62
Als ik op het vliegveld afscheid heb genomen van Richard, kom ik op de rit terug naar de ashram tot de conclusie dat ik de laatste tijd te veel heb gepraat. Eerlijk gezegd praat ik al mijn hele leven te veel, maar tijdens mijn verblijf in de ashram heb ik echt te veel gepraat. Ik heb hier nog twee maanden voor de boeg en ik wil de voornaamste kans op spiritualiteit in mijn leven niet verpesten door de hele tijd sociaal te doen en te kletsen. Ik vind het verbazingwekkend dat ik er zelfs hier, zelfs in een gewijde omgeving van geestelijke retraite aan de andere kant van de wereld, in ben geslaagd een cocktailpartyachtige stemming om mezelf heen te creëren. Niet alleen heb ik voortdurend met Richard gepraat (al hebben wij met zijn tweeën wel het meeste zitten ouwehoeren), ook met anderen zit ik voortdurend te leuteren. Ik heb zelfs – en dat in een ashram! – afspraken zitten maken om kennissen te kunnen zien, omdat ik tegen mensen moest zeggen: ‘Het spijt me, maar ik kan vandaag niet met je lunchen, want ik heb al aan Sakshi beloofd dat ik met haar zou gaan eten... Misschien kunnen we aanstaande dinsdag afspreken?’
Zo gaat het altijd in mijn leven. Zo zit ik in elkaar. De laatste tijd denk ik echter dat dit misschien wel een spiritueel struikelblok is. Zwijgen en alleen zijn zijn alom erkende spirituele praktijken, en met reden. Leren hoe je je woorden in toom moet houden is een manier om te voorkomen dat al je energie door je mond naar buiten stroomt, waardoor je zelf doodmoe wordt en de wereld zich vult met woorden, woorden en nog eens woorden in plaats van sereniteit, rust en zaligheid. Swamiji, de leermeester van mijn goeroe, was een groot voorstander van stilte in de ashram; hij dwong iedereen bij wijze van godsdienstig ritueel te zwijgen. Hij noemde stilte de enige ware religie. Ik heb absurd veel gepraat in deze ashram, de enige plek ter wereld waar stilte zou moeten heersen, en ook kán heersen.
En dus ga ik niet meer het gezelligheidsdier van de ashram zijn, heb ik besloten. Geen gehaast, geouwehoer en gegrap meer. Ik hoef niet voortdurend in het middelpunt van de belangstelling te staan of het hoogste woord te voeren. Geen verbale tapdansjes meer voor wat armzalige bevestiging. Het is tijd om te veranderen. Nu Richard eenmaal weg is, ga ik van de rest van mijn verblijf een totaal zwijgzame ervaring maken. Dat zal moeilijk worden, maar niet onmogelijk, want stilzwijgen wordt in de ashram door iedereen gerespecteerd. De hele gemeenschap zal erachter staan en je beslissing zien als een daad van toewijding en discipline. In de boekhandel verkopen ze zelfs kleine badges die je op kunt spelden en waarop staat: ik verkeer in stilte.
Ik ga vier van die kleine badges kopen.
Op de terugweg naar de ashram geef ik me over aan een fantasietje over hoe zwijgzaam ik vanaf nu wel niet zal worden. Ik zal zo zwijgzaam worden dat ik er beroemd om zal worden. Ik zie mezelf al bekend worden als ‘dat stille meisje’. Ik zal me gewoon aan het dagelijkse programma van de ashram houden, in mijn eentje de maaltijden gebruiken, elke dag eindeloos mediteren en de tempelvloeren schrobben zonder een kik te geven. Mijn enige interactie met anderen zal bestaan uit gelukzalige glimlachjes vanuit mijn helemaal op zich staande wereld van stilte en vroomheid. Er zal over me gepraat worden. Mensen zullen vragen: ‘Wie is toch dat stille meisje daar achter in de tempel dat altijd op haar knieën de vloeren zit te schrobben? Ze zegt nooit iets. Ze is zo ongrijpbaar, zo mystiek. Ik kan me zelfs geen voorstelling maken van haar stem. Je hoort haar zelfs niet achter je op het tuinpad wanneer ze buiten loopt... Ze is even geruisloos als de wind. Ze verkeert vast in een voortdurende staat van meditatieve verbondenheid met God. Ze is het stilste meisje dat ik ooit heb gezien.’
63
De volgende ochtend zat ik weer eens op mijn knieën de marmeren tempelvloer te schrobben en (dacht ik zelf) een heilige halo van zwijgzaamheid uit te stralen, toen er een Indiase puber langskwam met de mededeling dat ik me meteen bij het sevakantoor moest melden. Seva is het Sanskritische woord voor het spirituele ritueel van onbaatzuchtige dienstverlening (corvee), bijvoorbeeld het schrobben van een tempelvloer. Het sevakantoor gaat over alle werktoewijzingen in de ashram. Dus liep ik daarnaartoe, heel benieuwd waarom ik opgeroepen was, en de vriendelijke dame aan de balie vroeg aan me: ‘Ben jij Elizabeth Gilbert?’
Ik wierp haar een warme, vrome glimlach toe en knikte, zonder iets te zeggen.
Toen zei ze tegen me dat mijn taak veranderd was. Op speciaal verzoek van het management maakte ik niet langer deel uit van het vloerschrobteam. Ze hadden een nieuwe functie in de ashram voor me in gedachten.
En de omschrijving van mijn nieuwe baan was – lach maar met me mee – ‘Eerste Hostess’.
64
Dat was heel duidelijk weer zo’n grap van Swamiji.
Jij wilde zo nodig dat stille meisje daar achter in de tempel zijn? Nou, raad eens...
Maar zo gaat het altijd in de ashram. Je neemt een groot, hoogdravend besluit over wat je moet doen, of over wie je denkt te moeten zijn, en vervolgens gebeurt er iets wat meteen aantoont hoe weinig je eigenlijk hebt begrepen van jezelf. Ik weet niet hoe vaak Swamiji het tijdens zijn leven heeft gezegd, en ik weet niet hoeveel vaker mijn goeroe het sinds zijn dood heeft herhaald, maar het lijkt erop dat ik nog niet helemaal de juistheid tot me door heb laten dringen van de uitspraak waar ze het vaakst op hameren: ‘God vertoeft in je, als jezelf.’
als jezelf.
Als deze vorm van yoga één heilige waarheid heeft, dan is het wel deze. God vertoeft in je als jezelf, precies zoals jij bent. Het interesseert God niet om jou een persoonlijkheidstoneelstukje te zien opvoeren zodat je voldoet aan een bepaald idee dat je koestert over hoe een spiritueel iemand eruitziet of zich gedraagt. We lijken allemaal het idee te hebben dat we om heilig te zijn een gigantische, dramatische karakterverandering moeten ondergaan, dat we afstand moeten doen van onze individualiteit. Dat is een klassiek voorbeeld van wat ze in het Oosten ‘fout denken’ noemen. Swamiji zei vaak dat wereld- en zelfverzakers elke dag iets nieuws vinden om afstand van te doen, maar dat ze eerder depressie vinden dan innerlijke rust. Hij zei voortdurend dat ascese en afscheid nemen van het wereldse leven – als doel op zich – niet zijn wat je nodig hebt. Om God te kennen, hoef je maar van één ding afstand te doen: je gevoel dat God en jij twee losstaande zaken zijn. Anders gezegd: blijf gewoon zoals je bent geschapen, zoals je van nature bent.
Dus hoe ben ik van nature? Ik vind het heerlijk om in deze ashram te studeren, maar mijn droom om God te vinden door stilletjes door het gebouw te zweven met een lieve, hemelse glimlach op mijn gezicht – waar komt dat beeld vandaan? Dat zal wel iemand zijn die ik ooit op tv heb gezien. In werkelijkheid moet ik helaas toegeven dat ik nooit zo iemand zal worden. Ik ben altijd gefascineerd geweest door van die tere, broze zieltjes. Ik wilde altijd al het zwijgzame meisje zijn, waarschijnlijk juist omdat ik dat níet ben. Dezelfde reden dus dat ik dik, donker haar mooi vind – juist omdat ik het niet heb, omdat ik het niet kan hebben. Maar op een gegeven moment moet je vrede hebben met wat je wel hebt. Als God had gewild dat ik een verlegen meisje met dik, donker haar was, dan zou Hij me zo geschapen hebben, wat Hij dus niet heeft gedaan. Misschien is het dus nuttig om te accepteren hoe ik wel geschapen ben en dat volledig te belichamen.
Of zoals Sextus, de oude pythagorische filosoof zei: ‘Een wijs man is altijd gelijk aan zichzelf.’
Dat wil niet zeggen dat ik niet godvruchtig kan zijn. Dat wil niet zeggen dat ik niet ontzettend in vervoering kan raken van Gods liefde. Dat wil niet zeggen dat ik de mensheid geen diensten kan bewijzen. Dat wil niet zeggen dat ik mezelf niet als mens kan verbeteren, door mijn deugden te vervolmaken en elke dag weer mijn best te doen om mijn ondeugden zo veel mogelijk te beperken. Zo zal ik bijvoorbeeld nooit een muurbloempje worden, maar dat wil niet zeggen dat ik niet eens kritisch naar mijn conversatiegewoonten kan kijken en daar bepaalde aspecten aan kan verbeteren – bínnen het bereik van mijn persoonlijkheid. Ja, ik praat graag, maar misschien hoef ik niet zoveel te vloeken, en misschien hoef ik niet altijd flauwe grappen te maken, en misschien hoef ik eigenlijk ook niet de hele tijd over mezelf te praten. En nog zo’n radicaal idee: misschien kan ik er eens mee ophouden anderen in de rede te vallen wanneer ze iets zeggen? Want hoe creatief ik ook probeer een gunstige draai te geven aan mijn eigen gewoonte om mensen in de rede te vallen, volgens mij is er geen andere manier om die uit te leggen dan: ‘Ik geloof dat wat ik zeg belangrijker is dan wat jij zegt.’ En volgens mij is er geen andere manier om dát te interpreteren dan: ‘Ik geloof dat ik belangrijker ben dan jij.’ En daar moet maar eens verandering in komen.
Al die veranderingen zouden nuttig zijn. Maar toch, zelfs met redelijke wijzigingen in mijn conversatiegewoonten zal ik waarschijnlijk nooit bekendstaan als ‘dat stille meisje’, hoe mooi dat beeld ook is en hoe hard ik het ook probeer. Want laten we wel zijn: zo zit ik gewoon niet in elkaar. Toen de vrouw van het sevakantoor me mijn nieuwe baan (die van Eerste Hostess) gaf, zei ze: ‘Weet je, we hebben een bijzondere bijnaam voor deze functie. We noemen degene die hem bekleedt “Tante Kwebbel”, omdat ze sociaal en spontaan moet zijn en de hele tijd moet glimlachen.’
Wat kon ik daarop zeggen?
Ik stak gewoon mijn hand uit voor een handdruk, zei al mijn ijdele oude waanideeën in stilte gedag en kondigde aan: ‘Dan bent u bij mij aan het juiste adres, mevrouw.’
65
Waar ik precies gastvrouw bij moet zijn, is een reeks retraites die deze lente in de ashram wordt gehouden. Bij elke retraite komen er voor een periode van zeven tot tien dagen ongeveer honderd volgelingen uit de hele wereld bijeen om hun meditatietechniek te verbeteren. Mijn taak is om tijdens hun verblijf voor die mensen te zorgen. Het merendeel van de retraite verkeren de deelnemers in stilte. Voor sommige deelnemers wordt het de eerste keer dat ze stilte als een godsdienstig ritueel ervaren, en dat kan intens zijn. Mocht er echter iets misgaan, dan ben ik de enige in de ashram met wie ze mogen praten.
Inderdaad – mijn baan vergt officieel van me dat ik een conversatiemagneet ben.
Ik zal naar de problemen van de deelnemers aan de retraite luisteren en dan proberen daar oplossingen voor te vinden. Misschien hebben ze vanwege een snurksituatie een andere kamergenoot nodig, of misschien moeten ze vanwege typisch Indiase digestieproblemen naar de dokter – dat zal ik dan proberen te regelen. Ik zal iedereens naam moeten weten en waar hij of zij vandaan komt. Ik zal rondlopen met een klembord, aantekeningen maken en daar verder achteraan zitten. Ik ben Julie McCoy, uw gastvrouw op deze yogacruise.
En ja, de functie gaat gepaard met een pieper.
Als de retraites eenmaal beginnen, blijkt al snel hoezeer ik geschapen ben voor deze baan. Daar zit ik aan de welkomsttafel met mijn hallo-ik-heet-badge en vervolgens komen al die mensen aan, uit dertig verschillende landen; sommigen zijn oudgedienden maar vele anderen zijn nog nooit eerder in India geweest. Om tien uur ’s ochtends is het al 38 graden, en de meesten van die mensen hebben de hele nacht in het vliegtuig gezeten, tweede klasse ook nog. Wanneer ze de ashram binnenkomen, zien sommigen eruit alsof ze net wakker zijn geworden in de achterbak van een auto – alsof ze geen flauw idee hebben wat ze hier eigenlijk doen. De behoefte aan transcendentie die hen ertoe heeft aangezet zich überhaupt voor deze spirituele retraite op te geven zijn ze allang vergeten, waarschijnlijk zo rond de tijd dat ze in Kuala Lumpur hun bagage kwijtraakten. Ze hebben dorst, maar weten nog niet of ze hier het water kunnen drinken. Ze hebben honger, maar weten niet hoe laat hier geluncht wordt, of waar ze de kantine kunnen vinden. Ze hebben helemaal de verkeerde kleren aan; ze dragen synthetische stoffen en zware wandelschoenen in de tropische hitte. Ze weten niet of iemand hier Russisch spreekt.
Ik spreek een heel klein beetje Russisch...
Ik kan hen helpen. Ik ben verschrikkelijk goed uitgerust om hen te helpen. Alle antennes die ik in de loop der jaren heb ontwikkeld en waarmee ik heb geleerd om op te vangen wat andere mensen voelen, alle intuïtie die ik als supergevoelig jongste kind heb vergaard, alle luistervaardigheid die ik mezelf als meevoelende barkeeper en nieuwsgierige journaliste heb aangeleerd, alle vakkundige zorgzaamheid die ik heb overgehouden aan jarenlang iemands vrouw of vriendin zijn – dat heb ik allemaal bijeengesprokkeld zodat ik het deze goede mensen iets gemakkelijker kan maken bij de moeilijke taak die ze op zich genomen hebben. Ik zie ze aankomen, uit Mexico, de Filippijnen, Afrika, Denemarken en Detroit, en het voelt net als die scène in Close Encounters of the Third Kind waarin Richard Dreyfuss en al die andere zoekende mensen midden in Wyoming bijeenkomen, op een plek waar ze om redenen die ze zelf helemaal niet begrijpen naartoe zijn getrokken door de komst van een ruimteschip. Ik bewonder hun moed. Ze hebben hun gezin en leven een paar weken achtergelaten om te midden van volslagen onbekenden in stille retraite te gaan in India. Niet iedereen doet dat in zijn leven.
