HOOFDSTUK XVI


De oplossing van het keldergeheim — Besluit

 

Precies op de eenentwintigste december was het gaan sneeuwen. Toen de kerstvakantie aanbrak, hield het sneeuwen op en daarna begon het geweldig hard te vriezen. Het beloofde een strenge winter te worden. De koude viel zo plotseling in, dat vele arme mensen het hard te verduren hadden. De roversbende ,De Zwarte Hand' deed in de laatste tijd heel wat aan sneeuwballen gooien en sleetje rijden, maar toen het zo verbazend koud begon te worden werden de armen niet vergeten.

De geheimzinnige schatkamer, die wel van niemand scheen te zijn, bevatte zulke rijke voorraden wollen goederen en kruidenierswaren, dat de rovers er de hele buurt wel van konden bedelen.

Toen het al gauw winter werd, maakten Piet en zijn rovers heel wat bundels warme kousen en borstrokken en zakken vol erwten en bonen en koffie klaar, om aan de armen uit te reiken.

De opgewondenheid onder de arme bevolking in die buurt werd groter, naarmate er meer en meer pakjes werden thuisbezorgd op onverklaarbare wijze. Wie was de edele gever van al die weldaden?

De kranten begonnen zich er tenslotte mee te bemoeien en plaatsten lange artikelen, waarboven met grote letters te lezen stond:

 

Een onbekende weldoener aan het werk

 

Het raadsel zou echter voor het publiek spoedig opgelost worden, maar op een manier, die de rovers en de mensen uit de stad niet verwacht hadden.

Op zekere middag waren de rovers in hun hol en maakten zich gereed opnieuw een tocht naar hun geheime schatkamer te ondernemen.

Hoofdman Pietje ging hen voor en leidde zijn mannen de trap af en door het donkere gewelf. Zonder een woord te spreken — zij namen altijd een doods stilzwijgen in acht, wanneer zij door de onderaardse gangen slopen — bewogen zij zich achter elkaar voort. Bij de tweede trap gekomen, wenkte Piet hen weer te wachten, terwijl hij zelf naar boven sloop om de deur te openen en de kist weg te schuiven.Evenals altijd luisterde hij ook nu weer even, wel verwachtende in het geheel niets te horen. Er was immers toch nooit iemand in dat vergeten pakhuis? Dus, eigenlijk meer uit gewoonte, legde hij even het oor tegen de deur.

Maar stil, wat was dat?

Praatte daar iemand aan de andere kant?

Hij luisterde nog eens scherp toe.

Ja, er was nu geen twijfel aan. Er was iemand daar!

Piet sloop geruisloos weer naar beneden, wat de anderen vreemd vonden.

„Wat is er?" fluisterde Peentje, „waarom open je de deur niet?"Pietje beefde van opwinding.

„Ssssst. . ." waarschuwde hij op gedempte toon. „Er zijn mensen daar."„Kan je ze horen?" vroeg Kees.Piet knikte. „Ga jij maar 's luisteren," zei hij.Kees beklom de trap zonder enig geluid te maken en hield zijn oor bij de deur. Een ogenblik later wenkte hij Pietje om naderbij te komen.

Piet klom weer naar boven en Kees fluisterde:

„Als we de deur zachtjes opendoen, kunnen we netlangs de kist heen kijken . . . Ssst, blaas je kaars uit... zeg jongens, blaas allemaal je kaars uit!"

Zo deden ze en daar stonden ze in het donker.

Het was een gewaagde onderneming om die deur te openen. Je kon nooit weten of er niet een paar grote sterke kerels daar waren, die de jongens ik-weet- niet-wat zouden doen. Pietje en Kees begrepen dat ook, en het was met bevende handen dat zij langzaam, o zo langzaam, de deur opentrokken. Gelukkig voor hen maakten de scharnieren geen geluid. Nauwelijks hadden ze de deur op een kier, of ze zagen een licht. Er was juist een smalle reet tussen de deur en de kist, waar zij doorheen konden gluren. En nu hoorden zij ook veel duidelijker de stemmen.

„Wat denk jij ervan?" vroeg een man.„Ik vertrouw het zaakje niet. .. d'r moet er bepaald een hier geweest zijn ... en die heeft heel wat weggesleept ook."„Dat kan mij zoveel niet schelen," zei de ander, „maar het wordt tijd dat we dit zaakje hier vandaan slepen en aan de man brengen."Piet luisterde in spanning toe. Waar, voor de drommel, had hij die stemmen méér gehoord? Ze kwamen hem enigszins bekend voor .. . Als de kerels maar eens in de lijn van het licht kwamen!

„Het beste zal zijn vannacht met een wagen hierheen te komen en de boel weg te halen."„Met een wagen, door al die sneeuw?"„Wel, we kunnen voor mijn part een slee nemen, maar weg moet het en zo gauw mogelijk, anders worden we geknipt, maat!"„Ik zal Dries zien te krijgen, die heeft een grote vrachtslee en dan moeten we vannacht de boel maar weghalen."Na deze woorden liep de spreker naar een ander gedeelte van de kelder, waardoor hij juist in de lijn van het licht kwam, dat de jongens zagen.

