26

‘Ik weet dat het bijna tijd voor jou is om naar huis te gaan, Bella,’ zei Thóra vermoeid. ‘Ik vraag je ook niet om het vanavond te doen. Je kunt het morgenochtend uitzoeken.’ Ze schudde haar hoofd naar Matthew toen haar secretaresse aan de andere kant van de lijn haar beklag deed. ‘Bella, het leek me gewoon een ideaal karweitje voor jou omdat jij zo gek bent op paarden.’ Thóra vroeg zich voor de zoveelste keer af hoe de reusachtige Bella er in vredesnaam ooit in kon slagen een paard te bestijgen. ‘Je hoeft alleen maar voor me uit te zoeken of er een verband bestaat tussen paarden en vossen, of tussen vossen en de dood.’ Ze zuchtte en sloot haar ogen toen Bella haar met een nieuwe vraag in de rede viel. ‘Bella, ik heb geen idee waarnaar je precies moet zoeken. Probeer er gewoon achter te komen of vossen en paarden, en in het bijzonder hengsten, iets met elkaar gemeen hebben.’ Thóra begreep dat ze duidelijker zou moeten zijn. ‘Het punt is dat er een man is gevonden die in een stal is doodgetrapt door een hengst. Er was een dode vos op zijn lichaam vastgebonden. Daar moet een reden voor zijn.’

Matthew knipoogde en lachte naar Thóra. Hij was op de hoogte van de wrijving tussen haar en haar secretaresse en vond het leuk om mee te luisteren, al verstond hij er geen woord van. ‘Doe haar de groeten van me,’ fluisterde hij.

Thóra trok een gezicht naar hem. ‘Ja, ja, Bella. Je vindt heus wel iets. Je hebt het op het kerkhof ook prima gedaan en ik weet zeker dat het je nu ook weer gaat lukken. En je moet de groeten hebben van Matthew.’ Terwijl ze dit zei, glimlachte ze liefjes naar hem. ‘Wanneer we terug zijn wil hij dolgraag een keer met je naar de manege. We hebben vandaag ook stallen bezocht en daar was hij helemaal weg van. Hij kan bijna niet wachten om een keer een stal uit te mesten en paarden te voeren. Duitsers zijn dol op IJslandse paarden.’ Ze nam afscheid en wendde zich tot Matthew. ‘Bella heeft je uitgenodigd een keer met haar naar de manege te gaan wanneer we weer terug zijn in de stad,’ zei ze. ‘Ze laat je de groeten doen.’

‘Ha, ha,’ zei Matthew. ‘Om te gillen. Hopelijk heb je haar verteld over de warme ontvangst die jij kreeg toen we de stallen bezochten. Je hebt – wat? – drie woorden kunnen zeggen voordat Rósa helemaal uit haar plaat ging.’

‘Je moet toch toegeven dat ze nogal vreemd reageerde,’ zei Thóra, ‘hoe ongepast de vraag misschien ook was. Ik moet erachter zien te komen wat haar relatie is met Jökull.’

‘Ze reageerde wel een beetje overdreven,’ gaf hij toe, ‘maar ik had je gewaarschuwd dat je je er niet mee moest bemoeien.’

‘Het grappige is dat ik juist beleefd probeerde te blijven omdat ik vond dat Bergur zo lelijk tegen haar deed,’ zei Thóra. ‘Naar die jongen in de rolstoel vragen was het enige wat ik zo snel kon bedenken.’

‘Ja, jammer,’ zei Matthew. ‘Kun je er niets over vinden op internet? Zijn verwondingen zijn duidelijk niet aangeboren; ze zien eruit alsof hij ze in een brand heeft opgelopen, en branden komen meestal wel in het nieuws. Vooral als er gewonden bij vallen. Misschien kun je wat oude verhalen vinden op websites van kranten.’

‘Ja, dat zou ik kunnen proberen,’ zei Thóra. ‘Het zou alleen zoveel gemakkelijker zijn als ik iemand kon vinden die het me kon vertellen. Ik weet niet waar ik moet zoeken; ik weet niet eens of het tien jaar of een maand geleden is gebeurd. De kranten vermelden bijna nooit verwondingen – ze zeggen eerder dat een slachtoffer in kritieke toestand verkeert, zwaargewond is of het naar omstandigheden goed maakt. Daar komt bij dat ik niet eens weet of het om een huisbrand gaat of dat die jongen gewoon in een geiser is gevallen.’ Ze zuchtte. ‘En ik moet echt proberen om die arme Jónas te helpen.’

