DERDE HOOFDSTUK

 

 

Twee dagen later kwam Bas niet, zoals dat onder normale omstandigheden het geval zou zijn geweest, naar het redactiekantoor van de krant. In plaats daarvan werd hij door een auto van het Amsterdamse Centraal Station naar het vliegveld Schiphol gebracht. Hij was nogal op het nippertje en haastig ging hij naar de vertrekhal. Daar nam een beambte zijn koffer in ontvangst en bevestigde er een label aan.
Terwijl Bas verder liep, zag hij hoe zijn koffer al op een wagentje geladen werd en tegelijk met andere bagage, die vermoedelijk ook wel voor Londen bestemd zou zijn, naar buiten gereden werd. Hij kon de koffer gemakkelijk in het oog houden. Het was een tamelijk groot exemplaar, helemaal van licht varkensleer vervaardigd. Overigens was hij lang niet de enige, die een dergelijke koffer bij zich had. Deze leren koffers schenen op het ogenblik erg in de mode te zijn. Onderweg, in de trein naar Amsterdam en op het station, had hij er zeker al zo'n drie of vier gezien en ook op Schiphol had hij in de korte tijd, dat hij er nu was, al weer twee opgemerkt.
Kijk, daarginds reed het wagentje al over het platform. Hij nog steeds de lichte vlek van zijn koffer, die bovenop lag. Hij hoefde in elk geval niet bang te zijn dat het ding op Schiphol zou blijven. Als hij straks zelf in het vliegtuig stapte, moest hij toch eens even zien of de koffer ergens te ontdekken viel. Om die koffer was het immers allemaal begonnen en het zou een veilig gevoel zijn, als hij zekerheid had dat het geval aan boord was.
Het was maandagochtend en Bas verkeerde in de veronderstelling dat het wel niet erg druk zou zijn voor het vliegtuig nam Londen. Maar daarin vergiste hij zich toch, want er stonden al heel wat mensen te wachten bij de deur, die toegang gaf tot het vliegveld. Daar zouden zeker wel de nodige passagiers voor Londen bij zijn.
Over de hoofden van de wachtenden heen probeerde Bas te ontdekken waar het vliegtuig ergens stond. Het moest een Vickers-Viscount zijn, stond er in de dienstregeling. Ja, daar zag hij het toestel. Hij herkende het aan de merkwaardige stomp toelopende vleugels en aan de smalle motorgondels. Het stond nogal ver weg en Bas nam dan ook aan dat ze er met de bus naar toe gebracht zouden worden.
Als hij zich niet vergiste, reed daar nu net het wagentje met de bagage voor Londen. Jawel, het stopte bij de Vickers-Viscount. Nog altijd kon hij — al was het dan heel vaag — de lichte vlek bovenop onderscheiden. Het zal dus wel goed met zijn koffer. Of nee, eigenlijk was het helemaal zijn koffer niet. Zulke kostbare gebruiksvoorwerpen had hij niet in eigendom. Precies wist hij het niet, maar hij had zo het idee dat een dergelijke leren koffer toch altijd nog wel een honderd gulden zou kosten. Waarom zou je zoiets duurs aanschaffen, als je je ook uitstekend kon redden met een reistas van twee tientjes, vond Bas. Deze koffer was dan ook niet van hem, maar van meneer Green, de Engelsman, die gewond in het ziekenhuis van Frankfort lag. En Bas zou op zijn verzoek de koffer naar een bepaald adres in Londen brengen. Hij had daar niet het minste bezwaar tegen gehad, want het leverde hem dit vliegtochtje op en een bezoek aan Londen, dat hij natuurlijk graag eens wilde zien.
In de luidsprekers, die zich overal in het rond moesten bevinden, begon iets te kraken. Er maakte zich een gevoel van spanning van Bas meester. Het was nu tien over half elf en het vliegtuig zou om tien voor elf starten. Zou nu het bericht komen dat ze aan boord konden gaan?
Inderdaad deelde nu een vrouwelijke stem mee, dat reizigers voor het toestel met bestemming Londen zich naar het vliegtuig konden begeven. Bij de deur vormde zich meteen een rij. Bas, die nogal veraf stond, reageerde wat te laat en daardoor kwam hij helemaal achter in de rij terecht. Hij had zeker zo'n man of veertig voor zich. Dat zat hem niet lekker. Hij wilde niet als een van de laatsten de Viscount binnenkomen, want dan waren alle goede plaatsen natuurlijk al bezet. Maar wacht eens, berekende hij dan snel, als hij het een beetje handig inpikte, kon hij toch nog bij de eersten aan boord zijn. Hij moest dan in de bus, waarmee ze naar het toestel gingen, bij de uitgang blijven staan, zodat hij vlug zou kunnen uitstappen.
Een grondstewardess bracht de wachtende reizigers naar de bus, die reeds klaar bleek te staan. Deze bus bevatte slechts enkele zitplaatsen en verreweg de grootste ruimte was vrijgelaten voor staande passagiers. Het ritje duurde immers slechts een paar minuten en de meeste reizigers zouden dan ook niet de moeite nemen te gaan zitten.
Er schenen overigens meer mensen eenzelfde plan te hebben als Bas, want er bleven er opvallend veel in de buurt van de deur staan. De stewardess moest zelfs dringend verzoeken wat door te lopen, omdat ze anders zelf niet had kunnen instappen. Bas keek eens om zich heen. Hij moest het er maar op wagen, dacht hij, en hij wrong zich naar de deur aan de rechterzijde van de bus. Hij had zo het idee dat ze met deze kant voor het vliegtuig zouden komen en dat ze dus door deze deur zouden moeten uitstappen.
