Hoofdstuk 1
Amy begon te schreeuwen toen ze haar moeder de deur van de pick-uptruck open zag maken, maar er kwam geen geluid uit haar keel. Ze wilde haar tegenhouden, maar ze kon zich niet bewegen. Het enige wat ze kon doen, was verstijfd toekijken terwijl haar moeder de contactsleutel omdraaide en de motor startte.
De droom veranderde, als een film die vooruit wordt gespoeld. Nu zaten ze allebei in de auto. De regen sloeg tegen de ramen en Amy kon nauwelijks iets zien door de voorruit. De trailer die achter de auto hing, schudde heen en weer toen de gifzwarte hengst in paniek om zich heen schopte.
Amy probeerde wakker te worden, maar ze kon niet uit de droom loskomen. Het was dezelfde nachtmerrie die ze de afgelopen maand al zo vaak had gehad.
Haar moeder klemde haar handen om het stuur. „Dit is waanzin,” mompelde ze, haar blauwe ogen op Amy gericht. „We hadden nooit in dit weer weg moeten gaan.”
„Stop!” snikte Amy wanhopig. „Stop nou toch, mam.”
Maar Marion luisterde niet. Een bliksemschicht scheurde door de donkere lucht en het dreunen van de hoeven in de trailer werd overstemd door een enorme donderslag.
Amy gilde toen ze de hoge bomen langs de weg heen en weer zag zwaaien. De takken raakten elkaar boven de auto en schraapten en bonkten tegen het dak van de trailer. Een eindeloos lang gekraak van brekend hout werd gevolgd door een donderklap, die zo hard was dat het leek of er een kanon werd afgeschoten. Recht voor hen begon een boom langzaam in hun richting te vallen.
„Nee!” schreeuwde Amy.
„Amy! Amy, wakker worden!”
Amy voelde hoe iemand aan haar schouder schudde. Ze lag op een harde, houten vloer, en toen ze haar ogen opendeed, zag ze haar opa, die over haar heen gebogen stond met een bezorgde frons op zijn voorhoofd.
„Opa.” Verward ging Amy rechtop zitten. Ze rook een vage maar vertrouwde parfumlucht. Overal aan de muren hingen paardenfoto’s. Ze was in de kamer van haar moeder. Over een stoel hing een jas, die haar moeder daar op de dag van het ongeluk had achtergelaten. De borstel op de toilettafel was bedekt met een dun laagje stof. Er zaten nog wat blonde haren in. Niets was de afgelopen zes weken in de kamer veranderd, sinds de stormachtige nacht waarin Marion Fleming was gestorven.
Bij het zien van de bekende spullen kreeg Amy een koud gevoel in haar maag. „Wat doe ik hier?”
Jack Bartlett zag haar geschokte blik. „Rustig maar. Je was aan het slaapwandelen.”
„Het was die droom weer,” mompelde Amy terwijl ze opstond en om zich heen keek. Het was stil in de kamer. Het zweet kriebelde in haar lange haar.
„Kom maar, het is allemaal voorbij. Ga maar weer naar je eigen kamer.”
Op dat moment ging de deur open. In de deuropening stond Louise, Amy’s oudere zus, die door iedereen ‘Lou’ werd genoemd. „Gaat het met je?” Lou’s gezicht was slaperig en haar korte, blonde haar stond alle kanten uit. „Ik hoorde gegil.”
„Het is al goed,” zei Jack, terwijl hij Amy bij haar arm pakte. „Amy heeft een nachtmerrie gehad en toen is ze gaan slaapwandelen.”
„O Amy!” Lou liep snel naar haar toe.
„Het gaat alweer.” Amy duwde haar opa opzij en liep langs Lou naar de deur. Ik moet de kamer uit zien te komen, dacht ze. Ik kan hier niet ademhalen.
Het laken op haar eigen bed voelde koel tegen haar huid. Jack en Lou kwamen in de deuropening staan. Uit haar ooghoek zag Amy dat haar opa zachtjes iets tegen Lou zei.
Lou knikte. „Slaap lekker, Amy. Tot morgen,” zei ze en ze liep weg.
Jack ging op de rand van het bed zitten.
„Het gaat echt wel weer, opa. Ga maar naar bed.”