‘Als je dat kunt,’ bromde Matthew. ‘Je moet toch toegeven dat hij schuldig zou kunnen zijn.’

‘Ja, helaas wel,’ zei ze. ‘Maar ik ben er vrij zeker van dat hij die moorden niet heeft gepleegd.’

‘Maar wie dan wel?’ vroeg Matthew. ‘Het zou er stukken beter uitzien als er nog een verdachte was.’

Thóra dacht na. ‘Bergur zou een goede kandidaat zijn, alleen zou ik niet weten waarom hij Eiríkur zou hebben willen vermoorden.’ Ze beet op haar lip. Ze stonden tegen Matthews huurauto geleund op het parkeerterrein van het hotel, waar Thóra naartoe was gelopen om Bella te bellen. ‘Iedereen die bij de seance was kunnen we toch zeker wel uitsluiten?’ peinsde Thóra. ‘Die was volgens de politie nog aan de gang op het moment dat Birna werd vermoord.’

‘Weten we het exacte tijdstip van overlijden dan al?’ vroeg Matthew.

‘Thórólfur zei dat het afgelopen donderdag tussen negen en tien uur moet zijn gebeurd,’ antwoordde ze. ‘Dat zal hij wel op de lijkschouwing hebben gebaseerd. Het klopt ook met het sms’je waarin haar wordt gevraagd om negen uur naar het strand te komen.’ Ze zuchtte. ‘De seance begon om acht uur. Wij hebben er vanaf het strand ongeveer een halfuur over gedaan, dus als de moordenaar de seance te voet heeft verlaten, kan hij nooit op tijd terug zijn geweest voor de pauze om halftien. De oprijlaan naar het hotel was opengebroken, dus niemand kon er met de auto komen en het zou te lang hebben geduurd om eerst naar de weg te lopen.’

‘Weet je wie er bij de seance waren?’ zei Matthew. ‘Het heeft weinig zin een heel gezelschap mensen uit te sluiten als je niet eens weet wie het waren.’

‘Nee, maar Vigdís weet vast wel wie er zouden komen. Zij heeft de kaartjes verkocht,’ zei Thóra. ‘En waarschijnlijk hebben veel mensen met een creditcard betaald, dus zo kunnen we ook nog wel wat namen te weten komen.’

‘Kun je je niet beter concentreren op de mensen die in aanmerking komen als verdachte, in plaats van op de mensen die het zeker niet hebben gedaan?’ opperde hij.

‘Ja, maar op deze manier kan ik veel mensen uitsluiten. En het bezorgt me ook een lijst van mensen die Jónas in de pauze misschien hebben zien lopen en hem een alibi kunnen verschaffen,’ zei Thóra. Ze keek naar een overvliegende zeemeeuw. ‘Tenzij de moordenaar heeft gevlogen,’ zei ze terloops, maar ze schoot meteen overeind. ‘Wat dacht je van de zee?’ zei ze. ‘Denk je dat hij een motorboot kan hebben gehad om mee naar de inham te varen?’

Matthew leek niet erg overtuigd. ‘Is dat niet een beetje link?’ zei hij. ‘Ik heb die inham gezien en ik zou niet graag proberen op dat strand aan land te gaan. Volgens mij kost dat je de bodem van je boot.’ Maar toen schoot hem iets te binnen en hij voegde er bedachtzaam aan toe: ‘Hoewel ik een eindje verderop een betonnen aanlegsteiger heb gezien. Dat zou een mogelijkheid kunnen zijn.’ Hij zweeg en dacht na. ‘In dat geval moet de boot voorafgaand aan de seance aan de hotelsteiger hebben gelegen en herinnert iemand zich dat misschien. Kom, dan gaan we daar even kijken.’

Ze liepen langs het hotel naar de aanlegsteiger, die in een kleine inham ten oosten van het hoofdgebouw lag. Toen ze het eind van de steiger hadden bereikt, draaide Matthew zich om en keek naar het hotel. ‘Niemand kan ons hier zien,’ zei hij, wijzend. Vanaf de plek waar ze stonden konden ze het dak van het hotel zien, maar geen ramen of deuren. ‘Je zou hier ongestoord zo’n beetje alles kunnen doen wat je wilt.’ Hij keek om zich heen. ‘Maar zo te zien wordt de steiger niet veel gebruikt. Er hangen zelfs geen touwen aan de meerpalen.’