Ik hou van al die mensen, automatisch en zonder voorbehoud. Ik hou zelfs van de heel lastige klanten. Ik prik door hun neurosen heen en zie dat ze gewoon verschrikkelijk bang zijn voor wat hun te wachten staat als ze zeven dagen lang moeten zwijgen en mediteren. Ik hou van de Indiase man die woest naar me toe komt om te melden dat er een tien centimeter hoog beeldje van de Indiase god Ganesh in zijn kamer staat waaraan een voet ontbreekt. Hij is furieus, gelooft dat dit een vreselijk voorteken is en wil dat het beeldje verwijderd word, liefst door een brahmaanse priester met een ‘traditionele, gepaste’ reinigingsceremonie. Ik troost hem en luister naar zijn woede. Dan stuur ik mijn jonge, kwajongensachtige vriendin Tulsi naar de kamer van de man om het beeldje weg te halen terwijl hij zit te lunchen. De volgende dag geef ik de man een briefje waarop staat dat ik hoop dat hij zich beter voelt nu het kapotte beeldje weg is, en hem eraan herinner dat ik er zal zijn, mocht hij nog eens iets nodig hebben; hij beloont me met een enorme, opgeluchte glimlach. Hij is gewoon bang. De Française die bijna een paniekaanval krijgt vanwege haar tarweallergie – ook zij is bang. De Argentijn die om een speciale bijeenkomst met het voltallige personeel van de afdeling Hatha-yoga vraagt opdat ze hem zullen zeggen hoe hij bij het mediteren op zo’n manier goed kan zitten dat zijn enkel geen pijn doet – hij is gewoon bang. Ze zijn allemaal bang. Ze gaan zich in stilte terugtrekken, diep in hun eigen gedachten en ziel. Zelfs voor iemand die grote ervaring heeft met mediteren is dat altijd geheel onontgonnen terrein. Daar kan van alles gebeuren. Tijdens deze retraite zullen ze begeleid worden door een geweldige vrouw, een non van in de vijftig uit wier gebaren en woorden niets dan compassie spreekt, maar toch zijn ze bang, want hoe liefdevol deze non ook mag zijn, ze kan niet met hen meegaan naar de plek waar zij naartoe gaan. Dat kan niemand.
Toen de retraite begon, kreeg ik toevallig net een brief met de post van een vriend van me in Amerika die voor National Geographic films over wilde dieren maakt. Hij vertelde me dat hij net naar een galadiner in het Waldorf-Astoria in New York was geweest waar leden van de Explorers’ Club werden geëerd. Hij zei dat het fantastisch was geweest om in het gezelschap te verkeren van zulke dappere mensen, die allemaal meerdere malen hun leven hadden gewaagd om ’s werelds meest afgelegen en gevaarlijke bergketens, ravijnen, rivieren, diepe oceanen, ijsvlakten en vulkanen te ontdekken. Hij zei dat er aan velen van hen stukjes ontbraken – tenen, neuzen en vingers die in de loop der jaren aan haaien, bevriezing en andere gevaren waren prijsgegeven.
Hij schreef: ‘Je hebt nog nooit zo veel dappere mensen tegelijk bij elkaar gezien.’
Ik dacht bij mezelf: Je moest eens weten, Mike.
66
Het onderwerp van de retraite, en het doel ervan, is de turiya-staat – het ongrijpbare vierde niveau van het menselijk bewustzijn. Gedurende een normaal mensenleven, zeggen yogi’s, bewegen de meesten van ons zich aldoor tussen drie verschillende bewustzijnsniveaus: waken, dromen of diep, droomloos slapen. Maar er is ook een vierde niveau. Dat vierde niveau is de getuige van alle andere staten, het alomvattende bewustzijn dat de drie andere niveaus met elkaar verbindt. Dit is het zuivere bewustzijn, een intelligent bewustzijn dat jou bijvoorbeeld ’s ochtends wanneer je wakker wordt kan vertellen wat je gedroomd hebt. Zelf was je weg, jij sliep, maar iemand anders hield je dromen in de gaten terwijl je sliep – wie was die getuige? En wie is degene die altijd buiten de activiteiten van het verstand staat en de gedachten daarvan observeert? Gewoon, God, zeggen de yogi’s. En als je die staat van getuige-bewustzijn kunt bereiken, dan kun je altijd in de tegenwoordigheid van God zijn. Dit voortdurende besef en dit ervaren van de aanwezigheid van God binnen in jezelf kan alleen geschieden op een vierde niveau van het menselijk bewustzijn, dat de turiya wordt genoemd.
Hoe kun je zien of je de turiya-staat hebt bereikt? Als je voortdurend in een staat van gelukzaligheid verkeert. Iemand die vanuit de turiya leeft wordt niet beïnvloed door geestelijke stemmingswisselingen, is niet bang voor de tijd en laat zich niet kisten door verlies. ‘Zuiver, schoon, leeg, rustig, ademloos, onzelfzuchtig, eindeloos, onvergankelijk, standvastig, eeuwig, ongeboren, onafhankelijk, zo vertoeft hij in zijn eigen grootheid,’ zeggen de Upanishaden, de eeuwenoude heilige yogageschriften, over wie die de turiya-staat heeft bereikt. De grote heiligen, de grote goeroes, de grote profeten uit de geschiedenis – ze leefden allemaal voortdurend in de turiya-staat. Wat gewone mensen als wijzelf betreft, wij hebben er ook ervaring mee, zij het maar heel even. De meesten van ons hebben ooit, zij het misschien maar twee minuten in ons leven, weleens een onverklaarbaar, willekeurig gevoel van complete gelukzaligheid ervaren, dat niets te maken had met wat zich op dat moment om ons heen afspeelde. Het ene moment ben je gewoon Jan met de pet die zich door zijn alledaagse leventje voortsleept, en dan ineens – wat gebeurt er nu? – voel je je, zonder dat er iets is veranderd, begenadigd, wonderbaarlijk goed, overlopend van gelukzaligheid. Zonder enige reden is alles volmaakt.
Natuurlijk verdwijnt deze staat bij de meeste mensen even snel als hij opkwam. Het lijkt wel alsof je je innerlijke volmaaktheid alleen even te zien krijgt om je nieuwsgierig te maken, en vervolgens verval je weer heel snel in de ‘werkelijkheid’; je stort als een hoopje ineen op al je oude zorgen en verlangens. Door de eeuwen heen hebben mensen geprobeerd die staat van zalige volmaaktheid met allerlei externe middelen – drugs, seks, macht, adrenaline, het vergaren van mooie dingen – vast te houden, maar hij blijft niet lang goed. We mogen dan overal op zoek gaan naar geluk, maar intussen zijn we net die beroemde bedelaar van Tolstoj die zijn hele leven lang op een pot vol goud zat en alle voorbijgangers om een cent vroeg, zonder er zich van bewust te zijn dat zijn fortuin zich al die tijd vlak onder hem bevond. Jouw schat – je volmaaktheid – bevindt zich al binnen in je. Maar om hem op te eisen moet je de hectische drukte van je hoofd achterlaten, afstand doen van de verlangens van het ego en de stilte van het hart binnentreden. De kundalini shakti – de allerhoogste energie van het goddelijke – zal je daarheen leiden.
Dit is waarvoor iedereen hier is gekomen.
Toen ik die zin in eerste instantie noteerde, bedoelde ik: ‘Dit is waarvoor die honderd deelnemers aan de retraite vanuit de hele wereld naar deze ashram in India zijn gekomen.’ Maar in feite zouden de yogaheiligen en -filosofen het eens zijn geweest met de veel bredere interpretatie van mijn uitspraak: ‘Dit is waarvoor iederéén hier is.’ Volgens de mystici is deze zoektocht naar goddelijke gelukzaligheid het hele doel van het menselijk leven. Dáárom hebben we er allemaal voor gekozen geboren te worden, en daarom zijn al het leed en alle pijn van het leven op aarde de moeite waard – gewoon vanwege de kans om die oneindige liefde te ervaren. En als je die goddelijkheid binnen je eenmaal gevonden hebt, kun je haar dan vasthouden? Want als je dat kunt... zalig.
Ik breng de hele retraite achter in de tempel door, wakend over de deelnemers terwijl die in het halfduister en de totale stilte mediteren. Het is mijn taak om ervoor te zorgen dat zij zich op hun gemak voelen, en om goed in de gaten te houden of er ook mensen zijn die het moeilijk hebben of iets nodig hebben. Ze hebben allemaal voor de duur van de retraite een gelofte van stilte afgelegd, en elke dag voel ik hen dieper afdalen in die stilte, totdat de hele ashram in stilte is gedompeld. Uit respect voor de deelnemers aan de retraite gaan we nu allemaal doodstil door het leven; we eten zelfs in stilte. Alle sporen van gebabbel zijn verdwenen. Zelfs ik zwijg. Er hangt hier nu een midden-in-de-nachtstilte, de verstomde tijdloosheid die je normaal gesproken alleen om drie uur ’s nachts meemaakt wanneer je helemaal alleen bent – alleen duurt die nu de hele dag en doet de hele ashram eraan mee.
Terwijl die honderd zielen zitten te mediteren, heb ik geen idee wat ze denken of voelen, maar ik weet wel wat ze willen ervaren, en ik merk dat ik de hele dag namens hen tot God zit te bidden, en dat ik rare deals voor hen sluit in de trant van: Geeft u deze fantastische mensen alstublieft de zegeningen die u oorspronkelijk misschien voor mij had gereserveerd. Het is niet mijn bedoeling om tegelijkertijd met de deelnemers een meditatieve toestand te bereiken; ik word geacht een oogje op hen te houden, en niet om me druk te maken over mijn eigen spirituele reis. Ik merk echter dat ik elke dag weer word meegedragen op de golven van hun collectieve godsdienstige intentie, zoals ook bepaalde roofvogels gebruik kunnen maken van de thermiek van de aarde, waardoor ze tot veel grotere hoogten kunnen stijgen dan ze op eigen kracht hadden kunnen bereiken. Dus waarschijnlijk is het niet zo verrassend dat het op zo’n moment gebeurt. Op een donderdagmiddag achter in de tempel word ik plotseling midden onder mijn Eerste-Hostess-plichten, met mijn naamspeldje en al, getransporteerd door het portaal van het universum en meegenomen naar het hart van Gods handpalm.
67
Dit is het punt waarop ik als lezer en zoekende altijd gefrustreerd raak bij het lezen van andermans spirituele memoires – het punt waarop de ziel tijd en plaats achter zich laat en opgaat in het oneindige. Vele groten, van de Boeddha tot de heilige Theresia tot de soefistische mystici tot mijn eigen goeroe, hebben door de eeuwen heen in evenzoveel woorden geprobeerd uit te leggen hoe het voelt om één te worden met God, maar ik ben nooit helemaal tevreden met die beschrijvingen. Vaak wordt het irritante bijvoeglijk naamwoord ‘onbeschrijflijk’ gebruikt om de gebeurtenis te beschrijven. Maar zelfs de meest welsprekende verslaggevers van de godsdienstige ervaring – zoals Roemi, die schreef dat hij alle inspanningen had laten varen en zichzelf aan de mouw van God had vastgebonden, of Hafez, die zei dat God en hij net twee dikke mannen waren geworden die in een klein bootje woonden – ‘We blijven tegen elkaar aan botsen en lachen’ – zelfs die dichters kunnen het niet aanschouwelijk voor me maken. Ik wil er niet over lezen; ik wil het aan den lijve ondervinden. Sri Ramana Maharshi, een populaire Indiase goeroe, gaf vroeger altijd lange toespraken over de transcendente ervaring aan zijn leerlingen en beëindigde die altijd met de volgende instructie: ‘En ga er nu zelf maar achterkomen.’
Dus nu ben ik erachter. En ik wil niet zeggen dat wat ik die donderdagmiddag in India ervoer onbeschrijflijk was, al was het dat wel. Ik zal proberen het toch uit te leggen. Kort samengevat: ik werd door het wormgat van het Absolute getrokken, en terwijl dat gebeurde begreep ik ineens helemaal hoe het universum in elkaar zit. Ik verliet mijn lichaam, ik verliet de zaal, ik verliet de planeet, ik stapte door de tijd en ik ging de ruimte binnen. Ik was binnen in de ruimte, maar ik wás ook de ruimte en stond naar de ruimte te kijken, en dat allemaal tegelijkertijd. De ruimte was een plek van onbegrensde vrede en wijsheid. De ruimte was een denkende, intelligente entiteit. De ruimte was God, wat inhoudt dat ik binnen in God was. Maar niet op een onsmakelijke, lichamelijke manier; het was niet zo dat ik Liz Gilbert was die vastzat in een stukje van Gods dijspier. Ik maakte gewoon deel uit van God. Terwijl ik ook nog eens God wás. Ik was zowel een piepklein stukje van het universum als precies even groot als het universum. (‘Allen weten dat de druppel opgaat in de oceaan, maar weinigen weten dat de oceaan opgaat in de druppel,’ schreef de wijze Kabir – en ik kan nu persoonlijk getuigen dat dat waar is.)
Het was niet hallucinogeen, wat ik voelde. Het was een zeer primaire gebeurtenis. Inderdaad, het was hemels. Het was de meest intense liefde die ik ooit had ervaren, veel intenser dan ik me ooit had kunnen voorstellen, maar het was niet euforisch. Het was niet opwindend. Er was niet meer genoeg ego of passie in mij om euforie en opwinding te creëren. Het was gewoon duidelijk. Het was net zoiets als wanneer je heel lang naar een optische illusie hebt zitten kijken – je tuurt uit alle macht om te zien hoe de truc in elkaar zit, en ineens verandert je manier van kijken en hé – zo zie je het duidelijk! – de twee vazen zijn duidelijk twee gezichten. En als je eenmaal door de optische illusie heen hebt gekeken, zie je hem voortaan altijd.
Dus dit is God, dacht ik. Gefeliciteerd u te ontmoeten.
De plek waar ik stond kan niet beschreven worden als een aardse locatie. Hij was donker noch licht, groot noch klein. Een plek was het ook niet echt, en technisch gezien stond ik er ook niet echt, en eigenlijk was ik ook niet helemaal ‘ik’ meer. Ik had nog wel mijn gedachten, maar die waren erg bescheiden, stil en van observerende aard. Niet alleen voelde ik zonder enig voorbehoud medeleven en eenheid met alles en iedereen, maar ook vond ik het enigszins raar (maar wel grappig) om me af te vragen hoe iemand ooit iets anders dan dat kon voelen. Ook vond ik al mijn oude opvattingen over wie ik ben en hoe ik in elkaar zit wel leuk. Ik ben een vrouw, ik kom uit Amerika, ik praat graag, ik ben schrijfster – het voelde allemaal zo schattig en achterhaald. Stel je voor dat je jezelf in zo’n nietig identiteitsdoosje propte terwijl je in plaats daarvan je eigen oneindigheid kon ervaren!
Ik vroeg me af: waarom heb ik mijn hele leven geluk nagestreefd terwijl er al die tijd zaligheid was?
