CeesPols_DeTijdDatJeZweeft.jpg

De tijd dat je zweeft

Cees Pols

Novelle

Ontwerp omslag en binnenwerk Geert de Koning

Foto omslag Françoise Demulder/Corbis

Foto auteur Jannie Mul

ISBN 978 90 239 0642 1

NUR 301

© 2010 Uitgeverij Mozaïek, Zoetermeer

Alle rechten voorbehouden

www.uitgeverijmozaiek.nl

De tijd dat je zweeft is een uitgave in samenwerking met BCB, ter gelegenheid van de Week van het Christelijke Boek 2010

Deze digitale editie is gemaakt naar de eerste druk met ISBN 90 239 9331 5

Ter nagedachtenis aan
mijn vader, Indiëveteraan,
* 6 maart 1927 – † 28 juli 2009

I

Uruzgan

Voorjaar 2008

We stonden aan het begin van een zware en langdurige opdracht en het zou erom gaan spannen. We gingen op zoek naar de Taliban, voorbij Poentjak, zoals we die post hadden genoemd. Het zou dagen duren, misschien wel meer dan een week. Ik bedacht dat opa als soldaat bij het echte Poentjak in Nederlands-Indië was geweest. Daar had hij vaak over verteld. En juist dat maakte me onrustig.

Eerst zouden we langs Tarin Kowt rijden, een stoffig plaatsje ten noordwesten van Kamp Holland, niet groter dan een dorp. We waren daar vaker geweest. Ik had foto’s gemaakt van de lokale bevolking en van de stalletjes op de bazaar waar ze hun producten te koop aanboden. Het meest had ik de kinderen gefotografeerd, die zich verdrongen om onze voertuigen, zich aan ons vastklampten als we over de markt liepen, en bedelden om schriften, potloden en kauwgum. We deelden uit en zagen hun grote donkere ogen waar soms, misschien wel vanwege het potlood en het schrift, hoop in gloorde.

Gespannen was ik toen we de poort van Kamp Holland uitreden. Brian, die achter de mitrailleur van ons voertuig stond, zat met zijn gedachten bij Noëlle, dat zag ik zo. Hij zag dat ik naar hem keek, en lachte. We wisten het van elkaar. Vaak dachten we aan thuis, maar erover praten was iets anders.

‘We redden het wel,’ zei ik luchtig.

Na acht kilometer hielden we halt. Enkele mannen stapten uit hun voertuig en liepen voor ons uit met detectieapparatuur, op zoek naar bermbommen. De lokale informanten hadden gezegd dat er misschien explosieven lagen en die signalen moesten we serieus nemen, daar waren we kwetsbaar. Stap voor stap zochten ze de weg af, maar er werd niets gevonden. Brian leunde op zijn mitrailleur, keek om zich heen en veegde het zweet van zijn gezicht.

Direct na aankomst in Uruzgan hadden we ons verbaasd over de hitte. Je kon geen honderd meter zonder water, je moest altijd water meenemen. Ik vroeg me af hoe opa dat in Indië had gedaan, hij had vast ook last van de warmte gehad.

Het zoeken werd gestaakt; we gingen verder en passeerden een man met kamelen. Hij stak zijn hand op en ik groette terug. Brian hield zijn handen aan de mitrailleur. Het konvooi reed bijna stapvoets verder.

Een snerpend geluid van kogels. Ik dook in elkaar. Onmiddellijk beantwoorde Brian het vijandelijke vuur.

‘Contact rechts!’ schreeuwde ik en iedereen wist wat van hem werd verwacht: de vijand moest op afstand blijven.

Ik hervond mezelf en reageerde zoals ik had geleerd. De adrenaline joeg door m’n lijf en ik nam mijn positie op links weer in, waar niet werd gevuurd. Voor me waren bloeiende papavervelden. De rustige beweging van ritmisch golvende bloemen vormde een waanzinnig contrast met het geluid van ratelende mitrailleurs, geschreeuw en ontploffende handgranaten.

Ik was enorm geconcentreerd en lette op elke afwijkende beweging van de deinende bloemenzee.

Nog geen dertig meter was er tussen hem en mij. Blijkbaar had hij op zijn hurken tussen het gewas gezeten, maar nu rees hij op. Langzaam en statig, alsof hij niets te vrezen had. Daar stond hij, met een wapen in zijn hand. Zijn hoofdbedekking was zwart, zijn baard grijs. Ik vuurde op de man, en zijn wapen vloog de lucht in. Ik had hem in zijn hals geraakt en terwijl hij zijn lege handen naar de hemel hief, spatte het rood over de komende oogst. Hij zakte op zijn knieën en viel op zijn zij.

Nu pas zag ik het kind dat blijkbaar achter hem had gestaan. Het hoofd van de jongen kwam net boven het gewas uit. Hij knielde bij de dode man voor hem, keek beurtelings naar mij en het wapen dat op de grond lag. Ik schoot. Het kind sloeg hard achterover. Ik kon niet zien waar ik hem had geraakt. Wel zag ik zijn stuiptrekkingen.

Het gevecht achter mij ging in volle hevigheid door. Kogels kletterden tegen de klep van het luik achter me en ik dook naar binnen op zoek naar munitie en adem.

Er werd luchtsteun aangevraagd, maar onze Apaches waren in actie voor andere eenheden. We moesten wachten.

‘Waar blijven ze?’ schreeuwde iemand.

Het vuren leek minder te worden. Toen we de Apaches hoorden, was het niet meer nodig.

‘Hadden ze niet eerder kunnen komen, luit?’ riep iemand.

‘Soms vechten we zonder heli’s,’ zei ik.

Veel tijd om daarbij stil te staan was er niet, maar we waren er goed kwaad over. Trots ook. We hadden de aanval op eigen kracht afgeslagen en er waren geen gewonden.

‘Ik ben er erg pissig over,’ zei Brian, terwijl hij het zweet van zijn gezicht veegde en zijn mitrailleur even losliet.

We reden verder en lieten de papavervelden achter ons.

Het was een kind, schoot het door me heen, en ik zocht naar een verklaring. Die man was gewapend geweest; hij vormde een gevaar. Maar dat kind niet.

Donderend kwam de aarde omhoog en het leek wel of alle lucht uit m’n longen werd geperst. Ik dacht dat ik zou sterven. Mijn hoofd kwam neer tussen stof en stenen. Ik hoorde geschreeuw en overal om me heen lagen maats. In een flits zag ik Brian, die van ons voertuig gleed en vlak naast me terechtkwam. Hij vertrok zijn gezicht in een angstige grimas en wilde iets zeggen. Moeizaam bewoog hij zijn lippen, maar ik kon hem niet verstaan. Ik stak m’n hand uit en kon zijn hand pakken. Ik hield hem vast, ik moest mijn buddy wakker houden. Bijbelwoorden flitsten door me heen: Jezus huilde.

‘Hier blijven, Brian. Hier, kijk me aan!’ schreeuwde ik. ‘Denk aan Noëlle, aan je kind. Kom Brian, kom! Brian, blijf hier!’

Ik probeerde te gaan staan, maar het ging niet, het voelde zo raar. Eigenlijk voelde ik niets. Maar ik móest voor Brian zorgen en op mijn ellebogen kroop ik dichter naar hem toe. Tot ik niet meer kon en alles begon te draaien. De pijn werd ondraaglijk, ik kon niet wakker blijven en zweefde weg.

Toen ik weer bijkwam, voelde alles dof. Overal op mijn lijf zat stof, zweet en bloed, mijn mond was droog. Naast me lag nog een gewonde, ik wist niet wie. ‘Mamma, mamma,’ schreeuwde hij. ‘Jezus, Jezus!’ kreunde hij erachteraan. Nog steeds hield ik Brian vast, ik mocht niet vergeten dat hij naast me lag.

‘Brian,’ riep ik, ‘Brian, zeg wat!’, en ik pakte zijn hand nog steviger. Ik kneep erin zo hard ik kon, maar hij kneep niet terug. Ik kneep zijn hand kapot, mijn nagels zaten in zijn vlees. Hij reageerde niet. Hij keek me aan, zijn ogen waren gebroken. Ik begreep er niets van.

De pijn werd ondraaglijk. Ik kon niet meer naar Brian kijken en ik kromp in elkaar toen maats onze handen losmaakten. Ik werd op een brancard getild en een Amerikaanse heli in getrokken. In een schim zag ik dat het lichaam van Brian niet naar de heli werd gebracht, maar achterbleef.

‘Dat kan niet!’ schreeuwde ik, hoewel ik bijna geen kracht meer had. ‘Hoe kunnen jullie Brian nou achterlaten? Neem hem ook mee! Welke klootzak heeft beslist dat Brian hier achterblijft?’

Was hij het niet die een paar uur geleden vocht als een tijger en achter de mitrailleur bleef staan om ons door het vuurgevecht te loodsen?

‘Hij moet mee,’ zei ik steeds, ‘hij is mijn buddy.’

De verpleger zette een spuit morfine.

You’re gonna go get some sleep, kid,’ je gaat een beetje slapen, jongen.

Het hielp niet wat ik zei over Brian en ineens begreep ik het: Brian was dood.

Just try and get some sleep, kid,’ ga toch maar even slapen, jongen, hoorde ik weer.

Mijn keel was droog en dorstig. Een gelukzalige wolk van morfine nam me mee. Het geluid van de rotor maakte me slaperig, de pijn verdween.

A road side bomb, two bindings in place,’ een bermbom, twee knevels gezet, brulde iemand. ‘We’re gonna fight for you, kid,’ we gaan voor je vechten!

Fight!’ vechten, schreeuwde iemand in de verte.

De heli steeg hoger en hoger.

*

Groene figuren stonden over een operatietafel heen gebogen. Ik stond er een paar meter achter. Een van hen boog zich dieper dan de anderen en riep: ‘Hier blijven, joh, kom op, hier blijven!’ De anderen bogen nu ook dieper, tilden een scherfvest op en gaven het aan een verpleegkundige die een eindje voor me stond. ‘We gaan voor je vechten!’ zei een van de groene figuren, terwijl hij zich weer nadrukkelijk in de richting van de operatietafel boog. Ik had geen idee wie erop lag. De verpleegkundige met het scherfvest liep langs me heen, maar keek me niet aan. Een ander reed een karretje naar de operatietafel. Blijkbaar vroeg niemand zich af wat ik in de operatiekamer deed. Er was veel apparatuur, zag ik. Sommige apparaten hingen aan de muur, andere stonden op een karretje. Boven de operatietafel hingen zakken vocht en bloed, en dunne slangen liepen naar het lichaam.

Ik had geen idee waarvoor het allemaal was en wilde kijken. Ik liep naar de operatietafel, zomaar door de mensen heen, en zag het lichaam.

Een enorme schrik golfde door me heen. Daar lag ik zelf! Ik droeg nog altijd mijn gevechtskleding die van boven tot beneden was opengescheurd. Waar mijn benen hoorden te liggen waren grote proppen verband waar het bloed doorheen sijpelde. Ik begreep het niet en ik voelde dat ik loskwam van de vloer. Ik bevond me boven de groene mensen. Met alle geweld probeerde ik niet weg te zweven en ik greep me vast aan alles wat zich in mijn omgeving bevond. Ik zag hoe beneden me werd gevochten voor mijn leven.

Waarom bewogen de groene figuren niet meer? Bevroren leken ze, hun blik gericht op het bewegingloze lichaam. Een van hen liep naar de deur, opende hem en verdween. Ik werd in de richting van de deuropening getrokken. Ik schreeuwde, maar niemand reageerde. Ik werd nog harder naar de opening getrokken en moest loslaten.

Ineens was er die vlijmscherpe pijn. Ik was terug in mijn lichaam. De groene figuren bewogen weer en waren druk met slangetjes en proppen verband. Boven me was fel licht.

*

Heerlijke kleuren straalden me toe. Toen de brancard naar buiten werd gereden, ging ik zachtjes bewegen. Ik zag de schitterend blauwe hemel. Nog nooit had ik er zo naar gekeken als die keer. Mijn blauwe hemel was het, en het maakte me blij. Het voelde alsof ik naar een feest ging, waar vrede zou zijn zoals niemand die ooit had ervaren. In de verte bewogen gestalten in groen en wit, hemelsblauw en zachtgeel en nog veel meer kleuren, rustig als in een slow motion. Ik mocht me verwonderen, blij en gelukkig zijn, en had het gevoel dat ik oneindig hoog werd opgetild om nooit meer te hoeven vallen.

‘We vliegen,’ riep iemand in m’n oor, terwijl hij zich over me heen boog.

Ik glimlachte en droomde over de mooiste vlucht ooit.

Ik werd wakker en merkte dat we gingen landen.

‘… naar Kandahar en later naar Holland,’ riep de man naast me en ik probeerde wakker te worden.

‘We brengen je eerst naar Kandahar en dan naar Holland, Jarno. Hoor je me?’

Ik knikte, maar kon niet wakker blijven.

Pijn. Zoveel pijn overal, onzegbaar veel.

Alweer stond iemand ontzettend hard in mijn oor te roepen. ‘Hoe heet je? Word eens wakker!’

Een hand tikte tegen mijn wang. Hoe ik heette? Ik had geen idee. Ik kon ook niet praten. Boven me verscheen een gezicht met een groen mondkapje. Doodmoe werd ik van dat geschreeuw. Help, hoe héétte ik ook alweer? Ik wilde slapen, alleen maar slapen!

‘Het been moet hoger worden afgezet,’ hoorde ik.

Ik werd er angstig van en probeerde te gillen dat dat niet mocht. Niet mijn been eraf! Niet doen! Jezus, vergeef mij dat schot! Waar was ik? Alles was hier wit en stil.

*

Brian was dood. Dat was mijn eerste gedachte toen ik bijkwam uit de narcose. Flarden van een preek kwamen voorbij, geluiden en beelden van de kerkdienst, zondag een week geleden: ‘Het brood dat wij breken, Zijn gebroken lichaam.’

We hadden naast elkaar op klapstoeltjes gezeten. Tegelijk waren we opgestaan en naar voren gelopen. Er waren nog een paar maats naar voren gelopen en in de kring gaan staan. De dominee had ons het brood gegeven en samen hadden we gegeten.

‘Zijn vergoten bloed, drinkt allen daarvan.’

Zijn overwinning vieren, noemde Brian het.

De gebeden die we zeiden, gingen niet alleen over ons, maar ook over het thuisfront en de lokale bevolking. Maar het meest werd gebeden voor de mannen en vrouwen die buiten de poort verbleven.

Na de dienst hadden we koffiegedronken en waren we nog stil bij elkaar gebleven, onze ellebogen op de knieën en een mok koffie of thee in onze handen. Brian en ik hadden tegenover elkaar gezeten. We hadden elkaar niet aangekeken, dat deden we bijna nooit. Ik was opgestaan en naar hem toe gelopen, en had de lege mok uit zijn handen genomen, om nog een keer in te schenken. Na de tweede mok waren we naar buiten gegaan en hadden we een plek in de schaduw gezocht.

‘Ik ben benieuwd hoe het met Noëlle is,’ had hij gezegd.

Brians vrouw was zwanger van hun eerste kind en kon elk moment bevallen.

