Hoofdstuk 3
De Kleine ging gewoonlijk al om acht uur naar bed, tenminste, hij ging niet, hij lag er al in, ook overdag, maar omstreeks dit uur deed hij het licht uit. In tegenstelling tot de meeste oude mensen, had hij in de loop der jaren steeds meer slaap nodig. Ieder halfjaar kwam er een half uur bij. Nu, op zij n achtentachtigste, sliep hij wel zeventien uur per etmaal. Of hij werkelijk sliep, wist niemand, maar hij lag in ieder geval in bed, onder een deken, want hij had het altijd koud. Als hij wilde eten, of iets nodig had, belde hij en verscheen Anja - voorzover zij dat althans nodig oordeelde. Enkele jaren tevoren had hij haar een verpleegsterscursus laten volgen, maar of ze daar iets had opgestoken, was nooit duidelijk geworden. Ze verzorgde hem met autoritaire willekeur en eigenlijk vond hij dat prima.
Toen Kaspar bij de voordeur aanbelde, had ze het niet nodig gevonden een peignoir aan te schieten; ze droeg niet meer dan een huishoudschort over haar gebloemde wollen nachthemd, voor het geval dat ze iets te eten voor hem zou moeten klaarmaken. Maar dat weigerde hij.
'Mijn vrouw is overleden,' zei hij en overhandigde haar zijn hoed. 'Hoezo?' vroeg ze hem wantrouwig aankijkend. 'Hoezo overleden?'
'Hartaanval.'
Ze maakte de weg vrij naar de slaapkamerdeur van de Kleine. Daar aangekomen, bleef Kaspar een moment staan en keek achterom. Anja was bij de keukendeur aan het andere eind van de gang blijven staan en sloeg hem zwijgend gade. Maar wat had ze kunnen zéggen? Ze had immers drie weken bij hem thuis gewerkt? Ze wist hoe de vork in de steel zat. Martha had een advertentie geplaatst voor een au-pair-meisje, maar er had
niemand op geschreven. En toen, op een avond had ze gezegd: 'Ik heb een Deense aangenomen. Beeldschoon. Dus lang zal ze wel niet blijven.' 'Hoe dat zo?'had hij verbaasd gevraagd. 'De jongens zijn toch nog veel te jong om...' 'Nou, ik bedoel eigenlijk niet de jongens,' had ze glimlachend gezegd. Destijds wist ze natuurlijk al van die affaire met Hede.
De volgende ochtend was het meisje met het dienblad voor het ontbijt binnengekomen. 'Mag ik je voorstellen: Anja Södersen,' had Martha gezegd en ze had niet eens de moeite genomen om te kijken wat voor gezicht hij zou trekken. 'Goeie morgen,' had hij gemompeld en in gedachten Martha volkomen gelijk gegeven. Zo iets moois kon inderdaad niet lang in dit huis blijven! De daaropvolgende dagen had hij zich steeds wat onbehaaglijk gevoeld, als Anja de kamer binnenkwam en ook de jongens hadden steeds hun gesprekken gestaakt. Zelf keek ze nooit iemand aan, ook niet als je met haar praatte, ze knikte maar en bromde niet meer dan het allernoodzakelijkste in een slecht verstaanbaar Duits. Maar steeds wanneer hij langs haar slaapkamerdeur liep, hoorde hij haar op heel andere toon spreken met haar tamme merel en soms zelfs lachen.
Eén keer tijdens die drie weken, waren Alfred en Else 's avonds een boterham blijven eten. Toen Anja met het dienblad de eetkamer binnenkwam, was Alfred, een professor in de medicijnen, midden in een zin blijven steken en ook Else had het meisje stomverbaasd aangestaard. Toen de deur weer achter het wereldwonder was dichtgegaan, waren ze tegelijkertijd weer begonnen. De professor: 'Wie is dat nou in vredesnaam?' En zijn echtgenote, verwijtend tegen Martha: 'Waar is dat nou voor nodig?' 'O, dat is maar tijdelijk, voor noodhulp,' had Martha met een veelbetekende glimlach geantwoord, maar Kaspar begreep wat ze bedoelde.
De dag daarna was het zaterdag, dus geen colleges, Martha was naar de kapper en de twee jongens waren aan het voetballen. Anj a zat aan de keukentafel de zilveren kandelaar te poetsen. Kaspar nam plaats tegenover haar. Zij wierp hem een korte, argwanende
blik toe en poetste energiek verder.
'Anja, ik heb eens over jou nagedacht.' Een zeer misleidend begin van het gesprek natuurlijk en er verscheen dan ook een boze Deense plooi tussen de prachtige wenkbrauwen, zonder dat ze opkeek.
'Jij zult je altijd moeilijkheden op de hals halen, in wat voor huishouden je ook werkt. Overal zijn huisvaders, zoons of vrienden. Pro-ble-men!' herhaalde hij nadrukkelijk, om het misverstand en de boze rimpel te doen verdwijnen.
Na kort nadenken antwoordde ze met de zware, rauwe stem, die ze
voor de omgang met mensen had gereserveerd: 'Ik weet. Heb al
kind in Denemarken, zonder vader. Eén is genoeg.'
'Maar waarom heb je geen beroep geleerd?'
'Huishouden ook beroep. In Kopenhagen in warenhuis gewerkt.
Nog meer mannen, nog meer probleem.'
'En waarom trouw je dan niet?'
Een vernietigende blik schoot over de zilveren kandelaar heen. 'Mijn zuster. Getrouwd. Heeft twee kinderen. Van zijn beste vriend.'
'Hoe oud ben je eigenlijk?' 'Achttien.'
'Zou je wel bij een man willen werken, die alleen woont, maar die je nooit zou lastig vallen?' 'Is ziek?'
'Nee, maar hij is tachtig jaar oud.'
'Mijn grootvader twee en tachtig. In rolstoel, maar altijd met hand onder mijn rok.' Daarbij haalde ze uit met haar poetslap en kletste de denkbeeldige grootvader op de vingers. 'Bij mijn oom heb je niets te vrezen; die is maar zó groot.' En hij gebaarde met zijn hand ongeveer één meter twintig van de vloer. 'Het is een dwerg.'
Ze liet de kandelaar even rusten en staarde hem verrast aan. 'In circus?' vroeg ze hoopvol.
'Nee, hij woont hier in München, in een huis, net als andere mensen. Tenminste, nou ja, toch ook wel weer heel anders.'
'Goed,' zei ze en ging verder met poetsen. 'Dan ga ik daar werken. Hier bij u niet goed.'
Gelijk heeft ze, dacht hij, maar hij wilde het toch weten. 'Hoezo? Zijn we niet aardig tegen je?'
'O, jawel. Erg aardig. Veel te aardig. U en uw jongste zoon. Uw vrouw weet. Ziet goed. Heeft niet graag.' Verstandig gespeeld, dacht Kaspar, want nog is er niets gebeurd. Maar Stefan? De jongste, nu al? Nauwelijks dertien! Alsjeblieft!
