6
07/08/2007
Rechercheur Colin Sellers snoof aan de mouw van zijn jasje toen hij zeker wist dat er niemand keek. Hij wist het niet. Dus rook hij nog eens, maar nee, hij kon niet zeggen of het nu zijn kleren waren die zo stonken of dat het de omgeving was. Wat was dat eigenlijk met dit soort tweedehands spullenwinkels? Hij besloot om nooit meer tegen Stacey te zeggen dat ze haar kleren maar bij het Leger des Heils moest kopen. Hij was al in geen jaren meer in zo’n winkel geweest en hij had zich niet gerealiseerd dat ze allemaal diezelfde muffe geur van het verleden hadden, door al die verschillende lagen ranzige luchtjes, de een boven op de andere. Je rook hoe teleurgesteld de vorige eigenaars waren over hun leven.
Sellers had normaal gesproken nooit zulke melodramatische overpeinzingen, maar deze winkels brachten dat in hem naar boven. Hij had eerst alle stomerijen afgewerkt – en de chemische stank daar was op zich al erg genoeg – maar nu wenste hij dat hij het andersom had aangepakt, en dat hij het lekkerste voor het laatst had bewaard. Alles beter dan tweedehands kledingwinkels.
Hij stond nu in de Hildred Street in Spilling. Dit was goddank de laatste die hij moest afwerken. Hij zou Stace vanavond vragen om zijn kleren op een extra hoge temperatuur te wassen. Of misschien gooide hij alles wel gewoon weg. Eén ding zou hij zeker niet doen: hij zou ze niet aan een goed doel schenken waar een of andere arme sloeber ze later weer kon kopen. Van nu af aan was Sellers tegen winkels met tweedehands troep. Mensen moeten maar gewoon geld doneren in plaats van hun oude rotzooi. Klaar. Een fijn, schoon bankbiljet dat niet riekt naar vet of naar de dood of naar falen.
Sellers bedacht ineens dat hij in zijn hele leven nog nooit geld aan een goed doel had geschonken. Dat kon hij zich helemaal niet veroorloven, want hij had Stacey en de kinderen te onderhouden en hij moest ervoor zorgen dat Suki, zijn vriendin, het naar haar zin had en dat ze hem niet zat werd. En dan wilde Stacey nu dus ineens Frans leren, en dat irriteerde hem mateloos. S’il vous plaît. Als hij haar dat nog één keer hoorde zeggen, dan ramde hij haar dat elegante Franse woordenboekje van haar door de strot. Echt waar.
Uiteindelijk dook er een oud wijf op vanachter een kralengordijn, met een coltrui van paarse nylon en een ketting van grote nepparels om haar nek. Ze had de twee kleurenprintjes die Sellers een paar minuten geleden aan haar veel jongere en heel veel aantrekkelijker collegaatje had gegeven in haar hand. Op het ene printje stond Geraldine Bretherick en op het andere een bruin pak van Ozwald Boateng. Precies zo eentje als Mark Bretherick als vermist had opgegeven.
‘Bent u van de politie?’ Het ouwe mens deed haar best om op Sellers neer te kijken, al was ze een behoorlijk stuk kleiner dan hij. Ze leek een jaar of zeventig, met haar witte waaihaar, en ze had een aantal prominente wratten in haar gezicht. Net brokjes bruine klei. Haar neus leek wel een snavel en haar oogleden bestonden uit tien keer meer vel dan een ooglid gemiddeld nodig heeft; ze hingen erbij als kleine vlezige trekharmonica’s. ‘En u wilde weten of iemand hier zo’n pak heeft gebracht?’
‘Inderdaad.’
‘Nee. Dat zou ik me nog wel herinneren. Het heeft van die rare revers.’ Ze keek Sellers achterdochtig aan. Hij moest het niet wagen om haar tegen te spreken. ‘Ik denk niet dat onze klanten zoiets zouden kopen.’
‘En deze vrouw? Kunt u zich herinneren of u haar de afgelopen weken hebt gezien?’
‘Ja.’
‘Echt?’ Sellers veerde op. Tot dusver was het antwoord steeds van harte ‘nee’ geweest. Hij was naar elke stomerij en uitdragerij in heel Culver Valley geweest, maar die moeite had hij zich kunnen besparen. ‘Heeft ze hier iets gebracht?’
‘Nee.’ De oude vrouw stak haar snavel in zijn richting. ‘U vroeg alleen of ik haar wel eens heb gezien. En dat heb ik. Ze kwam vaak bij de lijstenmaker aan de overkant – dan parkeerde ze rustig daar voor de deur, waar het helemaal niet mag. Ja, niet dat ik mijn neus in andermans zaken steek, natuurlijk.’ Sellers deed zijn best niet te erg op die neus te letten, want hij was bang dat hij dan de slappe lach zou krijgen. ‘Meestal had ze een vreselijke tekening bij zich – niet meer dan een paar vlekken en krabbels eigenlijk, dus duidelijk gemaakt door een kind. Ik heb zo vaak tegen Mandy gezegd: “Die vrouw zou zich eens moeten laten nakijken.” Ik bedoel, dat je ze met plakband op je ijskast plakt is nog tot daar aan toe, maar om ze in te laten lijsten… En waarom bracht ze niet meteen een hele zwik tegelijk? Had ze soms niks beters te doen?’
‘Mandy? Is dat uw assistente?’ Sellers wierp een blik in de richting van het kralengordijn, maar er was geen spoor meer te bekennen van het knappe jonge ding dat hij eerst had aangesproken. Ik heb al een ander knap jong ding, bracht hij zichzelf in herinnering. Suki is mijn knappe jonge ding.
‘Als ze bij elke kras die haar kind op papier zette meteen naar de lijstenmaker ging, dan had ze ook heus wel tijd om haar auto fatsoenlijk te parkeren,’ zei het ouwe mens. ‘Ze was ongetwijfeld alleen van plan om even snel erin en eruit te gaan, maar dat is geen excuus om altijd maar ergens te gaan staan waar een parkeerverbod is. Ik bedoel, we moeten ons toch allemaal aan de regels houden? We kunnen toch niet zomaar voor onszelf een uitzondering maken als ons dat beter uitkomt?’
‘Inderdaad,’ zei Sellers, want wat kon hij anders zeggen. En hij was het er bovendien ook min of meer wel mee eens. Behalve dan als het om zaken ging die het hart betroffen. Het hart en andere minstens net zo belangrijke organen.’
‘Ze is dood, toch?’ De huidplooien om de ogen van de vrouw namen een andere positie in, terwijl ze naar Sellers opkeek. ‘Ik zag het op het nieuws.’
‘Inderdaad.’ En dan maak jij je nog steeds druk om haar parkeergewoontes? Heb je niks beters te doen of zo, vervelende ouwe muts?
‘Hoe laat is het?’
‘Bijna zeven uur.’
‘Dan moet u nu maar ophoepelen. Onze avondactiviteit begint dadelijk.’
‘Ik was toch al klaar.’ Sellers keek naar de drie rijen plastic stoelen die keurig in een halve cirkel stonden, midden in de winkel.
‘U had vanmiddag moeten komen.’
‘Ik was er ook vanmiddag, maar toen was u dicht.’
‘Mandy was hier de hele middag,’ sprak de oude vrouw hem tegen. ‘Wij zijn alle doordeweekse dagen open van halftien tot halfzes. En dan hebben we nog onze avondactiviteiten.’
Sellers knikte. Dus Mandy was er tussenuit gepiept die middag. Ze begon hem steeds meer aan te staan. Hij vroeg zich af of ze ook aan de avondactiviteit mee zou doen, hij stond op het punt haar te vragen wat op het programma stond. Maar gelukkig bedacht hij zich nog net op tijd, hij bedankte het ouwe mens en vertrok.