„Ik kan wel eventjes blijven.”
Amy was zo moe dat ze toegaf. Ze trok het dekbed tot haar kin op. Toen haar ogen begonnen dicht te vallen, verschenen de akelige droombeelden weer. Ze rilde. „O opa,” zei ze en ze deed haar ogen wijd open.
„Rustig maar. Ik ben er,” zei Jack zacht. Hij aaide over haar haar. „Ga nu maar slapen, lieverd.”
Toen Amy wakker werd, was haar opa weg. Zoals iedere ochtend dacht ze heel even dat alles nog hetzelfde was als zes weken geleden. Maar toen zag ze het bleke zonlicht door de gordijnen schijnen en drong de harde werkelijkheid weer tot haar door. Haar moeder was dood en het was haar schuld.
Amy ging rechtop zitten en sloeg haar armen om haar knieën. Als zij niet zo graag de zwarte hengst Spartan had willen redden uit de schuur waar hij door dieven was opgesloten en achtergelaten, dan was haar moeder nooit in de storm met de trailer gaan rijden. Dan was het ongeluk nooit gebeurd.
Maar Amy had haar moeder gesmeekt te gaan, omdat ze Spartan had willen redden. Uiteindelijk had ze alleen maar heel veel verloren. Schuldgevoel golfde door haar heen. Ze voelde zich misselijk.
Amy stapte uit bed, trok haar spijkerbroek aan en deed de gordijnen open. Vanuit haar raam kon ze de voorste stallen zien, en de paddocks waar de paarden stonden te doezelen in het bleke ochtendzonnetje. Ze stapte over de kleren en tijdschriften die door haar slaapkamer slingerden en ging snel naar beneden.
Ik begin nu meteen met uitmesten en voeren, dacht Amy. Ik wil niet aan mam denken, of aan wat we vandaag gaan doen.
Die middag schudde Amy in een lege box een baal stro uit, zodat er een lekker dikke laag op de grond kwam te liggen. Stofdeeltjes dansten in de warme stralen van de zon, die over de bovendeur scheen. Ze dacht aan Spartan. Morgen zou hij in deze box staan. Opeens voelde ze zich weer misselijk. Het leven was zo oneerlijk.
„Ben je al bijna klaar?” Ty, de zeventienjarige stalhulp van Heartland, keek de box in. Toen hij de blik op Amy’s gezicht zag, werd zijn uitdrukking bezorgd. „Amy? Gaat het wel?” Hij liep naar binnen.
Amy knikte, ze kon even geen woord uitbrengen.
„Hé,” zei Ty zacht. „Maak je je zorgen over Spartan?”
Amy knikte weer.
„Het komt wel goed, echt.” Hij legde even zijn hand op haar schouder.
Ze hoorden de keukendeur opengaan.
„Amy! Ty! We moeten weg,” riep haar opa.
„We komen eraan,” riep Amy vanuit de stal.
„Even schone kleren aantrekken,” zei Ty terwijl hij naar de zadelkamer liep. „Ik zie je zo wel binnen.”
Amy deed de onderdeur van de box dicht en keek nog een keer rond. Morgen zou Spartan hier over zijn deur leunen en zij zou hem moeten voeren en verzorgen, net als alle andere paarden van Heartland. Amy huiverde. Ze kon zichzelf niet voor de gek houden: Spartan zou voor haar nooit een gewoon paard zijn.
Langzaam liep ze in de richting van het witte huis. Ze ging door de achterdeur de keuken binnen, waar Jack en Lou zachtjes stonden te praten. Ze hadden allebei donkere kleren aan. Op tafel lag een grote bos witte lelies met een zwart lint eromheen. De hele kamer was gevuld met de zoete, zware geur van de bloemen.
„We moeten zo weg,” zei Jack. „Ik heb om half zes met Matt en Scott afgesproken.”
Amy knikte. „Ik trek even iets anders aan.” Ze liep de trap op.
In haar slaapkamer haalde Amy snel een borstel door haar lange, lichtbruine haar en zette het met een speld vast. Ze gooide haar spijkerbroek en T-shirt op de hoop kleren die er al lag, en trok een lange, zwarte jurk zonder mouwen aan. Toen ze in de spiegel boven haar bureau keek, zag ze hoe groot haar bruine ogen leken in haar bleke gezicht.
