DIDERICH
Na de energieslag in Jellico's stelsel, die ontketend werd om het vrachtschip des doods tot staan te brengen, verdwijnt de reuzenrobot Old Man. Reginald Bulls bewakingsvloot is daarmee niet meer gebonden en zijn 20 000 ruimteschepen van alle klassen gaan op pad. Doel van de vloot is de grote wolk van Magelhaen. Doel van de onderneming is: de daar rondzwervende eenheden van Perry Rhodan versterken, wat dringend noodzakelijk is, als inderdaad de samengebalde macht van Old Man op weg is naar ... Magelhaen. Er is nog een ruimtevloot gearriveerd in de kleine naburige Melkweg, onder commando van admiraal Con Bayth. De ruimteschepen vliegen volgens plan naar Danger I, om een eind te maken aan de TERREUR OP DE KRISTALPLANEET ...
HOOFDPERSONEN VAN DEZE ROMAN:
UI- Een slavenhouder, die zijn laatste slaaf verliest.
Iraloth- Een zogenaamde 'generaal'.
Harper Lenn, Link Stovall en Christopher Savv-Drie officieren van de Tosoma.
Con Bayth- Admiraal van de USO en bevelhebber van de 14e zware offensieve vloot.
Ken Suluth- Zijn dagboek geeft inlichtingen over een gruwelijke gebeurtenis.
1.
Iraloth wees naar het beeldscherm en zei:
'De arbeider is moe!' UI, die aan zijn werktafel met een aantal rekenstroken bezig was, keek op. Op het beeldscherm was een gedeelte van een fel verlichte ondergrondse gang te zien. De gang was in het gesteente uitgehouwen en de wanden waren grillig en vol spleten. Het plafond werd geschraagd door een zwaartekrachtprojector, die rechtsonder op het beeld te zien was. De arbeider, een man in een versleten blauwgroene overall, stond voor een dikke ader in het gesteente, met een glinsterend, groen materiaal. De man was gewapend met een vibratiebijl maar in plaats van hem te gebruiken voor zijn werk, had hij hem op de grond gezet en leunde hij op de steel. Hij wankelde. Je kon aan hem zien dat hij aan het eind van zijn krachten was.
UI stak zijn arm uit. Aan de rand van zijn tafel zat een stel knoppen, schakelaars en controlelampjes. Hij drukte op een van de knoppen. De man op het beeldscherm kromp ineen. Hij liet de steel van de bijl glippen, en maakte een halve slag om zijn as, voor hij neerstortte. UI zag een onderdeel van een seconde zijn wijd opengesperde mond en een van pijn vertrokken gezicht. De arbeider schreeuwde. Dat kon je niet horen, want de controle vond alleen op optische basis plaats. 'Wie niet horen wil ...,' zei UI onaangedaan.
Iraloth deed een stap in zijn richting. Op zijn manier was hij een imposante gestalte. Een lichaam, drie kwart manslengte in het kwadraat, een kwart manslengte dik, met een donkere, leerachtige huid bedekt, rustend op twee vaalwitte benen, louter uit botten bestaand, voorzien van twee lange, dunne armen en een lange, dunne hals, waarop een klein rond hoofd, dat was Iraloth. UI, die zich definitief had losgerukt van zijn werk, bekeek hem met een mengeling van angst en afschuw. De massieve, donkere, breedgeschouderde gestalte van de ander stond hem tegen. Uls schoonheidsideaal was een lichaam dat slank was als het zijne, bedekt met zilverig glanzende schubben, maar half transparant en op de schouders een grote ronde schedel, die zo doorzichtig was, dat je hem bijna niet zag. Des te duidelijker moest de inhoud van die schedel te zien zijn, vooral het roodgloeiende derde oog, dat de voorkant van de hersenmassa afsloot.
Uls angst voor Iraloth werd veroorzaakt door het feit dat Iraloth twee derde ogen had, een op iedere schouder, drijvend in zijn eigen vloeistof en beschermd door een glasachtig reservoirtje dat de vorm had van een halve bol. 'Misschien,' antwoordde Iraloth. 'Het is ook mogelijk dat hij niet gevoelig meer is voor dit soort lessen.'
UI keek weer naar het scherm. De arbeider die door een elektrische schok, toegediend door UI, op de grond gevallen was, begon overeind te krabbelen. UI zag de eerste beweging een onderdeel van een seconde eerder dan hij werkelijk plaatsvond.
'Hij is ontvankelijk,' stelde hij vast. 'Dat is je laatste man,' zei Iraloth. 'Als je hem te hard straft, klapt hij straks helemaal in elkaar en komt er een eind aan het exploiteren van de kristaladeren.'
De arbeider zat nu op zijn knieën. Aan zijn bewegingen kon je zien dat hij bijna geen kracht meer had om zijn bovenlichaam overeind te houden.
'Maar voor korte tijd,' antwoordde UI. 'Tussen de sterren wemelt het van de vreemdelingen. We zullen ze gevangen nemen en de mijn weer grondig exploiteren.' Iraloth antwoordde niet. Misschien had hij bezwaren. Hij liet er in ieder geval niets van merken. Per slot van rekening was hij maar de derde op de hiërarchische ladder en was UI zijn baas.
De arbeider kwam wankelend overeind. De bijl stond nog steeds op de grond. Hij boog zich voorover om op de steel te kunnen leunen. UI sloeg hem ongeduldig gade. Toen hij zich na een tijdje nog steeds niet had bewogen, schoot zijn hand voor de tweede keer uit naar het schakelbord.
Met een druk op de knop stelde hij de schokprojector in werking. Deze keer liet UI zijn lange, half transparante vinger drie volle eenheden lang op de knop rusten. De arbeider viel meteen op de grond. Hij kromde nog een keer zijn rug, daarna bleef hij roerloos liggen. 'Uit,' zei Iraloth lichtelijk spottend. 'De mijn ligt stil.'
'Niet lang,' antwoordde UI en wijdde zich weer aan de studie van zijn materiaal, die hij had onderbroken om de trage arbeider een lesje te leren.
De man in de versleten overall bewoog niet meer. De steel van de vibratorbijl lag dwars over zijn rug.
Majoor Ken Suluth, 3e wetenschappelijk expeditiekorps van het zonne-imperium, was dood. 'Geen spanning op het schakelcircuit,' bromde Link Stovall misnoegd.
'Dat is een technisch probleem!' zei Harper Lenn opgewekt. 'Laat me eens kijken!'
'Juist,' zei Christopher Savv lachend. 'Een technisch probleem. Laat die aardman zijn gang maar gaan.' Harper reageerde niet. Hij boog zich over de verdelerkast die Link Stovall onderzocht en rommelde met een kleine meetsonde, die hij als bij toverslag in zijn hand had, tussen de kaarten waarop het gecompliceerde leidingsysteem van het schakelcircuit was afgedrukt. 'Kaart A-achttien,' zei hij op besliste toon. 'Je hebt geen contact met de uitgang van de regulateur. Wacht eens,' hij boog zich dieper voorover 'juist, hier is de leiding beschadigd, versleten kun je wel zeggen, die kaart is minstens honderd jaar oud.' Hij kwam overeind en keek diep verontwaardigd rond. 'Ik moet wel zeggen dat het hier een rommelzootje is. Honderd jaar oude kaarten ...'
'Rustig, aardman!' onderbrak Christopher hem. 'Dit hele schip is niet ouder dan vier jaar!' Harper haalde zijn schouders op. 'Nou en? Jullie halen die kaarten natuurlijk van de dichtstbijzijnde schroothoop.'
Link balde zijn vuist en trok zijn elleboog demonstratief naar achteren. Hij was een kleine, gedrongen man, met onwaarschijnlijk brede schouders. Zijn onderarm die een eind uit zijn opgekropen mouw stak, was dicht behaard en zijn gebalde vuist had de omvang van een kinderhoofdje.
'Als 't zover is, dat ik hem een muilpeer moet verkopen, zeg het dan, Chris.'
Christopher schudde lachend zijn hoofd. Hij was twee meter en acht centimeter lang en adembenemend dun. Met zijn albasten huid en zijn roodblauwe, bijna violette kuif, leek hij veel op een gestalte uit een surrealistisch toneelstuk. Harper Lenn, normale lengte, met gewoon bruin haar en een gewoon vriendelijk gezicht, schonk verder geen aandacht aan het dispuut. Hij boog zich opnieuw over de verdelerkast, snuffelde een poosje tussen de kaarten terwijl Christopher en Link met elkaar praatten, en richtte zich tenslotte weer op. 'Probeer nu je schakelrelais eens,' zei hij tegen Link. Link zette de spanningtaster aan. Een wijzer werd verlicht en schoof een stukje op.
'Spanning,' zei Link laconiek. 'Die aardman heeft hem inderdaad gerepareerd.'
Harper veegde zijn handen aan de broek van zijn overall af. 'Natuurlijk,' was zijn reactie, 'ik ben de enige, die hier van techniek verstand heeft. Zoals jullie weten, leren ze het op Passa uit boeken die de eerste kolonisten bijna vijfhonderd jaar geleden hebben meegenomen van aarde.' Christopher schaterde het uit. '... en op Pembroke,' ging Harper verder, terwijl hij de lachende persoon aankeek, 'zijn er zelfs geen boeken, omdat het daar zo koud is en omdat de eerste kolonisten alles wat brandbaar was, hebben opgestookt.'
Christopher begon nog harder te lachen. Maar Link Stovall schoof met een grimmig gezicht op Harper af. 'Alles wat goed is komt dus van de aarde, niet?' zei hij. 'Natuurlijk,' zei Harper brutaal. 'Dat weten jullie net zo goed als ik.' 'Hoe komt het dan, dat jij "of all places" uitgerekend dit schip hebt uitgekozen, waarop verder geen enkele aardman te vinden is.' Harper maakte een welsprekend gebaar.
'Heel gewoon. Ik voel me een missionaris. Ik moet jullie, wilden, bijbrengen wat techniek eigenlijk is. Want tenslotte dient deze hele organisatie het welzijn van de aarde en als jullie niet uitkijken...' 'Het welzijn van de aarde, daarom dus,' riep Link. 'Je hebt de klok horen luiden en wilt.' Het debat zou vermoedelijk hetzelfde verlopen zijn als ontelbare voorafgaande, als Link niet door het alomtegenwoordige omroepsysteem onderbroken was. Een zakelijke stem zei:
'Aan al het personeel van de veertiende offensieve vloot! Alle eenheden van de vloot vanaf heden in alarmtoestand. Start staat voor de deur. Ik herhaal.
De veertiende zware offensieve vloot van de United Stars Organisation bevond zich op dat moment in ruimtesector Jellico en iedereen aan boord van de in totaal achthonderd eenheden was ervan overtuigd, dat er op dit moment geen nijpender probleem bestond dan Old Man, die in de zelfde sector vertoefde en waarvan ze niet wisten of hij niet opeens met een ongehoorde vuurkracht zou optreden tegen de schepen die zijn standplaats omringden, om zich al schietend een weg naar de aarde te banen. De beslissing om een vloot van achthonderd zware en superzware oorlogsschepen te verwijderen uit de kritieke sector was daarom voor de bemanningsleden van de 14e niets meer of minder dan een pijnlijke schok.
De enige conclusie die je kon trekken uit deze onverwachte ontwikkeling was: De toestand was elders nog kritieke dan in Jellico. De vloot vertrok onmiddellijk na de aankondiging. Er waren aan boord van de achthonderd schepen maar een paar mannen die wisten wat het doel was. Slechts een ding was snel duidelijk: Het doel was behoorlijk ver. De blikseminspectie van de compacte motoren, die vlak na de start werd uitgevoerd, liet maar een conclusie toe, namelijk dat de gewone motoren zwaar belast zouden worden.
De aankomst van de kruiser Revino in de Jellico-sector was alleen die personen ter ore gekomen, die professioneel te maken hadden met materiepeiling en energietasters, en natuurlijk degenen, die hem niet over het hoofd konden zien. Maar zelfs zij die op de hoogte waren van de komst van de Revino, legden over het algemeen geen verband met het overhaaste vertrek van de 14e vloot. Dat was begrijpelijk. De Revino had Jellico om 09:02 uur algemene tijd bereikt, de vloot vertrok om 09:35. De aankondiging van het vertrek was om 08:41 gedaan op een tijdstip waarop de Revino nog een half dozijn astronomische eenheden van zijn doel was verwijderd. Dus was het nauwelijks .plausibel dat de commandant, admiraal Bayth, van de Revino instructies gekregen zou hebben om deze onverwachte manoeuvre uit te voeren.
Maar hier maakten de leken een fout. De start van de 14e offensieve vloot hing direct samen met de komst van de Stedenkruiser Revino en hoe weinig tijd er ook verstreken was tussen het opduiken van de kruiser en de start van de vloot, Con Bayth had niet alleen mondelinge aanwijzingen van de commandant van de Revino gekregen, maar ook alle benodigde astronautische computergegevens. Het voorlopige doel van de veertiende vloot lag op een afstand van 137.000 lichtjaren van de Jellico-sector buiten de grenzen van de Melkweg. Het was een rode reuzenster met de codenaam Navo-Noord. Navo-Noord stond aan de rand van een van de twee dwergstelsels, die voor de Melkweg lagen en door de astronomen de grote wolken van Magelhaen werden genoemd. Navo-Noord hoorde bij de grotere wolk, waar zich de laatste dagen en weken waarschijnlijk ongemerkt de meest vreemdsoortige gebeurtenissen hadden afgespeeld. Het ontging natuurlijk niemand aan boord van de achthonderd schepen dat de lineairvlucht-etappes deze keer bijzonder lang waren; maar alleen daaruit kon je geen conclusies trekken. De Melkweg zelf was indrukwekkend groot. De afstand van Jellico, aan de zuidelijke kant, tot aan een willekeurig punt aan de noordelijke kant was ongeveer honderdduizend lichtjaren, en er waren honderden zonnen in de sterrenarme halo van de Melkweg, die nog verder verwijderd lagen van het vertrekpunt van de 14e vloot.
Het besef dat de vloot aanstalten maakte om de vertrouwde Melkweg te verlaten, bleef beperkt tot de officieren van de astrogatie-afdeling, die de koersgegevens wisten te interpreteren en de vaklieden van de materielokalisatie en de energiepeiling die op hun beeldschermen de witte, fonkelende sterren steeds vager zagen worden, en zagen verdwijnen, totdat tenslotte de grauwe lineairruimte op de schermen prijkte.
Op dat moment deden al wilde geruchten de ronde aan boord van de schepen.
Ze waren op weg naar Andromeda. De Maahks waren in opstand gekomen en bereidden een invasie van de Melkweg voor, met een enorme vloot. Nee, niet de Maahks, de erfgenamen van de Meesters der Eilanden waren op het toneel verschenen en stookten onrust. Ook dat was fout. Ze gingen niet naar Andromeda. Ze gingen naar een volkomen onbekend stelsel dat vreemde hypersignalen uitzond. Of zus of zo, of ... 23 uur hielden de geruchten de bemanning bezig. Toen lekte het nieuws uit. De peilers hadden op hun schermen lichtpunten te zien gekregen. Iedereen kon zelf uitrekenen dat de vloot intussen niet meer dan een paar duizend lichtjaren afgelegd kon hebben. Ze waren dus niet op weg naar een onbekend melkwegstelsel.
Er was maar een doel dat door middel van hypersprongen kon worden bereikt en toch minder dan een miljoen lichtjaren verwijderd was van de grenzen van de grenzen van de Melkweg:
De Magelhaense wolken.
Aan boord van de schepen van de veertiende vloot spitste men zijn oren.
Ze moesten opeens denken aan vage, half begrepen geruchten die een paar weken geleden de ronde hadden gedaan.
Con Bayth deed er in totaal 25 uur en dertig minuten over om zijn achthonderd eenheden van hun oorspronkelijke positie in de Jellico-sector naar de doelster Navo-Noord te brengen. De Revino had over de zelfde afstand, maar dan in omgekeerde richting, negentig minuten korter gedaan; maar de kruiser had alleen gevlogen. Voor een vlucht met een eenheid had admiraal Bayth van de USO een nieuw record gevestigd, dat meer dan honderd jaar onaangevochten zou blijven.
De omgeving van de doelster was opvallend leeg. Con Bayth stond net op het punt om bevel tot een analyse van de doelgegevens van de Revino te geven, toen hij werd opgeroepen.
Korvet KC-5 meldde zich, onder commando van captain Arthur Arnusen. Arnusen was in een kleine parkeerbaan rond Navo-Noord gegaan en fungeerde met zijn handjevol mannen als nieuwsrelais tussen van buiten komende eenheden en de eenheden die dieper in de wolken van Magelhaen opereerden, op dat moment onder leiding van Atlan.
De KC-5 had met smart gewacht op de komst van de veertiende vloot, zoals Arnusen het uitdrukte. Con Bayth kreeg opdracht om zich onverwijld naar Keegs ster te begeven. Wat voor teken hem daar te wachten stonden, dat wist Arnusen niet. De koersgegevens werden via de hyperzender rechtstreeks in de scheepscomputer van het vlaggeschip opgeslagen.
Intussen vertelde Arnusen het nieuws uit het operatiegebied binnenin de sterrenwolken. Zijn informatiebron was de Revino, het laatste schip dat Navo-Noord had gepasseerd, en wat Arnusen vertelde was in feite geen nieuws voor Bayth. Hij had zelf al met de Revino gesproken. Ems Kastori bevond zich met de gemengde 82e stabilisatie-eenheid boven Modula en blokkeerde het hele stelsel. Lordadmiraal Atlan maakte met de Crest IV, het privéschip van Danton en twintig eenheden die hij van Ems Kastori had geleend, jacht op ongeveer driehonderd peervormige vijandelijke schepen, en in een daarvan moesten Perry Rhodan, Roi Danton en een aantal belangrijke officieren zitten, die in handen waren gevallen van een onbekend volk, dat afkomstig was uit de grote wolk van Magelhaen.
Net zoals bij het uitwisselen van berichten met de Revino zorgde Con Bayth er ook deze keer voor, dat de berichten niet in onbevoegde oren terecht kwamen. Alleen overste Astob, de commandant van het schip, nam hij in vertrouwen. Hij vond het beter om zijn officieren en overige bemanningsleden zoet te houden met geruchten. Het nieuws dat Perry Rhodan gevangen was genomen en spoorloos was verdwenen, zou ongunstige psychologische effecten kunnen hebben. Hooguit twee uur na aankomst in de Navo-sector verhoogde de veertiende vloot zijn snelheid weer. De volgende etappe was kort. Keegs ster was maar 22 lichtjaren van Navo-Noord verwijderd. Boven het Keeg-stelsel was alles kalm. Majoor Sih Lugastra hield daar met twintig korvetten de wacht. Hij had geen verdere instructies voor Con Bayth en vertelde dat er sinds het ogenblik waarop hij post had gevat met zijn patrouille totaal niets was voorgevallen. De admiraal zag het nut van een verder verblijf in deze sector niet in en liet zijn vloot weer vertrekken. Doel was Modula, 4.32 lichtjaren verderop!
Het was 20 uur 10 op 23 november 2435, synchrone tijdsrekening, toen de peilers van de 82e gemengde stabilisatie-eenheid met een schok uit hun toestand van slaperige lethargie werden wakker geschud.
Met een klap die de tastapparatuur deed trillen, spoten achthonderd geweldige ruimteschepen uit de lineairruimte en raasden op de 82e eenheid af. Er werd alarm geslagen. Maar Ems Kastori, de 'lolbroek,' zoals hij vanwege zijn aanstellerij werd genoemd, toonde geen paniek. Binnen een paar seconden werd vastgesteld dat het Terraanse schepen waren. Het alarm werd gestaakt en de officier die het alarm had gegeven, kreeg een uitbrander die hem voorlopig alle lust benam om gehaast initiatief te ontplooien. Con Bayth, die niet beter wist of hij zou van Ems Kastori alle benodigde gegevens en instructies krijgen, werd opnieuw teleurgesteld. Kastori wist niets. Hij had al twee dagen niets meer gehoord van de kleine eenheid die onder leiding van Atlan Perry Rhodan en de zijnen uit de puree moest halen. De 82e GSE had als taak het Modulastelsel te bewaken en iedere vorm van verkeer van en naar de Modula te verhinderen. Tot nu toe had het uitvoeren van deze opdracht ze niet veel moeite gekost. Modula was kalm. Wat er ook aan leven overgebleven mocht zijn na de moordende aanval van de eenheid peerschepen, het gaf er kennelijk de voorkeur aan om geen kik te geven.
Bij gebrek aan andere adressen besloot Con Bayth zijn vloot voorlopig in het Modulastelsel te stationeren. Hij nam dit besluit in een terneergeslagen stemming, vervuld van machteloze woede over zijn eigen hulpeloosheid.
De schepen van het 14e waren gevechtsklaar. Bij alle teleurstellingen meende admiraal Bayth zeker te weten dat hij niet geroepen was om in het Modulastelsel te wachten. Een bevel van Lordadmiraal Atlan kon ieder moment arriveren. Intussen wisselden de vlaggenschepen van beide eenheden inlichtingen uit. Con Bayth kreeg een gedetailleerde beschrijving van de jongste gebeurtenissen in de Modula-sector. Ems Kastori vertelde hem dat Modula niet de planeet was, waar de kristalagenten vandaan kwamen, maar wel hun gevaarlijkste aspect. Niet-intelligent kristalmateriaal werd van Danger I naar Modula gebracht en daar door middel van een procedé dat nu nog onbekend was, geprogrammeerd werd en voorzien van intelligentie. Con Bayth liet de verkregen informatie opslaan op banden om alles op het juiste moment bij de hand te hebben. Hij bleek zelf voor Kastori een uitgedroogde nieuwsbron te wezen, toen hij hem niets anders wist te vertellen dan dat het voorlopig rustig was in de Jellico-sector. Hij beraadde zich met Kastori over stappen die ze konden ondernemen, indien van de kant van Atlan geen bevelen kwamen, en vond in de Epsalesische generaal een enigszins gereserveerde gesprekspartner, die als officier van de vloot van het zonne-imperium absoluut geen voorstellen wilde doen over het eventuele gedrag van een officier van de United Stars Organisation. De USO had zich de afgelopen eeuwen nooit anders gedragen dan als een verlengstuk van de imperiale vloot, maar was in feite een autonome organisatie, onafhankelijk van het Imperium. Ems Kastori's aarzeling was daarom begrijpelijk. Con Bayth kreeg hem tenslotte aan de praat door hem ervan te verzekeren dat dit een strikt privé gesprek was. Maar voordat Kastori zijn eerste suggestie op tafel had kunnen leggen, gebeurde dat, wat Kastori al de hele tijd had voorzien. De peilstations meldden de aankomst van één ruimteschip. Het vaartuig meldde zich zelf even later via de hyperradio. Het was de KC-7 onder bevel van captain Hirman. Hirman maakte duidelijk dat hij instructies had voor de commandant van de veertiende zware offensieve vloot.
2.