Thóra boog zich over de zijkant van de steiger, maar zag geen rubber banden als stootkussens langs de rand hangen, of enig ander teken dat de steiger regelmatig werd gebruikt. ‘Inderdaad,’ zei ze, ‘maar ik ga toch aan Vigdís vragen of zij die avond een boot heeft gezien.’ De wind veranderde van richting en de stank van de gestrande walvis overspoelde hen. ‘Jezus!’ riep Thóra uit, terwijl ze uitkeek over het strand. ‘Daar ligt dat walviskarkas, kijk!’ Ze wees naar een enorme zwarte berg, een eind verderop.

Matthew sloeg zijn hand voor zijn neus en mond, maar tuurde in de richting waarin Thóra had gewezen. ‘Wat is dat in vredesnaam? Ik heb nog nooit zoiets smerigs geroken.’

‘Zullen we even gaan kijken?’ zei Thóra. ‘Als we gewoon dit strand volgen, zijn we er zo.’

Matthew keek Thóra ongelovig aan. ‘Meen je dat nou echt? Jij wilt dus echt naar die weerzinwekkende berg rottend walvisspek gaan kijken.’

‘Ja, natuurlijk wil ik dat. Hij ligt vlakbij,’ zei Thóra, maar toen ging haar telefoon. Ze kreunde even toen ze het nummer zag. ‘Hallo,’ zei ze.

‘Was je nog van plan mijn sms’jes te beantwoorden, of wilde je ze gewoon maar blijven negeren?’ zei haar ex-man kwaad. ‘Ik heb geen idee waar je uithangt, maar ik ben het een beetje zat verstoppertje met je te spelen. Ik ben niet achterlijk; ik weet heus wel dat je je telefoon hebt uitgezet omdat je ergens zit met de een of andere kerel die je nog maar net kent.’

Thóra verwaardigde zich niet hierop te reageren, maar vond toch wel dat ze iets moest zeggen. ‘Als je heel even je mond zou willen houden, Hannes,’ zei ze, ‘dan kan ik je vertellen dat ik hier voor mijn werk ben en als je ooit de moeite had genomen je buiten de grote stad te wagen, zou je weten dat je niet overal een goede mobiele ontvangst hebt.’ Ze zei dit zonder enige gewetenswroeging, hoewel ze dit zelf ook nog maar sinds een paar dagen wist. ‘Het enige wat ik wil zeggen is dat Gylfi en Sóley ergens vlak buiten Selfoss zitten en moeten worden opgehaald. Sigga is er ook bij.’

‘En wat denk je dat ik daaraan kan doen?’ riep Hannes. ‘Ik werk ook. Ik kan je niet op je wenken bedienen en elk moment voor je klaarstaan.’

‘Kun je ze ophalen of niet?’ vroeg Thóra. ‘Zo niet, dan bel ik mijn ouders en vraag ik of zij het willen doen. Maar ik wil je er wel aan herinneren dat het in wezen jouw schuld is. Als jij niet steeds maar weer “Eye of the Tiger” had lopen zingen, dan waren zij nooit gevlucht.’ Opeens realiseerde Thóra zich dat ze muziek op de achtergrond hoorde. ‘Ik hoor “The Final Countdown”,’ zei ze geschokt. ‘Ben je nu nog steeds SingStar aan het spelen?’

Uiteindelijk stemde Hannes erin toe de kinderen te gaan ophalen en Thóra hing op, boos op zichzelf omdat ze boos op hem was geworden. Ze belde Gylfi om hem te vertellen dat zijn vader hen zou komen halen. Toen vermande ze zich. ‘Dat was even een klein familiedrama,’ zei ze tegen Matthew, die haar vragend aankeek. ‘Laten we naar Kreppa gaan en proberen Birna’s werkplek te vinden.’

‘Graag zelfs,’ antwoordde hij. ‘Zolang ik maar niet naar een dode walvis hoef te kijken. En wie weet? Misschien staan er ergens in het huis nog wel meer namen van vermoorde mensen in hout gekerfd.’

Ze liepen net weer in de richting van het hotel toen Thóra een man zag die naar hen stond te zwaaien. Het was de reisfotograaf, Robin Kohman. Thóra wuifde terug en hij kwam naar hen toe.

‘Hallo,’ riep hij toen zij elkaar naderden. ‘Ik heb jullie gezocht.’

