Acht

Nu hadden wij toch heus allang het een en ander met auteurs meegemaakt, edelachtbare. Dankzij onze literaire ontmoetingen kijken we nergens meer van op. We draaien onze hand er niet voor om als er weer eens een schrijver de trein heeft gemist, op een rotonde de weg is kwijtgeraakt of licht beschonken dan wel half psychotisch arriveert. Leonie krijgt de zaak altijd weer in het gareel, en anders Willemien wel. Het lukte zelfs die keer met die Boekenweekauteur die in de pauze twee meisjes uit het publiek had versierd en toen van ons verwachtte dat wij een hotelovernachting voor hun drieën zouden regelen. En of we zijn vrouw even wilden bellen met een goede smoes die we zelf moesten verzinnen. Ze kunnen heel onzelfstandig zijn, hoor.

We waren die avond trouwens aangenaam verrast geweest dat er zo veel jonge mensen naar de bieb waren gekomen. We letten goed op hoe die man zich presenteerde. Hij zag eruit alsof hij een permanente jetlag had, zijn haar hing in zijn ogen en hij had zich al dagen niet geschoren, maar zijn gebruik van ultrakorte zinnen en dynamische witregels was heel sterk. Je hoefde alleen maar naar zijn boeken te kijken of je had ze al uit.

Maar weet u waar geen kruid tegen gewassen is en wanneer we echt met de handen in het haar zitten? Als ze tegenvallen. Als het mompelaars, neuzelaars of zenuwslopende keelschrapers zijn die geen samenhangende zin uit hun mond krijgen. Als ze geïnteresseerde vragen weigeren te beantwoorden. Als ze anderhalf uur met een kop van beton alleen maar zitten voor te lezen, in plaats van er iets smeuïgs van te maken. Als ze zichzelf belangrijker vinden dan de literatuur, of belangrijker dan, pakweg, ons, hun lezeressen. En daar betalen wij dan een mooie gage voor. Soms voelen we ons echt bekocht.

Gideon de Wit had daar echter een sluitende theorie over gehad. Volgens hem kon het bijna niet anders of een ontmoeting met een auteur werd een tegenvaller. Tijdens het schrijven, namelijk, maar dan ook uitsluitend tijdens de daad van het schrijven, is die in staat het allerbeste in zichzelf te mobiliseren. Sterker nog, hij bereikt een vorm van concentratie die het hem mogelijk maakt om in te tunen op het collectieve bewustzijn. Dit is een fenomeen dat in al zijn onverklaarbaarheid verklaart hoe een schrijver moeiteloos ‘in andermans schoenen’ kan gaan staan en al doende eventjes beschikt over onvoorstelbare wijsheid en lucide inzichten. Op zulke momenten is er geen conflict van het menselijk hart dat hij niet kan vertolken, geen stem die hij niet overtuigend kan laten klinken. Hij kan bijvoorbeeld, zonder zelf vader te zijn, zonder ooit een moord te hebben gepleegd en zonder een snijbrander te bezitten, levensecht beschrijven hoe een vader met behulp van een snijbrander zijn hele gezin uitmoordt.

Het was, aldus Gideon de Wit, een neurobiologisch bewezen feit dat het zo werkt, daar kwam geen hocus pocus bij te pas. Tijdens het werk is de auteur een bovenmenselijke versie van zichzelf. Maar o wee: zodra hij zijn computer uitzet, zodra hij terugkeert naar het leven van alledag, dan is het gedaan met zijn toegang tot het collectieve weten en wordt hij weer, nou ja, dan wordt hij weer net zo oninteressant als zeg maar onze eigen Jan.

Je deed er niets tegen, zei Gideon de Wit.

Na onze schipbreuk waren we geneigd hem ergens gelijk te geven. Een mens is nooit te oud om te leren. Dus pak je pen, Annabel, en noteer: Door weinig van anderen te verwachten bespaart men zich veel teleurstelling.

Daar zaten we dan. Na drie lange dagen op het eiland was de toestand onveranderd dezelfde. De schrijver, laten we er geen doekjes om winden, lag nog steeds voor pampus. Het regende en het regende. Op de schaarse momenten dat het droog was, joegen er dikke mistflarden langs de grijze lucht. Het werd eb, het werd vloed. We leefden van zeewier, algen en een enkele kwal, door Johanna op de aangespoelde tweepitter bereid. Het was gezond en vitaminerijk voedsel, maar wel eenzijdig, al bracht Jo zoveel mogelijk variatie aan door de kelp beurtelings te koken, te bakken en te blancheren. Het gele mos, waar Tillie meteen al haar twijfels over had gehad, was keihard en oneetbaar gebleken. Verder groeide er op het hele eiland niets, zelfs geen distels34. Gelukkig was bijna onze hele voorraad The Famous Grouse aangespoeld. Er waren maar een paar flessen op de rotsen gesneuveld.