Op de ochtend van ooms verjaardag had hij Anja een bosje bloemen in de hand gedrukt, haar koffer en de vogelkooi naar de auto gedragen en haar naar de Kaiserplatz gereden, waar de dwerg sinds mensenheugenis woonde. Waar hij van leefde was iedereen, inclusief Kaspar, een raadsel. Zijn levensstandaard was altijd dezelfde geweest, niet luxueus, maar toch wel royaal genoeg om zich een butler of zo te kunnen veroorloven. Maar hij was zo'n moeilijk mens, dat niemand het lang bij hem uithield. De laatste huishoudster was enkele maanden geleden scheldend weggelopen en sindsdien was het behelpen geweest met werksters, die hij haatte en steeds weer drong hij er bij Kaspar op aan, hem eens aan een verstandig vrouwmens te helpen, al was het een 'haaiwijf'. Zijn jeugd had hij in Landshut doorgebracht en daarna had hij jarenlang 'gereisd' en zo zijn eigen specifieke woordenschat verzameld, een allegaartje, met uit alle delen van Duitsland wel iets. Ook kon hij keurig Hoogduits spreken, maar hij hoefde maar moe of geprikkeld te raken, of hij verviel weer in zijn Beierse dialect. Kaspar had aan de slaapkamerdeur geklopt en het meisje met de bos bloemen voor zich uit naar binnen geschoven. 'Hier is uw verjaardagsgeschenk, oom Stilz. Het komt uit Kopenhagen en heet Anja.'
Dat alles was nu acht jaar geleden. Anja had eindelijk rust en de Kleine was in de zevende hemel.
Nu deed Kaspar de slaapkamerdeur open, zodat er licht vanuit de gang naar binnen viel en hij wachtte af.
'Wat is er loos?' klonk een mekkerende stem uit het donker. 'Licht uit! Begrep'm?'
Kaspar ging tastend voorwaarts, knipte het nachtlichtje aan en sloot de deur. Het rode schemerlampje verlichtte spookachtig een majestueus gebouwd hemelbed. Vaag was tussen de vele kussens een klein en donker gezichtje te onderscheiden. De dwerg zat meer dan dat hij lag en in het grote witte bed leek hij zo mogelijk nog kleiner. Kaspar ging aan het voeteneinde zitten en leunde tegen één van de vier, met fluweel beklede, stijlen van het hemelbed. 'O, ben jij het? Wat mot je hier, Boekenwurm?' En, toen Kaspar niet direct antwoordde, 'Heb je heibel gehad met Martha? Nou niet. Laat me met rust.' 'Martha is dood, oom Stilz.'
Langzaam draaide het kleine hoofd met de grijze haren om, de ronde ogen knipperden en de mond opende zich tot een zwarte, oeroude grijns.
'Heb je d'r om zeep geholpen? Jemig! Hoe heb je dat gefikst? Wacht even.' Hij kwam verder overeind, tastte op het nachtkastje naar zijn bril, vond ook naast de lamp het glas met water met zijn kunstgebit en prutste even, totdat er een "klik" te horen was. 'Zo. Nou kan ik tenminste iets horen. Vertel op!' 'Hartaanval.'
De dwerg zuchtte teleurgesteld, daarna grijnsde hij weer, ditmaal met zijn mond vol parelwitte tanden, zonnig en bijna kinderlijk. 'Heb jij effe mazzel!' Kaspar bleef zwijgen. 'Wat? Heb je daar dan niet altijd stiekem van gedroomd?' Toen er nog steeds geen antwoord kwam: 'Ik kan j e niet goed zien, doe het grote licht aan!' 'Nee!'
'Nou, dan de staande schemerlamp.'
Kaspar bleef onbeweeglijk tegen de stijl van het bed zitten leunen. De oude man greep naar een belletje op het nachtkastje. 'Anja komt nu niet, oom Stilz.'
'Maar ik wil licht hebben,' foeterde de dwerg en trommelde met zijn vuistjes op de deken. 'Ik ben een oude man, mijn ogen worden zwak.'
'Uw ogen zijn beter dan de mijne, oom Stilz. Ik kan nu geen licht verdragen.'
De grijsaard vouwde de handen en begon met zijn duimen te draaien. 'Waar ben je voor gekomen? Wat wil je? Je weet dat ik haar nooit heb gemogen, die Martha van jou. Moet ik nou verdriet huichelen, omdat ze dood is? Ga jij maar naar jouw Hede!' Kaspar schudde zwijgend het hoofd. 'Wat stel je dan voor? Wou je hier bij mij slapen? Moet ik je sprookjes vertellen?' Kaspar dacht een poosje na. 'Ja,' zei hij toen langzaam, 'precies, dat wou ik eigenlijk.'
De Kleine deed de armen over elkaar en bekeek hem aandachtig. 'Nou begint het me te dagen,' zei hij. 'Maar ik had gehoopt dat je me daar nooit mee zou lastig vallen.'
Kaspar leunde met zijn hoofd zo ver mogelijk achterover tegen de paal van het bed en sloot de ogen.
'Hoe lang wilt u het nog uitstellen? Twintig jaar geleden hebt u al gezegd dat u het "ooit" nog wel eens zou vertellen. "Ooit", wanneer is dat? Om de zoveel jaar krijg ik een paar kruimeltjes voorgezet, iets over successen en schandalen, iets over een gevangenis of over sledetochten in Sint Petersburg, maar wat is er allemaal van waar? Ik heb er nooit wij s uit kunnen worden, maar dat was ook uw bedoeling, nietwaar? Maar nou wil ik het weten, dus beslist u maar: ja of nee.'
De oude man trommelde andermaal met zijn vuistjes op de deken. 'Hondsbrutaal noem ik dat. Komt me midden in de nacht wakker maken om me te pressen. En waarom uitgerekend nu? Omdat zij dood is? Ben je d'r kapot van? Kijk eens aan, had ik nooit gedacht. Je bent ook net zo'n schaap als de rest. Of hebben de jongens je wat aangepraat? Wat hebben ze gezegd?' 'Vraagt u toch niet zo veel, oom Stilz! Ik wou zo graag aan iets anders denken vannacht, ik had gehoopt wat afleiding te vinden, nu...' Hier zweeg hij. 'Harder, ik kan je niet verstaan.'
Kaspar kwam overeind, zette beide voeten bedachtzaam op de vloer en streek met zijn hand over het voorhoofd. Toen wendde hij zich met een ruk naar de deur.
'Kom terug!' werd er achter hem geroepen. 'Wat had je verwacht? Dat ik een grammofoonplaat kan afdraaien? Dat ik alles zomaar paraat heb, hier in mijn hoofd, zo voor het grijpen, dat ik het allemaal maar hoef voor te lezen? Daarvoor is het toch veel te lang geleden, het ligt ergens begraven. Hoe weet ik of ik het me allemaal nog herinner?'
'Flauwe smoesj es,' zei Kaspar bij de deur zonder de stem te verheffen. 'Leugens. "Begraven", zegt u! Nou wat het ook mag zijn, u kent het uit uw hoofd. U bent toch ook altijd bezig de hele geschiedenis voor uzelf te declameren?' Wat raaskal je? Declameren? Hoe durf je!' 'Anja zegt dat, soms, als ze onverwacht binnenkomt, u helemaal niet slaapt, maar ligt te grinniken.' 'Ik...?'
'Het gebeurt ook dat u met uw armen zit te zwaaien, alsof u aan het dirigeren bent. Ze heeft het me voorgedaan; heel vreemd. Wat doet u dan, als u zo met uw armen zit te wapperen?' Er volgde een onheilspellende pauze. En toen: 'Je hebt het antwoord al gegeven: ik dirigeer.'
