de bedoeling uw
maatschappij in een kwaad daglicht te stellen.’
De Cock zuchtte. Na alles wat er gezegd was, vond hij het een slap
toespraakje. De directeur werd toch zichtbaar kalmer. Het felle
rood trok uit zijn gezicht. Zijn gebaren werden beheerster. Hij
ging Vledder en De Cock voor naar de buitendeur. Het afscheid was
koel.
‘Ik zou graag op de hoogte worden gehouden van de vorderingen van
uw onderzoek,’ zei Van der Bent vormelijk. De Cock keek hem scherp
aan. ‘Ook... ook als de ontwikkeling leidt in een richting die u
niet aangenaam is?’
Van der Bent klemde zijn lippen op elkaar. ‘Ja,’ siste hij, ‘ook
dan.’ De rechercheurs liepen de oprijlaan af. Bij het hek hield
Vledder even stil en veegde de zwarte kattenharen van zijn jas. De
Cock keek om naar het huis. Verbaasd trok hij zijn wenkbrauwen op.
Achter het grote raam van het studeervertrek ontwaarde hij de
slanke gestalte van een jonge vrouw.