Ook van de Maizena waren diverse brokstukken aan land gekomen. In een afgebroken mast hadden we meteen op het hoogste punt van het eiland Leonies meest kleurrijke Marimekko gehesen. Met behulp van touw en zeil hadden we vervolgens een afdak in elkaar gezet, waaronder we onze kleren en onszelf konden drogen. Hadden we niet op een kale rots gezeten, dan waren we begonnen met de aanleg van een kleine moestuin, zoals bekend uit de literatuur. Robinson Crusoe, dat werk.

Wat we het meest misten, behalve een boek, was wcpapier. En Annabel betreurde het teloorgaan van haar pincet. U moet niet onderschatten hoe cruciaal het belang van een pincet is voor een rijpere vrouw.

Wat zegt Jo?

Inderdaad ja, en Willemien was niet te harden omdat ze niks te roken had.

Wel waar, Willemien. Je was onuitstaanbaar. Telkens als Tillie water wilde koken voor de afwas, deed jij kinderachtig over het gebruik van je Zippo.

We hadden de hoop opgegeven dat onze mobieltjes, voor zover we ze nog hadden, het na alle onderdompeling ooit weer zouden doen. Het was trouwens ook de vraag of je hier bereik had. Er viel niet veel anders te doen dan afwachten, duimendraaien en de oceaan afspeuren naar mogelijke redding en naar de tonnetjes maatjesharing en scheepsbeschuit die nog steeds niet waren aangespoeld.

Aanvankelijk putten we nog moed uit de aanwezigheid van de vogels35 die regelmatig kakelend voorbijscheerden. We dachten aan Noach en de duif: het vasteland kon vast niet ver weg zijn. Maar nadat we de scheepsverrekijker hadden kunnen jutten, zei Leonie dat het jan-van-genten waren, herkenbaar aan de sigaarvormige romp, en dat die hun hele leven boven zee doorbrachten en alleen in het vroege voorjaar aan land kwamen om te nestelen.

Pak je lasso, Annabel, en haal even zo’n kippetje naar beneden. Jo, zet de frituurpan maar vast aan.

Bij het broeden, vervolgde Leonie onverstoorbaar, wisselen het mannetje en het vrouwtje elkaar af, totdat de eieren na ongeveer 44 dagen uitkomen. Interessant was dat de Kaapse jan-van-gent, Sula capensis, die hier overigens niet voorkomt, niet met een broedvlek broedt, maar met de poten. Een broedvlek is een laagje vet dat de meeste vogels, anders dan de Sula capensis, in het broedseizoen ontwikkelen. Weemoedig mompelde Leonie erachteraan: Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic enda thu.

Bedenkt u zich wel voordat u wenst dat u een tijdje rustig op een onbewoond eiland zou mogen doorbrengen. Je wordt er stapelgek van het dreunen van de branding36, vierentwintig uur per dag. Tot in onze slaap aan toe werden we door het gedaver murw gebeukt. Er viel niet aan te ontkomen, net zomin als aan de wind die etmaal na etmaal aan onze kleren en haren rukte, die ons in het gezicht of in de rug stompte en die ons zand in mond en ogen joeg. En dat was nog niet eens het meest uitputtende. Zelfs het feit dat we geheel op onszelf waren aangewezen was nog te verdragen, maar we waren het ook op elkaar, en erg ruim was het onder het afdak niet.

Leonie, tief toch een eind op met je broedvlek en je Hebban olla vogala!

Zolang we ons heugden, waren we al een leesclub. We hadden samen ontelbare uren discussiërend doorgebracht. We wisten heus wel dat Leonie een zelfvoldane frik kon zijn, Tillie naïef op het achterlijke af, en Annabel de meest onvermoeibare vuurtoren van het halfrond: we dachten dat we elkaars hebbelijkheden kenden. Dat bleek een vergissing. We kenden niet eens de helft ervan.

