Hoofdstuk 5

Lou en Amy liepen zwijgend om het huis heen naar de trailer en de pick-up-truck. De boze woorden van de vorige dag leken tussen hen in te hangen als een onzichtbare muur. Lou negeerde Amy, liep voorzichtig door het lange, natte gras met haar open schoenen en deed de autodeur van het slot.

Plotseling stopte Amy. De zijkant van de truck was gerepareerd en opnieuw gespoten.

Lou keek om. „Wat gaan we…” Ze stopte toen ze zag waar Amy naar keek. Haar uitdrukking werd direct zachter. „Sorry… Ik had er niet aan gedacht.” Ze deed het portier weer dicht en stak de sleutels in haar zak. „Je hoeft echt niet mee. Ik weet zeker dat Ty het ook wel aankan.”

Amy slikte en schudde haar hoofd. Ze duwde haar handen dieper in de zakken van haar jas. „Nee. Ik moet Sugarfoot helpen.” Ze stapte in, haar hart bonzend in haar keel.

Lou startte de motor, terwijl ze Amy af en toe een ongeruste blik toewierp.

Bij elke hobbel en kuil in de oprijlaan schoot een andere scène van het ongeluk door Amy’s hoofd. De ruitenwissers piepten over de voorruit en Amy klemde zich aan haar stoel vast. Ze dwong zichzelf aan Sugarfoot te denken.

Toen ze de weg opdraaiden, zei Lou opgelaten: „Het spijt me, van gisteren. Ik had al die dingen niet moeten zeggen.”

Amy keek uit het raam in de zijspiegel.

Er viel een drukkende stilte. Wat gisteren door hen beiden gezegd was, kon niet ongedaan gemaakt worden. Amy zou Lou nu op haar gemak kunnen stellen, maar hoewel ze maar een klein stukje uit elkaar zaten, leek het of er een oceaan tussen hen in lag. Afgezien van wat gefluisterde aanwijzingen van Amy over hoe ze moesten rijden, zwegen ze de rest van de weg.

„Waar is de stal?” vroeg Lou, toen ze de trailer bij het huis van mevrouw Bell parkeerde.

Amy duwde het portier open. „Achter het huis,” zei ze en ze stapte de regen in. Toen ze het pad naar de schuur oprende, liep ze tegen een muur van urine- en mestlucht aan. Een eindje van de staldeur bleef ze even twijfelend staan, denkend aan wat ze binnen aan zou treffen. Ze beet op haar lip en liep door.

„O, Sugarfoot!” fluisterde ze geschokt, toen ze om de hoek van de deur naar binnen keek. De kleine Shetlander stond in het midden van de stal met zijn neus bijna op de grond. Zijn ribben staken uit, zijn flanken waren ingevallen en zijn vacht zat vol modderklonten. De ammoniakstank was bijna ondragelijk.

Toen Amy de stal instapte, begonnen de voskleurige oren van de pony te trillen en met de grootste moeite tilde hij zijn hoofd op. Zijn doffe, glazige ogen richtten zich op Amy en met een sprankje herkenning hinnikte hij schor. Amy trok zich niets aan van de viezigheid en knielde naast hem op de grond, haar handen zacht op zijn hoofd en hals. Hij bewoog een klein beetje met zijn oren alsof hij wilde laten zien dat hij haar herkende. Ze kon bijna niet geloven hoe hij veranderd was.

„Amy?” riep Lou vanuit de tuin.

Amy stond op en liep naar de staldeur. „Hier ben ik.”

Lou kwam voorzichtig het overwoekerde pad op. „Moet ik de trailer keren voor je hem erin laadt, of moet ik…” Haar stem stokte toen ze Sugarfoot zag. Ze staarde naar het uitgemergelde paardje en snakte naar adem. „Mijn hemel…” Lou kwam dichterbij en een paar tellen zwegen ze beiden. „Wat vreselijk,” fluisterde Lou uiteindelijk.

Op dat moment hoorden ze iemand roepen vanuit de tuin. „Amy! Ben jij daar?” Amy en Lou draaiden zich om.

„Scott,” zei Amy toen ze de lange gestalte van Scott Trewin zag, die het pad opliep.

