Bewijsstuk referentiecode: VN8723
Zaaknummer: VN87
Leidinggevend inspecteur: Samuel Kombothekra
DAGBOEK VAN GERALDINE BRETHERICK, FRAGMENT 1 VAN 9 (afkomstig van de harde schijf van een Toshiba laptop in Corn Mill House, Castle Park, Spilling, RY29 OLE)
18 april 2006, 22.45 uur
Ik weet niet wie zijn schuld het is, maar mijn dochter gelooft in monsters. Hier in huis hebben we het er nooit over, dus zal ze het wel op school hebben gehoord. Net als die verhalen over God (wiens naam hier in huis zo weinig valt, dat ze hem de eerste maanden ‘grot’ noemde – wat Mark hilarisch vond) en haar obsessieve liefde voor de kleur roze. Een opleiding, zelfs die aan de frauduleuze (sorry, ik bedoel creatieve) Montessorischool waar we ons blauw aan betalen, is niets anders dan hersenspoelen – ze leren de kinderen niet om zelf na te denken, nee, ze doen juist precies het tegenovergestelde. Maar goed, Lucy is nu dus doodsbang voor monsters, en wil ineens alleen nog maar slapen met het nachtlampje aan en met de deur op een kier.
Ik merkte het voor het eerst toen ik haar gisteravond om halfnegen in bed stopte en zoals altijd het licht uitdeed en de deur dichttrok. Ik voelde die gebruikelijke golf van opluchting door mijn hele lichaam trekken (ik geloof niet dat ik aan iemand zou kunnen uitleggen hoe belangrijk dat moment is. Het moment waarop ik die deur achter me dicht kan doen) en ik gaf een triomfantelijke stomp in de lucht, zoals ik vaak doe, behalve als Mark me kan zien. Ik ben het nooit van plan, maar mijn arm zit al in de lucht voor mijn hersenen hem tegen kunnen houden. Ik heb het gevoel alsof ik uit de gevangenis ben ontsnapt – al mijn angst is in één klap weg; zelfs de zekere wetenschap dat het morgen allemaal weer van voren af aan begint kan mijn geluk niet smoren. Als Lucy in bed ligt zijn mijn huis en mijn leven weer van mij, en dan kan ik mijzelf weer zijn, vrij om te doen waar ik zin in heb, zonder angst, zonder dat ik bij alles na hoef te denken, die paar kostbare uren.
Tot gisteren, dus. Ik deed de deur dicht, stompte in de lucht, maar nog voor ik de eerste stappen richting vrijheid kon zetten, hoorde ik luid gejammer. Van haar. Ik bevroor en probeerde mijn oren van binnen uit af te sluiten. Maar nee, ik vergiste me niet, het was toch geen kat buiten, of een auto die de laan in kwam rijden of de klokkentoren van de kerk aan de andere kant van de velden (andersom is dat altijd zo heerlijk: dan hoor je vaag gejank of een of ander hoog geluid en je denkt dat het je kind is dat aandacht wil, nog meer aandacht, en dan – o, dank u grot! – blijkt het maar een autoalarm te zijn, dus ben je veilig). Maar ik was niet veilig, want dat jankende geluid kwam wel degelijk van mijn dochter.
Ik heb een regel ingesteld en daar houd ik me aan, wat er ook gebeurt: hoe ik me ook voel vanbinnen, wat ik ook eigenlijk tegen Lucy zou willen zeggen, ik doe precies het tegenovergestelde van wat ik denk en voel. Dus toen zij begon te huilen nadat ik de deur had dichtgetrokken, liep ik haar kamer weer in, aaide haar over haar bol en vroeg: ‘Wat is er, schat?’ omdat ik haar eigenlijk uit bed wilde sleuren en haar zo hard door elkaar wilde rammelen dat al haar tanden uit haar mond vielen.