De pub waar hij een halfuur geleden met Gibbs had afgesproken, de Brown Cow, was hier vijf minuten lopen vandaan. Terwijl hij door High Street liep, glimlachend naar alle dames met lange benen en een flinke voorgevel die eruitzagen alsof ze er wel zin in hadden, moest Sellers bij zichzelf toegeven dat hij de laatste tijd wel veel aan andere vrouwen zat te denken. Dat moest wel betekenen dat hij een hebberd was. Hij had er twee; was dat soms niet genoeg? En hoe lang zou het nog bij alleen denken aan andere vrouwen blijven? Hoe lang zou het duren voor hij toegaf aan die drang die hij vanbinnen voelde?
Sellers was er niet zo goed in om zichzelf te onthouden wat hij graag wilde hebben. Hij gaf altijd onmiddellijk en vol enthousiasme toe aan de verleiding, en daar was hij nog trots op ook. Je kon maar beter in het hier en nu leven en een beetje lol maken dan dat je de kwezel uithing, zoals Simon Waterhouse, die alles wat maar een beetje leuk was uit de weg ging. Het probleem was alleen dat Sellers niet met nog een derde vrouw opgezadeld wilde worden die dan ook van allerlei eisen ging stellen, net als Stacey en Suki. Zijn derde vrouw – niet dat hij veel tijd besteed had aan het nadenken over haar profiel – moest gehoorzaam zijn, er moest bijna geen woord uit komen, en ze moest verder niks van hem willen, behalve seks. Mandy uit die winkel van net zou waarschijnlijk niet aan die eisen voldoen. Ook al had hij nog zo’n zin in een nieuw poppie, Sellers trok toch echt de grens bij een avondje op een plastic stoel in een Leger des Heilswinkel zitten luisteren naar een lezing van een bebaarde vegetariër over Afrika.
In de deuropening van de pub liep hij Gibbs tegen het lijf.
‘Ik dacht al dat je me had laten zitten.’
‘Sorry. Het duurde allemaal langer dan ik had ingeschat.’
‘Dan mag jij nu een rondje doen.’
Sellers bestelde twee glazen Timothy Taylor Landlord. Gelukkig was Gibbs’ smaak wat bier betrof in elk geval niet veranderd sinds hij was getrouwd. Voor de rest was alles anders, ook al had Gibbs daar zelf geen idee van, of wilde hij het er verder niet over hebben. Sellers pakte zijn geld en keek toen even naar het kleine tafeltje waaraan Gibbs zich had teruggetrokken, want hij hield zijn vrienden nooit gezelschap aan de bar. Hij zat met twee lege glazen voor zich, en hij duwde met zijn wijsvinger een plasje bier over het tafelblad, in een poging het van vorm te laten veranderen. Oké, dus hij gedroeg zich nog net als altijd, maar hoe hij eruitzag… godallemachtig, het was net alsof je in de kroeg zat met het wassen beeld van Christopher Gibbs – keurig opgepoetst, geen haartje op de verkeerde plek. Wat spookte Debbie toch met hem uit, stopte ze hem soms in de wasmachine?
De pub was trouwens ook al zo veranderd. Vroeger was er een aparte ruimte voor niet-rokers; nu kon je helemaal nergens meer een peuk opsteken. En de eigenaar brandde tegenwoordig haardblokken met sandelhoutgeur in zijn open haard, dus het geurde hierbinnen net zo erg als het haar van Gibbs.
‘Niks gevonden over dat pak,’ zei Sellers terwijl hij de glazen op tafel zette, express boven op Gibbs’ vinger.
‘Ik heb Norman vanmiddag nog gesproken.’
‘Norman Bates, die ouwe psycho? Hoe is het met zijn moeder?’ grapte Sellers.
‘Nee, Norman Computer. Over Geraldine Brethericks laptop.’
‘O, en?’
‘Als ze al GHB heeft besteld via internet, dan heeft ze dat ergens anders gedaan.’
‘Dat kan toch ook best? Misschien is ze er wel voor naar een internetcafé gegaan, of heeft ze de computer van een vriendin gebruikt.’ Hoewel, nu ze er zo eens over nadachten: er waren helemaal geen internetcafés in Spilling. En in Rawndesley was er maar eentje. Maar je had natuurlijk altijd nog de bibliotheken.
Gibbs keek moeilijk.
‘Wat?’ vroeg Sellers.
‘Die file met het dagboek is aangemaakt op 11 juli van dit jaar, zei Norman. Waterhouse – die eikel – zei nog dat de Brethericks op 11 juli tien jaar getrouwd waren.’
‘Waarom is hij een eikel?’ Sellers kon het even niet volgen.
‘Omdat het net iets voor hem is om dat op te merken. Waar de Sneeuwman bij was.’
‘Ik zou het verband ook niet hebben gelegd, hoor,’ zei Sellers. ‘Waterhouse is nou eenmaal goed met data.’
‘Een hoofd vol data, maar nooit een date. Daar komt het natuurlijk ook door. Die heeft echt eens een goeie beurt nodig.’
‘Zeg,’ zei Sellers bedachtzaam, ‘dus Geraldine heeft een nepdagboek geschreven. Of ze heeft wel eerst echt een handgeschreven dagboek bijgehouden, op die data die ze noemt, en dat heeft ze later zitten overtypen, een jaar later.’
‘Waarom zou ze dat doen? En waar is dat echte dagboek dan? Niet in dat huis in elk geval.’
‘Misschien heeft ze het weggegooid om ruimte te maken?’
Gibbs snoof in zijn glas. ‘Je hebt toch gezien wat voor paleis dat is? Je kunt er een hele voetbalploeg in kwijt. Bestaande uit olifanten, desnoods.’
‘Goed, dus ze heeft die fragmenten voor het eerst ingetypt op woensdag 11 juli, en toen heeft ze data ingevoerd van bijna een jaar eerder. Waarom?’ Sellers begon zijn eigen vraag te beantwoorden. ‘Misschien is het een manier voor haar om aan haar man duidelijk te maken: “Zo voel ik me al heel lang, en jij hebt het nooit gezien”. Maar waarom zou ze dan alleen data van een jaar geleden hebben gekozen? Het eerste stukje was gedateerd 18 april 2006, en het laatste 18 mei 2006. Waarom heeft ze die nepdata dan niet drie maanden laten beslaan in plaats van maar een maand?’
‘Hoe moet ik dat weten, man?’ Gibbs had een bierviltje zitten verscheuren en liet nu kleine snippers karton drijven in een plasje Landlord. ‘Misschien heeft iemand anders dat dagboek wel geschreven.’
‘Iemand die Geraldine en Lucy heeft vermoord, bedoel je? Wie dan?’
‘Waterhouse zegt dat het die William Markes is.’
‘Kom op, zeg.’
‘Kombothekra doet ook een beetje stiekem – die heeft kennelijk ook zo zijn twijfels.’
‘Hij is gewoon zenuwachtig omdat hij nog maar net is begonnen. Maar dat gedoe met de data – dat wil nog niet zeggen dat het dagboek op zich nep is. Ga maar na: als jij twee mensen vermoordt en een nepdagboek wil achterlaten voor een van beiden, om te zorgen dat die de schuld krijgt, dan ga je echt niet onnodig de aandacht trekken met data van meer dan een jaar geleden, of wel? Dan zorg je ervoor dat ze van recentere datum zijn. Maar als je een vrouw bent met een beroerd huwelijk, en je hebt het helemaal gehad met je man, dan heb je daar des te erger last van op de dag dat je tien jaar getrouwd bent. Dan denk je, ik zit al tien jaar in deze ellende – tijd om een dagboekje aan te maken om eens even lekker een potje te zeiken en gal te spuwen…’ Sellers zweeg toen hij het gezicht van Gibbs zag. Hij bloosde. ‘Dus jij verheugt je ook al op jullie tienjarige huwelijksfeest?’
Gibbs schoot in de lach. ‘De kans dat Debbie zich zo voelt na tien jaar met mij is niet zo groot. Ze is een heel ander mens sinds ons huwelijk. Ze krijgt maar niet genoeg van me.’
Sellers had geen zin in verhalen over hoe gewild Gibbs was. ‘Nog meer nieuws over die laptop?’
‘Norman is ermee bezig.’
