23
‘En hiervoor heb je me uit bed gesleurd?’ mopperde Matthew, en hij keek om zich heen. Ze stonden in het hoge gras in het weiland achter het hotel. ‘Dit is gewoon gras,’ zei hij.
‘Het gras interesseert me niet,’ zei Thóra, terwijl zij zich over het rotsblok boog dat boven de groene vlakte uit stak. ‘Dit wilde ik zien.’
‘O, ja, in dat geval begrijp ik het helemaal,’ zei hij, terwijl hij naar haar toe liep. Hij schudde zijn hoofd. ‘Dat is een grijze steen, Thóra,’ zei hij. ‘Je hoeft hem niet eens aan te raken om te weten wat het is.’
‘Oké, maar hij hoort hier niet,’ zei Thóra, en ze duwde het gras opzij. De steen was driehoekig, als een enorm stuk Toblerone. ‘Kijk nu eens om je heen,’ zei ze, ‘zie je nog andere rotsblokken in het gras?’
‘Nee,’ moest Matthew toegeven nadat hij om zich heen had gekeken. ‘Het wordt steeds spannender,’ voegde hij er sarcastisch aan toe.
‘Nee, maar nou even serieus,’ zei Thóra, die naar hem opkeek vanuit haar knielende houding. ‘Vroeger deden de mensen heel veel moeite om de stenen uit de weilanden te krijgen. Waarom zouden ze zo’n groot rotsblok als dit er middenin laten staan?’
‘Omdat het te zwaar was?’ opperde hij, en hij hurkte naast haar neer. ‘Of kan het een betoverde elfenrots zijn?’
Thóra schudde haar hoofd. ‘Nee, die waren veel groter; dat waren eerder zwerfkeien.’ Ze stond op en liep naar de andere kant van de steen. ‘Ik ben geen expert, maar volgens mij is deze kant gladgemaakt. Kijk maar.’ Matthew volgde haar en zag dat ze gelijk had. Aan de andere kant was het oppervlak ruw en oneffen, maar hier leek de steen gezaagd of gehouwen en vervolgens gepolijst. Thóra liet haar hand eroverheen glijden. ‘Kijk daar,’ zei ze, opgewonden. ‘Er is iets in gebeiteld.’ Ze duwde het hoge gras aan de kant en ze zagen de verweerde inscriptie in het midden van de rots.
‘Wat staat er?’ vroeg Matthew.
Thóra boog zich eroverheen en tuurde naar de inscriptie. Het eerste wat bij haar opkwam was dat het een grafsteen was, maar ze zag al snel dat er een gedicht in gegraveerd was, geen naam en data. Hardop las ze voor:
een hoeve was ook voor mij bestemd
ook ik had moeten huwen
net als gij.
‘Wat betekent dat?’ vroeg Matthew gretig. ‘Is het iets belangrijks?’
Thóra leunde naar achteren. ‘Ik weet het eigenlijk niet,’ zei ze. ‘Het ziet eruit als een gedicht, maar ik begrijp het niet helemaal.’ Thóra boog zich weer over de steen, om er zeker van te zijn dat ze de tekst goed had gelezen. Ze stond weer op. ‘Ik vraag me af of dit is wat Birna zo dwarszat aan het weiland.’
‘Deze rots?’ Hij lachte. ‘Dat kan ik me niet voorstellen. Je zou hem gemakkelijk weg kunnen halen, dus ik zie niet in hoe deze rots heeft kunnen voorkomen dat dit stuk grond werd bebouwd.’ Hij keek uit over het weiland. ‘Dit is een doodgewoon stuk grasland met een rotsblok erop. Misschien is het gedicht wel van een boer die nogal een hoge dunk had van zijn eigen dichtkunst. Misschien lag hier vroeger wel een bloemperk of lag er een huisdier begraven. Heeft het gedicht iets met dieren te maken?’
‘Al sla je me dood,’ zei Thóra.
‘Waarom denk je dat het gras hier niet gemaaid is?’ vroeg Matthew opeens, terwijl hij naar beneden keek. Het gras stond zo hoog dat hij niet eens zijn eigen schoenen kon zien.