Hij had goed gegokt. Toen ze enkele minuten later stilstonden, schoof inderdaad de deur aan zijn kant open en Bas stond als eerste op de grond.
Uit de verte gezien, leek de Vickers-Viscount helemaal niet zo'n groot toestel.

 


 

Maar als je er vlakbij stond, was het toch nog een heel gevaarte. Bas liep snel de hoge trap op naar de openstaande deur. Daar werd hij opgewacht door de stewardess, die hem vriendelijk goedemorgen wenste. Bas had al ijverig Engelse zinnetjes lopen repeteren en hij was daar zo in opgegaan dat hij nu bijna zei: „Good morning.” Maar hij had het nog net bijtijds in de gaten en zei doodgewoon: „Goedemorgen” tegen de Nederlandse stewardess.
Hij liep het toestel in, helemaal naar achteren. In ieder geval moest hij ervoor zorgen dat hij zover mogelijk van de vleugels kwam te zitten. Zat je daarboven, dan kon je maar weinig zien, omdat heel het uitzicht versperd werd door de vleugelvlakken of de motoren.
Er konden heel wat passagiers mee in dit toestel, waarin je geen luxe klasse had. Links zat je met tweeën en rechts zelfs met drieën naast elkaar en de doorgang was vrij nauw. Het maakte al met al de indruk van een beetje een overvolle bus. Maar kijk eens, daar achteraan, daar had je twee enkele stoelen. Een daarvan was echt wel iets voor Bas. Hij schoot meteen naar de plaats aan de rechterkant toe.
„Dat lijkt me wel wat,” lachte hij tegen de steward, die helemaal achteraan stond om jassen, mantels en hoeden in ontvangst te nemen.
„Je hebt hier een prachtig uitzicht,” bevestigde hij. Hij pakte Bas' regenjas aan en hing die achter zich weg. Snel traden nu de overige passagiers binnen. Al gauw was er nu bijna geen plaats meer vrij.
Even later begaf het toestel zich naar de startbaan. Bas had het idee of ze zo ongeveer naar Londen reden, zo lang duurde het voor het vliegtuig eindelijk weer tot stilstand kwam. Sidderend stond het toestel te wachten tot het zou mogen vertrekken. De motoren gromden met steeds meer geweld. De stewardess heette de reizigers namens de bemanning welkom.
De bordjes met de opschriften „Niet roken” en „Riemen Vastmaken” waren al aangeflitst. De stewardess verzocht de passagiers nu de riemen vast te maken. Bas zocht de beide uiteinden ervan op, drukte de lip van de gesp open en trok de rechterband erdoor, waarna hij de lip vastduwde.
Nog luider werd het gedaver van de motoren. Het toestel trilde van het ingehouden geweld. Bas moest even slikken. Het moment van de start was nu eenmaal altijd spannend. De steward en de stewardess begonnen zuurtjes en kauwgom rond te delen. Dat hielp tegen een droge mond. Bovendien slikte je telkens wanneer je zoiets op je tong had, en dat werkte gunstig wanneer het toestel snel steeg. Anders kon je er last van krijgen dat het in je oren begon te fluiten.
Nu schoot het toestel vooruit over de startbaan. Bas keek door het langwerpige raampje naast zich naar buiten. Hij zag de vleugelklappen, die zich in startstand bevonden, en de vleugeltippen, die op en neer deinden. Het was eigenlijk wel een beetje verontrustend, als je zag hoe heel de vleugel op en neer ging en hoe de bekleding trilde. Maar Bas wist gelukkig wel iets van vliegtuigen af en het was hem bekend dat de vleugels moesten kunnen meegeven en veerkrachtig dienden te zijn. Waren ze stijf en star, dan zouden ze teveel weerstand in de lucht ontmoeten en kunnen afbreken.
Razend snel scheerde het toestel over de brede betonbaan voort, die nu één grijs vlak leek. Het gras aan weerszijden werd een egaal groen tapijt.
Waren ze al los van de grond? Ineens keek Bas op het dak van een huis neer, dat zich zeker een meter of twintig onder hem bevond. Voor hij het had geweten, waren ze reeds aan het vliegen.
Het toestel beschreef een bocht. Bas zag de vleugel wegzakken. Het was toch wel een onzekere gewaarwording, als je daar zo schuin in de lucht hing. Lieve help, wat steeg dit vliegtuig; snel. Ze bevonden zich reeds ver boven de begane grond. Een auto, die daar beneden voortreed, kreeg al iets van een dinky-toy.
Nu zag Bas niets meer. Een dichte mist golfde tegen de raampjes. Ze zaten in de wolken. Rustig klom het toestel hoger en boorde zich door de grauwe laag heen.
Bas voelde de warmte van de zon voor hij het licht ervan zag. Ze doken boven het wolkendek uit. Ergens was er een gat waardoor hij naar beneden kon kijken. Hoe hoog waren ze? Duizend meter, tweeduizend meter? Hij durfde niet schatten en hij had er eenvoudig geen idee van. De huizen waren in ieder geval ineengeschrompeld tot speelgoedformaat.
Het was hierboven prachtig. De zon scheen aan een hemel, die dieper blauw van kleur was dan wanneer je het van de begane grond zag. Het vreemde was, vond Bas, dat je hierboven weer een horizon had. Je zag heel in de verte een afscheiding tussen de diep blauwe hemel, die volkomen leeg was, en het wolkendek daarbeneden.