De deur van de pub ging open en er kwamen twee meisjes binnen met blote topjes en minirokjes. Een van hen had een paarse glimsteen in haar navel. Sellers voelde de elleboog van Gibbs in zijn zij. ‘Is dat jong genoeg voor jou?’
‘Rot toch op.’
‘Nou toe, ga maar lekker een potje kwijlen bij ze. Colin Sellers, de Grote Versierkoning met de stijlvolle bakkebaarden, zo lekker retro. “Mooi, schatje, en nou opgehoepeld, je taxi is er. Je moet hem wel zelf betalen, maar dat vind je toch niet erg, hè?” ‘Hij deed een poging om het noordelijke accent van Sellers na te doen, maar dat mislukte nogal. Het klonk nog eerder alsof hij uit Wales kwam. Wat was er met hem aan de hand, waarom vond Gibbs het ineens nodig om de grappenmaker uit te hangen?
‘Hufter,’ zei Sellers. Hij dacht aan Mandy uit die winkel van net, en hij realiseerde zich dat hij de verkeerde keuze had gemaakt. Zoals hij het nu zag, zat hij nog liever de rest van zijn leven op een grijze plastic stoel in een stinkende winkel. Zolang Gibbs maar niet in zijn buurt was.
Toen Charlie opendeed en Simon zag staan, maakte haar hart een duikeling, om vervolgens met een doffe plof op de bodem van haar maag terecht te komen. Toen begon het even snel en zonder waarschuwing vooraf weer op te stijgen, alsof iemand het met helium had gevuld. Simon was er; hij had de moeite genomen om bij haar langs te komen. Hoog tijd.
‘Ha,’ zei ze. Hij hield iets achter zijn rug. Bloemen? Niet zo waarschijnlijk, tenzij hij iemand in dienst had genomen om hem wat normale sociale omgangsvormen bij te brengen sinds Charlie hem voor het laatst had gesproken.
‘Wat is hier gebeurd?’ vroeg hij terwijl hij de lege hal achter haar inkeek.
‘Ik ben de boel aan het opknappen.’
‘O, aha. Sorry, ik…’ Hij rekte zijn nek, op zoek naar de verf en het beschermplastic dat Charlie nog niet had gekocht.
‘Ja, nee, niet nu, op dit moment. Nu wilde ik eigenlijk net een lepel pakken voor mijn koude kant-en-klare chili con carne uit een potje. Wil je ook wat?’
‘Waarom maak je het niet even warm?’ Simon keek verwonderd. ‘Je hebt toch een magnetron?’
‘Je zou denk ik ook liever hebben dat ik het keurig zelfgemaakt had. Met biologisch vlees.’ Hij is nog niet binnen of je jaagt hem alweer weg.
‘Waarom heb je die brief niet aan mij gegeven?’ vroeg Simon op een al even vijandig toontje als dat van Charlie. ‘Over dat Mark Bretherick niet is wie hij zegt dat hij is? Waarom ben je ermee naar Proust gegaan?’ Ze keken elkaar vol wantrouwen aan; net als vroeger. Gek, hoe snel ze weer in het oude patroon vervielen.
‘Dat weet jij best.’
‘Nee, dat weet ik niet. Ik weet niks meer. Ik weet niet waarom jij ineens niet meer met me praat, en ik weet ook niet waarom je niet meer bij de recherche werkt. Vind je soms dat het mijn schuld is wat er vorig jaar is gebeurd?’
‘Daar wil ik niet over praten. Ik meen het.’ Charlie greep de deur vast en wilde hem dichtgooien. Het was natuurlijk te laat – de schaamte was haar huis al binnengeglipt. Dat gebeurde al voordat Simon de woorden ‘vorig jaar’ uitsprak; ze wist dat hij het wist, en dat was genoeg.
Simon staarde naar zijn schoenen. ‘Nou goed, dit is dus om mij te straffen,’ zei hij zachtjes. ‘En ik moet maar raden naar de reden.’
Hoe kon Charlie hem nou ooit vertellen dat ze alleen maar meer respect voor hem had gekregen sinds ze uit zijn leven was verdwenen? In het begin was Simon zo slim geweest om bij haar weg te blijven; hij wist dat ze besmet was met iets; dat je bezoedeld raakte als je je met haar inliet.
‘Dus jij verneukt je hele carrière alleen maar om mij dwars te zitten,’ zei hij venijnig. ‘Nou, bedankt, dat is een hele eer.’
Charlie lachte. ‘De wereld begint en eindigt niet bij de recherche, hoor. Hoe zit het eigenlijk met je eigen carrière? Wordt het niet eens tijd om je inspecteursexamen te doen?’
‘Op een dag zal iemand zich heus wel realiseren hoe belachelijk het is dat ik nog steeds rechercheur ben, en dan doen ze er vanzelf wel wat aan. Ik ga mezelf nergens voor aanmelden.’
‘Wat is dat nou voor bullshit?’ Charlie kon de woorden niet binnenhouden. Hoe flikte Simon dat toch? Hoe lukte het hem altijd weer om haar precies in haar woedereflex te raken? ‘Je kunt helemaal geen inspecteur worden als je niet eerst examen doet, dat weet jij dondersgoed.’
‘Wat ik weet is dat er allerlei mensen zijn die mij maar wat graag op mijn bek zien gaan. Dus als ze denken dat ik ga smeken om promotie, dan kunnen ze dat mooi op hun buik schrijven. Ik blijf nog liever eeuwig iedereen voor schut zetten als rechercheur, omdat ik beter ben dan zij. Voor het geld hoef ik het niet te doen, ik verdien wat ik nodig heb.’
Charlie kende niemand behalve Simon die zo’n houding zou aannemen en die er nog bij zou blijven ook. Die het echt meende. Ze kon wel huilen. ‘Luister, dit gaat zo niet, in de deuropening. Kom binnen, als je tenminste tegen een kale bende kunt. Maar ik meende wat ik net zei: over bepaalde dingen wil ik het echt niet meer hebben.’ Ze keerde zich om en liep de lange gang door, naar de keuken. ‘Wat heb je daar eigenlijk achter je rug? Als het een fles wijn is, geef maar op.’ Ze pakte het potje chili con carne uit de kast. Ze had er verder niks bij behalve nog wat nasi van twee dagen geleden, uit de koelkast. Het moest maar.
Er klonk geritsel van plastic, en iets dat uit een tasje werd gehaald. Charlie keek om en zag twee foeilelijke wenskaarten op haar keukentafel staan. Ze waren allebei gekreukt en ze zagen eruit alsof ze al een tijd in Simons broekzak hadden gezeten. Ze keek naar de bloemen en de pasteltinten en de zwierige gouden letters. ‘Wat is dat?’ vroeg ze, en ze kwam dichter bij. ‘O, kaarten voor een huwelijksfeest.’ Raar maar waar. Ze schoot in de lach. ‘Jeetje, schat, ik ben toch niet onze trouwdag vergeten?’
‘Lees ze nou maar,’ zei Simon kortaf.
Charlie sloeg allebei de kaarten open en keek van de ene naar de andere. Ze fronste.
‘Maak je maar geen zorgen, ik heb ze niet gestolen,’ zei Simon. ‘De originelen liggen nog gewoon bij de Brethericks thuis, maar dit is wat er in stond, letterlijk.’
‘Dus je moest van Sam twee kaarten kopen en overschrijven wat er op die echte kaarten stond? Waarom heb je niet gewoon een kopietje gemaakt?’
Simon kreeg een rood hoofd. ‘Ik wilde geen kopietjes meenemen. Ik wilde dat je ze zou zien als echte kaarten. Zoals ik ze zelf ook heb gezien in Corn Mill House.’
Charlie probeerde haar gezicht in de plooi te houden. Wie zou nou ooit zoveel moeite doen voor zoiets? Om het zo echt mogelijk te laten lijken had Simon zelfs kaarten gekocht die ook echt voor een tienjarig huwelijksfeest waren bedoeld – net als die bij de Brethericks, nam Charlie aan. ‘Waar heb je deze dan gekocht?’
‘Bij het benzinestation verderop.’
