15

Vrijdag 10 augustus 2007

Als ik de sleutel in het slot hoor, trek ik de massagetafel naar me toe zodat die tussen mij en de deur in komt te staan. Hij komt de kamer in, zonder glimlach, uitdrukkingsloos. In zijn linkerhand houdt hij het pistool vast en in zijn rechterhand de injectiespuit, die vol is. ‘Nee,’ zeg ik. ‘Nee, alsjeblieft. Het is veel te snel na de laatste keer…’

‘Waarom lig je niet met je benen omhoog tegen de muur zoals ik had gezegd?’

‘Omdat het geen zin heeft,’ zeg ik. ‘Ik wilde het niet eerder zeggen omdat ik bang was dat je boos werd, maar… ik kan geen kinderen meer krijgen.’

‘Wat?’ Zijn gezicht vertrekt.

‘Toen Jake is geboren heb ik wat problemen gehad.’ Ik weet woorden, details die deze leugen geloofwaardiger zouden maken. Ik weet allerlei namen van gynaecologische aandoeningen, omdat ik talloze boeken heb gelezen toen ik zwanger was van Zoe. Waarom kan ik me er dan nu geen enkele meer herinneren? ‘Ik ben niet meer vruchtbaar. Het maakt niet uit hoe lang je me met mijn benen tegen de muur laat liggen, ik zal nooit meer zwanger worden. Het spijt me. Ik had het meteen moeten zeggen.’

Hij lacht. ‘Onvruchtbaar. Dus je hebt niet een of andere zeldzame genetische afwijking die je niet op een kind wilt overbrengen? Nee, daar kon je natuurlijk niet mee aankomen, omdat je Zoe en Jake al hebt.’

‘Ik lieg niet. Ik zweer het op mijn eigen leven.’

‘Zweer het op het leven van je kinderen.’

Nee. Dat nooit.

‘Nee. Dat zou ik nooit doen. Ik vertel je de waarheid, Mark.’

‘Zo heet ik niet.’

‘Hoe heet je dan wel?’

Hij staart naar zijn armen, met gebogen hoofd. ‘William Markes. Dat had je goed geraden.’

Hij legt de spuit op de massagetafel en richt het wapen op mijn gezicht. Hij heeft het met beide handen vast. ‘We gaan een potje gewetensroulette spelen,’ zegt hij. ‘Ik ga jou zo vragen of je onvruchtbaar bent. Als je dat echt bent, en je vertelt me de waarheid, dan zal ik je laten gaan. Dan mag je weer naar huis. Ik wil echt een gezin, Sally. Het moet. En als jij me dat niet kunt geven, dan ben je niet de vrouw voor mij. Maar als je niet onvruchtbaar bent, dan blijf je hier. En als je liegt, en zegt dat je onvruchtbaar bent terwijl dat niet zo is, dan vermoord ik je. Heb je dat goed begrepen? Ik weet precies wanneer je liegt. Ik weet het namelijk al.’ Het pistool maakt een klikgeluid.

‘Ik ben niet onvruchtbaar,’ zeg ik nog voordat hij de vraag kan stellen. ‘Het spijt me. Ik zal niet meer liegen.’

‘Wat huil je nou? Als er iemand reden heeft om te huilen dan ben ik het wel.’ Hij blaast langzaam zijn adem uit. ‘Ga op de tafel liggen.’

Ik verzamel al mijn energie en zeg: ‘Mag ik het alsjeblieft… zelf doen?’ Ik wijs naar de injectiespuit.

‘Dan doe je het expres niet goed.’

‘Nee. Ik beloof het.’

‘Als je er een potje van maakt dan gebruik ik deze.’ Hij zwaait met het pistool. ‘Niet om je te vermoorden. Dan schiet ik je in je knie, of in je voet.’

‘Ik zweer dat ik het goed doe,’ raaskal ik wanhopig.

‘Goed, want ik hou je scherp in de gaten. Ik ben niet gek. Ik heb het meteen door als jij probeert om ons gezin te saboteren.’