'Er zwerven steeds meer vreemdelingen met hun vreemdsoortige schepen tussen de sterren rond,' zei Iraloth. Hij sprak niet zonder bezorgdheid. Maar UI hoorde tot een ander ras en had geen ervaring met nuances in zijn manier van spreken. UI zat achter zijn bureau en was verdiept in een stapel rekenmateriaal. Iraloth stond midden in de cirkelvormige ruimte met het koepelvormige dak en tuurde naar het enige beeldscherm dat het deed. Nog steeds was de mijngang te zien, waar het roerloze lichaam van de laatste arbeider, gekleed in een vaalgroene overall, lag. 'Hoe meer hoe beter,' antwoordde UI, zonder van zijn werk op te kijken. 'We hebben mensen nodig om de mijn te exploiteren. Ik reken net uit dat de transportcontainers in ongeveer acht licht-donkers ontruimd kunnen zijn. Wij ...' 'Acht?' onderbrak Iraloth hem, verbaasd en vol respect, zonder het te willen. 1 'Ja. Acht. De afvoer is minder geworden sinds de vijand de hoofdig verwerkingsbasis heeft geblokkeerd en gedeeltelijk vernietigd.' Iraloth keek naar de grond. De twee tijdogen gaven hem de indruk dat zijn rechtervoet een millimeter naar voren gleed. Onwillekeurig en zonder dat het helemaal tot hem doordrong activeerde hij zijn spieren en schoof zijn voet naar voren. De twee fysieke ogen observeerden het proces. De balans tussen profetie en werkelijkheid was weer hersteld. Het geheel had niet langer dan een tiende eenheid geduurd en Iraloth verspilde er verder geen gedachten aan. Zulke dingen gebeurden honderden keren in de loop van een licht-donker. 'Is het tot je doorgedrongen dat wij te maken hebben met minstens twee, totaal verschillende soorten vijanden?' zei hij tenslotte tegen UI.
UI maakte een nonchalant gebaar. 'Wat maakt dat nou uit. Wij zijn onoverwinnelijk en in een mijn werken, dat kan iedereen.' Iraloth was niet tevreden. 'Wat maakt ons onoverwinnelijk?' wilde hij weten. UI maakte een verblufte indruk, als hij tenminste de uitdrukking op zijn gezicht en het opgewonden aan-en-uit-knipperen van zijn roodgloeiende tijdoog middenin zijn transparante schedel juist interpreteerde. 'De kristallen natuurlijk,' antwoordde hij met schrille stem, waarin Iraloth een ondertoon van misnoegen meende te horen, hoewel hij niet zeker was van zijn zaak. 'De kristallen vormen een wapen waar de vijand niets tegenover kan stellen, hoe hij er ook uit moge zien. Met behulp van de kristallen zullen we het universum veroveren.' Iraloth had een reeks bezwaren op de punt van zijn tong liggen maar gezien de fanatieke opvattingen van UI hield hij zijn mond maar. Uls conclusies draaide volgens hem in een cirkel rond. De kristalwinning was tot stilstand gekomen, omdat er niet genoeg gevangenen in de mijn te werk gesteld konden worden. Maar er zouden gauw genoeg nieuwe gevangenen zijn, omdat de kristallen een onoverwinnelijk wapen vormden. Iraloth kwam tot de conclusie, dat UI de situatie iets te optimistisch beoordeelde.
'Dat kan niemand,' beweerde Link Stovall.
Christopher Savv lachte stiekem. 'En zelfs als iemand het kon, dan zou hij niet durven.' Deze methode had nog steeds tot bepaalde acties geprikkeld en ook nu liep alles op rolletjes. 'Dat is een technisch probleem,' verkondigde Harper Lenn met nadruk, 'en daarom weet ik het. Het is heel eenvoudig. Je moet gewoon de hoofdantennekoker zien te vinden.'
'En voor een Tv-toestel zorgen,' voegde Link er aan toe. 'En de resultaten vervalsen, zodat het falen van het toestel niet opvalt,' maakte Christopher de lijst van zijn bezwaren vol. Harper maakte een minachtend gebaar.
'Jullie lijden aan gebrek aan fantasie. Wie kan er nu voor een heel toestel zorgen? Beeldapparatuur kan alleen met toestemming van de afdelingschef geleend worden, en die ouwe ijzervreter kennende heeft hij geen enkel begrip voor een verzoek van ons in die richting.' Er verscheen een minachtende grijns op Links gezicht. Hij draaide zich om naar Christopher Savv. 'Hij geeft het op, Chris,' zei hij. Chris haalde zijn schouders op. Toen deed Harper iets wat niet omschreven stond in het protocol van deze vijandelijk-vriendschappelijke onderhandelingen en zijn twee gesprekspartners daarom mateloos verraste: Hij draaide zich om en verliet de kleine, Spartaans ingerichte hut, die als woon- en slaapruimte diende voor de drie mannen.
Toen hij een kwartier later terugkwam, sleepte hij een plastic bak mee, met kennelijk belangrijke inhoud. Hij zette hem op de driehoekige tafel, midden in de hut, en begon zijn buit voorzichtig uit te stallen. Schakelaars, relais, bedrukte spoelen, transistors, condensators, weerstanden enzovoort kwamen tevoorschijn. Op de bodem van de bak lag een beeldbuis met de afmetingen tien bij tien centimeter, een toestel dat in laboratoria gebruikt werd bij experimenten met dieren. 'Zo,' zei Harper tevreden, toen de bak leeg was, 'dat is zo'n beetje alles wat we nodig hebben.' Het duurde even voor Link en Christopher van hun verrassing bekomen waren.
'Jij, jij bent van ...,' stotterde Link.
'... van plan om van die rommel een beeldontvanger te bouwen?' vulde Christopher aan. Harper stroopte zijn mouwen op. 'Dit is een technisch probleem. Ik heb al vaker met dit bijltje gehakt.' Hij begon te knutselen. Link en Christopher kregen de rol van knechts die voor dingen moesten zorgen, die Harper in de gauwigheid was vergeten. Ze moesten een batterij hebben een chassis voor het monteren van de schakelelementen en onder Harpers kundige handen groeide het werk met adembenemende snelheid. Hij deed maar een half uur over het in elkaar zetten van de ontvanger. Het bleek dat de hoofdantennekoker vlak langs de luitenantshutten liep. Je kon hem door een luchtkoker bereiken. Harper zelf verwijderde het rooster van de luchtafzuiger in het plafond en kroop naar de koker. Ongeveer twintig meter verderop maakte de koker een scherpe bocht. Achter die bocht lag de antenneschacht. Harper vond het vanzelfsprekend dat de antenne geleidend contact maakte met de kokerwand en soldeerde zijn antennedraad dus ook tegen de wand. Teruggekomen in de hut, zette hij de ontvanger aan. Hij was wel een beetje trots op deze prestatie. De verblijven van de jongere bemanningsleden waren niet voorzien van beeldontvangers. Je moest de rang van majoor hebben om aanspraak te kunnen maken op een hut die voorzien was van een soort venster, waarin een beeldscherm zat, waarmee je de hele omgeving van het schip kon observeren. Harper had deze regeling nog nooit ervaren als een aantasting van zijn waardigheid. Maar nu hij na bijna veertig uur nog steeds niet wist wat er in werkelijkheid gebeurde, had zijn nieuwsgierigheid het gewonnen van zijn aangeboren bescheidenheid en was hij aan het werk gegaan om zekerheid te krijgen. Niet dat hij van dit primitieve apparaat geweldige onthullingen verwachtte. Hij wilde alleen zien wat er buiten aan de hand was. Een psycholoog zou dit vermoedelijk als een geval van lichte claustrofobie bestempeld hebben.
Het beeldscherm werd lichter, zodra hij de schakelaar aanknipte. Het beeld was vlekkeloos. Je kon een stuk van een ruimtesector zien, met niet al te veel sterren. Reflexen schoven trillend over de linkerkant en dat betekende dat de kamera diffuus licht opving van een fel stralend hemellichaam, waarschijnlijk een naburige zon. In het midden van het scherm zweefde een dof gloeiende planeet. Hij had een zachtgroene kleur en Harper meende een voortdurend geglinster te zien, alsof er op het oppervlak steeds maar lampen aan-en-uit werden geknipperd.
Link en Christopher lieten blijken van waardering horen. Harper lette er nauwelijks op. Het beeld fascineerde hem. Het was makkelijk te zien, dat het schip ten opzichte van het onbekende hemellichaam, stilstond. De groene planeet moest dus een tussenhalte of het einddoel van de reis zijn. Hij keek uit naar andere satellieten van de onzichtbare zon, maar een beeldscherm van tien bij tien was niet direct het meest geschikte apparaat voor dit doel.
'Zien jullie dat geglinster?' vroeg Christopher.
'Dat wou ik net vragen,' zei Link. 'Wat is 't?'
Harper draaide aan de fokusinsteller.
'Verdomme, dat hebben jullie dus ook al gezien,' mompelde hij geringschattend. 'Snelle reactie, moet ik zeggen.'
Christopher lachte. Op Pembroke, waar Christopher Savv vandaan kwam, had lachen een betekenis gekregen die wezenlijk verschilde van het aardse lachen. Pembrokers lachten als ze het antwoord niet wisten, wanneer ze zich ergens aan ergerden, wanneer ze honger hadden. Natuurlijk ook, om de traditie levend te houden, als ze iets leuk vonden of blij waren. In het algemeen was een Pembroke-lach dus niet een uiting van welbehagen. Ze zwegen en observeerden. Een half uur verstreek. Harper meende te zien dat de planeet een paar millimeter groter was geworden. Het schip dreef er langzaam heen. Het geglinster werd duidelijker. Harper kon zien dat het niet afkomstig was van het oppervlak van de planeet. Verschillende keren zag hij lichtflitsen die duidelijk afkomstig waren van buiten de grens van de planeet.
Hij probeerde de afstand te schatten en stuitte daarbij natuurlijk op problemen. Hij kende de omvang van de planeet niet. Aannemend dat hij de omvang van de aarde had, moest de afstand nu ongeveer 400 000 kilometer bedragen. Maar hij was niet zeker van zijn zaak. 'Wat denk je ervan?' vroeg Link opeens.
'Dat zou ik zelf ook wel eens willen weten,' mompelde Harper zonder het beeldscherm uit het oog te verliezen. 'Ik..,'
Opeens zweeg hij. Wat hij ontdekte, wilde hij liever voor zich houden. Het leverde hem geen extrarespect op als hij toegaf dat hij het maar een angstaanjagende planeet vond.
'Het zaakje bevalt me niet erg,' zei Christopher, en lachte even. 'Dat ding is, ja, hoe moet ik het zeggen, een beetje angstaanjagend of zo.' Hij keek om zich heen of hij geestverwanten vond. 'Vinden jullie ook niet?'
Link knikte traag. 'Zou je kunnen zeggen,' gaf hij toe. 'Misschien komt het ook doordat ...'
Waar het volgens Link door kon komen, hoorden ze niet meer. De omroepinstallatie gaf een signaal. 'Aan alle officieren en manschappen! Boodschap van commandant vloot!' De luidspreker kraakte. Een paar seconden bleef het stil, daarna klonk de kalme stem van Con Bayth: 'U hebt zich er allemaal het hoofd over gebroken waarom we zo plotseling uit het Jellico-stelsel zijn vertrokken.
De tijd van geheimhouding is voorbij. We zijn vlakbij het doel en de gevechtshandelingen zullen zo een aanvang nemen. We bevinden ons in de buurt van het centrum van de grote Magelhaense wolk, het nieuwste krijgstoneel dat een directe samenhang schijnt te vertonen met het gebeuren in de Jellico-sector. We zitten op een afstand van ongeveer drie astronomische eenheden van een planeet die een van de bolwerken van de vijand schijnt te zijn.
Het is onze taak om niet de planeet, maar de strijdkrachten van de vijand grondig te vernietigen, die in een parkeerbaan koersen. Het is een kristalmassa die eigenaardige eigenschappen heeft. Ze zijn in staat om rationele breinen te beïnvloeden. Het mechanisme waarvan ze zich bedienen, is nog onbekend. Wij denken over parahypnose, wat niets anders wil zeggen dan dat we niet weten wat de kern van de zaak is. U hebt het een en ander over die kristallen gehoord tijdens ons verblijf in de Jellico-sector. We hebben reden om te geloven dat zij het zijn, die het gedrag van Old Man programmeren.
De kristallen hier zijn in zekere zin minder gevaarlijk dan de kristallen die rondzwierven in de Jellico-sector. Ze missen, om het zo maar eens te zeggen, het laatste facet, de definitieve programmering, die ze een soort autonome intelligentie geeft. De kristallen, die we dus moeten vernietigen, beschikken niet over verstand maar kunnen wel parahypnotische straling verspreiden, waar wij straks zeker mee te maken krijgen.
Om in ieder geval niet het slachtoffer van deze invloeden te worden hebben we de volgende voorzorgsmaatregelen getroffen: Op de eerste plaats: We vormen een grote cirkel rond de planeet en gaan niet verder dan ons geschut met gemak kan bestrijken. Ten tweede, we laten het schieten aan de automatische apparatuur over, zodat niemand van ons de kans krijgt om zwak te worden. Ten derde, We hebben de atsrogatie-computer zo geprogrammeerd dat ieder schip van de vloot na vijf uur zijn standplaats verlaat en vertrekt naar een verzamelpunt op veilige afstand van de planeet. Deze drie maatregelen moeten afdoende zijn. Schrik niet als u de komende vijf uur wensen en verlangens voelt opkomen, die u opgedrongen worden door de parahypnotische straling van de kristallen. Verzet u. Wordt de druk te groot, ga dan naar de dokter. Verder blijft u gewoon op uw post. De planeet voor ons kreeg de naam Danger I. Ik ben er zeker van dat deze naam gerechtvaardigd is. Maar ik verwacht voor ons geen noemenswaardige moeilijkheden. Ik dank u.'
De luidspreker kraakte. Harper keek zijn twee hutgenoten bedremmeld aan.
'Als je een beetje geduld had gehad,' zei Link, 'had je je die moeite kunnen besparen.'
Dit waren de instructies die admiraal Bayth via Cal Hirman had ontvangen van Atlan de Arkonide:
Vernietig het kristallen gevaar rond Danger I. Die actie heeft twee doelen. Ten eerste zal het de kristalreserve van de vijand verzwakken of totaal uitputten en op de tweede plaats zal het de Gurrads bewijzen dat we ongeveer de zelfde bedoelingen hebben als zij. Con Bayth had er onmiddellijk werk van gemaakt. Hij was in vergelijking met zijn ranggenoten een jonge man, nog lang niet boven het stadium uit, waarbij nutteloos wachten nervositeit en prikkelbaarheid oproept. Hij was blij geweest dat zijn bevelen actie garandeerden.
Binnen een paar uur had de veertiende zware vloot de afstand tussen Modula en Danger I overbrugd. De enorme schepen stormden de lineairruimte uit en vormden een grote cirkel rond de planeet. De doorsnede van die cirkel bedroeg op dit moment ongeveer 500.000 kilometer en van de parahypnotische straling die de kristallen hoog boven de atmosfeer van deze vreemde planeet verspreidden, was voorlopig niets te merken. Con Bayth was van plan om tot op een afstand van ongeveer 400.000 kilometer te naderen en daarna het vuur te openen. Ze moesten de kristallen in de parkeerbaan vernietigen zonder de planeet zelf noemenswaardig te beschadigen. Danger I was een belangrijke planeet. Ze wilden graag weten wat voor installaties de vijand op het oppervlak had staan, nadat het kristalgevaar uit de weg was geruimd. Voor het bombardement stonden kleine transformatieladingen met een explosieve kracht van niet meer dan een ton normale springstof klaar. De afstand was zo afgesteld dat de explosiegolf langs de bovenste lagen van de atmosfeer zou scheren. Met betrekking tot Atlans tweede plan hadden de peilers aan boord van het vlaggeschip Tosoma een paar minuten eerder een merkwaardige ontdekking gedaan. Op een afstand van drie astronomische eenheden van Danger I bevond zich een groepje van drie ruimteschepen. Ze verplaatsten zich niet en schenen daar te zijn om de planeet in de gaten te houden. Het was vrijwel zeker dat het Gurrad-schepen waren. Ze wisten nog maar weinig van de Gurrads. Het waren mensachtige schepsels met leeuwenmanen en leeuwenkoppen. Ze hadden ruimteschepen die uiterlijk op de bekende peerschepen leken, maar over effectievere aandrijvingsystemen beschikten. Perry Rhodan, Roi Danton en hun lotgenoten waren in handen van de Gurrads gevallen, die op hun beurt een onophoudelijke guerrilla tegen Perlianen en 'generaals' voerden. Gezien de chaotische situatie kon je het de Gurrads nauwelijks kwalijk nemen, dat ze de Terranen zonder meer als vijanden beschouwden. Een van Con Bayths opdrachten was om dit misverstand op te helderen. Zodra ze hoorden dat de vreemdelingen in hun bolvormige schepen Danger I hadden aangevallen en de kristallen vernietigd, zouden ze wel van mening veranderen. Dat hoopten ze tenminste. De Tosoma dreef langzaam op een punt af, waar ze post zouden vatten en het vuur openen. Op het centrale peilscherm in de technische centrale onder de commandobasis glinsterden de reflexpunten van de achthonderd schepen en vormden een exacte cirkel, die langzaam maar onverbiddelijk Danger I insloot.
Op een afstand van 408.000 kilometer van het eerste onverwachte voorval plaats. In de commandocentrale van de Tosoma stortte een jonge officier schreeuwend neer. 'Waar wachten jullie nog op! Land dan!' brulde hij. 'Land ... land ... land!'
Een paar minuten later begonnen de anderen ook last te krijgen. De parahypnotische straling verleidde om dichterbij te komen en te landen. Hij was monotoon maar effectief en om verdere moeilijkheden te vermijden, gaf Con Bayth opdracht dat de vloot de cirkel weer moest uitbreiden tot ze nog 418.000 kilometer van de planeet verwijderd waren.
3.
Iraloth zei:
'Het is zover. De vijand staat voor de deur en gaat aanvallen.' Daarmee vertelde hij UI natuurlijk niets nieuws. De Peruaanse commandant had op het onverwachte opduiken van achthonderd peerschepen gereageerd met het uitnodigen van een team van drie specialisten en het uitvoerig bespreken van mogelijke maatregelen. Iraloth kwam onwillekeurig onder de indruk. Hoewel hij helemaal niet wist hoe je aan een perliaan kon zien of hij door angsten werd gekweld, leek UI hem, afgemeten aan de intensiteit van het gevaar, heel rustig en druk bezig met het zoeken naar vruchtbare oplossingen voor zijn probleem en in het algemeen wel degelijk opgewassen tegen de situatie.
Het water druppelde nog langs de lijven van de Perlianen toen ze de binnenste commandokoepel van de basis binnen gingen. Ze hadden hun vrije tijd in een van de watertanks doorgebracht die speciaal voor dit doel onder het oppervlak van de planeet opgesteld stonden. De Perlianen waren, hydrogene wezens, hoewel ze met behulp van een gecompliceerd ademhalingssysteem ook in een gasatmosfeer zonder enige moeite in leven konden blijven. Maar wanneer ze maar even de kans kregen, gingen ze terug naar hun geliefde medium en veranderden in kieuwademers,been levensvorm die hun enige was geweest voor de ontwikkeling van hun tweebaans-ademhaling. UI vond het nodig om zijn ondergeschikte Iraloth tot in details in te wijden in zijn plannen. Iraloth was er echter ook bij, toen hij met zijn technici sprak en ving het nodige op. De Perlianen waren van plan de vijand te dwingen, zo dicht bij de planeet te komen, dat ze zich niet meer konden verzetten tegen de invloed van de kristallen. Terwijl ze landden, zouden de forten vlak onder het oppervlak van de planeet de vijandelijke schepen op de korrel nemen en vernietigen. De technici waren nu op de hoogte en begonnen de gecompliceerde relais van de grote schakelwand, die de helft van deze ronde wand bedekte, in te stellen. Nog een paar beeldschermen waren nu aangefloept en lieten tegen een donkergroene achtergrond ragfijne netwerken zien met een felle reflexpunt in hun midden. Het was een van de vijandelijke schepen die Uls mannen hadden uitgekozen om metingen te verrichten. UI had op dat moment niets om handen en richtte zich tot zijn ondergeschikte. Hij scheen zijn gebruikelijke angst voor de twee tijdogen verloren te hebben en gedroeg zich zo minzaam, dat Iraloth niet goed werd.
'De vijand heeft de beslissende fout gemaakt,' verklaarde de Perliaan spottend. 'Hij heeft zich te dicht in de buurt van de jachtvelden van de sabelvis gewaagd.'
Harper Lenn had zijn Tv-toestel weer gedemonteerd en de antenne uit de hoofdschacht verwijderd. Hij was blij toen dat achter de rug was. Hij zou niet graag betrapt worden bij het kijken naar een op onrechtmatige wijze verkregen Tv-toestel. Aan boord van de Tosoma werden overtredingen van het reglement streng gestraft. Veertig minuten later was de vrije tijd van de luitenants om. Ze gingen op weg naar hun werk in bedienings- en controlelaboratoria. Het laboratorium was in dit geval een grote hal waar de essentiële gecompliceerde bedieningsmechanismen van het schip waren ondergebracht en lag twee dekken onder de commandocentrale. Hoofd was captain Neil Finer, een man van Egret in het Tau-Ceti-stelsel, een man met ijzeren principes.
Harper Lenn loste de sergeant af, die tot dat ogenblik dienst had gedaan bij het accelerometersysteem. Christopher en Link werkten bij de centrale gyro-installatie. Hun werktafels stonden vlak bij die van Harper, op een soort galerij, acht meter boven de vloer van de hal. Neil Finers plaats, die iets hoger lag en van alle kanten makkelijk te zien was, lag links van Harpers panelen, ongeveer een kwart van de totale lengte van de galerij van hem verwijderd. Op de galerij werkten tachtig officieren en overige bemanningsleden. De doorsnee van de hal was ongeveer veertig meter. De reusachtige machines die voor de automatische bediening van alle scheepsinstrumenten zorgde, zoemden zachtjes.
Harper hield van dit plekje. Sinds hij meer dan een jaar geleden aan boord van de Tosoma was gegaan, een uitzondering onder de officieren van de United Stars Organisation, want de Arkonide had als regel om alleen burgers van gekoloniseerde planeten aan te stellen, maar niet van de aarde, had hij zich nog nooit zo op zijn gemak gevoeld als hier in de bedienings- en controlehal. Daar kon zelfs Neil Finer niets aan veranderen, hoewel hij dagen had, waarop hij zijn ondergeschikten het leven zo zuur mogelijk maakte. Harper hield van het lichtelijk gewelfde plafond dat uit louter licht leek te bestaan en de fascinerende machines, die ieder moment tot op een halve kilometer exact wisten op welke plek in het heelal het schip zich bevond. Hij hield van zijn werk. Hij kende zijn instrumenten van binnen en van buiten en zelfs Neil Finer, die uiterst spaarzaam placht te zijn met complimenten, moest vaak toegeven dat hij veel meer technische problemen had als Harper Lenn er niet was.
Harper was technicus van nature. Daarin verschilde hij van zijn twee hutgenoten. Die waren op de eerste plaats officier.
Harper liet zijn blikken over het instrumentenbord glijden. De grote acceleratiemeter liet een nul op de drie hoofdassen zien. De motoren van het schip lagen op dit moment stil. De computer werkte. Gevoerd met metingen van sondes en voorzien van een representatief model van het zonnestelsel, waarin de Tosoma zich bevond, berekende hij de zwaartekracht die het schip ondervond, telde het resultaat op bij de versnellingsdata en kreeg op die manier de som van de versnellende krachten waaraan Tosoma onderhevig was. Het resultaat belandde in de controlecomputer. De controlecomputer beschikte zelf over informatie langs welke route, met welke snelheid en met welke acceleratiewaarden het schip zich moest voortbewegen. Al naar gelang de resultaten van zijn analyse produceerde hij bedieningscommando’s die iedere afwijking van de genoemde waarden onmiddellijk corrigeerden.
Een rijtje gele lampjes begon te flikkeren. De computer had de invloed van de zwaartekracht berekend en gaf de informatie door aan de controlecomputer. Een verlichte wijzer op het scala van de versnellingsmeter schoot uit en vloog meteen weer terug naar het nulpunt. De veldmotor van het schip had een onderdeel van een seconde gereageerd om de Tosoma op zijn plaats te houden, te beschermen tegen de zuigkracht van het zwaartekrachtveld op die plaats. Harper pakte de microfoon die hem verbond met captain Finer en de overige panelen in de hal.