*

Nu de narcose uitgewerkt raakte, kwam de onrust. Het was goed misgegaan. Brian was al teruggevlogen naar Holland, zei een verpleegkundige en ik voelde m’n keel dik worden. Ik had nog zo gezegd dat ze hem daar niet moesten achterlaten; ze hadden toch alles op alles kunnen zetten? Meer bloed, hartmassage, beademing, een operatie. Wij gingen kapot, de Taliban feestten en dankten Allah uitbundig. Ik zag ze voor me, de beelden van feestende mensen. Niet in het openbaar, maar op besloten bijeenkomsten waar zij hun duivelse plannen smeedden. Wrede plannen, waarbij ze met gemak ook de eigen bevolking als dekmantel en schild gebruikten, zelfs hun kinderen.

Mijn lichaam deed pijn, mijn stompen deden zeer tot in m’n kruis en ik zette de morfinepomp hoger, ik was bang dat ik gek zou worden.

Mijn onderbenen waren eraf, zei de arts. Ze waren net boven mijn knieën afgezet, maar ik zou snel genezen, want er waren geen complicaties. Binnen niet al te lange tijd kon ik gaan revalideren. Maar hoe ik aan Noëlle moest uitleggen dat ik nog wel leefde en Brian niet, vertelde hij me niet. Hoe kon ik haar onder ogen komen zonder dat Brian naast me stond? Kon ik maar met hem bespreken hoe ik het moest aanpakken. Maar dat was voor altijd voorbij.

Ik kon m’n eigen gedachten niet meer verdragen.

‘Wil je een slaappil?’ vroeg de verpleegkundige; het was twee uur in de nacht en het was me niet gelukt om woorden voor Noëlle te vinden.

‘Nee, ik wil nog even wakker blijven,’ zei ik; ze knikte.

Blijkbaar was ik toch even weggedommeld, want midden in de nacht schrok ik wakker. Ik zag Brian en liep naar hem toe.

‘Sorry,’ zei ik tegen hem, ‘sorry dat het me niet lukte om bij je te blijven.’

*

Ik voelde dat het vliegtuig in een luchtzak terechtkwam en weer stabiliseerde. Het gaf me de sensatie van een hangtime, zoals bij het kitesurfen, als de vlieger me optrok en ik loskwam van de aarde. Samen hadden we over de zee geraasd, verlangend naar het moment dat we zweefden. We vochten om de eer van de langste hangtime. Urenlang waren we bezig, totdat we honger kregen en totaal uitgeput het strand opzochten. Brian was altijd beter dan ik, maar wat wil je, hij woonde op Terschelling en surfte veel vaker dan ik.

Op een middag waren Brian en ik bijna gelijktijdig gaan zweven. Vanuit mijn ooghoek zag ik dat ik hoger uit het water kwam dan hij, en ik rekende erop dat ik die keer de langste hangtime zou hebben. Hoe hij het deed, weet ik niet, maar weer won hij van me. Het leek wel of hij altijd meer wind in zijn vlieger had dan ik, dat hij de wind, die toch onzichtbaar was, kon zien en vangen. Toen we terug waren op het strand, had ik direct voorgesteld nog een keer het water op te gaan. Hij had me aangekeken en gelachen.

‘Er komt vast een dag waarop je me verslaat.’

Ik wilde winnen en niet wachten op een volgende dag. Maar het was al laat, we moesten terug.

‘Weet je, wanneer je het best je langste hangtime kunt maken?’ had hij gevraagd.

Ik keek hem aan en wachtte tot hij me nog even de les zou lezen, ik kende hem.

‘Heel eenvoudig: een paar minuten voor het tijd is om naar huis te gaan. Dan houd je lekker lang je record op zak.’

Hij had me een klap op mijn schouder gegeven en ik wist dat hij de beste zou blijven.

Ik was moe geworden van de vliegreis en keek uit naar een ziekenhuisbed. Ik wilde slapen. Tegelijkertijd voelde ik me enorm rusteloos en vroeg ik me af hoe het verder moest. Een beenloos leven in Nederland, in een rolstoel naast Kirsten, die me overal mee moest helpen. In gedachten probeerde ik de film terug te draaien, te bedenken wat ik anders had moeten doen en hoe ik mijn benen had kunnen behouden.

‘We zijn er,’ zei de verpleegkundige, toen we het terrein van het ziekenhuis opdraaiden. De achterdeuren van de ambulance werden geopend en de brancard werd naar buiten getrokken.

Ik werd door de gangen gereden en keek naar het plafond. De plafondverlichting verplaatste zich zoals de strepen op de snelweg. Aan het voeteneinde liep een verpleegkundige, die beurtelings naar mij en voor zich uit keek.

‘Dag, jongen,’ hoorde ik en de brancard kwam tot stilstand. Ik keek opzij en wist direct van wie de stem was.

‘Opa!’ zei ik en ik keek hem in de ogen.

De brancard reed verder en opa liep met me mee naar de kamer waar ik voorlopig zou moeten verblijven.

Ik werd opgetild en eindelijk lag ik in een ziekenhuisbed.

Opa zat op een stoel naast mijn bed. Hij hijgde.

‘Ik kom je af en toe opzoeken, maar niet op vaste tijden,’ zei hij. ‘Ik moet het huis gaan aanpassen, zodat je je fatsoenlijk kunt bewegen. Maar laat dat maar aan mij over.’

Hij bleef niet lang. Toen hij vertrok, gaf hij me een klap op mijn schouder. Na zijn vertrek sloot ik mijn ogen.

‘Probeer wat uit te rusten,’ zei een verpleegkundige. ‘Je weet, als je pijn hebt, mag je de morfinepomp hoger zetten.’

Toen ze wegliep, werd er nog een bed de zaal opgereden. Even dacht ik dat het Brian was. Zouden ze hem toch hebben meegenomen? Was hij toch nog in leven? Ik draaide mijn hoofd in de richting van het bed en voelde direct de teleurstelling.

‘Dit is Sander,’ zei de verpleegkundige. ‘Dit is Jarno,’ zei ze tegen hem, ‘waarschijnlijk kennen jullie elkaar.’

‘Weet u iets van Brian?’ vroeg ik haar.

Sander stak zijn hand op, maar zei niets.

‘Brian?’

‘Is hij ook meegekomen, in een ander vliegtuig misschien? Ik weet niet zeker of hij dood is of nog leeft.’

Natuurlijk wist ik allang dat Brian dood was, maar misschien had ik het toch verkeerd gehoord.

‘Brian Zuidam.’

‘Ik zal het voor u navragen.’

Ze liep weg. Ze zou zo wel terugkomen, dacht ik. Na een kwartier was ze er nog niet. Een halfuur later zag ik haar lopen, maar ze liep mijn kamer voorbij.

II

Nederland

Sander had zijn enkel gebroken en miste een deel van zijn rechterhand, die door een dichtklappend luik was verbrijzeld. Als het verband moest worden gewisseld, kermde hij en zei dat hij het tot in zijn nek voelde wat ze deden. Zijn voertuig had zich veertig meter achter het onze bevonden en hij had de explosie van de bermbom gezien.

‘Je schreeuwde vannacht,’ zei Sander.

Ik herinnerde me zijn stem als de stem die in het voertuig om zijn moeder en om Jezus had geroepen.

‘Jij schreeuwde toen je werd afgevoerd,’ zei ik tegen hem. ‘Je zei “mamma, mamma”, en “Jezus, Jezus”.’

Het was stil naast me.

‘Ik was bang dat ik nooit meer thuis zou komen,’ zei hij.

‘Ik had om mijn opa kunnen roepen,’ zei ik tegen hem en verdrong de gedachte aan het kind.

‘Ik heb je gezien voor je de operatiekamer op Kamp Holland werd ingereden. Je was lijkbleek.’

Sander was overeind gekomen, steunde op zijn elleboog en keek me aan.

‘Ik dacht dat je al dood was, je had zoveel bloedverlies. Het is echt een wonder dat je nog hier bent.’

‘Wat weet jij nog van die dag?’ vroeg ik hem.

‘Dat ik dacht dat het afgelopen was voor ons. Ik lag op rechts en tot tweemaal toe hoorde ik het geluid van een kogel vlak langs me heen gaan. Door mijn kapotte hand kon ik mijn wapen niet meer gebruiken en rende weg om dekking te zoeken. Ik sprong en voelde mijn enkel kraken. Ik kon niets meer, ik had niet eens kunnen vluchten. Gelukkig stopte het vuren.’

Een verpleegkundige kwam de laatste ronde doen en keek me aan terwijl ze het verband verwisselde.

‘Doet het pijn?’

‘Ja, maar daar is weinig aan te doen,’ zei ik.

‘Gebruik je morfinepomp, die is daarvoor. Doe er je voordeel mee. Je moet wel kunnen slapen.’

Toen ook Sander was geholpen, verliet ze de kamer.

‘Welterusten, heren.’

Toen ik wilde gaan slapen, keek het kind me recht in de ogen.

*

Vanmorgen zag ik op tv de ramp ceremony van Brian. Onder normale omstandigheden zou ik met hem zijn meegereisd naar Nederland. Nu moest ik toekijken. Ik zag het toestel dat op de airstrip bij Kamp Holland wachtte op zijn lading. Langs de weg stond een lange rij militairen om Brian de laatste eer te bewijzen. Hij werd gedragen door mannen uit ons peloton, die hem zouden begeleiden op zijn laatste reis.

Ik had daar moeten lopen, want ik was zijn buddy. Maar ik kon mijn belofte aan Brian niet nakomen. Ik deed de tv uit. Ik wilde Noëlle bellen, maar wist tegelijkertijd dat ik niet durfde. Zij zou natuurlijk precies van mij willen horen wat er was gebeurd, en zou misschien vragen stellen die ik niet kon beantwoorden.

Kirsten en ik kenden elkaar bijna vier maanden. Ze was voor haar studie in Indonesië en volgens Defensie was ze eerst onbereikbaar. Pas na anderhalve dag was ze op de hoogte gebracht. Ik had een laptop geleend en kon met haar mailen. Ze liet weten dat ze ziek was en niet onmiddellijk kon komen. Ik vond het niet erg dat ze nog even wegbleef. Ik keek naar de sprei op mijn bed. De plek waar mijn benen zouden moeten liggen was plat. Ik probeerde me voor te stellen hoe Kirsten zou reageren. Ik wist dat ze trots was op mijn lichaam. Ze stond erop dat ik er goed uitzag, zeker als we op vakantie gingen. Eerst trainen en bruinen voor we het vakantiestrand op gingen, en altijd vergeleek ze me met andere mannen. Zij zocht kleding voor me uit die volgens haar mij het best stonden. Ze wilde foto’s, plaatjes van mijn trainingsmissies. Op haar lievelingsfoto stond ik met ontbloot en gebruind bovenlijf, boven op mijn voertuig, mijn wapen voor m’n borst.

‘Je kunt overal ter wereld worden ingezet,’ zei ze dan. ‘Je slaat je er wel doorheen, je bent altijd net iets sneller, en dat is in je voordeel.’ Over mijn aanstaande vertrek naar Uruzgan spraken we nauwelijks, en als we er wel over praatten, was het op een positieve manier: ‘Je bent getraind, door en door gedrild.’

Kirsten kon het altijd zo mooi voorstellen, zoals in een film: diepe sporen van zware gevechten op je huid, maar vroeg of laat was er de overwinning.

Een verpleegkundige kwam de zaal op voor de laatste ronde; het karretje met verband en schone luiers, zoals ik het incontinentiemateriaal noemde, rammelde. Ze zou zelf de sprei moeten wegtrekken, want ik had er geen zin in. Ze probeerde een praatje te maken, maar ik wist niet wat ik terug moest zeggen.

Ik wist niet wat ik zag. Zes maats kwamen de zaal op, terwijl het al negen uur was geweest. Ineens begreep ik het: ze waren net terug van Brians begrafenis en kwamen even bij me langs. Ze stonden om onze bedden, gaven ons een hand en schouderkloppen.

‘Hoe is het nou?’ vroeg Jeroen, die mijn laptop had meegebracht.

‘Lastig om hier te liggen,’ zei Sander.

‘Ik weet het niet,’ zei ik. ‘Eigenlijk weet ik niet hoe het met me is,’ en dat was ook zo.

Even later zat iedereen op een kruk om ons heen en dat gaf een goed gevoel.

‘Hoe was het bij de begrafenis van Brian?’

‘Je had erbij moeten zijn,’ zei iemand. ‘Jammer dat het niet kon.’

Noëlle had zich volgens hem goed gehouden en zich dapper gedragen.

‘Ze heeft nog met ons gesproken, we kregen allemaal een hand van haar. Brians vader was er ook, in uniform. We dachten dat hij nog wel zou spreken, maar dat gebeurde niet.’

‘We zijn,’ zei een ander, ‘met twee heli’s vanaf Leeuwarden naar Terschelling gevlogen en geland op de militaire begraafplaats.’

Honderden Terschellingers hadden tussen de bomen op de nieuwe begraafplaats van West-Terschelling gestaan, begreep ik.

‘Noëlle las het gedicht voor dat ook op de rouwkaart staat afgedrukt; je zult het wel lezen,’ zei Jeroen.

Toen de verpleegkundige de zaal op kwam en zei dat dit eigenlijk niet kon omdat het te vermoeiend voor me was, zeiden ze dat ze bijna weggingen.

‘Jarno, ik heb een usb-stick met zelfgemaakte filmpjes van de begrafenis en alles eromheen. Je moet toch iets hebben voor later? Brian was jouw buddy.’

Jeroen gaf me de stick. Ik pakte hem aan en legde hem in de lade van mijn nachtkastje.

‘Kun jij je nog herinneren wat er is gebeurd?’ vroeg iemand.

‘Ja.’

Ze vroegen of ik pijn had en ik wees op de morfinepomp achter me.

‘Het gaat prima hier, geweldige verpleegkundigen.’

Iedereen praatte door elkaar en ik voelde me draaierig worden.

‘Je zweet, man, ik denk dat je je te druk maakt. We moesten maar eens gaan.’

Weer schudden we handen. Morgen moesten zij zich weer melden bij de kazerne en morgenavond vlogen ze terug naar Kandahar.

Ik was moe en blij dat ze vertrokken.

Was ik nu eigenlijk nog soldaat, of was ik nu een invalide? Ik vond het beter dat ik militair bleef. Daar moest Defensie voor zorgen, ja, ik wilde militair blijven. Voor mezelf en voor Brian: we moesten het afmaken daar. We hadden ervoor getraind en wilden het in praktijk brengen, ook al was het erg moeilijk en kostte het mensenlevens. Veel mensenlevens. Het leek, nu ik in een Nederlands ziekenhuisbed lag, meer tot me door te dringen wat er aan de hand was in Afghanistan. Het leek hier erger, veel erger dan wanneer je daar was, en dat begreep ik niet. De tv boven mijn bed liet beelden zien die ik niet wílde zien. Morgen zou ik het ding laten verwijderen. Ik moest strenger zijn voor mezelf en niet meer kijken naar die foto’s en films op het internet. Ik begreep het niet dat zoveel Amerikanen, Britten, Nederlanders en anderen moesten sterven. En vooral Brians dood begreep ik niet. Hoe konden we dit een vredesmissie noemen? Sneuvelen in een oorlog is begrijpelijk, maar bloed en dood hoorden toch niet bij een vredesmissie?

