17
Vrijdag 10 augustus 2007
Als ik al het glas eenmaal uit de sponning heb geslagen met de poot van de massagetafel, hijs ik me op de vensterbank en laat me de tuin in zakken. Ik ren als een kip zonder kop in het rond, jankend als een gewond dier, en loop eerst tegen de heg, en dan tegen de muur op. Mijn lichaam voelt koud als ijs, ondanks de zon. Ik blijf staan, trek de bevlekte badjas om me heen en haal de ceintuur stevig aan.
Ik zit gevangen. Alweer. Deze tuin is een openluchtcel die aan twee kanten om het huis loopt. Er is een tweede houten poort, die ik vanuit het raam niet kon zien, maar daar hangt ook een hangslot op.
Tegen de muur staan drie kliko’s – een groene, een zwarte en een blauwe. Ik grijp de groene en sleep hem naar de heg. Als ik daar nou op kan staan… Ik probeer het, maar hij is te smal, en de zijkanten zijn te glad. Ik heb niks om me te helpen er bovenop te klimmen. Ik trek me er één keer, twee keer op, maar ik verlies mijn evenwicht. Denk na. Denk na. In mijn hoofd bonkt de gedachte dat de man elk moment terug kan komen om mij te vermoorden. Ik gil: ‘Help! Help me!’ zo hard als ik kan, maar ik hoor niets. Geen enkele reactie. De lucht om me heen is stil; nog geen verkeersgedruis in de verte.
Ik gooi me met mijn volle gewicht tegen een van de enorme terracotta potten en schuif die naar de kliko toe. Hij schraapt over de betonnen tegels en dat maakt een afgrijselijk geluid. Hijgend van inspanning lukt het me uiteindelijk om de pot op zijn kop te zetten. Het ding heeft een brede, vlakke onderkant. Daar ga ik op staan en ik klim op het deksel van de kliko, waar ik op mijn knieën terechtkom. Een paar tellen schommel ik heen en weer, maaiend met mijn armen, en ik weet zeker dat ik mijn evenwicht niet kan bewaren. Ik spring naar de heg, grijp me eraan vast en dan lukt het toch om te gaan staan en met mijn bovenlichaam tegen de dikke haag van takken en bladeren te leunen.
Ik kijk er overheen en zie een lege straat, drie lantarenpalen – namaak antiek – en het eind van een korte doodlopende straat, waaraan een aantal identieke huizen staan, met identieke achtertuinen. Ik draai me om en kijk naar het huis waar ik net uit ben ontsnapt. De vlakke beige façade zegt me helemaal niets. Ik heb geen idee waar ik ben.
Ik sta nog niet hoog genoeg om van de kliko boven op de heg te kunnen klimmen. Als dat ding nou net tien centimeter hoger was, of als de heg niet overal zo gelijk van hoogte was, dan zou het wel lukken… Ik probeer mijn blote voet in de heg te steken, maar hij is veel te dicht. Ik staar naar de vlakke bovenkant en ik kan gewoon niet geloven dat ik zo dichtbij ben maar dat ik er toch niet overheen kan.
Wat moet ik doen? Wat moet ik doen?
De melkflessen. Ik zou een briefje kunnen schrijven en dat in een van de lege flessen kunnen stoppen. Zou ik die fles dan ver genoeg kunnen gooien zodat hij in een van die achtertuinen terechtkomt? En als dat lukt, hoelang zou ik dan nog moeten wachten?
Ik spring van de kliko en ren om het huis heen, terug naar het ingeslagen raam. Direct daaronder is een kleine uitsparing in de muur. Daarin staan twee volle melkflessen en een lege, waar alleen een opgerold papiertje in zit.
De man die mij heeft ontvoerd en die zulke vreselijke dingen met me heeft gedaan heeft een briefje achtergelaten voor zijn melkboer. Hij hoort nog steeds bij de gewone wereld, de wereld die ik niet meer kan bereiken.
Ik trek het briefje eruit en lees het. Er staat: ‘Ik hoop dat u mijn briefje hebt ontvangen dat u niet meer langs hoeft te komen. Zo niet, dan graag geen melk meer tot nader order. Ben ten minste een maand weg. Bedankt!’
Ten minste een maand weg… Ik had dood kunnen gaan als ik niet naar buiten had weten te komen. Hij was dus van plan om me daar te laten sterven, in die kamer. Maar… maar als allebei die poorten aan de binnenkant op slot zitten, hoe kan de melkboer dan… Jezus, Sally, wat ben jij toch dom! Ik heb ze nog niet eens geprobeerd. Ik zag die twee sloten, en toen nam ik aan dat…
De poort die ik vanuit mijn raam kon zien zit inderdaad op slot, maar de tweede niet, de poort aan de andere kant van het huis. Het hangslot hangt er wel en daardoor had ik de verkeerde conclusie getrokken. Het hangt alleen door de poort zelf, niet door het oog dat aan de muur vastzit. Ik trek eraan en de poort zwaait open in mijn richting. Ik zie een andere, stille straat.
Rennen! Ga naar de politie!
Mijn hart gaat ongelofelijk tekeer als ik de poort met evenveel geweld dichttrek als waarmee ik hem net openduwde. Hij komt niet terug. Hij blijft nog minstens een maand weg. Als ik op de een of andere manier het huis in kan, dan kan ik mezelf tenminste een beetje fatsoeneren. Dan hoef ik niet de straat op in een badjas die doordrenkt is van mijn eigen bloed. Als de politie me zo ziet, dan weten ze dat ik van William Markes mijn kleren uit moest trekken. Dan gaan ze vragen stellen. Dan komt Nick erachter… en dat kan ik niet aan. Ik moet het huis weer in.
