21
Thóra had het gevoel dat ze minstens een halve eeuw terug was gegaan in de tijd. Ze zat in een woonkamer die volgepropt stond met glanzend gewreven meubels.
‘Jónas vindt het bijzonder spijtig dat dit niet ter sprake is gekomen bij de ondertekening van de aktes,’ zei ze en ze hoorde de veren van de oude bank kraken toen ze naar achteren leunde. Het was een indrukwekkend meubelstuk met een uitzonderlijk diepe zit, en toen ze eindelijk de rugleuning van de bank raakte, besefte ze opeens hoe raar ze erbij zat, dus ging ze snel weer rechtop zitten. De bank was zo groot dat haar voeten nauwelijks de grond raakten.
Börkur en zijn zus Elín hadden haar eerder die ochtend gebeld en haar uitgenodigd naar hun huis in Stykkishólmur te komen. Thóra had besloten op hun uitnodiging in te gaan, in plaats van ze naar het hotel te laten komen. Ze was blij dat ze even weg kon en hoopte dat de verandering van omgeving haar zou helpen alles helder op een rijtje te krijgen.
Het huis was een van de mooiste in de stad. Het was duidelijk door een bemiddeld man gebouwd en uitstekend onderhouden. Waarschijnlijk was het huis van hun overgrootvader geweest, dacht Thóra. Hij had geld verdiend aan de schoenervisserij en was zo verstandig geweest zijn bedrijf te verkopen voordat de trawlers het overnamen. Toen ze voor het huis stonden had Matthew zijn bewondering erover uitgesproken. Het zag er prachtig uit, met witgeschilderde gevels, raamkozijnen en goten. Omdat het gesprek in het IJslands zou plaatsvinden, had hij ervoor gekozen de stad te gaan bekijken, zodat Thóra hier in haar eentje zat onder de waakzame blikken van Börkur en Elín, die tegenover haar zaten, met hun handen gezaghebbend op de leuningen van hun sierlijke stoelen.
‘Dat zijn oudewijvenpraatjes. Die zijn toch niet van belang bij een moderne zakelijke overeenkomst. Geesten van aan hun lot overgelaten kinderen! Wat moet ik daar nou van zeggen?’ zei Börkur laatdunkend. ‘Bovendien vraag ik me af of het verschil had gemaakt als hij het wel had geweten. Die man had alleen maar belangstelling voor het sluiten van de overeenkomst. Hij had niet eens belangstelling voor de zalmtrek in de rivier.’
‘Gezien de aard van zijn onderneming weet ik zeker dat dit heel belangrijk voor hem zou zijn geweest,’ wees zij hem beleefd terecht. ‘Zalm zou in dit geval van secundair belang zijn, maar het bovennatuurlijke beslist niet.’
Börkur snoof smalend. ‘En wat wil hij nou eigenlijk, op grond van deze onzin? Dat we iets van de prijs af doen?’
‘Ja, bijvoorbeeld,’ antwoordde Thóra. ‘Dat zou een mogelijkheid zijn.’
‘Zoiets heb ik nog nooit gehoord,’ blafte hij. ‘We moeten een advocaat in de arm nemen.’ Met zijn gezicht op onweer wendde hij zich tot zijn zuster.
Elín, die onbewogen naast hem zat, antwoordde: ‘Kunnen we dit niet samen verder bespreken? Ik weet zeker dat we tot een oplossing kunnen komen.’ Ze wendde zich tot Thóra. ‘Denkt u ook niet? Of heeft Börkur gelijk?’
‘Als ik dacht dat de enige oplossing een korting of schadevergoeding was, had ik u wel een brief van die strekking gestuurd,’ antwoordde Thóra. ‘Ik ben hier om de kwestie te bespreken en te kijken of we er niet op een andere manier uit kunnen komen.’
‘Schadevergoeding,’ mompelde Börkur. ‘Ik ben degene die schadevergoeding zou moeten eisen. Ik zou nu aan het werk moeten zijn, in plaats van hier dit belachelijke gesprek te voeren.’
‘Ach, hou toch op,’ zei zijn zuster geërgerd. ‘Ik wil wedden dat je personeel blij is even van je af te zijn. Waarschijnlijk gaan ze op dit moment met de pet rond zodat ze je kunnen betalen om weg te blijven.’
Börkur werd knalrood, maar verkoos niet te reageren. In plaats daarvan richtte hij zich weer tot Thóra. ‘Dit is mijn antwoord,’ beet hij haar toe. ‘Zeg maar tegen Jónas dat al dat achterlijke gedoe ons geen donder interesseert en dat dat voor iedereen zal gelden. Ik kan me niet voorstellen dat er ook maar één rechter zal zijn die schadevergoeding zou toekennen vanwege een géést.’ Zwaar ademend voegde hij eraan toe: ‘Het zal hem al moeite genoeg hebben gekost om jou te vinden, een advocaat die bereid is zo’n onzinnige zaak aan te nemen.’