Haar blik viel op het fotolijstje bij de spiegel en ze pakte het op. Op de foto stond haar moeder lachend bij een hek. Ze aaide Pegasus. De foto was een paar weken voor het ongeluk genomen. Amy voelde een pijnlijke steek in haar borst.
„Amy!” riep Lou van beneden.
Amy zette de foto neer en pakte een velletje papier van het bureau, dat ze opvouwde en in haar zak stak.
Lou stond onder aan de trap. De spanning stond op haar gewoonlijk zo rustige gezicht te lezen. „Ben je nou klaar?” Aan Lou’s accent kon je horen dat ze in Engeland naar kostschool en naar de universiteit was geweest voordat ze in New York was gaan wonen.
Amy friemelde aan het papiertje in haar zak terwijl ze de trap afliep. „Ik kom al.”
Samen liepen ze naar de keuken. Bij de deur stond Ty. Hij had zijn golvende, zwarte haar naar achteren gekamd en een schoon wit shirt en een zwarte broek aangetrokken. Hij keek Amy begrijpend aan. Ze perste er een flauw glimlachje uit.
Toen deed Jack de achterdeur open. „Oké, we gaan.”
Niemand zei iets tijdens de rit naar de begraafplaats. Op het parkeerterrein stonden Scott Trewin, de veearts, en zijn jongere broer Matt al te wachten.
„Hoi,” zei Matt zacht toen Amy uit de auto stapte.
Matt en Amy zaten bij elkaar op school en waren vrienden. Matt had wel eens laten merken dat hij graag meer wilde dan vriendschap, maar vandaag stond er alleen maar bezorgdheid en medelijden op zijn gezicht te lezen. „Hoe is het met je?”
Amy haalde haar schouders op. „Gaat wel.”
Terwijl ze over de begraafplaats liepen, dacht Amy aan de afscheidsdienst die ze gingen houden. Die ochtend was de steen op het graf van haar moeder geplaatst. Nu kon Amy eindelijk echt afscheid nemen. De begrafenis was zes weken geleden al geweest, maar toen had Amy nog bewusteloos in het ziekenhuis gelegen.
Ze bereikten het hoekje in de schaduw waar het graf van Marion was. Links ernaast lag een ouder graf. De steen was een beetje verweerd maar nog goed leesbaar. Amy zag hoe haar opa naar het oudere graf keek. Langzaam liep hij ernaartoe en legde met gesloten ogen even zijn hand op de steen. Het was het graf van zijn vrouw, Amy’s oma, die nog voor de geboorte van Lou was gestorven. Lou was nu drieëntwintig.
Na een paar tellen liep Jack weer terug naar het kleine groepje. Hij kuchte even. „Ik wil jullie allemaal bedanken dat jullie zijn gekomen. Zoals jullie weten, zijn we hier om afscheid te nemen van Marion.” Hij keek iedereen even aan. „Ze was een dochter, een moeder en een vriendin. Ieder van ons heeft zijn eigen herinneringen aan haar. Ze maakte ons aan het lachen, ze troostte ons en luisterde naar ons, ze hielp ons en ze hield van ons. Ze hield ook met heel haar hart van de paarden die ze verzorgde en genas op Heartland. Haar liefde was oneindig. Ik ben heel trots dat ze mijn dochter was.”
Terwijl haar opa sprak, keek Amy naar de lichtgrijze steen op het graf van haar moeder. De grond eromheen was nog vers en een beetje vochtig. Het leek alsof haar opa’s woorden langs haar heen gleden, ze drongen helemaal niet tot haar door. Met droge ogen staarde ze naar de letters op de steen en las telkens weer de naam van haar moeder, haar geboortedatum en de datum waarop ze was gestorven. Zij, Lou en Jack hadden samen de tekst gekozen. Op de steen stond:
Ze zal altijd voortleven op Heartland
„Amy.” Jacks stem onderbrak haar gedachten. „Wil je het gedicht voorlezen dat je hebt uitgekozen?”