‘Wat?’ zei Thóra. ‘Waarom wel? Het ziet er geweldig uit. Heel natuurlijk.’
‘Het gras in het weiland aan de andere kant van het hotel wordt wel gemaaid,’ merkte Matthew op.
‘Je hebt gelijk.’ Ze wees naar een klein bergje bruine aarde, een eindje verderop. ‘Wat is dat?’ vroeg ze, en ze begon ernaartoe te lopen.
‘Jouw speurzin kent werkelijk geen grenzen,’ zei Matthew, neerkijkend op het bergje. ‘Kijk nou toch, je hebt een hoopje aarde gevonden.’
‘Ik weet dat het aarde is,’ zei Thóra. ‘De vraag is, wat doet het daar boven op het gras?’
Matthew keek om zich heen. ‘Zo te zien heeft iemand hier staan graven,’ zei hij. ‘Er liggen hier en daar nog wat van die bergjes.’
‘Hoe verklaar je dat? Kan het iets te maken hebben met de nieuwbouw van het hotel?’ Ze begon terug te lopen. ‘Misschien weet Vigdís van de receptie het en misschien kan zij ons ook vertellen waarom dit stuk niet gemaaid is.’
‘Vraag haar dan meteen of Birna nog een andere werkplek had dan haar kamer,’ zei Matthew, die achter haar aan liep.
Ze draaide zich grijnzend om. ‘Begin je soms te denken dat ik op het juiste spoor zit?’
Matthews glimlachje was ondoorgrondelijk. ‘Jij zit zo ver van het spoor als een blinde spoorzoeker.’
Vigdís zat op haar plek in de receptie, maar haar wangen waren rood en koortsig, haar ogen stonden glazig en haar handen beefden. Ze was met haar gedachten zo ver weg dat ze hen pas in de gaten kreeg toen ze luidruchtig kuchten. Ze schrok op en keek hen met open mond aan. Toen smeet ze de telefoon waar ze naar had zitten staren op de haak. ‘Jezus christus!’ zei ze, huiverend.
‘Is alles in orde?’ vroeg Thóra.
Vigdís keek met grote ogen naar haar op. ‘Nee, helemaal niet,’ antwoordde ze met trillende stem. ‘Alles is zo verschrikkelijk niet in orde dat ik gewoon niet meer weet wat ik moet zeggen.’
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Thóra gespannen. ‘Er is toch niet nog een lichaam gevonden?’
‘Nee, dat niet,’ antwoordde Vigdís. ‘Maar ik heb net gehoord wie de dode in de stallen is.’ Haar wangen werden nog roder. ‘Het was Eiríkur,’ zei ze, en ze schudde verdrietig haar hoofd.
‘Eiríkur?’ herhaalde Thóra. ‘Wie is dat?’
‘Wie wás dat,’ verbeterde Vigdís haar. ‘We zullen eraan moeten wennen in de verleden tijd over hem te praten. God, dit is bizar. Eerst Birna en nu Eiríkur.’
‘En dat is…?’ herhaalde Thóra, maar ze haastte zich vervolgens om zichzelf te corrigeren. ‘Wás, bedoel ik.’
‘Hij was de auralezer hier in het hotel,’ antwoordde Vigdís. ‘Een lange vent, mager, kalend.’ Ze kreunde. ‘Dit is niet te geloven.’
Thóra gaf het nieuws door aan Matthew. Omdat ze het Duitse woord voor ‘aura’ niet kende, probeerde ze het uit te beelden, waarop Matthew dacht dat ze een stralenkrans bedoelde. Toen zei Thóra ongeduldig dat ze hem later wel zou uitleggen wat het beroep van de man was geweest. Ze richtte haar aandacht weer op Vigdís. ‘Hoe weet je dat?’ vroeg ze. ‘Heeft iemand je gebeld?’