Thóra voelde zich aangesproken door de suggestie dat zij een derderangs advocaat zou zijn, maar besloot haar mond te houden. Ze wist dat het verliezen van je zelfbeheersing de beste manier was om een twistgesprek te verliezen. ‘De beslissing is vanzelfsprekend geheel aan u,’ zei ze rustig, ‘maar ik wil u er wel aan herinneren dat rechters het erg vervelend vinden als mensen niet hun uiterste best doen hun geschillen op te lossen alvorens ze voor de rechtbank uit te vechten. Rechtbanken zijn een laatste toevlucht, geen eerste stap.’
Elín legde haar hand op die van haar broer, die hij om de gebeeldhouwde leuning van zijn stoel geklemd had. ‘Ik begrijp het,’ zei ze tegen Thóra. ‘Maar hoe kunnen we dit anders oplossen? Wat stelt u voor?’ Ze wendde zich met een bemoedigend glimlachje tot haar broer. ‘Wij staan open voor suggesties.’
‘Zullen we er dan maar een exorcist bij roepen?’ bromde Börkur. ‘Wat dacht u daarvan?’
Thóra negeerde hem en concentreerde zich op Elín. ‘Moeten we het er eerst niet eens over hebben of u beiden ooit iets hebt gemerkt van bovennatuurlijke verschijnselen op die plek?’
‘Ja, waarom niet,’ antwoordde Elín, terwijl ze de vingers van haar broer nog wat steviger omknelde. ‘Daar kan ik kort over zijn. Ik heb daar nog nooit iets vreemds gemerkt, omdat ik er nauwelijks ben geweest. Onze moeder is op Kreppa opgegroeid bij onze grootvader, Grímur. Zijn broer, Bjarni, was de eigenaar van Kirkjustétt, waar het hotel is gebouwd, maar hij is jong gestorven. Als er al verhalen over de boerderij bestonden, dan kan het heel goed zijn dat wij die nooit hebben gehoord.’
‘En u?’ vroeg Thóra aan Börkur. ‘Hebt u ooit iets gemerkt, of verhalen gehoord over geestverschijningen op een van de boerderijen?’
Hij schudde ongeduldig zijn hoofd. ‘Natuurlijk niet. Er is niets te merken of te horen. Ik geloof helemaal niet in die onzin. En ik heb er nog minder tijd doorgebracht dan Elín.’
Thóra richtte zich weer tot de zuster. ‘Hoe komt het eigenlijk dat de boerderijen nog in zo’n goede staat verkeren? Ik heb Kirkjustétt niet gezien voordat het hotel werd gebouwd, maar we hebben een kijkje genomen op Kreppa en ik neem aan dat Kirkjustétt er ook zo uitzag.’
‘Ja, dat is zo,’ antwoordde Elín kalm. ‘Wij hebben de hoeves altijd goed onderhouden.’ Ze gebaarde om zich heen naar de kamer waarin zij zaten. ‘Dit huis is al in de familie sinds mijn overgrootvader het heeft gebouwd. We gebruiken het altijd wanneer we dit deel van het land bezoeken. Het is veel huiselijker en ligt niet zo afgelegen als die twee oude boerderijen. Mijn broer en ik komen hier niet vaak, maar we hadden het gemakkelijk kunnen delen.’
‘Maar waarom hebt u de boerderijen dan ook nog aangehouden? Wat had dat voor zin?’ vroeg Thóra.
‘Tja,’ zei Elín. ‘Toen moeder nog gezond was betekenden die plekken heel veel voor haar. Ze wilde niets veranderen en alles houden zoals het was, omdat ze altijd van plan was op haar oude dag terug te gaan naar het platteland. Alleen is dat er nooit van gekomen, omdat de ouderenzorg hier lang niet zo goed is als in Reykjavík.’ Ze hief haar kin. ‘Toen moeder ziek werd hebben we de huizen toch aangehouden, omdat we het idee hadden dat Börkurs kinderen en de mijne ze uiteindelijk konden erven. Hoewel wij tweeën het niet erg vinden dit huis te delen, wisten we dat onze kinderen hier later misschien wel met hun eigen gezinnen wilden komen.’