‘O ja?’ riep ze terug, haar pas versnellend. ‘Wij zijn er nogal veel op uit geweest.’

‘Ik vertrek vanavond,’ zei de fotograaf nadat ze elkaar hadden begroet, ‘en ik wilde je Birna’s foto’s nog geven.’ Toen voegde hij er somber aan toe: ‘Ik heb gehoord wat er is gebeurd en ik wilde ze aan iemand geven die haar heeft gekend.’ Hij schudde treurig zijn hoofd. ‘Het is allemaal zo tragisch en ook zo onverwacht in een land als IJsland.’

‘Ja, het is verschrikkelijk,’ zei Thóra. ‘We kunnen alleen maar hopen dat ze de dader snel zullen vinden.’

‘Is de politie al met je komen praten?’ vroeg Matthew. ‘Ik weet zeker dat ze alle hotelgasten willen spreken voordat die vertrekken.’

Robin knikte. ‘Ja, ik heb ze vanmorgen gesproken, maar ik kon ze niets vertellen.’

‘En wilde je de foto’s dan niet aan de politie geven?’ vroeg Thóra. ‘Niet dat wij ze niet willen hebben, natuurlijk.’

‘Nee, ze leken me niet echt relevant,’ zei Robin. ‘Ze hebben in geen geval iets te maken met de moord op Birna. Het zijn doodgewone, onschuldige foto’s.’ Hij glimlachte. ‘Hoewel er wel een eigenaardige bij zit van een dode vos.’

Matthew legde de foto neer. Ze zaten samen met Robin in de bar en op het tafeltje voor hen lag een stapeltje foto’s die Robin uit een grote envelop had gehaald waarop Birna’s naam stond geschreven.

‘Waar is deze genomen?’ vroeg Matthew, wijzend op de dode vos in het midden van de foto. Het magere beest lag op zijn zij in het gras. Zijn tong hing uit zijn bek en zijn dikke bruine pels was vuil en bebloed.

‘Hij lag naast het pad, op weg naar die oude boerderij hier in de buurt,’ antwoordde Robin. ‘Birna had me gevraagd met haar mee te gaan om wat foto’s te maken en toen kwamen we dit arme dier tegen. Birna vroeg me er een foto van te schieten; ze vond hem zo triest. Aan de foto kun je het niet zien, maar alles wees erop dat de vos zich zwaargewond naar die plek had gesleept.’ Robin wees op een wond in de zij van het dier. ‘Hij is waarschijnlijk aan de jager ontsnapt, maar later is de wond hem toch fataal geworden.’

‘Hebben jullie de vos meegenomen?’ vroeg Thóra.

‘Nee, ben je gek?’ zei Robin. ‘We hebben hem met geen vinger aangeraakt. Hij stonk vreselijk.’

‘Denk je dat hij later door iemand anders kan zijn meegenomen?’ vroeg Thóra.

Robin keek verbaasd van haar naar Matthew. ‘Ik begrijp niet helemaal waar deze belangstelling vandaan komt, maar natuurlijk is dat mogelijk. Iedere voorbijganger kon die vos zien liggen.’ Hij trok een vies gezicht. ‘Maar ik kan me niet voorstellen waarom iemand een dood dier zou willen meenemen. Tenzij de pels kostbaar zou zijn.’ Hij keek Thóra aan. ‘Zijn IJslanders zo dol op vossen?’

Ze glimlachte. ‘Nee, niet dol genoeg om dode exemplaren mee naar huis te nemen. Onze belangstelling heeft een heel andere reden, maar het zou te veel tijd kosten om dat allemaal uit te leggen.’ Ze pakte het stapeltje foto’s en begon ze door te nemen. ‘Heeft Birna je verteld waarom ze deze specifieke onderwerpen heeft gekozen?’ vroeg ze aan hem. ‘Ik zie dat er veel foto’s bij zitten van de oude boerderij en het terrein achter het hotel, maar hier zie ik er ook een van een stalen luik en eentje, voor zover ik dat kan zien, van een binnenmuur. Heeft ze daar iets over gezegd?’ Ze overhandigde de foto’s waarover ze het had aan Robin.

Robin bestudeerde de foto’s en knikte. ‘Als ik het me goed herinner, zit dit luik in het weiland bij de oude boerderij, aan de andere kant van de heuvel,’ zei hij. ‘De foto van die muur is hier in de kelder genomen, in het oude gedeelte van het hotel. De dag nadat we eropuit waren geweest om te fotograferen, vroeg ze me deze foto te nemen, maar ze zei er niet bij waarom, en ook niet bij dat luik. Ik dacht dat het iets met architectuur te maken had, maar verder begreep ik ook niet waarom ze die foto’s wilde hebben.’