‘Nee!’ Elk zenuwuiteinde in mijn lichaam gilt panieksignalen. Had hij me maar langer bewusteloos gehouden. Eeuwig. Hij zei dat hij me zou vermoorden als ik loog, dus waarom heb ik dan niet gelogen? Ontzetting. Angst, niet de wens om te leven, niet als het zo moet. ‘Niet als jij kijkt. Alsjeblieft!’

‘O nee?’ Hij loopt naar het raam en draait zijn rug naar me toe. ‘Je probeert misbruik van me te maken. Dat doet iedereen altijd, omdat ik zo soft ben. Ik ga nooit eens op mijn strepen staan. Denk je nou echt dat ik niet weet dat jij alle macht hebt en ik helemaal niets? Denk je soms dat ik dat even heb gemist, dat je het me zo nodig in moet peperen?’

‘Ik… waar heb je het over?’ snik ik.

‘Ik heb jou harder nodig dan jij mij. Hoe zou jij je voelen in mijn plaats? Jij hebt mij totaal niet nodig, en je wilt me ook helemaal niet. Dus moet ik een pistool en een spuit gebruiken, en sloten op alle deuren. En dan wil je nu dat ik de kamer uitga, en dat ik jou toevertrouw wat voor mij het allerbelangrijkste in de hele wereld is, terwijl je hier nog geen minuut geleden hebt staan liegen? Vind je dat nou eerlijk? Is dat nou netjes?’

‘Als je mij dit in mijn eentje laat doen, dan zal ik juist extra mijn best doen dat het lukt. Ik beloof het. Als je wilt dat ik jou help, zul je toch echt ook moeten nadenken over wat ik wil en niet alleen over wat jij wilt.’

‘Wat maakt het eigenlijk uit?’ zegt hij woedend. ‘Het is maar een detail, dus wat maakt het uit? Ik heb jouw lichaam toch al eerder gezien. Ik heb het al aangeraakt, elke centimeter ervan.’

Iets in mij staat op het punt om te breken. Ik heb er niets meer tegen in te brengen: in zijn hoofd heeft hij elke mogelijke discussie die we zouden kunnen voeren allang gewonnen.

‘Kom op, laten we het nou maar gewoon even doen, dat is voor ons allebei beter,’ zegt hij terwijl hij de spuit weer oppakt.

Ik loop naar de massagetafel.

‘Wacht,’ zegt hij. ‘Niet op de tafel dit keer. Ik heb zitten zoeken op het internet. Er zijn betere posities voor een geslaagde conceptie dan plat op je rug te liggen. Kijk.’ Hij gaat op handen en knieën zitten op de grond, voor mijn neus, met de spuit tussen zijn tanden en zijn handpalmen plat op de vloer. ‘Zo,’ zegt hij terwijl hij opstaat.

Ik staar naar de gestreepte vloerbedekking en noem in gedachten de kleuren op: grijs, groen, oker, goud, oranje. Grijs, groen, oker, goud, oranje. Er gebeurt niets. Ik voel niet dat zijn handen de onderkant van de badjas optillen die ik aan moest trekken omdat mijn kleren hem te veel in de weg zaten. Waarom duurt het zo lang?

Eén heerlijk moment stel ik me voor dat hij dood is, en dat ik hem als ik me omdraai grijs en koud zal aantreffen, met een lege blik in zijn ogen.

‘Dit lijkt me niet goed, zo,’ zegt hij, en hij klinkt geïrriteerd. ‘Weet je wat, laten we maar eens wat experimenteren. Als je nou eens je armen over elkaar vouwt, met je onderarmen plat op de grond. Nee, niet… ja, zo, ja. Uitstekend. En dan moet je nu naar voren schuifelen op je onderarmen totdat je lichaam zo’n beetje uitgestrekt is, met je kont iets hoger dan de rest. Zo ja. Stop. Perfect.’

Grijs, groen, oker, goud, oranje. Grijs, groen, oker, goud, oranje.