'Hier luitenant Harper, captain. Accelerometer getest en in orde bevonden!'
Van zijn verhoogde zitplaats knikte Neil Finer naar hem. Christopher en Link meldden zich even later met gelijk luidende berichten en kregen het zelfde antwoord. Captain Finer had een redelijk humeur. Als hij een slechte bui had, placht hij de boordomroepinstallatie te gebruiken, in een buitengewoon goede stemming deed hij het korte knikje met zijn hoofd vergezeld gaand van een gereserveerde groet met zijn hand.
Intussen naderde het tijdstip waarop de Tosoma en de andere schepen van het veertiende het vuur op Danger I zouden openen. In de bedienings- en controlehal, waar ze van de buitenwereld totaal waren afgesloten, nam de spanning toe. De geringe schok bij het afvuren van het transformatiegeschut zou op de versnellingsmeters en op de drie gyrokompassen te zien zijn. Harper tuurde naar de wijzerplaten. Hij kromp ineen, toen opeens vlak boven hem een luidspreker begon te bulderen. Een onbekende stem verkondigde: 'Wij openen het vuur... nu!' Verlichte wijzers sprongen over fluorescerende platen. De gele lampjes van de computer flitsten aan en uit, schijnbaar grillig. Op Christopher Savvs bureau klonk het waarschuwende geluid van een zoemer, toen door het schot het schip even rond zijn drie hoofdassen begon te draaien. Christophers magere hand schoot naar voren en schakelde de Warner uit. Alles verliep volgens programma. Automatische apparaten stabiliseerden de koers van het schip door controlesignalen te produceren die ervoor zorgden, dat het aandrijvingsysteem de door het geschut veroorzaakte versnelling compenseerde.
De gedachte schoot door Harpers hoofd, dat je van een installatie die meer dan tachtig miljoen Solar had gekost en de nieuwste kennis op het gebied van stuur- en regeltechniek in zich verenigde, terecht kon verwachten dat alles vlekkeloos functioneerde en zijn taak naar behoren vervulde.
Hij keek op, toen hij rechts van hem een dof geluid hoorde. Een van de officieren was opgestaan. Zijn gezicht was lijkbleek. Hij zwaaide wild met zijn armen en stond onsamenhangend te mompelen:
'... landen ... nietsdoen ... nodigen ons uit ... landen we niet?' Harper keek naar links. Neil Finer was de situatie meester. Hij had de microfoon in zijn hand en sprak tegen iemand, waarschijnlijk de dienstdoende officier van de ziekenboeg. De bleke officier had zijn post intussen verlaten en liep nog steeds wild met zijn armen te zwaaien. Twee anderen sprongen op en hielden hem tegen. Hij verzette zich, maar dat had niet veel te betekenen. Twee minuten later kwamen twee ziekenbroeders aangerend. De bleke persoon werd weggebracht. Een officier die geen dienst had werd opgeroepen door Neil Finer en nam zijn werk over. Dit voorval gaf Harper te denken. Hij herinnerde zich admiraal Bayths waarschuwing voor de parahypnotische capaciteiten van de kristallen, die de vloot net was gaan vernietigen. Harper onderzocht zijn bewustzijn op sporen van de vreemde invloed, maar zonder succes. Hij wist niet zeker of iemand onder invloed zijn eigen situatie van een afstand kon bekijken. Was het mogelijk dat hij al beïnvloed was, zonder het te weten? Hij vond geen drang, geen neigingen in hemzelf, die hem onnatuurlijk leken. Maar was dat een bewijs?
Hij draaide zich om en keek naar Link Stovall, die links van hem zat; 'Link, merk jij...' Link liet hem niet uitpraten. 'Geen spoor. Denk je dat je zelf ...' 'Natuurlijk,' mengde Christopher zich in het gesprek. 'Jullie hebben gehoord wat hij wilde. Hij wilde landen. Hebben jullie soms zin om op Danger I te landen?' Link schudde zijn hoofd. Harper testte zichzelf en vond geen vreemde symptomen. Hoewel hij twijfelde aan Christophers kennis op het gebied van de parapsychologie voelde hij zich opgelucht. Hij concentreerde zich weer op zijn instrumenten. De machines konden in ieder geval niet gehypnotiseerd worden!
Tien minuten verstreken, terwijl de transformatiekanonnen van de Tosoma in een soepel ritme hun dodelijke ladingen afvuurden en de verlichte wijzers op de platen begonnen te sidderen en te dansen bij ieder schot.
Toen vond het tweede voorval plaats.
Deze keer ging het om een luitenant en een korporaal die bijna tegelijkertijd opstonden en met hun armen begonnen te zwaaien en vreemde klanken uit te stoten. Het kostte Neil Finer geen moeite om de ongelukkige slachtoffers onder controle te krijgen. Vijf verplegers sleepten ze naar de ziekenboeg. Ze bleven erbij, dat ze op Danger I wilden landen en waren duidelijk verstaanbaar, tot het luik dicht viel. Harper Lenn had opeens een voorgevoel dat er groot gevaar dreigde.
Al de eerste salvo's waren behoorlijk raak. Op de beeldschermen in de commandocentrale van de Tosoma waren de explosies van het transformatiegeschut als nietige vaalblauwe flitsen te zien. Uit de meetresultaten van de energietasters bleek dat de schoten terecht kwamen op een hoogte van vijfhonderd kilometer boven het oppervlak van de planeet; dus vlak boven het niveau, waar de kristallen rondzwierven.
Intussen waren in de commandocentrale nog vijf man uitgevallen door toedoen van de kristalinvloed. Iedereen in de buurt van de centrale voelde de griezelige boodschap van de kristallen die de mannen uitnodigden om te komen en te landen, soms zwak, soms sterk. Niet altijd stortten zij het eerst in, die de signalen het krachtigst doorkregen. De mogelijkheid om de drang te weerstaan, de kracht van de eigen wil speelde een belangrijke rol.
Con Bayth voelde zich niet op zijn gemak. Het bombardement was net begonnen. Om kleine verwoestingen op het oppervlak van de planeet te veroorzaken, moeten de bommen in een langzame reeks afgeschoten worden. Het effect op de kristallen bollen was slechts zelden merkbaar. Het gebeurde veel vaker dat een kristal versplinterde onder secundaire stralingscascades dan dat hij in stukken werd gereten door de feitelijke explosie. Con Bayth rekende er op, dat hij vier tot vijf keer zoveel stukken explosief materiaal moest afvuren als er kristallen bollen waren. De vijf uur die hij oorspronkelijk had uitgetrokken voor de hele onderneming waren alleen voldoende als er geen enkele mislukking, geen enkele vorm van tijdverlies optrad. In het eerste halve uur had hij in totaal zes man verloren. Als dat zo doorging, was de commandocentrale gauw leeg. Bayth zat naast overste Astob op het voor de commandant gereserveerde podium in het midden van de ruimte. Astob volgde zwijgend de signalen van de instrumenten op zijn paneel. Hij was gezet, bijna vierkant, net als alle Epsalezen en had in zijn uniform een zwaartekrachtgenerator, die hem omhulde met de zwaartekracht die hij op zijn eigen planeet was gewend. In een veld met normale waarden voelde een Epsalees zich belemmerd in zijn bewegingen, vanwege zijn enorme spierkracht. Het bombardement verliep verder volgens plan. Regelmatig als een klok hagelden de transformatiebommen neer op de kristallen riem rondom Danger I. Maar de parahypnotische invloed werd nog steeds niet minder. In tegendeel: tijdens het tweede halve uur werden zeven mannen het slachtoffer van de mysterieuze straling en afgevoerd door de verplegers. Con Bayth had zelf het gevoel, dat de druk groter werd. Hij richtte zich tot Astob en vroeg hoe het hem verging. De overste veegde met zijn hand over zijn voorhoofd en scheen enigszins nerveus zijn bewustzijn te inspecteren.
'Ik kan het met de beste wil van de wereld niet zeggen, Sir,' zei hij tenslotte. 'Kennelijk is mijn schedel zo dik, dat maar een klein deel van de straling doordringt. Ik weet zelfs niet of ik hun boodschap wel goed begrijp.'
Con Bayth keek naar het panoramascherm. Het leek wel of de planeet groter was geworden. Maar dat verbeeldde hij zich natuurlijk maar. Bovendien was de omvang van de planeet door de wolk van kristallen en het grote aantal bommen nauwelijks te taxeren.
Binnen twintig minuten vielen er nog vier mannen uit van captain Finers team.
Dat was begrijpelijk, zei Harper Lenn bij zichzelf. De verliezen nemen toe, zolang de invloed merkbaar blijft.
Dat wil zeggen, zou het werkelijk zo gaan?
De vraag benauwde hem. Had de straling een kalminerende werking, zodat iemand die blootgesteld werd aan een uniforme dosis, naar gelang de kracht van zijn wil na tien, twintig of dertig minuten instortte? Of kwam het toenemend aantal verliezen door het toenemen van de intensiteit van de straling? Hij richtte zich tot Link en Christopher. Ze wisten geen antwoord. Hij pakte zijn microfoon en vroeg het aan Neil Finer.
'En waarom,' wilde Finer weten, 'zou de straling toenemen? We hebben gehoord dat de kristallen in principe niet over intelligentie beschikken. Zet maar uit je hoofd dat ze iets van het naderen van onze schepen gemerkt zouden hebben en daarom een krachtiger effect hebben.'
'Ik dacht aan een veel minder gecompliceerd effect,' antwoordde Harper beleefd. 'De mogelijkheid bestaat, Sir, dat we intussen de kritische afstand ten opzichte van de planeet overschreden hebben.' Neil Finer reageerde zoals te verwachten was.
'Je zit zelf achter de meest uitgekiende, gevoeligste bedienings- en controleapparatuur die het universum ooit heeft gezien,' bulderde hij zo hard, dat hij ook zonder scheepsomroep te verstaan was geweest. 'En nu denk jij dus dat het schip onder je achterwerk vandaan verdwenen is van zijn oorspronkelijke positie?'
'Zeker, Sir,' zei Harper simpel. Christopher draaide zich om. Hij tikte met zijn vinger tegen zijn voorhoofd. Harper lette er niet op. 'En, meneer de luitenant,' blafte Finer, 'hoe stelt u zich dat dan voor?' De discussie werd onderbroken. Vijf mannen die aan een hoefijzervormige tafel zaten te werken aan de andere kant van de galerij, stonden tegelijk op en vroegen met luide stem om het treffen van maatregelen voor een onmiddellijke landing op Danger I.
Neil Finer hield zich met het meest urgente bezig. De toestand was zo ernstig geworden, dat een hele colonne ziekenbroeders buiten stond te wachten. Binnen een paar minuten werden de vijf muiters overmeesterd en weggesleept. Neil Finer draaide zich weer om naar Harper. 'Ik wacht op uw antwoord, luitenant,' zei hij scherp. 'De computer werkt met een gravitatiemodel en een reeks metingen van sondes, Sir,' antwoordde Harper gehoorzaam. 'Het is mogelijk dat het model fout is of dat de omstandigheden buiten het schip zijn veranderd sinds de metingen werden uitgevoerd.'
Finer aarzelde even met antwoorden.
'Logisch gefundeerd, luitenant,' gaf hij tenslotte toe. 'Maar wel met de haren erbij gesleept. Uw bezwaren worden niet erkend.' 'Bedankt, Sir,' zei Harper en legde de microfoon weer op zijn plaats. Een transformatiekanon schoot een salvo af, waardoor de verlichte wijzers van de versnellingsmeter begonnen te dansen. Binnen tien minuten vielen er nog acht mannen om.
De commandocentrale liep langzaam leeg. Het was moeilijk om vervangers te vinden voor de mannen die uitvielen. Overal aan boord en aan boord van de andere schepen, was de toestand net zo erg als in de centrale.
Con Bayth had een snelle inventarisatie gehouden. In de commandocentrale waren twee officieren die niet gevoelig waren voor de parahypnotische invloed. Met andere woorden: Ze merkten niet dat er buiten iets was, dat hun bewustzijn binnen probeerde te dringen en over te halen om op Danger I te landen
Hij begon een nieuw plan te ontwikkelen. Door het toenemend aantal uitvallers in de centrale en de rest van het schip, werd het slagen van de onderneming twijfelachtig. Con Bayth begon rekening te houden met de mogelijkheid dat de vernietiging van de kristallen en nog veel meer dan dat, op een andere manier bewerkstelligd kon worden.
Hij beval de vloot om het tempo van het bombardement op te voeren. Er werden nog meer transformatiekanonnen ingezet en boven Danger I begon het bommen te regenen. Toch werd de intensiteit van de parahypnotische straling niet minder. Hij scheen juist weer toe te nemen. Con Bayth vond het opeens moeilijk om de vreemde drang te weerstaan. Soms betrapte hij zich er op dat hij de opgedrongen wens om op de planeet te landen als zijn eigen wens beschouwde en nadacht over een bevel in die geest. Het kostte hem steeds meer moeite om terug te keren van dit soort dwaalwegen.
Opnieuw had hij het idee dat de omvang van de planeet was toegenomen. Maar de overste had al een uur lang alleen op zijn instrumenten gekeken en had geen vergelijkingsmogelijkheid. Con Bayth greep de microfoon en drukte op de dataknop van de peilsectie. De peilers hadden tot nu toe duimen zitten draaien, omdat het schip nog steeds op de zelfde plaats was en metingen niet nodig waren. 'Bepaal de afstand tot Danger I,' hoorde Bayth zichzelf zeggen en gooide de microfoon bijna het zelfde moment al terug op de haak. Als een golf spoelde de warme wens door hem heen om naar de planeet te gaan en daar te landen. Bijna werd hij meegesleurd. Pas op het allerlaatste moment dacht hij aan zijn plicht en verzette hij zich met inspanning van al zijn krachten tegen de duivelse invloed. De parahypnotische druk ebde tenslotte langzaam weg. Con Bayth voelde zich verzwakt en had een glinsterende laag zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd. Overste Astob zag dat, toen hij zich omdraaide en tegen hem zei:
'Astob, als ik straks bevel geef om te landen, geef me dan een dreun en stop een prop in mijn mond, goed?'
Het leek wel of Neil Finer op het punt stond om te stikken. Harper pakte opnieuw de microfoon en drukte op Finers codeknop. Hij zag hoe Finer zich voorover boog, langzaam en vermoeid, alsof hij met zijn gedachten ergens anders was. Hij luisterde.
De bezetting van de regel- en controleruimte was nog maar dertig man. Vervangers waren niet meer te vinden. Zelfs de groep ziekenbroeders die buiten stond te wachten, werd steeds kleiner. 'Wat is er, Lenn?' Finers stem klonk somber. 'Ik vraag permissie om een nieuwe meting met een sonde uit te voeren, Sir.'
Finers reactie was niet zo heftig als Harper had verwacht. 'Ik hoor geen nieuws, luitenant,' antwoordde hij moe en verstrooid. 'Dat is het zelfde idee dat ik net heb afgewezen.'
'Juist, Sir. Maar intussen stapelen de bewijzen zich op.' 'Niets stapelt zich op, luitenant,' sneed Finer hem de pas af. 'Er zijn duizenden mogelijke verklaringen voor het uitvallen van bemanningsleden. Ik ben niet bereid om ook maar een halve Soli te geven voor een hersenspinsel.'
Hij zweeg abrupt. Met een doffe klap liet hij de microfoon op het paneel vallen. Harper zag hem opstaan. Hij voelde instinctief dat de loop van de zaken een kritiek punt had bereikt. Hij stond ook op, hoewel Christopher en Link bedenkelijk begonnen te kijken. 'Luisteren!' bulderde Finer, en overstemde het gezoem van de instrumenten. 'Ik denk dat ik in het belang van de meesten van ons handel, als ik bevel geef dat de computer zodanig wordt geïnstrueerd, dat...'
Harper nam een geweldige sprong en stond toen bovenop een instrumentenbord dat niet bediend werd, omdat de officier uitgevallen was. 'Nee!' loeide hij. 'Laat je niets wijsmaken! Jullie zien dat hij onder invloed van de vijand is. Hij wil het programma van de computer zo veranderen, dat het schip afdrijft naar Danger I.'
Finer zweeg en keek hem aan. Afgezien van het gezoem van de apparatuur was het doodstil in de hal. Finer glimlachte spottend en Harper begreep dat hij zijn plan niet kon uitvoeren.
'Heel verstandig, luitenant,' zei Finer. 'Ik verwachtte al tegenwerping van uw kant. Ik ben er natuurlijk zeker van dat uw standpunt een minderheidsstandpunt is.' Daar twijfelde Harper niet aan. Een stuk of twintig officieren en onderofficieren stonden op. Aan hun gezichten kon je makkelijk zien met wie ze sympathiseerden. Er waren nu nog maar vier man op hun post, zoals het reglement vereiste, en twee van hen waren Christopher en Link. Harper handelde voor de vuist weg.
Zijn kleine dienstwapen dat hij altijd bij zich had, sprong letterlijk in zijn hand. Vanaf zijn post had hij de hele hal onder controle. De wens om te landen, die opgewekt werd door de parahypnotische straling, was gelukkig niet erg agressief van aard. Niemand had deze ontwikkeling verwacht en voorlopig was Harper de situatie meester. 'Niemand beweegt zich!' bulderde hij. 'Iedereen blijft op zijn post, of ik moet toestemming geven om je te verplaatsen.'
'Muiterij!' schreeuwde Neil Finer. 'U zult zich moeten verantwoorden ...'
'Mond houden!' schreeuwde Harper. 'Je bent niet meer de baas over je eigen wil!' Zonder zich om te keren wees hij naar Chris, die scheef achter hem zat: 'Roep de verplegers! Schiet op!' 'Kom onmiddellijk naar beneden!' schreeuwde Finer. 'Gehoorzaam ogenblikkelijk, of ik laat u ...' De situatie was dreigend. Van de zijkant kwamen een paar mannen op Harper af. Harper hief zijn wapen op en vuurde een gierend waarschuwingsschot af over de hoofden van de mannen, dat in het plafond terechtkwam.
'Je blijft waar je bent,' zei hij dreigend.
De mannen gehoorzaamden eerst, maar de toestand werd steeds gevaarlijker voor Harper. Christopher zei haastig een paar woorden in de microfoon, maar toen het hoofdluik open ging, kwamen er maar vier ziekenbroeders binnen, en ook die zagen eruit, of Neil Finer niet al te veel overredingskunst nodig zou hebben om ze van gedachten te doen veranderen.
'Neem iedereen mee, die niet achter zijn paneel zit,' riep Harper tegen de mannen in de witte jassen. 'Breng ze zo snel mogelijk naar de ziekenboeg!'
De verplegers keken hulpeloos om zich heen.
'Luister niet naar die man!' schreeuwde Finer.' Hij is gek! Neem hem mee!' Harper beval Christopher: 'Oproep voor commandocentrale. Zorg ervoor, dat je de eerste technische officier aan de lijn krijgt. Vertel hem hoe de situatie hier is!' Hij had zich een onderdeel van een seconde teveel geconcentreerd op deze instructie, die hij aan Christopher wilde geven. Toen hij weer voor zich uit keek, zag hij net nog vanuit zijn linker ooghoek de verraderlijke beweging. Hij liet zich gewoon vallen. Een schot werd afgevuurd en gierde rakelings langs zijn hoofd. Neil Finer had van de gelegenheid gebruik gemaakt. Binnen een seconde was rondom de hel losgebroken. Er werd gegild, schoten loeiden door de hal, en een chaos van commando’s weerklonk. Harper besefte dat de zaak verloren was, als hij niet binnen de kortste keren lukte om Finer te overmeesteren. Op handen en voeten kroop hij over de vloer naar Finer toe, gedekt door de instrumententafels. Uit felle, fluitende signalen bleek dat ze jacht op hem maakten.
De onaangename gedachte schoot door zijn hoofd, dat ook de eerste technische officier intussen best het slachtoffer had kunnen worden van de straling. Of misschien zelfs overste Con Bayth! Het was mogelijk, dat hij van geen enkele kant meer hulp kon verwachten, dat zijn enige redding gelegen was in het overmeesteren van Neil Finer, het geven van nieuwe instructies aan de computer en het zo snel mogelijk verwijderen van het schip uit de dodelijke gevaarlijke zone, alleen, op eigen initiatief en zonder hulp.
Hij keek om een tafel heen en kon tien meter van de galerij overzien. Hij zag een stel bruine kunststof laarzen die zich snel in zijn richting verplaatsten, trok zich haastig terug en probeerde zijn geluk aan de andere kant van de tafel. 'Halt!'
De donderende stem was vlak boven hem. Hij verstijfde midden in de beweging.
'Rechterhand openen!' luidde het bevel. 'Wapen op de grond leggen, met handpalm langzaam wegschuiven!'
Hij gehoorzaamde. Hij had geen andere keuze. Hij had de stem herkend. Neil Finer was hem te vlug afgeweest.
'Opstaan! Langzaam en voorzichtig!'
Hij trok zijn knieën in en kwam langzaam overeind. Hij zou een laatste poging wagen. Hij was van plan om plotseling een sprong te nemen, Neil Finer te verrassen en hem te ontwapenen. Hij wist dat zijn kansen allesbehalve royaal waren. Finer was een uitstekend officier en zou op zijn hoede zijn. Maar hij moest het proberen. Hij spande zijn spieren en hoorde toen plotseling boven zich een kletsend geluid en een onderdeel van een seconde later een pijnlijk gekreun. De gelaarsde benen voor zijn ogen zakten langzaam opzij. Naast hem viel iets met een metaalachtig geluid op de grond. Hij aarzelde niet langer. Met zijn hoofd naar voren sprong hij overeind en beukte zijn schedel tegen Finers lichaam. De captain schoot naar achteren, botste hard tegen een andere tafel en gleed op de grond.
Een andere stem schreeuwde: 'Ik zal jullie leren! Terug naar je plaatsen! De eerste die een poot uitsteekt naar zijn wapen, krijgt een blauwe boon in zijn buik!' Dat was de stem van Link Stovall. Harper grijnsde. Ze hadden begrepen waar het om ging. Hij voelde zich ontzettend opgelucht. Hij kwam tevoorschijn en liep naar Finers onbemande commandopaneel. Vanaf dat punt kon hij het programma van de computer veranderen.
Hij liet zijn ogen snel over de instrumenten dwalen en liet zich niet afleiden door het geloei van de sirenes in de hal.
Het zenuwslopende geluid en de duizenden keren geoefende reactie op alarmsignalen bleken sterker dan de parahypnotische straling. De chaos werd gelijk minder. Ieder verstijfde midden in zijn bewegingen. Toen de sirenes niet meer loeiden, was het stil in de hal. De luidspreker op Neil Finers tafel begon te zoemen. Harper meldde zich en bracht verslag uit. 'Het schip is nog maar 370.000 kilometer verwijderd van Danger I,' hoorde hij admiraal Bayths harde stem zeggen. 'Wat is erbij jullie aan de hand, voor den duivel!'
4.
De beeldschermen werden dof.
Uls technici stonden op, liepen naar de uitgang en verlieten de commandocentrale zonder iets te zeggen. UI stond met zijn rug naar Iraloth toe en staarde naar de met controleapparatuur bedekte wand. Iraloth signaleerde de abrupte beweging waarmee hij zich tenslotte omdraaide, een tiende seconde voor hij uitgevoerd werd. Die tiende seconde was niet voldoende om bij te komen van de verrassing die Uls tevreden gezicht bij hem opwekte.