'Maar wat dirigeert u dan? Een orkest? En wat valt daarbij te lachen?'
'Heeft ze dat gezegd, Anja? Die zet ik op straat.' 'U zult wel uitkijken!' En op wat verzoenlijker toon, maar nog steeds bij de deur staand, zei Kaspar: 'Oom Stilz, ik ben moe. U moet het me vertellen. Of anders...'
'Jasses,' bromde de oude man. En daarna kraaide hij met een hoog stemmetje: 'Help! Ik word gechanteerd! Een overval!' Kaspar legde zijn hand op de deurknop. 'Allemachtig! Geef mijn fles Napoleon, Boekenwurm! Linksonder in het buffet.' Al tastend vond Kaspar de buikige fles. 'Nee, geen glas. Ik drink er zó uit. Jij krijgt niks!' Met een kussen onder de arm kwam Kaspar terug, zette de drank op het nachtkastje, zwaaide zijn benen op het bed en stopte het kussen tussen zijn rug en de houten stijl, recht tegenover de grijze dwerg, die hem met een verbeten gezicht aankeek.
'Zit je wel gemakkelijk? Nou, dat doet me lol.' Toen greep hij naar de fles en legde die in zijn armen alsof het een baby was, '1914, een goed jaar. Voor wijn, maar niet voor dwergen.' 'Waarom? Wat is er toen met u gebeurd?' De kleine man streelde teder over de buikige fles en zei nors: 'Hoeveel weet jij eigenlijk? Is je iets bekend van wat er zich toen heeft afgespeeld?'
'Niets. Zo goed als niets. Mijn vader heeft gezegd, dat hij en oom
Bernie destijds gezworen hebben er nooit meer over te praten. Dat
werd altijd gezegd, zodra het gesprek op u kwam.'
Met zijn onderste kunstgebithelft beet de dwerg op zijn bovenlip.
Dat deed hij altijd als hij het moeilijk had: hij zag er dan uit als een
gorillababy. 'De smeerlappen,' zei hij.
'Smeerlappen? Uw bloedeigen broers?'
'Een dwerg heeft geen broers. Nog een wonder dat ze me niet om zeep geholpen hebben, jouw vader en die andere, dat was ook geen beste. En als er iemand dat oude verhaal mag ophalen, dan ben ik het wel, ik en niemand anders.' 'Maar waarom moest alles dan zo geheim blijven? Vader zei alleen dat ik niet moest denken dat er een misdaad gepleegd was.'
'Ja, dat is net wat voor hem, voor die ouwe idioot, die huichelaar! Een misdaad! Wat heet een misdaad! Nou, laat mij je vertellen, dat het niet één misdaad was, maar een hele reeks.' Ongeduldig trok hij de kurk uit de fles en nam een fikse slok. 'Maar hoe weet ik of ik het me allemaal nog herinner, alles in de juiste volgorde, zodat jij er iets van begrijpt? Waar moet ik beginnen?'
'Geeft niet. Ik zeg u toch, ik weet niets. Alles wat op u betrekking
had, was taboe in de familie.'
Over de fles heen keek de grijsaard hem lang aan.
'Begint u maar bij grootvader, daar weet ik immers ook niets van;
alleen van grootmoeder iets.'
'Wat?' Het klonk bijna dreigend.
'Ik heb eens een oude foto gevonden. Ik heb het niemand verteld.
Op de achtergrond zag je een reizend circus en vooraan, in het midden, een panopticum. Boven de ingang stond: "Directie: Anna Schulte". Zo heette ze toch, nietwaar?' De dwerg beet weer op zijn bovenlip. Hij nam nog een flinke slok en spoelde de cognac heen en weer, alsof het mondwater was. Hij probeert tijd te winnen, dacht Kaspar en voelde iets van berouw, dat hij de oude man met de dood van Martha chanteerde. Nog was het niet te laat om hem te sparen: Laat maar, oom Stilz, ik had er nooit over moeten beginnen, maar ik wist geen raad met deze nacht. Achteraf gezien ben ik toch te moe, eerlijk, ik ga liever naar huis...
Maar hij zei niets en liet de oude man tobben. 'Jouw grootmoeder dus...' hij haperde en streelde liefkozend de fles in zijn arm. Toen begon hij opnieuw. 'Jouw grootmoeder, ja, hoe moet ik die beschrijven? Dan moet ik eerst terug naar haar ouders. Grootvader - mij n grootvader dus -, j e houdt het niet voor mogelijk, die zong in het kerkkoor, verder was hij beambte bij de post. Zes kinderen hadden ze, wat een stakkers, alle zes waren ze dood voordat ze drie jaar oud waren. Vervolgens kwam mijn moeder en die was meteen een bonk van een meid. Acht jaar was ze, toen haar moeder niet meer van het ziekbed kon opstaan. Tuberculose, geloof ik. Zij nam het huishouden op zich, ging ook niet meer naar school, waardoor ze nooit goed heeft leren spellen. Als ze mij een brief schreef, was het altijd "de dwerch".' Hevig beet hij nu op zij n bovenlip. Kaspar wilde iets zeggen, maar het was nu al te laat.
'Stil nou! Waar was ik gebleven? O, ja! Grootmoeder lag de hele dag in haar bed te hoesten en mijn moeder deed het huishouden en verpleegde haar. Alleen voor het zware werk hadden ze een huisknecht, zij was toen nog geen negen jaar oud. Grootvader? Die liep iedere zondagochtend op zijn weg naar de sacristie langs de zes grafjes; daarna prees hij in het koor de Lieve Heer uit volle borst. Want die had hem immers 'n kranige dochter geschonken, alsof hij wilde zeggen: "Nou staan we weer quitte". Zo heeft grootvader dat gezien en hij liet het kind doen wat ze wilde. Een kind van acht
jaar, Kaspar, denk je eens in, een kind dat nooit speelde! Ze had wel wat anders aan haar hoofd: de boodschappen, de geneesmiddelen, de rekeningen, oppassen dat de knecht niet te veel zou stelen. En ze was toen niet veel groter dan ik nu ben.' Het kleine hoofd met de borstelige, witte haren boog zich diep over de fles en Kaspar strekte zijn hand uit. Maar de dwerg sloeg naar hem.
'Handen thuis! Je hebt het zelf gewild! Straks wordt het wel vrolijker. Goed, dat kind dus, mijn moeder. Anna heette ze; als er bezoek kwam, bood ze iets te drinken aan en dronk zelf ook een glas mee; de mensen vergaten gewoon dat het nog een kind was, dat tegen hen zei: "Op uw gezondheid, mevrouw, meneer!" Ze was natuurlijk in de hele stad bekend en in het begin wilden de buren, die het goed bedoelden, helpen en raad geven, maar mijn grootmoeder riep dan vanuit haar bed: "Laat Anna nou maar begaan, die weet het heus wel." Dat schijnen ook haar laatste woorden geweest te zijn, op het moment dat ze stierf. Anna was toen tien.' Er volgde een lange pauze. Nog een slok uit de cognacfles en daarna, nauwelijks verstaanbaar: 'Ik weet niet hoe het verder gaat, want ik was er nog niet. Ben vergeten hoe dat nou verdergesudderd is.'