Pietje Bell schrok toen hij het gezicht van de man zag.

Dat was Teun ... dezelfde kerel.. . die hem en Peentje had opgesloten . .. Teun en Klok... de andere moest bepaald Klok zijn. . .

„Doe dicht," fluisterde Piet verschrikt, „doe dicht en kom mee."Verbaasd volgde Kees hem naar beneden.

De andere jongens wachtten met ongeduld hun terugkomst af, maar zeiden geen woord, want de rovers- wet verbood hun te spreken in het gewelf. Zwijgend trokken ze terug naar het rovershol. Daar aangekomen, onder dezelfde stilzwijgendheid, gingen ze op hun plaats zitten om de tafel. Ze merkten allemaal wel dat Piet er verschrikt uitzag.

„Er zijn twee kerels in onze geheime schatkamer," begon hij, „en dat zijn dezelfde mannen die ons vroeger hebben opgesloten in een boerenwoning, waar dat gestolen goed in de kelder lag."„Teun en Klok!" riep Peentje uit, maar dadelijk sloeg hij zijn hand voor de mond.„Ssst. . ." klonk het vermanend.„Hoe komen ze erin?" vroeg Kees op fluisterende toon, „wij hebben er nooit een deur gezien. Alleen maar die, waardoor wij naar binnen kwamen."„Wel, hier zijn ze niet doorgekomen," beweerde Piet, „en het kan me weinig schelen ook."„Laten we een politieagent roepen," zei Jaap.„Wacht eventjes," zei Kees, „als we de politie erbij roepen, moeten ze hier doorheen, en dan is het met ons geheime rovershol afgelopen."„Wat moeten we dan doen?" vroeg Peentje. „Die twee dieven moeten toch gepakt worden! Weet je niet meer dat ze laatst nog geprobeerd hebben ons weg te halen in een auto?"„Ik hoorde ze zeggen," vervolgde Pietje, „dat ze vannacht zouden terugkomen om de boel weg te halen."De jongens bleven nog lange tijd beraadslagen, maar ze wisten niet precies wat ze doen moesten om de rovers te vangen en hun ontvluchting te beletten.

Laten we intussen even teruggaan naar Teun en Klok, en de lezer verklaring geven van een en ander. De zogenaamde geheime schatkamer van de jongens, die zij als een verlaten en vergeten pakhuis beschouwden, was niets anders dan een nieuwe bergplaats van gestolen goederen van Teun en Klok. De dieven waren zo slim geweest op verre afstand te gaan wonen van hun stapelplaats, zodat de buren in Katendrecht hen nooit met gestolen goederen konden zien. Hun vriend en helper, de graaf, die kort geleden in handen van de politie gevallen was, had zijn mond stijf dichtgehouden en niets verraden, zodat hij er met een lichte straf was afgekomen. Zij waren echter in lange tijd niet naar hun standplaats van gestolen goederen  gegaan, uit vrees dat de politie een oogje op hen hield. Gedurende die tijd had Pietjes roversbende naar hartelust de goederen onder de arme bevolking uitgedeeld.

Zoals jullie al weten, waren de voorraden door de jongens ontdekt, maar daar hadden Teun en Klok niet het minste besef van.

Ze waren nogal verbaasd toen ze zagen dat er zoveel spullen verdwenen waren. Hun onderaards pakhuis was niets anders dan een gewone kelder. Maar in plaats van een stenen trap gebruikten zij een ladder, die tegen de zoldering werd geplaatst. Een valluik gaf toegang tot een verlaten werkplaatsje, achter een der naburige krotten. Dat valluik hadden de jongens over het hoofd gezien, want ze hadden er nimmer aan gedacht, behalve de muren ook de zoldering eens te onderzoeken.

Teun liep met grote passen heen en weer. Plotseling bleef hij staan bij de kist, die de geheime deur verborg.

Hij bukte zich eens en tuurde langs de zijkant van de kist.

Toen greep hij opeens met beide handen de kist beet en rukte die van haar plaats.

En daar zag hij de deur.

Hij kon ternauwernood een kreet van verbazing bedwingen.