Er zijn vast ouders die zo streng en angstaanjagend zijn dat hun kinderen nooit iets zouden doen wat hen irriteert of ongemak bezorgt. Die mensen benijd ik even hard als ik ze veracht. Het moeten wel heel wrede, gemene, intimiderende bullebakken zijn, maar toch – de geluksvogels – hun kinderen sluipen om hen heen en doen hun best om vooral niet op te vallen. Terwijl mijn dochter absoluut niet bang is voor mij, en daarom schreeuwde ze er lustig op los toen ik de deur dichttrok, ook al was er helemaal niks met haar aan de hand: ze was fris gewassen, gevoed, gekust, geknuffeld, en ik had wel drie verhaaltjes voorgelezen.
Ze zou er eigenlijk niet moeten zijn, ’s avonds. ’s Avonds! Je zou denken dat ik het dan heb over de uren tussen zes uur en middernacht, of zoiets riants. Maar nee, ik ben al blij met een luttele tweeënhalf uur vrijheid, van halfnegen tot elf uur. Fysiek ben ik niet in staat om langer op te blijven, want elke minuut van mijn dag is zo uitputtend. Ik hol de hele dag rond als een slaaf die aan de speed is, met mijn nepglimlach strak op mijn gezicht geplakt. Ik zeg de hele tijd dingen die ik niet meen, ik heb nooit tijd om iets te eten, en ik doe wild enthousiast over kunstwerken die ze eigenlijk aan mootjes zouden moeten hakken. Zo ziet een gemiddelde werkdag eruit – fijn, hè? En daarom moet ik niet gestoord worden tussen acht en halfelf, anders word ik gek.
Toen Lucy me vertelde dat ze bang was voor monsters die haar in het donker zouden pakken, heb ik zo redelijk en vriendelijk mogelijk uitgelegd dat monsters helemaal niet bestaan. Ik heb haar nog een kus gegeven, heb de deur weer dichtgetrokken en bleef staan wachten op de overloop. Nu was het geschreeuw harder. Ik deed niks, maar luisterde een minuut of tien. Dat deed ik deels voor Lucy – ik weet dat er anders een kans was dat ik haar met haar hoofd tegen de muur zou slaan, zo woedend was ik dat ze me van die tien minuten had beroofd (je moet de kans dat er inderdaad iets afschuwelijks gebeurt nooit onderschatten). Ik heb haar niet meer te bieden dan de tijd die ze al van me krijgt, geen seconde extra. Het kan me niet schelen dat dat vreselijk klinkt – het is nu eenmaal niet anders. En het is belangrijk om de waarheid te vertellen, toch, al is het alleen maar tegen jezelf?
Toen ik zeker wist dat ik mijn woede onder controle had ben ik weer naar binnen gegaan en heb haar nog een keer op het hart gedrukt dat monsters niet echt bestaan. Maar, zei ik – want ik blijf altijd de begripvolle en redelijke mama – ik zou het licht op de overloop wel aan laten. Ik deed de deur weer dicht, en dit keer kwam ik tot halverwege de trap voordat het schreeuwen weer begon. Dus liep ik terug en vroeg haar wat er aan de hand was. Het was zo donker in haar kamer, zei ze. Dus wilde ze per se dat ik de deur open zou laten, en dat het licht op de gang aanbleef.
‘Lucy,’ zei ik op mijn allerbeste gebiedende maar vriendelijke toon, ‘je slaapt met de deur dicht. Ja, schat? Dat heb je altijd al gedaan. Als je wilt kan ik de gordijnen op een kier laten, zodat er wat licht naar binnen komt.’
‘Maar het is straks donker!’ gilde ze. Inmiddels was ze volkomen hysterisch. Haar gezicht zat onder het snot en was helemaal rood. Mijn handpalmen en de huid tussen mijn vingers begonnen te jeuken, en ik moest mijn handen echt samenknijpen, want anders had ik erop los gemept.