'Hoe bedoelt u, oom Stilz?'
'Nou ja, nou moet toch op de een of andere manier mijn vader in het stuk voorkomen. Hoe zal ze daar aan zijn blijven hangen?' 'Hoe oud was ze toen?'
'Vijftien. En verbaas je daar niet over, want dat was oud. Voor haar wel.'
'En wat had hij voor beroep?'
'Beroep... beroep... dat had hij nog niet, voorzover ik me herinner. Of wacht even... hij had iets met het circus te maken, natuurlijk. Dat is ook belangrijk voor het verdere verhaal. Ja, nou weet ik het weer: beren! Hij deed een nummer met beren. Of hij moestop die beesten passen of zoiets. Ja!' riep hij ineens met schrille stem, 'zó zat het!'
Hij zuchtte behaaglijk en tikte zich enkele malen tegen het voor
hoofd. 'Nou zie ik het allemaal weer voor me. Ouwe dwaas! Natuurlijk, zo zat het!'
'Wat dan, oom Stilz? Vertelt u toch verder.' 'Die beer! Mijn vader had een lievelingsbeer en daarmee is hij op een dag naar het postkantoor gegaan, waarschijnlijk gaf het circus net een gastvoorstelling in Landshut. Die beer was natuurlijk keurig aangekleed, met een hoed op en zo, ze gingen in de rij staan voor het loket van de postzegels. Totdat iemand het merkte. Het hele postkantoor schreeuwde natuurlijk moord en brand en dat heeft de kleine Anna gehoord, want ons huis stond er vlak naast, alleen een tuin lag er tussen en daar was ze net aan het onkruid wieden. Dat deed ze graag: in de tuin werken, alles keurig netjes...' Enige ogenblikken staarde hij strak naar de dekens. 'Ze kwam het postkantoor binnengerend met een bosje radijsjes in haar hand, die beer ging rechtop staan en begon met zijn dikke poten om een radijsje te bedelen...' Na een poosje vroeg Kaspar zachtjes: 'Ja...?' 'Ja,' mompelde de dwerg, in gedachten verzonken. 'Jaja. Ze trouwde met mijn vader èn met die beer. Die liep de hele dag achter haar aan. Ik heb er nog een foto van, een heel mooi beest...'
'Hebt u dat dier dan nog meegemaakt?'
De oude man schudde het hoofd. Daarna zei hij met rauwe stem: 'Ik was de derde zoon, een nakomertje, acht jaar na jouw vader geboren. Toen was die beer al helemaal grijs en mager en had nog maar één oog. Maar hij hobbelde nog altijd achter mijn moeder aan. Misschien dacht mijn vader wel dat het de schuld van die beer was, dat ik zo'n misbaksel ben geworden. Ze beweren toch dat zwangere vrouwen naar iets moois moeten kijken - ik weet alleen nog dat mijn vader hem toen heeft doodgeschoten, die beer.' Hij zette de fles terug op het nachtkastje en vlijde zich achterover in de kussens, met de handen achter het hoofd. 'Ja, en toen kwam ik dus, dertig centimeter lang. In het begin zei mijn moeder nog: "Kleine haasjes groeien het snelst", maar ik groeide erg weinig en heel langzaam. Verder was ik een mooi kind,
met blonde lokken. Jij weet ook wel - je houdt toch van die lange colleges voor de studenten - dat er verschillende soorten dwergen zijn; ik heb dat later allemaal diepgaand bestudeerd. En de oorzaak? Ook heel uiteenlopend. Sommige dwergen zijn ook zwakzinnig; die zijn nog het beste af, als je 't mij vraagt. Dan heb je ook de normaal gebouwden, met goede lichaamsverhoudingen, zoals ik. Mij had je kunnen fotograferen en vergroten, dan zou ik een klassiek model geweest zijn. Ik bedoel vroeger dus, mijn gezicht was eigenlijk ook best mooi om te zien...' Al tastend haalde hij van achter de lamp een voorwerpje, een handspiegeltje. 'Zelfs nu nog ben ik een niet onknappe vent.' Kritisch bekeek hij zich en legde daarna de spiegel weer terug. Kaspar greep naar de kleine hand die op de deken lag en drukte die, voordat de oude man hem kon terugtrekken. 'Laat dat, Boekenwurm! Ik kan het niet uitstaan, dat je aan me zit, dat weet je toch wel. Dus... bij mijn moeder functioneerde een klier niet, hier, in haar achterhoofd, dat was alles. Ze was buiten zinnen, toen de dokter het haar vertelde, ze kon en wilde het maar niet geloven. Die eerste twee kinderen waren toch ook in orde geweest? Die waren eerder te groot, jouw vader was bijna één meter negentig en de andere, je oom Bernie, was ook een reus, alle twee grof gebouwd, bonken van kerels. Ik werd natuurlijk moeders hartediefje, kreeg de lekkerste stukjes toegeschoven, - de Kleine moet er nog van groeien! - en de eerste aardbeien, altijd voor mij. De anderen keken zwijgend toe als ik op moeders schoot zat en zij me voerde en streelde en daarom vond ik het in het begin nog helemaal zo beroerd niet dat ik zo klein bleef, maar dat veranderde. Ouder geworden ging ik dagelijks aan ladders en deuren hangen om groter te worden, tot mijn vingers er afvielen. Tot, van de ene dag op de andere, ik wist het, ik zou je niet kunnen zeggen hoe het zo plotseling tot me doordrong, als een zweepslag trof het me dat ik iets afschuwelijks vóór me had: mijn leven. En dat het eeuwig zou duren, ook wanneer mij n moeder er niet meer zou zij n. Andere kinderen hebben daar geen idee van wat dat is: hun leven. Die maken plezier en verheugen zich op de toekomst.'
Een ogenblik lang dacht hij na; hij begon te giechelen. 'Het was gewoon gek, zo bliksemsnel als alles tot me doordrong; alles op één dag. Ik wilde me op staande voet in de rivier verdrinken, maar toen ik omlaag staarde, in het water beneden me, dacht ik ineens: Wacht nog even! D at kan altij d nog, die rivier loopt niet weg. En ik zou toch ook van de nood een deugd kunnen maken, of iets dergelijks. Want ik was pas tien jaar oud en had nog maar een vaag idee van hoe dat zat met die nood en die deugd, maar tèch! Slim hè? Alleen wist ik op dat moment nog niet hóe slim ik wel was. Kon ik ook niet weten, want mijn eerste grote plannen vielen in duigen. Toen ik namelijk mijn spiegelbeeld in het water zag, met die blonde lokken tegen de achtergrond van de blauwe hemel, dacht ik ineens: Laat de mensen me toch aangapen, als ze er maar voor betalen! Ik rende naar huis en bestookte mijn moeder nog diezelfde dag met plannen mij ten toon te stellen. In een circus! Onder de titel "Wonderen der Natuur". Hoe dan ook, wat mij betreft samen met het kalf met de twee koppen! Als ze maar betaalden om mij aan te gapen! Maar daar stuitte ik voor de eerste maal op een muur. Nog liever zag ze me dood, zei ze, zo bleek als een doek. Eerst dacht ik nog haar mettertijd wel om te praten, - ze had mij immers nog nooit iets geweigerd -, ze hield echter voet bij stuk. Maar ik ook; ik liet niet los, gebruikte mijn vader, die altijd slap van karakter was waar het mij betrof en ook mijn broers, maar alle drie zeiden ze: Wacht toch nog wat, je bent nog zo jong. Anderzijds waren mijn broers me maar al te graag kwijt geweest, ik was een blok aan hun been. Ik was immers altijd thuis. Moeder liet mij niet naar school gaan, uit angst dat ik gepest zou worden. Ik was er dus altijd, verliet maar zelden het huis, maar ik verveelde me geen moment. Met het grootste gemak leerde ik mezelf lezen, schrijven en rekenen, ik bleek een ongelooflijk geheugen te hebben. Maar afgezien van de schoolvakken was er nog iets anders in mijn leven...' Hier onderbrak hij, ging iets meer rechtop zitten en wees gebiedend en met vreemde flikkerende ogen naar een hoek van het vertrek. 'Ga naar mijn schrijfbureau, linksboven, de eerste lade, die kleine doos, breng die eens hier!'