Het duister daalt op me neer. Ik draai mijn hoofd om op te kijken, en ik zie een laag stof. Niet het plafond. Ik voel lucht tegen mijn benen en mijn rug. Hij heeft de badjas over mijn hoofd getrokken. Ik begin te huilen. ‘Wacht. Zoek naar mannelijke vruchtbaarheid op het net,’ smeek ik hem, maar de woorden klinken stroperig en onduidelijk. Ik weet wat ik zeggen moet: ‘Als je het vier keer per dag doet heb je minder kans op succes dan om de dag. Ik lieg niet!’

Hij geeft geen antwoord.

Ik voel iets tegen me aan strijken. Het is niet de spuit. Het is zachter. Iets van stof. ‘Hou op, alsjeblieft!’ smeek ik. ‘Het heeft geen zin, zo snel alweer. Het werkt toch niet! Hoor je me? Ik zweer het, ik lieg niet!’

Achter me klinkt zwaar gehijg. Ik doe mijn ogen dicht en zet me schrap voor de spuit door mijn gezicht tegen mijn armen te drukken. Seconden tikken voorbij – ik weet niet hoeveel. Ik ben vergeten om te tellen hoe snel mijn leven bij me vandaan rolt. Er gebeurt helemaal niets.

Dan, als ik het niet meer verdraag, til ik mijn hoofd op, en draai me om. Hij houdt het pistool in de lucht. Onder aan zijn overhemd zit bloed. ‘Wat…?’ begin ik.

Hij vliegt door de kamer op mij af. ‘Kutwijf!’ schreeuwt hij. ‘Vies, smerig kutwijf!’ Ik heb geen tijd om me te bewegen. Ik zie het pistool boven mijn hoofd, en zijn hand komt snel naar beneden. Dan hoor ik een vreselijke knal en een pijnscheut vaagt alles uit.

Als ik bijkom maken mijn armen en benen stuiptrekkingen. Dat is het eerste wat ik voel. Ik til mijn handen op om aan mijn gezicht en mijn hoofd te voelen. Iets rond mijn ogen heeft de verkeerde vorm. Ik voel een bult boven mijn rechter wenkbrauw, keihard en ontzettend groot, alsof iemand mijn hoofd open heeft gesneden en een honkbal onder mijn huid heeft gestopt.

Mijn vingers zijn nat. Ik doe mijn ogen open: bloed. Dus hij heeft me geslagen met het wapen. Ik kijk om me heen. Tranen van dankbaarheid prikken achter mijn ogen als ik zie dat hij er niet is. Ik vind het niet erg om in deze kamer te moeten zijn, zolang hij er maar niet is.

Bloed op zijn overhemd. Maar dat was nog voordat hij me sloeg. Heeft hij zichzelf verwond? Hoe dan? Ik sta langzaam op. Er ligt nog meer bloed op het tapijt. Maar niet in de buurt van waar mijn hoofd lag. Ik kan het niet opbrengen om te kijken op de meest voor de hand liggende plek. Niet na wat hij allemaal met me heeft gedaan. Ik strompel naar mijn tas, haal daar mijn agenda uit en zoek de laatste bladzijde op waar ik een sterretje heb gezet. Dan tel ik de dagen die sindsdien zijn verstreken: negenentwintig. O, god.

De wetenschap waarom hij me heeft geslagen is even beangstigend als de klik van het wapen. Hij kan niet wachten. Zo gestoord is hij. Ooit heeft hij samengewoond met een vrouw en een kind; hij weet dus precies wat dat bloed betekent.

En hij wil niet nog vijf of zes dagen wachten.

Heeft hij het opgegeven met mij en is hij nu op zoek naar een andere vrouw?

Ik probeer de deur. Op slot. Ik vloek en weet dat het geen enkele zin heeft om te huilen van teleurstelling. Ik had mezelf heel even de hoop toegestaan dat hij in blinde woede het huis uit is gestormd, en dat hij is vergeten om de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen te treffen.

Ik weet dat hij weg is. Heel zeker. Hij trekt het niet om in mijn buurt te blijven nu ik hem zo heb laten zitten. Ik moet iets doen. Ik kan niet wachten op de melkboer, morgenochtend. Ik moet nu in actie komen.