Ik weet niet hoe lang ik in dat schitterende hemelruim van eenwording zweefde voordat er plotseling een dringende gedachte bij me opkwam: Ik wil deze ervaring voor altijd vasthouden! Toen begon ik eruit weg te slippen. Gewoon twee kleine woordjes – Ik wil! – en ik begon terug te slippen naar de aarde. Toen begon mijn verstand echt te protesteren – Nee! Ik wil hier niet weg! – waarna ik nog verder weggleed.
Ik wil!
Ik wil niet!
Ik wil!
Ik wil niet!
Elke keer dat ik deze wanhopige gedachten herhaalde, voelde ik mezelf door de ene laag van de illusie na de andere terugvallen, zoals de held van een actiekomedie bij zijn val van een gebouw door een stuk of tien canvasluifels achter elkaar heen valt. Deze terugkeer van zinloos verlangen bracht me weer terug binnen de grenzen van mijn weinig omvangrijke ik, mijn eigen sterfelijke lichaam, mijn kleine stripverhaalwereld. Ik zag mijn ego terugkeren zoals een polaroidfoto zich voor je ogen ontwikkelt en met de seconde duidelijker wordt: daar is het gezicht, daar zijn de rimpels rondom de mond, daar zijn de wenkbrauwen – ja, nu is hij klaar: dat is een foto van mijn alledaagse ouwe ik. Ik voelde een huivering van paniek, en was een beetje verdrietig dat ik deze goddelijke ervaring was kwijtgeraakt. Maar parallel aan die paniek voelde ik ook een getuige, een wijzere en oudere versie van mezelf die gewoon haar hoofd schudde en glimlachte, en die wist: als ik dacht dat deze staat van zaligheid iets was wat me afgenomen kon worden, dan had ik het duidelijk nog niet helemaal begrepen, en dan was ik dus nog niet gereed om altijd in die staat te verkeren. Ik zou meer moeten oefenen. Op het moment dat ik me dat realiseerde, liet God me los. Hij liet me door Zijn vingers glippen met deze laatste medelevende, niet-uitgesproken boodschap: Zodra je echt hebt begrepen dat je hier altijd verkeert, mag je terugkeren.
68
Twee dagen later kwam er een einde aan de retraite en verbrak iedereen het stilzwijgen. Ik werd door veel mensen omhelsd en bedankt voor de hulp die ik hun had gegeven.
‘Nee, nee! Dank ú juist,’ bleef ik zeggen. Ik vond het frustrerend hoe ontoereikend die woorden klonken, hoe onmogelijk het was om uiting te geven aan mijn immense dankbaarheid voor het feit dat ze me tot zulke duizelingwekkende hoogten hadden doen stijgen.
Een week later arriveerden er weer honderd zoekenden voor weer een retraite, en het onderricht, de dappere ontdekkingsreizen in het innerlijk en de alomvattende stilte begonnen weer van voor af aan, nu met nieuwe zielen die aan de slag gingen. Ook op hen hield ik een oogje. Ik probeerde hen op allerlei manieren te helpen en slipte ook een paar maal met hen mee terug de turiya in. Ik kon alleen maar lachen toen velen van hen later uit hun meditatie kwamen en tegen me zeiden dat ik tijdens de retraite aan hen was verschenen als een ‘stille, zwevende, hemelse geest’. Was dat de laatste grap die de ashram met me uithaalde? Nu ik eenmaal had geleerd mijn luidruchtige, spraakzame, sociale aard te accepteren en mijn innerlijke Eerste Hostess helemaal te aanvaarden, kon ik alsnog Dat Stille Meisje Daar Achter in de Tempel worden?
In mijn laatste weken in de ashram hing er een ietwat melancholieke laatste-dagen-van-het-zomerkampstemming. Elke ochtend, leek het wel, stapten er meer mensen met hun bagage op de bus om weg te gaan. Er kwamen geen nieuwe mensen bij. Het was bijna mei, het begin van het heetste jaargetijde in India, en dus zou het een tijdje wat minder druk worden. Er zouden geen retraites meer zijn, dus kreeg ik opnieuw een ander baantje, deze keer in het registratiekantoor, waar ik de bitterzoete taak had om officieel al mijn vrienden uit de computer te schrappen zodra ze de ashram hadden verlaten.
Ik deelde het kantoor met een grappige vrouw die als kapster op Madison Avenue had gewerkt. Met zijn tweetjes deden we ons ochtendgebed, helemaal alleen, twee vrouwen die onze hymne aan God zongen.
‘Wat denk je, kunnen we het tempo van deze hymne vandaag iets opvoeren?’ vroeg de kapster op een ochtend. ‘En hem misschien een octaaf hoger zingen? Zodat ik niet als een gospelversie van Count Basie klink?’
Ik heb nu alle tijd voor mezelf. Ik zit zo’n vier à vijf uur per dag in de meditatiegrotten. Ik kan nu uren achtereen in mijn eigen gezelschap doorbrengen, op mijn gemak in mijn eigen aanwezigheid, niet van mijn stuk gebracht door mijn eigen bestaan op deze planeet. Soms zijn mijn meditaties surreële, fysieke shakti-ervaringen, zo woest dat mijn wervelkolom begint te kronkelen en mijn bloed aan de kook raakt. Daar probeer ik me met zo min mogelijk weerstand aan over te geven. Soms ervaar ik juist een heerlijke, kalme tevredenheid, en dat is ook prima. De zinnen vormen zich nog altijd in mijn hoofd, en de gedachten voeren nog altijd hun uitsloverige dansje op, maar ik ken mijn gedachtepatronen inmiddels zo goed dat ik er geen last meer van heb. Mijn gedachten zijn tegenwoordig net oude buren, een beetje lastig maar uiteindelijk wel vertederend – de heer en mevrouw Klets-Maar-Raak en hun drie aartsdomme kinderen Bla, Bla en Bla. Thuis heb ik echter geen last van hen. In deze buurt is ruimte voor ons allemaal.
En wat de andere veranderingen betreft die zich misschien de afgelopen maanden in mij voltrokken hebben, misschien kan ik die nog niet eens voelen. Mijn vrienden die al lang aan yoga doen, zeggen dat je het effect dat een ashram op je heeft pas echt ziet wanneer je de ashram verlaat en terugkeert naar je normale leven. ‘Dan pas,’ zei de voormalige non uit Zuid-Afrika, ‘zul je merken hoe de kasten van je innerlijk allemaal opnieuw ingericht zijn.’ Natuurlijk weet ik op het ogenblik eigenlijk niet zo goed wat mijn normale leven überhaupt is. Ik bedoel, misschien trek ik binnenkort wel in bij een oude medicijnman in Indonesië – is dat mijn normale leven? Misschien wel; wie zal het zeggen? Hoe dan ook, mijn vrienden zeggen dat de veranderingen pas later zichtbaar worden. Misschien kom je erachter dat je van levenslange obsessies af bent, of dat er eindelijk iets is veranderd aan ernstige, onoplosbare patronen. Kleine irritaties waar je ooit woest om werd vormen niet langer een probleem, terwijl afgrijselijke oude ellende die je ooit uit gewoonte slikte nu niet meer geduld wordt, nog geen vijf minuten. Negatieve relaties worden gelucht of gewoon helemaal beëindigd, en er stappen opgewektere, heilzamere types je wereld binnen.
Vannacht kon ik niet slapen. Niet vanwege zorgen, maar uit opwinding. Ik trok mijn kleren aan en maakte een wandeling door de tuinen. De maan was weelderig rond en vol, en hij hing recht boven me, zodat alles in een donkergrijs licht baadde. De lucht geurde naar jasmijn en naar het bedwelmende parfum van die sterk riekende struiken die ze hier hebben, met bloesem die alleen ’s nachts opengaat. Het was een broeierige, hete dag geweest en nu was het nauwelijks minder broeierig en heet. De warme lucht verplaatste zich om me heen en ik realiseerde me: ‘Ik ben in India!’
Ik loop op sandalen en ik ben in India!
Ik begon te rennen. Ik galoppeerde van het pad af, het gras op, en vloog over dat door de maan beschenen grasbad. Mijn lichaam voelde zo levendig en gezond aan van al die maanden yoga, vegetarisch eten en vroeg naar bed gaan. Mijn sandalen op het zachte, bedauwde gras maakten dit geluid: shippa-shippa-shippa-shippa, en dat was het enige geluid in de hele vallei. Ik was zo door het dolle heen dat ik recht op het bosje eucalyptusbomen midden in het park afrende (waar naar verluidt vroeger een oude tempel stond waar de god Ganesh, die obstakels uit de weg ruimt, geëerd werd), en ik sloeg mijn armen om een van die bomen, die nog warm was van de hitte van de dag, en kuste hem hartstochtelijk. Ik bedoel, ik kuste die boom met hart en ziel, en dacht er op dat moment niet eens aan dat dat de ergste nachtmerrie is van elke Amerikaanse ouder wiens kind ooit is weggelopen naar India om zichzelf te vinden – dat ze uiteindelijk in het maanlicht een orgie met bomen heeft.
Maar het was iets heel puurs, de liefde die ik voelde. Het was goddelijk. Ik keek rond in de donkere vallei en ik zag niets dat niet God was. Ik voelde me immens, verschrikkelijk gelukkig. Ik dacht bij mezelf: Wat dit ook precies voor een gevoel is, het is waar ik om gebeden heb. En het is ook waar ik tót gebeden heb.
69
Ik heb mijn woord trouwens gevonden.
Natuurlijk vond ik het als rechtgeaarde boekenwurm in de bibliotheek. Sinds die middag in Rome toen mijn Italiaanse vriend Giulio me had verteld dat het woord van Rome seks was en me had gevraagd wat het mijne was, had ik me steeds afgevraagd wat mijn woord was. Destijds wist ik het antwoord niet, maar ik dacht dat ik mijn woord uiteindelijk wel tegen het lijf zou lopen, en dat ik het zou herkennen als ik het tegenkwam.
Ik kwam het dus tegen in mijn laatste week in de ashram. Ik zat een oude tekst over yoga door te lezen toen ik ineens een aloude beschrijving vond van mensen die op zoek waren naar spiritualiteit. In de betreffende alinea kwam een Sanskritisch woord voor: antevasin. Dat betekent: ‘iemand die op de grens leeft’. Lang geleden was dat een letterlijke benaming. Hij werd gebruikt voor mensen die het drukke centrum van het wereldse leven achter zich hadden gelaten om zich aan de rand van het bos te vestigen, waar de geestelijke leermeesters zich ophielden. De antevasin was geen dorpeling meer – geen gezinshoofd met een traditioneel leven. Maar de transcendentie had hij ook nog niet bereikt; hij was nog niet zo’n wijze die volledig verwezenlijkt diep in de onverkende wouden woonde. De antevasin zweefde er een beetje tussenin. Hij zat op de grens. Hij woonde in het zicht van beide werelden, maar richtte zijn vizier op het onbekende. En hij was een geleerde.
Toen ik die beschrijving van de antevasin las, raakte ik zo opgewonden dat ik het even uitkraaide van herkenning. Daar was het dan, mijn woord! In onze huidige tijd is dat beeld van een onverkend bos natuurlijk symbolisch, en de grens al evenzeer. Maar je kunt er nog steeds leven. Je kunt nog steeds leven op die vage scheidslijn tussen je oude denkbeelden en je nieuwe inzicht, altijd op zoek naar nieuwe kennis. In de figuurlijke zin van het woord is het een grens die zich altijd blijft verplaatsen; ook al maak jij nog zo veel vorderingen in je studie en bewustwordingsproces, dat mysterieuze bos van het onbekende blijft je altijd een paar stappen voor, zodat je dus licht moet reizen om het te kunnen volgen. Je moet beweeglijk blijven, verplaatsbaar, soepel. Ongrijpbaar zelfs. Wat grappig is, want precies de dag daarvoor was mijn vriend de dichter/loodgieter uit Nieuw-Zeeland uit de ashram vertrokken, en op weg naar de uitgang had hij me een vriendschappelijk afscheidsgedichtje over mijn reis toegestopt. Ik herinnerde me deze strofe:
Elizabeth, net tussen de
Italiaanse woorden en dromen van Bali in
Elizabeth, er altijd net tussenin
Soms even ongrijpbaar als een vis...
Ik heb me de afgelopen jaren vaak afgevraagd wat ik nu eigenlijk moet voorstellen. Iemands vrouw? Iemands moeder? Iemands geliefde? Een ongehuwde vrouw? Een Italiaanse? Een veelvraat? Een reizigster? Een kunstenares? Een yogabeoefenaar? Eigenlijk ben ik niets van dat alles, althans niet helemaal. En Gekke Tante Liz ben ik ook niet. Ik ben gewoon een ongrijpbare antevasin – er altijd net tussenin – een leerlinge op de immer veranderlijke grens van het fantastische, angstaanjagende woud van het nieuwe.
70
Ik geloof dat alle godsdiensten ter wereld in wezen een verlangen gemeen hebben om een metafoor te vinden die je in vervoering brengt. Als je verbondenheid met God wilt bereiken, probeer je eigenlijk van het wereldse naar het eeuwige te verhuizen (van het dorp naar het bos, zou je kunnen zeggen, om nog maar even voort te borduren op het thema van de antevasin), en je hebt een soort verheven idee nodig om je daarheen te brengen. Het moet iets groots zijn, die metafoor – heel erg groot en magisch en krachtig, want hij moet je over een hele afstand vervoeren. Het moet de allergrootste boot zijn die je je kunt voorstellen.
Religieuze rituelen komen vaak voort uit mystieke experimenten. Een dappere verkenner gaat op zoek naar een nieuwe weg naar het goddelijke, heeft een transcendente ervaring en komt naar huis als profeet. Hij of zij brengt de gemeenschap verhalen over de hemel en plattegronden waarmee je er kunt komen. Vervolgens herhalen anderen de woorden, rituelen, gebeden of handelingen van deze profeet, om zelf ook aan de overkant te komen. Soms lukt dat – soms brengt dezelfde vertrouwde combinatie van lettergrepen en godsdienstige gebruiken, generatie na generatie herhaald, vele mensen naar de overkant. Soms werkt het echter ook niet. Het is onvermijdelijk dat zelfs de origineelste nieuwe ideeën uiteindelijk dogmatisch worden of niet meer voor iedereen werken.
De Indiërs hier in de buurt hebben een waarschuwende fabel over een grote heilige die in zijn ashram altijd omringd werd door trouwe volgelingen. Elke dag weer zaten de heilige en zijn volgelingen urenlang over God te mediteren. Het enige probleem was dat de heilige een katje had, dat tijdens de meditatie altijd door de tempel liep, miauwde, spon en iedereen lastigviel. Dus beval de heilige, die heel praktisch ingesteld was, dat het katje een paar uur per dag buiten aan een paal gebonden moest worden, alleen tijdens de meditatie, zodat het niemand kon storen. Dat werd een gewoonte – de kat aan de paal vastbinden en dan over God mediteren – maar mettertijd werd de gewoonte een vast godsdienstig ritueel. Niemand mocht mediteren tenzij de kat eerst aan de paal was gebonden. Toen stierf de kat op een dag. Onder de volgelingen van de heilige brak paniek uit. Het was een grote godsdienstige crisis – hoe moesten ze nu mediteren, zo zonder kat? Hoe moesten ze God nu bereiken? In hun hoofd was de kat het middel geworden.