Uls woorden deden alle twijfels als sneeuw voor de zon verdwijnen. 'De eerste fase van de strijd is voorbij. We hebben een belangrijk voordeel behaald. De tweede fase zal over enkele eenheden beginnen.' Iraloth vond het nodig om zijn twijfels uit te drukken. 'Als ik het goed gezien heb, is het gelukt om de vijandelijke schepen zo dichtbij te krijgen, dat door de straling van de kristallen een groot aantal bemanningsleden uitgeschakeld kon worden. Maar de schepen zijn van plaats veranderd. De uitgevallen mannen bemannen hun posten weer. Binnen een of twee rondes zullen alle kristallen vernietigd zijn, onvervangbaar materiaal, onontbeerlijk voor het verder voeren van deze oorlog. Mag ik u vragen, waar zit dat behaalde voordeel?' UI keek hem geamuseerd aan. 'U beschikt duidelijk niet over zo'n soepele geest als kenmerkend is voor het ras van de Perlianen,' zei hij, kennelijk genietend van zijn superioriteit. 'Wat u gedurende de afgelopen ronde hebt waargenomen, was alleen maar het aanloopje voor een groots opgezet schouwspel, aan het eind waarvan de vloot totaal vernietigd zal zijn. Wat de vijand nu heeft meegemaakt, was een zachte kieteling in vergelijking met dat, wat ze nog te wachten staat, net genoeg om zijn nieuwsgierigheid te prikkelen.'
Meer wilde UI niet zeggen. Iraloth voelde zich helemaal niet op zijn gemak. Zijn onwrikbare geloof in het tactische genie van de Perlianen was verdwenen. Bestond de mogelijkheid misschien, zo vroeg hij zich af, dat UI zich te buiten ging aan vreemde fantasieën?
De manier waarop de vijand een vloot van achthonderd goed uitgeruste schepen bij de neus had genomen en om de tuin had geleid, werd aan boord van de Tosoma als een sensatie beschouwd. Nadat het peilstation had vastgesteld dat de vloot de kritische grens ten opzichte van de planeet had overschreden, waren alle eenheden zo snel mogelijk teruggetrokken uit de gevaarlijke parahypnotische zone. Maar al tijdens deze manoeuvre begonnen Christopher Savv en Link Stovall te zoeken naar de oorzaak van deze regiefout en daarbij kwamen interessante bijzonderheden aan het daglicht. Niet zichtbaar voor peilers en tasters, die bijna continu verblind werden door de activiteit van de transformatiekanonnen, had de vijand zijn basis omringd met een cirkel kleine, maar krachtige zwaartekrachtgeneratoren. De generatoren wekten een kunstmatig zwaartekrachtveld op, dat invloed had op de schepen en ze naar Danger I sleurde. De invloed van een uitwendig zwaartekrachtveld kon door de acceleratiemeter aan boord niet worden gemeten. De controlecomputer werkte met het resultaat van sondemetingen en het model van een globaal gravitatieveld, zoals dat geëxisteerd had voor het inzetten van de vijandelijke generatoren. Zolang de geniepige apparaten niet werden gesignaleerd werden door rechtstreekse peiling waren de achthonderd schepen hulpeloos aan die invloed overgeleverd.
Con Bayth begreep dat zijn actie bijna door een belangrijk neveneffect verstoord was. Nog een uur, en zijn hele vloot was onder invloed van de kristallen naar Danger I gesleurd en geland.
De vijand had bewezen dat hem groter respect toekwam dan ze hem tot nu toe hadden gegeven. Con Bayth liet de vloot dadelijk weer inspecteren, toen de eerste verwarring gesust was, maar meer dan zeventig procent van zijn bemanningsleden bevond zich nog in de ziekenboeg of moest door een arts behandeld worden. De symptomen van de parahypnotische beïnvloeding waren totaal verdwenen. Maar Con Bayth wilde zeker van zijn zaak zijn voor hij zijn mannen weer op hun post liet staan. Hij zelf stond erop, door een arts onderzocht te worden en kreeg de garantie, dat hem helemaal niets mankeerde. Maar toen de schepen zich begonnen op te stellen in een cirkel met een middellijn van meer dan 800.000 km om het bombardement van de kristalmassa's voort te zetten, voelden ze het voortdurende lokken van de kristallen weer en was het resultaat, zo vlak na de aanvankelijke opluchting, een toestand van angst en onrust in de gangen en hallen van de Terraanse ruimteschepen. Het leek wel of het nu pas tot de mannen doordrong, dat ze in feite net ontsnapt waren aan een mysterieus, gruwelijk gevaar, waar ze opeens weer mee werden geconfronteerd en waar ze niet veel tegen konden doen met de wapens waar ze juist zoveel van hadden verwacht.
Con Bayth had zelf ook last van het kruipende gevoel van inferioriteit, van de mindere te zijn ten opzichte van een vijand die zelf niet met verstand was begiftigd en toch bijna een hele ruimtevloot had uitgeschakeld.
De admiraal wist hoe hij daarop moest reageren. De kristallen moesten worden vernietigd, en wel zo snel mogelijk. Het had geen zin meer om het oppervlak van de planeet te willen sparen. De kristallen moesten weg, dat was de eerste eis!
Het transformatiegeschut zette zijn activiteiten voort. De projectielen die ze in de vorm van een superdimensionale stralenbundel afschoten, om ze in de buurt van het doel daarna stoffelijk te laten worden, hadden nu een explosieve werking die gelijk stond aan tien gigaton traditioneel dynamiet. De intensiteit van de lichtflitsen die vlak langs het oppervlak van Danger I schoten, was veel groter en de explosies volgden elkaar veel sneller op.
Voor de eerste keer voelden ze de parahypnotische straling minder worden. Terwijl reusachtige hoeveelheden kristal vernietigd werden in een atomaire baaierd van transformatiesalvo's, merkte Con Bayth, dat de wens om op de planeet te landen werd verdrongen door andere wensen en dat de invloed op het denkproces snel afnam.
De stemming aan boord van de achthonderd schepen werd wat beter. De eerste sporen van succes maakten de bemanning duidelijk dat ze te vroeg waren geweest met wanhopen. Nog een uur of twee en die duivelse serpenten, die vervloekte kristallen waren uitgeroeid.
Het zou altijd een raadsel blijven hoeveel de Perliaan UI eigenlijk van de Terraanse mentaliteit wist. Vaststaat evenwel dat hij het opbloeiende optimisme trof op het moment dat hij nog niet helemaal zeker was van zichzelf en daarom nog behoorlijk kwetsbaar was.
De wijzers op de schalen begonnen te dansen. Als razend schoten de dunne, blauwwitte verlichte wijzers heen en weer, stonden een onderdeel van een seconde stil en huppelden weer verder. Voordat Harper op de alarmknop kon drukken, kreeg hij een bijna fysiek voelbaar bewijs voor zijn vermoeden dat er iets niet in orde was. Een hevige schok liep door de bodem van de hal, waardoor hij een decimeter de lucht in veerde. Uit de verte klonk geratel van apparaten die zich losgewerkt hadden. Bij het monteren van de apparatuur hield men er rekening mee dat er aan boord sprake zou zijn van een weliswaar kunstmatige, maar constante zwaartekracht. De alarmsirenes begonnen bijna op hetzelfde moment te loeien. Een blikken stem zei via de boordomroep: 'De hele vloot ligt onder vijandelijk vuur! Ik herhaal ...' Een tweede schok ging door het schip. Harper klampte zich aan de rand van zijn tafel vast om niet met stoel en al weggeslingerd te worden. Op hetzelfde ogenblik zag hij de wijzer op de capaciteitsmeter opeens 'nul' naderen. De boordomroeper meldde zich nogmaals. 'Beschermende velden met maximale capaciteit opgetrokken, aan alle energieverbruikers, minder energie gebruiken!' Daarna hield het geschommel van het schip op. De Tosoma werd nu omhuld door veiligheidsschermen die opgewassen waren tegen de meest moorddadige bombardementen. De rust aan boord van het schip was hersteld, maar de schermen verbruikten ongehoorde massa's energie en de kans was groot dat belangrijke functies tijdelijk uitgeschakeld moesten worden om de generatoren te ontlasten. Harper zat achter Neil Finers commandopaneel, op bevel van de eerste technische officier en wenste van ganser harte dat iemand de moeite zou nemen om ook de jongere officieren uit te leggen wat er gaande was.
De hal was weer voor de helft bezet. Neil Finer werd nog behandeld. Harper sprak stuk voor stuk met de officieren die de hoofduitgangen van het gecompliceerde bedienings- en controleapparaat in de gaten hielden en vergewiste zich ervan, dat de automatische besturing van het schip nog goed functioneerde. Uit gegevens van de controlecomputer bleek dat in ieder geval op dit moment nog geen sprake was van een verandering van programma. De scheepsstaf was kennelijk van plan om de oude koers aan te houden. Dat betekende dat men het vijandelijke vuur niet zo belangrijk vond.
De onzekerheid bleef. De schokken voelde je niet meer, maar de lichtnaalden van de versnellingsmeter bleven dansen, zodat het vijandelijke bombardement dus nog niet was gestaakt. De gedachte schoot door Harpers hoofd, dat de vijand het trommelvuur misschien alleen als afleidingsmanoeuvre gebruikte om ongemerkt nieuwe zwaartekrachtgeneratoren naar de omgeving van het schip te loodsen. Hij voerde een derde meting met een sonde uit; maar uit de resultaten viel niet veel op te maken. De explosies van het vijandelijk geschut veroorzaakten zoveel krachtige storende effecten, dat de sondes hun taak niet konden vervullen.
Harper vond dit een bedenkelijke toestand en gaf dit door aan de commandocentrale. De eerste technische officier verzekerde hem dat Danger I voortdurend in de gaten werd gehouden en dat iedere onvoorziene stap in de richting van deze vreemde planeet beantwoord zou worden met het herprogrammeren van de computer. Verder kwam Harper niets aan de weet. De mannen in de hal moesten het zelf maar uitzoeken met hun ongerustheid die maar een klein beetje werd getemperd door het feit, dat van de parahypnotische invloed van de kristallen bijna niets meer te bespeuren was. Ongeveer een half uur verstreek in deze droevige stemming, en de wijzers van de versnellingsmeter bleven hun nerveuze dans meedansen, toen de boordomroep plotseling een signaal gaf.
'commandant aan iedereen!' Dat was de donderende stem van overste Astob. 'Aanhoudend hevig vuur van vijandelijke bases dwingt ons tot nieuwe maatregelen. In de loop van het komende uur zal een divisie gevechtsrobots boven de planeet gedropt worden. Het is de wens van de vlootcommandeur dat die vergezeld worden door enkele geoefende officieren. Wij weten dat er mannen zijn, die immuun zijn voor de parahypnotische straling. Wie denkt dat hij immuun is en minstens de rang van luitenant heeft, melde zich nu in de commandocentrale. Dit bevel geldt tot het herroepen wordt.'
Harper stond al op. Hij keek naar de panelen van Christopher en Link.
'Dat is iets voor ons, jongens!' schreeuwde hij hard.
De volgende twintig minuten gingen razendsnel voorbij. Tussen het inpakken en aantrekken van de gevechtspakken door hoorden Harper en zijn vrienden, dat behalve hun drieën nog vier officieren waren, die de robots vergezelden en op Danger I zouden landen. Van geen van de mannen stond vast of ze werkelijk immuun waren voor de parahypnotische straling. Voor een onderzoek was geen tijd meer. Ze moesten afgaan op de waarnemingen die de mannen zelf hadden gedaan, terwijl ze binnen de invloedssfeer van de kristallen waren. De robotdivisie werd vervoerd aan boord van acht korvetten. Nog tien korvetten, gedeeltelijk van andere eenheden van de vloot, stonden klaar om door middel van langeafstandsbediening mee te vliegen met de door robots bemande vaartuigen en de vijandelijke controleapparatuur in verwarring te brengen. Ze moesten rekenen op het verlies van een paar korvetten. De robots hadden eigen motoren en konden, indien het neerschieten van hun vaartuig op niet minder dan 50.000 km afstand van de planeet plaatsvond, zelfstandig Danger I bereiken. Voor de zeven officieren waren kleine reddingssloepen beschikbaar, waar ze tijdens de heenvlucht in moesten zitten om op ieder moment een noodstart te kunnen maken.
Harper hoorde ook dat de kristallen schaal rond de planeet totaal vernietigd was. Dat er toch nog sprake was van geringe hypnotische straling die door gevoeligere breinen werd geregistreerd, bewees dat er ook onder het oppervlak nog behoorlijke hoeveelheden kristal opgeslagen moesten zijn. De meest gangbare hypothese was, dat de resterende straling afkomstig was uit aderen die in het oergesteente vlak onder het oppervlak van de planeet lagen. Men vermoedde dat de vijandelijke basis voornamelijk uit mijnen bestond, waar de kristalmassa werd bedolven. Op Danger zou dus een behoorlijk hoge stralingsgraad heersen. Om die reden had Con Bayth robots en immune wezens in moeten zetten. Het vijandelijke vuur kwam van meer dan vijftien, moeilijk van elkaar te onderscheiden punten. Ze namen aan dat de vijand daar ondergrondse forten had aangelegd. Het was de taak van de robotdivisie om die forten te bezetten en het geschut tot zwijgen te brengen. De
projectielen waren simpele raketten met nucleaire springkoppen en ionenmotoren die door een tot nu toe onbekend mechanisme naar hun doel werden getransporteerd. Terwijl ze voor Con Bayth en konsoorten geen direct gevaar vormden, waren ze toch een bron van voortdurend ongemak en maakten ze belangrijke metingen onmogelijk, zodat de admiraal besloten had om ze voor eens en voor altijd uit de weg te ruimen.
De zeven immune wezens werden aan boord van twee verschillende korvetten in twee sloepen ondergebracht. Het was hun taak om het optreden van de robotdivisie in het oog te houden en in geval van nood te dirigeren. Captain Brewster van de peilgroep had het commando over het kleine groepje, maar dit stelde in feite niet veel voor, want de twee groepen zouden op een afstand van elkaar in verschillende regionen opereren en op eigen houtje handelen. Harper, Christopher en Link vormden een groep, de andere bestond uit Brewster en zijn drie mannen. Alle deelnemers kregen een klein geluidsbandje met inlichtingen over Danger I, dat ze op de heenweg moesten afdraaien en goed in hun hoofd prenten. Ze waren allemaal voorzien van een ruimteveiligheidspak; want hoewel de atmosfeer van de planeet kennelijk ingeademd kon worden, bestond de mogelijkheid dat door het voortdurende met transformatiebommen veranderingen in de structuur teweeg gebracht waren, die gevaar konden opleveren voor het menselijk organisme. Bovendien was er vrijwel niets bekend van de klimatologische toestand op Danger I. Als bescherming tegen kou, hitte en stormen was er niets meer geschikt dan een ruimtepak.
Harper, Christopher en Link persten zich in de kleine stuur- en passagiersruimte van de sloep. Het vertrek vond zonder enig ceremonieel plaats. Het werd duidelijk dat Con Bayth het eerste het beste idee had uitgevoerd, dat in hem was opgekomen.
Uit het oogpunt van strategie was de situatie van de veertiende offensieve vloot allesbehalve gunstig te noemen. Con Bayth had strikte orders om Danger I niet zwaarder te beschadigen dan noodzakelijk was, omdat men aannam dat de vijandelijke installaties, als ze in Terraanse handen vielen, de sleutel zouden vormen voor een paar belangrijke geheimen, waar strategen en geleerden zich al enige tijd het hoofd over hadden gebroken. Maar gericht vuur op de forten van de vijand vanaf een afstand van meer dan 400 000 kilometer was niet mogelijk. Dichter bij de planeet komen, ongeveer tot een zekere vuurafstand van 80 tot 100 000 kilometer, kon niet vanwege de para-hypnotische straling die afkomstig was van de kristallen in het gesteente.
Het inzetten van een robotdivisie was volgens Con Bayth de enige uitweg uit dit dilemma. Hij had besloten deze stap te nemen, nadat hij na een korte berekening tot de slotsom was gekomen dat de vuurkracht van ongeveer tienduizend robots die van de vijand overtrof een schatting die gebaseerd was op de intensiteit van de salvo's, afkomstig van de forten. Als hij zich had vergist, waren de robots verloren en de zeven mannen, die ze vergezelden. Con Bayth was zich bewust van dit risico, maar hij moest het wel nemen. De planeet was te gevaarlijk, te waardevol om hem in handen van de vijand te laten. Hier kwam het gevaar vandaan, dat sinds kort de hele Galaxis bedreigde. Hier kwam de plaag van de kristalagenten vandaan, waar zelfs de machtigste ruimtevloot niet tegen opgewassen was.
In Uls ronde, glazen, transparante schedel floepte het rode tijdoog vol verwachting aan en uit. Op een paar beeldschermen die de Perliaan net weer in bedrijf had gesteld, gloeiden kleine, glinsterende puntjes, die snel lichter en groter werden, alsof ze naar de kamera vlogen. Iraloth begon het te begrijpen. 'Ze proberen te landen,' zei hij, in een poging UI meer informatie te ontlokken. Hij had succes.
UI maakte gebruik van de gelegenheid om de genialiteit van zijn strategie te bewijzen.
'Natuurlijk. Dat is hun enige keuze. Ze hebben de kristallen vernietigd; maar dat is niet alles, wat ze willen. Ze willen deze basis. En die kunnen ze alleen maar in handen krijgen door te landen.'
Verschillende dingen begreep Iraloth niet. Bijvoorbeeld: 'Hoe komt het dat ze een landing wagen, hoewel ze bang moeten zijn voor de straling?'
UI maakte een uiterst superieure indruk. 'Zie je die vaartuigen, waarmee ze oprukken? Ze zijn kleiner dan de schepen van de ruimtevloot. Verder zijn het er maar achttien. Het is een klein deel van de vijandelijke strijdkrachten, waarmee we hier te maken hebben. Waarschijnlijk bestaat hij uit wezens die niet gevoelig zijn voorde straling. Of de vijand heeft een anti-middel ontwikkeld tegen de straling, waarvan ze nog niet genoeg hebben geproduceerd om al hun mensen te beschermen.' Iraloth keek peinzend naar de beeldschermen.
'Een erg klein groepje, bij nader inzien,' zei hij.
'Dat was te verwachten,' antwoordde UI.
Iraloth keek hem vragend aan. UI begreep zijn gezichtsuitdrukking waarschijnlijk niet maar hij nam de gelegenheid te baat om iets te zeggen.
'Je moet veronderstellen,' zei hij, 'dat de vijand over een groter aantal immune wezens beschikt. Voor ze besloten om te landen, hebben ze uitgerekend op hoeveel verzet ze konden rekenen. Er was een aanknopingspunt: Het vuur van onze batterijen. Door aan te nemen, dat wij hier op volle toeren draaien, onderschat hij onze capaciteit grenzeloos. Hij loopt, 'het tijdoog kwam een paar eenheden lang tot stilstand en liet op die manier merken dat UI zeer tevreden was met zijn huidige toestand,' in een zorgvuldig opgestelde val.'
Iraloths respect voor de Perliaan begon weer toe te nemen.
5.
Op een klein beeldscherm zagen ze de geelbruine planeet op zich afstormen.
'Ik heb me wel eens zekerder van mezelf gevoeld,' zei Link, en zijn stem klonk somber in Harpers helmontvanger.
Christopher lachte uit gewoonte -helemaal niet omdat hij zo blij was.
Harper zelf had het benauwd. Hij had naar de band geluisterd, zoals hem was opgedragen en daarbij was het hem opgevallen dat de informatie over Danger I zeer karig was. Ze geloofden dat er in totaal achttien ruimteforten waren. Ze namen aan dat ieder fort voorzien was van lanceerinstallaties voor automatische raketten, geschikt voor gebruik in de ruimte, voor gevechten op het oppervlak van de planeet en op korte afstand toch maar over geringe vuurkracht beschikte. Men veronderstelde dat de voornaamste basis van de vijand in de buurt van de evenaar lag, op een meridiaan die ze willekeurig 'nul' hadden genoemd; want daar schenen een hoop forten te zijn, alsof er iets belangrijks te verdedigen viel. Dat was ongeveer alles. Ze namen aan, ze veronderstelden, ze geloofden. Niemand wist iets. Harper tuurde naar het beeldscherm. Hij dwong zichzelf om de structuur van het oppervlak tot in de details te bestuderen en belangrijke kenmerken in zijn geheugen te prenten. Hij was er niet zeker van of hij er ooit iets mee zou kunnen beginnen, maar door zijn verstand te gebruiken, verhinderde hij het om op eigen houtje sombere gedachtewebben te spinnen en vreemde associaties te produceren.
De randen van de planeet schoven over de randen van het beeldscherm. Vanaf een hoogte van ongeveer vijfduizend kilometer zag Harper een woestijnachtig gebied waar bergketens doorheen liepen, waarboven de zon op dit moment aan de oostelijke horizon opging. Een lichte nevelsluier lag over het beeld, fijn verdeelde massa's stof en zand dat door de explosies van de transformatiebommen opwaaide en de stratosfeer in gezogen werd. De vloot had het vuren gestaakt. Er waren geen kristallen meer, die in een baan buiten de atmosfeer van Danger I rondcirkelden, hoog boven het oppervlak van de planeet. Wel had Harper gerekend op vuur uit de forten van de vijand. Maar of Con Bayth had gelijk en de vijand beschikte op korte afstand niet over grote capaciteit, of hij had zijn eigen plannen over het optreden van de landingstroepen. Helemaal aan de periferie bestond natuurlijk de mogelijkheid dat de vijand niets merkte van het naderen van deze troepen; maar daar wilde hij zich niet op verkijken, besloot Harper. De teleurstelling zou in dat geval des te pijnlijker zijn. Met indrukwekkende snelheid daalde het korvet. De omtrekken van de woestijn op het scherm stoven alle kanten op, alsof ze door een felle wind werden weggeblazen. Wat overbleef was een dalkom die aan alle kanten omringd werd door steile rotsen. Het vaartuig koerste op het midden van het dal af. De hoogte bedroeg nu niet meer dan veertig kilometer. De remaggregaten kwamen in werking en begonnen de val te vertragen. Harper herinnerde zich, wat hij van de band had geleerd. De landing vond plaats, ongeveer een halve breedtegraad ten zuiden van de evenaar, vlakbij de nulmeridiaan. Binnen een straal van driehonderd kilometer bevonden zich vier van de in totaal achttien forten, die door de Tosoma waren gesignaleerd en gepeild.
Het korvet gleed het dal in. Stof en zand waaiden op en benamen even het uitzicht. Toen het beeldscherm weer helder werd, stond het vaartuig al op de grond. Link drukte op de knop voor het openen van het kleine sluisluik. 'Ik zou wel eens willen weten waarom we eigenlijk in zo'n sardineblikje geperst zijn,' bromde hij ontevreden.
'Omdat olie schokken absorbeert,' zei Christopher lachend. Christopher, dacht Harper, had altijd al een uitgesproken gevoel voor humor gehad.
Door de kleine mansluis kropen ze stuk voor stuk naar buiten naar de grotere hangarsluis van het korvet. De hangar was leeg, maar overal hoorde je dreunende, bijna ritmische geluiden. De robots verlieten het schip.
Ze gingen de sluis uit. De onderkant van de sluis lag ongeveer vier meter boven de grond. Ze sprongen naar beneden. De zwaartekracht van de planeet verschilde niet veel van die op aarde. Harper kwam hard neer en vloekte.
Daarna keek hij om zich heen. De ronde, glimmende romp van het schip had plotseling gaten gekregen. Overal stonden luiken open en uit die luiken stroomden robots, de een na de ander, in een continue stroom. In totaal vier korvetten waren in de dalkom geland. Die hadden allemaal een bemanning van 1.250 gevechtsmachines. De robots, val- en vliegwaardig, landden soepel na een sprong vanuit vaak behoorlijk hoge openingen en stelden zich op.