Hij kwam bij haar staan en keek haar bezorgd aan. „Hoe gaat het met je?”

„Goed,” wimpelde Amy zijn vraag af. Ze wilde even niet aan haar eigen problemen denken. „Het gaat nu om Sugarfoot.” Ze stapte opzij om Scott in de stal te laten kijken. Toen realiseerde ze zich dat haar zus daar ook nog stond, en ze stelde haar haastig voor. „O ja, dit is Lou. Mijn zus.”

„We kennen elkaar,” zei Scott.

Amy bedacht zich opeens dat Scott waarschijnlijk nog steeds voor de hengst zorgde, die zij en haar moeder die nacht met de trailer bij Clairdale Ridge hadden opgehaald. Lou en Scott hadden elkaar natuurlijk al ontmoet. Hij was vast ook naar de begrafenis van haar moeder geweest. Die laatste gedachte probeerde ze meteen weer weg te duwen: daar wilde ze nu even niet aan denken.

Scott liep de stal in en keek om zich heen. „Oké, we gaan proberen hem hier uit te krijgen. Amy, kan jij Sugarfoot aan de andere kant ondersteunen en hem voorzichtig overhalen om een stukje te lopen? Maar doe voorzichtig: hij zal wel heel zwak zijn.”

Amy en Scott stonden ieder aan een kant van Sugarfoots hoofd en moedigden hem aan. Stapje voor pijnlijk stapje kwam Sugarfoot zijn stal uit. Lou bleef even staan kijken en rende toen het tuinpad af. Amy merkte niet eens dat ze wegliep, zo druk had ze het met Sugarfoot. Eindelijk stond hij buiten op het gras.

„Mooi,” zei Scott. „Nu kan ik hem beter bekijken.” Hij liet zijn handen over de pony glijden en nam vervolgens zijn hartslag op.

Amy aaide Sugarfoots oren om hem rustig te houden. Maar de hele tijd dat Scott bezig was, stond de pony stil, recht voor zich uit starend. Amy verbaasde zich erover dat hij totaal geen aandacht scheen te hebben voor het groene gras.

Scott liep terug naar de stal en keek eens rond. „Nou, hij had in ieder geval water.” Hij wees op de regenpijp die vanaf het dak naar een emmer in de stal liep. „Als dat er niet was geweest…” Hij schudde zijn hoofd.

Amy begreep wat hij bedoelde. Zonder water overleefde geen enkel paard het langer dan een paar dagen in een hete stal.

„Ik denk dat we hem het beste mee kunnen nemen naar Heartland om te zien wat jullie met hem kunnen. Hij is veel te mager, maar verder is hij niet ziek. Als hij maar wil eten, dan komt het wel goed met hem.”

„Ik krijg hem wel aan het eten,” zei Amy vol overtuiging, terwijl ze Sugarfoot over zijn neus aaide. Ze zou hem wel beter maken.

„Oké dan.” Scott glimlachte. „Laten we hem naar de trailer brengen.”

Lou wachtte al op hen. Ze had de laadklep neergelaten en keek toe hoe Amy en Scott de kleine Shetlander in de trailer probeerden te lokken.

Sugarfoot nam een paar aarzelende stapjes en bleef toen weer staan. Hij ging de trailer pas in toen Amy aan zijn halster trok en Scott hem van achter aanmoedigde.

„Kun je iets voor hem doen?” vroeg Lou aan Scott toen de pony eindelijk in de trailer stond.

„Nou, behalve dat hij ondervoed is, lijkt er verder niks mis met hem te zijn,” antwoordde Scott, terwijl hij de laadklep af liep. Hij klonk erg voorzichtig. „Laat het maar aan Amy over. Zij weet wat ze moet doen.”

Amy fronste haar wenkbrauwen toen ze de klep dichtdeed. Ze was blij dat Scott haar vertrouwde, maar hij was anders nooit zo onzeker over de toekomst van een patiënt.

Terwijl ze de grendels dichtmaakte, draaide Scott zich naar haar om. „Bel me maar als je je ergens zorgen over maakt, oké?” zei hij, nu weer met gewone stem. „En anders kom ik morgenochtend langs.”

„Goed. Ik zie je morgen.”

„Ja, tot morgen.” Scott knikte kort naar Lou en stapte in zijn auto.