Zorg ervoor, waarschuwt dit verhaal, dat je niet al te zeer geobsedeerd raakt door het herhalen van godsdienstige rituelen gewoon omwille van het ritueel. Juist in deze verdeelde wereld, waar de Taliban en de Christelijke Coalitie hun internationale copyrightoorlog uitvechten over de vraag wie de rechten op het woord ‘God’ bezit en wie de juiste rituelen heeft om die God te bereiken, is het misschien nuttig om te onthouden dat men niet door het aan de paal binden van de kat transcendentie bereikt, maar alleen door het constante verlangen van een zoekend individu om de eeuwige compassie van God te ervaren. Flexibiliteit is van even groot belang voor goddelijkheid als discipline.
Je taak, zo je die accepteert, is dus om te blijven zoeken naar metaforen, rituelen en leraren die je helpen dichter bij God te komen. De heilige yogaboeken zeggen dat God de heilige gebeden en inspanningen van mensen beantwoordt, ongeacht de wijze waarop stervelingen ervoor kiezen hem te dienen – zolang de gebeden maar oprecht zijn. Zoals één regel uit de Upanishaden het uitdrukt: ‘Mensen volgen verschillende paden, recht of krom, al naar gelang hun temperament, afhankelijk van wat zij als het beste of het geschiktste beschouwen – en allen bereiken U, zoals alle rivieren in de oceaan uitkomen.’
Het andere doel van godsdienst is natuurlijk om onze chaotische wereld begrijpelijk te maken en de onverklaarbare dingen te verklaren die we hier op aarde elke dag weer zien gebeuren: onschuldige mensen die lijden, slechte mensen die worden beloond – wat moeten we daarvan denken? De westerse overlevering zegt: ‘Na je dood wordt alles rechtgezet, in de hemel en de hel.’ (Waar alle gerechtigheid natuurlijk wordt uitgedeeld door de God die James Joyce de ‘Hangman God’ [God de Beul] noemde – een vaderlijke figuur die op Zijn strenge Rechterstoel zit en de slechteriken straft en de goede mensen beloont.) In het Oosten daarentegen doen de Upanishaden geen enkele poging om de chaos op aarde nader te verklaren. Ze zijn er niet eens helemaal zeker van dat de aarde überhaupt chaotisch is, maar zeggen dat hij misschien alleen zo op ons overkomt vanwege ons beperkte zicht. Deze teksten beloven geen gerechtigheid of wraak voor iedereen, al zeggen ze wel dat elke handeling consequenties heeft – dus kies je gedrag dienovereenkomstig. Het kan echter even duren voordat je de consequenties ziet. Yoga heeft altijd de lange termijn in het vizier. Verder zeggen de Upanishaden dat de zogenaamde chaos misschien wel juist een goddelijke functie heeft, ook al is die voor jou op dit moment misschien niet zo duidelijk: ‘De goden houden van het cryptische en houden niet van het voor de hand liggende.’ Het beste wat we dus bij wijze van reactie op onze onbegrijpelijke, gevaarlijke wereld kunnen doen is ons best doen om ons innerlijk evenwicht te bewaren – wat er om ons heen ook voor krankzinnigs gebeurt.
Sean, mijn Ierse melkveehouder/yogabeoefenaar, legde het als volgt aan me uit: ‘Stel je voor dat het universum een grote centrifuge is,’ zei hij. ‘Zorg dat je in de buurt van het midden van het ding blijft, precies in het hart van de centrifuge, en niet aan de rand waar alles woest heen en weer wordt geslingerd, en waar je de nodige butsen en deuken kunt oplopen. Het middelpunt van de kalmte – dat is je hart. Daar woont God in jou. Zoek dus niet meer naar antwoorden in de wereld. Blijf gewoon terugkeren naar die kern, dan vind je altijd rust.’
In spiritueel opzicht is dat zo’n beetje het verstandigste wat ik ooit heb gehoord. Voor mij werkt het. En als ik ooit iets vind wat beter werkt, dan zal ik dat gebruiken – dat verzeker ik je.
Ik heb veel vrienden in New York die niet gelovig zijn. Het merendeel, zou ik zeggen. Ze zijn ofwel van de geestelijke tradities van hun jeugd afgevallen, of hebben nooit een god in hun leven gehad. Uiteraard vinden sommigen van hen mijn recente inspanningen om heiligheid te bereiken een beetje eng. Natuurlijk worden er grappen gemaakt. Zoals mijn vriend Bobby ooit grapte terwijl hij probeerde mijn computer te repareren: ‘Geen kwaad woord over je aura, hoor, maar van software downloaden heb je nog altijd geen kaas gegeten.’ Ik ga er maar gewoon in mee. Zelf vind ik het ook allemaal wel grappig. Natuurlijk is het grappig.
Wat ik wel merk is dat sommigen van mijn vrienden naarmate ze ouder worden toch behoefte krijgen om íets te hebben om in te geloven. Die behoefte druist echter tegen allerlei barrières in, waaronder hun intellect en gezonde verstand. Ondanks hun uitstekende hersens leven die mensen echter nog altijd in een wereld die blijft voortdenderen, met de ene woeste, afgrijselijke, compleet onzinnige, plotselinge slingerbeweging na de andere. Net als bij iedereen komen er in het leven van die mensen geweldige en verschrikkelijke ervaringen voor met ofwel leed, ofwel vreugde, en dankzij dat soort mega-ervaringen gaan we over het algemeen verlangen naar een spirituele context waarin we uiting kunnen geven aan onze weeklachten of dankbaarheid, of op zoek kunnen naar begrip. De vraag is: wat moeten we aanbidden, en tot wie moeten we bidden?
Ik heb een goede vriend wiens eerste kind net na de dood van zijn dierbare moeder werd geboren. Na deze samenloop van wonder en verlies had mijn vriend behoefte aan een heilige plaats om naartoe te gaan, of een ritueel om uit te voeren, om wijs te worden uit al die emoties. Mijn vriend was katholiek opgevoed, maar het idee om als volwassene zijn herintrede in de kerk te maken stond hem tegen. (‘Ik geloof er niks meer van,’ zei hij, ‘nu ik eenmaal weet wat ik weet.’) Natuurlijk zou hij het gênant vinden om hindoe of boeddhist te worden, of zoiets geks. Dus wat moest hij nu? Zoals hij zelf tegen me zei: ‘Je kunt niet zomaar de krenten uit een godsdienst plukken en de rest links laten liggen.’
Wat een standpunt is waar ik groot respect voor heb, maar waar ik het ondertussen wel volstrekt oneens mee ben. Volgens mij heb je het volste recht om de krenten eruit te plukken en de rest links te laten liggen als het aankomt op het vervoeren van je geest en vrede vinden bij God. Volgens mij staat het je vrij om, wanneer je behoefte hebt aan vervoering of troost, naar die ene metafoor te zoeken die je over kan dragen naar de andere kant van de wereldse scheidslijn. Daar is niets mis mee. Zo is het altijd gegaan in de geschiedenis van de menselijke zoektocht naar heiligheid. Als de mensheid nooit verder kwam in haar verkenning van het goddelijke, zouden velen van ons nu nog steeds gouden Egyptische beeldjes van katten aanbidden. En bij die evolutie van het religieuze gedachtegoed komt aardig wat krenten plukken kijken. Je neemt over wat werkt (waar je dat ook vandaan haalt) en begeeft je in de richting van het licht.
De Hopi-indianen dachten dat alle religies ter wereld één spirituele draad bevatten, en dat al die draden voortdurend naar elkaar op zoek zijn, omdat ze graag één willen worden. Als al die draden eindelijk bijeengeweven zijn, zullen ze samen een touw vormen dat ons uit deze duistere cyclus van de geschiedenis zal trekken en naar het volgende rijk zal brengen. Iets recentelijker heeft de Dalai Lama uiting gegeven aan hetzelfde idee; hij verzekert zijn westerse leerlingen regelmatig dat ze echt geen Tibetaanse boeddhisten hoeven te worden om leerlingen van hem te zijn. Van hem mogen ze alle ideeën die hun aan het Tibetaanse boeddhisme bevallen overnemen en die met hun eigen godsdienstige rituelen samenvoegen. Zelfs op de meest onwaarschijnlijke, conservatieve plaatsen kom je soms een zwak schijnsel tegen van het idee dat God weleens groter zou kunnen zijn dan onze beperkte godsdienstige dogma’s ons hebben doen geloven. In 1954 stuurde uitgerekend paus Pius xi een aantal afgevaardigden van het Vaticaan op reis naar Libië met de volgende schriftelijke instructies: ‘Denk vooral niet dat je je onder de heidenen begeeft. Ook moslims bereiken de verlossing. De wegen der Voorzienigheid zijn oneindig.’
Maar is dat eigenlijk niet logisch? Dat het oneindige inderdaad... oneindig is? Dat zelfs de allerheiligsten onder ons nooit méér dan losse stukjes van het eeuwige plaatje kunnen overzien? En dat er, als we al die stukjes zouden verzamelen en vergelijken, misschien een verhaal over God uit zou komen dat iets van iedereen heeft en dat iedereen omvat? En maakt ons individuele verlangen naar transcendentie eigenlijk niet gewoon deel uit van deze grotere menselijke zoektocht naar God? Hebben we niet allemaal het recht om pas op te houden met zoeken wanneer we zo dicht mogelijk bij de bron van verwondering en ontzag zijn gekomen? Zelfs als dat inhoudt dat we een tijdje naar India moeten en bomen moeten zoenen in het maanlicht?
Met andere woorden: That’s me in the corner. That’s me in the spotlight. Choosing my religion.
71
Mijn vlucht vertrekt om vier uur ’s ochtends uit India, wat typerend is voor hoe het er hier in India aan toe gaat. Ik besluit die nacht niet naar bed te gaan, maar in plaats daarvan de hele avond in een van de meditatiegrotten te bidden. Van nature ben ik geen avondmens, maar iets in me wil deze laatste uren in de ashram wakker blijven. Er zijn veel dingen in mijn leven waar ik de hele nacht voor opgebleven ben – vrijen, ruziën, lange afstanden rijden, dansen, huilen, me zorgen maken (en soms zelfs al die dingen in één nacht) – maar ik heb nog nooit eerder mijn slaap opgeofferd voor een nacht alleen maar bidden. Waarom niet nu?
Ik pak mijn tas in en zet hem bij de ingang van de tempel, zodat hij straks voor me klaarstaat wanneer mijn taxi voor dag en dauw arriveert. En daarna loop ik de heuvel op, ga de meditatiegrot in en ga zitten. Ik ben hier alleen, maar ik zit op een plaats vanwaar ik uitzicht heb op de grote foto van Swamiji – de leermeester van mijn goeroe, de stichter van deze ashram, de allang ter ziele gegane leeuw die op de een of andere manier nog steeds aanwezig is. Ik doe mijn ogen dicht en laat de mantra komen. Ik klauter die ladder af naar beneden, tot in mijn eigen middelpunt van stilte. Als ik daar aankom, voel ik dat de wereld stilstaat, precies zoals ik altijd wilde dat hij stilstond toen ik negen was en bang was voor het genadeloze verstrijken van de tijd. In mijn hart staat de klok stil en vliegen de blaadjes van de scheurkalender niet meer van de muur. Ik zit me in stilte te verbazen over alles wat ik begrijp. Ik zit niet actief te bidden. Ik ben een gebed gewórden.
Ik kan hier de hele nacht zo blijven zitten.
En dat doe ik ook.
Ik weet niet waardoor ik precies word gewaarschuwd wanneer het tijd is om naar mijn taxi toe te gaan, maar na ettelijke uren stilte word ik zachtjes door iets aangestoten, en als ik op mijn horloge kijk, blijkt het precies tijd te zijn om te gaan. Het is tijd om naar Indonesië te vliegen. Wat grappig, wat vreemd. Dus sta ik op en maak een buiging voor de foto van Swamiji – de bazige, de wonderbaarlijke, de licht ontvlambare. En dan stop ik een vel papier onder het tapijt, recht onder zijn beeltenis. Op het blad staan de twee gedichten die ik tijdens mijn vier maanden in India heb geschreven. Het zijn de eerste echte gedichten die ik ooit heb geschreven. Een loodgieter uit Nieuw-Zeeland moedigde me aan om gewoon voor één keer iets poëtisch te proberen, vandaar. Een van die gedichten schreef ik toen ik hier net een maand was. Het andere heb ik vanochtend nog geschreven.
Tussen de twee gedichten in heb ik immense hoeveelheden genade gevonden.
72
Twee gedichten uit een ashram in India.
een
Al dat gedoe over nectar en zaligheid begint me de keel uit
te hangen.
Ik weet niet hoe het jou vergaat, mijn vriend,
Maar mijn weg naar God is geen zoete vleug wierook.
Het is een kat, losgelaten tussen de duiven,
En ik ben de kat – maar ook degenen die hels krijsen als ze
worden gepakt.
Mijn weg naar God is een arbeidersopstand,
Geen vrede totdat de vakbond een feit is.
Hun wachtposten zijn zo afschrikwekkend
Dat de marechaussee het liefst een blokje omloopt.
Mijn weg werd vóór mij bewusteloos gemept
Door een bruin mannetje dat ik nooit mocht ontmoeten,
Dat in heel India achter God aan ging, tot aan zijn schenen
in het vuil,
Op blote voeten, uitgehongerd, met malaria in zijn bloed,
Slapend in deuropeningen en onder bruggen – een hobo.
(Wat staat voor ‘homeward bound’ – wist je dat?)
En nu zit hij achter mij aan en zegt: ‘Snap je het al, Liz? Wat ‘homeward’ betekent? Wat ‘bound’ echt inhoudt?’*
* Noot van de vertaler: Hobo is een Amerikaans woord voor ‘zwerver’/‘landloper’. Homeward bound betekent ‘op weg naar huis’ of ‘gereed voor de thuisreis’. Homeward betekent ‘naar huis’; bound betekent behalve ‘op weg’ ook ‘gebonden’ en een paar andere dingen.
twee
Maar toch.
Als ze me broeken lieten dragen gemaakt van
Het pasgemaaide gras van deze plek,
Dan zou ik het doen.
Als ze me lieten zoenen
Met elke eucalyptusboom in het bosje van Ganesh,
Ik zweer je, ik zou het doen.
De laatste tijd heb ik dauwdruppels gezweet,
Het vat van binnenuit schoongemaakt,
En mijn kin langs boombast gewreven
Die ik aanzag voor het been van mijn baasje.
Het lukt me niet om helemaal binnen te komen.
Als ze me de aarde van deze plek lieten eten
Opgediend op een bedje vogelnesten,
Dan zou ik maar de helft van mijn bord leegeten,
En de hele nacht slapen op de rest.