‘Waarom hebt u ze dan toch verkocht?’ vroeg Thóra. ‘U hebt de boerderijen tientallen jaren goed onderhouden voor uw kinderen, maar toen ze eenmaal volwassen waren hebt u ze toch verkocht.’ Voor de duidelijkheid voegde ze eraan toe: ‘Ik heb uw dochter Berta ontmoet, Elín, en ik neem aan dat uw andere kinderen ongeveer van dezelfde leeftijd zijn.’
Elín glimlachte koeltjes. ‘Zo is het nu eenmaal gelopen. Zelf heb ik maar één dochter, maar Börkur heeft twee zoons. Zij hebben nooit enige belangstelling getoond voor Snaefellsnes, dus is het niet meer nodig de boerderijen aan te houden.’
‘En Berta dan?’ vroeg Thóra. ‘Ik heb haar hier ontmoet en het klonk alsof ze hier best vaak komt.’
Elín liet weer datzelfde kille glimlachje zien. ‘Berta brengt hier veel tijd door, dat is waar. Maar Börkur en ik hebben afgesproken dat ik zijn deel van dit huis van hem koop en het is niet nodig dat mijn dochter en ik twee huizen in West-IJsland bezitten. Het is voldoende voor de familie om al die andere boerderijen in bezit te hebben. We zijn zelfs van plan ze stuk voor stuk van de hand te doen.’
‘Bezit u dan nog meer boerderijen in deze omgeving?’ vroeg Thóra.
‘Jazeker,’ antwoordde Börkur, en ze zag zijn borst zwellen van trots. ‘Behoorlijk wat zelfs.’
Thóra fronste haar voorhoofd. ‘Waarom hebt u Jónas er daar dan niet een van verkocht?’ vroeg ze verbaasd. Het scheen haar toe dat de meeste mensen bezittingen met sentimentele waarde juist als laatste zouden verkopen.
‘Jónas was op zoek naar landbouwgrond met een oud huis erop,’ antwoordde Börkur nors. ‘En toen hij hoorde dat er niet één boerderij op stond, maar twee, wilde hij de grond meteen graag kopen.’
‘Zoals u weet, heeft hij ons een heel goede prijs geboden,’ voegde Elín eraan toe. ‘Het was gewoon tijd om de knoop door te hakken.’
Thóra vroeg zich af of ze nog verder kon vragen naar hun redenen om de boerderijen te verkopen. Ze was nog niet echt overtuigd, vooral gezien Elíns koele manier van doen. Om de vrouw niet te provoceren door nog meer vragen te stellen, begon ze over iets anders. ‘Wist u iets over de geschiedenis van de boerderijen?’
‘Of wij daar iets van wisten?’ herhaalde Elín. ‘Natuurlijk wisten we dat, maar helaas ben ik niet zo goed in dingen als geschiedenis en genealogie.’ Ze liet Börkurs hand los. ‘Hetzelfde geldt voor mijn broer, ben ik bang.’
Börkur ging iets rechter zitten en schraapte zijn keel. ‘Ik ben altijd van plan geweest het eens goed uit te zoeken, maar ik heb er nooit de tijd voor gehad.’
‘Maar u zult in de loop der jaren toch wel verhalen hebben gehoord van uw moeder?’ drong Thóra aan. ‘Herinnert u zich geen verhalen meer over de boerderijen?’
‘Onze moeder had het met ons nooit over haar leven hier,’ antwoordde Elín. ‘Ze was nog heel jong toen ze samen met grootvader naar Reykjavík verhuisde.’ Elín keek naar haar schoot. ‘Het is geen geheim dat haar leven niet over rozen is gegaan. Kristrún, onze grootmoeder, overleed toen mama nog een baby was en wij hebben altijd begrepen dat grootvader niet bepaald een modelvader was. Hij had wat problemen, om het zo maar te zeggen, en na de dood van grootmoeder is het nooit meer helemaal goed met hem gekomen. Ik heb helaas geen enkele herinnering aan hem, dus ik kan er zelf niet over oordelen, maar hij was vast geen slecht mens.’
Thóra fronste. ‘Waarom zegt u dat zo? Mishandelde hij uw moeder?’ Kon dit het incestverhaal zijn waarover Sóldís het had gehad?
‘Op een bepaalde manier wel, ja,’ antwoordde Elín. ‘Hij pleegde zelfmoord toen moeder nog maar negentien was en ik weet zeker dat ik nooit zou willen dat mijn eigen kind mij dood zou vinden, dus naar mijn idee was hij geen goede vader, wat er verder ook over hem te zeggen valt.’
‘Ach, kom op, zeg,’ protesteerde Börkur opeens. ‘Je weet best dat hij ziek was. Je kunt van iemand die klinisch depressief is geen gedrag verwachten dat door de rest van de maatschappij als normaal wordt beschouwd. Dat is discriminatie.’