Amy knielde en legde de bos lelies aan de voet van de steen. Toen ging ze weer naast Lou staan, die met tranen in haar ogen haar hand vastpakte. Amy pakte het papiertje uit haar zak en vouwde het open. „Mam hield erg veel van dit gedicht,” zei ze zacht. „Het hing naast haar spiegel. Papa heeft het haar gegeven toen haar eerste paard doodging. Het heet Het leven dat ik heb en is geschreven door Leo Marks.” Ze begon te lezen:
„Het leven dat ik heb
Is alles wat ik heb
En het leven dat ik heb
Is voor jou.”
Terwijl ze las, merkte Amy dat Lou tegen haar tranen vocht en dat haar opa met zijn hand in zijn ogen wreef. Ze had verwacht dat ze zelf ook in tranen zou uitbarsten, maar haar ogen bleven droog. Met heldere stem las ze door, ze voelde zich verdoofd.
„De liefde die ik heb
Voor het leven dat ik heb
Is voor jou, voor jou, voor jou.
Nu zal ik slapen
En nu zal ik rusten,
Maar de dood is slechts een pauze.
Want de vrede van mijn jaren
In het lange, groene gras
Is voor jou, voor jou, voor jou.”
Terwijl ze het papier opvouwde, hoorde Amy Lou zachtjes snikken. Wanhopig vroeg ze zich af waarom ze zelf niets voelde. Waarom kon ze niet huilen? Ze stopte het gedicht in haar zak en legde haar hand op de grafsteen. „Dag, mam,” fluisterde ze. „We zullen goed voor de paarden en Heartland zorgen. Dat beloof ik.”
Jack kwam naast haar staan en sloeg zijn arm om haar schouder. Ze draaide zich om en hij gaf haar een zoen op haar voorhoofd. Ze bleven allemaal even stil staan.
Na een poosje liepen ze terug naar de parkeerplaats, iedereen verzonken in zijn eigen gedachten. Ty kwam naast Amy lopen en keek haar aan. „Gaat het?”
Amy wist dat hij verbaasd was dat ze niet huilde. Het was niets voor haar om haar gevoelens te verbergen. Maar ze deed het niet expres. Allerlei gevoelens en gedachten tolden rond in haar hoofd. Ze wilde wel huilen, maar ze kon het gewoon niet.
„Jawel hoor. Ik ben blij dat je er bent, Ty,” zei ze met een glimlach.
„Dat wilde ik zelf graag. Je moeder was geweldig. Door haar weet ik dat ik een talent heb voor het begrijpen van paarden. Ik ben met school gestopt omdat ik met haar wilde werken. Ik wist dat zij me veel meer kon leren dan welke leraar op school dan ook.” Verwarring en verdriet klonken in zijn stem. „Ik kan gewoon niet geloven dat ze er niet meer is.”
Amy raakte even zijn arm aan en Ty pakte haar hand. Toen hoorde ze Scott haar naam roepen. Ze haalde diep adem en draaide zich om.
Scott liep naar haar toe. „Wat een prachtig gedicht. Ik begrijp wel waarom Marion het zo mooi vond.”
„Ja, hè,” zei ze. Terwijl Scott haar aankeek, veranderde ze snel van onderwerp, zodat hij niet zou merken dat ze niet huilde. Ze schaamde zich dat er geen tranen kwamen. Zo leek het net alsof ze niet onder de indruk was. „Hoe… Hoe gaat het met Spartan?” Terwijl ze het zei, kneep haar keel zich samen. Spartan. Scott had die naam gekozen. Ze vond het moeilijk om aan Spartan te denken.
„Hij is erg onrustig. Lichamelijk gaat het beter, maar geestelijk is hij nog steeds niet in orde. Hij is heel zenuwachtig en bang als er mensen in zijn buurt komen. Door het ongeluk is hij erg van slag geraakt.”
Amy voelde zich direct weer schuldig.
Scott keek haar bemoedigend aan. „Maar ik denk dat je hem beter kunt maken, Amy. Als iemand hem kan genezen, ben jij het.”
De volgende dag tegen drieën stond Amy op Scott en Spartan te wachten. Lou en Jack waren boodschappen aan het doen en Ty had een vrije dag, dus was Matt langsgekomen om haar gezelschap te houden.
Matt schopte tegen steentjes op de oprijlaan. „Ze zullen zo wel hier zijn.” Hij keek op zijn horloge. „Scott zei dat ze om drie uur zouden komen.”