Boek drie
Indonesië
oftewel
‘Zelfs in mijn onderbroek voel ik me anders’
oftewel
Zesendertig verhaaltjes over de zoektocht naar balans
73
Ik heb nog nooit zo planloos in het leven gestaan als bij mijn aankomst op Bali. In alle jaren dat ik nu al luchthartig op reis ga, ben ik nog nooit ergens zo luchthartig aangekomen als hier. Ik weet niet waar ik ga wonen, ik weet niet wat ik van plan ben, ik weet niet wat de wisselkoers is, ik weet niet hoe ik op het vliegveld aan een taxi moet komen, en zelfs niet eens waar ik de taxichauffeur moet vragen me heen te brengen. Ik word door niemand verwacht. Ik heb geen vrienden in Indonesië, zelfs geen vrienden van vrienden. En wat ook lastig is als je op reis gaat met een verlopen reisgids en die vervolgens niet eens leest: ik had me niet gerealiseerd dat ik niet eens vier maanden in Indonesië mág blijven, ook al wil ik dat nog zo graag. Daar kom ik pas bij de paspoortcontrole achter. Ik blijk alleen in aanmerking te komen voor een toeristenvisum van een maand. Het was nooit bij me opgekomen dat de Indonesische regering misschien niet zat te springen om me net zo lang onderdak te bieden in haar land als het mij uitkwam.
Terwijl de vriendelijke douanebeambte een stempel in mijn paspoort zet dat me toestemming verleent om dertig dagen en geen dag langer op Bali te blijven, vraag ik hem op mijn allervriendelijkst of ik alsjeblieft wat langer mag blijven.
‘Nee,’ zegt hij op zijn allervriendelijkst. De Balinezen staan bekend om hun vriendelijkheid.
‘Het is namelijk de bedoeling dat ik hier een maand of drie, vier blijf,’ zeg ik tegen hem.
Ik zeg er maar niet bij dat dat een voorspelling is – dat een oude, misschien wel demente Balinese medicijnman me twee jaar geleden tijdens een handleessessie van tien minuten heeft voorspeld dat ik hier drie à vier maanden zal blijven. Ik weet niet precies hoe ik dat moet uitleggen.
Maar wat zei die medicijnman nu eigenlijk tegen me, nu ik er eens over nadenk? Zei hij echt dat ik terug zou komen naar Bali en dan drie of vier maanden bij hem thuis zou logeren? Zei hij echt ‘bij mij logeren’? Of wilde hij gewoon dat ik nog eens langskwam als ik weer eens in de buurt was, zodat ik hem nog eens tien dollar kon geven om mijn hand te lezen? Zei hij dat ik terug zóu komen of dat ik terug móest komen? Zei hij echt: ‘See you later, alligator’? Of was het: ‘In a while, crocodile’?
Sinds die avond heb ik geen contact meer gehad met de medicijnman. Ik zou niet eens weten hoe ik contact met hem moest opnemen. Hoe zou zijn adres luiden? ‘Medicijnman, op zijn veranda, Bali, Indonesië’? Ik weet niet eens of hij nog leeft. Ik herinner me dat hij er twee jaar geleden bij die eerste ontmoeting verschrikkelijk oud uitzag; sinds die tijd kan er van alles met hem gebeurd zijn. Het enige wat ik heb is zijn naam – Ketut Liyer – en de herinnering dat hij in een dorpje net buiten het stadje Ubud woont. Maar de naam van het dorp wil me niet meer te binnen schieten.
Misschien had ik hier ietsje langer over moeten nadenken.
74
Nu is Bali echter een betrekkelijk eenvoudige plek om de weg in te vinden. Het is niet alsof ik midden in Soedan ben geland zonder enig benul hoe het nu verder moet. We hebben het hier over een eiland dat ongeveer even klein is als Delaware, en daarbij is het een grote toeristentrekpleister. Heel Bali is erop ingesteld om het jou, de westerling met de creditcards, gemakkelijk te maken. Veel mensen spreken hier Engels, en doen dat met plezier. (Wat een hele opluchting voor me is, al voel ik me daar wel schuldig over. Mijn hersencellen zijn zo overvoerd door mijn pogingen van de afgelopen maanden om modern Italiaans en klassiek Sanskriet te leren dat ik het idee om Indonesisch te leren, of nog moeilijker, Balinees – een taal die zo ingewikkeld is dat hij net zo goed buitenaards had kunnen zijn – gewoon niet aankan.) Eigenlijk is het leven hier doodsimpel. Geld wisselen doe je op het vliegveld, en vervolgens stap je in bij een vriendelijke taxichauffeur die best een leuk hotel voor je weet – zo lastig is dat allemaal niet. En aangezien het toerisme hier sinds de terroristische bomaanslagen van twee jaar geleden (die een paar weken na mijn eerste bezoek aan Bali plaatsvonden) helemaal is ingestort, gaat alles nu nog veel gemakkelijker; iedereen wil je maar wat graag helpen, want iedereen is wanhopig op zoek naar werk.
Ik neem dus een taxi naar het stadje Ubud, dat me een goede plek lijkt om mijn reis te beginnen. Ik neem mijn intrek in een mooi hotelletje aan een weg die luistert naar de schitterende naam ‘Apenbosweg’. Het hotel heeft een zwembad en een tuin vol tropische bloemen met bloesems die nog groter zijn dan volleyballen (bediend door een uiterst efficiënt team van kolibries en vlinders). Het personeel is Balinees, wat inhoudt dat ze je zodra je binnenkomt automatisch beginnen te adoreren en je complimentjes over je schoonheid beginnen te geven. De kamer kijkt uit op tropische boomtoppen en er is een ontbijt met stapels vers fruit bij de prijs inbegrepen. Kortom, het is een van de leukste hotels waar ik ooit ben geweest en het kost me nog geen tien dollar per dag. Het is fijn om weer terug te zijn.
Ubud ligt in het hart van Bali, in de bergen, omringd door trapsgewijs op berghellingen aangelegde rijstvelden en ontelbare hindoeïstische tempels, met snelle rivieren die door diepe jungleravijnen stromen en vulkanen aan de horizon. Sinds jaar en dag wordt Ubud beschouwd als het culturele hart van het eiland, de plaats waar de traditionele Balinese schilderkunst, dans, houtsnijkunst en religieuze ceremoniën nog altijd goed gedijen. Het ligt niet in de buurt van het strand, en dus zijn de toeristen die naar Ubud komen van het onafhankelijke, tamelijk culturele soort; ze zien liever een oude tempelceremonie dan dat ze in de branding pina colada’s drinken. Hoe de voorspelling van de medicijnman ook uitpakt, dit zou best eens een leuk stadje kunnen zijn om een tijdje door te brengen. Het heeft iets van een kleine Stille-Zuidzeeversie van Santa Fe, alleen dan met loslopende apen en overal Balinese gezinnen in traditionele klederdracht. Er zijn goede restaurants en leuke boekwinkeltjes. Ik zou best al mijn tijd in Ubud kunnen doorbrengen met doen wat hele volksstammen gescheiden vrouwen al sinds de oprichting van de volksuniversiteit doen, namelijk me opgeven voor de ene cursus na de andere: batikken, slagwerk spelen, sieraden maken, pottenbakken, traditioneel Indonesisch dansen en koken... Pal tegenover mijn hotel bevindt zich zelfs iets wat ‘De meditatiewinkel’ heet, een klein winkeltje met een bord waarop open meditatiesessies worden aangekondigd, elke avond van zes tot zeven. moge de vrede zegevieren op aarde, staat er op het bordje. Ben ik helemaal voor.
Tegen de tijd dat ik mijn tassen heb uitgepakt is het nog steeds vroeg op de middag, dus besluit ik te gaan wandelen en me opnieuw te oriënteren op dit stadje dat ik twee jaar geleden voor het laatst heb bezocht. Daarna zal ik een poging wagen om erachter te komen hoe ik mijn medicijnman moet zien te vinden. Ik stel me zo voor dat dat weleens lastig zou kunnen worden, dat het weleens dagen of zelfs weken zou kunnen duren. Ik weet niet precies waar ik moet beginnen met zoeken, dus op weg naar buiten stop ik bij de receptie en vraag ik aan Mario of hij me kan helpen.
Mario is een van de jongens die in het hotel werken. We zijn al bevriend vanaf het moment dat ik incheckte, vooral vanwege zijn naam. Nog niet zo heel lang geleden was ik op reis door een land waar veel mannen Mario heetten, maar geen van hen was een klein, gespierd, energiek Balinees mannetje met een zijden sarong aan en een bloem achter zijn oor. Dus moest ik wel vragen: ‘Heet je echt Mario? Dat klinkt niet erg Indonesisch.’
‘Niet mijn echte naam,’ zei hij. ‘Eigenlijk heet ik Nyoman.’
Ja, dat had ik kunnen weten. Ik had kunnen weten dat ik een kans van één op vier had om Mario’s echte naam te raden. Als ik even mag uitweiden: op Bali zijn er eigenlijk maar vier namen die mensen aan hun kinderen kunnen geven, of de baby nu een jongetje is of een meisje. Die namen zijn Wayan, Made, Nyoman en Ketut. Vertaald betekenen ze gewoon Eerste, Tweede, Derde en Vierde, en ze geven de volgorde aan waarin de kinderen geboren zijn. Als je een vijfde kind krijgt, begin je gewoon opnieuw met de namencyclus, zodat het vijfde kind dus eigenlijk bekendstaat als ‘Wayan kwadraat’ of zoiets. Enzovoort. Als je een tweeling krijgt, heten ze naar de volgorde waarin ze zijn geboren. Aangezien er in feite maar vier namen op Bali zijn (de elite van de hogere kasten heeft zijn eigen setje namen), is het heel goed mogelijk (en zelfs tamelijk normaal) dat er twee Wayans met elkaar trouwen. Ook hun eerstgeborene heet dan natuurlijk Wayan.
Dit geeft wel enigszins aan hoe belangrijk het gezin op Bali is, en hoe belangrijk iemands plaats binnen dat gezin is. Je zou misschien denken dat het systeem voor de nodige verwarring zorgt, maar op de een of andere manier hebben de Balinezen er geen moeite mee. Begrijpelijkerwijs zijn bijnamen populair en hard nodig. Zo is een van de meest succesvolle zakenvrouwen van Ubud een dame die Wayan heet. Ze heeft een druk restaurant dat Café Wayan heet, en dus staat ze bekend als ‘Wayan Café’, oftewel ‘de Wayan van Café Wayan’. Anderen staan misschien wel bekend als ‘Dikke Made’, ‘Nyoman Huurauto’ of ‘die stomme Ketut die het huis van zijn oom heeft laten afbranden’. Mijn nieuwe Balinese vriend Mario heeft het probleem gewoon omzeild door zichzelf Mario te noemen.
‘Waarom Mario?’
‘Omdat ik iets met Italië heb,’ zei hij.
Toen ik tegen hem zei dat ik net vier maanden in Italië was geweest, vond hij dat zo verbijsterend geweldig dat hij achter zijn balie vandaan kwam en zei: ‘Kom, zitten, praten.’ Ik kwam, ik ging zitten, we praatten. En zo begon onze vriendschap.
Vanmiddag besluit ik dus om aan mijn zoektocht naar mijn medicijnman te beginnen door mijn nieuwe vriend Mario te vragen of hij toevallig een zekere Ketut Liyer kent.
Mario fronst zijn wenkbrauwen en denkt na.
Ik verwacht half dat hij iets zegt in de trant van: ‘Ja natuurlijk, Ketut Liyer! Oude medicijnman, vorige week overleden – zo tragisch wanneer oude, wijze medicijnman doodgaat...’
Mario vraagt me de naam nog eens te herhalen, en deze keer schrijf ik hem op; ik zal wel iets verkeerd uitspreken. En inderdaad, nu licht Mario’s gezicht op van herkenning. ‘Ketut Liyer!’
Nu verwacht ik dat hij iets gaat zeggen in de trant van: ‘Ja natuurlijk, Ketut Liyer! Gestoorde kerel! Vorige week gearresteerd, want gekke man...’
Maar in plaats daarvan zegt hij: ‘Ketut Liyer is beroemde genezer.’
‘Ja! Dat is hem!’
‘Ik ken hem. Ik ga naar zijn huis. Vorige week neem ik mijn nichtje, zij heeft middel nodig voor haar baby, baby hele nacht huilen. Ketut Liyer maakt het beter. Eén keer neem ik Amerikaans meisje zoals jij mee naar huis van Ketut Liyer. Meisje wil toverkunst om mooier te worden voor mannen. Ketut Liyer tekenen magische tekening, voor haar te helpen mooier te worden. Ik plaag haar daarna. Ik zeg elke dag tegen haar: “Tekening werkt! Kijk hoe mooi jij bent! Tekening werkt!”’
Ik denk aan de afbeelding die Ketut Liyer een paar jaar geleden voor me heeft getekend, en vertel aan Mario dat ik zelf ook ooit een magische tekening van de medicijnman heb gekregen.
Mario lacht. ‘Tekening werkt ook voor jou!’
‘Mijn plaatje was om me te helpen God te vinden,’ leg ik uit.
‘Wil jij dan niet mooier worden voor mannen?’ vraagt hij, begrijpelijkerwijs verward.
Ik zeg: ‘Zeg, Mario, denk je dat je mij een keertje naar Ketut Liyer kunt brengen? Als je het niet al te druk hebt?’
‘Niet nu,’ zegt hij.
Net als ik me teleurgesteld begin te voelen, voegt hij eraan toe: ‘Maar misschien over vijf minuten?’
75
En zo komt het dat ik – nog dezelfde middag dat ik op Bali ben aangekomen – ineens achter op een motor zit, met mijn armen om het middel van mijn nieuwe vriend Mario de Italiaanse Indonesiër, die met mij achterop door de rijstvelden naar het huis van Ketut Liyer scheurt. Ik mag in gedachten al twee jaar met deze reünie met de medicijnman bezig zijn, in feite heb ik geen idee wat ik straks tegen hem ga zeggen wanneer ik bij hem voor de deur sta. En natuurlijk hebben we geen afspraak. We komen dus onaangekondigd binnenvallen. Ik herken het bordje voor zijn deur, hetzelfde als de vorige keer, waarop staat: ketut liyer, schilder. Het is een typische, traditionele Balinese familie-eenheid: een groepje huizen omheind door een hoge stenen muur, met in het midden een binnenhof en achterin een tempel. Binnen deze muren leven verscheidene generaties mensen naast elkaar in diverse onderling verbonden huisjes. We lopen zonder te kloppen naar binnen (er is ook geen deur), tot luidruchtig ongenoegen van een paar typisch Balinese waakhonden (broodmager, boos), en daar zit hij dan in het hofje: Ketut Liyer, de oude medicijnman, gekleed in zijn sarong en zijn poloshirt. Hij ziet er nog precies hetzelfde uit als twee jaar geleden, toen ik hem voor het eerst ontmoette. Mario zegt iets tegen Ketut, en ik mag dan niet bepaald vloeiend Balinees spreken, maar het klinkt als een algemene introductie, iets in de trant van: ‘Hier is een meisje uit Amerika – ga ervoor.’
Ketut richt zijn bijna geheel tandeloze glimlach op me met de kracht van een barmhartige brandslang, wat erg geruststellend is. Mijn geheugen heeft me niet in de steek gelaten – hij is echt heel bijzonder. Zijn gezicht is een alomvattende encyclopedie van vriendelijkheid. Hij schudt me opgewonden en stevig de hand.
‘Aangenaam,’ zegt hij. ‘Heel leuk je te ontmoeten.’
Hij heeft geen idee wie ik ben.