Kaspar plaatste de rechthoekige, dichtgebonden doos voor de oude man op het bed. Deze maakte een paar knopen los, tilde het deksel op en haalde een houten kistje te voorschijn, dat hij openklapte: een miniatuur schaakspel, met kleine, scherp gesneden stukken in een zakje erbij. De grijze dwerg zette de stukken zwijgend op, door de pennetjes in de gaatjes te schuiven die er in geboord waren. Tenslotte stonden de twee legers, sierlijk en kaarsrecht tegenover elkaar opgesteld.
'Hier begon alles mee,' mompelde hij. 'Een spel, en toch een keerpunt. Zoiets geef je aan een kind, een schaakspel of een viool, een speelding misschien, en dan groeit daar een roeping uit. Dit hier heeft iemand mij op mijn achtste verjaardag gegeven, plus een boek met aanwijzingen. Vanaf dat moment speelde ik dagelijks minstens een half dozijn partijen, alleen of met mijn broers. Dat moesten ze van mijn moeder, om mij een plezier te doen. Ze speelden niet slecht, maar ik kon ze met gemak aan. Ik versloeg ook mijn vader en de pastoor, voordat ik tien jaar oud was. Maar het liefste speelde ik alleen, tegen mezelf in "mij n" hoekj e in de woonkamer , achter grootvaders leunstoel, waar geen mens me kon zien. Als niemand mij kon zien, Kaspartje, dan speelde ik het beste, onthoud dat goed voor het verdere verhaal. Ik kon mezelf zo afsluiten, dat ik niet mijn eigen tegenzet incalculeerde, snap je? Ik speelde het klaar mezelf met iedere volgende zet te verrassen, te misleiden en beet te nemen. De anderen zaten 's avonds onder de grote lamp met de roze kap te lezen, te schrijven of iets te knutselen , moeder naaide en achter de grote leunstoel zat ik te kletsen en te giechelen, want ik praatte natuurlijk met mijn "tegenstander" en treiterde hem, zo van: "Ha ha! Daar kijkt u van op, hè?" Of: "Daar bent u mooi ingevlogen, niet waar?' En dat alles op de vloer, achter grootvaders leunstoel. Die man was overigens geestelijk al niet meer zo helder en hij vroeg ieder ogenblik: "Waar is hij dan, die tegenspeler van je?"
De anderen, om de huiskamertafel heen, negeerden me, behalve jouw vader, Leopold, die wilde ingenieur worden en had zo graag in alle rust en stilte willen studeren. Mij n geklets en gespring werk
te hem op de zenuwen; hij vloekte en schold mij uit voor "Repelsteeltje". Dat werd later "Stilz".
Dat was het begin, Kaspartje, de eerste vingeroefeningen in de fantasie. Want ook die kun je trainen, net als spieren. Ik hoefde mijn tegenstander niet in levenden lijve voor me te hebben, die zat er sowieso, oud of jong, boers of edel, een sufferd of een kampioen ... Ja! Er was vaak een kampioen bij en daar verloor ik soms van, maar er bestond immers geen "ik"? En bij al mijn koortsachtige heen en weer gespring - ik moest natuurlijk steeds van de ene kant van het bord naar de andere, van zwart naar wit en weer terug - bij al dat gedoe dacht ik natuurlijk: ik speel. Had geen vermoeden dat het allemaal nog maar voorbereidend trainen was.' Hij haalde zwaar adem, alsof hij een stuk gerend had, en zijn ogen staarden wezenloos achter de dikke brilleglazen. 'Snap je nou waar ik naar toe wil, Kaspartje?' 'Nee. En noem me geen "Kaspartje" alstublieft.' 'Dus je weet werkelijk niets? Dat zoiets gewoon in vergetelheid kan raken, zo spoorloos verdwijnen.'
'Ik begrijp u niet, oom Stilz. Dat wou u toch, dat het spoorloos zou verdwijnen? Dat hebt u uw broers laten zweren!' Een lange pauze volgde er nu en een hevig bijten op de bovenlip. 'Ja, maar toch! Ik kan het niet vatten, dat het mogelijk is dat geen mens er ooit over heeft gesproken, ik bedoel buiten de familie. Nou ja, misschien was het ook maar beter. Goed dan, ik zat aan grootvaders voeten in de huiskamer te schaken, hij zong nog steeds zij n koralen, zij het ook inmiddels gruwelij k vals. Mij stoorde dat niet, want ik was volkomen amuzikaal, maar het hele gezin vluchtte dan altijd de kamer uit. En plotseling, midden in de psalm, bleef hij stil. Ik speelde rustig verder, ik had mijn tegenstander bijna schaakmat; daar kwamen ze allemaal weer binnen en begonnen te klagen en te huilen, want hij was overleden, grootvader. Ik huilde ook, maar dan wel omdat er iemand op mijn schaakbord had getrapt.
Weg grootvader, dus. Beroerd voor mij, want achter zijn grote leunstoel had ik altijd veilig en geborgen gezeten en was ik onzicht
baar geweest; nu brachten ze het zware ding ergens anders heen en de rest van de familie, aan de huiskamertafel, zag mij plotseling, hoe ik daar heen en weer sprong en in mezelf praatte. Ik merkte hoe ze me verbaasd aanstaarden, kon echter niet stoppen, want ik zat midden in een partij; mijn tegenstander was een onuitstaanbaar verwaande vent, de kampioen van Amerika; toen zei Leo- pold, jouw vader dus, niet hardop maar ik kon het toch goed verstaan: "Jasses, geestelijk is hij ook niet in orde!" Mijn moeder deed snel een tegenzet: grootvaders kamer zou voortaan van mij zijn. Tot nu toe had ik een hoekje naast de ouderlijke slaapkamer gehad; nee, jou vader kreeg hem niet, die kon best een kamer met zijn broer delen. Ja, ze wist het, hij had er eigenlijk recht op, in verband met zijn studie, maar dat deed er nu niet toe. Daarmee basta.