„Ja.” Amy’s hart bonkte bij het idee Spartan weer te zien. Ze was blij dat Matt er was. Ook al was hij geen echte paardengek en zou hij nooit goed kunnen begrijpen hoe ze zich voelde, hij was toch een hele steun.
„Heb je nog iets van Soraya gehoord?” wilde Matt weten.
„Ik heb vorige week een brief van haar gekregen.” Soraya Martin was Amy’s beste vriendin. Ze was de hele zomer op paardenkamp en Amy miste haar. „Volgens mij vindt ze het daar hartstikke leuk.”
„Wanneer komt ze terug?”
„Over drie weken. Ik zal blij zijn als ze er weer is.” Amy keek voor de zoveelste keer hoe laat het was. Waar bleef Scott toch? Hij had er allang moeten zijn.
Ze liep naar de grote schimmel in de voorste stal en aaide hem over zijn voorhoofd. Hij duwde liefdevol zijn neus tegen haar arm en ze glimlachte. Hoe ze zich ook voelde, het leek wel of Pegasus haar altijd begreep. Hij was van haar vader geweest, een van de beste springruiters van de wereld. Maar door een ongeluk tijdens een springwedstrijd in Londen twaalf jaar geleden kon haar vader nooit meer rijden. Ook Pegasus was behoorlijk gewond geraakt, en hij was geestelijk heel erg in de war geweest.
Amy zoende Pegasus op zijn zachte snuit. Na het ongeluk had haar moeder geprobeerd Pegasus te genezen. In die tijd leerde Marion alles wat er te leren viel over alternatieve geneeswijzen. Nadat zij en Amy’s vader uit elkaar waren gegaan, was ze naar Amerika gegaan om op Heartland een tehuis voor paarden te beginnen.
Matt liep bezorgd naar Amy toe. „Het is al twintig over. Als er maar niets is gebeurd.”
Op dat moment hoorde Amy in de verte de motor van een auto en ze gaf Pegasus een laatste klopje. „Daar zul je ze hebben.”
Een paar seconden later kwam Scotts gedeukte, oude jeep het erf oprijden, met een schommelende trailer erachter. Toen de auto dichterbij kwam, hoorden Amy en Matt het dreunen van hoeven. Ze keken elkaar even aan.
De jeep stopte vlak naast hen. Scott zette de motor af en sprong eruit. „Tjonge, wat een rit!” Zijn gezicht stond gespannen en hij wees naar de trailer. „Ik dacht op een gegeven moment echt dat Spartan de hele trailer aan stukken zou trappen. Hij heeft de hele weg tegen de wanden staan beuken.”
Het was even stil. Toen klonk er een schril gehinnik, vol haat en woede.
Amy sprong opzij toen vlak naast haar een hoef tegen de metalen zijkant van de trailer knalde.
„Wauw!” zei Matt. „Volgens mij is hij helemaal over de rooie.”
„Nu we stilstaan zal hij wel wat rustiger worden. Laten we hem er maar uithalen,” stelde Scott voor. „Als jullie de voorste laadklep naar beneden doen, dan houd ik hem bij zijn halster vast.” Hij stapte het zijdeurtje in. Er klonk weer een serie dreunen en de trailer schudde heen en weer.
Amy’s hart bonsde in haar keel toen ze de laadklep losmaakte. Ze herinnerde zich Spartan zoals hij die avond was geweest, toen ze hem met haar moeder was gaan redden: mooi en vol vertrouwen. En verbazingwekkend vriendelijk, als je bedacht dat hij een hengst was en al dagenlang in een donkere schuur opgesloten had gezeten. Toen het duidelijk was geworden dat hij het ongeluk zou overleven, en dat hij naar Heartland zou komen om te genezen, had Scott hem gecastreerd. Een ruin was veel makkelijker te verzorgen en het zou zo een stuk eenvoudiger zijn om een nieuw tehuis voor hem te vinden. Maar ook al was hij nu geen hengst meer, hij klonk wilder dan ooit.
„Laat maar zakken,” klonk het vanuit de trailer.
Amy en Matt trokken de laadklep naar beneden en sprongen net op tijd opzij. Spartan gooide zich naar voren.
