.4.
De dag dat de jongens naar kostschool gingen, was een dag vol tranen, klachten en verwijten. Om tien uur 's morgens had ze alle kinderen naar de kamer van hun moeder gebracht. Ze huilden allemaal, vooral Jessie Ann, en toen hun moeder ook nog mee ging doen, kon Tilly haar eigen tranen nauwelijks bedwingen. Wat haar nog het meeste had getroffen, was de houding van de kleine dondersteen tegen haar, zo'n uur geleden. Ze was bezig hem in zijn nieuwe kleren te helpen en hij had zijn hoofd tegen haar aan gelegd en gestameld: 'Ik wil niet weg, Trotter, ik... ik zal me echt goed gedragen, als ik mag blijven.' Voor het eerst had ze haar armen om hem heen geslagen en gezegd: 'Het is niet voor altijd, jongeheer Matthew. Er komen veel vakanties. Met Kerstmis krijgen we een hoop feest hier.' Hij had zijn hoofd opgetild en haar aangekeken en voor het eerst zag ze het bange jongetje achter de dondersteen. 'Het... het zal allemaal zo anders zijn, ik weet gewoon niet wat ik moet doen. En het zullen allemaal grote jongens zijn.' 'Alles zal in orde komen, jongeheer Matthew. U zult het er vast wel naar uw zin krijgen. En u gaat toch niet naar het eind van de wereld, maar een klein eindje verder dan Newcastle. Toe nou!' Toen stuurde ze hen allen de kamer uit en Mabel Price zei: 'Stil nu. Grote jongens huilen niet.' Meneer boog zich over mevrouw heen om haar te troosten. Maar dat lukte kennelijk niet zo best, want even later schalde haar hoge stem over de overloop: 'Ik zal het je nooit vergeven, Mark, nooit!' Ze stond met het andere personeel op de stoep en woof de kinderen na, die met hun vader en Fred Leyburn in een koets wegreden. Het was een hele gebeurtenis, en voor de meeste van hen een blijde gebeurtenis, dat die kleine boef eindelijk weg was. Tilly zou ook blij moeten zijn, maar ze was het, vreemd genoeg, niet. Ze zou hem missen, veel meer dan ze Luke zou missen. 'Vooruit, allemaal weer aan het werk!' Mevrouw Lucas snelde de stoep op en haar stem joeg hen uiteen. Op weg naar boven kwam ze meneer Burgess tegen, die juist was binnengekomen. 'Zo,' zei hij, 'ik heb het vertrek gemist, ik zag net de koets het hek uit rijden. Het is voor die twee bepaald wel het beste.' 'Maar u hebt ze toch veel geleerd, meneer Burgess.' 'Leren is niet genoeg, Trotter, als het niet samen gebeurt met andere jonge mensen.' Hij knikte naar haar en glimlachte. 'Leren alleen leidt nergens toe wanneer het een mens niet helpt om samen met andere mensen te leven, en in deze bekrompen huishouding zou alles wat ik de jongen heb geleerd hem weinig van dienst geweest zijn.' Ze was verbaasd te horen dat dit een bekrompen huishouding zou zijn, maar vagelijk begreep ze wel wat hij bedoelde. Hij zei zacht: 'Heb je het boek gelezen dat ik je gegeven heb?' 'Ja. Maar... maar ik begrijp het niet.' 'Je zult het gaan begrijpen als je het steeds maar opnieuw leest.' 'Er zit helemaal geen verhaal in.' 