En dan was Gideon de Wit er ook nog. In plaats van dat we werden geamuseerd met literaire wetenswaardigheden, zaten we met een bewusteloze schrijver opgescheept. Het viel ons zwaar het hem niet kwalijk te nemen dat hij daar maar lag, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was dat wij, een stelletje zeurende wijven, hem liefderijk zouden verplegen. Uit menselijk oogpunt waren we dat uiteraard verplicht, en Willemien ververste het algenkompres op het gat in zijn hoofd dan ook met lovenswaardige toewijding, maar als leesclub bekroop ons steeds sterker het gevoel dat alle moeite boter aan de galg zou blijken te zijn en dat er geen nieuw werk van hem meer te verwachten viel.

Zelfs Martha, anders zo fijnzinnig van gevoel, ontwikkelde al snel een realistische kijk op de zaak. Als Gideon de Wit het loodje legde, zei ze, was er altijd nog de troost dat dode schrijvers stukken minder dood waren dan andere mensen. Ze leefden immers voort in hun boeken. In de praktijk maakte het voor een auteur eigenlijk niet uit van welke kant van het graf hij opereerde. Wij lazen Flaubert en Tsjechov toch ook nog steeds, Emily Dickinson en de gezusters Brontë? Die lazen we zelfs graag: we wisten precies wat we aan hen hadden, zij stelden ons nooit teleur. Misschien was het voor schrijvers alles bij elkaar zelfs wel een voordeel om onder de zoden te liggen. Dan konden ze het bij hun lezers tenminste niet meer verbruien.

Willemien onderbrak het gesprek. Zo gemakkelijk, ogen dicht en hemelen maar, zou Gideon de Wit er niet van afkomen, vermoedde ze. Zijn gebroken been begon haar ernstige zorgen te baren. Het versplinterde bot stak eruit, dwars door het gescheurde leer van zijn broek heen. Door de zilte atmosfeer was het niet eerder opgevallen, maar inmiddels kwam er een behoorlijk weerzinwekkende lucht van bederf van de schrijver af. Ze vreesde voor gangreen.

Leonie zei dat gangreen voor het laatst was voorgekomen in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, hoofdzakelijk in België.

Willemien vond het niet het moment om over zulke dingen te gaan zitten touwtrekken37.

À propos vroeg Tillie of een houten been een oplossing voor Gideon de Wit zou zijn.

Annabel was zo attent ons erop te wijzen dat Tillie houten benen sexy vond.

Tillie riep verontwaardigd uit dat er niks mis was met haar seksuele voorkeur. Daar deed ze geen vlieg kwaad mee.

Willemien kwam tussenbeide. Als enige arts in ons midden was het haar mening dat…

Geen vlieg, riep Tillie nog een keer, stuiterend van woede. En dat kon je bepaald niet van iedereen hier zeggen, dat-ie geen vlieg kwaad deed.

Nee, viel Johanna op gemene toon bij, dat kon je inderdaad niet van iedereen hier zeggen. Ze plantte haar handen in haar zij en keek demonstratief naar Barbara. In de stilte die op haar woorden volgde, voelden we allemaal dat het hek ineens van de dam was, op een gevaarlijke, definitieve manier. Barbara merkte het ook, want ze zette zich zichtbaar schrap.

Ach, edelachtbare, we moesten érgens heen met alle opgekropte spanning. Als het eens een paar uur achter elkaar droog was geweest, dat had al gescheeld. Maar we werden nu al dagen achtereen onderworpen aan een soort folterende waterkuur, alsof we middeleeuwse heksen38 waren. We waren doorweekt, verzopen en kleddernat, we waren moe, we kregen verstopte holtes en een schrapende hoest, we hadden geen boeken, geen wcpapier, geen pincet, geen Brandaris en geen idee hoe lang we nog hier op die rots zouden zitten. ‘In de geest van Moby Dick’ zou twee weken hebben geduurd, pas dan werd het schip terugverwacht in de haven van Ullapool. We hadden nog elf dagen voor de boeg voordat bloody Eigg tevergeefs met zijn bus op de kade zou staan. En voor elf dagen was er niet meer genoeg The Famous Grouse. We waren al overgegaan op rantsoenering en hielden elkaar in de buurt van de flessen argwanend in de gaten.

Barbara deinsde achteruit toen wij, de armen grimmig over elkaar geslagen, steeds dichter om haar heen dromden. Met strakke lippen stootte zij uit: Zeg het dan! Zeg het dan! Ik weet wel wat jullie denken! Maar jullie zijn te laf om het uit te spreken!

Dat zouden we nog weleens zien, Barbara.