Het wolkendek was heel dicht. Bas had net het idee of hij neerkeek op een rul sneeuwveld. Hier en daar waren er wat lijnen en gleuven in getrokken, maar voor de rest was het één aangesloten veld van een smetteloos wit.
Bas had even de gewaarwording of het toestel zich maar nauwelijks voortbewoog. Je zou je haast kunnen voorstellen dat het roerloos in de lucht hing. Tegen het witte sneeuwveld gezien, leken ze haast niet te vorderen.
Hoog boven hen schoot een straaljager over, die daar zijn witte spoor trok. Even vergat Bas dat hij zich zelf in een vliegtuig bevond. Het was net of hij beneden op aarde naar de straaljager stond te kijken.
Hij zette zijn horloge een uur terug, zoals de stewardess dat had gezegd. In Engeland was de tijd namelijk een uur achter op die van het vasteland van Europa. Dat had tot gevolg dat ze om tien voor elf van Amsterdam vertrokken waren en dat ze om elf uur in Londen zouden landen, hoewel ze over de vliegtocht zelf zeventig minuten zouden doen.
Het dienpersoneel kwam nu vragen of hij iets wilde drinken of sigaretten wilde kopen. Je kon die hier aan boord belastingvrij krijgen en dat scheelde ongeveer de helft in prijs, Bas had zich al voorgenomen dat hij op de terugreis wat pakjes Engelse en Amerikaanse sigaretten zou kopen voor meneer Heiligers en zijn vader.
Nu werd er een vel papier doorgegeven, waarop allerlei bijzonderheden over de tocht werden meegedeeld: wat voor weer tegemoet. Ze bevonden zich op een hoogte van veertien -Daar zou het wolkendek breken en ze vlogen mooi, zonnig weer het was en welk weer er boven Engeland werd verwacht, duizend voet. Dat was ruim tweeënveertighonderd meter, rekende Bas snel uit.
Er waren nogal wat Duitsers aan boord, had Bas geconstateerd in de bus naar het vliegtuig. Hij had tenminste door een grote groep vrij jonge mannen Duits horen praten. Sommigen hadden muziekinstrumenten bij zich. Hij had de indruk dat het jazzmusici waren, te oordelen naar de uitbundige en buitenissige manier waarop ze gekleed gingen. Ze hadden de meest vreemdsoortige kleurencombinaties aan en ze droegen alle mogelijke vormen van baardjes en snorren.
In het vliegtuig zaten ze bij elkaar en converseerden druk. Bas kon er niets van verstaan, daarvoor maakten de motoren te veel lawaai. Enkelen van de musici hadden flessen drank, waaruit ze fikse teugen namen. Zouden ze een tikkeltje nerveus zijn van het vliegen, vroeg Bas zich af. Zelf was hij het gevoel van spanning helemaal kwijt. Niettemin bleef het toch een merkwaardige gewaarwording, dat er zich onder zijn voeten slechts enkele platen metaal bevonden en daarna duizenden meters niets.
En weet je wat ook zo opwekkend was? In de rugleuning van de stoel voor zich zag hij een grote, papieren zak. Die kon hij gebruiken, als zijn maag misschien begon te spoken. Ze konden je hier moeilijk even langs de kant laten uitstappen, zoals hij dat vorige week op weg naar Frankfort had moeten doen. Overigens had hij niet de minste last van onpasselijkheid. In de rugleuning bevonden zich verder nog voorschriften wat hij had te doen in geval van nood en de mededeling dat hij onder zijn stoel een zwemvest zou aantreffen. Dat was echt wel bemoedigend, al begreep Bas best dat het allemaal nodig was. Een ongeluk deed zich maar hoogstzelden voor, maar op die minimale mogelijkheid moesten ze toch bedacht zijn.
Kijk, daar had je een gat in de wolken, die verderop steeds meer begonnen te breken. Bas tuurde nieuwsgierig omlaag. Eindeloos diep beneden zich zag hij iets, dat de grootte had van een bruine boon. Dat moest wel een schip zijn. Het water van de Noordzee leek volkomen glad, geen rimpel wees op golfslag.