Het dal dat zo te zien de vorm van een cirkel had, had volgens Harper een doorsnede van acht kilometer. De omringende bergen boden een troosteloze aanblik. Vaalbruine rotsmassa's, hier en daar met losse, onvruchtbare aarde bedekt, rezen duizenden meters hoog op, aangevreten door de wind, afgeslepen door drijfzand, grillige producten van een zieke fantasie. De hemel daarboven was grauw en vol voortjagende wolken. Harpers thermometer aan zijn linkerpols gaf 32 graden Celsius aan.
De helmontvanger reproduceerde de geluiden van de robots. Knorrend, zoemend, fluitend, gierend, maar ook volkomen geruisloos, stelden ze zich op. Het van boord gaan vond plaats met de benodigde snelheid. Binnen acht minuten na de landing waren de schepen leeg. De robotdivisie bestond uit ongeveer tien verschillende types, met een verschillend uiterlijk. Het waren zonder uitzondering machinewezens van de vierde generatie, die pas sinds een paar jaar gefabriceerd werden. Alleen het voortbewegingsmechanisme hadden ze gemeen, dat uit een reeks beklede tandwielen bestond en in geval van nood door een kunstmatig zwaartekrachtveld ondersteund kon worden. Verder was de robot zo gevormd als het meest functioneel was voor de taken die hij had te verrichten.
Drie machinewezens met een zelfde uiterlijk kwamen naar de plek gerold, waar Harper en zijn mannen de gebeurtenissen in het dal gadesloegen. Ze leken op miniatuurpantserwagens uit lang vervlogen tijden, met dit onbelangrijke verschil dat de toren met zijn voorkant de carrosserie prompt afsloot. De zijkant van de toren verhief zich ongeveer anderhalve meter boven de grond. Achter de toren strekte zich tot aan de achtersteven van de robot een vlakke plaat uit, die in het midden uitgebouwd was tot een lage zitplaats. Dit robottype had de codenaam Paladijn gekregen. Hij kon een radiomeet-, een algemene werk-, gevechts-, peil- of tasterrobot zijn. Wat hem een bijzondere naam gaf, was het feit, dat hij uitgerust was voor het transport van een mens. De drie luitenants hadden bij het afspoelen van de geluidsband te horen gekregen dat er voor ieder van hen zo'n voertuig klaarstond. Ze sprongen er bovenop. In de achtersteven van de robot zat een klein schakelpaneel met behulp waarvan de passagier de robot een beperkt aantal instructies kon geven. Voor verstrekkender bevelen was er een impulskabel die van een contact in het ruimtepak van de passagier naar een ruimte onder het schakelpaneel liep en de akoestische verbinding verzorgde tussen robot en mens. Een gecompliceerd mechanisme stelde het machinewezen in staat om akoestische signalen om te zetten in positronische bevelen en zo uit te voeren, alsof ze opgenomen waren in zijn programma. De drie Paladijnen bleven eerst stokstijf staan, nadat hun berijders ze bestegen hadden. Harper kende hun programma's in grote trekken en wist dat ze zich pas in beweging zouden zetten, wanneer de overige robots geformeerd waren en de helft van de divisie klaar was om weg te marcheren. Voor de tiende keer liet Harper zijn blikken over de bergen dwalen. Hij voelde zich niet op zijn gemak, keek eens opzij en stelde vast dat het Link en Chris hetzelfde verging. Christopher grijnsde achter zijn helmvizier, maar het was meer het tonen van de tanden en zijn ogen waren smalle spleetjes, alsof hij ergens door werd verblind. Harper hoorde Links stem in de helmontvanger:
"t Bevalt me hier helemaal niet! Volgens mij is 't een val!' Harper gaf hem gelijk. Ongeduldig inspecteerde hij de robots. Intussen was er orde in de schijnbare chaos gekomen. De machines stonden voor het grootste deel keurig in het gelid en waren klaar om aan te vallen. Hij kon zich zonder moeite voorstellen wat voor verwoestingen een enkele atoombom zou aanrichten in de dalkom. Haastige spoed was het parool nu. Hij wist dat dit parool in de programma's van de robots opgeslagen was. Toch haalde hij de kabel tevoorschijn, maakte hem vast aan het contact in zijn pak en vroeg aan de robot: 'Wanneer vindt het vertrek plaats?' Het antwoord volgde prompt: 'Vertrek vindt plaats over vier en een halve minuut.' 'Is er bezwaar tegen dat we ons van de troep verwijderen?' 'Geen bezwaar,' stelde de mechanische stem vast. 'Je kent de marsroute?' 'Marsroute bekend.' Harper keek zijn twee lotgenoten vragend aan. Ze antwoordden met opgewekte hoofdknikjes. 'Karren maar!' zei Harper. 'Snelheid ongeveer twintig kilometer per uur op vlak terrein. We willen de rest niet uit het oog verliezen.' De drie Paladijnen zetten zich in beweging. Ze beschreven een bocht rond de zich formerende groep robots en mikten op het randgebergte van de dalkom, een richting die door Harpers polskompas als Noordnoordwest werd genoteerd. De plek leek op het eerste gezicht mateloos ongunstig; maar nauwelijks hadden ze een barrière van ongeveer vijftig meter hoog overmeesterd, of ze konden tussen twee grillige bergtoppen door in een pas kijken, die bijna helemaal vrij van hindernissen was.
Beneden in het dal zetten de eerste robots zich nu in beweging. Ze vormden drie afdelingen die allemaal op een andere manier het dal probeerden te verlaten. Een daarvan beklom de barrière die Harper en zijn vrienden net hadden bedwongen.
'Voorwaarts!' beval Harper zijn voertuig.
De Paladijnen marcheerden weg. De pas slingerde zich ongeveer drie kwart kilometer tussen de bergen door en kwam daarna uit bij een tamelijk steile, met stenen bezaaide vlakte aan de noordwestelijke kant van het gebergte. Harper liet zijn robot een minuut stilstaan om dit tafereel rustig in zich op te kunnen nemen. Ten westen van het kleine gebergte dat de dalkom omgaf, strekte zich een troosteloze zandvlakte uit, zover als het oog reikte. Dat was niet ver, zoals Harper snel moest toegeven. Want een behoorlijk krachtige wind woei over de vlakte en blies stofwolken voor zich uit, die het uitzicht belemmerden. In het Noordwesten, achter het stofgordijn, schenen zich de omtrekken van een langgerekt gebergte uit te strekken; maar Harper was niet zeker van zijn zaak. Nergens, zo moest hij met enige teleurstelling vaststellen, was er ook maar een spoor van een fort te vinden.
Hij voelde zich plotseling zo hulpeloos. Met wat voor waanzinnige onderneming had hij zich ingelaten voor hem lag een vijandelijke planeet, onbekend en met een oppervlak dat vier keer groter was dan van de aarde. Wie had het idiote idee gehad dat een robotdivisie hier iets kon uitrichten - een misdadig omvangrijke bewapening van de vijand weerstaan, die iedere plooi in het oppervlak van de planeet bovendien als schuilplaats kon gebruiken?
Christopher moest naar hem gekeken hebben.
'Je hoeft je niet te schamen,' zei hij geïrriteerd. 'Ik voel me net zo.' Link, tot nu toe in gedachten verzonken, schrok.
'Wie ... wat? Wie voelt zich ...?' 'Man van Passa!' onderbrak Christopher hem met stentorstem. 'We hebben je nodig. Word wakker! Harper en ik hebben net vastgesteld dat we doodsbang zijn.' Link maakte een vaag gebaar. 'Waarom? Er is toch niets aan de hand?'
Christopher glimlachte. 'Vooruit dan, vrienden! Eentje heeft er nog moed!' 'Natuurlijk ...' bromde Link. '... ook al is 't maar een vorm van domheid,' voltooide Christopher zijn zin.
De eerste robotcolonnes naderden in de pas. Harper gaf zijn Paladijn bevel om weg te marcheren. Voorzichtig, gebruik makend van de antizwaartekrachtapparatuur, gleden de robots over de helling naar beneden en bereikten een kwartier later de zanderige bodem van de woestijn.
Harper voelde de angst zijn keel dichtsnoeren.
'Tot nu toe verloopt alles volgens plan, Sir,' meldde overste Aston met dreunende stem. 'Radiocontact met beide parten van de divisie. De landing verliep soepel. Nog geen contact met de vijand. colonne nummer een onder leiding van Brewster denkt binnen veertien minuten het doelgebied te bereiken. colonne nummer twee onder leiding van Lenn drie minuten later.'
Con Bayth bedankte afwezig. Afgemeten aan het nieuws dat hij te horen kreeg, voelde hij zich miserabel. Hij probeerde zich wijs te maken, dat hij geen reden had om bezorgd te zijn. Alles klopte als een bus. Bijna te mooi om waar te kunnen zijn.
Het bombardement van de vijandelijke forts ging met onverminderde felheid verder. Het leek net of de , vijand niet had gemerkt dat er een vijandelijke invasie had plaatsgevonden. De tien uit de verte bestuurde schepen die met de acht landingsschepen waren meegevlogen, om de vijandelijke bases een extra doelwit te geven en de eigenlijke gevaarlijke vaartuigen met hun vracht van robots en zeven officieren, tegen ieder gevaar te beschermen, waren heelhuids teruggekomen. Geen enkel salvo was in hun richting afgevuurd. Zelfs als de vijandelijke forten geheel geautomatiseerd waren en je bovendien aannam dat de vijandelijke robottechniek inferieur was aan de aardse, zelfs in dat geval bleef het onbegrijpelijk waarom de vijand een groep van achttien naderende ruimteschepen en de landing van acht vaartuigen uit die groep, met een vracht van tienduizend zwaarbewapende robots, volkomen ontgaan zou zijn. Er moest iets anders achter zitten. Maar wat?
Con Bayth speelde een minuut met de gedachte om de landingspatrouille zo snel mogelijk terug te roepen.
Dat idee verwierp hij tenslotte. Op deze manier zouden ze niets aan de weet komen; en kennis vergaren was een van de belangrijkste opdrachten van dit commando.
Bij het bereiken van een bepaalde drempel kostte het UI de grootste moeite om zijn blijde opwinding te verbergen, zelfs voor Iraloths ongeoefende ogen. Het trillen van de rode massa achter Uls doorzichtige voorhoofd had intussen een bepaald ritme gekregen en had nu een frequentie van meer dan twintig per eenheid. Vanuit Iraloths gezichtspunt gezien zag het tijdoog van de Perliaan eruit als een lange, brede rode streep, die zich uitstrekte van zijn beide fysieke ogen tot aan de onderkant van zijn schedeldak.
Twee beeldschermen stonden aan. Vlak woestijngebied was er te zien, meer niet. Op de achtergrond zagen ze een korte, grillige bergrug. Maar daar, op de voorgrond bewogen twee grote groepen eigenaardige wezens in geordende formaties. 'Dat zijn ze,' zei UI triomfantelijk. 'De vijanden die van plan zijn om onze bases te vernietigen en ons te verdrijven. Zie je dat ze in mijn val lopen?'
Iraloth zag het niet, want hij had geen idee wat UI van plan was. Maar vooral stoorde de nadruk op mijn hem, hoewel hij moest toegeven dat dat in dit geval terecht was. Het gebrek aan diplomatiek talent, waar UI zich met het stellen van deze prioriteit aan bezondigde, gaf Iraloth een waarschuwend gevoel. 'Ik zie 't niet,' zei hij, ruwer dan hij bedoelde. Maar de Perliaan was zo verdiept in zijn eigen enthousiaste bui dat hij de veranderde toon niet hoorde. 'U weet uw plannen zelfs voor uw medewerkers te verbergen.'
UI was heel erg opgewonden. Hij trippelde op en neer, met zijn lange, smalle, half doorzichtige lichaam dat het licht weerkaatste en het een kristal leek.
'Je zult 't zo zien,' zei hij afwezig tegen Iraloth. 'Je zult 't zo zien, zo, over een paar eenheden!' De tijd verstreek. UI keek als betoverd naar de twee beeldschermen. Het was stil in de ronde, door een koepel gekroonde commandocentrale. Iraloth keek omhoog naar het plafond en voor de honderdste keer sinds hij op deze planeet leefde, probeerde hij zich voor te stellen, wat er zou gebeuren als het veiligheidsscherm instortte. 'Nu!'
Uls stem klonk schril en scherp. Hij maakte een belachelijke indruk, toen hij met een grote sprong op het controlepaneel afstormde, dat midden in de grote schakelwand was aangebracht.
'Nu zul je 't zien,' zei hij. 'Het grote ogenblik is aangebroken.' Iraloth zag hem geroutineerd een aantal schakelaars en handles bedienen. Tenslotte richtte hij zich op en deed twee stappen achteruit, zijn glazen gezicht bevroren van verwachting.
Iraloth keek naar de beeldschermen.
De colonnes van de vijand waren plotseling blijven staan. Een doffe bliksemflits schoot weg. UI sloeg met zijn beide handen tegen zijn voorhoofd, zoals zijn rasgenoten dat altijd plachten te doen en schreeuwde opgewonden: 'Ze zijn in de val gelopen! Het plan lukt!'
Bijna op hetzelfde ogenblik verdwenen de twee beelden achter een gordijn van oplaaiend vuur en opgewaaid stof.
Iraloth voelde zich opgelucht, hoewel de plannen van UI hem tegenstonden. De val was dichtgeklapt, wat voor val het ook mocht zijn. De volledige vernietiging van de vijand was alleen nog maar een kwestie van tijd.
6.
Ze hadden zich een half uur snel voortbewogen over het vlakke woestijnlandschap. De wind, die wolken van zand en stof voor zich uit joeg, was ze scheef van voren tegemoet gewaaid, waardoor ze maar twintig a dertig meter zicht hadden.
Maar de robots waren zeker van hun zaak. Ze kenden hun koers en Harpers Paladijn bevestigde dat uit de aangegeven richting de diffuse echo's van raketbases werden ontvangen.
Via de Paladijn, die op zijn beurt weer aangesloten was op de hyperradioinstallatie van een van de korvetten, hield Harper radiocontact met de Tosoma en de tweede groep onder leiding van captain Brewster. Brewster maakte hetzelfde mee als zij. Hij verplaatste zich met zijn halve divisie over de woestijnvlakte, had uitgesproken slecht zicht door de felle wind en vertrouwde helemaal op de capaciteiten van de robots. Van de kant van de Tosoma kwamen alleen maar droge bevestigingen van ontvangen berichten.
'Hoe lang eigenlijk nog?' vroeg Link Stovall uit zijn humeur. Harper keek op zijn horloge. Tien minuten geleden had hij zijn Paladijn de zelfde vraag gesteld. 'Negen a tien minuten,' antwoordde Harper. 'Geduld maar. Straks is het zover.'
'Hoe ver?' bromde Link. Het klonk niet of hij een antwoord op zijn vraag verwachtte. 'Ik geef toe dat ik nieuwsgierig ben,' mengde Christopher zich in de conversatie. Harper zag hem vlak naast zich op zijn Paladijn zitten, als een ridder te paard. 'Van alle ondernemingen, die ik heb meegemaakt, krijgt deze absoluut de eerste prijs voor originaliteit. Wat gebeurt er als we plotseling voor een vijandelijk fort staan? Schieten ze op ons? Zullen ze ons eigenlijk wel zien? Of lopen we zo maar naar binnen en ...?'
Hij werd onderbroken. De Paladijnen bleven plotseling staan en Christophers lange, magere gestalte zwiepte plotseling als een boom in de wind heen en weer. 'Wat ...?'
'Onbekend object voor ons,' hoorde Harper zijn Paladijn zeggen. Hij spande zich in om in de rondstuivende stofwolken iets te zien. Even meende hij de omtrekken van een laag bouwwerk te zien; maar hij was niet zeker van zijn zaak. De Paladijn ging verder: 'Qua vorm en structuur is dit complex ongetwijfeld een met geschut uitgerust, maar inactief fort. Op grond van algemene programmering zal de colonne dit complex prioriteit geven als alternatief doel en aanvallen.'
Harper stond op het punt te protesteren. Hij wist niets te bedenken. De Paladijn meldde zich opnieuw. 'Bericht voor kapitein Brewster. Kapitein Brewsters colonne is een paar seconden geleden ook op een onbekend vijandelijk complex gestoten, dat op deze hier voor ons lijkt.'
Harper nam snel een besluit. 'De colonne moet wachten met aanvallen tot ik een bevel geef,' zei hij. 'Ik wil het depot van dichtbij bekijken.'
'Begrepen en doorgegeven,' zei de Paladijn en zette zich in beweging. Omdat Harper officieel het commando had, sloten Links en Christophers voertuigen zich bij hem aan. Link protesteerde: 'Ogenblik graag! Ik heb er niets op tegen dat jij je leven wilt wagen, maar wat mij betreft ...' 'Je gaat mee,' besliste Harper. 'Als je weten wilt wie je vriend is,' lachte Christopher, 'geef hem dan de maarschalksstaf in de hand.'
'Hou je mond!' bromde Harper. De Paladijnen gleden naast elkaar over het zand. De stofwolken splitsten zich. De omtrekken van het vijandelijke fort werden zichtbaar. Over het doel waarvoor ze gebouwd waren, was geen twijfel mogelijk. De geschutskoepels met hun trechtervormige lopen waren op het eerste gezicht te herkennen, ook al waren het producten van een vreemde technologie. De hele installatie was omgeven door een muur van vijf meter hoog, die zich over een lengte van tweehonderd meter uitstrekte over het zand en aan de beide kanten een rechte hoek met de bodem scheen te maken.
Er waren in totaal achttien geschutskoepels, allemaal met een verschillende hoogte en soms in elkaar overlopend, alsof de militaire architecten last van ruimtegebrek hadden gehad.
Er was nergens een ingang te zien. De geschutstorens stonden stil. De wind joeg er stofwolken overheen. Ongeveer tweeduizend meter voor de muur liet Harper zijn Paladijn stoppen. Het zachte zoemen van de robots en het suizen van de wind waren de enige geluiden. Harper formuleerde in gedachten het bevel dat hij via zijn Paladijn aan de robotcolonne wilde geven. Ze moesten een bres in de muur schieten en het fort bezetten. Op verzet van de vijand hoefden ze niet te rekenen. Maar voordat hij dat bevel kon geven, zei de robot tegen hem: 'Kapitein Brewster heeft zijn troepen zoeven bevel gegeven om het fort te bezetten.'
De symmetrie van de gebeurtenissen begon Harper te verwarren. Het duurde even voor hij zijn gedachten weer op een rij had. 'Dezelfde instructie gaat op voor ... 'begon hij. Verder kwam hij niet. Ergens in de verte zag hij vanuit zijn ooghoeken iets bewegen. Hij keek op. Een van de geschutskoepels bewoog. Geruisloos draaide de reusachtige koepel en even later wees de trechter naar de stilstaande groep robots.
'Voorzichtig!' schreeuwde Harper. Zijn waarschuwing kwam te laat. Een vale schicht spoot uit de trechter. Krakend donderde de explosie over de vlakte. Grote stofwolken spoten omhoog en belemmerden het zicht.
'Vuur!' brulde Harper. Achter het stofgordijn begonnen bliksemschichten heen en weer te schieten. Tierend schoten salvo's uit zware thermowapens op het fort af. De geschutskoepel die het vuur had geopend, veranderde in een gloeiende bol, die langzaam in elkaar zakte, terwijl het materiaal smolt en verdampte. Het vijandelijke vuur werd een poosje gestaakt. Toen begon een andere koepel te draaien.
Voordat hij het vuur kon openen, reageerden de robots. Een muur van geconcentreerde energie raasde uit de lopen van de stralers op de vijand af. Enkele seconden waren de koepels gehuld in een zee van vuur.
Toen de onverdraaglijke gloed begon te verbleken waren de lopen van de vijandelijke wapens verdwenen.
'Muur doorbreken en complex bezetten!' beval Harper. De Paladijn gaf het bevel door.
Twee algemene werkrobots rukten op en lieten de muur over een lengte van twintig meter instorten. 'Een derde van de colonne blijft hier,' beval Harper. 'De overige delen bezetten het fort.' Het bevel werd onverwijld uitgevoerd. Een stortvloed van meer dan drieduizend robots kolkte binnen een paar minuten door de opening het fort in. De randen van de bres gloeiden nog.
De Paladijnen maakten rechtsomkeer. Harper bracht verslag uit aan de Tosoma. In stilte vervloekte hij de eerste officier, die reageerde met 'In orde', in plaats van een persoonlijke noot of een goed advies. In feite, zo stelde hij vast, voelde hij zich behoorlijk onzeker, ondanks het succesvolle optreden van de robots, alsof hij eigenlijk droomde. Hij wist absoluut niet wat hij van deze affaire moest denken. Over enkele ogenblikken zou hij de eerste berichten uit het fort krijgen. Die gedachte was een troost. Dan zou hij eindelijk weten waar hij aan toe was.
Maar in plaats van de robots meldde Christopher zich. 'Hé, Harper! Of het toestel is kaduuk, of we zitten inderdaad in een afwijkende energievariant! Hier ...!'
Hij wees naar het paneel in het torentje van zijn robot. Harpers robot had het zelfde meetapparaat. Harper had er nog niet naar gekeken. Midden in de woestijn waren geen abnormale energieverschijnselen te verwachten. Hij strekte zijn hand uit om zijn instrument door een druk op de knop te activeren. Op dat moment kwam het eerste robotrapport binnen.
'Groep een registreert eigenaardige energietoestand in vijandelijk complex,' zei de Paladijn en voegde er even later aan toe: 'De zelfde waarneming is gedaan door de groepen twee en vijf.' Harper drukte op de knop. Het instrument werd verlicht. De kleine indicatieplaat verspreidde een violette gloed.
'Je apparaat is in orde, Chris,' bromde hij. 'Er klopt iets niet. Het gespecificeerde energiepeil van deze omgeving ligt honderd keer hoger dan normaal. Er komen superieure energievormen voor. God mag weten ...'
De Paladijn onderbrak hem. 'Rechtstreeks verbinding met kapitein Brewster!'
Een tijdje hoorde Harper alleen maar klinkende en ratelende geluiden in zijn ontvanger, daarna hoorde hij Brewsters opgewonden stem van heel ver en gestoord door geruis: 'Lenn, hou je ogen open! Het gaat helemaal fout! Een van mijn bewakingsrobots heeft een defect opgelopen aan zijn optisch stelsel en ziet alleen maar ultrarood. Hij beweert dat hij het fort niet kan zien. Een groep meetrobots heeft het zaakje onderzocht en ontdekt dat de muren en torens echte röntgen- en ultraviolette straling uitzenden. Maar een klein gedeelte bestaat uit zichtbaar licht. Ultrarood is er bijna niet. Wat we zien, is ...' Er klonk een harde klik en Brewster was al niet meer te horen. 'Alle robots,' klonk Harpers stem, 'moeten zich onmiddellijk uit het vijandelijke complex verwijderen. Ik herhaal: Onmiddellijk!' 'Wat is er aan de hand?' riep Link. 'Waar moeten we opeens zo bang voor zijn?'
Harper wilde antwoord geven, maar voordat dat mogelijk was, gebeurde het.
Hij herinnerde zich later dat hij had gezien hoe de bodem zich met het hele fort plotseling verhief. Hij scheen plotseling in een diepe kuil te staan en omhoog te kijken naar de muren en torens van de vesting.
Een tiende seconde later spleet de aarde. Een verblindende, blauwwitte steekvlam spoot omhoog en sleurde alles mee, wat hij op zijn weg ontmoette. De brullende donderslag van een gigantische explosie weerklonk.