‘We gaan daar bouwen,’ had Brian gezegd. ‘Je steekt je handen uit de mouwen, je gaat verbeteringen aanbrengen, onderwijs, juist ook voor die oorlogskinderen, die niet eens weten wat vrede is. Dat gaan wij hun leren. Ze moeten het net zo goed krijgen als mijn kinderen.’

‘Je moet vader worden, dat is duidelijk,’ had ik gezegd.

Noëlle had er moeite mee gehad dat Brian, juist nu ze zwanger was, werd uitgezonden. Maar hij wist een positieve betekenis te geven aan zijn missie: ‘Als ik terugkom, heb ik het vaderschap onder de knie, geoefend met Afghaanse kinderen.’

Gek was hij op hen, op de Afghaanse kinderen die je aankeken, en om snoep en schrijfgerei vroegen als we patrouilleerden in Tarin Kowt. Als je hun iets gaf, straalden ze; ze waren blij met weinig. Ik zag het allemaal weer voor me: de patrouilles te voet, en altijd kinderen om je heen. Lastiger vonden we de mannen in hun lange jurken, die we niet alleen tegenkwamen in Tarin Kowt, maar ook op Kamp Holland. We onderhandelden, hadden hun handen geschud en net als zij glaasjes warme thee gedronken. We spraken over het aanleggen van een watervoorziening, het bouwen van een school en ontwikkelingsgeld. Het was moeilijk om hun systeem te begrijpen. Na het gesprek waren we weer in onze voertuigen gestapt en hadden we een planning gemaakt om op zoek te gaan naar Taliban. Misschien waren dat dezelfde mensen met wie we kortgeleden thee hadden gedronken.

*

‘De zwaargewonde militair Jarno Leringa is onderweg naar Nederland,’ schreef de krant, waaruit Sander het artikel had gescheurd. ‘Zijn situatie is nog steeds kritiek, maar stabiel. Door het letsel dat hij opliep, moesten zijn beide benen worden geamputeerd. Een andere militair verloor een deel van zijn rechterhand.’

Ik legde het artikel terug op mijn nachtkastje en pakte het volgende stuk.

‘DEN HAAG (ANP) – Het lichaam van landmachtsoldaat Brian Zuidam is op weg naar Nederland. De vlucht zal via Kandahar en een Britse vliegbasis gaan. Een C-130 Hercules van de Koninklijke Luchtmacht vervoert hem naar Nederland. Volgende week zal hij worden begraven in zijn woonplaats West-Terschelling op de nieuwe begraafplaats aan de Longway. Deze begraafplaats grenst aan de militaire begraafplaats, in de volksmond het Engelse Kerkhof genoemd, waar meer dan 120 geallieerden hun laatste rustplaats vonden. Een aantal graven is geadopteerd door Terschellingers, die ze niet alleen verzorgen, maar dikwijls nog contacten onderhouden met de nabestaanden.’

Het laatste stuk ging over de begrafenis op Terschelling.

‘Acht militairen droegen de kist met het stoffelijk overschot, die bedekt was met de Nederlandse vlag. Zuidam sneuvelde afgelopen zondag bij een aanslag met een bermbom tijdens een missie in Uruzgan, Afghanistan. Acht collega’s van zijn onderdeel maakten deel uit van het escorte dat Zuidam naar zijn laatste rustplaats bracht. Hij werd met militaire eer begraven. Een andere Nederlandse militair raakte zwaar gewond. Hij is overgevlogen naar Nederland en verblijft in het Centraal Militair Hospitaal te Utrecht.’

Ik legde het stuk krant weg.

Soms voelde het alsof mijn geamputeerde onderbenen tintelden. In mijn gedachten probeerde ik mijn situatie te omschrijven: verzorgd ligt de gewonde militair op het ziekenhuisbed. Schijnbaar onaangedaan werkt hij zijn oefeningen en revalidatie af, men helpt hem alles op orde te brengen.

Zo zou het ongeveer gaan, stelde ik me voor.

Een verpleegkundige bracht thee. Even gingen haar ogen naar de krant, maar wat ze erbij dacht of voelde, kon ik niet zien. Het zou zomaar kunnen dat ze er niets bij voelde en alleen maar voor mij zorgde; dat was haar taak. Zorgen voor gewonde militairen die wachten op de dag waarop alles er weer zoveel mogelijk als genezen zou uitzien. Om de doden hoefde zij zich niet te bekommeren.

De dominee bracht me de rouwkaart. Ik pakte hem en keek naar Brians laatste signaal. Op de rechterbinnenkant van de kaart, achter de letters, was een kitesurfer zichtbaar. Hij hing tussen hemel en aarde. Daaroverheen stond een gedicht:

Ik droomde dat ik eenzaam woonde aan de zee.

Op blote voeten liep ik langs de vloedlijn

Met waterwolken naast en boven mij;

Er liepen meeuwen langs mij mee.

Een tijdloos alleenzijn, lijkend op eeuwigheid.

Maar soms, tussen de lage luchten en het zand,

Als in de holte van mijn hand,

Iets van geborgenheid.

Nico Laterveer – 2000

Daaronder stond eerst de naam van Noëlle, met daarachter een symbool dat een ongeboren kindje verbeeldde.

Waarom deden we mee aan deze oorlog? Voor de koningin, zou opa zeggen, maar dat was tóen. Wij moesten naar Uruzgan om te bouwen. Gaan als soldaat, en terugkomen als timmerman, metselaar of lasser, zeiden we spottend tegen elkaar.

In de gang van het ziekenhuis hoorde ik iemand uitbundig lachen. Weer gingen mijn ogen naar de naam van Brians vrouw en het symbooltje erachter.

Ik zette de morfinepomp hoger, om mijn gedachten te verzachten. Vechten is vechten, opdracht is opdracht, en tijdens een gevecht kun je niet denken aan een kind dat misschien wel was ingezet om ons te doden. Dát moest ik in mijn kop houden.

*

Op de geleende laptop mailde ik met Kirsten; ik hield me zoals zij graag wilde. Ik braakte er simpelweg een paar alinea’s gelikte landmachttaal uit, niets aan de hand: ‘Je steekt nu met kop en schouders boven me uit. Ik vind het jammer dat ik er zo kort was, want iedereen daar is blij met ons. De Afghaanse boer kan doorgaans zijn opium blijven verbouwen, goed voor de Taliban en voor de junk in het portiek van je studentenhuis in Haren.’

Ze zou wel lachen om mijn grappen.

Kort voor we naar Uruzgan zouden gaan, besloten Brian en ik drie dagen te gaan surfen op Terschelling. Met een achterbak vol spullen en mijn plank op het imperiaal reisde ik af. Deze keer wilde ik mijn kans pakken: Brians hangtime op z’n minst evenaren, maar liever overtreffen. Weer bezwoer ik hem dat ik hem ooit voorbij zou gaan en hem ver achter me zou laten.

‘Dat gaat je niet lukken, of je moet bovenaardse krachten aanwenden,’ had hij gezegd.

Die laatste middag beseften we dat ons vertrek dichtbij was. Hoewel we er niet over wilden praten, gebeurde het toch. We hadden anderhalf uur gesurft en liepen met onze spullen het strand op, toen hij plotseling alles liet vallen, zijn handen in z’n zij zette en over de zee uitkeek.

‘Wat denk je,’ zei hij, ‘wanneer zullen we hier weer staan?’

Het overviel me, die bezorgde ondertoon was ik niet gewend van hem. Hij was zo’n vakman, zo professioneel, hij kende de risico’s.

‘Ooit staan we weer hier, op dat mooie eiland van jou. Of het nu twee weken of twee jaar na onze terugkomst is, ooit staan we weer hier,’ zei ik tegen hem.

‘Ik hoop dat het een jongen is,’ zei hij. ‘Dan wordt hij waarschijnlijk de derde generatie in onze defensiefamilie.’

‘Meiden kunnen tegenwoordig ook in het leger,’ herinnerde ik hem.

Brians vader zat ook in het leger en had de leiding gehad over de allereerste groep Nederlandse militairen in Uruzgan, zo’n 1300, die het kamp moesten bouwen voor de militairen die hen daarna zouden aflossen.

‘Toen hij in 2006 begon, was het lente en in de schaduw vijfenveertig graden,’ zei Brian. ‘Iedereen kwam heelhuids terug, terwijl er toen wel raketten overvlogen. Maar een keer zal het toch misgaan. Ze zeggen dat er daar tientallen van ons zullen sneuvelen.’

‘Als een van ons door een te heftige hangtime op het strand wordt neergesmeten, kan het ook misgaan,’ wierp ik tegen, ‘en dan zie je een gewoon krantenberichtje over een kitesurfer die de controle over zijn vlieger verloor.’

We zaten lang op het strand, de middag was overgegaan in de avond.

‘Je staat in mijn handleiding nabestaanden,’ zei hij.

‘Wat staat daar over mij in?’ vroeg ik hem, terwijl ik zandkorrels in mijn handen nam en zag hoe hij over het water in de verte keek.

‘Ik wil dat jij me thuisbrengt als het nodig is. Wil je dat?’

‘Dat is vanzelfsprekend. Dat hoef je toch niet in je handleiding nabestaanden te schrijven?’

‘Juist wel.’

‘Dan zou het mooi zijn als jij...’

Ik hoefde mijn zin niet af te maken.

‘Schrijf het er maar bij. Ik zal er zijn als het nodig is,’ zei hij en even keken we elkaar aan. Nog diezelfde avond schreef ik het op: Brian brengt me terug naar Holland.

Ik had de rouwkaart van Brian op mijn nachtkastje gezet en keek naar de binnenkant. Brian speelde met de elementen, was gewichtloos. Hij had zoveel plezier in zijn sport gehad, dat het gekke idee was gegroeid om ook in Uruzgan te gaan kitesurfen. Hij had het gemeend.

‘Als daar genoeg wind is, ga ik een zeilvoertuig op wielen bouwen en over de zandvlakte razen.’

‘Zijn daar zandvlakten?’

‘Vast wel.’

In de kazerne maakten we plannen. Samen hadden we bedacht dat we iets van afgedankt defensiemateriaal konden bouwen. Brian legde uit wat hij bedoelde, ik tekende. Het moest lijken op zo’n ding dat je op het strand zag, of bij ons op de Friese meren als het gevroren had. Als het zou lukken, maakte hij er een project van voor Afghaanse jongens. Terschellingers zouden hem moeten sponsoren. Het idee was niet uit zijn hoofd te krijgen, ook niet als ik hem nog een keer voorhield dat het daar waarschijnlijk minder vlak was dan hij dacht. Volgens hem was er, als wij het veilige gebied zouden uitbreiden, best een plek te vinden waar het vlak was. ‘Voor kinderen in een oorlogsgebied is het belangrijk dat zij iets kunnen doen met hun creativiteit.’

*

De verpleegkundige kwam het verband verwisselen. Ik mocht weer een kwartier naar mijn stompen kijken.

‘Laat maar zitten,’ zei ik tegen haar.

‘Hoe bedoel je?’ zei ze en ze trok het laken weg.

‘Ik zeg je dat je van me moet afblijven.’

Ze stopte, legde haar rechterhand op het karretje met verbandmiddelen en keek me aan.

‘Ik kom het verband verwisselen, zodat er geen bacteriën in je wonden komen.’

‘En ik zeg je dat je me nu met rust laat. Ik ben moe.’

Nog steeds had ze haar hand op het karretje en zonder iets te zeggen keek ze me aan. Dag en nacht ging dat maar door, ook als ik er even geen zin in had om een schoon verband om mijn stompen te laten plakken, terwijl er geen enkele eer meer aan te behalen viel. Weer die luier af, weer de boel oppoetsen en een schone aan. Steeds weer dat gerotzooi aan m’n lijf.

‘Ben je doof?’

Zonder iets te zeggen vertrok ze, het karretje liet ze staan.

Een uur later stond de ziekenhuisdominee aan m’n bed.

‘Ik wil zo snel mogelijk terug naar Uruzgan.’

Hij keek me aan.

‘Dat is helaas onmogelijk.’

Ik vond dat legerpredikanten meer begrip moesten tonen.

’s Avonds om negen uur stond hij alweer aan mijn bed, hij reed het verbandkarretje – dat er nog steeds stond – weg. Hij zette zich op een stoel naast mijn bed en zat bijna met zijn rug naar me toe. Dat irriteerde me.

‘Iedereen die hier ligt, maakt zoiets mee.’

‘Hebt u het tegen mij?’

Zijn nek knikte ja, maar verder zweeg hij. Nu had ik het door. Hij was niet alleen dominee, maar ook een halve psycholoog, en moest de patiënten weer een beetje op gang brengen als de contacten met het verplegend personeel waren vastgelopen. Die gedachte zette zich vast in mijn hoofd, en ook dat irriteerde me.

Ik zag dat zijn rug een beetje gebogen was. Met zijn rechterhand masseerde hij zijn nek. Langzaam en nadrukkelijk. Nog steeds draaide hij zich niet om, keek me niet aan.

‘Zo, je wilt niet meer genezen?’ vroeg hij.

‘Ik dacht al dat u gestuurd was door de verpleging; zuster Dani stuurde u. Ik wist niet dat u ook de problemen van de medische staf moest gladstrijken. Doet u dat in uw vrije tijd?’

Nog steeds zat hij daar. Hij had nu twee handen in z’n nek, maar ik zag ook dat zijn schouders schokten en ik verbeelde me dat hij zat te lachen.

Toen draaide hij zich om en keek me recht aan, z’n gezicht was strak en z’n donkere ogen konden met gemak een pantservoertuig doorboren.

‘Ik zal je iets vertellen over de medische staf. Over een kwartier staat Dani voor je neus. Ze is hier niet alleen om verpleegkundige te zijn, ze zal je pas loslaten als jij de volgende stap zet.’

‘Stap!?’

‘Ja. Iedereen hier wil het gevecht met je aangaan, Dani voorop. De stafleden hier zullen je uitdagen, stuk voor stuk. Word maar kwaad, jongen. Je leeft! Zorg dat je net zoveel lef krijgt als die verpleegkundigen hier. Verder zul je mij er niet meer over horen.’

Hij dacht dat ik geen lef genoeg had om verder te gaan!

Hij liep weg en keek nog eens om, zwaaide zelfs naar me.

Er zat niets anders op. Weer zouden ze me verschonen, terwijl ze zich bij de aanblik van m’n kruis natuurlijk afvroegen of ik ooit nog kinderen kon verwekken. Zo spanden ze samen, om toch het verband om me heen te snoeren. Patricia van het maatschappelijk werk zou ook nog wel langskomen.

Veel tijd om na te denken had ik niet, want al snel stapte Dani binnen; ze kwam recht op me af. Ik capituleerde.

*

De middag duurde lang. De enige onderbreking zou Sanders bezoek zijn. Zijn vrouw en zoontje zouden langskomen.

Ik schoot recht overeind, geschrokken van de knal die door de gang galmde. Een pijnscheut door mijn onderlichaam deed me weer direct terugvallen. Ik zag dat Sander ook was geschrokken. Lijkbleek was hij. Op hetzelfde moment zag ik zijn zoontje de zaal binnenkomen. Mijn hart bonkte in mijn keel, ik voelde de adrenaline door m’n lijf gieren en hoorde Sander schreeuwen tegen zijn kind. Rechtovereind zat hij in zijn bed en hij haalde uit naar zijn zoontje. Het kind begreep zijn vader niet, zag ik direct. De jongen stond halverwege de zaal, met zijn ene hand tegen zijn mond. In de andere hield hij de geklapte ballon. Sander bleef tekeergaan, en het kind deed een stap achteruit, en nog een. Toen draaide het zich om en rende naar zijn moeder, die juist binnenkwam.