Zo trok ik mijn sprookjeswereld binnen, gooide alle meubels er uit, alleen grootvaders bed, een tafel en twee stoelen hield ik. Jouw oom Bernie, die bij een schrijnwerker in de leer was, moest alle houten poten zo'n dikke dertig centimeter inkorten, zodat ik er niet constant op hoefde te klauteren. En op de verlaagde tafel verscheen ter gelegenheid van het eerstkomende kerstfeest een volwassen schaakbord met echte stukken. Nu had iedereen rust. Ik verscheen alleen nog maar voor de maaltijden, om mijn moeder een plezier te doen. Een bak met eten voor mijn deur was mij ook best geweest. Mijn broers overigens ook. Die hadden me het liefst ingemetseld en me door een gat in de muur gevoerd. Ze vonden me "gênant". Trouwens, moeder ook, ondanks al haar genegenheid. Nooit kon ze gasten uitnodigen; zelfs de beste vrienden konden het niet laten mij aan te gapen met een blik van: groeit dat ventje nou echt niet meer?
En dan nieuwe kennissen! Hoewel ze natuurlijk voorbereid waren en krampachtig deden alsof ik iets heel gewoons was. Maar ik loerde op hun steelse blikken en liet het ze goed merken, als ik ze had betrapt. Kan ik het nog?' Hij verdraaide de ogen achter de dikke brilleglazen en liet vervaarlijk de tanden zien. 'Ja, prima!'
'Hou je mond! Zo'n misbaksel als ik mag zich toch zeker wel verweren? Of had ik soms het goede en het schone moeten nastreven? Valsheid en gemeenheid deden me werkelijk plezier. Destijds was ik er immers vast van overtuigd dat dat het enige zou zijn, iets anders hoefde ik van dit rotleven niet te verwachten. Ik had geen flauw vermoeden dat er nog iets anders voor mij in het vat zat, iets krankzinnigs, en heel speciaal voor mij.'
Hij staarde even voor zich uit, in de verte en Kaspar bleef geduldig wachten. Daarvoor was hij toch gekomen, het was eigenlijk nog mooier dan hij had durven hopen. Tijd winnen. Uitstel. Morgen zou hij zich dan wel melden. Vrienden op de hoogte brengen, Martha begraven, beslissen: Hede wel of Hede niet, naar de woning terugkeren of naar elders... Alles morgen. Nu nog uitstel van executie.
De oude man tastte nu weer naar het handspiegeltje en verdiepte zich in zijn aanblik.
'Veel is er niet meer van over,' mompelde hij. 'Jammer, dat ik altijd geweigerd heb me te laten fotograferen. Ik had een perzikhuidje, blank en roze als van een meisje, en heel grote ogen, donkerblauw. Ik waste me meermalen per dag en zeurde bij mijn moeder altijd om haar eau de cologne. Volgens mij was ik meer verliefd op mezelf dan dat ik dit misvormde lichaam verfoeide. Als jij daar iets van begrijpt? Uit louter koppigheid, uit opstandigheid, ja, kijk maar niet zo raar, ik weet wat je denkt: in feite haatte ik mezelf toch wel! Liefde en haat! Ach, ik weet het, Boekenwurmpje, nu weet ik het. Destijds merkte ik alleen maar dat ik me iedere dag opnieuw verwonderde. Vergeet niet dat ik immers met ons tweeën was: ik en mijn tweede ik, mijn tegenstander, we zaten altijd tegenover elkaar en bestreden elkaar.'
Hij legde de spiegel weer achter de lamp en laafde zich met een hartversterkende slok. 'Jij kunt goed luisteren, Kaspartje, je jaagt me niet op, maar ik voel hoe je zit te popelen en dat doet me plezier. Kun je je voorstellen dat ik een mooie jongen was?' 'U bent nog altijd knap, oom.'
'Waar waren we gebleven? O ja, ik was dus eigen baas in mijn
kamer. De wanden had ik beplakt met affiches van de mismaakte dwerg Toulouse-Lautrec, die dingen werden destijds voor het eerst gedrukt in Duitsland. Mijn lievelingsschilder. Hij was maar een paar centimeter groter dan ik. In Parijs had iemand van hem gezegd: "Als je op hem neerkijkt, dan word je duizelig." En toen - ik weet niet precies meer wanneer dat was - stierf mijn vader. Mij n moeder in het zwart en met roodbehuilde ogen. Er zou een rouwdienst zijn, daar verheugde ik me werkelijk op. Bij grootvader mocht ik nog niet mee, omdat ik te klein was, maar nü mocht ik wéér niet mee.
Op die dag, Kaspartje, op die dag van die rouwplechtigheid, werd er aan de voordeur gebeld. Ik was alleen thuis, want ze waren allemaal naar de begrafenis. Ik ging de trap af en riep door de huisdeur heen:
"Wie is daar?"
"Ik wou mevrouw Schulte spreken." Een mannenstem. "Die is naar de begrafenis." "Naar de begrafenis? Is..."
"Mijn vader is gestorven." Het hele gesprek dus door die gesloten voordeur.
"Wat? Dat spijt me verschrikkelijk! Maar wie ben jij dan? Waarom ben jij niet naar de begrafenis?" "Ik ben de dwerg," zei ik keihard.
Na een korte pauze zei de man: "O, ja, natuurlijk. Ze hebben me over je verteld. Maar doe toch open. Of kun je er niet bij?" Ik ging op mijn tenen staan en schoof de grendel terug. Opende de deur op een kier. Een stevig gebouwde heer, heel chique gekleed in lichtgrij s, met hoge hoed, wandelstok en witte glacé handschoenen.
"Ehrenreich," stelde hij zich voor. "Weet je nog wel?" "Nee."
"Mag ik niet even binnenkomen? Ik was vroeger een vriend van je vader." En toen ik aarzelde - ik was altijd zo achterdochtig - "Ik ben de directeur van Circus Sarasate. Jouw vader heeft bij me gewerkt toen we allebei nog jong waren."
Ik deed de deur open en ging hem voor naar de woonkamer. Sara- sate! Die naam herinnerde ik me! De beren... Midden in de huiskamer was een lange tafel gedekt met ons mooiste tafelzilver en op het buffet stonden rijen wijnflessen. "Er moet wat vertier zijn na een begrafenis," had mijn moeder gezegd, "anders komt er niemand."
De heer Ehrenreich wilde niets drinken, hij bedankte heel beleefd. Hij ging op de sofa zitten, ik klauterde op een stoel en zo zaten we enige tijd wat onwennig tegenover elkaar. Toen legde hij de hoge hoed naast zich neer, liet de handen met de glacé's op de knop van zijn wandelstok rusten en bekeek mij. En ik bekeek hem. "We zijn toevallig hier in de stad," begon hij. Ik knikte, mijn broers hadden het er over gehad. "Ik hoorde dat je vader ziek was en ik had hem willen bezoeken." Ik antwoordde niets. "Hoe oud was hij, weet je dat?" "Alle ouwe mensen zijn voor mij even oud." Hij glimlachte met de lange gele tanden van een paard. "En jij? Hoe oud ben jij?" "Ouder dan u denkt."
"Bedoel je omdat je een dwerg bent? Ik heb drie dwergen in mijn
programma. Maar die zijn wel heel anders dan jij."
"Hoezo anders?"
"Je komt ze maar eens bekijken."
"Heb ik geen tijd voor."
"Wat doe je dan?"
"Ik schaak."
"De hele dag? Met wie?" Ik tikte op mijn borst.