Harper klemde zich instinctief vast aan de toren van zijn robot. De Paladijn slingerde en wankelde. Harpers veiligheidspak werd door een kokend hete luchtstroom tegen zijn lichaam geperst. Hij werd door een enorme kracht tegen zijn zitplaats gedrukt en kon een tijd geen adem halen, omdat de moordende druk de werking van al zijn spieren belemmerde.
Daarna scheen de donder weg te ebben. De gierende, hete luchtstroom vervluchtigde. Plotseling was de mateloos hoge muur van blauwwitte energie verdwenen en hield de Paladijn op met stampen en slingeren.
Harper kreeg eindelijk weer eens gelegenheid om om zich heen te kijken.
Hij zweefde een paar kilometer boven een reusachtige stofwolk die wild, turbulent bewoog en met behoorlijke snelheid onder hem door gleed. Ver in het Noorden, zag hij op zijn kompas, verhief zich een bergketen. Daar schoof de wolk naartoe. Achter zich ...
Harper draaide zich voorzichtig om. Iedere spier in zijn lichaam deed pijn en alleen al deze beweging deed zoveel pijn, dat hij even moest uitrusten. Toen hij tenslotte klaar was met de manoeuvre, zag hij de blauwwitte paddenstoel. De afstand was moeilijk te schatten; misschien dertig of veertig kilometer. De paddenstoelvormige wolk hing daar rustig en solide, alsof hij van compact materiaal was gemaakt. De door de zon beschenen kant was felwit, de rest was smerig, vaal. De eigenlijke hoed van de paddenstoel lag een paar kilometer boven het niveau waarop Harper zich bevond. Hij was omhoog geslingerd naar de stratosfeer en was bij gebrek aan andere impulsen zich nu horizontaal aan het uitbreiden. Tegen de achtergrond van de door de zon verlichte zijde zag Harper een zwerm kleine zwarte puntjes. Een paar robots hadden zich kunnen redden. Een paar van de robots die voor het fort hadden postgevat, hadden zich tijdig uit de voeten kunnen maken.
Net zoals hij voor de dood gespaard was gebleven door de onmenselijke reactiesnelheid van zijn Paladijn. Zo snel, dat hij bijna het bewustzijn verloor, draaide hij zich weer om. Waar waren Christopher en Link? Een eindje verderop, misschien honderd meter, zag hij de karakteristieke omtrek van een Paladijn. Een lange, magere gestalte hing scheef in zijn stoel en had zijn armen om de toren van de robot geslagen.
Harper kon niet zien of Christopher, want die was het, gewond was.
In zijn helmontvanger hoorde hij plotseling een brommende, hese stem.
'Als je mij soms zoekt, dan moet je je een stukje verder voorover buigen. Ik zit vlak onder je!' Harper deed wat hem werd gezegd. Twintig meter onder hem zweefde Link Stovall, hevig zwaaiend met zijn armen. Harper voelde zich eindeloos opgelucht. Christopher begon zich te verroeren. Hij moest het korte gesprek gehoord hebben. 'Oho,' lachte hij geërgerd, 'ik hoop dat het met jullie beter gaat dan met mij.'
'Ben je gewond?' informeerde Harper.
'Ik zie niets,' antwoordde Christopher en zat nu weer rechtop in zijn stoel. 'Maar ik heb het gevoel of ik een paar minuten in glasscherven rondgewenteld heb.' 'Dat hebben we allemaal,' kreeg hij van Harper te horen. 'Let er maar niet op!'
'Wat is er eigenlijk gebeurd?' wilde Link weten.
'Het fort was een valstrik,' antwoordde Harper. 'De vijand liet een kernbom exploderen, toen de robots in het complex waren. De bom werd waarschijnlijk al voor onze landing gedeponeerd.' Link produceerde onverstaanbare geluiden.
'En wat nu?' vroeg Christopher. Harper draaide zich om. De robots die hij al eerder had gezien, kwamen dichterbij. Kennelijk spanden ze zich in om zich bij de drie Paladijnen aan te sluiten. Harper schatte hun aantal op ongeveer vijftienhonderd. Van de machines die hij buiten het fort had laten staan, waren de meeste er kennelijk ongedeerd vanaf gekomen. 'We gaan verder,' gaf hij als antwoord op Christophers vraag. 'We zijn nog steeds sterk genoeg en we hebben wat geleerd.' Er werd niet geprotesteerd. Zelfs Link Stovall gaf er de voorkeur aan om te zwijgen. Harper nam contact op met zijn Paladijn. Door de schokgolf van de explosie was de verbindingskabel losgeschoten; hij moest hem opnieuw vastmaken. 'Op wat voor koers zitten we?' was zijn eerste vraag.
'Op geprogrammeerde koers,' luidde het antwoord.
'Ik wens een verbinding met kapitein Brewster.'
Ongeveer vijf seconden verstreken.
'Kapitein Brewster kan niet bereikt worden.'
Harper had een ontmoedigend vermoeden.
'Ik wil een verbinding met het vlaggeschip.'
Deze keer duurde het maar half zo lang.
'Verbinding tot stand gebracht. U kunt spreken.'
Harper kreeg niet de kans. Een opgewonden stem was hem voor. 'Brewster, ben jij dat? We hadden je al ...'
'Luitenant Lenn hier, Sir!' onderbrak Harper de opgewonden stem, die volgens hem de stem van de eerste officier was. 'Drie man en ongeveer vijftienhonderd robots hebben de catastrofe overleefd, Sir. Met kapitein Brewster is er geen radiocontact meer.' 'Lenn, grote goedheid! We dachten dat 't met je was gedaan!' De stem sloeg bijna over. 'Hoe gaat het?'
Harper had een paar passende woorden voor in zijn mond liggen, maar vond die niet passend genoeg voor dit belangrijke gesprek met de eerste technische officier. 'Gaat wel, Sir,' zei hij ontwijkend. 'We zijn op dit moment in veiligheid en vliegen naar het geprogrammeerde doel.' 'Goed!' Zelfs te midden van de hevige storing was zijn opluchting duidelijk te horen. Hij zou het niet prettig hebben gevonden, zo besloot Harper, wanneer de troepen het hadden opgegeven en waren teruggekeerd naar het moederschip. 'Uw moed wordt gewaardeerd,' ging de eerste officier verder. 'U moet het op dit moment alleen zien te rooien. U moet er rekening mee houden, dat de troepen van kapitein Brewster totaal vernietigd zijn. Vanaf onze post hebben we twee nucleaire explosies van middelmatige intensiteit waargenomen. We hebben zelf geen enkel contact met Brewster.'
Hij laste een korte pauze in en van die gelegenheid maakte Harper gebruik.
'Hoe moet ik uw uitlating interpreteren, dat we het nu alleen moeten zien te rooien, Sir?' 'Nou, het was te verwachten dat de vijand zich ook zou keren tegen de vaartuigen die op Danger één zouden landen. De korvetten werden daarom ingesteld op langeafstandsbediening en zijn op het ogenblik op weg naar ons. Er is hier echter geen sprake van een, eh, procedure van tijdelijke aard. Hulp in de vorm van een nieuwe robotdivisie zal zo spoedig mogelijk gestuurd worden. Verder nog vragen?'
Harper voelde zich verslagen en teleurgesteld.
'Nee, Sir,' antwoordde hij moe. 'Sluiten!'
Waarop de Paladijn gehoorzaam de verbinding verbrak. Harper voelde zich verlaten. Hij had liever met iemand gesproken die hem duidelijk maakte: We kunnen je op dit moment niet helpen! Hou het hoofd boven water en zorg dat je niet verdrinkt! De manier van doen van de eerste officier, waarbij hij als een kat om de hete brei heen draaide en zijn schuldgevoelens duidelijk liet blijken, was ontmoedigend. Stafofficieren, dacht Harper, moesten eigenlijk meer mensenkennis hebben. Hij zei tegen Link en Christopher: 'We gaan verder met onze actie. Brewster en zijn colonne zijn waarschijnlijk vernietigd. Hulptroepen zijn onderweg, maar maak je geen illusies: Niemand weet wanneer die arriveren. De korvetten zijn vertrokken en allang op de terugweg. We zijn dus tamelijk alleen. Heeft iemand daar iets op te zeggen?' Hij wachtte op een bitse reactie van Link. Maar de stem die hij hoorde, was die van Christopher en die klonk erg opgewonden. 'Harper! Die bergen voor je! Kijk nou eens!'
Harpers blik dwaalde langs de bergketen, die ten noorden van de door de explosie opgewaaide stofwolken oprezen. Het duurde een paar seconden voor hij doorhad, wat Chris bedoelde... Toen hij het tenslotte zag, vielen alle benauwende gevoelens van hem af en kreeg hij een heel ander gevoel. Jachtkoorts ... In noordwestelijke richting, ongeveer twintig kilometer ten westen van het punt waar ze de bergketen waren overgestoken, als er geen wijziging van koers had plaatsgevonden, weken de bergen een stuk terug en vormden met hun flanken een halve cirkel.
De vreemde zon, die nu in het Zuidoosten stond, verlichtte deze door rotswanden ingesloten halve cirkel en onthulde duidelijk een grote rechthoekige opening die een gat vormde in de steile wanden achter de halve cirkel. Hij stak diepzwart af tegen het gesteente en scheen de ingang van een schacht te vormen, die tot in het binnenste van de planeet doorliep. De omtrekken waren zo regelmatig gevormd, dat er hier geen sprake kon zijn van een natuurverschijnsel.
Maar er waren nog andere dingen die Christophers opwinding begrijpelijk maakten. Binnen de halve cirkel verplaatsten zich objecten die eruit zagen als grauwe puntjes vanaf Harpers hoogte, maar die ongetwijfeld gemanipuleerd werden. Hij twijfelde er niet aan dat dit vijandelijke voertuigen of robots waren.
Na een aarzeling van enkele seconden vroeg hij aan zijn Paladijn: 'Hoe ver zijn we nog van ons doel verwijderd?'
'Ongeveer vijfenveertig kilometer in strikt noordelijke richting,' was zijn antwoord.
Harper hoefde niet lang te rekenen. Die halve cirkel was hun doel niet. Hij lag de verkeerde kant op en was te dichtbij. Maar hij scheen de ingang te zijn van een ondergronds complex van de vijand. Met zijn bedenkelijk gekrompen strijdkrachten was Harper best bereid om deze onverwachte mogelijkheid te benutten, liever dan opnieuw met een zwaarbewapend fort geconfronteerd te worden.
Hij trad dadelijk handelend op. Zijn Paladijn gaf bevel aan alle overlevende robots om van koers te veranderen en met maximale snelheid naar de halve cirkel te stormen. De naweeën van de explosie waren eindelijk weggeëbd. De reusachtige stofwolken verdwenen uit het zicht, toen het roboteskader oprukte naar de in het Noordwesten gelegen bergrug.
De vijandelijke objecten gedroegen zich alsof ze niets in de gaten hadden. Ze schenen niet te merken, wat voor gevaar er van boven dreigde. Harper voerde een kort gesprek met de Tosoma en bracht zijn superieuren op de hoogte van de verandering in het plan de campagne. Een fikse bries stak op. Het was Link Stovall, die met sombere stem zei:
'Verdomme , die doen zo onschuldig dat het hier gewoon stinkt naar een valstrik!'
Harper was een paar seconden eerder al op het zelfde idee gekomen. Was het mogelijk dat de vijand op deze plek een tweede valstrik had opgesteld, waar ze net zo soepel in zouden vliegen als in de eerste? Hij had het idee verworpen. De vijand zou niet zo stom zijn om te denken dat ze twee keer achter elkaar succes zouden hebben met de zelfde truc.
Op een hoogte van tweehonderd meter werd duidelijk dat de mobiele objecten binnen de halve cirkel platte, vierkante structuren waren, die met grote snelheid over de bodem gleden, maar zonder hen daarbij aan te raken. Het was niet duidelijk wat voor rol ze vervulden. Harper dacht dat het misschien automatische verkenners waren, die in de bodem van de woestijn naar mineralen zochten.
In ieder geval trokken ze zich niets aan van de landing van de massa robots. Ze gingen door met hun werk en vlinderden gewoon tussen de robots door. Harper besloot dat ze maar met rust moesten worden gelaten. De troep bewoog zich in de richting van de achterste rotswanden in de dalkom, waar de rechthoekige opening met een breedte van twintig meter en een hoogte van acht als een wijd opengesperde muil van een draak de mannen aangaapte.
Dichterbij gekomen bleek dat de duisternis in die opening niet absoluut was, wat ze eerst wel hadden gedacht. De opening vormde de ingang van een schacht die redelijk verlicht was, twintig meter breed, en naar beneden liep. De robots, gehoorzamend aan hun oorspronkelijkeinstructies, stroomden gehoorzaam de schacht in. Harper, die met zijn twee vrienden de achterhoede vormde, aarzelde even en overlegde of het wel raadzaam was om al zijn strijdkrachten op deze manier te riskeren. Maar hij dacht dat hij geen andere keus had. Om enige gevechtskracht ten toon te kunnen spreiden, kon hij ook geen robot missen om buiten op wacht te staan. De Paladijnen sloten zich aan bij de haastig opmarcherende strijdkrachten. Via zijn robot ontving Harper de mededeling, dat de gang geleidelijk afdaalde, over een afstand van enkele kilometers. Van vijandelijk verzet of sporen van het bestaan van vijandelijke troepen was geen sprake.
Link en Christopher waren opvallend stil. Harper keek om zich heen, terwijl zijn Paladijn achter de robots aan de diepte in gleed. Wanden, bodem en plafond van de gang waren glad, alsof ze gepolijst waren. Het diffuse licht was afkomstig uit het plafond. Lichtarmaturen zag hij niet. Hij draaide zich helemaal om en zag de rechthoekige opening waardoor ze naar binnen waren gekomen als een kleine, anders gekleurde lichtvlek in de verte.
Op dat moment deed de Paladijn een mededeling die hem versteld deed staan. Hij luidde: 'Het spectrum van de hier aanwezige elektromagnetische straling vertoont een abnormaal hoge bijdrage uit de regionen van röntgen- en ultraviolette straling.' instinctief schoot Harpers hand naar voren om op de knop van het energiemeetapparaat te drukken. De kleine schaal werd verlicht; in onderdelen van een seconde doorliep hij het gele kleurenscala en bleef op violet staan.
Afgezien van de vreugde over zijn bijna totale triomf voelde Iraloth een spoor van ontevredenheid, omdat hij er zo weinig zelf aan had . kunnen doen. De grote Perliaan was heer en meester van de situatie, in zijn eentje.
Natuurlijk had het toeval een handje geholpen. De twee vijandelijke patrouilles waren op geringe afstand van de twee grootste verdelerstations geland, die er op deze planeet waren. Iraloth begreep niets van de machines en de instrumenten met behulp waarvan UI de vijand bij de neus had genomen en voor het grootste deel vernietigd. Het waren producten van de Peruaanse technologie en het verbond tussen de Perlianen en Iraloths ras was nog niet zo hecht dat de Perlianen bereid waren om hun geheimen aan hun bondgenoten te openbaren. Maar hij begreep dat voor het in werking stellen van al die apparaten ontzettende hoeveelheden energie nodig waren, die alleen geleverd konden worden door de grote verdelerstations en omgezet in de gewenste vorm. Was de vijand op een andere plek geland, dan had UI vermoedelijk veel meer tijd dan die twee rondes nodig gehad om zijn doel te bereiken, dat wil zeggen, om een commando totaal en het andere voor twee derde te vernietigen en de overigen in een perfecte val onder de bergen te lokken. Op drie beeldschermen sloegen UI en Iraloth het oprukken van de vijandelijke troepen in het gebergte gade. Iraloth was een beetje in de war en teleurgesteld tegelijkertijd. Voor zover ze wisten bestond de vijand, die tussen de sterren rondzwierf en onrust verwekte, waar hij ook opdook, uit net zulke wezens als de laatste gevangene die UI bij het begin van dit licht-donker zo gemeen had behandeld, dat hij was gestorven. Dit vermoeden bleek nu onjuist, want de schepsels, die zich met honderden tegelijk door de gang verplaatsten leken niet in het minst op de gevangene. Iraloth, die niet wist wat kleding was, maar wel andere wezens was tegengekomen die hun lichamen met doeken omwikkelden, kon niet onderscheiden of de onbekenden gekleed waren of niet. Hun lichamen glansden dof, meer kon hij niet zien. 'Zijn ze niet lelijk?' vroeg hij aan UI.
Iraloth bevestigde het. 'Maar ze zien er wel sterk uit,' ging de Perliaan verder. 'Ze zullen prima werkkrachten zijn. In korte tijd zullen we het verlies aan kristal weer hebben goedgemaakt. De vijandelijke schepen zullen verdwijnen, zodra ze ontdekken dat hun strijdkrachten vernietigd zijn.' Ook Iraloth vond zo'n ontwikkeling het meest waarschijnlijk. Als de val dichtklapte, zou de vijand tienduizend man verloren hebben. Er was geen twijfel aan dat ze na zo'n nederlaag de belegering zouden opgeven.
UI was vol verwachting. De vijand bewoog zich in de richting van de grote hal die de eigenlijke valstrik vormde. In die hal zou de vijand beseffen dat het met hem gedaan was.
'Als eerste zal ik op een lesje trakteren,' zei UI enthousiast en liet zijn doorzichtige handen bijna teder over de knoppen van de schokprojector glijden, waarmee hij zijn arbeiders placht te straffen. 'Ze moeten aan den lijve ondervinden dat ik een strenge heer ben, genadeloos en er alleen op uit om iedere arbeider zo veel mogelijk te laten presteren.' Iraloth vond het maar niets om de gevangenen na deze nederlaag ook nog met dit soort straffen te kwellen; maar UI was de overwinnaar en dit was niet het tijdstip om hem dit soort ideeën uit het hoofd te praten, nadat die al eerder zoveel succes hadden opgeleverd. Er vond echter vertraging plaats, waardoor UI de vijanden minder snel in handen kreeg dan hij had gewild. Om onverklaarbare redenen bleef de vijandelijke colonne plotseling stilstaan. Een paar eenheden verstreken, daarna was het duidelijk dat de vijand rechtsomkeert maakte en van plan was om het mijncomplex weer te verlaten. UI reageerde bliksemsnel. Met twee handen greep hij de hendel. Opnieuw stond de vijand stil.
'Halt!' beval Harper zijn Paladijn. 'De hele colonne halt!' Abrupt kwam de colonne tot stilstand. Harper draaide zich om naar zijn vrienden.
'Hier domineert de zelfde energievariant als in de omgeving van het fort stelde hij vast. 'Ik weet niet wat dat wil zeggen; maar de laatste keer dat de indicator violet aangaf, vloog er een paar minuten later een kernbom de lucht in. We gaan terug!'
Hij liet dit bevel door de Paladijn doorgeven aan de colonne. De robots keerden om. Door deze manoeuvre bevonden Harper, Link en Christopher zich nu aan het hoofd van de troep.
'Met maximale snelheid - mars!' beval Harper.
De Paladijnen kwamen met een schok in beweging. De robots volgden onmiddellijk. Ze hadden ongeveer twintig meter afgelegd, toen het mysterieuze voorval plaatsvond. Harper had net de gang getaxeerd en geprobeerd vast te stellen hoever ze van de uitgang verwijderd waren. Net nog had de gang zich breed en glanzend voor hem uitgestrekt, schijnbaar doorlopend tot het eind van de wereld.
Nu, onderdelen van een seconde later, was hij verdwenen. Harpers Paladijn kwam voor een rotswand tot stilstand, die uit het niets was opgedoken en de gang over de hele breedte versperde. Niet in staat om te geloven wat hij zag, tuurde Harper naar de doorgroefde wand. In het schijnsel van het verlichte plafond zag hij grote fonkelende kristaladeren die kronkelend door het gesteente liepen en kleine, grillig verspreide inkepingen van metaal.
Het duurde even voor Harper van de schok bekomen was. Hij richtte zich tot de Paladijn. 'Wat is er gebeurd?' Het duurde een halve minuut, wat betekende dat de robot ook de nodige moeite had met dit probleem. Toen volgde het antwoord: 'Onbekend!' Link Stovall zei:
'Dit is een technisch probleem, Harper. Weet jij geen oplossing?' Harper luisterde nauwelijks. Zijn hersens werkten koortsachtig. Hij had de vijand voor de tweede maal onderschat. Hij was de gang binnengedrongen in de hoop een makkelijke weg te vinden naar de eigenlijke basis van de vijand. Hij had de illusie gekoesterd dat de vijand niets van zijn komst had gemerkt en dat de robots een goede kans hadden om hem te overrompelen. En daarbij had hij een beslissende fout gemaakt.
Natuurlijk was deze gang een valstrik. Niet alleen dat, de vijand hield de colonne kennelijk voortdurend in de gaten. Alleen daardoor had hij zo ongelooflijk snel kunnen reageren, toen de robots aanstalten maakten om de gang te verlaten. Hij zou ze niet laten ontsnappen. Hij moest zich superieur voelen. Aan de andere kant van de gang wachtte natuurlijk een formidabel leger, waar de robots geen schijn van kans tegen hadden. Het was moeilijk voor Harper om een besluit te nemen. Hij speelde met de gedachte, de Tosoma te roepen en om raad te vragen. Maar dan had hij moeten praten over het plotselinge opdoemen van de rotswand en hij wist niet zeker of zijn beschrijving van de gang van zaken wel geloofwaardig zou klinken voor buitenstaanders.
Nee, hij moest zelf maar uitvissen wat de volgende stap was. Hij had niet veel keuze. Hij had maar twee mogelijkheden - hier blijven of afmarcheren.
Hij besloot het laatste te doen. Wachten had geen zin. De gedachte was in hem opgekomen dat de vijand ook op andere plaatsen zulke rotswanden kon optrekken, bij voorbeeld midden in de colonne, om de kracht van de aanvaller te versplinteren. Of hij kon de gang laten instorten. In plaats ervan had hij nu de terugweg versperd. Harper vond dat reden genoeg om te geloven dat de vijand niet direct op totale vernietiging uit was. In dit geval nam hij geen risico, als de robots verder oprukten; het ergste wat ze kon overkomen, was dat ze in handen van de vijanden zouden vallen.
De robots kregen bevel om nogmaals rechtsomkeert te maken en verder te marcheren in de oorspronkelijke richting. Harper keek voor de laatste keer achterom. De kristaladeren fonkelden vreemd.
Hij zocht naar de metalen inkepingen. Ze moesten veel koper bevat hebben, want in het licht uit het plafond hadden ze een gouden gloed verspreid. Nu was die glans mat en kon Harper ze nauwelijks meer onderscheiden.
Hij keerde om. Zijn ogen dwaalden af naar Link en Christopher, die naast hem voortbewogen. Ze keken naar beneden en zeiden geen woord.
7.
Eindelijk kwam het eind van de gang in zicht. Hij kwam uit in een enorme ondergrondse hal. Wanden en plafond vertoonden nauwelijks sporen van bewerking. Op verschillende plaatsen waren gangen geboord. Een paar daarvan waren misschien in- of uitgang, maar de meeste gangen waren natuurlijk ontstaan bij het zoeken naar kristal. Overal lag het glinsterende kristalstof tussen de brokken steen waarmee de bodem van de hal bezaaid was.
De hal was bijna cirkelvormig en had een middellijn van ongeveer vierhonderd meter. De top van het gewelfde, enigszins koepelvormige plafond was ongeveer vijftig meter boven de bodem gelegen. Stralers, die een witgeel licht verspreidden waren op onregelmatige afstanden van elkaar in het plafond aangebracht en zorgden voor een fel licht. De hal was leeg geweest voor de komst van de robots. Maar aan verschillende gangen kon je zien dat er pas nog was gewerkt. Harper was onder de indruk van het machtige gewelf. Het leek bijna ongelooflijk dat zo'n enorme holte uitgehouwen kon worden in het gesteente, zonder dat enorme zuilen de ondraaglijke last van het gesteente torsten.