‘Sander, stop nou,’ schreeuwde ik, ‘het is je kind, man, straks durft hij niet meer bij je te komen!’

Hij negeerde me, schreeuwde naar zijn vrouw, en zei dat ze haar kind eens fatsoenlijk moest opvoeden. Maar zij begreep hem niet, ik zag het aan haar ogen.

‘Stel je niet zo aan,’ zei ze, maar er lag geen overtuiging in haar stem, alleen maar twijfel. Ik zag dat ze bang werd.

‘Hij wilde je een ballon geven,’ zei ze nog.

Ik kon het niet meer aanzien. Ik trok het laken over me heen om me onzichtbaar te maken. Ik wilde er niet bij zijn, maar ik kon geen kant op. Ik trilde over mijn hele lijf.

Op de gang klonk geroezemoes van verpleegkundigen en gesnik van Sanders vrouw, maar ik bleef onder het laken. Eerst kreeg ik het koud en daarna warm. De knal galmde nog steeds door m’n hoofd. Ik schrok ervan dat het me zo van m’n stuk gebracht had, een knalletje van een klappende ballon.

Ineens stopte het geschreeuw van Sander en ging hij huilen. Ik hoorde dat hij uit zijn bed kwam. Voorzichtig schoof ik het laken opzij en ik zag dat zijn vrouw en zoontje waren gevlucht. Met z’n ene hand in het verband en in de andere een zakdoek kwam hij naar me toe en hij sloeg zijn arm om me heen.

‘Ik ben bang, man, báng!’

Dat zijn de Taliban, dacht ik bij mezelf, maar ik zei het niet. Ik zag het voor me: ze waren met ons mee teruggevlogen en wilden ook hier heimelijk hun bommen neerleggen om Sander kapot te maken.

‘Ik wil hier weg.’

‘Je kunt niet weg, Sander, het kan gewoon niet.’

Voorzichtig maakte ik me los uit Sanders omhelzing.

‘Mag ik een poosje bij het raam liggen?’ vroeg hij aan me.

Twee verpleegkundigen kwamen hem ophalen. Tussen hen in liep hij de zaal af en ik deed het laken weer over m’n gezicht. Een kwartier later kwam een van hen vertellen dat Sander was overgeplaatst. Om uit te rusten. Ze verzamelde Sanders persoonlijke bezittingen en legde die op een karretje. Ook de foto van zijn vrouw en zoontje nam ze mee. Het bed werd opnieuw opgemaakt, en toen zag je er niets meer van.

Maar vanbinnen was er iets veranderd. Ik moest opletten. Een knal van een ballon heeft immers niets met een vuurgevecht te maken. Ik moest m’n kop erbij houden, anders werd ik gek en ging ik er ook aan onderdoor.

Aan het begin van de avond mailde Kirsten dat zij woensdag of donderdag zou aankomen op Schiphol. Ik probeerde me voor te stellen hoe dat zou zijn en wat ik wilde zeggen, maar nog steeds klonken echo’s van de knallende ballon en zag ik de verwilderde ogen van Sander voor me.

*

Die hitte daar was niet te verdragen, water was minstens zo belangrijk als munitie. Op zoek naar de Taliban betraden we de greenzone, de begroeiing langs de rivier. Niemand kon voorspellen wat daar zou gebeuren. De tweedaagse tocht putte ons uit en we sleepten ons door het gebied. We naderden een quala, een Afghaanse woning. Het ommuurde huis had een deur waarachter zich een binnenplaats bevond, die omgeven was door meerdere vertrekken en opslagplaatsen. In deze quala woonden geen gewone Afghanen, maar er huisden Taliban.

Het was bloedheet die dag. Tegen de muur van de quala leunend had ik nog wat water opgezogen uit de camelbag, een kleine watertank die onderdeel was van onze uitrusting. We drukten ons tegen de muur, vlak naast de houten deur. We wilden naar binnen. Brian schopte de deur open en ik gooide een handgranaat. Na de explosie ging ik samen met de anderen naar binnen, korte salvo’s afvurend. De binnenplaats leek leeg, totdat we twee mannen vonden, beiden door ons vuur gedood. We gingen verder en liepen door een droge greppel onder een bomenrij, toen er werd geschoten. Kort en hevig was het gevecht; we doodden drie mannen en één van ons liep een schampschot op.

We waren er trots op geweest dat we de quala hadden gezuiverd. Ook waren we blij dat wij het er levend van hadden afgebracht. We hebben er nog lang over nagepraat, want je moet het toch kwijt. Of de doden ook echt door een schot uit mijn wapen waren gestorven wist ik niet.

*

De verpleegkundige die wist dat Kirsten zou komen, kwam een keer extra langs om me te voorzien van schone spullen.

‘Je vindt het spannend, hè?’ zei ze. ‘Kan ik nog iets voor je doen?’

Ze had de sprei over het voeteneinde gelegd en keek me aan.

‘Zou je het kussen van het lege bed bij mij aan het voeteneind willen leggen? Dat vult een beetje.’

Ze knikte en pakte het kussen dat op Sanders bed lag.

‘Ik snap het; een goed idee voor een eerste bezoek,’ zei ze en ze schudde het kussen extra op voor ze het neerlegde.

In halfzittende houding wachtte ik Kirsten op en ik voelde dat ik zweette.

Kirsten aarzelde toen ze de zaal op liep. Ze legde haar jas en tas samen met een bosje bloemen op Sanders bed, hield mijn handen vast en kuste me. Ze draaide zich om, pakte een zakdoek en snotterde. Daarna schoof ze het krukje onder mijn bed vandaan en ging aan de rechterkant van het bed zitten. Ze zat een beetje schuin, met haar linkerschouder dicht bij mijn rechterarm. Als een verlegen meisje keek ze me even aan, ze sloeg haar ogen neer en zei niets.

‘Wanneer ben je geland?’ vroeg ik om het gesprek op gang te brengen.

‘Aan het einde van de nacht; er was vertraging.’

‘Ik ben blij dat je er bent, maar ik weet niet zo goed wat ik moet zeggen. Het is allemaal zo anders geworden.’

‘Heb je pijn?’ vroeg ze.

‘Niet meer. Dat wil zeggen: als ik me aan de instructies houd. Ik mag me nog niet druk maken, maar de wonden zijn goed aan het genezen.’

Ze draaide van me weg, pakte haar tas en trok aan de rits die vast bleek te zitten. Toen deze onverwacht toch openging, viel de tas uit haar handen. De inhoud lag grotendeels onder het bed. Op haar knieën probeerde ze alles weer bij elkaar te rapen.

‘Geef mij die tas maar,’ zei ik, ‘dan zal ik hem voor je openhouden.’

Nadat ze haar spullen bij elkaar had geraapt en in haar tas had laten verdwijnen, vond ze als laatste nog haar paspoort. Op haar knieën steunend kwam ze overeind.

‘Nu ben je net zo groot als ik,’ zei ik tegen haar.

Ze keek me met grote ogen aan en zei niets, schoof weer op de kruk, herschikte de spullen in haar tas. Keer op keer. Ik begon nog meer te zweten, maar gelukkig begon zij druk te vertellen over Indonesië, het Erasmushuis in Djakarta en haar onderzoek.

‘Ben je nog in Semarang geweest?’ vroeg ik haar; Semarang was de plek waar opa een deel van zijn Indiëtijd had doorgebracht.

‘Nee, nog niet, maar als ik terug ben, ga ik er echt naar toe, dat wilde je toch graag? Of zal ik wachten tot we samen kunnen gaan? Het is tenslotte jouw opa. Als je straks weer beter bent, is er weer van alles mogelijk.’

Snapte ze niet dat ik dat niet kon overzien?

‘Een paar foto’s vind ik voorlopig genoeg.’

‘Ik heb al op internetsites gekeken naar een geschikt appartement voor ons in deze omstandigheden. Nee, we zijn nog niet aan trouwen toe, maar toch... Soms moet je je kans pakken en vooruitkijken. Ja, alles moet nu gelijkvloers, dat maakt het een stuk eenvoudiger voor je. Hoe meer aanpassingen hoe gemakkelijker. Eerst wil ik mijn studie afmaken natuurlijk, en hoewel ik nu wat vertraging oploop, over een paar maanden, hooguit een halfjaar, heb ik mijn master op zak. Als ik weer terug in Nederland ben, kunnen we wel wat appartementen gaan bekijken.’

‘Ik kan je niet volgen.’

Ze keek me niet aan en draaide weg van de lege plek waar het kussen lag. Zou ik haar nu vertellen dat ik nog een keer naar de operatiekamer moest?

‘Maar er moet toch...’ wilde ze weer, maar ik viel haar in de rede en vroeg haar te stoppen met het maken van plannen. Het maakte me kwaad, want ze deed alsof er niets was veranderd. Het leek wel of ze niet wilde inzien wat er was gebeurd, en niet wilde begrijpen dat ik niet meer degene was die ik was voor mijn vertrek naar Afghanistan. Als ze zo deed, had ik liever dat ze wegging. Zo kon ik niet met haar leven.

‘Ik heb tijd nodig, Kirsten. Ik word gek van je als je zo doorgaat. Heb je niet door wat er allemaal kapot is gegaan? Dat ik nog niet eens kan vechten tegen mezelf en veel liever wegzweef op morfine? Jij wilt een paar wielen onder me zetten, alles gelijkvloers maken en gewoon verder leven.’

We keken elkaar in de ogen. We zeiden niets meer en bij het afscheid nemen trok ik haar tegen me aan. Ik had behoefte aan warmte, maar ze begreep het niet.

Ik probeerde uit te rusten, te slapen, opgelucht dat het bezoek erop zat. De morfinepomp was bijna leeg en ik wilde een nieuwe dosis. Morgen zou ik worden geopereerd om het plassen weer mogelijk te maken, maar dat was dan ook alles. Ik zou nooit kinderen kunnen verwekken, was me al verteld.

*

Toen ik wakker werd, was iedereen blij dat het zo voorspoedig was verlopen. Ik gaf mezelf een negen voor de pijn en zette de pomp zo hoog mogelijk. De beelden bleven maar terugkomen, ik kon ze niet tegenhouden. Twee salvo’s maar, tweemaal drie kogels. Stijf van schrik had hij daar gestaan, een verbaasde blik in zijn ogen. Hij was maar een jaar of acht, tien misschien. Ik wenkte hem en wilde vragen wie hij echt was, wel of geen Taliban, of hij behoorde tot de groep die ons het leven wilde benemen of dat hij juist schrijfgerei wilde om te kunnen leren. Zweven wilde ik, net als toen, maar dan hoger en hoger. Zo zat ik voortdurend in mijn gedachten tegen mezelf te praten. Ik kwam er niet uit. De Taliban waren verantwoordelijk voor de dood van Brian én voor de dood van die man en dat kind. Zo was het!

Op mijn nachtkastje stond nog steeds Brians rouwkaart, die ik probeerde te pakken. Ik greep mis en de kaart viel op de grond. Maar toch voelde ik mijn hand om de zijne. Het duizelde me en mijn droge keel ademde Afghaanse stofwolken in.

*

Ik liet me met bed en al naar de kerkdienst rijden. Er was een flink aantal gewonde en revaliderende militairen aanwezig. De dominee preekte over Jezus die brood uitdeelde aan hongerige mensen.

‘Dat doen wij in Uruzgan ook een beetje,’ zei hij.

Geen woord zei hij over benen die er niet meer waren, vrouwen en kinderen die achterbleven, of over Afghaanse kinderen die stierven omdat wij vrede moesten maken. Ik wilde snel terug naar Uruzgan en daar revalideren, om de gemaakte fouten te herstellen. Ik zou genoegen nemen met een kantoorbaan op de basis, achter een pc in een van de containers, of, net iets spannender, bij de Verbindingen. Ondertussen zou ik op zoek gaan naar die jongen. Misschien leefde hij nog en kon ik hem wat geld geven, adopteren wellicht. In Nederland blijven was zinloos en leidde tot meewarige blikken en onbegrip, dus ik móest wel terug, ik had geen keus.

*

Op mijn verzoek kwam Patricia bij me langs. Ze vroeg hoe het met me ging, en ik zei: ‘Goed.’ Ik had geen zin in een uitgebreid gesprek en kwam direct to the point.

‘Ik wil zo snel mogelijk terug naar Uruzgan.’

Ze keek me aan en zei dat dat niet zou gaan.

‘Ik denk dat je nog deze week naar het revalidatiecentrum gaat,’ zei ze.

‘Maar ik blijf niet in Nederland! Wat moet ik hier? Ik heb er geen zin in door iedereen bekeken worden en alleen maar een slachtoffer uit Uruzgan te zijn.’

Nog steeds keek Patricia me aan, maar ze zei niets. Ze had een blocnote in haar hand.

‘Ik wil hier niet blijven. Kun je ervoor zorgen dat ik daar een stoel krijg, een computer en wat werk? Misschien kan ik iets doen bij de Verbindingen. Ik wil best worden omgeschoold, als ik maar terug kan.’

Ze knikte, legde haar blocnote op mijn bed, ging verzitten en keek me opnieuw aan.

‘Waarom wil je terug?’

‘Ik wil bij mijn maats zijn.’

‘Ik denk dat dat niet zal gaan, Jarno. Waarschijnlijk zijn er in Nederland wel mogelijkheden voor je, maar terug naar je maats is uitgesloten. Het is positief dat je verder wilt en ambities hebt om bij Defensie te blijven werken. We zullen ons zeker voor je inspannen, maar ik wil je geen valse hoop geven.’

‘Zou je het toch willen proberen? Het is toch ook míjn leven?’

‘Je moet de moed niet opgeven,’ zei ze. ‘Je moet nog een lange weg afleggen, maar we gaan ervoor.’

Ik bleef mijn vraag herhalen, zij haar antwoord, telkens net iets anders geformuleerd. Ik zou het moeten slikken, ik kwam niet veel verder.

‘Heb je pijn?’ vroeg ze toen ze opstond, en ik zei ja.

Voorlopig moest ik elke dag mijn wonden laten wassen en mijn conditie opbouwen. Ik begreep steeds beter dat ik hen moest begrijpen, in plaats van zij mij. Zij bleven wel vriendelijk en opbeurend, maar ik miste mijn maats, die m’n woorden zouden aanvoelen, daar was ik van overtuigd.

‘Ik kom later bij je terug. Als je zover bent, kunnen we kijken wat de mogelijkheden zijn.’

*

De gedachte dat Kirsten weer aan mijn bed zou staan zorgde ervoor dat het zweet op m’n rug stond. De gesprekken van de afgelopen tijd, de mails en de sms’jes gingen nergens over. Zij wist precies wat er moest gebeuren, en ik wist voor mijn gevoel niets.

Veel te laat en gehaast kwam ze binnen. Dat irriteerde me.

‘Je ziet er al een stuk beter uit,’ zei ze, terwijl ze haar jas uittrok en me een vluchtige kus gaf.