‘Maar zelfs in het donker komt er nog altijd licht van buiten, echt waar. Je ogen passen zich aan en dan lijkt de lucht ineens helemaal niet meer zo donker.’ Hoe leg je aan een kind uit hoe dat zit met die grijze verlichting die de nachtelijke hemel biedt? Mark is de intellectueel van het gezin, hij is degene naar wie je wilt luisteren. (Wat weet mama nou voor belangrijks? Mama heeft haar ziel verkocht. Die draagt echt helemaal niets bij aan de samenleving. Dat vindt papa in elk geval.)
‘Ik wil dat mijn deur open blijft!’ jammerde Lucy. ‘Open! Open!’
‘Sorry, lieveling,’ zei ik, ‘ik weet best dat je bang bent, maar dat is echt nergens voor nodig. Slaap lekker. Tot morgen.’ Ik liep de kamer door, trok de gordijnen halfopen, liep de kamer uit en trok de deur weer dicht.
Haar geschreeuw zwol aan. Onredelijk gegil, want het was nu helemaal niet meer donker in haar kamer. Ik ging in kleermakerszit op de overloop zitten en de woede gierde door mijn lichaam. Ik had Lucy geen troost meer te bieden, want ik zag haar niet als een angstig kind – haar geschreeuw werd duidelijk ingezet als wapen. Ik was nu haar slachtoffer en zij was mijn beul. Ze was bezig mijn avond te verzieken, dat wist ze dondersgoed. Als ze wil kan ze mijn hele leven verzieken, maar ik het hare niet, want a) dat zou Mark nooit toestaan en b) ik houd van haar. Ik wil niet dat ze ongelukkig is. Ik wil niet dat ze een draak van een moeder heeft, of dat ze in de steek wordt gelaten, of geslagen, en dus zit ik in de val: zij kan me laten lijden als zij daar zin in heeft, en ik kan nooit wraak nemen. Ik heb geen enkele macht – dat haat ik nog het meest van alles.
Het gejank hield maar niet op. Als ik niet beter wist zou ik gedacht hebben dat Lucy levend verbrandde in haar kamertje, te oordelen naar het geluid dat ze produceerde. Na een poosje kwam ze uit bed en probeerde ze om zelf de deur open te doen. Ik hield buiten de klink vast om te zorgen dat dat niet lukte. Toen raakte ze pas echt in paniek. Ze is er niet aan gewend dat deuren niet opengaan. Ik voelde nog steeds alleen maar blinde woede, en ik wist dat ik moest wachten. Dus zat ik daar maar totdat Lucy bijna geen stem meer overhad en tot ze me smeekte om weer binnen te komen, en om haar niet alleen te laten. Ik weet niet precies hoelang het heeft geduurd – een halfuur misschien – voor mijn medelijden met haar sterker werd dan dat met mezelf. Ik stond op en deed haar deur open, zodra ze me zag greep ze mijn enkels vast en mompelde: ‘Dankjewel, mama, bedankt, bedankt.’
Ik tilde haar op en nam haar op schoot in de stoel bij het raam. Het zweet droop van haar voorhoofd. Ik kalmeerde haar en knuffelde haar en aaide haar over haar haren. Als ze me eenmaal kwaad heeft, kan ik alleen nog maar aardig voor haar zijn als ze totaal wanhopig is geworden en ze totaal geen vechtlust meer overheeft. Als dat niet gebeurt, kan ik geen enkele sympathie opbrengen voor dit goed doorvoede, geliefde kind dat alles heeft wat een meisje van haar leeftijd zich kan wensen – een veilig huis, een dure schoolopleiding, mooie kleren, al het speelgoed dat je kunt verzinnen, kasten vol boeken en dvd’s, vrienden, vakanties naar het buitenland – en die ondanks dat alles nog steeds iets weet te verzinnen om zich over te beklagen en om over te huilen.
Als Lucy wanhopig, dankbaar en slap van opluchting is omdat ik haar heb vergeven, vind ik het minder moeilijk om me te voelen zoals een moeder zich hoort te voelen. Kon ik dat beschermende gevoel maar gemakkelijker oproepen. Eén keertje kon ik het pas opbrengen om haar te troosten toen ze moest overgeven, en toen heb ik gezworen dat ik het nooit meer zover zou laten komen.