Hij was er zeker van dat de hal het eindpunt van hun opmars was. Hij twijfelde er niet aan dat de vijand alle zijgangen bezet hield en zich weldra zou laten zien. Zelfs een man zonder enige strategische ervaring kon bedenken dat de robots geen enkele kans maakten, ook al had de vijand maar de helft van hun sterkte. Harper nam niet de moeite om de machines bevelen te geven. Aan hun lot overgelaten kwamen ze tot stilstand op de met puin bezaaide bodem.
Twee minuten verstreken. Niets was gebeurd. Harper begon zich erg onzeker te voelen. Hij begon de mogelijkheid te overwegen dat de vijand hen niet hier verwachtte maar op een andere plek - of dat ze helemaal niet werden verwacht. Wel vond hij het nu moeilijker om het plotselinge opdoemen van de wand te verklaren, die de terugweg had afgesneden. Maar de wand was een ding op zich en het opduiken ervan was al veel fantastischer en mysterieuzer dan de mogelijkheid, dat hij zomaar was ontstaan, zonder enige relatie met de opmars van de robots.
Harper klom van zijn machine af. 'We gaan even rondneuzen,' zei hij tegen zijn vrienden en de Paladijn. Daarna maakte hij de kabel los om zich makkelijker te kunnen bewegen.
Link en Christopher stapten ook van hun vaartuigen af. 'Wat verwacht je?' vroeg Christopher en liet langzaam zijn blikken langs de dooraderde wand dwalen.
'Ik dacht dat we hier in een perfecte val zaten,' gaf Harper toe. 'Maar dan zouden ze al toegeslagen moeten hebben, niet?'
'Je kent hun mentaliteit niet,' bromde Link. 'Misschien willen ze ons een tijdje laten smoren.' 'Het kan ook dat ...' Christopher zweeg opeens. 'Daar boven!' riep hij. 'Dat moet ik eens bekijken!'
Ze waren ongeveer vijftig meter van de plaats verwijderd, waar de brede, fel verlichte gang uitmondde in het gewelf. Christopher wees naar een plek, die een eind van die opening af lag en liep er met grote stappen naartoe. Harper zag dat hij zich bukte en in het losse gesteente begon te rommelen. In hun helmontvangers konden ze hem horen hijgen.
Toen richtte hij zich weer op. Hij had iets in zijn hand: lang, dun en wit. Hij hield het omhoog. Harper kon niet zien wat het was. 'Wat is dat?' riep Link. 'Kom maar kijken,' antwoordde Christopher. 'Maar bereid je voor op een schok.'
Harper en Link stapten door het losse gesteente naar Christopher. Toen ze nog tien meter bij hem vandaan waren, zag Harper wat Christopher in zijn hand had. Het was een bot, met de zelfde vorm als het bot van een menselijk dijbeen, maar dan langer en dunner. Waar Christopher stond, lagen meer van die botten. Lange, dunne, korte, dikke, gebleekt door ouderdom. Restanten van vreemde wezens, die hier gestorven waren. Link schoof met zijn voet een paar stukken steen opzij. Er kwamen nog meer botten tevoorschijn.
Daaronder een eivormige schedel met een tandeloze mond, een neus en drie oogholtes.
Harper huiverde. Je hoefde geen helderziende te zijn om te verklaren wat hier was gebeurd. De vijand exploiteerde de kristallagen met behulp van arbeiders, gevangenen, die hier mochten werken tot ze er bij neervielen.
Ze liepen langs de wand. Overal lagen botten, sommige zo oud, dat ze bij de geringste aanraking uit elkaar vielen, andere jonger en met die karakteristieke vaalwitte kleur, die menselijke botten eigen is, sommige met een vreemde vorm en duidelijk niet afkomstig van menselijke wezens, andere weer zo humanoïde dat Harper ze op het eerste gezicht herkende. Hij vroeg zich af hoeveel mensen het slachtoffer geworden waren van deze duivelse uitbuiters. Ze wisten dat de Perlianen of de generaals, of beide, een serie schepen van de Explorervloot hadden gekaapt en de bemanning gevangen hadden genomen. De mannen waren onder de parahypnotische invloed van de kristallen gekomen en op deze manier gedwongen dienst te nemen bij de vijand. Aan boord van de peervormige schepen van de vijand deden Terranen dienst. Ze werkten op de vijandelijke basisplaneten. Zouden hier ook Terranen zitten? Ze kwamen bij de ingang van een van de zijgangen. Het was de gang, die Harper had gezien, toen ze in de hal arriveerden en die verse sporen van bewerking vertoonde. Ze drongen de schacht binnen. Hij werd verlicht door zwakke lampen die op grote afstand van elkaar aan het plafond hingen. Hij liep verder door dan Harper had gedacht. De wanden waren gespleten en vertoonden hier en daar sporen van bewerking met gereedschap waarmee men naar het kostbare kristal had gezocht.
Harper bedacht dat de vijand van de gevangen Terranen alleen diegenen had kunnen inzetten, die immuun waren tegen de invloed van de kristallen. Dat konden er niet erg veel zijn geweest. Ieder onbeschermd stel hersenen dat op zo korte afstand werd blootgesteld aan de invloed van de kristallen moest binnen de kortste keren het bijltje erbij neerleggen. Christopher, die voorop liep, gaf plotseling een half gesmoorde kreet en was met een wilde sprong achter de volgende bocht in de gang verdwenen. Link en Harper renden achter hem aan. Ze schoten de bocht om en zagen Christopher een meter of acht verderop op de grond knielen, over een gestalte gebogen, die met zijn gezicht naar de grond gekeerd lag.
De gestalte was gekleed in het dofgroene uniform van de solaire vloot. Christopher had hem voorzichtig bij zijn schouders gepakt en zette hem nu met zijn rug tegen de muur. De schedel van de onbekende viel abrupt opzij, als bij een marionet. De man moest een Terraan zijn. Hij kon niet lang dood zijn. Hij was stijf maar vertoonde nog geen spoor van verval.
Hij moest een stuk gereedschap bij zich hebben gehad, want de wand droeg nog verse sporen van bewerking en vlakbij was een kristalader zichtbaar. Maar het stuk gereedschap was verdwenen. Waarschijnlijk beschikte de slavendrijver over opzichters die het gereedschap inzamelden, wanneer arbeiders van uitputting ingestort waren. Christopher had intussen in de zakken van het uniform gezocht en twee dingen gevonden - een klein plastic plaatje met de persoonlijke gegevens van de onbekende, zoals gebruikelijk bij de vloot, en een klein boekje met ongeveer twintig flinterdunne velletjes metaalfolie, die dicht beschreven waren. De naam van de dode was Ken Suluth, met de rang van majoor. Majoor Suluth had deel uitgemaakt van het derde wetenschappelijke expeditiekorps van het zonne-imperium. Een van de schepen van het derde korps, de EX-10678, was ongeveer twee jaar geleden in de grote wolk van Magelhaen verdwenen. Suluth had zich aan boord bevonden.
'Alle duivels!' zei Link knarsetandend.
Harper pakte het boekje uit Christophers hand en sloeg het open. Op het eerste gezicht zag hij dat Suluth een soort dagboek had bijgehouden. Op de eerste bladzijden was het handschrift krachtig en regelmatig. Maar toen Suluth onder de psychische druk begon te bezwijken, werden zijn letters grillig en bogen naar rechts en naar links alsof de schrijver niet genoeg energie meer had om op zijn handschrift te letten. De laatste notities, geschreven met hele grote hanenpoten, waren niet meer met een schrijfstift gedaan, maar met de scherpe kant van een steen in het oppervlak van het metaalfolie gegrift. De mededeling luidde als volgt: Vandaag is het waarschijnlijk de laatste dag ...
Suluth had geweten dat hij zou sterven. Harper voelde haat in zich oplaaien, haat tegen een onmenselijke vijand, die intelligente wezens schandaliger dan dieren behandelde door ze hier beneden op te sluiten en ellendig te gronde te laten gaan. Zijn handen trilden van woede, toen hij de eerste bladzijde van het boekje begon te lezen.
29-10-2433
We zitten in de val. We lieten ze aan boord komen, omdat we ze ongevaarlijk vonden. Het zijn twee meter lange wezens, bedekt met een glimmende, schubbige huid. Je kunt er doorheen kijken, ook door hun schedel. Voor hun hersenen zit een roodgloeiend klompje, dat zeer bewegelijk is. Ziet eruit als een signaallampje. Ze hebben ook zwemvliezen tussen hun vingers en tenen en kennelijk zijn het dubbel-ademers, die zowel op het land als in het water in leven kunnen blijven. Ze kwamen met een kleine sloep, toen we in een stabiele parkeerbaan rond de nieuw ontdekte planeet E-10678-beta vlogen. Ze woonden op die planeet. Vijf man kwamen aan boord. Ze vulden het schip met een verdovend gas, dat ze op een of andere manier naar binnen hadden gesmokkeld. Dat was het einde. Toen we bijkwamen waren ze met z'n honderden en hadden ze ons geboeid. Ze sleepten ons over de hele planeet. Ons schip bestaat waarschijnlijk niet meer. Ik heb een felle bliksemschicht langs de hemel zien schieten. Ze hebben vermoedelijk geprobeerd om de astrogatieapparatuur te doorgronden en hebben er aan zitten prutsen. Het veiligheidsrelais reageerde en het schip vloog de lucht in. Ik hoop dat er zoveel mogelijk van die glazen kwasten aan boord waren.
2-11-2433
Ik bereken de dagen aan het aantal malen dat ik slaap. We hebben een lange reis in een peervormig schip achter de rug. Geen idee, waar we zitten. Ze hebben ons naar een ondergrondse ruimte gebracht. Erger dan de meest schamele Terraanse gevangenis uit de Middeleeuwen. Geen sanitair. Eten uit een reusachtige kom, met z'n allen tegelijk en maar een keer tussen twee slaapperiodes.
Dat is lang niet alles. De meesten van ons zijn intussen gek geworden. Zo zie ik het tenminste. Ze voelen een onweerstaanbare drang om hier te blijven. Volgens mij is er sprake van hypnose. Ik denk dat de hersens van die arme zielen dat niet lang verduren.
Ik weet niet waar die hypnotische druk vandaan komt.
5-11-2433.
Ik weet nu waar de hypnotische dwang vandaan komt. Ze hebben ons allemaal in een mijn gestopt en mechanische werktuigen gegeven, waarmee we het kristal uit het gesteente moeten hakken. Die kristallen stralen! We waren met meer dan vijfhonderd man, toen we hier kwamen. Meer dan driehonderd vielen dood neer, nadat ze in de buurt van het kristal waren gekomen. De anderen wacht het zelfde lot. Ze zijn niet meer in staat om te werken maar een of andere onzichtbare kwelgeest martelt ze met elektrische schokstoten, die uit projectors in het plafond komen. Waarschijnlijk zijn het een soort energiezwepen waarmee hij ze weer aan het werk probeert te krijgen.
9-11-2433.
Ze zijn allemaal dood, behalve Heimstaetter en ik. Heimstaetter is evenmin gevoelig voor de straling als ik. We werken zo hard als we kunnen, zodat hij de zwepen niet gebruikt.
12-11-2433.
Er moeten in de schachten en gewelven duizenden arbeiders gewerkt hebben. Je struikelt over de gebleekte botten. Wat een onmenselijk ras moet dat zijn, dat zijn gevangenen zo behandelt.
2-12-2433.
Waar Heimstaetter en ik nog steeds niet achter zijn gekomen, is, waar die glazen wezens zich ophouden. We hebben ze sinds onze landing op deze planeet niet meer gezien. Het gereedschap troffen we in de slaapzaal aan, toen we daar voor de eerste keer kwamen. Onze instructies , kregen we via luidsprekers. (Kennelijk is het die wezens zeer snel gelukt om onze taal te leren spreken.) De eetnap wordt door een klein automatisch voertuig gebracht en opgehaald. Heimstaetter en ik brachten onze doden naar een diepe zijgang en stapelden ze daar op. Dat vond de onzichtbare niet goed. We kregen een zweepslag; maar toen we gewoon doorgingen, liet hij ons met rust. De gereedschappen waren tussen het eind van een werkperiode en het begin van de volgende verdwenen. Iemand moet het opgehaald hebben. Heimstaetter denkt dat die wezens zich niet laten zien, omdat ze zelf bang zijn voor de straling van de kristallen en ergens boven ons in een beschermde bunker wonen. De kristallen die wij delven verdwijnen 's nachts, net zoals de mechanische houwelen van onze makkers zijn verdwenen.
15-2-2434.
Heimstaetter is dood. Hij hield het niet meer uit en probeerde te vluchten. Hij heeft alle zijgangen verkend en was er vast van overtuigd dat een ervan naar de vrijheid leidde. Ik wilde hem niet volgen, want ik vond de zaak uitzichtloos. Wat moeten we boven doen? Heimstaetter vertrok. Een uur later kwam hij weer terug, half dood van de zweepslagen die hij had gekregen. Hij stamelde nog een paar woorden, had het over een gang die er opeens heel anders uitzag, over rotswanden die opeens voor hem opdoemden en hoe plotseling de weg naar de vrijheid afgesneden was. Hij stierf een paar minuten later. Ik weet niet wat ik van zijn verhalen moet denken.
16-2-2434.
Heb Heimstaetter naar een andere zijgang gebracht. Zijn houweel is verdwenen. Ik ben nu de enige hier beneden. Misschien zijn er nog andere groeven op deze planeet.
23-10-2434.
Ik ben ziek. Heb me ongeveer een jaar niet meer gewassen. Ik heb op mijn hele lichaam wondjes. Lichte koorts. Maar als ik de bijl maar even loslaat, krijg ik een zweepslag.
3-3-2435
Vervloekt, die glazen idioten!
10-6-2435
Ik geloof niet meer in redding. Alleen de hoop, dat ik op een goeie dag een van die wezens te zien krijg, zodat ik hem de nek om kan draaien, houdt me op de been.
30-10-2435.
Het einde nadert. Kan nauwelijks op mijn benen staan.
3-1-2436.
Vandaag is waarschijnlijk de laatste dag ...
Harper deed het boekje in zijn zak, zonder dat hij het merkte. Hij kreeg de onweerstaanbare neiging om te schreeuwen van woede en bedroefdheid.
Iemand begon te lachen. Het was een vreemde kille lach, die zachtjes begon en langzaam een soort gebrul werd, als het lachen van een gek, om tenslotte abrupt af te breken. De mannen van Pembroke lachten zo als ze door woede overmeesterd werden. Harper draaide zich om en zag door de transparante helm het vertrokken gezicht van Christopher.
Link stond op. Hij was naast de dode neergeknield om een stil gebed uit te spreken. Zijn stem klonk koud en beheerst, toen hij zei:
'We verliezen tijd als we hier blijven hangen.'
'Hier blijven hangen,' reageerde Christopher woedend. 'Heb je niet genoeg hart in je lijf om ...' Link draaide zich razendsnel om. 'Dat heb ik best!' schreeuwde hij. 'Net als jij. Daarom wil ik zo snel mogelijk die glazen gekken ontmoeten!'
Harper had Link nog nooit zo gezien. Christopher knikte zwijgend naar hem. Ze draaiden zich om en liepen terug naar het grote gewelf. Het was een chaos bij Harper van binnen, maar hij besefte wat voor risico ze liepen, als ze op basis van opgezweepte gevoelens zouden handelen. Met geweld beheerste hij zich. Toen de uitgang van de gang in zicht kwam, was zijn plan klaar. Hij zou de robots naar de gang laten zoeken, die Heimstaetter als vluchtweg wilde gebruiken. Hij liep naar boven, daar was Heimstaetter in ieder geval van overtuigd geweest. En de gang die Suluth en Heimstaetter na iedere slaapperiode hadden gebruikt om van de slaaphal in de mijn te komen; die slaaphal moest een andere uitgang hebben, een die naar het oppervlak voerde. En ergens tussen hier en het oppervlak zat de vijand. Hij haalde het boekje weer uit zijn zak en sloeg de laatste bladzijde op. Onbeschrijfelijk medelijden met de slachtoffers welde in hem op. Hoe zorgvuldig had hij zijn slaapperiodes geteld om de datum bij te houden.
Dat hij zich toch vergist had, kon hij niet helpen. De tijd tussen twee slaapperiodes duurde niet precies 24 uur. Suluths laatste notitie was gedateerd: 3 januari 2436. Maar vandaag was het pas 25 november 2435.
Bij de uitgang aarzelde Harper even. De robots stonden stil, hun rompen glansden dof onder de laag stof die ze in de woestijn verzameld hadden. Harper voelde een grimmig soort vastberadenheid. Ken Suluth en de vijfhonderd mannen van de EX-10678 zouden niet ongewroken blijven - evenmin als de duizenden anderen die hier in deze hal waren gestorven.
Hij stapte de reusachtige hal in en Christopher en Link volgden hem op de voet. Toen kreeg hij de eerste klap.
Vuur laaide door zijn lichaam, zijn zenuwen en spieren werden buiten werking gesteld en hij werd met geweld tegen de bodem geslingerd. Golven brandende pijn stortten zich over hem uit. Een enkele gedachte schoot met verbijsterende helderheid door zijn hoofd en voegde aan de lichamelijke pijn ook nog geestelijke pijn toe: In zijn opwinding over Ken Suluth had hij vergeten dat ze nog steeds in de val zaten. De vijand had hem laten dichtklappen.
Het gedrag van de vijand had niet alleen Iraloth maar ook UI verrast en dat was op zich weer een verrassing; want gedurende de afgelopen rondes had de Perliaan zich steeds gedragen als de man, die per eenheid exact wist wat de volgende stap van de vijand zou zijn. Hij had erop gerekend, dat de vijandelijke troepen in ieder geval zouden proberen om vanuit de hal verder op te rukken. Dat ze in plaats daarvan de indruk wekten, lange tijd daar te willen blijven, verblufte hem.
Nog verblufter was hij, toen hij zag dat de vijandelijke troepen niet alleen uit die dofglanzende wezens bestonden, die hij net lelijk had genoemd, maar dat er ook andere types bij waren, drie, die erg veel leken op de laatste gevangene die ongeveer acht rondes geleden was gestorven.
Hij volgde het doen en laten van de onbekenden aandachtig. Hij zag ze een van de zijgangen binnendringen en de dode vinden. Hij kon niet verklaren waarom ze zo lang bij het lijk bleven. Intussen had hij geprobeerd wijs te worden uit de overvloed aan onbekende data, vooral de relatie tussen de drie rechtop lopende wezens en de vijftienhonderd metaalachtig glanzende leden van de vijandelijke troepen. Hij kwam tot de slotsom, dat ze er als verspieder op uit gestuurd waren en dus in de hiërarchie van de vijand een ondergeschikte plaats innamen.
Iraloth was een andere mening toegedaan. Hij kwam tamelijk dicht bij de waarheid, toen hij vermoedde dat de glanzende objecten voertuigen en gevechtsmachines waren, die onder commando stonden van de drie rechtop lopende wezens. Maar omdat noch hij, noch UI op deze momenten ook maar een gedachte uitte, bleef het kontrast tussen hun meningen verborgen voor hen beiden.
UI wachtte tot de drie verspieders, zoals hij ze noemde, teruggekeerd waren naar de hoofdstrijdmacht. Toen begon hij met zijn strafprocedure.
Harper verloor een of twee uur het bewustzijn. Toen hij weer bijgekomen was, sprong hij instinctief overeind en liep zo snel als hij kon naar zijn Paladijn. Meer onderbewust dan bewust besefte hij wat voor wapen de vijand gebruikte. Hier waren de elektrische zwepen waar Suluth het in zijn dagboek over had, de met superenergie geladen straling van elektromagnetische projectors, die ergens in deze ruimte opgesteld moesten staan. Terwijl hij naar zijn voertuig liep, schreeuwde hij tegen Link en Christopher dat ze zich in veiligheid moesten brengen. Hij kreeg de tweede klap, toen hij de Paladijn bijna had bereikt. Hij viel en rolde een eind door. Daardoor kwam hij buiten de actieradius van de zweep terecht; want de pijn leek hem niet zo erg als de eerste keer. Hij krabbelde overeind, klampte zich aan de toren van de robot vast en trok zich met inspanning van al zijn krachten op aan het voertuig. Met trillende vingers sloot hij de contactkabel aan.
'Naar de volgende ruimterobot,' hijgde hij.
Het voertuig zette zich in beweging. Nog steeds stonden de overige robots stil. Voor de derde keer straalden de projectors hun dodelijke straling uit. Harper, die verzwakt was door de eerste twee klappen, zag alles voor zijn ogen draaien, verdwijnen, en pas enkele seconden later weer vaste vorm aannemen. De Paladijn bleef naast een ruimterobot staan. Harper gleed uit zijn stoel, voorzichtig, zodat de kabel niet losschoot. De ruimterobot had in zijn voorsteven een rechthoekige opening, waarmee hij verpulverd gesteente opzoog om het met behulp van een blaasbalg naar achteren te transporteren en zo ruim baan te maken. Zo snel als hij kon kroop Harper in de opening. Toen de projectors voor de vierde keer in werking werden gesteld was hij al voor helft in de robot verdwenen en kon hij met opluchting signaleren dat zijn tactiek vruchten afwierp. Zodra hij helemaal in de robot zat opgesloten zou zijn chassis hem als een kooi van Faraday omgeven. Het elektrische veld dat de projectors produceerden, zou weerkaatst worden door de metalen romp, zou hem nooit kunnen bereiken. Nu al voelde hij niet veel meer dan een licht kriebelend gevoel, toen hij werd getroffen door de zweep. Hij had geen tijd gehad om zich om Christopher en Link te bekommeren, maar hoopte dat ze de tijd hadden om zijn voorbeeld na te volgen.
Nu hij in veiligheid was, zag hij geen reden waarom hij zijn oorspronkelijke plan zou opgeven. Hij gaf de Paladijn, waarmee hij nog steeds door middel van de kabel was verbonden, haastig de volgende opdracht:
'Groepen van tien robots elk moeten de gangen onderzoeken. Ze moeten net zolang doorgaan tot ze weten of de gangen in verbinding staan met ruimtes buiten de mijn of niet.'
In zijn schuilplaats hoorde hij hoe de robots zich in beweging zetten. Een idee schoot door zijn hoofd. Hij beval zijn Paladijn: 'Ik wil constant op de hoogte worden gehouden van alle gebeurtenissen. Vooral moet er op gelet worden of de omgeving plotseling opvallend verandert of dat het energieniveau plotseling stijgt zoals bij het naderen van het fort het geval was.'
Hij meende intussen al te weten wat het ware geheime wapen van de vijand was. Suluths schets van de laatste uren van zijn kameraad hadden hem de weg gewezen. Geen enkele geleerde zou bestrijden dat het mogelijk was om energie in materie te veranderen, in gestructureerde materie bijvoorbeeld, als de technologie daarvoor ver genoeg gevorderd was. Volgens Harper bediende de vijand zich van deze techniek. Het fort, waarin twee derde van zijn troepen vernietigd waren, had nooit bestaan, behalve in de enkele minuten waarin de vijand het optrok om de tegenstander in de val te laten lopen. De bom zelf, die het grootste deel van het leger had vernietigd, moest ook een soort incidentele creatie zijn geweest. Er was geen sprake van een hypnotisch effect, want robots waren in feite immuun. Het was de doelbewuste creatie van een feitelijk object, dat bleef bestaan, zolang het krachtveld waar het uit was samengesteld, actief bleef. De gang die in een halve cirkel tussen de rotsen begon, was een soortgelijk fenomeen geweest, niet een hallucinatie maar een werkelijk object dat door gebruik van geconcentreerde energie geschapen was uit hard gesteente. Vermoedelijk ook de vaartuigen die af-en-aan reden, om de vijand de indruk te geven dat er hier inderdaad sprake was van een echte mijningang. Toen de colonne op het punt stond om rechtsomkeert te maken, had hij de oorspronkelijke toestand gedeeltelijk hersteld. De achterkant van de gang was verdwenen. Het gesteente wat er vroeger was geweest, was teruggekomen. Harper herinnerde zich het koper. In oorspronkelijke toestand zat het ingebed in het gesteente en was afgesloten van alle zuurstof. De gedeeltelijke restauratie van de oorspronkelijke toestand stelde het koper bloot aan de lucht. Eerst blank en glanzend, werd het onmiddellijk bedekt met een oxidatielaag, die de glans wegnam.