‘Je hebt me nog niet eens gezien. Hoe kun je dat dan zeggen?’

Ze keek me aan en haalde haar schouders op. Ze was nog geen vijf minuten binnen en al direct had ik genoeg van haar vlotte en vlakke woorden.

‘Je hebt nog niet eens gezien hoe geamputeerde benen eruitzien, dus waar heb je het over?’

Ik keek haar aan en zag wat ze deed. Ze keek weg. Ze wilde gewoon weg van de werkelijkheid, dat was wel duidelijk.

‘Dat weet ik heus wel.’

‘Dat weet je niet.’

‘Wel.’

‘Ik wil dat je naar mijn stompen kijkt. Ik wil dat je dat ziet.’

Kirsten zei niets meer en keek me nog steeds niet aan. Toen ze zich naar me toe draaide en me wilde kussen, duwde ik haar weg. Met een weids gebaar sloeg ik de sprei op en ik keek haar aan.

‘Kijk dan, dit ben ik. Daar moet je het mee doen.’

Ik zag tranen in haar ogen, maar ik was nog niet klaar en trok mijn luier weg en toonde haar de ravage.

‘Kijk, dit bedoel ik, dit, kijk dan!’ schreeuwde ik.

Ze stond op. De kruk waarop ze had gezeten, viel om en ze liep de kamer uit. Ze vluchtte.

Het luchtte me enorm op dat ik dit had gedaan. Ik kleedde me weer aan en ging achterover op bed liggen, met het laken over me heen. Kirsten moest leren kiezen. En als zij het niet deed, deed ik het voor haar. Vrijdag vertrok ze weer naar Jakarta en vóór die tijd moest de beslissing genomen zijn.

Toen mijn mobiel afging, schrok ik en mijn lijf begon te trillen. Ik dacht dat het Kirsten zou zijn, maar het was opa.

‘Hoe gaat het met je? Mag je er al uit, of moet je in bed blijven?’

‘Ik doe m’n best, opa. Ik doe lichte oefeningen, en vrijdag word ik overgeplaatst naar het revalidatiecentrum.’

‘Dat is mooi. Veel oefenen, dat geeft ook minder kopzorgen. Van dat liggen ga je alleen maar malen, en dat is niet goed. Je moet door, jongen. Alles is hier in orde; je kunt met je rolstoel zo naar binnen rijden, en je laten verwennen door een ouwe veteraan.’

Ik hoorde hem hijgen en tussen elke zin stopte hij even om op adem te komen. De gesprekken met opa waren altijd kort en vol lof over het soldatenleven. Misschien kon ik nog wat van hem leren. Hij had ook veel meegemaakt. Hij had mij, nadat mijn ouders waren verongelukt, in huis genomen. En een vent van me gemaakt, vond hij. Op de dag dat ik in het vliegtuig naar Uruzgan stapte, zei hij dat ik er rekening mee moest houden dat het leven als militair daar pas zou beginnen, en dat ik moest oppassen.

‘Dag, jongen. Kop op.’

‘Dag, opa.’

*

Ik had er moeite mee om mezelf, zonder op de grond terecht te komen, vanaf het bed de rolstoel in te wurmen. Ik moest mezelf leren aankleden, ik voelde me een onhandig kind.

‘Als het niet lukt, bel je maar, dan kom ik je even helpen.’

Een verpleegkundige die me moest helpen bij het aantrekken van mijn kleren, waarvan ik de onderste helft niet eens meer nodig had! Het hing erbij, sleepte over de grond of kwam onder de voorwielen van de rolstoel als ik het niet vastspeldde.

De moeite was niet alleen lichamelijk, maar ook de moeite zelf kon ik slecht verdragen. Ik moest mezelf leren douchen, zelf naar de wc, zelf dit, zelf dat, ik moest van alles zelf doen. Soms leek het wel of iedereen me commando’s gaf. Nooit zou het meer lukken om stiekem door de achterdeur te verdwijnen. Altijd moesten anderen voor je opzij stappen om je erdoor te laten. Ertussenuit knijpen? Waar zou ik heen moeten? Bij de eerste sanitaire stop zou ik zoveel rotzooi achterlaten, dat ik vanzelf zou teruggaan. In het leger helpen militairen elkaar door dik en dun, je buddy is je alles. Maar dit was anders.

*

Het was middag en ik had me door het eerste deel van de dag heen gesleept. Ik wilde naar buiten. Na veel moeite was ik in de rolstoel beland en naar de uitgang gereden, mijn laptop en mobiel op mijn schoot. Ik reed naar de vijver, zocht een plek onder de bomen en pakte mijn laptop. Ik wilde Kirsten mailen, maar elk woord dat ik intikte, moest ik wegen. Met een computer kun je oneindig veel wijzigingen aanbrengen, net zolang tot je de goede woorden hebt gevonden, maar soms is zelfs dat onmogelijk. Hoe moest ik Kirsten vertellen dat het over was? Door mijn gal te spuwen over haar vlucht eergisteren? Of zou ik haar mailen dat ik haar reactie goed begreep en dat de gevolgen voor haar zo groot waren dat we beter de stekker uit onze relatie konden trekken? We mochten elkaar niet in een klem houden, daarvan was ik overtuigd. Eerst schreef ik een lang verhaal, maar na veel zweten bleef er een concept over.

‘ … ik zal er niet omheen draaien en je maar ronduit zeggen dat ik je begrijp als je een einde wilt maken aan onze relatie. Dat je niet wilde kijken naar wat er allemaal kapot is, vond ik verschrikkelijk, maar ik begrijp het nu wel. Van mijn kant wil ik het je niet aandoen dat je met nog maar de helft van mij verder moet en kinderloos zult blijven. Ook wil ik je zeggen dat ik het begrijp als je me niet meer bezoekt. Ik hoop dat je iets van je laat horen. Het allerbeste, Jarno.’

Nu kon ik de mail versturen. Een druk op de knop en Kirsten zou kunnen lezen hoe ik erover dacht.

Hoewel ik de woorden gewogen had, verzond ik de mail niet: het zou laf zijn. Moeilijke boodschappen moet je niet mailen, die moet je zeggen. Ik had nu opgeschreven wat ik wilde zeggen, desnoods las ik het voor van mijn scherm.

Zonder de mail te versturen sloot ik mijn laptop. Mijn handen trilden; ik liet mezelf achterover zakken en luisterde naar de geluiden van de voorjaarsmiddag. Boven me bewogen jonge bladeren die met het licht van de zon speelden en tussen de bomen door glinsterde de vijver. Een vogeltje tjilpte; het was een mees die belangstelling had voor het nestkastje dat aan de boom was bevestigd. Een tweede mees vloog met hem mee. Over een kleine maand zouden ze broeden, en drie weken later zouden de jongen over de grond fladderen en snel een goed heenkomen zoeken.

Ik pakte mijn mobiel, zocht haar naam op in de lijst en belde haar. Direct hoorde ik haar stem.

‘Ik weet niet hoe het verder moet tussen ons,’ zei ik.

‘Ik ook niet,’ hoorde ik haar zeggen. ‘Ik schrok me kapot.’

‘Je bent me niets verplicht, we kennen elkaar nog niet zo lang, dus wat is het probleem?’

Mijn lichaam trilde en het bleef lang stil. Ik wilde de verbinding verbreken, maar Kirsten zei dat ze me niet meer herkende.

‘Ik vind je gespannen en opgefokt. Het was raar dat je me zo direct met alles confronteerde, terwijl ik nog maar zo weinig bij je was geweest.’

‘Maar als je niet eens wilt zien wat er allemaal kapot is, hoe moet het dan verder?’

‘Ik heb nog niet eens echt met je kunnen praten, laat staan kunnen zien wat er allemaal kapot is. Ik kón het gewoon niet. Zag je dat dan niet? Ik wil heel graag weten wat er daar allemaal is gebeurd en wat je hebt meegemaakt. Ik wil je begrijpen, anders leven we straks langs elkaar heen en blijft onze liefde voor elkaar onder vuur liggen.’

Ik zei niets terug en merkte dat ik weg wilde, weg uit het gesprek.

‘Je kon afgelopen dinsdag niet eens een kus van me verdragen, nee, je moest me zo nodig meteen laten zien dat je geen kinderen meer kunt verwekken. Ik wil je zoals je bent, maar dan moet jij ook willen. Ik ken je niet meer. Als we met elkaar verdergaan, moet ik echt alles weten, anders wordt het een ramp.’

Ik verkrampte. Ik probeerde te ontspannen.

Ze praatte nog lang door en ik ving alleen maar flarden op. Ik hoorde haar wel, maar luisterde maar half.

Ik verbrak de verbinding. Op deze reactie had ik niet gerekend. Ze wilde alles van me horen, alles wat er was gebeurd. Maar dat kon echt niet. Nooit zou ik vertellen wat ik had gedaan. Morgen vroeg in de middag zou ze langskomen om afscheid te nemen, rond negen uur vertrok zij naar Jakarta.

Ik hoopte dat ze niet kwam, ik hoopte dat alles voorbij was en er rust kwam in mijn hoofd. Ik zou de vijver in kunnen rijden, dan was alles voorbij.

*

Het leven kreeg het ritme dat bij een startende invalide hoort. Therapie en oefenen. Zelf uit bed komen en er ’s avonds zelf weer ‘instappen’, en alle activiteiten die bij het dagelijkse leven horen. Mijn onderlichaam was stijf, ook al deed ik de oefeningen die me waren opgedragen.

Ik kon niet meer opgerold liggen. Naar het schijnt doe je dat automatisch om jezelf te beschermen, maar sinds die bermbom heb ik me nog nooit zo onbeschermd gevoeld. En nu moest ik trainen. Sit-ups, zonder het tegengewicht van m’n onderbenen, terwijl m’n stompen door een ander werden vastgehouden. Buigen en strekken, met mijn buikspieren werken, met mijn armen, met mijn stompen.

‘Ik heb geen zin meer! Het hééft ook geen zin!’

Maar Rodney, de fysiotherapeut, ging door. We zaten rug aan rug met de armen in elkaar gestrengeld. Als hij naar links bewoog, moest ik weerstand bieden, en andersom. We waren al drie kwartier aan het werk en telkens verzon hij weer iets nieuws. Hij daagde me uit en liet me zelfs boksen. Ik zat voor hem; met de stompen van mijn bovenbenen probeerde ik mijn evenwicht te bewaren. Hij zat een halve meter van me verwijderd, recht voor me, zijn benen gekruist onder zijn lichaam. Eerst liet hij me scoren en ik sloeg hem om zijn oren, sneller dan hij wegdook. Daarna ging hij terugslaan.

‘Ik sla je kwaad, net zolang tot je echt gaat slaan. Je kunt toch niet achteruit,’ schreeuwde hij, en ik sloeg. Hij maakte me zo fel dat ik er geen spelletje meer in zag, ik wilde hem een pak slaag geven. Doodmoe lag ik daarna in de zaal met toestellen, ballen en meetapparatuur. Doorgezweet rolde ik naar mijn tas waar een handdoek in zat en droogde me af. De hechtingen in mijn kruis brandden.

‘Je komt er, je gaat het echt redden, je begint het door te krijgen,’ zei Rodney tegen me. Met zijn lichtblauwe ogen keek hij me aan, een bemoedigende lach op zijn gezicht. Ik zag dat hij me begreep.

‘Genoeg voor vandaag,’ zei hij.

Volgens Rodney was het de bedoeling dat ik zo zelfstandig mogelijk zou worden.

‘In het begin moet je je kwaad maken om verder te komen, later wordt het gemakkelijker.’

‘Jarno, waar zit je met je gedachten? Hoor je me niet? Theetijd! Is je bezoek er nog niet?’

‘Kirsten had hier al moeten zijn, maar ze is er nog niet, nee.’

Ik had uren op Kirsten gewacht, maar ze kwam niet. De tijd was allang verstreken, ze zou al op Schiphol zijn.

Verkrampt en tegen beter weten in had ik de hele middag op haar zitten wachten. De gedachte aan het gesprek had me gesloopt, de hoop dat ze zou komen gaf me een dubbel gevoel.

Ik hees me in mijn rolstoel en reed doelloos door de gangen van het gebouw. In de gemeenschapsruimte stond een tv aan. Ik bedacht dat ik mijn hoofd erbij moest houden en keek naar het journaal. Flitsen uit Afghanistan. Ik probeerde te denken aan Afghanistan en niet aan haar. Afghanen zijn gevaarlijk. Je kon nooit zien onder welke jurk een gewone Afghaan en onder welke een Taliban schuilging. Een militair droeg een Afghaans kind, dat zich aan zijn gevechtskleding vastklampte. Hij bracht het in veiligheid, zo hoorde dat. Ik reed de ruimte uit en ging naar mijn kamer.

Stel, straks staat de Koninklijke Marechaussee aan mijn bed. Twee man sterk. Er was, zo zouden ze dan vertellen, op die bewuste dag een dode Afghaan gevonden, een burger, met naast hem een kind. Ook dood. Stel dat de man niet gewapend was geweest, maar er slechts een stok was gevonden. Dat de dorpsoudste naar het kamp was gekomen om verhaal te halen en sprak van een brute moord. Niemand op Kamp Holland zou weten wat er was gebeurd, dus zouden alle deelnemers aan de patrouille worden gehoord, maar zonder resultaat. Ik zou de laatste zijn die werd gehoord, hier in Nederland. ‘Kunt u een mogelijke oorzaak of aanleiding bedenken?’ zouden ze vragen, na eerst een uiterst vriendelijk en belangstellend voorgesprek. Ik zou hun vragen aanhoren, moeilijk kijken en mijn hoofd schudden. Nee, geen idee wat er zou kunnen zijn gebeurd, zou ik mezelf horen zeggen, er is veel gebeurd op die dag. Het was een grote chaos met die bermbom en ik heb er, zoals zij moesten begrijpen, niet al te veel van meegekregen. Ik had immers een enorme klap opgelopen, ‘ik wist nog wel dat we de poort uitgingen, maar wat er onderweg allemaal is gebeurd… Ik weet nog wel dat ik mijn collega hoorde schreeuwen.’ Dan waren zij weer; ze zouden bluffen en zeggen dat mijn maats hadden verteld dat ik tijdens het vuurgevecht de linkerkant van de weg in de gaten had gehouden. Dat kan kloppen, zou ik ruimhartig toegeven, want achter de mitrailleur zat Brian Zuidam, die een aantal kilometers verderop is omgekomen. ‘Ja,’ zouden ze zeggen, ‘inderdaad, dat klopt.’ Het zou even stil blijven en de twee zouden me aankijken. De volgende vraag was natuurlijk: ‘Hebt u tijdens dat contact ook geschoten?’ Vast wel, we lagen inderdaad zwaar onder vuur, maar ik ben van die dag een heel stuk kwijt, begrijpt u. Ik weet niet eens of mijn wapen wel mee is teruggekomen, ik weet het echt niet. ‘Er waren tweemaal drie patronen uit het magazijn dat in uw wapen zat, vandaar mijn vraag,’ zou een van hen zeggen. Ik weet niet eens waar mijn wapen was gebleven, laat staan of er ook niet door anderen mee is geschoten, zou ik pareren, want in een gevechtssituatie is alles mogelijk. Uiteindelijk zouden zij onverrichter zake weggaan. Aanval afgeslagen. Die Afghanen lijken allemaal op elkaar, ze hebben nu eenmaal geen hoofdletter T op hun hoofd staan als ze niet deugen. Het was oorlog, dat kon ik ook niet helpen.