‘Ja,’ jammerde Vigdís. ‘Zijn zus. Ze hebben een bonnetje van een creditcard in zijn zak gevonden en de naam getraceerd. En toen hebben ze haar gebeld en gevraagd of ze het lichaam kon komen identificeren. Zij was zijn enige naaste familie. Het lichaam is overgebracht naar Reykjavík.’ Ze zuchtte alsof dat nog het allerergste was. ‘Zijn zus was er helemaal kapot van. Ze zei dat hij was doodgetrapt.’
‘Door een paard?’ vroeg Thóra. Toen de politie met Jónas sprak hadden ze geen doodsoorzaak genoemd.
‘Dat heeft ze niet gezegd en ik ben zo geschrokken dat ik er niet aan heb gedacht het te vragen.’ Opeens keek Vigdís doodsbang. ‘Denk je dat het nog wel veilig is om hier te blijven? Wat gebeurt er toch allemaal?’
‘Dat moet iedereen voor zichzelf beslissen,’ zei Thóra, en ze voegde er op geruststellende toon aan toe: ‘Ik denk niet dat er een seriemoordenaar vrij rondloopt, als je dat soms bedoelt. We weten niet eens zeker of die man niet gewoon door een ongeluk om het leven is gekomen. Het kan een ongelukkig toeval zijn.’ Thóra dacht even na. ‘Heeft zijn zus misschien gezegd of de politie zijn dood als verdacht beschouwt?’
‘Nee, daar heeft ze het niet over gehad.’ Vigdís aarzelde. ‘Maar er was wel iets vreemds,’ zei ze. ‘Vlak voordat ze ophing, zei ze dat ik voorzichtig moest zijn. Net alsof ze wilde suggereren dat er iets niet in orde was.’ Vigdís kneep onderzoekend haar ogen tot spleetjes. ‘Maar wie wilde Eiríkur in vredesnaam vermoorden? Hij was niet bepaald een vrolijk iemand, maar hij was geen slecht mens. O, die arme man.’ Ze knipperde met haar ogen en Thóra had het gevoel dat ze er een paar tranen uit probeerde te persen. ‘Misschien had ik wat aardiger voor hem moeten zijn. Maar hij kon zo vreemd doen en hij had de gewoonte om altijd een babbeltje te komen maken wanneer ik het juist heel erg druk had.’
Thóra had geen zin om getuige te zijn van haar aanstellerij en ook niet om haar tijd te verdoen met het troosten van Vigdís. ‘Weet je toevallig of hij een paardenliefhebber was?’ vroeg ze.
‘God, nee, dat geloof ik niet,’ antwoordde Vigdís. ‘Hij zag zo bleek dat hij volgens mij alleen maar naar buiten ging om een sigaretje te roken.’ Toen zei ze resoluut: ‘Nee, hij was beslist geen paardentype.’
‘En had hij… belangstelling voor vossen?’ vroeg Thóra, en ze hoorde meteen hoe stom dat klonk.
‘Vossen?’ zei Vigdís, stomverbaasd. ‘Hoe bedoel je?’
‘O, niks,’ antwoordde Thóra. Nu Vigdís toch al dacht dat ze niet goed bij haar hoofd was, gooide ze er nog maar een vossenvraag tegenaan. ‘En zijn zus heeft het toevallig ook niet over vossen gehad?’
‘Nee,’ zei Vigdís en ze keek Thóra aan met de behoedzame blik van iemand die twijfelt aan de geestelijke gezondheid van degene tegenover haar. ‘Ik heb je alles verteld wat ze heeft gezegd.’
‘Heb je enig idee met welke bedoeling Eiríkur naar de stallen is gegaan?’ vroeg Thóra, en ze nam zich voor om het niet meer over vossen te hebben. ‘Was hij bevriend met Bergur, de boer daar?’
Vigdís trok een wenkbrauw op. ‘Hij was niet met Bergur bevriend,’ zei ze, en ze vervolgde toen veelbetekenend: ‘Maar Birna… Birna en Bergur waren intieme vrienden.’
‘Ja, dat had ik al begrepen,’ zei Thóra en ze zag Vigdís’ roddelstemming verdwijnen als sneeuw voor de zon. ‘Praatte Eiríkur veel met Birna, of had hij het over haar? Waren ze bevriend?’