Hij keek me onderzoekend aan, waarschijnlijk om te zien of ik ze wel allemaal op een rijtje had. "Waar speel je?" "In mijn kamer."
"Mag ik daar eens kijken? Ik wou toch op je moeder wachten. Overigens, ik schaak ook. Ben ooit nog kampioen van Noord- Duitsland geweest."
Zwijgend ging ik hem voor naar boven. Het schaakbord stond er, ik was net midden in een heel moeilijke partij. Hij moest zich diep bukken - het was natuurlijk allemaal veel te laag voor hem - en bestudeerde de stelling. Toen keek hij me weer aan, zoals ik daar stond, zonder mijn hoop te verhelen dat hij mij met rust zou laten en beneden op moeder zou wachten.
"Zou je dit potje willen afbreken en een nieuwe partij met mij willen spelen? We kunnen deze positie noteren." "Hoeft niet. Ik onthoud het zo wel." .
Ik ruimde de stukken af en zette ze opnieuw op. Hij nam met enige moeite plaats op mijn lage stoeltje. Ik gaf hem wit, natuurlijk, hoewel hij protesteerde. De heer Ehrenreich was mijn eerste tegenstander sinds jaren. Ik was verbaasd, hoe moeiteloos ik hem van het bord speelde. Hij ook. Hij bleef nog lang op de stukken zitten staren, alsof hij het niet kon bevatten. Uiteindelijk leunde hij achterover en keek mij met een bevreemde blik aan. Maar eer hij nog een woord kon zeggen, klonken er van beneden geluiden en de begrafenisgasten vulden de huiskamer. De heer Ehrenreich en ik, we keken samen vanaf het trapportaal naar beneden, hoe de mensen binnenkwamen, de ene zwarte hoed na de andere. "Ik zou graag onopgemerkt naar buiten verdwijnen," fluisterde hij. "Je begrijpt het wel, nietwaar?" Ik bracht hem naar de achtertrap; hij drukte mij de hand en keek mij veelbetekenend aan. "Doe je moeder de groeten van me. Zeg maar, dat ik haar morgenochtend kom opzoeken. Ben jij dan ook thuis?"
"Ik ben altijd thuis."
Hij streelde me over het haar, wat ik niet zo leuk vond, en verdween.
De volgende morgen was hij er al heel vroeg. De ontbijtspullen stonden nog op tafel. Hij omarmde mijn moeder en zij moest een paar traantjes wegpinken, terwille van die oude beren. Toen ging hij op een stoel zitten, heel vreemd, achterstevoren, met zijn armen op de leuning en keek ons stuk voor stuk aan, zoals we daar in een halve cirkel om hem heen stonden. Wij allemaal in het zwart en
hij, in het middelpunt, in het lichtgrijs met zijn witte glacé handschoenen.
Toen sprak hij heel opgewekt, zonder iets van een begrafenistoon; "Mevrouw Schulte, wat gaat u nu doen?" "Wee'k nog nie," zei mijn moeder. "Ze zeggen dat de schoenwinkel van mijn overleden man diep onder de schulden zit. Als dat zo is, ja dan moeten we het huis hier verkopen en de jongens..." Hier aarzelde ze. Mijn broers waren plotseling rechtop gaan staan en hadden de oren gespitst, als twee honden die onraad horen. "Ja?"
Ze zweeg en keek naar haar handen. We begrepen het: de jongens moesten hun studie opgeven en geld gaan verdienen. Kelner, bouwvakker, opperman of zo.
"Ik kan uit naaien gaan, of als werkster," zei ze toonloos. "Ik heb een heel ander voorstel," zei de heer Ehrenreich in de pijnlijke stilte. "Dat betreft hèm. Hoe heet hij eigenlijk?" "Stilz," antwoordden mijn broers als één man. "Nooit!" schreeuwde mijn moeder. "Nooit meer, hoort u?" De heer Ehrenreich schudde zachtjes het hoofd. "Maakt u zich geen zorgen, mevrouw Schulte. Ik zou hem nooit als dwerg in het programma laten optreden, dat bedoelt u toch, nietwaar?"
"Nou ja, waarom eigenlijk niet?" vroeg jouw vader, Leopold, toen. "Het is toch geen schande en best interessant voor de mensen."
"Dan verdien jij ook wat," zei je oom Bernie. "Ik vermoord jullie,"fluisterde moeder met gevouwen handen. "Maar denkt u toch na," zei Leopold weer, "wat moeten we met hem aan, als u er niet meer bent?"
Ze keek van de een naar de ander en haalde diep adem. "Zouden jullie dus niks voor hem doen?"
"Ja, gut, wat künnen we voor hem doen. Dat moet u ons dan maar
vertellen." Weer jouw vader.
Een lange pauze volgde.
De heer Ehrenreich probeerde het nog eens:
"Ik geloof dat u me nog steeds niet hebt begrepen. Ik wil hem helemaal niet als dwerg tentoonstellen." "Wat dan wel?" vroeg eerst moeder wantrouwig en daarna echoden de broers in koor: "Wat dan wel?"
"Als schaker," zei de heer Ehrenreich rustig. "Ik geloof dat de kleine jongen daar een heel bijzondere begaafdheid voor heeft." Vervolgens sprak hij ineens heel gedecideerd, zodat je kon merken dat hij ook een doorzetter was. "Vraagt u me nu nog niet hoe we dat precies moeten uitwerken, want dat weet ik zelf nog niet..." "Als u maar weet dat ik niet wil hebben dat hij in het circus door het publiek wordt aangegaapt!" riep moeder nog eens. Zo had ik haar nog nooit meegemaakt, zo onbeheerst, zo hartstochtelijk. "En ik zweer u op het graf van mijn man dat ik..." Maar de heer Ehrenreich liet haar niet uitpraten en stond snel op. "U hoort nog van me, deze week nog, voordat we hier opbreken." Daarmee verdween hij, zelfs zonder te wachten of iemand hem zou uitlaten.
Drie dagen later kwam hij weer.
"Ik heb het," zei hij en ging weer schrijlings op een stoel zitten, zodat wij in een half cirkeltje om hem heen moesten gaan staan. Zo zag hij het graag. Even keek hij nog de halve kring rond, maar vanaf dat moment sprak hij uitsluitend nog tegen mij. "Jij moet tegen een vrijwilliger uit het publiek schaken. We gaan de mensen uitdagen, uit hun midden iemand kiezen die het tegen jou moet opnemen..."
"Nooit!" riep moeder. "Ik heb u toch gezegd dat..."
Hij onderbrak haar heel abrupt: "Hij zal in een kist zitten en geen
mens zal hem zien."
"Een kist?" riep mijn moeder en greep hem bij de arm. "Wat voor kist?"
"Een lucifersdoosje," zei jouw oom Bernie, de valserik! "Zou je dat wel leuk vinden, Stilz?" vroeg de heer Ehrenreich. "Ja," antwoordde ik.
"Kom dan morgenochtend naar de hoofdingang en vraag daar naar mij."
"We zullen er zijn," zei moeder nadrukkelijk. De hele affaire zin- de haar totaal niet. Maar ik keek haar zo strak aan, dat ze er verder het zwijgen toe deed.'