*

Opa belde. Het was even voor zessen, iedereen was nog in diepe rust. Ik had alles klaargezet en nam niet te veel mee.

‘Hoe laat kan ik je verwachten?’

‘Over een paar uur sta ik voor je deur,’ fluisterde ik.

‘Het zal je verrassen hoe gemakkelijk je binnenkomt. Ik heb het huis rolstoelvriendelijk gemaakt,’ zei hij en hij maakte me nieuwsgierig.

Ik wilde niet door de hoofdingang naar buiten, omdat ik geen medewerkers wilde tegenkomen. Ik reed naar de gemeenschapsruimte en voorzichtig opende ik de deur naar het terras. Via het pad reed ik naar de kruising en ik wachtte daar op de rolstoeltaxi. Bestemmingsverkeer zou er op dit vroege uur niet zijn, maar toch probeerde ik zoveel mogelijk uit het zicht te blijven, niemand hoefde mij te zien. De taxi liet niet lang op zich wachten, en om zes uur was ik onderweg, weg uit het centrum, weg bij die benauwende bomen. Ik haalde diep adem, ik ging naar Friesland, waar ik om me heen kon kijken!

Opa stond me al op te wachten, de handen in zijn zakken. Ik merkte dat ik het gek vond en ik wist niet wat ik moest zeggen. En wat zou hij zeggen? Hoe zou hij reageren? Nadat de chauffeur me de auto had uitgereden, draaide ik de rolstoel naar opa toe, die nog steeds met zijn handen in zijn zakken stond. Hij liep naar me toe en gaf me een hand.

‘Het revalidatiecentrum heeft gebeld. Ze missen je.’

‘Ik ben voor het ontbijt vertrokken, dat zal het wel zijn.’

‘Ik heb gezegd dat je onderweg was naar mij omdat je verlof had en dat ze, als zij dat niet wisten, hun papierboel eens op orde moesten brengen. Er is nog niets veranderd; in Indië was het ook al zo’n chaos. Als de papieren niet in orde waren, gingen we gewoon onze eigen gang, en alles draaide gewoon door.’

Ik reed mijn rolstoel naar de deur. Via het klompenhok reed ik rechts het smalle gangetje in, waar meestal van alles en nog wat stond opgestapeld, maar nu was het opgeruimd. Met gemak reed ik naar binnen en ik rook dat hij vlees aan het braden was. De ongelijke vloeren tussen de vertrekken van het oude huis waren nu met elkaar verbonden door stukken spaanplaat, hier en daar vastgespijkerd aan de houten vloer. De koppen van sommige spijkers staken nog omhoog en ik moest opletten er niet overheen te rijden. Hier en daar had opa een stuk oude vloerbedekking over het hout gelegd.

‘Nou? Wat vind je ervan?’

Met de armen in de zij keek hij me aan; ik knikte goedkeurend en reed de bijkeuken in.

‘Kom eens mee naar je eigen kamer,’ nodigde hij me uit.

Ik draaide mijn stoel en reed terug, de gang door, naar mijn kamer, links van de buitendeur. Ik zag direct dat er een andere deur was ingezet, een schuifdeur, die ik gemakkelijker kon openen en sluiten. De deur moest nog worden geverfd en het behang had hier en daar te lijden gehad van de aanpassing, maar ik kon hier wonen, en daar ging het om.

‘Nou, is het hier rolstoelvriendelijk of niet?’

Opa was duidelijk ingenomen met de door hem aangebrachte aanpassingen.

‘Ik vind het perfect,’ zei ik tegen hem, en ik herkende duidelijk zijn hand in de wijze waarop hij de aanpassingen had aangebracht. Opa deed veel zelf, en als er iets moest worden gedaan, gebeurde het ook. Het leek of er voor hem niets was veranderd.

Na het eten rolde ik me naar buiten en belde het revalidatiecentrum. Men was het niet eens met mijn ontsnapping.

Douchen bij opa was niet gemakkelijk. Het oude huis had in de gang een kleine douche, waar geen rolstoel in paste. In mijn kamer kleedde ik me zover mogelijk uit en daarna rolde ik naar achteren mijn kamer uit, door het klompenhok de gang in. Voorbij de deur van de douche, die ik net kon openen, stopte ik. Met veel krachtsinspanning – ik had gelukkig een getraind bovenlijf – werkte ik me uit de rolstoel, die de gang blokkeerde. Zonder de deur van de douche te sluiten verplaatste ik me over de koude betegelde vloer. De douche hing te hoog en ik had geen zin om hulp te vragen. Ik draaide de kraan open en koud water stortte zich over me uit. Later werd het te warm en ik had er spijt van dat ik was weggelopen uit het revalidatiecentrum. Ik bleef misschien wel een halfuur onder de douche zitten.

Voor opa was het de gewoonste zaak van de wereld dat ik beroepsmilitair was geworden, zoals hij was geweest. Hij had zijn militaire leven zorgvuldig bewaard in foto’s, films en verhalen. Hij liep naar de lade in het dressoir en liet mij een foto zien van zijn jeep.

‘We reden in een colonne, en ineens gebeurde het.’

Verder kwam hij niet, omdat hij volschoot. Nog steeds! In Indië was hij drie van zijn beste kameraden kwijtgeraakt, toen hij in 1947 door de Poentjakpas moest en in een hinderlaag terechtkwam. Hij vertelde het alsof het gisteren gebeurd was.

‘En ik heb hen zelf naar hun laatste rustplaats gereden.’

Als chauffeur had hij verschillende keren doden vervoerd naar het militaire kerkhof in Semarang. Ik had het gezien op foto’s die hij achter in een lade had verstopt en waarvan er nu een op het dressoir stond. Ik pakte de foto en bekeek hem nauwkeurig.

‘Vroeger heb ik je nooit gehoord over het rijden van doden.’

‘Wat ik je toen vertelde, waren verhalen, kinderlijk eenvoudige verhalen over soldaatje spelen. Moest ik jou toen al vertellen dat een bajonet lang genoeg is om aan de achterkant weer uit je lijf te komen, jongen?’

‘Misschien was je wel bang dat ik dan geen militair had willen worden.’

Het was eruit voor ik er erg in had.

Nadat hij het laatste restje uit zijn bord had geschraapt bleef hij zitten; hij maakte geen haast. Ik zag dat hij ervan genoot dat ik weer terug was. Wat hij ervan vond dat ik mijn onderbenen miste, hoorde ik niet.

Achter me krijste de valkparkiet.

‘Heb je Sten nog steeds? Luistert hij inmiddels naar je?’

Opa had Sten aangeschaft toen ik naar Uruzgan vertrok. Tegen de eenzaamheid, had hij gezegd, in de veronderstelling dat ik vier maanden weg zou blijven.

Sten beet in de tralies van zijn kooi, op de plek waar de sluiting van het deurtje zat, hij wist precies waar hij moest zijn. Het deurtje sprong open en de vogel vloog de kooi uit.

‘Sten moet in zijn kooi blijven. Maar dat wilde hij niet en daarom ga ik hem kortwieken.’

Opa rees op en zette brute kracht in. Zijn arm maaide als de loop van een tank. In één beweging –het beest kreeg een enorme dreun – greep hij Sten.

‘Ga je hem nu kortwieken? vroeg ik.

‘Ja. Au!’

De vogel ging er niet mee akkoord en zette zijn snavel in het kwetsbaarste deel van opa’s hand, het vlees tussen duim en wijsvinger. Het gevecht tussen de vogel en de veteraan werd feller en feller, opa wilde winnen, de vogel niet verliezen. Maar het was allerminst vanzelfsprekend dat opa zou winnen.

‘Au, kreng, au! Ook jonge beesten moet je aanpakken als ze op plaatsen zijn waar ze niet horen,’ zei hij.

Het beest spartelde en beet weer. Opa moest loslaten. Ongecontroleerd fladderde de vogel naar de grond. Hijgend volgde opa hem tot onder de tafel, maar hij kon er niet bij. Hij keek naar de stuiptrekkingen van het beest en toen naar mij.

‘Dit gaat veel tijd kosten, dat moet ik onder ogen zien,’ zei opa.

‘Dingen onder ogen zien moet je zelf doen,’ zei ik tegen hem, ‘dat moet je alleen doen.’

De lamp boven de tafel brandde. Zou ik het hem vertellen? Hij zou wel zwijgen. Ik deed het niet.

*

Ik kon de slaap niet vatten en plunderde mijn koelkast. Een sixpack bier zou me moeten helpen. Na het zesde flesje voelde ik me loom worden en viel ik in slaap. Halverwege de nacht werd ik wakker, ik moest eruit. Ik tilde mijn duffe hoofd op, sloeg het dekbed weg. Mijn bovenlichaam slingerde opzij en ik viel regelrecht op een van mijn stompen. Ik was vergeten dat ik geen benen meer had. De pijn bleef lang hangen. Ik zette mijn laptop aan en controleerde de mailbox. Drie mails uit Kamp Holland, een uit Jakarta. In de koptekst stond dat ze veilig was aangekomen. De maats lieten weten dat er de afgelopen dagen enkele projecten met succes waren afgerond, waaronder een school. Ze hadden volop thee gedronken met de lokale leiders en aan de kinderen hadden ze extra schrijfgerei uitgedeeld.

Ik sloeg mijn laptop dicht en wachtte tot het licht werd. Tegen zonsopgang viel ik in een onrustige slaap.

*

Op een goed moment zou opa me vragen hoe ik was omgegaan met de vijand. Ik rook het. Maar ik zou zwijgen als het graf en als het moest, vertrok ik en zou ik ergens anders gaan wonen.

Opa sneed vier plakken bruinbrood en legde er drie op mijn bord. Hij had zijn witte overhemd aan, de mouwophouders aan de armen en manchetknopen aan de boorden. Daaroverheen een zwart vest waarover een buikhorloge hing. Aan de deur hing zijn zware jas al klaar. Straks zou hij naar de kerk lopen, die drie kilometer verderop midden in de dorpskern stond, opgetrokken uit stenen van Friese klei.

‘Ga je mee?’

Ik had de vraag wel verwacht, maar had geen zin in meewarige blikken van gemeenteleden en andere nieuwsgierigen.

‘Misschien later, nu nog niet.’

Opa zei niets en vertrok. Ik ging naar mijn kamer en keek naar een dienst op tv. Ik voelde me onrustig en zette de tv uit.

*

Het was vier uur en nog donker. Misschien ontbrak het me aan moed, maar ik wilde niet terug naar dat bedompte bos, die therapie en al die mensen in rolstoelen. Ik stuurde een sms naar Patricia dat ik niet kwam. Ik zou wel zien hoe het afliep, ik had tijd nodig voor mezelf. Opa vond het goed dat ik niet terugging. ‘Als ze je nodig hebben, komen ze wel,’ zei hij.

Ik durfde nog steeds niet naar de ramp ceremony van Brian te kijken, terwijl ik me dat een halve week geleden al had voorgenomen. Het leek me zinloos. Ik moest het meer hebben van de herinneringen aan hem, bedacht ik, de mooie herinneringen, want die waren er in overvloed.

‘Ik heb vijf boerka’s ingekocht,’ mailde Jeroen me vanuit Kamp Holland, ‘en ook Afghaanse petjes, die hebben hier de kleur van het zand, iedereen koopt die dingen. Ze laten daar een NL-vlaggetje op naaien, en hun registratienummer; bijna iedereen heeft wel zo’n petje.’

Ze vergaten me niet, de jongens, en dat deed me goed.

*

Om half zeven zaten we aan het ontbijt.

‘Ik moet naar buiten,’ zei ik tegen opa.

Ik vroeg hem mijn werphengel en rugzak met visspullen uit de schuur te halen en pakte wat witbrood. Opa haalde snel wat regenwormen uit de grond en pompte mijn banden op. De zon was mooi opgekomen en scheen laag over het land.

‘Waar ga je zitten?’

‘Op die betonnen brug, vlak bij de afslag naar het dorp.’

‘Dat is mooi breed water; er zit veel witvis, maar bij het riet ook baars. Om een uur of tien kom ik je een thermoskan koffie brengen.’

Ik keek hem aan en lachte. Ik was blij dat er weer iets van vroeger terug was, dat het de moeite waard was om in de polder te zijn, ook al was het nu in een rolstoel.

‘Mooi; doe er ook een paar plakken koek bij.’

‘Met roomboter,’ zei hij en stapte opzij zodat ik er door kon.

Ik reed naar buiten en pakte de rugzak die tegen de buitenmuur van het huis stond.

‘Ik kan dat ding niet op mijn rug dragen, de rugleuning van de rolstoel zit in de weg,’ zei ik tegen opa.

Met de handen in zijn zij liep opa om me heen en zocht naar een oplossing, die niet gemakkelijk voorhanden bleek.

‘Zet hem maar op je schoot, dan kun je er het beste bij,’ zei hij.

Ik haalde de werphengel uit elkaar en zette hem verticaal achter me, tussen mijn lichaam en de rugleuning van de rolstoel.

Voorzichtig reed ik het erf af. Telkens moest ik de rugzak grijpen, omdat hij van mijn schoot dreigde te vallen. Ik maakte me kwaad, in de hoop dat dat een oplossing bracht. Met de riem van de rugzak tussen mijn tanden reed ik verder. De molen van de werphengel drukte tegen mijn rug, en elke keer als ik mijn armen bewoog om me vooruit te rollen, stootte ik mijn linkerelleboog tegen die rothengel.

De smalle weg was recht en overzichtelijk. De hemel was op z’n mooist vandaag: grote witte wolken onder een blauwe lucht, oneindig blauw. Over het land waren de lichte en donkere plekken zichtbaar; ze schoven met de wolken mee en kleurden het landschap zoals het alleen in Friesland was te zien.

In de verte zag ik het kerkje waar vlak voor mijn uitzending voor me was gebeden. Blij en vol moed was ik vertrokken, vertrouwend op een goede afloop. Ook op Terschelling was er gebeden, had Brian verteld. Voor hem, zijn vrouw en hun ongeboren kind. De gebeden voor hem waren niet verhoord, en die voor mij maar voor de helft, leek het. Ik keek naar de hemel en begreep er niets van dat deze gebeden niet waren verhoord. Hoe blauw de lucht ook was, hoe vriendelijk de wolken, de aarde werd aan flarden geschoten. Het was een grote ruïne.

Ik wilde de brug oprijden, maar er was een betonnen rand die het mij onmogelijk maakte. Ik wist niet hoe ik deze barrière, een richel van zeker zeven centimeter hoog, de baas moest worden. Vissen vanaf de oprit was geen optie. Ik zette mijn rolstoel op de rem en keek om me heen. In de verte kwam een auto aan, die, toen hij voorbijreed, claxonneerde. Ik stak mijn hand op. Vanaf de andere kant kwam een fietser aan, die afstapte.

‘Jij bent toch die kleinzoon van Leringa?’

‘Dat klopt.’

‘Hebben die moslims dat gedaan?’

Met zijn hoofd knikte hij naar mijn stompen.