De lunch werd rondgediend. Bas kreeg een plastic dienblad, waarin een aantal uithollingen was aangebracht. Daarin lagen enkele sandwiches, een stukje cake en wat chocolaadjes. De koffie werd in een plastic kop geschonken. Er kon niets breken, ook al zou het toestel flinke schokken maken. De mesjes en vorken waren in een plastic zakje verpakt en zout en peper bevonden zich in een lilliputbusje. Bas had trek en hij liet niets over van de koffietafel. Wist hij veel hoe laat hij in Londen zou kunnen eten. Misschien pas om één uur Engelse tijd — voor zijn maag was dat echter twee uur en dat betekende dat hij tegen die tijd wel zou staan te daveren van de trek. Je kon nu steeds meer van de zee zien. Het leek Bas dat het hier prachtig weer was. Maar wat jammer, daar schoven toch weer wolken aan. Ze waren lang niet zo dik als boven Nederland, maar Bas kon toch niets meer zien. Bij de start waren er kranten rondgedeeld, maar Bas had er geen genomen, omdat hij naar buiten wilde kijken. Nu had hij er spijt van, want hij had niets om handen en er viel buiten niets te zien. Mij keek om zich heen. Boven hem bevonden zich de kleine leeslampjes, die je in verschillende richtingen kon verstellen en ook het mondstukje waardoor je frisse lucht naar je toe kon laten blazen. Hij was daar al heel gauw op uitgekeken en nu begon hij maar eens zijn medepassagiers te bestuderen, voor zover dat tenminste mogelijk was vanuit de lage stoel, waarin hij zich bevond. Hij probeerde te gissen wat voor nationaliteit de verschillende reizigers hadden. Die daar schuin voor hem was vast een Duitser. Je zag het aan zijn dikke nek en ronde kop. En dat kleine donkere mannetje met zijn streepsnorretje was vermoedelijk een Fransman. Voor een Spanjaard was hij net niet donker genoeg van uiterlijk. Bas zat nog te gissen uit welk land de man daarnaast kwam, toen hij zag dat het wolkendek weer opengebroken was. Hij keek naar beneden en ontdekte daar in de diepte land. Ze bevonden zich bóven Engeland. Ja, kijk maar, daar reed een wagen links van de weg. Als hij soms in een dwaze opwelling nog gevreesd mocht hebben, dat de piloot zich daar boven de wolken vergist had en in een verkeerde richting was gevlogen, dan had hij nu de geruststellende zekerheid dat ze zich boven Engeland bevonden, waar ze nu eenmaal alles anders doen dan elders ter wereld en waar alle verkeer dus links moet houden.
Bas keek eens op zijn horloge. Over een kwartier zouden ze dalen. Onwillekeurig ging hij er al recht voor zitten. Vervulde de start hem al met een gevoel van spanning, bij de landing moest hij zeker wel even benauwd slikken. Hij moest namelijk weer denken aan die benauwde landing bij zijn eerste vliegtocht. Het landingsgestel had toen geweigerd en ze hadden een buiklanding moeten maken, die wonder boven wonder goed was afgelopen. Maar die ogenblikken zou hij niet gauw vergeten ... ( Zie „Bas Banning en de Vliegende Cowboys.)
Het duurde toch nog wel even, voor de stewardess via de microfoon verzocht de sigaretten te doven en de landingsriemen weer vast te maken. En of ze vooral wilden blijven zitten tot het toestel helemaal tot stilstand was gekomen. De daling was op dat moment overigens al begonnen, want toen Bas omlaag keek, ontdekte hij dat ze zich niet meer op zulk een grote hoogte bevonden.
De Viscount maakte een wijde bocht en het toestel hing scheef in de lucht. Bas slikte. Opnieuw beschreef het toestel een bocht en ze zakten steeds verder door. Bas zag in de verte reeds de immense vlakte van het vliegveld, dat snel op hen toekwam.
Pas toen hij het stoten van de wielen op de baan voelde, merkte Bas dat ze zich al op de grond bevonden. De landing was bijzonder snel en voorspoedig verlopen. Dat zat er dus weer op.
De steward en de stewardess begonnen jassen en mantels rond te delen, terwijl de Vickers-Viscount voort taxiede. Bas onderscheidde reeds allerlei toestellen, die eerder geland waren of gereed stonden voor de start. De grote straalvliegtuigen zoals de DC 8 torenden hoog uit boven hun toestel. Eindelijk stond de Viscount stil. De passagiers kwamen overeind en gingen door het smalle looppad naar de deur. Ja, en nu had Bas pech. De uitgang bevond zich voorin en hij moest dus wachten tot allen waren uitgestapt. Buiten werden ze door een grondstewardess naar een stel barakken geleid. Eerst kwamen ze bij de immigratiedienst. Dat was iets fraais. Een stuk of vijf ambtenaren — in donkere, saaie burgerpakjes — zetelden achter hoge lessenaars, zoals een onderwijzer voor de klas. Iedere aankomende reiziger moest als een stoute schooljongen voor zo'n lessenaar verschijnen. Daar moest hij zijn pas overhandigen en meteen de landingskaart, die hij in het vliegtuig had moeten invullen met naam, adres, beroep en verblijfplaats in Engeland. De beambten hadden niet de minste haast en deden op hun gemak aan. Bas schatte dat hij zeker al tien minuten had staan wachten, voor hij aan de beurt was. Toen mocht hij opdraven voor een van de lessenaars. De beambte bekeek de landingskaart ongeveer letter voor letter en vergeleek Bas' aantekeningen met de gegevens van zijn pas. Het scheen dat Bas het allemaal goed had ingevuld, want er volgde een goedkeurend knikje. Maar kijk, helemaal volmaakt was het toch nog niet, want meneer de ambtenaar verbeterde een letter, die Bas misschien iets te onduidelijk had aangebracht. Daarna werd er met plechtig vertoon een stempel in zijn pas gedrukt en Bas mocht gaan.
Iemand van de KLM wees hem de weg naar de hal, waar de bagage stond. Kruiers brachten net een collectie koffers aan, die ze voor de balie van de douane neerzetten. Bas zag in een oogopslag dat de douane hier erg gemakkelijk was. Ze stelden een enkele vraag en gaven dan met krijt een teken op je koffer, dat je hem kon meenemen.
Ha, daar stond de zijne ook al, zag hij. Als een haas schoot hij er naar toe. Hij had die koffer maar het liefst zelf in bezit. Potverdikkie, wat was dat ding zwaar. Dat was hem tot nog toe niet opgevallen. Zulke zware spullen zaten er nu toch ook weer niet in.