‘Wat romantisch!’
‘Zit me niet uit te lachen, ja?’ De waarschuwing in zijn ogen ging verder dan zijn woorden. Iets in Charlie verschrompelde en maakte zich snel uit de voeten. Deed hij dit om haar eraan te herinneren dat zij niet langer in de positie verkeerde om zich superieur op te stellen? Niet bij hem, maar überhaupt bij niemand meer? Het deed er niet toe of hij dat duidelijk wilde maken of niet; ze wist het zelf allang.
Ze pakte het potje chili op, draaide het deksel los, en schudde het leeg in een oranje pannetje. Welkom bij het treurigste etentje ooit. Ze had niet eens bier in huis.
‘Ik wilde het er graag met je over hebben. Over Geraldine en Lucy Bretherick.’ Simons stem kwam van achter haar op haar af. ‘Jij bent de enige met wie ik het erover wil hebben. Het is niet meer hetzelfde zonder jou. Het werk, bedoel ik. Het is klote.’
‘Sam houdt me op de hoogte,’ zei Charlie.
‘Sam? Kombothekra?’
‘Ja. Je hoeft niet zo te kijken, dat is nergens voor nodig.’
‘Zie je hem dan? Wanneer? Waar?’ Simon deed niet eens moeite om zijn ongenoegen te verhullen.
‘Ik ga wel eens eten bij hem en zijn vrouw.’
‘Waarom?’
‘Nou, bedankt, Simon.’
‘Je weet best wat ik bedoel. Waarom?’
Charlie haalde haar schouders op. ‘Ze zijn nieuw hier. Nou ja, een beetje nieuw. Ik geloof niet dat ze al veel mensen kennen.’
‘Mij hebben ze anders nog nooit uitgenodigd.’
‘Weet je wat, vertel het aan je moeder, dan kan die hem bellen om te klagen. Doe niet zo belachelijk, Simon.’
‘Waarom ga je daar dan heen?’
‘Gratis eten, gratis drank. Bovendien verwachten ze geen uitnodiging terug, omdat ik alleen ben en zielig en omdat ik zorg nodig heb. Kate Kombothekra schijnt te denken dat alle single vrouwen van boven de dertig in hoerenkasten wonen zonder keuken.’
Simon trok met geweld een stoel onder de tafel weg, waarbij de poten over Charlies pas betegelde vloer schraapten. Hij ging zitten en boog voorover, met zijn grote handen op zijn knieën. Hij zag eruit alsof hij zomaar zou kunnen uithalen. ‘Tegen mij praat je al een jaar niet meer, maar je gaat wel bij Kombothekra eten.’
Charlie hield op met roeren in de chili. Ze zuchtte. ‘Met jou was ik het meest betrokken. Voor die tijd. Ik vond het – nog steeds, trouwens – gemakkelijker om bij mensen te zijn die...’
‘Die wat?’ Simons mond was vertrokken; hij kon elk moment gaan slaan. Dat deed hij vroeger altijd, mensen slaan. Mannen. Charlie hoopte maar dat hij zich zou herinneren dat ze een vrouw was. Dat wist je met Simon maar nooit.
‘Mensen die ik niet zo goed ken,’ zei ze. ‘Mensen bij wie ik op mijn gemak kan zijn, en bij wie ik me geen zorgen hoef te maken omdat ze precies weten hoe ik me voel.’
De woede trok weg uit zijn gezicht. Wat hem ook maar dwarszat, Charlies woorden hadden het kennelijk uitgeschakeld. ‘Ik heb anders geen idee hoe jij je voelt,’ mompelde hij na een paar seconden terwijl hij haar met zijn ogen volgde. Ze liep heen en weer door de kleine ruimte.
‘Gelul! Zoals jij net “vorig jaar” zei, toen je aan de deur stond.’
‘Charlie, ik weet niet waar je het over hebt. Ik wil alleen maar dat alles weer zo wordt als vroeger. Meer niet.’
‘Zoals vroeger? Is dat wat jij wilt? Ik ben doodongelukkig sinds ik jou ken, weet je dat eigenlijk wel? Ik voel veel te veel als ik bij jou ben. En dat heeft niks te maken met vorig jaar.’ Charlie schreeuwde haar beledigende woorden. ‘Als ik bij jou ben wil ik ophouden met denken en dan… dan wil ik een robot worden!’ Ze sloeg haar handen voor haar gezicht, en stak haar nagels in haar voorhoofd. ‘Sorry. Wil je alsjeblieft vergeten wat ik net zei?’
‘Zeg, die saus brandt aan, geloof ik.’ Simon ging even verzitten en keek haar niet aan. Hij wilde waarschijnlijk dolgraag weg hier. Terug naar de Brown Cow, waar hij verslag kon uitbrengen aan Sellers en Gibbs, dat ze nu toch echt goed gek aan het worden was. De oude Charlie zou nooit in één klap zo veel ware dingen hebben gezegd. Die had te veel te verliezen.
De kant-en-klare chili had zijn verdiende loon gekregen. Charlie haalde de pan van het vuur en liet hem in de afwasteil vallen. Het schuim stroomde er van twee kanten in. Ze stond te kijken naar hoe het pannetje wegzonk, en naar de kluit chili die in het zeepsop ten onder ging en uiteindelijk helemaal aan het zicht onttrokken was.
‘Dus Kombothekra heeft jou verteld wat hij denkt? Over Geraldine en Lucy Bretherick?’
‘Is er dan nog reden om daaraan te twijfelen? Die moeder heeft hen allebei om het leven gebracht, toch?’
‘Proust denkt van niet. En ik ook niet.’
‘Hoezo niet? Vanwege die brief die ik op het postkantoor heb gevonden? Dat is waarschijnlijk gewoon een dom geintje van iemand.’
‘Niet alleen daarom. Heeft Kombothekra je ook verteld van William Markes?’
‘Nee. O ja, toch. Die naam in het dagboek? Simon, dat kan wel van alles betekenen. Het kan wel… weet ik veel, iemand zijn die ze die dag had ontmoet, en aan wie ze zich had lopen ergeren.’
‘En die kaarten?’ Simon knikte naar de tafel.
Charlie ging tegenover hem zitten en keek nog eens naar de kaarten. ‘Daar heeft Sam niks over gezegd.’
‘Sam is dan ook helemaal geen rechercheur. Hij heeft ze helemaal niet eens gezien, en ik heb er verder niks over gezegd. Tegen niemand.’
Hun ogen ontmoetten elkaar; Charlie begreep dat Simon die voor haar had bewaard.
Ze sloeg de eerste kaart nog eens open. Het was raar om een boodschap – die van Geraldine Bretherick aan haar echtgenoot – te lezen in Simons kleine, uiterst nauwkeurige handschrift. ‘Voor mijn lieve Mark. Bedankt voor tien geweldige huwelijksjaren. Ik weet zeker dat de volgende tien jaar nog veel mooier worden. Jij bent de allerbeste man in de hele wereld. Van je liefhebbende echtgenote, Geraldine.’ En dan drie kussen. Op de tweede kaart – weer in Simons handschrift – stond: ‘Aan mijn geliefde Geraldine. Een fijne tienjarige trouwdag. Je hebt me de eerste tien jaar van ons getrouwde leven zo gelukkig gemaakt. Ik verheug me op onze toekomst samen, want ik weet dat die even geweldig zal zijn als de jaren die we tot nu toe hebben gehad. Met al mijn liefde, voor altijd, Mark.’ Vier kussen op deze. Mark Bretherick gunde zijn vrouw er eentje meer dan zij hem.
‘Wat zijn mensen toch vreemd, hè?’ zei Charlie. ‘Het helpt ook niet echt dat het hier in jouw handschrift staat. Stel je voor dat jij zoiets zou schrijven.’ Ze giechelde.
‘Wat zou ik dan schrijven?’
‘Hè?’
‘Als ik tien jaar getrouwd zou zijn. Wat zou ik dan schrijven?’