‘Nee.’

‘O nee? Wie dan?’

‘Het was een bermbom; die worden neergelegd door de Taliban.’

‘Ja, dat zeg ik, die moslims.’

‘Niet alle moslims...’

‘Dat bedoel ik; iedereen die daar iemand vermoord heeft, moet worden opgehangen. Als we daar te lief zijn, zullen er op een goede dag zelfs hier moordenaars wonen, daar ben ik van overtuigd.’

‘Er zijn daar ook onschuldige kinderen.’

‘Ja, ze zien er vast onschuldig uit, maar als ze volwassen zijn... Je ziet wat er in New York gebeurd is.’

‘Het is ingewikkeld daar.’

‘Als ik je opa hoor dan zijn jullie, militairen, daar veel te zachtzinnig. Er moet eens opgetreden worden. Als je de boel eerst goed zuivert, zei hij, dan loop je zo naar binnen. Er is geen oerwoud daar, en die kale vlakte loop je zo schoon, zei hij nog. Ik zal je even op de brug helpen.’

Hij legde zijn fiets in de graskant en wrikte net zolang tot ik midden op de betonnen brug stond. Ik voelde me kwaad worden en wilde geen hulp. Maar het kon niet anders, ik liet hem begaan.

‘Bedankt,’ zei ik kortaf. Ik meende er niets van.

Ik had er geen behoefte aan om de man uit te leggen dat we daar ook goede dingen deden en dat niet alle moslims moordden. Het zou zijn gedachten niet veranderen. Ik zou moeten leren dat niet elke Nederlander bereid was onze inzet te waarderen.

De man pakte zijn fiets, stak zijn hand op. Ik maakte mijn spullen in orde. Met de wind in de rug gooide ik in en ik hield mijn dobber in de gaten. De vis had niet veel zin en voor ik het wist, doezelde ik weg, zonder me te bekommeren om mijn dobber. De wind was gaan liggen en het was een zachte voorjaarsdag. Ik zat daar een paar uur alleen maar voor me uit te kijken.

De man op de fiets kwam er weer aan. Hij stapte af en gaf me een plastic tasje.

‘Dit moest ik afgeven; er zit ook koek bij.’

Tegen half een wilde ik terug. Ik had niets gevangen, maar voelde me goed in dit wijde landschap. Toen ik mijn spullen had opgeborgen, moest ik het beton zien af te komen en heelhuids de oprit van de brug bereiken.

Het leek me het beste achteruit te rijden en mezelf helemaal voorover te buigen om te voorkomen dat de rolstoel achterover zou slaan. Met de handen aan de wielen reed ik voorzichtig achteruit en ik zette de rolstoel op de rand van het beton. Als de rolstoel zou kantelen, kwam ik achterover op de oprit terecht en zou ik moeten wachten tot iemand die over deze stille landweg reed, mij overeind zou helpen. Ik boog me helemaal voorover en liet de wielen door mijn handen slippen. De rolstoel deed wat hij moest doen: hij hield me overeind. Met het zweet op mijn rug reed ik naar huis.

*

Het was nog donker en het lukte me niet het goede gevoel van gisteren vast te houden. Ik zou nooit meer terugvliegen naar Uruzgan en zou het moeten doen met een verblijf in Nederland. Bekeken worden, revalideren, bekeken worden, zo zou het gaan. Er waren alleen maar brokken.

Ik wachtte tot het licht zou worden. Even had ik door een kier van de gesloten gordijnen gekeken; ik had donkere buien zien wegtrekken. Vlak naast mijn raam had opa de vlag uitgehangen. De oranje wimpel zwaaide af en toe een schaduw door de gordijnen, alsof er iemand voor het raam verscheen en weer wegdook. Ik zette de tv aan en zag hoe de koningin Franeker en Makkum bezocht. Ondertussen had ik mijn laptop aangezet en zocht contact met Uruzgan.

Jeroen mailde wat foto’s door van een herdenking bij de Australiërs. Op de foto zaten de militairen gehurkt bij een kist. Ze hielden elkaar vast, omarmden elkaar zoals Sander mij had omarmd toen hij schrok van de knallende ballon.

’s Avonds om tien uur werd boven het dorp vuurwerk afgestoken. Elke klap die over de polder rolde, leek een ontploffende bermbom. De flitsen die door de gordijnen heen kwamen, maakten me bang. Soms deed het vuurwerk de ruiten rammelen. Ik voelde het gedreun op mijn borst en was terug bij dat vreselijke moment. Ik merkte dat mijn spieren zich spanden en dat ik bij elk geluid wilde duiken.

Ik durfde niet in mijn slaapkamer te blijven. Ik wilde weg en liet me in mijn rolstoel zakken. Voorzichtig deed ik de schuifdeur open, en reed door het klompenhok en door de gang naar de keuken. Verder moest ik, de kamer in. Deze kant van het huis was het verst bij het dorp vandaan.

De dikke gordijnen lieten geen flitsen door en het gedreun leek hier minder. Ik werkte me op de driezitsbank en sloeg de plaid die daar lag om me heen. Ik liet me op mijn zij zakken en dekte mijn hoofd af met de plaid.

‘Wat doe jij nu hier?’

Ik schrok wakker van opa’s stem. Hij stond voor me en had de plaid van mijn hoofd gehaald.

‘Het vuurwerk gisteravond – ik kon er niet tegen.’

*

Ik had alle tijd om mijn administratie, die ik had meegenomen naar huis, te ordenen; het meeste werd nog steeds door de postbode bezorgd. Post die je kon vasthouden was altijd beter dan wat er via de computer kwam, zei opa. Ik was het niet met hem eens.

Patricia stapte binnen. Een paar dagen geleden had ze haar bezoek per brief aangekondigd, en ik was benieuwd hoe ze zou reageren op mijn onaangekondigde vertrek.

Opa maakte zich, nadat hij koffie had gezet, uit de voeten. Naar zijn mening was maatschappelijk werk bij het leger onnodig.

Paticia keek rond en vroeg me hoe het ‘verlof’ me beviel.

‘Ik moest er even tussenuit. Al die mensen met rolstoelen, altijd maar hetzelfde – ik kreeg het benauwd.’

Met haar ellebogen op tafel, de handen gevouwen onder haar kin, keek ze me aan.

‘Je bent ver gegaan door je te onttrekken aan je behandeling. De revalidatiearts zei dat je actie nogal onbezonnen was, en medisch gezien op het randje. Je zult met een goed verhaal moeten komen, anders kan ik niets voor je doen.’

‘Ik héb een goed verhaal, een verdraaid goed verhaal. Ik heb geen wondverzorging meer nodig en ik ben bij Rodney volop aan het trainen. Ik vond het te benauwd worden daar. Die donkere bossen en al die mensen in rolstoelen. Ik trok het niet meer, ik moest weg. Weet je dat ik het liefst de vijver ingereden was? Dat is mijn verhaal!’

Patricia keek me aan. Ze was me niet in de rede gevallen, en als ze dat wel had gedaan, had ze de volle laag gekregen. Haar handen gingen nu naar het tafelblad en ik wachtte af.

‘Dit argument hebben we eerder gehoord. Ik zal het bespreken in de staf.’

Ik had haar ervan kunnen overtuigen dat ik me een stuk beter voelde en braaf de oefeningen deed die ik van Rodney had gekregen.

‘Ik heb iets speciaals voor je,’ zei Patricia en ze schoof me een klein doosje toe. Daaroverheen legde zij een envelop.

‘Het is heel speciaal,’ zei ze nogmaals, met haar handen nog op de brief en het doosje. Toen schoof ze het naar me toe en trok ze haar handen terug.

Ik keek naar de envelop, die er niet bijzonder uitzag. Gewoon een blanco envelop, niet eens van Defensie. Het doosje was ook niet bijzonder, zo’n doosje zoals je bij de juwelier krijgt als je een horloge of een ring koopt.

‘Is het van Kirsten? Waarom bemoei jij je daarmee?’ Ik hoorde hoe mijn stem oversloeg.

Patricia keek me aan.

‘Ik weet dat het niet goed gaat tussen jullie. Maar wat ik je kom brengen heeft daar niets mee te maken.’

Ik haalde diep adem. Even had ik in de veronderstelling verkeerd dat Kirsten me de ring teruggaf die ik haar had gegeven.

Ik wist niet wat ik het eerst zou openmaken, het doosje of de envelop. Ik keek naar Patricia’s handen, die ze, wachtend op mijn reactie, over elkaar had gelegd.

Op de tafel stonden een thermoskan met koffie en een schaaltje speculaasjes, twee lege mokken en wat suiker en melk.

‘Wil je koffie?’ vroeg ik haar, en ik schonk alvast in. Zelf nam ik niets.

‘Maak je het niet open?’ vroeg ze; ze keek me aan.

‘Ja, eerst koffie inschenken,’ zei ik en schonk toch ook maar voor mezelf in.

Was er iets gebeurd in Uruzgan wat ik had gemist? Op het nieuws had ik niets gehoord over bermbommen of gevechten met slachtoffers. En stel dat het een rouwkaart zou zijn, dan was er geen doosje bij.

‘Horen de brief en het doosje bij elkaar?’

‘Ja,’ zei Patricia. ‘Misschien moet je eerst de brief lezen.’

Met mijn nagels zocht ik een opening, met mijn wijsvinger ritste ik de envelop open, waardoor er ruwe randen ontstonden.

Beste Jarno,

Direct na het incident in Uruzgan, waarbij Brian het leven verloor en jij je beide onderbenen, wist ik wat me te doen stond. Want vlak voor we naar Uruzgan vertrokken had Brian mij gevraagd iets aan jou te geven als het met hem niet goed zou gaan.

Mijn hart sloeg over en ik moest denken aan ons gesprek over onze handleiding nabestaanden. De brief trilde, ik kon hem moeilijk stilhouden. Ik wilde stoppen met lezen, maar las toch door.

Het liefst had ik dit zelf aan je overhandigd toen we in Nederland waren, maar dat vond ik geen goed idee zo kort na de begrafenis. Maar nu kan ik niet langer wachten, want telkens als ik de poort uitga, kan mijn belofte aan Brian in gevaar komen. Omdat ik het niet zelf kon brengen, heb ik maatschappelijk werk gevraagd dit te doen.

Jarno, ik lees je reactie wel op de mail en wens je veel sterkte.

Groet,

Jeroen

Ik keek Patricia aan en daarna keek ik naar het doosje, dat verzegeld was met lijm.

‘Weet jij wat erin zit?’ vroeg ik haar.

‘Nee, ik weet het niet. Alleen Jeroen weet het.’

Ik hield het doosje in mijn handen en opende het niet.

‘Ik wil het pas openen op mijn moment,’ zei ik tegen Patricia, die begrijpend knikte en opstond.

Toen ze weg was, belde ik naar hotel ‘Wad Nu’, mijn vaste vakantieplek als ik op Terschelling verbleef, en vroeg of het huisje dat bij het hotel hoorde, nog vrij was. Het huisje was redelijk rolstoelvriendelijk en nog vrij tot en met woensdag, zei Nelly, de eigenaresse. Direct belde ik een taxibusje voor rolstoelvervoer, dat me morgenochtend naar Harlingen zou rijden. Medisch gezien op het randje, volgens de revalidatiearts. Maar ik wilde naar Brian. Dat dat verre van onbezonnen was, wist ik zeker.

III

Terschelling

De zachte miezer bereikte niet eens het raam, zo windstil was het toen ik het gordijn opende. Het was vier uur. Ik had nauwelijks geslapen en was veel te vroeg uit bed. Gisteravond had ik mijn spullen gepakt, niet veel meer dan een sporttasje met wat ondergoed. Ik wilde het huis ontvluchten zonder opa wakker te maken.

Ik had het doosje in mijn borstzak gepropt, mijn jas aangetrokken, mijn waxhoed opgezet en was naar buiten gegaan. Toen de taxi kwam voorrijden, sliep opa nog. Ik had een paar zinnen op een briefje gekrabbeld en op tafel gelegd, en was hem dankbaar dat hij het huis rolstoelvriendelijk had gemaakt. Bijna was ik over een uitstekende spijker gereden en net op tijd had ik een klomp kunnen ontwijken. Toch kwam ik geluidloos bij de buitendeur.

We reden door de polder, weids land. Het miezerde nog steeds. Alles was diffuus en de lijnen in het landschap waren minder scherp afgetekend, minder hard. Het land herstelde van de kille maaimachines die in dit te vroeg begonnen voorjaar het kortstondig groene gras hadden afgemaaid. Andere machines hadden het stervende gras bijeen geperst in zwarte plastic bollen, die het landschap domineerden. De achtergebleven zandgele stoppels raakten meer en meer in zichzelf gekeerd en zouden afsterven.

Veel te vroeg arriveerde ik in Harlingen-haven, maar dat gaf niets. Toen ik vanuit de vertrekhal de licht hellende constructie op rolde, op weg naar de snelle catamaran, voelde ik me vrij, maar toch ook gespannen. Elke keer dat ik me aan mijn wielen vooruit trok, nam die spanning toe. Er stond veel te gebeuren. Ik kon het niet goed overzien.

Toen ik de loopplank afrolde, goot het van de regen. Voorzichtig liet ik me naar beneden rollen en stond ik op de kade van West-Terschelling. Dat het eerste deel van de winkelstraat aan de voet van het duin lag, wist ik wel, maar nu merkte ik dat het steiler was dan het voorheen leek. Nog voor het fietsverhuurbedrijf moest ik stoppen. Hijgend en met mijn handen om de wielen geklemd stond ik stil; het regenwater droop van mijn hoed. Kwaad worden hielp, had ik geleerd, maar waarom lukte het dan niet? Opnieuw probeerde ik. Centimeter voor centimeter krabbelde ik naar boven, mijn handen deden pijn. Een man op een fiets, de capuchon strak om zijn hoofd gebonden, reed me voorbij. Even keek hij naar mijn gekrabbel.

Eindelijk reed ik het straatje in en nu kon ik voorzichtig naar beneden rollen, het huisje stond net iets lager dan de straat. Nelly had een brede plank neergelegd, zodat ik gemakkelijker naar beneden kon rijden. Hoewel de deur van het slot was, kon ik hem niet open krijgen. De rolstoel wilde zakken en moest een draai maken.

‘Misschien had de arts toch gelijk en wilde ik iets te vroeg zelfstandig worden, Brian,’ mompelde ik en ik maakte me weer kwaad.

Uiteindelijk reed ik over de lage drempel naar binnen. Op de tafel stond een fles wijn, daarnaast lagen de sleutels en een welkomstbriefje. Naast het tafeltje stond een loungebank met kussens en aan de muur hing abstract werk, in acryl, feestelijke champagneglazen, wild en uitbundig van kleur. Een scheepskist diende als salontafel; een deel van het meubilair bestond uit aangespoeld wrakhout.

Op dit eiland was meer aangespoeld dan hout. In een boekje dat ik tijdens een eerder bezoek aan het eiland had gekocht, las ik dat het strand van Terschelling de grootste dodenakker van het eiland was. Dat kon je je, als je aan het strand stond, niet voorstellen. Maar het was wel zo.

Even later stond Nelly aan de deur; ze vroeg of alles in orde was. Toen ik haar belde en mijn situatie had uitgelegd, had zij gevraagd of ze me mocht verrassen met een speciaal arrangement. Ze wilde me elke avond voorzien van een warme maaltijd, opgediend in het huisje. Dat vond ik een geweldig aanbod.