Met een zware plantenbak kan ik de dubbele beglazing wel ingooien. Ik probeer er eentje op te pakken, de bak die er het zwaarst uitziet, maar het lukt niet. Langs de muur staan drie kleinere potten, zij aan zij langs een rechthoekige betonnen plint. Die pak ik op, met moeite. Ik kan hem maar net tillen. Ik houd hem onder mijn rechterarm als een stormram en ren er zo hard als ik kan mee naar het keukenraam, hijgend. Het glas vertoont bij de eerste ram al barsten, en bij de derde keer breekt het.
Ik klim het huis in, waarbij ik mijn handen en benen verwond, maar dat kan me niet schelen. Het kookboek ligt weer op het aanrecht. Daarnaast ligt het pistool. Hij heeft zijn pistool niet meegenomen. Dan heeft hij het dus opgegeven. Hij heeft het opgegeven en hij heeft mij hier voor dood achtergelaten. Ik deins achteruit en voel de gal in mijn keel omhoogkomen als ik de injectiespuit keurig naast de wasbak zie liggen.
Nu ik dat heb gezien kan ik niet langer in de keuken blijven. Kokhalzend ren ik naar boven. Kleren. Ik heb kleren nodig. De kledingkasten in de blauwe en roze kamer zijn helemaal leeg. In de grote slaapkamer hangen een paar kledingstukken aan houten hangertjes. Mannenkleren. De zijne. Een pak, een gewatteerde jas met verfvlekken op de mouwen en heel veel sleutels in een van de zakken, twee overhemden en een kaki ribbroek.
De gedachte dat ik zijn kleding aan zou moeten is onverdraaglijk. Ik huil want ik wil mijn eigen kleren terug. Waar heeft hij die gelaten? Meteen schieten er twee dingen door mijn hoofd: de afgesloten badkamer. Een zak vol sleutels…
Ik schud ze allemaal op de grond van de overloop. Een paar ervan zijn overduidelijk te groot, te klein of hebben de verkeerde vorm. Die veeg ik aan de kant. Dan zijn er nog vijf over. De vierde die ik uitprobeer lukt en de deur gaat open. Het is een grote badkamer, bijna zo groot als de grote slaapkamer, met een verzonken bad in de hoek. In het midden van de ruimte ligt een hoop van iemands bezittingen op de grond, als een brandstapel – een soort offerplaats. Kleding, schoenen, tassen, schoolschriften, barbiepoppen, een horloge, een paar gele huishoudhandschoenen, een flesje Eau du Sport van Sisley, gouden manchetknopen met paarlemoer: honderden dingen. Dingen die ooit van een vrouw en een meisje zijn geweest. Al hun bezittingen op een hoop in deze ene kamer. En daar bovenop mijn kleren en schoenen. Godzijdank.
Ik duw in de stapel en hoor dingen van boven af in het bad en in de wastafel vallen. De hardste klap komt van een zwarte tafellamp met een chromen voet. Ik schrik ervan, tot ik me realiseer wat het is. Het zit eruit als een levend wezen, met een zwarte kop en een zilveren ruggengraat. De gloeilamp is stukgevallen in de wastafel.
Mijn hart gaat nog harder tekeer als ik twee paspoorten vind. Ik sla het eerste open. Dit is haar: het meisje van de foto. Amy Oliva. Het andere paspoort is van haar moeder, en haar gezicht komt me even bekend voor als het gezicht van de dochter, om dezelfde reden. Encarnación. Een Spaanse naam? Ja. Een paar seconden geleden heb ik nog door een boek gebladerd dat in een vreemde taal was geschreven.
Amy Oliva’s vader. Maar hij zei dat zijn naam William Markes was.
In een plastic tas die losjes is dichtgeknoopt vind ik iets groens en smerigs. Het is een schooluniform: van St Swithun. Amy’s schooluniform. Maar waarom ziet het er zo vies uit? En waarom stinkt het zo afschuwelijk. Heeft hij haar soms verdronken?
Ik kan hier niet blijven, tussen al die spullen van dode mensen. Ik weet nu heel zeker dat Amy en Encarnación niet meer leven, zo zeker als had ik zelf hun lijken gevonden. Ik pak mijn kleren, hol naar beneden, zet de douche aan in dat kleine hokje onder de trap en doe de badjas uit. Onder de taille zit een enorme rode vlek. Het lijkt wel of hij is gebruikt om een hoofdwond mee af te dekken.
Ik was me zo snel als ik kan en zie hoe het water om me heen verkleurt van rood naar roze tot helder. Dan pak ik de blauwe handdoek die keurig opgevouwen op de radiator ligt, droog me af en kleed me aan.
Nu kan ik weg, naar huis, de politie bellen. Ik kan ze hier naartoe brengen, en dan vinden ze… Nee. Er zijn dingen die ze niet mogen vinden. Als ik eenmaal ben ontsnapt moet ik door kunnen met mijn leven – het leven dat ik verkies, het leven zoals ik dat eerst had – anders heeft dit allemaal geen enkele zin.
Niemand mag ooit weten wat hij met me heeft gedaan.
Ik ga weer naar de badkamer boven. Kokhalzend schud ik Amy Oliva’s smerige uniform uit de plastic tas. Dan loop ik langzaam door het huis en verzamel alle dingen die ik hier niet achter kan laten: de badjas, de spuit, het zwarte boek met de in het Spaans geschreven tekst.
Ik begin hevig te trillen als ik de tuin oversteek en de straat op loop.