‘Jij zou waarschijnlijk iets schrijven als: “Voor wie dan ook” en dan “veel liefs van Simon”. Of misschien alleen “Simon”.’ Charlie kneep haar ogen tot spleetjes. ‘Of misschien zou je zelfs wel helemaal geen kaart sturen – ik denk dat jij het een beetje dom zou vinden.’
‘Wat zou jij schrijven?’
‘Simon, wat wil je nou precies?’
‘Kom op, geef eens antwoord.’
Charlie zuchtte en rolde met haar ogen. ‘Lieve dingetje, fijne trouwdag, niet te geloven dat ik nog niet bij je weg ben vanwege je gokverslaving/luiheid/wonderlijke seksuele voorkeuren. Dikke kus, Charlie.’ Ze huiverde even. ‘Het lijkt wel zo’n les dramatische expressie, vroeger op school. Wat is je punt nou eigenlijk?’
Simon stond op en keek uit het raam. Hij werd een beetje prikkelbaar als ze het over seks had. Altijd al. ‘Fijne trouwdag,’ herhaalde hij. ‘En niet fijne tiende trouwdag?’
‘Misschien.’
‘Zowel Mark als Geraldine lijkt geobsedeerd door dat cijfer tien. Het staat bij hen allebei voor op de kaart, en ze noemen het ook allebei twee keer.’
‘Maar tien jaar, dat is toch de eerste mijlpaal, of niet?’ vroeg Charlie. ‘Misschien waren ze wel trots op hun score.’
‘Kijk nou eens naar hun woordkeuze,’ zei Simon. ‘Wat voor soort mensen schrijft zulke dingen aan elkaar? Zo formeel, zo overdreven. Het lijkt wel alsof ze uit de victoriaanse tijd stammen. Het klinkt alsof ze elkaar nauwelijks kennen. In jouw kaart, jouw denkbeeldige kaart, maak je een geintje over zijn gokverslaving...’
‘En vergeet die vieze seksdingen niet.’
‘Een geintje.’ Simon liet zich niet van zijn stuk brengen. ‘Als je close bent met iemand, dan maak je geintjes, of opmerkingen die verder niemand begrijpt. Deze lijken zo nep. Net van die hoogdravende bedankjes die ik als kind altijd aan mijn ooms en tantes moest schrijven. Waarin je probeerde te schrijven wat je hoorde te schrijven, en waarin je het een beetje probeerde te rekken, omdat het anders zo raar kort was...’
‘Je kunt het moeilijk verdacht vinden omdat er geen grapjes in staan! Misschien waren die Brethericks wel een humorloos setje.’
‘Het klinkt net alsof ze überhaupt geen setje waren!’ Simon liet zijn schouders hangen. Zijn houding werd wat losser, hij leek wat minder gespannen nu hij zijn verdenking had kunnen uitspreken. ‘Deze kaarten zijn voor de show. Ik weet het zeker. Die hebben ze op de schoorsteenmantel neergezet, en iedereen is er ingetrapt. Kombothekra...’
‘Dus jij wilt zeggen dat hun hele huwelijk een schijnvertoning was?’ Charlie begon honger te krijgen. Als Simon hier nu niet was geweest, had ze rustig de pan uit de gootsteen gevist om de inhoud over te doen in een ander pannetje. Dan had ze de boel weer verhit, en had ze wel om de verbrande stukjes en de Dreftsmaak heen gegeten. ‘Ik ga even een curry bestellen,’ zei ze. ‘Wil jij ook?’
‘Curry en bier. Denk je dat ik er naast zit?’
Ze dacht er even over na. ‘Ik zou nog in geen miljoen jaar zo’n kaart schrijven. Je hebt gelijk, het ademt inderdaad de sfeer van een beleefd bedankbriefje, en ik zou het verschrikkelijk vinden om met iemand getrouwd te zijn die zijn gevoelens op deze manier uit, maar… nou ja, menselijke relaties zijn nu eenmaal wonderlijk. Welke krant lezen ze?’
Simon fronste. ‘De Daily Telegraph.’
‘Abonnement?’
‘Ja.’
‘Nou, daar heb je het al. Dan hebben ze Lucy waarschijnlijk ook laten dopen, al komen ze nooit in de kerk, en Mark heeft Geraldines vader waarschijnlijk om haar hand gevraagd, want hij vindt het geweldig om zich aan de tradities te houden. Heel veel mensen zijn schrikbarend tuk op belachelijke formaliteiten, vooral de hogere sociale klassen hier in Engeland.’
‘Jij komt anders ook uit een hogere sociale klasse,’ zei Simon, die Charlies ouders een keer had ontmoet.
Charlie maakte een wegwerpgebaar. ‘Mijn vader en moeder zijn Guardian-lezers, en het zijn ouwe hippies, die in het weekend graag een protestmarsje lopen – dat is iets heel anders.’ Ze trok een la open, op zoek naar de menukaart van de bezorgservice. ‘En wat dat nummer tien betreft… heb je soms ook heel veel filmpjes gevonden daar in huis? Van Lucy die kaarsjes uitblaast op verjaardagstaarten, en van Lucy in haar wipstoeltje en zo?’
‘Ja. Stapels. We moesten er allemaal doorheen.’
‘Je hebt van die gezinnen die een obsessie hebben om alles maar vast te leggen. Ze hebben het drukker met het vastleggen van hun leven dan met het leven zelf. De Brethericks hebben die kaarten waarschijnlijk geschreven met het oog op het feit dat ze voor het nageslacht bewaard moesten worden.’
‘Misschien.’ Simon klonk absoluut niet overtuigd.
‘Trouwens, die expert van jullie, daar heb ik niet zo’n hoge pet van op.’
‘Harbard?’
Charlie knikte. ‘Hij was vanavond alweer op tv.’
‘Kombothekra is verlegen,’ zei Simon. ‘Hij komt ermee weg om uit de media te blijven als Harbard elke dag op de buis is – de lievelingsprofessor van de recherche.’
‘Ik vind hem goedkoop en onaangenaam overkomen,’ zei Charlie. ‘Je ziet hem zo voor je in Celebrity Big Brother, over een paar jaar, als zijn carrière op de klippen is gelopen. Hij is net een dikke uitvoering van Proust, vind je ook niet?’
‘Hij is de anti-Proust,’ zei Simon. ‘Kombothekra is in elk geval geen deskundige, dat is duidelijk. Hij kan wel een paar lesjes gebruiken in het lezen en interpreteren van wetenschappelijke teksten.’ Charlie stak haar neus overdreven in de lucht, maar hij zag het niet. ‘Hij grijpt overal alles vandaan om maar steun te vinden voor zijn theorie. Kregen we vandaag weer een artikel van hem, Harbards nieuwste gekrabbel. Komt hij met een heel verhaal over een alinea waar staat dat gezinsdoding vooral voorkomt in de hogere sociale klassen, omdat die meer gebrand zijn op het ophouden van de schone schijn en op hun aanzien. Zo wilde hij al die gesprekken die we met vrienden van Geraldine hebben gehad onder het tapijt vegen. Want ze durven allemaal te zweren dat zij haar dochter nooit zou vermoorden en dat ze ook nooit zelfmoord zou plegen – we weten zeker dat ze gelukkig was. Kombothekra haalt die ene alinea aan, en dat moet dan maar bewijzen dat haar geluk een façade was, en dat het allemaal zo uit het boekje kwam: iemand die schijnbaar een perfect leven had, maar die heimelijk steeds maar ongelukkiger werd, totdat ze zelfs haar eigen kind vermoordde...’
‘Ja, hoor eens, het kan natuurlijk niet allebei waar zijn,’ viel Charlie hem in de rede. ‘Dus Geraldine was wel echt gelukkig, maar die kaarten waren nep?’
‘Daar heb ik het nu niet over,’ zei Simon ongeduldig. ‘Ik zeg dat Kombothekra het artikel verkeerd interpreteert. Expres, want dat komt hem wel mooi uit. Ik zal je wel een kopietje sturen, dan kun je het zelf lezen.’
‘Simon, ik werk niet meer voor de...’