Elín keek hem een ogenblik woedend aan. Toen liet ze zich toch enigszins vermurwen. ‘Daar heeft mijn broer natuurlijk wel gelijk in. Ik hou zoveel van moeder dat ik me onwillekeurig verbitterd voel over de manier waarop hij haar in de steek heeft gelaten.’ Ze keek om zich heen. ‘Ik weet zeker dat moeder de boerderij voornamelijk draaiende heeft gehouden omdat alles nog goed was toen ze hier woonde. Pas toen ze naar de stad verhuisden begon grootvaders ziekte zich te openbaren. Ze wilde haar herinneringen aan een gelukkige jeugd vasthouden.’
‘Ik begrijp het. Het moet heel moeilijk voor haar zijn geweest,’ zei Thóra begripvol. ‘Ik heb op de begraafplaats bij de boerderij de grafsteen van uw grootmoeder gezien, maar zo te zien ligt uw grootvader Grímur niet naast haar begraven. Als ik zo vrij mag zijn het te vragen, waarom is dat?’
Elín perste haar lippen op elkaar. ‘Moeder zei dat zij dat na zijn dood zo had besloten. Hij had geen instructies achtergelaten over de plek waar hij begraven wilde worden en zij wilde hem niet hier op Snaefellsnes laten begraven. Misschien wilde ze hem dichter bij zich hebben, want zij woonde toen in Reykjavík.’
Dit leek Thóra een eigenaardig soort logica. Ze maakte het zichzelf wat gemakkelijker op de bank. ‘Kunt u mij eigenlijk iets vertellen over uw oudoom Bjarni, die oorspronkelijk op Kirkjustétt woonde?’
‘Hij is jong gestorven, aan tbc,’ zei Börkur snel, duidelijk blij dat hij de eerste was met een antwoord. ‘Hij had ook al jong zijn vrouw verloren, dus de levens van de broers verliepen volgens eenzelfde patroon. Ze werden allebei jong weduwnaar, en hadden allebei een dochter.’
‘Maar zij is ook gestorven,’ zei Thóra. ‘Zijn dochter, bedoel ik, Gudný. Ook aan tbc, toch?’
‘Ja,’ zei Elín kordaat. Aan haar gezichtsuitdrukking was te zien dat het haar helemaal niet zinde dat ze de controle over het gesprek aan haar broer had moeten afstaan. ‘Ze werden allebei ziek en weigerden naar Reykjavík te gaan om zich in een sanatorium te laten behandelen, zoals ze de tbc-klinieken destijds noemden. Ik heb geen idee of het dan anders was gelopen. Ik weet heel weinig over tuberculose – niets eigenlijk – maar ik weet wel dat grootvader hen zo goed mogelijk heeft verzorgd; hij was arts. Maar helaas was dat niet genoeg.’
Thóra leunde naar voren. ‘Ik moet u iets vragen en ik ben me ervan bewust dat dit misschien niet gemakkelijk voor u is.’ Ze zweeg even. De broer en zus zaten als verlamd te wachten. ‘Ik heb verhalen gehoord over incest op de boerderij. Er wordt beweerd dat Bjarni zijn dochter misbruikte. Kan daar iets van waar zijn?’
‘Nee!’ snauwde Elín. ‘Dat is onzin. Zo zie je maar weer dat mensen destijds niets beters te doen hadden dan smerige verhalen te verzinnen over fatsoenlijke mensen die waren overleden en zich niet meer konden verdedigen tegen roddel en achterklap.’ Toen ze zweeg was haar gezicht vuurrood. Blijkbaar hoorde ze dit niet voor het eerst.
‘Hoe kunt u daar zo zeker van zijn?’ vroeg Thóra voorzichtig. ‘Uw moeder was nog zo jong dat ze er misschien niets van heeft geweten en u zegt zelf dat u uw grootvader niet hebt gekend, dus kunt u ook nooit zijn kant van het verhaal hebben gehoord.’
Elín keek Thóra woedend aan. ‘Ik heb mijn moeder dit verhaal zo vurig horen ontkennen dat er wat mij betreft geen enkele twijfel bestaat. Het is absoluut een verzinsel.’ Ze fronste. ‘Om u de waarheid te zeggen zie ik geen reden om dit gesprek nog langer voort te zetten. Als u geen intelligente vragen meer hebt, dan moesten we er maar een punt achter zetten.’
‘Neemt u mij niet kwalijk,’ zei Thóra nederig. ‘We zullen het hier niet meer over hebben.’ Om te verhinderen dat ze eruit zou worden gegooid, zocht ze wanhopig naar een ander onderwerp. ‘Weet u toevallig waarover uw grootvader en zijn broer ruzie hadden?’ vroeg ze snel. ‘Ik heb begrepen dat ze elkaar jarenlang niet gesproken hebben.’