Bas torste het geval naar de balie en hij wilde het daar net voor een van de douaneambtenaren neerzetten, toen hij merkte dat het helemaal zijn koffer niet was. Het was er een die als twee druppels water op zijn exemplaar leek, maar nu zag hij dat er een andere label aan hing, met het adres van een Duitser. Trouwens, nu hij de koffer eens wat aandachtiger bekeek, ontdekte hij ook dat deze vast wel nieuwer was. Van de zijne was het leer al op enkele plaatsen beschadigd.
Gauw zette hij de Duitse koffer op zijn plaats terug en hij ging nu op zoek naar zijn eigendom. Er werd net nog een wagentje met bagage binnengebracht, maar zijn koffer was daar ook niet bij. In heel de hal, waar nu zo'n dertig, veertig koffers en valiezen stonden, was de zijne niet te vinden.
In zijn beste Engels — een zeven op het eindexamen van de HBS en dat was al weer dik een jaar geleden — vroeg Bas aan een van de kruiers of er nog meer bagage zou komen. Toen hij zijn vraag driemaal herhaald had, begreep de man het. Nee, dit was heel de bagage van het toestel uit Amsterdam, deelde hij mee.
Maar zijn koffer was er niet bij.
Was zijn koffer er niet bij? De kruier keek bezorgd. Enkelen van zijn collega's kwamen erbij en gingen ook bezorgd staan kijken. Wist hij echt wel zeker dat zijn koffer er niet bij was, zei dan een van de mannen. Hij moest toch nog maar eens heel de rij controleren. Bas liep de reeks koffers langs — zonder resultaat. Zijn koffer was spoorloos. De kruiers bleven bezorgd kijken, maar deden niets.
Steeds meer reizigers verwijderden zich met hun bagage en de rij slonk snel. Op een gegeven ogenblik dacht Bas dat hij toch zijn koffer zag. Maar het was weer die van de Duitser, die op een andere plaats was neergezet.
Na tien minuten was alle bagage meegenomen. De douanebeambten trokken zich terug en ook de kruiers sloften weg. In heel de loods stond nog één koffer: de Duitse.
Er kwam iemand naar Bas toe. Het was de chauffeur van de bus, die de KLM-passagiers naar Londen moest brengen. Hij drong erop aan dat Bas mee zou komen, want de bus moest vertrekken. Bas vertelde dat hij niet weg kon, omdat zijn koffer zoek was.
Dan moest hij naar de balie van de KLM verderop in de hal, deelde de chauffeur hem mee. Bas ging erheen. Opnieuw moest hij daar vertellen dat zijn koffer spoorloos verdwenen was. Het meisje dat hem te woord stond keek hem eerst sprakeloos aan of hij iets volkomen onmogelijks had meegedeeld. Kennelijk kwam het nooit voor dat een koffer werd vermist. „Een ogenblik,” zei ze en telefonisch informeerde ze of alle bagage uit de Vickers-Viscount was binnen gebracht. Dat was inderdaad het geval. Hulpeloos keek ze nu Bas aan. Diens humeur werd er niet beter op. Verdorie, hij had die koffer niet zoek gemaakt. Zij moesten zorgen dat zijn eigendom terugkwam. En gauw ook — er zaten waardevolle documenten in en bovendien wilde hij naar de stad, want hij voelde zijn maag.
„Een ogenblik,” zei het meisje opnieuw en ze draafde zonder verdere uitleg weg. Een ogenblik was bij haar wel een rekbaar begrip, want het duurde meer dan tien minuten voor ze terug was. Ze was intussen naar de bus geweest om na te gaan of de koffer — waarvan Bas haar de beschrijving en het labelnummer had gegeven — misschien al aan boord was. Dat bleek niet het geval te zijn.
Samen met Bas ging ze nu naar de afdeling van de douane. Daar stond nog altijd de Duitse koffer. Het meisje wees hem met een triomfantelijk gebaar aan en Bas kon gaan uitleggen dat dit niet de zijne was, maar er het evenbeeld van was. En de tijd verstreek maar en Bas' honger werd steeds erger.
Hij had overigens al lang door wat er aan de hand was. De Duitser had natuurlijk dezelfde fout gemaakt als Bas en de beide koffers verwisseld. Hij had het alleen niet tijdig genoeg gemerkt. Op zich zou Bas het niet zo erg hebben gevonden. De Duitser zou heus zijn abuis wel ontdekken en de koffer komen ruilen. Maar de koffer was niet van hem en de inhoud al helemaal niet. De inhoud had meneer Green een paar weken ziekenhuis gekost en mocht vooral niet in vreemde handen komen. Daarom moest de koffer zo snel mogelijk opgeduikeld worden.
Bas vertelde het meisje van zijn vermoeden dat er koffers verwisseld waren. Het meisje knikte, maar ze keek hem nog hulpelozer aan. Ze scheen niet te weten wat ze nu nog moest doen, al haar mogelijkheden waren kennelijk uitgeput. Bas had wel uit zijn vel willen springen, maar hij hield zich in. Het zou toch niet helpen.
Ze gingen terug naar de balie van de KLM. Daar bleek nu een mannelijk employé aanwezig te zijn, die de zaak gelukkig heel wat kordater aanpakte. Wel moest Bas nog eens vertellen wat er aan de hand was, maar de man had er een formulier bijgehaald waarop hij alle gegevens over het vermiste noteerde.
„En wat gebeurt er nu?” informeerde Bas, die al dat geschrijf zo eens had aangekeken.
„We gaan meteen op zoek naar die Duitser,” vertelde de man. „Heeft hij uw koffer, dan zullen wij die hierheen laten komen. Waar kunnen wij u telefonisch bereiken?”