‘Dat gelul over dat mensen uit de hogere sociale klasse hun gezinnen uitmoorden omdat ze de illusie van perfectie niet langer in stand kunnen houden? Later – in hetzelfde artikel, goddomme! – schrijft hij dat geld altijd een heel belangrijke factor is: het gaat om mannen die de hele wereld, inclusief hun gezin, doen geloven dat ze rijk en succesvol zijn, en die op veel te grote voet leven, totdat ze het ineens niet langer meer kunnen volhouden. Ze hebben er geen grip meer op en ze kunnen het sprookje niet meer in stand houden, hoe hard ze ook hun best doen. En in plaats van eerlijk op te biechten hoe het zit, en aan iedereen toe te geven dat ze hebben gefaald en dat ze failliet zijn, slaan ze de hand aan zichzelf en nemen ze hun vrouw en kinderen met zich mee het graf in.’
‘Gezellig,’ mompelde Charlie.
‘Het zijn mannen die van hun gezin houden, maar ze geloven oprecht dat die beter af zijn als ze dood zijn. In het artikel wordt dit “pathologisch altruïsme” genoemd. Ze schamen zich omdat ze hun vrouw en kinderen niet meer kunnen ondersteunen, en die zien ze als een verlengstuk van zichzelf in plaats van individuen op zich. De moorden die ze plegen zijn in feite een soort plaatsvervangende zelfmoord.’
‘Wauw. Die professor Harbard mag wel uitkijken voor jou.’
‘Dat stond anders allemaal in zijn artikel,’ zei Simon. ‘Dat had Kombothekra ook moeten zien. Het punt is, dat dit allemaal totaal niet van toepassing is op Geraldine Bretherick. Ze was geen man...’
‘Stelt het artikel dan dat het altijd om mannen gaat?’
‘Impliciet. Ze werkte niet – ze had totaal geen financiële verantwoordelijkheid voor haar gezin. Mark Bretherick stikt van het geld. Hij zwemt erin.’
‘Er zijn vast wel andere gevallen die ook niet in dat patroon passen,’ zei Charlie. ‘Mensen die hun gezin om een andere reden hebben vermoord.’
‘De enige andere reden die in het artikel wordt genoemd is wraak. Mannen die door hun vrouw worden verlaten, of die zelf bij hun vrouw zijn weggegaan, meestal voor een nieuwe liefde. In dat geval is het geen plaatsvervangende zelfmoord, maar plaatsvervangende moord. De man beschouwt zijn kinderen als verlengstuk van de vrouw, zijn overspelige echtgenote, en hij vermoordt hen omdat het als wraak meer effect sorteert dan wanneer hij haar zou vermoorden. Zij moet doorleven in de wetenschap dat haar kinderen zijn vermoord door hun eigen vader. En dan moet hij daarna uiteraard zichzelf vermoorden, omdat hij anders gestraft wordt en waarschijnlijk – maar dat is mijn eigen idee, dat staat niet in het artikel – waarschijnlijk om zichzelf symbolisch bij de slachtoffers te voegen, omdat hij in zijn eigen optiek ook slachtoffer is. Hij zegt: “Kijk eens, nou zijn we allemaal dood, de kinderen en ik, en dat is allemaal jouw schuld.”’
‘Dus jij wilt zeggen dat het plaatsvervangende moord is, maar dat de man zich geen moordenaar voelt?’
‘Precies. Het echte slachtoffer is het gelukkige gezin als geheel, en de vrouw die dat gezin in de steek heeft gelaten, heeft in feite de moord gepleegd – zo ziet zo’n man dat.’
Charlie huiverde. ‘Walgelijk,’ zei ze. ‘Ik kan me echt geen ergere misdaad voorstellen.’
‘Dat laatste heb ik zelf bedacht, hoor,’ zei Simon verbaasd. ‘Ben ik nu ook socioloog?’ Hij pakte de twee wenskaarten op en propte ze in zijn broekzak, alsof hij zich er ineens voor geneerde. ‘Mark Bretherick had geen scharreltje,’ zei hij. ‘Want als dat zo was, dan zouden we die vrouw wel hebben gevonden. Hij was niet van plan om bij Geraldine weg te gaan. Dus het past ook al niet bij het wraakmodel.’
‘Oké.’ Charlie wist niet precies wat ze met al deze informatie moest. ‘Ga dan met Sam praten.’
‘Dat heb ik al geprobeerd, maar dat schoot niet op. Morgen meld ik me ziek en ik ga naar Cambridge om met professor Jonathan Hey te praten, want die heeft het artikel samen met Harbard geschreven. Ik heb vanochtend al een afspraak met hem gemaakt. Ik wil hier meer van weten.’
‘Waarom heb je het er dan niet gewoon met Harbard zelf over? Daar is hij toch voor?’
‘Omdat hij het veel te druk heeft met de dames van de make-up bij de BBC. Die heeft helemaal geen tijd voor types als ik. Bovendien heeft hij maar één obsessie: zijn voorspelling dat steeds meer vrouwen gezinsmoord zullen plegen. Daardoor sturen mensen klachten naar de krant, of brieven waarin ze hem prijzen – hoe dan ook, daardoor blijft hij maar in het nieuws en krijgt hij de media-aandacht die hij zo lekker vindt.’
‘Is dat dan zo, dat steeds meer vrouwen hun eigen kinderen vermoorden?’ vroeg Charlie. ‘Komt hij er daarom mee weg?’
‘Probeer hem maar eens tegen te houden. Zijn argument is simpel: op de meeste gebieden in het leven doen vrouwen steeds meer dingen die vroeger alleen door mannen werden gedaan. Dus doen vrouwen ook aan kindermoord. Dus heeft Geraldine Bretherick haar eigen dochter vermoord en toen de hand aan zichzelf geslagen. En denk maar niet dat hij de moeite neemt om zijn eigen argumenten over de financiële factoren en wraak hierop los te laten. Hij voert geen reet uit en hij lult uit zijn nek. Dus ik wil weten of die sidekick van hem ook alleen maar bagger weet op te lepelen, of dat hij misschien een ander licht op dit alles kan laten schijnen, als deskundige met dezelfde wetenschappelijke status. Zin om mee te gaan?’
‘Wat?’
‘Naar Cambridge.’
‘Ik moet morgen werken.’
‘Fuck je werk. Ik vraag je om met me mee te gaan.’
Charlie lachte vol ongeloof. ‘Luister, waarom meld je je ziek? Je kunt toch gewoon tegen Kombothekra zeggen dat je wilt praten met die Jonathan Hey – misschien vindt hij het zelfs wel een goed idee. Hoe meer meningen, hoe beter, toch?’
‘Ja hoor. Sinds wanneer denken ze er zo over? Harbard is aan ons toegewezen. Als ik hebberig ga zitten doen en nog een professor wil raadplegen, dan krijg ik meteen gezeur over gebrek aan middelen.’
‘Denk je dan niet dat die Hey precies hetzelfde gaat zeggen als Harbard?’
Simons verbetenheid stond op zijn gezicht geëtst. ‘Kan. Hoeft niet. Harbard woont alleen. Hey is jonger, getrouwd, en hij is vader…’
‘Hoe weet jij dat allemaal?’
‘Dat is nou het wonder dat Google heet.’
Charlie knikte. Het had geen zin om te proberen Simon hiervan af te houden. Ze zou het niet aan Sam vertellen. Maar als Simon haar niet van zijn plannen zou hebben verteld, had ze ook helemaal niets te vertellen gehad. Nu had hij haar medeplichtig gemaakt. Was dit soms een soort test?
‘Ik sterf van de honger,’ zei ze. ‘Ik ga nu eerst die curry bestellen, anders val ik flauw. Het duurt nog minstens een halfuur voor ze hier zijn, en ik heb geen chipje of pindaatje meer in huis, vrees ik. Het enige wat ik nog heb zijn eieren, en dingen in blik. O ja, en een doosje kippenbouillonblokjes.’
Simon zei niets. Kleine zweetdruppeltjes parelden onder zijn haargrens.
‘Wil je even kijken wat ze hebben?’ probeerde Charlie nog eens.