Ik zag er vreselijk tegenop. Met veel moeite wurmde ik me naar buiten en ik had al mijn krachten nodig om op straat te komen. Met het zweet op mijn hoofd ging ik op weg.

Noëlle was thuis en zag me al aankomen. Tegen mijn zin hielp ze me naar binnen.

‘Ben je met dit weer naar Terschelling gekomen?’ vroeg ze.

Toen ik me de bank op werkte, zag ik verbazing op haar gezicht. Ze lachte een beetje.

‘Koffie?’ vroeg ze.

‘Ja, graag, en heb je er ook een stukje ontbijtkoek bij? Ik heb nog niets gegeten.’

Op het dressoir tegenover me stond de rouwkaart van Brian. Daarnaast een kleiner kaartje, waarschijnlijk het geboortekaartje van de baby, dat ik nooit had ontvangen omdat ik onderweg was naar Nederland. Aan de muur hing een levensgrote foto van Brian. Op canvas en ingelijst.

Noëlle bracht de koffie, en we zeiden niets tegen elkaar, maar de stilte was niet beklemmend. Ze keek door het raam naar buiten. Daarna keken we elkaar aan.

‘Ik zal je de koek aangeven,’ zei ze.

Ze zat op haar knieën tussen de salontafel en de driezitsbank. Ik verbaasde me, omdat ze was zoals ze altijd was. Noëlle vroeg hoe het met me ging en ik schaamde me erover te praten, omdat ik niet wist hoe ik moest vragen hoe het met haar ging. Om toch iets te zeggen begon ik maar over het gedicht dat op de rouwkaart stond, en ze glimlachte. Ze liep naar het dressoir dat onder de foto van Brian stond en pakte de kaart, die ze met twee handen vasthield. Met haar duim en wijsvinger wreef ze er voorzichtig overheen.

‘Hij wandelde vaak aan het strand. Vooral de laatste weken voor zijn vertrek. Op een keer was hij ’s avonds om acht uur gaan wandelen, en om half twaalf was hij nog niet terug. Ik wist niet waar hij bleef en was bang. Z’n mobiel had hij niet bij zich, ik kon hem niet bereiken. Ik wist dat het laag water was. Hij loopt te dwalen op het wad, dacht ik. Het was die avond volle maan en ik zag hem als het ware lopen. Hij kon zo piekeren, Jarno, dat zou je niet zeggen, maar het moeten eenzame kilometers zijn geweest. En ik kon hem niet helpen. Ik kon niet eens bij hem komen. Zo ver kon ik niet meer lopen. Toch ben ik naar de haven gelopen en ben de dam opgegaan om over het drooggevallen wad uit te kijken. Eigenlijk was het een mooie avond, maar hij was niet bij me, hij liep daar ergens in de verte, en ik zag hem niet. Onbegonnen werk was het om hem op te zoeken. Na een uur ben ik naar huis gegaan. Om half twee – ik zat nog op de bank – kwam hij thuis. Hij was een vakantieganger tegengekomen, een dichter van het vasteland, die hem het gedicht had gegeven dat hij die middag op het strand had gemaakt. En het gedicht paste zo goed bij Brian dat ik het op de kaart zette.’

Ik nam de kaart van haar over en las het gedicht nog een keer. Weer knielde ze tussen tafel en bank, en gaf me de koffie aan. Ik legde de kaart tussen ons in en dronk.

Een geluid verstoorde de stilte. Noëlle stond op en ging de kamer uit. Na een paar minuten was ze terug; schoof het kind pardoes in mijn armen. Ze liep naar de keuken.

Junior keek me aan.

‘Je bent een vredesweduwe, en volgens mij is dat erger dan een oorlogsweduwe,’ zei ik tegen Noëlle toen ze de keuken uit kwam met een fles warme voeding.

Ze stopte de fles in mijn handen. Blijkbaar ging ze ervan uit dat ik het kind zou voeden. Dat ik dat nog nooit had gedaan, kwam blijkbaar niet in haar op en ik deed maar of het de gewoonste zaak van de wereld was. Junior keek me recht en onbevangen aan, zijn ogen vroegen me terug te kijken. Maar ik kon het niet. Het leek wel of hij alles van me wist.

‘Daar heb ik nog nooit over nagedacht,’ zei Noëlle. ‘Ik ben nog niet eens gewend aan het woord weduwe, ik voel nauwelijks wat het betekent. Bén je eigenlijk wel weduwe in mijn geval? Volgens de wet wel, maar als de dreun komt na veertig jaar huwelijk, als je kinderen ook kinderen hebben, is dat misschien wel anders. Ik was een vrouw met haar eerste kind nog in haar buik, van de man die voor zijn werk naar Uruzgan ging om kinderen te redden om hun leven wat menselijker te maken en daarbij het zijne verloor. Ik weet het nog niet, Jarno, maar misschien is vredesweduwe wel het beste.’

En toen begon ze zomaar te vertellen.

‘Ik weet nog dat de bel ging, ’s avonds om half twaalf. Ik had wel een helikopter horen vliegen, maar dat gebeurde wel vaker. Ik hoorde hem landen in de buurt van de uitkijkpost bij de haven. Toen er werd aangebeld, net op het moment dat ik naar bed wilde, wist ik het direct. En Junior was al anderhalve dag erg onrustig in mijn buik, alsof hij het aanvoelde. Nu lijkt het wel of hij me erdoorheen wil helpen.’

Noëlle kwam naast me zitten, net te laat om het golfje melk dat Junior over me uitspuugde op te vangen. Voldaan keek hij me aan.

‘Alle lof voor Defensie,’ zei ze. ‘Hij wilde met militaire eer worden begraven, en zo is het gegaan. Ik heb opnames laten maken, dus als je wilt…’

‘Heb je ook opnames van de ramp ceremony?’

‘Ja, maar die heb jij toch allang gezien?’

‘Nog niet. Er moet eerst nog iets anders gebeuren.’

Ze keek me aan, wist ze niet wat ik bedoelde? Ze keek toe terwijl ik het doosje uit m’n borstzak haalde.

‘Je weet het?’ vroeg ik haar.

Ze glimlachte en knikte.

‘Ik weet het, ja. Ik heb er ook een helft van gekregen, zo wilde hij het.’

‘Ik heb nog niet gekeken, ik weet nog niets.’

Ze keek me aan en dacht even na.

‘Het doosje waar jouw helft in zit, is het doosje van onze trouwringen. Mijn helft zat in een envelop. Misschien hebben ze het doosje en de envelop per ongeluk verwisseld.’

‘Wil je het terughebben?’ vroeg ik.

‘Nee, het is goed zo,’ zei ze.

Ze stond op en liep naar de foto van Brian. Zijn linkerschouder naar voren, het hoofd opzij, keek hij ons aan. De foto was kortgeleden gemaakt en bij Noëlle bezorgd op de dag dat wij vertrokken. Ze was er trots op en had hem direct opgehangen.

‘Ik kreeg het net als jij opgestuurd via Jeroen,’ zei ze, ‘Iemand van Defensie kwam het brengen.’

Ze liep terug naar de bank, kwam naast me zitten en keek me aan. Hoewel ze blijkbaar wist wat er in het doosje zat, zag ik dat ze gespannen was. Ik maakte het open. Even later lag het op mijn hand, de helft van een klein rood-wit-blauw vlaggetje dat op de gevechtskleding is genaaid.

‘Is het echt van zíjn mouw?’ vroeg Noëlle.

Ik probeerde controle te houden over mijn lichaam, dat hevig begon te schokken. Ze legde haar hand op mijn schouder. Ik voelde haar koude vingers dwars door mijn blouse.

‘Ja. Van een schoon uniform.’

Even later stond ze op en liep opnieuw naar de foto van Brian. Op zijn mouw was een half vlaggetje geplakt.

‘Doe deze er maar bij, wil je?’ vroeg ik haar.

Ze trok een la van het meubel open en pakte een tube lijm. Voorzichtig plakte ze mijn deel van het vlaggetje naast haar helft. Ik vond het een plechtigheid die niet onderdeed voor de voorbije momenten van eerbied voor gesneuvelden. Geconcentreerd keek ik naar de foto aan de muur.

Ineens voelde ik gekriebel van een kleine hand op mijn linker stomp en Junior keek me met grote ogen aan. Noëlle zat schuin tegenover me, de koffiemok in haar beide handen geklemd.

‘Wanneer ga je naar Brian?’ vroeg ze me.

‘Morgen. Morgenavond even voor acht uur.’

Vanaf de foto keek Brian me aan en ik dacht aan zijn laatste blik, toen ik zijn hand vasthield. Ik voelde me gespannen. Ik moest weg, en snel ook.

Noëlle was opgestaan om nog een keer koffie in te schenken.

‘Ik ga maar weer eens,’ zei ik en ik legde het kind op de bank, sleepte me de rolstoel in. Toen Noëlle kwam aanlopen was ik al voorbij de kamerdeur.

‘Kom nog es terug,’ zei ze en ze moest huilen.

Ik kon niets voor haar doen. Met het kind op haar arm en een zakdoek in haar hand keek ze me na.

Nelly zette de maaltijd op tafel en wenste me smakelijk eten. Zonder het te weten had ze mijn lievelingsgerecht klaargemaakt: lamsribbetjes, in de pan gebakken, met groente, aardappeltjes en rode wijn. Ik voelde de spanning minder worden en hoefde voor even nergens aan te denken.

Na het eten reed ik naar het strand, de fles wijn nam ik mee. Op het strand dronk ik verder en bedacht dat Brian hier had gezworven. Ik merkte dat de wijn me verdoofde, dat voelde aangenaam.

Hoe lang had ik er gestaan? Toen ik opkeek, zag ik dat de oostelijke hemel vaag-gele strepen vertoonde. Ik had het koud en keek naar de strepen, die straks rood zouden worden als de zon zou opkomen.

Het licht van de zon, de hemel en het water – het deed me denken aan het zweven, en nodigde me uit hier te vertrekken. Los van deze aarde, weg van alle pijn. Wat moest ik hier nog?

‘Waarom moest ik terug? Wat moet ik hier zonder benen, zonder buddy? Zegt U het maar! Zeg het maar: wat moet ik hier nog doen?’

IV

West-Terschelling
De begraafplaats aan de Longway

Het hek stond open. Dit gedeelte van het kerkhof gaf toegang tot de plek waar militairen uit de Tweede Wereldoorlog lagen begraven. Als straks de torenklok acht slagen zou hebben gegeven, zou het stil zijn en zouden de Terschellingers aan hun doden denken.

Ik ging linksaf. Aan het einde van het grindpad stopte ik en probeerde me te oriënteren.

‘Ik heb er nooit in gezeten, ik ben afgekeurd.’

Ik had hem niet zien aankomen. Boven het colbert zag ik zijn hoofd. Blijkbaar had de torenhoge man me al staan aanstaren voor ik hem had gezien. In zijn hand had hij een hark met een extra lange steel. Hij wist voor wie ik kwam.

‘Ja, dat kan,’ zei ik tegen hem, omdat ik toch iets moest zeggen.

‘Ik heb een veteraan uit de Tweede Wereldoorlog geadopteerd. Een Pool. Daarnet heb ik zijn graf aangeharkt, daar, op het oorlogskerkhof. Maar u moet daar niet zijn. U moet dit pad volgen en dan rechts aanhouden. Aan uw linkerhand ziet u vanzelf de jongste graven,’ zei hij, alsof ik hem de weg had gevraagd.

‘Hij ligt in een kleine heuvel vlak langs het pad. Er staat nog geen steen op. Wel is er een bordje met zijn naam.’

‘Dank u wel,’ zei ik en ik reed in de richting die de man me had gewezen.

Eenmaal afgeslagen zag ik de verhoging, een soort grafheuvel. Tussen de grafstenen stond een aluminium bordje, dat in het zand was gestoken.

De torenklok sloeg acht slagen, net toen ik recht voor het graf stond. Mijn hart bonkte.

Op de achtergrond hoorde ik dat de plechtigheid bij het oorlogsmonument begonnen was. ‘Blijf met mij, Heer,’ speelde het orkest. Ik zat in mijn rolstoel tussen de doden. En heel dicht bij Brian.

Op het oorlogskerkhof was de herdenking allang voorbij. Het was moeilijk om nu te geloven dat de dood niet meer was dan een intermezzo, de opmaat van een tijdloos los-zijn van deze kapotte aarde. Lang geleden, was me uit overlevering verteld, dreunde de aarde ook. Het was kort nadat Jezus’ vredesmissie was uitgelopen op het grootste bloedbad aller tijden. Ongelofelijk.

‘Dat was ver voor onze bermbom afging, Brian, en dat is maar goed ook. Ik durf het je bijna niet te vertellen, maar jij moet het weten. Ik schoot zelfs op een kind. En het stierf. Wat moet jij als vader daar wel niet van denken? Het spijt me zo. Jezus, ik weet het niet meer!’

Ik keek naar boven. Door het jonge bladerdak zag ik de luchten die me hadden laten zweven en me even hadden laten voelen hoe het was om los te zijn van de aarde.

Ik zag het blauw van de hemel, dat dieper werd nu de avond viel. Ik keek naar de met bladeren vermengde aarde, waarin Brian was opgenomen. Over een poosje zou de kleine heuvel een steen dragen, waarop zijn naam stond. Nog een kleine tijd, en de steen zou wijken, achteloos opzij worden geschoven.

Zonnestralen haastten zich en kwamen van over de zee en het strand.

Het licht drong door en verlichtte de kleine grafheuvel.

Jullie ondersteuning maakt me gelukkig

Beppie, Els, Femke, Inge,

Anneke en Joost,

voor redactionele ondersteuning en het verzorgen

van een zeer sprekend omslag.

Jeroen, Marina en Matje,

veteranen en goede buddy’s,

ook jij, Peter, mijn feiten-buddy,

jullie waren er op de juiste momenten.

Jannie,

te vaak ’s avonds alleen op de bank,

bovengemiddeld geduldig, steun door dik en dun,

zelfs tijdens het maken van een portret voor de achterflap.

Eva, de weduwe van Nico Laterveer voor het gedicht,

door haar man gemaakt in 2000.

Reageren? Mail detijddatjezweeft@solcon.nl

Gelezen tijdens de voorbereiding van dit boek

William March, Compagnie K. Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog, deel 1. Deventer 2008

Werkgroep ‘Sporen in het zand’, Dodenakkers op Terschelling, in samenwerking met Isola Arte

Peter ter Velde, Kabul & Kamp Holland, over de stad en de oorlog. Schoorl 2008

Patricia van den Broek, Liefde onder vuur. Gesprekken met militairen en hun geliefden: van Nederlands Indië tot Afghanistan. Nieuwland 2008

Riekelt Pasterkamp, Uruzgan, militair, mens, missie. Kampen 2007

Geraadpleegde bronnen en personen

Ministerie van Defensie, Directie Voorlichting en Communicatie

NOS, Peter ter Velde, verslaggever, gespecialiseerd in Afghanistan

Revalidatiecentrum Aardenburg, dokter A. van der Meer

De tijd dat je zweeft
Pols De tijd dat je zweeft.xhtml