Bas gaf het adres van zijn hotel op. „Wanneer kan de koffer terug zijn, denkt u?”
„Als het een beetje meezit, hebben we het vandaag nog wel voor elkaar,” zegde de man hem toe.
„Zit u er alstublieft achterheen,” drong Bas aan. „Ik kan niet zonder die koffer.”
„Het komt zeker voor elkaar,” werd hij gerustgesteld.
Een beetje verloren stond hij nu om zich heen te kijken. De bus naar Londen was natuurlijk al vertrokken. Zo lang hadden al die reizigers niet op hem kunnen wachten, want sinds de aankomst van het vliegtuig was er bijna een uur verstreken. Hij zou maar met een van de volgende bussen meegaan. Hij kon hier moeilijk blijven rondhangen tot de koffer boven water was. Dat zou best wel een paar uurtjes aanlopen.
Voor de uitgang van de hal stond een bus. Er zat hoogstens een tiental mensen in, maar het leek wel of de chauffeur op de komst van Bas had gewacht, want hij reed meteen weg. Het was een zonderlinge, bijna beangstigende gewaarwording dat de auto aan de linkerkant van de weg reed. Bij de eerste bocht de beste kreeg Bas zowat een stuip, toen hij een tegenligger van de verkeerde kant zag naderen. Dat moest wel op een botsing uitlopen, dacht hij. En toen drong het tot hem door dat het juist zo hoorde. Vreemde lui, die Engelsen, vond hij. Ze reden aan de andere kant van de weg, hielden zich niet aan het tiendelig stelsel bij maten en geld en ze spreken de a uit als e, de e als i en de i weer als ei, zoek het maar uit.
Het was erg druk op de weg. Bas herkende meteen al die typisch Engelse huizen en vooral herbergen, zoals je die zo vaak op theebussen en tabaksdozen ziet afgebeeld.
Het maakte allemaal wel een vriendelijke indruk op hem. Alleen begon hij zich af te vragen wanneer ze nou ooit eens in Londen zouden komen. Ze waren al een half uur onderweg en hij kon niet zeggen dat hij al iets zag dat op een stad leek. Wel werd het nu op de weg nog drukker en hij zag de nodige statige Bentleys en Rolls Royces, die kostbare Engelse luxewagens, die er bijna nog net zo uitzagen als voor de oorlog. De mensen die erin zaten trouwens ook, vond Bas. Het waren meestal heel bejaarde, heel deftige heren en mevrouwen, die zich uiterst comfortabel maar ook uiterst plechtstatig door hun chauffeur lieten vervoeren.
De tien mensen, die in de bus zaten, spraken druk en opgewonden met elkaar. Bas herkende ze nu: het waren de jonge Duitsers, waarvan hij meende dat ze jazzmusici waren. Ze waren erg luidruchtig en ze maakten een drukte of zij nu nog even Engeland gingen veroveren, nadat Hitlers pogingen in de jaren 1940—'45 mislukt waren.
De bebouwing werd dichter en daar zag Bas de eerste Engelse bus. Die zijn rood van kleur en hebben twee verdiepingen. Via een trapje op het achterbalkon kun je het bovendek bereiken.
Ja, ze waren nu wel echt in Engeland, je zou je eenvoudig niet ergens anders kunnen wanen. De huizen en gebouwen, de etalages en de voorbijgangers, de auto's en de agenten — de beroemde Londense bobbies met hun hoge zwarte helmen ... Je zou moeilijk kunnen zeggen waar het 'm nou precies in zat — het waren misschien wel honderden kleinigheden waardoor je meteen wist dat dit Engelsen waren en dat dit Londen was, zoals je het op duizenden foto's en in tientallen films had gezien.
Na een rit van dik een uur stopte de bus voor een kantoorgebouw in een drukke winkelstraat. Bas zag het opschrift KLM en begreep dat ze hier bij het station van de KLM en het eindpunt van de bus waren. Hij stapte uit en er kwamen meteen al taxi's voorrijden. Maar Bas wilde eerst het kantoor eens binnengaan. Hij had de vage hoop dat zijn koffer misschien al terecht was. En in elk geval zou het wel verstandig zijn om ook hier melding te maken van de vermissing.
Voor de vijfde keer, schatte hij, deed hij het verhaal. Weer werden er notities gemaakt en weer kreeg hij de verzekering dat men alles in het werk zou stellen om de koffer op te sporen.
Bas begaf zich naar buiten. Net kwamen er achter elkaar drie hoge rode bussen aanrijden, terwijl hij op de rand van het trottoir uitkeek naar een taxi. Even kreeg hij het angstige gevoel dat de bussen, die hier een bocht moesten maken, zouden kantelen, maar dat gebeurde natuurlijk niet.
Er reden zes, zeven taxi's op een rij langs. Bas zwaaide en de eerste kwam naar hem toe, terwijl de chauffeur het bordje, waarop stond dat de auto vrij was, omlaag duwde. Bas vond het maar een vierkante, vrij ouderwetse wagen. Maar binnenin zat je toch wel erg ruim en gemakkelijk. Naast de chauffeur had je een open ruimte, een soort brede treeplank, waar je grote koffers kon neerzetten. Maar Bas had helemaal geen bagage . . .