‘Ik wil met je trouwen.’
Hij bleef stokstijf zitten, alsof hij zojuist had opgebiecht dat hij aan een uiterst besmettelijke alsmede dodelijke ziekte leed en zat te wachten tot zij vol afschuw zou terugdeinzen. ‘Dus,’ zei hij, ‘dan weet je dat.’
‘Dit is geweldig,’ zei Mark Bretherick tegen Sam Kombothekra. Sam wist in elk geval dat de man die hij voor zich had ook echt Mark Bretherick was. Hij had de instructies van Proust opgevolgd en hij had het zo vaak gecontroleerd, en op zo veel verschillende manieren, dat iemand met een dwangneurose er nog iets van kon leren. Het stond buiten kijf. Mark Howard Bretherick, geboren op 20 juni 1964 in Sleaford, Lincolnshire. Zoon van Donald en Anne, oudere broer van Richard Peter. Die middag had Sam gesproken met een onderwijzeres van de lagere school waar Bretherick op had gezeten en die kon zich hem nog goed herinneren en zei dat ze zeker wist dat de man wiens foto op het nieuws was geweest het jongetje was dat ze vroeger in de klas had gehad. ‘Die ogen zou ik overal herkennen,’ zei ze. ‘Een trieste blik, dat vond ik toen al. Hoewel hij best een blij kind was. En extreem intelligent. Het verbaasde me niets toen ik hoorde dat hij het nu zo goed doet.’
Sam begreep wat ze bedoelde met die ogen. Gibbs had ergens een foto opgediept van Bretherick op elfjarige leeftijd. Hij had een schoolzwemwedstrijd gewonnen en zijn foto had in de plaatselijke krant gestaan. De man die Sam nu voor zich had was datzelfde jongetje, met tweeëndertig jaar erbovenop.
Brethericks stem aan de telefoon, toen hij Sam zonder nadere uitleg maar met de boodschap dat het dringend was had ontboden, klonk ook een beetje als die van een schooljongen: overlopend van die min of meer anarchistische, gierende energie waardoor je als volwassene onmiddellijk op je hoede bent. Bretherick had hem op het hart gedrukt dat er ‘iets geweldigs’ was gebeurd, en Sam had zich naar Corn Mill House gehaast in de hoop dat de situatie niet was verslechterd – hoewel het nauwelijks voorstelbaar was dat het nog erger kon worden, voor Bretherick – maar in de vrees dat dat toch was gebeurd.
Zijn laatste opmerking had geen enkele reactie losgemaakt bij Sam, en dus probeerde hij het nog maar een keer. ‘Ik ben gaan twijfelen,’ zei hij. ‘Omdat jullie totaal geen twijfels leken te hebben. Maar ik had mijn vrouw moeten vertrouwen, en niet een vreemde. Sorry.’
Sam was blij te horen dat Bretherick hem überhaupt had vertrouwd, ook al had het nog zo kort geduurd – wanneer was dat eigenlijk geweest? Die middag, heel even, toen hij er niet was? – ook al was dat stadium nu duidelijk voorbij. Brethericks gezicht was grauw, en het wit van zijn ogen zag rood van het slaapgebrek. Hij zat met Sam in zijn keuken. Ze zaten tegenover elkaar aan een grote vurenhouten tafel. Sam ergerde zich aan het groene tapijt op de grond. Zo erg, dat de hele ruimte hem tegenstond. Wie legt er nu in godsnaam tapijt in zijn keuken? Niet Geraldine Bretherick in elk geval – het tapijt zat onder de vlekken en lag er al minstens twintig jaar.
Hij was geneigd om Brethericks verhaal te geloven. Het was een veel te uitgebreid verhaal voor een leugen. Een man met de intelligentie van Bretherick zou iets eenvoudigers verzinnen. Dus of het was echt gebeurd of Bretherick was ineens helemaal de weg kwijt. Sam gaf de voorkeur aan de eerste mogelijkheid.
‘Dus die vrouw die zo op jouw vrouw leek heeft hier twee foto’s gestolen?’ vroeg Sam voorzichtig. ‘Maar wat ik nu niet begrijp is waarom jij daar zo blij mee bent.’
‘Ik ben helemaal niet blij!’ zei Bretherick als gestoken.
‘Goed, dat is misschien niet het juiste woord. Het spijt me. Maar jij zei dat het zo geweldig is, dat dit is gebeurd, zowel aan de telefoon als nu net. Waarom?’
‘Jij zei dat Geraldine wel degene moet zijn die zichzelf en Lucy heeft gedood omdat er geen andere verdachten waren...’
‘Zo heb ik dat niet gezegd. Wat ik misschien wel heb...’
‘Maar er is wel een andere verdachte. Er is een man die net doet alsof hij mij is. De vrouw die hier was zei dat ze vorig jaar wat tijd met hem heeft doorgebracht – hoelang weet ik niet, maar ik kreeg de indruk dat het een behoorlijke periode was. Als ik zo tussen de regels door luisterde, leek het erop alsof ze iets met hem heeft gehad. Ook al droeg ze een trouwring. Ze zei dat hij tot in detail over mijn leven heeft gesproken, en dat hij het uitvoerig over Geraldine en Lucy heeft gehad, en over mijn werk. Waarom zou ze daarover liegen? Dat zou ze nooit doen. Ze had verder geen enkele reden om hier te komen en dat hele verhaal bij elkaar te verzinnen.’
‘Als ze kan stelen, kan ze ook liegen,’ zei Sam vriendelijk. ‘Weet je zeker dat ze die twee foto’s heeft meegenomen?’
Bretherick knikte. ‘Een van Geraldine en een van Lucy. Ik was begonnen met inpakken. Ik vond het onverdraaglijk om dingen weg te gooien, maar ik kon het ook niet aan om ze hier te hebben staan. Jean zou het allemaal meenemen tot ik het weer terug wilde.’
‘Geraldines moeder?’
‘Ja. Ik had de twee foto’s in een van de zakken gestopt. Het zijn mijn lievelingsfoto’s van Geraldine en Lucy. Bij het uilenpark bij Silsford Castle. Ik had ze op mijn bureau staan, op kantoor, aangezien ik daar vaker ben dan thuis.’ Bretherick wreef met zijn duim en wijsvinger over de brug van zijn neus, misschien om te verhullen dat hij ook in zijn ogen wilde wrijven, dat wist Sam niet. ‘Ik had ze gisteren mee naar huis genomen. Ik kon er niet naar kijken. Elke keer als ik ze zag dan… dan kreeg ik een elektrische schok, zo pijnlijk was het. Ik kan het niet goed omschrijven. Jean is precies het tegenovergestelde. Die wil juist nog veel meer foto’s van hen aan de muur nu ze er niet meer zijn. Alle tekeningen van Lucy die daar in lijstjes aan de muur hingen…’
‘Dus je bent alweer naar kantoor geweest?’ vroeg Sam.
‘Ja, wat is daar mis mee?’
‘Niets. Ik vroeg het me gewoon af.’
‘Ik moet toch iets doen, of niet? Ik moet mijn dagen toch ergens mee vullen. Ik heb niet gewerkt, trouwens. Ik ben er alleen geweest, en ik heb op mijn stoel gezeten. Condoleances opengemaakt. En toen ben ik weer naar huis gegaan.’
Sam knikte. ‘Is er verder nog iemand in huis geweest, iemand die de foto’s kan hebben meegenomen?’
Bretherick leunde voorover en hield Sams blik gevangen. ‘U moet echt ophouden om me te behandelen alsof ik debiel ben,’ zei hij, en voor het eerst sinds hij had gebeld om te vertellen dat hij de lichamen van zijn vrouw en dochter had gevonden kon Sam zich voorstellen dat hij zijn zeven man personeel bij Spilling Magnetic Refrigeration orders gaf. ‘Ik behandel u ook niet zo, ook al zal dat binnenkort misschien toch nodig zijn. Die vrouw die hier vanmiddag was en die zo op Geraldine leek – die heeft de foto’s gestolen. Ik had ze nog maar een uur voordat ze hier op de stoep stond in de zak gestopt, en verder is hier niemand geweest sinds zij wegging, behalve mijn schoonmoeder, en jij, nu. Ik ben misschien in de rouw, maar ik ben niet gek. Denkt u niet dat ik het zou zeggen als er nog een andere mogelijke dief was?’