‘Beslist niet,’ zei Vigdís, zeker van haar zaak. ‘Je kunt je geen twee mensen voorstellen die meer van elkaar verschilden dan die twee. Hij was een beetje, nou ja, ik bedoel…’ Ze weifelde.
‘Je kunt net zo goed vertellen waar het op staat,’ zei Thóra. ‘Het heeft geen zin om net te doen alsof hij een heilige is, alleen maar omdat hij dood is.’
Dit leek Vigdís gerust te stellen. ‘Je hebt gelijk,’ zei ze. ‘Om je de waarheid te zeggen was Eiríkur gewoon een slons. Hij was vies. Hij schoor zich bijna nooit. Hij zag eruit als een zwerver. Hij was een recalcitrant type en ook een beetje een vrek.’ Kennelijk had Vigdís geen enkele moeite om haar roze bril af te zetten. ‘Birna zorgde goed voor zichzelf, zag er altijd goed verzorgd uit. Maar ergens diep vanbinnen was ze heel anders. Heel lief wanneer ze iets van je nodig had, maar anders, vergeet het maar. Ze wond Jónas om haar vinger.’ Eindelijk hield ze heel even haar mond om adem te halen. ‘Zij en Eiríkur hadden één ding met elkaar gemeen: ze waren allebei bezeten van geld. Afgezien daarvan verschilden ze als dag en nacht.’
Thóra knikte ernstig en probeerde niet te laten merken hoezeer ze schrok van zoveel venijn. ‘Dus ze waren nooit samen?’ vroeg ze. ‘Eiríkur wist niet méér van wat haar bezighield dan iedereen?’
‘Nee, absoluut niet,’ zei Vigdís beslist. ‘Al waren ze de laatste twee mensen op aarde geweest, dan had Birna nog niet met Eiríkur willen praten.’
‘Juist, ja,’ zei Thóra. ‘Zeg eens, gedroegen Eiríkur of Birna zich vlak voor hun dood anders dan normaal? Herinner je je of een van beiden iets ongebruikelijks heeft gezegd of gedaan?’
Vigdís dacht even na en schudde toen haar hoofd. ‘Nee, dat kan ik me niet herinneren. Ik weet niet eens meer wanneer ik Birna voor het laatst heb gezien, maar als ze zich vreemd had gedragen, zou ik dat zeker nog weten. De laatste keer dat ik Eiríkur heb gesproken, was toen hij langskwam omdat hij op zoek was naar Jónas.’ Ze sloeg haar hand voor haar mond. ‘O, dat moet vlak voor zijn dood zijn geweest.’
Thóra haalde heel diep adem. ‘En heeft hij Jónas gevonden?’ vroeg ze kalm.
‘Dat weet ik niet,’ antwoordde het meisje. ‘Ik zei dat hij in zijn kantoor moest gaan kijken, maar ik heb niet gezien of ze elkaar hebben getroffen.’
Thóra wist niet wat ze nog meer over Eiríkur kon vragen, dus keerde ze weer terug naar haar oorspronkelijke vraag. ‘Hoe komt het,’ zei ze, ‘dat de westkant van het gazon wel gemaaid is, maar de oostkant niet?’
Vigdís keek vreemd op van de nieuwe richting die Thóra opeens in leek te slaan. ‘Ik heb geen idee.’ Ze kneep haar ogen half dicht. ‘Waarom vraag je dat?’
‘Ik vroeg het me gewoon af,’ antwoordde Thóra. ‘Ik vond het een beetje vreemd.’ Ze voegde er snel aan toe: ‘Weet je misschien of Jónas een paar gaten heeft laten graven om dat stuk grond te testen? Of Birna misschien?’
Vigdís keek haar niet-begrijpend aan. ‘Gaten om de bodem te testen? Bedoel je gewone gaten, die in de grond zijn gegraven?’
Thóra knikte. ‘Gewoon kleine gaten, meer een soort krabbels in de aarde eigenlijk. Ze lijken in elk geval niet gemaakt met speciale grondverzetmachines.’
