Bewijsstuk referentiecode: VN8723

Zaaknummer: VN87

Leidinggevend inspecteur: Samuel Kombothekra

DAGBOEK VAN GERALDINE BRETHERICK, FRAGMENT 8 VAN 9 (afkomstig van de harde schijf van een Toshiba laptop in Corn Mill House, Castle Park, Spilling, RY29 OLE)

17 mei 2006, 23.40 uur

Mijn moeder belde vanavond. Ik was zo moe, dat mijn tong en lippen nauwelijks woorden konden vormen. ‘Wat ben je aan het doen?’ vroeg ze. Dat vraagt ze altijd en dan hoopt ze dat mijn antwoord iets zal zijn als: ‘O, ik ben een poppenhuis voor Lucy aan het houwen uit een haardblok. Maar nu moet ik ophangen, want ik moet weer achter de naaimachine om die schattige geblokte gordijntjes af te maken voor de kleine poppenraampjes!’

‘Ik ben het speelgoed van Lucy aan het opruimen dat hier overal door het huis slingert,’ zei ik tegen haar.

‘Doe dat toch niet,’ zei ze. ‘Je klaagt er altijd over hoe moe je bent. Ga toch lekker even op de bank liggen met je voeten omhoog.’

Dit verbaasde me. Mijn moeder zegt meestal dat ik geen reden heb om over vermoeidheid te klagen en ze heeft nog nooit gezegd dat ik maar even lekker moest gaan liggen.

‘Ligt Lucy in bed?’

‘Nog niet,’ zei ik.

‘Wacht dan in elk geval totdat ze in bed ligt. Het heeft geen zin om van alles op te ruimen als ze het vijf minuten later toch weer overhoophaalt.’

Mis, moeder. Het heeft wel degelijk zin. Mijn opruimen gaat niet alleen om het resultaat. Het proces is voor mij even belangrijk; ik denk wel eens dat dat het enige is waardoor ik thuis niet knettergek word. Als Lucy en ik samen thuis zijn, doe ik bijna niks anders dan van de ene naar de andere kamer lopen om de puinhoop van haar op te ruimen. Ik ga achter haar staan en zodra zij iets neerlegt stop ik het weer terug waar het hoort. Telkens als zij een speeltje of een dvd van de plank haalt, vallen er vijf andere dingen naar beneden, die dan op het tapijt belanden. Telkens als ze een verkleedpartij houdt, moeten alle verkleedkleren uit de kast gehaald en op de grond gegooid worden. En dan heb je nog de speeltjes waar ik echt de pest aan heb. Die bestaan uit meer dan één bestanddeel: theeserviesjes, picknickmanden, kappersspullen, lego, puzzels. Alles over mijn vloeren.

In het verleden heeft mijn moeder wel gezegd dat ik Lucy zelf moet laten opruimen, maar als ik dat zou doen, zou ze een driftbui krijgen, en dan zou het mij weer bakken energie kosten om dat tot een goed einde te brengen. Maar goed, het is niet de enige reden waarom ik zo ziekelijk achter haar aan loop te ruimen en te stofzuigen. Ik houd van de symboliek. Ik wil aan alle toeschouwers duidelijk maken hoe zwaar het voor mij is – elke minuut, elke seconde – om mijn leven een beetje draaglijk te houden. Ik wil dat mijn verschrikking voor iedereen duidelijk zichtbaar is: Lucy die alles voortdurend stukmaakt en ik die constant moet worstelen om de brokstukken van mijn leven weer bij elkaar te rapen. En ik zal nooit, nooit opgeven. Ik blijf op de been, en vecht tegen de dingen die ik zo haat, voor zolang als ik blijf ademen.

Hoe zou het zijn als ik op de bank ging zitten kletsen of tv-kijken terwijl Lucy al haar plastic, stof en glitter door de kamer strooit? Dan zouden mensen denken dat ik de ‘status-quo’ heb geaccepteerd. Als je eenmaal een kind hebt kun je dat nooit meer ongedaan maken – dat weet ik wel – maar mijn eindeloze, waanzinnige schoonmaakwoede komt daar nog het dichtst bij in de buurt: bij het ongedaan maken (althans, op een onschadelijke manier).

Dat heb ik mijn moeder natuurlijk allemaal niet verteld want ik wist ook wel dat ze dan weer zou beginnen met haar ‘jij zou dit en jij zou dat’ – dan zou ze mij wel eens even haarfijn vertellen wat ik wel en niet zou horen te voelen. Ik zou haar natuurlijk ook kunnen antwoorden dat zij meer begrip moest tonen, maar wat schieten we daarmee op? Dat vermogen bezit ze kennelijk niet.

‘Zorg nou dat je jezelf niet zo uitput,’ zie ze. Ik was zelfs nog best geraakt door haar bezorgdheid, maar toen zei ze: ‘Ik wil me heus niet met jouw leven bemoeien. Het gaat mij alleen om Lucy. Als jij zo moe bent, hoe kun je dan voor haar zorgen?’

Het gaat mij alleen om Lucy? Had ze dat niet nog wat harder en exclusiever kunnen stellen?

Meer dan dertig jaar was ik haar dochter voordat Lucy er was. Ik heb gezegd dat ze me nooit meer hoefde te bellen.