‘Mark, het spijt me. Ik moet deze vragen nu eenmaal stellen.’
Bretherick zat in zijn stoel te draaien. ‘Er is een man die net doet alsof hij mij is, en die heeft een affaire gehad met een vrouw die precies op mijn vrouw lijkt – een vrouw die hier vanmiddag langskomt, die weigert om antwoord te geven op mijn vragen en die me haar naam niet geeft, en die bovendien foto’s van Geraldine en Lucy steelt. Ik wil nu van u horen dat dit de zaak verandert. Zeg het.’
Deze man kan verhoren, dacht Sam. Dat konden niet veel mensen, tenzij ze er in waren getraind. Sam was zich ervan bewust dat zijn eigen verhoortechniek niet een van zijn sterke kanten was. Hij vond het vreselijk om mensen onder druk te zetten, en hij vond het nog veel erger als zij dat bij hem deden.
‘Je weet helemaal niet zeker of deze vrouw inderdaad een affaire heeft gehad met...’
‘Doet er niet toe,’ sneed Bretherick hem de pas af, en hij begon met zijn vingers op de tafel te trommelen. Vinger voor vinger, heel langzaam, alsof hij met één hand pianospeelde.
Sam raakte geagiteerd. Dit was een krachtmeting; Bretherick wilde bewijzen dat hij slimmer was, alsof dat de kans dat hij gelijk had vergrootte. Misschien was dat ook wel zo. Met hem praten was net als praten met Simon Waterhouse. Die zou met precies dezelfde analyse komen als Bretherick, dat wist Sam wel zeker.
‘Hoeveel gevallen van zelfmoord hebt u al meegemaakt, inspecteur?’
Sam haalde diep adem. ‘Een paar. Misschien vier of vijf.’ Maar nog geen enkel geval sinds hij inspecteur was geworden. Of nou ja, eentje, verbeterde hij zichzelf: Geraldine.
‘En hoeveel van die vier of vijf gevallen riepen zo veel vragen op, en hadden zo veel vreemde onverklaarbare details?’
‘Geen,’ moest Sam toegeven. Je hebt geen idee. Hij had Bretherick nog niet eens verteld dat het dagboekbestand op Geraldines laptop meer dan een jaar na de datum boven het laatste fragment was aangemaakt. Hij probeerde nog steeds te bepalen wat hij eigenlijk vond van deze man, die alweer op kantoor was geweest en die de bezittingen van zijn vrouw en kind nu al in zakken aan het stoppen was.
Er was één ding dat Sam meteen al vanaf het begin dwarszat, ook al nam hij aan dat hij zich er helemaal geen zorgen over hoefde te maken aangezien Simon Waterhouse het kennelijk niet eens had gemerkt: toen Mark Bretherick voor het eerst belde met de politie had hij gezegd: ‘Iemand heeft mijn vrouw en mijn kind vermoord. Ze zijn allebei dood.’ De woorden waren duidelijk verstaanbaar, dwars door zijn hysterie. Toen hij later werd ondervraagd, beweerde Bretherick dat hij Geraldines afscheidsbrief in de zitkamer niet had gelezen, en zelfs niet eens had zien liggen. Hij had zichzelf binnengelaten toen hij terugkwam van een lange vermoeiende reis naar het buitenland, en was meteen doorgelopen naar zijn slaapkamer, waar hij Geraldines lichaam in de aangrenzende badkamer had aangetroffen. Het stoffelijk overschot van zijn vrouw lag in een bad vol bloed. Het scheermesje lag op haar buik. Bretherick had het niet aangeraakt, maar had het laten liggen voor het onderzoeksteam van de politie. Waarom had hij de politie niet meteen gebeld vanaf de telefoon naast zijn bed? In plaats daarvan was hij direct doorgelopen naar Lucy’s kamer om te kijken hoe het met haar was, en toen hij haar daar niet vond, keek hij in alle kamers op de bovenverdieping om uiteindelijk haar ontzielde lichaam aan te treffen in de grote badkamer.
Misschien is het ook wel logisch, dacht Sam. Je ontdekt dat degene van wie je aannam dat die voor je kind zorgde op dat moment niet meer voor haar zorgt, aangezien ze met doorgesneden polsen in bad drijft, dan raak je misschien wel eerst in paniek en kam je het huis uit op zoek naar je dochter. Voor de tweehonderdste keer probeerde Sam zich voor te stellen wat hij zou hebben gedaan als hij Bretherick was. Hij betwijfelde of hij überhaupt wel in staat was om nog een vin te verroeren als hij Kate net dood had aangetroffen. Zou hijzelf nog wel in staat zijn om de telefoon op te pakken? Zou hij zich afvragen waar zijn zoons waren?
Het had geen zin om te speculeren. Mark Bretherick kon Geraldine en Lucy nooit hebben vermoord. Hij zat in New Mexico toen zij kwamen te overlijden.
‘Ze zei dat ze nog een keer langs zou komen, maar dat geloof ik niet,’ zei Bretherick. ‘Ik was zo stom om haar te laten gaan. Ik moet weten wie ze is.’
Het duurde een paar tellen voor het tot Sam doordrong dat hij het had over het bezoek van die middag, en niet over zijn dode vrouw.
‘We doen ons best,’ zei Sam.
‘Zo moeilijk hoeft dat niet te zijn. Jullie kunnen toch een oproep doen op televisie? Ze kon Geraldines tweelingzus wel zijn, zo sterk leek ze op haar. Ze is dus getrouwd… O, en ze heeft zo’n mobieltje dat je dichtklapt als een soort van… als een soort schelp. Zilverkleurig, met een glimmende steen voorop, zag eruit als een diamant. Jullie moeten haar vinden en weer hier naartoe brengen.’
Sam slaakte een langgerekte zucht in de hoop dat Bretherick zijn moedeloze schouders niet zou opmerken. Een oproep op televisie? Daar ging Proust over, en Sam wist nu al wat de hoofdinspecteur zou zeggen: Mark Bretherick was de afgelopen dagen te vaak in het nieuws geweest. Zijn soort van tragedie trok de aandacht, en misschien ook wel bezoekjes van de plaatselijke geestelijk gestoorde medemens. Deze vrouw, wie het ook mocht zijn, kon evengoed liegen. Moest Sam desondanks toch maar voorstellen om een oproep te doen? Lobbyen, zoals Simon Waterhouse altijd deed? Misschien als hij er wat langer had gewerkt…
Sam voelde zich nog altijd een vreemdeling, aan het werk in een vreemd land. Iedere molecuul in zijn lichaam verlangde ernaar om weer terug te gaan naar West Yorkshire, naar de oude smidse langs het kanaal van Leeds naar Liverpool waar hij en Kate zo gek op waren, met zijn blauweregen langs de muren. Sam wist eerst nooit hoe die plant heette, maar Kate had het er zo vaak over gehad toen ze het huis voor het eerst hadden gezien, dat hij er moeilijk nog omheen kon. Maar Kate’s ouders woonden in de buurt van Spilling, en ze had eindelijk toegegeven dat ze hulp nodig had met de jongens, en dus konden ze helemaal niet meer terug naar Bingley. Uiteindelijk, dacht Sam met een mengeling van trots en schaamte, ben ik sentimenteler dan mijn vrouw.
‘Als Geraldine het niet heeft gedaan – als u dat kunt bewijzen – dan kan ik verder met mijn leven,’ zei Bretherick. ‘Voor haar en voor Lucy. Ik neem aan dat u dat raar vindt, inspecteur.’ Hij glimlachte. ‘Ik ben waarschijnlijk de eerste man in de geschiedenis van de hele wereld die opgelucht zal zijn als hij weet dat zijn gezin gewoon vermoord is.’