Bas noemde het hotel, waar een kamer voor hem gereserveerd was, en daar dook de wagen het Engelse verkeer in. De straten leken als worsten volgestopt met auto's, luxewagens, vrachtwagens, bussen en wat al niet meer. Ze moesten vaak stilhouden en vaart kon je al helemaal niet zetten. Bas vroeg zich zelfs op een gegeven ogenblik af of hij lopend niet vlugger vooruit zou komen. Het verbaasde hem overigens dat het allemaal zo rustig en ordelijk verliep. Je hoorde nauwelijks een claxon. Men maakte zelfs nog vrij baan voor een voetganger, die wilde oversteken, of voor een auto, die uit een zijstraat kwam. Een half uur deden ze over een afstand, die Bas diezelfde avond per taxi in vijf minuten zou afleggen.
De auto passeerde Piccadilly Circus — het hart van Londen en daarmee van Engeland en naar de Engelsen zelf zeggen ook het hart van Europa. Het is de plek waar je altijd bekenden tegenkomt, ook al denk je dat ze zich aan het andere einde van de wereld bevinden.
Bas herkende het plein, dat klein en benauwd was, omdat hij het vaak op foto's had gezien en ook verscheidene malen op de televisie. In het midden stond het beroemde beeld van Eros en tegen de gebouwen zag hij de enorme lichtreclames, die nu natuurlijk niet brandden. Het leek of er geen doorkomen aan was, zo druk was het hier met auto's, die carrousel schenen te rijden om het plein.
Met wat moeite en veel geduld en behendigheid wist de chauffeur de taxi in een zijstraat te loodsen. En daar herkende Bas de naam van het hotel, waar hij moest zijn. In zijn HBS-Engels vroeg hij de chauffeur wat hij te betalen had en moeizaam begon hij rekensommetjes met het Engelse geld, waarmee hij nog niet goed weg wist.
„Geeft u maar tien shilling, meneer,” zei de chauffeur in het Nederlands, dat een zwaar Engels accent had.
„Bent u Nederlander?” vroeg Bas verbaasd. De taxichauffeur — een vrij jonge man — schudde van nee.
„Mijn vader is van afkomst Nederlander. Thuis spreekt hij nog altijd Nederlands met mijn moeder.”
„Dat is wel heel toevallig,” lachte Bas. „Maar vertelt u eens: hebt u bij die tien shilling ook de fooi ingerekend?”
„Ja, het is zo goed.”
„Ik vind het maar een wanhopig gedoe om die fooi te berekenen. Ik kan met dat Engelse geld niet overweg.”
„U kunt het beste alles omrekenen in shillingen,” adviseerde de chauffeur hem. „Als u ziet dat iets drie pond vijf kost, houdt u dan voor uzelf aan, dat dit vijfenzestig shilling is. Een pond is twintig shilling zoals u weet.”
„En een shilling is ongeveer vijftig cent in Nederlands geld,” wist Bas.
„Inderdaad,” bevestigde de chauffeur. „U zult trouwens wel zien dat veel winkels de prijzen uitsluitend in shillingen opgeven. Wij Engelsen hebben ook moeite met het omrekenen,” lachte hij. „Bij de kassa's hebben ze vaak boeken waarin alle voorkomende bedragen staan en daarnaast hetzelfde bedrag, omgerekend in shillingen. Dat spaart een hoop gecijfer uit en ook wel veel vergissingen.”
Bas bedankte de vriendelijke chauffeur, die hem wegwijs had gemaakt en ging het hotel binnen. Bedrijvige lieden kwamen al aangesneld om zijn bagage in ontvangst te nemen. Hij moest ze teleurstellen: hij had geen koffer, geen tas, zelfs geen tandenborstel die ze voor hem naar boven konden brengen.
De hal binnen was niet zo bijster groot. Bovendien waren er werklieden aan het hakken en breken, er stonden steigers en het was er allemaal nogal rommelig en onoverzichtelijk. Ook de receptie was vrij klein, heel wat minder dan die van het Hofhotel in Frankfort. Hij meldde er zich en vroeg naar het nummer van de kamer, die voor hem besproken was.
„Room 968,” las hij tot zijn grenzeloze verbazing op het kaartje, dat hem overhandigd werd. Ze begonnen hier zeker bij kamer negenhonderd te tellen. Hij kon moeilijk aannemen dat ze hier zo'n kleine duizend kamers hadden. Aan de buitenkant leek het hotel helemaal niet zo groot te zijn.
Het bleek maar liefst elfhonderd kamers te bevatten. Met de lift werd hij in een ijltempo naar de tiende verdieping gesleurd. Na een wandeling over een eindeloos lange gang kwam hij bij zijn kamer. Daar vond hij onder meer een boekje over het hotel, waarin hij las dat dit het grootste hotel van Europa was en dat het elfhonderd kamers telde. Ik zou het sleutelbord wel eens willen zien, dacht Bas, en 's avonds de elfhonderd paar schoenen, die gepoetst moeten worden.
Hij was gauw klaar op zijn kamer, want hij had geen koffer uit te pakken. Hij friste zich wat op en ging naar beneden. Eerst maar een stukje eten, dacht hij, want zijn maag knorde nu geducht. Daar moest gauw een eind aan worden gemaakt. Een uur later zat hij verzadigd in zijn stoel. Heiligers, die het weten kon, had hem gewaarschuwd voor het Engelse eten, dat echt niet zo best zou zijn. Het was Bas evenwel niet tegengevallen. Het had hem goed gesmaakt. Of kwam dat misschien van de honger?