‘Kom, kom,’ zegt hij, en hij neemt me mee naar de veranda van zijn huisje, waar geweven bamboematten dienstdoen als meubilair. Het ziet er nog precies zo uit als twee jaar geleden. We gaan allebei zitten. Zonder enige aarzeling neemt hij mijn hand in de zijne; hij gaat ervan uit dat ik net als het merendeel van zijn westerse bezoekers hier ben voor een toekomstvoorspelling. Hij leest snel mijn hand, en tot mijn geruststelling is wat hij zegt een ingekorte versie van dat wat hij de vorige keer tegen me zei. (Hij mag zich mijn gezicht dan niet kunnen herinneren, maar mijn lotsbestemming is voor zijn getrainde oog onveranderd.) Zijn Engels is beter dan ik me herinnerde, en ook beter dan dat van Mario. Ketut spreekt net als de wijze, oude Chinezen in klassieke kungfufilms, een soort Engels dat je ‘Sprinkhaantjes’ zou kunnen noemen omdat je midden in elke zin het koosnaampje ‘Sprinkhaantje’ kunt laten vallen en het heel wijs klinkt. ‘Aha, jij heel goede toekomst tegemoet gaan, Sprinkhaantje...’
Ik wacht tot er een stilte in de voorspellingen van Ketut valt en val hem dan in de rede om hem eraan te herinneren dat ik twee jaar geleden al eens bij hem ben geweest.
Hij ziet er verbaasd uit. ‘Niet eerste keer op Bali?’
‘Nee.’
Hij denkt na. ‘Jij meisje uit Californië?’
‘Nee,’ zeg ik, nog erger terneergeslagen. ‘Ik ben het meisje uit New York.’
Ketut zegt tegen me (ik weet niet zeker wat dit ermee te maken heeft, maar goed): ‘Ik ben nu niet meer zo knap, veel tanden kwijtgeraakt. Misschien ga ik ooit wel naar tandarts, voor nieuwe tanden. Maar te bang voor tandarts.’
Hij doet zijn ontboste mond open en laat me de schade zien. Inderdaad, aan de linkerkant van zijn mond is hij het merendeel van zijn tanden en kiezen kwijt, en aan de rechterkant zitten alleen maar gebroken, pijnlijk ogende gele stronkjes. Hij is gevallen, vertelt hij. Zo is hij zijn tanden kwijtgeraakt.
Ik zeg dat dat me erg spijt, en dan probeer ik het nog eens. Langzaam zeg ik: ‘Ik geloof niet dat je je mij nog kunt herinneren, Ketut. Ik ben hier twee jaar geleden geweest met een Amerikaanse yogalerares die jarenlang op Bali heeft gewoond.’
Hij glimlacht opgetogen. ‘Ann Barros, die ken ik!’
‘Inderdaad, Ann Barros. Zo heet de yogalerares. Maar ik ben Liz. Ik was hier om u om hulp te vragen omdat ik graag dichter bij God wilde komen. U hebt een magische tekening voor me gemaakt.’
Hij haalt gemoedelijk zijn schouders op; het boeit hem allemaal niets. ‘Kan ik me niet herinneren,’ zegt hij.
Dit is zulk slecht nieuws dat het bijna komisch is. Wat moet ik nu op Bali? Ik weet niet wat ik me precies had voorgesteld van mijn hernieuwde kennismaking met Ketut, maar ik hoopte wel dat er sprake zou zijn van een soort superkarmische, betraande reünie. En hoewel ik zeker bang ben geweest dat hij weleens dood zou kunnen zijn, heb ik er geen moment bij stilgestaan dat hij zich mij weleens niet zou kunnen herinneren, als hij nog leefde. Al lijkt het nu gigantisch stom dat ik me ooit heb verbeeld dat onze eerste ontmoeting voor hem even memorabel was als voor mij. Misschien had ik dit echt iets beter moeten plannen.
Ik beschrijf dus de tekening die hij voor me heeft gemaakt, de figuur met de vier benen (‘dus gegrond op aarde’), het ontbrekende hoofd (‘niet naar de wereld kijken door het hoofd’) en het gezicht in het hart (‘naar de wereld kijken door het hart’) en hij hoort me beleefd aan, niet bovenmatig geïnteresseerd, alsof we het over het leven van heel iemand anders hebben.
Ik vind het verschrikkelijk om te doen, want ik wil hem niet voor het blok zetten, maar het moet gezegd worden, dus leg ik het gewoon op tafel. Ik zeg: ‘Je zei tegen me dat ik moest terugkomen naar Bali. Je zei dat ik drie à vier maanden hier moest blijven. Je zei dat ik jou kon helpen met je Engels, en dat je mij zou leren wat jij weet.’ Ik ben niet blij met de manier waarop het eruit komt; het klinkt nogal wanhopig. Ik zeg er maar niet bij dat hij me ooit heeft uitgenodigd om bij hem en zijn familie te komen wonen. Dat zou wel heel erg ongepast zijn, gezien de omstandigheden.
Hij luistert beleefd naar me en schudt glimlachend zijn hoofd. Het heeft iets van: Mensen zeggen ook de raarste dingen, hè?
Op dat punt aangekomen geef ik het bijna op. Maar ik ben van zo ver gekomen, ik moet gewoon nog een laatste poging wagen. Ik zeg: ‘Ik ben de schrijfster, Ketut. Ik ben de romanschrijfster uit New York.’
En om de een of andere reden geeft dat de doorslag. Ineens straalt zijn gezicht van vreugde; het wordt vrolijk, puur en doorschijnend. In zijn hoofd begint er een sterretjesvuurwerk van herkenning te branden. ‘jij!’ zegt hij. ‘jij! Jou herinner ik me nog!’ Hij buigt naar voren, pakt me bij mijn schouders en begint me blij heen en weer te schudden, zoals een kind een nog niet uitgepakt kerstcadeautje heen en weer rammelt om te raden wat erin zit. ‘Je bent terug! Je bent terug!’
‘Ik ben terug! Ik ben terug!’ zeg ik.
‘Jij, jij, jij!’
‘Ik, ik, ik!’
Ik moet bijna huilen nu, maar probeer het niet te laten merken. Ik ben zo verschrikkelijk opgelucht – ik kan het bijna niet uitleggen. Ik sta er zelf versteld van. Het voelt alsof... het voelt alsof ik net een auto-ongeluk heb gehad, met mijn auto van een brug ben gestort en naar de bodem van een rivier ben gezonken, en alsof ik mezelf op de een of andere manier uit de zinkende auto heb bevrijd door uit een open raampje te zwemmen en daarna met veel moeite en watertrappelen naar boven ben gezwommen, naar het daglicht, door het koude, groene water, en ik zat bijna zonder zuurstof en de aderen barstten uit mijn nek en mijn wangen stonden bol van mijn laatste ademtocht en toen – aaaaaah! – kwam ik boven water en snakte ik naar adem. Ik had het overleefd. Die aaaaaah, dat boven water komen – zo voel ik me wanneer ik de Indonesische medicijnman hoor zeggen: ‘Je bent terug!’ Zo immens is mijn opluchting.
Niet te geloven dat het werkte.
‘Ja, ik ben terug,’ zeg ik. ‘Natuurlijk ben ik terug.’
‘Ik ben zo blij!’ zegt hij. We houden elkaars hand vast en nu is hij enorm uitgelaten. ‘Eerst kan ik me jou niet herinneren! Zo lang geleden onze ontmoeting! Je ziet er nu heel anders uit! Zo anders dan twee jaar geleden! Vorige keer, jij ziet eruit als heel bedroefde vrouw. Nu zo gelukkig! Heel ander mens!’
Het idee alleen al – het idee dat iemand binnen twee jaar zo’n transformatie kan ondergaan – lijkt hem een kleine giechelbui te ontlokken.
Ik doe niet langer mijn best om mijn tranen binnen te houden, maar gun ze gewoon de vrije loop. ‘Ja, Ketut. Ik was heel erg verdrietig. Maar nu gaat het een stuk beter.’
‘Vorige keer jij midden in slechte scheiding. Niet goed.’
‘Niet goed,’ bevestig ik.
‘Vorige keer jij hebt te veel zorgen, te veel verdriet. Vorige keer jij ziet eruit als ongelukkige oude vrouw. Nu jij ziet eruit als jong meisje. Vorige keer jij lelijk! Nu jij mooi!’
Mario begint extatisch te applaudisseren en verklaart triomfantelijk: ‘Zie je wel? Tekening werkt!’
Ik zeg: ‘Wil je nog steeds dat ik je met je Engels help, Ketut?’
Hij zegt dat ik wat hem betreft meteen mag beginnen en springt soepel overeind, als een kabouter. Hij rent zijn huisje in en komt terug met een stapel brieven die hij de afgelopen jaren uit het buitenland heeft ontvangen (dus hij heeft wel degelijk een adres!). Hij vraagt me de brieven hardop aan hem voor te lezen; hij verstaat namelijk wel goed Engels, maar heeft moeite met lezen. Ik ben nu al zijn secretaresse. Ik ben de secretaresse van een medicijnman. Geweldig! De brieven zijn afkomstig van buitenlandse kunstverzamelaars, van mensen die op de een of andere manier zijn beroemde magische tekeningen en magische schilderijen hebben bemachtigd. Een van de brieven is afkomstig van een verzamelaar uit Australië die Ketut prijst vanwege zijn schildervaardigheden en zegt: ‘Hoe doet u dat toch, met zo veel oog voor detail schilderen?’ Ketut antwoordt aan mij, alsof hij iets dicteert: ‘Omdat ik veel, veel jaren oefen.’
Als we door de brieven heen zijn, vertelt hij me wat er de afgelopen jaren allemaal in zijn leven is gebeurd. Er is wel het een en ander veranderd. Zo heeft hij nu bijvoorbeeld een echtgenote. Hij wijst naar de andere kant van het hofje, naar een gezette vrouw die al een tijdje vanuit de schaduw van haar keukendeur naar me staat te kijken alsof ze niet zeker weet of ze me neer moet schieten of me eerst moet vergiftigen en me dán moet neerschieten. Bij mijn vorige bezoek had Ketut me verdrietig foto’s laten zien van zijn vrouw, die net was overleden – een mooie, oude Balinese vrouw die er zelfs op haar gevorderde leeftijd nog vrolijk en kinderlijk uitzag. Ik zwaai naar de overkant van het hofje, naar de nieuwe vrouw van Ketut, die achteruit haar keuken in schuifelt.
‘Goede vrouw,’ verkondigt Ketut in de richting van de keukenschaduwen. ‘Heel goede vrouw.’
Vervolgens zegt hij dat hij het heel druk heeft gehad met zijn Balinese patiënten, altijd veel te doen, en dat hij veel magie voor pasgeboren baby’s moet geven, en ceremoniën voor dode mensen, genezing voor zieke mensen en ceremoniën voor huwelijken. De volgende keer dat hij naar een Balinese bruiloft gaat, zegt hij, ‘gaan we samen! Ik neem je mee!’ Helaas krijgt hij de laatste tijd niet zo veel westerse bezoekers meer. Sinds de terroristische bomaanslag komt er niemand meer naar Bali. Daardoor voelt hij zich ‘heel verwarrend in mijn hoofd’. Daardoor voelt hij zich ook ‘heel leeg in mijn bank’. Hij zegt: ‘Jij komt nu elke dag naar mijn huis voor met mij Engels oefenen?’ Ik knik verheugd, waarop hij zegt: ‘Ik zal jou Balinees mediteren leren, oké?’
‘Oké,’ zeg ik.
‘Ik denk drie maanden genoeg tijd om jou Balinese meditatie te leren, op die manier God vinden voor jou,’ zegt hij. ‘Misschien vier maanden. Vind jij Bali leuk?’
‘Ik vind Bali geweldig.’
‘Ben je op Bali getrouwd?’
‘Nog niet.’
‘Ik denk misschien gauw. Kom je morgen terug?’
Dat beloof ik. Hij zegt niets over intrekken bij zijn familie, dus breng ik het zelf ook maar niet ter sprake. Ik werp nog een laatste heimelijke blik op de enge echtgenote in de keuken. Misschien blijf ik toch maar liever in mijn leuke hotelletje. Dat is sowieso comfortabeler. Stromend water en zo. Al zal ik wel een fiets nodig hebben om elke dag hierheen te komen...
Maar nu is het dus tijd om te gaan.
‘Aangenaam. Heel leuk je te ontmoeten,’ zegt hij terwijl hij me de hand schudt.
Ik bied hem zijn eerste Engelse les aan. Ik leer hem het verschil tussen ‘Aangenaam, leuk je te ontmoeten’ en ‘Leuk je weer te zien’. Ik leg uit dat we alleen ‘Aangenaam, heel leuk je te ontmoeten’ zeggen wanneer we iemand voor het eerst ontmoeten. Daarna zeggen we altijd: ‘Leuk je te zien’. Want je leert iemand maar één keer kennen. Maar nu zullen we elkaar regelmatig zien, elke dag weer.
Dat vindt hij leuk. Hij schiet een oefensalvo af: ‘Leuk je te zien! Ik vind het fijn je te zien! Ik kan je zien! Ik ben niet doof!’
Daar moeten we allemaal om lachen, zelfs Mario. We schudden elkaar de hand en spreken af dat ik morgenmiddag weer langskom. Tot dan, zegt hij. ‘See you later, alligator.’
‘In a while, crocodile,’ zeg ik.
‘Laat je geweten je leidraad zijn. Als je westerse vriend hebt die naar Bali komt, stuur hem dan naar mij voor handlezen – ik ben heel leeg in mijn bank nu sinds bom. Ik ben autodidact. Ik vind het heel leuk jou te zien, Liss!’
‘Ik vind het ook heel leuk om jou weer te zien, Ketut.’
76
Bali is een klein hindoeïstisch eilandje in het hart van de ruim drieduizend kilometer lange Indonesische archipel die het dichtstbevolkte islamitische land ter wereld vormt. Bali is dus een vreemde en wonderbaarlijke eend in de bijt; eigenlijk zou het niet moeten bestaan, maar het bestaat wel degelijk. Het hindoeïsme van het eiland werd via Java uit India geëxporteerd. In de vierde eeuw na Christus namen Indiase handelaars de godsdienst mee naar het oosten. De Javaanse koningen stichtten een machtige hindoeïstische dynastie, waarvan tegenwoordig weinig meer over is. In de zestiende eeuw woedde er een gewelddadige islamitische opstand in de regio en vluchtte de Shiva-aanbiddende hindoeïstische elite massaal van Java naar Bali, een reis die nu bekendstaat als de Majapahit-exodus. De aristocratische Javanen, die tot een hoge kaste behoorden, namen alleen hun koninklijke families, ambachtslieden en priesters mee naar Bali – en dus is het niet eens echt overdreven als mensen zeggen dat iedereen op Bali afstamt van een koning, priester of kunstenaar, en dat de Balinezen daarom zo’n trots en geniaal volk zijn.