Elín was nog te kwaad om te antwoorden, dus deed Börkur dat. ‘Dat had te maken met hun echtgenotes. De vrouwen kregen ruzie en de mannen volgden hun voorbeeld. Ik geloof niet dat iemand weet wat de reden was voor de onenigheid tussen grootmoeder en haar schoonzus, maar het was kennelijk zo serieus dat de broers nooit meer goed met elkaar konden opschieten, zelfs niet nadat beide vrouwen waren overleden. Koppigheid en het koesteren van rancunes zijn eigenschappen die in onze familie veel voorkomen…’
Elín viel hem in de rede. ‘Moeder heeft mij verteld dat onze grootmoeder Kristrún een baby verloor en daar zo van in de war raakte dat zij haar schoonzuster ervan beschuldigde het kindje te hebben vermoord. Die beschuldiging sloeg nergens op; het kind was ziek geweest, maar grootmoeder was destijds geestelijk niet in orde. Bjarni voelde zich erg beledigd door haar beschuldigingen tegen zijn vrouw en hij en grootvader kregen hooglopende ruzie, maar tegen de tijd dat Bjarni overleed hadden ze het alweer goedgemaakt – ik heb gehoord dat grootvader Bjarni heel goed heeft behandeld en hem tijdens zijn ziekte heeft verzorgd, toen niemand anders bij hem in de buurt durfde te komen uit angst voor besmetting.’
Thóra knikte. ‘Weet u ook of er ooit brand is geweest op een van de boerderijen?’ vroeg ze, denkend aan de tekening van het brandende huis, die ze op het kinderbureautje op Kreppa had zien liggen.
‘Brand?’ vroegen ze in koor.
Elín schudde haar hoofd. ‘Nee, niet dat ik weet. Beide boerderijen verkeren nog in hun oorspronkelijke staat.’
Thóra knikte weer. ‘En zegt de naam Kristín u iets, in verband met de boerderijen?’
‘Nee, dat zegt me niets,’ zei Börkur, niet van zijn stuk gebracht door haar verandering van onderwerp. ‘Er zullen wel een paar Kristíns in de omgeving hebben gewoond, maar ik kan me niemand met die naam herinneren.’ Elín schudde haar hoofd. Beiden leken volkomen oprecht.
Heel zorgvuldig formuleerde Thóra haar volgende vraag, waarvan ze verwachtte dat het de laatste zou zijn. ‘Kunt u mij vertellen of een van de broers, of wellicht allebei, tijdens de oorlog met de nationaalsocialisten sympathiseerde?’
‘Nationaalsocialisten?’ echode Börkur, rood aanlopend. ‘Nazi’s, bedoelt u?’
‘Ja,’ zei Thóra.
‘Nou is het genoeg,’ zei Elín, terwijl ze met haar handen op de armleuningen van haar stoel sloeg en opstond. ‘Ik weiger nog meer tijd te verspillen aan deze onzin.’
Thóra stond eveneens op. ‘Nog één laatste vraag, over iets heel anders. U hebt waarschijnlijk gehoord over de vrouw die vorige week is vermoord. Nu is er opnieuw een moord gepleegd, naar alle waarschijnlijkheid gisteravond. Was u op de avonden in kwestie toevallig hier in de buurt?’
In hun woede leken broer en zus griezelig veel op elkaar. De woedende uitdrukking die vrijwel gelijktijdig op hun gezichten verscheen maakte hen opeens zo goed als identiek. ‘Het enige beleefde antwoord dat ik op uw onaangename insinuatie kan verzinnen is: nee, wij hebben geen van beiden ook maar iets met die moorden te maken. En nu wil ik graag dat u weggaat,’ beet Elín haar toe. ‘Geesten, incest, nazi’s en nu ook nog moord. Ik wil niets meer met deze nonsens te maken hebben.’
Buiten stond Matthew nonchalant tegen een lantaarnpaal geleund, maar hij schoot onmiddellijk overeind toen Thóra tevoorschijn kwam. Zodra zij over de drempel was gestapt werd de deur luidruchtig achter haar dichtgesmeten en hij glimlachte ondeugend. ‘Heb je nog naar die jongen met de brandwonden gevraagd?’ zei hij.
‘Nee,’ zei Thóra nors. ‘Zover ben ik niet gekomen.’
Matthews lach werd breder. ‘Maakt niet uit,’ zei hij. ‘Kom mee, ik moet je iets laten zien.’