Alleen op die manier was te verklaren hoe Harper en Brewster tegelijk op de verschijnselen konden stuiten. De vijand had de forten opgericht om de vijand in de val te lokken en te vernietigen. De uit geconcentreerde energie bestaande creaties verraadden zich alleen door hun diffuse velden. Ze zaten vol energie, maar verspreidden die alleen binnen het bereik van hoge frequenties en de korte golven en wel zo, dat de door de weerkaatsing van het zonlicht opgewekte lagere frequenties volkomen verdrongen werden en een robot die door een defect alleen maar binnen het ultraroodkader kon kijken, het kunstmatige product niet eens waarnam.
Een duivels wapen waarmee de aarde op deze plaats voor het eerst kennis maakte. En een reden te meer, dacht Harper, om een succes vol eind te maken aan deze actie en het vijandelijke mysterie te ontsluieren.
Hij hoorde een stem in de helmontvanger.
'Zijn jullie allemaal in orde?' Dat was Christopher. 'Het houdt niet over,' gromde Link. 'Alles in orde hier,' riep Harper. 'De robots zijn een uitgang aan het zoeken. Blijf kalm. De zaak is nog niet verloren!'
'Okay,' bromde Link. 'Maar laat ons niet te lang wachten.' Alsof hij een sleutelwoord had uitgesproken meldde de Paladijn zich.
'Groep 21 (hij moest de groepjes van tien willekeurig genummerd hebben) bevindt zich in een schacht die na tweehonderd meter overgaat in een gang met gladde wanden en fel licht. De gang stijgt met ongeveer een procent en is ongeveer een kilometer lang tot de volgende bocht.' Harper rook een valstrik. 'Hoe staat het met het energiepeil?' 'Normaal,' antwoordde de Paladijn.
Harper voelde zich opgelucht. Ze hadden Heimstaetters vluchtroute gevonden. Voor de eerste keer sinds de met kristallen aderen doorgroefde muur voor hem was opgedoemd, voelde hij weer enig zelfvertrouwen. Hij beval alle robotpatrouilles, met uitzondering van eenentwintig, om een eind te maken aan de speurtocht en terug te komen naar de hal.
UI was enthousiast. De drie verspieders waren door de eerste klappen tegen de grond gekwakt. Ze krabbelden wel weer overeind en ze strompelden weer verder, maar dat had niet veel te betekenen. De projectors zouden twee rondes lang werkzaam blijven. Voordat dat voorbij was zouden de vreemdelingen allang geen zin meer hebben om op te staan.
Hij beschouwde het ook als een zeker teken van zijn succes, dat de metaalachtige wezens na de eerste klap onmiddellijk de benen hadden genomen. Ze probeerden natuurlijk aan de striemende zweepslagen te ontkomen. Kennelijk hadden ze een krachtigere constitutie dan de wezens die rechtop liepen, maar waar ze zich ook wendden of keerden, de slagen zouden ze achtervolgen, want in Uls mijn was iedere gang voorzien van projectors. Nog steeds had er geen uitwisseling van gedachten plaats tussen UI en Iraloth. Daarom kwam UI nog niet aan de weet dat Iraloth zeer somber gestemd was over de gang van zaken. Vooral maakte hij zich er zorgen over dat een van de groepjes van tien achterbleef op het punt waar een schacht overging in het eigenlijke gangenstelsel van de basis, terwijl alle andere groepen die in doodlopende schachten rondgesnuffeld hadden, rechtsomkeert maakten en terugmarcheerden naar de hal.
UI had niets in de gaten. Hij vermaakte zich met de pijn van zijn gevangenen.
8.
Ze drongen de schacht binnen, die de groep eenentwintig had gevonden - voorop Harper in zijn schuilplaats binnenin de robot, waarmee hij nog steeds door de contactkabel verbonden was. Daarachter kwamen Christopher en Link, ook in zo'n schuilplaats en ook met hun Paladijn verbonden door een contactkabel.
De zweepprojectors waren nog steeds in bedrijf, zoals Harper aan het gekriebel voelde dat soms langs zijn benen omhoog kroop. De ontlading drong verzwakt door de opening in de robot naar binnen. De overige robots bleven in de hal achter. Harper vond het onjuist om ze op te laten draven, zolang hij niet wist wat groep eenentwintig had gevonden.
'We zijn er,' meldde zijn Paladijn. Hij wachtte tot hij het gekriebel nog een keer voelde, daarna kroop hij zo snel mogelijk de opening uit, draaide zich om en kroop nu, met zijn voeten naar voren, weer naar binnen. Tussen twee klappen door verstreken iedere keer enkele seconden. Hij redde het net. Nauwelijks zat hij in zijn vertrouwde schuilplaats of daar voelde hij het gekriebel weer. Deze keer in zijn schedel. Het was onaangenamer, maar te verdragen, en in ieder geval kon hij de opening nu gebruiken om naar buiten te kijken. Groep eenentwintig, die zich opgesteld in de gang, had juiste waarnemingen gedaan. De schacht ging hier over in een keurig aangelegde gang, die ongetwijfeld de verbinding vormde tussen de mijn en het vijandelijke steunpunt. Harper nam zonder aarzelen een besluit. Ze moesten de gang volgen. Alleen op die manier konden ze de vijand tot een openlijke strijd dwingen. Hij gaf de in de hal wachtende robots bevel om ook te komen. Toen de vijftienhonderd vijandelijke wezens naar de hal terugkeerden en zich daar weer opstelden, begon UI voor het eerst argwaan te koesteren. Misschien verliep alles toch niet zo als hij had gedacht. Toen de vijandelijke troepen zich daarna in beweging zetten en in gesloten formatie oprukten naar die schacht, die de gevangene enige tijd geleden had willen gebruiken om te vluchten naar de bovenwereld, omdat hij door had dat dit de enige rechtstreekse verbinding was met de gangen van het steunpunt, toen werd zijn vermoeden zekerheid.
Hij werd door woede overmeesterd, de woede van de man die zich overwinnaar waant en merkt dat hij de hele tijd bij de neus is genomen. Hij begon dadelijk tegenmaatregelen voor te bereiden. Maar woedend als hij was, handelde hij niet meer zo doelbewust als eerst.
Ze hadden een halve kilometer afgelegd en de robots hadden ze intussen al ingehaald, toen er gebeurde, waar Harper al de hele tijd op had gerekend.
De gang voor hem verdween plotseling. In plaats daarvan doemde er een nieuwe schacht op met ruwe wanden, die een bijna rechte hoek naar rechts maakte. Harper was in zijn element. Nadat hem duidelijk was geworden hoe een verschijnsel tot stand kwam, wist hij zeker met welk middel het bestreden moest worden.
'Dat is een technisch probleem,' klonk zijn oude parool door de helmontvangers. 'Laat mij maar begaan!'
Hij gaf zijn Paladijn het bevel om vier robots vooruit te sturen en ze in het wilde weg in de schacht te laten schieten. De robots kwamen meteen aangerold en stelden zich op. De vier wapenarmen schoven hun lijf uit en namen een horizontale positie in. Een halve seconde later begonnen de stralers te schieten.
Een seconde verstreek, twee, drie, uit de schacht kwamen gloeiende wolken van verhit en vergast gesteente. Harper werd onzeker, wilde zijn plan opgeven, maar toen gebeurde wat hij had gehoopt. De schacht verdween. De gang doemde weer op. Alleen een traag voortzwevende, donkerrood gloeiende steenwolk was nog een bewijs voor het vreemde schouwspel dat zich hier zoeven had afgespeeld. De geconcentreerde energiemassa van de stralers had de energiehuishouding van het kunstmatige object in de war geschopt en doen instorten. De weg was vrij.
Met grote snelheid bewoog de colonne zich voort door de gladde, lichtelijk stijgende gang. Binnen twee minuten bereikten ze de plek waar hij een grote bocht naar links maakte. De vijand verroerde zich niet meer. Toen de robot, waarin hij zich had verscholen, de bocht achter zich liet liggen, zag Harper dat ze vlak voor een vijftig meter brede corridor stonden, die van rechts naar links liep en bijna haaks stond op de gang waar zij uit kwamen. Hij liet de ruimterobot oprukken tot de ingang van de gang, daarna beval hij hem via de Paladijn om halt te houden.
In zijn opwinding was het niet tot hem doorgedrongen dat het kriebelende gevoel verdwenen was. Het was waarschijnlijk, dat ze in een sector waren, waar de vijand het aanbrengen van de projectors niet nodig had gevonden. Maar hij besloot voorzichtig te zijn en in zijn schuilplaats te blijven. De wand van de fel verlichte corridor was glad, afgezien van een deur van enorme afmetingen, die wel wat weg had van een luik uit de hangar van een ruimteschip, en die nu gesloten was.
De corridor was leeg. Harper liet de robot een stukje naar voren glijden en waagde het zelf een stukje naar voren te kruipen, zodat hij naar alle kanten vrij uitzicht had. Hij stelde vast dat de gang niet recht was, zoals hij eerst had gedacht, maar een lichte kromming vertoonde. Het leek wel of hij om een enorm complex heen liep, waarvan de uiterste grens de wand met het luik was. Harper wist zeker dat achter die deur de commandocentrale van de vijand lag.
Hij zag nog iets. De lucht in de corridor vertoonde een eigenaardige trilling. Hij had zulke verschijnselen vaak genoeg gezien om te weten wat hier aan de hand was. Tussen hem en de wand zat een veiligheidsscherm. Welke functie dat had was niet zomaar vast te stellen, maar Harper moest onwillekeurig denken aan de opmerking van Heimstaetter in het dagboek van Suluth, dat de 'glazigen' zich moesten beschermen tegen de straling van de kristallen en zich verschanst hadden in een bunker, waar ze veilig waren voor de parahypnotische invloed.
Het scherm vormde een hindernis waar hij niet op had gerekend. Hij dwong zichzelf een snel besluit te nemen. Hij mocht de vijand geen seconde de tijd gunnen, als hij niet gevaar wilde lopen dat de in het nauw gedreven wezens aan de andere kant van de wand op het laatste moment nog iets zouden bedenken om het dreigende gevaar af te wentelen.
Via de Paladijn gaf hij een van de gevechtsrobots bevel de gang over te steken. De machine kwam in het midden van de gang tot stilstand, omdat, zoals de Paladijn meedeelde, hij op een energieafwijking gestuit was, die hij niet zonder letsel kon binnendringen of aanraken. Harper wist wat hem te doen stond. De experimentele robot werd teruggeroepen. In plaats daarvan stormde een groep van vijftig zwaarbewapende gevechtsmachines de gang in, waaierde uit en vormde een front over een lengte van ongeveer honderd meter, tegenover het veiligheidsscherm.
Harper kende de centrale niet, die dit veld van energie voorzag, en de energie die het veld opving, absorbeerde. Hij kon alleen maar hopen dat de capaciteit niet al te groot was. Want op dit moment was er voor hem maar een kans om deze barrière uit de weg te ruimen, hij moest het scherm overbelasten en door energieverzadiging in laten storten.
'Klaar om te vuren?' vroeg de Paladijn.
'Klaar om te vuren!' klonk het antwoord.
Harper liet zich weer in zijn schuilplaats glijden, zo ver als hij kon. Het zou behoorlijk heet worden, 'vuur!'
UI werd zenuwachtig. De truc om vlak voor de oprukkende vijand een nieuwe gang te projecteren en de oude te laten verdwijnen, was mislukt. De vijand had zijn methode intussen doorzien. Voor UI kwam dit besef aan als een harde klap. Hij had er niet op gerekend dat de vijand zich zo snel zou aanpassen. De schok was des te erger, omdat de Perliaan nog steeds het feit, dat de vijandelijke troepen eigenlijk nergens bang voor waren, nog steeds niet helemaal had verwerkt. Ze waren intussen buiten het bereik van de projectors en in de buurt van de sector waar de uit soortgenoten van UI en Iraloth bestaande bemanning van de basis zich bevond. Ze drongen de gang binnen, die om de veilige plaats heen liep en stelden zich op voor het scherm dat de dodelijke straling van de kristallen tegenhield. 'Wat zijn ze van plan?' zei de Perliaan sidderend. 'Ze kunnen toch niet door het scherm heen?' Iraloth ging niet op zijn vraag in. Het klonk dringend, toen hij zei: 'Beheers je, UI! Doe iets! Gebruik een van je trucs! Doe alsjeblieft iets! Binnen een paar eenheden...'
'Ik kan het niet,' jammerde UI. 'In de buurt van het scherm kan de materieprojectie niet toegepast worden, omdat de energiemassa van het veld storend werkt. Ik kan niets doen. Of zie jij een mogelijkheid?' Plotseling was het respect voor Iraloths twee tijdogen er weer. 'Maar het scherm zal ze toch wel tegenhouden. Of denk je van niet?' Over het beeldscherm schoten opeens felle flitsen. Pel, blauwwit licht spatte van de beeldschermen af en verblindde de twee waarnemers.
De laatste fase van de strijd was begonnen.
Gierend spoten de salvo's uit de superzware stralers van de robots. Dikke stralen gebundelde energie botsten tegen het scherm, werden weerkaatst en stroomden in gloeiende golven alle kanten op. Van de ene seconde op de andere werd de gang gevuld met een donderend lawaai en de omtrekken van de wand werden versluierd door de verblindende gloed die de stralers produceerden.
Harper zette de buitenmicrofoons uit; maar dat haalde bijna niets uit. Het getier, gedreun en gedonder sidderde door de romp van de robot, waar hij in lag. Hij sloot zijn ogen maar de verblindende gloed was zelfs zo nog te zien. Harper voelde zich zwak en hulpeloos. Voor de eerste keer sinds hij deze planeet had bestreden kreeg hij de kans om de gevechtssterkte van zijn troepen te testen en het bruisende, bulderende geluid van de stralers had hem eigenlijk een geruststellend gevoel moeten geven. Maar hij wist dat hij hier zijn laatste strijd streed, hoe dan ook. Als het scherm niet instortte zou hij geen tweede kans meer krijgen om de vijandelijke basis te bezetten. Dat hij niets anders doen kon dan zich verschuilen in de romp van een robot en maar moest hopen dat de gebundelde energie van de stralers toereikend was om het scherm in te laten storten, maakte hem moedeloos.
De donder bleef grommen. Het werd heet. De temperatuurregelaar in Harpers pak die er op was gebouwd om externe temperaturen tussen de plus vierhonderd en minus tweehonderdvijftig graden te neutraliseren was overbelast. Harper voelde het zweet door al zijn poriën naar buiten stromen. Hij keek tussen zijn oogleden door en verbrandde zijn ogen bijna. Nog een paar minuten en hij zou de aanval moeten afgelasten, omdat zelfs de lichamen van de robots niet bestand waren tegen deze extreme temperaturen.
Een bliksemflits, zo fel dat hij zelfs tussen de verblindende gloed van de stralers duidelijk zichtbaar was en pijn deed aan Harpers ogen. Een ander geluid, knisperend, knarsend, alsof iets met geweld verscheurd werd. En toen stilte.
Na de stilte de monotone mededeling van de Paladijn: 'Het veldscherm bestaat niet meer!'
Iraloth zag de Perliaan sterven. Toen de groene flits over de beeldschermen schoot, die het instorten van het scherm aangaf, ontplofte Uls rode tijdoog.' UI stortte neer en verroerde zich niet meer. Iraloth voelde de dodelijke invloed van de in het gesteente ingebedde kristallen over zich heen komen als een reusachtige golf die alles op zijn weg meesleurde. Hij voelde de kracht uit zijn verstand verdwijnen en zijn gedachten in de war raken.
Dat was zijn laatste indruk. Een paar eenheden later stierf hij.
Het luik was makkelijk open te krijgen. Een gevechtsrobot vernietigde het met een salvo. Ze drongen de centrale binnen, waar vandaan alles, wat er intussen was voorgevallen op Danger I, geregeld werd. Vijftienhonderd robots stroomden door honderden gangen, hallen, corridors, laboratoria, meetruimtes, magazijnen, slaapplaatsen en hun berichten kwamen continu bij de mannen binnen, die met hun Paladijnen midden in de grote schakelcentrale zaten.
Het beeld was overal hetzelfde. De installaties waren niet beschadigd, maar van de bemanning, die volgens voorlopige schattingen had bestaan uit vijfduizend Perlianen en tweeduizend generaals, had niemand het instorten van het veiligheidsscherm overleefd. Ze lagen overal, de Perlianen met hun transparante schedels, die voor de helft met een vaalrode vloeistof waren gevuld, de generaals met gebarsten glazen bolletjes op hun schouders, waaruit de materie van het tijdoog als rood kaarsvet over hun leerachtige huid was gedruppeld. In beide gevallen waren het duidelijk de tijdogen die niet tegen de straling bestand waren geweest, ingestort waren en met hun instorting de dood van het hele organisme veroorzaakt hadden.
Harper bracht verslag uit aan de Tosoma. Deze keer sprak hij met Con Bayth zelf. Het succes dat hij had geboekt, toen niemand er al meer op rekende, maakte het passeren van lagere instanties mogelijk. De admiraal betuigde in wel gekozen woorden zijn waardering voor hem en zijn mannen, vroeg ze voorlopig op hun post te blijven en garandeerde ze dat er een robotdivisie onderweg was.
Harper probeerde uit de beschrijvingen van de robots een beeld te destilleren van de werking van de centrale. Maar dat was van het begin af aan een vruchteloze onderneming. Het bleek onmogelijk om er achter te komen hoeveel kristalmijnen er op de planeet waren, waar ze zich bevonden en door wie die gedolven waren. Het was vergeefse moeite om uit te zoeken wat er met de brokken kristal werd gedaan, nadat de gevangenen ze uit het gesteente hadden gehakt met hun mechanische houwelen. Nergens werd een machine gevonden die van die kristalsplinters bollen met een middellijn van vierhonderd meter vormde en ze in een stabiele parkeerbaan rond de planeet bracht, een paar honderd kilometer boven het oppervlak van die planeet. Het was ook onmogelijk om de aggregaten te vinden die de vijand had gebruikt om twee vestingen in de woestijn en fel verlichte gangen onder de grond tevoorschijn te toveren. Harper was er heilig van overtuigd, dat de twee wezens waarvan ze de lijken hadden gevonden in de schakelcentrale, een Perliaan en een generaal, degenen waren geweest, die het vijandelijke verzet hadden geleid. Hij had er alles voor over gehad om ze weer tot leven te wekken en ze te kunnen ondervragen.
Maar zo bleef Danger I een raadsel, de oplossing bleef het privilege van Terraanse geleerden en technici die op een zekere dag een manier zouden vinden om de dodelijke straling van de kristallen in te dammen.
Con Bayth was tevreden. Hij had zijn doel bereikt, ook al kon hij er niet veel mee beginnen. De vesting Danger I was gevallen maar met uitzondering van anders gestructureerde hersenstelsels kon niemand de vijandelijke bodem betreden. De admiraal besloot in het Danger-stelsel te blijven tot het voorlopige onderzoek van het complex afgesloten was. Dan zou hij een serie schepen ter bewaking achterlaten en met de rest van de vloot teruggaan naar Modula. De lordadmiraal moest maar beslissen wat er met Danger moest gebeuren. Volgens de drie luitenants die daar zaten, was er sprake van een eventuele rijke technische buit. Maar die moest daar onaangetast blijven liggen tot ze een methode hadden gevonden om specialisten te beschermen tegen de dodelijke parahypnotische straling.
Con Bayth wilde aanstalten maken om terug te vliegen, toen opeens de komst van een korvet werd gemeld, dat vanuit richting Modula het stelsel binnen vloog. Bayth verwachtte nieuws van Ems Kastori te horen, maar het vaartuig ontpopte zich als een eenheid van de honderdnegende vloot, die volgens Bayth op dit moment in de Jellico-sector moest opereren, meer dan 140.000 lichtjaren verderop.
Hij werd snel op de hoogte gebracht en hij begon te begrijpen, dat de razendsnelle, sensationele ontwikkeling in hun eigen melkwegstelsel zijn successen wat deed verbleken. Old Man, de reuzenrobot, was zomaar, zonder voorafgaande waarschuwing, uit de ruimtesector Jellico verdwenen. Hij had geen spoor achtergelaten. Niemand wist waar hij heen was. Maar er waren vermoedens.
Reginald Bull die met een reguliere vloot van 20.000 eenheden in de Jellico-sector was geweest, vond zijn aanwezigheid in dit gebied plotseling volkomen overbodig. Omdat er allang geen twijfel meer aan bestond dat Old Man inderdaad beheerst werd door kristalagenten, was het niet meer dan logisch om te denken dat hij koers had gezet naar de grote wolk van Magelhaen. Hij kon dus ieder moment in de buurt van die wolk opduiken en gezien de ongehoorde gevechtskracht van deze gigant leek het raadzaam om de Terraanse troepen in de omgeving van de grote wolk van Magelhaen zoveel mogelijk te versterken.
Het bericht dat Con Bayth kreeg behelsde niets meer of minder dan dat Reginald Bull met zijn twintigduizend verschillende eenheden op weg was naar deze sferen en dat hij binnen twee uur verwacht kon worden.
Con Bayth gooide zijn plannen overboord en bereidde de vloot voor op de komst van de eenheid onder bevel van Reginald Bull. Hij verkeerde in een alleszins begrijpelijke toestand van opwinding, maar een bericht uit de peilcentrale speelde het nog een keer klaar om zijn aandacht te richten op zaken die met het zoeven beëindigde offensief tegen Danger I te maken hadden.
De drie vreemde objecten die bij het naderen van de veertiende vloot in de buurt van Danger I waren waargenomen, en op de zelfde plaats waren gebleven tijdens het offensief, waren plotseling verdwenen.
Con Bayth was tevreden. De Currads wisten nu wat ze aan de Terranen hadden.
Harper had zijn ruimtepak uitgetrokken en zat op zijn gemak in een stoel in de schakelcentrale. De lijken van de Perliaan en de generaal waren verwijderd. Link Stovall had radiodienst en was met zijn Paladijn verbonden, die op zijn beurt weer contact had met de Tosoma. 'Het laatste nieuws,' zei hij met een spoor van opwinding in zijn stem dat voor zijn doen ongebruikelijk was, nadat hij de laatste berichten had ontvangen. 'Reginald Bull is met een eenheid van 20.000 schepen op weg hierheen. Old Man is uit de Jellico-sector verdwenen!' Harper kauwde op een staaf geconcentreerd voedsel die de tweede robotlandingsdivisie had meegebracht. Hij maakte een uiterst ongeïnteresseerde indruk. 'Wat denk jij ervan, Harper?' informeerde Christopher, nadat er een minuut stilte verstreken was. Harper woof nonchalant met zijn hand.
'Dat is geen technisch probleem,' zei hij. 'Daar heb ik niets mee te maken.'
Op 24 november 2435 bereikten de USO-eenheden van admiraal Bayth de Kristalplaneet Danger I. Maar ze kwamen te laat om de slaven te redden ... Nieuwe avonturen van Perry Rhodan en zijn mannen, die opgesloten zitten in een Gurrad-ruimteschip, in de volgende aflevering!