‘En heeft ze iets over deze steen gezegd?’ vroeg Matthew, terwijl hij hem drie foto’s liet zien van het rotsblok met de inscriptie dat ze achter het hotel hadden gevonden.

Robin bekeek de afbeeldingen. ‘Ja, gek genoeg wel. Ik vroeg haar ernaar terwijl we hem van alle kanten aan het fotograferen waren. Ze vertaalde de dichtregels voor me en omdat ik het nogal ongewoon vond, vroeg ik haar of het een IJslandse gewoonte was om gedichten op rotsblokken te schrijven.’ Hij legde de foto’s neer. ‘Ze zei dat dat niet het geval was en het leek haar nogal te verbazen dat ze die inscriptie op die plek vond.’

‘Maar ze heeft je niet verteld wat zij dacht dat die steen daar deed?’ vroeg Thóra hoopvol.

‘Niet echt,’ antwoordde Robin. ‘Ze vroeg zich af of de regels geschreven konden zijn door de bewoners van de boerderij, of dat er misschien een dichter had gewoond. Ook overwoog ze of er misschien een huisdier was begraven, hoewel de dichtregels haar dan niet echt toepasselijk leken. Ik geloof niet dat ze tot een conclusie is gekomen.’

Matthew trok aan Thóra’s mouw. ‘Dit is wel een interessante,’ zei hij, en hij liet haar een foto zien waarop Birna voor de ingang van het hotel met een oude man stond te praten. Thóra griste hem uit zijn vingers. ‘Misschien stonden ze daar de verbouwing van zijn vakantiehuis wel te bespreken,’ zei Matthew met een ironische ondertoon in zijn stem.

Robin boog zich over het tafeltje heen om te kijken welke foto hun aandacht had getrokken. ‘O ja, die,’ zei hij. ‘Die heb ik gewoon voor de lol genomen. We wilden net op weg gaan naar de oude boerderij toen die man het hotel uit kwam gelopen en tegen Birna begon te praten. Ik weet dat hij een hotelgast is omdat ik hem al een paar keer in de eetzaal heb gezien.’

Thóra knikte. ‘Weet je ook waar ze het over hadden?’

‘Nee, ik heb geen idee,’ zei Robin. Ze spraken IJslands, maar eerlijk gezegd hoefde ik het niet eens te kunnen verstaan om te begrijpen dat het geen vriendelijk gesprekje was. Ik heb ook maar één foto gemaakt, omdat ze al snel ruzie kregen en het me niet gepast leek om verder te fotograferen.’

‘Heeft ze je verteld waar ze ruzie over hadden gekregen?’ vroeg Matthew.

‘Ze mompelde iets over dat mensen hun verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun daden,’ zei Robin. ‘Ze was behoorlijk boos, dus ik heb niet doorgevraagd.’ Hij dacht even na. ‘En toen zei ze iets over oude zonden die vrucht afwerpen, net als oude schulden. Ik begreep er niets van, dus begon ik maar over iets anders.’

Thóra en Matthew keken elkaar eens aan. Magnús Baldvinsson. Oude zonden?

De verpleegster liep naar het bed van de oude vrouw en raakte zachtjes haar schouder aan om haar te wekken. ‘Malla, lieverd,’ zei ze vriendelijk. ‘Wakker worden. Het is tijd voor je medicijnen.’

De oude vrouw deed zonder een woord te zeggen haar ogen open. Ze staarde omhoog naar het plafond, knipperde een paar keer met haar ogen en kuchte zwakjes. De verpleegster wachtte zwijgend af. Ze wist dat de oude dame soms even tijd nodig had om zich te oriënteren. Ze stond rustig naast haar, met een hand op haar broodmagere schouder en een klein plastic bekertje in de andere. Daar zaten de witte en rode pillen in die ze haar moest toedienen. ‘Kom maar,’ zei ze vriendelijk. ‘Dan mag je straks weer lekker gaan liggen.’

‘Ze is bij me geweest,’ zei de oude vrouw opeens. Ze lag nog steeds naar het plafond te staren en had de vrouw die geduldig naast haar bed stond te wachten nog niet aangekeken.