Waarom zeggen mensen altijd: ‘Waar een wil is, is een weg?’ De meesten van hen zullen nooit in zo’n situatie terechtkomen als die waarin ik nu zit, en waarin ze worden gedwongen om te bedenken hoe vaak ze die krankzinnige platitude hebben uitgekraamd.

Ik heb het zelf nog nooit gezegd, want ik heb er nooit in geloofd, maar nu moet ik wel. Ik moet zorgen dat het waar wordt.

De deur intrappen is onmogelijk. Het is een stevige deur, met metaal erin, een vuurvertragende deur. Hij valt zwaar in het slot, tenzij iemand – de man, William Markes – hem openhoudt. Dan blijft het raam over. Dubbele beglazing. Ik heb er al honderd keer naar gekeken en besloten dat ik het onmogelijk in kan gooien.

Maar ik moet het proberen. Ik trek een sprint vanaf de andere kant van de kamer en gooi mijn hele gewicht tegen het glas, wel zes of zeven keer. Geen beweging, geen barstje. Ik ga er net zo lang mee door tot mijn schouders en armen aanvoelen alsof ze elk moment kunnen breken. Ik bonk met mijn vuisten tegen het raam en ik schreeuw. Ik haat het raam omdat het zo sterk is.

Er zit een doffe plek op het glas. Die zit er al zolang als ik hier ben. Zo kun je nog minder zien, en je ziet er al zo weinig door. Het trekt nooit weg; gek, dat het me nu pas opvalt. Vocht, gevangen tussen de twee glasplaten. Dat betekent dus dat ergens een lek zit.

Ik klim op de massagetafel en draai aan de witte plastic fitting zodat de donkerrode glazen lampenkap loskomt. Dan haal ik mijn arm naar achteren en smijt hem zo hard ik kan tegen het raam. De kap breekt aan stukken. Ik spring van de tafel en kies een scherf met een dunne, scherpe rand. Even overweeg ik om hem te gebruiken om mezelf te doden, maar dat idee verwerp ik onmiddellijk; als ik echt dood wilde had ik ook gewoon kunnen liegen zodat William Markes me neer zou schieten – dat was een stuk gemakkelijker geweest.

Met de scherpste punt van de rode glazen driehoek begin ik voorzichtig langs de rubberen kit aan de bovenkant van het raam te snijden. Mijn voetzolen prikken. Ik stop om ze te bekijken en zie dat ze bloeden: kleine stukjes lampenkap hebben zich in de huid vastgezet. Ik negeer de pijn en ga door met snijden. Het kan me niet schelen hoeveel tijd het kost. Ik houd hier nooit meer mee op, al moet ik er de rest van mijn leven mee doorgaan.

Na wat voelt als uren springt er een krul rubber op me af – die heb ik los gepulkt met mijn geïmproviseerde mes. Yes. Ik laat het stuk glas op het tapijt vallen, pak het rubber en trek eraan zo hard ik kan. De strip laat los en het glas helt een beetje naar voren, want de verzegeling is verbroken.

Mijn lichaam is te gebutst om nog iets te kunnen breken. Ik duw de massagetafel op zijn kant en begin de middelste metalen poot los te draaien, tegen de klok in. Hij zit goed vast, dus het duurt even. Ondertussen zing ik zachtjes een alfabetliedje dat Zoe altijd zingt: ‘A is van Annie Appel, die zegt steeds Aaa.’ Tegen de tijd dat ik bij de Z ben, moet het me gelukt zijn, zeg ik tegen mezelf. ‘A is van Annie Appel, die zegt steeds Aaa. B is van boze Beer Ben, die zegt steeds Buh. C is van…’

Het is me gelukt. Ik houd de stevige metalen poot in mijn hand. Hij is hol. Maar zwaar genoeg. Hier moet het mee kunnen.

Ik neem een aanloop vanaf de muur en mik het uiteinde van de poot op het midden van het raam. Het glas breekt. Ik hoor het kraken, en dan spat het uit elkaar als harde, halfdoorzichtige confetti.

Ik gooi mijn tas over mijn schouder en stap op de buitenlucht af.