Maar nou, dacht Bas. Plotseling werd hij overvallen door een gevoel van eenzaamheid. Hij zat hier moederziel alleen in die grote wereldstad — hij kende hier niemand. Voor al die miljoenen inwoners van Londen was hij een volkomen vreemde. Hij had maar één adres waar hij naar toe kon. Hij had het in zijn agenda genoteerd. Maar hij kon het pas opzoeken, als hij de koffer terug had. Vóór die tijd had het geen zin en meldde hij zich trouwens ook liever niet op het bewuste adres. Men zou er immers alleen belangstelling hebben voor de koffer en dan zou hij moeten meedelen dat die zoek was. Hij zag de consternatie al, die dit bericht zou veroorzaken.
Wacht, hij kon de KLM wel eens opbellen of ze al iets te weten waren gekomen. Tot zijn opluchting begreep men aan de andere kant van de lijn direct waar het om ging. Hij hoefde het hele verhaal niet nog eens af te steken. Maar men moest hem wel teleurstellen: de koffer was nog niet terecht. Het was ook nog wat vroeg op de middag. Zou hij misschien rond zes uur weer eens willen bellen?
Dat wilde Bas. Maar wat zou hij tot zes uur moeten doen? Hij voelde zich echt een beetje verloren. Als Heiligers er nou ook was geweest, net als een paar dagen geleden in Frankfort, dan zou het hem heel wat plezieriger te moede zijn. De fotograaf was al verscheidene malen in Londen geweest en kende er zo'n beetje de weg. Maar Heiligers zat aan enkele reportages vast, die al lang in de pen waren, en op zo korte termijn had hij die niet meer kunnen afzeggen. Bas zelf had overigens slechts met de grootste moeite toestemming gekregen naar Londen te gaan. Hij had Lagerwei ervan moeten overtuigen dat er echt wel een reportage voor de krant in zou zitten in heel de geschiedenis, waarbij meneer Green betrokken was. Maar ook toen had Bas het nog niet gewonnen. De zaak was pas beslist, toen de redactiechef plotseling een inval kreeg.
„Wacht eens,” zei hij, „dinsdagavond is in Londen die voetbalwedstrijd van Heracles tegen Liverpool, hè?” Lagerwei wist niet zo heel veel van sport en hij interesseerde er zich ook nauwelijks voor. Over deze wedstrijd werd echter al enkele weken geschreven. Het was de beslissingsmatch, welke van beide ploegen zou deelnemen aan de halve finale voor de Europabeker. En doordat alle kranten — en dus ook die van meneer Lagerwei — zoveel over deze ontmoeting schreven, was ook de redactiechef op de hoogte.
„Jawel,” zei Bas, die een lichtje zag gloren. „Daar zou je dan meteen naar toe kunnen om een verslag voor de krant te maken,” dacht Lagerwei hardop.
„Graag, meneer.”
„Eigenlijk zou de sportredacteur erheen moeten,” ging de redactiechef verder en Bas zag zijn reisje al aan zijn neus voorbijgaan.
„Maar ik weet het nodige van voetbal,” haastte hij zich te verzekeren.
„Toch?” deed Lagerwei heel belangstellend. „Nou, weet je wat, we moesten er maar niet te lang over praten. Jij zorgt dat ik een prima verslag over die wedstrijd krijg en wee je gebeente, als je ook nog niet met een verhaal over die andere geschiedenis op de proppen komt.”
„Het komt allemaal voor elkaar,” beloofde Bas een beetje te luchthartig. Hoe kon hij weten of hij aan die tweede voorwaarde zou kunnen voldoen? Maar daar maakte hij zich nog geen zorgen over.
Het was anders allemaal wel erg hals-over-kop gegaan. Nog de avond, waarop Bas had gezorgd dat de man, die de overval op Green op zijn kerfstok had, ingerekend kon worden, had hij een boodschap gekregen of hij de volgende ochtend zo vroeg mogelijk naar het ziekenhuis wilde komen. Daar was hij enkele minuten toegelaten bij meneer Green, die er al wat beter aan toe was. De Engelsman vertelde hem dat het de overvaller de doen was geweest om bepaalde documenten, die hij evenwel niet in handen had gekregen. Omdat de man deel uitmaakte van een bepaalde groep, viel te verwachten dat er nieuwe pogingen ondernomen zouden worden om Green de documenten afhandig te maken. Daarom moesten ze zo snel mogelijk naar Londen, waar ze op een bepaald adres in veiligheid gebracht zouden kunnen worden. Zou Bas zich met dit vervoer willen belasten?
Bas had niet direct antwoord gegeven. Green had hem verzekerd dat alle kosten ruimschoots vergoed zouden worden. Hij wilde niet ontkennen dat er wel enig risico aan het transport verbonden was, want de tegenpartij zou stellig niet bij de pakken neerzitten. Als ze echter heel vlug waren, konden alle complicaties vermeden worden.
Bas vertelde dat hij over enkele uren naar Nederland zou vertrekken.
„Prachtig,” vond meneer Green. „Dan neem je de paperassen mee. Morgen vlieg je ermee naar Londen.” De Engelsman sprak of het al een uitgemaakte zaak was dat Bas zou gaan. Maar die wilde eerst weten om wat voor paperassen het ging. Green wees op de koffer, die naast zijn bed stond. Daar zat alles in, vertelde hij. Bas mocht het allemaal vrij doorkijken en lezen wat hij wilde.
Het slot van het lied was geweest dat Bas had toegestemd. En zo bevond hij zich nu in Londen. Maar er was één grote moeilijkheid. Hij was er zonder de koffer waarom het allemaal begonnen was.