Vigdís schudde driftig haar hoofd. ‘Beslist niet. Als er aan iemand was gevraagd om daar te gaan graven, zou ik dat hebben geweten. Ik hou alles in de gaten. Jónas kan soms zo afwezig zijn dat ik alles moet zien en horen wat hier gebeurt.’
‘Had Birna nog ergens een kantoor of een atelier?’ viel Matthew hen in de rede. ‘Behalve haar hotelkamer?’
‘Dat weet ik niet, maar het zou me niet verbazen,’ antwoordde Vigdís. ‘Het gebeurde vaak dat ze niet in het hotel was, zowel ’s ochtends als ’s middags. Dan liep ze niet buiten rond, dus moet ze een andere plek hebben gehad om naartoe te gaan.’ Ze wierp een schuine blik op Thóra. ‘Misschien ging ze dan wel naar Bergur.’
‘Wie weet?’ zei Thóra, met een samenzweerderig glimlachje. Ze keek op haar horloge. ‘Nog een laatste vraag en dan laten wij je met rust: wie maait het gras?’
Vigdís keek haar weifelend aan, haalde toen haar schouders op en antwoordde: ‘Jökull. Hij werkt hier ook als ober.’
‘Meen je dat nou?’ vroeg Jökull, en hij keek om zich heen alsof hij een verborgen camera verwachtte te zien. ‘Je wilt echt weten waarom dat gazon niet is gemaaid?’
‘Ja,’ glimlachte Thóra. ‘Mij is verteld dat dat jouw werk is.’
Jökull trok een chagrijnig gezicht, dat hevig botste met zijn keurige zwart-witte oberkostuum. ‘Ja, dat doe ik om een extraatje te verdienen. Buiten de etenstijden is hier niets voor mij te doen, dus heb ik tijd genoeg om het allebei te doen.’
‘Slim,’ zei Thóra. ‘Maar waarom wordt op die plek het gras niet gemaaid? Komt dat door die grote steen?’
‘Nee, die ligt niet in de weg,’ mompelde Jökull. ‘Er ligt iets anders onder het gras waar de maaier op stukloopt. Iets bobbeligs. De maaier slaat dan altijd af en het is lastig om eromheen te manoeuvreren, dus heb ik besloten daar maar niet te maaien. Ik heb nog geen klachten gehad. Heeft Jónas er iets over gezegd?’
‘Nee, helemaal niet,’ stelde Thóra hem gerust. Ze wilde al weglopen, maar draaide zich nog even om. ‘Kun je ons misschien een schop lenen?’
‘Eerlijk is eerlijk,’ zei Matthew, terwijl hij een schep aarde achter zich gooide. ‘Jij bent werkelijk een unieke vrouw. Voor niemand anders zou ik een schop oppakken.’
‘Sst,’ zei Thóra. ‘Niet kletsen, maar graven.’ Ze stonden weer in het weiland, waar Thóra net zo lang met haar handen over de grond had gevoeld tot ze een heuveltje had gevonden dat Matthew voor haar moest afgraven. ‘Ik weet zeker dat dit iets is.’
Hij kreunde. ‘Dat mag ik hopen.’ Hij stak de schop in de grond en zette zijn handen op zijn heupen. ‘Ziezo.’
Thóra kwam naast hem staan en tuurde in de ondiepe kuil. ‘Het lijkt wel een soort fundering.’
Matthew krabde aan zijn voorhoofd. ‘Voor een gebouw? Denk je dat hier een huis heeft gestaan?’ Hij pakte de spade weer op en schraapte aan weerskanten nog wat aarde weg. ‘Krijg nou wat.’
‘Zie jij wat ik zie?’ zei Thóra terwijl ze zich bukte. Ze kwam weer overeind en toonde hem haar handpalm. ‘As.’ Ze keek Matthew aan. ‘Dit gebouw is afgebrand.’
‘Zoals op die kindertekening?’ vroeg Matthew. Hij zweeg even en zei toen: ‘Stond er op die tekening niet iemand in het brandende huis?’