„Rustig. Ho maar!” riep Scott.
Het paard sprong wild de laadklep af. Toen bleef hij staan en keek om zich heen naar de weilanden en de hekken. Zijn gitzwarte vacht was nat van het zweet en zijn ogen vonkten.
Amy keek verstijfd van schrik toe. Ze herkende het paard nauwelijks. Het vertrouwen dat ze de eerste keer in zijn ogen had gezien, was helemaal verdwenen. Er stond nu alleen nog woede en angst in te lezen. Over zijn rug en flanken kronkelden lelijke littekens. Een heftig schuldgevoel maakte zich van Amy meester. Het liefst wilde ze zo ver mogelijk wegrennen.
Toen hij Amy rook, draaide Spartan zijn hoofd abrupt om. Met een schreeuw van pure haat deed hij een uitval naar haar, zijn tanden ontbloot en zijn oren plat in zijn nek. Geschrokken sprong Amy achteruit.
Scott hing met zijn hele gewicht aan het halstertouw om het paard weer onder controle te krijgen. „Gaat het?” riep hij naar Amy.
„Ik leef nog,” antwoordde Amy buiten adem.
„Laten we hem maar snel in zijn box zetten.”
„Ik doe de deur wel open,” zei Matt. Hij liep voorzichtig om Spartan heen en rende naar de stal.
Scott leidde Spartan achter hem aan. Het paard dribbelde zijwaarts en schudde met zijn hoofd. Het leek of hij Amy in het oog wilde houden, maar Scotts stem en zijn hand op het halster dwongen hem door te lopen.
Scott zette het paard in zijn box en deed de deur dicht. „Sorry dat ik hem net bijna niet kon houden,” zei hij tegen Amy. „Ik weet niet wat er aan de hand was. Hij is de laatste tijd steeds al moeilijk, maar hij heeft nog nooit iemand echt aangevallen.”
„Misschien was hij van slag omdat hij weer in een trailer moest,” bedacht Amy. „Dat vindt hij sinds het ongeluk natuurlijk hartstikke eng.” Ze liep naar de boxdeur en keek naar binnen.
Zodra Spartan haar zag, verstijfde hij. Opeens, zonder waarschuwing, schoot hij naar de deur en beet naar Amy. Zijn tanden miste haar arm op een haar na.
„Ho!” riep Scott naar het paard. Spartan sprong weer terug in de achterste hoek van zijn box.
„Waarom deed hij dat nou?” vroeg Matt aan Amy.
Ze keek snel naar Scott. „Hij heeft een hekel aan me, denk ik. Hij weet dat het ongeluk mijn schuld was.”
„Natuurlijk heeft hij geen hekel aan je,” zei Scott. „Paarden geven nooit iemand de schuld, dat weet je best. Maar misschien doe je hem wel aan het ongeluk denken. Hij valt uit angst aan, denk ik. Hij is bang dat als jij in de buurt komt, er misschien weer iets ergs met hem gebeurt.” Hij keek Amy bemoedigend aan. „Het gaat lang duren, maar je hebt wel vaker moeilijke paarden geholpen.”
Ja hoor, wilde Amy uitschreeuwen, maar nooit een paard dat zo’n hekel aan me had.
Scott zag de twijfel in haar gezicht. „Je kunt het echt, Amy. Misschien ben je zelfs wel de enige die het kan. Als Spartan jou leert vertrouwen, zal hij iedereen kunnen vertrouwen.”
Amy slikte. Elke dag zou ze Spartan in zijn kwade ogen moeten kijken en moeten vechten tegen zijn haat. Ze wist niet of ze dat wel aankon.
„Als je het echt niet wilt, moet je het niet doen. Dan zoek ik wel iemand anders die het wil proberen.” Scott deed zijn best om niet te laten merken hoe teleurgesteld hij was.
Amy wist dat het niet makkelijk zou zijn om iemand anders te vinden die Spartan kon helpen. „Nee, ik doe het wel.”
Scott glimlachte en klopte op haar schouder. „Fantastisch! Het wordt moeilijk, maar ik weet heel zeker dat je het kunt, Amy.”
Ze keek in de richting van Spartans box. Ze wilde dat ze er net zoveel vertrouwen in had als Scott…