De Javaanse kolonisten namen hun hindoeïstische kastesysteem met zich mee naar Bali, hoewel de scheiding tussen de kasten daar nooit zo hardhandig werd afgedwongen als vroeger in India. Toch kennen de Balinezen een ingewikkelde sociale hiërarchie (er zijn alleen al vijf soorten brahmanen), en het zou me minder moeite kosten om in mijn eentje het menselijk genoom te ontcijferen dan om te proberen het complexe, in elkaar grijpende clansysteem te doorgronden dat hier nog altijd gedijt. (De vele goede essays van de schrijver Fred B. Eiseman over de Balinese cultuur bieden een veel ter zake kundiger en gedetailleerder overzicht van alle kleine, subtiele verschillen; het merendeel van mijn algemene informatie heb ik uit zijn onderzoek gehaald, niet alleen in dit hoofdstuk maar ook in de rest van dit boek.) Laten we het er hier maar op houden dat iedereen op Bali tot een clan behoort, dat iedereen weet tot welke clan hij behoort, en dat iedereen weet tot welke clan iedereen om hem heen behoort. En als je vanwege ernstige ongehoorzaamheid uit je clan wordt gezet, kun je net zo goed meteen in een vulkaan springen, want echt hoor, dan ben je zo goed als dood.
De Balinese cultuur is een van de meest systematische sociale en religieuze organisatiesystemen ter wereld, een schitterende bijenkorf van taken, rollen en ceremonieel. De Balinezen worden helemaal ‘gehuisvest’ en op hun plaats gehouden door een uitgebreid raster van gebruiken. Dat netwerk is ontstaan uit een combinatie van verscheidene factoren, maar in wezen komt het erop neer dat Bali is wat er gebeurt als de overvloedige rituelen van het traditionele hindoeïsme opgenomen worden door een enorme, rijst verbouwende boerenmaatschappij waarin men uit pure noodzaak werkt volgens een systeem van uitvoerige gemeenschappelijke samenwerking. Op bergwanden aangelegde rijstvelden vereisen een ongelofelijke hoeveelheid gedeelde arbeid, onderhoud en technische knowhow om te kunnen gedijen, en dus heeft elk dorp op Bali een banjar: een georganiseerde burgervereniging die middels consensus het beheer voert over de politieke, economische, godsdienstige en landbouwkundige beslissingen van het dorp. Op Bali gaat het collectief absoluut boven het individu, anders krijgt niemand te eten.
Godsdienstige ceremoniën zijn hier op Bali (vergeet niet: een eiland met zeven onvoorspelbare vulkanen – zelf zou je ook bidden) van groot belang. Men schat dat de gemiddelde Balinese vrouw een derde van de tijd die ze niet slapend doorbrengt kwijt is aan het voorbereiden op een ceremonie, deelnemen aan een ceremonie of opruimen na een ceremonie. Het leven is hier een voortdurende cyclus van offerandes en rituelen. Die moet je allemaal, in de juiste volgorde en met de juiste instelling uitvoeren, anders raakt het hele universum uit balans. Margaret Mead heeft geschreven over ‘de ongelofelijke bedrijvigheid’ van de Balinezen, en het is waar – even niksen is er zelden bij in een Balinese familie-eenheid. Ze hebben hier ceremoniën die wel vijf keer per dag uitgevoerd moeten worden, en andere die eenmaal per dag, eenmaal per week, eenmaal per maand, eenmaal per jaar, één keer in de tien jaar, één keer in de honderd jaar en één keer in de duizend jaar moeten worden uitgevoerd. Al die data en rituelen worden bijgehouden door priesters en heilige mannen die zelf te rade gaan bij een hoogst ingewikkeld systeem van drie afzonderlijke kalenders.
Iedere Balinees ondergaat dertien grote overgangsriten, die allemaal gekenmerkt worden door een tot in de puntjes georganiseerde ceremonie. Je hele leven lang moet je uitvoerige ceremoniën uitvoeren om de geesten te vriend te houden, om zo je ziel te beschermen tegen de 108 ondeugden (108 – daar is dat getal weer!), waaronder kwalijke zaken zoals geweld, diefstal, luiheid en leugenachtigheid. Ieder Balinees kind ondergaat een belangrijke puberteitsceremonie waarbij de hoektanden, oftewel de ‘snijtanden’ of de ‘giftanden’, plat worden geveild, zodat het kind er mooier uitziet. Het ergste wat je op Bali kunt zijn is grof en dierlijk, en dus wil men graag af van die scherpe hoektanden, die als aandenken aan onze wrede aard worden gezien. In zo’n hechte samenleving is het gevaarlijk als mensen bruut zijn. Het hele samenwerkingsverband van een dorp kan aan de moordzuchtige bedoelingen van één individu ten onder gaan. Zodoende kun je op Bali maar beter alus zijn, wat ‘elegant/verfijnd’ of zelfs ‘mooi gemaakt’ betekent. Schoonheid is goed op Bali, zowel voor mannen als voor vrouwen. Schoonheid wordt vereerd. Schoonheid betekent veiligheid. Kinderen leren dat ze alle tegenslag en ongemak tegemoet moeten treden met ‘een stralend gezicht’, een reusachtige glimlach.
Heel Bali wordt gezien als een matrix, een enorm, onzichtbaar stramien van geesten, gidsen, paden en gebruiken. Iedere Balinees weet precies waar hij of zij thuishoort op die grote, ontastbare plattegrond. Kijk maar naar de vier namen die bijna alle inwoners van Bali dragen – Eerste, Tweede, Derde, Vierde – en die hen allemaal aan hun positie binnen het gezin herinneren. Zelfs als je je kinderen Noord, Zuid, Oost en West noemt, heb je nog niet zo’n duidelijk social mapping-systeem. Mario, mijn nieuwe Italiaans-Indonesische vriend, zegt dat hij alleen gelukkig is wanneer hij erin slaagt mentaal en geestelijk op het snijpunt van een verticale en een horizontale lijn te blijven, in een staat van volmaakt evenwicht. Daarvoor moet hij precies weten waar hij op elk willekeurig moment van de dag staat, zowel in relatie tot het goddelijke als tot zijn familie hier op aarde. Als hij dat evenwicht verliest, is hij nergens meer.
Het is dus niet al te absurd om te stellen dat de Balinezen ’s werelds grootste evenwichtskunstenaars zijn, mensen voor wie het bewaren van een volmaakte balans een kunst, een wetenschap en een religie is. Zelf had ik, op zoek naar balans, gehoopt dat ik het nodige van de Balinezen zou opsteken over hoe je stabiel overeind blijft in een wereld vol chaos. Maar hoe meer ik over deze cultuur lees en hoe meer ik ervan zie, des te meer besef ik hoe ver ik van het evenwichtige stramien ben afgedwaald, althans vanuit het Balinese perspectief. Met mijn gewoonte om zonder me echt goed te oriënteren door de wereld te zwerven en mijn beslissing om me buiten het ondersteunende netwerk van huwelijk en gezin te begeven, ben ik naar Balinese begrippen een soort geest. Mij bevalt dat leven wel, maar voor een beetje Balinees is het een pure nachtmerrie. Als je niet eens weet waar je bent of tot wiens clan je behoort, hoe kun je dan ooit in balans zijn?
Gezien dat alles weet ik niet precies hoeveel van de Balinese levensopvatting ik in mijn eigen levensopvatting zal kunnen verwerken, aangezien ik op het ogenblik een modernere, meer westerse opvatting van het woord ‘evenwicht’ lijk te hanteren. (Momenteel betekent het voor mij iets in de trant van ‘evenveel vrijheid’, in de zin van evenveel kans dat je op elk willekeurig moment elke willekeurige kant op kunt, afhankelijk van... je weet wel... hoe het allemaal loopt.) De Balinezen blijven niet toekijken ‘hoe het allemaal loopt’. Dat zouden ze doodeng vinden. Ze regelen hoe het allemaal loopt, om te voorkomen dat alles in het honderd loopt.
Als je op Bali een weg afloopt en onderweg een onbekende tegenkomt, is de eerste vraag die hij of zij je zal stellen: ‘Waar ga je heen?’ en de tweede: ‘Waar kom je vandaan?’ Op een westerling kan zo’n vraag van een volslagen onbekende erg opdringerig overkomen, maar ze proberen gewoon te kijken waar ze je moeten plaatsen, waar je in het stramien past, wat ze wel zo veilig en geruststellend vinden. Als je tegen hen zegt dat je niet weet waar je heen gaat, of dat je gewoon een beetje aan het rondlopen bent, zou je weleens voor onrust in het hart van je nieuwe Balinese vriend(in) kunnen zorgen. Je kunt maar beter gewoon een specifieke richting uitkiezen – het doet er niet toe welke – zodat iedereen zich weer wat beter voelt.
De derde vraag die een Balinees je vrijwel zeker zal stellen is: ‘Ben je getrouwd?’ Ook dat is een oriënterende vraag. Ze moeten weten dat je getrouwd bent, om er zeker van te zijn dat je leven helemaal op orde is. Ze willen echt dat je ja zegt. Ze zijn enorm opgelucht als je ja zegt. Als je single bent, is het maar beter om dat niet met zoveel woorden te zeggen. En ik raad je echt aan om niets over een eventuele scheiding te zeggen, mocht je gescheiden zijn. Daar gaan de Balinezen zich namelijk alleen maar zorgen over maken. Het enige wat het feit dat je alleen bent voor hen bewijst, is dat je gevaarlijk ver van het stramien bent afgedwaald. Als je als single vrouw door Bali reist en iemand je vraagt of je getrouwd bent, is het beste antwoord: ‘Nog niet.’ Dat is een beleefde manier om nee te zeggen, terwijl je tegelijkertijd aangeeft dat je wel optimistisch van plan bent om daar zo snel mogelijk iets aan te doen.
Ook al ben je tachtig, of lesbienne, of overtuigd feministe, of non, of een tachtigjarige overtuigd feministische lesbische non die nog nooit getrouwd is en ook niet van plan is ooit te trouwen, dan nog is het beleefdste antwoord: ‘Nog niet.’
77
’s Ochtends helpt Mario me bij de aanschaf van een fiets. Als goede bijna-Italiaan zegt hij: ‘Ik weet nog wel een mannetje,’ om me vervolgens mee te nemen naar de winkel van zijn neef, waar ik voor iets minder dan vijftig Amerikaanse dollar een leuke mountainbike met een helm, slot en mandje krijg. Nu ben ik mobiel in mijn nieuwe stad, Ubud, of in elk geval zo mobiel als je hier maar kunt zijn, op deze onveilige, smalle, bochtige, slecht onderhouden wegen vol motoren, vrachtwagens en bussen vol toeristen.
’s Middags fiets ik naar het dorp van Ketut, om samen met mijn medicijnman te beginnen aan onze eerste dag van... wat we ook samen gaan doen. Om eerlijk te zijn heb ik geen flauw idee wat we gaan doen. Engelse les? Meditatieles? Lekker ouderwets op de veranda zitten? Ik weet niet wat Ketut met me van plan is, maar ik ben blij dat ik deel mag uitmaken van zijn leven.
Hij blijkt gasten te hebben als ik aankom: een klein gezin van plattelands-Balinezen die hun eenjarige dochter naar Ketut hebben gebracht voor hulp. De arme baby krijgt tandjes en ligt nu al een paar nachten achter elkaar te huilen. Pa is een knappe jongeman met een sarong aan; hij heeft de gespierde kuiten van een standbeeld van een Sovjet-Russische oorlogsheld. Ma is mooi en verlegen; ze durft me nauwelijks aan te kijken met haar schuchter neergeslagen ogen. Ze hebben een piepklein offer meegebracht om Ketut voor zijn diensten te belonen: 2000 roepia (ongeveer 25 dollarcent), in een met de hand gemaakt mandje van palmbladeren, iets groter dan de asbak in de bar van een hotel. In het mandje zitten één bloem van een boom, het geld en een paar korrels rijst. (Hun armoede staat in schril contrast met het rijkere gezin uit de hoofdstad van Bali, Denpasar, dat later op de middag bij Ketut op consult komt. Daar heeft de moeder een mand van drie etages op haar hoofd, gevuld met fruit, bloemen en een geroosterde eend – zo’n schitterend en indrukwekkend hoofddeksel dat Carmen Miranda er nederig voor op haar knieën zou zijn gegaan.)
Ketut is ontspannen en vriendelijk tegen zijn gezelschap. Hij luistert naar de ouders die de problemen van hun baby uitleggen. Dan graaft hij wat in een kleine hutkoffer op zijn veranda en haalt er een oud grootboek uit, vol kriebelig geschreven aantekeningen in het Balinese Sanskriet. Als een geleerde bestudeert hij het boek, op zoek naar een combinatie van woorden die hem bevalt, en intussen blijft hij met de ouders praten en grappen. Dan scheurt hij een blanco pagina uit een schrift met een afbeelding van Kermit de Kikker op de kaft en schrijft ‘een recept’ voor het meisje uit, zoals hij tegen mij zegt. Zijn diagnose luidt dat het kind gekweld wordt door een kleine demon, plus de lichamelijke ongemakken van het tandjes-krijgen. Voor dat laatste adviseert hij de ouders om het tandvlees van de baby gewoon in te smeren met verse rode-uiensap. Om de demon vriendelijk te stemmen moeten ze een offer brengen: een dood kippetje en een varkentje, en verder een stukje cake, met daarin speciale kruiden die hun oma zeker in haar kruidentuintje heeft staan. (Dit eten wordt niet verspild; na de offerceremonie mogen Balinese gezinnen altijd zelf hun donaties aan de goden opeten, aangezien de offerande eerder metafysisch bedoeld is dan letterlijk. In de ogen van de Balinezen neemt God wat God toekomt – het gebaar – terwijl de mens neemt wat hém toekomt: het eten zelf.)
Na het uitschrijven van het recept keert Ketut ons de rug toe, vult een kommetje met water en zingt er zachtjes een spectaculaire, enigszins angstaanjagende mantra boven die iets heeft van een lijkzang. Dan zegent Ketut de baby met het water dat hij zojuist heilige krachten heeft ingeblazen. Ze mag pas een jaar oud zijn, maar het kind weet al hoe ze op traditioneel Balinese wijze een heilige zegen in ontvangst moet nemen. Terwijl haar moeder haar vasthoudt, steekt de baby haar mollige handjes uit om het water te ontvangen. Ze neemt er één slokje van, dan nog één, en plenst de rest over de bovenkant van haar hoofd – een volmaakt uitgevoerd ritueel. Ze is absoluut niet bang voor de tandeloze oude man die tegen haar zit te zingen. Dan giet Ketut de rest van het gewijde water in een plastic zakje dat hij aan de bovenkant dichtmaakt en aan het gezin meegeeft om later te gebruiken. Bij het weggaan draagt de moeder het plastic zakje water in haar hand; het ziet eruit alsof ze net een goudvis op de kermis heeft gewonnen, maar vergeten is de goudvis zelf mee te nemen.
Ketut Liyer heeft het gezin zo’n veertig minuten lang zijn volledige aandacht geschonken, en dat allemaal voor een beloning van zo’n 25 dollarcent. Als ze helemaal geen geld hadden gehad, zou hij hetzelfde hebben gedaan; dat is zijn plicht als genezer. Hij mag niemand afwijzen, anders nemen de goden hem zijn geneeskrachtige gaven af. Zo krijgt Ketut een stuk of tien bezoekers per dag, allemaal Balinezen die zijn hulp of advies inroepen bij goddelijke of medische kwesties. Op uiterst gunstige dagen, wanneer iedereen een speciale zegening wil, krijgt hij soms meer dan honderd bezoekers.