Ik klopte haar op de rug en het duurde niet lang of ze viel op mijn knie in slaap. Ik droeg haar naar haar bed, legde haar neer en dekte haar toe. Toen liep ik weg en trok de deur achter me dicht. Het duurde even, maar ik had dan toch gewonnen.
Ik heb Mark niet verteld wat er was gebeurd, en ik wist zeker dat Lucy dat zelf ook niet zou doen, maar ze deed het toch. ‘Papa,’ zei ze vanochtend tijdens het ontbijt, ‘ik ben bang voor monsters, maar ik mocht de deur niet op een kier van mama. En toen was ik heel bang.’ Haar lip trilde. Ze staarde me aan met grote ogen vol wrok. Op dat moment zag ik pas dat mijn kwelgeest, mijn beul, nog maar een kind is, een klein naïef meisje. Ze is helemaal niet zo bang voor mij als ik vaak vrees, en ze is ook lang zo bang niet voor mij als ikzelf, of als ze eigenlijk zou moeten zijn. Ze kan er niks aan doen – ze is pas vijf.
Papa koos uiteraard partij voor dochterlief, en nu hebben we dus een nieuw systeem: deur op een kier, keurig nachtlampje (niet te fel maar wel net fel genoeg). Ik kan er geen bezwaar tegen maken want dan hebben ze meteen door hoe irrationeel ik ben. ‘Wat maakt het ons nou toch uit of die deur open of dicht is?’ zegt Mark als ik hem probeer over te halen. ‘Niks toch?’
Ik zeg niets. Het maakt uit, omdat ik wil dat die deur dicht is. Want vanavond heb ik niet dat gevoel van triomf van de deur achter Lucy dichttrekken om halfnegen. In plaats daarvan sluip ik door het huis en denk ik dat ik haar hoor ademen en snurken en woelen onder haar dekbed. Ik voel haar aanwezigheid in elke vezel van mijn lijf: het wurmt zich binnen op mijn rechtmatige territorium.
Maar goed, zo erg is het nu ook weer niet. Zoals mijn terminaal opgewekte moeder me altijd inpepert als ik het waag om een keer te klagen: ik heb veel meer geluk dan de meeste vrouwen. Lucy is meestal hartstikke lief, ik heb Michelle die me helpt in huis, ik weet niet waar ik het over heb, het is hard werken maar dat is het allemaal dubbel en dwars waard. Maar als dat zo is, waarom word ik dan elke zaterdagochtend wakker met het gevoel dat de komende achtenveertig uur me zullen verstikken en vraag ik me af hoe ik het moet redden tot maandag?
Heb vandaag Cordy gesproken aan de telefoon en die vertelde dat Oonagh ook zo bezig is met monsters. Cordy verdacht een paar klasgenootjes van Lucy en Oonagh. ‘Van die achterbuurtkinderen’ (haar woorden, niet die van mij). Ze zei: ‘Ik durf te wedden dat hun achterlijke ouders hun hoofd vol hebben gepropt met allerlei onzin over feeën en duivels, en nu hebben zij het aan onze kinderen verteld.’ Ze klonk behoorlijk pissig. Ze zei dat ze krom moet liggen om te zorgen dat haar dochter naar een school kan waar ze niet met van dat tuig in aanraking komt. En dan blijkt nu ineens dat dat tuig zelf heel veel geld heeft. ‘Dat verdienen ze met hun zonnebankparadijzen en bikiniwaximperiums,’ zei ze verbitterd. Ik heb maar niet gevraagd wat dat precies zijn.
Nou, wat nog meer? O ja, er is een man, William Markes, en die gaat hoogstwaarschijnlijk mijn leven ruïneren. Maar zover is het nog niet, en ik ben trouwens ook niet erg positief ingesteld momenteel. Laten we maar even afwachten.