‘Wie?’ antwoordde de verpleegster vaagjes. Ze was wel gewend dat de oude mensen allerlei onzin uitkraamden, vooral wanneer ze nog niet helemaal wakker waren. Het leek soms alsof ze terug reisden naar lang vervlogen tijden, toen ze nog jonger en gezonder waren en niet volkomen hulpeloos.

‘Ze is bij me geweest,’ herhaalde de oude vrouw met een glimlach. ‘Ze heeft het me vergeven.’ Nu keek ze voor het eerst naar de verpleegster op, nog steeds stralend. ‘Ze was helemaal niet boos. Ze was altijd zo lief.’

‘Wat fijn,’ zei de verpleegster sussend. ‘Het is niet goed om boos te zijn.’ Ze schudde het bekertje met pillen. ‘Kom, dan zal ik je overeind helpen, zodat je je pilletjes kunt innemen.’

In plaats van naar de pillen te kijken, bleef de oude vrouw de jonge verpleegster aanstaren. ‘Ik vroeg haar of ze boos was,’ zei ze, ‘en toen zei ze gewoon: “Waarom zou ik boos moeten zijn?”’ Met enige moeite duwde ze zichzelf op haar ellebogen omhoog. ‘Ze was altijd zo lief.’

‘Zal ik het water vasthouden, of kun je dat zelf?’ vroeg de verpleegster, terwijl ze haar hand uitstak naar een glas op het nachtkastje. Ze gaf het water aan haar patiënte.

‘Toen heb ik haar natuurlijk verteld waarom ze boos zou moeten zijn,’ zei de oude dame, die het water en de pillen volkomen negeerde. ‘En ik dacht dat ze altijd al had geweten dat ik erbij was.’ Ze schudde verwonderd haar hoofd en haar witte krullen dansten. ‘Blijkbaar was dat dus niet zo,’ zei ze, en ze sloot haar ogen weer. ‘Maar toch heeft ze het me vergeven.’

‘Daar ben ik blij om,’ zei de verpleegster, terwijl ze het bekertje met de pillen en het waterglas neerzette. ‘Kom,’ zei ze, en ze pakte de vrouw onder haar armen vast, ‘je moet iets verder overeind komen.’ Ze tilde haar in een betere houding. Haar rug was krom en ze kon niet meer helemaal rechtop zitten, maar zo ging het wel. ‘Zo en dan gaan we nu een paar tabletjes innemen.’ Ze pakte de pillen. ‘Er liggen nog meer mensen te wachten, dus we moeten een beetje opschieten.’ Ze hield het glas voor de dunne, bleke lippen van de vrouw.

De oude dame deed haar mond open en liet toe dat de verpleegster de pillen erin liet vallen. Ze kende de gang van zaken en slikte ze pas door toen ze het water had aangepakt. De pillen verdwenen met luidruchtige slokken, waarvoor ze zich niet leek te generen.

Toen ze klaar was, veegde ze met de rug van haar hand haar mond af en keek naar de verpleegster op. ‘Ze was zo lief. Stel je toch eens voor.’

‘Stel je wát voor, lieverd?’ vroeg de verpleegster beleefd, en ze begon zich intussen af te vragen of de oude vrouw ze nog wel allemaal op een rijtje had.

‘Dat ze het me heeft vergeven,’ zei ze, en ze klonk bijna nog verbaasder dan eerst, ‘terwijl ik niets heb gedaan om haar te helpen.’

‘O, maar weet je dat wel zeker?’ De verpleegster glimlachte. ‘Ik weet zeker dat je genoeg voor haar hebt gedaan. Alleen weet je dat niet meer.’

De oude vrouw keek haar boos aan. ‘Natuurlijk weet ik het nog. Ze is gestorven. Hoe zou ik dat ooit kunnen vergeten?’

De verpleegster streelde de vrouw zachtjes over haar spierwitte haar. De arme, oude schat sloeg wartaal uit, precies zoals ze al had vermoed. Een dode vrouw die bij haar op bezoek was gekomen? Ze onderdrukte een glimlach en legde haar weer in een comfortabele houding. ‘Ziezo, Malla, probeer maar weer lekker te gaan slapen.’

Zodra haar hoofd het kussen raakte, deed de oude vrouw haar ogen dicht. ‘Vermoord. Het kwaad is overal.’ Ze smakte met haar lippen en mompelde toen slaperig: ‘Mijn lieveling. Mijn lieve Kristín.’