'Nou, dat zou ik niet willen zeggen. Voltaire vertelt over het leven. Toen ik je het boek gaf, dacht ik dat ik je misschien bovenaan de literatuurlijst liet beginnen in plaats van onderaan, maar wanneer je vanaf nu de lijst naar beneden afwerkt, zul je er meer van begrijpen, omdat je de bovenste boeken van de lijst eerst hebt gelezen, als je me kunt volgen.' Nee, dat kon ze niet volgen. Niet helemaal tenminste. Maar ze hield ervan naar hem te luisteren en ze had veel van hem geleerd. Hij had haar twee boeken gegeven, niet geleend, maar ze echt aan haar gegeven. De enige tijd dat ze kon lezen was 's avonds bij kaarslicht en ze was al snel door haar kaarsen heen, want ze kreeg er maar twee per week. Nu was ze op het idee gekomen het kaarsvet te bewaren en opnieuw te smelten en er een pit doorheen te doen. Ze durfde overdag niet in haar boeken te kijken uit angst dat juffrouw Price het zou zien, maar ze kon wel zonder problemen naar het werk van de kinderen kijken en zo nu en dan luisteren naar hetgeen meneer Burgess hun vertelde... Mevrouw was de hele dag van streek, dat merkte ze door alle drukte beneden. Ze had haar rustbank verlaten en was in bed gaan liggen en om acht uur 's avonds was mijnheer nog niet thuis geweest. Bij het avondeten vernam ze een andere kant van zijn karakter en dat deed haar schrikken. Dat was toen Amy Stiles zei: 'Je hebt toch niet de 133 hele dag nodig om naar Newcastle heen en terug te gaan. Je zou toch denken dat hij meteen terug zou komen, nu mevrouw er zo slecht aan toe is.' 'Welke mevrouw?' Er klonk gegnuif en Frank Summers, de eerste tuinman, herhaalde: 'Zeg dat wel: welke mevrouw. Ze is een hoer, die daar; ze hoort thuis op de kade in Shields.' 'En dan al die poeha en die maniertjes van d'r.' Amy Stiles was weer aan het woord. 'Hoe ze hier nog binnen durft te komen en bij mevrouw op bezoek te gaan, dat snap ik werkelijk niet. Ze is net zo brutaal als wat. En ze zeggen dat ze d'r personeel als oud vuil behandelt.' 'Hoe weet je dat?' Phyllis Coates keek Amy even aan. 'Hoe ik dat weet? Nou, onze Willy kent Peggy Frost, die werkt daar in de provisiekamer. Ze zegt dat die oude man een beetje kierewiet is. Aan tafel noemt hij haar steeds m'n liefje, m'n schatje, en zij zit 'm dan op z'n hoofd te zoenen en zegt allerlei gekke dingen waar hij om moet lachen. En als ie lacht, schudt zijn hele buik.' 'Jij bent goed op de hoogte, zeg!' Phyllis Coates knikte haar toe. Het gelach stierf weg, toen de kokkin zei: 'Nu is het wel genoeg. Laat iedereen zich maar met zijn eigen zaken bemoeien. Het is zaterdag en het eind van de maand, dus vooruit met de geit.' Ze keek opeens scherp naar Tilly en voegde eraan toe: 'Ben je klaar?' 'Ja, mevrouw Brackett.' 'Nou, dan kun je wel gaan.' 'Waarom eigenlijk?' Ze keken allen naar Phyllis Coates. 'Ze is hier nu al twee maanden en ze hoort erbij. Zij hoort nu ook haar portie te krijgen.' Het bleef een poos stil, toen mompelde de kokkin: 'Nou, een paar pennies dan.' 'Alles is meegenomen, nietwaar?' Phyllis draaide zich om en glimlachte naar Tilly. Toen Tilly opstond, zei ze: 'Ga zitten.' Wat er nu volgde vond Tilly volkomen onbegrijpelijk. De kokkin zette een kistje op tafel, keerde dat om en spreidde al het zilver- en kopergeld op tafel uit. Ze haalde uit haar schort een notitieboekje te voorschijn, likte haar vingers en begon te bladeren: 'Kruidenier en slager, wisselgeld tot vijfentwintig shilling. Visboer en poelier, achttien shilling en negen pennies; molenaar, twee pond zeven shilling en vier pennies.' Ze hief haar hoofd op en keek om zich heen. 'Dat was beter dan de vorige maand en ik zie niet in waarom mevrouw Lucas alle krenten eruit moet pikken.' 'Precies.' Robert Simes knikte. 