Toen ze weer bij Heartland terugkwamen, zag Amy opgelucht dat Ty in een van de boxen in de achterste stal al een dikke laag stro had neergelegd. Geduldig als altijd hielp hij Amy om Sugarfoot uit de trailer te krijgen en in de stal te zetten. De kleine Shetlander liep naar binnen en ging meteen liggen, zijn neus op het stro en zijn ogen half dicht.

Ty keek naar de uitstekende ribben van Sugarfoot. „Hij heeft wel erg overdreven aan de lijn gedaan,” merkte hij op, maar zijn gezicht stond bezorgd.

Amy knikte. „Ik zal eerst maar eens een emmer slobber van zemelen maken. Is er nog geweekte bietenpulp?”

„In het voerhok. Ik pak wel wat hooi.”

Amy lachte even naar hem. Gelukkig zei hij geen woord over het feit dat ze eindelijk het huis was uitgekomen en weer in de stallen was. Hij richtte al zijn aandacht op Sugarfoot.

Ze ging naar het voerhok, vulde een emmer met zemelen en zette een ketel met water op. Terwijl ze wachtte tot het kookte, hakte ze wat wortels in kleine stukjes en mengde deze, samen met een schep voerderbietenpulp en een handje haver, door de zemelen. Ze wist dat het belangrijk was een paard dat zo ondervoed was als Sugarfoot, niet meteen te veel eten te geven. Omdat hij zo lang niets had gegeten, zou zijn maag een grote hoeveelheid voer niet aankunnen. Het zou langzaam maar zeker moeten gebeuren, elke dag een beetje meer.

Ze ging naar de kast in een hoek, waarin boeken over kruidengeneeskunde, gedroogde kruiden, potjes zalf, bloesemremedies en flesjes met aromatische oliën stonden. Amy wist precies wat alles was. Marion had haar alles geleerd wat ze over natuurgeneeskunde wist.

Amy probeerde niet op de brok in haar keel te letten, terwijl ze de aantekeningen van haar moeder doorkeek. Ze voegde wat fenegriekzaden aan het voer toe om het lekkerder te laten smaken. Ook pakte ze wat knoflookpoeder voor de spijsvertering en een handvol gehakte rozenbottels voor de vitaminen.

Eindelijk was het klaar en Amy liep terug naar de stal van Sugarfoot, waar ze de emmer met voer voor zijn neus hield. Sugarfoot tilde zijn hoofd een klein beetje op toen ze binnenkwam.

„Alsjeblieft, meneertje.” Amy bukte om zijn hals te aaien. Hij snuffelde aan de emmer en draaide toen zijn hoofd weg.

„Toe nou, Sugarfoot,” zei Amy, verbaasd dat hij niet gelijk ging eten. Het gebeurde bijna nooit dat een paard geen zin had in slobber. Ze pakte een handjevol voer en hield het de pony voor. Zijn lippen raakten haar hand toen hij een stukje wortel opat. Amy pakte nog een hand voer. Sugarfoot at nog een beetje, maar na de derde hap wilde hij niet meer.

Amy zette de emmer neer en dacht na. Misschien was hij nog van slag na de rit in de trailer en moest hij eerst wennen. Ze liet de emmer naast hem staan en pakte een poetskist. Ze ging naast hem in het stro zitten en begon voorzichtig zijn vacht te borstelen en de klitten uit zijn manen en staart te kammen.

Tegen de avond zag Sugarfoot er een stuk schoner uit, maar hij had nog steeds niet meer dan een paar handjes voer willen eten. Amy begon zich zorgen te maken.

„Eet hij nog steeds niet?” Ty stak zijn hoofd om de deur voor hij naar huis ging.

Amy schudde haar hoofd.

„Misschien voelt hij zich na een goede nacht slapen wel beter.”

„Misschien.” Amy stond op en keek naar de Shetlander. Zijn neus rustte op het stro en zijn ogen waren half dicht. „Ik hoop het,” zei ze, terwijl ze het stro van haar knieën klopte.

„We zullen het morgen wel zien,” meende Ty en hij draaide zich om om weg te gaan. Toen keek hij achterom en lachte naar Amy. „Weet je, het is goed dat je er weer bent.”