‘Word je daar niet moe van?’
‘Maar dit is mijn beroep,’ zegt hij. ‘Dit is mijn hobby – medicijnman.’
Later op de middag komen er nog een paar patiënten, maar eerst hebben Ketut en ik even wat tijd voor onszelf op de veranda. Ik voel me enorm op mijn gemak bij de medicijnman, even ontspannen als bij mijn eigen opa. Hij geeft me mijn eerste Balinese-meditatieles. Hij zegt dat er vele manieren zijn om God te vinden, maar dat de meeste daarvan te ingewikkeld zijn voor westerlingen. Daarom zal hij me een gemakkelijke meditatietechniek leren. Die komt in wezen neer op het volgende: ga zitten, zit stil en glimlach. Geweldig. Hij zit er zelf bij te lachen. Ga zitten en glimlach. Perfect.
‘Jij yoga geleerd in India, Liss?’ vraagt hij.
‘Ja, Ketut.’
‘Je kunt yoga doen,’ zegt hij, ‘maar yoga te moeilijk.’ Hij neemt een overdreven moeizame lotushouding aan en trekt een komisch verwrongen gezicht, alsof hij last heeft van constipatie. Dan gaat hij weer normaal zitten en vraagt lachend: ‘Waarom zij in yoga altijd zo ernstig kijken? Jij trekt ernstig gezicht, dan jaag jij goede energie weg. Voor mediteren moet je alleen glimlachen. Glimlachen met gezicht, glimlachen met verstand, en goede energie komt naar jou en wast vieze energie weg. Zelfs glimlachen in je lever. Vanavond in hotel oefenen. Niet te snel doen, niet te hard proberen. Te ernstig doen, dan word jij ziek. Goede energie kun je met glimlach roepen. Nu is klaar voor vandaag. See you later, alligator. Morgen terugkomen. Ik vind het heel leuk je te zien, Liss. Laat je geweten je leidraad zijn. Als je westerse vrienden hebt die naar Bali komen, stuur hen dan naar mij voor handlezen. Ik ben heel leeg in mijn bank nu sinds bom.’
78
Dit is het levensverhaal van Ketut Liyer, min of meer zoals hij het zelf vertelt:
‘Het is al negen generaties dat mijn familie medicijnman is. Mijn vader, mijn grootvader, mijn overgrootvader, zij allemaal medicijnman. Zij willen allemaal ik word medicijnman want zij zien ik heb licht. Zij zien ik heb mooi en intelligent. Maar ik wil niet medicijnman worden. Te hard studeren! Te veel informatie! En ik geloof niet in medicijnman! Ik wil schilder worden! Ik wil kunstenaar worden! Ik heb goed talent daarvoor.
Toen ik nog jongeman was, ontmoet ik Amerikaanse man, heel rijk, misschien wel uit New York, net als jij. Hij vindt mijn schilderijen mooi. Hij wil groot doek van mij kopen, misschien wel één meter groot, voor heel veel geld. Genoeg geld voor rijk worden. Dus ik begin schilderij voor hem te schilderen. Elke dag schilderen, schilderen, schilderen. Zelfs in nacht schilder ik. In die tijd, lange tijd geleden, geen elektrisch licht zoals nu, dus ik heb lamp. Olielamp, begrijp je? Pomplamp, moet pompen om olie te laten komen. En ik maak altijd elke nacht met olielamp schilderij.
Op een nacht, olielamp wordt donker, dus ik pompen, pompen, pompen en hij ontploft! Mijn arm helemaal in brand! Ik ga een maand naar ziekenhuis met verbrande arm, helemaal grote infectie. Infectie gaat helemaal naar mijn hart. Dokter zegt ik moet naar Singapore gaan voor arm afzagen, voor amputatie. Dat vind ik maar niks. Maar dokter zegt ik moet naar Singapore gaan, voor operatie voor arm afzagen. Ik zeg tegen dokter: eerst ga ik naar huis, naar mijn dorp.
Die nacht in dorp, ik heb droom. Vader, grootvader, overgrootvader – zij komen allemaal samen in mijn droom naar mijn huis en zeggen hoe ik verbrande arm moet genezen. Zij zeggen ik moet sap maken van saffraan en sandelhout. Dat sap op wond smeren. Dan poeder maken van saffraan en sandelhout. Poeder op wond smeren. Zij zeggen ik moet dit doen, dan niet arm verliezen. Helemaal echt die droom, alsof zij bij mij in huis, allemaal samen.
Ik word wakker. Ik weet niet wat moeten doen, want soms zijn dromen gewoon grapje, begrijp je? Maar ik ga terug naar mijn huis en ik doe dat saffraan- en sandelhoutsap op mijn arm. En dan doe ik dat saffraan- en sandelhoutpoeder op mijn arm. Mijn arm grote infectie, heel veel pijn, grote bobbel, helemaal opgezwollen. Maar na sap en poeder, helemaal koel. Helemaal koud. Begint beter te voelen. In tien dagen mijn arm is goed. Helemaal genezen.
En dus begin ik te geloven. Nu heb ik weer droom, met vader, grootvader, overgrootvader. Zij zeggen ik moet nu medicijnman worden. Mijn ziel, die moet ik aan God geven. Om dit te doen moet ik zes dagen vasten, begrijp je? Geen eten, geen water. Geen drinken. Geen ontbijt. Niet makkelijk. Ik zo’n dorst van vasten, ik ga in ochtend naar rijstveld, vóór zon. Ik zit in rijstveld met mond open en haal water uit lucht. Hoe heet dat, water in lucht in rijstveld in ochtend? Dauw? Ja. Dauw. Alleen die dauw eet ik, zes dagen achter elkaar. Geen ander eten, alleen die dauw. Op nummer vijf dag ik word bewusteloos. Ik zie allemaal gele kleur overal. Nee, niet gele kleur – goud! Ik zie overal gouden kleur, zelfs in mezelf. Heel blij. Nu begrijp ik. Deze gouden kleur is God, ook in mij. Zelfde ding dat is God is zelfde ding in mij. Helemaal hetzelfde.
Dus nu moet ik medicijnman worden. Nu moet ik medische boeken van overgrootvader leren. Deze boeken niet van papier gemaakt, maar van palmbladeren. Hun naam lontars. Dat is Balinese medische encyclopedie. Ik moet leren alle verschillende planten op Bali. Niet makkelijk. Eén voor één leer ik ze allemaal. Ik leer zorgen voor mensen met veel probleem. Eén probleem is: iemand is ziek in lichaam. Ik help dat lichamelijke ziekte met kruiden. Ander probleem is: wanneer familie ziek is, wanneer familie altijd ruziemaken. Ik help dit met harmonie, met speciale magische tekening, ook met praten om te helpen. Hang magische tekening op in huis, geen ruzie meer. Soms zijn mensen ziek in liefde, niet juiste partner. Voor Balinezen en ook voor westerlingen, altijd veel probleem met liefde, moeilijk om juiste partner te vinden. Ik oplos liefdesprobleem met mantra en magische tekening, daarmee breng ik liefde naar jou. Ik leer ook zwarte magie, voor mensen helpen wanneer slechte zwarte magie op hen rust. Mijn magische tekening, jij hangt op in huis, hij brengt goede energie naar jou.
Ik vind nog altijd leuk om kunstenaar te zijn, ik vind leuk om schilderij te maken wanneer ik tijd heb, verkopen aan galerie. Mijn schilderwerk, altijd zelfde schilderij – toen Bali paradijs was, misschien duizend jaar geleden. Schilderij van jungle, dieren, vrouwen met... wat voor woord? Borst. Vrouwen met borst. Moeilijk voor mij om tijd te vinden voor schilderij maken want medicijnman, maar ik moet medicijnman zijn. Dat is mijn beroep. Dat is mijn hobby. Moet mensen helpen of God wordt boos op mij. Moet soms bij geboorte van baby helpen, ceremonie doen voor dode man, of ceremonie voor tanden vijlen of bruiloft. Soms word ik wakker, drie uur in nacht, maak schilderij bij elektrische gloeilamp – alleen dan kan ik schilderij maken voor mij. Ik vind fijn die tijd alleen, goed voor schilderij maken.
Ik doe echte magie, geen grapje. Altijd zeg ik waarheid, zelfs als slecht nieuws is. Ik moet altijd goed karakter hebben in leven, anders ga ik naar hel. Ik spreek Balinees, Indonesisch, beetje Japans, beetje Engels, beetje Nederlands. In oorlog veel Japanners hier. Niet zo slecht voor mij – ik lees handen van Japanners, heel vriendelijk allemaal. Vóór oorlog veel Nederlanders hier. Nu veel westerlingen hier, allemaal Engels spreken. Mijn Nederlands is nu – hoe zeg jij? Welk woord leer jij mij gisteren? Weggezakt? Ja, weggezakt. Mijn Nederlands is weggezakt. Ha!
Ik kom uit vierde kaste op Bali, heel lage kaste zoals boer. Maar ik zie veel mensen in eerste kaste niet zo intelligent als ik. Mijn naam is Ketut Liyer. Liyer is naam mijn grootvader geeft mij als ik kleine jongen ben. Betekent “helder licht”. Dat ben ik.’
79
Ik heb zo veel vrijheid hier op Bali dat het bijna absurd is. Het enige wat ik elke dag moet doen is ’s middags een paar uur op bezoek gaan bij Ketut Liyer, wat beslist geen straf is. De rest van de dag breng ik op verschillende nonchalante wijzen door. ’s Ochtends mediteer ik een uur met de yogatechnieken die mijn goeroe me heeft geleerd, en ’s avonds mediteer ik een uur op de manier die Ketut me heeft geleerd (‘zit stil en glimlach’). Tussendoor loop ik rond, en fiets ik wat rond, maak ik soms een praatje met iemand en ga ik lunchen. Ik heb een rustig bibliotheekje ontdekt in de stad en daar een pasje voor geregeld, en nu breng ik grote, heerlijke stukken van de dag door met in de tuin lezen. Na de intensiteit van het leven in de ashram, en zelfs na mijn decadente heen-en-weergereis en eetfestijnen in Italië, is dit een totaal nieuwe, ontzettend vredige fase van mijn leven. Ik heb zo veel vrije tijd dat je hem wel in tonnen zou kunnen afmeten.
Telkens als ik het hotel verlaat, vragen Mario en de andere receptionisten me waar ik heen ga; als ik weer terugkom, vragen ze me elke keer waar ik ben geweest. Ik zie bijna voor me hoe ze in hun laden piepkleine plattegronden hebben van alle mensen die hun dierbaar zijn, met kruisjes die aangeven waar iedereen zich op dat moment bevindt, gewoon zodat ze altijd zeker weten waar de rest van de bijenzwerm zich bevindt.
’s Avonds fiets ik hoog de heuvels in, door de kilometerslange rijstvelden ten noorden van Ubud, met hun prachtig groene vergezichten. Ik zie de weerspiegeling van de roze wolken in het stilstaande water van de rijstvelden, net alsof er twee hemels zijn – eentje daarboven voor de goden, en eentje hier in het troebele water, alleen voor ons stervelingen. Een paar dagen geleden ben ik naar het reigerreservaat gefietst, met zijn weinig enthousiaste welkomstbordje (oké, hier kunt u reigers zien), maar die dag waren er geen reigers, alleen eenden, en dus keek ik een tijdje naar de eenden, en fietste vervolgens naar het volgende dorp. Onderweg passeerde ik mannen, vrouwen, kinderen, kippen en honden die het allemaal op hun eigen manier even druk hadden met hun werk, maar niet zo druk dat ze niet even de tijd namen om me te begroeten.
Een paar avonden geleden zag ik boven aan een prachtig heuvelachtig stukje bos een bordje: kunstenaarshuis te huur, met keuken. En omdat het universum genereus is, woon ik daar nu, drie dagen later. Mario heeft me geholpen te verhuizen, en al zijn vrienden in het hotel hebben betraand afscheid van me genomen.
Mijn nieuwe huis ligt aan een rustige weg, aan alle kanten omgeven door rijstvelden. Het is een klein, cottage-achtig huis met daaromheen een met klimop bedekte omheining. Het is van een Engelse, maar die zit de hele zomer in Londen, dus neem ik soepeltjes haar huis en haar positie over in deze wonderbaarlijke ruimte. Het huis heeft een vuurrode keuken, een vijver vol goudvissen, een marmeren terras en een buitendouche betegeld met glanzend mozaïek; terwijl ik mijn haar was, kan ik naar de reigers kijken die zich in de palmbomen aan het nestelen zijn. Door de werkelijk betoverende tuin lopen geheime paadjes. Het huis is voorzien van zijn eigen tuinman, dus het enige wat ik hoef te doen is naar de bloemen kijken. Ik heb geen idee hoe al die buitengewone tropische bloemen werkelijk heten, dus verzin ik er zelf maar namen voor. En waarom ook niet? Het is mijn Hof van Eden, of niet soms? Algauw heb ik alle planten hier van nieuwe namen voorzien: narcissenboom, koolpalm, galajurkkruid, uitsloverige kronkelaar, op-je-tenenbloesem, melancholieke klimop en een spectaculaire roze orchidee die ik ‘baby’s eerste handdruk’ heb gedoopt. Het is ongelofelijk hoeveel onnodige, overbodige schoonheid ik hier om me heen heb. Ik kan gewoon door het raam van mijn slaapkamer papaya’s en bananen van de bomen plukken. Verder woont hier een kat die elke dag een halfuur voordat ik hem eten geef ontzettend aanhalig is, en de rest van de tijd als een gek loopt te jammeren, alsof hij lijdt aan flashbacks van de Vietnamoorlog. Het rare is dat ik het niet eens erg vind. Ik vind tegenwoordig niets meer erg. Ik kan me niet meer voorstellen of herinneren hoe het ook alweer is om ontevreden te zijn.
Ook het audio-universum is hier spectaculair. ’s Avonds is er een krekelorkest met een paar kikkers die de baslijn verzorgen. Midden in de nacht jammeren de honden dat niemand hen ooit begrijpt. Voor dag en dauw verkondigen alle hanen in de wijde omgeving hoe verdomd cool het wel niet is om een haan te zijn. (‘Wij zijn hanen!’ schreeuwen ze. ‘En wij zijn de enigen die hanen mogen zijn!’) ’s Ochtends is er tegen zonsopgang altijd een wedstrijd tropische vogelzang, waarbij de eerste plaats altijd wordt gedeeld door een stuk of tien deelnemers. Als de zon eenmaal aan de hemel staat, wordt het stil en gaan de vlinders aan de slag. Het hele huis gaat schuil onder klimopranken; ik heb het gevoel dat het elk moment compleet onder de bladeren kan verdwijnen, en dat ik dan zelf ook zal verdwijnen en een junglebloem zal worden. De huur is minder dan wat ik vroeger in New York maandelijks uitgaf aan taxi’s.
Het woord ‘paradijs’, dat afkomstig is uit het Perzisch, betekent trouwens letterlijk ‘omheinde tuin’.