„Een uitgang ... en hier hebben ze ons goed doorheen gesleept," zei hij tot Klok, die naderbij kwam.„We moeten voorzichtig zijn," zei Klok. „Het zaakje bevalt mij helemaal niet en ik ben bang dat we in de val lopen. Laten we liever zo gauw mogelijk hiervandaan zien te komen, je kan nooit weten of de politie niet op de loer ligt."„Och, jij altijd met je politie. Als we allemaal zo rustig sliepen als de Rotterdamse politie .. . maar stil, ik weet wat. Ik zal alleen eens op onderzoek uitgaan en jij blijft hier. Als er onraad is kom ik dadelijk terug om het je te vertellen. Maar als ik in tien minuten niet terug ben kom je me achterna, begrepen?"„Best," zei Klok.Teun had een elektrische zaklantaarn, die hij in de hand nam, waarna hij over de ladder en door het valluik verdween. Het wachten viel Klok lang, zodat hij besloot eens in de kelder te gaan kijken. Voorzichtig opende hij de deur in de muur en daalde langzaam de stenen trap af. Door het gewelf sloop hij verder en ontdekte de andere trap, die naar het rovershol leidde. Maar hij struikelde over iets en stootte een kist om, waardoor hij enig geraas maakte, dat de rovers hoorden.

De jongens zaten stil bijeen, af en toe met elkaar fluisterend.

„Daar komt er al een," liet Pietje Bell op zachte toon horen, „blaas je lichten uit, mannen."En toen was het volslagen donker in het rovershol.

Daar klonk een zacht gestommel en een onderdrukte verwensing. Er was geen twijfel aan . . . een der kerels klom naar het rovershol.

„Sssst... niet spreken," fluisterde Piet.Toen werd er aan de deur gerammeld... de kerel probeerde die te openen . .. Eerst op een kier. .. waardoor een straal licht kwam . . . dan verder en verder . . .

Een hoofd werd zichtbaar. . . het hoofd van Klok. En juist wou deze een uitroep van verbazing laten horen bij het ontdekken van een groep jongens in het donkere hol, toen opeens een hevige slag hem op het hoofd trof, en de man als een lege zak in elkaar zonk.

Wat was er gebeurd?

Toen Teun naar buiten sloop, werd hij vóór hij een kik kon geven, door een paar agenten in burger overmeesterd, die daar op post stonden. De politie had Teun en Klok gevolgd! Reeds lang had de politie het oog gehad op het komen en gaan van Pietje en zijn kornuiten en daarom was die avond tot een inval besloten.

Na de arrestatie van Teun waren gewapende agenten door het valluik naar beneden gekomen en ze hadden Klok meteen gevonden.

Maar de jongens waren zo opgewonden over het gebeurde, dat ze alle voorzichtigheid uit het oog verloren en luid met elkaar spraken, de een nog harder dan de ander.

„Sssst. . ." vermaande de hoofdman, „als jullie zo'n herrie maken krijg je de hele buurt hierheen."Het was een grote tegenvaller voor hen dat het hol opeens gevuld was met politie en dat ze als medeplichtigen van de dieven naar het bureau werden vervoerd.

„Nou wordt-ie goed," zei Piet. „Ik wilde juist alles aan mijn vader vertellen en hem vragen of hij ons helpen wilde de kerels naar de politie te brengen. En nu gaan we allemaal mee."Maar vader Bell werd door een rechercheur van huis gehaald en hij en de jongens moesten een uitvoerig verslag van het gebeurde afleggen.

Het verhoor duurde lang, want de commissaris was niet van plan het verhaal van de jongens zó maar te geloven. Ze moesten ieder in een cel een angstige nacht doorbrengen en werden eerst de volgende dag met een scherpe vermaning ontslagen. Weer stond de krant vol van de avonturen van Pietje Bell en de roversbende ,De Zwarte Hand'. De hele stad lachte zich slap om Pietje, maar ze vonden hem toch een kranige jongen, een echte Hollandse rakker, maar met een hart van goud voor de armen en zwakken.

De mensen van wie de spullen waren geweest waren toevallig allemaal rijk. Zij vonden het werk van ,De Zwarte Hand' erg leuk en de bendeleden mochten de rest ook nog uitdelen aan de mensen die het in de winter niet zo goed hadden. Anders had het voor de jongens nog wel slecht af kunnen lopen, want je mag natuurlijk zo maar op je eigen houtje geen spullen van een ander weggeven en zeker niet als je vermoedt dat ze van diefstal afkomstig zijn. Met al zijn goede bedoelingen had Pietje nu toch in de tuchtschool terecht kunnen komen, en wat zou Jozef Geelman dan gelachen hebben! Maar Pietje bofte weer eens!

En voor het eerst van zijn leven werd Pietje Bell geprezen, omdat hij met zijn roversbende de politie op het spoor gebracht had. De krant noemde hem nu niet de schrik van de stad, maar ditmaal prijkte zijn naam met grote letters en noemde men hem de held van Rotterdam.

En Pietje? Och, al die mooie woorden konden hem maar weinig schelen, alleen vond hij hoog tijd dat de krant nu eindelijk eens iets goeds zei na zo'n zo lange tijd allerlei kwaads van hem te hebben geschreven.

Zo was dan alweer een ander hoofstuk in Pietjes veelbewogen leven ten einde, en hiermede eindigt tevens het boek van de goocheltoeren en verder verblijf van Pietje Bell.