Hier zweeg de oude dwerg en sloot even de ogen. Kaspar hield hem de cognacfles voor, maar hij schudde van nee. 'Dat maakt me nog meer in de war. Het is zo ingewikkeld en bij veel dingen moet ik zo nadenken. Wat ik je niet goed beschrijven kan, dat is mijn eerste voorstelling in het circus, in de loges van de heer Ehrenreich, maar, - dat schiet me nu pas te binnen het belangrijkste was toch de dag daarvoor. Jezus Mina! Dat was de dag van mijn leven! De heer Ehrenreich had me toch laten komen; mijn moeder ging mee en de broers ook, die waren zo nieuwsgierig en ze hadden nog vrij in verband met de begrafenis. Het circus van de heer Ehrenreich was niet zo groot, maar ook weer niet zo piepklein, zo'n beetje er tussen in. Hoewel we dat natuurlijk niet wisten, toen we voor 't eerst voor de hoofdingang stonden. Mij leek het in ieder geval gigantisch. Bij de kassa aan de hoofdingang wachtte al iemand op ons. Die bracht ons langs de grote tent, dat was de hoofdmanege, naar een "gebouw", ook van tentdoek. Binnen stonden lange houten werkbanken, want daar werd alles gemaakt en gerepareerd wat een circus zoal nodig heeft. Kooien, woonwagens, decors, Joost mag weten wat allemaal; het rook er heerlijk naar zaagsel. De heer Ehrenreich, - zonder hoge hoed en glacé handschoenen ditmaal -, stond te praten tegen een kleine man met littekens in het gezicht en een afgebeten neus. Die was vroeger assistent van de dompteur geweest, Androsch heette hij; nu was hij ploegbaas. Die was al op de hoogte. Hij greep me vast met zijn ijzeren klauwen en zette me op een tafel om de maat te nemen voor de doos. Ik moest gaan zitten, daarna knielen en ook nog hurken. "Ongeveer vijftig hoog en dertig breed, dan zit hij gemakkelijk," zei Androsch. "Breng me even vier planken van vurenhout.'
"Vergeet het gat er niet in te maken voor zijn hand en de twee kijkspleetjes," zei de heer Ehrenreich, "maar zo klein mogelijk. Zet het ding maar in elkaar; wij maken intussen een rondgang
langs de dieren." De glacé handschoenen kwamen weer te voorschijn, daarmee klopte hij liefkozend alle beesten op hun kop. Mijn broers vonden het schitterend, maar ik niet. Ik had altijd al een hekel aan dieren gehad, met hun gebrul en hun stank. Ook gingen we de grote tentbinnen,diewas reusachtig. Een stuk of wat clowns waren daar in de piste aan het rollebollen; ik vond er niets aan, zoals ze elkaar met varkensblazen op de kop sloegen. Ik heb de andere kant op gekeken. Daarna kwam er een goochelaar en bij hem was ik niet weg te slaan; ik wilde weten hoe hij die konijntjes en die duif uit de hoge hoed toverde. "Dat is zijn geheim," zei de heer Ehrenreich, en lachte vriendelijk met zijn grote, gele paarde- tanden. "Daar wordt hij voor betaald."
Uiteindelijk kwamen we weer terug in de werkplaats. Androsch vijlde nog wat aan de kijkspleten, toen werd de kist op een stoel gezet, ik er in getild en het deksel dichtgeklapt. Ik zat daar heel gemakkelijk in het donker en hoorde de heer Ehrenreich roepen: "Dat is ongelooflijk!" En daarna: "Steek je hand eens door het gat, Stilz!" Dat deed ik en ik waaierde vrolijk met mijn vingers. Maar direct riep de heer Ehrenreich: "O nee! Dat verknoeit het hele effect! Weg met die hand!"
Mijn familie keek zwijgend toe. Het deksel werd weer opgeklapt en ik krabbelde eruit.
"Ik heb nog ruim gezeten," zei ik tegen de heer Ehrenreich, "u kunt die kist rustig nog wat kleiner maken." "Dat heeft geen nut," zei hij en aarzelde, alsof hij plotseling een lumineus idee had en niet alleen hij, want jouw oom Bernie riep ineens: "Meneer Ehrenreich, zou het niet veel beter zijn als het publiek Stilz helemaal niet ziet?"
"Wat?" riep ik, "niet eens mijn hand? Dan doe ik niet mee. Ze moeten weten dat ik er in zit!"
Op dat moment keek de heer Ehrenreich mij weer net zo aan als een paar dagen geleden, thuis, toen we voor de eerste keer geschaakt hadden en hij zei: "Jij vond die goochelaar toch zo leuk, hè? Zou je ook niet graag willen toveren?" Ik was volkomen verbouwereerd, want ik wist niet waar hij heen
wilde. Maar Androsch en jouw oom Bernie, die hadden het gesnapt. "Een houten hand!" riep de eerste, en de tweede: "Nee! Een ijzeren tang!" Alle anderen zwegen en staarden mij aan.' Hier onderbrak de oude dwerg weer voor een korte pauze en grijnsde voor zich uit. Toen vervolgde hij: 'Maar wie denk je dat het ei van Columbus vond? Jouw vader, Leopold, die een hele poos al niets had gezegd. Thuis was hij altijd al een knutselaar geweest, voor moeder had hij een inmaakapparaat gebouwd en op zijn slaapkamer en die van Bernie had hij van draden en stangen iets geconstrueerd waarmee hij vanuit zijn bed het raam kon opendoen. Nu stapte hij onverwachts naar voren en zei: "Meneer Ehrenreich, er mag niets van hem zichtbaar zijn, dat wordt nou net de clou. En het kistje moet zó klein zijn, dat het publiek gewoon niet op het idee komt dat er iemand in kan zitten. De schaakstukken zouden van binnenuit gestuurd moeten worden, met een hefboom of zo..."
"Ja!" riep toen je oom Bernie, "maar hoofdzaak is dat ook het schaakbord aan de kist vast zit, het moet er als één geheel uitzien, alsof het een ..."
"Een machine!" riep de heer Ehrenreich. "En zo komt hij dan ook
op het programma: de Schaakmachine!"
Nadat hij die woorden gesproken had, viel er een heel plechtige
stilte.'
De oude man in bed leunde even in de kussens achterover en sloot de ogen.' Geef me nou nog maar een slok, nou kan het geen kwaad meer en ik heb het ook nodig.'
Kaspar reikte hem de fles aan en de dwerg klokte voldaan met gesloten ogen.
'Was dit het laatste al?' vroeg Kaspar. 'Van mijn cognac?' 'Nee, van uw verhaal, oom Stilz.' 'Ben je al moe?'
'Ik niet. Maar u ziet er vermoeid uit.' 'Ja,' zei de oude man zachtjes. 'Ik ben moe.' 'Valt er nog veel meer te vertellen?'
De ogen achter de dikke brilleglazen sperden zich wijd open. 'Boe- kenwurmpje! Ik ben toch nog maar net begonnen.' 'Het is al laat, oom Stilz. Zal ik u nu maar alleen laten?' 'Ja. Je komt maar weer. Als je er behoefte aan hebt. Je zult zien hoe gauw dat is. Dat geldt voor mij ook. Nu ik er aan begonnen ben, moet het er ook allemaal uit.' En, na een laatste, vermoeide grijns: 'Je hebt nog geen idee. Het belangrijkste moet nog komen, bedenk dat wel.'