'Zij en meneer Pike komen ook aardig aan hun trekken, neem dat van mij aan. O. ik weet zo mijn weet je. Er gaan maar negen flessen in een dozijn!' De kokkin knikte en ging verder: 'Nu de eieren en de groenten en het fruit dat naar de markt ging, dat was bij elkaar acht pond en zes pennies.' Er werd aan de tafel instemmend geknikt. De kokkin likte even aan het potlood en begon te tellen. Ten slotte zei ze: 'Twaalf pond, dertien shilling en zeven pennies maak ik ervan.' 'Is dat alles?' De kokkin keek naar Robert Simes en knikte nadrukkelijk: 'Dat is alles!' 'Hemel. Die oude Pike haalde vroeger in één keer net zoveel binnen op één wijnrekening.' 'Nou, dat was dan vroeger. Dit huis is nu eenmaal niet meer wat het vroeger was, nietwaar?' De dubbele onderkin van de kokkin flapte tegen haar gesteven kraag en er klonk gemompel van: 'Jawel, jawel.' 'Nou, vooruit dan.' De kokkin begon het geld te sorteren. 'Vooruit, Robert, drie pond vijf voor jou.' Ze schoof drie pond en vijf shilling naar Simes. 'Voor mij hetzelfde.' Ze schoof nog eens drie pond en vijf shilling opzij. 'Twee pond voor jou, Phyllis, en twee pond voor Fred. Pak aan.' Ze schoof het geld over de tafel. 'Eén voor jou, Amy.' Ze gaf één pond. 'Veertien shilling voor jou, Maggie, hoewel je 't niet verdiend hebt; je hebt er niet voor gewerkt.' Het meisje pakte giechelend haar portie van de tafel. 'Nu eens kijken wat er over is...' Iedereen aan tafel wist dat de kokkin precies wist hoeveel er in het kistje had gezeten, nog voordat ze het op tafel had omgekeerd. 'Negen shilling en zeven pennies, wat gaan we daarmee doen?' 'Nou, dat is voor mij,' verklaarde Ada Tennant. 'We hebben toch gezegd dat Trotter ook mee mocht doen?' Phyllis Coates keek de kokkin over de tafel heen doordringend aan en de kokkin mompelde: 'Dan moeten ze 't maar delen.' 'Dat is niet eerlijk, dat weet je zelf ook best. Trotter staat boven mij en Amy.' 'Nou zullen we 't krijgen.' De kokkin keek nijdig naar Tilly en toen Tilly net wilde zeggen: 'lk hoef niets', zei de kokkin: 'De helft of niets.' Toen de vier shilling en negeneneenhalve penny naar haar toe werden geschoven, keek Tilly er aarzelend naar, totdat ze de blik van Phyllis Coates opving. Toen Tilly het geld pakte, brandde het bijna in haar vingers, ze beschouwde het als gestolen geld. En in zekere zin was het ook gestolen geld, al scheen niemand, zelfs Phyllis niet, dit zo te beschouwen. Een paar minuten later haalde Phyllis haar in de gang in en fluisterde: 'Trek het je niet aan, de volgende maand zul je je hele portie wel krijgen, daar zal Fred voor zorgen.' 'Ik wil 't niet. Ik bedoel... nou ja... ik vind 't eigenlijk gestolen.' Phyllis was in geen enkel opzicht beledigd door deze opmerking, die alleen maar bewees hoe naïef dit meisje was. Ze kneep Tilly zachtjes in de arm en zei: 'Doe niet zo zot. Hoe denk je dat we anders onze uitzet bij elkaar zouden krijgen? Of hoe die mensen voor hun oude dag moeten zorgen? Mijnheer en mevrouw doen daar niets voor. Twaalf pond per jaar krijg ik en ze doen alsof het ik weet niet wat is. En Fred krijgt vijfentwintig en z'n uniform. Daar kunnen we geen huis van inrichten. Nee -' Ze klopte Tilly op haar arm. 'Pak alles aan wat je kunt krijgen, meisje, en vraag om meer. Het is de enige manier om hier te overleven.' Tilly boog haar hoofd en beet op haar lip. Ja, ze begreep dat het waar was wat Phyllis zei. 'Vooruit, ga nu maar gauw naar bed jij!' Ze draaide zich om en liep terug naar de keuken. Tilly liep langzaam naar boven, vier shilling en negeneneenhalve penny rijker.